KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 1 en 2 september 2026 (o.a. Kamerstuk 21501-02-3465)

31 aug 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ea3b1b07d6587965 · officiële bron

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken Nr. 3468 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 2 september 2026 De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Buitenlandse Zaken over het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 13 juli 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3461) en de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 1 en 2 september 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3465). De vragen en opmerkingen zijn op 24 augustus 2026 aan de minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 31 augustus 2026 zijn de vragen beantwoord. De voorzitter van de commissie, Klaver Adjunct-griffier van de commissie, Dekker Inhoudsopgave I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de minister II Volledige agenda I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken (Gymnich) van 1 en 2 september 2026. Zij hebben hierover de volgende vragen en opmerkingen. Russische agressie tegen Oekraïne Oekraïne kende deze zomer een aanhoudende reeks brute Russische bombardementen, waarbij overwegend civiele doelen werden geraakt. Tegelijkertijd zag Europa deze zomer een golf van intimidatie en directe dreiging, tot ver buiten Oekraïne: een drone met een explosief bij een Duitse luchthaven, en herhaalde schendingen van het Roemeense grondgebied door drones die door de Roemeense luchtmacht moesten worden neergehaald. De leden van de D66-fractie veroordelen dit geweld in de scherpst mogelijke bewoordingen en spreken hun onvoorwaardelijke solidariteit uit met Duitsland, Roemenië en alle andere lidstaten die doelwit zijn van deze intimidatie. Voor deze leden staat buiten kijf dat wie zwicht voor dit soort dreiging, Rusland alleen maar aanmoedigt: de steun aan Oekraïne dient onverkort en pal overeind te blijven, juist nu Rusland met intimidatie en dreiging Europa probeert te verdelen en murw te maken. Financiering en bevroren Russische tegoeden De leden van de D66-fractie constateren dat een nieuw financieringstekort voor Oekraïne in het verschiet ligt zodra de huidige EU-lening van 90 miljard euro is uitgeput, en wijzen in dat verband op de eerdere oproep van de Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken om de mogelijkheden voor het gebruik van geïmmobiliseerde Russische Centrale Banktegoeden verder te onderzoeken. Deze leden lezen daarnaast berichten dat België inmiddels aangeeft het voorstel niet principieel af te wijzen om bevroren Russische tegoeden in te zetten voor de financiering van Oekraïne, mits de financiële risico's daarvan Europees breed worden gedeeld. De leden van de D66-fractie zijn groot voorstander van het financieren van steun aan Oekraïne door middel van het vrijgeven van bevroren Russische tegoeden. Deze leden vragen of dit onverminderd de Nederlandse inzet is. Ziet het kabinet, mede gelet op de opstelling van België, ruimte om op relatief korte termijn tot een Europese oplossing te komen, zodat deze niet pas op het allerlaatste moment wordt bereikt en Oekraïne tijdig zekerheid heeft over de financiering van zijn begroting voor de komende periode? Welke stappen is het kabinet voornemens hiertoe tijdens deze Raad te zetten, zo vragen deze leden. Antwoord van het kabinet Het kabinet zet zich - in lijn met verschillende Kamermoties - in voor het aanspreken van de geïmmobiliseerde tegoeden van de Russische Centrale Bank (hierna RCB) voor financiële steun aan Oekraïne. Nederland heeft zich om deze reden – samen met Polen en Spanje – in aanloop naar deze informele Raad aangesloten bij een Zweeds initiatief voor een brief waarin de Commissie wordt opgeroepen om technische expertise beschikbaar te stellen om, in nauwe consultatie met EU-lidstaten, opties voor het gebruik voor de geïmmobiliseerde tegoeden van de RCB te verkennen en de discussie hierover te hervatten.[voetnoot 1] Luchtverdediging tegen ballistische raketten De leden van de D66-fractie onderschrijven het door het kabinet gestelde belang van versterking van de Oekraïense luchtafweer. Deze leden constateren met zorg dat Rusland zijn tactiek aanpast en steeds vaker ballistische raketten inzet, precies omdat de Oekraïense voorraad interceptoren tegen dit type wapen slinkt: bij de aanval op Kyiv van 5 augustus werd geen van de 24 ballistische raketten onderschept, tegen 98 van de 115 drones. Deze leden vinden dat de Europese inzet zich nadrukkelijk moet richten op het aanvullen van deze anti-ballistische capaciteit, naast de reeds toegezegde bredere luchtverdedigingssteun. Nederland is sinds juli met negen andere landen aangesloten bij de Anti-Ballistic Missile Coalition, die met het Freya-systeem een Europees alternatief voor de Patriot moet opleveren. Kan de minister een actuele stand van zaken geven van de voortgang van de Anti-Ballistic Missile Coalition en het Freya-programma, en aangeven op welke termijn deze capaciteit daadwerkelijk operationeel inzetbaar zal zijn? Welke aanvullende rol ziet het kabinet voor de EU als instelling, naast de inzet van de individuele deelnemende lidstaten, in het vrijmaken van middelen en capaciteit voor anti-ballistische hulp aan Oekraïne, zo vragen deze leden. Antwoord van het kabinet Tien landen, waaronder Nederland, hebben tijdens de Coalition of the Willing bijeenkomst op 13 juli jl. in Parijs gezamenlijk de Anti Ballistic Missile Coalition (ABMC) aangekondigd. Zeker nu effectieve luchtverdedigingsmiddelen tegen Russische ballistische raketten schaars en urgent nodig zijn, is dit initiatief van groot belang voor Oekraïne. Het Freya-programma, onderdeel van de ABMC en onder leiding van het Oekraïense bedrijf FirePoint, beoogt binnen een jaar een effectief ballistisch raketverdedigingssysteem op te leveren als betaalbare aanvulling op de schaarse Patriot‑interceptors. Daarnaast is het project ‘Bliksem EXO’ onder de paraplu van de ABMC gebracht. Bliksem EXO is een door de industrie gedreven project uitgevoerd door een consortium van Europese defensiebedrijven onder leiding van het Nederlandse bedrijf Destinus. Zowel Freya als Bliksem zijn gericht op het onderscheppen van ballistische raketten, waarbij Freya is gericht op onderschepping van tactische ballistische raketten binnen de atmosfeer en Bliksem zich richt op het vernietigen van middellange- en intermediate raketten. Momenteel wordt uitgewerkt hoe de betrokken landen de Freyja- en Bliksem EXO-projecten het beste kunnen ondersteunen. Het kabinet ziet een belangrijke rol voor de EU bij het ondersteunen van de Europese defensie-industrie en coproductie door Europese landen en Oekraïne, onder meer doordat Europese bedrijven die betrokken zijn bij de ontwikkeling van ballistische luchtverdedigingsmiddelen gebruik kunnen maken van EU-instrumenten voor de defensie-industrie en innovatie. Ook kan de EU-steunlening voor Oekraïne (Ukraine Support Loan) worden ingezet voor de financiering van luchtverdedigingsmiddelen. Daar waar de Europese industrie nog niet in staat is de gevraagde capaciteiten op korte termijn te leveren, spant het kabinet zich in voor leveranties door derde landen om in de urgente Oekraïense noden te voorzien. Situatie in het Midden-Oosten Iran en de Straat van Hormuz De leden van de D66-fractie lezen dat diplomatieke onderhandelingen volgens het kabinet de meest kansrijke route blijven naar een duurzaam einde van de oorlog en het waarborgen van de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz, en dat Nederland actief betrokken is bij de door Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk geleide Hormuz Coalitie. Deze leden onderschrijven deze diplomatieke inzet: zij beschouwen deze oorlog als heilloos en zinloos, en vinden dat hieraan zo snel mogelijk een einde moet komen. De leden van de D66-fractie wijzen daarnaast op het voortdurende leed van de Iraanse bevolking: ook deze zomer zijn opnieuw meerdere jonge demonstranten door het regime geëxecuteerd. Deze leden vinden dat de EU een grote verantwoordelijkheid heeft om voor deze bevolking op te komen. Kan de minister ervoor zorgen dat de belangen en rechten van de Iraanse bevolking hoog op de EU-agenda blijven staan op de momenten dat er in de diplomatieke inzet richting Iran ruimte is om deze in te brengen, zo vragen deze leden. Antwoord van het kabinet Het kabinet blijft zich in EU-verband inzetten voor mensenrechten in Iran. Zo zijn onder meer tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van juli jl., mede op Nederlands initiatief, mensenrechtensancties aangenomen. Het gaat onder andere om sancties tegen rechters van zogenaamde revolutionaire rechtbanken die verantwoordelijk zijn voor het opleggen van de doodstraf, lijfstraffen en zware gevangenisstraffen aan dissidenten en religieuze minderheden. Gaza en de Westelijke Jordaanoever: E1-nederzettingen en handelsmaatregelen De leden van de D66-fractie spreken hun afschuw uit over het geweld dat deze zomer onverminderd is voortgezet in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Libanon. Zij constateren dat Nederland en de Europese Commissie, samen met een aantal andere lidstaten, een stevige gezamenlijke verklaring hebben ondertekend tegen de door Israël gepubliceerde tenders voor de E1-nederzetting, waarin onder meer bedrijven worden gewaarschuwd voor de juridische en reputatierisico's van deelname. Deze leden constateren tevens dat de discussie over de door de Commissie in juli gepresenteerde opties voor EU-handelsmaatregelen relevant blijft, en dat de nationale maatregel om producten uit onrechtmatige nederzettingen te weren op 22 september aanstaande in werking treedt. Deze leden merken op dat de EU de ontwikkeling van het E1-gebied jarenlang heeft beschouwd als een rode lijn vanwege de verstrekkende gevolgen voor de territoriale samenhang van een toekomstige Palestijnse staat. De EU waarschuwde destijds dat daadwerkelijke vervolgstappen in de ontwikkeling van dit illegale project concrete gevolgen zouden hebben voor de betrekkingen tussen de EU en Israël. Deze leden zijn van oordeel dat, indien Israël de tenders daadwerkelijk doorzet, het moment waarop aan deze waarschuwingen gevolg moet worden gegeven is aangebroken, ondanks de betreurenswaardige vermeende tegenwerking door de voorzitter van de Europese Commissie in dit dossier. Deze leden vinden dat een EU-breed handelsverbod voor producten uit nederzettingen onverwijld moet worden doorgevoerd, en dat Nederland zich ervoor dient in te zetten dat een dergelijke handelsmaatregel met gekwalificeerde meerderheid (QMV) wordt aangenomen. Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de eigen verklaring, mocht Israël de tenders voor de E1-nederzetting daadwerkelijk doorzetten? Is het kabinet bereid zich in te zetten voor een EU-breed handelsverbod voor nederzettingsproducten, en specifiek voor het met gekwalificeerde meerderheid aannemen van een dergelijke handelsmaatregel? Antwoord van het kabinet Het kabinet veroordeelt het besluit om door te gaan met het onrechtmatige E1-nederzettingsplan, waardoor de bezette Westelijke Jordaanoever in feite in tweeën zou worden gesplitst. De uitvoering van de E1-plannen is een duidelijke schending van het internationaal recht en brengt de kans op een tweestatenoplossing verder uit zicht. Nederland en de EU wijzen dergelijke plannen en de uitbreiding van onrechtmatige nederzettingen al lange tijd af. Het kabinet sloot zich daarom op 20 augustus jl. ook aan bij de gezamenlijke verklaring van verschillende regeringsleiders, waarin Israël wordt opgeroepen om het besluit terug te draaien.[voetnoot 2] Nederland blijft zich krachtig inzetten voor een onderhandelde tweestatenoplossing, en roept Israël op geen stappen te ondernemen die dit verder zouden ondermijnen. Zoals bekend zet het kabinet zich in voor EU-brede handelsmaatregelen gericht op de onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden. Of een voorstel voor een dergelijke handelsmaatregel aangenomen kan worden op basis van een gekwalificeerde meerderheid, hangt af van de juridische grondslag waarop een voorstel wordt gebaseerd. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juni jl. en van 13 juli jl. pleitte Nederland reeds voor dergelijke maatregelen.[voetnoot 3] Hiervoor was onvoldoende draagvlak. De discussie is na de RBZ voortgezet op het niveau van Permanent Vertegenwoordigers en wordt vervolgd bij de informele Raad, waarbij Nederland dit standpunt zal blijven uitdragen en zal blijven zoeken naar voldoende draagvlak. Is het kabinet bereid hierin ook formele stappen te zetten door dit bijvoorbeeld te agenderen voor een volgende Raad Buitenlandse Zaken (RBZ)? Op welke manier zet het kabinet zich er tijdens de komende RBZ voor in dat het associatieakkoord wordt opengebroken, en welke stappen zijn hiertoe sinds de vorige RBZ gezet, zo vragen deze leden. Antwoord van het kabinet Zie het antwoord op vraag 4. Sancties tegen kolonisten en verantwoordelijke bewindslieden De leden van de D66-fractie constateren dat Nederland zich blijft inzetten voor Europese sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties, en voor Europese sancties tegen de ministers Ben-Gvir en Smotrich, die Nederland reeds in juli 2025 zelfstandig tot persona non grata heeft verklaard. Deze leden constateren voorts dat Ben-Gvir opnieuw weerzinwekkende, extremistische uitspraken heeft gedaan, en wijzen op de gezamenlijke ministeriële verklaring van onder andere Frankrijk, Canada, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk (VK) en Australië, waarin wordt gesteld dat kolonistengeweld zich in sommige gevallen voordoet onder bescherming van Israëlische veiligheidstroepen en dat nederzettingsuitbreiding plaatsvindt met steun en facilitering van de Israëlische regering. Deze leden constateren dat Ben-Gvir en Smotrich, ondanks hun rol bij het aanjagen van kolonistengeweld, nederzettingsuitbreiding en herhaalde extremistische uitlatingen, nog altijd niet op de Europese sanctielijst zijn geplaatst. Naar het oordeel van deze leden staat dit op gespannen voet met de criteria die de EU elders hanteert bij het sanctioneren van personen die bijdragen aan ernstige mensenrechtenschendingen of ondermijning van de internationale rechtsorde. Op welke termijn verwacht de minister dat dit daadwerkelijk gebeurt, en welke lidstaten houden dit vooralsnog tegen? Antwoord van het kabinet Het kabinet deelt de zorgen over de uitspraken en het handelen van de Israëlische ministers Ben-Gvir en Smotrich. De extremistische uitspraken van beide ministers, onder andere over Palestijnen in de Gazastrook en over de bezetting van de Westelijke Jordaanoever, zijn onacceptabel. Vanwege het handelen van deze ministers heeft het kabinet in juli 2025 beide ministers reeds tot persona non grata verklaard en gesignaleerd in het Schengen Information System (SIS). Nederland zet zich in voor Europese sancties tegen ministers Ben-Gvir en Smotrich. Voor het opleggen van EU-sancties is unanimiteit in de Raad vereist. Een eerder EU-voorstel voor sancties tegen beide ministers kreeg onvoldoende steun. Vooralsnog ziet het kabinet in het Europees krachtenveld onvoldoende beweging om te verwachten dat hierover op korte termijn wel overeenstemming wordt bereikt. Nederland blijft hier desalniettemin onverminderd voor pleiten in de Raad. Is het kabinet bereid zich in te zetten voor sancties tegen andere bij de uitbreiding van nederzettingen betrokken bewindslieden, zoals minister van Defensie Katz? Antwoord van het kabinet Ten aanzien van sancties tegen Israëlische bewindspersonen die verantwoordelijk zijn voor of bijdragen aan ernstige mensenrechtenschendingen, de uitbreiding van illegale nederzettingen of andere handelingen die in strijd zijn met het internationaal recht, wordt per persoon gekeken naar de aard en ernst van de betrokkenheid. Het kabinet sluit, in lijn met de motie-Piri/Paternotte[voetnoot 4], sancties tegen Israëlische bewindspersonen dan ook niet uit. Vooralsnog is voor het sanctioneren van zowel minister Ben-Gvir als Smotrich onvoldoende draagvlak binnen de EU en dit zal naar verwachting ook gelden voor persoonsgerichte sancties tegen andere Israëlische bewindspersonen. Is het kabinet bereid, net als de ondertekenaars van de genoemde ministeriële verklaring, uit te spreken dat het Israëlische leger een rol speelt bij het beschermen en faciliteren van kolonistengeweld, en welke consequenties zou dat volgens het kabinet moeten hebben, zo vragen deze leden. Antwoord van het kabinet Het kabinet ziet dat de Israëlische overheid onvoldoende optreedt tegen gewelddadige kolonisten. Zo is sinds 2019 slechts één kolonist aangeklaagd voor het doden van een Palestijn op de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet benadrukt dat Israël onder het bezettingsrecht en mensenrechtenverdragen een verplichting heeft Palestijnse burgers actief te beschermen tegen geweld. Israël schiet volgens het Internationaal Gerechtshof (IGH) herhaaldelijk en systematisch tekort in het voorkomen en effectief bestraffen van geweld. Dit gebrek aan optreden is volgens het IGH in strijd met Israëls verplichtingen onder het bezettingsrecht en mensenrechten. Het kabinet veroordeelt het geweld tegen Palestijnse burgers en de uitbreiding van nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever, die volgens het advies van het IGH van 19 juli 2024 onrechtmatig door Israël wordt bezet. Nederland pleit bilateraal en in EU-verband voortdurend voor adequaat optreden tegen kolonistengeweld en benadrukt daarbij het belang van onderzoek en verantwoording bij de Israëlische autoriteiten.  Overdracht van handhavingsbevoegdheden aan de politie De leden van de D66-fractie hebben met zorg kennisgenomen van berichten dat minister van Defensie Katz, gesteund door minister Ben-Gvir, het Israëlische leger opdracht heeft gegeven een plan uit te werken om de civiele handhaving op de Westelijke Jordaanoever over te dragen van het leger naar de politie, onder het gezag van Ben-Gvir. Deze leden constateren dat Ben-Gvir dit voornemen zelf omschrijft als een stap richting annexatie. Deze leden constateren dat overdracht van handhavingsbevoegdheden van het leger aan een civiele politiemacht onder rechtstreeks gezag van minister Ben-Gvir een verdere vervaging van de scheidslijn tussen tijdelijke bezetting en permanent bestuur van bezet gebied betekent. Daarbij merken deze leden op dat Ben-Gvir deze stap zelf heeft omschreven als een stap richting annexatie. Is de minister bekend met dit voornemen, en deelt hij de analyse van deze leden dat dit een verdere stap richting annexatie betekent? Antwoord van het kabinet Het kabinet is bekend met dit voornemen en betreurt dit omdat het een tweestatenoplossing verder buiten beeld brengt. Een bezetting is volgens het humanitair oorlogsrecht per definitie een tijdelijke situatie waarbij de controle over dat grondgebied in beginsel door militaire autoriteiten wordt uitgeoefend. In het advies van het IGH van 19 juli 2024 stelt het IGH dat het beleid en maatregelen van Israël neerkomen op annexatie van grote delen van de bezette Palestijnse Gebieden. Daarnaast noemt het IGH dat de maatregelen die ertoe leiden dat bezette gebieden permanent onder de controle van de bezettingsmacht komen, daden van annexatie vormen. Hierbij wijst het IGH specifiek naar de overdracht door Israël van bepaalde bevoegdheden aan een civiel bestuursorgaan binnen het Ministerie van Defensie. Het in de vraag genoemde voornemen lijkt van vergelijkbare aard. Is de minister bereid dit onderwerp in de Raad aan te kaarten en, ook als de uitwerking nog niet volledig concreet is, aan te sturen op een gezamenlijke Europese reactie, zo vragen deze leden. Antwoord van het kabinet Nederland zal aandacht vragen voor de verder verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever. Het toenemende kolonistengeweld, de uitbreiding van illegale nederzettingen en andere besluiten die de Israëlische controle over bezette gebieden verder uitbreiden zijn hiervan zorgwekkende voorbeelden. In dat kader blijft de Nederlandse inzet voor mogelijke EU-handelsmaatregelen relevant, evenals de Nederlandse inzet voor aanvullende EU-sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties en tegen de Israëlische ministers Ben-Gvir en Smotrich. Syrië De leden van de D66-fractie constateren dat Israël recentelijk herhaaldelijk aanvallen heeft uitgevoerd op doelen in Syrië, gepaard gaand met vergaand verharde retoriek richting het land, en buurland Turkije. Deze leden merken op dat deze aanvallen mede lijken te worden ingegeven door de toenemende Turkse aanwezigheid en invloed in Syrië, en daarmee door de Israëlische verhouding tot een NAVO-bondgenoot. Deze motivatie ontslaat Israël naar het oordeel van deze leden niet van de verantwoordelijkheid: het gaat hier om een grove schending van de Syrische soevereiniteit. De leden van de D66-fractie constateren dat Israël herhaaldelijk militaire aanvallen heeft uitgevoerd op Syrisch grondgebied zonder dat sprake is van een oorlogstoestand tussen beide landen. Deze leden merken op dat dergelijke aanvallen een ernstige inbreuk vormen op de Syrische soevereiniteit en op gespannen voet staan met de uitgangspunten van het VN-Handvest. Tegelijkertijd vinden deze aanvallen plaats op een moment waarop Syrië zich in een uiterst kwetsbare fase van wederopbouw en politiek herstel bevindt. Hoe beoordeelt de minister de recente Israëlische aanvallen op Syrië, en is hij bereid deze in de Raad ondubbelzinnig te veroordelen? Antwoord van het kabinet Voor de recente aanvallen van Israël op verschillende doelen in Syrië geldt dat geen beroep op zelfverdediging kan worden gedaan, omdat er op dit moment geen sprake is van een gewapende aanval vanuit Syrië op Israël. Een beroep op zelfverdediging als preventieve of als vergeldingsmaatregel is geen geldige rechtsbasis onder het internationaal recht. Nederland volgt de situatie op de voet, roept alle partijen op tot terughoudendheid om verdere escalatie te voorkomen ten behoeve van regionale stabiliteit en zal dit ook doen tijdens de informele Raad. Daarbij geldt dat, zoals de leden van de D66-fractie terecht constateren, Syrië zich in een zeer kwetsbare fase bevindt, waarbij de aanvallen van Israël een verdere destabiliserende werking hebben. Ziet de minister, mede gelet op de grote rol die de EU speelt bij de wederopbouw van Syrië, kans om te komen tot een gezamenlijk Europees standpunt waarin de Syrische soevereiniteit wordt bekrachtigd en Israël wordt aangesproken op deze schendingen, zo vragen deze leden. Antwoord van het kabinet Zie het antwoord op vraag 11. Nederland heeft in EU-verband het belang van regionale stabiliteit en het voorkomen van verdere escalatie regelmatig onderstreept. Dit blijft onderdeel van de Nederlandse inzet. Effectiviteit van het externe beleid van de EU, inclusief de rol van de EU in multilaterale fora De leden van de D66-fractie constateren dat de Raad tijdens deze sessie van gedachten zal wisselen over de effectiviteit, impact en wendbaarheid van het buitenlandbeleid van de EU, en dat het kabinet daarbij onder meer inzet op het versterken en versnellen van de besluitvormingsprocedures binnen het Gemeenschappelijk Buitenland- en Veiligheidsbeleid (GBVB), bijvoorbeeld door meer besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid. Deze leden onderschrijven deze inzet nadrukkelijk: de huidige praktijk van unanimiteit ondermijnt naar het oordeel van deze leden herhaaldelijk een slagvaardig EU-buitenlandbeleid, zoals ook blijkt uit de dossiers Rusland-sancties en nederzettingen. De leden van de D66-fractie lezen voorts dat het kabinet een meer efficiënte en effectieve EU-inzet in multilaterale fora zoals de Verenigde Naties (VN) verwelkomt, evenals voorstellen voor betere coördinatie en een meer strategisch gebruik van middelen, en dat het kabinet inzet op het vergroten van de effectiviteit van missies en operaties in het kader van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). Deze leden achten een effectieve EU-rol in multilaterale fora van groot belang, gezien de toenemende druk op het multilaterale stelsel. Welke concrete stappen zet het kabinet, samen met gelijkgezinde lidstaten, om de overgang naar meer besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid binnen het GBVB daadwerkelijk te versnellen, en op welke dossiers verwacht de minister op korte termijn voortgang? Antwoord van het kabinet Conform het coalitieakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36848, nr. 31) en de moties Klos[voetnoot 5] zet het kabinet zich, samen met een groep andere EU lidstaten, in voor meer besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid (QMV) binnen het GBVB om de slagvaardigheid van het EU buitenlandbeleid te vergroten. Aangezien een groot aantal lidstaten sterk hecht aan unanimiteitsbesluitvorming, is dit een langetermijnproces. Op de korte(re) termijn pleit het kabinet voor verbeteringen binnen de GBVB-besluitvormingsprocedures. Zo zet het kabinet in op het gebruik van QMV daar waar de verdragen deze stemregel voorschrijven zoals bij het verlengen van sancties, alsook op het gebruik van constructieve onthouding. Het kabinet zal bij de aankomende informele RBZ pleiten voor dergelijke opties binnen de bestaande kaders. Daarnaast pleit het kabinet, samen met andere lidstaten, voor een werkcultuur van onderling vertrouwen en solidariteit. Het kabinet draagt hier in verscheidene discussies en fora aan bij, onder andere door te onderstrepen dat nationale vitale belangen gewaarborgd blijven en in de praktijk 80% van de QMV-besluiten al wordt vastgesteld met consensus. Welke concrete verbeteringen bepleit Nederland voor de coördinatie van EU-lidstaten in multilaterale fora zoals de VN? Antwoord van het kabinet Nederland bepleit meer EU-coherentie binnen de VN met een duidelijkere afweging wanneer lidstaten in EU-verband optreden en wanneer zij dit in regionale groepen of op nationale titel doen. Bij belangrijke VN-kandidaturen roept Nederland op tot betere EU-coördinatie ten behoeve van stemposities. Voorts bepleit Nederland dat de EU meer invloed uitoefent vanuit de grote financiële bijdrages die het levert aan het VN-systeem. Nederland bepleit ook dat de EU-lidstaten inzetten op kernfinanciering aan VN-instellingen (door EU of bilateraal), opdat de VN zo effectief mogelijk kan opereren. Verder is Nederland een drijvende kracht achter een initiatief om door betere coördinatie vanuit de EU de gezamenlijke outreach naar landen in het Mondiale Zuiden te versterken. Dit wordt dit jaar weer toegepast in aanloop naar de AVVN High Level Week in september. Het beoogde resultaat van deze inspanningen is dat de EU meer als een blok optreedt, een breder palet aan partners in het Mondiale Zuiden bereikt en de grote financiële positie beter aanwendt om Europese belangen in de VN te beschermen. Op welke wijze wil het kabinet de effectiviteit van GVDB-missies en -operaties vergroten, en welke missies verdienen daarbij volgens de minister prioriteit, zo vragen de leden van de D66-fractie. Antwoord van het kabinet Om de effectiviteit van GVDB-missies en -operaties te vergroten, pleit Nederland in de EU voor betere aansluiting van deze missies en operaties bij de veiligheidsbelangen van de EU, voor heldere en realistische mandaten en doelen, voor voldoende capaciteiten om deze te bereiken en voor het afschalen of beëindigen van missies waar dat opportuun is. Dit doet het kabinet zowel in brede zin in overkoepelende discussies over het GVDB als op individueel missie- en operatie-niveau, bijvoorbeeld wanneer een mandaat wordt herzien of een nieuwe missie of operatie wordt opgericht. Nederland heeft hiertoe een non-paper opgesteld samen met een aantal gelijkgezinde landen, waarin prioriteit wordt gelegd bij missies en operaties die gericht zijn op de strategische veiligheidsdoelstellingen van de EU, met name in haar directe omgeving, en bij het aanpakken van uitdagingen die een directe bedreiging vormen voor de EU.[voetnoot 6]  Internationaal Strafhof De leden van de D66-fractie constateren dat de Verenigde Staten sancties hebben ingesteld tegen functionarissen van het Internationaal Strafhof (ICC) die het functioneren van het Hof ernstig dreigen te belemmeren. In de Kamerbrief van december 2025 (Kamerstuk 28498, nr. 58) gaf de minister aan dat, indien de Verenigde Staten nieuwe sancties zouden afkondigen die het functioneren van het Hof ernstig belemmeren, het kabinet zich conform de aangenomen moties in EU-verband hard zou maken voor het activeren van de antiboycotverordening. De leden van de D66-fractie constateren dat de Amerikaanse sancties direct raken aan het functioneren van een onafhankelijke internationale rechtsinstelling die bovendien in Nederland is gevestigd. Deze leden merken op dat dergelijke maatregelen niet alleen gevolgen hebben voor individuele functionarissen van het Hof, maar ook voor de praktische uitvoerbaarheid van onderzoeken en procedures. Naar het oordeel van deze leden raakt dit daarmee direct aan de internationale rechtsorde waarvan Nederland gastheer en uitgesproken voorstander is. Het Strafhof is voor deze leden geen bureaucratisch instituut, maar de belichaming van het idee dat niemand, ook machtige staten en hun bondgenoten niet, boven de wet staat: zonder een onafhankelijk hof dat straffeloosheid voor de zwaarste misdaden kan doorbreken, is internationaal recht niet meer dan een vrijblijvende afspraak. Juist die internationale rechtsorde is voor Europa van existentieel belang: in een wereld waarin het recht van de sterkste terrein wint, is het recht zelf het instrument waarmee een middenmacht als Nederland en een blok als de EU hun veiligheid en welvaart beschermen, en het fundament waarop de geloofwaardigheid van Europa rust in zijn verhoudingen met midden- en kleinere machten wereldwijd. Nederland, de Europese Commissie en alle lidstaten dienen het internationaal recht dan ook met hand en tand te verdedigen. Als gastland heeft Nederland hierin naar het oordeel van deze leden een leidende rol te vervullen. Is naar het oordeel van het kabinet het moment aangebroken waarop de aangekondigde inzet uit de Kamerbrief van december 2025 in werking treedt, en is het kabinet bereid in de Raad te pleiten voor een harde, gezamenlijke EU-positie tegen de Amerikaanse sancties, inclusief het inroepen van de antiboycotverordening? Antwoord van het kabinet Nederland keurt de nieuwe sancties tegen ambtsdragers en staf van het Internationaal Strafhof af. Nederland staat pal achter het Hof en zijn medewerkers. Onafhankelijke hoven en tribunalen moeten hun mandaat ongehinderd kunnen uitvoeren. De inzet van het kabinet is er op gericht om het Hof zo goed mogelijk te laten functioneren ondanks toenemende Amerikaanse sanctiedruk. De EU antiboycotverordening is daarbij één van de instrumenten. Nederland dringt steevast aan op een gezamenlijke aanpak in de EU om het Hof te beschermen en in algemene zin stappen te zetten op het terrein van EU-weerbaarheid en autonomie. In dat kader pleit Nederland actief voor het treffen van alle benodigde voorbereidingen voor toepassing van het Blocking Statute. De tot nu ingestelde sancties zijn gericht op individuele ambtsdragers en staf werkzaam bij het Hof. De effecten van de sancties hebben reële gevolgen voor de gesanctioneerden. Hoewel het Hof rekening moet houden met de bestaande sancties, blijft het Hof in belangrijke mate (en mede dankzij Nederlandse inspanningen) in staat om zijn werk te doen. Indien de VS overgaat tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof significant belemmeren zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig – waaronder middels toepassing van het Blocking Statute. Het voorstel tot aan- en toepassing daarvan wordt gedaan door de Europese Commissie, waarbij verschillende aspecten worden meegewogen om het hof zo effectief mogelijk te kunnen beschermen, zoals timing en effecten voor dienstverlening door bedrijven. Nederland en andere Europese partners staan hierover ook in contact met de Commissie. Onderkent het kabinet dat zonder een uitgesproken Nederlandse inzet de Europese Commissie en andere lidstaten vooralsnog niet in beweging komen op dit dossier? Is het kabinet bereid erop te wijzen dat het effect van de Amerikaanse sancties zich niet beperkt tot Nederlandse bedrijven en financiële instellingen, maar zich ook uitstrekt tot onder andere banken in de thuislanden van ICC-functionarissen, en dat andere lidstaten dus evenzeer belang hebben bij een gezamenlijke Europese respons, zo vragen de leden van de D66-fractie. Antwoord van het kabinet Zoals meermaals met uw Kamer is gedeeld, pleit het kabinet al geruime tijd in Europees verband voor maatregelen ter bescherming van het onafhankelijk functioneren van het Hof en ter mitigatie van sancties, en blijft het kabinet dit doen. In EU-verband worden hierop belangrijke stappen gezet, ook door de Europese Commissie en andere lidstaten. Dit werk is echter gebaat bij een zekere mate van vertrouwelijkheid. Wel zichtbaar is de publieke steun vanuit de EU, bijvoorbeeld in de conclusies van de Europese Raad (juni 2026) en de verklaringen van de President van de Europese Commissie en Hoge Vertegenwoordiger Kallas (op International Justice Day 2026). Nederland heeft deze initiatieven sterk aangemoedigd en gesteund. Daarnaast hebben zowel de president van de Europese Raad, de President van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger hun steun uitgesproken voor het Hof na de afkondiging van de laatste Amerikaanse sancties. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Informele Raad (Gymnich) 1-2 september 2026. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen. Oekraïne en Europese veiligheid De leden van de VVD-fractie benadrukken het belang van een onverminderde doorzetting van de steun aan Oekraïne. De veiligheid van Oekraïne is direct verbonden met onze eigen veiligheid en vrijheid. Met het oog op de naderende winter constateren deze leden dat het tekort aan Oekraïense luchtverdediging, en specifiek Patriot-interceptors (PAC-3) tegen ballistische raketten, alarmerend groot is. Doordat de toevoer van antiballistische middelen fors is teruggelopen, lukt het nog maar om een fractie van de Russische raketten te onderscheppen, wat leidt tot een stijging van het aantal burgerslachtoffers en grootschalige schade. Aannemelijk is dat Rusland zijn ballistische raketten de komende maanden in zal zetten om de energie-infrastructuur zo veel mogelijk plat te leggen. Deze leden vragen welke concrete stappen Nederland zet om Europese bondgenoten met Patriot-voorraden die tot dusver achterblijven bij het leveren van militaire steun, zoals Spanje en Griekenland, aan te sporen hun verantwoordelijkheid te nemen en interceptors ter beschikking te stellen. Antwoord van het kabinet Nederland benadrukt continu in alle relevante gremia en in diplomatieke contacten het belang van het beschikbaar stellen van antiballistische luchtverdediging aan Oekraïne, juist gezien de urgente tekorten aan Oekraïense zijde en de aanhoudende Russische luchtaanvallen. Hierbij gaat het erom dat landen met beschikbare systemen en voorraden, waar mogelijk, aanvullende capaciteiten ter beschikking stellen. Nederland brengt deze boodschap zowel in multilaterale fora als in bilaterale gesprekken expliciet naar voren en roept partnerlanden op om Oekraïne te steunen, zowel via de EU als via bilaterale bijdragen. Hoe staat het met de opschaling van de Europese productiecapaciteit van Patriot-interceptors en welke alternatieven worden er onderzocht? Antwoord van het kabinet Nederland zet in Europees verband in op de ontwikkeling van aanvullende antiballistische capaciteit. Tien landen, waaronder Nederland, hebben tijdens de Coalition of the Willing-bijeenkomst 13 juli jl. in Parijs gezamenlijk de Anti Ballistic Missile Coalition (ABMC) aangekondigd. Het Freya-programma, onder leiding van het Oekraïense bedrijf Firepoint, beoogt binnen een jaar een antiballistische luchtverdedigingsraket op te leveren als betaalbaar alternatief voor het schaarse Patriot‑systeem. Tevens is het Nederlandse bedrijf Destinus bij de ABMC betrokken met de ontwikkeling van een ander aanvullend onderscheppingssysteem (project “Bliksem EXO”). Buiten de ABMC werken diverse Europese bedrijven aan de ontwikkeling van andere ballistische luchtverdedigingsmiddelen. Voor de korte termijn blijven Patriot-interceptors de enige effectieve manier voor Oekraïne om zich te verdedigen tegen Russische ballistische raketten. De genoemde Europese projecten vormen daarom een belangrijke aanvulling voor de langere termijn. Nederland zet zich samen met Europese partners in voor de productie en onderhoud van PAC2interceptors in Duitsland en voor onderhoud van PAC3interceptors breder in Europa. Daarnaast zoekt Nederland in samenwerking met de VS naar mogelijkheden verder bij te dragen aan de opschaling van PAC-3 door bijvoorbeeld knelpunten in de toeleveringsketen weg te nemen. Kan de minister toelichten wat de Nederlandse bijdrage is aan de Integrated Anti-Ballistic Missile Coalition en wat de voortgang is van het Oekraïense luchtafweersysteem Freya? Antwoord van het kabinet Zie beantwoording van vraag 2 en 19. Ten aanzien van de Europese financiering willen deze leden weten welke afspraken worden gemaakt over de inzet van de 6,6 miljard euro uit de Europese Vredesfaciliteit (EPF). Hoe waarborgt het kabinet dat deze middelen vooral worden besteed aan militair materieel dat aansluit bij de actuele operationele behoeften van Oekraïne aan het front? Antwoord van het kabinet Op dit moment vindt in Brussel besluitvorming plaats over de besteding van deze EUR 6,6 mld. euro uit de Europese Vredesfaciliteit (EPF). Nederland zet in op een combinatie van compensatie voor reeds geleverde militaire steun aan Oekraïne, nieuwe steun aan Oekraïne en het reserveren van voldoende middelen voor de EU-trainingsmissie EUMAM Oekraïne. Deze verdeling langs drie sporen is in lijn met eerder gemaakte afspraken in EU-verband. Voor het kabinet is militaire steun aan Oekraïne een prioriteit, waarbij de Oekraïense noden leidend zijn. Om die reden stuurt Nederland er op aan dat de afspraken die worden gemaakt over operationalisering van deze middelen deze noden centraal stellen, onder meer door ervoor te zorgen dat de voorwaarden die gelden voor gezamenlijke aanbesteding en coproductie van nieuwe steun aan Oekraïne niet gebonden zijn aan strikte EU-only criteria. Dat wil zeggen dat geld ook kan worden besteed aan inkoop in derde landen indien dit de meest urgente Oekraïense noden dient. Hoe beoordeelt het kabinet het verzoek van Oekraïne om middelen uit het European Union Military Assistance Mission in support of Ukraine (EUMAM)-mandaat te benutten voor het bekostigen van Oekraïense instructeurs en trainingsfaciliteiten op eigen bodem, en welke randvoorwaarden stelt Nederland aan een eventuele aanpassing van dit mandaat? Antwoord van het kabinet Sinds de start in 2022 zijn onder EUMAM in totaal meer dan 96.000 Oekraïense militairen getraind. Hiermee levert EUMAM een belangrijke Europese bijdrage aan de training en opleiding van Oekraïne om zich te verdedigen tegen de Russische agressie. Nederland draagt sinds het begin van de missie bij met stafofficieren en trainers aan zowel grootschalige als specialistische trainingen en speelt doorlopend in op de Oekraïense trainingsbehoefte. De trainingen worden door Oekraïne zeer gewaardeerd. Tevens is het benutten van de kennis en ervaring die Oekraïne zelf heeft opgedaan van groot belang. Nederland steunt daarom een aanpak waarbij lessen uit de oorlog in Oekraïne worden benut voor de verdere ontwikkeling van de trainingsactiviteiten. Voorts vindt het kabinet het van belang dat EUMAM zich blijft aanpassen aan de veranderende behoeften van de Oekraïense krijgsmacht en dat de missie effectief blijft bijdragen aan de militaire ondersteuning van Oekraïne. Ten aanzien van de locatie en vorm van trainingen is het kabinet van mening dat moet worden bezien wat het meest effectief en passend is gegeven de operationele behoeften en de veiligheidssituatie. De mogelijkheid om trainingen dichter bij Oekraïne of in Oekraïne zelf te organiseren wordt in bredere Europese discussies over de toekomst van de missie betrokken. Daarbij moeten de meerwaarde, uitvoerbaarheid en veiligheidsaspecten zorgvuldig worden gewogen. Voorts vragen deze leden hoe de aangekondigde dronedeal van de Europese Commissie van 1 miljard euro vanuit de Ukraine Support Loan zich verhoudt tot het door Nederland mede geleide project voor drones en counter-dronesystemen en welke actie de minister onderneemt richting lidstaten zoals Italië, die hun aanvraag binnen het SAFE-programma nog niet definitief hebben gemaakt. Antwoord van het kabinet De Europese Commissie beoogt met de ‘EU-Oekraïne Drone Deal’ om de samenwerking tussen Europese en Oekraïense bedrijven te vergroten op het gebied van drones. EU-regeringsleiders hebben negen prioritaire capaciteitsgebieden (Priority Capability Areas, ofwel ‘PCA’) vastgesteld. Voor ieder gebied zijn lidstaten aangewezen die een leidende rol hebben. Nederland heeft deze leidende rol – met andere lidstaten – op de PCA drone- en counterdronesystemen en de PCA militaire mobiliteit. De doelstellingen van de nieuwe dronedeal van de Europese Commissie worden meegenomen in de doelstellingen van de PCA drone- en counterdronesystemen. Doordat Oekraïne lid is van deze PCA en de Europese Commissie toehoorder is, wordt de samenhang geborgd. Er ligt geen voorstel van de Europese Commissie voor het gebruiken van de SAFE-leningen voor steun aan Oekraïne. Ook willen de leden van de VVD-fractie aandacht vragen voor het lot van de tienduizenden door de Russen ontvoerde en gedeporteerde Oekraïense kinderen. Deze ontvoeringen vormen een grove schending van het internationaal recht en komen neer op oorlogsmisdrijven. Deze leden vragen welke diplomatieke, financiële en operationele bijdrage Nederland levert aan internationale initiatieven en opsporingsmechanismen die zich inzetten voor de identificatie, lokalisering en daadwerkelijke repatriëring van ontvoerde kinderen. In welke hoedanigheid en met welk specifiek doel is de minister voornemens dit humanitaire en juridische vraagstuk tijdens de informele bijeenkomst in Wicklow bij ambtgenoten en Hoge Vertegenwoordiger Kallas te agenderen? Antwoord van het kabinet Nederland zet zich doorlopend in voor het tegengaan van kinderontvoering en het ondersteunen van repatriëring van ontvoerde kinderen. De Nederlandse inzet is in 2026 geïntensiveerd met een additionele bijdrage van EUR 2 miljoen voor een project uitgevoerd door UNDP voor capaciteitsversterking van de Oekraïense Nationale Politie in de hereniging van de kinderen met hun families en voor psychosociale zorg die aansluit bij hun behoeften, in lijn met de moties van de leden Dobbe en Van Der Werf.[voetnoot 7] UNDP biedt DNA-testen, mobiele forensische apparatuur en training aan de Oekraïense politie, inclusief trainingen op het gebied van traumagerichte communicatie, crisisrespons en het bestrijden van desinformatie. Daarnaast is Nederland vanaf de start actief betrokken bij de International Coalition for the Return of Ukrainian Children, een internationale coalitie voor de repatriëring van gedeporteerde Oekraïense kinderen die inmiddels meer dan vijftig leden telt. Verder financiert Nederland een project van de International Commission on Missing Persons (ICMP) voor versterking van de forensische capaciteit van Oekraïne voor het vinden van vermisten en het vergaren van bewijzen van oorlogsmisdrijven, waaronder ook voor het identificeren van gedeporteerde kinderen. Ook steunt Nederland de inspanningen van de WHO en UNICEF om hulp op het gebied van geestelijke gezondheid te bieden. Nederland vraagt bij herhaling aandacht voor de onrechtmatige deportaties en veilige terugkeer van de ontvoerde kinderen. In dat kader zal Nederland tijdens de high-level-week van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties medeorganisator zijn van het jaarlijkse ministeriele accountability evenement, waarbij aandacht wordt gevraagd voor misdrijven tegen kinderen in Oekraïne, waaronder kinderontvoeringen, indoctrinatie en militarisatie. Dit evenement wordt onder andere samen met de EU georganiseerd en de andere EU-lidstaten zullen worden aangespoord om deel te nemen. Welke verdere stappen zet het kabinet om te verzekeren dat alle verantwoordelijken binnen het Russische staats- en bezettingsapparaat worden vervolgd via het Internationaal Strafhof en speciale tribunalen? Antwoord van het kabinet Het Internationaal Strafhof heeft op 17 maart 2023 arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen (onder meer) de Russische President Poetin en de Kinderombudsvrouw Lvova-Belova in verband met de vermeende onrechtmatige deportatie en overbrenging (als oorlogsmisdrijf) van Oekraïense kinderen naar Rusland. Nederland is zowel op basis van het Statuut van Rome, als de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof, verplicht om een verzoek tot aanhouding en overlevering in behandeling te nemen. Aan die verplichting zal Nederland voldoen indien een verzoek tot aanhouding en overlevering ontvangen wordt. Het Internationaal Strafhof heeft geen rechtsmacht over het misdrijf agressie dat door Rusland gepleegd wordt in en tegen Oekraïne. Het agressietribunaal zal complementair aan het Internationaal Strafhof zijn. Eventuele toekomstige arrestatiebevelen, uitgevaardigd door het Agressietribunaal kunnen parallel aan arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof bestaan. Nederland zet zich er samen met Oekraïne, de Raad van Europa, de EU en andere internationale partners voor in, dat het Agressietribunaal zo snel mogelijk operationeel kan worden. Het kabinet heeft daarom in de ministerraad[voetnoot 8] van 3 juli jl. besloten ook voor de operationele fase van het Agressietribunaal een voorwaardelijk gastlandaanbod te doen. De leden van de VVD-fractie constateren dat het Ierse EU-voorzitterschap het opvoeren van de druk op Rusland als prioriteit heeft gemarkeerd, maar stellen hierbij ook vast dat er vanuit de Europese Unie (EU) nog altijd strategische grondstoffen naar de Russische oorlogsindustrie vloeien. Uit berichtgeving blijkt dat vanuit de raffinaderij in het Ierse Aughinish, eigendom van het Russische Rusal, via tussenhandelaren op grote schaal aluinaarde (aluminiumoxide) naar Russische smelters wordt geëxporteerd, waar het wordt verwerkt tot aluminium voor raketten en pantservoertuigen. De Kamer heeft hier al over gesproken en heeft het kabinet per aangenomen moties ook opgeroepen te pleiten voor het invoeren van sancties op deze export. Deze leden vragen of de minister bereid is om deze handelsstroom tijdens de Gymnich-bijeenkomst bij de Ierse minister van Buitenlandse Zaken en Raadsvoorzitter aan te kaarten. Antwoord van het kabinet Het kabinet is van mening dat de export van aluinaarde naar Rusland vanuit de Unie zo snel mogelijk moet worden aangepakt en blijft zich conform de motie Verkuijlen c.s. hiervoor inspannen binnen de Raad.[voetnoot 9] Deelt het kabinet de opvatting dat het volstrekt onverdedigbaar is dat de import van primair aluminium uit Rusland aan banden is gelegd, terwijl de export van halffabricaten voor aluminiumproductie naar Rusland ongehinderd voortduurt? Kan het kabinet toezeggen zich hard te maken voor een algeheel Europees exportverbod op aluminiumoxide en bauxiet? Antwoord van het kabinet Als het gaat over het verzwaren van de economische druk op Rusland en het ondermijnen van het Russische militair-industrieel complex liggen voor het kabinet alle opties op tafel. Het kabinet is dan ook bereid zich in te spannen voor een verbod op de export van bauxiet met als randvoorwaarde dat hiervoor voldoende draagvlak binnen de Raad moet zijn. Welke aanvullende maatregelen stelt het kabinet voor om sanctie-omzeiling via derde landen aan te pakken, en hoe vordert de inzet om de opbrengsten van bevroren Russische staatsactiva structureel aan te wenden voor Oekraïne? Antwoord van het kabinet De Europese Unie beschikt over een uitgebreid instrumentarium om de omzeiling van de sancties tegen Rusland via derde landen te adresseren. Zo kan de EU gerichte maatregelen instellen tegen betrokken bedrijven, personen en banken in derde landen. In het uiterste geval kan de EU de export van bepaalde goederen naar een derde land in het geheel verbieden. Dit laatste middel is op 23 april jl. voor het eerst ingezet tegen Kirgizië, als onderdeel van het 20ste sanctiepakket. Ook in het 21ste pakket van 23 juli jl. is het anti-omzeilingsinstrumentarium ruim ingezet, met onder meer sancties tegen vier banken en veertien cryptoplatforms in derde landen. Wat het kabinet betreft blijft de EU ook in komende sanctiepakketten gebruik maken van het volledige instrumentarium. Zie voor bevroren Russische tegoeden ook de beantwoording op vraag 1. Midden-Oosten en Golfregio De leden van de VVD-fractie onderstrepen dat vrije doorvaart van strategisch belang is voor Nederland als handelsland. Ook constateren deze leden dat de situatie in het Midden-Oosten averechts doorwerkt op de economische groei in Nederland en op de koopkracht van Nederlanders. Ten aanzien van de situatie in de Golfregio vragen deze leden of het voorstel om het mandaat van EU-operatie Aspides uit te breiden naar ontmijningsactiviteiten in de Straat van Hormuz nog op tafel ligt, en welke rol het kabinet hierin voor Nederland weggelegd ziet. Antwoord van het kabinet Het voorstel van HV Kallas om het mandaat van Aspides uit te breiden naar de Straat van Hormuz had onvoldoende steun van EU-lidstaten. Nederland heeft zich sinds het begin van de Iran oorlog met voorrang gericht op de inspanningen van de brede coalitie van landen onder leiding van het VK en Frankrijk, die destijds al verder gevorderd en voorbereid waren en brede internationale steun genoten. Nederland waardeert en steunt operatie Aspides, onder andere opnieuw met recente associated support bij doorvaart van een Nederlands fregat door het missiegebied, en verwelkomt het zoeken van synergie met andere initiatieven in de regio. Gezien de voortdurende crisis in het Midden-Oosten, blijft het kabinet de opties zorgvuldig beoordelen en evalueren, EU-missies als Aspides incluis. Ten aanzien van de humanitaire situatie in de Gazastrook vragen de leden van de VVD-fractie hoeveel humanitaire hulpgoederen er momenteel feitelijk binnenkomen en op welke wijze wordt toegezien op een gecontroleerde distributie, zodat hulp niet in handen valt van Hamas. Deelt het kabinet de opvatting dat de meest doelmatige en humane manier om gewonde en zieke inwoners van Gaza medische zorg te bieden bestaat uit opvang en behandeling in de regio zelf? Is het kabinet bereid ervoor te pleiten dat er in EU-verband diplomatieke druk uit wordt geoefend op de Golfstaten om meer zieken en oorlogsgewonden toe te laten en te behandelen in hun eigen ziekenhuizen? Antwoord van het kabinet Het aantal vrachtwagens dat wekelijks via Kerem Shalom, de enige geopende grensovergang, binnenkomt schommelt al enkele weken rond de 2.500 en via het door de VN gecoördineerde humanitaire mechanisme komen momenteel wekelijks grofweg 500 vrachtwagens Gaza binnen. Hulporganisaties geven aan dat deze hoeveelheid bij lange na niet voldoende is om in de humanitaire behoeften ter plaatse te voorzien. Bovendien wordt hiermee de afspraak uit het 20 puntenplan van 4.200 vrachtwagens per week niet gehaald. Het kabinet staat in nauw contact met de professionele humanitaire partners over de distributie van hulp en de uitdagingen hierbij. Het kabinet is bekend met signalen dat Hamas hulp frustreert en bemoeilijkt, onder meer door intimidatie en geweld. Er is daarentegen geen verifieerbaar bewijs van systematische en grootschalige diefstal van hulp door Hamas sinds 7 oktober 2023. Het kabinet zal in september uw Kamer informeren over de inzet omtrent medische evacuaties. Voorts hebben deze leden kennisgenomen van de recente berichten dat Hamas bereid zou zijn zichzelf te ontwapenen. Hoe evalueert het kabinet deze ontwikkeling en ziet de minister al concrete aanwijzingen of indicaties dat Hamas zich daadwerkelijk voorbereidt om de wapens neer te leggen? Deelt het kabinet de overtuiging dat een volledige en verifieerbare ontwapening van Hamas een absolute randvoorwaarde is voor het aantrekken van buitenlandse investeringen, het opstarten van grootschalige wederopbouw en het bieden van een duurzaam economisch en politiek toekomstperspectief aan de bevolking van Gaza? Welke diplomatieke instrumenten zet de EU in om deze ontwapening te verwezenlijken? Antwoord van het kabinet De ontwapening van Hamas is, in combinatie met aanhoudende Israëlische militaire activiteit, de verplaatsing van de Gele Lijn en de uiteindelijke terugtrekking van de Israëlische krijgsmacht uit Gaza, al lange tijd het grootste struikelblok voor de verdere uitvoering van het 20-puntenplan van president Trump. Op 31 juli jl. kondigde president Trump aan dat een overeenkomst was bereikt over de ontwapening van Hamas, dat in tandem zou moeten plaatsvinden met de geleidelijke terugtrekking van de Israëlische krijgsmacht uit Gaza. Hamas liet in de media weten zich te kunnen vinden in de inhoud van de overeenkomst. Israëlische premier Netanyahu wees de overeenkomst echter op 9 augustus jl. formeel af. Israël eist volledige ontwapening van Hamas voordat het Israëlische leger zich terugtrekt uit Gaza. Hiermee is er nog geen uitzicht op een einde van deze impasse. De Nederlandse inzet is er op gericht het 20-puntenplan van president Trump te laten slagen. Het kabinet roept daarbij alle betrokken partijen op tot volledige implementatie van het plan. Ten aanzien van het plan voor een driejarige EU-missie ter versterking van de Libanese strijdkrachten en politie, vooruitlopend op het vertrek van UNIFIL in 2027, vragen deze leden wat het kabinet precies verstaat onder de vereiste van een realistische scope, exitstrategie en capaciteit, en op welke punten het huidige Crisis Management Concept nog tekortschiet. Voorziet het kabinet een Nederlandse bijdrage aan deze missie, en hoe wordt gewaarborgd dat de 100 miljoen euro aan steun uit de Europese Vredesfaciliteit voor het Libanese leger niet weglekt of indirect ten goede komt aan Hezbollah? Antwoord van het kabinet Voor de nieuwe EU GVDB-missie, gericht op trainingsactiviteiten, benadrukt Nederland in de gesprekken het belang van een haalbaar en realistisch mandaat, lokaal eigenaarschap bij de initiatieven en de opbouw van capaciteiten en aandacht voor het absorptievermogen van de strijdkrachten en politie. Ook benadrukt Nederland het belang van conditionaliteiten, dat wil zeggen het verbinden van heldere voorwaarden over voortgang aan de steunverlening. Het Libanese leger, ofwel de Lebanese Armed Forces (LAF), is de aangewezen actor om Hezbollah te ontwapenen aangezien het als een van de weinige nationale instituties in Libanon wordt gezien die de Libanese staat en alle bevolkingsgroepen vertegenwoordigd. De LAF is expliciet niet verbonden aan Hezbollah. Bovendien zijn aan steun uit de Europese Vredesfaciliteit voorwaarden en controlemechanismen verbonden, waaronder registratie van de ontvangst van verstrekte non-lethale militaire middelen en trainingen, rapportage over gebruik en inventaris en controles ter plaatse. Bij niet-naleving kan de steun worden opgeschort of beëindigd. Voorts vragen hoe de EU zich inzet om de intensiverende militaire samenwerking tussen Iran en Rusland op het gebied van raket- en dronetechnologie te verstoren. Antwoord van het kabinet Intensivering van militaire samenwerking tussen Rusland en Iran blijft een punt van zorg voor het kabinet. Dat heeft ertoe geleid dat de Raad in 2023 op Nederlands initiatief een sanctieregime heeft opgezet gericht op Iraanse UAV-leveranties aan Rusland. Dit regime is later uitgebreid naar het Iraanse raketprogramma. Sindsdien zijn er verscheidene sanctiepakketten aangenomen gericht op Iraanse lucht- en scheepvaart en Iraanse drone- en raketindustrie. Mede op Nederlands initiatief werden er begin 2026 sancties ingesteld tegen een aantal personen en bedrijven betrokken bij Iraanse UAV-export naar Rusland. Het kabinet zal zich ook de komende tijd blijven inzetten de militaire samenwerking tussen Iran en Rusland tegen te gaan middels verdere sanctiedruk en exportrestricties. China en economische veiligheid Deze leden maken zich grote zorgen over de economische en technologische levenslijn die Beijing aan Moskou biedt. Zonder de grootschalige toevoer van Chinese dual-use goederen, geavanceerde micro-elektronica, optische sensoren, machinegereedschappen, navigatiecomponenten en grondstoffen voor vaste raketbrandstof zou de Russische defensie-industrie haar aanvalsoorlog tegen Oekraïne niet op deze schaal kunnen voortzetten. Deze leden vragen hoe de minister het Chinese bondgenootschap met Rusland en het faciliteren van de Russische oorlogsinspanningen tijdens de informele bijeenkomst aan de orde zal stellen. Is het kabinet bereid binnen de Raad te pleiten voor secundaire sancties tegen Chinese staats- en privébedrijven en financiële instellingen die de sancties tegen Rusland omzeilen of militair bruikbare technologie leveren? Antwoord van het kabinet De Europese Unie beschikt over een uitgebreid instrumentarium om sanctie-omzeiling via derde landen te adresseren, onder meer door gerichte exportbeperkingen en sancties tegen betrokken bedrijven in derde landen. In recente EU-sanctiepakketten tegen Rusland zijn steeds ook maatregelen getroffen tegen bedrijven in verschillende derde landen, waaronder China. Het kabinet zet zich in voor de verdere inzet van het EU sanctie-instrumentarium om omzeiling te adresseren. Deelt het kabinet de opvatting dat economische relaties met China niet los kunnen worden gezien van de actieve steun van Beijing aan de Russische agressie, en op welke wijze wil Nederland het Europese handelsinstrumentarium inzetten om hier grenzen in te stellen? Antwoord van het kabinet Ja, het kabinet deelt deze opvatting. China’s aanhoudende politieke, operationele en materiële steun aan Rusland is een belangrijk punt van zorg binnen zowel de bilaterale als de Europese relatie. Het kabinet heeft grote zorgen over de steun die zowel de Chinese strijdkrachten als diverse Chinese bedrijven leveren aan de Russische strijdkrachten en defensie-industrie ten behoeve van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne. Deze zorgen brengen we regelmatig, en op het hoogste niveau, over aan de Chinese autoriteiten, recentelijk nog door de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tijdens zijn bezoek aan China afgelopen juli. Ook in de EU brengt Nederland dit op samen met diverse gelijkgestemde partners en neemt daarbij het ‘EU (handels)instrumentarium’ mee in de handelingsopties. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 34. Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en stellen het kabinet daarover graag de volgende vragen. Russische agressie tegen Oekraïne De leden van de PRO-fractie lezen in de geannoteerde agenda niets over de toenemende acties van Rusland tegen EU- en NAVO-lidstaten in de afgelopen weken, zoals de aanwezigheid van een zeedrone in de buurt van het Roemeense gasplatform Neptun Deep in de Zwarte Zee afgelopen donderdag. Vier dagen eerder werden Spaanse F-18s in stelling gebracht om een drone in het Roemeense luchtruim neer te halen, en in juli moesten Roemeense F-16s drie Russische drones uit de lucht halen ter verdediging van het eigen luchtruim. De schendingen van de territoriale integriteit van EU- en NAVO-lidstaten zijn onacceptabel. Is het kabinet voornemens om de schendingen bij de Informele Raadsvergadering te agenderen? Wat is de inzet van het kabinet om deze schendingen, en eventuele verdere Russische escalatie, tegen te gaan? Welke nieuwe maatregelen bepleit het kabinet in EU- en NAVO-verband? Antwoord van het kabinet Het kabinet veroordeelt de schendingen van de territoriale integriteit van EU-lidstaten en NAVO-bondgenoten en is solidair met deze partners aan de Oostflank van Europa. Rusland draagt verantwoordelijkheid voor het in gevaar brengen van de veiligheid van deze partners. Dit onderstreept opnieuw dat de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne een directe bedreiging vormt voor de Europese veiligheid. Binnen de NAVO wordt in gezamenlijkheid besloten welke reactie gepast en proportioneel is. De NAVO staat paraat om alle noodzakelijke militaire en niet-militaire middelen in te zetten om het bondgenootschap te verdedigen en Rusland af te schrikken. De aanhoudende schendingen van het NAVO-luchtruim onderstrepen het belang van integratie van verschillende luchtverdedigingsactiviteiten van de NAVO. De vorig jaar opgerichte NAVO-activiteit Eastern Sentry levert hier een belangrijke bijdrage aan. Daarnaast leveren NAVO-bondgenoten, waaronder Nederland, op rotatiebasis een bijdrage aan air policing. Voorts is duidelijk dat additionele anti-drone capaciteit vereist is. In dat kader is Nederland binnen de EU voortrekker van de Priority Capability Area drone- en counterdronesystemen. Deze PCA zet zich in voor meer gezamenlijke aanschaf in dit domein en het opzetten van drone technology hubs. Gezien de omvangrijke agenda van de Informele Raadsvergadering en de beperkte tijd ligt het zwaartepunt voor het kabinet bij het onderstrepen van de dringende noden van Oekraïne en het opvoeren van de druk op Rusland. Situatie in het Midden-Oosten De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het besluit van de Israëlische autoriteiten om de aanbestedingsprocedure te openen voor de bouw van huizen in het E1-gebied. Deze leden hebben tevens kennisgenomen van de verklaring ondertekend door het kabinet en zes andere landen. Is het kabinet voornemens om de Israëlische escalatie bij de Informele Raadsvergadering te agenderen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is het kabinet bereid om de woorden ook in daden om te zetten en zo ja, met welke maatregelen wil het kabinet de Israëlische regering onder druk zetten om van het E1-plan af te zien? Antwoord van het kabinet Het kabinet zal de zorgelijke situatie op de Westelijke Jordaanoever onder de aandacht brengen tijdens de informele Raad. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4, veroordeelt het kabinet het Israëlische besluit om door te gaan met het onrechtmatige E1-nederzettingsplan. Nederland blijft zich krachtig inzetten voor een onderhandelde tweestatenoplossing, en roept Israël op geen stappen te ondernemen die deze verder zou ondermijnen. Het kabinet is bereid zich in te zetten voor EU-brede handelsmaatregelen gericht op de onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden en zal, ook tijdens de aankomende bijeenkomst van de Raad, blijven zoeken naar voldoende draagvlak. Daarnaast treedt de nationale maatregel om producten uit onrechtmatige nederzettingen te weren op 22 september in werking.[voetnoot 10] Wat gaat het kabinet eraan doen om uit te sluiten dat Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de bouw van nederzettingen in het E1-gebied? Antwoord van het kabinet Het kabinet veroordeelt het besluit om door te gaan met het onrechtmatige E1-nederzettingsplan, waardoor de bezette Westelijke Jordaanoever in feite in tweeën wordt gesplitst. Conform het actieve ontmoedigingsbeleid neemt het Ministerie van Buitenlandse Zaken contact op met Nederlandse bedrijven wanneer er aanwijzingen zijn dat activiteiten (of voornemens daartoe) van die bedrijven direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van nederzettingen of die de aanleg of instandhouding direct faciliteren. Het ontmoedigingsbeleid van de Nederlandse overheid is een aanvulling op de eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren. De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het besluit van de Israëlische autoriteiten om geen strafrechtelijk onderzoek te doen naar de dodelijke aanval op humanitaire hulpverleners van World Central Kitchen in 2024. Deze leden hebben tevens kennisgenomen van de verklaring van het VK, Canada en Australië en van het besluit van Polen om de Israëlische ambassadeur op het matje te roepen. Eist de minister samen met deze landen van Israël niets dan de volledige waarheid over de dodelijke aanval en passende vervolging van de daders? Is de minister bereid om tijdens de Informele Raadsvergadering hierin met Polen op te trekken? Zo nee, waarom niet? Antwoord van het kabinet Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van Israël om op nationaal niveau onderzoek te doen naar mogelijke internationale misdrijven gepleegd door Israëlische actoren. Het kabinet ziet momenteel te weinig onderzoek naar en berechting door Israël zelf. Sinds 7 oktober 2023 heeft Nederland Israël daarom stelselmatig op deze verantwoordelijkheid gewezen. In dat licht ziet het kabinet het als eerste stap dat Israël deze onderzoeken heeft uitgevoerd en in twee gevallen overgaat tot strafrechtelijk onderzoek. Tegelijkertijd vindt het kabinet het van belang dat Israël uitlegt waarom in twee gevallen wél en in andere gevallen géén strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Nederland zal de zorgen hierover opbrengen in de Raad. Geweld tegen hulpverleners in Gaza, maar ook in Libanon of waar ook ter wereld, blijft het kabinet grote zorgen baren. Hulpverleners mogen nooit het doelwit zijn van aanvallen of geweld en moeten hun werk veilig kunnen uitvoeren. Nederland blijft zich inzetten voor het bevorderen van accountability en het tegengaan van straffeloosheid. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is noodzakelijk om feiten vast te stellen en eventuele schendingen van het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, te kunnen beoordelen. Onder meer via Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN, zoals de Commission of Inquiry, ondersteuning bij de uitvoering van hun mandaat. Daarnaast steunt Nederland in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Bezette Palestijnse Gebieden met iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het internationaal recht, onder meer tijdens open debatten over het Midden-Oosten in de VN-Veiligheidsraad. Dit gebeurt tevens in Europees verband, bijvoorbeeld tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Overig De leden van de fractie van PRO hebben tevens kennisgenomen van de aankondiging van nieuwe Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof – dit keer tegen onder meer de voorzitter van het Hof. Is het kabinet nu eindelijk bereid om in Brussel te pleiten voor activering van het blocking statute? Zo nee, waarom niet? Antwoord van het kabinet Zie de beantwoording van vraag 16. Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Informele Raad Buitenlandse Zaken Gymnich van 1 en 2 september 2026. Zij hebben hierover enkele vragen en opmerkingen. Afbouw energie import uit Rusland De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de onzekerheid rond de voortgang van de Europese afbouw van Russisch gasimport in aanloop naar het verbod op de invoer van Russisch LNG onder langlopende contracten per 1 januari 2027. In de eerste helft van 2026 ging vrijwel alle LNG uit het Russische Yamal-project nog naar Europese havens, waarbij Frankrijk, Spanje en België tot de grootste afnemers behoorden. België betrok in juli zelfs zijn volledige LNG-import uit Rusland. Ook Nederland staat hier niet buiten. Via de Gate-terminal in Rotterdam kwam in het eerste halfjaar bijna 900.000 ton Russisch LNG binnen. In juli importeerde Nederland nog 144 miljoen kubieke meter Russisch LNG, circa 9,5 procent van de totale Nederlandse LNG-import; meer dan in dezelfde periode vorig jaar. Daar komt bij dat Europese bedrijven de Russische LNG-handel blijven faciliteren, mede als gevolg van uitzonderingen in het meest recente sanctiepakket die het vervoer van Russisch LNG naar derde landen onder bestaande contracten mogelijk blijven maken. Tegen deze achtergrond vragen de leden van de JA21-fractie zich af hoe geloofwaardig de versnelde Europese afbouw van Russisch LNG is, zolang de invoer op deze schaal doorgaat. Hoe beoordeelt het kabinet dat Europese lidstaten nog altijd op grote schaal Russisch LNG importeren? Is het kabinet, mede in het licht van verschillende aangenomen Kamermoties, bereid zorgen over de voortgang van het afbouwpad richting 2027 tijdens de komende Gymnich aan de orde te stellen? Acht het kabinet aanvullende maatregelen mogelijk en noodzakelijk om deze import reeds vóór 1 januari 2027 substantieel terug te dringen en zo ja, op welke maatregelen zet Nederland in? Antwoord van het kabinet Het kabinet vindt het van groot belang dat de import van Russisch gas, zowel in de vorm van LNG als via pijpleidingen, wordt teruggedrongen. Het kabinet heeft daarom, conform de diverse Kamermoties hierover, altijd gepleit voor een importverbod van Russisch LNG, met daarbij de randvoorwaarde dat dit geen onaanvaardbare gevolgen mag hebben voor de leveringszekerheid van de EU. Met het RePowerEU-pakket zijn afspraken gemaakt over de uitfasering van Russisch gas uiterlijk per 2028. Daarnaast voorzien zowel de begin dit jaar aangenomen REPowerEU-verordening als het 19e sanctiepakket van de EU tegen Rusland in een verbod op de import van LNG uit Rusland per 1 januari 2027. De REPowerEU-verordening bepaalt verder dat het vanaf eind september 2027 verboden is om nog Russisch gas via pijpleidingen te importeren. Vanaf die datum geldt dus een totaal verbod op de import van Russisch gas in de EU. Hoewel het kabinet in EU-verband het belang zal blijven benadrukken van het zo snel mogelijk onafhankelijk worden van Russisch gas, ziet het kabinet momenteel geen mogelijkheden om de via RePowerEU wettelijk vastgelegde afspraken aan te passen. Steun aan Oekraïne De leden van de JA21-fractie zijn benieuwd naar de Nederlandse positie ten aanzien van een mogelijke hernieuwde poging tot inzet van de geïmmobiliseerde tegoeden van de Russische centrale bank, waarvan het overgrote deel bij Euroclear in Brussel wordt aangehouden. Deze leden zijn in beginsel zeer terughoudend met het aanwenden van deze tegoeden vanwege de mogelijke juridische en financiële risico’s en de gevolgen die dit kan hebben voor het internationale vertrouwen in de euro. Volgens internationale media heeft de minister van Financiën de discussie hierover opnieuw bij zijn Europese ambtsgenoten geagendeerd. Kan het kabinet toelichten welke vorm van inzet van de Russische centralebanktegoeden het hierbij concreet voor ogen heeft? Op welke wijze tracht Nederland hiervoor opnieuw Europees draagvlak te verwerven, en hoe weegt het kabinet daarbij de risico’s? Antwoord van het kabinet Zie ook de reactie van het kabinet bij vraag 1. Het kabinet blijft cf. de conclusies van de Europese Raad van december jl. pleiten voor het verkennen van opties voor de inzet van de geïmmobiliseerde Russische centralebanktegoeden. Hierbij is van belang dat 1) de opties financieel en juridisch houdbaar zijn; 2) juridische en uitvoeringstechnische risico’s en lasten gezamenlijk worden gedragen; en 3) eventuele stappen in EU-verband worden gezet en in nauwe samenwerking met de G7 genomen worden. De door Zweden geïnitieerde gezamenlijke brief is in lijn met bovenstaande inzet. In de brief wordt opgeroepen om op technisch niveau opties voor het gebruik van de geïmmobiliseerde tegoeden te verkennen. Hierbij zal rekening worden gehouden met financieel-economische en juridische risico’s en zorgen. Eerder geuite zorgen van andere lidstaten zullen ook worden meegenomen in het wegen van de verschillende technische mogelijkheden. Ziet het kabinet draagvlak binnen de EU om dreigende financieringstekorten voor Oekraïne op te vangen door toename van bilaterale financiële hulp door afzonderlijke lidstaten? Antwoord van het kabinet Het kabinet zet zich in om het draagvlak onder Europese lidstaten voor meer bilaterale financiële hulp aan Oekraïne om dreigende financieringstekorten op te vangen te versterken, door andere Europese lidstaten aan te spreken op hun bilaterale, financiële steun. Grote steunpakketten, zoals de EU-steunlening van EUR 90 miljard, worden gegarandeerd via de EU-begroting, waarbij lidstaten naar rato garant staan; dit is een voorbeeld van eerlijke lastenverdeling. Aangezien zulke leningen niet alle noden van Oekraïne dekken, blijft aanvullende bilaterale steun noodzakelijk. Nederland roept daarom in EU-verband, in multilaterale fora en in bilaterale gesprekken andere lidstaten actief op tot burden sharing, ook via bilaterale steun. Daarnaast zet Nederland zich op alle niveaus – onder meer in het Ukraine Donor Platform, de Ukraine Defence Contact Group, in EU- en NAVO-verband en in bilaterale gesprekken – in voor een eerlijke verdeling van de steun aan Oekraïne, inclusief financiële hulp door afzonderlijke lidstaten. Straat van Hormuz De leden van de JA21-fractie lezen in de geannoteerde agenda niets terug over het eerdere voorstel van de Hoge Vertegenwoordiger Kallas om de EU-missie Aspides uit te breiden naar de Straat van Hormuz. Mogen deze leden daaruit afleiden dat dit voorstel niet langer voorligt? Zo nee, wat is de actuele stand van zaken en welke positie neemt het kabinet hierover in? Antwoord van het kabinet Zie beantwoording vraag 29. Toekomst EU-buitenlandbeleid De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de discussie over de toekomst van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) en de positie van de Hoge Vertegenwoordiger. Volgens recente berichtgeving wordt binnen verschillende lidstaten nagedacht over een herziening van de Europese diplomatieke structuur en de verdeling van bevoegdheden tussen de EU-instellingen en de lidstaten. Deze leden achten het van belang dat buitenlandbeleid onder directe politieke verantwoordelijkheid van de lidstaten blijft vallen. Hoe beoordeelt het kabinet deze discussie? Ziet het kabinet aanleiding om de huidige taakverdeling tussen de EDEO, de Hoge Vertegenwoordiger en de lidstaten (in de toekomst) te heroverwegen? En welke uitgangspunten hanteert het kabinet hierbij ten aanzien van subsidiariteit? Antwoord van het kabinet Het kabinet ondersteunt de rol van de EU als geopolitieke speler. Onderdeel hiervan is een vergrote diplomatieke inzet van zowel de lidstaten als de EU instellingen. Hierbij wordt een beroep gedaan op het coördinerend vermogen van de EU om verschillende beleidsterreinen met elkaar te verbinden. Tevens dienen versnippering tussen EU-instellingen en verkokering van mandaten te worden verminderd.[voetnoot 11] Het kabinet onderschrijft betere samenwerking tussen de EU-instellingen op dit vlak en is derhalve actief betrokken bij bredere discussies over de institutionele slagkracht van de Europese instellingen. Het kabinet is voorstander van maatregelen die binnen de huidige verdragen gerealiseerd kunnen worden. Hierbij zijn slagvaardigheid en effectiviteit leidend. II Volledige agenda Brief regering d.d. 22-07-2026, minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen - Verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 13 juli 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3461). Brief regering d.d. 20-08-2026, minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen - De geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 1 en 2 september 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3465). Letter to Kaja Kallas and Helen McEntee: Further use of Russia’s immobilised assets for the benefit of Ukraine | Government.nl https://www.gov.uk/government/news/joint-statement-from-the-leaders-of-the-united-kingdom-france-germany-italy-the-netherlands-canada-and-norway-on-the-e1-west-bank-settlement-plan Kamerstukken 21501-02, nrs. 3451 en 3461 Kamerstuk 21 501-02, nr. 2945 Moties 21501-02-3400; 36866-3; 21501-20-2360 Non Paper CSDP Missions and Operations | Rijksoverheid.nl Kamerstuk 21 501-20-2335 en 36 045-253 Kamerstuk 36045-311 Kamerstuk 21501-02, nr. 3407, dd. 21 mei 2026 Kamerstuk 23432, nr. 772 (Mededeling inzake publicatie Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden) Kamerstuk 36715-32

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.