KamerkringInloggen
Kamerbrief

Stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza

31 mei 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie a10826b738039b07 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202429 240Veiligheid op school31 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 139 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 31 mei 2024De vreselijke terroristische aanval van Hamas van 7 oktober en dedesastreuze gevolgen van de daaropvolgende oorlog tussen Israël enHamas voor burgers in de Palestijnse gebieden en in Israël hebbenwereldwijd impact. Het grote leed in het Midden-Oosten, waaronder deacute situatie in Gaza en in het bijzonder in Rafah, raakt ook de studenten,docenten en medewerkers van onze onderwijsinstellingen in Nederland,en breed over de wereld. De afgelopen weken hebben we in verschillendesteden door het hele land studentendemonstraties gezien, waarbij deuniversiteiten en hogescholen op de proef gesteld zijn om de veleprotesten in goede banen te leiden en tegelijk een veilige leer- enwerkomgeving te bieden.Ik vind het goed dat studenten en docenten zich betrokken voelen bij water in de wereld speelt, en dat mogen ze ook uiten. Maar laat absoluuthelder zijn dat geweld, vernieling en intimidaties, met name van antisemi-tische aard, totaal onacceptabel zijn. Dat gaat ten koste van iedereen; ookvan de studenten die willen studeren, debatteren of vredig willendemonstreren, docenten die onderwijs willen geven en wetenschappersdie met hun onderzoek bezig zijn.Het kabinet heeft, net als veel van de demonstrerende studenten, grotezorgen over de situatie in Gaza, zoals onlangs aan uw Kamer gedeeld bijmonde van de Minister van Buitenlandse Zaken.1 Nederland en Israëlhebben een historische en brede relatie. Het kabinet hecht aan deze band,die Nederland ook in staat stelt kritische boodschappen richting Israël uitte dragen. Nederland steunt het recht van zelfverdediging van Israël tegende dreiging die onverminderd vanuit onder andere Hamas uitgaat. Hetkabinet laat er geen onduidelijkheid over bestaan dat de manier waarop1Kamerstuk 23 432, nr. 518 kst-29240-139ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1391 Israël zich verdedigt in lijn moet zijn met het internationaal recht. Datbetekent onder andere dat aan de vereisten van proportionaliteit ennoodzakelijkheid moet worden voldaan. Zoals met uw Kamer gedeeld,heeft het kabinet de Israëlische regering meermaals met klem opgeroepengeen grootschalig offensief in Rafah uit te voeren. Nederland roeptdaarnaast op dat Israël onmiddellijk opvolging geeft aan de voorlopigemaatregelen die het Internationaal Gerechtshof heeft opgelegd,waaronder die van 25 mei jl. Het kabinet ziet dat er sprake is van ernstigmenselijk lijden en een voortgaande verslechtering van de humanitairesituatie. Het kabinet blijft Israël oproepen tot het openstellen enopenhouden van grensovergangen voor humanitaire toegang.Sinds 7 oktober ben ik in intensief overleg getreden met bestuurders vanuniversiteiten en hogescholen, studenten, docenten, wetenschappers,vertegenwoordigers van de Joodse en de moslimgemeenschap enbelangenorganisaties over hoe het conflict in Israël en de Palestijnsegebieden zijn weerslag heeft op het onderwijs en onderzoek in Nederland.Vervolgens heb ik naar aanleiding van de toegenomen antisemitischeincidenten en de gewelddadige voorvallen die zich de afgelopen perioderond de protesten hebben voorgedaan het overleg met de bestuurdersvan de onderwijsinstellingen geïntensiveerd. Met deze brief informeer ikuw Kamer over deze overleggen en de afspraken die daarbij gemaakt zijn.In deze brief ga ik in op:•dialoog, debat en demonstratie in de academische context;•het veiligheidsbeleid op universiteiten en hogescholen;•beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden dooruniversiteiten en hogescholen; en•handhaving en eventuele sancties richting demonstranten.Dit doe ik mede naar aanleiding van verschillende verzoeken van uwKamer. In deze brief zal ik daarom tevens schetsen wat de rol is van eenidentificatieplicht en controle van toegang op gebouwen in het veilig-heidsbeleid van universiteiten en hogescholen, en ingaan op afsprakendie zij gemaakt hebben in de gezamenlijke «richtlijn protesten» en desanctiemogelijkheden om relschoppers aan te pakken. Dit naar aanleidingvan respectievelijk twee aangenomen moties van uw Kamer van de ledenVan der Plas en Van Zanten (BBB)2 en het lid Diederik van Dijk (SGP)3, hetverzoek om een brief hierover van het lid Van der Plas (BBB) bij hetordedebat van 25 april jl. en toezeggingen aan de leden Bikker (CU),Eerdmans (Ja21) en Van der Hoeff (PVV) tijdens het antisemitismedebatop 25 april jl. en het commissiedebat veiligheid op scholen op 15 mei jl.4Dialoog, debat en demonstratie in academische contextDebat, dialoog en de vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed enhebben bij uitstek een plek op universiteiten en hogescholen. Het magdaarbij schuren, zoals dat past in een academische omgeving waar menelkaar kritisch bevraagt. Daarbij hoort ook het recht om te demonstreren.Maar ik wil benadrukken dat dit recht niet prevaleert boven de rechten ofde vrijheden van anderen. De veiligheid van iedereen binnen de gemeen-schap mag hierdoor niet in het geding komen. Ook kan er absoluut geensprake zijn van antisemitisme of het oproepen tot haat. Antisemitisme isstrafbaar en indien er sprake is van antisemitische incidenten verwacht ikvan instellingen dat zij daar tegen optreden en aangifte doen. Het staatiedereen vrij kritiek te hebben op het regeringsbeleid van Israël, en dat2Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 30 950, nr. 3733Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 30 950, nr. 3894https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2024D19642Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1392 laatste is niet hetzelfde als antisemitisme. Maar dat regeringsbeleid magnooit onze Joodse medeburgers worden aangerekend of ertoe leiden datwe minder waakzaam worden op antisemitisme en racisme in onzesamenleving. Eenieder die aan de protesten deelneemt is er medeverant-woordelijkheid voor dat dit vreedzaam gebeurt en met respect voor elkaar.Het is van groot belang om juist in deze tijden van conflict de acade-mische vrijheid en de voortgang van het primaire proces van onderwijs enonderzoek te bewaken. Dit vormt de kerntaak van de onderwijsinstellingenen hun doorlopende zorg het borgen van een veilige leer- en werkom-geving staat in het teken hiervan. Binnen het onderwijs kan daardoortegelijkertijd meer en minder. Meer, in de zin dat studenten juist leren vande confrontatie tussen afwijkende perspectieven en scherpe uitwisselingvan ideeën. Minder, omdat deze dialoog wel gebaseerd moet zijn opwetenschappelijke kennis en argumentatie, en waarheidsvinding. Debewaking van de academische vrijheid ligt bij de academische gemeen-schap zelf. Dat is een grote verantwoordelijkheid van alle leden van degemeenschap, met name van bestuurders, onderzoekers en docenten.Veiligheidsbeleid op de universiteiten en hogescholenVanuit hun verantwoordelijkheid voor het borgen van de academischevrijheid en de continuïteit van onderwijs en onderzoek, zijn universiteitenen hogescholen aan zet om te zorgen voor een veilige leer- en werkom-geving voor studenten en medewerkers. Elke instelling heeft eenveiligheidsorganisatie die ziet op de veiligheid binnen de eigen instellingen die structureel overleg voert met de integrale veiligheidscollega’s vande andere instellingen via collegiale netwerken en Platform IntegraleVeiligheid. Ook hebben de instellingen structurele contacten met de lokaleveiligheidsdriehoek (bestaande uit de burgemeester, de officier vanjustitie en de politiechef). Voor het ordelijk verloop van alle activiteiten opde campus heeft elke instelling duidelijke huisregels opgesteld. Hierinkunnen instellingen ook aangeven waar en op welke wijze kan wordengedemonstreerd. De veiligheidsorganisaties van de instellingen inventari-seren periodiek – en indien daar aanleiding toe is ook incidenteel –veiligheidsrisico’s en ontwikkelen daar (aanvullend) beleid op. Besturenleggen verantwoording af over het gevoerde beleid aan de raden vantoezicht.Intensivering van gesprekken met instellingen en veiligheidsdriehoekZoals aangegeven in het antisemitismedebat met uw Kamer op 25 april jl.zet ik naar aanleiding van de toegenomen antisemitische incidenten in opmaatregelen om de veiligheid te vergroten, de meld- en klachtvoorzie-ningen te onderzoeken en verbeteren, vertrouwenspersonen beter teequiperen en de dialoog op de onderwijsinstellingen te bevorderen.5 Naaraanleiding van de zorgwekkende incidenten rond de protesten heb ikveelvuldig en indringend met de bestuurders van de onderwijsinstellingengesproken. In deze gesprekken zijn ook de politie, het openbaar ministerie,de NCTV en het Ministerie van JenV betrokken. Gezamenlijk en metbetrokkenheid van het Ministerie van BZK is het juridisch kader verduide-lijkt, waaronder de samenhang van specifieke rechten en plichten van deinstellingen met de bredere wet- en regelgeving zoals het recht opdemonstratie, toegang tot publieke ruimten, het verbod op gezichtsbedek-kende kleding, identificatieplicht en de kaders voor handhaving. Dit heeftook bijgedragen aan een nauwere samenwerking van de universiteiten enhogescholen met de partijen binnen de lokale driehoek ter voorbereidingop of gedurende de protesten.5Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 30 950, nr. 367Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1393 Ontwikkeling gezamenlijke richtlijn protestenUniversiteiten en hogescholen hebben, gestimuleerd door dezeoverleggen, een gezamenlijke richtlijn ontwikkeld voor de omgang metprotesten op hun campussen. De nieuwe richtlijn is voor alle partijen debasis en dit geeft de instellingen en de driehoek een eenduidig fundamentom te kunnen handelen. De gezamenlijke richtlijn protesten is door alleuniversiteiten en hogescholen onderschreven. Deze richtlijn vindt u,conform de toezegging van mijn collega Paul aan het lid Eerdmans(JA21)6, bijgevoegd bij deze brief.In de richtlijn staat onder andere dat bestuurders niet onderhandelen metpersonen met gezichtsbedekkende kleding, dat deelnemers van protestengevraagd kunnen worden om hun studenten- of medewerkerskaart en/ofidentiteitsbewijs te tonen en dat overnachten op de campus zondertoestemming niet is toegestaan, ook niet in tenten. Ook is opgenomen dathet bezetten van een gebouw niet geldt als protesteren en niet wordttoegestaan. De instellingen benadrukken dat deze regels zijn bedoeld omzowel legitieme protesten mogelijk te maken als ook tegelijk tevoorkomen dat die uit de hand lopen.De toepassing van de richtlijn is afhankelijk van de specifieke situatie vanhet protest. Deze wordt steeds door het College van Bestuur en de partijenbinnen de lokale driehoek gezamenlijk beoordeeld. In onderling overlegkan het noodzakelijk zijn om (tijdelijk, gedeeltelijk, en weloverwogen) vande richtlijn af te wijken, bijvoorbeeld omdat dit naar het oordeel vaninstellingen en driehoek voor gewenste de-escalatie zorgt. Dit verklaartbijvoorbeeld waarom vreedzame kampementen in specifieke situaties enonder specifieke voorwaarden en toezicht, toch tijdelijk worden toege-staan. Wij blijven samen met de instellingen, politie, OM, NCTV engemeenten de situatie continu monitoren, en vanuit het ministerie blijf ikzolang als nodig hierover het gesprek voeren met de betrokken partijen.Risicogestuurd toegangsbeleid tot de campusDe recente protesten stellen de instellingen voor grote uitdagingen omonderwijs en onderzoek veilig door te laten gaan, en tegelijk ruimte tebieden aan protest zonder dat dat ontaardt in rellen. Instellingen zoekenhierin een balans met het uitvoeren van risicoanalyses, gebaseerd opinformatie uit hun incidentenhistorie, de eigen gemeenschap, socialmedia en ook via de partijen binnen de lokale driehoek. Ook zetten zij hundeskundigheid in om het crowd management te reguleren.Als de risico’s door de instelling niet tot aanvaardbaar niveau gemitigeerdkunnen worden, kan het College van Bestuur ertoe genoodzaakt zijn omeen gebouw of zelfs een hele campus te sluiten. Strikte beveiliging is bijsommige onderzoeksfaciliteiten al de norm, maar kan op sommigelocaties tot grote verstoringen van de uitgebalanceerde onderwijslogistiekleiden en tot congestie onder studenten en medewerkers die op tijd bijhun college of afspraak moeten zijn. Daardoor zou de continuïteit van hetonderwijs en onderzoek worden belemmerd. Daarnaast kan het leiden totdisproportioneel hoge beveiligingskosten, waarbij instellingen nog vooreen extra uitdaging staan omdat er een groot tekort is aan beveili-gingspersoneel. Los van deze belemmeringen op het gebied vanuitvoerbaarheid, zou het standaard werken met toegangsbeperkingen ookhet karakter van onze onderwijsinstellingen sterk veranderen. Het is voorde samenleving van grote waarde dat onze hogescholen en universiteiteneen open karakter hebben. Dit versterkt de verbinding tussen de instel-6Toezegging tijdens commissiedebat Veiligheid op scholen (15 mei 2024), TZ202405-036Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1394 lingen en hun omgeving en draagt bij aan de toegankelijkheid van hetvervolgonderwijs.Hogescholen en universiteiten kunnen er op basis van hun risico-inschatting voor kiezen de toegang te reguleren door onderscheid temaken tussen eigen medewerkers, studenten en bezoekers enerzijds enexternen anderzijds. Denk aan het toepassen van controle op universiteits-pasjes, en als het risicobeeld toeneemt het prioriteren welke gebouwentoegankelijk moeten blijven, beperkt opengesteld of gesloten moetenworden. Bij de Hogeschool Rotterdam werd bijvoorbeeld één locatiegesloten en bij een andere gold toegangscontrole, waarna een dag laterde gesloten locatie weer met toegangscontrole kon worden geopend. Ookop de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden en op een deel van degebouwen van de Vrije Universiteit Amsterdam werd toegangscontroletoegepast. Zoals uw Kamer ook heeft bepleit kan deze regulering vanbelang zijn om externe activisten zonder binding met de instelling teweren en zo de kans op eventuele onveiligheid of gewelddadigheid teverkleinen. De complexiteit hiervan wisselt per instelling. Indienbestuurders vanuit hun risicoanalyse vaststellen dat de toegang tot eengebouw of campus dusdanig onveilig is dat deze beperkt moet worden,vertrouw ik op hun oordeel dat dit absoluut noodzakelijk is.In de gevoerde gesprekken heb ik, zoals de motie van de leden Van derPlas en Van Zanten (BBB) vraagt, er bij de universiteiten en hogescholenop aangedrongen om als onderdeel van het bredere veiligheidsbeleid vande instellingen ook expliciet de mogelijkheden van een stringenttoegangsbeleid en -controle te betrekken. Ook blijf ik erop aandringen datonderwijsinstellingen steeds bewust afwegen of toegangscontrole invoorkomende situaties een passende en werkende oplossing is om deveiligheid te borgen, en als dat zo is deze ook toe te passen. Daarmeebeschouw ik de motie Van der Plas en Van Zanten (BBB)7 als afgedaan.Met de gevoerde gesprekken en de gemaakte afspraken in de vorm van derichtlijn protesten geldt datzelfde voor de motie van het lid Van Dijk (SGP)8en de toezegging aan het lid Bikker (CU)9 om over de huisregels ingesprek te gaan.Ontwikkeling continuïteitsscenario’sNaar aanleiding van de ongeregeldheden rondom de protesten en depotentiële gevolgen die we zien voor de veiligheid van personen, degebouwen en voor de continuering van onderwijs en onderzoek, heb ik deuniversiteiten en hogescholen gevraagd om continuïteitsscenario’s teontwikkelen zodat zij kunnen anticiperen op de verdere gevolgen die opde korte en langere termijn kunnen ontstaan als gevolg van protesten ende bredere discussie op de instelling rondom de situatie in Gaza.Instellingen zijn hier volop mee bezig en maken daarbij onder meergebruik van de ervaringen die ten tijde van de COVID-crisis zijn opgedaan,bijvoorbeeld als het gaat om besluitvorming rondom (gedeeltelijke)sluiting en openstelling van gebouwen, het beheersen van stromen in- enuitgaande personen en looproutes, en ook – in gevallen waarin dit nodigis – met het overschakelen naar hybride dan wel afstandsonderwijs alsfysiek onderwijs op de instelling niet mogelijk is. De protocollen endraaiboeken die destijds door de instellingen zijn opgesteld kunnen in dehuidige situatie dan ook worden benut waar nodig. Ook de gevoerdegesprekken waar ik in deze brief verslag van doe, bieden de instellingenaanknopingspunten als het gaat om het borgen van de veiligheid, het7Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 30 950, nr. 3738Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 30 950, nr. 3899https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2024D17442Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1395 omgaan met toegangscontrole en het waar nodig inzetten vanhandhaving.Het is wenselijk dat ook bij crisisbesluitvorming de medezeggenschapconform de reguliere procedures en de bijbehorende bevoegdheden enverantwoordelijkheden haar rol kan spelen. Tegelijkertijd hebben wetijdens de COVID-crisis gezien dat deze betrokkenheid niet altijd goed voorinstellingsbesturen te realiseren is wanneer onder hoge druk en in hetbelang van de gezondheid en veiligheid van studenten, medewerkers enbezoekers keuzes moeten worden gemaakt. Ik verwijs in dit verband naarmijn Kamerbrief van december 2023 waarin uitgangspunten zijnopgenomen voor het betrekken van de medezeggenschap bij crisisbesluit-vorming, die ook op de huidige situatie van toepassing zijn.10Internationale samenwerkingsverbandenDe eis die door de demonstranten in de verschillende protesten wordtneergelegd is dat de betreffende instelling alle (wetenschappelijke)banden met Israëlische instellingen, zoals academische samenwerking bijwetenschappelijk onderzoek en onderwijs, zonder meer verbreekt. Dezeeis gaat voorbij aan de wijze waarop instellingen tot beslissingen overinternationale samenwerking komen op basis van zorgvuldige, inhoude-lijke en democratische processen, vrij van intimidatie, druk of dreigingmet geweld. Het is namelijk een academische kernwaarde dat weten-schappers in vrijheid mogen bepalen met wie en naar welke vragen zijonderzoek doen.Instellingen hebben het recht en de vrijheid om te beslissen over hetaangaan, aanpassen of verbreken van internationale samenwerkingenbinnen de kaders van de wet. Binnen de academische gemeenschap dienteen open en stevige discussie plaats te vinden over op welke terreinen enmet welke instellingen internationaal wordt samengewerkt en hoe diesamenwerking vorm krijgt en zich ontwikkelt. En dat kan ingewikkeld zijnvanwege onder meer moreel-ethische vraagstukken, de mate vanacademische vrijheid, kennisveiligheidsvraagstukken en kansen opnieuwe wetenschappelijke inzichten en technologieën. De acute situatie inGaza en de protesten daarover zijn voor universiteiten en hogescholenaanleiding om het gesprek over de wijze waarop wordt omgegaan metinternationale samenwerkingsverbanden te intensiveren.Het is aan instellingen om hun samenwerkingen tegen het licht te houdennaar aanleiding van geopolitieke verschuivingen, maar het is nietwenselijk om op voorhand alle (institutionele of persoonlijke) samenwer-kingen met een bepaald land uit te sluiten of op te schorten. Het is aan hetkabinet om uitspraken te doen over samenwerking met gehele landen.Daarbij weegt het kabinet steeds de waarde van bilaterale samenwerking.Internationale academische samenwerkingsverbanden kunnen namelijk intijden van conflict ook een kans bieden om een open lijn te behouden enkritische tegenstemmen te laten klinken, zowel van studenten enwetenschappers in Nederland als van studenten en wetenschappers aaninstellingen in een conflictgebied. Juist deze tegenstemmen en de inzetvoor het vredesproces verdienen steun. Zo kan het onderwijs bijvoorbeeldook, in het kader van science diplomacy, een rol spelen als het gaat omwederopbouw en het bieden van ondersteuning aan studenten enwetenschappers die de rechtstreekse gevolgen hebben ondervonden vaneen conflict als dat tussen Israël en de Palestijnse gebieden. Het huidigekabinetsstandpunt aangaande het conflict tussen Israël en de Palestijnse10Bijlage bij Kamerbrief Versterking medezeggenschap hoger onderwijs, Kamerstukken II,vergaderjaar 2023–2024. 31 288, nr. 1100Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1396 gebieden, zoals in het begin van deze brief toegelicht, onderscheidt zich indie zin van het kabinetsstandpunt ten aanzien van Rusland na de inval inOekraïne. Direct na die inval volgden brede internationale sancties, waarde formele institutionele samenwerking op het gebied van onderwijs enonderzoek onderdeel van uitmaakten.Beoordeling van internationale samenwerkingsverbandenZoals hiervoor reeds aangegeven zijn instellingen momenteel bezig metde (door)ontwikkeling van criteria waarmee zij de (ethische) kansen enrisico’s van internationale samenwerking kunnen afwegen. Ik heb deuniversiteiten en hogescholen verzocht om bij deze doorontwikkeling eenaantal belangrijke uitgangspunten te betrekken. Ik verwijs voor dezeuitgangspunten naar de bijlage bij deze brief.Deze uitgangspunten, die ook dringende zorgen vanuit het veld adres-seren, moeten bevorderen dat universiteiten en hogescholen wetenschap-pelijke en strategische samenwerkingsverbanden met andere instellingenof in internationale projecten op eenzelfde zorgvuldige wijze tegen hetlicht houden en dat elk individueel geval op basis van de omstandighedeninhoudelijk en daarmee landenneutraal wordt bekeken. Door hiervoor eeneigen, helder kader en werkwijze te ontwikkelen zorgen de instellingenervoor dat afwegingen omtrent wetenschappelijke of strategischesamenwerkingsverbanden en internationale samenwerking bovendien optransparante wijze gemaakt worden.Mijn verzoek aan hogescholen en universiteiten om deze uitgangspuntente betrekken bij het formuleren van hun eigen kaders sluit aan op hetverzoek vanuit de motie die het lid Diederik van Dijk heeft ingediendtijdens het wetgevingsoverleg over de initiatiefnota van de leden Ellian enBikker over de aanpak antisemitisme van 27 mei jl.11 Daarin verzoekt deSGP de regering er bij de instellingen op aan te dringen om niet onderdruk de banden met Israëlische instellingen te verbreken en duidelijk temaken dat het onderzoek naar de Holocaust ongehinderd voortgang moetkunnen hebben.De universiteiten en hogescholen hebben mij laten weten dat ze huneigen kaders en werkwijze nu aan het inrichten zijn en vervolgensbenutten om de huidige wetenschappelijke en strategische samenwer-kingsverbanden op inhoud te beoordelen. Nieuwe samenwerkingen zullenze altijd volgens de nieuwe werkwijze tegen het licht houden.Handhaving en sancties in het kader van demonstraties opuniversiteitenDiverse partijen hebben de afgelopen periode gevraagd naar de mogelijk-heden die instellingen hebben om in te grijpen bij wanordelijkheden. Erlijkt een kleine groep mensen te zijn die niet komt voor een vreedzaamprotest, maar uit is op escalatie en vernieling. Deze kleine groep vraagtspeciale aandacht van politie en justitie zodat de vreedzame meerderheidvan de demonstranten het demonstratierecht kan uitoefenen. Alsstudenten, medewerkers of bezoekers de huisregels niet respecteren ofstrafbare feiten plegen, is het van groot belang dat hiertegen opgetredenwordt en dat zij ter verantwoording worden geroepen. Voor asociaalgedrag, bedreigen, vernielen en intimideren mag geen enkele ruimte zijn.Als de huisregels worden overtreden, kan de instelling maatregelennemen. Die kunnen inhouden dat aan studenten die de voorschriftenovertreden, de toegang tot gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk11Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 272, nr. 7Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1397 voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd, of de inschrijvinggedurende eenzelfde periode wordt beëindigd. En als een student ernstigeoverlast binnen de gebouwen en terreinen heeft veroorzaakt en naaanmaning door het bestuur niet ophoudt kan het instellingsbestuur destudent de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of de inschrijvingbeëindigen. De grondslag hiervoor is gelegen in artikel 7.57h van de Wetop hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Vanzelf-sprekend moet de overtreding vaststaan alvorens de instelling tot eendergelijke maatregel kan overgaan. Indien de instelling een vermoedenheeft van strafbare feiten kan na aangifte de politie direct ingrijpen. Ookgeldt voor demonstranten die strafbare feiten plegen en niet verbondenzijn aan een instelling dat er hard wordt opgetreden. Instellingen en politiezetten zich de komende periode extra in om de identiteit van de daders teachterhalen, zodat politie en OM tot aanhouding en vervolging overkunnen gaan.Mogelijkheid tot het intrekken van studiefinanciering of visaIn het commissiedebat over veiligheid op scholen op 15 mei jl. zijn doorde leden Van Zanten (BBB) en Van der Hoeff (PVV) specifieke vragengesteld over mogelijkheden tot intrekken van studiefinanciering of de visavan buitenlandse studenten. Als een student een strafbaar feit pleegt kandit worden vervolgd door het openbaar ministerie (OM) en komt dit, opeen paar uitzonderingen na, op het strafblad te staan. In aanvullingdaarop hebben instellingen, zoals hierboven aangegeven op grond vanartikel 7.57h van de WHW, de mogelijkheid om de inschrijving vanstudenten (al dan niet tijdelijk) te beëindigen. In dat geval zou ook hetrecht op studiefinanciering vervallen, omdat een inschrijving een vereisteis om studiefinanciering te ontvangen. Los van deze specifieke situatie ishet korten van studiefinanciering geen op zichzelf inzetbare strafmaat-regel. Dat vind ik ook passen bij het feit dat studiefinanciering alsinstrument beoogt de toegankelijkheid van het onderwijs te vergroten, enniet bedoeld is om studenten te straffen.Voor studenten die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie geldtzowel bij toegang als gedurende het verblijf dat indien middels eenonherroepelijke veroordeling is komen vast te staan dat zij een gevaarvoor de openbare orde zijn, de verblijfsvergunning van deze persoon kanworden ingetrokken. Een intrekking vergt altijd een individuele beoor-deling. Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken op grond van denationale veiligheid op basis van een individueel ambtsbericht van deAIVD, of van andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.Een intrekking gebeurt door de IND.Gedrag medewerkersDe belangrijkste factor in het veiligheidsbeleid van de instellingen is hetgedrag van mensen. Van ieder individu op de campus mogen weverwachten dat hij naar vermogen bijdraagt aan een veilige leer- enwerkomgeving. En dat geldt dus ook voor medewerkers. Van docentenmogen wij verwachten dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctieen vanuit die rol een bijdrage leveren aan vreedzaam debat en dialoog endat zij de aard van hun inbreng zorgvuldig duiden. Het past bij hunprofessionele rol om studenten te leren dat er in het debat ruimte is vooreen diversiteit aan benaderingen en hoe je respectvol discussies kanvoeren op basis van argumenten. Medewerkers hebben ook het recht omte demonstreren, mits dit vreedzaam gebeurt. Tenslotte moeten studentenzich later in hun colleges ook veilig kunnen voelen. Als het gaat omonprofessioneel of ongewenst gedrag van medewerkers bieden hetpersoneelsbeleid en het arbeidsrecht mogelijkheden om op te treden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1398 Afhankelijk van de ernst van het gedrag kan het gaan om een steviggesprek, een berisping of zelfs ontslag. Bij strafbare feiten staat ook deweg van aangifte open.Tot slotDe dialoog over ethische vragen, geopolitieke verhoudingen en acade-mische vrijheid juich ik toe. Het recht om te demonsteren is daarbij eenfundamenteel recht, maar een recht dat niet misbruikt moet worden.Geweld en intimidatie hebben geen plek op de campus. Universiteiten enhogescholen dienen veilige locaties te zijn voor alle studenten enmedewerkers, vrij van discriminatie en antisemitisme. Ik kijk met afschuwnaar de kleine groep demonstranten die niet komt voor een vreedzaamprotest, maar uit is op escalatie en vernieling. Een harde aanpak door debetrokken instanties is hier dan op zijn plaats.Het is verder aan de instellingen om een afweging te maken over metwelke internationale partijen zij wel en niet samenwerken. Zij hanteren dein deze brief beschreven uitgangspunten en zijn hiermee aan de slag methun beleid hierop. Het is van belang dat deze afwegingen niet doorintimidatie, druk of dreiging met geweld tot stand komen. Het gaat hierten slotte om de academische vrijheid en waarden in Nederland. Daar isde hele academische gemeenschap de hoeder van.De komende periode blijf ik mij inzetten voor de veiligheid op dehogescholen en universiteiten. Ik voer onverminderd het gesprek met deinstellingen en de vertegenwoordigers van de veiligheidsdriehoek om zode instellingen te ondersteunen in hun complexe verantwoordelijkheidom zowel de vrijheid als veiligheid op de campussen te faciliteren.Daarnaast vind ik het van belang om, wanneer de situatie zich heeftgenormaliseerd, met de instellingen de werkwijze van de afgelopenperiode te evalueren en de daaruit voortkomende lessen te benutten omhet veiligheidsbeleid nog beter in te richten en escalaties zoveel mogelijkte kunnen beperken. Tevens blijf ik in contact met vertegenwoordigers vande Joodse gemeenschap om hun zorgen goed te kunnen blijven adres-seren. De instellingsbesturen hebben aangegeven dat ook zij in nauwcontact staan met de Joodse gemeenschap binnen hun instelling. Ookcontinueer ik de gesprekken met de hogescholen en universiteiten overhoe wij gezamenlijk kunnen inzetten op de-escalatie zodat debat endialoog weer de boventoon voeren, met ruimte voor de proteststem.Datzelfde doe ik met de studentenorganisaties, waarmee ik ook henaanspreek op de bijdrage die zij kunnen leveren aan het stimuleren vandebat en dialoog.Ik doe hiermee ook een oproep aan de academische gemeenschap –studenten, medewerkers, docenten, onderzoekers en bestuurders –alsmede de politieke gemeenschap om met elkaar de dialoog te blijvenaangaan op een respectvolle, veilige manier. Alleen met elkaar kunnen weervoor zorgen dat op onze campussen onderwijs en onderzoekongestoord doorgang kunnen vinden en er geen plaats is voor antisemi-tisme en onveiligheid.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.H. DijkgraafTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1399 UITGANGSPUNTEN BEOORDELING INTERNATIONALESAMENWERKINGS-VERBANDEN•De definitie en principes van academische vrijheid zoals beschreven inhet KNAW-rapport12 vormen het vertrekpunt. Daarbij dient hetbeoordelingsproces van internationale samenwerkingsbanden ookrecht te doet aan de vrijheid die onderzoekers hebben in de keuze vante onderzoeken thema’s, de keuze en toepassing van de eigenonderzoeksvragen en -methoden, de toegang tot informatiebronnen,het publiceren en delen van informatie via conferenties.•Het is van belang om ruimte te houden voor science diplomacy,waarmee het mogelijk blijft om betrekkingen te blijven onderhoudenmet instellingen en organisaties die bijdragen aan het kritischwetenschappelijk vermogen van samenlevingen, ook als het gaat omlanden waarmee de relatie gespannen is.•Tevens vindt de uitwerking plaats binnen de geldende nationale,Europese en internationale wettelijke kaders en regimes (zoals dedual-use richtlijn, sanctieregimes), en internationale afspraken(bijvoorbeeld in VN/UNESCO-verband en de kaders gesteld in hetrapport «Defence of academic freedom in the EU’s external action»gepubliceerd door het Europees Parlement in 201813) en voortsgeldende gedragscodes (bijvoorbeeld de Nederlandse GedragscodeWetenschappelijke Integriteit).•De werkwijze en de toepassing van het beoordelingskader discrimi-neert niet wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid,ras, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid. Er mag in het bijzondergeen sprake zijn van antisemitisme.•De toepassing van het kader voor samenwerkingen is landenneutraal;dezelfde criteria worden gehanteerd voor alle landen waarmee(mogelijk) wordt samengewerkt.•In het proces betrekken de besturen de universitaire en hogescholen-gemeenschap. De medezeggenschap wordt via de reguliere kanalen enafgesproken verantwoordelijkheden en bevoegdheden betrokken.•Bij de evaluatie van de bestaande relaties worden ook nadrukkelijk deonderzoekers betrokken die deze relaties hebben gelegd en onderhou-den.•Daarbij moet verzekerd worden dat conform de gedragscode weten-schappelijke integriteit de betrokkenen in het proces hun taak vrij vanexterne druk en intimidatie (van bijvoorbeeld lobby-organisaties)kunnen uitoefenen.•De privacy van de bij de samenwerkingsverbanden betrokkenindividuen moet geborgd zijn. Indien sprake is van verwerking vanpersoonsgegevens, gebeurt dit op een hoger aggregatieniveau.•Er wordt gewerkt aan een helder beoordelingskader. Van belang isdaarin expliciet te zijn over de te beschermen belangen, zoalsbijvoorbeeld de borging van mensenrechten, academische vrijheid, deveiligheid van studenten en medewerkers van instellingen, financiëleonafhankelijkheid.•In het proces wordt het aspect van kennisveiligheid meegenomen.•De universiteiten en hogescholen zorgen voor een transparanteorganisatorische borging van het beoordelingsproces die als veiligwordt ervaren en bewaken de zorgvuldige toepassing ervan.12https://storage.knaw.nl/2022-05/20210217-webversie-advies-Academische-vrijheid.pdf13https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/TA-8-2018-0483_EN.htmlBIJLAGE:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13910

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 7487d182eda71f07

14 okt 2026 · 0abec7d1db6899a9

13 okt 2026 · e0d3d0640fa90a69

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.