KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Formele Raad WSB van 29 juni 2026 en Informele Raad WSB van 6 juli 2026 (Kamerstuk 21501-31-828)

23 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 9c95037ea48f9fbb · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-31Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid,Volksgezondheid en ConsumentenzakenNr. 829 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 23 juni 2026 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid over brief van 15 juni 2026 over de geanno-teerde agenda Formele Raad WSB van 29 juni 2026 en Informele RaadWSB van 6 juli 2026 (Kamerstuk 21 501–31, nr. 828).De vragen en opmerkingen zijn op 19 juni 2026 aan de Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 23 juni 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,Van der LeeAdjunct-griffier van de commissie,Morrin kst-21501-31-829ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8291 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie9Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie20Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie26Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie30 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de agenda’s van de Raad WSB op 29 juni en deInformele Raad van 6 juli. Deze leden hebben nog enkele vragen.De leden van de D66-fractie lezen dat de Commissie opnieuwaanbeveelt om het gebruik van flexibele en tijdelijke contractenminder aantrekkelijk te maken. Deze leden lezen dat in de reactieop deze aanbeveling wordt gewezen op het wetsvoorstel Meerzekerheid flexwerkers en het wetsvoorstel Verduidelijkingbeoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden. Voldoen dezevoorstellen genoeg aan om de aanbeveling van de Commissietegemoet te komen, zo vragen deze leden.Eén van de voorgestelde landspecifieke aanbevelingen voor Nederland opsociaal- en werkgelegenheidsterrein luidt: 5.1 Neem en implementeermaatregelen om de prikkels voor flexibele en tijdelijke arbeidscontractente verminderen. Zoals toegelicht in de nagestuurde Geannoteerde Agendaover de Ecofinraad van 12 juni1, herkent het kabinet zich in de aanbe-veling. Het wetsvoorstel «Meer zekerheid flexwerkers» draagt hieraan bij.Het wetsvoorstel ziet erop dat werknemers met een oproepcontract meerzekerheid over hun inkomen en rooster krijgen.De Commissie volgt de voortgang van de lidstaten bij de uitvoering vande landspecifieke aanbevelingen en beoordeelt de impact van demaatregelen in het jaarlijks uitkomend landenrapport. De Commissiepubliceert het eerstvolgende rapport in de lente van 2027.De leden van de D66-fractie lezen ook dat de Commissie aanbe-veelt om mobiliteit naar hoogproductieve sectoren en maatschap-pelijke relevante sectoren te stimuleren. Deze leden lezen datwordt verwezen naar de Talentstrategie die rond de zomer naarde Kamer komt. Deze leden kijken uit naar publicatie van dezeTalentstrategie.De leden van de D66-fractie begrijpen dat gerichte arbeidsmi-gratie als middel wordt gezien om krapte op de arbeidsmarkt teverlichten maar ook dat arbeidsmigratie geen structureleoplossing vormt voor personeelstekorten. Welke rol ziet deMinister voor arbeidsmigratie in sectoren waar de tekorten naarverwachting lang zullen aanhouden? Hoe wil de Minister bevor-deren dat naast gerichte arbeidsmigratie kraptesectoren ook1Kamerstukken II, 2025/26, 21 501–07, nr. 2197Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8292 werken aan goed werkgeverschap? En wat is de stand van zakenmet de pilot, zo vragen deze leden.Het kabinet deelt dat arbeidsmigratie vooral tijdelijk kan bijdragen aan hetverlichten van tekorten op de arbeidsmarkt, conform de adviezen van deStaatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 en het IBOArbeidsmigratie. Ten aanzien van langdurige tekorten geldt verder dat deeconomie zich op de langere termijn aan zou moeten passen via innovatieen de prijs van arbeid (arbeidsvoorwaarden). Het kabinet richt zich oparbeidsmigratie die Nederland écht nodig heeft voor de huidigemaatschappelijke opgaven waar zij voor staat. Voor sectoren waarintekorten naar verwachting hardnekkig blijven is het cruciaal om in tezetten op het verhogen van de arbeidsproductiviteit, goed werkgever-schap en verbetering van de aansluiting met het onderwijs. Met deTalentstrategie laat het kabinet verschillende instrumenten op elkaaraansluiten: onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit, fiscaliteit en gerichtemigratie. De Talentstrategie biedt richtinggevende keuzes over economieen arbeidsmarkt, ook in relatie tot arbeidsmigratie. De Kamerbriefhierover wordt binnenkort aan uw Kamer verzonden.Eén van de maatregelen in het kader van gerichte arbeidsmigratie en deTalentstrategie betreft een pilot waarmee tijdelijk onder strengevoorwaarden, actief en gericht goed geschoolde krachten naar Nederlandkunnen worden gehaald in vooraf afgebakende tekortsectoren. Daarbij isvoor het kabinet van belang dat waarborgen worden ingebouwd om depositie van de werknemer te beschermen. Zoals toegezegd in het debatArbeidsmigratie, ontvangt uw Kamer na de zomer een brief met daarin deopzet van de pilot, de voorwaarden en de planning.De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister tijdens de Raadvan maart samen met meerdere lidstaten heeft gepleit voor eenuitwerking van het Fair Labour Mobility Package en voor verdui-delijking van de regels rond detachering van derdelanders. Welkeconcrete voorstellen wil de Minister terugzien om uitbuitingtegen te gaan en een gelijk speelveld op de Europese arbeids-markt te bevorderen, zo vragen deze leden. Wat is de stand vanzaken van de inzet van de Minister?De Europese Commissie zal naar verwachting na de zomer het eerlijkearbeidsmobiliteit pakket publiceren. Wat het kabinet betreft zouden tweezaken prominent terug moeten komen in dit pakket.Ten eerste zet het kabinet erop in dat de begrippen in het Europesejuridisch kader voor de detachering van derdelanderwerknemers wordenverduidelijkt, om misbruik en onrechtmatig gebruik te voorkomen en omhet gelijke speelveld voor bedrijven te bevorderen. Nederland heefthiertoe een position paper2 opgesteld samen met gelijkgezinde lidstaten.Het juridisch kader kan worden verduidelijk met een juridisch bindendinstrument of via richtsnoeren. Zoals toegelicht in de verkenning3 kennendeze oplossingsrichtingen voor- en nadelen. Voor het kabinet is daarbijhet doel (verduidelijking van het juridisch kader) leidend.Parallel zet het kabinet ook op nationaal niveau stappen om het juridischkader rondom de detachering van derdelanders te verduidelijken. Daarbijkijkt het kabinet o.a. naar de vereiste dat iemand vóór tewerkstelling inNederland, eerst een vaste periode in het land moet werken waar die eenwerkvergunning heeft. Hiermee wordt de maximale ruimte opgezocht die2https://open.overheid.nl/documenten/0d707543-e5dc-4a76-a85f-06b9b8d1b5e1/file3Kamerstukken 29 861, nr. 162Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8293 Europese regels bieden, terwijl rekening gehouden wordt met deregeldruk voor het bedrijfsleven. Deze zomer gaan de wijzigingen ininternetconsultatie. In het najaar wordt uw Kamer verder geïnformeerdover de wijzigingen.Ten tweede zet het kabinet ten aanzien van het eerlijke arbeidsmobiliteits-pakket in op versterking van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) middelseen mandaatherziening. Effectieve grensoverschrijdende handhaving, insamenwerking met een sterke ELA, en een duidelijk juridisch kader gaannamelijk hand in hand. In lijn met het met de Kamer gedeelde positionpaper4 pleit het kabinet voor: (1) een sterkere rol van ELA ten aanzien van(gedetacheerde) derdelanders, (2) een ruimer onderzoeksmandaat voor deELA, met name op het terrein van persoonsgegevensverwerking, zodateen gerichte grensoverschrijdende aanpak mogelijk wordt op basis vanEU-brede risicoanalyses, (3) een meer proactieve rol voor de ELA bij hetinitiëren en coördineren van gezamenlijke inspecties, en (4) beteretoegang tot relevante informatie, teneinde de positie en rechtsbe-scherming van kwetsbare groepen arbeidsmigranten verder te versterken.Het kabinet gebruikt verschillende beïnvloedingsmomenten om boven-staande inzet onder de aandacht te brengen bij de Europese Commissieen andere lidstaten. Zo zal Nederland ook tijdens het beleidsdebat overgrensoverschrijdende handhaving op 6 juli haar prioriteiten voor de ELAmandaatherziening kenbaar maken.De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet stelt dat eenhoogproductieve economie vraagt om een vermindering van deafhankelijkheid van laagbetaalde arbeid. Tegelijkertijd wordt ditnajaar de Europese Jobs Quality Act verwacht. Welke kansen zietde Minister om de kwaliteit van werk te verbeteren en daarmeede transitie naar een meer productieve economie te onder-steunen? Hoe wordt deze aanbeveling voor een hoogproductieveeconomie betrokken bij de hierboven genoemde Talentstrategie?Het kabinet streeft naar een hoogproductieve economie die bijdraagt aanonze toekomstige welvaart. Hiertoe is onder meer de «MinisteriëleTaskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat» ingesteld, om derandvoorwaarden zoals de talentenstrategie hiervoor te realiseren.Onderdeel van deze strategie is een lagere afhankelijkheid van laagbe-taalde arbeid die weinig toevoegt aan onze economie.De leden van de D66 fractie constateren terecht dat de Europese QualityJobs Act mogelijk kansen biedt om de kwaliteit van werk te verbeteren.Ook de Quality Jobs Act beoogt de productiviteit te verhogen, teinvesteren in vaardigheden en LLO, de arbeidsparticipatie te verhogen entechnologische innovatie zoals AI beter te benutten.5 De Nederlandse enEuropese inzet kunnen elkaar derhalve versterken. Waarbij de Neder-landse strategie toegespitst is op de unieke kenmerken van de Neder-landse economie met een grote nadruk op onderwijs, omscholing,innovatie en vaardigheden van de toekomst. Het kabinet kijkt uit naar hetvoorstel voor de Quality Jobs Act, en zal uw Kamer daar nader overinformeren na publicatie. Daarnaast zal het kabinet binnenkort uw Kamerinformeren over de verdere uitwerking van de Nederlandse talentenstra-tegie.4https://open.overheid.nl/documenten/92444fcf-870c-4224–8721-ddc0cdf01a86/file5Kamerstukken 22 112, nr. 4263Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8294 De leden van de D66-fractie lezen dat in het kader van de IORP IIeen denkrichting in het Europees Parlement is om pensioen-fondsen verplicht te laten investeren in durfkapitaal. Deze ledenonderkennen het belang van voldoende investeringen in durfka-pitaal, maar hebben nog wel aarzelingen of dit de meestgeëigende route daartoe is. Hoe kijkt de Minister naar eenverplichte investeringsnorm voor durfkapitaal, zo vragen dezeleden. Hoe kijkt de Minister bijvoorbeeld naar een dergelijkEuropees voorschrift in het licht van de verantwoordelijkheids-verdeling tussen de EU en lidstaten? Is er met het opnemen vandit voorstel nog sprake van minimumharmonisatie? En hoeverhoudt het voorstel zich tot het prudent person beginsel om tebeleggen in het belang van de deelnemers?Pensioenfondsen handelen op basis van het prudent person beginsel inbelang van hun deelnemers en gepensioneerden volgens de Wettoekomst pensioenen. Het is goed dat pensioenfondsen bij het bepalenvan hun strategisch beleid de ruimte hebben om de belangen van hundeelnemers te volgen.6 Het Commissievoorstel voor de herziening vanIORP II onderschrijft het prudent person beginsel en geeft daarmee ookaan dat het inderdaad belangrijk is dat pensioenfondsen in het belang vanhun deelnemers kunnen handelen.Het voorstel om minimaal 2% van het pensioenvermogen van pensioen-fondsen met meer dan één miljard euro aan vermogen te beleggen indurfkapitaal is opgenomen in het concept-rapport van rapporteurBoeselager en betreft geen definitief standpunt van het EuropeesParlement op het voorstel tot herziening van IORP II. Dit voorstel is niet inlijn met het prudent person beginsel. Een dergelijke verplichtingbelemmert pensioenfondsen om hun beleggingsbeleid zo in te richten datdit in lijn is met het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willennemen. Dit is niet in het belang van de deelnemers aan het pensioen-fonds. Een minimum investeringslimiet past bovendien niet bij minimumharmonisatie. Ik ben dus ook geen voorstander van het voorstel van derapporteur. Mocht het EP dit voorstel in deze vorm in de triloog-faseinbrengen dan zal ik bovenstaande hierover inbrengen.De leden van de PVV-fractie constateren dat de herzieningVerordening 883/2004 inzake de Coördinatie van Sociale Zeker-heidsstelsels de export van WW-uitkeringen fors verruimt:werklozen mogen niet langer drie, maar zes maanden met behoudvan uitkering in een andere lidstaat naar werk zoeken, terwijlbepaalde grensarbeiders en migrerende werknemers hun Neder-landse WW gedurende de volledige uitkeringsduur vanuit hunwoonland kunnen ontvangen. Tegelijkertijd ontbreken volgenshet kabinet voldoende waarborgen voor activering, controle enrechtmatigheid. Nederland is daarom voornemens tegen testemmen, maar het kabinet verwacht dat desondanks eengekwalificeerde meerderheid vóór het akkoord bestaat.De leden van de PVV-fractie vragen wat het kabinet concreetgaat doen wanneer andere lidstaten het akkoord ondanks deNederlandse tegenstem aannemen. Deze leden vragen de Ministerzich tot het laatste moment standvastig te verzetten en actiefsteun te zoeken voor een blokkerende minderheid. Deze ledenvragen de Minister nadrukkelijk zich niet bij voorbaat neer teleggen bij de verwachte meerderheid. Deze leden vragen deMinister welke juridische en politieke mogelijkheden de Minister6Kamerstuk 32 043, nr. 712, Rendementen van Nederlandse pensioenfondsen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8295 zal benutten om te voorkomen dat Nederland wordt gedwongenWW-uitkeringen langer en ruimer te exporteren zonder datNederland nog voldoende grip heeft op sollicitatieverplichtingen,fraudebestrijding en rechtmatigheidscontrole.Twee keer eerder werd in de trilogen een voorlopig politiek akkoordbereikt, in 2019 en in 2021. Beide keren werd, mede door de inzet vanNederland, het akkoord verworpen door een blokkerende minderheid vanlidstaten in de Raad.Deze keer was er echter een ruime gekwalificeerde meerderheid. In deCoreper-vergadering van 29 april jl. heeft een grote meerderheid vanlidstaten aangegeven het akkoord te kunnen steunen. Slechts vijf lidstaten– waaronder Nederland – konden het akkoord niet steunen. Eén lidstaatheeft een voorbehoud gemaakt. De EMPL-commissie van het EuropeesParlement heeft het akkoord op 6 mei jl. met een ruime meerderheidaangenomen. Naar verwachting zal het EP tijdens de plenaire sessie van 6tot en met 9 juli akkoord gaan in eerste lezing.Wanneer de tekst vervolgens teruggaat naar Coreper en daarna naar deRaad, zal dit slechts zijn voor formele aanname. Het hiervoor geschetstekrachtenveld zal niet wijzigen. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van10 juni jl. is het kabinet van mening dat, hoewel het bereikte akkoord ookverschillende positieve elementen bevat, het akkoord onder de streeponvoldoende tegemoetkomt aan de Nederlandse wensen. Daarom zalNederland, wanneer het akkoord voor formele aanname door de Raadgeagendeerd staat, tegenstemmen.Ik richt mijn blik nu vooruit en zal me, net als Nederland in de afgelopenjaren heeft gedaan, ook in de komende periode blijven inzetten voormaatregelen die de samenwerking tussen de werkloosheidsinstanties vande lidstaten verbeteren. Zo blijf ik bij de Europese Commissie aandringenop het nemen van maatregelen op het terrein van controle en arbeidsbe-middeling in het kader van het Fair Labour Mobility Package. Ik zal hiervoorstellen voor blijven doen en daarvoor steun zoeken bij anderelidstaten. De EPSCO-Raad van 6 juli aanstaande biedt hiervoor een eerstegelegenheid.De leden van de PVV-fractie constateren dat armoedebestrijdingin de eerste plaats een nationale verantwoordelijkheid is, maardat de Europese Commissie met de Europese Anti-ArmoedeStrategie inzet op steeds verdergaande Europese aansturing,monitoring, financiering en coördinatie van nationaal sociaalbeleid. De Commissie kondigt onder meer nieuwe indicatoren,aanbevelingen, kaders, een Europese coalitie, een gezamenlijkactieplan en de aanstelling van een nationaleanti-armoedecoördinator op het hoogste politieke niveau aan.Deze leden vragen waarom de Minister deze ontwikkelingverwelkomt, terwijl de Minister zelf erkent dat armoedebeleideen nationale competentie is. Ook vragen deze leden waar voorde Minister de harde grens ligt tussen vrijblijvende Europesekennisuitwisseling en feitelijke Europese bemoeienis met deinrichting van het Nederlandse inkomens-, arbeidsmarkt-,pensioen- en socialezekerheidsbeleid.De Europese Anti-Armoede Strategie schetst een alomvattende, integraleaanpak om armoede in de EU te voorkomen en te bestrijden en zo bij tedragen aan de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten,zonder dat dit raakt aan competenties van lidstaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8296 Hoewel bestrijding van armoede een nationale competentie is, kunnenEuropese landen wel veel van elkaar leren op het gebied van armoedebe-strijding. De niet-bindende Strategie stimuleert om kennis en ervaring ophet terrein van armoedebestrijding uit te wisselen tussen de lidstaten. Ditkan leiden tot effectiever beleid. Eventuele nadere voorstellen die zullenvoortkomen uit de Anti-Armoede Strategie zal het kabinet na publicatienader appreciëren.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister ondubbelzinnigtoe te zeggen dat Nederland niet zal instemmen met toekomstigevoorstellen die nationale beleidsruimte beperken, Europesenormen opleggen of nationale uitgaven, inkomensvoorzieningenen sociale dienstverlening indirect afhankelijk maken vanEuropese doelstellingen, indicatoren of financieringsvoor-waarden. Deze leden vragen de Minister ieder aangekondigdvervolgvoorstel afzonderlijk vooraf aan de Kamer voor te leggen,inclusief een concrete toets op bevoegdheid, subsidiariteit,proportionaliteit en gevolgen voor de Nederlandse begrotings- enbeleidsautonomie. Tevens vragen deze leden de Minister tegaranderen dat geen nationale anti-armoedecoördinator,EU-monitoringskader of Europees governance-instrument wordtingevoerd zonder voorafgaande uitdrukkelijke instemming van deStaten-Generaal.Indien er voorstellen volgen waaruit nieuw beleid voorkomt, bijvoorbeeldin de vorm van een voorstel voor een raadaanbeveling of een richtlijn,dan zal het kabinet deze na publicatie appreciëren middels een BNC-ficheen met uw Kamer delen. In BNC-fiches wordt altijd getoetst opbevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit en worden ook eventuelefinanciële gevolgen meegenomen.De leden van de PVV-fractie vragen waar voor de Minister degrens ligt tussen Europese ondersteuning en overdracht vanzeggenschap over kinderen, gezinnen, onderwijs en sociaalbeleid. Deze leden vragen de Minister uit te sluiten dat deEuropese kindergarantiekaart wordt gebruikt voor Europeseregistratie, gegevensuitwisseling, het vastleggen van aansprakenof het afdwingen van uniforme toegang tot nationale voorzie-ningen. Deze leden vragen de Minister zich te verzetten tegeniedere toekomstige aanbeveling, richtlijn of financieringsvoor-waarde die de inrichting van kindregelingen, kinderopvang,voorschoolse educatie, jeugdhulp of inkomensondersteuningmede vanuit Brussel voorschrijft. Deze leden vragen de Ministerbovendien toe te zeggen dat de Kamer vooraf expliciet om eenmandaat wordt gevraagd, voordat in Europees verband wordtingestemd met nieuwe afspraken die gevolgen hebben voor deNederlandse beleidsautonomie, begrotingsbevoegdheid of dedemocratische zeggenschap over het gezins- en jeugdbeleid.In 2021 heeft de Commissie een voorstel gedaan voor een aanbevelingvan de Raad tot instelling van een Europese kindergarantie. De onder-havige Raadsaanbeveling draagt eraan bij dat het bestrijden van armoedeen sociale uitsluiting ten aanzien van kinderen in de EU-lidstaten op deagenda blijft en biedt landen tevens concrete handvatten om invulling tegeven aan hun nationale beleid. De aanbeveling heeft tot doel socialeuitsluiting te voorkomen en te bestrijden door de toegang van kinderen innood tot een reeks essentiële diensten te waarborgen. Kinderen die inarmoede leven of kinderen uit kansarme milieus hebben immers meerkans op barrières bij de toegang tot voor- en vroegschoolse educatie en-zorg, inclusief onderwijs, gezondheidszorg, gezonde voeding enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8297 adequate huisvesting. Ze beginnen hun leven met een achterstand, watop lange termijn gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling entoekomstperspectieven. Armoede en sociale uitsluiting onder kinderenheeft daarmee impact op de opwaartse sociaaleconomische convergentietussen de lidstaten van de Unie.Het kabinet ziet daarom de meerwaarde in de kindergarantie. Het gaat omeen juridisch niet-bindende handeling. Het voorstel is geschikt omlidstaten te ondersteunen bij het nemen van maatregelen ten aanzien vande bevordering van de toegang van kinderen in nood tot essentiëlediensten, en kan een aanvulling vormen op de nationale aanpak vansociale uitsluiting van kinderen. Ook biedt het voorstel ruimte voor eengedifferentieerde aanpak die de nationale, regionale of lokale situaties vande lidstaten weerspiegelt. Daarmee gaat het voorstel niet verder dannoodzakelijk.Indien er voostellen volgen waaruit nieuw beleid voorkomt, bijvoorbeeldin de vorm van een voorstel voor een raadaanbeveling of een richtlijn,dan zal het kabinet deze na publicatie appreciëren middels een BNC-ficheen met uw Kamer delen. In BNC-fiches wordt altijd getoetst opbevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit en worden ook eventuelefinanciële gevolgen meegenomen.De leden van de VVD-fractie lezen dat het Cypriotische voorzitter-schap hoopt de onderhandelingen IORP in de Raad nog dezemaand af te ronden en dat de Minister voornemens is in testemmen met een concept-Raadspositie indien deze aansluit bijde Nederlandse inzet en geen substantiële nieuwe elementenbevat die daarvan afwijken. Deze leden vragen de Minister ofinmiddels een concept-Raadspositie voorligt en, zo ja, of daarinde eerder door deze leden benoemde aandachtspunten afdoendezijn geborgd, in het bijzonder het behoud van nationale beleids-ruimte bij het Uniform Pensioenoverzicht, de proportionaliteitvan de aanvullende informatievereisten en de bezwaren tegeneen brede, algemene zorgplicht. Deze leden verzoeken deMinister de Kamer over de hoofdlijnen van een concept-Raadspositie te informeren voordat Nederland daarmee instemt.Er is thans een concept-Raadspositie verspreid en hiervoor geldt eenstilteprocedure tot woensdag 24 juni 18.00 uur. Daarna zal een concept-Raadspositie worden voorgelegd aan Coreper van 26 juni.De concept-Raadspositie bevat significante verbeteringen in lijn met deNederlandse inzet. Zo zijn de in het oorspronkelijke voorstel aan EIOPA ende Europese Commissie toegekende gedelegeerde bevoegdhedengeschrapt. Ook zijn toezichteisen die zouden leiden tot aanzienlijkeregeldruk voor fondsen en toezichthouders, uit het voorstel gehaald. Tenaanzien van de door de VVD genoemde aandachtspunten, geldt dat hetvoorstel voor harmonisering van het Uniform Pensioenoverzicht isgeschrapt en de informatievereisten significant zijn verminderd.De algemene zorgplicht maakt nog steeds onderdeel uit van de concept-Raadspositie, maar zoals ik eerder heb aangegeven is er al veel in deNederlandse wet geregeld7. Mijn inschatting is dat, gezien hetgeen nu alin de wet is opgenomen, het voorschrift inzake een algemene zorgplichtzoals dat nu in de concept-Raadspositie staat, niet zal leiden tot eensignificante verzwaring van de regeldruk voor pensioenfondsen. Bij deimplementatie van de richtlijn zal ik binnen de ruimte die daar dan voor is,7Kamerstukken II 2025/26, 21 501–31, nr. 816Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8298 ook scherp oog blijven houden voor de regeldrukeffecten voor Neder-landse pensioenfondsen.Op basis van de huidige tekst ben ik van mening dat de concept-Raadspositie op belangrijke onderdelen tegemoetkomt aan de Neder-landse belangen. Zoals ik in de geannoteerde agenda8 al heb aangevenzal Nederland instemmen met de concept-Raadspositie als de concept-Raadspositie voldoet aan de BNC-inzet en geen substantiële nieuweelementen bevat die afwijken van de Nederlandse inzet. Nederland kaninstemmen met de tekst die in stilteprocedure is gebracht. Ik verwacht datuw Kamer de concept-Raadspositie ten behoeve van Coreper op 26 junia.s. later deze week in kan zien op het Delegates Portal van de Raad vande Europese Unie.De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat de rapporteur eennieuw concept van qualifying productive investments introdu-ceert, bedoeld om de langetermijnfinanciering van de reëleeconomie te ondersteunen. Deze leden ontvangen graag eennadere toelichting op de reikwijdte van dit begrip en op deverplichtingen die daaruit voor pensioenfondsen zouden kunnenvoortvloeien. Genoemde leden vragen de Minister in hoeverre ditconcept in de praktijk leidt tot sturing van het beleggingsbeleid,hoe het zich verhoudt tot de vrijheid van fondsen om naar eigeninzicht en risicohouding te beleggen, maar ook wat de positieveeffecten op de economie en toegang tot financiering voor start-en scale-ups zullen zijn.In het concept-rapport van de rapporteur Boeselager wordt het conceptqualifying productive investments geïntroduceerd. Het betreft geendefinitief standpunt van het Europees Parlement op het voorstel totherziening van IORP II. In artikel 19, lid 1dc, van het concept-rapport wordthiervoor een lidstaatoptie geïntroduceerd om gunstigere regels toe tepassen op productieve investeringen die gereguleerd zijn of een laagrisicoprofiel kennen volgens het voorstel. Dit is dus geen verplichting.Vervolgens wordt een lijst genoemd van o.a. Europese investeringsve-hikels waarin belegd kan worden tegen gunstige regulering zoals hetEuropean Long-term Investment Fund en European Venture Capital Fund.Als dit concept zou worden toegepast zou het echter sturend kunnen zijnvoor het beleggingsbeleid en het handelen door het pensioenfonds in hetbelang van deelnemers volgens het prudent person beginsel kunnenbelemmeren. Ik ben geen voorstander van regelgeving die een belem-mering of verstoring kan zijn van afwegingen in het (strategisch)beleggingsbeleid die in het belang van de deelnemers worden gemaaktten behoeve van het prudent person beginsel.Ik sta positief tegenover meer investeringen in Europa in bijvoorbeelddurfkapitaal. Echter, stimulering van deze investeringen door sturing vande investeringen met een lijst van investeringsvehikels kan leiden totonnodige prijsopdrijving door een grotere vraag naar deze investerings-mogelijkheden. Dit zou de opbrengst van deze investeringen doenverminderen en deze investeringsmogelijkheden onnodig duur maken. Ikben daarom ook voorstander om start-ups en scale-ups op andere wijzente stimuleren.9De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de geannoteerde agenda voor de Formele RaadWerkgelegenheid en Sociaal Beleid van 29 juni 2026 en de8Kamerstukken II 2025/26, 21 501–31, nr. 8289Kamerstukken II 2024/25, 32 637, nr. 690.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8299 Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 6 juli2026, alsmede van de bijbehorende brieven en fiches. Deze ledenhebben hierover enkele vragen.De leden van de CDA-fractie nemen kennis van de stand vanzaken rond de herziening van de IORP II-richtlijn. Zij onder-schrijven dat aanvullende pensioenstelsels in Europa kunnenbijdragen aan een adequaat pensioeninkomen en langetermijnin-vesteringen, maar benadrukken dat Europese regels geen afbreukmogen doen aan goed functionerende nationale pensioenstelselszoals het Nederlandse stelsel.In Nederland hangt het aanvullende pensioenstelsel nauw samenmet collectieve afspraken en de rol van sociale partners. Dezeleden vragen hoe de regering in de verdere onderhandelingenborgt dat de rol van sociale partners en de nationale kenmerkenvan het Nederlandse pensioenstelsel voldoende beschermdblijven.In de huidige IORP II richtlijn is al vastgelegd dat de richtlijn geen afbreukdoet aan het nationale sociaal- en arbeidsrecht op het gebied van deorganisatie van pensioenstelsels, waaronder verplichte deelneming en hetresultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten. Dat uitgangspunt is inde voorstellen voor de herziening van IORP II onverminderd vantoepassing. In de Raadsonderhandelingen is waar nodig aandachtgevraagd voor de rol van de sociale partners en de nationale kenmerkenvan het Nederlandse pensioenstelsel. Er bestaat begrip voor de Neder-landse inbreng. Het Nederlandse stelsel van aanvullende pensioenen ishet grootste van de Europese Unie en onze argumenten dragen in datopzicht gewicht. Ik ben van mening dat in de concept-Raadspositie vanhet Cypriotische voorzitterschap de rol van sociale partners en denationale kenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel voldoendebeschermd blijven.Daarnaast lezen deze leden dat in het Europees Parlement eenvoorstel is gedaan waarbij pensioenfondsen met meer dan € 1miljard vermogen minstens 2% daarvan zouden moeten beleggenin durfkapitaal. Zij vragen hoe de regering dit voorstel beoor-deelt.Pensioenfondsen handelen op basis van het prudent person beginsel inbelang van hun deelnemers en gepensioneerden volgens de Wettoekomst pensioenen. Het is goed dat pensioenfondsen bij het bepalenvan hun strategisch beleid de ruimte hebben om de belangen van hundeelnemers te volgen. Het Commissievoorstel voor de herziening vanIORP II onderschrijft het prudent person beginsel en geeft daarmee ookaan dat het inderdaad belangrijk is dat pensioenfondsen in het belang vanhun deelnemers kunnen handelen.Het voorstel om minimaal 2% van het pensioenvermogen van pensioen-fondsen met meer dan één miljard euro aan vermogen te beleggen indurfkapitaal komt uit het concept-rapport van rapporteur Boeselager enbetreft geen definitief standpunt van het Europees Parlement op hetvoorstel tot herziening van IORP II. Dit voorstel is niet in lijn met prudentperson beginsel. Een dergelijke verplichting belemmert pensioenfondsenom hun beleggingsbeleid zo in te richten dat dit in lijn is met hetbeleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willen nemen. Dit is niet inhet belang van de deelnemers aan het pensioenfonds. Een minimuminvesteringslimiet past niet bij minimum harmonisatie. Ik ben dus ookgeen voorstander van dit voorstel. Mocht het EP dit voorstel in deze vormTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82910 te zijner tijd in de triloog-fase inbrengen dan zal ik bovenstaandebezwaren hierover inbrengen.Het versterken van de bescherming van deelnemers op Europeesniveau is een belangrijke ambitie, de leden van de CDA-fractielezen dat de Minister hierover in zijn antwoorden van maartschrijft: «Voor wat betreft de zorgplicht geldt dat er al veel in dewet geregeld is» en dat de inzet van het kabinet tijdens dezeonderhandelingen is «om de aanvullende regeldruk in de sectorte beperken, terwijl ook het belang van de bescherming vandeelnemers goed in het vizier wordt gehouden».Kan de Minister concretiseren waar deze inzet van het kabinetprecies op ziet als het gaat om het beperken van aanvullenderegeldruk? Deelt de Minister de zorg van de Pensioenfederatiedat een algemene zorgplicht kan leiden tot juridische onduide-lijkheid voor pensioenuitvoerders, toezichthouders en de recht-spraak?De inzet van het kabinet is er in zijn algemeenheid op gericht omvoorstellen die leiden tot aanvullende regeldruk voor de sector, kritisch tebeoordelen op de vraag of de voorstellen ook daadwerkelijk leiden totbetere bescherming van deelnemers. Het oorspronkelijke voorstel is in deconcept-Raadsinstructie op een aantal punten in belangrijke mateaangepast. Het voorstel voor een algemene zorgplicht maakt nog steedsonderdeel uit van de concept-Raadspositie. Ik heb inderdaad eerderaangegeven dat voor wat betreft de zorgplicht geldt dat er al veel in dewet geregeld is.10 Mijn inschatting is dat, gezien hetgeen nu al in de wet isopgenomen, het voorschrift inzake een algemene zorgplicht zoals dat nuin de concept-Raadsinstructie staat, niet zal leiden tot een significanteverzwaring van de regeldruk voor pensioenfondsen. Waar nodig zal ik bijde implementatie verder toelichten wat de zorgplicht betekent.Ik merk hierbij op dat een Raadspositie niet het eindstation van deonderhandelingen is. Nadat ook het Europees Parlement een positie heeftbepaald (naar verwachting dit najaar), zal de Raad samen met het EP toteen uiteindelijk politiek akkoord moeten komen. Ook in deze zogenoemdetriloog-onderhandelingen zal Nederland zich blijven inzetten voor hetbeperken van de regeldruk voor pensioenfondsen.De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het voorlopigakkoord over de herziening van Verordening 883/2004 enconstateren dat het kabinet dit akkoord niet heeft gesteund,onder meer vanwege de verruiming van de export van werkloos-heidsuitkeringen. Deze leden vragen hoe de regering de risico’sbeoordeelt voor controle, handhaving en activering naar werkwanneer WW-uitkeringen langer kunnen worden geëxporteerd, enwelke concrete waarborgen noodzakelijk worden geacht om tevoorkomen dat begeleiding naar werk tekortschiet of de rechtma-tigheidscontrole verslechtert. Daarnaast vragen deze ledenwanneer de Kamer duidelijkheid ontvangt over de uitvoeringsge-volgen en de kosten, die door UWV en SVB in kaart wordengebracht.10Kamerstukken II 2025/26, 21 501–31, nr. 816Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82911 Activering naar werkRisico’sWanneer een WW-gerechtigde met behoud van WW-uitkering gedurendemaximaal zes maanden in een andere lidstaat naar werk gaat zoeken,moet de betrokkene zich houden aan de sollicitatieverplichtingen van dielidstaat en is diezelfde lidstaat verantwoordelijk voor ondersteuning bijhet vinden van werk en controle op het voldoen aan de voorwaarden voorhet recht op uitkering. De kern van dit systeem verandert niet. Onder dehuidige exportregeling is bekend dat WW-gerechtigden die de uitkeringexporteren in de andere lidstaat minder vaak werk vinden danWW-gerechtigden die in Nederland verblijven. Dat risico zal zich over eenlangere duur kunnen voordoen (nu drie maanden, straks zes maanden).Mogelijk speelt hier – vooral in lidstaten die lagere kosten van levenson-derhoud hebben – het ontbreken van een financiële prikkel voor hetvinden van werk een rol. Ook kan de situatie op de plaatselijke arbeids-markt meespelen.WaarborgenNederland heeft zich in de onderhandelingen onder meer ingespannenvoor het verkrijgen van een betere informatiepositie van UWV. Dezeinspanningen zijn beloond. In het politiek akkoord is in de laatste fase vande onderhandelingen aan de tekst van het akkoord toegevoegd dat delidstaat waar naar werk wordt gezocht, de lidstaat die de uitkering betaaltmaandelijks moet informeren of de WW-gerechtigde zich houdt aan decontrole- en arbeidsbemiddelings- of activeringsprocedures in die lidstaat.Met deze toevoeging wordt beoogd UWV meer zicht en grip te geven opde situatie van de WW-gerechtigde die in een andere lidstaat naar werkzoekt.Om de financiële stimulans voor het vinden van werk te bevorderen, heeftNederland zich tijdens de onderhandelingen daarnaast onder meeringespannen voor een wijziging van de bepaling in Verordening 883/2004die de berekening van de hoogte van de werkloosheidsuitkering regelt.Nederland wil hierin opnemen dat inkomsten die tijdens de (dagloon)re-ferteperiode zijn ontvangen in een andere lidstaat, worden meegenomenin de hoogte van de WW-uitkering. Als die inkomsten in die anderelidstaat lager zijn heeft dit een dempend effect op de hoogte van de WW.Daarmee wordt de hoogte van de geëxporteerde WW-uitkering vanmensen die korter dan een jaar in Nederland hebben gewerkt meer inovereenstemming gebracht met de kosten voor levensonderhoud van hetwoonland. Dit voorstel van Nederland is niet overgenomen. Nederland zalzich hiervoor blijven inzetten in het kader van nieuwe voorstellen die deEuropese Commissie wil presenteren om de werkhervattingskansen bij deexport van werkloosheidsuitkeringen te verbeteren.Controle en handhavingRisico’sControle en handhaving is per definitie ingewikkelder als de uitkeringsge-rechtigde niet in Nederland verblijft. In Nederland is er door een koppelingvan systemen immers meer inzicht in de situatie van de WW-gerechtigde.Een dergelijke koppeling bestaat niet met andere lidstaten. Daardoor ishet moeilijker om te controleren of de WW-gerechtigde bijvoorbeeld werkhervat in een andere lidstaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82912 WaarborgenIn de tekst van het akkoord is afgesproken dat de lidstaat waar deWW-gerechtigde woont de lidstaat die de uitkering betaalt moet infor-meren (onmiddellijk of op verzoek van UWV), wanneer zich een situatievoordoet die van invloed kan zijn op het recht op uitkering. Dezeverplichting bestond al maar is aangescherpt, mede op aandringen vanNederland. De informatiepositie van UWV is hierdoor verbeterd.Nederland heeft tijdens de onderhandelingen gepleit voor verdergaandemaatregelen. Zo heeft Nederland voorgesteld dat UWV maandelijks op dehoogte wordt gesteld van een eventuele werkhervatting wanneer deWW-gerechtigde in een andere lidstaat naar werk zoekt met behoud vanuitkering. Ook heeft Nederland gepleit voor het opnemen van afsprakenover de mogelijkheid van bulkgegevensuitwisseling wanneerWW-gerechtigden in een andere lidstaat verblijven. In het politiek akkoordis wel een expliciete grondslag opgenomen voor dergelijke gegevensuit-wisselingen op bilateraal niveau, maar Nederland had graag concretereen EU-brede procesafspraken gezien voor dergelijke gegevensuitwisse-lingen in het kader van de export van werkloosheidsuitkeringen.Nederland zal zich hiervoor blijven inzetten in het kader van nieuwevoorstellen die de Europese Commissie wil presenteren om de controleen handhaving bij de export van werkloosheidsuitkeringen te verbeteren.UitvoeringstoetsenIk zal UWV en de SVB vragen om een uitvoeringstoets te verrichten ominzicht te krijgen in de kosten en eventuele besparingen voor de imple-mentatie en uitvoering van het akkoord. Naar verwachting zullen UWV ende SVB de uitvoeringstoetsen begin december opleveren.De leden van de CDA-fractie verzoeken de Minister om degeraamde extra WW-uitgaven van circa € 14 miljoen per jaar uitte splitsen naar grensarbeiders, andere mobiel werkenden enoverige uitkeringsgerechtigden.De geraamde circa € 14 miljoen per jaar is de som de drie belangrijkstewijzigingen in het werkloosheidshoofdstuk11:1)De verwachte kosten van de invoering van een wachttijd van éénmaand voordat tijdvakken van verzekering worden meegeteld voorde opening van het recht op een uitkering. Deze kosten wordengeraamd op circa € 1,5 miljoen per jaar en vallen in de categorie«overige uitkeringsgerechtigden». Hierbij gaat het om mensen dieeerder in Nederland werkten en binnen een maand in een anderelidstaat werkloos zijn geworden.2)De verwachte kosten van de verlenging van de exporttermijn van drienaar zes maanden. Deze kosten worden geraamd op circa € 1,6miljoen per jaar en vallen voor 80–90% in de categorie «anderemobiel werkenden (hierna: niet-grensarbeiders)».123)De verwachte kosten van de nieuwe aanwijsregel voor volledigwerkloze grensarbeiders en niet-grensarbeiders. Deze kosten wordenin totaal geraamd op € 10,6 miljoen per jaar. Naar verwachting11Dit bedrag is exclusief uitvoeringskosten of eventuele besparingen. Ik zal UWV en SVB vragenom een uitvoeringstoets te verrichten om inzicht te krijgen in de kosten en eventuelebesparingen van een akkoord. Vooralsnog wordt indicatief rekening gehouden met eenmalig€ 1,5 miljoen euro per organisatie voor de implementatie van de wijzigingen.12Gebaseerd op de huidige exportcijfers, die naar verwachting 80–90% de export naar hetwoonland door niet-grensarbeiders betreft. In de toekomst zullen ook grensarbeiders gebruikkunnen maken van de verlengde exporttermijn. Dit effect is meegenomen in de raming vanmaatregel 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82913 bestaat deze groep voor circa 75% uit grensarbeiders en voor 25% uitde categorie niet-grensarbeiders.13Tevens vragen deze leden om een inkomenseffectanalyse van devoorgestelde wijzigingen voor grensarbeiders, uitgaande van eenwerknemer woonachtig in Nederland en werkzaam in Belgiërespectievelijk Duitsland, een werknemer woonachtig in Belgiërespectievelijk Duitsland en werkzaam in Nederland, een brutomaandloon van € 3.500, volledige werkloosheid na 20 en 24weken arbeid als grensarbeider en een verzekeringsverleden van10 jaar in het woonland. Daarbij vragen deze leden tevens inzichtin de hoogte, duur en financieringsbron van de werkloosheidsuit-kering onder zowel het huidige als het voorgestelde stelsel.Allereerst moet worden opgemerkt dat de bestaande uitkeringsrechtenonaangetast blijven. De nieuwe regels zien alleen op aanvragen voorwerkloosheidsuitkeringen die zijn ingediend op of na de datum vantoepassing van de wijzigingsverordening.14Het antwoord op deze vraag wordt voor België en Duitsland gebaseerd opde Missoc-tabellen (die algemene informatie geven over de socialezeker-heidsstelsels van de lidstaten) en op de website van de Rijksdienst voorArbeidsvoorziening (RVA).15Bij de beantwoording wordt uitgegaan van een bruto maandloon van€ 3.500. Doordat tijdvakken uit andere lidstaten kunnen wordenmeegeteld, geldt bij het uitwerken van de voorbeelden dat er sprake isvan een arbeids- / verzekeringsverleden van tien jaar. Daarbij wordt er ookvanuit gegaan dat er sprake is van een ononderbroken verzekeringspe-riode van tien jaar.Hoogte, duur en financieringsbron Nederlandse WW in 2026•€ 2.625 bruto per maand (eerste 2 maanden, 75% van € 3.500 bruto)•€ 2.450 bruto per maand (daarna, 70% van € 3.500 bruto)•Duur: 10 maanden•De WW-uitkering wordt gefinancierd door het Algemeen Werkloos-heidsfonds (AWf). Werkgevers betalen AWf-premies over het brutoloonvan hun werknemers.Hoogte, duur en financieringsbron Belgische werkloosheidsregeling•€ 2.275 bruto per maand (eerste 3 maanden, 65% van € 3.500 bruto)13Momenteel betaalt het woonland de werkloosheidsuitkering aan volledig werkloze grensar-beiders. Het woonland verhaalt de kosten voor 3 tot 5 maanden (precieze periode is afhan-kelijk van het arbeidsverleden) op het werkland. In de nieuwe situatie wordt het werklandverantwoordelijk voor de betaling van de werkloosheidsuitkering aan volledig werklozegrensarbeiders en vervallen het verhaal en de vergoedingen. Voor de raming is gekeken naarde huidige stromen van verhaal en vergoedingen voor WW-uitkeringen naar het buitenland.Die ramingen gaan over zowel grensarbeiders als over niet-grensarbeiders. Naar verwachtingbestaat deze groep voor circa drie kwart uit grensarbeiders. In de periode 2018–2020 betaaldeUWV namelijk 76% van het aantal compensaties aan het buitenland aan Duitsland en België.UWV ontvangt andersom ook de meeste compensaties van deze twee landen. Bron: «EenNederlandse uitkering in het buitenland. Dienstverlening en handhaving door het UWV bijexport van uitkeringen». Algemene Rekenkamer, 202214De datum van toepassing van de wijzigingen in het werkloosheidshoofdstuk is twee jaar na deinwerkingtreding van de wijzigingsverordening.15Bronnen: www.missoc.org/missoc-database/comparative-tables en RVA_Infoblad_T201 enRVA_Hervorming_Werkloosheidsreglementering. Gezien de korte beantwoordingstermijnheeft hierover geen contact plaatsgevonden met overheden van andere lidstaten, het betreftdus een indicatieve inschatting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82914 •€ 2.100 bruto per maand (4e tot 12e maand, 60% van € 3.500 bruto)•Duur:–Basisperiode: 12 maanden (voor iedereen die aan de toelatings-voorwaarden voldoet)–Bij 10 jaar verzekeringsverleden wordt de uitkering verlengd totmaximaal 24 maanden. Voorwaarde: Minimaal 312 arbeids- ofgelijkgestelde dagen in de afgelopen 36 maanden.•De Belgische werkloosheidsuitkering wordt gefinancierd door socialebijdragen (werkgeversbijdragen en werknemersbijdragen).Hoogte, duur en financieringsbron Duitse werkloosheidsregeling(Arbeitslosengeld I)•€ 1.657 bruto per maand (met kinderen: € 1.845 bruto per maand.)•Duur:12 maanden als de verzekerd jonger is dan 50 jaar–15 maanden als de gerechtigde tussen de 50 en 54 jaar oud is;–18 maanden tussen de 55- en 57-jarige leeftijd; en–24 maanden als de uitkeringsgerechtigde ouder is dan 58.•De Duitse werkloosheidsverzekering wordt gefinancierd doorwerkgevers- en werknemersbijdragen.Wanneer welke uitkeringIn de twee tabellen hieronder wordt weergegeven wanneer welke lidstaatbevoegd isWoonland NederlandHuidige situatieToekomstige situatieWerkland België meer dan 22weken gewerktNederland bevoegdBelgië bevoegdWerkland België, minder dan22 weken gewerktNederland bevoegdNederland bevoegdWerkland Duitsland, meer dan22 weken gewerktNederland bevoegdDuitsland bevoegdWerkland Duitsland, minderdan 22 weken gewerktNederland bevoegdNederland bevoegd Werkland NederlandHuidige situatieToekomstige situatieWoonland België meer dan 22weken gewerktBelgië bevoegdNederland bevoegdWoonland België, minder dan22 weken gewerktBelgië bevoegdBelgië bevoegdWoonland Duitsland, meerdan 22 weken gewerktDuitsland bevoegdNederland bevoegdWoonland Duitsland, minderdan 22 weken gewerktDuitsland bevoegdDuitsland bevoegd De leden van de CDA-fractie vragen voorts welke staat op grondvan de belastingverdragen tussen Nederland en België respectie-velijk Duitsland bevoegd is tot belastingheffing overWW-uitkeringen die door het voormalige werkland wordenbetaald aan grensarbeiders die in een andere lidstaat wonen, enof is onderzocht of de nieuwe coördinatie kan leiden tot situatieswaarin premieheffing, uitkeringsfinanciering en belastingheffingin verschillende lidstaten plaatsvinden. Indien dat het geval is,vragen deze leden wat dit betekent voor de netto-uitkeringspositie van betrokken grensarbeiders en of dergelijkesituaties wenselijk worden geacht, en indien dat niet het geval is,welke mogelijkheden het kabinet ziet om deze fiscale en socialediscoördinatie te voorkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82915 WW-uitkeringen die door het voormalig werkland worden betaald,worden in principe onder het belastingverdrag Nederland-België in hetwoonland van de grensarbeider belast, terwijl de premieheffing plaats-vindt in het voormalig werkland. De wijziging van de Verordening leidtertoe dat de premieheffing over WW-uitkeringen verschuift van hetwoonland naar het voormalig werkland. Deze «discoördinatie» doet zichonder de huidige Verordening 883/2004 niet voor bij volledig werklozegrensarbeiders.Wat betreft de netto-uitkeringspositie kan het volgende wordenopgemerkt: de exacte gevolgen zijn afhankelijk van de feiten en omstan-digheden van de individuele situatie en kunnen voordelig of nadeliguitpakken.Hoewel discoördinatie idealiter wordt voorkomen, zijn de afspraken in debelastingverdragen primair bedoeld om heffingsrechten te verdelen endubbele belasting te voorkomen. Volledigheidshalve moet wordenopgemerkt dat een herziening van belastingverdragen alleen mogelijk ismet instemming van beide landen. Het ligt niet op voorhand in de redeom het belastingverdrag met België te herzien.In relatie tot Duitsland is er geen sprake van «discoördinatie» tussen depremieheffing en de belastingheffing, omdat onder het belastingverdragNederland-Duitsland het heffingsrecht over de WW-uitkering wordttoegewezen aan land waar de uitkering uit afkomstig is. De betrokkenpersoon is dan sociaal verzekerd in het voormalige werkland en betaaltdaar ook belasting.De leden van de CDA-fractie lezen dat verwijzingen naar tweede-pijlerpensioenen uit Bijlage XI van Verordening 883/2004 wordenverwijderd, waardoor een flexibel gekozen pensioendatum meteen tweede-pijlerpensioen of vergelijkbare uitkering voorafgaandaan de AOW-leeftijd niet langer kan leiden tot verdragsrecht opzorg ten laste van Nederland. Deze leden vragen welke catego-rieën personen hierdoor worden geraakt, hoeveel personen naarverwachting worden getroffen en of het klopt dat personen metuitsluitend een niet-wettelijk Nederlands prepensioen of verge-lijkbare uitkering in het buitenland niet langer als verdragsge-rechtigde kunnen worden aangemerkt. Daarnaast vragen dezeleden naar de gevolgen hiervan voor de toegang tot medischezorg in het woonland, de toegang tot medische zorg tijdenstijdelijk verblijf in Nederland, het verblijfsrecht op grond vanRichtlijn 2004/38/EG en de verplichting tot het afsluiten van eenparticuliere zorgverzekering in het woonland, en of hierbijovergangsproblemen worden voorzien en op welke wijze dezeworden ondervangen.Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie naar de algemenegevolgen van het bereikte akkoord en verzoeken zij het kabinetom per categorie aan te geven welke concrete nadelige gevolgenworden verwacht voor grensarbeiders, andere mobiel werkenden,werkloosheidsuitkeringsgerechtigden, gepensioneerden en deuitvoering door UWV en SVB, alsmede welke van deze gevolgendoorslaggevend zijn geweest in het besluit om het voorlopigakkoord niet te steunen.De gevolgen van het bereikte akkoord voor mensen die grensover-schrijdend werken (grensarbeiders en andere mobiel werkenden (hierna:niet-grensarbeiders)) of mensen die in grensoverschrijdend verband eenuitkering ontvangen, verschillen sterk van geval tot geval. De grenswerkerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82916 of (potentiële) uitkeringsgerechtigde kan door één of meer van dewijzigingen in het akkoord en afhankelijk van zijn persoonlijke situatie,(financiële) voor- en/of nadelen van het akkoord ondervinden.De grootste impact voor grensarbeiders en niet-grensarbeiders iswaarschijnlijk gelegen in de aanpassingen met betrekking tot de werkloos-heidsuitkeringen.Volledig werkloze grensarbeiders die (langer dan) 22 weken in hetwerkland hebben gewerkt maken voortaan aanspraak op een werkloos-heidsuitkering uit het werkland, terwijl zij onder de huidige regels eenwerkloosheidsuitkering in het woonland moeten aanvragen. Of dit voor-of nadelig uitpakt hangt af van het woon-, dan wel het werkland van debetrokkene én van de specifieke situatie van de betrokkene.Niet-grensarbeiders kunnen de werkloosheidsuitkering langer ontvangenin het woonland dan nu het geval is. Daar staat tegenover dat deze groeponder de huidige regels in theorie (mits aan de voorwaarden wordtvoldaan) al na één dag werken aanspraak kan maken op een werkloos-heidsuitkering uit het werkland, terwijl onder het akkoord eerst deaffiliatieperiode van 22 weken moet worden doorlopen. De introductie vande affiliatieperiode heeft tot gevolg dat niet-grensarbeiders die maar kortin Nederland werken terwijl ze in een andere lidstaat wonen, niet langeraanspraak maken op een WW-uitkering in Nederland.De effecten voor de SVB en UWV worden in kaart gebracht bij deuitvoeringstoetsen.Algemene toelichting over zorg in de verordeningDe Europese Verordening 883/2004 coördineert de socialezekerheids-stelsels van EU-landen. Gegeven de situatie van de burger, bepaalt deVerordening welk land verantwoordelijk is voor sociale verzekeringen endit voorkomt dat iemand nergens of juist in meerdere landen tegelijkertijdis verzekerd. In het verlengde hiervan regelt de verordening ook hoe je,wanneer je in een ander EU-land woont, werkt, studeert of tijdelijkverblijft, zorg ontvangt en welke lidstaat dit betaalt.Aanpassing Bijlage XIBijlage XI van deze verordening beschrijft bijzondere bepalingen perlidstaat voor de toepassing van de verordening en geeft hiermeepraktische invulling aan grensoverschrijdende zorg (denk aan wie moetzich verzekeren, welke zorgrechten je in Nederland hebt als je eldersverzekerd bent, wie zorg ten laste van Nederland kan krijgen). Met dezenieuwe aanpassingen in bijlage XI zijn verwijzingen naar verouderde,deels niet meer van kracht zijnde, wet- en regelgeving en onduidelijke nietgoed uitvoerbare passages verwijderd.Bijlage XI is daarmee vereenvoudigd en geüpdatet. Alle bestaanderechten die voorzien in zorg ten laste van Nederland blijven bestaan. Datis geregeld in het overgangsrecht. Nieuwe gevallen worden op hun eigenmerites beoordeeld, maar in die gevallen is uiteraard geen sprake van eenbestaand recht.In de huidige tekst van bijlage XI was een verwijzing opgenomen naararbeidsvoorwaarden die de verzorging van gewezen werknemers ten doelheeft, die vanaf 55 jaar en vóór 65 jaar van een dergelijke arbeidsvoor-waarde gebruikmaken. In de praktijk is en was niet duidelijk waar diepassage precies naar verwees. Dat maakte dat in de praktijk een keuze-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82917 recht was ontstaan: als een burger zich meldde bij CAK ontstond er eenrecht op zorg betaald door Nederland, als een burger zich niet meldde bijCAK ontstond er geen recht op zorg betaald door Nederland. Dieonduidelijke situatie vindt het kabinet onwenselijk en die situatie is nuhersteld.Zorg in het woonland is en blijft voor iedereen toegankelijk, mede opbasis van de recente Hofuitspraak «A. tegen Latvijas Republikas Veselı¯basministrija (C-535/19)» op basis waarvan het een economisch niet actieveburger niet kan worden tegengeworpen dat hij van zijn recht op vrijverkeer van personen gebruik maakt. Uiteraard mag de EU-burger geenonredelijke last vormen voor de overheidsfinanciën van het nieuweEU-woonland. Het nieuwe EU-woonland mag daarom voorwaardenstellen aan bijdragen voor een ziektekostenverzekering.Deze voorwaarden kunnen onder meer inhouden dat de EU-burger eenpremiebijdrage betaalt aan het publieke zorgstelsel van het nieuweEU-woonland, of dat de EU-burger een betaalbare particuliere ziektekos-tenverzekering afsluit.Het is niet precies aan te geven uit hoeveel personen deze huidige groepvan personen bestaat die van de arbeidsvoorwaarden op basis van eentweede pijler pensioensysteem gebruik maken en die in het buitenlandwonen. Er wordt in de cijfers geen onderscheid gemaakt tussen gepensio-neerden, uitkeringsgerechtigden en daaraan gelijkgestelden met een rechtop zorg ten laste van Nederland. Er zijn wel cijfers beschikbaar van degehele groep van gepensioneerden, uitkeringsgerechtigden en daaraangelijkgestelden. In 2024 waren er 86.868 gepensioneerden, uitkeringsge-rechtigden en daaraan gelijkgestelden met een recht op zorg ten laste vanNederland. Conform de reguliere afspraken die volgen uit de Verordeninghebben ook nabestaanden recht op en toegang tot zorg in hunEU-woonland en kunnen zij zich aansluiten bij het stelsel van hunwoonland. Daarmee wordt gebruik gemaakt van het geboden zorgpakketin het woonland. Voor nabestaanden wijzigt er overigens niets. Hiermee isde zorg in de basis goed geregeld. Er zijn geen gevolgen voor het recht optoegang tot medische zorg in het woonland.Zoals aangegeven in mijn brief van 10 juni bevat het akkoord plus- enminpunten. Het kabinet beoordeelt voornoemde invoering van deaffiliatietermijn als positief, terwijl de verruiming van de export vanwerkloosheidsuitkeringen als negatief wordt beoordeeld. Andere positieveelementen zijn de nieuwe afspraken die bijdragen aan handhaving op hetterrein van A1-verklaringen, de wijzigingen in het hoofdstuk gezinsbij-slagen (die een duidelijkere en eenvoudigere regeling voor gezinsbij-slagen behelzen) en de afspraken die gegevensuitwisseling met anderelidstaten en invordering van premies en onverschuldigd betaaldeuitkeringen beogen te bevorderen. Alles afwegende is het kabinet vanmening dat het akkoord onder de streep onvoldoende tegemoetkomt aande Nederlandse wensen. Hierbij is de verruiming van de mogelijkhedenvoor de «export» van WW-uitkeringen doorslaggevend geweest.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van deEuropese Anti-Armoedestrategie. Zij onderschrijven het belangvan preventie, werk, financiële educatie, vroegsignalering enlaagdrempelige hulp bij geldzorgen en beginnende schulden.Deze leden vragen hoe het kabinet ervoor zorgt dat dezeelementen voldoende worden meegenomen in de verdereEuropese uitwerking. In het bijzonder vragen deze leden hoe deNederlandse praktijk van laagdrempelige ondersteuning, sociaal-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82918 juridische hulp, schuldhulpverlening en de inzet van vrijwilligers-organisaties onder de aandacht wordt gebracht in Europeesverband.Het Nationaal Programma Armoede en Schulden zet in op het voorkomenen verhelpen van armoede voor iedereen die onder of net boven dearmoedegrens leeft. Preventie door onder andere financiële educatie,toeleiden naar werk, vroegsignalering en laagdrempelige hulp bijgeldzorgen en beginnende schulden zijn belangrijke elementen daarin.Het kabinet deelt de aanpak in Europees verband waar mogelijk en wil ookkennisnemen en leren van goede voorbeelden uit andere Europeselidstaten. Het kabinet ziet uit naar het aangekondigde Commissievoorstelvoor een aanbeveling ter ondersteuning van makkelijke en geïntegreerdetoegang tot diensten met aandacht voor sociale inclusie en zal bovenge-noemde elementen te zijner tijd meenemen in de appreciatie.Tot slot nemen de leden kennis van de voorgenomen Raadscon-clusies over het voorkomen en bestrijden van cybergeweld tegenmeisjes. Zij achten het van groot belang dat meisjes online beterworden beschermd tegen seksuele intimidatie, deepfakes en deverspreiding van schadelijke beelden.Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat platforms sneller eneffectiever optreden tegen deze vormen van online geweld, enwelke inzet Nederland daarbij in Europees verband kiest.Online platforms dragen verantwoordelijkheid voor het tegengaan vanillegale en schadelijke content. Binnen de Europese Unie gelden hiervoorregels, neergelegd in de Digital Services Act (DSA). Zo schrijft de DSAonder meer voor dat platforms moeten voorzien in kennisgevings- enactiemechanismen, via welke illegale inhoud bij hen kan worden gemeld.De zogenoemde zeer grote online platfoms moeten de systeemrisco’s vanhun diensten in kaart brengen en beperken, waaronder risico’s metbetrekking tot gendergerelateerd geweld, de bescherming van minderja-rigen en ernstige negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijkewelzijn van de persoon. De Europese Commissie ziet primair toe op denaleving van deze regels door zeer grote online platforms en beschiktover instrumenten om deze platforms hierop aan te spreken. Nederlandkan de Europese Commissie niet aansturen in haar onafhankelijketoezichthoudende rol, maar heeft in Europees verband herhaaldelijkopgeroepen om, binnen het bestaande Europese kader, aandacht tebesteden aan de aanpak van online geweld tegen vrouwen en meisjes.Het kabinet steunt daarnaast de Europese aanpak waarbij online geweldtegen meisjes wordt erkend als een vorm van gendergerelateerd geweld.Daarbij zet Nederland in op strafbaarstelling en vervolging van onlinevormen van geweld, onder meer via de implementatie van de EU-richtlijngeweld tegen vrouwen.Ten aanzien van deepfakes, is binnen de Europese Unie een akkoordbereikt over een verbod in de AI-verordening op AI-systemen diemateriaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zondertoestemming vervaardigen of manipuleren. Het verbod treedt indecember dit jaar nog in werking. Verder zet het kabinet erop in om debestaande mogelijkheden onder de DSA te benutten zodat slachtoffers zogoed mogelijk worden geholpen. Zo ondersteunt het kabinet de stichtingOfflimits die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op basis vande DSA is aangewezen als betrouwbare flagger. Meldingen van Offlimitsmoeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit wordenbehandeld. Offlimits kan waar nodig ook doorverwijzen naar specialis-tische hulp.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82919 De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de stukken geagendeerd voor dit schriftelijk overleg.Deze leden hebben ook kennisgenomen van de vorderingenrondom de Europese coördinatieverordening sociale zekerheid.De leden van de PRO-fractie lezen dat met het voorstel premie-shoppen wordt tegengegaan. Deze leden vragen welke gevolgende voorgestelde wijzigingen hebben voor het gebruik van deA1-verklaring. Deze leden vragen dat de regering uiteenzet opwelke wijze misbruik van A1-verklaringen onder de nieuwevoorstellen wordt voorkomen, welke frauderisico’s volgens deregering blijven bestaan en welke aanvullende waarborgenworden voorzien.Met een A1-verklaring kan een werknemer of zelfstandige aantonen inwelk land hij of zij sociaal verzekerd is. Dit komt de rechtszekerheid van dewerkende ten goede. Tegelijkertijd moet voorkomen worden datA1-verklaringen aangevraagd worden op basis van constructies ofonjuiste informatie met het doel premievoordelen te behalen.Fraude en misbruik met A1-verklaringen wordt tegengegaan door middelvan een aantal wijzigingen in Verordening 883/2004. Bij een detacheringvan maximaal 24 maanden kan men verzekerd blijven in de uitzendendelidstaat. Onder de huidige Verordening moeten werknemers en zelfstan-digen slechts één maand onderworpen zijn aan het socialezekerheids-stelsel van de uitzendende lidstaat, voordat ze met een A1-verklaringgedetacheerd kunnen worden naar een andere lidstaat. Dit wordt met hetakkoord verlengd naar drie maanden. Dit helpt tegen het fenomeenwaarbij derdelanders naar een EU-lidstaat worden gehaald om vandaaruit vrijwel direct gedetacheerd te worden naar een andere EU-lidstaat.Tevens is afgesproken dat in geval van fraude de intrekking van deA1-verklaring terugwerkende kracht heeft. Dit kan betekenen dat over hetverleden premies en eventuele uitkeringen verrekend of terugbetaaldmoeten worden. Dit maakt het minder aantrekkelijk om een schijncon-structie op te zetten.Verder zijn afspraken gemaakt over de controle van relevante feiten voorde afgifte van een A1-verklaring en is de bemiddelingsprocedure bijgeschillen over de A1-verklaring aangescherpt.Zoals blijkt uit het bovenstaande worden met het akkoord een aantalbelangrijke stappen gezet die de handhaving met betrekking totA1-verklaringen verbeteren. Op dit moment is het belangrijkste om ervoorte zorgen dat deze wijzigingen goed worden geïmplementeerd envervolgens ook worden gehandhaafd. Als dat gebeurt, kan een goedeinschatting worden gemaakt of aanvullende maatregelen nodig zijn.De leden van de PRO-fractie lezen dat het onderscheid tussengrensarbeiders en niet-grensarbeiders vervalt. Deze leden vragenwelke praktische, juridische en financiële gevolgen dit heeft voorwerknemers, werkgevers, uitkeringsinstanties en lidstaten.De «aanwijsregels» in het hoofdstuk werkloosheid wijzen de lidstaat aandie de werkloosheidsuitkering moet betalen: het woonland of debevoegde lidstaat (hierna: het werkland). Het gaat in deze bepaling omgrensarbeiders en «niet-grensarbeiders». Grensarbeiders reizen minimaaleen keer per week van hun woonland naar hun werkland.Niet-grensarbeiders zijn alle andere werknemers die in een andere lidstaatwonen dan waar zij werken, zoals bijvoorbeeld seizoenarbeiders of andere«mobiele werkenden» met een tijdelijk contract. De huidige regelsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82920 bevatten verschillende regels voor grensarbeiders en niet-grensarbeiders.Het akkoord bepaalt dat dezelfde regels zullen gelden voor alle werklozendie in een andere lidstaat woonden dan het werkland. Hoofdregel is dat eraanspraak bestaat op een werkloosheidsuitkering uit het voormaligwerkland, indien daar (meer dan) 22 weken is gewerkt.De belangrijkste wijziging voor grensarbeiders is dat voortaan na 22weken werken aanspraak bestaat op een uitkering uit het voormaligwerkland, terwijl er nu uitsluitend recht op werkloosheidsuitkering uit hetwoonland kan bestaan.De belangrijkste wijziging voor niet-grensarbeiders is dat zij voortaanminimaal 22 weken in het werkland moeten werken voordat daaraanspraak op werkloosheidsuitkering bestaat, terwijl er nu in theorie naéén dag werken aanspraak op werkloosheidsuitkering bestaat.Voor beide groepen geldt dat er recht is op «export» van de werkloos-heidsuitkering naar het woonland. Hoe lang en onder welke voorwaardende uitkering mag worden geëxporteerd hangt af van waar de betrokkenpersoon naar werk wil zoeken. Wordt naar werk gezocht in het woonland,dan is er recht op behoud van uitkering gedurende maximaal zesmaanden, eventueel gevolgd door een werkloosheidsuitkering uit hetwoonland als daar nog een resterend uitkeringsrecht bestaat. Wordt naarwerk gezocht in het voormalig werkland, dan is er geen maximale termijnverbonden aan het wonen of verblijven in het woonland met behoud vanuitkering.Wat de financiële consequenties zijn voor grensarbeiders of voorniet-grensarbeiders hangt af van de individuele situatie van de betrokkenpersoon. Voor werkgevers heeft deze wijziging geen gevolgen.UWV brengt de gevolgen van de wijzigingen in kaart in een uitvoerings-toets.Voor lidstaten brengt de wijziging een financiële verschuiving mee. Onderde huidige Verordening moet het woonland van grensarbeiders (en somsook van niet-grensarbeiders) de werkloosheidsuitkering betalen. Daarvoorontvangt het woonland een compensatie van het werkland van drie tot vijfmaanden, afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden. Dezecompensatie is niet altijd kostendekkend. In de toekomst moet hetwerkland de werkloosheidsuitkering vaker gaan betalen. In die lidstaat zijnook de premies betaald. De nieuwe regeling beoogt daarmee eenrechtvaardigere verdeling van de uitkeringslasten tussen de lidstaten tebewerkstelligen. Nederland is vaker «werkland» dan «woonland». Omdeze reden leidt de wijziging tot een intensivering van ongeveer € 10,6miljoen per jaar.De leden van de PRO-fractie lezen dat een wachttijd van éénmaand verzekering wordt geïntroduceerd voordat arbeidsver-leden uit andere lidstaten meetelt voor het openen van eenWW-recht. Deze leden vragen welke gevolgen deze wijzigingheeft.Verordening 883/2004 regelt dat het arbeidsverleden in andere lidstatenmag worden meegeteld voor de beoordeling van een recht op werkloos-heidsuitkering. Dit artikel is relevant voor de wekeneis en de arbeidsverle-deneis in de WW. Op grond van de huidige Verordening kan in theorie eenin Nederland verzekerde werkloze die na één dag werken werkloos wordten voldoet aan de overige voorwaarden voor een werkloosheidsuitkeringTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82921 de verzekeringstijdvakken uit een andere lidstaat meenemen en daarmeeeen WW-recht openen.In het akkoord wordt geregeld dat een werkloze werknemer eerst eenononderbroken periode van één maand in een lidstaat verzekerd moet zijngeweest voordat het buitenlandse arbeidsverleden wordt meegenomen(«wachttijd»). Als de werknemer vóór het verstrijken van die maandwerkloos wordt, moet de uitkering worden aangevraagd in het voorlaatstewerkland. Die uitkering mag vervolgens zes maanden naar het nieuwewerkland worden geëxporteerd.Aangezien voor werklozen die in een andere lidstaat woonden dan waarzij werkten (grensarbeiders en «niet-grensarbeiders») een affiliatieperiodegeldt van 22 weken, is deze bepaling vooral van belang voor de openingvan het recht op werkloosheidsuitkering van mensen met een arbeidsver-leden in een andere lidstaat die in één en dezelfde lidstaat wonen enwerken. Het gaat dan om een werknemer die van lidstaat A naar lidstaat Bemigreert en in lidstaat B binnen een maand werkloos wordt. Deverwachting is dat dit niet vaak zal voorkomen en de impact van dezebepaling in de praktijk daarom beperkt zal zijn.De leden van de PRO-fractie vragen hoe andere lidstaten hebbengereageerd op het door Nederland ingediende non-paper. Dezeleden vragen een beschouwing van het speelveld.Diverse lidstaten hebben zowel in bilaterale als in plenaire vergaderingenpositief gereageerd op het Nederlandse non-paper en onderschreven dater ook na deze herziening een noodzaak is om de coördinatie van socialezekerheid verder te moderniseren. De meerderheid van de lidstaten gaf erechter de voorkeur aan om eerst tot een akkoord te komen met betrekkingtot de lopende herziening.De leden van de PRO-fractie vragen welke wijzigingen in hethuidige voorstel noodzakelijk zijn voordat het kabinet alsnog kaninstemmen met een akkoord. Deze leden vragen welke onder-delen de regering daarbij als essentieel beschouwt en op welkepunten zij ruimte ziet voor een compromis.Zoals aangegeven in mijn brief van 10 juni bevat het akkoord plus- enminpunten. Het kabinet beoordeelt de invoering van de affiliatietermijn alspositief, terwijl de verruiming van de export van werkloosheidsuitkeringenals negatief wordt beoordeeld. Andere positieve elementen zijn de nieuweafspraken die bijdragen aan handhaving op het terrein vanA1-verklaringen, de wijzigingen in het hoofdstuk gezinsbijslagen (die eenduidelijkere en eenvoudigere regeling voor gezinsbijslagen behelzen) ende afspraken die gegevensuitwisseling met andere lidstaten en invor-dering van premies en onverschuldigd betaalde uitkeringen beogen tebevorderen. Alles afwegende is het kabinet van mening dat het akkoordonder de streep onvoldoende tegemoetkomt aan de Nederlandse wensen.Hierbij is de verruiming van de mogelijkheden voor de «export» vanWW-uitkeringen doorslaggevend geweest.In de Coreper-vergadering van 29 april jl. heeft een grote meerderheid vanlidstaten aangegeven het akkoord te kunnen steunen. Slechts vijf lidstaten– waaronder Nederland – konden het akkoord niet steunen. Eén lidstaatheeft een voorbehoud gemaakt. De EMPL-commissie van het EuropeesParlement heeft het akkoord op 6 mei jl. met een ruime meerderheidaangenomen. Naar verwachting zal het EP tijdens de plenaire sessie van 6tot en met 9 juli akkoord gaan in eerste lezing. Wanneer de tekstvervolgens teruggaat naar Coreper en daarna naar de Raad zal dit slechtsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82922 zijn voor formele aanname. Aangezien het krachtenveld niet zal wijzigen iser geen ruimte meer voor wijzigingen.De leden van de PRO-fractie vragen wanneer de uitvoerings-toetsen van UWV en SVB worden verwacht en op welke manierde regering deze zal bezien.Naar verwachting zullen UWV en de SVB de uitvoeringstoetsen begindecember opleveren. Deze uitvoeringstoetsen zijn erop gericht om deeffecten op deze organisaties in kaart te brengen en om inzicht te krijgenin de kosten en eventuele besparingen voor de implementatie enuitvoering van het akkoord. Beide uitvoeringsorganisaties zijn reeds goedbetrokken geweest tijdens het onderhandelingstraject.Ik zal uw Kamer informeren over de uitvoeringstoetsen van UWV en deSVB.Ook hebben de leden van de PRO-fractie een vraag over deplatformrichtlijn. Deze leden vragen wanneer de regering deimplementatiewet naar de Kamer zal sturen en hoe de deadlinevan eind dit jaar gehaald wordt.Het kabinet zal de kamer na de zomer per brief informeren over hettijdpad van de implementatiewet, mede in het licht van de implementatie-deadline van 2 december 2026. Deze deadline is naar verwachting nietrealistisch. Het kabinet streeft naar een zo spoedig mogelijke implemen-tatie en hecht daarbij belang aan zorgvuldigheid. De implementatiewetgaat voor de zomer in internetconsultatie.De leden van de PRO-fractie hebben ook kennisgenomen van hetfeit dat Schiphol Airport maatregelen neemt om de uitstoot vanultrafijnstof te verminderen, door onder andere elektrificatie vanmaterieel en andere procedures, om ervoor te zorgen datwerknemers een gezondere werkomgeving krijgen. Deze ledenhebben een vraag als het gaat over een eventuele Europesestandaarden. Deze leden vragen of het mogelijk zou zijn om in tezetten op een Europese standaard als het gaat om de emissie vanultrafijnstof op vliegvelden om op deze manier een gelijkspeelveld te creëren binnen Europa zodat vliegvelden die op dezemanier willen investeren in de gezondheid van hun werknemers,niet te maken krijgen met een nadelige concurrentiepositie.Vanuit het oogpunt van gelijke bescherming van werkenden en een gelijkspeelveld hecht ik aan Europese normen op het gebied van emissie vanvliegtuigen. Uw vraag gaat over ultrafijnstof op Schiphol en anderevliegvelden. Ultrafijnstof is (onder andere) een component van vliegtuig-motoremissie (VME) en dieselmotoremissie (DME). Het RIVM heeft in2024 vastgesteld dat VME kankerverwekkende stoffen bevat. Op basisdaarvan geldt de verplichting om de blootstelling van werknemers aanVME zo ver mogelijk om laag te brengen (minimalisatie). Dezeverplichting is gebaseerd op Europese regels. Schiphol neemt in verbanddaarmee inderdaad maatregelen om de blootstelling van werknemers aanstoffen als VME en DME omlaag te brengen.Op korte termijn wordt ook een rapport van de Gezondheidsraad over dekankerverwekkendheid van het mengsel VME verwacht. Tijdens het debatover arbeidsomstandigheden op 11 juni jongstleden heb ik toegezegd ditrapport van de Gezondheidsraad in te zullen brengen in Europa, met alsdoel te komen tot een Europese aanwijzing van het mengsel VME alskankerverwekkend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82923 De leden van de fractie van PRO hebben ook een vraag over deplannen voor het Europese «28e regime» waarmee de EU-Inc. kanworden gecreëerd. Deze leden vragen hoe de Nederlandseregering wil waarborgen dat deze niet aan lagere standaardenhoeven te voldoen als het gaat rechten voor werknemers envraagt de Minister zich in te zetten voor het beschermen vanwerknemersrechten.Wanneer de EU Inc. na oprichting overgaat tot de dagelijkse praktijk vanondernemen, krijgt de onderneming te maken met het nationale recht datvan toepassing is op de arbeidsrelatie. Het voorstel harmoniseert hetarbeidsrecht niet. Op grond van de Rome I-Verordening16 zijn arbeidsover-eenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onder-worpen aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemersgewoonlijk laten werken, en aan bijzonder dwingend recht van het landwaar het werk wordt verricht.17 Hierdoor hebben werknemers die inNederland werkzaam voor een EU Inc. dezelfde rechten als anderewerknemers die in Nederland werkzaam zijn.Om de bescherming van werknemers te waarborgen is effectief toezichten handhaving van belang. Het kabinet ziet dat het voorstel kan leiden totcomplexere en vertraagde samenwerking op het gebied van arbeidsrech-telijke handhaving, des te meer omdat de oprichting en verplaatsing vaneen EU Inc. eenvoudig en snel kan verlopen waardoor het lastiger teachterhalen zal zijn aan welke lidstaat of autoriteit een verzoek moetworden gericht. Het kabinet is van mening dat het huidige voorstel nogonvoldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwerechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten te omzeilen en effectievehandhaving van het arbeidsrecht te realiseren. Het kabinet acht het vanbelang dat ontduiking van de toepasselijke werknemersbeschermingwordt voorkomen en zal tijdens de onderhandelingen bewaken dat hetvoorstel hiervoor voldoende waarborgen bevat. Het kabinet zal zichinzetten om het voorstel daartoe te verbeteren, bijvoorbeeld door in tezetten op versterking van de bevoegdheden voor de relevante poort-wachters voor een volwaardige controle op een EU Inc. en voor helderebevoegdheden en toegang tot informatie over de EU Inc. voor relevantenationale autoriteiten, zoals de Nederlandse Arbeidsinspectie.De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de conse-quenties van het «28e regime». Deze leden vragen welkejuridische en financiële gevolgen het 28e regime heeft voorwerknemers, werkgevers, uitkeringsgerechten en uitkeringsin-stanties. De leden vragen de Minister dit met name in kaart tebrengen langs de lijn van de rechten die werknemers nu kunnenontlenen aan arbeidswetgeving, (ge-avv-de) cao’s en pensioen-regelingen, uitkeringsrechten en de rechtszekerheid.Het Nederlandse arbeidsrecht is van toepassing op werknemers die inNederland werkzaam zijn voor een EU Inc. Dit geldt eveneens voor hetNederlandse socialezekerheidsrecht, mits de werknemer niet onder hetsocialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat valt bijvoorbeeld omdatde werknemer enkel tijdelijk werkzaam is in Nederland. Voor werknemersdie in Nederland werkzaam zijn voor een EU Inc. gelden daarmee dezelfde16Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzakehet recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).17Uit artikel 8 lid 1 van de Rome I-Verordening volgt dat een individuele arbeidsovereenkomstwordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Een dergelijke rechtskeuze kanniet afdoen aan de dwingende bescherming van het arbeidsrecht dat normaal van toepassingzou zijn zonder rechtskeuze (zie artikel 8 leden 2 t/m 4 Rome I-Verordening).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82924 rechten als voor een werknemer die in Nederland werkzaam is voor eenonderneming met een andere rechtsvorm. Het kabinet acht dit positief enbekijkt of het nodig is om dit in het voorstel nog nader te expliciteren.Tegelijkertijd is het kabinet wel van mening dat het huidige voorstel nogonvoldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwerechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten te omzeilen. Dat komtvooral doordat het voorstel kan leiden tot complexere en vertraagdesamenwerking op het gebied van arbeidsrechtelijke handhaving. Hetkabinet zet zich ervoor in om het voorstel op dit punt te verbeteren.De leden vragen zich meer specifiek af in hoeverre de individueleen de collectieve rechten en belangen van werknemers gewaar-borgd zijn en blijven bij deze nieuwe EU-Inc. bedrijfsvorm, met devoorgestelde rechtsgrondslag (artikel 114 VWEU, tweede lid) ende Rome 1 verordening (die niet op collectieve werknemers-rechten en -belangen ziet) in ogenschouw nemend.Het kabinet begrijpt het voorstel en dan met name de overwegingen 6 en83 zo dat zowel het individuele als het collectieve het arbeidsrecht van derelevante lidstaat van toepassing is op de arbeidsrelatie. De verordeningharmoniseert het arbeidsrecht immers niet. Verder wordt nadrukkelijkaangegeven dat het nationale recht van toepassing is voor zover deverordening de betreffende zaken niet regelt. Daarbij bepaalt de RomeI-verordening welk nationaal recht van toepassing is op internationalearbeidsovereenkomsten binnen de Europese Unie.De leden vragen zich af in hoeverre het wettelijk minimumloonen collectieve onderhandelingen door sociale partners over deloonvorming ondergraven kan worden door de EU-INC veror-dening, die dus voorrang heeft op nationale wet- en regelgeving,ook met het oog op het toestaan van beloning via EU-ESOaandelenopties waar geen waarborgen voor gelden.Werknemers van een EU Inc.-onderneming hebben, net als anderewerknemers in Nederland, recht op het wettelijk minimumloon dat tijdigen giraal dient te worden uitbetaald. Per gewerkt uur dient dus minimaalhet minimumloon betaald te worden. Het minimumloon kan niet wordenuitbetaald met werknemersopties. Eventuele beloningen boven op hetminimumloon zouden mogelijkerwijs via werknemersopties uitgekeerdkunnen worden.De vraag of in Nederland gebruik kan worden gemaakt van demogelijkheid om werknemersopties aan te bieden is ook afhankelijk vande vraag of en onder welke cao, werknemers van een EU Inc. vallen, ofdeze cao een dergelijke regeling toelaat en onder welke voorwaarden. Hetvoorstel laat het arbeidsrecht, en daarmee de toepasselijke cao die eenwerknemersoptieregeling al dan niet toestaat, onverlet.De leden vragen zich af wat de potentiële kosten zijn voorbonafide bedrijven, werknemers en de samenleving vanoprichting van EU-INC bedrijfsvorm wanneer die gebruikt wordenvoor brievenbusconstructies en flitsfaillissementen, aangezienhet kabinet zelf al waarschuwt voor witwassen en fraude.Wanneer ondernemingen, waaronder in de vorm van een EU Inc., gebruiktworden voor brievenbusconstructies om regels te omzeilen leidt dit totoneerlijke concurrentie met bonafide bedrijven. Het kabinet heeft in hetBNC-fiche dat op 24 april naar uw Kamer is gestuurd, uiteengezet dat hetkabinet voorstander is van de ontwikkeling van een 28ste regime datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82925 daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden,zoals bedrijven en werknemers binnen de EU, en dat bijdraagt aan deversterking van de concurrentiepositie van bedrijven in de EU.18Een 28ste regime voor ondernemingen kan belangrijke economischekansen bieden, omdat het een kader schept voor ondernemingen dat in degehele EU hetzelfde is. Het optionele vennootschapsrechtelijke kader, datde nieuwe rechtsvorm «EU Inc.» introduceert, biedt verschillendevereenvoudigde procedures voor de onderneming die voor de EU Inc.kiest, bijvoorbeeld bij de oprichting, aandelenoverdracht en de uitbreidingvan vennootschappelijk kapitaal. Ook kan een duidelijke en betrouwbareEuropese rechtsvorm ervoor zorgen dat de EU Inc. sneller wordt herkenddoor investeerders wat het grensoverschrijdend zaken doen kan verge-makkelijken. Tegen deze achtergrond verwelkomt het kabinet het voorstelvoor een 28ste regime als een belangrijke stap om de interne markt verderte verdiepen en het ondernemingsklimaat in de EU te versterken. Daarbijmeent het kabinet dat het 28ste regime enkel effectief en succesvol kanzijn als de EU Inc. ondernemers en hun stakeholders (aandeelhouders,schuldeisers en werknemers) betrouwbaarheid en rechtszekerheid biedt.Zoals toegelicht in de beantwoording op de Kamervragen van het lid Vander Lee die op 26 mei 2026 naar uw Kamer is gestuurd, meent het kabinetdat de waarborgen om fraude, witwassen en misbruik van de EU Inc. voorfinanciële en fiscale criminaliteitsvormen te voorkomen in het voorstelversterkt moeten worden.19 Het kabinet zet zich er daarom constructiefvoor in voorstellen te doen om het voorstel te verbeteren, bijvoorbeelddoor in te zetten op versterking van de bevoegdheden voor de relevantepoortwachters voor een volwaardige controle op een EU Inc. In hetBNC-fiche heeft het kabinet aangegeven te kijken naar de uitbreiding vande reikwijdte van cliëntonderzoek en rechercheplicht van de notaris enbevoegdheden van nationale autoriteiten als de Belastingdienst.De leden van de PRO-fractie vragen zich ook af wat de conse-quenties zijn van het 28e regime voor (laagbetaalde) arbeidsmi-granten en hun rechten op collectieve regelingen zoals de(ge-avv-de) cao, pensioenen en sociaal zekerheidsrechten enrechten die zijn aan het arbeidsrecht kunnen ontlenen.Zoals op de vragen van de leden van de PRO-fractie hierboven istoegelicht, vallen werknemers die in Nederland werkzaam zijn voor eenEU Inc. onder het Nederlandse arbeidsrecht. Dit geldt ook voor arbeidsmi-granten. Zij hebben eveneens recht op Nederlandse sociale zekerheid,mits zij niet onder het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaatvallen bijvoorbeeld omdat ze tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.De leden van de FVD-fractie constateren dat steeds meerbeleidsterreinen die tot de bevoegdheden van lidstaten behorenvia Europese aanbevelingen en strategieën alsnog onderwerpworden van beleid en sturing vanuit de EU. Zo ook het socialebeleid en de arbeidsmarkt in Nederland. Hoewel de EuropeseCommissie formeel beperkte bevoegdheden heeft op dezeterreinen, lijkt de praktijk steeds vaker neer te komen op eengeleidelijke overheveling van nationale keuzes naar Europeseinvloed.18Kamerstukken II 2025–2026, 22 112, nr. 4320.19Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid), mede namens de Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 26 mei 2026) 2026Z07916; Zie ookAanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1827Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82926 De leden van de FVD-fractie lezen dat de Europese CommissieNederland opnieuw aanbeveelt om het gebruik van flexibele entijdelijke contracten verder terug te dringen. Kan de Ministeruiteenzetten waarom de Europese Commissie zich hier überhauptover uitspreekt? In hoeverre acht het kabinet arbeidsmarktbeleideen nationale aangelegenheid? Welke ruimte ziet de Minister voorNederland om af te wijken van dergelijke aanbevelingen wanneerdeze simpelweg niet aansluiten bij de Nederlandse wensen enomstandigheden?Nederland hecht waarde aan het Europees Semester en de landspecifiekeaanbevelingen, omdat de Raad de lidstaten hiermee wijst op belangrijkemogelijkheden om hun beleid te versterken en zo ook het functioneren enstabiliteit van de Economische en Monetaire Unie te versterken. Eensterke en stabiele Europese Unie, met sterke lidstaten die duurzame enopwaartse economische convergentie en financiële stabiliteit nastreven, isvoor Nederland van groot belang als open economie. Vanzelfsprekendhoort daar ook bij dat we in Nederland blijven werken aan ons duurzamegroeipotentieel en het versterken van onze financieel-economischestabiliteit.Het kabinet hecht daarbij aan het behouden van de focus van hetSemester op economisch, begrotings- en werkgelegenheidsbeleid. Dit ismet de voorliggende landspecifieke aanbevelingen voldoende het geval.De landspecifieke aanbevelingen die de Commissie voorstelt zijn in deogen van het kabinet gebaseerd op een grondige analyse in de landenrap-porten die de Commissie opstelt.Het kabinet hecht eraan dat de landspecifieke aanbevelingen van lidstateneen voldoende mate van beleidsvrijheid geven om deze te adresseren.Voldoende beleidsvrijheid is van belang voor nationaal draagvlak,eigenaarschap en uitvoerbaarheid. Specifiek over de aanbeveling over hetterugdringen van het gebruik van flexibele en tijdelijke contracten, wordtopgemerkt dat het kabinet zich in deze aanbeveling herkent20. In nauwoverleg met sociale partners zijn de afgelopen jaren een aantal belangrijkestappen gezet om de doorgeschoten flexibilisering op de arbeidsmarktterug te dringen. Het wetsvoorstel «Meer zekerheid flexwerkers»21 zieterop dat werknemers met een oproepcontract meer inkomens- enroosterzekerheid krijgen.Daarnaast valt de leden van de FVD-fractie op dat de Commissieinzet op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten via arbeidsmi-gratie. Tegelijkertijd constateert het kabinet zelf dat arbeidsmi-gratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structureleoplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt. Hoe beoordeeltde Minister deze spanning? Is de Minister het ermee eens datverbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatieen automatisering op de langere termijn een betere oplossingvormen dan alsmaar uitdijende arbeidsmigratie?Het kabinet wil sturen op arbeidsmigratie die Nederland écht nodig heeftvoor de huidige maatschappelijke opgaven waar zij voor staat. Selectievearbeidsmigratie vraagt om richtinggevende keuzes over de economie enarbeidsmarkt. Deze keuzes worden onder andere gemaakt in de talentstra-tegie uit de taskforce «Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat».22 Metde strategie laat het kabinet verschillende instrumenten op elkaar20Kamerstukken II, 2025/26, 21 501–07, nr. 219721Kamerstukken II, 2024/25, 36 746, nr.3.22Kamerstukken II, 2025/2026, 2026D10387Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82927 aansluiten: onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit, fiscaliteit en gerichtemigratie. De Kamerbrief hierover wordt binnenkort aan uw Kamerverzonden.Eén van de maatregelen waaraan het kabinet in dit kader werkt betreft depilot waarmee tijdelijk onder strenge voorwaarden, actief en gericht goedgeschoolde krachten naar Nederland kunnen worden gehaald in voorafafgebakende tekortsectoren. Ook werkt het kabinet aan de verbetering vande kennismigrantenregeling. Tegelijk wordt de arbeidsmigratie die nietbijdraagt aan de ontwikkeling naar een hoogproductieve en welvarendeeconomie beperkt, in lijn met het advies «Gematigde groei» door deStaatscommissie Demografische Ontwikkelingen 205023 en het Interdepar-tementaal Beleidsonderzoek (IBO) Arbeidsmigratie.24 Dit gebeurtbijvoorbeeld door flexibele contracten voor structureel werk te ontmoe-digen met het Wetsvoorstel «Meer zekerheid flexwerkers». Ook blijft hetkabinet zich onverminderd inzetten voor de aanpak van misstanden,bijvoorbeeld via het verhogen van boetes bij overtreding van arbeids-wetten en de mogelijkheid tot een sectoraal uitzendverbod bij aanhou-dende misstanden.De leden van de FVD-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van het bereikte principeakkoord over Verordening 883inzake de coördinatie van sociale zekerheid. Uit de kabinetsap-preciatie blijkt dat de exportduur van WW-uitkeringen wordtverlengd van drie naar zes maanden. Het kabinet heeft zichhiertegen verzet, maar zonder succes. Kan de Minister uiteen-zetten welke gevolgen deze wijziging naar verwachting zalhebben voor de Nederlandse uitvoering in de praktijk, zowel waarhet gaat om uitkeringen als om uitgaven in de sociale zekerheidDe leden van de FVD-fractie lezen daarnaast dat de Ministerschrijft dat het voor Nederland moeilijker wordt om mensen dievanuit een andere lidstaat een Nederlandse WW-uitkeringontvangen richting werk te begeleiden en te controleren of deuitkering rechtmatig wordt verstrekt. Welke mogelijkheden heeftNederland straks nog om effectief toezicht te houden op uitke-ringen die buiten Nederland worden ontvangen? Hoe kan eendergelijke situatie überhaupt optreden? Heeft de Ministervoorbeelden hiervan?Het akkoord bevat een verruiming van de mogelijkheden van de «export»van WW-uitkeringen. Behalve de genoemde verlenging van drie naar zesmaanden waarbinnen met behoud van werkloosheidsuitkering in eenandere lidstaat naar werk kan worden gezocht, wordt er een nieuwsysteem geïntroduceerd voor werklozen die tijdens hun werk in eenandere lidstaat woonden. Door de verandering mag deze groep met eenWW-uitkering, nadat zij 22 weken in Nederland hebben gewerkt, vanuithun woonland in Nederland naar werk zoeken voor de gehele uitke-ringsduur. De kosten van beide exportregelingen samen worden geraamdop 12,2 miljoen euro per jaar.23https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2024/01/15/gematigde-groei-rapport-van-de-staatscommissie-demografische-ontwikkleingen-205024Kamerstukken II, 2024/2025, 29 861 nr. 164Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82928 Uitvoering: ondersteuning bij het zoeken naar werk in een andere lidstaaten handhavingWanneer een WW-gerechtigde in een andere lidstaat naar werk zoekt (metbehoud van uitkering gedurende maximaal zes maanden) is de «ontvan-gende» lidstaat verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vindenvan werk binnen de kaders van de wetgeving van die lidstaat. Ook is dielidstaat verantwoordelijk voor controle op het recht op uitkering. Als zichsituaties voordoen die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering,moet de lidstaat waar naar werk wordt gezocht dit doorgeven aan UWV.Daarnaast moet de ontvangende lidstaat UWV maandelijks informerenover de opvolging van de situatie van de WW-gerechtigde. Hiervoorbestaat binnen de EU een elektronisch systeem van gegevensuitwisseling(EESSI). De informatie wordt doorgegeven via elektronische standaardfor-mulieren.Dit systeem bestaat nu al. De kern van het systeem verandert niet. Deandere lidstaat blijft verantwoordelijk voor arbeidsbemiddeling encontrole. Inspanningen die UWV in de praktijk verricht, veranderen nietten opzichte van de huidige export van WW-uitkeringen. Wel heeftNederland er in de onderhandelingen steeds voor gepleit om dit systeemvan gegevensuitwisseling te versterken. Deze oproep heeft geresoneerdbij de onderhandelde partijen. In de laatste onderhandelingsronde is aande tekst toegevoegd dat de ontvangende lidstaat aan het orgaan dat deuitkering betaalt, maandelijks moet doorgeven of de WW-gerechtigde zichhoudt aan de controleprocedures en activerings- of arbeidsbemiddelings-procedures. Ook is aan de tekst toegevoegd dat de ontvangende lidstaat,de lidstaat die de uitkering betaalt onmiddellijk moet informeren over eeneventuele werkhervatting. De informatiepositie van UWV is hierdoorverbeterd.Uitvoering: ondersteuning bij het zoeken naar werk in Nederland enhandhavingWanneer een WW-gerechtigde vanuit het woonland in Nederland naarwerk zoekt is UWV verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vindenvan werk en de controle daarop. UWV dient ten aanzien van deze groepdezelfde inspanningen te verrichten als ten aanzien van WW-gerechtigdendie in Nederland wonen. Op WW-gerechtigden die in een andere lidstaatwonen rusten dezelfde verplichtingen als de verplichtingen van inNederland wonende WW-gerechtigden.Ten aanzien van de controle op het voldoen aan de voorwaarden voor hetrecht op WW regelt het akkoord dat het orgaan van de lidstaat van dewoonplaats op verzoek van UWV, UWV onmiddellijk in kennis stelt vaniedere omstandigheid waarvan het kennis heeft en die van invloed kanzijn op het recht op uitkering, met name of de volledig werkloze in delidstaat van de woonplaats is gaan werken. Deze bepaling vereist datUWV gegevens opvraagt bij de organen van andere lidstaten. Hoe dezegegevensuitwisseling in de praktijk gestalte zal krijgen moet verderworden uitgewerkt. Nederland heeft zich in de onderhandelingeningespannen voor het vastleggen van uniforme en effectieve processenvan gegevensuitwisseling, waaronder de mogelijkheid van bulkgegevens-uitwisseling. Daar zal ik me voor blijven inzetten in het kader van nieuwevoorstellen die de Europese Commissie in het kader van het Fair LabourMobility Package wil presenteren.Tot slot hebben de leden van de FVD-fractie kennisgenomen vande Europese anti-armoedestrategie. Hoewel armoedebestrijdingop zichzelf een nobel doel is, zijn en blijven sociaal beleid enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82929 armoedebeleid bevoegdheden van de lidstaten zelf. Kan deMinister aangeven welke concrete meerwaarde hij ziet in eenEuropese anti-armoedestrategie boven nationaal beleid? Acht hijhet wenselijk dat de Europese Commissie zich steeds nadrukke-lijker gaat bezighouden met onderwerpen als huisvesting, socialevoorzieningen en inkomensbeleid? Waar ligt volgens de Ministerde grens van de Europese bevoegdheden op dit terrein? Is hetniet hoog tijd om eens paal en perk te gaan stellen aan Europesebemoeienis?Hoewel bestrijding van armoede een nationale competentie is, kunnenEuropese landen wel veel van elkaar leren op het gebied van armoedebe-strijding. De juridisch niet- bindende Europese Anti-Armoede Strategiestimuleert om kennis en ervaring op het terrein van armoedebestrijdinguit te wisselen tussen de lidstaten. Dit kan leiden tot effectiever beleid.Daarom verwelkomt het kabinet de Strategie. Indien er voostellen volgenwaaruit nieuw beleid voorkomt, dan zal het kabinet deze na publicatieappreciëren middels een BNC-fiche en met uw Kamer delen. In BNC-ficheswordt altijd getoetst op bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit enworden ook eventuele financiële gevolgen meegenomen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda van de aanstaande WSB-raad. Deze ledenhebben daarover nog enkele vragen.Export WW-uitkeringMet verbazing hebben de leden van de SGP-fractie gelezen dat demogelijkheden voor export van WW-uitkeringen niet wordenbeperkt, maar dat in het akkoord een forse uitbreiding daarvanwordt voorgesteld. Deze leden vinden dat een onwenselijkeontwikkeling, zeker nu blijkt dat daar ook jaarlijks 14 miljoeneuro mee gemoeid is. Welke mogelijkheden ziet het kabinet nogom in de EU-verband in te zetten op beperking vanWW-exportrechten in plaats van uitbreiding, bijvoorbeeld via hetfair labour mobility pakket? Hoe ziet het krachtenveld op ditmoment eruit?Nederland heeft zich in de onderhandelingen steeds verzet tegen deuitbreiding van de mogelijkheden om met een werkloosheidsuitkering inhet buitenland te verblijven. In het Europese krachtenveld bestondhiervoor echter onvoldoende steun.Sinds het voorstel voor een herziening van Verordening 883/2004 eind2016 is ingediend heeft een uitbreiding van de mogelijkheden om met eenwerkloosheidsuitkering in het buitenland te verblijven altijd in het pakketgezeten. Dit was ook een onderdeel van de eerdere voorlopige politiekeakkoorden van 2019 en 2021. Deze akkoorden zijn verworpen als gevolgvan een blokkerende minderheid in de Raad, waar Nederland onderdeelvan uitmaakte. Bij het huidige akkoord is geen sprake meer van eenblokkerende minderheid. In de Coreper-vergadering van 29 april jl. heefteen grote meerderheid van lidstaten aangegeven het akkoord te kunnensteunen. Slechts vijf lidstaten – waaronder Nederland – konden hetakkoord niet steunen en één lidstaat heeft een voorbehoud gemaakt.Nederland blijft zich actief inzetten voor maatregelen die werkhervattingbij de export van werkloosheidsuitkeringen bevorderen en die de controleop geëxporteerde werkloosheidsuitkeringen verbeteren. De EuropeseTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82930 Commissie (hierna: Commissie) heeft aangekondigd in het eerlijkearbeidsmobiliteitspakket met voorstellen te komen om de samenwerkingtussen lidstaten op deze punten te verbeteren. Dat verwelkomt Nederland.De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet in te blijvenzetten op beperking van de WW-exportmogelijkheden en ondergeen beding akkoord te gaan met uitbreiding van de huidigesituatie. Wil zij dat toezeggen?In de Coreper-vergadering van 29 april jl. heeft Nederland het akkoord nietgesteund en ook in de Raad zal Nederland tegen het akkoord stemmen.De leden van de SGP-fractie vernemen daarnaast graag wateventuele uitbreiding van de WW-rechten in lijn met het Europeesvoorstel betekent voor de Nederlandse handhaving opWW-export, aangezien dat nu al een forse opgave is voor uitvoe-ringsorganisaties.Het akkoord bevat een verruiming van de mogelijkheden voor de «export»van WW-uitkeringen. In de eerste plaats voorziet het akkoord in eenverlenging van de termijn waarbinnen met behoud van werkloosheidsuit-kering in een andere lidstaat naar werk kan worden gezocht. Deze termijngaat van drie naar zes maanden. Daarnaast wordt een nieuw systeemgeïntroduceerd voor werklozen die tijdens hun werk in een andere lidstaatwoonden. Door de verandering mag deze groep met een WW-uitkering,nadat zij 22 weken in Nederland hebben gewerkt, vanuit hun woonland inNederland naar werk zoeken voor de gehele uitkeringsduur. In detoekomst moet het werkland derhalve de werkloosheidsuitkering vakergaan betalen. In die lidstaat zijn ook de premies betaald. De nieuweregeling beoogt daarmee een rechtvaardigere verdeling van de uitkerings-lasten tussen de lidstaten te bewerkstelligen. Dat is de reden dat dezewijzigingen op breed draagvlak in de Raad kunnen rekenen.Ondersteuning bij het zoeken naar werk in een andere lidstaat enhandhavingWanneer een WW-gerechtigde in een andere lidstaat naar werk zoekt (metbehoud van uitkering gedurende maximaal zes maanden) is de «ontvan-gende» lidstaat verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vindenvan werk binnen de kaders van de wetgeving van die lidstaat. Ook is dielidstaat verantwoordelijk voor controle op het recht op uitkering. Als zichsituaties voordoen die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering,moet de lidstaat waar naar werk wordt gezocht dit doorgeven aan UWV.Daarnaast moet de ontvangende lidstaat UWV maandelijks informerenover de opvolging van de situatie van de WW-gerechtigde. Hiervoorbestaat binnen de EU een elektronisch systeem van gegevensuitwisseling(EESSI). De informatie wordt doorgegeven via elektronische standaardfor-mulieren.Dit systeem bestaat nu al. De kern van het systeem verandert niet. Deandere lidstaat blijft verantwoordelijk voor arbeidsbemiddeling encontrole. Inspanningen die UWV in de praktijk verricht veranderen niet tenopzichte van de huidige export van WW-uitkeringen. Wel heeft Nederlander in de onderhandelingen steeds voor gepleit om dit systeem vangegevensuitwisseling te versterken. Deze oproep heeft geresoneerd bij deonderhandelde partijen. In de laatste onderhandelingsronde is aan detekst toegevoegd dat de ontvangende lidstaat aan het orgaan dat deuitkering betaalt, maandelijks moet doorgeven of de WW-gerechtigde zichhoudt aan de controleprocedures en activerings- of arbeidsbemiddelings-procedures. Ook is aan de tekst toegevoegd dat de ontvangende lidstaat,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82931 de lidstaat die de uitkering betaalt onmiddellijk moet informeren over eeneventuele werkhervatting. De informatiepositie van UWV is hierdoorverbeterd.Ondersteuning bij het zoeken naar werk in Nederland en handhavingWanneer een WW-gerechtigde vanuit het woonland in Nederland naarwerk zoekt is UWV verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vindenvan werk en de controle daarop. UWV dient ten aanzien van deze groepdezelfde inspanningen te verrichten als ten aanzien van WW-gerechtigdendie in Nederland wonen. Op WW-gerechtigden die in een andere lidstaatwonen rusten dezelfde verplichtingen als de verplichtingen van inNederland wonende WW-gerechtigden.Ten aanzien van de controle op het voldoen aan de voorwaarden voor hetrecht op WW, regelt het akkoord dat het orgaan van de lidstaat van dewoonplaats op verzoek van UWV, UWV onmiddellijk in kennis stelt vaniedere omstandigheid waarvan het kennis heeft en die van invloed kanzijn op het recht op uitkering, met name of de volledig werkloze in delidstaat van de woonplaats is gaan werken. Deze bepaling vereist datUWV gegevens opvraagt bij de organen van andere lidstaten. Hoe dezegegevensuitwisseling in de praktijk gestalte zal krijgen moet verderworden uitgewerkt. Nederland heeft zich in de onderhandelingeningespannen voor het vastleggen van uniforme en effectieve processenvan gegevensuitwisseling, waaronder de mogelijkheid van bulkgegevens-uitwisseling. Daar zal ik me voor blijven inzetten in het kader van nieuwevoorstellen die de Europese Commissie in het kader van het Fair LabourMobility Package wil presenteren.Daarnaast merken de leden van de SGP-fractie op dat Nederlandzich altijd op het standpunt heeft gesteld het woonlandbeginselte willen toepassen, op sociale zekerheidsuitkeringen maar ookop kindregelingen. Wat verandert er met dit akkoord op ditonderdeel, en waar zet het kabinet op in? Blijft zij zich inzettenop het mogelijk maken van toepassing van het woonlandbeginselin geval van kindregelingen als kinderbijslag en het kindge-bonden budget?Sinds 2016 heeft de regering zich bij de onderhandelingen over deherziening van Verordening 883/2004 ingezet voor het invoeren van hetwoonlandbeginsel bij de gezinsbijslagen. Een groot aantal landen gafdestijds aan deze indexatie discriminerend te vinden. Naast Nederlandspraken slechts vier andere landen zich uit als voorstander van indexatie.Dit waren Duitsland, Oostenrijk, Denemarken en Ierland.In 2018 heeft toenmalig Minister Koolmees uw Kamer geïnformeerd dat ertwee mogelijkheden waren: doorgaan met pleiten voor het woonlandbe-ginsel of erop inzetten de primaire verantwoordelijkheid voor de betalingvan gezinsbijslagen te verleggen van het werkland van de ouder naar hetwoonland van het kind.25 Sindsdien is in 2022 uitspraak gedaan in de zaakEuropese Commissie tegen Republiek Oostenrijk (zaak C-328/20). HetEU-Hof bepaalde in deze zaak dat het aanpassen van gezinsbijslagen naarhet prijspeil in de woonstaat van het betrokken kind niet is toegestaan. Hetis indirecte discriminatie op grond van nationaliteit.Tegen de achtergrond van deze uitspraak en het Europese krachtenveld,acht ik het zeer onwaarschijnlijk dat het invoeren van het woonlandbe-ginsel kan worden bewerkstelligd. Daarentegen blijf ik mij hard maken25Bijlage bij Kamerstuk 21 501–31, nr. 477, van 23 februari 2018Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82932 voor het verminderen van de export van gezinsbijslagen. Ik pleit ervoorom vaker het woonland van het kind de gezinsbijslagen te laten betalen,door het woonland exclusief of prioritair bevoegd te maken. Dit zorgt voorminder export van gezinsbijslagen vanuit Nederland. Dit was één van devoorstellen die is gedaan in een non-paper dat vorig jaar in de EU isgedeeld26. Dit paper met moderniseringsvoorstellen voor de socialezekerheid vormt de huidige inzet voor de coördinatie van de Europesesociale zekerheid en daar blijf ik mij voor inzetten. Dit onderwerp staatmomenteel niet op de agenda van de Commissie. Nederland blijft hieraandacht voor vragen.26Kamerstukken II, 2024/25, 29 861, nr. 158Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 82933

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bce9c38d33e7ef74

14 okt 2026 · fcfbe0381fc79dc3

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.