KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 27 januari 2025, over Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering)

13 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e9c588a4a57b7f13 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 327Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering)Nr. 54 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 13 maart 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 27 januari 2025overleg gevoerd met de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, en de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid, over:–het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering) (Kamerstuk36 327).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,PoolDe griffier van de commissie,Brood kst-36327-54ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 541 Voorzitter: PoolGriffier: PaauweAanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bikker, Emiel van Dijk,Ellian, Koops, Mutluer, Van Nispen, Pool en Sneller,en de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming, en de heerVan Weel, Minister van Justitie en Veiligheid,alsmede de heer Knigge, regeringscommissaris.Aanvang 10.03 uur.De voorzitter:Dames en heren, hartelijk welkom op deze mooie maandagochtend. Bijdezen open ik het wetgevingsoverleg over het Wetboek van Strafvor-dering. Vandaag staan Boek 1 plus de centrale thema’s op de agenda. Wehebben voor deze vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheidvandaag een iets andere situatie. Dat heeft te maken met onze gast:regeringscommissaris nieuw Wetboek van Strafvordering, de heerKnigge. Ik heet u van harte welkom, alsook de Minister en de Staatssecre-taris. De heer Knigge is zo vriendelijk om vandaag de technische vragenvan de leden te beantwoorden.In de eerste termijn hebben de leden flink wat spreektijd, zoals dat ookmag bij een wetgevingsoverleg. Technische vragen die ze stellen, zullendus door de regeringscommissaris beantwoord kunnen worden. In deeerste termijn van het kabinet zullen eerst de bewindspersonen uw vragenbeantwoorden, zodat er goed ruimte is voor het publieke debat, en daarnazullen de technische vragen beantwoord worden. Ik ga daar een beetjeflexibel mee om. Soms kan het zijn dat dat per blokje gaat. Daar zullen weonze gast, de regeringscommissaris, alle ruimte voor geven.Het wetgevingsoverleg duurt vandaag de hele dag; tot 17.30 uur zijn wehier met z’n allen. Ik zal echter schorsen tussen 14.00 uur en 15.00 uur inverband met de Holocaustherdenking. Ik wil dan om 13.50 uur schorsen,zodat we goed de gelegenheid hebben om daarbij aanwezig te zijn.Vandaag is ook aan de orde de appreciatie van de amendementen overBoek 1 en de centrale thema’s. De bewindspersonen zullen daar zelf ookwat over zeggen. In de eerste termijn hou ik het graag bij drie interruptiesonderling voor de leden, zodat we er later dieper met de bewindsper-sonen op in kunnen gaan, want anders is daar weinig tijd voor.Dan heb ik meer dan genoeg gezegd, behalve het volgende. Destemmingen over de moties staan pas gepland voor het einde van degehele behandeling en dat zal in principe pas in maart zijn. Mocht u daarverandering in wensen, kunt u daar altijd een voorstel voor indienen. Dangeef ik allereerst vandaag het woord aan de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Dank, voorzitter. Ik denk overigens dat het met die spreektijd uiteindelijkwel meevalt; je schat die meestal wat ruimer in dan nodig.Ik heb een aantal kernachtige punten, die denk ik ook niemand zullenverrassen. Zonder emotioneel te willen doen, moet ik zeggen dat het voormij bijzonder is om onderdeel te mogen uitmaken van de wetgevingsover-leggen die zullen leiden tot een nieuw Wetboek van Strafvordering. Mijnouders hebben in hun boekenkast nog de wetboeken staan die ze tijdenshun studie hebben gebruikt als nieuwkomers in Nederland. Ik heb die vanmezelf ook nog. Ik beschouw het als een groot voorrecht dat ik nu,hopelijk, een steentje kan bijdragen aan een nieuw wetboek. Ik wil alvastmijn dank uitspreken aan iedereen die er de afgelopen tien jaar – hopelijkzeg ik dat zo goed – aan heeft gewerkt. Dat zal ik uiteraard ook nog plenairdoen. Het is ongelofelijk hoeveel werk er is verzet. Dat maakt ook dat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 542 huis en het fundament heel goed in elkaar steken. Ik heb namens de VVDwel een andere mening over wat onderdelen, maar we gaan vandaagbekijken of we daaruit komen.Voorzitter. Vandaag spreken we over een aantal centrale thema’s ennatuurlijk over Boek 1, waarin ook een aantal centrale thema’s staan. Ik wileen aantal opmerkingen maken over het opportuniteitsbeginsel en depositie van het slachtoffer. Daarna zal ik de drie amendementen van mijnhand doornemen. Dat zal mijn bijdrage zijn.Voorzitter. Ik begin met het opportuniteitsbeginsel. Dat komt tot uiting inhet voorgestelde artikel 1.3.3 en artikel 1.3.4. Ik citeer. «Van het instellenvan vervolging kan mede worden afgezien op gronden aan het algemeenbelang ontleend.» Verder kan alleen de officier van justitie vervolginginstellen. Dat is de essentie van het opportuniteitsbeginsel. In de notanaar aanleiding van de verslagen kwam op gestelde vragen het antwoord:«Op grond van dit beginsel is de officier van justitie niet verplicht om tevervolgen.» Dat is logisch. Dat is inherent aan het opportuniteitsbeginsel.«In de eerste plaats zal hij van vervolging afzien als hij een vervolging inde betreffende zaak niet haalbaar acht, bijvoorbeeld omdat er onvol-doende bewijs is of omdat de strafbaarheid ontbreekt. Dit wordt eentechnisch sepot genoemd. In de tweede plaats kan de officier van justitieook seponeren op grond van opportuniteitsoverwegingen (het zogehetenbeleidssepot), dus op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hetwoord «mede» is in het artikel opgenomen om tot uitdrukking te brengendat het beleidssepot naast het sepot op grond van haalbaarheidsoverwe-gingen staat.» Zie pagina 68.Voorzitter. Dit roept de vraag op: was het niet verstandig geweest om ietsmeer handen en voeten te geven aan het voorgestelde artikel 1.3.4.,waarin het opportuniteitsbeginsel dus is vervat? Het wetboek lijkt namelijknog steeds geen handvat te geven voor het antwoord op de vraag: hoeom te gaan met schaarse capaciteit? Dat is natuurlijk ook een onderwerpvan de opportuniteitsafweging. We vragen ons af of dat niet een gemistekans is. Dit raakt bijvoorbeeld ook het zogeheten politiesepot. Zoubijvoorbeeld de politie niet wat ruimer, uiteraard aan voorwaardengebonden en met een duidelijk afgebakende wettelijke grondslag, demogelijkheid moeten hebben om zelf te beslissen of opsporing wordtingesteld of dat afdoening op andere wijze mogelijk is?Nu staat er bijvoorbeeld over het politiesepot: met inachtneming van hetbeleid van het College van procureurs-generaal. Dat college ziet toe op«richtige opsporing en vervolging». Ik vind dat altijd een mooie formu-lering. Uiteraard geven we het college dat vertrouwen. Maar niet alles kanen hoort in het strafrecht. Een prangend voorbeeld zijn natuurlijk de grotehoeveelheden winkeldiefstallen. Is dit dan niet het moment om daar wataan te doen? Mijn vraag is dus: is het kabinet ervan overtuigd dat hetopportuniteitsbeginsel op deze manier zodanig is vormgegeven dat wedaar ook op lange termijn mee vooruit kunnen? In het verlengde daarvanis mijn vraag: zouden we in de wet misschien iets meer woorden moetenwijden aan hoe de afweging gemaakt wordt? Oorspronkelijk kwamen wevan een positief opportuniteitsbeginsel en in de jaren zeventig-tachtig ishet naar een negatief opportuniteitsbeginsel gegaan, maar dat staat erallemaal niet als zodanig. Mijn vraag is dus: zouden we dat niet nogergens een plek kunnen geven?Voorzitter. Dan het slachtoffer. In de wet is een algemene normopgenomen dat strafvordering plaats heeft op «een wijze die recht doetaan de belangen van het slachtoffer». Dit is ook weer zo’n mooie enfantastische formulering. Maar dat roept natuurlijk de vraag op: wathebben slachtoffers dan concreet aan deze norm? Hoe wordt die normdan toegepast bij de opportuniteitsafweging, waar ik net aanmemoreerde? Wat betekent die norm als de rechten van het slachtofferbotsen met de rechten van de verdachte in de zittingszaal? Met andereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 543 woorden: hoe wordt deze norm toegepast? Wat betekent het als de normgeschonden wordt? Welke sancties staan er op niet-naleving van denorm?Het is mooi dat het slachtoffer en diens positie op deze manier, met dezeformulering, erkenning krijgen. Maar wat nu? Wat betekent deze formu-lering dan voor alle elementen van het strafproces? Met name: wat heefthet slachtoffer hieraan? Als het slachtoffer een beroep doet op deze norm,heeft dat dan rechtens een effect, of niet? Of is het bedoeld om eenalgemene norm te creëren? Ik hoop dat het kabinet hier wat meer op inkan gaan, want dit is voor mijn fractie een belangrijk vraagstuk, omdat deVVD altijd aan de zijde van slachtoffers en nabestaanden heeft gestaan.Dit nieuwe wetboek is hét moment om slachtofferrechten eindelijkadequaat te regelen en te borgen, maar we vinden wel dat het resultaatwat teleurstellend is. Slachtoffers hebben namelijk weinig aan rechten dieniet afdwingbaar zijn. Juist dat is op dit moment al een groot gemis. In dewet staan al best duidelijke rechten van het slachtoffer opgenomen, inartikel 51h. Maar niemand weet precies op welke wijze ze afgedwongenmoeten worden. Of anders gezegd, wat als een van die rechten bijvoor-beeld niet geëffectueerd kan worden in de rechtszaal? Wat dan?Wij denken ook dat dit het moment was en is om de rechten eens tegenhet licht te houden en ze waar nodig te verstevigen of aan te passen. Datlijkt maar beperkt gebeurd te zijn. We overwegen een motie waarmee deslachtofferrechten als geheel tegen het licht worden gehouden, maar datis afhankelijk van het antwoord van het kabinet. Wij zien natuurlijk ook datje hier niet zomaar één aanpassing kunt doen zonder het geheel uit hetoog te verliezen. Als we iets willen doen aan de positie van het slachtofferen die rechten scherper willen formuleren, daar sancties aan willenverbinden en misschien ook wat rechten zouden willen toevoegen,moeten we dat nu doen. Ik ben heel benieuwd hoe het kabinet hiertegenaankijkt.De voorzitter:Er is een vraag van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Laten we er een klein beetje een debat van maken. Interessante puntenvan de heer Ellian. Ik probeer te rijmen dat het een motie wordt en dat wehet nú moeten doen, omdat de modernisering van het Wetboek vanStrafvordering nu aan de orde is. Dan zou het ook een plek moeten krijgenin het wetboek, maar dat zou dan in een latere fase bij een aanvullingswetof iets dergelijks moeten. Is dat hoe ik de heer Ellian moet begrijpen?Misschien kan hij daar iets meer over zeggen.De heer Ellian (VVD):Zeker. Dat is een terechte vraag. Ik heb twee amendementen die metname zien op het kennis kunnen nemen van bepaalde stukken ofinformatie door het slachtoffer. Ik ben uiteindelijk tot het oordeel gekomendat je dat nu al concreet zelf kunt aanpassen, omdat dat rechten zijn dienu min of meer al in de wet staan. Dat overstijgt de kennis van mij en mijngewaardeerde team niet. Maar als je in brede zin de positie anders zouwillen verankeren, maar met name ook sanctioneerbaarheid wiltintroduceren, lijkt het me niet dat ik dat per amendement zou moetendoen. Ik denk dat het echt aan het kabinet is om in het grote geheel tebezien hoe je dat zou kunnen doen. De motie gebruik ik dan als eenrichting. Bijvoorbeeld: de Kamer spreekt uit dat de positie van hetslachtoffer op deze manieren een plek in de wet zou moeten krijgen; wilt udat uitwerken? Dat zouden we dan terugkrijgen – ik hoop dat ik het goedzeg – in de tweede aanvullingswet. Dan kunnen we zien of het voldoet aanwat we gevraagd hebben. Ik ben tot de conclusie gekomen dat we ervoorzichtig mee moeten zijn om allerlei dingen te verbouwen – dat gevoelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 544 had ik namelijk wel – omdat de positie van het slachtoffer in meerdereBoeken zit. Je kunt best de principiële wens uitspreken, bijvoorbeeld«sanctioneerbaarheid, afdwingbaarheid en nog iets willen we welgeregeld hebben», en dan kan het kabinet daarnaar kijken. Zo moet u hetzien.De voorzitter:Hartelijk dank. Gaat u verder.De heer Ellian (VVD):Op twee onderdelen, die specifiek en wat concreter zijn, hebben we tweeamendementen. Met uw welbevinden, voorzitter, ga ik naar mijn drieamendementen die vandaag voorliggen. Het eerste amendement ziet ophet voorgestelde artikel 1.5.4, waarin staat: «Het slachtoffer dat daaromverzoekt wordt in kennis gesteld van informatie die hem in staat stelt tebeslissen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof.» In het verlengdedaarvan staat: «De kennisgeving van de informatie bedoeld in het eerstelid, onderdelen a en c, omvat naast de beslissing ten minste de motiveringof een samenvatting van de motivering van de betrokken beslissing.»Onderdeel a is het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigendaarvan. Onderdeel c is het niet vervolgen van een strafbaar feit. Hetamendement dat ik heb ingediend, ziet erop om uiteindelijk te bewerkstel-ligen dat een slachtoffer altijd een met redenen omklede beslissingontvangt. Ik zat er vanochtend nog eens over na te denken. Het is ook eenbeetje gek dat je zegt: je krijgt een samenvatting van de motivering. Er istoch een motivering? Er is immers een beslissing genomen. Het is bestgek. Iemand moet die motivering hebben opgeschreven, maar hetslachtoffer krijgt een samenvatting van die motivering. Dat komt op mijeerlijk gezegd niet over als efficiënt, maar meer als het vergroten vanwerk. Ik ga ervan uit dat er een motivering gemaakt is. Verschaf hetslachtoffer in ieder geval die motivering, zodat het slachtoffer goedbegrijpt waarom uiteindelijk wordt afgezien van een opsporingsonderzoekof met name waarom er geen vervolging wordt ingesteld. Dan kan hetslachtoffer een goede afweging maken: wil ik beklag indienen en wil ikuiteindelijk naar het gerechtshof? Een goed gemotiveerde beslissing kan,denk ik, soms een heleboel pijn wegnemen en mogelijk ook voor begripzorgen bij het slachtoffer. Wat je nu vaak hoort, is dat een gebrek aaninformatie ertoe leidt dat een slachtoffer denkt: ik ga naar het gerechtshofom mijn beklag te doen, want ik voel me niet gehoord. Dat is het eersteamendement.Het tweede amendement ligt in het verlengde daarvan. In het voorge-stelde artikel 1.5.5 staat dat het slachtoffer kan verzoeken om kennis-neming van processtukken. Dan kun je ervan uitgaan dat er al sprake isvan een strafrechtelijk proces. Het lijkt op zich een duidelijke regel dat hetslachtoffer kan verzoeken om kennisneming van processtukken in eenproces. Met het tweede amendement beogen we dat het slachtoffer, juistin de gevallen waarin geen vervolging wordt ingesteld, reële informatieuit het dossier kan opvragen. Hopelijk kan het slachtoffer hier dan ookpositief antwoord op krijgen.Uiteraard moet je heel erg uitkijken dat je niet de werklast vergroot, metname bij de politie. Toch horen we vaak – ik denk dat andere collega’s ditook kunnen beamen – dat slachtoffers een vrij summiere beslissingontvangen én er vervolgens vragen blijven bestaan. Is dit bekeken? Enhoe is hiermee omgegaan in het opsporingsonderzoek? Als het slachtofferdie informatie krijgt, zeker wanneer het om nabestaanden of cold casesgaat, dan helpt dat een slachtoffer enorm bij het nemen van eenbeslissing over het indienen van beklag. Wij willen dat slachtoffers daarineen weloverwogen keuze kunnen maken, ook omdat het recht doet aanhet gevoel dat nu vaak overheerst. Ze hebben het gevoel dat ze nietserieus worden genomen. Ik weet dat politie en het Openbaar MinisterieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 545 die intentie niet hebben, maar dat gevoel blijft vaak hangen, mede omdatde wet hiervoor geen goede regeling biedt. Zo moeten de amendementenworden begrepen.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. U heeft een vraag van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Dank voor de nadere toelichting van de heer Ellian. Ik denk dat de positievan het slachteroffer deze hele commissie zeer na aan het hart gaat, juistook bij de ernstige delicten, waar het vaak over gaat. Tegelijkertijd heb ikeen aantal slachtoffers gesproken die uitten dat er oude wonden zijnopengegaan, omdat ze niet weten of de verdachte veroordeeld zal wordenen zo ja, waartoe, en omdat ze niet weten of ze goed zitten in hetstrafprocesrecht.Dit brengt mij tot de overweging: moet je niet de andere kant opgaan, dusdat je eerst de veroordeling van een verdachte hebt en dat het slachtofferdaarna, in de tweede fase van het proces – dan gaan we een hele anderekant op, hè? – full out kan gaan, in de wetenschap dat zo’n slachtofferver-klaring veel meer impact heeft, ook voor de rechter? In die zin doe je hetslachtoffer meer recht en bescherm je hem beter tegen de kwetsbaar-heden die het proces onherroepelijk, hoe we het ook inrichten, in zichheeft. Heeft de heer Ellian die afslag van twee fasen in het proces ookoverwogen, en wat is zijn afweging geweest?De heer Ellian (VVD):Dat is een hele fundamentele vraag. Ja, daarvoor zitten we hier. Het isevident dat ons strafproces niet is ingericht als een tweefasenproces. Ikgeloof dat diverse collega’s de regering eerder al hebben uitgedaagd omdaar goed naar te kijken. Ik geloof dat dat ook in het WODC-onderzoekstaat, zeg ik uit mijn hoofd, en iedereen die mij een beetje kent, weet dat ikdie onderzoeken niet zomaar voor waar aanneem of laat ik het zo zeggen:dat ik niet meteen de conclusie overneem. Ik heb hier inderdaad vaak overgedacht. Het eerlijke antwoord is op voorhand: wie ben ik? Hier wordt aldecennialang over nagedacht. Ik heb natuurlijk wel een mening, maar ikpretendeer niet dat ik het perfecte antwoord heb. Ik kan het antwoord zoillustreren. Mijn lieve vader is gepromoveerd bij Marc Groenhuijsen, diewordt gezien als de grondlegger van de positie van het slachtoffer in onsstrafproces. Volgens mij ging zijn oratie in de jaren tachtig erover dat weiemand vergeten zijn bij de inrichting van ons strafproces, namelijk hetslachtoffer. Gelukkig heb ik het hem laatst, toen ik hem tegenkwam, nogeens kunnen vragen. Hij heeft nooit bedoeld dat het slachtoffer eenformele positie moet krijgen als ware procespartij. Hij heeft wel bedoeld,precies zoals nu in de wet komt te staan, dat het strafproces ook rekeningmoet houden met de belangen van het slachtoffer. Maar daartussenin zitdus nog een hele wereld. Een tweefasenproces klinkt verleidelijk, maar ikvraag mij af of dat ... Het gooit ons strafproces helemaal overhoop. Dat isniet erg – daartoe kunnen wij met elkaar besluiten – maar of dat onsverder brengt, waag ik te betwijfelen, mede in het licht van de vraag ofons strafproces daarmee overzichtelijker wordt en voortvarender verloopt.Dat waag ik te betwijfelen. Vanuit het perspectief van het slachtoffer klinkthet aantrekkelijk. Je hebt te wachten tot wettig en overtuigend bewezen isen door de rechter geoordeeld is dat deze persoon het heeft gedaan. Danmag je helemaal losgaan. Maar ik vraag me eerlijk gezegd ook af of dathelemaal prettig is voor elk slachtoffer of voor elke nabestaande. Nu magje iets zeggen over de gevolgen. Het Openbaar Ministerie zou overigensaan de kant van dat slachtoffer moeten staan. Dat is vaak een groot gemis.Ik denk dat je een heel eind kunt komen, gelet op hoe het strafproces nu isingericht, zonder het proces helemaal op de schop te gooien en over tegaan naar een tweefasenproces. De rechten zijn afdwingbaar en het is ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 546 sanctioneerbaar als die rechten niet geëffectueerd kunnen worden. Eentweefasenproces betekent een totaal andere positie voor de officier, derechter, de advocaat en de verdachte, maar ook voor het slachtoffer.Het is een wat lang antwoord, maar het is een hele fundamentele vraag.De korte versie: ik heb het overwogen, want het klinkt aantrekkelijk, maarik denk niet dat het per se het strafproces ten goede komt.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Bikker heeft nog een vraag.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik hoop dat de collega’s niet zulke dingen stellen dat ik hierna met mijndrie interrupties denk: o, help. Ik vond het echter zo’n mooi overwogenantwoord van collega Ellian.Ik zit er zelf ook op te puzzelen. Zeker rondom bijvoorbeeld mensenhandelheb ik ook slachtoffers gesproken voor wie het getuigen in het huidigeproces heel veel risico’s in zich heeft. Ik denk dat je bijvoorbeeld rondhuiselijk geweld eenzelfde kant kan zien. Zo zijn er denk ik meer tenoemen. Ik zit dus wel enorm te zoeken op welke manier we er ook voorkunnen zorgen, eigenlijk voor de meest kwetsbare slachtoffers in hetproces, dat elke stap die we zetten geen aantasting van de positie van deslachtoffers betekent in plaats van een versterking van hun positie. Ik vindwel dat dit het moment is om zoiets te wegen en vast te stellen aan welkecriteria je dat verbindt, ook naar de toekomst toe. Dit stuk van ditrechtsterrein gaat zich nog verder ontwikkelen; dit is niet uitontwikkeld. Ikben dus wel aan het zoeken welke harde criteria we daarvoor met elkaarkunnen benoemen. Als dit zich verder ontwikkelt, hoe beschermen we dande positie van de meest kwetsbare slachtoffers? Die zou je, gezien wat weer verder allemaal over zeggen, juist in het proces betrokken willenhebben, zij het niet in een formele positie; dat laatste ben ik met de heerEllian eens. Mijn beste antwoord tot nu toe is dan toch: twee fasen. Maarhet is een zoekend antwoord. Vandaar ook mijn vraag, nu aan de heerEllian. Ik zal concreet worden, voorzitter. Juist voor de slachtoffers van dittype delicten weet ik niet of wij nu het beste strafprocesrecht hebben. Ziethij dat en hoe kunnen we daarin verbetering krijgen?De heer Ellian (VVD):Dat zie ik wel. Absoluut. Ik zie ook dat het ene slachtoffer het andere nietis. Slachtofferspreekrecht was oorspronkelijk bedoeld om het slachtofferde mogelijkheid te geven ter zitting te vertellen wat de impact van hetgepleegde feit op diens leven heeft gehad. Je ziet dat dit leidt tot best veelspanning in de rechtszaal. Er wordt ook best wel breed uitgeweid over destrafbaarheid van de verdachte en de hoogte van de strafeis. Ik weet datsommige slachtoffers heel graag heel veel willen zeggen, maar ook dat erslachtoffers zijn die zeggen: ik wil zeggen wat de impact was op mijnleven, maar verder vertrouw ik op de officier en vertrouw ik op het proces.Dus differentiatie zou best kunnen. Ik kan me ook voorstellen dat de meestkwetsbaren juist pas in beeld willen komen nadat de dader – dan heb jehet vaak toch ook over de zwaardere typen daders – daadwerkelijkveroordeeld is.Je zou kunnen nadenken over een bepaalde differentiatie, maar datoverstijgt mijn kennis. Dat is dan ook een vraag aan de andere zijde. Alshet gaat om hele kwetsbare slachtoffers en een bepaald type delicten,bijvoorbeeld mensenhandel, dan zou je kunnen kijken of je in eendergelijk geval het slachtoffer in het strafproces niet op een andere manierzou kunnen positioneren. Wat dat dan betekent voor het geheel weet ikniet, maar het is de moeite waard om het vragen. Dit is het moment omdat met elkaar te bespreken, want dan zou het de komende tijd noguitgezocht kunnen worden. Ik sta welwillend tegenover een bepaaldemate van differentiatie, maar ik kan de gevolgen niet overzien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 547 De voorzitter:Dank u wel. Ik zie dat dat voldoende is voor mevrouw Bikker.De heer Koops (NSC):Nog even stilstaand bij wat inderdaad een van de moeilijkste onder-werpen is, namelijk de positie, de rol en de bevoegdheden van hetslachtoffer. Laat ik vooropstellen dat er een fundamenteel verschil istussen de positie van de verdachte en het slachtoffer. Van de verdachtemoet namelijk worden vastgesteld of hij de dader is. Het slachtoffer isbijna altijd echt ergens slachtoffer van en dat is op voorhand al duidelijk.Een van de vragen die langskomen, is dan natuurlijk of het slachtofferslachtoffer ís van de daad van de verdachte. Je zit dus vanaf het beginmet een soort van ongelukkig evenwicht. Ik vul hier even aan watmevrouw Bikker zei, omdat ik mij afvraag of het in de ogen van het lidEllian wenselijk is om de mogelijkheid open te laten voor wat ik bij gebrekaan een beter woord «tweefasenproces» noem. Ik denk aan de moeilijkegevallen waarin de verdachte serieus ontkent dat er een zorgvuldigeappreciatie van de bewijsmiddelen moet plaatsvinden, en waarin dediscussie in de zaal nogal fel wordt bevochten, om het zo uit te drukken.Dat is een situatie die het voor het slachtoffer uiterst ongemakkelijk maaktom zijn vordering toe te lichten en gebruik te maken van zijn spreekrecht.Bij uitstek in zo’n geval zou ik mij heel goed kunnen voorstellen dat derechter zelf zegt: «Wij gaan eerst eens even kijken wat die gedaan heeft enwat die niet gedaan heeft, en daarna gaan we over op wat dat allemaalheeft betekent voor het slachtoffer.» Ik zou heel graag zien dat diemogelijkheid open wordt gehouden. De vraag is hoe het lid Elliandaartegen aankijkt.De heer Ellian (VVD):Ik herken de situatie die de heer Koops schetst. Dat zijn de lastigstesituaties. Mind you, het is maar een heel klein percentage, maar het geldtook voor de gevallen waarin de rechter tot het oordeel komt «dezeverdachte heeft niet het tenlastegelegde begaan». Als je dan metslachtoffers of nabestaanden spreekt, heb je helemaal... Zeker wil ik hetoverwegen. Ik wil ook echt even van de kant van het kabinet horen wat degevolgen in het geheel zouden zijn. Alles wat we nu beslissen is niethelemaal in beton gegoten, omdat we de tweede aanvullingswet hebben.Met een knipoog zeg ik tegen het kabinet: in de eerste aanvullingswetzitten ook een heleboel principiële vraagstukken, misschien wel nogprincipiëlere dan wat we nu bespreken. Ik wil dat dus best overwegen.Waar ik terughoudend in ben... Het vertrekpunt voor mij is, en dat hoor jeook van slachtofferorganisaties, dat de rechten die nu zijn opgenomen inde wet, helemaal niet zo slecht zijn. Het vervelende is alleen het volgende.Als je er bijvoorbeeld niet uitkomt met de officier of als je in het straf-proces een recht niet kunt effectueren: wat dan? Ik heb mij dus heel erggericht op versteviging en ik denk ook verduidelijking daarvan, maar ik staopen. Ik zeg niet meteen ja, maar ik wil ook niet meteen de deurdichtdoen. Ik denk juist dat deze wetgevingsoverleggen bedoeld zijn ommet de gedachtewisseling gezamenlijk te kijken welke kant we op zoudenmoeten in het belang van een ordentelijke en voortvarend strafproces. Ikwil ernaar kijken, maar ik wil echt ook even de kant van het kabinetdaarover horen.De voorzitter:Hartelijk dank. Dat is afdoende. U was klaar met uw betoog?De heer Ellian (VVD):Nee, nog één amendement, voorzitter.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 548 Oké, dan geef ik u weer het woord.De heer Ellian (VVD):Dank u wel en dank voor de vragen van de collega’s. Het laat zien dat dithet moment is om op deze manier na te denken over onderdelen van hetwetboek.Het laatste amendement is natuurlijk een vraagstuk waar ik al vier jaarvoor pleit. Ik dacht: als er één moment komt om het wettelijk vast teleggen, dan is het nu. Het gaat over de aanwezigheid bij het onderzoek terterechtzitting. Toen ik vier jaar geleden Kamerlid werd, was een van mijnallereerste speerpunten naar aanleiding van een werkbezoek aan Vught. Iksprak daar met de mensen in het dorp en dacht: dit kan niet zo. Maar hetgaat niet alleen om Vught. Voor mij is de essentie dat elk zwaarbeveiligdtransport van een gedetineerde, wat tegenwoordig ook op een AfdelingIntensief Toezicht kan zijn, evident risico’s met zich meebrengt. Het brengtrisico’s met zich mee voor het transport en de locatie waar degenenaartoe moet en het brengt kosten met zich mee. Volgens mij is het bijuitstek ons werk om dan af te wegen: vind je die kosten en die risico’sverantwoord en wil je die nemen of niet? Ik kom, en kwam vier jaargeleden al, tot de conclusie: nee. Ik heb in Italië gezien dat aanwezigheidvia een videoverbinding fantastisch werkt. Ik heb daar ook met advocatengesproken. Natuurlijk, de een is er wat positiever over dan de ander, maarhet wordt beschouwd als een prima functionerend onderdeel van hetstrafproces. Ik dacht: nu kunnen we eindelijk een keer de discussiebeslechten. Het uitgangspunt wordt ten principale: je wordt niet vervoerdnaar de zitting, tenzij de aard van de zitting het evident noodzakelijk maaktdat je komt. Denk bijvoorbeeld aan een getuigenverhoor. Te denken valtaan andere situaties, zoals de bekendmaking van de eis na het requisitoiren het uitspreken van het vonnis. Behoudens die zittingen ben je er niet.De actualiteit de afgelopen weken... Ik moest daar niet om grinniken, maarik heb te vaak te horen gekregen: maar ja, laat dat aan de rechter en danga je een beetje zien hoe en wat. Je ziet in het hoger beroep Marengowaarom je dat dus juist niet moet doen. Iedereen kan nu het beeld zienvan Ridouan Taghi, die expres zei: als ik niet naar de zitting wordgebracht, dan kom ik ook niet bij de videoverbinding. Zijn kompaanRazzouki zei «ik wil gewoon bij elke zitting zijn», waarop de rechter vroeg:maar waar is dat precies voor nodig? Je ziet dus dat er discussie ontstaatmet alle gevolgen van dien. Je moet dit machtsmiddel van deze gedeti-neerden juist wegnemen door het gewoon in de wet vast te leggen op eenwijze die in overeenstemming is met hoger recht en die ook nog ruimtebiedt voor de rechter om te zeggen: nu wil ik wel dat u komt. En dan gaanwe het gewoon regelen. Ik hoop dat het nu eindelijk een keer lukt.Dat was mijn bijdrage, voorzitter.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. U heeft nog een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Dank aan de heer Ellian, ook voor zijn rapporteurschap, samen metmevrouw Helder. Hij vraagt terecht aandacht voor de positie van hetslachtoffer. Ik sta daar gedeeltelijk positief tegenover. We gaan natuurlijkkijken wat de regering zegt over de amendementen. Mevrouw Mutluer enik hebben ook een amendement ingediend, en dat gaat over het herstel-recht. Ik ga niet de hele technische kant van dit amendement met de heerEllian bespreken; er is veel ingediend. Maar ik zou hem wel willenuitnodigen, vooral ook omdat het amendement mogelijk technisch nogniet helemaal perfect is en we nu nog de tijd hebben om daar nog wat aante doen, om zijn gedachtes... Ik zou graag van de heer Ellian willen horenhoe hij nou naar het hele vraagstuk van mediation kijkt en of hij ook vindtdat we dat nu beter in de wet zouden moeten opschrijven dan het isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 549 geregeld in het huidige artikel 51h. Begrijpt hij mijn teleurstelling dat hetin het nieuwe 1.11.2 qua ambitieniveau toch een beetje bij hetzelfde isgebleven en vindt hij ook dat we daar iets aan moeten doen? Dat is mijnzoektocht. Misschien kunnen we ons voordeel doen met de opmerkingendie de heer Ellian hierover maakt.De voorzitter:Ongetwijfeld.De heer Ellian (VVD):Alsof ik wist dat deze vraag kwam, heb ik artikel 1.11.2 voor me. Nee,grapje, het staat voor de videoconferentie. Ik heb het amendement vancollega Van Nispen en collega Mutluer voor me; uiteraard heb ik het ookbestudeerd. Dank voor deze vraag, want die biedt me de mogelijkheid omheel kort een paar woorden te wijden aan mediation in het strafrecht enherstelrecht. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat voordat ik me daarinverdiepte... Ik was als Kamerlid bij ene mevrouw Uitermark, die toen nogstrafrechter was, thans Minister van Binnenlandse Zaken. De eerlijkheidgebiedt me te zeggen dat voordat ik daar op werkbezoek was, ik dat nietzo zag zitten. Ik dacht: met een goed gesprek kan je als verdachte dusonder je straf uit komen. Dat is nog steeds een zorg – die markeer ik maarmeteen – die ik wel bij dit vraagstuk blijf hebben. Ik vind ten principale datmediation of herstelmogelijkheden er nooit toe mogen leiden dat het vooreen verdachte lonend is om te doen alsof die in gesprek is, terwijl diegeen woord meent van wat die zegt en daardoor uiteindelijk de strafontloopt. Dat wil ik aan de voorkant markeren.Maar wat ik daarover geleerd heb – dat zal ik nooit vergeten – is hetvolgende. Dat betreft een casus van een oma in Amsterdam, die helaas,en dat was een ernstig misdrijf, was beroofd. Ze durfde daarna niet meernaar buiten te gaan. Uiteindelijk werd de vraag voorgelegd of zij en deverdachte bereid waren om met elkaar te praten. De betreffende oma zei:dat wil ik. Die verdachte zei dus in dat gesprek: het was niet specifiek op ugericht; het had op dat moment en op die plek in Amsterdam elke anderepersoon kunnen zijn. Die arme mevrouw, het slachtoffer, kon daarna welweer de stap zetten om naar buiten te gaan. Dat heeft mij enorm aan hetdenken gezet. Het kan dus een buitengewoon toegevoegde waarde kanhebben. Er wordt dan namelijk iets weggenomen in de sfeer van hetslachtoffer. Aan de kant van de verdachte – ik geloof dat deze de daad welal had bekend – vraagt het natuurlijk in ieder geval enig vermogen totzelfreflectie om dan ook tegenover die persoon te zeggen: ik heb datgedaan en dat is op deze manier gelopen. Ik begrijp dat de mediators ookaltijd in koppels werken. Welke eisen je stelt aan mediators is een anderonderwerp, maar de bijna besten die we hebben, doen dit soort trajectenaltijd in duo’s. Die kijken ook echt heel goed of de verdachte bereid is eenserieus gesprek aan te gaan en enige verantwoording te nemen voor dedaden. Mijn kanttekening is dus dat het er nooit toe mag leiden datmensen hun straf ontlopen. Ik vind dat je dat moet waarborgen.Zie ik de toegevoegde waarde? Ja. Zie ik slachtoffers die soms zeggen: «Ikwil niet dat er een straf wordt opgelegd. Ik wil een goed gesprek hebbenom te snappen wat er gebeurd is»? Die zie ik. Zie ik dat het matig geregeldis? Ja, dat zie ik ook. Zie ik dat dit het moment is om het te doen? Ja. Maarhet amendement maakt het wel weer meteen een recht van de verdachte,en uiteraard ook van het slachtoffer, maar de verdachte kan het danverzoeken. Maar hoe beoordeel je of dat op dat moment de meest geredeweg is? Ik vind dat het altijd aan het slachtoffer is om te zeggen: ik wil datwel of niet. Dat zit er nu niet in. Ik vind ook dat er een soort beoordelingmoet zijn van de vraag of de verdachte waarachtig is in zijn intenties enecht bereid is om serieus dat gesprek aan te gaan. Die gesprekken kunnenook mislukken. Dat betekent dat de officier gewoon aan de rechter gaatuitleggen: we hebben het geprobeerd, maar ... Ik sta er dus niet principieelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5410 afwijzend tegenover. Ik ben niet een van de true believers die zegt: dit lostalle problemen in het strafrecht op. Maar ik zie wel dat dit het moment isom er iets aan te doen als je er iets mee wil, anders gaat er nooit ietsveranderen.Ik hoop dat dit een paar richtingen meegeeft. Dank.De voorzitter:Ik zie de heer Van Nispen instemmend knikken. Dan is het woord aan deheer Sneller.De heer Sneller (D66):Dank u, voorzitter. Ik zal ook niet emotioneel worden, denk ik, maar het istoch wel een historisch moment. Na 100 jaar is er een fundamenteleherziening. Ik kom zo meteen terug op de herzieningsvraag. In ieder gevalis het een fundamentele vernieuwing, een noodzaak die wij van harteonderschrijven. De afgelopen tien jaar is daar met veel mensen aangewerkt, vanuit zowel het ministerie, de uitvoeringsorganisaties als dewetenschap. Ik dank hen van harte. Ook dank aan de rapporteurs. Ik denkdat mevrouw Helder hier graag bij had willen zijn. Maar ik heb ditweekend zes uur college mogen volgen, gefaciliteerd door de rapporteursen een aantal universiteiten, en daar zag ik haar wel vaak actief aanwezig.Ook dank aan de regeringscommissaris, die hier als «big gun» eventevoorschijn wordt gehaald aan de zijde van het kabinet.Voorzitter. Ik heb de afgelopen tijd weinig fundamentele kritiek gelezen ophet gemoderniseerde wetboek. Dat is bij wetsvoorstellen natuurlijk ookweleens anders. Ik denk dat dat ook veel zegt. Tegelijkertijd heb ik juist welveel complimenten gelezen over het wetboek, over «het geraamte van derechtsstaat», zoals een van de mensen in de interviewbundel het noemt.«Meer dan een gereedschapskist.» «Een fundamenteel en monumentaalwetboek.» Dat zijn toch dingen die je in je zak kunt steken.Ook mijn complimenten voor een aantal slimme oplossingen. Ik zie dat deefficiëntie wordt verhoogd. Waar soms in het strafprocesrecht deefficiëntie wordt verhoogd ten koste van rechtsbescherming ofopenbaarheid, zie ik hoe er juist ook een paar keer een mooie combinatieis gemaakt door de rechtsbescherming in dezelfde beweging mee te latenlopen. Ik denk dus dat er over het algemeen een goede balans isgevonden. De fundamentele doelstellingen voor digitaalneutraal entechnologieneutraal en meer efficiëntie worden ook heel mooinagestreefd.Na er dit weekend weer extra over na te hebben gedacht, heb ik wel éénfundamentele vraag. Die gaat over de discrepantie die sommige mensentoch zullen zien tussen enerzijds de observatie dat het strafproces in deketen helemaal vastloopt en anderzijds de observatie dat een funda-mentele herziening niet nodig is en dat het slechts om een moderniseringgaat. Hoe ziet het kabinet die samenloop? Verwacht het kabinet inderdaaddat als we dit gaan doen, het strafproces weer vlot getrokken wordt? Ofzegt het kabinet: met name buiten het Wetboek van Strafvorderingmoeten hier dingen aan gebeuren, dus je moet niet te veel verwachtenvan dit wetboek want anders kan het alleen maar teleurstellen, en dat iszonde? Oftewel: ik zou daar graag in dit eerste debat nog wat meerreflectie op willen.Deze behandeling roept bij mij ook de vraag op: gaan we alleen voorcodificatie, want menig arrest wordt vastgelegd, of gaan we ook aanrechtsvorming doen? Als we voor dat laatste pad kiezen – ik denk dat datdeels toch gedaan wordt – dan roept dat voor de Kamer volgens mij devraag op hoe we aan de ene kant recht doen aan de lange voorbereidingen dit afstemmen met de betrokkenen, maar hoe we er aan de andere kantwel rekening mee houden dat we medewetgever zijn. Dat is de zoektochtdie ik de afgelopen tijd heb gehad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5411 Ik heb er vandaag en in de voorbereiding voor gekozen om bij een aantal,voor mij centrale thema’s – ik weet niet precies welke centrale thema’svandaag geagendeerd zijn, maar ik heb het dan echt over voor mijcentrale thema’s – bij Boek 1 tot en met Boek 6 toch een aantal amende-menten in te dienen. Ik heb die vroeg ingediend, zodat er ruimte en tijd isom die aan te passen, er reacties op te krijgen en er discussies over tevoeren. Ik laat het aan de voorzitter en de bewindspersonen om tebepalen in welke mate dat vandaag al gebeurt of pas bij de Boeken dielater aan de orde komen. Misschien volgen er nog een paar.Voorzitter. Wat mij betreft zijn de centrale thema’s: slimmer omgaan metdetentie, de werkbaarheid voor professionals en de begrijpelijkheid vande rechtspraak. We hebben het hier al vaker gehad over de beperktemaakbaarheid van het strafrecht en het risico van overspannen verwach-tingen, maar niemand zal ontkennen dat het cruciaal is dat we proberenom onze samenleving veiliger te maken met ons strafrecht. We hebbenhet in de afgelopen jaren in dat kader vaak gehad over de schadelijke zijdevan korte detentie en het risicoverhogend effect op herhaalcriminaliteit. Inhet Boek komen een aantal kansen langs om daar iets mee te doen. Eendaarvan is de voorlopige hechtenis. Die kan soms meer criminaliteitveroorzaken. Dat is een van de redenen om er terughoudend mee om tegaan.Helaas gaat het in Nederland relatief vaak mis. Daar wordt nationaal eninternationaal kritiek op geuit, van de rechtswetenschap tot de rechts-praktijk en van de VN tot de Europese Commissie en het EHRM. In depraktijk wordt het iets te makkelijk en iets te vaak toegepast, terwijl minderverstrekkende alternatieven, die hetzelfde doel kunnen bereiken, onbenutblijven. Die alternatieven zijn bijvoorbeeld huisarrest, een contactverbod,een borgsom of elektronisch toezicht. Denk dus aan verschillendemodaliteiten.Toen ik woordvoerder Justitie werd, verbaasde het mij hoeveel mensenvan de totale gevangenispopulatie in voorlopige hechtenis zitten.Afhankelijk van hoe je het precies meet, gaat het om een aantal tussenongeveer een derde en 40%. Dat is natuurlijk best veel. Dat is duur voorde samenleving, want het kost ongeveer € 438 per dag om iemand invoorlopige hechtenis te houden. En als dat achteraf onterecht blijkt te zijn,is dat niet alleen tragisch voor degene om wie het gaat, maar moeten weals overheid, als belastingbetaler, ook een schadevergoeding betalen. Diebedraagt ongeveer 7 miljoen per jaar. Het is dus een forse kostenpost. Wemoeten niet de illusie hebben dat die helemaal naar nul kan, maar ik denkdat we die wel omlaag kunnen brengen. We weten uit andere debattenover DJI dat de detentiecapaciteit ook nog eens erg schaars is.Ik heb mijn kans gezien om een aantal voorstellen te doen voor ditwetsvoorstel om dit verder terug te brengen. Dat is immers ook deambitie van het kabinet. De Raad van State heeft gezegd: ga je dat welhalen met de voorstellen die nu in het wetsvoorstel staan? Ik hebgeprobeerd om een aantal voorstellen te doen om ervoor te zorgen dat devoorlopige hechtenis zorgvuldiger wordt toegepast. Ik loop ze kort af.De bedoeling van het amendement op stuk nr. 12 is om explicieter in dewet vast te leggen dat de voorlopige hechtenis alleen mag wordenopgelegd als er geen ander en minder ingrijpend alternatief voorhandenis. Het amendement op stuk nr. 13 gaat met name in op de kritiek van hetEuropees Hof, dat zegt: het moet wel goed gemotiveerd zijn, ook inindividuele zaken. Dit amendement biedt handvatten om een uitge-breidere en concretere motivatie te krijgen voor de vraag waarom hetnoodzakelijk en proportioneel is. Het amendement op stuk nr. 14 geeftdezelfde opdracht aan de officier van justitie, namelijk om bij hetformuleren van de eis naar alternatieven te kijken. Het laatsteamendement, dat vanochtend is ingediend, gaat over de gronden dievolgens een aantal mensen uit de rechtswetenschap en de rechtspraktijkte zacht, te onduidelijk en te ruim te interpreteren zijn. Wij doen eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5412 poging om die te verduidelijken en wat meer vast te leggen. Zoals de heerVan Nispen al zei, kunnen we daar op een ander moment nog wattechnischer en dieper op ingaan. Ik hoor van de Minister of de Staatsse-cretaris graag of die amendementen aansluiten bij de ambities van hetkabinet. Ik zag dat de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbe-scherming, de RSJ, ook heeft aangekondigd dit jaar specifiek naar ditthema te zullen kijken. Wellicht weten de bewindspersonen wanneer dieresultaten verwacht kunnen worden.Voorzitter. Het tweede punt is de werkbaarheid voor professionals.Uiteindelijk moeten de mensen die hier in de praktijk dagdagelijks meewerken een helder en werkbaar wetboek krijgen, zodat ze zich op hunbelangrijke werk kunnen richten in plaats van op het werkbaar maken vanonwerkbare regels. Vanuit dat perspectief hebben zij natuurlijk hunfeedback gegeven. Dat leidde bij mij tot een aantal concrete voorstellen.Die staan weliswaar niet allemaal in Boek 1, maar zijn volgens mij welbelangrijk voor het integrale beeld ervan.De beweging naar voren die ik al even noemde, is een van de grotestelselwijzigingen in het nieuwe wetboek. Daar sta ik uiteraard positieftegenover, maar het betekent wel dat verdachten daardoor ook al in eenveel eerder stadium actief moeten zijn als het gaat om hun verdediging.Dit vereist dat verdachten in een vroeg stadium toegang krijgen tot hetstrafdossier. Zonder tijdige kennisname van dat dossier, ook door deadvocaat, is het lastig om die cliënt adequaat te kunnen verdedigen, wantdan heb je geen inzicht in de verdenkingen, de onderbouwing en hetbeschikbare bewijs. Om ervoor te zorgen dat advocaten daar op tijd overbeschikken, heb ik een amendement ingediend om bij een termijnover-schrijding de behandeling van de zaak uit te stellen, zolang dat niet totonaanvaardbare consequenties leidt. Dat was ook een van de kritiek-punten van de Nederlandse orde van advocaten. Die hebben aangegevenin de praktijk toch vaak met die termijnoverschrijdingen te maken tekrijgen zonder dat daar consequenties aan zitten. Volgens mij past ditgoed bij het recht op een eerlijk proces.De orde heeft ook aangegeven dat de voorgestelde termijn voor hetindienen van onderzoekswensen als zeer krap te zien. In het voorliggendevoorstel is deze termijn namelijk een maand na de procesinleiding, en danmoet je opgeven welke getuigen je wil horen. Dat is een te krappe termijnom goed beslagen ten ijs te komen. Ik heb een amendement ingediendom die termijn met twee weken te verruimen, omdat ik ook wel snap datde termijnen juist strak waren geformuleerd omwille van de efficiëntie vanhet strafproces. Maar ik hoop dat deze balans rechtdoet aan de tweeverschillende perspectieven.Voorzitter. Dan het meer flankerend beleid, dat uiteindelijk ook welbelangrijk is voor het welslagen. De beweging naar voren heeft ookconsequenties voor de sociale advocatuur, die ook in een eerdere fasebetrokken zal moeten zijn. Dat betekent ook dat je in een eerdere fasemeer uren zal moeten maken. Het wetsvoorstel zal ook iets betekenenvoor de inzet en het beroep dat wordt gedaan op de reclassering. Mijnvraag aan de Staatssecretaris is de volgende. Op welke manier is dit nu almeegenomen in het rapport dat wij nog dit voorjaar gaan krijgen, of overeen maand, van de commissie-Van der Meer II? Hoe gaat de Staatssecre-taris er anderszins voor zorgen dat er voldoende structurele middelenbeschikbaar zijn voor de sociale advocatuur en de reclassering, zodat dieextra werkzaamheden adequaat kunnen worden uitgevoerd? Ik heb daarook een motie op voorbereid. We kijken wel wanneer we daaroverstemmen en of die motie überhaupt nodig is, want de Staatssecretarisgaat nog antwoorden.Voorzitter. Zowel de Raad voor de rechtspraak als het Openbaar Ministeriehebben aangegeven het niet eens te zijn met de nieuwe hoofdregel dat deverdachte aanwezig mag zijn bij de getuigenverhoren. De uitzonderingendaarop zijn in het voorstel van het kabinet namelijk maar beperktTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5413 mogelijk. Dat kan een negatief effect hebben op de doorlooptijden, maarhet kan ook impact hebben op de slachtoffers die worden verhoord. Ik hebdaarom samen met collega Ellian een amendement ingediend omtegemoet te komen aan die kritiek. Ik ben uiteraard benieuwd of hetkabinet op dat punt voortschrijdende inzichten heeft.Voorzitter. Dan nog een punt, ook in het flankerende. Het is natuurlijk eenenorme operatie. Ik hoor dus ook graag van de bewindspersonen hoe zijer nou op toezien dat de ketenpartners gezamenlijk optrekken richting deimplementatiedatum van 1 april 2029, geloof ik. Welke lessen halen zijbijvoorbeeld uit de implementatie van de Omgevingswet? Daarbijmoesten ook alle systemen klaar zijn. We hebben gezien hoe vaak dat isuitgesteld en hoeveel gedoe dat heeft opgeleverd. Het lijkt me belangrijkom er bij dit wetsvoorstel, dat volgens mij een minstens even complexeoperatie is, voor te zorgen dat die lessen worden meegenomen.Voorzitter. Dan kom ik bij het laatste punt, en dat is de begrijpelijkheid vande rechtspraak. Rechtspraak moet uiteraard begrijpelijk zijn. Burgers,waaronder de slachtoffers die betrokken zijn bij een rechtsstrafzaak, maarook de samenleving als geheel, moeten kunnen begrijpen wat eenrechterlijke uitspraak betekent en waarom een bepaalde straf wel of nietwordt opgelegd. Dat versterkt uiteindelijk ook het vertrouwen in derechtsstaat en voorkomt onnodige juridische procedures. Onlangs zag ikeen mooi interview met Stijn Franken, advocaat en professor, die steldedat hij in toenemende mate merkt dat het in de zittingszaal lastig is om ingesprek te komen met verdachten. Juristen en verdachten hebben iederhun eigen taaltje en komen uit andere leefwerelden. Ze praten vaak langselkaar heen en begrijpen elkaar in de kern niet.Franken zegt dan: «Dan komt er een moment dat een verdachte zegt: wieben jij eigenlijk om over mij te oordelen?» Dat zette mij aan het denken,omdat het goed illustreert waarom het zo van belang is dat de rechtspraakbegrijpelijk is voor alle betrokkenen en dat dat ook noodzakelijk is voor delegitimatie van de rechtspraak. Een aantal jaren geleden stemde de Kameral in met een motie van mijn collega Groothuizen waarin werdopgeroepen om meer begrijpelijke taal te gebruiken in rechterlijkeuitspraken. Onlangs nog werd de regering met een Kamermotie verzochtom het recht op begrijpelijke taal in de wet vast te leggen. Oftewel: ook deKamer ziet wel deze noodzaak, en dat is natuurlijk ook iets wat binnendeze tak van de trias belangrijk is. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecre-taris aan deze moties opvolging geeft in de context van het Wetboek vanStrafvordering.Een onderdeel van de begrijpelijkheid is natuurlijk ook de motivatie. Dat isook een grondrecht. Dat stelt artikel 121 van de Grondwet. Dat heeftverschillende redenen natuurlijk. Ik noemde er al een eentje: de samen-leving en de procespartijen moeten het ook kunnen begrijpen, maar het isook een stok achter de deur voor de rechter om nog eens extra goed na tedenken over het vonnis. Ook is het een controlefunctie voor hogererechter om goed te kunnen beoordelen of het juiste besluit genomen is.Op basis van het huidige recht moeten bepaalde beslissingen altijdgemotiveerd in het vonnis of de uitspraak worden opgenomen. Voorandere beslissingen geldt dat slechts wanneer daarover door de proces-partijen een duidelijk standpunt is ingenomen. Dit stelsel blijft in de kerngoed behouden. Een belangrijke vernieuwing vormt het uitgangspunt datrechterlijke beslissingen moeten worden gemotiveerd «voor zover datvoor de begrijpelijkheid daarvan noodzakelijk is». Zoals de Raad van Stateook stelt, wordt de begrijpelijkheid van de beslissing dan in belangrijkemate bepaald door de standpunten die daarover door de procesdeel-nemers worden ingenomen. Ik deel toch wel de zorg van de Raad vanState dat aan de andere doelen van motiveren – het begrip van deuitspraken, hogere rechter, zelfcontrole – voorbij zal worden gegaan.Daarnaast vind ik het ook belangrijk dat die verschillende strafdoelen, diemet een besluit uiteindelijk worden gediend, ook in die uitspraakTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5414 explicieter worden gemotiveerd. Ik spreek ook de volgende wens uit voorde toekomst. Dit geldt misschien nog wel meer als er nieuwe strafmodali-teiten zullen worden toegevoegd. Dan is het ook extra belangrijk dat ernadrukkelijk wordt gemotiveerd waarom voor een bepaalde modaliteit isgekozen in relatie tot de strafdoelen. Ik hoop aan die verschillende doelenvoor het motiveren van vonnissen recht te doen met het amendement endie voller tot hun recht te laten komen.Voorzitter. Dat was het einde van mijn inbreng. Ik kijk uit naar eenvruchtbaar debat, niet alleen vandaag, maar hopelijk ook de komendemaandagen.De voorzitter:Dank u wel voor uw zeer begrijpelijke betoog. U heeft nog een vraag vande heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Ik heb ook aandachtig geluisterd naar collega Sneller. Hij staat bekend alsiemand die zich altijd hardmaakt voor de positie van de rechterlijke machtin brede zin. Ik heb er overigens zelf geen vragen over gesteld aan deregering, maar ik ben benieuwd naar het standpunt van collega Sneller alshet gaat om de vlucht naar voren. Die valt of staat natuurlijk met deversteviging van de kabinetten rechter-commissaris. Collega Sneller hadhet een paar keer over flankerend beleid. Is hij tevreden met, vindt hijvoldoende wat hij tot nu toe heeft gehoord en gezien van het kabinet? Jezou namelijk best wat zorgen kunnen hebben over die enormeverschuiving naar de kabinetten rc, wat wel essentieel is om die vluchtnaar voren een succes te maken. Ik ben heel benieuwd hoe collega Snellerhiernaar kijkt.De heer Sneller (D66):Het is toch goed dat ik de colleges heb gevolgd. Ik mag niks zeggen overde antwoorden die de heer Ellian kreeg, maar dit is een goede vraag diehij ook daar stelde. Ik ben daar nog niet honderd procent gerust op. Ikdenk dat je de belasting van de rc-functie ook breder moet bekijken dooralle ontwikkelingen die je ziet, waarbij officieren van justitie bij uitleve-ringen bijvoorbeeld dingen niet meer mogen doen en bij de rc terecht-komen. Het lijkt me een hele goede vraag om inderdaad ook bij hetkabinet neer te leggen. Ik moet zeggen dat tot nu toe vanuit de Raad voorde rechtspraak mij niet een soort noodbel heeft bereikt, maar het lijkt megoed om daar wel aandacht voor te blijven hebben.De voorzitter:Hartelijk dank. Dat was voldoende. Wat betreft de appreciatie van uwamendementen: enkele daarvan raken een ander Boek dan dat wevandaag bespreken, dus wellicht zal volgende week die appreciatie vanuitde bewindspersonen komen. Dat vermoed ik althans, maar dat zien we zoin de eerste termijn aan de zijde van het kabinet. Dan geef ik nu het woordaan de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel, voorzitter. Het is al gezegd: dit is inderdaad een enormewetgevingsoperatie. Het 100 jaar oude Wetboek van Strafvordering wordtgemoderniseerd. Het is logischer ingedeeld en vereenvoudigd en maaktdigitaal werken beter mogelijk. Daar is inderdaad een enorm proces aanvoorafgegaan met nauwe betrokkenheid van alle partijen die met ditwetboek gaan werken en erdoor genormeerd worden. Hoewel dateigenlijk niet meer dan logisch is, is het toch een compliment waard aandeze betrokken partijen, dus het ministerie én al die uitvoeringsorgani-saties, ketenpartijen, rechtspraak en noem het maar op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5415 Ook de inspanning in de Tweede Kamer om de behandeling van ditwetboek zorgvuldig voor te bereiden zijn het benoemen waard. Wekunnen het dus wel met elkaar: niet alleen bezig zijn met de waan van dedag, maar wetten zorgvuldig behandelen en de tijd ervoor nemen dienodig is. Wel ben ik er overigens nog bezorgd over dat wij door allebetrokken partijen gewaarschuwd zijn dat de invoering van een nieuwwetboek straks zo arbeidsintensief is dat nu een beleidsluwe periodenodig is. Ik begrijp die oproep, maar tegelijkertijd weet ik dat wij er hierniet zo heel erg goed in zijn om onze wensen te beperken en om bij tedragen aan die beleidsluwe periode. Maar ik begrijp die oproep wel, duslaten we elkaar scherp houden en dit zien als een uitdaging.Het is en blijft spannend wat dit alles voor de praktijk gaat betekenen,want we moeten niet uit het oog verliezen voor wie we dit doen. Dit gaatover de opsporing, de vervolging en de berechting van strafbare feiten,die een enorme impact hebben op het slachtoffer in de eerste plaats, maarnatuurlijk ook op de verdachte en alle werkers in de strafrechtketen. Dehuidige uitdagingen in het strafproces zijn heel erg groot. De doorloop-tijden zijn veel te lang en de achterstanden te groot. Dit betekent datslachtoffers en verdachten niet verder kunnen met hun leven. Dat staat inde pauzestand wanneer zij jarenlang moeten wachten op een beslissing ineen ingrijpende zaak. Dit ook tot grote ergernis natuurlijk van alle agenten,officieren en rechters, die ook maar moeten roeien met de riemen die zijhebben. Al roeien ze nog zo hard, de stroom is te groot en de roeispanente kort.De Nederlandse orde van advocaten stelt terecht dat een strafproces datrecht doet aan de maatschappij, aan slachtoffers en aan verdachten, staatof valt met voldoende mensen en middelen in alle onderdelen van destrafrechtketen en niet uitsluitend met een gemoderniseerd wetboek. Ikben het daar zeer mee eens. Ik weet dat een aantal wijzigingen juist aande huidige uitdagingen tegemoet zouden moeten komen, maar het valtnog te bezien in hoeverre die ambities echt kunnen worden waargemaakt.Ook hebben we deels te maken met toch wat tegengestelde belangen.Wat voor de ene organisatie goed uitpakt, is voor de volgende soms juistmeer werk. Waar de politie bijvoorbeeld hecht aan de beperking van deadministratieve lasten, kan er vanuit de advocatuur juist voor wordengewaarschuwd dat goede verslaglegging hoort bij een zorgvuldigstrafproces. Laten we vooral niet vergeten dat het gaat over rechtsstate-lijke bescherming tegen overheidsoptreden.Dit wetboek kan uiteindelijk nog zo goed zijn en de verandering nog zonodig, maar deze wet gaat natuurlijk ook een hoop niet oplossen.Uiteindelijk is er voldoende budget vereist – de heer Sneller zei dat ook al– om het werk goed te kunnen doen. We hebben ruimere financieringnodig van rechtsbijstand om te zorgen voor voldoende sociaal advocatenin de toekomst. Maar denk ook aan de problemen in de tapkamers en deproblemen met C2000, om maar eens wat te noemen. Het werk is ook nadit wetsvoorstel nog lang niet af. Dat is misschien een open deur – er isniemand die dat beweerde – maar ik hecht er toch aan dat hier tebenoemen.Dan ga ik specifiek naar Boek 1. Wat de SP betreft begint dat met eenaantal goede uitgangspunten die in de praktijk al golden, maar nuexpliciet benoemd gaan worden, zoals het recht op een eerlijk proces, dewettelijke verankering van de onschuldpresumptie en de bepaling datstrafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doet aan de belangenvan het slachtoffer. Zo expliciet stond het er nog niet en het is goed dathet wetboek daarmee begint. Ik heb een vraag over artikel 1.1.18, waarinstaat: «Onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Justitie enVeiligheid dan wel Onze Minister voor Rechtsbescherming.» Maar dielaatste hebben we helemaal niet. Nu hebben we bijvoorbeeld eenStaatssecretaris, wat prima is. Is er een neutrale formulering te verzinnenvoor deze bepaling zodat die klopt, of is het geen probleem dat het er nuTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5416 staat zoals het er staat? Het is een wat technische vraag, maar laten wedie ook stellen.De beweging naar voren is een belangrijk onderdeel. Het betekent meernadruk op het opsporingsonderzoek, waardoor het onderzoek op deterechtzitting beter wordt voorbereid, het zogenaamde panklaar makenvoor de zitting. Dat klinkt als een mooi streven, maar de rechtspraakwaarschuwt dat we ons niet te snel rijk moeten rekenen, dat de praktijkweerbarstig is en dat als je onvoldoende in de rechtsbijstand investeert,de rechter dat allemaal moet gaan repareren door als het ware mee teprocederen om te compenseren. De Nederlandse orde van advocatenheeft hier ook zorgen over. Zij noemen het: de verdachte moet inleverenten faveure van de stroomlijning van het strafproces. Voor een verdachtebetekent dit namelijk dat deze binnen een maand na ontvangst van deprocesinleiding al moet opgeven welke getuige hij of zij wil horen. Dat isal zeer krap, maar veronderstelt ook dat de verdachte zich al vroeg in hetopsporingsonderzoek moet kunnen verdiepen in het dossier. Heeft eenverdachte hier dan altijd al de beschikking over? Is de verdachte dan alverzekerd van adequate gefinancierde rechtsbijstand? Ik zie die aspectenonvoldoende terug in het wetsvoorstel. Mag ik hierop een reactie van debewindspersonen?Ik spreek hier ook mijn sympathie uit voor het amendement op stuk nr. 15,van het lid Sneller. Dat verbindt een consequentie aan het niet tijdigverstrekken van de processtukken, namelijk uitstel. Ik heb ook waarderingvoor het amendement op stuk nr. 16. Dat verlengt de termijn voor eenzorgvuldige voorbereiding van de verdediging.Dan moet ik toch ook wat uitgebreider ingaan op de rechtsbijstand. In deschriftelijke voorbereiding ...De heer Koops (NSC):Ik heb even een vraag over het amendement op stuk nr. 16, van de heerSneller, waar de heer Van Nispen nu ook over begint. Dat betreft eenverlenging van slechts twee weken. Is die verlenging wel voldoende voorde SP, voor de heer Van Nispen? Ik had het net natuurlijk ook kunnenvragen aan meneer Sneller, maar dit is mijn herstelactie. Ik geloof inherstelrecht!De heer Van Nispen (SP):Allereerst is het heel goed om te horen dat de heer Koops – ik had ookniet anders verwacht van NSC – gelooft in herstelrecht; daar gaan we hetook nog over hebben. Dan over het amendement van lid Sneller. Ik begoner zelf over, dus hij stelt die vraag terecht. Dit amendement zit dan weer inBoek 4, maar heeft wel te maken met de algemene thema’s en waaroverwij net spraken. Ik weet oprecht niet of de verlenging van één maand naarzes weken een tegemoetkoming is die voldoende is. Ik zie het als eenverbetering. Daarom heb ik mijn waardering ervoor uitgesproken. Ik weetniet of het zes of acht weken moet zijn. Ik laat het debat zijn werk doen enhoor graag de gedachtes daarover van de heer Koops en de reactie van debewindspersoon of de regeringscommissaris. Als zich na dit debat allerleiorganisaties gaan roeren en ze zeggen «het moet echt acht of tien wekenzijn; dan zijn we er», dan hoor ik dat ook graag. Ik vind het heel lastig omdaar een goed antwoord op te geven.De voorzitter:Goed. Gaat u verder.De heer Van Nispen (SP):De rechtsbijstand. In de schriftelijke voorbereiding hebben wij gevraagd,in navolging van de NVvR, of een meerderjarige kwetsbare verdachterecht op kosteloze rechtsbijstand krijgt bij alle verhoren. Uw antwoordwas positief: met de aanvullingswet zal dit worden geregeld. Dat is mooi,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5417 maar daarmee zijn nog niet al mijn zorgen over de rechtsbijstandweggenomen. Het adequaat regelen van rechtsbijstand is een randvoor-waarde voor het slagen van deze modernisering. Tijdige toegang totgefinancierde rechtsbijstand is cruciaal, zeker ook vanwege de bewegingnaar voren. Nu is de rechtsbijstand voor een verdachte niet of nietgemakkelijk bereikbaar, aldus de Nederlandse orde van advocaten. Datmoet echt beter.Hoe zit het met het recht om daadwerkelijk en tijdig kennis te kunnennemen van de processtukken? Dat is cruciaal voor de verdachte, want pasals de verdachte kennis heeft van het procesdossier, is hij in staat omadequaat gebruik te maken van zijn verdedigingsrecht. De Afdelingadvisering van de Raad van State heeft dan ook geadviseerd eenverplichting in de wet op te nemen om ook de niet-aangehoudenverdachte bij het eerste verhoor in kennis te stellen van het recht opkennisneming van de processtukken. Ook adviseert de afdeling om eenverplichting in het wetboek op te nemen om de verdachte bij het eersteverhoor te informeren over de verzoeken die hij bij de rechter-commissaris kan indienen. Is hier in de wet adequaat aan tegemoetge-komen? Ik heb het geprobeerd op te zoeken en ik vermoed van wel, maarik hecht er toch aan om hier een reactie op te krijgen van de bewindsper-sonen.De heer Sneller zei het al: een adequate financiering van de socialeadvocatuur is cruciaal. Ik zeg dat ook. Bij inwerkingtreding van de wet zaleen redelijke puntvergoeding beschikbaar moeten zijn die rekening houdtmet de actievere opstelling die van advocaten wordt gevraagd in hetnieuwe wetboek. De commissie-Van der Meer II gaat ernaar kijken. Hetgaat dus om een redelijke vergoeding per punt, maar ook om voldoendepunten per zaak. Dat zijn twee verschillende dingen die op elkaaringrijpen. Als er geen adequate vergoeding zou komen, dan is eronvoldoende tijd om in een zaak te steken en kan die rol niet wordenwaargemaakt. Dat is ook weer een risico voor de gewenste beweging naarvoren. Delen de bewindspersonen deze zorg ook?Het is wel moeilijk om nu al precies te zeggen wat dit gaat betekenen voorhet aantal punten voor de vergoeding van de strafadvocaat. Dit moetworden gerealiseerd, maar ik vraag in eerste instantie wel om eenonderzoek hiernaar. Onderdeel van dat onderzoek zou wat ons betreft devraag moeten zijn op welk moment zo’n toevoeging aangevraagd kanworden. Dat moment is met name voor de verdachte op vrije voeten nunog niet bepaald, maar dat moet wel zo vroeg mogelijk, ook weer om dierol waar te maken. Dat aspect zou dus onderdeel moeten zijn van hetonderzoek. Mijn fractie heeft er ook een motie voor klaarliggen.Dan het beknopte proces-verbaal bij audiovisuele registratie. Met dezewet mag een proces-verbaal verkort worden opgesteld als er geluids- enbeeldopnamen te bekijken zijn door de rechter. Dat zijn dus de audiovi-suele registraties. De politie is erg blij met deze wijziging. Bij de recht-spraak is er juist bezorgdheid, met name over de tijd die het kost omopnames van politieverhoren te bekijken en te beluisteren. Volgens mij isniemand tegen audiovisuele registratie. Dat is erg goed. Maar hoevoorkomt de Minister dat de rechtspraak hiermee te zwaar belast gaatworden? Wat doen we als dit tegenvalt? Komt er dan meer budget? Waarhalen we dan extra rechters of ondersteuning vandaan? Graag eenreactie.Dan enkele, toch wel technischere vragen over de administratieve lastenbij de politie. De politie waarschuwt er namelijk voor dat de hoeveelheidadministratieve lasten in het wetsvoorstel dat er nu ligt groter wordt dannu, met het huidige wetboek, het geval is. Dat roept toch de vraag op hoedat nou precies komt en of daar wel of niet iets aan te doen is. Uiteraardmet behoud van zorgvuldigheid; dat staat voorop. Ik heb het nagezocht. Ikkwam tot vier wensen van de politie. Die leg ik hier als vraag aan deMinister voor.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5418 In het nieuwe artikel 1.4.8 is voorgeschreven dat de verhorend ambtenaarbij ieder verhoor opnieuw de identiteit van de verdachte moet vaststellenmet allerlei vragen en persoonsgegevens. Dat lijkt misschien een kleinemoeite, maar vanwege het grote aantal verhoren levert dit toch eenwerklastverzwaring op, terwijl het risico van persoonsverwisseling in dezefase, zoals ik het heb begrepen, klein is. Graag een reactie op de vraag ofdit slimmer kan.Mijn tweede vraag is als volgt. Een andere nieuwe bepaling, artikel 1.6.2,lid 2, luidt dat de politie een getuige erop moet wijzen dat hij of zij eenverschoningsrecht heeft of zou kunnen hebben als de getuige laternogmaals door een rechter-commissaris wordt gehoord. Is dit nodig? Ishet echt aan de politie om dit steeds in deze fase te onderzoeken endaarop te wijzen?Mijn derde vraag op dit punt gaat over artikel 1.8.8, lid 4. Dit artikel bevatde nieuwe verplichting voor de politie om een kopie van het proces-verbaal van een verhoor direct nadat het document is opgemaakt teverstrekken aan de verdachte of diens raadsman. Dat verloopt dan dusniet meer via het OM. In de gevallen waarin het proces-verbaal bijafronding van het verhoor nog niet volledig is opgemaakt, levert dit extrawerklast op, terwijl het de vraag is hoeveel voordeel dit oplevert. Hoe zietde Minister dit?Mijn vierde vraag. Artikel 2.3.3 stelt nieuwe eisen aan het proces-verbaalvan het getuigenverhoor, namelijk dat de verklaring zo veel mogelijk ineigen woorden wordt opgeschreven, en het proces-verbaal zo veelmogelijk in vraag-en-antwoordvorm. Ook dit leidt volgens de politie toteen structurele werklastverzwaring. Is dit volgens de Minister gerecht-vaardigd? Ja, de vierde vraag gaat inderdaad over Boek 2, maar ik dachttoch: ik stel mijn vier vragen in één keer en dan bekijken we hoe we datverder gaan behandelen.Dan kom ik op het herstelrecht. Het herstelrecht is cruciaal. De SP en ookandere partijen hebben daar in het verleden veel voorstellen voor gedaan.Steeds is ook beloofd dat dit uitgebreid zou worden en een prominenterepositie zou krijgen. Ik was dan ook wel enigszins teleurgesteld dat het zobeknopt in het wetboek terecht is gekomen. Artikel 1.11.2 gaat over hetbevorderen van bemiddelen tussen het slachtoffer en de verdachte. Deinhoud van het artikel is ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel51h. Van de echte benodigde uitbreiding is dus geen sprake. Dat is zonde,want je kunt hier in potentie zo veel meer mee bereiken. Ik heb zelf ookweleens mediation in een strafzaak bijgewoond. Dat is echt indruk-wekkend. Zowel voor het slachtoffer als voor de verdachte kan het grotevoordelen hebben om elkaar eens in de ogen te kijken. Het kan een beginzijn van begrip en soms zelfs van vergeving.Voor het slachtoffer kan het al veel meerwaarde hebben als het besefontstaat dat diegene slachtoffer is geworden door, vanuit diensperspectief, pure pech, en dat het niet op die persoon in het bijzondergemunt was. Dat hoorde ik de heer Ellian net ook zeggen. Soms zijn dande slapeloze nachten weer voorbij. Voor de verdachte kan het ook eenvolgende stap zijn, bijvoorbeeld in de resocialisatie. En wat te denken vande voordelen voor het strafproces als geheel? Ook de politie zelf dringt erbijvoorbeeld op aan om kleine zaken klein te houden en meer aandacht tebesteden aan de selectiviteit: welke zaken moeten we via het strafrechtafdoen en welke zaken kunnen we beter op andere manieren aanpakken?Zou het uitgangspunt dat strafvordering het ultimum remedium is nietwettelijk gecodificeerd moeten worden? Dat is een open vraag.Dan minder een open vraag, maar echt een voorstel. Volgens mij moet ditrecht er wel komen voor rechtstreekse en zelfstandige aanmelding voormediation en andere herstelrechtvoorzieningen voor slachtoffers enverdachten. Daar hoort wat ons betreft ook een informatieplicht voor depolitie bij om mensen erop te wijzen dat het er is, net als een onderzoek-plicht of een -opdracht om partijen tijdig te wijzen op een herstelrechte-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5419 lijke oplossing of deeloplossing. Dat moet de toegang tot het herstelrechtwaarborgen. Graag een uitgebreide reactie hierop. Hoe gaan we dit nuverder bevorderen? Hoe zorgen we ervoor dat dit in alle fases van deprocedure een nadrukkelijker rol speelt? En nog een vraag van mij: komter ook meer budget voor?Om dit onderwerp voorlopig af te ronden: mevrouw Mutluer en ik hebbeneen amendement ingediend op dit punt. Dat heeft nu nr. 27. Ik vermoednog wel dat het gewijzigd zal worden, want het is niet zomaar iets. Wegeven ons ook rekenschap van eventuele technische wijzigingen ofbehoeftes die mogelijk zijn. Het is dus niet de definitieve vorm. Wij staandaarvoor open. Maar wij denken dat het heel belangrijk is dat er een rechtkomt voor slachtoffers en verdachten om te onderzoeken of mediationmogelijk is, en om voor te schrijven dat de officier van justitie en derechter ambtshalve onderzoeken of mediation mogelijk is. Nogmaals, datis belangrijk vanwege de genoemde voordelen die er zijn, die ik deels ookheb genoemd.Ik ben er bijna, voorzitter. Over opleidingen en budget. Het nieuweWetboek van Strafvordering vergt een enorme investering, vooral in deopleidingen van bijvoorbeeld agenten, officieren en rechters. Met hetbudget is volgens mij rekening gehouden, maar is de opleidingscapaciteitstraks echt aanwezig in menskracht? Hoe ziet dat eruit? Graag ontvang ikhierin enig inzicht.Tot slot over de tolken. Eerst een algemene opmerking. Ik sprak laatst eentolk die zei: alles wat we ooit geleerd hebben, al die nummertjes, alleinhoud, gaat straks dus veranderen. Jazeker, dat klopt. Ook dit soortzzp’ers zullen eraan moeten wennen en daar is niets aan te doen. Maarhet is wel zo dat er bij de tolken en vertalers al een probleem zat. Ik rondmijn bijdrage af met een vraag over deze beroepsgroep. De ingevoerdemarktwerking heeft hun mooie beroep verpest. De tolken en vertalers zijnaan de grillen van de markt overgelaten, terwijl ze cruciaal zijn voor dewerking van onze rechtsstaat. Hoe staat het met de uitvoering van onzeaangenomen motie? Heeft de Staatssecretaris recent een gesprek gehadmet de tolken en vertalers? Mijn oproep is nogmaals: doe wat voor demensen die werkzaam zijn in dit beroep, in het belang van onze rechts-staat.Dank u wel.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Omdat mevrouw Bikker ons straks even moet verlatenvanwege haar agenda, geef ik haar nu eerst het woord.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter, dank. Ook dank voor de hoffelijkheid van de collega’s naast me.Het is niet elke dag dat je deel uit mag maken van een historisch wetge-vingsproces als het onderhavige: de herziening van het Wetboek vanStrafvordering. Er is nogal wat gebeurd sinds de commissie-Moons in1988 werd ingesteld – ik zat toen op de basisschool en de meeste collega’svan mij volgens mij ook. Maar we zitten nu hier met een stevigvoorgelegd Wetboek van Strafvordering en een historisch project,waarmee ik alle betrokkenen wil complimenteren, ook de velen achter deschermen, in welke hoedanigheid dan ook. Het resultaat mag er zijn. Mijnindruk is dat dit een evenwichtig en doordacht wetboek is. Die indruk isversterkt door de schriftelijke beantwoording van onze vragen door deregering in de nota naar aanleiding van het verslag. De vraag... Ik moetzeggen: de vrees, die ik vooraf heb, is of het ons bij de behandeling alsmedewetgevers lukt om de precaire balans te behouden, te verbeteren –ook dat zou kunnen; ik blijf een positief mens – maar zeker niet teverslechteren. In die zin is het goed om te horen hoe bedachtzaam allecollega’s formuleren. Ik vind het fantastisch dat de commissie voorJustitie en Veiligheid in die zin, hopelijk in gezamenlijkheid, dit wetboekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5420 tot iets moois weet te maken, nog mooier dan het al is, en ik elk geval tebalans in het stelsel weet te behouden.Voorzitter. Er zijn, kort gezegd, twee modellen om een rechtszaak vorm tegeven. Iedereen die graag Netflixseries of andere dingen kijkt, kent vooralhet Amerikaanse model. Maar het veel mooiere model, zeg ik hier dantoch maar met trots, is juist ons model, waarin de rechter het geheledossier krijgt en alle partijen dat kunnen bestuderen, waarna ter zittingalleen de twistpunten worden besproken. Ik hecht eraan dat ook hier tenoemen, omdat het een kostbaar element is van ons Nederlandsstrafprocesrecht. Het is ook weleens goed om die eerste stap daarin tebenadrukken.Voorzitter. Ik ga in op drie punten. Punt één gaat over slachtoffers, tweeover innovatie en drie over capaciteit. Mijn collega’s zeggen voldoendebehartigenswaardige dingen over rechtsbijstand en herstelrecht, waar ikme van harte bij aansluit.Allereerst over de positie van het slachtoffer. De afgelopen decennia is depositie van het slachtoffer in het strafproces steeds sterker geworden. Datis een terechte ontwikkeling. Het is belangrijk dat ook in het strafrechtrecht gedaan wordt aan het slachtoffer. Deze ontwikkeling is terug te zienin het herziene Wetboek van Strafvordering, waarin het slachtoffer eenprominente positie inneemt. Hoe begrijpelijk en waardevol dat ook is, hetbrengt wel een aantal complexe afwegingen met zich mee. Kort gezegd:van de verdachte wordt vermoed dat hij dader is, maar bij het slachtofferbestaat zo’n soort clausulering niet. Het slachtofferschap is dus in zekerezin een gegeven tijdens de zitting, terwijl we er bij de verdachte vanuitgaan dat het «onschuld tot het tegendeel bewezen is» vaststaat. Ziet deMinister deze spanning? Kan hij daar een reflectie op geven? Hoe houdthij daar het oog op?Een andere vraag op dat punt. Het strafrecht is ten principale een reactieof normering vanuit de samenleving, gericht op de gedraging van dedader en niet in de eerste plaats op het recht doen aan het slachtoffer,hoezeer we ook meevoelen met het slachtoffer. Het is een fundamenteeluitgangspunt van het strafrecht dat we het zo hebben ingericht. Tegelij-kertijd krijgt het slachtoffer nu een prominente positie, al in de eersteafdeling. In artikel 1.1.4 staat dat strafvordering plaatsheeft op een wijzedie recht doet aan de belangen van het slachtoffer. Daar ben ik hetnatuurlijk van harte mee eens, maar zou het niet meer recht doen aan hetkarakter van het strafrecht om daaraan voorafgaand te benadrukken datstrafvordering dient voor de benadrukking van rechtsnormen? Dat is eennotie die nu lijkt te ontbreken of in elk geval niet expliciet wordt benoemd.Ik ben zeer benieuwd hoe het kabinet op dit vraagstuk reflecteert, en in hetbijzonder op deze specifieke suggestie. U begrijpt dat we erover nadenkenof we daar wat mee moeten of niet.De samenleving als geheel heeft belang bij een eerlijk en doelmatigstrafproces dat ertoe leidt dat schuldigen worden gestraft en onschul-digen zo veel mogelijk met rust worden gelaten. Natuurlijk moet dat ookplaatsvinden op een wijze die recht doet aan de belangen van hetslachtoffer, maar daaraan gaat, zoals gezegd, iets vooraf. Daarom devraag: ziet de Minister dit ook zo? Hoe kunnen we dat fundamentelebelang verder verankeren?Voorzitter. Ik wil nogmaals benadrukken dat het goed is – ik wil echt dieindruk niet wegnemen; ik wil die indruk echt houden – dat we deafgelopen vijftien jaar steeds meer aandacht hebben gegeven aanslachtoffers, nabestaanden en benadeelden. Het was niet goed dat men inde krant moest lezen hoe de rechtsgang was verlopen. Maar soms creëerje daarmee wel verwachtingen die niet waar te maken zijn of breng jemensen in een kwetsbare positie, zoals ik al met collega Ellian wisselde.Hoe kijkt de Staatssecretaris naar die ontwikkeling? Heeft hij in die zin ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5421 overwogen om de twee fasen in het strafprocesrecht in te voeren, eenknip aan te brengen? Hoe ziet hij dat voor de meest kwetsbare slacht-offers?Voorzitter. Ik kom op het punt van de innovatie. In de criminele wereldwordt helaas volop geïnnoveerd, waarbij zeker in de digitale wereld deontwikkelingen elkaar in een heel hoog tempo opvolgen. Dat vereist vanzowel politie als OM de ruimte om met zaken te kunnen experimenteren.Dat heeft men in ieder geval nodig om die ontwikkelingen bij te kunnenbenen. Al lezend kom ik er toch niet uit in hoeverre het voorgesteldewetboek nou echt goed voorziet in die behoefte. Natuurlijk gebeurt hetmet alle waarborgen die nodig zijn, maar je wilt niet dat OM en politicidaarin te veel op achterstand staan, integendeel. Mijns inziens moet erexpliciet ruimte zijn voor het experiment. Zoals gezegd, moet ervoorgezorgd worden dat je de randen kunt verkennen door in de praktijk in tespelen op nieuwe ontwikkelingen. We dragen natuurlijk de geschiedenismet ons mee dat er ook over de rand werd gegaan. Het is dus een helespannende vraag, maar in dat precaire evenwicht is het daarom juist goeddat we dat gesprek hier voeren en niet na afloop. Graag hoor ik hoe hetkabinet dit ziet.Voorzitter. Ik rond af met het punt capaciteit van het strafrechtstelsel, wantdat is wat mij betreft een conditio sine qua non voor het succes van ditnieuwe Wetboek van Strafvordering. Er is al jaren gedoe in de helestrafrechtelijke keten, en het piept en het kraakt. Ik heb nooit een preciezeverklaring ervoor kunnen vinden. Gek genoeg zijn er minder strafbarefeiten en zaken, maar de doorlooptijden worden langer en de achter-standen groter. Dat zal iets zeggen over de complexiteit van de zaken enwellicht ook over onze inrichting. Ik meen dat het tekort aan rechters nuwordt geschat op 200 fte. En let wel, dit is dus geen budgettair probleem,maar een menselijkkapitaalprobleem. Het gaat dus niet om geld, maar omgoede mensen. Waar komen die vandaan, ook in de komende jaren? Hoezorgen we ervoor dat ze goed zijn opgeleid? Dat geldt ook voor de politie.Het is natuurlijk prachtig, zo’n nieuw wetboek, maar we moeten welmensen hebben die ermee aan de slag kunnen. Daarom hoor ik ook graageen reflectie van de Minister op dit punt. Deelt hij mijn analyse en zorg?Hoe brengt hij het op orde? En hoe houden we ook als Kamer de vingeraan de pols om te zorgen dat de capaciteit in de gehele strafrechtelijkeketen op orde is?Dank u wel.De voorzitter:U bedankt voor uw inbreng. Dan is het woord aan de heer Van Dijk.De heer Emiel van Dijk (PVV):Voorzitter, dank u wel. De PVV heeft kennisgenomen van de herstructu-rering van het bestaande Wetboek van Strafvordering en erkent denoodzaak van een grondige herziening. De huidige indeling van het boekis onoverzichtelijk en niet langer up-to-date. Door de vele toevoegingenaan bestaande bevoegdheden sluiten deze niet langer aan bij de eisen vande strafrechtpraktijk anno 2025. In dat kader heb ik nog wel een aantalvragen aan de Minister. Kan de Minister aangeven of hij het wenselijk achtdat er een termijn wordt opgenomen waarbinnen de rechter moetbeslissen? Nu staat er in artikel 1.418, derde lid, alleen dat de rechter zospoedig mogelijk moet beslissen.Dan het gebruik van videoconferenties en de verruiming daarvan. Kan deMinister concreet aangeven wat de verruimingen in het nieuwe Wetboekvan Strafvordering zijn? Kan hij schetsen in welke situaties en waarom hijhet gebruik van videoconferentie wenselijk acht? Hoe vaak wordt eenverdachte op dit moment al verhoord via een videoconferentie? In welkerechtsgebieden is dit het meest relevant en in welke juist niet? Ziet deMinister daarin beperkingen voor gevallen waarin daar wel of geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5422 gebruik van gemaakt kan worden? Wat zijn de gronden voor eenverdachte, de rechter of het OM de verdachte juist niet via een videover-binding te laten verhoren?Dan de verdere digitalisering. Kan de Minister aangeven of, en zo ja hoe,dit vanuit de Europese Unie gestuurd wordt? Welk framework geldtdaarvoor? Ziet de Minister bezwaren en zo ja, welke bezwaren zijn datdan? In hoeverre acht de Minister bijvoorbeeld het digitaal toegankelijkmaken van een strafdossier wenselijk? Kan hij hierop reflecteren, gezienalle datalekken die we de afgelopen tijd hebben meegemaakt? Op welkemanier zou dit bijvoorbeeld tot mistrials kunnen leiden? Is dit überhauptzo? En verder: kan de Minister aangeven waarom de elektronische wegvoorop wordt gesteld en in sommige gevallen zelfs verplicht wordtgesteld, bij berichten tussen burgers, de officier van justitie en de rechter?Is er voldoende oog voor hen die niet de mogelijkheden of vaardighedenhebben om met elektronische apparaten overweg te kunnen? Ziet deMinister nog verdere veiligheidsrisico’s? Denk daarbij, zoals eerderopgemerkt, aan de datalekken. Graag een reflectie hierop.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:U bedankt. Dan is het woord aan mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Menig collega voor mij heeft het al gezegd: we markeren ditmoment. Ik vind het ook heel bijzonder om onderdeel te zijn van dezeberaadslaging, omdat het de grootste wijziging van de eeuw is. Hethuidige Wetboek van Strafvordering is bijna 100 jaar oud en stamt nog uitde negentiende eeuw. De laatste wijziging vond volgens mij in 1926plaats. Het werd dus de hoogste tijd om dit hele traject in te gaan. Het iseen lang en complex traject overigens, maar ik denk wel een heelbelangrijk en noodzakelijk traject, omdat ons wetboek is verouderd en deeffectiviteit van de strafrechtketen aan het belemmeren is. Ik moet zeggen:ik ben erg onder de indruk van het eindresultaat. Dat mag nogmaalsgezegd worden. Alleen al als je kijkt naar de omvang van de wet, hebbenwe het over honderden pagina’s wetteksten en duizenden pagina’s aantoelichting, terwijl het niet eens de bedoeling was om de hele praktijk vanstrafvordering op de schop te nemen. Ik moet jullie toegeven: het is vooreen Kamerlid echt ondoenlijk om alles te overzien. Daarom ben ik de vieruniversiteiten die per Boek hun opmerkingen hebben gegeven ergdankbaar voor hun inzet. Ik dank ook de rapporteurs voor hun voorwerk.We hebben het over Boek 1. De bepalingen en uitgangspunten van hetBoek werken ook door in de rest van de wet. Ik wil vandaag ook ietsbreder kijken dan de strikte wettekst, om straks na alle wetgevingsover-leggen, bij de plenaire behandeling, alle lijntjes samen te laten komen enconclusies te trekken. Vandaag ga ik me wel richten op een aantal zaken:uiteraard de positie van slachtoffers, die ook al eerder benoemd is, derechten van de verdachte, rechtsbijstand en mediation. Dat verrast u, denkik, niet.Ik wil met dat laatste onderwerp beginnen. De rechten van slachtofferszijn ontzettend belangrijk, zeker in deze tijden. De nodige opmerkingenzijn gemaakt, overigens ook over het tweefasenproces, dat in mijnbeleving niet zozeer als een standaard moet worden gebruikt, maar ietsmeer in specifieke gevallen moet worden toegepast. Ook ik ben benieuwdnaar de reactie van beide bewindspersonen op dit punt.Een ander punt betreft de rechten van slachtoffers, maar ook van deverdachte. Zij zouden in alle fasen van het strafproces, vanaf de aangiftebij de politie tot en met de rechtszaak, in aanmerking moeten komen voormediation. Ik geloof heilig in herstelrecht. Ik geloof heilig in mediation instrafzaken. Ik weet dat we daar in het verleden weleens discussies overhebben gevoerd, zeker bij heel grote, zware dossiers. Ik snap de terughou-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5423 dendheid van een aantal collega’s. Maar zeker bij wat kleinere zakengeloof ik dat herstelrecht en mediation kunnen leiden tot herstel van hetleed van slachtoffers en tot het voorkomen van recidive. Er liepen watpilots bij een aantal politiebureaus, wat leidde tot ontlasting van politie-agenten, omdat dader en slachtoffer bij elkaar kwamen. Het zou hartstikkemooi zijn als we dit veel beter in ons Wetboek van Strafvordering kondenverankeren. Nogmaals, dit kan helpen bij de verwerking van hetaangedane leed en de afhandeling van de schade, maar ook kan het dedaders helpen hun straf te aanvaarden en kan het helpen recidive tevoorkomen. Het kan wellicht vaker ineffectieve korte vrijheidsstraffenvoorkomen, en daarmee de strafrechtketen en dus onze gevangenissenontlasten.De voorzitter:U heeft een vraag van de heer Van DijkDe heer Emiel van Dijk (PVV):Op dit punt van mediation in het strafrecht heb ik toch even een vraag aande collega. Welke risico’s ziet zij op het moment dat bijvoorbeeld eenslachtoffer van verkrachting of huiselijk geweld door de dader gedwongenzou kunnen worden om mee te doen aan zo’n mediationtraject? Wat alshet slachtoffer daar absoluut geen behoefte aan heeft en juist probeert uitde klauwen van de mishandelende of misbruikende persoon te blijven?Ziet zij daar risico’s? Zo ja, hoe hiermee om te gaan?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Laat ik vooropstellen dat wij niet pleiten voor een verplichte mediationvoor slachtoffers op het moment dat de verdachte, in dit geval deverkrachter, dat wil. Dat is geenszins onze intentie. Uiteindelijk moet hetvan beide kanten komen en moet er een wederzijdse instemming zijn.Anders heeft het in mijn beleving geen zin. Soms kan het goed zijn, zekerbij seksueel grensoverschrijdend gedrag of bij misbruikzaken, dat ditgesprek plaatsvindt. Maar dat is geheel aan het slachtoffer. Daar moet deverdachte in dit geval ook mee akkoord gaan. Als dat niet aan de orde is,vindt het gewoon niet plaats. Ik wil daarmee de zorgen wegnemen vanmijn collega van de PVV, want dat is geenszins onze intentie met ditvoorstel.Als er geen andere interrupties zijn, ga ik verder met mijn bijdrage. Wijwillen, zeg ik ook richting mijn collega van de VVD, dat de mogelijkheid erkomt om mediation veel strakker in alle fases van strafzaken toe tepassen. Ook ik denk namelijk dat dit het aantal sepots zou kunnenverminderen en de frustratie bij slachtoffers. Het kan ons ook de straf-rechtsketen helpen ontlasten. Wij gaan na de reacties van de beidebewindspersonen nog goed naar de toelichting van ons amendementkijken. Volgens mij kan die scherper en kan die her en der wat aangepastworden. Wij nemen, zoals collega Van Nispen net ook aangaf, alle op- enaanmerkingen van beide bewindspersonen daarin mee, omdat we dit eenzeer, maar dan ook zeer belangrijk onderwerp achten.De voorzitter:Ja, maar eerst heeft u nog een interruptie van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Naar aanleiding van de opmerkingen van mevrouw Mutluer en de vragenvan de PVV stel ik deze vraag nu aan u, om één kwestie heel scherp tekrijgen. Op het moment dat er een mogelijkheid bestaat om metmediation te voorkomen dat er een full-fledged trial plaatsvindt, bestaaner per definitie argumenten om gebruik te maken van die mediationmoge-lijkheid juist om zo’n proces te voorkomen. Ik kan me, kort samengevat,heel goed voorstellen dat een verdachte dan zegt: «Ik ben bereid om mijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5424 excuses aan te bieden en met een bos bloemen en een schadevergoedingte komen, maar dan moet jij wel akkoord gaan met het herstelrecht enmet mediation; en als je het laat aankomen op een zitting, dan ontken ikgewoon alles.» Ik noem maar eens wat. Ik kan me voorstellen dat dat zowordt ingestoken. De vraag is dus hoe daarmee om te gaan. Onderkenthet lid Mutluer dat dit een situatie is die ingebakken zit in de mogelijkheidvan herstelrecht en mediation?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Daar moet ik even over nadenken. Dit soort risico’s acht ik niet directaanwezig, omdat wij middels een amendement voldoende waarborgenwillen bieden om het verzoek in te dienen om dat te onderzoeken en daarniet zomaar mee akkoord te gaan. Ik geloof dat het proces op zich wel z’nweg vindt. Dit soort risico’s verwacht ik in eerste instantie niet. Dat is mijnkorte antwoord op die vraag, voorzitter.De voorzitter:Ja, dank u wel. Dan heeft u nog een vraag van de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Soms is het fijn als een collega precies verwoordt waar je zelf over zit nate denken, en dat deed collega Koops net. Exact hier zit namelijk ook mijnaarzeling. Het beïnvloedt namelijk absoluut hoe verdachten en hunadvocaten in het proces zitten. Daarom had ik het net over true believers,en collega Mutluer zegt eigenlijk «ik geloof daarin». Mooi. Ik heb datamendement voor me en zeg daar niet meteen «nee» op, maar mediationgaat absoluut de proceshouding van verdachten en hun advocatenbeïnvloeden. Dat is logisch. Ik zie in het amendement dat er in dealgemene maatregel van bestuur nadere invulling aan kan wordengegeven. Maar je moet wel heel scherp hebben wat je dan preciesverwacht van die mediation.Wat ik in ieder geval wil meegeven en wat voor de VVD altijd voorop heeftgestaan, is dat je verantwoording moet nemen voor het feit dat je begaanhebt. Dat zul in je in enige mate moeten erkennen. Waarom? Omdat derechter ten aanzien van een bekennende verdachte op de zitting ook in destraftoemeting rekening zal houden met de houding van de verdachte. Datis op zich niet gek. Ik was op een gegeven moment wel bereid om na tedenken over mediation, wil ik collega Mutluer en collega Van Nispenmeegeven, omdat ik zeg: oké, als je die meewerkende houding ter zittinghebt, word je daarvoor ook beloond door de rechter. Het is dus eigenlijkveel beter als je dat doet op een manier waar ook het slachtoffer nog wataan heeft en waarmee je misschien ook nog het strafproces kan ontlasten.Maar die randvoorwaarden zie ik niet in het amendement staan en die zijnvoor mij wel echt enorm van belang. Dat raakt de vraag van collegaKoops, wat een zeer scherpe vraag was.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Volgens mij willen wij... Ik begrijp de opmerkingen die worden gemaakt.Het zou invloed kunnen hebben tijdens de zitting. Maar dat laat onverletdat er altijd de vrijheid is om wel of niet in te gaan op de behoefte om eenmediationproces in te gaan. Ik heb er gewoon alle vertrouwen in dat datwel zijn weg begint te vinden. Wat wij met het amendement hebbentrachten te doen, is het volgende. Wij willen die mediation veel strakker inal die fases terugzien. Dat begint bijvoorbeeld met de informatieplicht vande politie aan slachtoffers en de verdachte over de mogelijkheden van hetherstelrecht. Ik begrijp de terughoudendheid, maar mijns inziens gaat hetniet lopen zoals wordt voorgesteld. Wij gaan bekijken hoe we hetamendement zodanig kunnen aanpassen dat we dit soort risico’seventueel kunnen voorkomen. Ik ben in dat geval ook wel benieuwd naarwat de beide bewindspersonen hierop te zeggen hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5425 De voorzitter:Oké, dank u wel. Gaat u verder met uw betoog.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik ga verder. Intussen loopt wel de Innovatiewet, die de rechter demogelijkheid biedt een eindezaaksverklaring uit te spreken. Dat vind ik opzich prima, maar ook wel weer een beetje mager. Gezien de voordelenvoor iedereen moet mediation wat mij betreft meer gestimuleerd entoegepast worden, omdat ik daar ontzettend veel winst in zie. Als we nukijken naar artikel 1.11.2, dat overgenomen is uit het bestaande wetboek,dan zien we dat dat te vrijblijvend is en te weinig een opdracht meegeeftaan de betrokken partijen om er meer van te maken. Zoals ik zei, hoor ikgraag van de beide bewindspersonen hoe ze tegen dit amendementaankijken. We nemen de suggesties mee, ook ten aanzien van de zorgendie net zijn geuit door de collega’s van NSC, de VVD en de PVV. Overigenskom ik nog op dit onderwerp terug in een later stadium van ons wetge-vingsoverleg, specifiek bij jeugdigen en jongvolwassenen.Dan iets over de verdachte. D66 en ook de SP hadden het over debeweging naar voren. Ook ik maak me daar zorgen over, want diebeweging naar voren moet ervoor zorgen dat het strafproces efficiënteren sneller gaat verlopen. Daarom wordt er meer nadruk gelegd op deopsporingsfase en moet de verdediging in die fase, voorafgaand aan deinhoudelijke zitting, haar onderzoekseisen zo veel als mogelijk neerleggen.Dat kan betekenen dat als de verdediging achteraf toch nog gerechtvaar-digde eisen heeft, die niet gehonoreerd hoeven te worden. Dat helemaalstilzitten hoeft dus niet zonder gevolgen te blijven. De advocaat krijgt ineen eerder stadium van de zaak de mogelijkheid een effectievere rol tevervullen en er komen meer mogelijkheden om invloed uit te oefenen opdeskundigenonderzoek. De Nederlandse orde van advocaten heeft er inhaar reactie op gewezen dat de ineffectiviteit in het begin later in deprocedure gevolgen kan hebben, omdat de verdediging dan geentoestemming meer krijgt om bepaalde verzoeken te doen. Mijn vraag aande beide bewindspersonen is: houdt de beweging naar voren dan ook nieteen risico in voor de positie van de verdediging? Wordt die daardoor nietzwakker? Kunnen de bewindspersonen daarop ingaan en daarbij nog eensgoed uitleggen in welke gevallen wel en in welke gevallen niet verzoekenvan de verdediging tijdens de zittingsfase gehonoreerd gaan worden? Wehebben het net over een aantal amendementen gehad, dus ik ben ergbenieuwd naar de reacties daarop.Wat betreft de beweging naar voren wil ik ook iets zeggen over rechtsbij-stand. De commissie-Van der Meer II, die het kabinet moest adviserenover de verbetering van de gefinancierde rechtsbijstand, heeft meer tijdnodig omdat het stelsel «te lijden heeft onder jarenlang achterstalligonderhoud». Het stelsel moet wel in orde zijn, zeker als het wetboek inwerking treedt en wij die beweging naar voren gaan maken. Dat is niet hetgeval. Ook ik heb daar een motie over gemaakt, want ik ben heel erg bangdat die beweging naar voren niet op een juiste wijze kan plaatsvinden,zeker als het gaat om de sociale advocatuur. Een gebrek aan rechtsbij-stand in die vroege fase is vooral een probleem voor een verdachte dieook nog eens op vrije voeten is. Die mag niet benadeeld worden omdat hijgeen advocaat kan betalen of toegewezen heeft gekregen. Immers, deverdediging moet door de beweging naar voren al in een vroeg stadiumvan het opsporingsonderzoek onderzoekswensen indienen. Als je geenadvocaat hebt, lijkt me dat een hele ingewikkelde zaak. Ik wil van beidebewindspersonen weten welke oplossingen ze daarvoor hebben. Het isook nog niet duidelijk wat de vervroeging van het recht op gesubsidieerderechtsbijstand voor verdachten die in vrijheid zijn, maar sowieso voor alleverdachten, zou gaan kosten en hoe dat gefinancierd gaat worden. Ik wilTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5426 dat daar dus echt wel het nodige voor gedaan wordt. Ik hoop daarvandaag ook de juiste antwoorden van beide bewindspersonen op tehoren.Nog drie andere punten en dan rond ik af. In de eerste plaats ICT. Als jeeen dergelijke transformatie ingaat of als je de hele strafvorderingaanpast, dan moeten jouw ICT-systemen wel geschikt zijn. Op sommigeplekken in de strafrechtketen moeten papieren dossiers nog vervangenworden door digitale opslagen. Het is niet de bedoeling dat dat op dvd’sof USB-sticks gebeurt. Er is in de schriftelijke ronde al door de bewinds-personen gezegd dat er een hele grote operatie komt om het verouderdeICT-landschap te vervangen. Dat is hartstikke goed, maar dat gaatnatuurlijk tijd en heel veel geld kosten. Ik maak me daar enorme zorgenover. Dat geldt onder andere voor het OM. Officieren kunnen dossiers ene-mails van advocaten niet eens ontvangen, versturen of openen.Aanklagers kunnen zelf niet in hun dossiers. In mijn beleving zijn datcruciale zaken, die goed moeten lopen, wil het strafproces echt beterverlopen. Ik herinner me het project Kwaliteit en Innovatie rechtspraak.Dat mislukte enorm. Dit moet dus anders. Ik maak me gewoon zorgen.Hoe gaan we dit op een goede en ordentelijke wijze laten verlopen?Dan de eisen ten aanzien van privacy. Ik denk dan met name aan deniet-verdachte burgers. Er kunnen en worden door de toenemendedigitalisering steeds grotere hoeveelheden gegevens in bulk vergaard enverwerkt. De bewindspersonen erkennen dat en zeggen dat je dat moetvoorkomen, maar dat is nog helemaal niet aan de orde. Er zou eenaanvullende wettelijke normering van gegevensverwerking komen. Ikvraag me af wanneer die er komt, om dit soort zaken te tackelen.Tot slot uiteraard de financiën. Er is 450 miljoen ter beschikking gesteld,maar ik ben ook bang dat dit niet voldoende zal zijn. Ik begrijp dat debestedingsplannen jaarlijks door de organisaties in de strafrechtketenzullen worden herijkt en ingediend, en dat het implementatiebudget bij dereguliere begrotingsmomenten herzien wordt. Maar het kan niet zo zijndat we met een openeindefinanciering te maken hebben. Ook daar wil ikgraag een reactie op.Dan over de bijscholing van de 10.000 politieagenten. Wat betekent dezeextra inspanning voor de toch al overbelaste agenten? Volgens mij gingcollega Van Nispen daar ook nadrukkelijk op in. Moeten ze dat tijdens hunwerk doen? Het is heftig als ze dat na werktijd moeten doen, maar als zehet tijdens werktijd moeten doen, heeft dat ook gevolgen voor decapaciteit. De winkel moet wel openblijven tijdens de verbouwing. Ik wildat de bewindspersonen daarop ingaan.Daarmee heb ik volgens mij voldoende gezegd, voorzitter. Ik wacht dereacties van de bewindspersonen af.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Als laatste is het woord aan de heer Koops.De heer Koops (NSC):Dank u, meneer de voorzitter. Als zes fracties op rij complimenten hebbenuitgesproken over de voorbereiding van deze wet en dit wetgevings-traject, klinkt het bijna schril als ik die complimenten als zevende moetherhalen, maar dat moet ik wel doen. Het is namelijk buitengewoonindrukwekkend hoe dit hele traject zijn voorgeschiedenis heeft gekend,hoe daar verslag van is gedaan en hoe serieus er is omgesprongen metalle vragen die zijn gesteld. Dat is gewoon fantastisch. Ik kan daarnaastniet anders dan gewoon hardop zeggen dat het zo leuk is dat meneerKnigge erbij is. De vragen die ik ga stellen gaan over praktische bezwarenen gewoon over dingen uit de praktijk. Maar dat moet ik wel heel ergrespectvol doen, omdat er in het wetboek ook een levenslange loopbaanin het strafrecht verwerkt is. Dat merk je gewoon aan alles. Ik vind het dusheel fijn dat u er bent, meneer Knigge. Ik ga zowaar een technische vraagTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5427 stellen, of in ieder geval eentje die ik zelf technisch noem, gewoon om uerover te horen. Dat wou ik vooraf even zeggen.Kenmerkend aan het voorgestelde nieuwe wetboek is de beweging naarvoren. In de wandelgangen van de strafadvocaten wordt dat soms ook«de vlucht naar voren» genoemd. Dat is dan redelijk kritisch, maarvolgens mij is dat dus zeer veelbelovend om het strafproces inderdaadefficiënter te laten verlopen.Het is de fractie van NSC ook helemaal niet ontgaan dat het hierpermanent gaat om de afweging tussen enerzijds principes en anderzijdseen soort van efficiency. Daarmee kom ik eigenlijk meteen op een punt datdoor de collega’s al naar voren is gebracht, namelijk de kosten diebepaalde voorstellen met zich meebrengen. Ik denk hierbij met name aande versterking van het kabinet van de rechter-commissaris. Daarover zijnal vragen gesteld door de collega’s. Die zullen worden beantwoord doorde meest gerede bewindspersoon.Mijn expliciete vraag is om daarbij te betrekken wat de ervaringen zijn metde kabinetten rechters-commissaris van vier rechtbanken: Overijssel,Rotterdam, Amsterdam en Den Bosch. Die hebben als afschuwelijke naam«de concentratierechtbanken», omdat daar de zaken aanhangig wordengemaakt van het landelijk parket en het functioneel parket. Dat is een heelaantal jaren geleden ingevoerd. Het lijkt mij dat we bij die vier kabinettenlessen moeten kunnen leren over een werklastverzwaring voor kabinetten.Want die vier hebben dat gehad, doordat die zaken werden overgeplaatstnaar die vier rechtbanken. Mijn vraag aan de bewindspersonen is dus omdat te betrekken bij de beantwoording van de vragen over de mogelijkecapaciteitsgebreken en het voorkomen daarvan.Dan heb ik zowaar een amendement ingediend. Dat heb ik écht op hetallerlaatste moment gedaan, dus iedereen mag zeggen «nou, dat is slechtbestuur» en noem maar op. Maar laten we even letten op wat ik daarmeeprobeer. Dat is dan ook de welhaast technische vraag die ik heb. Ik heb datding ingediend omdat ik mij écht zorgen maak over hoe een ambtelijkapparaat zoals de rechterlijke macht en de ondersteuning van hetOpenbaar Ministerie, deels verweven, deels over meerdere instantiesverspreid, omgaan met de voorstellen in dit Wetboek. Een ambtelijkapparaat, oneerbiedig gezegd, zal werken vanuit de processen die al lopenen zal die regels op zo’n manier invullen zodat de organisatie het meestflexibel loopt. Daar vallen nogal wat, ik zou bijna zeggen «managementbe-slissingen» onder. Ik dacht dat het misschien een oplossing is om tezeggen: we creëren echt een probleemeigenaar bij alle strafzaken dieaanhangig worden gemaakt. Dan kan je één persoon aanwijzen enzeggen: «Meneer X, u bent degene bij wie ik moet zijn en u bent ookdegene die hierop afgerekend kan worden.» Die persoon draagt deverantwoordelijkheid voor het efficiënt laten verlopen van het completeproces in die ene zaak.Ik ben er benauwd voor – «benauwd» is echt het juiste woord – datbepaalde bevoegdheden telkens wisselen en door andere mensen wordenovergenomen. We weten allemaal hoe dat nu al werkt bijpro-formazittingen. Daarbij is sprake van raadkamers en van eengewijzigde samenstelling van de combinatie die de zaak behandelt. Daarmoet een advocaat toestemming voor geven, maar dat gebeurt gewoonals een proces anderhalf tot twee jaar loopt. Dan zitten dezelfde driepersonen niet nog steeds op de zaak. Soms zitten er zelfs drie hele nieuwepersonen. Dat speelt al in het huidige systeem van rechtspleging. Het isde vraag of we dit kunnen oplossen door een probleemeigenaar tecreëren. Ik vraag de bewindspersonen om daarop te reflecteren.Misschien ziet meneer Knigge er aanleiding toe om daar iets over tezeggen, bijvoorbeeld dat dat een kansloos idee is of dat de definitie van«probleemeigenaar» een bepaalde vorm zou moeten krijgen. Ik zou hetzeer waarderen als daar een opmerking aan kan worden gewijd. Het ideevoor een probleemeigenaar is ingegeven door mijn eigen verlangen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5428 omdat ik ervan overtuigd ben dat daarmee de efficiency van de straf-rechtspleging enorm toeneemt. Dit was mijn eerste onderwerp.Dan kom ik op het onderwerp herstelrecht in strafzaken. Daar is gelukkigal heel erg veel over gezegd hier. Er is inderdaad een heel summierewettelijke grondslag opgenomen in dit wetboek. Ik kan me heel goedvoorstellen dat je daar een nadere invulling aan geeft bij wijze van eenAMvB. Je kunt bijvoorbeeld een delegatiebevoegdheid creëren zodat je deregels gemakkelijker kunt aanpassen aan de behoeftes, die zich pas latenzien als het herstelrecht daadwerkelijk is ingevoerd in de praktijk. Mijnvraag aan de bewindspersonen is: is het geen goed idee om bij AMvB demogelijkheid te creëren om nadere regels op te stellen voor het herstel-recht? Daarbij is de vraag natuurlijk van belang of dat überhaupt kan perAMvB of dat de regering van mening is dat dit in de wet moet wordenopgenomen.De voorzitter:Dat leidt tot een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Volgens mij is die er al. In artikel 1.11.2, lid 4 staat: «Bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteldover herstelrechtvoorzieningen waaronder bemiddeling tussen hetslachtoffer en de verdachte of tussen het slachtoffer en de veroordeelde.»Ik denk niet dat dat de heer Koops ontgaan is. Hij weet dat dat nu ook alstaat in artikel 51h van het Wetboek van Strafvordering. Nog even voor degoede orde, het amendement van mevrouw Mutluer en mij stelt niet voorom die delegatiebevoegdheid, die grondslag, te schrappen. Wij denkendat die heel belangrijk is, juist om de terechte zorgen van de collega’s teondervangen en goed op te schrijven in nadere regels. Je kunt namelijkniet alles in de formele wet regelen. Volgens mij is die mogelijkheid er dusal. Het amendement laat die AMvB ook intact. Die moet er zijn en die is erook al.Mijn vraag aan de heer Koops is of hij zich de behoefte, van onderanderen een aantal sprekers hier, kan voorstellen om een aantal zaken wéluitdrukkelijker in de wet te regelen, en dus niet alleen bij AMvB. Denk aanhet recht, de informatieplicht en het ambtshalve onderzoek van de officiervan justitie en rechter. Nogmaals, wij staan open voor feedback over hoehet beter kan. Misschien komt de heer Koops daar nog op. Maar het is welbelangrijk om een aantal zaken nu goed op te schrijven in de wet en omdie AMvB intact te laten.De heer Koops (NSC):Onze inbrengen sluiten wat dat betreft naadloos op elkaar aan. Dezeinterruptie is heel fijn, want dan kan ik aanscherpen wat ik bedoel. Kan hetbij AMvB worden geregeld of zijn er onderwerpen die bij formele wetmoeten worden geregeld? Dat is mijn vraag. Sommige dingen kun jevolgens mij niet zomaar delegeren aan iemand anders dan de wetgever.Ik kom meteen met een onderwerpje dat hiermee samenhangt en dat ikontzettend belangrijk vind. Het betreft het aspect van geheimhouding vanbesprekingen tussen de vermeende dader en het daadwerkelijkeslachtoffer. Die ongelijkheid kwam al eerder langs. Er moet nog vastge-steld worden dat iemand de dader is, maar er hoeft niet vastgesteld teworden dat iemand het slachtoffer is. Je hoeft alleen maar vast te stellenvan wie of wat hij het slachtoffer is. Dat verschil in positie doet zich bijuitstek in zo’n voortraject gevoelen. Ik put inspiratie uit civiele zaken.Daarin hebben beide partijen een advocaat, die op de gang kan onderhan-delen over het beproeven van een schikking van enigerlei vorm. Dan is degouden regel dat je de inhoud van die onderhandelingen op geen enkelemanier mag betrekken bij de afdoening van de zaak zelf. Het is echt eengeheim traject. Dat komt doordat je in zo’n onderhandeling kunt zeggen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5429 «Ik weet ook wel dat de soep niet zo heet wordt gegeten als die wordtopgediend. Ik zou ook wel genoegen nemen met 5.000 in plaats van8.000.» Dat wil je niet om je oren krijgen als de zaak later in de zaal komt.Die inspiratie laat ik hier voor het gemak even los op het onderwerpherstelrecht en mediation. Hoe kijkt de regering aan tegen een geheim-houdingsverplichting voor de deelnemers aan dat traject? Is het ookdaadwerkelijk mogelijk om dat te gaan doen? En is dat wellicht iets watniet bij AMvB geregeld behoort te worden, maar juist bij formele wet?Ik sta hartstikke sympathiek tegenover alle pogingen om ervoor te zorgendat een zaak niet helemaal bij de rechter uitgevochten hoeft te worden. Ikben het er, bizar genoeg, ook mee eens dat je moet uitkijken dat er geenmisbruik plaatsvindt. De kans op misbruik neemt wel toe als je eengeheimhoudingsverplichting oplegt. Maar ik zie zelf dus niet heel goedhoe je hieruit komt. Ik zou graag zien dat een verdachte open kaart speeltop het moment dat die met een slachtoffer spreekt, dus dat die zegt: «Dieklap had ik niet moeten geven. Neem mij niet kwalijk. Ik heb het tochgedaan. Ik zie dat dat niet helemaal blijkt uit het proces-verbaal van depolitie, maar ik was het. Sorry.» Ik zou willen dat de verdachte dát kanzeggen. Ik ben ervan overtuigd dat dat heel erg belangrijk is. MevrouwBikker zei het ook al. Ik denk dat het al een heel erg grote stap is op wegnaar herstel als iemand gewoon sorry zegt. Er moet een forum ontstaanwaarop iemand sorry kan zeggen in het voortraject, zonder dat die het omzijn oren geslingerd krijgt en zijn kansen in het proces weggeeft, mochtdat later toch volgen. Ik zag een oplossing in geheimhouding en ik benbenieuwd hoe de regering daartegen aankijkt.Inmiddels is mijn beeld uitgevallen, dus ik was duidelijk te lang aan hetwoord. Ik kom bij het volgende onderwerp. Dat betreft, jawel, de positievan het slachtoffer. Die is in dit tijdsgewricht van vitaal belang, vancruciaal belang, bij de inrichting van het strafproces. We hebben hier hetwoord «tweefasenproces» al laten vallen. Zo’n woord kan iets te sturendworden als je het te vaak gebruikt. Ik denk in mijn hoofd aan Amerikaanseseries. Daarin heb je zo’n moment van «guilty or not guilty», en daarnakan de rechter zich laten voorlichten over de argumenten voor een hogereof lagere straf, boete of schadevergoeding. Die komen na die uitspraak«guilty or not guilty». Ze vallen daar niet mee samen. Dat is een tweefa-senproces. Ik heb dat nog nooit gezien in een Nederlandse strafzaak. Hetvergt dat een rechter zijn oordeel uitspreekt, dus niet zijn vooroordeel,over schuld, onschuld en schulduitsluitingsgronden – de bewijsmiddelen,in essentie. Dat is een heel groot ding om te doen voor een rechter. Hijheeft dan een oordeel, en je zou dus kunnen zeggen dat hij bevooroor-deeld is.Je zou tegen het probleem kunnen aanlopen dat de advocaat of deverdachte zegt: «Ja, maar u denkt dat ik het heb gedaan. Ik heb hethelemaal niet gedaan, en ik geloof niet dat u nu nog in staat bent omobjectief en onpartijdig een straf aan mij op te leggen of te oordelen overde vordering van de benadeelde partij.» Dat is een moeilijkheid bij hettweefasenproces. Mijn vraag aan de regering is dan ook of zij niet alleenwil ingaan op de vraag naar de wenselijkheid van het mogelijk maken vaneen tweefasenproces. Ik heb het dus niet over een verplichting voor allezaken, maar voor zaken die hiervoor in aanmerking komen. Dat kanbijvoorbeeld worden bepaald door de rechter. Ik wil de regering dus ookvragen te letten op hoe om te gaan met het feit dat de rechter zich moetuitspreken over schuld en onschuld, waardoor die in het vaarwater vanwrakingen kan komen. Dat zou wat mij betreft in zo’n geval niet mogelijkmoeten zijn. Ik ben voorstander van een tweefasenproces in voorkomendegevallen, niet in alle gevallen. Ik denk dat de rechter die het strafdossierheeft bekeken het beste in staat is om daar zelf over te kunnen zeggen:«Dit is misschien wel iets waarbij we pas het woord moeten geven aanhet slachtoffer, aan de vorderende partij, nadat vast is komen te staan watdeze persoon heeft gedaan en of die het ook echt heeft gedaan.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5430 Dit tweefasenproces is in essentie ingegeven door de belangrijkergeworden rol van het slachtoffer. Daardoor kom je als het ware bij eentweede onderwerp rond het slachtoffer terecht. Ik overweeg een motie opdit punt, hoor ik dan te zeggen. Het gaat hierom: op het moment dat eenvordering te complex is in de strafzaak en een te zware belasting voor datstrafproces is, wordt de benadeelde partij, het slachtoffer, niet ontvankelijkverklaard in het aanbrengen van die vordering. Dan staat er ook altijd inhet vonnis: u kunt de zaak natuurlijk altijd nog aanhangig maken bij deciviele rechter. Dat is ook zo. Alleen, dat gebeurt nooit. Dat is omdat hetaanhangig maken van een civiele zaak voor de civiele rechter inhoudt datje een advocaat moet hebben die weet hoe hij een dagvaarding opstelt enuitbrengt. Als advocaat in strafzaken weet ik dat eenvoudigweg niet; datheb ik nog nooit gedaan. Dat is één ding dat je moet kunnen. Ook moet jegriffiegeld betalen.Vervolgens kom je in de procedure die volgens de regels van het civielerecht verloopt, en in die regels speelt ook eigen schuld een rol, altijd veelzwaarder dan in het strafproces. Dat kan daar naar voren komen.Uiteindelijk krijg je een titel, die heel vaak niet te executeren valt. Want hetis wel mooi dat een rechter vaststelt «u krijgt nog € 49.000», maar hoekom je terecht bij de persoon die dat moet betalen? Je bent dan genood-zaakt om zelf naar hem toe te gaan. Als hij bijvoorbeeld nog z’n straf uitzit,dan vergt dat wel heel veel van een slachtoffer. Die doorloopt dat heletraject, om daar dan die dader te vinden. Ik voorzie dus in de mist eenoplossing en ik vraag de regering om zich daarover uit te spreken: hoekijkt de regering aan tegen de introductie van een verwijzingsbevoegdheidvan de strafrechter aan de civiele rechter? Ik denk dan aan de kanton-rechter, want die weet veel van gederfde arbeidsinkomsten en dat soortonderwerpen. Een verwijzing houdt in dat je bij het vonnis zegt: hij heefthet gedaan, dit wordt zijn straf, de vordering is zo ingewikkeld dat die nietin het strafproces kan worden opgelost, dus verwijs ik u naar de civielerechter. Het proces blijft dus lopen, er hoeft geen griffierecht te wordenbetaald – daar krijg je een soort vrijstelling van – en er moet geendagvaarding worden uitgevaardigd, maar de zaak komt op het bordje vandie kantonrechter, die die zaak zo als het ware overneemt. Daar zou danbij horen, om dit verhaal af te maken, de mogelijkheid voor de kanton-rechter om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dat is iets watnu niet bestaat in het civiele recht. Ik zou willen dat een civiele rechterecht zegt: het CJIB gaat aan de slag met wat hier ook maar uitkomt, zodatu als slachtoffer niet zelf naar die dader op jacht moet. Het CJIB gaat datdoen en moet dan een bevoegdheid krijgen om een voorschot te gevenaan het slachtoffer op de toe te kennen schadevergoeding. Het gaat mijdus om een verwijzingsbevoegdheid in de gevallen waarin nu een zaakniet-ontvankelijk zou worden verklaard.De voorzitter:Dank u wel. Er is ook een vraag van de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Dat is een geweldige vraag van collega Koops, want dit is iets waar ik meal jaren over verwonder, en collega Van Nispen nog langer dan ik.Eenieder kan ik verzekeren – ik maak van elke gelegenheid gebruik om datte zeggen – dat onderschat wordt wat in het civiele recht moet gebeuren.In de praktijk hoor je heel vaak: ja, maar je kunt toch een advocaat nemen?Ja. En dan moet je een dagvaarding hebben. En dan heb je een weder-partij, zoals die in het civiele recht heet. In het strafrecht is dat deveroordeelde. Als diegene dan wel het feit heeft bekend, maar ontkent datdit heeft geleid tot de betreffende schade, kom je in een wereld vancausale toerekening. En dan ben je twee jaar verder, en een hele hoopgeld. Dat slachtoffer zit dan bij jou aan je bureau en zegt: goh, dit is tochbest gek; ik gun u dat u uw uurtarief kunt rekenen, maar wat heb ikTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5431 gedaan dat ik deze ellende in moet? Daar komt een heleboel bij kijken. Ditis dus een geweldige vraag.Eerder is al geadviseerd, onder andere door de commissie-Donner, om tekijken naar het inrichten van schadevergoedingskamers binnen derechtbank. De beoordeling van de schade splits je dan tijdelijk af. Deschadevergoedingskamer komt vervolgens bijeen en beoordeelt dat. Ikweet even niet meer uit mijn hoofd wat dan de conclusie was, maar dankon het weer teruggebracht worden. Is dat iets wat voor de heer Koopsook ... Maakt de vorm hem niet uit als maar de vordering benadeeldepartij op een andere manier, een betere manier, een eenvoudigere manierbeoordeeld wordt? Is dat de essentie?De heer Koops (NSC):Dat is een uitstekende wedervraag of follow-up. Het instellen vanschadevergoedingskamers en dergelijke beschouw ík nou als een te grotebelasting van deze behandeling van het Wetboek van Strafvordering. Indie zin laat ik deze vraag, met het welnemen van het lid Ellian, vandaageven onbeantwoord. Mij gaat het er vooral om – dat vind ik wél heelbelangrijk – om te zeggen dat dit niet heel veel extra kosten moetopleveren voor de praktijk van de rechtspleging, zoals een in te schakelentweede advocaat of iets dergelijks. Het is niet mijn bedoeling om iets heelkostbaars voor te stellen.De reden waarom ik denk dat het ook helemaal niet kostbaar is – dat isvoor een deel een antwoord aan de heer Ellian – is dat ik vermoed dat hettot een enorme efficiency leidt als je een gespecialiseerde civiele rechtermet die doorverwijzingsbevoegdheid, met die mogelijkheid van deschadevergoedingsmaatregel daarnaar laat kijken. Ik voorspel dat dierechter namelijk gaat zeggen: «Meneer A, meneer B, u heeft het vonnisgelezen; ik denk dat u toch wel uit zou moeten komen op bedrag x. Ik ziedat ook dat en dat wordt gevraagd, maar dat is misschien wat veel. Ik ziedat dit naar voren wordt gebracht, en daar zit wel wat in.» Kortom, zeworden de gang opgestuurd om tot een schikking te komen. Dat is eenmogelijkheid in dat ... Het punt is natuurlijk dat als je dat vonnis eenmaalhebt, daarna het stof neerdaalt. De advocaat heeft allerlei verweren naarvoren gevoerd, strekkend tot vormen van vrijspraak en noem maar op. Wezitten nu in het stadium dat vastgesteld is wat die meneer heeft gedaan.Die meneer is gewoon veroordeeld. Dat doet ook iets met zo’n veroor-deelde. Een vonnis kan uitermate ontnuchterend werken. Dan daalt hetstof neer. Als vervolgens iemand tegen hem zegt «ja, dat vonnis ligt er enik denk dat deze schade erbij hoort», kan het zomaar wezen dat deadvocaat en de dader – zo moet ik inmiddels zeggen – daar oren naarhebben en dat er dus helemaal geen vonnis uitgeschreven hoeft teworden en dat niet alle bewijsstukken moeten worden beoordeeld, dat ergeen expertiserapporten en dergelijke ... Begrijpt u? Het kan leiden tot eenveel efficiëntere afdoening. Dat lijkt mij nadrukkelijk een voordeel van eenverwijzingsbevoegdheid. De vraag is dan ook aan de regering om dat tebetrekken bij het beantwoorden van deze vraag.De voorzitter:U heeft nog een vraag van de heer Van Nispen. Dit is zijn laatsteinterruptie.De heer Van Nispen (SP):Ik vind dit ook buitengewoon interessant. De praktijkervaring van de heerKoops helpt en is interessant, al is het ook weer niet een nieuw vraagstukvoor de politiek, want we vragen er vaker naar. Ik hoorde de heer Koopsook zeggen: het moet dan natuurlijk niet op het bordje van het slachtofferblijven rusten. Volgens mij hoorde ik hem zeggen dat je bijvoorbeeld kankijken of het CJIB dat voor iemand kan innen. Daar zijn ook ervaringenmee; deels gebeurt dat al. Dat is natuurlijk relevant. Als iemand veroor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5432 deeld is tot een schadevergoedingsmaatregel en een persoon moet er zelfnaartoe om zijn of haar geld terug te halen, is dat natuurlijk ook een zwarebelasting, al helemaal als het de bekende kale kip wordt. Iemand krijgt danop papier wel geld, maar kan het niet verhalen omdat die persoon hetgeld heeft weggesluisd of verbrast. Dan is het er dus niet meer. Dat zijnnatuurlijk ook interessante vraagstukken. Vraagt de heer Koops nu ookhoe we dat oplossen? Daar zijn in het verleden al moties over ingediend,die niet altijd even goed uitgevoerd zijn. Maar als de heer Koops zichaansluit bij de gedachte de regering te vragen om daar een oplossingvoor te vinden, dan zou dat volgens mij ook helpen bij dit vraagstuk.De heer Koops (NSC):Wat betreft de schadevergoedingsmaatregel – dat is dus geen straf, maareen maatregel – staat mij voor ogen dat degene die oordeelt over devordering van het slachtoffer degene is die bevoegd is de schadevergoe-dingsmaatregel op te leggen. Dat is namelijk de persoon die kanvaststellen of de dader gijzelen in zo’n geval prettig, handig of passend is.In de schadevergoedingsmaatregel zit ook verdisconteerd dat het CJIBdaadwerkelijk die vordering gaat ophalen en dat het slachtoffer daar nietsvoor hoeft te doen, behalve in contact blijven met het CJIB. Ik denk dat weheel dicht bij elkaar zitten wat dit betreft. Mij gaat het er wel om datdegene die de vordering van de benadeelde partij beoordeelt ook degeneis die oordeelt of een schadevergoedingsmaatregel moet wordenopgelegd, dus of het CJIB moet worden ingeschakeld. Is dat afdoende?De voorzitter:Ja, zie ik. Gaat u vooral verder met uw betoog.De heer Koops (NSC):Dan kom ik bij de positie van de verdachte. Er zijn twee dingen hier. Ikvind een termijn van een maand hartstikke kort. Ik vind een termijn vanzes weken, zoals voorgesteld door het lid Sneller, nog steeds hartstikkekort. Maar misschien heb ik gewoon te lang meegelopen in strafzaken enis het zo dat ik mij mopperend en schoorvoetend wel degelijk aan dietermijn zou weten te houden. Bizar genoeg lukt het toch iedereen om zichaltijd net aan de termijn te houden. We moeten hierbij niet vergeten datiedereen zich altijd nét aan een termijn houdt. Aan het eind van de laatsteweek wordt het ding ingeleverd. Dat is altijd zo. Ik heb sympathie voor hetidee om die vier weken op te rekken naar zes weken, maar, en dit klinktkrankzinnig, ik zou zeggen: twee maanden. Ik zou zeggen: laten we ditvooral niet rushen. Want wat gebeurt er op het moment dat mensenoverhaast nadenken over hun onderzoekswensen? Dan gaan ze voor dezekerheid alles opgeven wat er in hun hoofd opkomt in plaats van dat zedaarin een mate van efficiency opzoeken. De ervaring leert ook dat als dieverzoeken eenmaal zijn gedaan, je verliefd wordt op je eigen stuk. Dan zegje: ik wil alle 49 getuigen hebben en er niet maar 30. Ik zou dus graagwillen voorkomen dat iemand in de haast het niet korter kan maken. Ikben dus voor een verlenging van de termijn tot zelfs twee maanden. Devraag aan de regering is om daarop te reflecteren en of ik een praktischbezwaar over het hoofd zie bij het formuleren van de termijn van vierweken zoals die nu voorligt.Over de positie van het slachtoffer is er nog een tweede vraag van mijnkant. Die betreft de verplichting uit artikel 1.4.4., die al zo oud is als hetoude wetboek, namelijk: voorafgaand aan je verhoor moet jou wordenverteld waar je van wordt verdacht. Ik heb mij een keer te vaak gestoordaan hoe daarmee wordt gesjoemeld door de politie. Het is echt heelvervelend om dat woord hier te gebruiken, maar het gebeurt wel echt. Derechten van verdachten zijn een aanzienlijk minder empathisch of mindersympathiek onderwerp om op in te gaan dan de rechten van slachtoffers.Dat is in zijn algemeenheid zo. Maar hoe stelt de regering zich nou voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5433 dat dit recht, het recht om op de hoogte te worden gesteld van datgenewaarvan je wordt verdacht, praktisch wordt vormgegeven? Ik kan u tweevoorbeelden geven.Ik wil niet horen dat ik word verdacht van artikel 3.26. Ik wil horen dat ikervan verdacht wordt een oud vrouwtje een opgeknapte tweedehandsauto met een slechte motor waar ik zaagsel in heb gegooid, te hebbenverkocht en dat ik dat in 2019 heb gedaan. Dat is een omschrijving vaneen verdenking. Een verwijzing naar een artikel is dat dus niet. Ik ben erpersoonlijk van overtuigd dat de efficiency, de verklaringsbereidheid vande verdachte en dus ook de afdoening, nogal toenemen als de verdachteweet wat de politie weet en als hem concreet, nog net niet in de tekst vaneen concept-tenlastelegging, in een tekst wordt meegedeeld in welktijdvak, op welke locatie, en met welk slachtoffer welk misdrijf hem wordtverweten. Dan mag je erbij zeggen dat je aan waarheidsvinding doet endat je er nog niet zeker van bent, maar dat daar nu de verdenking ligt. Devraag aan de Minister is dus om te reflecteren op hoe de bepalingpraktisch moet worden ingevuld in de visie van de regering.Dan kan ik niet anders dan een volgend onderwerpje noemen. Ik kan nietanders, omdat het mijn lievelingsonderwerp is, namelijk procesafspraken.Ik zal het heel kort houden, want ik weet allang dat de procesafsprakenonderwerp zijn van een ander wetgevingstraject. Maar ik wil ze om devolgende reden wel noemen. NSC heeft al meteen gezegd: wij vinden dater een wettelijke basis moet komen voor de procesafspraken. We wetenook dat er geluiden uit de praktijk komen die zeggen: laat ons hier noumaar eens een beetje oefenen en uitvogelen waar precies een behoefteaan is, voordat we komen met zo’n wettelijke basis. Mijn vraag aan deMinister is of die volgorde ingegeven is door het gegeven dat wij allemaalte lui zijn om nu meteen die wettelijke basis op te nemen, of dat er omprincipiële redenen gewacht wordt op hoe men in de komende jaren in depraktijk oefent, voor men komt tot de formulering van een wettelijke basis.In dat laatste zie ik namelijk het nadeel dat als je te lang wacht, je alleenmaar gaat zitten codificeren, en dus helemaal niet de wettelijke basiscreëert die in ieder geval NSC voor ogen staat. De vraag is dus omreflectie op dit onderwerp.Dan over de noodzaak van het terugbrengen van voorlopige hechtenis. Decollega’s hebben hier al van alles over gezegd. Ik kan niet anders danzeggen: ik ben groot voorstander van alle maatregelen die neerkomen ophet terugbrengen van voorlopige hechtenis. Ik denk meteen ook al aan deonuitstaanbare situatie dat straffen niet geheel ten uitvoer worden gelegd,simpelweg omdat de aanslag op de capaciteit van de p.i.’s te groot is. Dathangt direct samen met de mate van voorlopige hechtenis, want daar kanje geen drie dagen korting op geven; die mensen blijven gewoon zitten.Dus ik vind alles prettig wat ertoe strekt dat voorlopige hechtenis alsinstrument teruggebracht wordt tot een ultimum remedium, alleen inuitzonderlijke, noodzakelijke gevallen.Hieraan is de vraag gekoppeld of de regering in wil gaan op de kosten diegemoeid zijn met het instellen van een grootschalig enkelbandregime,afgezet tegen de kosten die voorlopige hechtenis met zich brengt, die€ 435 of € 438 die meneer Sneller eerder vandaag noemde. Is eenenkelbandje niet veel goedkoper en veel passender voor alle gevallenwaarin voorlopige hechtenis op dit moment wordt toegepast, behalve alsje het hebt over mensen die een gevaar opleveren voor de maatschappij?De voorzitter:Dank u wel. De heer Sneller heeft nog een vraag voor u.De heer Sneller (D66):Een hele korte vraag. Alles?De heer Koops (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5434 Dat is zo’n cryptisch woord.De heer Sneller (D66):De heer Koops zegt: ik steun alles wat voorlopige hechtenis terugbrengt.Moet ik zijn naam onder al mijn amendementen zetten? Komen er nogmeer amendementen van hem?De heer Koops (NSC):De heer Sneller tracht mij hier enige toezeggingen dan wel definitievestandpunten over elk van zijn moties te ontlokken. Al hetgeen ik hiervoorheb gezegd, komt daar niet op neer. In zijn algemeenheid is het weldegelijk zo dat ik niet onwelwillend sta tegenover alles wat voorlopigehechtenis terugbrengt. Dat is even de stand van zaken hier. Dat is deachtergrond van mijn vraag naar de enkelband.De voorzitter:Dank u wel. U heeft nog een vraag van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Het zou in dit debat helemaal niet passen om dat soort trucjes tegebruiken. Ik wilde alleen het volgende vragen. De heer Koops zegt in zijneigen inbreng heel stellig dat hij alles steunt. Nu nuanceert hij het. Ik wasgewoon benieuwd of er nog voorstellen komen of dat hij zegt dat we heter bij Boek 2 uitgebreider over moeten hebben. Ik was dus meer op zoeknaar uitweiding op het onderwerp dan dat ik de heer Koops wilde vangenop zijn definitieve steun.De heer Koops (NSC):Dat was een prettige en nuttige aanvulling. Daar heeft de heer Snellernatuurlijk gewoon helemaal gelijk in. Ik beraad me erop om er bij debehandeling van Boek 2 op terug te komen. Ik heb zelf zeer zeker het ideedat die enkelband nuttig is, maar voor vandaag beperk ik me nadrukkelijktot de vraag hoe de regering aankijkt tegen het invoeren van eenenkelband om voorlopige hechtenis te voorkomen. Ik durf wel tegen deheer Sneller te zeggen dat alles wat zag op de voorlopige hechtenis en nual bij wijze van amendement of motie wordt ingebracht met de grootstmogelijke zorgvuldigheid zal worden bekeken in mijn fractie. Dat kan ikhier wel zeggen.De voorzitter:Mevrouw Bikker had ook nog een vraag.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ja, ik wil ook ingaan op de voorlopige hechtenis. Ik heb zelf ook getwijfeldof ik het nu wel of niet ga inbrengen in dit eerste, meer algemene debat,omdat ik juist ook zie dat de Nederlandse situatie in algemene zin langetijd meer een soort voorschotje op de straf was. We zijn nu helemaal naarde andere kant gependeld. Je ziet nu juist dat het veel vaker wordttoegepast. Die balans moeten we volgens mij weer gaan hervinden. In diezin was ik wel benieuwd of NSC met voorstellen gaat komen om diebalans te hervinden. Dat kan dus ook gebeuren in het volgende debat,over Boek 2. Of heeft u dingen nodig van de regering om te bekijken hoewe die balans beter kunnen vinden? Daarover hebben we een anderevorm van procesafspraken.De heer Koops (NSC):Mevrouw Bikker constateert precies wat ik doe. Als het antwoord op devraag over de enkelband er aanleiding toe geeft, dan komt er wel degelijkeen concretisering van wat nu nog een vraag is, en gaan we er gewoonecht wel iets mee doen. Maar dat is nadrukkelijk niet vandaag. Ik vraag deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5435 regering ook niet om een appreciatie te geven van het amendement dat ikheb voorgesteld. Ik hoop dat men dit amendement wil zien als eenstartpunt. In de formulering en het doorzetten ervan zal ik ook nadrukkelijkbetrekken wat naar voren wordt gebracht door meneer Knigge. Dat wildeik erover zeggen. Ik wilde er dus niet op vooruitlopen met een appreciatie.De voorzitter:Hartelijk dank. U was over de spreektijd heen die u heeft opgegeven. Heeftuw betoog nog afrondende punten?De heer Koops (NSC):Ik weet dat ik nu door zou mogen gaan. Als u mij dat toestaat, blader iknog één keer mijn stuk door. Hier laat ik het bij. Dank u wel, meneer devoorzitter.De voorzitter:Ik dank u hartelijk voor uw inbreng. Daarmee zijn we aan het eindegekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik dank uhartelijk voor een zeer inhoudelijk debat.Hoelang hebben de bewindspersonen nodig voor de beantwoording?Toch wel eventjes, denk ik. Zullen we het samenvoegen met de lunch-pauze? Zou 13.15 uur voor u kunnen? Oké. Ik schors tot 13.15 uur. Tot dan!De vergadering wordt van 12.18 uur tot 13.17 uur geschorst.De voorzitter:Dames en heren, hartelijk welkom terug bij dit wetgevingsoverleg. We zijnaangekomen bij de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Onzespeciale gast, de regeringscommissaris, zal ook vragen van technischeaard beantwoorden. Over een halfuur zal ik weer schorsen voor deherdenking van de Holocaust.Het woord is aan de bewindspersonen. Ik zou de leden vijf interruptieswillen geven in deze eerste termijn. Denk een beetje aan de lengtedaarvan, als het kan. De bewindspersonen zullen ongetwijfeld beginnenmet een introductie. Laten we die even afwachten voor we vragen stellen.Het woord is aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Diefstal, moord en doodslag zijn van alle tijden. Ik denk aan dediefstal van de Mona Lisa uit het Louvre begin vorige eeuw of aan deraadselachtige moord op de Amsterdamse advocaat Jacques Wijsman in1921. Dat was toen sensationeel nieuws. Aan het begin van 2025 is hetniet anders, zeg ik nu met de barbaarse roof in Assen in gedachten. Maarde achtergrond waartegen dat alles toen gebeurde, was compleet andersdan nu. Alles was nog tastbaar en lokaal, ook de criminaliteit. Digitali-sering was nog ver weg, slechts een enkeling had een telefoon thuis en demeeste mensen kwamen nooit hun eigen dorp of stad uit. Dat was dewereld waarin het huidige Wetboek van Strafvordering in 1926 hetlevenslicht zag. De gestage papieren informatiestroom van toen isinmiddels een kolkende digitale zee geworden. Criminaliteit is internati-onaal en digitaal gegaan, en is sneller, meer fluïde en ongrijpbaarder danooit tevoren.Er is dus een dringende noodzaak voor een nieuw, eigentijds Wetboek vanStrafvordering; een modern wetboek, dat zowel op het terrein van derechtsbescherming als op het terrein van de criminaliteitsbestrijding biedtwat er nodig is in deze tijd. De voortdurend bewegende samenleving iseen gegeven. Daarmee heeft niet alleen de strafrechtspraktijk, maar ookde wetgever te maken. Je hebt nog geen punt gezet of de buitenwereldziet er alweer anders uit. De afgelopen 100 jaar volgde aanpassing opaanpassing. Alweer bijna een kwart eeuw geleden spraken de hooglerarenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5436 Knigge en Groenhuijsen – ze werden beiden al genoemd – in het eersterapport van het onderzoeksproject Strafvordering 2001 al over «eenoerwoud aan incidentele wettelijke voorzieningen en jurisprudentiëleoplossingen die elkaar voortdurend verdringen en overwoekeren». Wijweten allemaal: dat heeft daarna nog flink doorgewoekerd. We hebbendus een grote slag te maken. Het moet helder en overzichtelijk. Het moetmodern en het moet met de tijd mee kunnen.Vandaag is het eerste wetgevingsoverleg in een reeks. Dit is de grootstewetsbehandeling op het terrein van Justitie en Veiligheid in dezekabinetsperiode. Dat kunnen we nu al zeggen. Deze tijdsinvestering doetrecht aan het belang van het nieuwe wetboek. Een actueel Wetboek vanStrafvordering waarin de regels over opsporing, vervolging en berechtingzijn neergelegd, is een onmisbaar element in een democratischerechtsstaat. Artikel 107 van de Grondwet bevat de codificatieopdracht. Hetdraagt de wetgever op om onder andere het strafprocesrecht in eenalgemeen wetboek te regelen. Met het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering zullen we weer adequaat voldoen aan deze grondwettelijkeinspanningsplicht. Regeling in een algemeen wetboek garandeert immersde toegankelijkheid van het strafprocesrecht en bevordert de voorspel-baarheid en de toepassing daarvan voor de burger. Verder bevordertregeling in een algemeen wetboek de onderlinge samenhang en dekwaliteit van de regels van het strafprocesrecht. Dat zijn in een democra-tische rechtsstaat belangrijke waarden.Het nieuwe Wetboek van Strafvordering moet ervoor gaan zorgen datburgers ook straks goed beschermd zijn, dat verdachten op correcte wijzeopgespoord en berecht worden en dat daarbij recht wordt gedaan aan debelangen van slachtoffers. Het zorgt ervoor dat alle partijen die betrokkenzijn bij de opsporing, vervolging en berechting – dat zijn dus de politie, hetOpenbaar Ministerie, de rechtspraak, de advocatuur en ook anderepartijen – hun belangrijke werk nog beter kunnen gaan doen.Niet te overschatten is het belang van intensieve samenwerking met deorganisaties in de strafrechtketen. Dat zijn de toekomstige gebruikers vanhet nieuwe wetboek. Die samenwerking heeft bijgedragen aan deuitvoerbaarheid van het nieuwe wetboek en het draagvlak daarvoor. Ik wilvandaag graag mijn grote dank uitspreken, mede namens de Minister,voor alle inspanningen die de organisaties in de strafrechtketen hebbengeleverd bij de voorbereiding van het nieuwe wetboek, en ook vooruit-kijkend, voor wat ze nog allemaal gaan doen bij de implementatie ervan.Het kabinet voert daarbij actief regie op de voorbereidingen van allebetrokken organisaties voor 1 april 2029, de dag waarop het nieuwewetboek in werking moet treden.Dat brengt mij bij het wetgevingsprogramma voor het nieuwe wetboek.Het nieuwe wetboek wordt door verschillende wetsvoorstellen tot standgebracht in verschillende sporen, zoals beschreven in de tiende voort-gangsrapportage. Ik volsta met op te merken dat het wetsvoorstelwaarvan de mondelinge behandeling vandaag start, de eerste vaststel-lingswet, veruit de belangrijkste is. Het bevat de eerste zes Boeken van hetnieuwe wetboek, die inhoudelijk zijn vernieuwd. De tweede vaststel-lingswet, waarin de Boeken 7 en 8 technisch zijn omgezet uit het huidigerecht, completeert het wetboek. We zijn ermee ingenomen dat beidewetsvoorstellen bij de mondelinge behandeling worden betrokken.Daarnaast bestaat het wetgevingsprogramma nog uit aanvullingswettenen een invoeringswet. Via de aanvullingswetten vinden op onderdelennog aanvullingen op en wijzigingen van het nieuwe wetboek plaats, zoalsneergelegd in de vaststellingswetten. De eerste aanvullingswet willen wein het eerste kwartaal van dit jaar aan de Raad van State voorleggen vooradvies. Het is belangrijk dat, behalve de eerste en de tweede vaststel-lingswet, ook de eerste aanvullingswet in ieder geval voor april 2026 doorde Tweede Kamer is behandeld en aanvaard, zodat de implementatie-termijn van drie jaar met inwerkingtreding per 1 april 2029 wordt gehaald.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5437 In de eerste aanvullingswet zijn overigens ook de nodige wensen van deTweede Kamer uit de verslagen van schriftelijke overleggen verwerkt.Vandaag verdedigen de Minister van Justitie en Veiligheid en ik samen hetwetsvoorstel voor het nieuwe wetboek, daarbij ondersteund door deregeringscommissaris voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering,professor Knigge. Ik noemde hem net al. Van ons allen is hij veruit hetlangst met deze materie bezig. Onze rolverdeling zien de Minister, deregeringscommissaris en ik als volgt voor ons. Vandaag trap ik af alsprimair verantwoordelijke voor het nieuwe Wetboek. De Ministerbeantwoordt daarna de vragen op zijn terrein, te weten: het opsporings-onderzoek en de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie. Deregeringscommissaris zal ons bijstaan bij de beantwoording van vragenover de systematiek en de techniek.Wij zijn professor Knigge bijzonder erkentelijk dat hij ons als regerings-commissaris met zijn grote strafrechtelijke expertise ook bij de monde-linge behandeling hier in de Kamer terzijde staat. Ik ben ook de vastecommissie voor Justitie en Veiligheid van de Kamer en in het bijzonder detwee rapporteurs, de heer Ellian, hier aanwezig, en mevrouw Helder,mede namens de Minister zeer erkentelijk voor al hun inspanningen. Demanier waarop de mondelinge behandeling door de rapporteurs en decommissie is voorbereid, dwingt respect af. Die voorbereiding stelt deTweede Kamer in staat haar rol als medewetgever optimaal te vervullen.We gaan dan ook met genoegen het debat over het nieuwe wetboek met uaan.Voorzitter. Voor ik de door uw Kamer gestelde vragen beantwoord, ga iknog één keer terug in de tijd. In de memorie van toelichting van hethuidige Wetboek van Strafvordering over de uitgangspunten las ik: «Eengoed ingericht strafproces moet zooveel mogelijk bevorderen detoepassing van de strafwet op den werkelijk schuldige en tevens deveroordeeling, kan het zijn, de vervolging, van den niet-schuldige naarvermogen verhinderen.» De schuldige veroordelen en de onschuldigebeschermen: daar gaat het om. En, voeg ik eraan toe, het gaat om rechtdoen aan de belangen van het slachtoffer.Voorzitter. Onze wereld is voortdurend aan verandering onderhevig, maarde beginselen van onze democratische rechtsstaat staan fier overeind.Laat ons rechtsgevoel en de rechtsbescherming onaangetast en puurblijven. En laat ons gesprek over het nieuwe Wetboek van Strafvorderingdaarvan doordrongen zijn. Onder dat gesternte begin ik graag aan debeantwoording.Dat doe ik in de volgende volgorde. Veel onderwerpen van vandaag zittenin mijn portefeuille. Ik zal beginnen enige aandacht aan de beginselen tebesteden. Dan kom ik op de beweging naar voren en vervolgens op derechtsbijstand. Dan kom ik op de positie van het slachtoffer, in verbandmet mediation en herstel. Dan heb ik een aantal algemene onderwerpenover Boek 1, een soort restcategorie, gevolgd door digitalisering enimplementatie en uitvoering.Ik begin met het eerste blokje, over beginselen. Dan gaat het eigenlijk overde vraag van mevrouw Bikker, namelijk waarop het strafrecht en destrafvordering gericht zijn. De vraag is of het niet meer recht zou doen omvoorafgaand aan de positie van het slachtoffer, de voornaamste rol entaak van het strafrecht, namelijk normering, en ook van de strafvorderingvast te leggen. In het wetboek worden de rechten van de burgers en debevoegdheden van de overheid vastgelegd. Het is minder passend enmisschien ook niet nodig om de doelstellingen van het strafprocesrecht inde tekst van deze wet vast te leggen. De memorie van toelichting isdaarvoor de juiste plaats. Aan het begin van de memorie van toelichting isbenadrukt dat het strafproces een tweeledige doelstelling heeft. Enerzijdshet toepassen van de strafwet op de werkelijke schuldige en anderzijdshet eerbiedigen van de rechten en vrijheden van de verdachte. Dat is detweeledige doelstelling van het strafproces.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5438 De beginselen die in de eerste artikelen van het nieuwe wetboek zijnopgenomen, doen op geen enkele wijze afbreuk aan het algemene belangvan bestraffing van degene die de strafwet hebben overtreden. Onderdeeldaarvan is dan ook de normbevestigende werking die daarvan uitgaat. Datfundamentele belang heeft daarom aan het begin van de memorie vantoelichting een prominente plek gekregen.Ik kom op de beweging naar voren.De voorzitter:Maar mevrouw Bikker maakt ook een beweging naar voren, want zij heefteen vraag.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik begrijp die weging, ook in de zoektocht naar wat je nou prononceert indie eerste definiërende bepalingen en naar wat eigenlijk overkoepelend isvoor het gehele strafrecht. Ik denk dat je zou kunnen zeggen: dat geldtvoor het geheel. Tegelijkertijd is er wel bewust voor gekozen om tenaanzien van het slachtoffer te verklaren dat strafvordering plaatsheeft opeen wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer. Ik zat ergensop de weging van het geheel. Ik vind het in ieder geval goed voor dewetsgeschiedenis dat de Staatssecretaris het hier zo helder uitlegt. Maarvoelt hij met mij mee dat je, als je de wet leest – de burger wordt geachtde wet te kennen – voor je het weet die overkoepelende uiting zou kunnenverliezen in het geheel? Daar zit mijn zorg. Het gaat dan om het algemenebeginsel dat we ook als samenleving juist vragen om recht te doen, nietalleen gericht op het slachtoffer, maar op het geheel.Staatssecretaris Struycken:Ik herken het gevoel dat het opportuun is om dat overkoepelende themaniet uit het oog te verliezen. We hebben het vandaag over het Wetboekvan Strafvordering. Dan rijst al snel de meer specifieke vraag wat hetoverkoepelende thema dat aan het hele strafrecht en de strafvorderingtezamen ten grondslag ligt, meer specifiek betekent voor het Wetboek vanStrafvordering. Dat krijgt al snel een uitwerking die de charme van eenoverkoepelende doelstelling verliest. Het zou misschien beter in hetWetboek van Strafrecht passen.Een ander deel van mijn antwoord zou kunnen zijn dat het vermelden vande positie van het slachtoffer in zekere zin een reflectie is van iets watnieuw is, want honderd jaar geleden was dat nog volstrekt niet aan deorde. Toen was het slachtoffer niet in beeld. In zoverre kan je artikel 1.1.4zien als een reflectie van een nieuw tijdsbeeld, ook op basis van wat er inde Europese Unie tot ontwikkeling is gebracht. Daarmee is het beeldwellicht wat incompleet, maar het is nog best een uitdaging om te komentot een formulering die toegevoegd zou kunnen worden aan het Wetboekvan Strafvordering, die aan de algemene overkoepelende thematiek rechtdoet, maar wel specifiek met betrekking tot de procedure van strafvor-dering. Ik denk dat u de fantasie van de regeringscommissaris wel heeftgeprikkeld. Wie weet ligt er nog iets moois in het verschiet in de aanvul-lingswet, maar dit is geen toezegging.De voorzitter:U heeft nog een vraag, mevrouw Bikker?Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Kort en puntig, voorzitter. Ik moedig hem daar graag toe aan.Staatssecretaris Struycken:Hartstikke mooi, maar de regeringscommissaris daartoe aanmoedigen isniet nodig. Dat gaat vanzelf goed, heb ik ontdekt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5439 De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:Een heel centraal thema is de beweging naar voren. Ik maak watalgemene opmerkingen en kom dan op uw vragen. Het wetsvoorstelbevat verscheidene voorstellen, die allemaal terug te voeren zijn op debeweging naar voren. Ik hoorde vandaag ook «de vlucht naar voren»; datheeft een zekere connotatie. Ik houd het bij de beweging. Voordat ik devragen hierover beantwoord, enkele opmerkingen over de bedoelingdaarvan, waarbij ik ook tracht om misverstanden weg te nemen. Door deopheffing van de pro-formazitting uit de huidige strafvordering sluit hetonderzoek op de terechtzitting beter aan op het vooronderzoek en wordtook meer recht gedaan aan de functies van beide soorten onderzoek, hetvooronderzoek en het onderzoek op de terechtzitting. Tijdens hetvooronderzoek krijgt de rechter-commissaris meer armslag. De verde-diging heeft langer en ononderbroken de gelegenheid om de rechter-commissaris te benaderen met onderzoekswensen.De introductie van de procesinleiding, waarmee de zaak gefaseerd bij derechter zou worden aangebracht, bevordert dat de berechting beter wordtvoorbereid. De zittingsrechter krijgt meer mogelijkheden regie te voerenen ook in deze fase heeft de verdediging meer tijd om zich voor tebereiden op het onderzoek op de terechtzitting, bijvoorbeeld om getuigenop te geven die zij wil verhoren. In samenhang leiden deze voorstellen toteen systematisch sterker wetboek. Ze dragen bij aan een beter voorbe-reide vervolgingsbeslissing en aan een beter voorbereide inhoudelijkebehandeling van de strafzaak. De voorstellen stimuleren dat onderzoek zoveel mogelijk voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling gebeurt enbieden handvatten aan de rechter, de officier van justitie en de verde-diging om de voortgang en het verloop van de strafzaak te beïnvloeden.Daarmee kom ik op het eerste hardnekkige misverstand. In sommigereacties op het wetsvoorstel en ook in de positionpaper van de Neder-landse orde van advocaten wordt kennelijk uitgegaan van de veronder-stelling dat de beweging naar voren meebrengt dat verdachten al in eenveel eerder stadium actief moeten zijn met hun verdediging. De verdachtemoet echter in geen enkel opzicht eerder in actie komen dan in hethuidige recht. De voorschriften die met de term «beweging naar voren»worden aangeduid, faciliteren slechts dat de verdachte desgewensteerder, dat wil zeggen voorafgaand aan de terechtzitting, met onderzoeks-wensen kan komen. Wellicht heeft de veronderstelling dat de verdachteveel eerder actief moet worden, postgevat doordat in een eerder stadiumbij de voorbereiding van het wetsvoorstel wel is geopperd dat inactiviteitin een vroeg stadium bestraft zou worden, dat als de verdediging niet ineen vroeg stadium zou aangeven welk onderzoek zij wenst, de kansdaarop verkeken zou zijn. Maar daarvan is dus geen sprake. Het nieuwewetboek biedt wel meer mogelijkheden voor vroegtijdige inbreng van deverdediging. Maar de verdediging móét dat niet. Bij de beantwoordingvan diverse vragen zal ik daarop nader ingaan.Een tweede misverstand dat ik wil wegnemen, is dat het wetboek niet kanwerken zonder een forse uitbreiding van de rechtsbijstand, die nu al tekortzou schieten. Ook hier past een nuancering. Een verdachte die invoorlopige hechtenis zit, wordt ook nu al bijgestaan door de raadsman diede verdachte vanwege de voorlopige hechtenis toegewezen heeftgekregen. Dat blijft uiteraard zo. Een verdachte die op vrije voeten is ofeen verdachte die na de aanhouding weer in vrijheid is gesteld, krijgt nuvolgens het huidige beleid, behoudens uitzonderingen, pas eentoevoeging als er een dagvaarding is uitgebracht. Op deze hoofdregelworden nu wel al enige uitzonderingen gemaakt, bijvoorbeeld als sprakeis van een onderzoekshandeling van de rechter-commissaris waarbijrechtsbijstand van substantiële aard noodzakelijk is, maar nu heeft eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5440 verdachte in beginsel nog geen rechtsbijstand in de onderzoeksfase. Ikben voornemens om het huidige beleid te wijzigen en om ook mogelijk temaken dat verdachten op vrije voeten eerder al, voor het moment vanindiening van de procesinleiding, een toevoeging kunnen aanvragen. Datzie ik als een logisch onderdeel van de beweging naar voren in het nieuwestelsel van strafvordering.De voorzitter:U heeft een vraag van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ervan uitgaande dat de Staatssecretaris hier nog nader op ingaat, heb ikwel even een korte reactie. Ik hoor twee dingen. In de eerste plaats hoor ikdat de Staatssecretaris het misverstand wegneemt, wat overigens ookwerd geopperd door de Nederlandse orde van advocaten, dat deineffectiviteit in het begin later in de procedure gevolgen zal hebbenomdat de verdediging eventueel geen toestemming krijgt om bepaaldeverzoeken in te dienen. Ik hoor dus goed – voor de Handelingen lijkt medat wel verstandig – dat de bewindspersoon zegt: dat is geenszins aan deorde? Dat kan ik me namelijk niet voorstellen. Een van de vragen die ikhad, was: wat doet dit met de verdediging? Kan de Staatssecretarisuitleggen in welke gevallen wel en in welke gevallen niet de verzoekenvan de verdediging tijdens de zittingsfase worden gehonoreerd? Ik wildaar duidelijkheid over zodat dat goed in de Handelingen staat. In mijnbeleving kan ik weer twee kanten op, maar misschien heb ik het verkeerdbegrepen.Staatssecretaris Struycken:Dit is een cruciale vraag, die ik onmiddellijk zal beantwoorden. De stellingdat de beweging naar voren een extra risico inhoudt voor de verdedigingklopt naar mijn inschatting niet. De verdediging kan ook later in het proceseen verweer voeren of om onderzoek vragen. Wat het nieuwe wetboekdoet, is stimuleren dat de verdachte zich vroegtijdig bewust is van zijnverdedigingsrechten, waaronder ook onderzoeksrechten, en daarvangebruik kan maken. De verdediging kan vanaf het eerste verhoor van deverdachte tot aan de aanvang van het onderzoek op de terechtzittingonafgebroken verzoeken tot nader onderzoek indienen bij de rechter-commissaris. Ook kan de verdachte vanaf de indiening van de procesin-leiding een verzoek richten aan de voorzitter van de rechtbank, bijvoor-beeld om getuigen te doen oproepen. En dan komt het. De keuze om pasin een laat stadium onderzoekswensen te doen terwijl dit ook al eerderhad kunnen worden gedaan, zou wel consequenties kunnen hebben. Maardit wordt niet anders door de beweging naar voren, want ook nu, net alsin het huidige wetboek, bestaat de regeling uit een ruimhartig verdedi-gingsbelangcriterium voor verzoeken die in de voorbereiding op deterechtzitting worden gedaan en een strenger noodzaakcriterium voorverzoeken die pas tijdens het onderzoek op de terechtzitting wordeningediend. Wat de nieuwe regeling doet, is verduidelijken wanneer welkcriterium van toepassing is. Of een verweer of een verzoek in een laatstadium ook wordt gehonoreerd, hangt af van de omstandigheden die totdat verzoek of verweer aanleiding gaven. Daarbij zal de rechter uiteraardin de gaten moeten houden of is voldaan aan de vereisten die op grondvan artikel 6 EVRM aan een eerlijke berechting worden gesteld.Voorzitter. Ik stel voor dat ik op dit punt de regeringscommissaris degelegenheid geef om dit cruciale punt verder toe te lichten.De voorzitter:Aan u het woord.De heer Knigge:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5441 Dank u wel. Zoals de Staatssecretaris al heeft gesteld, is die gedachte ineen eerder stadium wel opgekomen. Het heeft denk ik ook in de contou-rennota gestaan die destijds aan de Tweede Kamer is gepresenteerd.Maar mede na kritiek vanuit de praktijk en met name de advocatuur isuitdrukkelijk afstand genomen van die gedachte en is daarop terugge-komen. Als je een getuige bij de rechter-commissaris had kunnen horenen je daar pas vlak voor de zitting mee komt, dan was de gedachte datzo’n verzoek strenger zou worden beoordeeld dan op grond van hetbestaande wetboek. Zoals gezegd is die gedachte geheel losgelaten. Als ude criteria voor verzoeken die tijdig voor de zitting zijn gedaan op basisvan artikel 263 uit het Wetboek van Strafvordering vergelijkt met dehuidige criteria voor verzoeken die binnen een maand na het uitbrengenvan de procesbegeleiding zijn ingediend, dan ziet u dat daar geenverandering in is gekomen. Het feit dat je die verzoeken misschien eerderhad kunnen doen en dat je had kunnen vragen of er bij de rechter-commissaris al is overgegaan tot het horen van de getuigen, is geenargument meer om het verzoek af te wijzen.De voorzitter:Hartelijk dank.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dit lijkt mij een goede verduidelijking, net zoals de verduidelijking die deStaatssecretaris net gaf ten aanzien van het gebrek aan rechtsbijstand inde vroege fase, wat een probleem zou kunnen vormen voor de verdachtedie nog op vrije voeten is. Ik hoor hem volgens mij heel nadrukkelijk enduidelijk aangeven dat die vervroeging van het recht op gesubsidieerderechtsbijstand er voor dit soort verdachten komt. Heb ik dat goedbegrepen?Staatssecretaris Struycken:Dat is juist. Ik zal daar straks nog wat extra woorden aan wijden in hetlicht van de andere vragen die over de rechtsbijstand zijn gesteld.Ik ga verder met de vraag die hier nauw verband mee houdt. Dat was devraag van onder anderen de heer Van Nispen, over het kennisnemen vande processtukken en het advies van de Raad van State. Het is inderdaadcruciaal dat de verdachte tijdig op de hoogte wordt gesteld van zijnverdedigingsrechten, zodat hij daar adequaat gebruik van kan maken. Deadviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State die de heerVan Nispen noemt, zijn overgenomen. De verdachte wordt voorafgaandaan zijn eerste verhoor in kennis gesteld van zijn recht op kennisnemingvan de processtukken. Dat is artikel 1.4.4, derde lid, onder c. Dat geldt ookvoor de verdachte die niet is aangehouden, maar wordt uitgenodigd voorverhoor. Datzelfde geldt voor het recht om de rechter-commissaris teverzoeken onderzoek te verrichten, volgens hetzelfde artikel, derde lid,onder e. Hiermee is tegemoetgekomen aan de adviezen van de Raad vanState en is bewerkstelligd dat de verdachte adequaat gebruik kan makenvan zijn verdedigingsrecht.Dit brengt mij...De voorzitter:... bij een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Die heeft niet zozeer betrekking op het laatste. Ik wil het toch nog evenhebben over het vorige punt, over die beweging naar voren. De Staatsse-cretaris zal ongetwijfeld nog nader ingaan op de rechtsbijstand. Maar ikwil de volgende vraag nu toch stellen. Ik hoop dat ik me helder kanuitdrukken en mijn eigen gedachten kan volgen. Dat is ook nog weleenseen probleem. Als de beweging naar voren de hele gedachte is en erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5442 gestimuleerd wordt dat onderzoekswensen vroegtijdig kenbaar wordengemaakt – vanuit de kant van het Openbaar Ministerie is dat natuurlijk deopsporing, maar ik heb het ook over de verdediging – dan is het toch ookwenselijk dat de verdediging daar zo goed mogelijk toe in staat wordtgesteld? Het kan zo zijn dat er niet zozeer een sanctie voor staat, dus dathet niet wordt afgestraft als je dat niet tijdig hebt gedaan, maar het kanwel leiden tot een cultuur van: we hebben de zaak bijna panklaar, dus haddat nou maar eerder gezegd. Ik vrees er dus toch een beetje voor als datde cultuur wordt, want dat kan ook in hoofden gaan zitten. Het kan weldegelijk leiden tot een wellicht minder welwillende houding bij het alsnogtoestaan ervan. Maar nog los daarvan is het toch ook wenselijk dat je deverdediging dan meer in die positie brengt? Dat stimuleert namelijk ookde beweging naar voren die je met elkaar wil, zodat de zaak inderdaadpanklaar is op zitting. Het misverstand, als dat er al was, wordt danmisschien weggenomen. De vraag is toch veel meer: kan er dan niet meergedaan worden om die beweging naar voren tot een succes te maken? Inpositieve zin kan dat door meer te doen aan het versterken van deverdediging en het vroegtijdig verstrekken van rechtsbijstand.Staatssecretaris Struycken:Het stelsel dat we voor ogen hebben en zoals het nu is neergelegd in Boek1, is er helemaal op gericht om dat te faciliteren, in alle opzichten, zekerook met de opmerking die ik heb gemaakt inzake meer gesubsidieerderechtsbijstand. Het stelsel is erop gericht de verdachte en zijn raadsman tefaciliteren door onderzoekswensen eerder te uiten, hen eerder teinformeren en hen eerder kennis te laten nemen. Daarmee is dit wetboeker vooral op gericht om dat onderzoek voorafgaand aan de terechtzittingzo volledig mogelijk te laten zijn en dat te faciliteren. Echter, dat is dan welzonder dat er straffen komen te staan in de zin van sancties of ernstigegevolgen, meer dan thans het geval is, wanneer de verdachte geengebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om bij te dragen aan eengrondiger, uitgebreider en completer vooronderzoek. Ik kijk nog even naarrechts, naar de regeringscommissaris.De voorzitter:Wil de regeringscommissaris nog wat zeggen? Nee? Goed. Dan is er tochnog een vraag van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Ja, omdat het wel een belangrijk punt is. De Staatssecretaris zegt aan deene kant: «De kans is niet verkeken. Er is geen harde sanctie.» Maar deheer Van Nispen had het terecht over het hele sentiment eromheen. Enrechters maken uiteindelijk toch een afweging of het wel of niet magworden ingebracht. Ik heb dan de volgende zoektocht. Hoe meer je zegt«het is zo belangrijk dat we het helemaal naar de voorkant halen, dus datgaan we faciliteren», hoe implicieter daar dan in zit dat het ook wenselijkis dat we het op een bepaald moment doen, want als je het later doet, danwordt de maatstaf ook wat hoger. Kan de Staatssecretaris dat gevoel nogwat meer inkleuren?Staatssecretaris Struycken:De intentie is dat het onderzoek voorafgaand aan de terechtzitting zo veelmogelijk wordt gefaciliteerd. Het is belangrijk dat dat onderzoek beter engrondiger wordt. De intentie is niet om de gevolgen van niet-meewerkenanders te laten zijn dan nu. Uiteindelijk is er altijd nog het vangnet van hetoordeel van de rechter en artikel 6 van het EVRM. Uiteraard zal het eenkwestie zijn van casuïstiek. Het zal afhangen van de keuzes die de rechtermaakt vanuit de overtuiging en het besef dat het recht op verdediginguiteindelijk in het kader van artikel 6 van het EVRM moet wordenbeoordeeld, alsmede de bepaling in de Grondwet, op termijn. Dat is hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5443 kader. Het is niet de intentie dat het recht wijzigt in die zin dat deverdachte daar gevolgen van ondervindt in de veelvoorkomende situaties.Ik geloof dat de heer Koops ook refereerde aan de neiging die bij veelverdachten bestaat om tot het allerlaatste moment af te wachten hoe dezaak zich ontwikkelt. Het stelsel wil faciliteren dat er eerder wordtmeegewerkt door dat op allerlei manieren mogelijk te maken, ook voor deverdachte. Dat is het uitgangspunt. Ik denk dat de risico’s die uw Kamerschetst uiteindelijk gering zullen zijn bij een zorgvuldige toepassing doorde rechter. Ze zullen uiteindelijk altijd beoordeeld worden in het licht vanhet fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, zoals ik al schetste.Ik kijk weer even naar rechts.De voorzitter:De regeringscommissaris.De heer Knigge:De Staatssecretaris heeft al heel veel gezegd. Ik ben inderdaad niet zobevreesd voor wat u schetst. Met de wens tot het faciliteren van heteerder doen van onderzoek is niet alleen de efficiency gediend, maar ookde kwaliteit van het strafproces als zodanig. Het kan voor de verdedigingzelf heel belangrijk zijn dat de getuigen al in een vroeg stadium aan detand gevoeld kunnen worden over de in haar ogen discutabele getuigen-verklaringen. Dat kan er misschien toe leiden dat er anders wordt beslistover een eventueel in te stellen vervolging. Als u een beetje weet hoe hetmenselijk geheugen werkt, dan weet u ook dat het van belang is omgetuigen zo vroeg mogelijk te kunnen bevragen en te kunnen doorvragenop hun verklaringen. Dat komt de betrouwbaarheid van die verklaringenten goede. Er zijn dus allerlei redenen, buiten de efficiency om, waaromhet goed is om te faciliteren dat er al in een vroeg stadium een confron-tatie kan plaatsvinden tussen de verdachte en de getuigen.Nogmaals, wat betreft de afwijzing van tijdig gedane verzoeken: daar isruim de gelegenheid voor gegeven. Een maand na het inbrengen van deprocesinleiding kan de verdachte om getuigen verzoeken. Dat is juist eenverschil met het huidige recht. Er is duidelijk een voorbereidingsfaseingebouwd, voordat de terechtzitting ingaat. Dat is juist een belangrijkonderdeel van de beweging naar voren. In die voorbereidingsfase kanzorgvuldig nagedacht worden over de onderzoekswensen. Er is nergensingebouwd dat een onderzoekswens niet gehonoreerd zou kunnenworden omdat die al eerder gedaan had kunnen worden. De Staatssecre-taris heeft al artikel 6 van het EVRM genoemd.In de praktijk is de belangrijkste categorie getuigen die de verdedigingverzoekt om te horen de getuigen à charge. Je hebt gewoon het recht omdie aan de tand te voelen, om die te ondervragen, op de terechtzitting. Netwerd het argument genoemd dat dat bij de rechter-commissaris ligt. Alsdat ondervragingsrecht niet is gerealiseerd, dan behoud je het recht omdat op de zitting te doen. Dat kan nooit een argument worden om eendergelijk getuigenverzoek af te wijzen. Ik zie die vrees dus niet. Er is weleen tendens in de procescultuur in Nederland om niet al te ruimhartig tezijn met het honoreren van getuigenverzoeken, maar dat staat los vandeze wettelijke regeling. Je zou eerder kunnen zeggen dat deze wettelijkeregeling dat de goede kant op probeert bij te sturen.De voorzitter:Goed. Hartelijk dank. We zijn bijna aangekomen bij de herdenking,mevrouw Mutluer. Als u een vraag stelt, krijgt u waarschijnlijk een heeluitgebreid antwoord en dan komen we te laat bij de herdenking. Heel kort.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik kan hier een losse motie over indienen, maar de angst bestaat voor eenstrengere beoordeling door de rechter. Wellicht is het een suggestie omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5444 bij de invoeringstoets mee te nemen hoe men hiermee omgaat, zodat dezorgen die wij hebben, kunnen worden weggenomen.Staatssecretaris Struycken:Het is een goede suggestie om hier bij de invoeringstoets specifiek naar tekijken.De voorzitter:Goed. Ik dank u hartelijk. Ik schors tot 15.10 uur voor de herdenking. Totdan.De vergadering wordt van 13.51 uur tot 15.10 uur geschorst.De voorzitter:Dames en heren, welkom terug bij dit wetgevingsoverleg, dat ik bij dezenheropen. We waren gebleven bij de eerste termijn van de zijde van hetkabinet. De Staatssecretaris had het woord. Ik zou hem ook graag hetwoord weer willen geven, als hij daartoe bereid is.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter, uiteraard. Wij waren ongeveer aangekomen bij mijn voorlopigeappreciatie van de amendementen die zien op, of verband houden met, debeweging naar voren.Ik begin met het amendement-Sneller op stuk nr. 15, inzake sancties optermijnoverschrijding. Dat is een belangrijk punt. Het amendement beoogteen sanctie op te leggen wanneer het Openbaar Ministerie nalaatprocesstukken tijdig te verstrekken of wanneer het Openbaar Ministerierechterlijke termijnstellingen negeert. De sanctie houdt huiselijk in dat destrafzaak nog niet mag starten, dus dat er nog geen procesinleiding komt.Dit amendement raakt heel fundamenteel aan het beoogde stelsel. Ik moethet ontraden, want het amendement pakt nadelig uit voor een verdachte.Met het indienen van de procesinleiding vangt de berechting aan envervalt de mogelijkheid om de kennisneming van bepaalde stukken aande verdachte te onthouden. Het moment van aanvangen van deberechting vormt dus een belangrijke waarborg voor de verdediging omte beschikken over alle processtukken. Het uitstellen ervan werkt juistaverechts. Ik zie dus niet in waarom de verdachte met de voorgesteldewijzigingen zou zijn geholpen.De toelichting op het amendement verwijst naar de positionpaper van deNederlandse orde van advocaten. Daarin wordt gesteld dat hetwetsvoorstel geen onderdelen bevat die in een voortvarende verstrekkingvan processtukken voorzien. Deze stellingname lijkt mij onjuist. Hetnieuwe wetboek verbetert het recht op verstrekking van processtukkenjuist op diverse punten. De regeling is erop gericht dat de verdachte vanafhet begin kan kennisnemen van de processtukken. Dit recht is tijdens hetopsporingsonderzoek niet onbeperkt. Als het belang van het onderzoek ditvereist, kan de officier van justitie de verdachte kennisneming vanbepaalde processtukken tijdelijk onthouden. Deze mogelijkheid totbeperking vervalt bij de indiening van de procesinleiding. Vanaf datmoment start de berechting en is de officier van justitie gehouden alleprocesstukken te overleggen. Nieuw is daarbij dat de verdediging daarniet om hoeft te verzoeken. Het moment van aanvangen van deberechting vormt dus een belangrijke waarborg voor de verdediging omte beschikken over alle processtukken. Het uitstellen daarvan werkt juistaverechts.De problemen die de orde signaleert, zijn al langer bekend en zijn vooralorganisatorisch van aard. Het spoedig leveren van processtukken wordtsoms bemoeilijkt door capaciteitsproblemen en achterstanden. In plaatsvan door wettelijke sancties, die de verdachte niet helpen en alleen totuitstel leiden, zijn deze problemen eerder te verhelpen door een beterTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5445 georganiseerd werkproces. Met name het realiseren van het digitalestrafdossier zal hierin verbetering kunnen brengen. Om deze redenenontraad ik het amendement op stuk nr. 15.Dat brengt mij bij het amendement op stuk nr. 16. Dat betreft verruimingvan de termijn voor het indienen van verzoeken met betrekking tot hetonderzoek op de terechtzitting, thans vier weken. Het amendement strektertoe dat die termijn wordt verlengd naar zes weken, en de heer Koopssuggereerde zelfs een termijn van twee maanden te kiezen. De toelichtingbij het amendement verwijst opnieuw naar een stelling van de Neder-landse orde van advocaten, namelijk dat de termijn zeer krap is. Determijn van vier weken waarbinnen verzoeken met betrekking tot hetonderzoek op de terechtzitting tot de voorzitter kunnen worden gericht,kan op verzoek van de verdediging door de voorzitter worden verlengd.Indien nodig kan dit meermaals. Bij het betekenen van de procesinleidingworden de processtukken door de officier van justitie meteen aan deverdachte verstrekt. De verdachte of zijn raadsman hoeft daar niet eerstom te verzoeken, zoals in het huidige recht. Dat is tijdswinst. Hetwetsvoorstel bevat daarmee juist mogelijkheden voor de verdachte omzich, veel ruimer dan in het huidige recht, voor te bereiden op deterechtzitting.Dit is het moment waarop ik zou willen voorstellen dat de regeringscom-missaris dit punt nog wat nader toelicht.De heer Knigge:Ja. Er is, denk ik – daar komt misschien ook misverstand vandaan – eenheel verschillende insteek van de wettelijke regeling op het punt vanonderzoekswensen voor de zitting. Het huidige recht knoopt aan bij dezittingsdatum. Het huidige recht gaat ervan uit – dat is ook zo – dat als dedagvaarding de deur uitgaat, de zittingsdatum vaststaat. De regeling isdan dat je een aantal dagen voor de zittingsdatum met je onderzoeks-wensen moet komen. Hoeveel tijd je hebt voor die onderzoekswensenhangt helemaal af van het moment waarop die dagvaarding wordtbetekend. Als dat kort voor de zitting is, heb je eigenlijk helemaal geen tijdmeer voor onderzoekswensen. Ik licht dat straks nog wat nader toe. Ja. Eris, denk ik – daar komt misschien ook misverstand vandaan – een heelverschillende insteek van de wettelijke regeling op het punt van onder-zoekswensen voor de zitting. Het huidige recht knoopt aan bij dezittingsdatum. Het huidige recht gaat ervan uit – dat is ook zo – dat als dedagvaarding de deur uitgaat, de zittingsdatum vaststaat. De regeling isdan dat je een aantal dagen voor de zittingsdatum met je onderzoeks-wensen moet komen. Hoeveel tijd je hebt voor die onderzoekswensenhangt helemaal af van het moment waarop die dagvaarding wordtbetekend. Als dat kort voor de zitting is, heb je eigenlijk helemaal geen tijdmeer voor onderzoekswensen. Ik licht dat straks nog wat nader toe.Het huidige recht knoopt niet aan bij de zittingsdatum, maar bij hetbetekenen van de procesinleiding. Op het moment van het betekenen vande procesinleiding staat de zittingsdatum nog niet vast. Die wordt pasvastgesteld als alle onderzoekswensen binnen zijn. Dat hoeft niet per se,maar het ligt voor de hand dat je daarop wacht. In ieder geval wordt dedatum zo mogelijk in overleg met de verdediging vastgesteld. In de regelzal er dus goed naar de verdediging worden geluisterd bij het vaststellenvan de zittingsdatum, zodat er ook voor de verdediging voldoende ruimteis om zich voor te bereiden op de zitting. Het is dus een fundamenteleverandering in procesvoering.Het wetsvoorstel zoals dat er nu ligt, stelt voor: een maand na hetbetekenen van de procesinleiding, plus, als de verdediging in het gedrangzou komen, bijvoorbeeld als het een heel ingewikkeld dossier zou zijn, demogelijkheid om aan de voorzitter van de rechtbank een verlenging vande termijn te vragen. Dat kan zelfs herhaaldelijk gebeuren. Die soepelheidzit dus ingebakken in de wettelijke regeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5446 Dan kijk ik nu naar hoe het op dit moment is geregeld in artikel 263 vanhet Wetboek van Strafvordering. De hoofdregel is dat verzoeken omgetuigen te horen tien dagen voor de zitting moeten worden gedaan. Alsje dat terugrekent, betekent dat in de praktijk dat het bepalen van dezittingsdatum ongeveer zes à zeven weken voor de zitting plaatsvindt.Recente navraag heeft geleerd dat de dagvaarding dan vier à vijf wekenvoor de zitting de deur uitgaat. Dan is ze nog niet betekend, maar gaat zede deur uit. In het gunstigste geval, bijvoorbeeld in het geval van eengedetineerde verdachte, verloopt dat betekeningsproces vrij snel. Driedagen later heeft de dagvaarding de verdachte en ook zijn raadsman danwel bereikt. Als de verdachte niet vastzit maar op vrije voeten is, kan hetveel langer duren voordat een geldige betekening is gerealiseerd of inieder geval de betekening is gerealiseerd dat de verdachte van diedagvaarding op de hoogte is gekomen.De wet zegt dus: tien dagen voor de zitting tot vier dagen voor de zitting.Als je ervan uitgaat dat de dagvaarding vijf weken voor de zitting de deuruitgaat, heb je nog plusminus drie weken de tijd om getuigenverzoeken tedoen. Dat is in het meest gunstige geval. Als de dagvaarding vier wekenvoor de zitting de deur uitgaat, heb je in het meest gunstige geval nogmaar twee weken de tijd. De praktijk leert, en daar houdt de wet ookrekening mee, dat de dagvaarding pas veel later voor de zitting wordtbetekend. Ik moet er nog bij zeggen dat die hoofdregel geldt als dedagvaarding ten minste veertien dagen voor de zitting is betekend. Dangeldt dat je tien dagen voor de zitting je verzoek moet hebben gedaan.Dan heb je dus nog maar vier dagen. Dat vindt de wet acceptabel. Het kanzelfs zijn dat de dagvaarding pas drie dagen voor de zitting wordtbetekend. De wet zegt: in alle gevallen moeten getuigenverzoeken tenminste drie dagen voor de zitting binnen zijn. Dat betekent dat je dan nogmaar nul dagen voor de zitting hebt. Dan kun je dus helemaal geengetuigenverzoeken meer doen volgens deze wettelijke regeling. Nu zoumeneer Koops met zijn ervaring in de strafrechtpraktijk misschien zeggen:ja, maar de wet schrijft toch voor dat de dagvaarding tien dagen voor dezitting de deur uit moet gaan? Dat is ook zo, maar de sanctie daarop is nietdat de dagvaarding nietig wordt verklaard en dat er een nieuwedagvaarding komt met daaraan vastgeknoopt nieuwe termijnen voor hetindienen van getuigenverzoeken. De sanctie is alleen maar – dat is ooknog maar in beginsel zo – dat de behandeling van de zaak wordt aange-houden. Maar nieuwe gelegenheden om voor de zitting getuigenver-zoeken in te dienen zijn er niet meer. Kortom, ik begrijp niet hoe de ordevan advocaten zou kunnen zeggen dat er minder gelegenheid is omgetuigenverzoeken te doen onder de nieuwe regeling dan onder de oudewet. Juist onder de oude wet kan de verdediging enorm in het gedrangkomen als de dagvaarding heel kort voor de zitting wordt betekend. Dusja, dat is wat ik technisch aan uitleg zou kunnen geven. De huidigeregeling verruimt de mogelijkheden om getuigenverzoeken te doen.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Leidt dit nog tot op- of aanmerkingen of vragen van deleden? De heer Sneller.De heer Sneller (D66):Ik ga de beantwoording nog even een keertje terugluisteren en goed opme in laten werken en ook overleggen met de Kamercommissarissen. Aande Staatssecretaris heb ik de volgende, iets meer politieke vraag. Hoe kanhet nou dat er wel heel goed overleg is met alle ketenpartners en er ook inde vooroverleggen die we hierover gehad hebben, ook met de Neder-landse orde van advocaten, steeds wordt gezegd «heel goed overleg, heelgoed overleg», maar dat er daarna in hun laatste positionpaper staat«misverstand dit, misverstand dat» over wat er uiteindelijk geregeld is?Hoe reflecteert de Staatssecretaris daarop?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5447 Staatssecretaris Struycken:Daar heb ik geen antwoord op. Het toont aan dat het belang van perma-nente dialoog erg groot is. Het gesprek eindigt dus ook nooit en we zullenhet zeker met hen voortzetten. Het is zaak – ik hoop dat deze behandelingdaarbij behulpzaam is – dat alle partijen hier zo veel mogelijk vanhetzelfde begrip uitgaan. Het is heel belangrijk dat deze misverstandenworden weggenomen. Op dit moment vertellen wij u zoals wij denken dathet zit. Op die basis komen wij tot een kritische beoordeling van hetamendement. Ons voorlopige advies op dit moment is «ontraden». Mochthet overleg met de orde nadere inzichten ingeven die ons tot herbezinningnopen, dan zullen we die uiteraard meenemen in de behandeling in laterefase.Ik wil naar het amendement op stuk nr. 21 overgaan, van de heren Snelleren Ellian. Dat gaat opnieuw over een hele fundamentele zaak: deaanwezigheid van de verdachte bij een getuigenverhoor door derechter-commissaris. Het amendement betreft de aanwezigheid van deverdachte zoals nu geregeld in 186a en 187 van het Wetboek vanStrafvordering dat nu geldt. Het amendement beoogt deze regeling tehandhaven. In de regeling die nu geldt, wordt in beginsel alleen deraadsman uitgenodigd voor het getuigenverhoor en slechts onderbijzondere omstandigheden ook de verdachte. Laat ik vooropstellen datmet de regeling zoals opgenomen in het wetsvoorstel de uitoefening vanhet ondervragingsrecht van een verdachte beter is gewaarborgd. Wantdaar gaat het om: het ondervragingsrecht van de verdachte. In het lichtvan de Europese jurisprudentie is de bewuste keuze gemaakt om in hetwetsvoorstel te voorzien in een volwaardige ondervragingsmogelijkheidvoor de verdachte tijdens het vooronderzoek met betrekking tot getuigen-verhoren die niet door de zittingsrechter worden afgenomen, maar doorde rechter-commissaris. De Nederlandse procescultuur wijkt wezenlijk afvan wat wij regelmatig op televisie zien; mevrouw Bikker vroeg daaraandacht voor. In de Nederlandse procescultuur worden getuigen veelalniet nogmaals op de terechtzitting verhoord en wordt voor het bewijsgebruikgemaakt van de door hen bij de politie of de rechter-commissarisafgelegde verklaring.Uit jurisprudentie van het Europees Hof blijkt dat de mogelijkheid voor deraadsman om bij het verhoor aanwezig te zijn en vragen te stellen nietmag worden gelijkgesteld aan de mogelijkheid voor de verdachte zelf omeen getuige te ondervragen. Volgens deze jurisprudentie hebben landendus de plicht om maatregelen te nemen die het ondervragingsrecht vande verdachte verzekeren door hem, als hij dat wenst, zelf in staat te stellengetuigen te ondervragen. In beginsel is dat volgens het principe van hooren wederhoor, ook bij verhoor door de rechter-commissaris. Deargumenten die door de rechtspraak en het Openbaar Ministerie wordenaangevoerd tegen de door het kabinet voorgestelde regeling zoals die isneergelegd in het ontwerp, overtuigen mij eerlijk gezegd niet allemaal.Een belangrijk argument is secundaire victimisatie van het slachtoffer dateen getuigenverklaring moet afleggen. Secundaire victimisatie kan hetgevolg zijn van een confrontatie met de verdachte. Dit risico kan wordenverkleind door de toepassing van een van de weigeringsgronden waarinhet wetsvoorstel voorziet. Ook kan de rechter-commissaris besluiten datde verdachte via een videoconferentie aanwezig is bij het verhoor. Via degeluidsknop krijgt de verdachte dan alleen het woord wanneer derechter-commissaris hem daartoe de gelegenheid biedt. Er is dus geenreden om meer te vrezen voor secundaire victimisatie dan nu ook al hetgeval is.Daarnaast wordt een beroep gedaan op het belang van waarheidsvinding.Dan zou het gaan om de verklaringsbereidheid, die onder druk zou staanbij aanwezigheid van de verdachte. Maar deze verklaringsbereidheid kanevengoed aangetast zijn bij een ondervraging op de terechtzitting zelf,want dan zijn er behalve de verdachte ook andere aanwezigen, waaronderTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5448 de pers. De plicht te getuigen geldt immers niet alleen voor een verhoorbij de rechter-commissaris, maar ook bij een verhoor op de terechtzitting.Dus in zoverre is het belang van waarheidsvinding niet geschaad in hetvoorgestelde model.Niettemin heb ik wel oog voor de bezwaren die tegen dit onderdeel vanhet wetsvoorstel zijn geuit door de rechtspraak en het Openbaar Minis-terie, die met name op het punt van de praktische uitvoerbaarheidbezwaren zien. Het amendement heeft als doel de huidige regeling tebehouden, zodat de rechter-commissaris de verdachte bij het getuigen-verhoor kan uitnodigen als hij dat in het belang van het onderzoekwenselijk vindt, maar dat hij daartoe wettelijk verplicht is als teverwachten is dat de getuige niet op de terechtzitting kan verschijnen omte worden gehoord. Om de getuige zelf te kunnen ondervragen, moet deverdachte dus, als hij niet bij het getuigenverhoor wordt uitgenodigd doorde rechter-commissaris, verzoeken om de getuige alsnog voor deterechtzitting op te roepen om die getuige dan te kunnen ondervragen.Dan is er in het licht van de jurisprudentie van het Europees Hof ook meeraanleiding om een dergelijk verzoek te honoreren. En alle functionarissenmoeten zich daar rekenschap van geven, om het ondervragingsrecht vande verdachte te respecteren zoals het Europees Hof voorschrijft. Deofficier van justitie en de rechter-commissaris kunnen ervoor zorgen datde verdachte vaker dan nu gebeurt bij het getuigenverhoor, al tijdens hetvooronderzoek wordt uitgenodigd. De rechter-commissaris kan datambtshalve doen of op verzoek, als hij dat wenselijk acht, en uiteindelijk ishet aan de zittingsrechter om het recht op een eerlijk proces in het oog tehouden. Eigenlijk is mijn inschatting dat het verschil tussen de voorge-stelde regeling en de nu bestaande regeling die in het amendement isneergelegd, niet zo groot is. De voorgestelde regeling past iets beter in debeoogde beweging naar voren, maar daar kan ik overheen stappen. Zekerin het licht van de breed geuite praktische bezwaren van de staande en dezittende magistratuur die zien op de uitvoerbaarheid van de regeling, komik tot de appreciatie oordeel Kamer.De voorzitter:Een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Het is eigenlijk meer een punt van orde. Klopt het dat dit eigenlijk Boek 2betreft? Waarmee ik niet zeg dat de Staatssecretaris dit niet had mogenvoorlezen, want de vraag is gesteld. Dus hartstikke goed dat de Staatsse-cretaris dit heeft voorbereid, maar ik had hier echt een gloedvol betoogvoor voorbereid dat ik volgende week had willen afsteken. Dat kan nu deprullenbak in, begrijp ik. Nee, dit even om te weten wat nou welkeregeling is; dat is wel even handig.Staatssecretaris Struycken:Nee, wij hebben het opportuun geacht deze vraag vandaag te beant-woorden, omdat hij zozeer ziet op de beweging naar voren, die hiervandaag zo’n centrale rol speelt. Maar gloedvolle betogen komen nooitontijdig, dus wij zien ernaar uit.Dat brengt mij bij het amendement op stuk nr. 29.De voorzitter:Staatssecretaris, één moment, want de heer Koops heeft ook nog eenpunt.De heer Koops (NSC):Dank u, meneer de voorzitter. Even over de praktische bezwaren. Gestelddat het amendement wordt verworpen en dat dus de nieuwe regeling vankracht gaat worden over de aanwezigheid van de verdachte in dat geval:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5449 stelt de regering zich nu op het standpunt dat overleg moet wordengezocht met die verdachte over zijn aanwezigheid? Ik sla aan op hetwoordje «uitnodiging». Dat een verdachte niet in Nederland is, of nietfysiek aanwezig kan zijn of niet gemakkelijk bij de videoconferentie kanworden betrokken, heb ik altijd als een praktisch bezwaar gezien. Daar hebik de Staatssecretaris niet met zoveel woorden over gehoord nu. Dus ishet een uitnodiging? Die gelegenheid, hoe concreet had die moetenworden gemaakt, als de nieuwe wet inderdaad van kracht wordt?Staatssecretaris Struycken:In de voorgestelde regeling doet de rechter-commissaris melding ennodigt hij niet alleen de raadsman maar ook de verdachte uit, tenzij derechter-commissaris tot de beoordeling is gekomen dat dat omwille van...Dat zijn de weigeringsgronden. Dan zal de rechter-commissaris dieuitnodiging niet doen uitgaan. In het voorstel ligt ook besloten dat deverdachte zelf kan verzoeken om het verhoor bij te wonen. Dat isnatuurlijk relevant in die situaties dat de rechter-commissaris niet zelf dieuitnodiging heeft doen uitgaan. Dat zal zijn in de situaties die dieweigeringsgronden opleveren. Als de verdachte dan verzoekt om hetverhoor bij te wonen in een situatie waarin die bijzondere omstandig-heden zich voordoen, dan heeft de rechter-commissaris een weigerings-grond, dus de mogelijkheid om het verzoek af te wijzen. Dus de regelingziet erop dat de rechter-commissaris kan uitnodigen. Als hij dat niet doet,kan de verdachte verzoeken. En in het geval dat de verdachte verzoekt omhet verhoor bij te mogen wonen, kan de rechter-commissaris ditweigeren, maar alleen maar op de bijzondere gronden die in het voorge-stelde lid 2 zijn verwoord, en dat zijn de kwetsbare getuigen, het belangvan een goede rechtspleging en dergelijke.De voorzitter:Dank. Nog een vraag van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Ja, en dat is een opvolgende vraag, hè. Want ik hoor het antwoord van deStaatssecretaris. Maar ik denk dan aan het geval waarin zes mensensamen in een strafzaak zitten, die elk separaat van elkaar worden berechtmaar wel gelijktijdig in de hoofdzaak. Bij het kabinet worden de getuigengehoord, en alle zaken samen in één keer. Die zes mensen hebbenallemaal te maken met één getuige, die zegt «ik heb die groep van zes deloods open zien breken» – ik noem eens wat. Moeten die dan alle zesaanwezig zijn? Dat is toch praktisch onuitvoerbaar, als dat voor elkegetuige apart moet? Dat is wat ik bedoel met de vraag.Staatssecretaris Struycken:Oké, de casus wordt me nu helder. Er zijn dus zes verdachten en ééngetuige, waarbij de wettelijke regeling in beginsel ertoe leidt dat alleverdachten worden uitgenodigd, tenzij de situaties van lid 2 zichvoordoen. Dat is in lid 2 geformuleerd als weigeringsgronden, dus alsgronden waarop de rechter-commissaris een verzoek van verdachten omhet verhoor bij te wonen, kan weigeren. In die situaties zal de rechter-commissaris de verdachten niet allen uitnodigen. Ik denk dat lid 2 daarwel enige ruimte voor biedt op grond van de goede rechtspleging en deorde. Maar desalniettemin geldt natuurlijk voor elke verdachte hetondervragingsrecht. Dat laat zich niet in zes stukjes opknippen. Dat geldtvoor elke verdachte. In het licht van het ondervragingsrecht van deverdachte, dat zo fundamenteel is in de jurisprudentie van het EuropeesHof, denk ik dat het uitgangspunt in zo’n situatie moet zijn dat alleverdachten in staat worden gesteld het verhoor bij te wonen. Dit is wel hetmoment waarop ik even naar rechts kijk met de vraag aan de regerings-commissaris of hij daar iets aan wil toevoegen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5450 De heer Knigge:Ja, een kleine opmerking. Dat is juist een verschil tussen de voorgestelderegeling en het ingediende amendement. Het amendement spreekt vanuitnodigen. De voorgestelde regeling spreekt over «op verzoek van deverdachte». Uw casus geldt alleen als alle zes verdachten het nodigvinden om erbij aanwezig te zijn. Dan moet voor al die zes verdachtenindividueel beoordeeld worden of er een reden is om dat verzoek teweigeren of om daaraan te voldoen. Inderdaad speelt, zoals de Staatsse-cretaris zegt, op de achtergrond altijd het ondervragingsrecht van artikel 6EVRM. Als een verdachte niet in staat zou worden gesteld om bij hetverhoor van de rechter-commissaris aanwezig te zijn, dan kun je op dezitting moeilijk met het argument «uw medeverdachte heeft dat al welkunnen doen» zijn verzoek afwijzen om alsnog het ondervragingsrecht uitte oefenen. Dat gaat niet op. U voert terechte praktische problemen op.Maar ik denk dat ze in de praktijk op zijn te lossen, zowel in de voorge-stelde regeling als in de regeling van het amendement. Ik weet ook niethoe vaak het zich voordoet, maar het gaat inderdaad om de individueleverdachte, die het recht heeft om de getuige te ondervragen.De voorzitter:Goed. Hartelijk dank. Duidelijk zo? Ja? Dan continueert de Staatssecre-taris.Staatssecretaris Struycken:Ik continueer met het conceptamendement van de heer Koops. Dat gaatkort gezegd over het probleemeigenaarschap. De heer Koops beoogt in dewet vast te leggen wie wordt bedoeld met de term «voorzitter» wanneerhet gaat om bevoegdheden die verband houden met regievoeringen overhet onderzoek. Hij wil daarmee kennelijk voorkomen dat in de praktijk nietduidelijk is wie verantwoordelijk is voor het voeren van regie over destrafzaak. Het amendement heeft tot gevolg dat, wat betreft de regie-voering, alleen de voorzitter van de kamer die de zaak inhoudelijkbehandelt als voorzitter in de zin van de wet kan fungeren. Dat isinderdaad in zowel de wet als de praktijk het uitgangspunt, maar het isniet in alle zaken haalbaar of nodig. Soms doet een poortrechter dezittingsvoorbereiding, bijvoorbeeld in standaardzaken met veelvoorko-mende criminaliteit. Die rechter is niet de voorzitter van de zittingscombi-natie die de zaak inhoudelijk gaat behandelen. Daar komt nog bij dat ditals het geregeld zou moet worden, in Boek 4 moet gebeuren.De duidelijkheid over probleemeigenaarschap die de heer Koops wenst,kan beter worden bereikt via werkafspraken tussen de rechtspraak, deadvocatuur en het Openbaar Ministerie met vastlegging in bijvoorbeeldhet strafprocesreglement. Ook het werken met een digitaal strafdossier zalwaarborgen dat berichten van procesdeelnemers over de strafzaak op dejuiste plek belanden. Het wettelijke uitgangspunt ís dat de voorzitter vande rechtbank de voorzitter betreft van de zittingscombinatie die de zaakinhoudelijk behandelt. Deze uitleg geldt blijkens de wetsgeschiedenis ookal voor de bevoegdheden ter voorbereiding van de terechtzitting die hethuidige artikel 258 aan de voorzitter toekent. Ook de rechtspraak hanteertals kwaliteitsnorm dat de voorzitter van een zittingscombinatie verant-woordelijk is voor de voortgang van de zaak, de regie daarover en devolledige afdoening. Dat is vastgelegd in de Professionele standaardenstrafrecht. In de praktijk zijn er dus werkprocessen ontwikkeld terverbetering van de zittingsvoorbereiding. Daarnaast bieden sinds eenaantal jaren zogenoemde Verkeerstorens voor ondersteuning bij deplanning en de organisatie van een terechtzitting. Als nog niet duidelijk iswelke rechter de voorzitter van een zittingscombinatie zal zijn, dan kunnenprocesdeelnemers zich wenden tot de Verkeerstoren als centraal loket. Dewettelijke regeling laat ruimte aan de rechtspraak om binnen de grenzenvan de wettelijke regeling de voorbereiding van het onderzoek op deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5451 rechtszitting nader vorm te geven en daarvoor in samenspraak met hetOpenbaar Ministerie en de advocatuur de beste werkprocessen teontwikkelen. We zien daarom geen aanleiding voor te schrijven in de wetdat de voorbereiding van de terechtzitting altijd door de voorzitter van eenzittingscombinatie moet plaatsvinden. In het licht hiervan nemen wij hetconceptamendement in overweging en zullen daar wellicht nadereaandacht aan kunnen wijden bij de bespreking van Boek 4.De heer Knigge:De heer Koops had uitdrukkelijk aangekondigd dat hij dit als eentechnische vraag zag voor de regeringscommissaris. Hij had daar allerleilovende woorden aan mijn adres aan toegevoegd. Ik hoop niet dat het zijnbedoeling was om mij het graf in te prijzen. Er zit in ieder geval ééntechnisch aspect aan dit amendement, dat ik even onder de aandacht wilbrengen, namelijk dat het voorstel is om een definitie in Boek 1 in tevoegen van het begrip «voorzitter van de rechtbank». Boek 1 is daareigenlijk niet de plaats voor. Er staan wel definities in Boek 1, maar diehebben betrekking op het hele wetboek, dus op begrippen die in het helewetboek terugkeren.De definitie van het begrip «voorzitter» geldt alleen voor Boek 4, en danwel alleen voor het eerste hoofdstuk. Als u aan deze definitie zou willenvasthouden, zou dat een geherformuleerde definitie moeten zijn geplaatstin hoofdstuk 1 van Boek 4. Ik doe uit de losse pols even een slag in delucht: je zou kunnen aansluiten bij artikel 6 van de Wet op de rechterlijkeorganisatie, waarin staat dat een meervoudige kamer bestaat uit drieleden, waarbij een van de rechters optreedt als voorzitter. Dat is onzedefinitie van «voorzitter van de rechtbank». In hoofdstuk 1 van Boek 4 zouje dus kunnen zeggen: onder «voorzitter van de rechtbank» wordt in dithoofdstuk verstaan «de voorzitter als bedoeld in artikel 6 van de Wet opde rechterlijke organisatie». Dat is een vrij korte en krachtige definitie.Ik denk dat de Staatssecretaris al het nodige heeft gezegd over of datwenselijk en efficiënt is. Als je zo in de wet gaat vastleggen dat dit debeoogde voorzitter van de strafkamer moet zijn, denk ik dat het, medegelet op de lange voorbereidingstijd, die juist dit wetboek introduceert,een groot probleem is dat je al ver van tevoren gaat en moet vastleggenwie voorzitter van de zittingscombinatie zal worden. Dat geeft groteorganisatorische problemen. Dat is nog afgezien van het feit dat devoorzitter onwel, ongesteld of wat dan ook kan worden. Er kunnen allerleiredenen zijn waarom hetgeen je aanvankelijk voor ogen had, niet doorkan gaan. Dan zit je toch met de vraag dat je verschillende lieden hebt diein het voortraject beslissingen nemen. Ik denk ook dat je voor ogen moethouden dat de aard van de beslissingen verschilt. Er zijn beslissingen diedirect te maken hebben met de uiteindelijke behandeling ter zitting, zoalsde vraag welke getuigen opgeroepen dienen te worden. Het bepalen vande zittingsdatum, in overleg met de verdediging en het OpenbaarMinisterie, is vooral een vraag van: wanneer is iedereen beschikbaar? Zijnalle stukken binnen? Is er genoeg tijd om alle getuigen op te roepen? Datzijn een aantal praktische vragen die ook wel door een Verkeerstorenkunnen worden gedaan zonder dat de eerlijkheid van het proces daardoorschade lijdt. Voor zover het nog een punt is wie je nou moet aansprekenals je verzoeken wilt doen: het idee van het digitale procesdossier isnatuurlijk dat alle verzoeken digitaal naar de rechtbank gaan en dat zebinnen de rechtbank wel weten wie over dat verzoek gaat. Voor zover daarcoördinatieproblemen rijzen, zou dat een kwestie zijn van praktischoplossen met de rechtbank, de raadsman en het Openbaar Ministerie. Dathad ik nog willen toevoegen.Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank. Zijn er op dit punt nog vragen? Nee? De Staatssecretaris.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5452 Staatssecretaris Struycken:We sluiten de beweging naar voren af.De voorzitter:Er is toch nog een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Ja, toch wel. Niet om te compliceren, maar komen we hier nog op terug inde discussie over Boek 4? Dan is er vooralsnog geen oordeel, al hoor ik deStaatssecretaris en de regeringscommissaris wel zeggen dat dit eigenlijkniet thuishoort in Boek 1, maar zo luidt het amendement nu wel. Danwachten we dus even af of de indiener dit wel of niet gaat wijzigen en meteen voorstel komt voor Boek 4, begrijp ik. Klopt dat?De voorzitter:Ja.Staatssecretaris Struycken:Ja. Ik heb het zo begrepen dat deze gedachtewisseling aanleiding geeft totnadere afweging en overweging hoe de tekst van het amendement zoumoeten luiden als het wordt gehandhaafd.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:Ik kom op de slachtofferrechten, want het blokje beweging naar vorenhebben we hiermee afgerond. We spreken vaak over de positie van hetslachtoffer en dat is niet voor niks. Die verdient veel aandacht. Hetcommissiedebat Slachtofferbeleid vond niet zo heel lang geleden plaatsen daar heeft het een centrale rol gespeeld. We constateerden toen en nudat de positie van het slachtoffer in het afgelopen decennium sterk isontwikkeld en dat verschillende slachtofferrechten zijn geïntroduceerd,mede als gevolg van Europese wetgeving op dit vlak en de geschriftenvan professor Groenhuijsen en vele anderen. Die wettelijke regeling biedthet fundament om slachtoffers erkenning en ondersteuning te geven bijhet te boven komen van de gevolgen van een strafbaar feit.Ik vind de volgende uitgangspunten belangrijk. Ten eerste moeten dewens en de behoefte van het individuele slachtoffer centraal staan. Tentweede moet het slachtoffer zelf kunnen bepalen van welke rechten hij welof niet gebruik wenst te maken. Ten derde moet het voor het slachtoffer zovoorspelbaar en duidelijk mogelijk zijn wat hij van de overheid kanverwachten. Het hoofddoel van het strafproces is en blijft het zo voort-varend mogelijk vaststellen van schuld aan het strafbare feit en van deeventueel daaropvolgende straf of maatregel. Naast de versterking van depositie van het slachtoffer zijn in de wet de positie van de verdachte enhet recht op een eerlijk proces goed verankerd. Daarbij is de rol van hetslachtoffer in het strafproces duidelijk. Hij is procesdeelnemer, maar geenprocespartij. Dat betekent dat het slachtoffer een reeks van rechten kanuitoefenen, met name zijn spreekrecht en het recht om informatie tekrijgen. Maar zijn status als procesdeelnemer betekent ook dat erbegrenzingen gelden voor zijn rechten. Met dit wetsvoorstel voor eennieuw Wetboek van Strafvordering gaan we door op de ingeslagen weg,met name waar het gaat om een stevige en duidelijke positie. Hetwetsvoorstel behelst daarnaast op verschillende onderdelen eenversterking.Dat brengt mij op de principiële vraag van mevrouw Bikker en de heerEllian inzake artikel 1.1.4. Wat betekent het nou dat daar staat dat destrafvordering recht moet doen aan de belangen van het slachtoffer? Doordeze bepaling, dit beginsel, prominent in de eerste titel van Boek 1 teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5453 plaatsen, wordt het beginsel nadrukkelijk onder aandacht van de rechteren de procespartijen gebracht. Het wettelijk beginsel maakt dat alleactoren in het strafproces zich ervan bewust zijn dat de belangen van hetslachtoffer altijd moeten worden meegewogen. Het Openbaar Ministerietreedt niet enkel op als tegenpartij van de verdachte, maar het draagt ookverantwoordelijkheid voor een integere rechtshandhaving. Dat betekentdat het Openbaar Ministerie de belangen van het slachtoffer in zijnafweging meeneemt, naast andere belangen, zoals die van de samen-leving.De rechter zal in zijn besluitvorming eveneens de belangen van hetslachtoffer moeten meenemen. Een voorbeeld is dat de rechter bij destrafoplegging rekening houdt met hetgeen het slachtoffer mondeling ofschriftelijk naar voren heeft gebracht. Dit kan de zwaarte van de sanctiebetreffen; het kan ook de vorm van de sanctie betreffen. Het is denkbaardat een slachtoffer dat aan het proces deelneemt een beroep doet op ditartikel, 1.1.4, om zijn argumentatie kracht bij te zetten, bijvoorbeeld tijdensde berechting. Dan is het aan de rechter om dit beroep te wegen in hetkader van de afweging van alle belangen van de procesdeelnemers. Wezijn ervan overtuigd dat op deze wijze de verankering van dit beginsel inartikel 1.1.4 de belangen van het slachtoffer dient, onder andere doordathet handelen van alle andere actoren in het proces mede daardoorbepaald moet worden.De heer Ellian wees erop dat slachtofferrechten niet altijd afdwingbaarzijn. Hij stelde de algemene vraag hoe wij daartegen aankijken. Wijdenken dat we een evenwichtige regeling voorstellen. Door in de praktijkte werken aan de goede naleving kan worden voorkomen dat het achterafinstellen van een rechtsmiddel nodig is. Bestaande rechtsmiddelen voorslachtoffers worden in het nieuwe wetboek gehandhaafd. Verder wordensommige rechtsmiddelen op bepaalde onderdelen uitgebreid. Maar hetverder uitbreiden van de afdwingbaarheid stuit toch op wat bezwaren. Iknoem het volgende. Het slachtoffer is procesdeelnemer en geen proces-partij. Bij de positie van een procesdeelnemer passen geen voorzieningendie het strafproces doorkruisen.Daarbij komt ook het praktische bezwaar dat nieuwe additionele rechts-middelen voor het slachtoffer gevolgen kunnen hebben voor de doorloop-tijden en ook kunnen leiden tot taakverzwaring voor het OM en derechtspraak. Sommige slachtofferrechten zijn naar hun aard niet ofmoeilijk juridisch afdwingbaar. Dit geldt als het niet-nakomen van eenverplichting jegens het slachtoffer niet meer herstelbaar is. Ik zalonderzoeken wat hiervoor de mogelijkheden zijn.De heer Ellian vroeg ons, het gehele wetboek overziende, het probleemvan het ontbreken van sancties nogmaals in ogenschouw te nemen. Datzullen we doen. Ook zullen we kijken of daar toch nog concrete mogelijk-heden voor zijn. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, dan zullen wenadere wijzigingsvoorstellen doen bij de tweede aanvullingswet.De heer Ellian (VVD):Dat waardeer ik. Dat is fijn. Ik ga even kijken of ik dat dan nog in een motiega zetten, maar ik denk dat dit antwoord op zich volstaat. Ik wil hetvolgende meegeven. Uiteraard begrijp ik het antwoord, maar ik denk datde Staatssecretaris ook mijn gedachtegang begrijpt. Er is een voorge-stelde wetsbepaling die luidt: de officier van justitie draagt zorg voor eencorrecte bejegening van het slachtoffer. Oké, dat is dus de norm die straksis vastgelegd in de wet. En dan, als dat niet gebeurt? Wat dan? Zo kan iknatuurlijk nog wel een paar dingen noemen, bijvoorbeeld op het gebiedvan informatieverzoeken. De norm is duidelijk. De verplichting die uit denorm voortvloeit, is ook duidelijk. Immers, die staat in de wet, inclusiefeen toelichting. Maar als het niet gebeurt, blijft onduidelijk wat daarvanhet rechtsgevolg is. We moeten uiteraard uitkijken – dat heb ik al gezegd –dat we niet onnodig extra werk gaan creëren, maar dit is wel vrijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5454 fundamenteel. De weg van de rechtsmiddelen is niet per se een weg die ikop zou willen – laat dat helder zijn – maar je zult denk ik toch iets moetenregelen voor het geval dat het slachtoffer niet correct bejegend wordt, niethet spreekrecht kan uitoefenen of niet de informatie krijgt. Wat kan hetslachtoffer dan? Anders zijn deze regels deels illusoir.Staatssecretaris Struycken:Ik onderschrijf geheel wat de heer Ellian zegt: het moet niet illusoir zijn;het moet niet theoretisch blijven. Ik denk dat onze primaire inzet ziet op denaleving, waarbij alle ketenpartners steeds meer in de richting bewegendat ze werkelijk gestalte en uitvoering geven aan de verplichting die in dewet besloten ligt, ook zonder dat er sancties zijn. We nemen dit mee. Hetvoorbeeld dat de heer Ellian geeft, is interessant: wat nou als hetslachtoffer niet correct bejegend wordt; wat dan? Dat geeft te denken. Wegaan op die basis eens het rijtje langs om te kijken of er een creatief,passend gevolg aan gegeven kan worden als de naleving tekortschiet.Dat geldt ook voor heel kwetsbare slachtoffers. De vraag van de heerEllian was of je het slachtoffer dan op een andere manier moet positio-neren. Ik zie op dit moment geen aanleiding om onderscheid te makentussen de verschillende slachtoffers op basis van kwetsbaarheid of delict.Nogmaals, de wens en de behoefte van het individuele slachtoffer staancentraal. Voor kwetsbare slachtoffers zijn er al voorzieningen. Bij heteerste contact met de politie wordt beoordeeld of er sprake is van eenkwetsbaarheid, zoals verhoogd risico op herhaald slachtofferschap ofsecundair slachtofferschap, op intimidatie of vergelding. Waar nodigneemt de politie of het OM dan aanvullende beschermingsmaatregelen,zoals een contact- of locatieverbod. Ook zijn er andere beschermendemaatregelen. Denk daarbij aan het zo min mogelijk verhoren vanslachtoffers, aan verhoren in specifieke ruimtes bij minderjarigen en aanaparte wachtruimtes voor slachtoffers in de rechtbank. Als ik me nietvergis is dat een onderwerp dat de heer Emiel van Dijk ook ter sprakeheeft gebracht in het eerdere commissiedebat. Slachtoffers kunnen zichlaten bijstaan door een advocaat, door Slachtofferhulp Nederland of dooreen familielid. Wij denken dat op deze manier de positie van zeerkwetsbare slachtoffers voldoende is gewaarborgd en geen nadere ofspecifieke regeling behoeft.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Inderdaad, er is al heel veel verbeterd. Dat deel ik met de Staatssecretaris.Tegelijkertijd, als het bijvoorbeeld gaat om een delict als mensenhandel ofseksuele uitbuiting, heb ik geregeld mensen gesproken, zeker als dit hetslachtoffer zelf betreft, die angst hebben om zich als slachtoffer uit tespreken, ook vanwege de consequenties die dat heeft. Waar mijnzoektocht zit, is hoe we hard kunnen maken wat werkt, zowel voor dezeslachtoffers, gewoon omdat zij ook slachtoffer zijn, als in de rechtsgang. Ikheb daar nu niet helemaal een passend antwoord op. Wel heb ik er watgedachten over, maar ik ben ook wel benieuwd hoe de Staatssecretaris devinger daarbij houdt. Om het maar een beetje lelijk samen te vatten: ziethij de ontwikkeling in het slachtofferrecht dat we bepaalde groepen meerkwetsbare mensen wellicht niet horen, ook al denken we zelf dat we hetgoed geregeld hebben?Staatssecretaris Struycken:Dit onderwerp heeft de volle aandacht van dit kabinet, zowel van deMinister als van mijn collega, mevrouw Coenradie, als van mijzelf. Wezoeken steeds naar manieren om meer oor en oog te hebben voorslachtoffers van met name de ernstige delicten die werden genoemd indat kader. Dat zit in de uitvoering en daar valt nog veel te verbeteren alshet gaat om meldpunten en om begeleiding en dergelijke. Wij zien op ditmoment niet dat dit een bijzondere wettelijke regeling vergt. Wat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5455 strafvorderlijke component betreft denken wij dat er binnen de kaders vanhet wetsvoorstel zoals dat voorligt voldoende mogelijkheden zijn, maardie moeten wel verder worden uitgenut in de naleving. Dit onderwerpheeft onze voortdurende aandacht en daar komen we ook op terug in dediverse voortgangsrapportages, als het gaat over slachtofferbeleid enslachtofferrechten, en daar waar het gaat om femicide en dergelijkedelicten. Maar nogmaals: geen bijzondere regeling in dit wetboek.De voorzitter:Mevrouw Bikker nog een keer.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik deel de zorg over weer een bijzondere regeling te maken, want dat kanweer allemaal onbedoelde gevolgen hebben. Met de beste intenties plaveije de weg naar een verkeerde plek. Laat ik het zo zeggen. Tegelijkertijd hebik wel die zorg, ook als ik de Nationaal Rapporteur Mensenhandel spreek.Dus als we daarop terugkomen, zou ik er wel aan hechten om het heelspecifiek te maken en het niet weg te schrijven, of kansen te missen. Ikhoop dat de Staatssecretaris dat wil toezeggen.Het tweede is dat ik helaas de vergadering moet verlaten, vanwege eeninternationale Holocaustherdenking. Mijn fractie heeft drie zetels. Wij zijnhelaas niet te klonen. Daar zijn we verder ook principieel tegen, maar hetbetekent wel dat ik nu de zaal moet verlaten. Ik zal alles op een latermoment terugkijken.De voorzitter:Ja, hartelijk dank.Staatssecretaris Struycken:De behandeling in twee fasen? Ja, er zit geen derde fase in. Juist nu wildeik spreken over het tweefasenproces, waar mevrouw Bikker aandacht voorvroeg, evenals de leden Mutluer, Koops en Ellian.In het Nederlandse strafprocesrecht wijst de rechter na de behandelingvan de zaak in één keer vonnis. Dat betreft dan zowel de schuldvast-stelling als de straftoemeting. Bij het tweefasenproces staat de eerste fasevan het strafproces in het teken van de beoordeling van de schuld. Als diedan is vastgesteld, gaat het in de tweede fase om de toemeting van destraf.Voor een tweefasenproces is regelmatig gepleit vanuit de gedachte dat deuitoefening van het spreekrecht door een slachtoffer een zekere spanningkan opleveren met de onschuldpresumptie die geldt voor de verdachte. Indat licht zou het slachtoffer alleen in de tweede fase, daar waar het gaatom de straftoemeting, spreekrecht moeten toekomen. Maar ik zie daargeen aanleiding toe. Ik zie geen aanleiding om op deze basis eentweefasenproces te overwegen. Ik zeg dat mede gelet op de uitkomstenvan de eerdere consultatie bij de ketenorganisaties.De principiële argumenten zijn dat vragen inzake schuld en straf niet altijdte scheiden zijn. Daad en dader kunnen niet altijd los van elkaar wordengezien. Ook is de uitoefening van het spreekrecht niet strijdig met hetbeginsel van vermoeden van onschuld. Dit vermoeden van onschuld geldtvoor overheidsfunctionarissen, maar niet voor slachtoffers. Verder achtenwij de rechter goed in staat om niet bevooroordeeld te worden door deinbreng van het slachtoffer daar waar het gaat om de vaststelling vanschuld.Slachtoffers hebben nu het recht om zich ook uit te spreken over hetbewijs in de zaak en daarvoor kan dus niet worden volstaan met spreek-recht in de tweede fase. Het je kunnen uitspreken over het bewijs is eenonderdeel van het slachtofferrecht dat overeind moet blijven. Dus dat isnog een principieel argument dat pleit tegen een tweefasenproces.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5456 Er zijn ook praktische argumenten daartegen. Het zou negatieve gevolgenhebben voor de werklast en de doorlooptijden en daarmee komt deredelijke termijn voor berechting in gevaar. Het leidt ook tot complexereprocesvoering met verlies aan zittingscapaciteit. En het is ook niet altijdhaalbaar om dezelfde rechter beschikbaar te hebben voor zittingen inbeide fasen. We hebben verder ook geen signalen dat het spreekrecht vanslachtoffers in de rechtspraktijk tot problemen leidt. Dus op deze basiszien wij ervan af, zoals ook eerder door mijn ambtsvoorganger aan uwKamer is bericht, om het strafproces langs deze hele andere lijn teontwikkelen.Als het mag, geef ik het woord aan de regeringscommissaris.De heer Knigge:Een aanvullende opmerking over het principiële punt dat het spreekrechtzich niet zou verdragen met de onschuldpresumptie. Ik geloof niet dat datopgaat. Het gaat inderdaad primair om overheidsfunctionarissen die zichmoeten onthouden van stellingname over de schuld of onschuld vanmensen die niet onherroepelijk veroordeeld zijn. Maar eigenlijk geldt datook voor burgers, want die kunnen zich dan al snel schuldig maken aansmaad.Waar het om gaat, is dat het gebeurt in de context van een strafproces. Ineen strafproces heeft de officier van justitie, ook een overheidsfunctio-naris, wel degelijk het recht, de bevoegdheid en zelfs de taak om te stellendat zijns inziens wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte hetfeit heeft begaan. Dus die mag ter zitting wel degelijk een standpuntinnemen over de schuld van een niet-veroordeelde verdachte. Dat is nietin strijd met de onschuldpresumptie. Ik denk dat je het slachtoffer terzitting in die context ook diezelfde mogelijkheid moet kunnen geven. Inhet kader van een strafproces kan een verdachte, zou ik zeggen, daargewoon een oordeel over uitspreken zonder in strijd te komen met deonschuldpresumptie, juist omdat we in het strafproces over die vraagdiscussiëren en we daar verschillende standpunten over moeten kunneninnemen.Als je het argument dat eerst onherroepelijk moet worden vastgesteld datde verdachte schuldig is, werkelijk serieus zou nemen, dan zou je hetslachtoffer pas dat recht kunnen geven, nadat de zaak, niet alleen in eersteaanleg, maar ook in hoger beroep en in cassatie, is uitgeprocedeerd. Pasdan staat namelijk onherroepelijk vast dat de verdachte schuldig is en pasdan zou er in deze optiek een mogelijkheid zijn voor het slachtoffer ominbreng te leveren. Ik denk niet dat het slachtoffer daarom staat tespringen.Dank u wel.De voorzitter:U bedankt voor de toelichting. De Staatssecretaris continueert.Staatssecretaris Struycken:Ik kom op de vraag van de heer Koops, althans zijn ideeën om tegemoette komen aan het breed gevoelde probleem dat het schadeverhaal langsciviele weg, daar waar het slachtoffer niet ontvankelijk is verklaard binnenhet kader van een strafprocedure, in feite een ondoenlijke zaak is. Dathebben wij, ook in deze Kamer, gesignaleerd en dat krijgt meer aandacht.Relevant is dat de Raad voor de rechtspraak een onderzoek doet naar hetnormeren en standaardiseren van schadevergoedingen om zo devordering benadeelde partij eenvoudiger en eenduidiger te maken, metals gevolg dat die partij minder vaak niet-ontvankelijk zou wordenverklaard. De resultaten hiervan worden medio 2025 verwacht. Relevant isook dat de voorzitter de bevoegdheid krijgt om voorafgaande aan dezitting een schriftelijke ronde in te lassen. Deze schriftelijke ronde kaneraan bijdragen dat vorderingen van benadeelde partijen minder vaakTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5457 niet-ontvankelijk worden verklaard. In de eerste aanvullingswet wordtgeregeld dat ook de benadeelde partij kan meedoen aan een schriftelijkeronde.Ter sprake kwam ook een voorschotregeling, die zeker tegemoet gaatkomen aan de belangen van de slachtoffers. Daar wordt naar gekeken. Ikzeg al wel wat ik ook al eerder heb gemeld, namelijk dat een voorschotre-geling mogelijk grote financiële consequenties heeft en dus dekking vergt.Ik stel voor het nu hierbij te laten en de ideeën van de heer Koops mee tenemen in de verdere gedachtevorming daarover. Die komt terug in debeleidsreactie specifiek op deze onderdelen in het kader van het slachtof-ferbeleid.Dat brengt mij op een vraag inzake het herstelrecht, met name dewettelijke grondslag. Kan dat bij AMvB? Dat is de situatie zoals die nu isgeregeld in het Wetboek van Strafvordering en in het Besluit slachtoffersvan strafbare feiten. Dat gaat dan dus om de invulling van het herstel-recht. We zijn voornemens die regeling in het nieuwe wetboek teverbeteren. De bepalingen die nu nog in het Besluit slachtoffers vanstrafbare feiten staan, wil ik opnemen in een nieuwe AMvB, die vantoepassing zal zijn op zowel slachtoffers als verdachten. Dan zal ook eenafweging worden gemaakt van de mate waarin de wet toelaat nadereinvulling in een AMvB neer te leggen.Dat brengt mij aan het slot van dit blokje en daarmee op de amende-menten op stukken nrs. 22 en 26, allebei van de heer Ellian. Hetamendement op stuk nr. 26 strekt ertoe in de wet neer te leggen dat hetslachtoffer ook bij niet-vervolging de mogelijkheid krijgt om kennis tenemen van de processtukken. Dat is dus in een situatie waarin hetOpenbaar Ministerie heeft beslist om niet tot vervolging over te gaan. Inde huidige vorm, zoals het amendement nu luidt, moet ik het ontraden.Maar alvorens ik dat doe, constateer ik de heer Ellian hier wel een puntheeft. Het slachtoffer moet namelijk ook na een sepotbeslissing inbeginsel kunnen kennisnemen van de processtukken, om goed te kunnenbeoordelen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof. Zoals ook in detoelichting bij het amendement terecht werd aangegeven, zou het aantalbeklagzaken daardoor kunnen afnemen.Uit de tekst van de wettelijke regeling blijkt echter niet duidelijk dat hetslachtoffer in deze fase recht heeft op kennisneming. In de praktijk blijkthierover ook verschil van inzicht te bestaan. In zoverre ben ik het met deheer Ellian eens dat dit in de wet moet worden verhelderd. Verduidelijktmoet worden dat na een sepotbeslissing het recht op kennisneming opgrond van artikel 1.5.5, derde lid, van toepassing blijft, zolang de termijnvoor het indienen van beklag nog niet is verstreken. Hetzelfde geldtoverigens ook indien de strafzaak eindigt door het uitvaardigen van eenstrafbeschikking. Ook daartegen kan een slachtoffer beklag instellen. Nahet indienen van beklag is er een recht op kennisneming van de stukkenop grond van de specifiek op die procedure toegesneden regeling vanartikel 3.5.8.Na het onherroepelijk einde van de zaak bestaat geen recht op kennis-neming op grond van de regeling in het Wetboek van Strafvordering, dusook niet na het verstrijken van de beklagtermijn zonder dat beklag isingesteld. De toelichting bij het amendement lijkt daarbij ten onrechte uitte gaan van de veronderstelling dat artikel 1.5.5 alleen ziet op situatieswaarin de beslissing om een verdachte te vervolgen al is genomen.Daardoor zou het recht op kennisneming juist fors worden beperkt, wantdat recht geldt ook tijdens het opsporingsonderzoek in de fase voordat devervolgingsbeslissing is genomen.Met een wat anders geformuleerd amendement zou mijn appreciatie danook anders kunnen luiden. Mijn voorstel zou zijn om langs ambtelijke wegtot nadere afstemming van die tekst te komen.De heer Ellian (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5458 Ik heb ook schriftelijk suggesties gekregen. Ik moet daar nog even naarkijken. We hebben nog tijd om daar met elkaar over te praten, maar mijngrondhouding is positief.Staatssecretaris Struycken:Dit was het amendement op stuk nr. 22. Dan kom ik nu bij hetamendement op stuk nr. 26. Dat betreft...De voorzitter:Dit was het amendement op stuk nr. 22, toch?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik kom nog even terug op het spreekrecht. In het verleden hebben wijweleens een motie ingediend omdat we zagen dat het voor slachtoffersniet mogelijk was om onder andere aanwezig te zijn bij hetOM-hoorgesprek, waarbij door het OM een strafbeschikking wordtopgelegd, ook voor misdrijven die wettelijk gezien niet via een strafbe-schikking zouden moeten worden afgedaan. Ik weet nog dat die motie ookwerd ontraden, terwijl Europese regelgeving veel strikter is als het gaatom spreekrecht, ook bij dit soort strafbeschikkingen. Hoe moet ik debijdrage van de Staatssecretaris in lijn zien, ook naar aanleiding van hetamendement van collega Ellian over spreekrecht van slachtoffers, met hetfeit dat de motie die destijds door ons is ingediend, is ontraden en het dusniet heeft gehaald? Op basis van het antwoord kan ik me beraden opeventuele acties, even afhangende van hoe straks het amendement eruitkomt te zien. Ik wil daar wel even verduidelijking op.Staatssecretaris Struycken:Wat ik zojuist zei, betrof het amendement op stuk nr. 22; nogmaalsexcuses. Dat zag niet op het spreekrecht van het slachtoffer, maar op demogelijkheid kennis te nemen van processtukken bij niet-vervolging. Overhet spreekrecht van het slachtoffer heb ik geloof ik nog niks gezegd, maarik herinner me uw motie. Ik word erop geattendeerd dat dat onderdeel isvan Boek 3. Ik kom er dan graag op terug en ook op de bijzondere casusdie u noemt.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dan zorg ik ervoor dat ik voor die tijd een voorstel heb en dan kijken weverder.Staatssecretaris Struycken:Nu dan het amendement op stuk nr. 26, dat ziet op een volledigemotivering van een sepotbeslissing. Het amendement beoogt dat hetslachtoffer een goede en volledige motivering ontvangt van een sepotbe-slissing. Het amendement stelt daarom voor de mogelijkheid te volstaanmet een samenvatting te schrappen. Ik ben met de heer Ellian van meningdat een duidelijke en begrijpelijke motivering van groot belang is, wantdat kan bijdragen aan het begrip voor de sepotbeslissing en het stelt hetslachtoffer in staat een goede afweging te maken over het al dan nietindienen van beklag. De formulering van het voorschrift zoals het nu inartikel 1.5.4, derde lid, staat, is ontleend aan de Europese slachtoffer-richtlijn van 2012. Het betreft echter minimumregels en het staatNederland dus vrij om meer bescherming te bieden aan de slachtoffers.Dat kan ook makkelijk, want in de praktijk werkt het Openbaar Ministerieniet met samenvattingen, maar verstrekt het altijd de gehele motivering.Hoe uitgebreid die motivering is, hangt wel af van de aard en de ernst vande zaak. De informatie over sepotbeslissingen is nu nog vaak watsummier. Het Openbaar Ministerie ontkomt er niet aan om te werken metstandaardbrieven, maar werkt ook aan verbetering van die standaard-brieven. De brieven zullen dus worden aangepast en waar mogelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5459 worden voorzien van een uitgebreidere motivering. Het voornemen omeen ernstig geweldsdelict, een ernstig verkeersdelict of een ernstigzedendelict af te doen met een sepot wordt bovendien altijd mondelingtoegelicht aan slachtoffers, waaronder nabestaanden. Dit gezegdhebbende laat ik het amendement op stuk nr. 26 graag oordeel Kamer.Dan kom ik op het onderdeel mediation. De heer Van Nispen vroeg daaraandacht voor als onderdeel van het herstelrecht. Ik ben het geheel eensmet de heer Van Nispen dat mediation goed geregeld moet worden. Ikben van plan om de wetswijziging die daarvoor nodig is op te nemen inde tweede aanvullingswet. Ik neem dus goede nota van het conceptamen-dement van mevrouw Mutluer en de heer Van Nispen ten aanzien vanmediation en kom daarop terug. Mediation is belangrijk bij strafzaken,zeker bij kleine strafzaken, maar ook bij zware delicten kan herstelrecht inhet algemeen een nuttige rol vervullen. De keuze is niet óf strafrecht ófherstelrecht. Ze kunnen worden gecombineerd, want mediation is een vande vormen van herstelrecht. Als verdachte en slachtoffer afsprakenhebben gemaakt in het kader van mediation, dan houden de officier vanjustitie en de rechter daarmee rekening.De heer Van Nispen vroeg naar het budget voor mediation in strafzaken.Daarvoor is structureel een budget van ruim 2 miljoen, € 2.245.000,gereserveerd in de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.Jaarlijks wordt besloten of een loon- en prijsindexatie mogelijk is.Daarnaast is er op dit moment maximaal € 225.000 beschikbaar voormediation in jeugdstrafzaken.De heer Koops vroeg mij naar de geheimhoudingsverplichting in hetkader van mediation. Ten aanzien van de geheimhouding in het kader vanmediation kent het Besluit slachtoffers van strafbare feiten een relevantebepaling. Artikel 18 bepaalt dat hetgeen in het kader van de toepassingvan artikel 51h van het huidige wetboek buiten de openbaarheid wordtbehandeld, vertrouwelijk is en niet bekend wordt gemaakt, tenzij departijen daarin toestemmen. Artikel 51h betreft mediation en wordt ingemoderniseerde vorm opgenomen in artikel 1.11.2. Deze bepaling in hetbesluit wordt omgezet in een nieuw besluit op basis van het nieuwewetboek. Ik merk terzijde op dat het kabinet ook bezig is met het regulerenvan mediation. Ook in dat kader zal de geheimhoudingsvraag uitvoerigworden bekeken.Dit brengt mij tot een voorlopige conceptappreciatie van het concepta-mendement op stuk nr. 27. Ik weet niet precies of ik de voorbehoudengoed noem. Het amendement van mevrouw Mutluer en de heer VanNispen beoogt drie elementen in de wet vast te weggen: ten eerste eenplicht voor de politie om de verdachte en het slachtoffer over mediation teinformeren, ten tweede het recht voor het slachtoffer en de verdachte omte vragen of kan worden onderzocht of mediation mogelijk is, en tenderde een plicht voor de officier van justitie en de rechter om ambtshalvete onderzoeken of mediation mogelijk is. Zoals gezegd heb ik eenpositieve grondhouding, want ik ben voorstander van mediation instrafzaken, daar waar dat opportuun is. De eerste twee elementen die deindieners willen doorvoeren, steun ik van harte. Voor het derde element,de ambtshalve plicht voor het OM en de rechter om mediation teonderzoeken, is geen draagvlak bij het OM en de rechtspraak. Ik heb henhierover geconsulteerd naar aanleiding van eerdere toezeggingen aan deKamer. Die plicht roept vragen op: wat behelst de plicht, hoever moet hetonderzoek gaan en welke consequenties heeft het als niet aan de plicht isvoldaan? Verder leidt de ambtshalve verplichting tot vergroting van dewerklast en de kosten. Deze krachtige bezwaren van het OM en derechtspraak wegen voor mij zwaar.Daarnaast is het amendement zoals het nu is geformuleerd, wetssystema-tisch niet goed inpasbaar. Dat heeft te maken met de gebruikte termino-logie. Het heeft mijn voorkeur aan te sluiten bij de terminologie van hetBeleidskader herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces, uitTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5460 2020. De ketenpartners en de mediators werken met dit beleidskader enhet functioneert goed. Kortom, als de indieners zouden willen afzien vaneen ambtshalve plicht voor het OM en de rechter en bereid zouden zijn detekst aan te passen, dan zou ik het kunnen steunen. Daarbij leveren wijgraag ambtelijke bijstand. Een alternatief kan natuurlijk ook zijn dat hetamendement in de vorm van een motie wordt ingediend, zonder dat deambtshalve verplichting daarin staat. In dat geval zal ik de motie oordeelKamer geven.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Wellicht krijgt u ze allebei, maar in ieder geval gaan wij opnieuw kijkennaar het amendement. We nemen de suggestie ten aanzien van het derdepunt ter harte. We gaan dus bekijken hoe we dat kunnen aanpassen. Datgeldt ook voor de terminologie. We passen die aan zodat die wetstech-nisch klopt. We hebben al wat suggesties gekregen. We gaan daar duseven goed naar kijken voordat we ’m gewijzigd weer indienen.De voorzitter:Oké. Hartstikke mooi.Staatssecretaris Struycken:Ik ga snel door met een onderwerp dat veel aandacht krijgt, ook vandaag.Dat verrast niet, want het is erg van belang. Maar het heeft veel brederonze aandacht, onder andere binnenkort in het commissiedebat over degesubsidieerde rechtsbijstand. De heer Van Nispen vroeg te onderzoekenhoe het puntensysteem eruit gaat zien. Zoals ik al zei zal het gebruik vanadvocaten bij de beweging naar voren inderdaad leiden tot extrawerkzaamheden. Dat moet leiden tot aanpassingen in de puntenver-goeding voor advocaten. Dan gaat het bijvoorbeeld om het bijwonen vanregiebijeenkomsten voor het indienen van de procesinleiding. U bentbekend met de commissie-Van der Meer. Die onderzoekt op dit momentde gemiddelde tijdsbesteding van advocaten. Het rapport van decommissie wordt begin maart verwacht. Daarover zal ik de Kamer naderinformeren, kort na het verschijnen ervan, ter voorbereiding op hetgenoemde commissiedebat.Wat het moment van het aanvragen van de toevoeging betreft is het doelom het moment waarop verdachten aanspraak kunnen maken optoevoeging te vervroegen. Nu kan dit in veel gevallen pas na hetuitbrengen van de dagvaarding. Door het eerder inschakelen vanrechtsbijstand kan de advocaat eerder kijken en eventuele onderzoeks-wensen formuleren. Deze maatregel heeft betrekking op verdachten opvrije voeten, zoals ik al in mijn inleiding meldde. Zoals gezegd zullen deconsequenties daarvan hun weerslag moeten krijgen in de vergoeding.De heer Sneller vroeg, evenals mevrouw Mutluer, of er voldoendestructurele middelen beschikbaar zullen zijn. Ik hoop dat ik al duidelijk hebgemaakt dat het voor ons duidelijk is dat daarin moet worden voorzienwanneer de tijd daarvoor rijp is. Er wordt in de memorie van toelichtingbij de invoeringswet een meer volledig beeld gegeven van de structureleeffecten van het nieuwe wetboek. De structurele uitvoeringsconsequentiesnemen we dus ook mee, voor zover het de gefinancierde rechtsbijstand ende reclassering betreft. Dat betekent dat een motie op dit moment ontijdigen/of overbodig zou zijn.De heer Van Nispen (SP):De verleiding is groot om hier een groot debat over de rechtsbijstand vante maken. Dat ga ik niet doen, maar ik wil dit wel heel graag heel goedbegrijpen. De commissie-Van der Meer II kijkt volgens mij naar depuntvergoeding, dus naar de vraag of er een redelijke vergoeding perpunt is. Even simpel gezegd: één punt staat voor één uur. Maar decommissie-Van der Meer II kijkt volgens mij ook naar de vraag of hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5461 aantal punten per zaak actueel is. Zo kom je tot een redelijke vergoedingvoor de advocaat.Een derde element, waar de commissie-Van der Meer II niet naar kijkt, isde toenemende werklast als gevolg van dit Wetboek van Strafvordering,dat over een paar jaar ingaat. De Staatssecretaris zegt: dat element zijn weaan het onderzoeken alsook het moment waarop iemand een advocaattoegevoegd krijgt. Begrijp ik het goed dat de Staatssecretaris zegt «maaktu zich geen zorgen, we onderzoeken dit allemaal en dan zal loepzuiverworden welk budget vereist is»? Of begrijp ik het toch niet helemaalgoed?Staatssecretaris Struycken:Ik denk dat de heer Van Nispen het heel scherp voor ogen heeft. Decommissie-Van der Meer II zal hierover niets zeggen. Zij gaat over hethuidige strafproces. Het is goed denkbaar dat het nieuwe Wetboek vanStrafvordering te zijner tijd zal moeten leiden tot een herbezinning tenaanzien van het aantal punten dat staat voor de bijstand in een straf-proces. Maar dat maakt thans geen onderdeel uit van het onderzoek vande commissie. Ik zal de heer Van der Meer niet vragen om voor een derdemaal een onderzoek te doen, want dat onderzoek komt zeker ten deleterug in de toelichting bij de invoeringswet. Het staat dus op de radar. Hetis evident dat daarnaar gekeken moet worden en dat er wat gaatveranderen, maar er is nu nog niets te zeggen over hoe dat gaatgebeuren. Dat betekent ook dat er nog geen dekking voor beschikbaar is.De voorzitter:Hartelijk dank. Heeft u geen vraag meer, meneer Koops? Oké. De heer VanNispen wel.De heer Van Nispen (SP):Nogmaals, ik ga proberen om nu nog niet een grote discussie te voerenover de vraag of er wel of geen dekking is en of er wel of geen extrabudget komt. We weten dat er een pot met geld is voor de invoering vanhet Wetboek van Strafvordering. De heer Ellian weet daar alles van. Datgeld is voor de politie, het OM en de rechtspraak. We weten eigenlijk nu aldat dat ook nodig is voor de sociale advocatuur. De Staatssecretaris zegt:daar heb ik nu nog geen dekking voor, want ik weet nog niet precieshoeveel dat is. Ergens begrijp ik dat, maar ik hoop dat de Staatssecretarisook mijn zorgen begrijpt, gelet op de ervaringen uit het verleden. Wantanders moeten we weer een keiharde politieke strijd voeren, tot aanprotesten en demonstraties toe. Dat kennen we nog uit de tijd van debewindspersoon die hier toen verantwoordelijk voor was, Minister Dekker.We wisten toen ook dat er geld bij moest, maar dat was niet geregeld. Dediscussie in het kader van de commissie-Van der Meer staat hier eigenlijklos van. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit zich voor een derde keergaat voordoen, maar dan nu bij de invoering van dit Wetboek vanStrafvordering?Staatssecretaris Struycken:Dat voorkomen we door daar goed onderzoek naar te doen. Dat zalonderdeel uitmaken van de toelichting op de invoeringswet, zoals ik al zei.Ik kan daar nu niet op vooruitlopen. Ik kan hier niet meer zinnigs overzeggen.De voorzitter:Oké. Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:De heer Van Nispen vroeg ook nog aandacht voor een bijzonderheid inartikel 1.1.18. Ik kan hem zeggen dat de aanduiding van mijn rol alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5462 bewindspersoon naar Staatssecretaris niet betekent dat het Wetboek vanStrafvordering gedegradeerd is in het belang dat het kabinet eraantoekent. Artikel 1.1.18 loopt inderdaad niet zoals het nu is. Dat betekentdat het gewijzigd zal worden bij de eerste aanvullingswet. Hoe dattechnisch vorm zal krijgen, valt nog te bezien, maar het moet welgeadresseerd worden, want het is onzeker of er altijd een Minister voorRechtsbescherming zal zijn. Althans, met die naam.De heer Sneller vroeg of er alleen maar sprake is van codificatie van onzerechtspraak of ook van rechtsvorming. Deze gelegenheid is aangegrepenom de rechtspraak in de loop der jaren over specifieke onderwerpen tecodificeren, maar er vindt naar onze inschatting ook veel rechtsvormingplaats, juist op de overkoepelende onderwerpen. De beweging naar vorenis daar het belangrijkste voorbeeld van. Die leent zich niet voor rechts-vorming in de rechtspraak. Er is dus duidelijk sprake van een rechtsvor-mende taak voor de wetgever. Dat geldt ook voor het faciliteren van hetdigitaal strafproces en voor de nieuwe opsporingsbevoegdheden, zoalsnetwerkdoorzoeking en de mogelijkheid om onderzoek te doen naar degegevens die binnenkomen na inbeslagneming. Het nieuwe wetboekdient dus zeker niet alleen om de rechtspraak te codificeren. Het is veelfundamenteler dan dat.De heer Sneller vroeg ook aandacht voor de begrijpelijkheid van derechtspraak. Dat heeft mijn aandacht, ook in het licht van de wetgevings-kwaliteit in de ruime zin van het woord. De wetgevingskwaliteit en detoegankelijkheid van de wet zijn een onderdeel van de toegankelijkheidvan het recht en daarmee van het vertrouwen in het recht. Dat geldt dusook voor het recht dat door de rechtspraak wordt gesproken. Het is vanbelang dat iedereen begrijpt waar de rechtszaak over gaat en wat er in deuitspraak is weergegeven. Rechtspreken in begrijpelijke taal is de normvoor rechters. Die norm is niet in de wet vastgelegd, maar ik verwacht ookniet dat het vastleggen in de wet veel effect zou sorteren. Dat is ook nietnodig, want de rechtspraak besteedt in verschillende vormen zelf alaandacht aan meer begrijpelijke taal. Het gaat overigens niet alleen omeenvoudig taalgebruik, maar ook om de opbouw van de uitleg overjuridische begrippen, het juridisch kader en de argumentatielijn. Dat geldtniet alleen voor uitspraken, maar ook voor brieven aan rechtzoekenden,verdachten en slachtoffers. Daarin moet in klare taal worden geschreven.Dat maakt allemaal onderdeel uit van de uitvoering, maar een wettelijkebepaling lijkt mij daarvoor niet nodig.Dan kom ik op de vraag van de heer Koops over de efficiëntie als deverdachte voor het verhoor al weet waarvan hij wordt verdacht. Het gaatdus eigenlijk om de praktische invulling van artikel 1.4.4, dat ertoe strektde verdachte voorafgaande aan het verhoor te informeren over waar hijnou precies van wordt verdacht. Dat is natuurlijk van groot belang. Hetbetekent inderdaad dat er, om te beginnen bij de politie, zo concreetmogelijk moet worden omschreven waar het om gaat. Ik signaleer wel –dat deed het lid Koops ook – dat er soms belang bij is om niet te veelinformatie te verstrekken, bijvoorbeeld omdat de wens bestaat dat deverdachte zelf spontaan verklaart wat er is gebeurd. Daar moet dus eenbalans in worden gevonden.Ik signaleer nog wel dat er, zoals in het stelsel nu voorzien wordt, veelvaker een raadsman aanwezig is. Dan gaat het dus om een consultatie-raadsman, zelfs voorafgaand aan het verhoor. Deze zal ook een belang-rijke rol kunnen spelen bij het geven van uitleg aan een verdachte overwaar het om gaat. Dat zal de efficiëntie vergroten, zoals de heer Koopsheeft beschreven.De heer Koops (NSC):In dit verband denk ik aan de rechten van de verdachte. Die heeft ookvoorafgaand recht op de processtukken, en op die hele reeks informatiewaar hij op moet worden gewezen op het moment dat hij als het wareTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5463 wordt opgeroepen voor verhoor. Het probleem dat ik probeerde aan teduiden, gaat echt over het arrestantencomplex hier op de burgemeesterPatijnlaan, op het hoofdbureau van de politie. Ik had het dus niet over degevallen waarin iemand een competente raadsman heeft gevonden. Hethoeft geen grote zaak te zijn, hè. Het belang dat u zojuist onderkende – ikdoel op de uitspraak dat je soms gewoon niet aan de verdachte moetvertellen waar die van wordt verdacht, zodat die uit zichzelf een authen-tieke verklaring kan afleggen – lijkt mij ondergeschikt aan het belang datdie verdachte volgens dit wetboek heeft om wél te weten waar die vanverdacht wordt, en wel zo concreet en precies mogelijk. De Staatssecre-taris zegt dat er een balans moet worden gevonden in die afweging. Is datwerkelijk zo als je het puur hebt over de verdenking, dus nog niet over debewijsmiddelen waarop die is gestoeld, maar puur over het vermoedelijkeverwijt?Staatssecretaris Struycken:Ik onderken het belang dat de verdachte, ook vanuit het beginsel van eengoede procesorde, moet kunnen begrijpen waarvan hij wordt verdacht. Ikzie ook wel dat dat mogelijk moet zijn zonder al te veel prijs te geven. Iksluit niet uit dat de balans soms niet goed wordt getroffen. Ik denk dat hetuitgangspunt van de wet helder is. Het gaat hier dus om een uitleg vanartikel 1.4.4. Ik zou daarbij willen inzetten op betere richtlijnen, enmisschien een betere cultuur, als het gaat om het uitwerken van artikel1.4.4, op een wijze die rechtdoet aan de belangen van de verdachte. Maarhet is terecht dat de heer Koops daar vanuit zijn ervaring aandacht voorvraagt.De voorzitter:Nog een vraag van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Dat klinkt me als muziek in de oren, maar moet dat wachten op invoeringvan het nieuwe wetboek en het nieuwe artikel 1.4.4? Of kunnen we daaropvooruitlopen nu dit stukje daarvan feitelijk vandaag de dag in de praktijk alspeelt? Als het een kwestie is van het verbeteren van interne richtlijnen endergelijke, lijkt het mij dat dat niet hoeft te wachten op de introductie vandit complete wetboek.Staatssecretaris Struycken:Dat staat inderdaad los van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Wezullen dit verder bespreken. Het behoort ook tot het domein van deMinister. We zullen hier aandacht voor vragen.De voorzitter:Gaat u vooral verder.Staatssecretaris Struycken:De heer Van Dijk vroeg nog of het wenselijk is dat er een meer preciezetermijn wordt opgenomen waarbinnen de rechter moet beslissen. Er is inde wet al vastgelegd dat de rechter uiterlijk twee weken na het sluiten vanhet onderzoek uitspraak moet doen. Een termijn voor de hele strafpro-cedure wordt lastig. Dat kunnen we namelijk niet in algemene zin bepalen.Iedere strafzaak is anders en de verschillen zijn te groot. Het hangt erg afvan de mate waarin getuigen worden gehoord, nader onderzoek moetworden gedaan en rapportages nodig zijn. We kennen uiteraard wel hetbeginsel dat een strafprocedure binnen een redelijke termijn moet wordengevoerd, als uitvloeisel van een recht op een eerlijk proces, maar daar isgeen vast getal voor te vinden. We zien dus dat het lastig is om hieraanverder uitwerking te geven in de wet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5464 De heer Emiel van Dijk vroeg ook naar de videoconferentie, naar deregeling thans, hoe vaak het horen van een verdachte via een videoconfe-rentie nu al gebeurt en de bestaande mogelijkheden. In het nieuwewetboek is de regeling inzake videoconferentie op een aantal puntenverruimd. Aan de regeling is toegevoegd dat naast het horen, verhoren ofondervragen van een persoon ook het bijwonen van een zitting plaats kanvinden per videoconferentie. Hierdoor wordt een persoon in staat gesteldals toehoorder de zitting bij te wonen, ook als die persoon niet wordtondervraagd. Daarnaast is bij de vereiste van instemming van deverdachte opgenomen dat deze niet alleen geldt voor berechting door eenmeervoudige kamer, maar voor iedere vorm van berechting, dus ookindien de zaak enkelvoudig wordt behandeld. Ten slotte is in het nieuwewetboek de groep procesdeelnemers die door de rechter om een meningwordt gevraagd over de toepassing van de videoconferentie, uitgebreid.De verdachte of de veroordeelde en de persoon die het spreekrecht kanuitoefenen, zijn toegevoegd als persoon die de rechter in de gelegenheidstelt zijn mening over de toepassing van de videoconferentie kenbaar temaken.Dat brengt me op de vraag wanneer de videoconferentie opportuun is,wanneer het is aangewezen. In de praktijk wordt niet bijgehouden hoevaak verdachten via videoconferentie worden verhoord of aanwezig zijnter zitting. Maar dit gebeurt bijvoorbeeld in het kader van de raadkamergevangenhouding, waarin over de voortduring van de voorlopigehechtenis wordt beslist. In strafzaken van gedetineerden met eenbijzonder veiligheidsrisico kan het aangewezen zijn de gedetineerden viade videoconferentie te laten deelnemen. De verdachte heeft het recht ombij de behandeling van de strafzaak aanwezig te zijn, want hij moet instaat worden gesteld zich te verdedigen tegen de beschuldiging. Daarommoet eerst worden gekeken naar de mogelijkheid of de verdachte, indienhij dat wenst, fysiek aanwezig kan zijn. Dat is nou eenmaal uitgangspuntals onderdeel van een recht op een eerlijk proces. Dit is het uitgangspunt,want het aanwezigheidsrecht is niet absoluut. Berechting buiten aanwe-zigheid van de verdachte op de terechtzitting is onder omstandighedenmogelijk. De uitzonderingen op dat instemmingsrecht zijn beperkt tot degevallen waarin dat dringend noodzakelijk is in het bijzondere belang vande beveiliging van het verhoor van de zitting of van het vervoer naar dezitting.Dat brengt mij op het amendement van de heer Ellian op stuk nr. 28. Deheer Ellian stelt in zijn amendement voor om wettelijk te regelen dat in hetgeval van een verdachte die is gedetineerd in de ebi of een AIT gebruikwordt gemaakt van de videoconferentie als uitgangspunt, tenzij de rechterwegens bijzondere omstandigheden anders beslist. Dat is dus eenomkering: videoconferentie, tenzij, in plaats van andersom. Het huidigeuitgangspunt is gebaseerd op het recht van de verdachte om aanwezig tezijn. Zoals ik net noemde, is het een van de fundamentele pijlers van hetrecht op een eerlijk proces. Doel van de mogelijkheid om af te wijken ishet beperken van de risico’s die gepaard gaan met vervoersbewegingen.Zeker voor gedetineerden in de ebi zie ik dat dit risico substantieel kanzijn. Desalniettemin aarzel ik om dit amendement oordeel Kamer te geven.De reden is dat het niet goed uitvoerbaar is in een AIT. De voorzieningendaar zijn niet toegerust op het aantal gedetineerden in dat regime, eenaantal dat bovendien naar verwachting gaat toenemen. Ik zou geenmoeite hebben om het amendement oordeel Kamer te geven als het zouzijn beperkt tot gedetineerden in een ebi. Maar op dit moment heb ik nietde ruimte en kan ik niet voorzien of het ook praktisch haalbaar is voor deAIT’s.De heer Ellian (VVD):Ik waardeer de open houding in algemene zin van de Staatssecretaris envan het kabinet als geheel. Dat wil ik in overweging nemen, ware het nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5465 dat we nog drie jaar tot invoering hebben. Als je het wettelijkuitgangspunt zo formuleert voor deze in z’n totaliteit minder dan – wat zalhet zijn – 100 personen, kun je dat praktisch natuurlijk wel vormgeven.Daar zit aan mijn kant weer de aarzeling, maar ik zie de handreiking vande Staatssecretaris. Ik ga er even over denken, omdat het iets is wat ik allang voor elkaar probeer te krijgen. Ik hoor dat de Staatssecretaris ééndeel kan omarmen. Dat zie ik als winst. Ik ga er even over nadenken,omdat we nog even hebben om die praktische consequenties met elkaaruit te discussiëren de komende weken.Staatssecretaris Struycken:Zoals ik aangaf, omarmen we het wat betreft de ebi. Er is het praktischepunt van de uitvoerbaarheid, over een aantal jaren inderdaad. Er zitnatuurlijk ook het principiële punt in omdat het wel een beperking is vaneen fundamenteel recht van de verdachte. Daar zullen we ook een wegingin moeten blijven maken. Het kan zijn dat die anders uit moet vallen voorenerzijds de gedetineerde in de ebi en anderzijds de gedetineerde in eenAIT. Maar ik stel voor dat we dit verder verkennen langs ambtelijke wegom te komen tot een amendement dat wij oordeel Kamer kunnen geven inhet licht van deze afwegingen.De heer Ellian (VVD):Helder. Laten we dat doen de komende weken. Uiteraard is de ambts-genoot van de Minister verantwoordelijk voor de uitvoering. Ik heb megebaseerd op het feit dat ook in de AIT bijna dezelfde soort veiligheids-maatregelen, in ieder geval voor het vervoer, noodzakelijk zijn. Ter zittingkan dat nog wel verschillen, dus daar zouden we even naar moeten kijken.Maar ik heb me gebaseerd op het principiële uitgangspunt dat debeveiligingsmaatregelen hetzelfde zijn. Het risico bij AIT is hoog en bij ebiextreem, maar dat maakt nog steeds dat er een heleboel omheengeregeld moet worden. Dat afwegende ten opzichte van de maatschappe-lijke kosten, risico’s en neveneffecten, dacht ik: nou, dan kun je hetwettelijke uitgangspunt omdraaien. Dat we dit voor de ebi kunnen gaandoen, beschouw ik al als een mooie stap. Laten we de komende wekenernaar kijken. Dat doen we dan ambtelijk.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Ik ga snel door naar de vragen rond digitalisering. De heer VanDijk vroeg aandacht voor degenen die niet zo goed de weg weten in demogelijkheden van digitale communicatie. Op digitale communicatiezetten we zwaar in, want we denken dat dat sterk bijdraagt aan eenefficiënter verloop van het strafproces. Daarbij spannen we ons in om diedigitale communicatie voor iedereen zo toegankelijk en begrijpelijkmogelijk te laten zijn. Onderdeel zal ook zijn dat rechtsbijstandverleners instaat worden gesteld hierbij te assisteren. Voor mensen die ondanks deondersteuning niet in staat zijn gebruik te maken van de digitalevoorziening, moeten er alternatieven blijven openstaan. Burgers zullennooit worden verplicht langs digitale weg, langs elektronische weg tecommuniceren. Die verplichting kan wel worden gecreëerd vooradvocaten die burgers bijstaan – zij zelf echter niet. Burgers kunnen dusgewoon via de post blijven communiceren. Ook een rechtsmiddel kan perpost of door een daartoe strekkende mondelinge mededeling bij de griffieworden ingesteld.De heer Van Nispen vroeg nog naar de belasting door audiovisueleregistratie. De Innovatiewet Strafvordering maakt het mogelijk omaudiovisuele registratie, AVR, samen met een verkort proces-verbaal tegebruiken als alternatief voor een volledig proces-verbaal. De rechtspraakheeft daarmee in de pilotprojecten onder de Innovatiewet Strafvorderingervaring opgedaan. Op basis van die ervaring signaleert de rechtspraakTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5466 problemen die ontstaan bij het gebruik van opnames van politieverhorenen zittingen in combinatie met een verkort proces-verbaal.We hebben de Innovatiewet Strafvordering geëvalueerd. Voor de kerstheb ik onze beleidsreactie op de evaluatie naar uw Kamer gezonden. Zoalsdaaruit blijkt en mede op basis van de ervaringen zijn de pilotprojectenmet betrekking tot de AVR niet verlengd. Ook hebben wij besloten om debepalingen van de Innovatiewet die zien op AVR op de zitting, niet tecontinueren. De bepalingen in de Innovatiewet Strafvordering die zien opAVR van verdachtenverhoren en camerabeelden, worden wél geconti-nueerd tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek. De reden isdat technische ontwikkelingen in de toekomst wellicht veranderingkunnen brengen in het standpunt van de rechtspraak en de andereketenpartners. Dan is het van belang dat de desbetreffende wettelijkemogelijkheden voor toepassing meteen beschikbaar zijn. Ook de politie isdaar voorstander van. De verlenging van de bepalingen inzake verdach-tenverhoren en camerabeelden is informeel afgestemd met het OM en derechtspraak. Het wetsvoorstel gaat naar verwachting deze week in formeleconsultatie.Voorzitter. Ik kom aan mijn laatste blokje.De voorzitter:Maar eerst nog een vraag van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Volgens mij had ik nog een vraag gesteld over het monitoren van devooruitgang: wordt wel of niet de goede digitale slag gemaakt? Want wehebben ontzettend veel miljoenen verspeeld aan digitalisering en hetloopt nog niet helemaal. In mijn beleving is er wel vooruitgang geboektmet de civiele zaken, familierecht, faillissementen en het vreemdelingen-recht, maar in onze beleving hebben we het dan nog niet over strafzaken.Ik zei in mijn bijdrage al dat ik me dus enorme zorgen maak over dedigitale slag die nog gemaakt moet worden binnen de strafrechtketen.Mijn concrete vraag was hoe en door wie die vooruitgang wordtgemonitord, want dat is volgens mij wel nodig om ervoor te zorgen dat destrafrechtketen zijn werk goed en adequaat kan doen.Staatssecretaris Struycken:Mevrouw Mutluer haalt me bijna de woorden uit de mond, want dat zijnde vragen waarmee ik wilde afsluiten.Mevrouw Mutluer en overigens ook de heer Sneller hebben gevraagd:hoe nu verder? De streefdatum is zondag 1 april.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):In welk jaar?Staatssecretaris Struycken:2029; het is nog ver weg, maar het is een zondag en het zal 1 april zijn.Deze datum is in samenspraak met ketenorganisaties zodanig gekozen dater sprake is van voldoende tijd en ruimte. Ook de zondag is een bewustekeuze, zo heb ik me laten vertellen. We hebben nu nog enkele jaren nodigom de ICT-systemen en de werkprocessen aan te passen en de betrokkenmedewerkers op te leiden. Het ministerie is nauw betrokken bij deimplementatieaanpak en stuurt daar heel actief op via de jaarplancyclusvan de ketenorganisaties. Bij het ontwikkelen van de implementatie-aanpak is goed gekeken naar de lessen uit eerdere implementatietra-jecten, zoals die bij de invoering van de nieuwe Omgevingswet. Deaanpassingen van de ICT gaan plaatsvinden naast en in combinatie methet bouwen van nieuwe applicaties door de diverse ketenorganisatiesvoor registratie van zaken. De voorbereidingen voor de benodigdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5467 aanpassingen en de bijscholing van medewerkers liggen momenteel opschema.Ik ga nog even in op de reflectie van de heer Sneller dat er een discre-pantie is tussen enerzijds de observatie dat de strafketen helemaalvastloopt en anderzijds het gegeven dat een fundamentele herzieningnaar het oordeel van het kabinet niet nodig lijkt te zijn. Het antwoord is: ja,het wetboek helpt, maar er is inderdaad meer nodig. Toen het kabinet aande slag ging met het wetboek hebben we gezegd: geen fundamenteleherziening. Want de fundamenten van het wetboek, de beginselen waarophet rust, staan en werken. Voor deze benadering was destijds veel steun.Ik zeg er ook bij dat het voor de keten nog belastender zou zijn als we defundamenten helemaal zouden herzien. Dat zou een enorme opgave zijndie alles op zijn kop zou zetten. In het nieuwe wetboek hebben wenatuurlijk ook voorstellen opgenomen die eraan bijdragen dat het procesefficiënter kan verlopen, om die strafketen los te krijgen – dat is toch echtwel de beweging naar voren waar we mee begonnen zijn – zodat zakenpas naar de zitting komen als ze zittingsklaar zijn. Maar we moeten eerlijkzijn: schaarste zal er altijd zijn en strafbare feiten zullen altijd gepleegdblijven worden. Er moet dus ook worden bekeken waar de capaciteitenworden ingezet. Ik sprak al even over de voorbereidingen. Er zijnketencoördinatoren aangesteld die de aanpak van de doorlooptijdencoördineren. We hebben uw Kamer daar al eerder over geïnformeerd. Datbetreft ook de kritische selectie van zaken die worden vervolgd. We zullende Tweede Kamer in de jaarlijkse voortgangsbrief strafrechtketen naderinformeren over de maatregelen en de stand van zaken.Nog drie vragen, die ik zo kort mogelijk beantwoord. De eerste is van deheer Koops, inzake versterking van de kabinetten – ik gebruik met opzethet meervoud – van de rechters-commissaris. Inderdaad, een versterkingis daar nodig. De Raad voor de rechtspraak heeft al diverse formeleconsultatieadviezen uitgebracht waarin uitgebreid wordt toegelicht dat dekabinetten versterking behoeven. De heer Koops vroeg naar de ervaringenvan de vier zogenaamde concentratierechtbanken. Er zijn bij ons geenaanwijzingen bekend dat er daar een probleem zou zijn bij de kabinettenvan de rechter-commissaris, behalve dan dat die kabinetten het erg drukhebben. De rechtspraak zal zelf de voorzieningen treffen die nodig zijn.Daarbij wordt opgemerkt dat de omvang van de versterking van dekabinetten sterk zal afhangen van de mate waarin de praktijk gebruik zalmaken van de mogelijkheden die dat nieuwe wetboek biedt. In beginselzijn de strafrechtketenorganisaties zelf verantwoordelijk voor de imple-mentatie en de werkprocessen die vorm moeten worden gegeven. Hetwordt steeds duidelijker wat de gevolgen zijn voor elk organisatieon-derdeel en dus ook voor de kabinetten van de rechter-commissaris. Dezewerklasteffecten worden in kaart gebracht. Het voorlopige totaalbeeld vande uitvoeringsconsequenties wordt toegelicht in de memorie vantoelichting bij de invoeringswet, zoals ik al vermeldde.De heer Van Nispen noemde en passant nog de tolken. In een Kamerbrief– die heb ik al eerder toegezegd, maar kan nu elk moment naar uw Kamergaan – wordt nader ingegaan op de dienstverlening door tolken in destrafrechtprocedure. Dan zal ik ook ingaan op de motie.Dan sluit ik af met de vraag van de heer Koops inzake de kosten diegemoeid zijn met een enkelbandregime in vergelijking met de kosten vanvoorlopige hechtenis. In de huidige situatie kan de rechter voorlopigehechtenis schorsen met bijzondere voorwaarden, waarbij ook eenenkelband kan worden opgelegd. De kosten voor de tenuitvoerleggingvan een gevangenisstraf bedragen in 2024 € 440 per dag. Dat is deberekening. Voor elektronische monitoring maken zowel de reclasseringals de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de DJI ook kosten. In 2024was de kostprijs voor elektronische monitoring na loon- en prijsbijstelling€ 26 en nog een beetje per dag. De kostprijs voor een enkelband van deDienst Vervoer en Ondersteuning was € 33. Wanneer er sprake is vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5468 schorsing van voorlopige hechtenis met enkelband is er vaak ook sprakevan andere kosten in verband met het bijbehorende toezichtstraject en deinvulling daarvan. Die bijbehorende kosten zijn niet meegenomen. In dehuidige situatie wordt al zorgvuldig bekeken of voorlopige hechtenis echtnodig is en of het verantwoord is die te schorsen met bijzonderevoorwaarden.Volgende maand start een pilot in Rotterdam, waarbij de reclassering derechter vaker dan voorheen gaat adviseren over de mogelijkheden op ditpunt. Dan zal ook worden gekeken of intensivering van de advisering derechter helpt om de afweging nog zorgvuldiger en beter geïnformeerd tekunnen maken.Ik maak de heer Koops ook attent op het programma slimmer straffen enstraffen op maat. Daarbij wordt ook zorgvuldig gekeken naar de mogelijk-heden die een enkelband kan bieden als alternatief ernaast of alsafzonderlijke hoofdstraf naast detentie, mede in het licht van de doelenvan de voorlopige hechtenis. Daarover zullen we volgende week naderspreken in verband met Boek 2.Voorzitter. Daarmee kom ik aan het eind van alle vragen die mij vandaaggesteld zijn.De voorzitter:Goed. Ik dank u hartelijk voor de beantwoording. Zijn er nog vragenblijven liggen? Mevrouw Mutluer knikt.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Volgens mij miste ik nog een antwoord op een vraag over privacybe-scherming en de aanvullende wettelijke normering van gegevensver-werking. Wanneer kunnen we dat verwachten?Ik heb ook nog iets gezegd over de belasting van onder andere de agentendie verder getraind moeten worden. U kunt ervan uitgaan dat ik daaropterugkom in het plenaire debat. O, daar gaat de Minister een antwoord opgeven. Perfect. Dan wacht ik daarop. Op beide punten? Natuurlijk. Ik wasde Minister helemaal vergeten.De voorzitter:Ach, mevrouw Mutluer ...Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Wel heel erg bedankt dat hij erbij is.De voorzitter:Oké. Dat gaan we zo doen. Dan geef ik de Minister met alle plezier hetwoord. Ik was u niet vergeten, hoor.Minister Van Weel:Dank, voorzitter. Ik voelde mij op momenten ook vergeten vandaag. Datzal niet elke keer het geval zijn. Volgende week spreken we over Boek 2 endan verwacht ik een aanzienlijk actievere rol te kunnen spelen. Ik had ookeen algemeen inleidende tekst, maar om 16.50 uur lijkt me dat niethelemaal datgene waar we op zitten te wachten. Ik hoop dat u mij nieteuvel duidt dat ik na mijn inbreng de tweede termijn graag aan deStaatssecretaris laat in dit debat. Volgende week zie ik u dan heel graagweer terug.Ik beperk me tot drie hele korte blokjes: Boek 1 en Boek 2 – daar sprekenwe vandaag niet over, maar dat vertel ik u dan in dat blokje – en Boek 3,dat gaat over de implementatie en de uitvoeringsconsequenties. Eenaantal van de vragen die mevrouw Mutluer noemde, komen daar ookterug.Ik begin met de vraag van de heer Ellian over het opportuniteitsbeginsel.Ik deel met hem de vreugde dat dat nu wordt uitgebreid naar de opspo-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5469 ringsinstanties zelf, en dus niet alleen het OM. Hij vroeg in hoeverre hetcapaciteitsvraagstuk daarbij een rol speelt. Dat speelt daar per definitieeen rol in, want het is kiezen in schaarste. Met het opportuniteitsbeginselis beoogd om het OM daarbij een algemene richtlijn mee te geven, dat hetin het kader van het algemeen belang de schaarse opsporingscapaciteitdient toe te wijzen. Nu is daar ook een rol voor opsporingsinstanties alsde politie in. Er is wel voor gekozen om dat niet verder te expliciteren,omdat dat algemeen belang natuurlijk kan verschuiven, al naar het gelanghet maatschappelijk debat, het criminaliteitsbeeld, waar de knelpunten inde keten zitten en zo kan ik nog wel een aantal variabelen bedenken. Dushet valt wel degelijk onder de definitie zoals die er is. Nog sterker, ik denkdat capaciteit een van de beginselen is waarmee je moet rekenen voordatje keuzes gaat maken wat je wel doet en wat niet. Alleen, ik zou er welvoor willen waken om het nog verder te specificeren in de wetstekstenzoals die er nu liggen.Had ik nog meer onder blok 1? Ja, dat had ik. De heer Van Nispen vroegnog of het uitgangspunt dat het strafrecht ultimum remedium is wettelijkmoet worden vastgelegd. Het ultimum-remediumprincipe wordt in deliteratuur vaak gekoppeld aan de strafbaarstelling van bepaald onwen-selijk gedrag. Alleen als geen enkel ander middel geschikt is om eenbepaald doel te bereiken kan worden gekozen voor strafbaarstelling. In decontext van strafvordering krijgt het principe zo invulling dat het strafrechtmoet worden toegepast als dat de best passende optie is.Dat geldt ook voor de vraag of strafrechtelijk moet worden gehandhaafdin een concreet geval. In het Wetboek van Strafvordering komt dit al opverschillende plaatsen terug. Zo is bepaald dat kan worden afgezien vanhet instellen van een opsporingsonderzoek of het vervolgen daarvan, alsdat kortgezegd niet opportuun is, bijvoorbeeld omdat het om eenbagatelfeit gaat. Dat staat in artikel 1.3.15. Het Openbaar Ministerie kan opgrond van het opportuniteitsbeginsel om dezelfde reden afzien vanverdere vervolging. Wat ons betreft is het dus niet nodig om het ultimum-remediumprincipe ook als abstract principe voor de strafvordering in dewet op te nemen.Dan kom ik bij Boek 2. Zoals ik al zei, en dat zeg ik vooral tegen de heerSneller en mevrouw Bikker, die daar ook een aantal vragen over had, enmevrouw Mutluer: we spreken volgende week over Boek 2, en devoorlopige hechtenis komt daarin prominent naar voren. En dan neem ikook graag de vraag van de heer Sneller in mijn beantwoording mee.Mevrouw Bikker vroeg in hoeverre de wet voorziet in de behoefte van deopsporing om te experimenteren met bevoegdheden. Zij is er nu niet, dusik zal volgende week ook wat uitgebreider ingaan op deze thematiek. Nuvolsta ik met de cliffhanger «ja». Volgende week hoort u dan ook het«hoe».Mevrouw Mutluer vroeg naar de aanvullende normering voor gegevens-verwerking. In de eerste aanvullingswet is een eerste begin gemaakt metde aanvullende normering van de strafvorderlijke gegevensverwerking.De adviezen over de eerste aanvullingswet worden op dit momentverwerkt. Geconstateerd is dat dit onderwerp nog veel complexe enjuridische en technische vragen oproept. In dit licht wordt de komendejaren buiten het traject van het nieuwe wetboek gewerkt aan het ontwik-kelen van de normering van de strafvorderlijke gegevensverwerking. Tergelegenheid van het wetgevingsoverleg over Boek 2, dus ook weervolgende week, zal ik hier nader op ingaan. Ik hoop dat ik u ook eenconceptbrief kan doen toekomen voor die tijd, want dat zou het debat tengoede komen, over het instellen van de commissie strafvorderlijkegegevensverwerking. Daar zet ik in ieder geval op in.Ten slotte had de heer Sneller nog een vraag over wanneer de resultatenvan het onderzoek van de RSJ over de voorlopige hechtenis wordenverwacht. Het onderzoek is opgenomen in het adviesprogramma van deRSJ. Het onderzoek moet nog gestart worden. De resultaten worden in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5470 loop van 2025 verwacht. En met «in de loop» bedoel ik niet «de eerstehelft», zeg ik tegen de heer Sneller.Dat brengt mij naar het laatste blokje: implementatie en doorlooptijden.Mevrouw Bikker, maar ook anderen – de Staatssecretaris refereerde daarook aan – klaagden erover dat het piep en kraakt in de strafrechtketen endat de doorlooptijden langer worden en de afstanden groter. De werkdrukis al tijden heel hoog, zeg ik tegen u allen via de voorzitter, evenals dedoorlooptijden. Diverse organisaties hebben daarom van het vorigekabinet, maar ook van ons, flinke financiële injecties gekregen om decapaciteit en de voorzieningen op orde te brengen. Maar, en dat heb ik inmeerdere overleggen met uw commissie gewisseld, met de krapte op dearbeidsmarkt en de beperkte opleidingscapaciteit is dit probleem helaasniet vandaag of morgen opgelost. De ketenorganisaties doen wel hunuiterste best om de capaciteit zo snel als mogelijk op orde te krijgen enom de werkdruk naar een wel aanvaardbaar peil te brengen. Dat geldt ookvoor het wegwerken van de voorraden en het terugdringen van dedoorlooptijden. Het heeft de aandacht van zowel de strafketenorganisatiesalsook van ons. Voor een aantal zakenstromen zijn de ketenorganisatiesbezig om een meerjarenagenda vast te stellen voor de doorlooptijden,waarbij het doel is om met elkaar af te spreken welke doelen metbetrekking tot doorlooptijden binnen welke termijnen dienen te wordenbehaald en welke inspanningen elke organisatie daarbij zal leveren. Wespraken daar ook over tijdens het laatste commissiedebat over destrafrechtketen en de doorlooptijden daarvan. Periodiek overleg met deketen onder leiding van de secretaris-generaal van ons ministerie dient erook toe om de vinger aan de pols te houden voor of de ketenorganisatieselkaar hier vinden en die maatregelen dan ook daadwerkelijk verbeteringbrengen.Er was ook nog een vraag van de heer Van Nispen en mevrouw Mutluer.Die ging over het opleidingsbudget. Ik neem daar ook de algemenefinanciën in mee, de 450 miljoen, en de korting die daarop van toepassingis gemaakt middels een amendement. Laat ik eerlijk zijn: we hebben datamendement ontraden, om de reden dat wij vonden dat het bedrag datstond gereserveerd voor de implementatie van de strafvorderingswet, die450 miljoen, daarvoor benodigd was. Het amendement is aangenomen endus hebben wij het uitgevoerd, maar dat betekent ook dat we de komendejaren zullen moeten gaan kijken wat dit betekent voor de implementatie:kunnen we dingen op een andere manier inrichten, waardoor we wel dedoelen behalen op het juiste moment, of moeten we daar op een anderemanier keuzes in maken? Dat zullen wij gaan doen, maar daar kan ik nunog niet op vooruitlopen. Dat budget is onder meer bedoeld voor hetbijscholen van medewerkers in de strafrechtketen, dus ook voor officierenvan justitie, zeg ik tegen de heer Van Nispen.De voorzitter:En hij heeft een vraag.De heer Van Nispen (SP):Ja, voorzitter. Ik snap het antwoord wel, maar ik vind het ook een beetjeflauw, omdat met het amendement – en het was niet mijn amendement –een probleem werd opgelost dat eigenlijk door een vorige bewinds-persoon was veroorzaakt en dat de regering verzuimde op te lossen. Maargoed, ik had niet eens een vraag gesteld over het amendement. Ik hadgeen vraag gesteld over het gat in dat budget. Ik ben bekend met deuitdaging. Ik snap overigens dat 20 miljoen op een totaal van 450 miljoenvervelend is en dat het opgelost moet worden, maar dat kan natuurlijknooit het hele verhaal zijn. Mijn vraag ging er vooral over of je ommensen op te leiden niet alleen voldoende budget nodig hebt, maar ookvoldoende mensen. Het budget kan er namelijk wel zijn, maar als je demensen er niet voor hebt... Daar ging mijn vraag eigenlijk over.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5471 Minister Van Weel:Ik kom daar zo nog even op terug. Als het over de politieorganisatie gaat,ga ik specifiek in op de opleidingsinspanning die dit allemaal vraagt en opwat dat betekent voor de operationele capaciteit op het moment dat wedie opleidingsinspanning moet leveren. Mevrouw Mutluer vroeg ook watde impact hiervan is op de operationele capaciteit.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Naar mijn weten komen er jaarlijks vanuit de organisaties herijktebestedingsplannen. Daarmee wordt opnieuw gekeken naar het implemen-tatiebudget bij de reguliere begrotingsmomenten. Ik snap dus wel dat we450 miljoen met elkaar hebben afgesproken, maar ik neem aan dat wejaarlijks gaan kijken of dat daadwerkelijk voldoende is. Mag ik dat ook zozien? Er komt ook nog een invoeringstoets. Mijn gevoel zegt dat 450miljoen never nooit voldoende zal zijn. Ik begrijp dat men daar zijn bestvoor gaat doen. Aan de andere kant wil je voorkomen dat je met eenopeneindefinanciering komt te zitten. Dus ik heb wel even de behoefte omhier verder over door te praten, want de organisaties geven zelf aan dathet ze niet lukt. We moeten dus inderdaad ook de komende drie tot vierjaar in de gaten houden met wat voor bestedingsplannen ze komen. Ikvind wel dat deze Minister daar al op moet gaan anticiperen, zeker omdatwe ook die invoeringstoets gaan doen. Hoe ziet hij dat dan voor zich?Minister Van Weel:Ik ben dat eens met mevrouw Mutluer. Terecht refereert zij aan dereguliere begrotingsmomenten die we hebben. Dit is overigens niet deenige uitdaging die we hebben binnen het hele domein of de begrotingvan Justitie en Veiligheid. Dat vergt continu integrale keuzes. Daar bent uals Kamer ook altijd bij betrokken, want al deze bedragen staan ook in debegroting. Anders waren ze ook nooit gevonden ten behoeve van hetamendement, zeg ik dan maar. Het is aan ons om een voorstel te doen endat met uw Kamer te bespreken. Daar hoort de hele invoeringstoets vandit wetboek natuurlijk ook bij. Hoe dichterbij we komen, hoe concreter dieramingen natuurlijk worden; je begint met een inschatting en die wordtconcreter naarmate je verder komt. Dus to be continued, zou ik zeggen.Dan de bijscholing. Er moeten ongeveer 60.000 politiemedewerkers en1.500 docenten worden bijgeschoold voor het nieuwe Wetboek vanStrafvordering. Bij de bijscholing wordt onderscheid gemaakt tussenverschillende doelgroepen binnen de politie, tussen generalisten enspecialisten bijvoorbeeld. Het aantal uren bijscholing dat nodig is, zalverschillen per doelgroep. Op dit moment is de Politieacademie bezig metin kaart brengen wat er moet worden aangepast in het curriculum en in deontwikkeling van het bijscholingstraject voor het zittende personeel. Hetuitgangspunt is dat bijscholing zo veel mogelijk binnen de reguliereopleidingsverplichtingen van de politiemedewerkers zal plaatsvinden.Desalniettemin durf ik u nu al te zeggen dat de invoering in 2028 en 2029onvermijdelijk enige impact zal hebben op de operationeel inzetbarecapaciteit van de politie en op de beschikbare opleidingscapaciteit.Naarmate we dichterbij komen, zal dat concreter worden. Zoals ik zeg, kanik daar nog niet al te concreet over zijn, maar naarmate we meer zichthebben, zal dat ook onderdeel worden van de invoeringstoets die wezullen doen.De heer Koops had gevraagd naar de procesafspraken. Hij vroeg of webewust kiezen voor het afwachten van de praktijkervaringen voordat wekomen tot een wettelijke regeling omtrent de procesafspraken. Ik ben metde heer Koops van mening dat het van groot belang is dat het nieuwewetboek een specifieke wettelijke regeling voor procesafspraken zalbevatten. Daarom bevat de eerste aanvullingswet ook zo’n regeling.Daarmee zal de regeling van procesafspraken ook deel uitmaken van hetnieuwe wetboek. Ik ben het dus ook met de heer Koops eens dat eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5472 specifieke wettelijke regeling de wetgever de mogelijkheid geeft om zelfprincipiële vragen te beantwoorden die samenhangen met het fenomeenprocesafspraken. Daarmee kan richting worden gegeven aan de praktijken worden de opgedane ervaringen dus niet alleen gecodificeerd. Denkaan de vraag of in alle soorten strafzaken procesafspraken moeten kunnenworden gemaakt en de vraag wat de maximale strafvermindering danmoet zijn die een verdachte daarbij mag krijgen. Ook kan de wetgeverkeuzes maken over de positie van het slachtoffer bij het maken enbeoordelen van procesafspraken. Het streven is om dit separatewetsvoorstel nog in Q1 van dit jaar voor advies voor te leggen aan deRaad van State. Na de verwerking van het advies komt het naar uw Kamertoe. Bij die gelegenheid betrek ik de Kamer natuurlijk graag in een naderebeschouwing over dit onderwerp.De voorzitter:Dan de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Dat roept bij mij een vraag op die ik had willen stellen op een andermoment, wat in alle drukte niet lukte. Dat is dus mooi, want dan kan ik hetnu aan de Minister vragen. Ik meende dat de Staatssecretaris of deMinister zei: in april 2026 moet de eerste aanvullingswet door de Kamerheen zijn. Wij keken elkaar al aan. Ik heb hier enige wetgeving meege-maakt. Als de regering – dat doet de regering vanzelfsprekend grondig enook deugdelijk – het advies van de Raad van State moet verwerken overdeze principiële vraagstukken, hoe zien jullie dat dan voor je? Dat vraag ikheel beleefd, maar wanneer verwacht het kabinet dat wij aan de slag gaanals het er in april 2026 moet zijn? Dat is echt wel kort dag.Minister Van Weel:Hoe zie ik dat voor me? Ik besef dat dat een ambitieus tijdpad is, zeg ik viade voorzitter tegen de heer Ellian. Tegelijkertijd zijn wij nagenoeg gereedom het in ieder geval dit kwartaal nog naar de Raad van State door tegeleiden, zoals ik al zei. Dan heb ik vervolgens de Raad van State nietvolledig in de hand, maar afhankelijk van dat commentaar hoop ik hettijdig bij u te kunnen krijgen, om in ieder geval te kunnen voldoen aan dedeadline die we onszelf hebben opgelegd. Dat geeft geen garantie, zeg iker meteen bij. Uiteindelijk staat grondigheid van de behandeling natuurlijkvoorop.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Weel:Dan was er nog een meer algemene vraag van de heer Sneller enmevrouw Mutluer. Hoe zien we erop toe dat de ketenpartners gezamenlijkoptrekken richting de implementatiedatum? Welke lessen zijn er getrokkenuit de implementatie van bijvoorbeeld de Omgevingswet? Er werd ookgevraagd naar het invoeringstraject en de stand van zaken met betrekkingtot omscholing en ICT. Er werd ook gerefereerd aan de iets minder goedeervaringen met overheidsprojecten op dat vlak – dat klinkt als een goedeeufemistische uitspraak. De streefdatum is 1 april 2029, zoals net ook doorde Staatssecretaris is gemeld. Die datum is in samenspraak met deorganisaties gekozen, zodat de ketenorganisaties tijd en ruimte hebbenvoor een zorgvuldig implementatieproces. Na goedkeuring van dewetsteksten door uw Kamer hebben de organisaties nog enkele jarennodig om hun ICT-systemen en werkprocessen aan te passen en in teregelen, en alle betrokken medewerkers op te leiden. De ketenorganisatieshebben hun implementatieplannen op die invoeringsdatum van 1 april2029 ingericht. Iedereen die denkt dat die organisaties daar nog niet meeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5473 bezig zijn, wil ik een mooie illustratie van de toewijding van dezeorganisaties meegeven. Zo hangt er op een centrale locatie van de politiein het land een aftelklok die terugtelt naar 1 april 2029. Ik kan niet zo heelsnel voorrekenen hoelang dat nog is, maar het feit dat een organisatie demedewerkers daar al attent op probeert te maken, geeft aan dat dit ookvoor de ketenorganisaties een belangrijk moment is en dat ze daar echthun tijd voor nemen en daar nu al mee bezig zijn. Wij zijn daar nauw bijbetrokken vanuit het ministerie. We sturen daarop via de jaarplancyclusvan de ketenorganisaties. Bij het ontwikkelen van die aanpak is ernatuurlijk ook goed gekeken naar de lessen uit eerdere implementatietra-jecten, zoals die van de nieuwe wetgeving ten aanzien van de tenuitvoer-legging en van de Omgevingswet. De aanpassing van ICT gaat plaats-vinden naast en in combinatie met het bouwen van nieuwe applicatiesdoor diverse ketenorganisaties voor de adequate registratie van zaken. Devoorbereiding van de benodigde aanpassingen en de bijscholing vanmedewerkers ligt op dit moment op schema.Dan was er nog een vraag van de heer Van Dijk van de PVV over digitali-sering, hoe daarop wordt gestuurd vanuit de EU en welke bezwarendaarbij gelden, bijvoorbeeld over het digitaal toegankelijk maken van hetstrafdossier. Wat betreft digitaal werken in de strafrechtketen en hetstrafproces zijn er al belangrijke stappen gezet. Ook de Staatssecretarisheeft daar al aan gerefereerd. Het nieuwe wetboek faciliteert de verderedigitalisering van het strafproces. Daartoe voorziet het nieuwe wetboek ineen aantal nieuwe onderdelen. Daarbij sluit de digitalisering aan bij deontwikkelingen in het EU-recht. Met betrekking tot digitalisering wijs ikdaarbij op de verordening over de digitalisering van de justitiële samen-werking, verordening 2023/2844. Met betrekking tot de gegevensbe-scherming wijs ik op de Richtlijn gegevensbescherming opsporing envervolging, richtlijn 2016/680. De uitvoerbaarheid betreft hier een groteuitdaging wat betreft de digitalisering. Met het oog op de uitvoerbaarheidvan het nieuwe wetboek kunnen bij AMvB uitzonderingen wordengemaakt, bijvoorbeeld op de verplichting tot berichtenwisseling langs deelektronische weg. Er zijn in het nieuwe wetboek dus verschillendeknoppen waaraan kan worden gedraaid om voor maatwerk te zorgen watbetreft de digitalisering. De organisaties in de strafrechtketen hebbendaarbij hun eigen digitaliseringsopgaves. Daarmee werken ze samen inhet Duurzaam Digitaal Stelsel op basis van een ketenjaarplan.De opgaves houden verband met het vervangen van het verouderdeICT-landschap, zodat beter kan worden aangesloten op de huidige eisenvan gegevensbescherming en informatiebeveiliging. Beeldbepalendeprojecten op het gebied van digitalisering hierbij zijn Alle Zaken Digitaal,het Digitaal Procesdossier en de Digitale Samenwerkingsruimte ZSM. Ditleidt tot het terugdringen van een groot aantal papierstromen tussen hetOM, de rechtspraak en de tenuitvoerleggingsketen.Dat brengt mij bij de vraag van de heer Van Nispen. Hij vroeg mij naar deadministratieve lasten. Hij noemde daarbij vier specifieke voorbeelden. Ikwil het voorbeeld uit Boek 2 vandaag meenemen, omdat het antwoordeigenlijk voor vele voorbeelden hetzelfde is. Het korte antwoord is dat dieartikelen noodzakelijk worden geacht bij de herziening van het Wetboekvan Strafvordering, want ze versterken de rechtsbescherming van burgersin het strafproces en bevorderen de waarheidsvinding. Zo is de betrouw-baarheid van de identiteitsvaststelling van de verdachte van groot belang.De verdediging moet zo snel mogelijk in staat worden gesteld kennis tenemen van wat er in het verhoor van de verdachte is vastgelegd. Ookmoeten de getuigen worden gewezen op hun rechten en plichten voordatzij worden ondervraagd. Ook is deugdelijke verslaglegging van grootbelang voor de waarheidsvinding. Dat zijn de vier bepalingen. Die zijnweloverwogen tot stand gebracht.Er is ook telkens een afweging gemaakt tussen de diverse betrokkenbelangen, zoals het belang van versterking van de rechtsbescherming enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5474 van de stroomlijning van het strafproces. En ja, ik besef als geen ander datde opsporingscapaciteit onder druk staat. Daarom zijn alle uitvoeringsor-ganisaties ook betrokken geweest bij de totstandkoming en hebben zijhun visie kunnen geven op welk beslag zij denken dat het Wetboek vanStrafvordering in de nieuwe vorm zal leggen op een organisatie. In ditgeval, voor deze vier specifieke taken, wordt door de politie ingeschat datdit leidt tot 25 fte. Dat is niet niks, maar we komen bij de andere boekenook een aantal zaken tegen waarvoor dit wetboek juist een verlichting vande administratievelastendruk geeft. Al met al is het wetboek in balans tenaanzien van de keten en de belastbaarheid daarvan. Ik bestrijd dus niet uwconstatering dat dit leidt tot extra werklasten, maar in de afweging isbesloten om deze extra waarborgen wel op te nemen en rekening tehouden met de extra belasting die dat geeft.Dat brengt me aan het einde van mijn eerste termijn.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. De heer Van Dijk heeft nog een vraag.De heer Emiel van Dijk (PVV):Ik heb een korte vraag. Ik had een vraag gesteld over wat het risico zouzijn als datawisseling in een zaak op straat zou komen te liggen en wat ditbijvoorbeeld zou kunnen betekenen voor het falen van een bepaaldproces. Hoe wordt voorkomen dat dat soort dingen gebeuren in het heletraject richting de digitalisering van het hele rechtsgebeuren?Minister Van Weel:Heel vaak trek ik in overleggen met uw Kamer de parallel tussen de echtewereld en de onlinewereld. We kijken af en toe anders naar die online-wereld, maar daar is hetzelfde geldig. Als een rechter nu een dossier zoulaten liggen in een trein, dan kan dat natuurlijk gevolgen hebben voor hetverdere verloop van die zaak. Dat ligt eraan of de verdachte benadeeld isdoor het feit dat die informatie op straat komt. Dat is in de onlinewereldniet anders. Dus waar je in de echte wereld waarborgen invoert ombepaalde informatie beter te beschermen, zo zul je dat ook in de digitalewereld moeten doen, maar dat risico is nooit nul. Deze zaken zullenvoorkomen, ook in de toekomst.De voorzitter:Oké. Afdoende zo? Dat is het geval. Dan dank ik de bewindspersonen voorhun beantwoording en de appreciatie van de amendementen in dezeeerste termijn. Dan zijn we thans toegekomen aan de tweede termijn vande Kamer. Er zijn altijd twee bodes nodig? Ja. We zijn op volle sterkte, duswe kunnen ook door met de moties. We hebben voor deze tweede termijnnog vijftien minuten de tijd. Ik roep de leden dus op om enigszins beknoptte zijn. We kunnen iets uitlopen, maar niet te veel. U krijgt één interruptie.Het woord is aan de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Ik zal het kort houden, voorzitter. Ik dank de bewindspersonen en uiteraardook de regeringscommissaris voor de beantwoording en de prettigegedachtewisseling, want zo zie ik dit wetgevingsoverleg; daar is het ookbij uitstek voor bedoeld. Ik constateer dat de Staatssecretaris ergwelwillend heeft gekeken naar mijn voorstellen, waarvoor dank. DeStaatssecretaris zei dat hij wil kijken naar de opmerkingen die ik namensde VVD-fractie heb gemaakt over de positie van het slachtoffer. Ik moeteven kijken, om misverstanden te voorkomen, of ik die richting in eenmotie wil neerleggen, maar we moeten het aantal moties ook een beetjebeperken. Daar kijk ik dus nog naar.Voor het amendement ten aanzien van het voorgestelde artikel 1.5.4,waarin in de wettelijke formulering «processtukken» staat, heb ik eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5475 suggestie gekregen. Daar ga ik naar kijken, maar ik had nu onvoldoendetijd om die techniek goed tot me te nemen. Daar gaan we denk ik weluitkomen.Een ander amendement heeft oordeel Kamer gekregen.De reactie op het amendement over de videoverbinding is helder. Ikconstateer dat we dit uitgangspunt voor de extra beveiligde inrichtingkunnen vaststellen, dus dank voor die toenadering, want het is, eerlijkgezegd, voor het eerst dat dat gebeurt. Daar ben ik dus blij mee. We kijkennog even of het voor de AIT nodig zou zijn.Dat was het.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. De heer Sneller.De heer Sneller (D66):Dank, voorzitter. En dank voor de zeer inhoudelijke gedachtewisseling. Ikga mij beraden op de misverstanden en de ongewenste neveneffecten diezijn gesignaleerd. Ik denk dat we er bij de behandeling van Boek 2 en Boek4 en plenair verder over zullen komen te spreken. Omwille van de tijd zalik er niet te veel op inzoomen.Ik zie wel een soort rode draad. Ik heb een aantal keer geconstateerd dathet kabinet de voorkeur geeft aan het faciliteren en motiveren vanketenpartners, terwijl ik wat breder in de Kamer proef dat er behoefte isaan wat meer houvast en vastigheid; het kabinet is echter huiverig voorsanctioneren. Dat is denk ik iets om bij de komende debatten nog watverder uit te diepen. Dan had ik nog een motie aangekondigd. Ik snap heelgoed dat de Staatssecretaris zegt dat we voor de toekomst moeten zorgendat er voldoende financiering is. Ik denk dat daarbij voor mij twee dingenmeespelen. Een heeft de heer Van Nispen goed uitgelegd: de ervaringenuit het verleden, maar ook de context van bezuinigingen die er nu is.Tegelijkertijd is voor een goede invoering toch noodzakelijk dat ervoldoende financiering beschikbaar is. Dus ik zal de motie dan tochindienen.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de beoogde «beweging naar voren» in het gemoderni-seerde Wetboek van Strafvordering voor verdachten betekent dat zij zichin een eerder stadium actief met hun verdediging moeten bezighouden,en dat daarom ook in een vroeger stadium adequate rechtsbijstandnoodzakelijk is;constaterende dat mogelijk ook vaker een beroep zal worden gedaan opde reclassering om te adviseren in strafzaken, om toezicht te houden opbijzondere voorwaarden, om gedragstrainingen te verzorgen en omwerkstraffen uit te laten voeren;overwegende dat dat financiële consequenties zal hebben voor zowel desociale advocatuur als voor de reclassering en dat daartoe nog geenstructurele middelen beschikbaar zijn gesteld;verzoekt de regering om voldoende structurele middelen beschikbaar temaken voor de sociale advocatuur en de reclassering, zodat zij hun extraTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5476 werkzaamheden adequaat kunnen uitvoeren, en dit te regelen voor deinwerkingtreding van de nieuwe wetgeving,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Sneller en Van Nispen.Zij krijgt nr. 31 (36 327).De heer Sneller (D66):En ik laat het even aan u, voorzitter, of we de appreciatie dan inderdaadplenair doen, of dat we die nu al doen.De voorzitter:Normaal gesproken zou ik zeggen dat dat nu kan. Maar goed, dat zien wezo meteen wel. De heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Ik wil graag de Staatssecretaris en de Minister hun ondersteuning, maarzeker ook de regeringscommissaris bedanken voor de beantwoording. Hethoogtepunt van het debat is toch wel dat we een foutje uit de wet hebbengehaald, dus artikel 1.1.18 gaat worden aangepast, maar dat zien we danmet belangstelling tegemoet. Nee hoor, dat is een technisch detail.Wat voor ons wel belangrijk was, was het herstelrecht, waarovermevrouw Mutluer en ik het amendement op stuk nr. 27 hebben ingediend.We hebben al gezegd dat we gaan kijken of en hoe we dat gaanaanpassen, maar de intentie is er om daaruit te komen, omdat dat wel eenheel belangrijke stap kan zijn die kan worden gezet. Dus die intentie is er,volgens mij. Dat wordt vervolgd.Over de tolken. Ik ben erg benieuwd naar de brief die we dus iedermoment kunnen verwachten over de uitvoering van de motie. Er zijn veelproblemen, dus ik zie er echt naar uit. Ik hoor ook graag, misschien ook indie brief, de toezegging van de Staatssecretaris, want hij zou ook ingesprek gaan met de tolken. Het lijkt me ook goed als daarop kan wordenteruggekomen. Ten slotte over de rechtsbijstand. Dat is toch wel echt eenrandvoorwaarde om van deze megaoperatie een succes te maken. Inaanvulling op de motie die de heer Sneller terecht heeft ingediend en dieik mede heb ondertekend, heb ik ook een onderzoeksmotie, omdat ikervan verzekerd wil zijn dat we tegen die tijd precies weten hoe en wat enwelk budget daarvoor nodig is.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat voor een succesvolle inwerkingtreding van het nieuweWetboek van Strafvordering adequate rechtsbijstand een belangrijkerandvoorwaarde is, onder andere vanwege de beweging naar voren dieook de rechten en inspanningen van de verdediging verandert;overwegende dat bij de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering een puntvergoeding voor de toegevoegde advocaatbeschikbaar moet zijn die adequaat is en die rekening houdt met deactieve(re) opstelling die van advocaten wordt gevraagd in het nieuwewetboek;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5477 overwegende dat zonder adequate vergoeding of inschatting van de tijddie met het nieuwe wetboek in eenzelfde soort zaak moet wordengestoken, de belangrijke rol vanuit de rechtsbijstand niet kan wordenwaargemaakt;verzoekt de regering te onderzoeken hoe dit nieuwe puntensysteem eruitkomt te zien ten gevolge van de veranderingen en de toename van dewerkdruk binnen het nieuwe Wetboek van Strafvordering;verzoekt de regering voorts te onderzoeken op welk moment detoevoeging aangevraagd kan worden, bijvoorbeeld ten aanzien van deverdachte op vrije voeten, en de Kamer over de resultaten van ditonderzoek tijdig, ruimschoots voor de inwerkingtreding van het nieuweWetboek van Strafvordering, te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Sneller en Mutluer.Zij krijgt nr. 32 (36 327).De heer Van Nispen (SP):Ik dank u wel.De voorzitter:U bedankt. De heer Van Dijk heeft voldoende spreektijd gehad. Dan is hetwoord aan mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ook mijn dank aan de Staatssecretaris en overigens ook de Minister, diezo lang heeft gewacht tot hij aan het woord mocht komen, en aan deregeringscommissaris, die nu al een soort legende aan het worden is voorde komende tijd, bij deze grootste wetswijziging van de eeuw.Ik heb in mijn bijdrage drie onderwerpen aangekaart, onder andere debeweging naar voren, waarbij de verdediging geacht wordt in de fasevoorafgaand aan de inhoudelijke zitting zo veel mogelijk onderzoekseisenneer te leggen. Volgens mij is helder geworden dat de wet niet strenger is,maar de angst is dat mogelijk rechters in hun beoordeling wat strengerworden. Dat zouden we moeten monitoren. Dat dit bij de invoeringstoetswordt meegenomen, vind ik een hele belangrijke concrete toezegging dievandaag is gedaan.Ik heb iets gezegd over rechtsbijstand. Dat was het tweede onderwerp. Dieheeft echt wel wat meer tijd nodig om te voldoen aan de beweging naarvoren, omdat het stelsel echt wel te lijden heeft onder jarenlang achter-stallig onderhoud. In lijn met de motie van Van Nispen en D66-collegaSneller heb ik dan ook een motie over de rechtsbijstand.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat het nieuwe Wetboek van Strafvordering in een vroegstadium een actieve opstelling van de verdediging en daarmee deraadsman vereist;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5478 overwegende dat het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand nog nietop orde is, waardoor verdachten zonder financiële middelen benadeeldkunnen worden;verzoekt de regering in overleg te treden met de Raad voor Rechtsbijstanden de Nederlandse orde van advocaten om te waarborgen dat degesubsidieerde rechtsbijstand tijdig en adequaat beschikbaar is voor alleverdachten, ongeacht hun detentiestatus;verzoekt de regering tevens te onderzoeken welke aanvullende maatre-gelen nodig zijn om de positie van verdachten zonder financiële draag-kracht te versterken, in lijn met de adviezen van de Afdeling adviseringvan de Raad van State,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Lahlah en Van Nispen.Zij krijgt nr. 33 (36 327).Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Tot slot, voorzitter, het amendement over mediation en herstelrecht instrafzaken. Collega Van Nispen zei al dat we het gaan aanpassen. Ik zal bijde toelichting ook kijken of we iets kunnen zeggen over de zorgen diedoor NSC en de VVD zijn aangekaart over de calculerende verdachte. Datlijkt mij denk ik de juiste weg.Dank voor de beantwoording en ik kijk uit naar de verdere bespreking vanalle Boeken, want dit viel eigenlijk best mee.De voorzitter:Jazeker. De heer Koops.De heer Koops (NSC):Meneer de voorzitter, nu is het gewoon zo dat door deze uitgebreidebeantwoording van alle vragen van vandaag er gewoon voor ons weerwerk aan de winkel is. Om helemaal voor mezelf te spreken: dat betrefteen heroriëntatie op het amendement dat ik zelf heb voorgesteld. Ik zaldaarop terugkomen bij Boek 4. Het kan een intrekking of een wijziging zijn,maar daar moet ik me gewoon nog eventjes op beraden.Mij is de hele dag door opgevallen hoe praktische zaken en wetstech-nische zaken door elkaar heen aan de orde zijn gekomen, bijvoorbeeldbudgetten voor rechtsbijstand enerzijds en de positie van een voorzitteranderzijds. Ik moet dat gewoon op me in laten werken. Ik ben geen robot.Ik heb aan het einde van deze dag niet op een rijtje wat ik overal van vinden of ik het steeds met de regering eens ben, al kan ik natuurlijk nietanders dan het met de regeringscommissaris eens zijn. Ik ga dus zoekennaar licht tussen hun meningen. Daarmee ga ik dus de komende wekendoor in mijn voorbereiding.Nog één opmerking: als ik met moties kom, zal ik ze correct en netjesaankondigen. Dat zeg ik ook tegen mijn mede-Kamergenoten. Ik spaar heteen beetje op, omdat ik weet dat we er toch pas aan het einde overstemmen. Dan kan ik ze zo volwassen mogelijk voorleggen, laat ik het zouitdrukken. Dat was mijn opmerking.De voorzitter:Ik dank u allen hartelijk. Ik kijk even naar de Staatssecretaris. U krijgtnatuurlijk sowieso een tweede termijn, maar wenst u de appreciatie nu tedoen of later plenair?Staatssecretaris Struycken:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5479 Als u mij even gelegenheid geeft, dan kan ik dat nu doen.De voorzitter:Oké. Vijf minuutjes?Staatssecretaris Struycken:We hebben het over drie moties, hè?De voorzitter:Ja, drie moties.Staatssecretaris Struycken:Vijf minuten.De voorzitter:Dan schors ik even vijf minuten. Tot zo.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Dames en heren, dit zal de laatste keer zijn vandaag dat ik dit mooiewetgevingsoverleg heropen. Welkom terug allemaal. We zijn aangekomenbij de tweede termijn van de zijde van het kabinet, met ook de appreciatievan de ingediende moties. Ik geef de Staatssecretaris graag het woord.Staatssecretaris Struycken:Dank u, voorzitter. Ik dank de leden voor hun opmerkingen en ook huncomplimenten. Ik prijs mij vooral gelukkig, en ook de regeringscommis-saris prijs ik gelukkig, met dit goede debat over dit belangrijke wetboek.Het is best een memorabele dag, vandaar ook dat ik er veel woorden aanheb gewijd ter inleiding. Ik zie er met genoegen op terug.De moties gaven me wel enige hoofdbrekens. Eigenlijk is voor mij devraag ... Ja, dat ga ik uiteraard allemaal doen.De eerste motie, op stuk nr. 31, gaat wel ietsje verder dan dat, want dieverzoekt om nu al structureel middelen beschikbaar te maken. Daarmeeloopt de motie vooruit op nadere besluitvorming en verleidt de motie tottoezeggingen dat er structurele middelen zullen zijn. Dat kan ik nu nogniet toezeggen, dat is veel te vroeg. Dat is een soort blanco cheque. Dezeeerste motie zou ik dus willen ontraden, omdat ie ontijdig is.De voorzitter:Met een vraag van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Niet onverwacht. Er staat alleen niet «nu». Er staat: «dit te regelen voor deinwerkingtreding van de nieuwe wetgeving».Staatssecretaris Struycken:Ja. Maar er staat ook dat ik structurele middelen beschikbaar zal maken.De motie vraagt mij om toe te zeggen dat er te zijner tijd structurelemiddelen beschikbaar zullen zijn. Dat is te ver weg, daar ga ik niet opvooruitlopen.Dan kom ik bij de moties op de stukken nrs. 32 en 33, die als ik het goedzie in essentie hetzelfde behelzen. Dit zijn de moties waarvan ik denk: wezijn er druk mee bezig; ze ondersteunen het beleid; dit is wat we toch aldoen. Maar om het feest compleet te maken, geef ik ze beide oordeelKamer.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5480 En nog een vraag voor de boekhouding: de motie op stuk nr. 31 was«ontijdig» of «ontraden»?Staatssecretaris Struycken:Ja, ik geloof dat de systematiek nu is «ontijdig». Als de motie niet wordtingetrokken, is het: ontraden.De voorzitter:Hartelijk dank. Zijn er nog vragen blijven liggen uit de tweede termijn? Datis niet het geval. Dan dank ik de Staatssecretaris. Wij hebben enkeletoezeggingen genoteerd. Ik loop die graag met u langs.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe in de voortgangsbrieven overslachtofferbeleid in te gaan op kwetsbare slachtoffers en de problema-tiek rondom slachtoffers die niet ontvankelijk worden verklaard bijschadevergoedingen en voorschotregelingen.De Staatssecretaris knikt instemmend. De leden zeggen niks. Dan zalhet ongetwijfeld goed zijn.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe voor het commissiedebatGesubsidieerde rechtsbijstand een reactie te geven op het nog teverschijnen rapport van de commissie-Van der Meer II in maart 2025.Geknik en ook aan die kant weer instemmende stilte.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe in de voortgangsbrief strafrecht-keten de Kamer te informeren over de maatregelen en stand van zakenmet betrekking tot de voorbereidingen die getroffen worden rondomhet nieuwe wetboek, zoals de doorlooptijden van zaken.Wij vragen de Staatssecretaris nog even naar de termijn.Staatssecretaris Struycken:Ik meen dat het halfjaarlijks is. Er is er in december een verstuurd, dus datzal dan voor de zomer zijn.De voorzitter:Hartelijk dank daarvoor. Een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Toch nog even over het proces van die commissie-Van der Meer II. Is deafspraak nou dat de Staatssecretaris dat rapport pas naar de Kamer stuurt,inclusief zijn beleidsreactie, als de Staatssecretaris weet wat hij ervanvindt? Of is de afspraak dat het rapport, waarvan we allemaal weten dathet er komt, onverwijld naar de Kamer gaat, vergezeld van «ik kom overeen week of twee, of in ieder geval voor het toegezegde commissiedebat,met een inhoudelijke beleidsreactie»? Daar ben ik wel nieuwsgierig naar.Staatssecretaris Struycken:Het voornemen van de commissie, zoals ik het heb begrepen, is dat hetrapport aan u en aan mij wordt aangeboden op 3 maart. Daarmeebeschikt u er dus over. Mijn voornemen is om in de dagen daarna met eenbeleidsreactie te komen die daar ook inhoudelijk op ingaat. Dit alles tervoorbereiding van het commissiedebat op 13 maart.De voorzitter:Goed. Dan de laatste.– De Minister zegt toe de Kamer in aanloop naar het WGO over Boek 2 vanaanstaande maandag een brief te sturen over de instelling van decommissie die onderzoek gaat verrichten naar strafvorderlijke gegevens-verwerking.De Staatssecretaris knikt. Goed. Dit waren de toezeggingen die wij hebbengenoteerd.Een hartelijk woord van dank aan de twee bewindspersonen. Speciaal eenwoord van dank aan de regeringscommissaris voor uw kundige beant-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5481 woording en toelichting; hartstikke fijn. Zoals de leden ook al hebbengezegd: dank aan alle instanties en organisaties die bij het procesbetrokken zijn geweest. Dank aan onze bodes voor de ondersteuning.Dank aan de leden voor hun inbreng en natuurlijk een speciaal woord vandank aan beide rapporteurs, de heer Ellian en mevrouw Helder. Ennatuurlijk dank aan onze griffier. Ik sluit dit wetgevingsoverleg.Sluiting 17.36 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5482

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ea8b6f408e592d7b

14 okt 2026 · fe25d93461293d4f

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.