KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 1 april 2026, over Eerstelijnszorg

5 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 039c3968bbd3b9f6 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 578EerstelijnszorgNr. 180 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 5 juni 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op1 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Hermans, Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Sterk, Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport, over:–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 26 november 2024 inzake toezegging gedaan tijdens hetcommissiedebat Eerstelijnszorg van 7 november 2024, overdoorgeven van ova-middelen binnen de apotheekzorg (Kamer-stuk 29 689, nr. 1272);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 19 november 2024 inzake Waarborgfonds voor deZorgsector in relatie tot huisartsenzorg (Kamerstuk 36 600-XVI, nr. 108);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 9 december 2024 inzake reactie op verzoek commissieover de brief van NVM-mondhygiënisten inzake mondzorg(Kamerstuk 33 578, nr. 138);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 16 december 2024 inzake advies van de NZa over debekostiging van tolken in de huisartsenzorg (Kamerstuk36 600-XVI, nr. 152);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 17 december 2024 inzake onderzoek casema-nagement dementie (Kamerstuk 29 689, nr. 1274);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 2 april 2025 inzake beleidsreactie op rapport «Focus ophuisartsentekort» van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk33 578, nr. 141);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 2 april 2025 inzake onderzoek «Patiëntenstops bijhuisartsenpraktijken» van Nivel (Kamerstuk 33 578, nr. 140);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 25 april 2025 inzake eindrapport Passendeaanspraak fysio- en oefentherapie (Kamerstuk 31 765, nr. 916);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 22 mei 2025 inzake antwoorden op vragen commissie kst-33578-180ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1801 over het onderzoek «Patiëntenstops bij huisartsenpraktijken»van Nivel (Kamerstuk 33 578, nr. 140) en over de beleidsreac-tie op het rapport «Focus op huisartsentekort» van deAlgemene Rekenkamer (Kamerstuk 33 578, nr. 141) (Kamer-stuk 33 578, nr. 157);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 3 juni 2025 inzake eerstelijnsapotheekzorg (Kamerstuk33 578, nr. 160);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 3 juli 2025 inzake stand van zaken versterken eerstelijns-zorg (Kamerstuk 33 578, nr. 162);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 30 september 2025 inzake rapport «Co-Med. Verslag vaneen lerende evaluatie» (Kamerstuk 33 578, nr. 165);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 3 november 2025 inzake toegankelijkheid van de huisart-senzorg en reacties op de aangenomen moties ingediendtijdens het notaoverleg Stop de commercie, steun de huisarts.Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg (Kamerstuk33 578, nr. 167);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 12 november 2025 inzake reactie op petitie metbetrekking tot vergoeding van fysiotherapie voor mensen metosteoporose (Kamerstuk 29 689, nr. 1319);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 20 oktober 2025 inzake stand van zaken motiesen toezeggingen fysiotherapie (Kamerstuk 33 578, nr. 166);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 10 december 2025 inzake mondzorg en financiëletoegankelijkheid (Kamerstuk 32 620, nr. 312);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 12 december 2025 inzake reactie op verzoek commissieover het artikel Duizenden patiënten kunnen bij geen anderehuisartspraktijk terecht (Kamerstuk 33 578, nr. 169);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 3 maart 2026 inzake antwoorden op vragen commissieover de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties opde aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg Stopde commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbe-stendige huisartsenzorg (Kamerstuk 33 578, nr. 167) (Kamer-stuk 33 578, nr. 171);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 9 februari 2026 inzake voortgang marktonder-zoek paramedische zorg (deel 2) (Kamerstuk 33 578, nr. 170);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 3 maart 2026 inzake AZWA-afspraken huisartsenzorg(Kamerstuk 33 578, nr. 172);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 17 maart 2026 inzake antwoorden op vragen commissieover mondzorg en financiële toegankelijkheid (Kamerstuk32 620, nr. 312) (Kamerstuk 32 620, nr. 313).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,MohandisDe griffier van de commissie,EsmeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1802 Voorzitter: MohandisGriffier: HellerAanwezig zijn dertien leden der Kamer, te weten: Bevers, Van Brenk,Bushoff, Claassen, Coenradie, Diederik van Dijk, Dobbe, Maeijer, VanMeijeren, Mohandis, Poortman, Vervuurt en Wiersma,en mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,en mevrouw Sterk, Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.Aanvang 13.02 uur.De voorzitter:Ik open de vergadering. Ik heet u allen van harte welkom bij het commis-siedebat over de eerstelijnszorg. Er is veel belangstelling, niet alleen hier,maar ook op afstand, via het scherm. Er zijn veel fracties aanwezig. Dat ishartstikke goed. U bent goed vertegenwoordigd. Ook het kabinet is goedvertegenwoordigd: niet één Minister, maar zelfs twee. Dat is hartstikkegoed. Fijn dat u er bent.Voordat we beginnen, loop ik de aanwezige fracties nog even langs: deheer Claassen van de Groep Markuszower, mevrouw Coenradie van JA21,de heer Van Dijk van de SGP-fractie, mevrouw Van Brenk van 50PLUS,mevrouw Maeijer van de PVV-fractie, mevrouw Wiersma van BBB, de heerPoortman van de CDA-fractie, de heer Bevers van de VVD, de heerBushoff van GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Vervuurt van D66 enmevrouw Dobbe van de SP. Zoals u weet, heeft u allemaal vier minutenspreektijd. Gezien de opkomst en de tijd, heeft u in de eerste termijn drieinterrupties onderling. Ik kijk straks hoe we het gaan doen met deinterrupties in de termijn van de bewindspersonen. Dat is afhankelijk vanhoe het verloopt. Meneer Claassen, het woord is aan u.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik heb eerst een opmerking, voorzitter. Blijkbaar wilde niemand op deeerste plek zitten. Dat mag. Er is nog plek. Ik zit hier omdat ik nu ook eenplenair debat heb. Ik doe mijn inbreng en probeer hier zo lang mogelijk teblijven, maar ik zal terug moeten naar de plenaire zaal. Dat heeft niets temaken met desinteresse, juist niet. Maar ja, jezelf in tweeën splitsen is eenlastig fenomeen. Ongeveer 2.000 jaar geleden lukte dat nog weleens,maar sinds die tijd niet meer. Ik ga beginnen aan mijn inbreng.De voorzitter:Helemaal goed dat u dat nog even zegt. Dat is allemaal prima. Omdat ik alheb bepaald dat dit de volgorde is, bent u nu gewoon als eerste. Dat isook voor mijn eigen administratie overzichtelijk. De heer Van Meijeren vanForum voor Democratie is ook aangeschoven; welkom. Meneer Claassen,aan u het woord.De heer Claassen (Groep Markuszower):Voorzitter. Mijn inbreng zal voornamelijk gaan over huisartsenzorg enapotheekzorg in relatie tot het AZWA-praktijkhouderschap. Er wordtgesteld dat er geen huisartsentekort is. Aan de andere kant wordt gezegddat er wel een huisartsentekort is. Ik ben benieuwd naar de visie van hethuidige kabinet op het huisartsentekort. Is er een huisartsentekort of is ereen overschot aan vraag? Of wordt die vraag niet goed gereguleerd? Kandat dan anders?Ook tijdens de vorige kabinetsperiode was het een discussiepunt. We zieneen recordaantal aan huisartsen, namelijk 1 per 1.250 inwoners. Dat klinktgeruststellend, maar het is een gemiddelde. Dat gemiddelde wordtlosgezongen van de werkelijkheid. Tienduizenden mensen hebben geenhuisarts en honderdduizenden zoeken er een. In 2024 had 60% van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1803 praktijken een patiëntenstop. In sommige regio’s lag dat percentageboven de 75%. Bijna 80% van de huisartsen ervaart structureel een tehoge werkdruk. De vraag is dus niet hoeveel huisartsen er op papier zijn;de vraag is hoeveel patiënten er daadwerkelijk toegang hebben tothuisartsenzorg.De Minister wijst naar organisatie en spreiding, maar dat lijkt ons geenverklaring. Dat is volgens ons een erkenning van het punt dat het systeemniet meer goed functioneert. Als de aantallen er zijn, maar de toegangontbreekt, zit het probleem in de systemen en hoe we het hebbeningericht. Het AZWA is het centrale instrument van dit kabinet, met vastepatiëntenpopulaties en het landelijke ruil- en inschrijfsysteem. Meer regieop spreiding is de doelstelling, maar is dat scherp genoeg? Het doel ligtop eind 2028. Dat is ver weg voor iemand die vandaag geen huisartsheeft. Het is geen afdwingbare norm. Het is zelfs een voornemen. Wewillen weten wanneer dat inschrijfsysteem operationeel is, dus niet eenstip op de horizon. Wat gebeurt er als regio’s achterblijven en achter gaanlopen? Welke interventies volgen dan? Wat zijn dan de plannen van deregering? Of blijven we monitoren wat het systeem niet oplost of wat ooitwel opgelost wordt?Voorzitter. Juist bij praktijkhouders ligt een grote druk. Er is een tekort aanpraktijkhouders, de huisvestingskosten lopen op en de bekostigingbeweegt niet mee met de huidige situatie. De Minister noemt eenhandreiking, maar een handreiking financiert geen pand. Hoeveelpraktijkhoudende huisartsen zijn er het afgelopen jaar netto bij gekomen?Is de Minister bereid verder te gaan met een nationaal garantiefonds voorpraktijkruimten en structurele tariefsverhoging? Kan ze daar eentoezegging op geven?Voorzitter. Tegelijkertijd worden praktijken opgekocht. Private equitybetreedt de eerstelijnszorg, niet als beleid, maar omdat het systeem deverkeerde richting beloont. Als praktijkhouderschap financieel onaantrek-kelijk wordt, ontstaat er ruimte voor kapitaal. Is de Minister bereid grenzente stellen aan de opkoop van huisartsenpraktijken?Dan iets over apotheekzorg. De bekostiging volgt de werkelijkheid niet,vinden wij. Initiatieven zoals ontpillen leveren weinig besparing op metminder medicatie, betere uitkomsten en lagere kosten, maar die bespa-ringen verdwijnen elders in het systeem. Het gevolg is dat initiatievenstoppen zodra de financiering afloopt. Is de Minister bereid budgetver-schuiving te koppelen aan taakverschuiving? En is zij bereid – daar vraagik ook een toezegging op – om medicatiebeoordelingen buiten het eigenrisico te plaatsen? Dat is zorg die juist complicaties op langere termijnvoorkomt.Dan nog iets over dividend, voorzitter, als ik daar de tijd voor heb. Er is311 miljoen aan dividend uitgekeerd door 802 aanbieders op eensectoromzet van 123 miljard. Dat zijn de cijfers, maar die zijn zelfs nogonvolledig, want eenmanszaken en maatschappen blijven buiten beeld.We kijken naar een deelverzameling, maar we presenteren dit als eengeheel. Is de Minister bereid pas beleidsconclusies te trekken op basis vaneen volledig beeld?Voorzitter. De vraag is wat de Minister dus concreet gaat veranderen, wantdit systeem nadert zijn breekpunt. De vergrijzing drukt harder op de eerstelijn dan ooit. Er zijn steeds meer ouderen en minder mensen die voor dieouderen kunnen zorgen. Er zijn meer chronisch zieken, die wel ouderworden, maar dus ook langer ziek zijn. Er zijn minder praktijkhouders ener is minder capaciteit. Aan de andere kant van die vergelijking zijn erhonderdduizenden mensen zonder toegang. Die dam gaat het niet meerhouden. Als de eerste lijn het begeeft, begeeft de rest het daarmee ook.Spoedeisende hulp, de ziekenhuizen, de hele keten, de verpleeghuizen:het stelsel staat of valt met wat er vandaag in de spreekkamer gebeurt ofjuist ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1804 De voorzitter:Komt u tot een afronding?De heer Claassen (Groep Markuszower):... niet gebeurt.Dat was ’m.De voorzitter:O, hartstikke goed. Ik zeg tegen alle Kamerleden: als ik dat zeg, is het nietvier minuten, maar dan is het meer. Dat zeg ik maar even. MevrouwCoen... Nee, sorry, nog niet mevrouw Coenradie. Ik zag een interruptie vanmeneer Bushoff.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Vanochtend sprak ik een groep jonge huisartsen. Die is hier ook aanwezigop de tribune, dus welkom, ook nog via deze weg. Ik vond dat een heelleuk gesprek. Er zijn heel veel dingen blijven hangen uit dat gesprek. Daarzal ik straks in mijn inbreng nog op terugkomen. Eén ding dat bij mij bleefhangen, was dat iemand aangaf: op het moment dat je de AOW verhoogten snijdt in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen et cetera, kortom, als jeaan de socialezekerheidskant heel veel afbreekt, gaan wij dat zien in onzespreekkamer. Mijn vraag is: deelt de heer Claassen die opvatting en deelthij dus ook dat we moeten voorkomen dat de sociale zekerheid zoverwordt afgebroken dat de toename in de spreekkamer bijna niet meer tedoen is voor de jonge, startende huisartsen?De heer Claassen (Groep Markuszower):De vraag is: moet ik een kort antwoord of een lang antwoord geven?De voorzitter:Ik ga niet over uw antwoord.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ja, dat deel ik, want we weten allemaal dat in gebieden met een lageSES-score de zorgvraag gigantisch toeneemt, dat er heel weinigcompliance is als het gaat om «hoe ga ik om met mijn ziekte, hoe ga ik ommet gezondheid?», dat de middelen voor die mensen lastig te krijgen zijn,dat mensen de weg niet weten om tot goede zorg te komen en dat e danook vaak de huisarts daarvoor gaan claimen, terwijl de huisarts daar nietvoor bedoeld is. Het korte antwoord is dus ja.De voorzitter:Oké. Mevrouw Coenradie. We doen drie interrupties in totaal en ik bennog even niet flexibel; dat hangt ervan af hoe het loopt. MevrouwCoenradie, aan u.Mevrouw Coenradie (JA21):Voorzitter. De eerstelijnszorg is de ruggengraat van ons zorgstelsel. Dehuisarts is de poortwachter van de zorg. Juist deze poortwachter en eensterke eerste lijn houden de zorg toegankelijk, dichtbij en betaalbaar.Tegelijkertijd vragen we steeds meer van de eerste lijn. Mensen wonenlanger thuis, de zorg verschuift van het ziekenhuis naar de wijk en de drukop huisartsen, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners neemtalmaar verder toe. Juist dan is het aan de overheid om heldere randvoor-waarden te scheppen, zodat de professionals, en zeker in de eerste lijn,hun werk goed en doelmatig kunnen doen. Hierbij moet de huisarts nietalleen worden gezien als toegangspoort tot medische zorg, maar ook alseerste toegangspunt voor bredere hulp. Mijn vraag is: wil de Minister inhaar gesprekken met bijvoorbeeld de huisartsenvereniging explicietmeenemen hoe de huisarts als brede voordeur naar hulp kan wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1805 versterkt, bijvoorbeeld met laagdrempelig digitaal contact via dehuisartsenpraktijk?Voorzitter. Als we de zorg in de regio overeind willen houden en sturen oplanger thuis wonen, moeten de opleidingscapaciteit en de praktijk beterop elkaar aansluiten. Huisartsen en SEH-artsen zijn daarbij allebeionmisbaar. Daarom is het zorgelijk dat VWS volgens recente, onbeves-tigde berichtgeving in 2027 minder SEH-opleidingsplaatsen wil gaantoestaan dan het Capaciteitsorgaan adviseert, namelijk 50 in plaats van 60.Ook vanuit de eerste lijn en de ouderenzorg wordt al langer gewaar-schuwd dat de instroom in de zogenaamde cluster 1-opleidingen, voorberoepen zoals huisarts, specialist ouderengeneeskunde en AVG-arts, telaag is. Tegelijkertijd lezen we vanochtend in de krant dat er volgenszorgverzekeraar CZ geld overblijft doordat er op cruciale plekken doorpersoneelstekorten te weinig zorg is geleverd. Kan de Minister de door mijeerstgenoemde berichtgeving bevestigen? Klopt het dat het kabinetafwijkt van het onafhankelijk advies van het Capaciteitsorgaan, terwijlVWS daar juist jarenlang aan vasthield, ook wanneer beroepsgroepen datadvies al te laag vonden? Zo ja, is de Minister bereid het advies van hetCapaciteitsorgaan alsnog op te volgen? En zo nee, is de Minister danbereid met de zorgverzekeraars te bezien of de zogenoemde positieveresultaten van verzekeraars kunnen bijdragen aan extra opleidings-plaatsen in de acute zorg?Wat betreft de huisartsen wil ik het nog hebben over de flexibele schil.Zzp-huisartsen zijn onmisbaar voor de continuïteit van24/7-huisartsenzorg bij ziekte en piekdrukte, en op de huisartsenspoed-posten. Is het kabinet bereid in de nieuwe Zelfstandigenwet te borgen datzij inzetbaar blijven voor situaties van ziek, piek en uniek, en voor avond-,nacht- en weekendzorg?Voorzitter. Dan de positie van apothekers aan de balie. In de schriftelijkebeantwoording van onze vragen erkent de Minister dat apothekers zichklemgezet kunnen voelen en financiële onzekerheid kunnen ervaren als zijeen beschikbaar alternatief verstrekken. Maar welke concrete maatregelheeft de Minister sinds die erkenning genomen of gaat zij nemen om ditfinanciële risico voor apothekers echt weg te nemen?Dan het tweede punt. De Minister stelt dat het model van «laagste prijsplus bandbreedte» om meer onderbouwing vraagt. Is daar vóór of na diebeoordeling inhoudelijk over gesproken met de partijen die dit modelhebben uitgewerkt en, zo nee, waarop baseert de Minister dan haaroordeel dat dit alternatief onvoldoende is onderbouwd?Voorzitter. Tot slot een probleem dat ons altijd al een doorn in het oog wasen is: de regeldruk. Ondanks jarenlange beloften nemen de administra-tieve lasten in de zorg nog altijd toe. Vooral in de vaak kleinschalige eerstelijn is dat een groot probleem. De eerstelijnscoalitie heeft hiervoorconcrete voorstellen gedaan. Dat ging concreet bijvoorbeeld over hetverhogen van de grens voor de cliëntenraad-verplichting van 25 naar 50zorgverleners. Is de Minister bereid hierover met partijen als de eerste-lijnscoalitie in gesprek te gaan en werk te maken van echte regeldrukver-mindering?Voorzitter, tot zover.De voorzitter:Veel dank. De heer Poortman heeft een vraag.De heer Poortman (CDA):Ik heb een vraag over de eigen bijdrage voor wijkverpleging. We kregengisteren een brief van de Minister. Zij gaat aan de slag met een uitwerkingdaarvan. JA21 was er ook voorstander van. Nu we de Minister zaken meekunnen geven richting de uitwerking van het voorstel, ben ik benieuwdhoe mevrouw Coenradie dit ziet. Wat zou zij de Minister willen meegevenop dit punt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1806 Mevrouw Coenradie (JA21):Ik ga een beetje een algemeen antwoord geven. Ik wil een heel concreetvoorstel. Ik wil graag doorgerekend hebben wat dit precies betekent voorde hoogte van de eigen bijdrage. Ik wil ook alle risico’s daarin zien, omeen goede afweging te kunnen maken of dit iets houdbaars is, of dat wijons standpunt hierover moeten herzien. Ik durf dat nu nog niet te zeggen.We zijn heel scherp op heel veel zaken uit het coalitieakkoord die op deplanning staan. Ik heb dat ook gezegd in mijn stemverklaring bij deafgelopen VWS-begroting. Het is echt niet zo dat onze steun daarinvrijblijvend is en ook voor komende VWS-punten gegeven is. Wij zijn heelkritisch en bij een aantal onderdelen zetten wij grote vraagtekens bij degestelde bezuinigingen. Dat geluid zult u in ieder geval de komende tijdvan ons horen.De voorzitter:Dank u wel. Dan zijn we aangekomen bij de volgende spreker van de zijdevan de Kamer. Dat is de heer Van Dijk namens de SGP.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u wel, voorzitter. De eerstelijnszorg wordt vaak en terecht hetfundament van de gezondheidszorg in Nederland genoemd: laagdrem-pelig, toegankelijk en van hoge kwaliteit. Als een fundament barsten enscheuren vertoont, moet je je zorgen maken. De dubbele vergrijzing, depersoneelsschaarste en de hooggespannen verwachtingen van zowelburgers als de overheid dragen allemaal bij aan toenemende druk op deeerstelijnszorg.De Algemene Rekenkamer concludeerde dat ongeveer een op de twintigNederlanders een huisarts zoekt. Veel mensen lopen er na een verhuizingnaar een andere woonplaats tegenaan dat zij zich niet kunnen inschrijvenbij een praktijk vanwege een patiëntenstop. In principe hebben we inNederland voldoende huisartsen om iedereen te bedienen. Hoe staat hetdaarom met de ontwikkeling van het landelijke ruil- en inschrijfsysteemvoor patiënten in de huisartsenzorg, dat werd aangekondigd in hetAZWA?Voorzitter. Zorgverzekeraars moeten zich inspannen om huisartsenzorg teregelen voor hun verzekerden. Veel mensen kennen die zorgplicht niet. DeSGP vindt dat hiervoor in de kabinetsplannen nog te weinig oog is. Is deMinister bereid in gesprek te gaan met verzekeraars over hun rol bij hetvinden van huisartsenzorg voor verzekerden? De Raad voor Volksge-zondheid & Samenleving wees een paar jaar geleden al op de rol dieindividualisering speelt bij de hoge verwachtingen van de eerstelijnszorg.Waar hulpvragen vroeger werden gesteld aan familie, buren of kennissen,komen deze nu steeds laagdrempeliger bij de huisarts of de wijkver-pleging terecht. Het kabinet en de VNG zetten terecht in op wijkgerichtwerken, zorgzame buurten en stevige lokale teams voor jeugdzorg enmaatschappelijke ondersteuning. Het is heel belangrijk dat er goed wordtsamengewerkt tussen huisartsen en lokale teams. Hoe wordt dit gestimu-leerd? Zijn er voldoende middelen om samenwerking tussen de eerste lijnen het sociaal domein te kunnen organiseren?Een blijvend knelpunt is de huisvesting van huisartsen en gezondheids-centra. In september 2025 presenteerde de Minister hiervoor eenhandreiking. Wat zijn de eerste resultaten hiervan?De SGP vraagt al langer aandacht voor de regeldruk in de eerstelijnszorg.De collega naast mij, mevrouw Van Brenk, maakte er ook al gewag van.Veel huidige regels zijn gebaseerd op generieke wetgeving die slechtaansluit bij de kleinschalige eerstelijnszorg. Ik vraag de Minister in overlegte treden met de eerstelijnscoalitie over de door haar voorgesteldeoplossingsrichtingen voor bijvoorbeeld de Wtza, de Wibz en de wet. Vorigjaar nam de Kamer een SGP-motie aan over het behoud van een flexibeleschil voor zzp-huisartsen op de spoedposten en voor situaties van ziek,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1807 piek en uniek. Het kabinet werkt aan een nieuwe zelfstandigenwet. Is deMinister bereid het behoud van de noodzakelijke flexibele schil daarin teregelen?Voorzitter. Als we meer van de eerstelijnszorg vragen, moet er ook meerruimte zijn voor het opleiden tot eerstelijnsberoepen. De beschikbareopleidingsplekken worden echter onvoldoende gevuld. Als we niks doen,groeit het bestaande artsentekort alleen maar. Het Capaciteitsorgaanadviseerde om meer huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde enartsen voor verstandelijk gehandicapten op te leiden. Is de Minister bereidmet zorgpartijen een concreet plan te maken om dit voor elkaar te krijgen?Voorzitter. De SGP vraagt al langer aandacht voor het tandartsentekort inZeeland. Wat is de stand van zaken van de plannen voor een nieuweopleidingslocatie in Zuidwest-Nederland? De toegankelijkheid vanmondzorg heeft niet alleen te maken met de plek waar je woont, maar ookmet de grootte van je portemonnee. Wat weerhoudt de Minister van hetcollectief vergoeden van een periodieke tandheelkundige controle voorvolwassenen? Is de Minister bereid om hier een kosten-batenanalyse voorte maken?Tot zover, voorzitter. Voor de volledigheid merk ik nog even op dat ikstraks weg moet voor een ander overleg. Bij voorbaat mijn excusesdaarvoor.De voorzitter:Dank voor uw inbreng. Fijn dat u dat nog even aangeeft, meneer Van Dijk.Dan zijn we aangekomen bij de volgende spreker van de zijde van deKamer: mevrouw Van Brenk namens 50PLUS. Het woord is aan u.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Dank, voorzitter. 50PLUS is groot voorstander van zorgzame wijken.Initiatieven als De Buurt als Ecosysteem dragen wij een warm hart toe.Het is belangrijk dat professionele en informele hulpverleners samen-werken en er samen voor zorgen dat mensen de hulp krijgen die ze nodighebben. Natuurlijk blijven we kritisch op de bezuiniging van 15% dieingeboekt staat op de wijkverpleging bij De Buurt als Ecosysteem. Als jeweet dat het aantal ouderen toeneemt, zou een status quo toch al eengoede prestatie zijn. Graag een reactie van de Minister.Het is goed om mooie voorbeelden te noemen. In Land van Cuijk zijninmiddels 80 voorzorgcirkels actief. Dat kan niet zonder welzijnswerk. Detwee mensen die Sociom hiervoor inzet, zijn van levensbelang. Ziet deMinister ook dat welzijnswerk een belangrijke partner is voor zorgzamebuurten?Voorzitter. Verder maken wij ons zorgen over de vele praattafels.Regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden – een mooi scrabble-woord! – houden veel mensen van de straat. Kijkt de Minister hier ookkritisch naar?De Rekenkamer geeft aan dat de grote uitdagingen liggen bij het wervenvan voldoende mensen voor de zorg. Zijn er plannen om meer huisartsenop te leiden en om meer wijkverpleegkundigen te vinden of zijn dieplannen in de maak? Daar moeten we toch eerste onze aandacht naar uitlaten gaan. Graag een reactie van de Minister.Deze coalitie heeft wilde plannen met de wijkverpleging. In het coalitieak-koord staat dat er een eigen bijdrage moet komen voor wijkverpleging enik heb het al eerder gezegd: dat is echt een slecht idee. De intramuralezorg afschalen en vervolgens een drempel neerleggen voor het alternatief:dat is wat het kabinet doet. Althans, dat wil het kabinet. De plannen vande coalitie botsen verder ook met de visie van de eerstelijnszorg: sterk,dichtbij en vooral toegankelijk. Graag een reactie van de Minister.De vorige Staatssecretaris erkende in haar brief het belang van casema-nagement dementie. Ik ga ervan uit dat hetzelfde geldt voor deze Minister.De constatering in de brief is dat het duidelijk is dat er te weinig casema-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1808 nagers zijn, zeker zolang er vastgehouden wordt aan de ZorgstandaardDementie. Gezien de verwachte toename van het aantal mensen metdementie is dit uitermate zorgwekkend. Ik wil de Minister vragen hoe zijhierover denkt. Wat zijn haar plannen? Het moet duidelijk zijn wie hetaanspreekpunt is voor de mens met dementie en zijn naasten. Dat is eenabsolute voorwaarde om mensen langer, volwaardig en zelfstandig thuiste laten wonen en om mantelzorgers te ondersteunen, want onderschatniet hoe zwaar dat kan zijn. Graag een uitgebreide reflectie van deMinister.Het is al vaak langsgekomen: de huisarts is de spil in de wijk. Kan deMinister nog eens kort reflecteren op wat we hebben geleerd van hetfaillissement van Co-Med? Hoe maken we verder het vak van huisartsweer populair? Hoe zorgen we dat de huisarts niet verzuipt in papierenmaar tijd heeft voor patiënten? En nogmaals, ik ben blij dat de Ministermeegaat naar Maak Rimpels, want door deelname aan Maak Rimpels-groepen neemt het huisartsenbezoek sterk af, want lang niet alle bezoekenaan de huisarts zijn medische noodzaak. Ook hier kunnen zorgzamewijken, mensen die naar elkaar omkijken, een deel opvangen.Voorzitter. Ons kwam ter ore dat bij de huisartsenrichtlijn «wat te doen bijhet constateren van gordelroos?» geadviseerd wordt alleen virusremmersvoor te schrijven als het virus zich in het gelaat en dan met name rond hetoog bevindt. Bij kwetsbare patiënten wordt geadviseerd een specialist teraadplegen. Ik weet dat het een specifieke vraag is, maar zou het nietbeter zijn om standaard virusremmers voor te schrijven, vanwege deernstige zenuwpijnen die als complicatie kunnen optreden? Kan deMinister aangeven wie gaat over een wijziging van de standaardrichtlijnenvan het Nederlands Huisartsen Genootschap?Het is al eerder gezegd, maar het belang van de hap, de huisartsen-spoedpost, die 24/7 beschikbaar is, wil ik zeker nog noemen. Ziet deMinister het belang hiervan ook en hoe gaan we zorgen dat die postenbeschikbaar blijven?Wij snappen dat preventieve mondzorg volgens de letter niet onder descope van de Zorgverzekeringswet valt, want daarin gaat het om genezenen niet om voorkomen. Maar soms gaat de kost voor de baat uit, wantslechte mondhygiëne leidt tot ontstekingen die via de bloedbanen hetrisico op hart- en vaatziekten, longontstekingen en diabetes verhogen. Endan zijn de kosten vele malen hoger. Zou het mogelijk zijn dat de Ministermisschien gaat overwegen of zij het basispakket kan uitbreiden metminimaal één periodieke controle per jaar?Dat was het. Dank u.De voorzitter:Dank u zeer. Ik kom bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer endat is mevrouw Maeijer, die spreekt namens de PVV.Mevrouw Maeijer (PVV):Voorzitter, dank u wel. De eerstelijnszorg is cruciaal. Het is de plek waar jezelf zonder verwijzing naartoe kunt gaan. De huisarts, de apotheker, dewijkverpleegkundige, de tandarts en de fysiotherapeut: zij zijn het eersteaanspreekpunt. Zij voorkomen vaak dat mensen complexere en duurderezorg nodig hebben. Vooral voor kwetsbare mensen zoals ouderen enchronisch zieken zijn zij de spil in de zorg, want samen met familie ennaasten vormen zij het o zo belangrijke netwerk om hen heen. En juist bijdie eerstelijnszorg loopt het al langere tijd vast.In het coalitieakkoord lezen we hierover bij een aantal punten. Zo wordt eringezet op het verder versterken van de eerstelijnszorg en de toeganke-lijkheid van de huisartsenzorg. Het tekort aan huisartsen moet wordenteruggedrongen. En er wordt ingezet op passende huisvesting. Mijn vraagaan beide bewindspersonen is dan ook: wat gaat u wanneer concreetdoen om de eerste lijn te versterken? Wat gaat u wanneer concreet doenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 1809 om de toegankelijkheid van de huisarts te versterken? En hoe gaat u hethuisartsentekort terugdringen? En wat gaat de Minister doen om tekomen tot passende huisvesting?Voorzitter. De nood is hoog. De nood is hoog bij mensen die niet allemaaltoegang hebben tot een huisarts, omdat er geen huisarts is of omdat zijtegen een patiëntenstop aanlopen. Er is nood bij huisartsen: onvoldoendeinstroom, hoge werkdruk en het onaantrekkelijk worden van het praktijk-houderschap.De financiering van huisvesting speelt een grote rol bij het tekort aanpraktijkhoudende huisartsen. Eerder vroegen we de Minister de mogelijk-heden te bekijken om het waarborgfonds bereikbaar te maken voor dehuisarts, maar we lezen nu in de brief dat het de conclusie is dat dit niethet juiste middel is om de problematiek op te lossen. Het zou slechts eenklein deel van het probleem wegnemen, maar je zou ook «beter iets danniets» kunnen denken. Wat gaat de Minister doen om het probleem wélop te lossen?Voorzitter. 83% van de praktijken heeft een tekort aan doktersassistenten.Ze lopen aan tegen praktische problemen als onvoldoende tijd of ruimte.Welke plannen heeft de Minister om hier iets aan te doen? Ziet de Ministermogelijkheden in het verleiden van huisartsen tot het draaien van watmeer praktijkdagen, waardoor mensen meer toegang hebben tot eenhuisarts?De Minister heeft besloten om de stekker uit C-support te trekken,waardoor de zorg voor tienduizenden longcovidpatiënten stopt. Vanmeerdere kanten wordt aangegeven dat de huisartsen nog helemaal nietklaar voor zijn om deze zorg over te nemen. Herkent de Minister dit en hoeziet zij dit dan voor zich? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat al die patiëntenniet in een gat vallen?Voorzitter. De eerste lijn moet worden versterkt, aldus de Minister. Maartegelijkertijd werpt zij een financiële drempel op voor mensen om gebruikte maken van die eerste lijn, namelijk de eigen bijdrage in de wijkver-pleging. Een half miljoen mensen maakt daar nu gebruik van, waardoormensen, zoals ouderen, zorg zullen gaan uitstellen of weigeren. Mensenzullen later in beeld komen en situaties zullen escaleren, met allegevolgen van dien: verwaarlozing en ziekenhuisopnames. Is dat wat u wiltbereiken, vraag ik de Minister. Ook voor de palliatieve terminale zorg doorde wijkverpleegkundige betaal je straks een eigen bijdrage. Werpt dat nietextra drempels op om de wens van veel mensen om thuis te kunnensterven na te leven?Voorzitter, vergeef me voor mijn snelle spreken, maar ik wil graag nog eenaantal onderwerpen bespreken in de korte tijd die mij gegeven is.Het aantal mensen met dementie zal de komende jaren fors toenemen.Erkent de Minister met het oog daarop het belang van een casemanagerdementie? En zo ja, waarom werpt zij dan een financiële drempel op? Opde agenda van vandaag staat ook het onderzoek van PwC naar decasemanagers. Wat neemt de Minister mee uit dit onderzoek?Voorzitter. Een gezond gebit is geen luxe maar een basisbehoefte. Wewillen dan ook graag weten wat de Minister gaat doen om ervoor tezorgen dat mensen de tandarts niet mijden vanwege de kosten. Hoe gaatzij de financiële toegankelijkheid van mondzorg structureel verbeteren enop welke termijn? Wat is de stand van zaken ten aanzien van het reali-seren van mondhygiënisten op bijvoorbeeld het consultatiebureau?Voorzitter, tot slot. Onmisbaar in de keten van de eerste lijn is deapotheek. Voor velen, vaak ook ouderen, is het de plek waar menbinnenloopt voor laagdrempelig advies over medicijnen. Enkele wekengeleden ontvingen we bovendien ook nog een brandbrief over deaanhoudende medicijntekorten. Een op de drie mensen wordt daarmeegeconfronteerd, terwijl er in veel gevallen geen sprake is van een absoluuttekort. Het preferente medicijn is er niet. Wat gaat de Minister doen om deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18010 patiënt te helpen, maar ook om die apotheker te helpen, die nu heel tijdkwijt is aan het zoeken naar alternatieven?Voorzitter. Veel medicijnen worden ongebruikt teruggebracht envernietigd. Hoe gaat het kabinet deze verspilling tegen? Is vernietiging inalle gevallen wel nodig? Ik denk aan de apotheker die zelf de medicatienaar het verpleeghuis vervoert en dus ook weet waar het wordtopgeslagen. Is dan vernietiging nog wel nodig als deze productenterugkomen?Tot zover, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Dank u zeer. De volgende spreker is mevrouw Wiersma, namens de BBB.Mevrouw Wiersma (BBB):Dank, voorzitter. De eerstelijnszorg staat niet op zichzelf, want de huisartsen de spoedeisende hulp vormen samen de voordeur naar de zorg. Als dehuisartsenzorg onder druk staat, zien we dat direct terug op de spoedei-sende hulp. Ik weet dat het vandaag niet op de agenda staat, maar ik denkdat die twee communicerende vaten zijn. Ruggespraak met een spoedei-sendehulparts is voor huisartsen van levensbelang. Daarom is het ook zozorgelijk dat ook daar de tekorten oplopen. Er staan ruim 100 vacaturesopen voor spoedeisendehulpartsen, terwijl de belangstelling voor deopleiding groot is. Tegelijkertijd zien we dat het kabinet bezuinigt opopleidingsmiddelen voor medisch specialisten. Dat wringt.Een tekort aan spoedeisendehulpartsen leidt tot meer noodstops, langerewachttijden en uiteindelijk tot meer druk op de huisartsenposten. Het zijndus, zoals ik al zei, communicerende vaten. Kabinetten hebben jarenlangvastgehouden aan het onafhankelijke advies van het Capaciteitsorgaan,ook wanneer dit advies volgens de beroepsgroepen zelf te laag uitviel.Maar dit kabinet bezuinigt 110 miljoen op de opleidingsplaatsen. Dat zienwe terug in het regeerakkoord en de Voorjaarsnota. Mijn vraag aan deMinister is daarom of het ministerie het advies van het Capaciteitsorgaanvoor de opleidingsplekken van spoedeisendehulpartsen in zijn geheel zalovernemen. En zo nee, welke alternatieven zijn er dan?De nabijheid tussen huisartsenzorg en een goed functionerende spoedei-sende hulp is belangrijk. Regionale ziekenhuizen spelen daarin eensleutelrol, maar die positie staat al jaren onder druk. De Minister heefteerder toegezegd in het eerste kwartaal met een brief te komen over hetgroeipad naar budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp. Dat raaktdirect aan de toegankelijkheid van de zorg in de regio. Als regionaleziekenhuizen financieel onder druk blijven staan, komt ook de samen-werking met de eerstelijnszorg in het nauw. Kan de Minister bevestigendat 2028 nog steeds haalbaar is voor het versterken van de financiëlepositie van regionale ziekenhuizen? Als dat niet zo is, is zij dan bereid omte kijken naar een overbruggingsfonds voor regionale ziekenhuizen, zoalsbijvoorbeeld een beschikbaarheidsbijdrage, zodat die discussies overstaatssteun kunnen worden voorkomen?Voorzitter. Naast de infrastructuur gaat het uiteindelijk om mensen. Detekorten aan huisartsen, spoedeisendehulpartsen, maar ook anderespecialisten, laten zien dat we strategischer moeten gaan kijken naaropleidingen. BBB heeft daar eerder een voorstel voor gedaan enafgelopen week is er ook een motie van BBB over aangenomen. Maar in2022 diende mijn fractie een motie in die wat verder ging en die vroeg omnaar Beiers voorbeeld studenten die arts willen worden, maar buiten deboot vallen bij de selectie, toch een opleidingsplek te geven als zij zichvervolgens committeren aan de regio waar er tekorten zijn.Dat idee staat niet op zichzelf, want recent onderzoek van een postdoc-toraal onderzoeker van UMC Utrecht, overigens in opdracht van hetMinisterie van VWS, laat zien dat het toelatingsbeleid voor geneeskunderegionale huisartsentekorten juist in stand doet houden. Regio’s met deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18011 grootste tekorten leveren namelijk de minste geneeskundestudenten. Ikkom zelf uit zo’n regio, namelijk Noord-Friesland. In landen als Duitsland,Canada en Japan wordt daarom juist bewust gekozen voor studenten uittekortregio’s, vaak gekoppeld aan de afspraak dat ze later ook in zo’n regiogaan werken. Is de Minister bereid om serieus te kijken naar strategischtoelatings- en opleidingsbeleid, waarbij we gericht artsen opleiden voorregio’s waar de tekorten het grootst zijn? Want zonder voldoende artsen,zowel in de eerste lijn als op de spoedeisende hulp, blijft toegankelijkezorg in de regio een papieren belofte.Dank.De voorzitter:Veel dank voor uw inbreng. De volgende spreker van de zijde van deKamer is de heer Poortman, namens het CDA.De heer Poortman (CDA):Voorzitter, dank u wel. Het is vandaag al vaker gezegd: de eerstelijnszorgis de spil van het Nederlandse zorgstelsel. Het zorgt ervoor dat de zorgtoegankelijk is voor iedereen en het maakt zorg dicht bij huis mogelijk.Mensen hebben een vertrouwd eerste aanspreekpunt voor hun gezond-heidsvragen en de eerstelijnszorg heeft een noodzakelijke poortwachters-functie waardoor onnodig gebruik van tweedelijnszorg wordt voorkomen.Huisartsen, fysiotherapeuten, apothekers en wijkverpleegkundigenervaren nu al grote druk op hun werk. We zien verder dat er nog te weiniggericht wordt op samenwerking in de wijk en op het voorkomen van zorg.Ik wil dat vandaag op een paar punten toelichten.Laat ik beginnen met de huisartsenzorg. In het coalitieakkoord zijnafspraken gemaakt over het versterken van de eerstelijnszorg, waarbijterecht aandacht wordt gevraagd voor de toegankelijkheid van dehuisartsenzorg. Afgelopen donderdag hebben we daar op specifiekeonderdelen al bij stilgestaan, bijvoorbeeld de toegankelijkheid, maar ikzou de Minister nu willen vragen toe te lichten hoe zij aanvullend op deafspraken uit het AZWA aan de slag gaat met de afspraken in hetcoalitieakkoord om het tekort terug te dringen en huisartsen te helpen metde huisvesting.In een tweeminutendebat afgelopen donderdag heb ik gevraagd naar deverbetering van de bekostiging. De Minister gaf toen aan dat ze met deNZa in gesprek gaat over die bekostiging en de inrichting van segment 3.Ik ben nieuwsgierig naar de uitkomsten van dat gesprek en ook welwanneer we hierover wat meer informatie kunnen krijgen.De fysiotherapie. Dank aan de Minister voor haar beleidsreactie op hetNZa-marktonderzoek naar fysiotherapie en het onderzoek naar aanleidingvan de motie-Krul naar een oplossing voor de tarifering van fysiothera-peuten. Maar de knelpunten bij de bekostiging van de fysiotherapie zijn alsinds 2020 bekend. De NZa bevestigt die opnieuw in haar markton-derzoek, maar er is nog steeds geen concrete oplossing gevonden. DeMinister schrijft dat ze het standpunt van de NZa deelt dat eventueleknelpunten effectiever via bestaande instrumenten aangepakt kunnenworden. Mijn vraag aan de Minister is wat zij daarmee precies gaat doen,zodat er ook een oplossing gevonden kan worden.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Op het punt van tarieven heb ik twee hele simpele vragen. Deelt het CDAde opvatting dat de tarieven voor de huisartsenzorg ontoereikend zijn opdit moment en dat die echt verbeterd dienen te worden? Dat is één. Twee.Deelt het CDA de opvatting dat er voor de fysiotherapie eigenlijk ookminimumtarieven zouden moeten komen?De heer Poortman (CDA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18012 Om met het tweede te beginnen: dat durf ik niet te zeggen; daar zou ik meeven in moeten verdiepen. Het eerste punt deel ik. Ik kan me bijvoorbeeldvoorstellen dat de regio een belangrijker aspect gaat vormen dan deverleende zorg, dus dat de populatie sterker meegewogen gaat worden inde tarifering van de huisarts. Maar ik ben benieuwd hoe de Minister datuit gaat werken. Meneer Bushoff zegt dat hij maar drie vragen heeft, maarik zie dat hij popelt!De voorzitter:Meneer Poortman, vervolgt u uw betoog.De heer Poortman (CDA):Over de apotheekzorg kwam naar buiten dat als gevolg van de oorlog inIran medicijnvoorzieningen in het gedrang dreigen te komen. In dat licht isde afspraak in het coalitieakkoord om overmedicatie en verspilling vanmedicijnen tegen te gaan extra relevant. Ik ben benieuwd of de Ministerkan aangeven wat ze gaat doen om daar invulling aan te geven. Eerderkwam al de motie-Van Dijk over ontpillen langs; die geeft een richting.Ook daar is al veel over gesproken, maar ik ben benieuwd hoever we in deuitvoering daarvan of in het ontwikkelen van uitvoering zijn.Tot slot de wijkverpleging. Dank aan de Minister voor haar uitgebreidebrief over de toekomst van de wijkverpleging. Wijkverpleegkundige zorgis enorm belangrijk; dat werd ook al eerder onderstreept. Je komt immersbij mensen achter de voordeur. Daarmee heeft de wijkverpleging eenbelangrijke preventieve functie. Toch vinden we het ook rechtvaardig omeen eigen bijdrage te vragen, zoals is afgesproken in het coalitieakkoord.Dat doen we op bijna alle terreinen in de zorg. Natuurlijk zijn we niet doofvoor de zorgen die er bij veel mensen en wijkverpleegkundigen leven.Daarom is een zorgvuldige uitwerking van belang. De Minister geeft eeneerste aanzet voor hoe ze die eigen bijdrage wil vormgeven. Het zouvolgens ons ook goed zijn als ze in haar brief van voor de zomer eenaantal opties uitwerkt over hoe we dit zouden kunnen doen en hoe weervoor kunnen zorgen dat de preventieve functie van de wijkverpleging zogoed mogelijk behouden blijft. Voor nu is mijn vraag: kan de Minister aliets meer zeggen over waar ze bijvoorbeeld aan denkt? En is de Ministerook bereid om breder te kijken dan specifiek de Zorgverzekeringswet,waar de wijkverpleging nu onder valt? Een optie zou zijn om een deel vande wijkverpleging bij de Wlz onder te brengen, waar al een eigen bijdragegeldt.Tot zover.De voorzitter:Hartstikke goed, meneer Poortman. Er is een interruptie van mevrouw VanBrenk.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Onderwijl gaat mijn telefoon; dat is heel vervelend. Wij zijn echt mordicustegen de eigen bijdrage voor de wijkverpleegkundige, want we weten hoede wijkverpleegkundigen werken en hoe laagdrempelig zij zijn. Als zij eensignaal krijgen van iemand uit de buurt en horen dat het echt slecht metiemand gaat, bellen ze ook aan. Je kunt nog niet zomaar binnenkomen.Dat vergt best wel meer tijd. Je moet daar dus vaker langsgaan voordatmensen je überhaupt binnenlaten. Als dat dan een prijskaartje heeft, dankom je nooit meer binnen. Wat dan uiteindelijk resulteert, zal een veelzwaarder en groter probleem zijn voor de maatschappij. Ik ben dus welbenieuwd hoe het CDA dan toch vindt dat een eigen bijdrage voor dewijkverpleegkundige voor hen wel acceptabel is.De heer Poortman (CDA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18013 Ik denk dat we dat in beginsel anders zien. Ik weet niet of de eigenbijdrage ervoor zorgt dat mensen geen wijkverpleging zouden willen. Hethangt vervolgens wel af van de uitwerking van dat voorstel. Daar ben ikheel benieuwd naar. Ik ben dus benieuwd waar de Minister mee komt. Datzullen wij kritisch volgen. Maar in beginsel zijn wij niet tegen, omdat ik mijafvraag of het niet ontvangen van wijkverpleging per se samenhangt metdie eigen bijdrage.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik heb een vraag aan de heer Poortman. Het CDA is bij uitstek een partijdie oog heeft voor de regio. In mijn bijdrage maakte ik melding van hettandartsentekort in Zeeland. Dat is echt extreem: 150 tandartsen op400.000 mensen. Wat zou het CDA willen bewerkstelligen om dat tekortkleiner te maken? Is hij bereid om ook volop steun te geven aan eennieuwe opleidingslocatie in Zuidwest-Nederland, met het oog op nieuwetandartsen?De heer Poortman (CDA):Goed punt; interessante vraag. Als ik «ja» zeg, kan ik dat niet goedoverzien, dus dat doe ik niet, maar ik ben wel bereid om daar even naar tekijken en daarin mee te denken.De voorzitter:De heer Dobbe. Mevrouw Dobbe. Ik zat nog met «de heer Van Dijk intweede instantie», excuus. Mevrouw Van Dobbe. Ik raak nu even in dewar. Ik kijk eerst naar de heer Van Dijk. U wilt niet in tweede instantie?Mevrouw Dobbe is aan het woord.Mevrouw Dobbe (SP):We zijn bijna gefuseerd in dit debat, zo! Mevrouw Dobbe had inderdaadnog een interruptie voor het CDA. Het CDA doet een pleidooi alsvoorstander van de eigen bijdrage in de wijkverpleging. Mevrouw VanBrenk zei net heel terecht dat wijkverpleegkundigen bijvoorbeeld zeggendat ze dan niet meer bij mensen binnen zullen komen en dat een aantalouderen niet meer gezien zullen worden. Er wordt breed gewaarschuwddat ouderen hierdoor verwaarloosd kunnen raken en dat het groteproblemen gaat opleveren. Tegelijkertijd zegt het CDA niet doof te zijnvoor de signalen en de bezwaren die het hierover krijgt. Maar diebezwaren zijn superbreed: ze komen van zorgverleners, patiëntenorgani-saties, ouderenorganisaties en experts. Hebben zij dan allemaal ongelijk?Waarom denkt het CDA: wij zien het toch anders; al die waarschuwingenkloppen niet en dit gaat allemaal niet gebeuren? Hoe weet het CDA dat zozeker?De heer Poortman (CDA):Die zekerheid dat alles zo zal gaan, zoals u het zegt, herken ik niet bijmezelf. Ik denk alleen dat je op meerdere manieren in een samenleving enin de wijk kunt investeren. We hebben ook het gemeenschapsfonds.Daarbij kijken we überhaupt naar gemeenschappen en naar het versterkenvan de samenleving. Je moet het dus zien binnen een breder pakket datde coalitie wil. Het hangt niet alleen samen met de wijkverpleging. Dewijkverpleging is onderdeel van hoe we de samenleving zien en wat wewillen investeren in de samenleving. Je moet het dus in dat kader zien.We vinden ook dat de kritische signalen meegenomen moeten worden inde uitwerking, maar het is nu te vroeg om op voorhand te zeggen dat deeigen bijdrage alleen een onoverkomelijke barrière gaat vormen.Mevrouw Dobbe (SP):Het is natuurlijk niet te vroeg om dat te zeggen. Door de mensen die hetwerk doen en de mensen die zorg krijgen, wordt heel breed gewaar-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18014 schuwd: doe dit niet. Er wordt niet gezegd: «Oké, je kan het doen. Voer hetuit. We kijken mee om dit te voorkomen.» Nee, ze zeggen: «Als je eeneigen bijdrage in de wijkverpleging invoert, dan gaat het mis.» Waaromkiest het CDA er dan toch voor, dit wetende? Het betreft namelijk demensen die echt dit werk doen. Zij weten hoe het gaat in de praktijk.Waarom kiest het CDA dan toch voor deze maatregelen? Er zijn zo veelandere maatregelen die het CDA kan nemen. Dat doet het ook. Diesteunen we vaak óók niet. Maar van deze maatregel is heel duidelijk dat jehet niet moet doen. Waarom dan toch hieraan vasthouden?De heer Poortman (CDA):Omdat het niet zo zwart-wit is. We gaan niet alleen voor een eigenbijdrage in de wijkverpleging, maar we investeren ook in de wijk en in degemeenschappen in de wijk. Het is en-en. Ik denk dat als je daarininvesteert, als je omziet naar elkaar en daar oog voor hebt, het ook eenandere functie kan hebben, naast de wijkverpleging. Het gaat dus nietalleen maar om de eigen bijdrage. We investeren tegelijkertijd in de wijken in de gemeenschap.Mevrouw Maeijer (PVV):Het CDA heeft het over «het totaalpakket» of «het brede pakket». Maar hetbrede pakket houdt natuurlijk ook in dat tegenover de investeringen in debuurten een hoog eigen risico staat en dat de tegemoetkoming voor dechronisch zieken wordt afgeschaft. Daarnaast komt er nog een eigenbijdrage in de wijkverpleging. Ik zou het CDA willen voorstellen: als u hetbrede pakket schetst, doe dit er dan bij. Het zijn namelijk dezelfde mensendie dit voor hun kiezen krijgen. Nu kom ik bij de eigen bijdrage in dewijkverpleging. Klopt het dat ik het CDA eigenlijk het volgende hoorzeggen? «Alle signalen nemen het gewoon voor lief. We gaan dit gewoondoen.»De heer Poortman (CDA):Nee. Er geldt nu geen eigen bijdrage, dus alles wat daar nu over gezegdwordt, is een voorspelling. Het is een serieuze voorspelling. Die moet jemeenemen in de uitwerking en serieus nemen. Je moet kijken hoe je hetvorm gaat geven. We gaan kijken naar de uitwerking en de uitvoer-baarheid ervan.Mevrouw Maeijer (PVV):Ik kan eigenlijk helemaal niks met dit antwoord en ik denk de mensen diedeze signalen afgeven ook niet. De vorige keer, bij de begrotingsbehan-deling VWS, stonden we plenair. Toen hadden we net een petitieontvangen van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland. Zij haddentoen meer dan 30.000 handtekeningen verzameld voor een petitie tegende eigen bijdrage. We waren daar allemaal bij. De casemanagersdementie vertelden ons verhalen over wat het zou betekenen voormensen als je een eigen bijdrage invoert. Dat is niet een stukje techniek,zo van: we gaan even kijken hoe we dit juridisch kunnen dichttimmeren.Dit gaat gewoon over het leven van mensen. Zij geven gewoon aan datmensen hierdoor zorg zullen uitstellen en zorg zullen weigeren. Dat is nieteen soort... Dat is geen papier. Dat is gewoon de werkelijkheid waarmensen straks tegenaan zullen lopen. Ik zou u toch nog een keer willenvragen, meneer Poortman, om hier gewoon van af te zien. Die signalenzijn serieus. Het heeft ontzettend grote gevolgen voor mensen die dewijkverpleging zo hard nodig hebben.De heer Poortman (CDA):Nogmaals, die signalen zijn inderdaad helder en die moeten wordenmeegenomen in de uitwerking van deze plannen, maar voor nu is er geenreden om daar al van af te zien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18015 De voorzitter:U was aan het einde gekomen van uw inbreng. Dan zijn we bij devolgende spreker. Dat is de heer Bevers namens de VVD.De heer Bevers (VVD):Dank, voorzitter. De eerstelijnszorg is de basis van de uitstekendegezondheidszorg in Nederland. Huisartsen, apothekers, tandartsen endiverse paramedici zoals diëtisten en fysiotherapeuten zorgen voor eensolide en betrouwbare zorg, die bovendien dicht bij de patiënt thuis wordtgeleverd. Ook in het coalitieakkoord onderkent de VVD, samen met deandere partijen, het nadrukkelijke belang van de eerstelijnszorg en dehuisarts bij het kiezen voor passende zorg. Ik citeer er letterlijk uit: bij dezebeweging hoort ook het verder versterken van de eerstelijnszorg en detoegankelijkheid van de huisartsenzorg. Het continueren van de inhoude-lijke en financiële afspraken in de huidige akkoorden, zoals het AZWA,hoort daar vanzelfsprekend bij. Dat is ook op die manier geregeld.De VVD staat ook voor de duidelijke keuze die gemaakt wordt voorpassende zorg: zo dicht mogelijk bij mensen thuis. De eerstelijnszorg zaldaar een onmisbare schakel in zijn en de huisarts zal hier een belangrijkerol bij spelen. Om de lijn van de passende zorg in de eerste lijn zo veelmogelijk te kunnen realiseren zijn voldoende huisartsen nodig endaarnaast artsen ouderenzorg en artsen verstandelijk gehandicapten. HetCapaciteitsorgaan adviseerde begin 2026 dat er meer huisartsen,specialisten ouderengeneeskunde en artsen VG moeten worden opgeleid.Maar helaas, lang niet alle plekken worden opgevuld in onder andere dehuisartsenopleiding. Die andere artsen zijn ook hard nodig om dehuisartsen te ondersteunen in de eerste lijn. Mijn vraag aan de Minister ishoe zij kijkt naar het pleidooi van onder andere de Landelijke HuisartsenVereniging voor een nieuw gezamenlijk actieplan om meer huisartsen,specialisten ouderengeneeskunde en artsen VG op te leiden.Veel jonge huisartsen willen geen praktijkhouder meer worden omdat deregeldruk en de administratieve lasten te hoog zijn. Mijn vraag aan deMinister is of zij bekend is met deze trend en wat zij kan doen om datpraktijkhouderschap in de volle breedte, dus ook huisvesting, aantrekke-lijker te maken voor jonge huisartsen.Doktersassistenten zijn ook een punt van aandacht binnen de huisart-senzorg. Er is met name een tekort aan stageplaatsen. Huisartsen willengraag hun bijdrage daaraan leveren, maar lopen aan tegen praktischebeperkingen. Het tekort binnen de huisartsenzorg is echter wel heel groot.Is de Minister het met de VVD eens dat gezien het grote aantal vacatureshier actie op nodig is? Is zij bereid om met de huisartsen in gesprek tegaan om te bekijken hoe beperkingen weggenomen kunnen worden?Voorzitter. Passende zorg betekent soms ook geen zorg, omdat deklachten van de patiënt andere oorzaken hebben en niet op te lossen zijndoor zorg, maar door bijvoorbeeld een omgeving waarin ruimte is voorontmoeting. Het kabinet trekt extra geld uit voor de ontwikkeling van dezogenaamde zorgzame wijken en buurten. Sociale cohesie is namelijk nietafdwingbaar en anno 2026 niet meer vanzelfsprekend. Je zult dus moeteninvesteren om dat in gang te zetten. De VVD denkt dat het sociaal werk inbrede zin een heel belangrijke rol kan spelen. De sociale omgeving is vanbelang bij het vinden van oplossingen rond bijvoorbeeld eenzaamheid,dementie en andere aandoeningen waarbij een medische interventie nietaltijd de beste optie is. Wijkteams met sociaal werkers en andereprofessionals sluiten naadloos aan bij de ontwikkeling van de socialecohesie in wijken en buurten. In het AZWA worden de nodige stappengezet om de betrokkenheid van het sociaal domein te vergroten, maar ikwil nadrukkelijk de vraag aan de Minister stellen hoe zij deze rol denktdefinitief te gaan borgen, zodat dit een gegeven wordt van de dagelijksepraktijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18016 Voorzitter. Ten slotte nog een opmerking over de versterking van defarmaceutische patiëntenzorg. Het is al een aantal keren genoemd, ookdoor de heer Claassen. Dat gaat met name over de term «ontpillen» en devraag hoe je daarmee om kan gaan. Ik heb begrepen dat het mogelijk isom een aantal zaken rond medicatie-evaluaties te doen. Maar vaak gaathet dan om het totale pakket van medicijnen dat iemand slikt en niet ombijvoorbeeld een individueel middel en de ruimte om daarover hetgesprek aan te gaan. Die vergoeding lijkt niet of slechts beperkt mogelijk.Mijn vraag aan de Minister is heel concreet hoe zij hiertegen aankijkt. Is zijeventueel bereid om te kijken of daar een zogenoemde andere betaaltitelvoor mogelijk is?Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Veel dank. Mevrouw Van Brenk heeft een interruptie.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):De collega van de SGP sprak al over de huisartsenspoedzorg en over hetfeit dat daar, om die 24/7-beschikbaarheid te realiseren, zelfstandigehuisartsen actief zijn die als zzp’ers nog weleens vastlopen op de nieuwewet voor zelfstandigen. Ik ben benieuwd hoe de VVD daarin zit, want wemoeten er wel voor zorgen dat dit mogelijk blijft. Hoe kijkt de VVDdaartegenaan?De heer Bevers (VVD):Helemaal eens. Wij hebben in een heel vroeg stadium via de Minister vanVWS aan de Minister van Sociale Zaken gevraagd om bij de uitvoeringvan de huidige wet nadrukkelijk een uitzondering te maken voor dehuisartsenposten. We hebben daar als VVD een bijeenkomst overgeorganiseerd, waarbij we met huisartsen hebben gesproken die in diesituatie zitten. We moeten daar echt ruimte voor creëren. Dat is echt eenvoorwaarde voor die Zelfstandigenwet. Juist voor de huisartsenpostengeldt dat het vaak zelfstandige huisartsen zijn die op een aantal posten deavond-, nacht- en weekenddiensten draaien. Ik ben het helemaal met ueens. Ik vind het echt een voorwaarde voor de nieuwe Zelfstandigenwetdat dat goed geregeld is.De voorzitter:Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van deKamer: de heer Bushoff namens GroenLinks-PvdA.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Nogmaals welkom aan iedereen op de publieketribune, maar in het bijzonder aan de hele grote groep startendehuisartsen die hier vandaag aanwezig is. Dat legt natuurlijk ook gelijk eenklein beetje een hypotheek op dit debat. Zowel de Kamer als het kabinetzou erin moeten slagen om deze jonge huisartsen het gevoel te geven datwe hun problemen voldoende snappen en met oplossingen komen, zodatzij zo meteen allemaal blijven kiezen voor het prachtige huisartsenvak. Diedruk ligt wel op dit debat, zeg ik ook in de richting van het kabinet.Voorzitter. Vier minuten en vier onderwerpen die ik wil aanstippen: ik ga ersnel doorheen. Ik probeer het in vier minuten te doen. Allereerst over dehuisartsen. Die zijn echt het fundament van ons zorgstelsel. Nou zijn ereen heel aantal voorstellen in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord enin de initiatiefnota die de Kamer twee jaar geleden heeft behandeld,geland om ervoor te zorgen dat er voldoende praktijkhoudende huisartsenzijn. Nu is het zaak om van papier naar praktijk te komen. Ik denk dat hetbelangrijk is dat het kabinet ook op reguliere basis de Kamer eenuitvoeringsagenda doet toekomen waarin staat hoe het staat met al dievoornemens uit die twee papieren boekwerken, namelijk de initiatiefnotaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18017 en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Ik zou de Minister willenvragen of zij in die uitvoeringsagenda ook de ervaringen van de jongestartende huisartsen wil meenemen.Voorzitter. Heel specifiek ben ik nog benieuwd naar hoe het staat met hetvoorstel om jonge startende huisartsen meer ruimte en tijd te geven omeen eigen praktijk op te starten, zodat ze dat niet alleen in hun «vrije tijd» –ik zeg het expres tussen aanhalingstekens – hoeven te doen. Daar zoudenze vanuit de zorgverzekeraars meer ruimte en tijd voor moeten krijgen.Daar ben ik dus nog specifiek benieuwd naar.Ik heb het al eerder genoemd: de tarieven van de huisartsen zijn nuontoereikend. Die moeten echt herijkt worden. De deadline voor wanneerdat moet gebeuren nadert, dus ik ben benieuwd of de Minister daarinmiddels al iets over kan zeggen.Voorzitter. Dan ga ik heel snel door naar apotheekzorg. Daarover heb ikeigenlijk één punt. We weten allemaal dat er geneesmiddelentekorten zijn.Op het moment dat er een tekort is aan een geneesmiddel, mag eenapotheker een ander geneesmiddel dan voorgeschreven in het preferen-tiebeleid aankopen en dat verhandelen. Eventueel mag de apotheker zelfsiets uit het buitenland halen. Maar op het moment dat het geneesmiddeldat wordt voorgeschreven door het preferentiebeleid wel weerbeschikbaar is, moet dat geneesmiddel weer verkocht worden door deapotheek en blijft de ingeslagen voorraad, die eventueel is geïmporteerdvanuit het buitenland, of dat andere middel dat als vervanging diendevoor het middel dat even niet beschikbaar was, gewoon op de plankliggen. Dat is zonde. Dat is geneesmiddelenverspilling. Ik zou willen datwe daar iets aan zouden kunnen veranderen. Is de Minister dat met mijeens?Voorzitter. Dan nog fysiotherapie. Daar is een onderzoek naar gedaan doorde NZa. Zij hebben, even heel kort door de bocht gezegd, geconstateerddat er niet zo veel aan de hand is. Toch zien we dat steeds meer fysiothe-rapeuten het vak verlaten en dat de verwachting is dat nog meerfysiotherapeuten het vak zullen gaan verlaten, terwijl dat echt een crucialeberoepsgroep is voor die eerstelijnszorg en voor passende zorg. Ik denkdat het belangrijk is dat we toch toegaan naar die minimumtarieven. Hoekijkt het kabinet daarnaar?Voorzitter, nog één onderwerp. We weten dat er soms veel gefraudeerdwordt in de zorg, geschat wordt een bedrag van 10 miljard. De NZa kwamlaatst met het bericht dat er zo’n 311 miljoen aan winst is uitgekeerd in dezorg. Ik ben heel benieuwd wanneer we de Wet integere bedrijfsvoeringzorg- en jeugdhulpaanbieders kunnen verwachten en of de Minister al ietskan zeggen over hoe deze wet eruit gaat zien.Ook zou ik de Minister een vraag willen stellen over specifiek demondzorg voor ouderen. Zou het niet verstandig zijn om richtlijnen op testellen voor wat nog zinvol is aan mondzorg voor ouderen? Zo las ik laatsthet bericht dat er bij iemand van 90 jaar een declaratie van € 10.000 isingediend. Dat kan volgens mij niet de bedoeling zijn. Bovendien is hetvolgens mij zo dat ouderenzorginstellingen een bedrag krijgen voormondzorg, maar dat die mondzorg ook nog eens door de tandartsgedeclareerd kan worden. Er zou dus sprake kunnen zijn van een dubbeledeclaratie. Klopt dat? Vindt het kabinet dat dan ook onwenselijk?Voorzitter. Volgens mij ga ik door mijn tijd heen.De voorzitter:Ik wilde net zeggen «komt u tot een afronding?», dus u voelde het goedaan.De heer Bevers (VVD):Ik heb vanochtend dezelfde groep huisartsen gesproken. Ik heb daarbij deopmerking gemaakt dat het niet tot de basiscompetenties van Kamerledenbehoort om soms de nuance te zoeken, maar ik ga het toch proberen bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18018 collega Bushoff. Hij had het over winst- en dividenduitkeringen. Wekennen het standpunt van GroenLinks-PvdA over privaat kapitaal in dezorg, maar ik ga toch proberen om met u een nuance te zoeken. Wekunnen het wel heel erg platslaan en zeggen dat we het niet willen, maarin heel veel situaties – ik ken dat zelf vanuit Leeuwarden – zijn er praktijkendie uitstekend functioneren volgens alle normen, met praktijkonder-steuner, maar die wel als bedrijf worden gerund, omdat er heel groterisico’s in zitten die om private investeringen vragen, dus eigen geld datze meebrengen. Dat gebeurt soms in een bv en daar wordt inderdaadsoms ook wat winst in uitgekeerd. Is collega Bushoff bereid om met mij tezoeken naar een manier waarop je ervoor zorgt dat dat soort bedrijven –het geldt ook voor apotheken en een aantal anderen – die wel kiezen vooreen bedrijfsmatige benadering maar niet worden ...De voorzitter:De interrupties moeten echt korter, geen lange betogen.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Ja, op zich wel, want laten we duidelijk zijn: een praktijkhoudende huisartsis in zekere zin ook gewoon een ondernemer en mag ook gewoon winstuitkeren. Loon aan zichzelf is bijvoorbeeld in principe de winst die eenpraktijkhoudende huisarts maakt. Daar is helemaal niks mee. Maar hetgaat wel fout – volgens mij zei de directeur van CZ dat vandaag ook nog ineen groot krantenartikel – op het moment dat winst belangrijker wordtgemaakt dan de kwaliteit van zorg. Dan schuurt het. We zagen dat dat hetgeval was bij het beruchte Co-Med en ik denk dat we dat ook zien in hetgeval van enkele praktijkvoorbeelden rondom de mondzorg, met name bijmondzorg die verleend wordt in de ouderenzorg. Waar moet je dan debalans zoeken? Die kun je bijvoorbeeld zoeken in die Wet integerebedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders, door voorwaarden testellen aan wanneer er winstuitkeringen gedaan mogen worden. Dat kanbijvoorbeeld alleen als dat de kwaliteit van de zorg ten goede komt enalleen op het moment dat er voldoende weerstandsvermogen is en hetbedrijf financieel gezond is. Al dat soort voorwaarden zou je moetenstellen aan winstuitkeringen in de zorg. Precies daarom is die wet, die nunog op de plank ligt, zo hard nodig. Ik kijk er enorm naar uit om die wet tebehandelen. We hebben in een eerder stadium al een aantal amende-menten ingediend om die wet beter te maken. Dus ...De voorzitter:Meneer Bushoff ...De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Dus vandaar mijn vraag wanneer die wet komt.De voorzitter:U had de vraag al beantwoord, meneer Bushoff. Een korte wedervraagvan de heer Bevers.De heer Bevers (VVD):Een korte constatering. Ik denk dat met deze nuance GroenLinks-Partij vande Arbeid en de VVD het misschien wel eens meer eens kunnen zijn danwe soms denken.De voorzitter:Alles kan. Had mevrouw Wiersma nog een vraag? Ik zie dat dat niet zo is.De anderen ook niet, zo te zien. Dan komen we bij de volgende spreker.Dat is de heer Vervuurt namens D66.De heer Vervuurt (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18019 Dank u wel, voorzitter. Goede zorg begint in de buurt, bij een vastehuisarts die je kent en waar je snel terechtkunt als dat nodig is. Dehuisarts is de eerste plek waar mensen aankloppen met hun zorgen.Daardoor komen problemen zoals schulden, eenzaamheid, eenongezonde leefstijl of stress daar al vroeg aan het licht. Hele groteproblemen, maar ook problemen die eigenlijk in het sociaal domeinhoren. Dat kan anders en dat kan beter. Wanneer we het sociaal domeinen de huisarts beter op elkaar afstemmen, blijft de huisarts eenvertrouwde plek om naartoe te gaan met medische vragen en kan hetsociaal domein invulling geven aan de niet-medische problemen.Daarvoor moet de samenwerking met het sociaal domein wel goedgeorganiseerd zijn. Mijn fractie wil daarom werk maken van sterkereeerstelijnszorg, waarin de huisartsen, de wijkverpleging, de apothekers enhet sociaal domein goed samenwerken, zodat mensen nu en in detoekomst sneller en beter geholpen worden. Hoe zorgt de Minister ervoordat deze samenwerking beter tot stand komt en er tegelijkertijd minderdruk komt op de huisartsenzorg?Voor steeds minder mensen is een vaste huisarts vanzelfsprekend. Detoegankelijkheid staat onder grote druk. Neem de huisartsenzorg in deprovincie Friesland. Daar zijn nu al te grote tekorten aan praktijkhoudersen daar gaan de komende jaren tientallen huisartsen met pensioen. Alswe niet ingrijpen, komen daardoor in 2030 naar schatting meer dan100.000 Friezen zonder huisarts te zitten. Maar we zien ook goedeinitiatieven ontstaan in het veld. In Zeeland is er ook een groot tekort.Daar wordt nu beter samengewerkt en regionaal opgeleid. Zo zijn ersteeds meer succesverhalen van praktijken die toekomstbestendigworden. In Bergen op Zoom scheelde het openbaar delen van wachtlijstenvan praktijken en de digitalisering van intakeprocessen bijvoorbeeld eenjaar aan administratietijd. Hoe gaat de Minister dit soort initiatievenondersteunen en helpen opschalen? Hoe zorgt de Minister ervoor dat dezeaanpak en andere succesvolle aanpakken sneller worden uitgerold opplekken waar de druk het grootst is?Voorzitter. We weten allemaal dat een huisartsenpraktijk niet alleen draaitop de huisarts. Helaas is er ook aan doktersassistenten een groot tekort enstaat de instroom onder druk, onder andere door een tekort aan stage-plekken. Dat is natuurlijk dubbel wrang. Als we zo veel mogelijk doktersas-sistenten in de praktijk willen hebben, moeten we alles op alles zetten omstageplekken te realiseren. Wat doet de Minister, samen met de Ministervan OCW, om het tekort aan doktersassistenten en stageplekken aan tepakken?Voorzitter. De huisarts is waar men langsgaat met allerhande problemen.Laagdrempelige huisartsenzorg – dat is vandaag al meerdere malenbenoemd – is dan ook enorm belangrijk voor ons zorgsysteem. Bij dehuisarts word je geholpen of vind je de weg naar specialistische zorgwanneer nodig. Deze centrale plek van de huisarts biedt dan ook kansen,kansen om in te zetten op preventie en goed te verbinden met dat socialedomein. Als we alle partijen in de eerste lijn goed aan elkaar kunnenverbinden, wordt de patiënt beter geholpen, kan de huisarts zichbezighouden met waarvoor deze is opgeleid en kunnen we de zorgverbeteren voor iedereen. Daarom vindt D66 het zo belangrijk datiedereen toegang heeft tot een vaste, fijne huisarts in de beurt. Werekenen erop dat de Minister in de komende jaren alles op alles zet om dieambitie waar te maken.Dank u wel.De voorzitter:Dan bent u aan het einde gekomen van uw betoog.De heer Diederik van Dijk (SGP):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18020 Mevrouw Van Brenk stelde deze vraag aan de VVD en ik stel die nu aanD66; we hebben de interrupties een klein beetje verdeeld met elkaar. Hetgaat om de vraag over het behoud van de flexibele schil vanzzp-huisartsen, onder meer bij spoedposten en vergelijkbare situaties. Isook D66 van mening – ik hoor dat ook terug bij de VVD – dat we denoodzakelijke flexibele schil moeten behouden in de nieuwe Zelfstandi-genwet?De heer Vervuurt (D66):Voor ons is de continuïteit van de huisartsenzorg essentieel. Wij zien deonzekerheid en de spanning die de Zelfstandigenwet op dit momentcreëert in het veld. We vinden het heel erg belangrijk dat die spanning enonzekerheid worden weggenomen. Een van de oplossingen daarvoor kanzijn om in de Zelfstandigenwet ruimte te creëren waarbinnen de flexibeleschil gewoon kan functioneren. Dat is voor ons geen doel op zich, maarhet is wel belangrijk dat de continuïteit gewaarborgd wordt.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Dit is toch de beproefde tactiek: als je te weinig tijd in je eigen inbrenghebt, kan je het ook nog in een interruptie kan fietsen. Ik heb dus eenvraag voor de heer Vervuurt over C-support. Dat wordt afgeschaald. Dat isde ondersteuning waar mensen met long covid terechtkunnen als zevastlopen in het sociaal domein of als ze niet weten waar ze naartoemoeten in de zorg. Ik denk dat een belangrijk probleem op dit moment isdat het kennisniveau over long covid nog onvoldoende is in het sociaaldomein, bij verzekeringsartsen en op tal van andere plekken. Mijn vraagaan D66 is dus: zou het niet verstandig zijn om C-support nog een jaarlanger te laten bestaan, met de specifieke opdracht om juist die kennis bijal die andere actoren te vergroten en zichzelf daarmee eigenlijk overbodigte maken, in plaats van C-support nu al helemaal af te schaffen?De heer Vervuurt (D66):Dat is een goede vraag van de heer Bushoff. Wij zien ook het goede werkdat C-support in de afgelopen jaren heeft gedaan. We hebben naaraanleiding van het PAIS-debat de intentie gezien om C-support sneller afte schalen dan aanvankelijk bedoeld. We weten allemaal dat de intentiewas om de diensten die C-support levert, op de langere termijn teverankeren in de eerste lijn. Wat ons betreft zouden we dan vooral moetenfocussen op het zo goed en zo snel mogelijk verankeren van de kennis enexpertise die is opgebouwd binnen C-support in de eerste lijn, om ervoorte zorgen dat postcovidpatiënten en patiënten met anderePAIS-aandoeningen zo goed mogelijk geholpen worden. Dat is wat mijbetreft het streven.Mevrouw Dobbe (SP):Ik heb een vraag over mondzorg en het vergoeden van tandartscontroles.De SP heeft namelijk meerdere malen voorstellen gedaan om ervoor tezorgen dat in ieder geval een jaarlijkse tandartscontrole vergoed wordt inhet basispakket, zodat mensen ook naar de tandarts kunnen als ze weiniggeld hebben. Nou heb ik hier een supergoeie, aangenomen motie. Dieverzoekt de regering om een jaarlijkse tandartscontrole voor iedereen opte nemen in het basispakket. Die was niet van de SP, maar van mevrouwPaulusma, van D66. Nu wordt deze motie niet uitgevoerd. Vindt D66 datdeze D66-motie zou moeten worden uitgevoerd?De voorzitter:Wat vindt D66?De heer Vervuurt (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18021 Wat een onverwachte vraag! U kent ons programma. Deze motie is vanonze hand. Onze opvatting in dat opzicht is inderdaad dat mondzorg zogoed mogelijk gecontinueerd zou moeten worden voor de mensen die dathet hardst nodig hebben. Een van de vormen daarvoor zou het opnemenvan mondzorg in het basispakket kunnen zijn, maar we zitten in eencoalitie. In een coalitie geef je en neem je bepaalde dingen. Deze coalitieheeft er met het oog op de houdbaarheid en betaalbaarheid van de zorgvoor gekozen om dat niet te doen. Dat is het eerlijke antwoord.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):We hoorden net een debatje tussen de VVD en PvdA-GroenLinks; sorry, ikben nog niet aan de naam PRO gewend. Dat ging over winsten in de zorg.Die baren ons zorgen, maar ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe D66aankijkt tegen winst maken in de zorg.De heer Vervuurt (D66):Ik moet zeggen dat ik goed geluisterd heb naar de interactie tussen deheer Bevers en de heer Bushoff. Eigenlijk was mijn conclusie dat ik mijprecies kon vinden in de nuancering waar zij elkaar vonden. Ik denk nietdat private financiering an sich een probleem is, maar dat er wel degelijkslechte uitwassen uit voortkomen, die ervoor zorgen dat zorggeld, datvoor het zorgsysteem bedoeld is, niet naar de zorgkwaliteit gaat. Ik denkdat dat uitwassen zijn die wij vrij Kamerbreed niet willen of niet moetenwillen. Daar ben ik dan ook tegen.De voorzitter:Dank u wel. Dan de volgende spreker, mevrouw Dobbe namens de SP.Mevrouw Dobbe (SP):Dank u wel. Het kabinet is van plan het eigen risico weer fors te verhogen,tot € 520. Het is een principieel slechte maatregel om mensen te straffenvoor ziektes, voor pijn. Het eigen risico leidt tot ongelijkheid en zorgt vooreen verdere privatisering van de zorg. Veel mensen mijden nu al zorgdoor de kosten. Dan is later meer complexe en duurdere zorg nodig. Het isdus ook nog eens duurder, maar er is nog een fundamenteel probleemmet het eigen risico: het is namelijk wantrouwend richting de huisarts. Dehuisarts is een belangrijke poortwachter van ons zorgsysteem. Huisartsenverwijzen nu al maar ongeveer 5% van de zorgvragen door. Waaromkrijgen de mensen waarvoor de huisarts heeft bepaald dat zorg echt nodigis, daarna nog een boete van € 520? Welke reden heeft de Minister omeraan te twijfelen dat huisartsen dat doorverwijzen goed doen of goedzouden kunnen? Graag een heel concreet antwoord. En moeten detarieven van de huisartsen niet omhoog? Bent u bereid om dat te doen?Bijna een kwart van de mensen mijdt de tandarts vanwege de kosten.Mensen durven eerst niet meer te lachen en daarna niet meer te werken,te solliciteren of naar buiten te gaan. Dat gebeurt er als je aan iemandstanden of gebit kan zien hoeveel geld iemand heeft. Mondzorg isbasiszorg. Toch wordt mondzorg voor mensen boven de 18 niet vergoedvanuit het basispakket. Het kost geld als je dit niet oplost. Volgens hetRadboudumc kosten de productiviteitsverliezen door tandziektes onsnamelijk meer dan 3 miljard euro per jaar. Waarom voert u de aange-nomen motie van de SP niet uit? Waarom voert u ook de aangenomenmotie van D66 niet uit om een jaarlijkse tandartscontrole te vergoeden?Maar er is nu, op korte termijn, meer nodig dan dat. Er zijn structureleoplossingen nodig, maar we hebben ook de oproep gezien van Doktersvan de Wereld en van andere organisaties. Zij pleiten voor een landelijknoodfonds als kortetermijnoplossing, om zo de mensen te helpen die nuernstige gebitsproblemen hebben. Gupta heeft al eerder onderzocht welkeopties hiervoor beschikbaar zijn. Wilt u ervoor zorgen dat dit er ook komt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18022 Maar liefst 19% tot 26% van onze mondzorg is in handen van privateequity. Terwijl mensen met kiespijn rondlopen omdat ze de kosten nietkunnen betalen, worden sprinkhaankapitalisten rijk van onze mondzorg.De Kamer heeft al meerdere moties aangenomen om private equity uit dezorg te halen. Hoe kijkt de Minister naar deze aangenomen moties en gaatze die nu ook uitvoeren?Het kabinet is van plan om een eigen bijdrage voor de wijkverpleging in tevoeren; hier ging het al eerder over. Zorgverleners en patiëntenwaarschuwen ervoor dat meer mensen hierdoor verwaarloosd zullenraken en dat ouderen vaker te laat zullen worden gezien en sneller in hetziekenhuis komen te liggen. Hebben al deze zorgverleners, patiëntenorga-nisaties, ouderenorganisaties en experts, met de kennis die zij hebbenvanuit hun werk en de ervaring uit de praktijk, volgens deze Minister danongelijk met hun waarschuwingen? Zo niet, waarom gaat de Minister danwel door met het invoeren van deze eigen bijdrage?Dan wil ik nog iets zeggen over de wijkverpleging en de vijfminutenregis-tratie. V&VN waarschuwt namelijk dat het invoeren van een eigenbijdrage er, naast het opwerpen van een drempel voor mensen om zorg tekrijgen, ook voor gaat zorgen dat administratieve lasten als eenboemerang terug gaan komen. Denk aan de vijfminutenregistratie, dienog niet eens is uitgebannen. Hoe moeilijk is het om de aangenomenmotie die zegt «geen vijfminutenregistratie meer in de wijkverpleging» uitte voeren? Als deze Minister zegt «we krijgen de signalen niet» en «hetkomt maar weinig voor», dan zeg ik: pleeg een belletje naar V&VN; die zaliets anders zeggen. Maar dan nog: als iets weinig voorkomt, kun je hetook makkelijk uitbannen. Voer dus gewoon die motie uit.Voorzitter, tot slot. Onverzekerde mensen worden soms geweigerd bij dehuisarts. Ons voorstel, dat eerder ook is aangenomen, is om met eenactieplan te komen om toegang van onverzekerde mensen tot de zorg teverbeteren. De eerste stap lijkt me om dit nu te gaan regelen. Wanneergaat de Minister dit doen? Dank u wel.De voorzitter:Dank u zeer. Er is een vraag van de heer Poortman.De heer Poortman (CDA):Ik heb een vraag over de mondzorg, als dat kan. Om even buiten hetfinanciële te komen: voor kinderen is mondzorg gratis, maar een helegrote groep kinderen gaat niet. Er is dus meer nodig dan alleen maardenken in termen van financiële prikkels; dat is trouwens wat ongelukkiguitgedrukt. Hoe kunnen we er, even los van het financiële aspect, samenvoor zorgen dat grotere groepen mensen gebruik gaan maken vanmondzorg? Kunnen we de SP misschien vinden als het gaat om ideeën ofvoorstellen richting de Minister over hoe we kwetsbare groepen bereikenen ze bewegen om toch mondzorg te ondergaan?Mevrouw Dobbe (SP):Dit heeft ook te maken met sociaal-economische gezondheidsverschillen.Mondzorg voor kinderen wordt inderdaad vergoed in het basispakket.Maar je ziet dat veel kinderen niet gaan. Ik ben voor alle voorstellen dieervoor zorgen dat kinderen wel gaan. Dan heb ik het zeker over kinderenuit wijken waar mensen wat minder geld hebben, want daar zie je datkinderen minder vaak gaan. Ik heb in mijn eigen stad, Arnhem, bijvoor-beeld voorgesteld om de schooltandarts weer in te voeren. Mensen diewat ouder zijn kunnen daar hele negatieve associaties bij hebben, maardie zijn tegenwoordig heel erg leuk en heel erg lief. Eigenlijk zijn ze datook altijd al geweest. Ze zijn ook heel effectief. Zij kunnen heel gericht ditsoort problemen aanpakken en ervoor zorgen dat kinderen wel naar detandarts gaan. Kinderen gaan vaak niet naar de tandarts omdat de oudersniet naar de tandarts gaan. Ouders gaan niet naar de tandarts omdat zeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18023 bang zijn voor de kosten. Ik zou het dus jammer vinden als je het helemaallos van elkaar trekt. Daarmee los je namelijk niet het onderliggendeprobleem op. Want als de ouders zelf meer naar de tandarts gaan, dangaan de kinderen ook.De voorzitter:Dank u wel. Dan zijn we bij de laatste spreker van de zijde van de Kameraangekomen. Dat is de heer Van Meijeren. Hij spreekt namens Forum voorDemocratie.De heer Van Meijeren (FVD):Dank u wel, voorzitter. Het wordt in Nederland steeds makkelijker gemaaktom ongeboren menselijk leven te doden. Dat gebeurt structureel, zowel inde huisartsenzorg als daarbuiten, in strijd met de wet. Dan heb ik het overde Wet afbreking zwangerschap. Die is voortgekomen uit de overtuigingdat het doden van ongeboren menselijk leven als een zo ernstige eningrijpende maatregel moet worden beschouwd, dat het alleen kanworden aanvaard indien een noodsituatie voor de vrouw het onont-koombaar maakt. De wet bevat geen recht op abortus, maar beschrijft deuitzonderingsgevallen waarin het plegen van abortus niet strafbaar is.Daarvoor moet aan strikte voorwaarden zijn voldaan: de arts is verplichtom een of meer gesprekken met de vrouw te voeren, de arts is verplichtom de vrouw voor te lichten over alternatieve oplossingen voor haareventuele noodsituatie, de arts is verplicht zich ervan te verzekeren dat hetverzoek van de vrouw vrijwillig en weloverwogen is gedaan, de arts isverplicht om op grond van zijn eigen bevindingen te beoordelen of debehandeling verantwoord is te achten en het besluit als zodanig om overte gaan tot abortus dient te worden genomen door de vrouw en de artsgezamenlijk. De arts is dus geen formulierenverwerker. Nee, hij is eentoetser met eigen plichten en verantwoordelijkheden. In de dagelijkseabortuspraktijk blijken deze strikte wettelijke eisen al sinds jaar en dagschaamteloos terzijde te worden geschoven. Uit verschillende wetsevalu-aties is gebleken dat de meerderheid van de artsen geen alternatievenvoor abortus bespreekt met de vrouw, terwijl de wet dat wel verplicht.Het vorige week gelanceerde initiatief Thuisabortus.nl gaat nog een paarstappen verder. Via deze site hoeven vrouwen alleen nog maar online eenformulier in te vullen en binnen 24 uur ontvangen zij een recept voor deabortuspil, zonder dat er ook maar enig gesprek of enig menselijkcontactmoment heeft plaatsgevonden. Erkent de Minister dat het onlineverstrekken van abortuspillen in strijd is met zowel de Geneesmidde-lenwet als de Wet afbreking zwangerschap? Hoe beoordeelt zij deuitspraken van de initiatiefnemer van deze website, die vorige week in hetprogramma Dit is de Dag op Radio 1 zei: iedereen kan misbruik makenvan deze website. Wat zijn volgens de Minister de risico’s van dergelijkmisbruik? Is de Minister bereid om er zorg voor te dragen dat de inspectiehandhavend op gaat treden tegen dit initiatief? Kan zij in overleg met deMinister van Justitie nagaan wat het handhavingsbeleid van het OpenbaarMinisterie is ten aanzien van deze strafbare feiten? Het online verstrekkenvan de abortuspil, in strijd met de Geneesmiddelenwet, is immers eenmisdrijf op grond van de Wet op de economische delicten. Het daadwer-kelijk verrichten van de abortus zonder dat is voldaan aan de vereistenvan de Wet afbreking zwangerschap is een misdrijf op grond van hetWetboek van Strafrecht. De initiatiefnemers achter Thuisabortus.nlhandelen dus niet alleen laakbaar, maar ook strafbaar.We kunnen in deze Kamer met elkaar van mening verschillen overmedische ethiek – we kijken anders tegen abortus aan; daar voeren wedebatten over – maar we zouden het toch met elkaar eens moeten zijn datde wet zoals die op dit moment luidt in ieder geval gehandhaafd moetworden en dat criminele abortuscowboys die alle regels aan hun laarslappen keihard moeten worden aangepakt? Want wettelijke bepalingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18024 die gericht zijn op het beschermen van het ongeboren menselijk levenmogen niet verworden tot een dode letter.Dank u wel.De voorzitter:Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde vande Kamer. Ik schors een halfuur, tot 14.50 uur. Dan gaan we luisteren naarhet kabinet.De vergadering wordt van 14.18 uur tot 14.55 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. We zijn gekomen bij de eerste termijn van dezijde van het kabinet. De Ministers Hermans en Sterk krijgen zo het woord,in de volgorde dat mevrouw Hermans als eerste gaat. Ik stel voor dat uons even meeneemt in de blokken en de volgorde voordat u begint,mevrouw Hermans.Minister Hermans:Voorzitter, dank u wel. Ik zal inderdaad beginnen met de logistiek, met devolgorde. Ik begin met de vragen die in brede zin gesteld zijn over deeerste lijn; het is per slot van rekening het debat Eerstelijnszorg. Dan ga ikin op alle vragen die gesteld zijn over huisartsen. Dan volgt de apotheek.Daarna komen mondzorg en fysiotherapie; die doe ik in één blokje. Danhet mapje overig. Ik zal alvast voor de logistiek aangeven dat MinisterSterk in zal gaan op opleiden, de wijkverpleging en regeldruk. Ze heeftook een mapje overige aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd enSport gestelde vragen.De voorzitter:Hartstikke goed. Ik had voordat u begon nog even aan willen geven: het isbij deze hoeveelheid sprekers ook gewoon goed als u gewoon ingaat opde vragen; dat hoeft niet per fractie, maar wel gewoon op de vragen.Anders kan het heel lang duren. Het is dus aan u om alle vragen beant-woord te krijgen en aan de Kamerleden om goed op te letten of de vragenworden beantwoord, mevrouw Hermans.Minister Hermans:Aan dat laatste twijfel ik geen seconde.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Ik heb een heel praktische vraag: waar valt alles rondom de Wibz,winstuitkeringen en commercialisering onder? Onder overig, zegt deMinister. Kijk.De voorzitter:Onder overig bij het tweede deel van de beantwoording van het kabinet.Minister Hermans:Het manco van het mapje overig of varia is dat het lijkt alsof het geenbelangrijke onderwerpen zijn, maar dat zouden wij allerminst willenbeweren.Voorzitter. Ook namens mij een heel hartelijk welkom aan de jongehuisartsen op de publieke tribune. Het is heel goed dat u hier in de zaaleen debat volgt over eerstelijnszorg, waar de huisarts vanzelfsprekendeen ongelofelijk belangrijke rol in vervult. Het is fijn dat degenen voor wiewij samen met de Kamer het werk doen ons werk hier in de Kamervolgen. Uiteraard kom ik ook heel graag bij u en bij uw collega’s in hetland op bezoek, want het is andersom ook van het grootste belang dat weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18025 de plek bezoeken waar u uw werk doet, om hier het debat weer op eengoede manier te kunnen voeren.Voorzitter. Dat gezegd hebbend, sluit ik mij aan bij iedereen uit de Kamerdie iets heeft gezegd over de eerstelijnszorg als het fundament van onszorgsysteem en van goede, toegankelijke en betaalbare zorg zo dichtmogelijk bij huis; dat is nagenoeg iedereen geweest. Natuurlijk kunnen erdingen altijd beter, maar laten we ook stilstaan bij wat we hebben enkoesteren wat we hebben. We mogen trots zijn op eerstelijnszorg waarinwijkverpleegkundigen, huisartsen, fysiotherapeuten, doktersassistentenen apothekers zich dagelijks inzetten om iedereen de juiste zorg enondersteuning te geven. Het grootste deel van de zorgvragen inNederland wordt ook afgehandeld in de eerste lijn.Die eerste lijn is voor ons ook van het grootste belang om de afsprakenover de beweging naar de voorkant en de preventie die we in hetcoalitieakkoord gemaakt hebben te kunnen waarmaken, maar we zien ookdat de toegankelijkheid van de eerste lijn onder druk staat. Zo weten webijvoorbeeld dat niet iedereen een vaste huisarts kan vinden. De heerClaassen en de heer Van Dijk gingen daarop in; ik zal daar zo wat meerover zeggen. Het kabinet zet daarom stevig in op het versterken van deeerstelijnszorg, waarbij passende zorg de norm wordt. Dat begint met eenbelangrijke plek voor Thuisarts.nl, waar mensen terechtkunnen metvragen over gezondheid en zorg, want niet elke vraag over je gezondheidis een zorgvraag. Ik denk dan ook dat het goed is dat we Thuisarts.nlstructureel kunnen financieren.We zetten echter ook in op betere samenwerking binnen de zorg, met hetsociaal domein en binnen zorgzame buurten. Daarmee kom ik eigenlijkgelijk op het antwoord op een vraag van de heer Vervuurt en de heerPoortman, namelijk: hoe doet u dat nou, ook in aanvulling op wat we inhet AZWA hebben afgesproken? Ik denk dat het goed is om even met hetvolgende te beginnen. We hebben de sterke lokale teams, waarin, als ikhet even kort mag zeggen, het sociaal domein georganiseerd is. In hetAZWA hebben we afgesproken dat vanuit die sociale teams een linkingpin moet zijn met de hechte wijkteams, waarin de meer medische kantgeorganiseerd is. Die hechte wijkteams worden ook weer ondersteunddoor regionale samenwerkingsverbanden, die echt kunnen helpen met hetop een goede manier organiseren van de zorg én ondersteuning die nodigis. Deze samenwerking helpt om mensen op de juiste plek de zorg ofondersteuning te geven die zij nodig hebben zonder dat ze onnodig naarverschillende loketten worden doorgestuurd.Mevrouw Van Brenk zei dat we wel moeten zorgen dat die regionalesamenwerkingsverbanden geen praattafels worden. Ik heb eerder eenkeer in een debat gezegd: tafels zijn er niet voor de tafel, maar die zijn erom echt iets voor elkaar te krijgen. Die zijn er om betere samenwerking enbetere afstemming voor elkaar te krijgen en om te zorgen dat wat in hetsociaal domein kan worden opgevangen daadwerkelijk daar wordtopgevangen. Dat houden we natuurlijk in de gaten, want die regionalesamenwerkingsverbanden krijgen een betaaltitel en krijgen ook finan-ciering. Dan gaan we natuurlijk ook volgen of ze doen wat we hebbenafgesproken voor dat geld en voor de kwaliteit van zorg en ondersteuning.De voorzitter:Ik zie dat mevrouw Van Brenk wil interrumperen. Ik had echter nog nietaangegeven dat ik begin met drie interrupties en dat we even kijken hoedat gaat met de tijd. Mevrouw Van Brenk, aan u.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Over de betaaltitels en de praattafels. Zijn praattafels nou hetzelfde alsRegio Deals? Is dat nou een en hetzelfde?Minister Hermans:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18026 Nee. De regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden zijn echt samen-werkingsverbanden die bedoeld zijn om die hechte wijkteams, waar dusook de link is met het sociaal domein, in organisatie te ondersteunen.Daar een betaaltitel aan geven, helpt om daar financiering naartoe tebrengen en op die manier beter te kunnen sturen op het daadwerkelijkvormgeven van die passende zorg en ondersteuning. Het is dus niet eenpraattafel om problemen uit te praten. Het is echt bedoeld om de zorg enondersteuning in de regio en in de eerste lijn te versterken.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Ik geef gewoon een voorbeeld. Dat is niet fictief, maar echt. Er is eenzzp’er die een opdracht heeft gekregen om 60 voorzorgcirkels te gaanorganiseren in Zeeland en daar staat een bedrag tegenover van 2 miljoen,terwijl ik weet – ik noemde het voorbeeld al – dat in het Land van Cuijkwelzijn dat zelf organiseert. Voor 2 miljoen kan je heel veel mensenaannemen. Laat ik het zo zeggen: ik maak me zorgen over of geld effectiefbesteed wordt en of dat niet op een slimmere manier kan. Ik hoop datdaar in ieder geval kritisch meegekeken wordt.Minister Hermans:Ik denk dat het goed is om hier iets te zeggen over de transformatiemid-delen – ik denk dat mevrouw Van Brenk, als ik haar vraag goed beluister,daarop doelt – en wat wij nu hier doen. Eerder al – ik denk dat dat uit hetIZA stamt – hadden we een groot bedrag aan transformatiemiddelenbeschikbaar om al aan deze bewegingen een eerste impuls te geven. Wehebben met z’n allen geconstateerd dat veel van dat geld bij adviseurs enconsultants terecht is gekomen en daar zijn we volgens mij met z’n allenkritisch op. Zo beluister ik ook de interruptie van mevrouw Van Brenk.Waar het hier over gaat, is dat we met z’n allen aan de IZA- en ook aan deAZWA-tafel, de tafel van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, gezegdhebben: we moeten die beweging naar de voorkant, naar die eerste lijn,versterken en dat kan alleen als je die eerste lijn zelf ook versterkt.Daarvoor hebben we de stevige wijkteams en de hechte wijkverbandenwaar de medische kant in georganiseerd is. Maar sommige dingen wil jenatuurlijk regionaal organiseren en coördineren om te kunnen leren vanelkaar in verschillende wijken, maar ook om dingen efficiënt te kunnenorganiseren. Daarvoor is nu via de Zorgverzekeringswet per 2027structurele financiering geregeld met die betaaltitel. Dat is dus wat andersdan die transformatiemiddelen die in een eerder stadium zijn vrijgegeven.Voorzitter. Ik denk dat ik door wat ik heb gezegd over die hechte wijkver-banden en stevige teams, ook al iets heb gezegd over het stimuleren vande samenwerking tussen huisartsen en lokale teams. Daar vroeg onderanderen de heer Van Dijk naar, maar ook de heer Bevers stelde mijdaarover een vraag. De praattafels heb ik ook gehad.Dan was er nog een vraag van mevrouw Coenradie. Dat is eigenlijk mijnbruggetje naar het volgende onderwerp, de huisartsen. Hoe kan dehuisarts als brede voordeur naar hulp worden versterkt, bijvoorbeeld vialaagdrempelig contact via de huisartsenpraktijk? Ik zei net al iets overThuisarts.nl. Dat is natuurlijk een vorm om te bekijken of je vraag echt eenmedische vraag is en of je ervoor naar de huisarts moet. Als daar nou uitblijkt dat het antwoord ja is, dan zijn er natuurlijk ook allerlei digitalemiddelen die je zelf kan raadplegen voordat je daadwerkelijk fysiek in despreekkamer terechtkomt. Misschien kan je daarmee alweer vragenafvangen. Zo heb ik de vraag van mevrouw Coenradie begrepen. Datsoort initiatieven zijn er. Het is natuurlijk zaak dat we dat met elkaar dekomende jaren opschalen en ervoor zorgen dat dat door iedereen goedgevonden en goed gebruikt kan worden.Voorzitter. Daarmee kom ik bij de vragen over huisartsenzorg. Ik zei al datde eerstelijnszorg een fundament van ons zorgsysteem is. Ik denk datdaarbinnen de huisarts echt van onschatbare waarde is. Een aantalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18027 Kamerleden heeft mij vragen gesteld over wat ik ga doen om het tekortterug te dringen en huisartsen te helpen met huisvesting. Vorige weekhadden we het tweeminutendebat Huisartsenzorg en toen hebben we hetgehad over de agenda huisartsenzorg, zoals die uit het AZWA volgt. Dieagenda is tot stand gekomen door de initiatiefnota van de heer Bushoff.Of misschien moet ik «mede tot stand gekomen» zeggen, om ook de inputaan de tafel wel recht te blijven doen. En natuurlijk mag de motie-Mohandis daarbij ook niet onvermeld blijven. Als Kamer en kabinethebben we samengewerkt met alle partijen in het veld om tot dieambitieuze agenda te komen. Een van de afspraken daarin is dat weregionale tekorten willen terugdringen en dat zorgverzekeraars de ruimtekrijgen om daarvoor regionaal financieel maatwerk te kunnen bieden,bijvoorbeeld als het gaat over die huisvestingsproblematiek. Dat betekentdus zoveel dat als blijkt dat als er een financieel knelpunt is voor hetstarten, het vinden of het betrekken van huisvesting, de zorgverzekeraarruimte heeft om samen met de gemeente de startende huisarts daarbijeen handje te helpen.Voorzitter. De heer Poortman vroeg mij nog heel expliciet wat ikaanvullend op het AZWA ga doen. Daar wil ik even voorzichtig mee zijn.We hebben in dat AZWA echt een ambitieuze agenda met elkaarafgesproken. De inkt van dat akkoord is eigenlijk nog maar net droog. Dusik zou het uitvoeren van die afspraken echt tijd en ruimte willen geven. Wegaan de Kamer daar wel op regelmatige basis over informeren. Ik deed deheer Bushoff vorige week de toezegging om daar ook de acties uit deinitiatiefnota aan te koppelen, zodat we met elkaar een goed beeld hebbenvan alle acties die we in gang zetten.Voorzitter. Dan vroeg de heer Claassen, en overigens ook de heer Van Dijk,naar het inschrijfsysteem bij huisartsen. Sommige mensen willen graagwisselen en zouden daarbij geholpen kunnen worden. Aan het landelijkeruil- en inschrijfsysteem wordt nu hard gewerkt. Partijen werken nusamen uit hoe dat er precies uit moet gaan zien. Dat zal voor de zomerecht weer een stap verder zijn. Ik zal de Kamer daar dan natuurlijk overinformeren. Ik denk dat het heel erg gaat helpen, juist ook op de plekkenwaar we tekorten te zien, om mensen op een goede manier en met hulpvan zorgverzekeraars naar een huisarts toe te leiden.De heer Vervuurt vroeg mij hoe we naar de initiatieven in Zeeland kijken.Volgens mij is dat een voorbeeld van een provincie waar sprake is vantekorten en waar met goede initiatieven daarvoor een oplossing wordtgevonden. Zorgverzekeraars kijken natuurlijk ook hoe de lessen die daaren natuurlijk ook op andere plekken geleerd worden, gebruikt kunnenworden in het hele land. De mogelijkheid voor regionaal maatwerk kan erook weer bij helpen om in dat type initiatieven aanvullend te investeren.De heer Van Dijk vroeg mij of ik bereid ben om in gesprek te gaan metverzekeraars over hun rol bij het vinden van huisartsenzorg. Dat iseigenlijk het gesprek over de zorgplicht met verzekeraars. Dat gesprekhebben we bijna continu, zou ik willen zeggen, en op hele regelmatigebasis, ook als we met alle partijen aan de AZWA-tafel zitten, want juist inhet AZWA zijn er afspraken hierover gemaakt. Tegelijkertijd, los van al dieafspraken, verwacht ik van zorgverzekeraars dat zij hun zorgplicht invullendoor voldoende huisartsenzorg in te kopen en dat als een verzekerde zichmeldt, die ook actief wordt geholpen bij het vinden van een huisarts.Zorgaanbieders hebben daar natuurlijk zelf ook een verantwoordelijkheidbij. Als zij geen nieuwe patiënten aannemen, bijvoorbeeld door eenpatiëntenstop, dan dienen zij de verzekerde ook te wijzen op demogelijkheid van zorgbemiddeling via de zorgverzekeraar. Kortom, daarloopt een heleboel. We houden in de gaten hoe dat gaat, onder andere viahet AZWA. Een aanvullend, apart overleg lijkt me nu dus niet noodzakelijk,maar ik blijf het natuurlijk wel volgen via die AZWA-tafel.Voorzitter. Een heel aantal Kamerleden vroeg mij hoe we jonge huisartsengaan ondersteunen bij het opstarten van een praktijk. Een aantal van henTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18028 zit in de zaal, dus ik zal deze vraag heel precies en zorgvuldig beant-woorden, want de heer Bushoff riep mij daar ook toe op in zijn eerstetermijn. Wat wij in de onderzoeken en op basis van gesprekken zien, is datmeer dan 80% van de jonge huisartsen praktijkhouder wil worden. Als hetanders is, dan zie ik dat wel aan de reacties vanuit de zaal. Hier zit dusheel veel potentie die we moeten benutten. Ik zet mij daarvoor in, samenmet partijen aan die beroemde AZWA-tafel en op basis van de afsprakendie we daarover in de werkagenda gemaakt hebben. Daar hoort ook bijdat we de drempel verlagen om praktijkhouder te worden. Ik noemde netal dat de zorgverzekeraar de ruimte heeft voor financieel maatwerk, maarer zijn ook programma’s die jonge huisartsen ondersteunen in hoe je datnou moet doen, met allerlei praktische tips en adviezen. Ook daar kan datregionale, financiële maatwerk een rol in spelen. Dus ik hoop zeer dat wevia dat financiële maatwerk de financiële knelpunten maar ook een aantalpraktische knelpunten die jonge huisartsen ervaren, kunnen oplossen ofkunnen wegnemen, en dat we daarmee de potentie van die 80%, die dewens heeft om praktijkhouder te worden, in de toekomst ook gaanbenutten.Voorzitter. Mevrouw Wiersma had een vraag over het strategischtoelatings- en opleidingsbeleid. Ze wees op een voorbeeld uit Duitsland. Ikkan toezeggen dat ik dat gesprek samen met mijn collega van OCW gavoeren. Wij zien dat de instroom van geneeskundestudenten achterblijft inregio’s waar ook tekorten aan huisartsen zijn. Dat is precies zoalsmevrouw Wiersma dat schetste. Samen met OCW en natuurlijk de partijenin het veld werken we aan een verkenning hoe we huisartsen beter overhet land kunnen spreiden. In eerste instantie kijken we naar de mogelijk-heden die er bij opleidingsinstituten al zijn en hoe zij die eventueel nogbeter kunnen benutten. Maar wij staan natuurlijk altijd open vooraanvullende goede ideeën. Ik verwacht dat mevrouw Wiersma mij danvraagt wanneer ze daar meer over kan horen. Ik zal de Kamer daar voor dezomer over informeren.De voorzitter:Genoteerd.Minister Hermans:Voorzitter. Mevrouw Van Brenk vroeg mij om te reflecteren op wat wegeleerd hebben van de situatie met Co-Med. Samen met betrokkenpartijen heeft VWS het faillissement laten evalueren. Daar komt bijvoor-beeld uit dat we veel beter signalen moeten gaan delen rondom disconti-nuïteit van zorg. Dat zit dan nog echt wel voor het faillissement. Dit gaatdus ook over het leren herkennen van dat type signalen en over waar jedie dan kwijt kan. Dat is dus een belangrijke les waar nu ook aan gewerktwordt: hoe implementeren we dat en hoe geven we dat vorm? Ik denk datook belangrijk is dat er naar aanleiding van het rapport De opkomst vanbedrijfsketens in de huisartsenzorg, van de NZa en de IGJ, door deberoepsgroep is gewerkt aan concretisering van de kernwaarden vanhuisartsenzorg, ook om de inkoop door zorgverzekeraars en natuurlijk hettoezicht van de IGJ en de NZa aan te kunnen scherpen. Dat is ookonderdeel van de agenda. Begin maart heb ik daarvan een eersteuitwerking naar de Kamer gestuurd. In de voortgangsrapportages zal ik ernatuurlijk steeds op in blijven gaan hoe dat verdergaat. We werkennatuurlijk ook verder aan het weren van niet-integere zorgaanbieders.Daarop zal de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zo meteennog nader ingaan, waaronder op de Wibz.Voorzitter. Dan kort de vraag van de heer Poortman over de bekostigingvoor de toekomst en segment 3. Het klopt dat de heer Poortman mijdaarnaar vroeg tijdens het tweeminutendebat van afgelopen donderdag.Het gesprek heeft nog niet plaatsgevonden, maar het gaat plaatsvinden.Dat heb ik toegezegd. Voor de zomer zal ik de Kamer daarover informeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18029 In het verlengde daarvan had de heer Bushoff een vraag over de tarievenin de huisartsenzorg en de herijking daarvan. Hij zei dat de deadlinenadert. De NZa is nu bezig met de uitwerking van de uitspraak van hetCollege van Beroep. Medio mei 2026 zal de uitkomst daarvan met ons, endaarmee dus ook met de Kamer, gedeeld worden. Dan gaan we daarnatuurlijk vervolg aan geven, maar ik moet die echt even afwachten. Maarhet klopt dat de deadline nadert. Ik kan vanaf vandaag zeggen dat dievolgende maand is.Mevrouw Dobbe vroeg mij: moeten de tarieven in de huisartsenzorg nietomhoog? Volgens mij hadden wij het daar vorige week in het tweeminu-tendebat ook al even over. De NZa bepaalt de tarieven en kijkt nu, naaraanleiding van die uitspraak, dus ook naar de tarieven in het verleden, dietussen 2023 en 2025. Zoals gezegd komen medio mei 2026 de uitkomstendaarvan. Daarnaast heb ik, zoals ik ook tegen de heer Poortman zei,toegezegd dat ik het gesprek voer over de toekomstige bekostiging naaraanleiding van afspraken in het AZWA. De stand van die gesprekken endie uitkomsten zal ik voor de zomer met de Kamer delen.Voorzitter. Dan vroeg mevrouw Van Brenk mij nog naar het belang van 24uur per dag, 7 dagen per week beschikbare huisartsenspoedzorg. Dat deelik met mevrouw Van Brenk. Het is ook een groot goed dat huisartsen deverantwoordelijkheid hebben voor die 24/7-zorg, want dat zorgt natuurlijkvoor een heel belangrijke schakel in onze keten, de acute zorgketen, moetik zeggen, in de avond, de nacht en het weekend. De beroepsgroep zietdat belang ook. Er is ook geen sprake van dat we dit anders zouden gaanorganiseren.Daarmee ben ik ingegaan op de vraag van mevrouw Van Brenk en kom ikbij de vragen over de apotheken.De voorzitter:Voor ik u dat laat doen, kijk ik even of er nog vragen zijn over het blokhuisartsen. De heer Bushoff had als eerst een interruptie gereserveerd.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat we allemaal met smart wachten en ons afvragen of devoorstellen die allemaal op papier zijn geland, ook daadwerkelijk goeduitpakken in de praktijk. Dat gaan we in de komende tijd zien. Op één puntwil ik eigenlijk nog iets meer van de Minister weten. Dat gaat over het feitdat veel jonge huisartsen zien dat hun beroep in de afgelopen jarenveranderd is. Er is steeds meer op het bordje van de huisartsen terechtge-komen. Een praktijk runnen is inmiddels veel meer werk dan een heelaantal jaar geleden een praktijk aan huis hebben. Daarmee beginnenvraagt dus ook veel meer van jonge startende huisartsen. Dat in combi-natie met een jong gezin kan heel veel tijd kosten en voor veel belastingzorgen. Ik wil de Minister vragen of het in dat licht niet verstandig zou zijnom jonge startende huisartsen de mogelijkheid te geven, al dan niet viazorgverzekeraars, om in die beginfase tijd «vrij te kopen», om het zo maareven te noemen, om een praktijk op te starten en te runnen, zodat ze aande andere kant ook nog wat tijd over kunnen houden, misschien wel voorhun jonge gezin.Minister Hermans:Ik realiseer me heel goed wat de heer Bushoff zegt, namelijk dat er heelveel komt kijken bij het starten van een praktijk en daarna natuurlijk ookbij het leiden daarvan. Ik realiseer me dat dat zeker geldt voor hetopstarten, wat tijd vraagt als je ook een jong gezin hebt; overigens vraagtdat ook veel tijd dat je dat niet hebt. Daarom zei ik net dat het financiëleregionale maatwerk niet alleen bedoeld is voor sec de huisvestingsvraag –als er een financiële drempel is om een ruimte te huren of te betrekken,dan kan de verzekeraar daar een rol in spelen – maar dat het ook kan gaanom tijd om het opzetten van de praktijk voor elkaar te krijgen. Dat vindtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18030 wel echt plaats in het overleg tussen de verzekeraar en de huisarts, omdathet budget voor dat financiële maatwerk bij de zorgverzekeraar zit. Het isecht bedoeld om dat praktijkhouden een impuls te geven. Ik zie de heerBevers aandachtig kijken. Hij vroeg ook of we de trend zien van deterugloop in het aantal praktijkhoudende huisartsen. Ja, die zien we. Enwe zien de potentie: een hele grote groep, 80% van de jonge huisartsen,zou graag praktijkhouder willen worden. We moeten dan wel helpen. Datkan dus via dat financiële maatwerk door drempels financieel en in tijdweg te nemen.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Ik heb toch één vervolgvraag hierop, om het even wat scherper te krijgen.Eén: hoeveel is dat budget? Is het inderdaad echt zo dat van dat budgetook precies het voorstel dat ik noemde gefinancierd kan worden? Valt datbinnen de reikwijdte van dat budget, ja of nee?Minister Hermans:We hebben dus het financiële maatwerk en we hebben ook apart nogstartsubsidies voor jonge huisartsen, begrijp ik. Ik heb nu even niet deexacte bedragen paraat. Dat wil ik wel even nagaan. Als de heer Bushoffdaar prijs op stelt, kan ik zo meteen in tweede termijn ook nog eventerugkomen op wat daar heel precies onder valt.Mevrouw Dobbe (SP):Dit was het blokje huisartsen, toch? Ik had ook nog gevraagd naar heteigen risico, want het kabinet wil het eigen risico verhogen en het lijkt mijdat we dat ook hier in de context van de huisartsenzorg moetenbespreken. Het eigen risico, een boete op ziek zijn, met fundamenteleproblemen, wordt dan € 520. Nog los van het feit dat mensen er niets aankunnen doen en worden gestraft omdat ze ziek zijn, is de huisarts ook depoortwachter. Die verwijst mensen door. Op het moment dat de huisartsmensen doorverwijst, komen ze in de zorg terecht waarbij ze eigen risicomoeten betalen. Mijn vraag was volgens mij heel concreet. Waar komt hetwantrouwen van deze Minister vandaan dat huisartsen dit niet zo goedzouden doen? Als zij dit goed doen volgens deze Minister, dan is dat eigenrisico een hele rare maatregel. Daarom heb ik deze vraag gesteld. Daar wilik graag een antwoord op.Minister Hermans:Die vraag zat in mijn mapje overig, maar ik beantwoord hem met alleplezier en liefde nu. Ik heb er het volste vertrouwen in, meer dan dat, datonze huisartsen, alle huisartsen in Nederland, met hun professionaliteit endeskundigheid doorverwijzen als dat moet en medisch noodzakelijk is endat ze dat niet doen als dat niet nodig is en het kan worden opgelost in dehuisartsenpraktijk of mogelijk in het sociaal domein of als via eenpraktijkondersteuner de weg naar bijvoorbeeld de ggz kan wordeningezet; ik noem maar even wat. Dat vertrouwen heb ik volop. Met dekoppeling die mevrouw Dobbe hier maakt met het eigen risico, ben ik hetgewoon niet eens. Dit kabinet kiest voor een verhoging van het eigenrisico; dat is zo. Ik weet dat mevrouw Dobbe en ik het daarover oneenszijn, maar dat doe ik – dat doet dit kabinet – vanuit een andere invalshoek,namelijk het overeind houden van de solidariteit van en in ons zorgstelsel.In ons zorgstelsel is het zo dat gezonde mensen meebetalen voor ziekemensen en is het zo dat hogere inkomen meer meebetalen aan de totalefinanciering van de zorg. Het eigen risico is inderdaad een bijdrage die jebetaalt als je gebruikmaakt van de zorg. Daar gaan we overigens weltrancheren, zodat je niet in één keer die, € 385 – dat is het nu nog, maarstraks na indexatie en verhoging is dat een hoger bedrag – kwijt bent. Enwe hebben natuurlijk de zorgtoeslag om kwetsbare mensen daarbij tehelpen. Die verhoging is ongelofelijk belangrijk om de toegankelijkheid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18031 de betaalbaarheid én de solidariteit overeind te houden en staat helemaallos van het vertrouwen dat ik heb in huisartsen, in dat zij op het juistemoment de medisch noodzakelijke doorverwijzing daadwerkelijk doen.Mevrouw Dobbe (SP):Er gaan toch wel een aantal dingen echt fundamenteel mis in dezeredenering. De Minister zegt dat zij vertrouwen heeft in de huisartsen, indat zij mensen doorverwijzen die zorg nodig hebben en dat zij dat goeddoen. Dan verwijzen zij dus door op het moment dat dat nodig is. Op hetmoment dat mensen echt zorg nodig hebben, zegt deze Minister: danheffen wij een boete van € 520 en dat noemen we dan «het overeindhouden van de solidariteit». Dat gaat er bij mij niet in. Als deze Minister erecht op zou vertrouwen dat dit om mensen gaat die zorg nodig hebben,die echt zorg nodig hebben en dat niet voor het plezier doen – dat is ookeen gek mensbeeld – waarom dan dat eigen risico, met de wetenschapdat mensen zorg gaan mijden en dat het waarschijnlijk veel duurderuitpakt? Dus die redenering klopt gewoon niet.Minister Hermans:Op het moment dat de huisarts iemand doorverwijst naar het ziekenhuis,naar medisch-specialistische zorg, dan vragen wij aan die mensen eenbijdrage aan de zorgkosten. In de afgelopen jaren hebben we die bijdragebevroren op een vast bedrag en dat heeft tot gevolg gehad dat dezorgpremie, die wij allemaal betalen, fors extra is gestegen. Dat raakt dusaan solidariteit. Het zijn namelijk communicerende vaten, het eigen risicoen de zorgpremie. Dat is de reden dat wij zeggen: wij gaan dat eigen risicoverhogen en we gaan weer indexeren, om daarmee de bijdrage dieiedereen betaalt via de zorgpremie, de ontwikkeling daarvan, meer inbalans te brengen.Dan over zorgmijding. Mensen die medische zorg nodig hebben, moetendie krijgen. Dus daar waar de financiën een drempel zijn, is het aan onsom te kijken hoe we dat met beleid – met flankerend beleid, om maar zo’nbeleidsterm te gebruiken – zo veel mogelijk tegen kunnen gaan. Maar danmoeten we daar ook in de breedte naar kijken, want we weten ook datfinanciële redenen niet de exclusieve redenen zijn voor zorgmijding. Daarkunnen ook heel veel andere redenen aan ten grondslag liggen. Datbrengen we nu preciezer in kaart, zodat we ook daar actie op kunnenzetten. Tot slot hebben we natuurlijk ook in antwoord op de motie van deheer Stoffer bij de regeringsverklaring gezegd dat we kijken hoe destapeling van zorgkosten, waar ook de eigen bijdragen, zoals de eigenbijdrage wijkverpleging, en het eigen risico een rol in spelen, uitpakt.Daarom is er ook een envelop in het regeerakkoord om daar nog iets aante kunnen doen.De voorzitter:Duidelijk. U was gekomen bij het blok apotheek.Minister Hermans:Ja, voorzitter. Ik begin met vragen die gesteld zijn over het ontpillen, eennieuw woord dat ik in voorbereiding op dit debat heb geleerd. Ik beginmet de motie van Inge van Dijk daarover die er ligt, met de voortgangdaarvan. Niet iedereen kent die motie mogelijk. Die vroeg om alternatievebekostiging waarmee ontpillen niet ontmoedigd wordt te onderzoeken endat gesprek met de apothekersorganisatie en Zorgverzekeraars Nederlandte voeren. Dat gesprek is gevoerd en daaruit blijkt dat de partijen zien dater in de contractering van apothekers door zorgverzekeraars ruimte isvoor het maken van afspraken over dat zogenaamde «ontpillen». Dehuidige bekostiging is volgens die partijen geen directe belemmering enbiedt dus juist mogelijkheden en ruimte om die afspraken te maken. Dusdaar zetten we nu op in. Dat neemt niet weg dat ik weet en ook hoor, ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18032 uit inbrengen in dit debat, dat het een brede wens is om meer zorgver-lening vanuit de apotheek mogelijk te maken die zit op ontpillen en op hetverminderen van medicijngebruik. VWS heeft toegezegd om die transitiete willen leiden en om dat natuurlijk samen te willen doen met alleveldpartijen. Het onderwerp ontpillen blijft dus absoluut op de agenda.Onder anderen mevrouw Maeijer vroeg hoe we de verspilling en ook devernietiging van teruggebrachte ongebruikte medicijnen voorkomen. Ikben het helemaal met haar eens dat de vernietiging van ongebruiktemedicijnen zonde is; dan druk ik me nog voorzichtig uit. Je wil dieverspilling en daarmee dus vernietiging voorkomen, in de eerste plaatsaan de voorkant door medicijnen gepast voor te schrijven en teverstrekken aan patiënten en door hen te ondersteunen bij het juistegebruik daarvan. Ik heb al iets gezegd over het gesprek over hettegengaan van die verspilling. Op dit moment is het door Europesewetgeving nog niet mogelijk om medicijnen die teruggebracht worden,opnieuw te gebruiken, maar er zit een herziening van de Europesewetgeving aan te komen. Nederland heeft zich er in de onderhandelingendaarover hard voor gemaakt om dit in de toekomst wel mogelijk te makenen om de heruitgifte van ongebruikte geneesmiddelen mogelijk te makenonder strikte voorwaarden, want hierbij zijn veiligheid en zorgvuldigheidnatuurlijk van groot belang. Dat is gelukt; dit staat nu in het politiekakkoord. Dat moeten we nu gaan uitwerken; dat moet nu afgerondworden in Europa en dan moeten wij het uitwerken in wetgeving. Deeerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat nog wel even gaat duren, want datsoort trajecten hebben even tijd nodig. Ik verwacht dat dat nog wel driejaar nodig heeft.Voorzitter. In aanvulling op het tegengaan van verspilling en overmedi-catie hebben we de Green Deal Duurzame Zorg; dat zeg ik specifiek in derichting van de heer Poortman. Daarin zijn allerlei schaalbare en impact-volle initiatieven opgenomen die verspilling van geneesmiddelenaanpakken. Dat gaat over voorraadbeheer en kritisch kijken naarherhaalmedicatie. Daar waar nodig ondersteunen wij dat natuurlijk, maardit zijn de initiatieven die we verder moeten brengen.Voorzitter. Dan de vraag van de heer Bushoff. Als een preferent middeleven niet beschikbaar is en een alternatief middel wordt ingekocht, blijfthet alternatieve middel op de plank liggen wanneer het preferente middeler weer is. Dat is een andere vorm van verspilling. Wij zien dat devoorraden bij apotheken beperkt zijn. Daar valt de verspilling dus mee. Devoorraden liggen grotendeels bij de groothandels, die meer flexibiliteithebben in hun afzet of verspreiding van de middelen. Daar komt bij dat deapotheek het alternatieve middel maar in een beperkte periode ter handmag stellen nadat het preferente middel weer beschikbaar is gekomen.Zoals de heer Bushoff natuurlijk weet, werken we op dit moment aan eenonafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid. Ik zal het onderwerpverspilling daar een plek in geven. Mocht dit specifieke punt daarin aan deorde blijken te zijn, dan kom ik daar natuurlijk precies op terug, maar dit ishet beeld dat ik nu heb.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Om het heel precies te schetsen: ik hoorde de Minister zeggen dat er ophet moment dat het preferente middel weer beschikbaar is, een periode iswaarin het alternatieve middel dat ofwel in het buitenland via deontheffing ofwel in Nederland ingekocht is omdat tijdelijk een andermiddel dan het preferente middel beschikbaar werd gesteld, nog verkochtmag worden door de apotheek. Hoelang is die periode? Ik hoorde dat ereigenlijk helemaal geen overgangsperiode is en dat het preferente middelweer strikt geleverd moet worden vanaf het moment waarop datpreferente middel weer beschikbaar is. Voor mij zou het dus nieuw zijn alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18033 er een overgangsperiode zou zijn. Als dat zo is, zou ik van de Ministerwillen horen hoelang die overgangsperiode dan is en hoe die er preciesuitziet.Minister Hermans:Dat is een terechte vraag. Die had ik natuurlijk kunnen verwachten. Dustoen ik «beperkte periode» hoorde, had ik dat gelijk even moetennavragen. Ik begrijp die vraag, dus ik zal het navragen. Dat is een tweedepunt van de heer Bushoff waar ik op terugkom in tweede termijn.Voorzitter. De heer Bevers had een vraag over de medicatie-evaluaties enof ik bereid ben om te kijken of daar een betaaltitel voor mogelijk is. Ditsoort evaluaties, waaronder medicatiebeoordelingen – volgens mijnoemde de heer Bevers die ook expliciet – kunnen bijdragen aan goedepatiëntenzorg bij medicijngebruik en bij het minderen en stoppen, hetberoemde «ontpillen». We hebben hierover gesprekken gevoerd metzorgverzekeraars en apothekers. Zoals ik net al zei, hebben zij aangegevende ruimte te zien om hierover afspraken te maken in de contractering. Datzullen we blijven volgen, en intussen zullen we de zorgfunctie van deapotheken wel versterken, want dat zit natuurlijk onder de vraag van deheer Bevers. Dat deel ik helemaal.Mevrouw Coenradie vindt dat het model van «laagste prijs plusbandbreedte» meer onderbouwing vergt; wat heb ik daar nu mee gedaan?We werken nu dus aan de evaluatie van het preferentiebeleid. Dieevaluatie wil ik graag afwachten, in combinatie met de toezegging die iknet aan de heer Bushoff deed. Nu voorsorteren op andere modellen vindik daarom voorbarig. Er is onvoldoende onderbouwing. Dat blijft dus zo.Omdat ik de evaluatie van het preferentiebeleid wil afwachten, ben ik nunamelijk ook niet bezig om die onderbouwing verder uit te werken. Maarmet de uitkomsten van de evaluatie ga ik natuurlijk aan de slag.Mevrouw Coenradie vroeg ook nog naar de concrete maatregelen in hetgeval van medicijntekorten en financiële onzekerheid. De signalen die wijdaarover krijgen van apothekers, nemen we uiteraard zeer serieus. Wehebben het zo georganiseerd dat zorgverzekeraars en apothekers hierafspraken over maken in de inkoopgesprekken. Voor zover dat nietgebeurt, zal ik dit blijven nagaan zodat het wel gebeurt. Ook hebben we deLandelijke Eerstelijns Farmacie en de Vereniging van Jonge Apothekersuitgenodigd om in gesprek te gaan over de problemen die zij signalerenen om verbeteringen te verkennen.Mevrouw Coenradie (JA21):Ik zou in ieder geval willen zien dat deze Minister expliciet met apothe-kersverenigingen in gesprek gaat. Zij hebben meermaals een brandbriefgestuurd. We hebben naar aanleiding van die brandbrieven ook schrifte-lijke vragen gesteld. Het verhaal is dat die apothekers nu simpelwegfinancieel moeten bijleggen op het moment dat zij niet het uitgeschrevenrecept kunnen geven. Ik vind dat een kwalijke zaak. Het kan toch niet zijndat een ondernemer, zoals een apotheker, financieel moet bijleggen en datwij eigenlijk maar een beetje blijven wegkijken; los van het feit dat heelveel medicijnen simpelweg niet te verkrijgen zijn. Dit gaat niet overtientallen mensen; dit gaat inmiddels over miljoenen mensen.Minister Hermans:Het vraagstuk van geneesmiddelentekorten is een apart vraagstuk enheeft absoluut mijn en onze aandacht, zeker in de huidige geopolitiekesituatie. Voor dit specifieke vraagstuk hebben we aandacht gevraagd bijzorgverzekeraars en apothekers. Er vindt natuurlijk doorlopend overlegplaats. Ik zal dus ook zorgen dat we dit nagaan: we hebben er aandachtvoor gevraagd, dus wat gebeurt er nu mee, wat doet u er nu mee? Zoals ikzei, gaan we met de Landelijke Eerstelijns Farmacie en de Vereniging vanJonge Apothekers in gesprek om het ook in het algemeen te hebben overTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18034 de problemen en mogelijke verbeteringen die ze zien. Daar zal ik ook ditspecifieke punt bespreken. De uitkomsten daarvan zal ik uiteraard met deKamer delen. Nu krijg ik de vraag wanneer die uitkomsten komen, maar ikweet niet exact wanneer we dat gesprek voeren en wanneer ik een briefstuur. Die brief komt er dus aan. Ik zal zo laten weten wanneer we die briefsturen.De voorzitter:Daar komen we nog op terug; dat is goed. De Minister vervolgt.Minister Hermans:Voorzitter. Mevrouw Maeijer stelde mij ook nog een vraag over preferentemedicijnen. Zij vroeg: wat als die niet beschikbaar zijn? Ik denk dat ik daarnet al wat over heb gezegd, maar heel kort: als een preferent medicijn nietbeschikbaar is, wijzen zorgverzekeraars tijdelijk een ander medicijn alspreferent aan. Dat medicijn wordt dan ook gewoon vergoed.Voorzitter. Dan wil ik overgaan naar de mondzorg en de fysiotherapie. Ikbegin met de vragen van de heer Van Dijk, mevrouw Van Brenk enmevrouw Dobbe over het vergoeden van de periodieke tandheelkundigecontrole voor volwassenen via het basispakket. Volgens mij zei mevrouwVan Brenk het zelf al in haar inbreng: tandartscontroles zonder medischeindicatie voldoen niet aan het wettelijk criterium van de Zorgverzeke-ringswet zoals we dat hebben afgesproken; dat is ook de reden waarom ikdie stap nu niet zet. Het Zorginstituut heeft dat op verzoek van mijnvoorganger ook nog een keer getoetst. Daarnaast is er ook een financiëlereden – daar zal ik heel eerlijk over zijn – want als je dat doet, heb je daarook geld voor nodig. Er is niet gekozen om daar nu geld voor vrij temaken en dat toe te voegen aan het pakket.Voorzitter. De heer Van Dijk vroeg nog of ik hier een kosten-batenanalysevoor wil maken. Dat is dus al gebeurd in 2024. Die analyse is eind 2024opgeleverd. Door een gebrek aan structurele data was het voor hetZorginstituut niet mogelijk om de baten te koppelen aan de scenario’s. Inplaats daarvan hebben ze wel een maatschappelijke-impactanalyseuitgevoerd. Daaruit kwam naar voren dat er bredere baten zijn, maar dathet moeilijk vast te stellen is wat de precieze impact is van goede ofverbeterde mondgezondheid.Dan de vraag van mevrouw Maeijer over de mondhygiënist op hetconsultatiebureau. Er is in de afgelopen jaren door alle betrokken partijenheel hard gewerkt aan de inzet van de mondzorgcoach bij de lokalejeugdgezondheidszorgaanbieder. Dat is gelukt: per januari 2026 is demondzorgcoach onderdeel geworden van de reguliere mondzorgbekos-tiging in de jgz. Ik denk dat dat een belangrijke stap is voor de samen-werking tussen de publieke gezondheidszorg en de mondzorg voorkinderen.Voorzitter. Mevrouw Dobbe vroeg naar private equity, specifiek in demondzorg, als ik het goed heb beluisterd. Zij vroeg hoe ik daarnaar kijk enhoe ik de aangenomen motie-Dijk/Dobbe ga uitvoeren. Ik denk dat er in deinterrupties al gewisseld is dat private equity in de zorg wat mij betreftvoor- en nadelen heeft. Die moet je zorgvuldig afwegen. Aan devoordeelkant kan het een uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeitehebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Het kan eenpositief effect hebben op de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en dusook op de continuïteit van zorg. Maar ik zie ook de risico’s en deuitwassen, zoals ook benoemd door een aantal Kamerleden. Daaromwerken we nu aan aangescherpte en verduidelijkte normen. Daarop zalMinister Sterk zo nog ingaan. Ik heb dus niet het standpunt dat je erzomaar van het ene op het andere moment totaal mee moet stoppen,omdat er ook echt voordelen aan zitten, maar op de nadelen en uitwassenmoet je een goed antwoord hebben.Voorzitter. Dan de fysiotherapeuten. Er is zeer terecht genoemd ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18035 De voorzitter:Voordat u verdergaat, heeft mevrouw Dobbe haar laatste interruptie.Mevrouw Dobbe (SP):Dit was het blokje mondzorg, toch?De voorzitter:Ja.Mevrouw Dobbe (SP):Ik wil nog iets vragen. De overwegingen van de Minister om eenperiodieke controle nu niet op te nemen in het basispakket zijn duidelijk.Dat zijn kostenoverwegingen. Ik wil de Minister graag nog meegeven dathet duurder is om het niet op te nemen, omdat het leidt tot meer kostenop het moment dat mensen dit niet doen en dit niet vergoed krijgen. Maarik had ook een vraag gesteld over het noodfonds. Ik heb de oproep gezienvan Dokters van de Wereld en meerdere andere organisaties dat de groepmensen die echt met spoed mondzorg nodig heeft maar die dat niet viade tandarts krijgt omdat die het niet kan betalen, steeds groter wordt. Zijpleiten heel erg voor dat noodfonds. Nu weet ik dat de Minister ook weethoe dat zou moeten, omdat dat al is onderzocht door Gupta, in opdrachtvan het ministerie. Is de Minister bereid om te kijken of we dat kunnengaan doen, zodat we dat in ieder geval voor de korte termijn kunnenoplossen voor die mensen die nu rondlopen met die ernstige problemen?Zo valt niet alles op de schouders van die maatschappelijke organisaties,die dat ook niet allemaal tot het einde der tijden kunnen dragen.Minister Hermans:Ik deel met mevrouw Dobbe het belang van een gezond gebit. Wel is hetbelangrijk om ook te benoemen dat de mondzorg in Nederland, gelukkig,over het algemeen goed toegankelijk is. Maar er is een groep volwas-senen bij wie dat niet het geval is. Daar is ook geen eenvoudige oplossingvoor, want het is best weerbarstige problematiek. Alle gerichtereregelingen die we hebben voor mensen die om financiële redenen diemondzorg mijden of uit de weg gaan, kennen uitdagingen als het gaat omhet bereiken van de doelgroep maar ook als het gaat om het budget eneen doelmatige inzet van het beschikbare budget. Dus we hebben op ditmoment andere keuzes gemaakt dan het inzetten van die middelen in eennoodfonds. Naar aanleiding van het AZWA zijn we natuurlijk wel met demotie-Stoffer aan de slag gegaan. We brengen dus in kaart wat je kuntdoen om de groep – dat is overigens breder dan alleen mondzorg – tekunnen ondersteunen die geraakt wordt en voor wie de kosten misschieneen drempel zijn om zorg te vragen. Sowieso brengen we in kaart hoe wemet die envelop van € 350 miljoen omgaan, maar in brede zin kom ik hiergraag wat uitgebreider op terug voor de zomer als ik ook kan zien hoe wein het kader van het AZWA met die uitwerking aan de slag zijn.De voorzitter:Dat noteren we.Mevrouw Dobbe (SP):Naar aanleiding van mijn vraag: komt de uitwerking van een mogelijknoodfonds daarin dan ook terug?De voorzitter:Ik kan de toezegging niet invullen.Minister Hermans:Ik zal daar ook op ingaan, want het is een van de instrumenten, maar ikzeg wel: we hebben daar nu niet voor gekozen. Op basis van de verken-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18036 ningen die we hebben gedaan, is het ook niet de route waarvan ik nu denkdat die het meest voor de hand ligt. Aangezien wij in brede zin kijken naardie stapeling en de effecten, zullen we in die brief ook deze specifiekevorm of dit instrument nog wel terug laten komen.De voorzitter:Check, genoteerd. Even checken, u wilde eigenlijk beginnen met fysio,toch?Minister Hermans:Ja.De voorzitter:Gaat u voort.Minister Hermans:Voorzitter. Daar hebben de heer Bushoff en de heer Poortman mij eenvraag over gesteld. Ik deel met beiden het belang van fysiotherapie in deeerstelijnszorg, juist ook om de doorstroom naar de tweedelijnszorg tevoorkomen.De heer Poortman vroeg mij wat ik ga doen om de knelpunten in debekostiging, de contractering en de tarieven op te lossen met, zoals deheer Poortman heel expliciet zei, «bestaande instrumenten». Ik denk dathet NZa-onderzoek, de marktverkenning die we net gekregen hebben, laatzien dat we de uitdaging in de sector niet kunnen versimpelen tot enkel enalleen tarieven, bekostiging en contractering. Een toekomstbestendigesector vraagt om een gedeelde visie van fysiotherapeuten op hun vak, nuen in de toekomst. Daar kan financiële waardering of bekostigingnatuurlijk een onderdeel van zijn. Transparantie over de zorg die vanuitfysiotherapeuten wordt geleverd, is natuurlijk nodig om tot die gedeeldevisie te komen. Dit houdt in dat zorgverzekeraars weer transparant zijnover de toegepaste indexaties in het tarief, conform de NZa-richtlijnen diedaar weer voor gelden, zodat de NZa ook weer op dat proces kan toezien.Het is dus een kwestie van transparantie daarover en tot een gedeeldevisie komen. Ik verwacht ook dat partijen daarin gezamenlijk die verant-woordelijkheid nemen.De heer Bushoff vroeg mij nog hoe ik aankijk tegen de invoering vanminimumtarieven. Op dat punt sluit ik me aan bij het onderzoek van deNZa. Die concludeert dat de invoering van minimumtarieven nietproportioneel en noodzakelijk is en echt een zwaar en uitzonderlijkbeleidsinstrument is, dat je kan inzetten bij aantoonbaar marktfalen, maardaar is op dit moment geen sprake van. Ik volg dat standpunt.Dan wil ik overgaan naar mijn blokje overig.Mevrouw Maeijer (PVV):Op dit punt: de NZa zegt ook dat de vergoeding van die eerste twintigbehandelingen voor een chronisch zieke een mogelijke aanpassing is omde positie van de fysiotherapie te verstevigen. Is iets doen met dat potjevoor chronisch zieken een van de opties die de Minister overweegt in debrief waar ze het volgens mij net met mevrouw Dobbe over had?Minister Hermans:Het korte antwoord daarop is nee. Ik kan dat uitgebreider toelichten, maarwe zullen keuzes moeten maken. Volgens de uitkomsten van het markton-derzoek en de verkenning van de NZa is er nu niet acuut een probleem,maar moeten we ons wel goed voorbereiden en moeten we goednadenken, want er kunnen in de toekomst natuurlijk wel dingen op onspad komen. Vandaar mijn antwoord aan de heer Poortman over deverantwoordelijkheid die partijen ook samen hebben om tot dat gedeeldekader en die gedeelde visie te komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18037 Voorzitter. Tot slot het blokje overig. Ik begin met de vraag van mevrouwVan Brenk wie er gaat over het wijzigen van standaardrichtlijnen van hetNHG in relatie tot virusremmers. Het Nederlands Huisartsen Genootschapontwikkelt de professionele standaarden en richtlijnen voor huisartsen.Huisartsen baseren hun zorgverlening op die standaarden en richtlijnen,die weer gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Ze worden doorhet NHG herzien wanneer er sprake is van nieuwe wetenschappelijkeinzichten en natuurlijk als er knelpunten worden gesignaleerd.Dan een vraag van mevrouw Wiersma over de budgetbekostiging van despoedeisende hulp: ik had beloofd met een brief te komen en de vraag isof de invoering per 2028 nog steeds haalbaar is. De budgetbekostigingvoor alle spoedeisende hulpen wordt met ingang van 1 januari 2027ingevoerd. Dat is een eerste kleine stap met een relatief beperkteafbakening van het budget. Dat is ongeveer 4,5 miljoen per spoedeisendehulp. Tegelijkertijd werken we in het zogenaamde groeipad verder aaninhoudelijke vraagstukken. Dat moet dan dienen als basis voor dedoorontwikkeling van de budgetbekostiging. Een overbruggingsfonds ofeen beschikbaarheidsbijdrage voor regionale ziekenhuizen is wat mijbetreft nu niet aan de orde, want we zijn gewoon met partijen hard aan deslag en we steken met partijen alle energie in het voor elkaar krijgen vande budgetbekostiging en ook de doorontwikkeling.Mevrouw Dobbe vroeg mij nog wanneer ik het voorstel van de SP voor deverbetering van toegang voor onverzekerden tot zorg ga uitvoeren.Zorgaanbieders zijn verplicht om medisch noodzakelijke zorg te biedenaan iedereen die dat nodig heeft, ongeacht of je verzekerd bent of niet.Nederland heeft een ruime vergoedingsregeling voor onbetaalde facturen,de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Opbasis van die regeling wordt 100% van de passantentarieven vergoed. Delaatste jaren zijn de administratieve lasten sterk verminderd en kunnenzorgaanbieders digitaal declareren via hun normale declaratiesysteem. Ergaat ook veel aandacht uit naar de voorlichting over deze regeling. Ik ziedus op dit moment geen belemmeringen, los van het punt dat de zorgonder druk staat en dat er wachtlijsten zijn, maar dat geldt natuurlijk inalgemene zin.Voorzitter. Dan nog een vraag van mevrouw Maeijer en bij interruptie vande heer Bushoff over C-support. Het uitgangspunt – ik geloof dat de heerVervuurt dat ook al zei in reactie op een interruptie – is dat PAIS-patiënten,waaronder dus ook patiënten met postcovid, goed worden geholpenbinnen het bestaande zorg- en welzijnsdomein. Het is dus van belang datzorgprofessionals voldoende kennis en handvatten hebben als het gaatom de zorgverlening aan postcovidpatiënten. VWS financiert daaromonder andere onderzoek naar die postinfectieuze aandoeningen. Ookhebben we die expertisecentra opgericht en hebben we recent eenQ-koortsambassadeur aangesteld. De verspreiding van de kennis en vandie onderzoeken is onderdeel van het onderzoeksprogramma en van deopzet van die expertisecentra. Daarnaast vragen we zowel Q-support alsC-support nadrukkelijk om hun kennis over te dragen aan het reguliereveld. Daar is dit jaar ook nog geld voor beschikbaar. Daarmee hoop ik echtdat we die zorg op een goede manier in het reguliere domein aan dezepatiënten kunnen bieden.Voorzitter. Tot slot een vraag van meneer Van Meijeren. Deze vraag werdvoorafgegaan door een heel statement, zou ik eigenlijk willen zeggen,over de abortuszorg in Nederland. Er zat een aantal aannames is. Ik ga dieniet allemaal herhalen, maar ik wil er wel iets tegenoverstellen dan wel zeweerspreken. De heer Van Meijeren wekte namelijk de indruk dathuisartsen, in het geval van de abortuspil bij de huisarts, of artsen diewerken in abortusklinieken, hun werk onzorgvuldig zouden doen. Wehebben zorgvuldigheidseisen afgesproken in de Wet afbreking zwanger-schap. We hebben in de Kamer ook uitvoerig gedebatteerd over dezezorgvuldigheidseisen toen de initiatiefwet over de abortuspil bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18038 huisarts werd bediscussieerd en later werd aangenomen. We hebben hettoen ook gehad over de beraadtermijn en over het belang van dezorgvuldigheidseisen. Niemand in de Kamer die voor die wetsvoorstellenwas, stelt die zorgvuldigheidseisen ter discussie. Niemand die ik ken, ofdie ik gesproken heb ten tijde van de behandeling van die initiatiefwetten– ik was toen zelf nog Kamerlid, daarom weet ik dat nog goed – en diewerkzaam is in de zorg, in een abortuskliniek of bij de huisarts, acht dezezorgvuldigheidseisen niet belangrijk of schuift ze terzijde. Die zorgvuldig-heidseisen bepalen de toegankelijke en kwalitatief hoogwaardigeabortuszorg die wij in Nederland hebben. Dat blijkt ook uit wetsevaluaties.Daar wordt door niemand lichtzinnig of lichtvaardig mee omgegaan. Juistom de kwaliteit van onze abortuszorg te kunnen garanderen en om ervoorte zorgen dat we zeker weten dat de keuze voor abortus een vrijwilligekeuze is en dat die niet onder dwang wordt gemaakt, zijn die zorgvuldig-heidseisen zo belangrijk en worden die ook zo zorgvuldig nageleefd.Voorzitter. Dat gezegd hebbend, betekent dit wel dat als we een wethebben en als we afspraken hebben, die ook moeten worden gehand-haafd. De IGJ ziet daarop toe en kijkt daar nu ook naar in het kader van hetinitiatief waar de heer Van Meijeren naar verwees, het verkrijgen van deabortuspil online. Daar staat precies die vraag centraal: kun je zeggen datwordt voldaan aan de zorgvuldigheidseisen op het moment dat er alleeneen formulier wordt ingevuld en er geen fysiek gesprek plaatsvindt, of datnou gebeurt via een beeldscherm of in de praktijk, tussen arts en devrouw die voor de ingewikkelde keus van abortus staat? Dat vraagstuk ligtnu voor. Daar buigt de IGJ zich over en als daar een uitspraak over is, danweten we hoe dit initiatief zich verhoudt tot onze wetten. Maar ik herhaal:ik sta onvoorwaardelijk voor de kwaliteit van de abortuszorg in Nederlanden voor alle huisartsen en artsen in abortusklinieken die daar dag in, daguit op de meest zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.De heer Van Meijeren (FVD):De Minister verwijt mij dat ik aannames doe en geeft aan dat alle artsende zorgvuldigheidseisen naleven en dat het niet voorkomt dat die terzijdeworden geschoven. Dat zou volgens de Minister ook blijken uit wetsevalu-aties. Dat is toch echt feitelijk onjuist. Als je kijkt naar de eerste wetseva-luatie uit 2005, dan zie je dat daaruit blijkt dat 57% van de abortusartsengeen voorlichting geeft over alternatieve oplossingen van de eventuelenoodsituatie. Dat is in strijd met de wet. Dit werd bij de tweede wetseva-luatie herhaald. Toen was het 58% nota bene. Dit zijn harde cijfers. Ik heballeen maar feiten benoemd. En als het dan gaat over dat initiatiefThuisabortus.nl: daar hoeft überhaupt geen gesprek plaats te vinden, ookniet via een beeldscherm. Het invullen van een formuliertje is genoeg. Datis direct in strijd met een evidente bepaling uit het Besluit afbrekingzwangerschap. Dit wordt ook bevestigd door hoogleraar gezondheids-recht Martin Buijsen, verbonden aan de Erasmus Universiteit. Die zegt: ditis illegaal en hier moet handhavend tegen worden opgetreden.De voorzitter:En uw vraag?De heer Van Meijeren (FVD):De vraag is: wanneer gaat deze Minister, in plaats van om de feiten heente draaien en zelfs feiten te ontkennen, zorgen dat de wet wordt gehand-haafd? We lijken met elkaar te delen dat dat moet gebeuren, maar hetgebeurt niet.Minister Hermans:Als er artsen zijn die op onzorgvuldige wijze omgaan met de wet of – nee,ik moet het anders zeggen – die de wet niet naleven, dan hebben we daareen inspectie voor. Die ziet erop toe en die grijpt in. Dus dat dat moetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18039 gebeuren als dat plaatsvindt, daar ben ik het honderd procent mee eens.De inleiding van de inbreng van de heer Van Meijeren suggereerde ietsheel anders – althans ik heb daar iets anders in gehoord – namelijk dat ditaan de orde van de dag is. Daar heb ik me tegen uitgesproken en dat zouik met alle liefde en plezier nog een keer doen, maar dat zal ik omwille vande tijd niet doen. Daar blijf ik voor staan. Wat dat specifieke initiatiefbetreft, heeft de heer Van Meijeren gelijk. Daarom zei ik ook: hier gaat hetalleen om het invullen van een formulier en vindt er geen mondelinggesprek plaats tussen arts en vrouw. De vraag is nu hoe zich dat verhoudttot de afspraken die we in de wet hebben gemaakt. Daar kijkt de IGJ naaren ik wacht de uitspraak die zij daarover doen af, zodat wij weten wat desituatie is.De voorzitter:Duidelijk. Ik zag mevrouw Wiersma nog even. Uiteraard, u krijgt zo nogeen mogelijkheid om een vraag te stellen, meneer Van Meijeren. MevrouwWiersma.Mevrouw Wiersma (BBB):Ik had nog een verduidelijkende vraag.De voorzitter:Dan geef ik u zo het woord. Ik dacht dat het hierover ging.Mevrouw Wiersma (BBB):Nee, het gaat niet hierover.De voorzitter:Dan ga ik eerst even terug naar de heer Van Meijeren.De heer Van Meijeren (FVD):Het stoort mij echt heel erg dat de Minister doet alsof ik iets suggereer ininbreng. Ik noem alleen maar feiten. Iedere zin die ik heb uitgesproken,kan ik feitelijk onderbouwen. Het is zo dat het structureel gebeurt datwettelijke voorschriften niet worden nageleefd. Dat blijkt uit evaluaties ende inspectie kan daartegen optreden, maar dat gebeurt niet, al 40 jaar niet,en daar is deze Minister voor verantwoordelijk. Dus daarom nogmaals devraag: is deze Minister bereid om de inspectie op te dragen om daadwer-kelijk te gaan handhaven? En op welke termijn kunnen we verwachten datin ieder geval tegen dit initiatief van Thuisabortus.nl wordt opgetreden,omdat dat evident in strijd is met de wet? En dat is niet alleen mijnbewering, maar ook de bewering van hoogleraar gezondheidsrecht MartinBuijsen, die ik zojuist al aanhaalde.De voorzitter:Ik wil voorkomen dat we in rondjes blijven draaien. De vraag wordtherhaald en de Minister gaat over haar eigen antwoorden. Minister, totslot. En dan wil ik echt naar het volgende blok, omwille van de tijd.Minister Hermans:Ik neem de signalen over Thuisabortus.nl, het initiatief dat vorige weekgelanceerd is, heel serieus. Een aantal van de vragen die de heer VanMeijeren stelt, werpt het initiatief op. Die zijn ook gesteld door dehuisartsenvereniging en zijn ook, als ik me niet vergis, door de verenigingvan abortusklinieken zelf in reactie op dit initiatief in de media genoemd.Het is nu aan de IGJ. Die kijkt nu op basis van signalen, die ook in de krantgemeld zijn, hoe dit initiatief binnen onze wet- en regelgeving past. Datgebeurt nu dus. Op basis van dat oordeel zullen we verder kijken.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18040 Heel kort, want het wordt herhaling. Echt, echt, echt een slotvraag.De heer Van Meijeren (FVD):Ja, afrondend, voorzitter. Ik mis ieder gevoel van urgentie. Het gaat hierwel om strafbare feiten met als gevolg dat ongeboren menselijk levenonrechtmatig wordt beëindigd.De voorzitter:Maar nu valt u in herhaling.De heer Van Meijeren (FVD):Dat is geen herhaling. Ik hoor deze Minister namelijk zeggen dat ernaarwordt gekeken, maar op dit moment moet er worden gehandhaafd.De voorzitter:Oké.De heer Van Meijeren (FVD):Kan ik dan in ieder geval van deze Minister de toezegging krijgen dat alsze erkent dat er inderdaad juridische vragen zijn over deze kwestie, ze ingesprek treedt met de initiatiefnemers achter Thuisarbortus.nl om ervoorte zorgen dat deze praktijken in ieder geval stoppen totdat dat onderzoekwaarnaar de Minister verwijst, is afgerond?De voorzitter:De Minister, tot slot.Minister Hermans:Nadat het initiatief bekend is geworden bij mij op het ministerie, hebbenwij het direct onder de aandacht gebracht bij de Inspectie Gezond-heidszorg en Jeugd. Daar hoort het. Daar ligt het. Zij ziet toe op het onlinevoorschrijven van geneesmiddelen en op de Wet afbreking zwangerschap.Ik wacht nu het oordeel van de IGJ af.De voorzitter:Duidelijk. Zo is de rolverdeling in ieder geval in de wet verankerd.Mevrouw Wiersma (BBB):Ik had nog één verduidelijkende vraag over de budgetbekostiging. Mijnvraag ging namelijk niet zozeer over de budgetbekostiging zelf, want zoalsik het begrijp is er sprake van een ingroeipad vanaf 2027. Stelt de Ministernu dat dat ingroeipad gegarandeerd eindigt in 2028? Of kan de situatieontstaan waarin tijdens het ingroeipad er spoedeisendehulpposten meteen tekort bestaan, waardoor toch de continuïteit van die SEH’s onderdruk komen te staan? Dan zou het namelijk zo kunnen zijn dat voordat jedat ingroeipad voltooit, je toch eerst met een specifieke overbruggings-maatregel moet komen, ook omdat we het heel belangrijk vinden dat hetin de regio’s beschikbaar blijft. Dat was eigenlijk de vraag die ik poogde testellen. Graag nog verduidelijking op dat punt.Minister Hermans:Mijn beeld is dat zo’n overbruggingsfonds niet nodig is. Het is inderdaadwel een ingroeipad of een «doorontwikkeling», zoals ik het net noemde. Erkomt nog dit voorjaar een brief over hoe we dat groeipad concreet gaanuitwerken. Ik kan in die brief op basis van dat groeipad aangeven waaromik vind en inschat dat zo’n overbruggingsregeling of een beschikbaar-heidsbijdrage voor regionale ziekenhuizen niet aan de orde is.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18041 Ik kijk even naar Minister Hermans om te zien of zij klaar is. Ja, dan gaanwe naar Minister Sterk.Minister Sterk:Voorzitter. Misschien is het goed als ik nog even kort de blokjes herhaaldie ik heb meegekregen. Dat zijn het blokje opleiden en het blokjewijkverpleging. Ik zag net trouwens ook nog een heel klein blokjeregeldruk en daarna heb ik nog een blokje met overige vragen.Ik begin met het blokje opleiden. Ik denk dat ik net uit al uw woorden hebgehoord dat de zorg die wij hebben mede het gevolg is van de goede engekwalificeerde mensen die daarin werken. We hebben daar heel veelzorg voor en zijn daar trots op. Het is ontzettend belangrijk dat wij dezezorg- en welzijnsprofessionals goed opleiden voor de toekomst. Het gaatniet alleen om goed opleiden, maar ook om ervoor zorgen dat er meermensen in de zorg komen te werken. Het goede nieuws is in ieder gevaldat dat ook in de sector zo is gezien en dat in het AZWA hele concreteafspraken zijn gemaakt over hoe we die lerende omgeving die daarvoornodig is met elkaar vormgeven. We hebben het vandaag eigenlijk over dieeerstelijnszorg. Als we de zorg meer naar de voorkant willen bewegen,hebben we ten eerste meer zorgmedewerkers nodig, en snel ook, omervoor te zorgen dat we die handen houden, maar we hebben vooral ookzorgmedewerkers nodig die zijn opgeleid voor de vragen die dat oproept.We gaan namelijk van zorgen voor naar zorgen dat. Dat vraagt soms ookandere competenties van zorgmedewerkers dan we misschien in hetverleden van hen hebben gevraagd. Dat is een gesprek dat we vooral inoverleg met alle veldpartijen moeten voeren. Dat doen we dus ook en datblijven we ook op die manier voortzetten.Dan wil ik nu terugkomen op de vragen die u heeft gesteld. Ik wil eersteven ingaan op de vragen rondom het Capaciteitsorgaan en daarna opeen aantal andere vragen over de instroom van eerstelijnsartsen enanderen.Mevrouw Coenradie, mevrouw Wiersma en mevrouw Van Brenk vroegen:«Waarom lijkt het dat de Minister afwijkt van het advies van het Capaci-teitsorgaan, terwijl we daar normaal aan vasthouden? Wil de Ministersamen met verzekeraars werken aan extra opleidingsplaatsen in de acutezorg?» Ik kan in ieder geval niet bevestigen dat wij afwijken van dat adviesvan het Capaciteitsorgaan. De ramingen zijn natuurlijk in principe altijdleidend, ook voor de besluiten die genomen worden over het aantalcentraal gefinancierde opleidingsplekken, maar we nemen ze niet altijdeen-op-een over. Waar ligt dat dan aan? Dat heeft eigenlijk vooral met deabsorptiecapaciteit van de sector te maken. De sector moet het namelijkwel aankunnen om meer mensen op te leiden. We zien dat bijvoorbeeldde huisartsenzorg dat op dit moment niet aankan. Daar voeren we hetgesprek over. Dat kan dus een reden zijn waarom je zo’n advies van hetCapaciteitsorgaan niet een-op-een kunt implementeren.De integrale besluitvorming over dat advies en de door ons als ministeriegefinancierde opleidingsplekken voor aankomend jaar zal later dit jaarplaatsvinden, want daarover zijn we nog in gesprek met het Ministerie vanOCW, dat daar natuurlijk ook een rol in heeft. Ik ben van plan u daar voorde zomer over te informeren. De gestelde vraag over de extra opleidings-plaatsen in de acute zorg zullen we daarin ook meenemen. Het lijkt megoed dat ik dat doe voordat we het debat over het arbeidsmarktbeleidhebben. Dat staat namelijk nog voor de zomer geagendeerd. Dit lijken meecht vragen die daar ook bij thuishoren.Dan was er door mevrouw Van Brenk ...Mevrouw Coenradie (JA21):Dit is heel veel tekst, maar ik heb eigenlijk gewoon een concrete vraag,waar ik gewoon ja of nee op wil horen. 50 SEH-opleidingsplaatsen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18042 plaats van 60: gaan we dat nou wel doen of gaan we dat nou niet doen?Ja of nee.Minister Sterk:Ik zou willen dat ik daar een simpel ja of nee op kan zeggen, maar we zijndaarover nog in gesprek. Ik zeg u in ieder geval toe dat ik er in die brief opterugkom. Dan kunnen we het er volgens mij bij dat debat met elkaar overhebben.De voorzitter:Gaat u voort, mevrouw de Minister.Minister Sterk:Voorzitter. Ik was bezig om de vraag van mevrouw Van Brenk te beant-woorden, die zich afvroeg of er plannen zijn om meer huisartsen op teleiden en meer verpleegkundigen te vinden. Ik zei net al dat we met eenreactie komen op dat advies van het Capaciteitsorgaan. Daarin wordt hetopleiden van huisartsen meegenomen, maar het is natuurlijk ook heelbelangrijk dat er instroom is in de initiële opleidingen, waaronder dus ookde opleidingen voor verpleegkundigen en wijkverpleegkundigen. We ziendat die instroom afhangt van de interesse van mensen. Er kunnen welmiddelen zijn, maar er moeten ook mensen zijn die het willen doen.Ik denk dat we daarin met z’n allen iets te doen hebben. Daarom is het,denk ik, belangrijk dat we het niet alleen hebben over de moeilijkhedendie er soms in de zorg zijn, maar dat we ook met elkaar blijven uitdragenhoe mooi het is om in die zorg te werken. U kent daar ongetwijfeld devoorbeelden van. Ik kom ze ook met grote regelmaat tegen. Ik denk dathet belangrijk is dat we dat met elkaar blijven uitdragen. Zoals ik net al zei,hebben we in het AZWA concrete afspraken gemaakt over het versterkenvan de lerende omgeving. Specifiek voor de wijkverpleging is er voor dekomende jaren structureel 60 miljoen beschikbaar om nieuwe wijkver-pleegkundigen op te leiden. Ik ben op dit moment met het veld in gesprekover hoe we die dan ook zo goed mogelijk inzetten.Dan was er een vraag van de heer Van Dijk – die is hier inmiddels nietmeer, maar ik ga de vraag toch beantwoorden – en de heer Vervuurt, overhet tekort aan doktersassistenten en wat wij doen aan voldoendeinstroom voor de opleiding en aan de regionale spreiding. Laat ikbeginnen met te zeggen dat ik het zorgelijk vind dat de instroom stokt endat er op dit moment in ieder geval een tekort is aan doktersassistenten.Dat zet het werk in de huisartsenpraktijken onder druk.De opleiding voor doktersassistenten, die een mbo-opleiding is, is inprincipe breed verspreid over Nederland. Een belangrijke reden dat dieinstroom daalt, is dat er een tekort is aan stageplekken. Dat heeft weeralles te maken met de krapte op de arbeidsmarkt. Als VWS doen wedaaraan drie dingen. Ten eerste kunnen wij werkgevers een tegemoet-koming geven voor het opleiden via subsidies voor strategisch opleiden inzorg en welzijn en via het Stagefonds Zorg. Het tweede wat wij daaraandoen – dat heb ik net ook al wel benoemd – is samen met al die veldpar-tijen werken aan het versterken van de lerende omgeving. We zijn aan hetkijken hoe we de opleidingsmiddelen, bijvoorbeeld de 60 miljoen voor dewijkverpleegkundigen, goed in kunnen zetten, maar dat geldt ook voor deandere middelen die ik net noemde.Ten slotte is geld alleen niet de oplossing voor dit probleem. Er moetenook mensen zijn die willen instromen. Zoals ik net al zei is de krapte op dearbeidsmarkt soms een probleem, maar ook de begeleidingscapaciteit iseen zorg. Daarom moedigen we creatieve oplossingen aan vanuit detekortregio’s, waar krapte is bij de begeleiding, zodat werkgevers en hetonderwijs extra stageplaatsen kunnen gaan aanbieden. Dat is dus hetgesprek dat we ook met het veld voeren, van: hoe kunnen we deinitiatieven die daarin tegemoetkomen, verder brengen? Daarover heb ikTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18043 ook overleg met het Ministerie van OCW, want dat heeft natuurlijk ookverantwoordelijkheid ten aanzien van die stageplekken op het gebied vanzorg en welzijn.Dan hadden de heer Bevers en, als ik het me goed herinner, ook mevrouwMaeijer en de heer Vervuurt de vraag of we bereid zijn met huisartsen ingesprek te gaan over de manier waarop beperkingen kunnen wordenweggenomen, ook wat betreft het tekort aan doktersassistenten. Met deAZWA-partijen hebben we met enige regelmaat overleg. Daarbij zetten wevaak een thema centraal. In het tweede kwartaal van dit jaar hebben wehet thema arbeidsmarkt en opleiden centraal gezet. Dat is bedoeld voorhet aandragen van innovatieve ideeën, bijvoorbeeld voor de stagebege-leiding. Dat gesprek gaan we dus inderdaad aan met iedereen die daareen verantwoordelijkheid in heeft.De heer Van Dijk had een hele specifieke vraag over een nieuwe oplei-dingslocatie voor Zuidwest-Nederland, omdat daar een regionaaltandartsentekort is. Ik denk dat het goed is dat er wordt gekeken hoe weeen evenwichtige spreiding van tandartsen over het hele land kunnenkrijgen, maar het is aan het veld en de opleidingen zelf om te bepalen ofer een nieuwe opleiding gestart moet worden. De Commissie Doelma-tigheid Hoger Onderwijs brengt op basis van de Regeling macrodoelma-tigheid hoger onderwijs advies uit aan de Minister van OCW, en dus nietaan deze Minister, over een eventuele aanvraag voor een nieuweopleiding.De laatste vraag in dit blokje is ook een vraag van de heer Bevers. Dievroeg of wij samen met de beroepsverenigingen, de umc’s en devakopleidingen een actieplan zouden willen opstellen voor meer instroomin de cluster 1-beroepen. Dit vraagstuk van de achterblijvende instroom inde extramurale artsenberoepen speelt al langer. Daarom hebben debranche- en beroepsorganisaties in 2024 al een werkgroep opgericht. Dienoemen ze Meer extramurale artsen. Daar zijn ook actieplannen uitvoortgekomen, onder andere om de instroom te verhogen. In diewerkgroep zaten onder andere UMCNL, de KMMG, de LandelijkeHuisartsen Vereniging en Huisartsopleiding Nederland, maar daar zatennog meer partijen in.Dat project heeft al een aantal positieve effecten teweeggebracht, onderandere rond de verbetering van de onderlinge contacten en het imago ende bekendheid van extramurale artsenberoepen. Maar we moeten ookconstateren dat de beschikbare opleidingsplaatsen op dit moment nogniet volledig zijn gevuld, dus we zullen ook de ingezette acties moetendoorzetten en borgen. Binnenkort komt die werkgroep met eeneindrapport en een evaluatie van de actieplannen. Ik wil daar graag goednaar kijken om te zien welke vervolgacties daaruit voort zouden kunnenkomen.Dat was het blokje opleiding. Dan ga ik door naar het volgende blokje.Dat is het blokje wijkverpleegkundigen. Nee, wijkverpleegkundigi... Wijkverpleging, bedoel ik. Dat is een moeilijk woord. Ik had me eigenlijkvoorgenomen om een heel mooi verhaal te houden over de wijkver-pleging en hoe belangrijk die is, juist vanwege de rol daarvan in debeweging naar de voorkant, maar eigenlijk heeft u daar zelf al heel veelmooie woorden aan gewijd. Ook mijn collega heeft net het belangaangegeven van de verbinding van het sociaal domein met die eerste lijn,waarin de verpleegkundigen ook een cruciale rol spelen. Ik wil eigenlijkalleen maar zeggen dat wij volgens mij heel trots mogen zijn op dewijkverpleging zoals wij die in Nederland hebben en ook op hoe die zichde laatste jaren heeft ontwikkeld. Als één beroepsgroep die hele bewegingvan «zorgen voor» naar «zorgen dat» en naar de passende zorg eigenlijkal goed heeft door laten werken in het werk dat ze doen, dan is dat wel dewijkverpleging.Dat laat zich, denk ik, ook in financiële zin zien, maar dat is een zijpad, watmij betreft. Zij zijn dus de spin in het web. Zij hebben een hele belangrijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18044 rol. Volgens mij is het bij alles wat we de komende tijd doen ookbelangrijk dat we dat ook in ogenschouw blijven houden, want we hebbendat nodig als we gaan werken aan de zorgzame wijken en buurten waarinwe de kwaliteit van leven centraal willen stellen.Door het CDA werd gevraagd: hoe kijken we nou naar de uitwerking vandie eigen bijdrage in de wijkverpleging? Er werd door andere partijen,onder anderen door mevrouw Van Brenk, gezegd: wij willen die eigenbijdrage eigenlijk helemaal niet in de wijkverpleging. Dat laatste ga ik hiernu niet toezeggen, maar dat zal u waarschijnlijk niet verbazen. Ik wilechter wel aangeven wat de gedachte is waarom we dit doen en hoe ikaan het bekijken ben hoe we dat nou zo goed mogelijk kunnen gaaninvullen.Waarom doen we het? Ik denk dat mijn collega Hermans net al heelduidelijk heeft uitgelegd dat wij in ons systeem werken vanuit desolidariteitsgedachte, dus dat hogere inkomens meer betalen dan lagereinkomens en dat mensen die gezond zijn soms ook betalen voor mensendie zorg nodig hebben of ziek zijn, maar dat we als mensen dan zorgnodig hebben ook wat vragen om daar dan een bijdrage aan te leveren.Dat doen we op een heleboel vlakken. Dat willen we ook gaan doen bij deeigen bijdrage voor de wijkverpleging. Dat doen we ook omdat we depremies beheersbaar willen houden en omdat we de solidariteit in hetsysteem willen houden. Ik heb zelf ook al gesproken met de wijkver-pleging. Jullie hebben als commissie de petitie ook in ontvangstgenomen. Ik ben dus ook niet doof voor de zorgen die zij hebben. Ik denkdus dat we goed moeten kijken naar wat potentieel de consequenties zijnvan deze invoering.Wat mij betreft zijn er een aantal voorwaarden voor de vormgeving vandie eigen bijdrage. Dat is ten eerste dat we rekening houden met dedraagkracht van mensen. We moeten ook goed bezien dat we zo veelmogelijk voorkomen dat er een verschuiving naar andere domeinen ofandere regelingen plaatsvindt. Ten derde dat we de regeling begrijpelijkhouden voor de burger, maar zeker ook voor de uitvoeringsorganisatie.We moeten het tijdig doen, maar ook zorgvuldig. Ten slotte moeten we deuitvoeringskosten van die regeling zo laag mogelijk houden.Als dat je randvoorwaarden zijn, stuit je natuurlijk wel op een aantaldilemma’s. Ik zie de heer Bushoff al een beetje heen en weer bewegen; ikweet niet of dat daarmee te maken heeft. Er zijn natuurlijk dilemma’s,want aan de ene kant kun je een hele eenvoudige regeling maken die heelbegrijpelijk is, maar die misschien niet goed rekening houdt met draag-kracht. Als je dat omdraait, dan krijg je een hele complexe regeling diemisschien wel rekening houdt met draagkracht, maar die tegelijkertijdweer heel complex is in de uitvoering voor burgers en voor uitvoerendepartijen.Je kunt ook kijken naar de manier waarop je die regeling precies invult. Deeigen bijdrage kun je natuurlijk op verschillende manieren vormgeven alsje die bijvoorbeeld inkomensafhankelijk maakt. Je zou het ook via eenvaste bijdrage kunnen doen. Je zou ook kunnen bekijken wanneer je hemgaat vragen in het proces waarin mensen met de wijkverpleging te makenkrijgen. Dat zijn allemaal dilemma’s. Ik zeg u alvast: ik ben daar nog niethelemaal uit, want ik wil graag uitgewerkt hebben hoe het er dan uitziet,wat het precies doet als we aan die knoppen gaan draaien, en hoe we het,uitgaande van de randvoorwaarden die ik net heb genoemd, zo goedmogelijk kunnen vormgeven.Ten slotte wil ik daarbij ook betrekken dat er natuurlijk meer regelingenzijn die een rol kunnen spelen en impact kunnen hebben op bepaaldegroepen in onze samenleving; dat heeft mijn collega Hermans net ook alaangegeven. De stapeling van al die maatregelen, niet alleen vanuit onsministerie, maar ook vanuit Sociale Zaken, wordt nu in beeld gebracht,niet alleen voor de koopkracht, maar juist ook voor bepaalde doelgroependie misschien heel veel zorgkosten hebben. Daar wil ik de uitwerking vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18045 die regeling ook bij betrekken en ook bekijken wat we uiteindelijk doenmet de enveloppe die er is met die 350 miljoen. Dat is volgens mij eenpakket aan knoppen die we hebben om ervoor te zorgen dat we devoorwaarden zoals ik die net noemde, dus de draagkracht en de uitvoer-baarheid, zo goed mogelijk inregelen. Ik zit nog in dat proces. Ik wil u alsKamer er in ieder geval nu alvast aan de voorkant in meenemen hoe wedaarnaar kijken. Ik wil ook voor de zomer, als we verder zijn met deuitwerking, graag daarover met u in gesprek om daarover uw visie tehoren.Voorzitter. Dan ga ik nog toe naar een aantal specifiekere vragen.Mevrouw Van Brenk vraagt hoe dit zich verhoudt tot de eerstelijnszorgwat betreft nabijheid en toegankelijkheid. Uitgangspunt blijft juist dat wijwillen dat mensen in hun eigen omgeving kwalitatief goede zorg krijgen.Daar is de eerstelijnsbeweging ook op gericht. Daarom willen we ook diesterke lokale teams maken. Wijkverpleging is hierin een cruciale schakel.Die zit immers in zowel de wijkteams vanuit de huisartsen, de medischeteams, als in de welzijnsteams; hechte wijkverbanden. Dat is cruciaal. Hetis belangrijk dat we dit goed blijven inregelen, dat we goed kijken of ereen zorgvraag is of een ondersteuningsvraag, of er een welzijnsaanbodnodig is of dat er zorg nodig is en wat dan passende zorg is.Mevrouw Maeijer had een vraag over de palliatieve zorg: zet die niet eenrem op mensen die thuis willen sterven? Ik gaf net al aan welke randvoor-waarden er zijn. De eigen bijdrage mag in ieder geval geen onoverkome-lijke financiële drempel worden voor mensen om noodzakelijke zorg teontvangen. Daarom ben ik ook op zoek naar een zo optimaal mogelijkevormgeving.Mevrouw Van Brenk zei – althans, zo hebben wij het gehoord – dat DeBuurt als Ecosysteem kritisch is op de bezuiniging op de wijkverpleging.Maar er is geen bezuiniging op de wijkverpleging. Sterker nog, we hebbenvoor de komende jaren zelfs meer middelen. Wel hebben we het over eeneigen bijdrage voor de wijkverpleging, maar dat is iets anders dan eenbezuiniging op de wijkverpleging.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Zo heb ik het niet gezegd. Zo heb ik het in ieder geval zeker niet bedoeld.Ik weet dat er vanuit de zorgverzekeraars geld beschikbaar is om De Buurtals Ecosysteem te gaan ontwikkelen, maar dat zij daarbij wel de opdrachthebben verstrekt dat het aantal uren wijkverpleging met 15% moetafnemen. Dat is dus wel een taakstelling.Minister Sterk:Vindt u het goed dat ik daar in tweede termijn op terugkom? Dan laat ikhet even uitzoeken, want zo scherp is mij dat niet bekend. Hier kom ik intweede termijn dus op terug.Er was een vraag van de heer Poortman over de opties. Die heb ik netaangegeven.Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee de vragen op het punt van de wijkver-pleging heb beantwoord.Mevrouw Maeijer (PVV):Op dit punt. De Minister spreekt mooie woorden over de wijkverpleging,over de spin in het web. Die woorden zijn allemaal waar, maar definanciële drempel, die er nu niet is, gaat de Minister nu wel invoeren. Demensen die ons de petitie overhandigden en die de Minister ook heeftgesproken, maken zich zorgen. Ze denken dat er niemand meer achter devoordeur komt, met alle gevolgen van dien: escalatie, verwaarlozing,mensen die in een veel slechtere staat straks in het ziekenhuis terecht-komen of in het verpleeghuis. Dat is ten eerste niet leuk voor de persoonin kwestie, maar bovendien ook nog een stuk duurder. Ongeacht hoe jedie regeling gaat inrichten – nogmaals, wij zijn daar tegen – zul je altijdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18046 mensen hebben die vanwege het feit dat er nu een financiële drempel is,zorg gaan mijden. Daardoor zullen de problemen, in welke vorm dan ook,gaan escaleren. Neemt de Minister dat dan voor lief, vraag ik haar.Minister Sterk:Ik heb oog voor de risico’s die er zijn. Daar wil ik ook naar kijken.Tegelijkertijd wil ik daartegenover zetten dat we proberen om veel meeraan de voorkant, ook via zorgzame buurten, te signaleren wat er speelt bijmensen thuis. De wijkverpleegkundige heeft hierin wel een belangrijkerol, maar is niet de enige. Dat is bijvoorbeeld ook de huisarts of demensen die in de buurt actief zijn vanuit welzijn en anderszins. Daarbijmoeten mensen natuurlijk de ruimte blijven voelen om inderdaad de hulpte kunnen krijgen van de wijkverpleging, maar de vraag is of die eigenbijdrage daarbij nou het meest beslissend is. Als het bijvoorbeeld gaatover mensen met dementie – ik kom daar straks nog op terug bij mijnblokje overig – is het de vraag of een eigen bijdrage voor de wijkver-pleging nou de drempel is om uiteindelijk hulp te zoeken of dat het is datmensen er misschien nog mee in het reine moeten komen of de ontwikke-lingen nog willen ontkennen; ik heb dat in mijn omgeving ook gezien.Nogmaals, wij denken, waarschijnlijk vanuit een ander principe dan u,namelijk vanuit de solidariteitsgedachte in ons stelsel, dat deze zorginderdaad een bijdrage mag vragen. Tegelijkertijd willen we ook dat diewijkverpleging die belangrijke rol goed kan blijven vervullen in hetsysteem. Daar zullen we ook oog voor houden.De voorzitter:Laten we even doorgaan. De Minister.Minister Sterk:Dan ben ik bij mijn blokje regeldruk. Daarover was een vraag vanmevrouw Coenradie en een van de heer Van Dijk. De vraag van mevrouwCoenradie ging volgens mij niet heel expliciet over de eerstelijnscoalitie.Ik ga nu antwoord geven op de vraag van volgens mij de heer Van Dijk ofwij in overleg willen treden over de voorstellen van de eerstelijnscoalitieom administratieve lasten in de zorg echt te verlagen. Ja, ik wil daaroverin overleg treden, maar we zien ook dat die eerstelijnscoalitie voorstellendoet die al heel nauw aansluiten bij de huidige wetgevingspraktijk.Bijvoorbeeld gedistantieerde regelgeving, waar zij voor pleiten, ofconsistente wetgeving, dus dat regels logisch in elkaar moeten steken ente begrijpen moeten zijn, en zorgvuldige beoordeling, dus of wetgevingecht nodig is, of er misschien alternatieven zijn, of het wel uitvoerbaar isen of het niet tot te veel regeldruk leidt, zijn dingen die al verplicht moetenworden nagegaan bij alle nieuwe wet- en regelgeving.We hebben daar een kompas voor, het Beleidskompas. Dat vraagt dat wedat sowieso doen. Daarna worden voorstellen ook nog eens getoetst doorhet Adviescollege toetsing regeldruk, dat ook altijd op deze punten ingaat.Nogmaals, ik denk dat het goed is dat wij het gesprek aangaan met dezeeerstelijnscoalitie, want we moeten altijd leren van goede ideeën. Als erconcrete beleidsvoorstellen zijn, moeten we die ook met hen bespreken.Voorzitter. Er was nog een vraag van mevrouw Dobbe over de vijfminu-tenregistratie. Laat ik het anders zeggen: wij hebben echt gezocht naarvoorbeelden waarbij dit een blokkade is en we hebben ze gewoon nietkunnen vinden. Vandaaruit zie ik op dit moment geen reden om dat aan tepakken, gezien alle dingen die we op dit moment te doen hebben; wehebben ontzettend veel wet- en regelgeving en heel veel dingen die wewillen organiseren in de zorg. Maar als u mij een concreet en tastbaarvoorbeeld kunt aandragen waarin dit inderdaad speelt en een blokkade is,dan wil ik heel graag daarover met u in gesprek, want wij kunnen ze nietvinden. Als u mij dat inderdaad kunt doen toekomen, dan zeg ik u toe datwe daarmee aan de gang gaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18047 De voorzitter:U was door uw interrupties heen, mevrouw Dobbe, maar dit was eenbeetje uitlokking. Maak geen nieuw punt, maar u mag even hierop ingaan.Mevrouw Dobbe (SP):Zo hard heeft het ministerie dus helemaal niet gezocht. Dat is wat ik denk.Maar goed, prima. Ik wil best het voorbeeld aandragen, maar dan gaanwe niet nog een keer een gesprek daarover voeren. We hebben gewooneen motie ingediend. Er zijn twee opties: of die motie wordt uitgevoerd ofdie wordt niet uitgevoerd. Volgens mij is er ook als er weinig voorbeeldenzijn geen enkele belemmering om die motie uit te voeren. Ik kan uvoorbeelden doen toekomen, maar niet om als een reden om af te wegenom die motie wel of niet uit te voeren, want die motie is gewoonaangenomen.De voorzitter:Oké. Misschien wordt de motie wel uitgevoerd als die voorbeeldenkomen, maar goed, ik ga er helemaal niet over. De Minister.Minister Sterk:Het punt is juist dat wij geen voorbeelden hebben kunnen vinden.Nogmaals, ik ben echt bereid om dit op te lossen als dit echt eenprobleem is, maar ik wil dan ook graag wel de voorbeelden erbij. Wijhebben echt gezocht, maar ze nog niet gevonden. Als u beter kunt zoeken,dan wil ik ze heel graag ook ontvangen.De voorzitter:Oké. Wordt vervolgd.Minister Sterk:Voorzitter. Ten slotte heb ik nog de vraag van de heer Vervuurt over dedigitale intakeprocessen en wat wij doen om dat op te schalen. Ik hoordepas een heel mooi voorbeeld daarvan van een huisarts die dat gebruiktein haar praktijk. Dat scheelde heel veel tijd en maakte juist ook heel scherpwat nou de vraag was en wat de afspraken waren, ook voor de patiënt.Dat gaf gewoon heel veel rust en helderheid over wat daar gebeurde.We hebben in de akkoorden met de veldpartijen afspraken gemaakt omdie digitale vormen van zorg en ondersteuning een impuls te geven, maardan wel – ik denk dat we niet overal achteraan moeten lopen – als hetbijdraagt aan passende zorg, want dat is de beweging die we willenmaken.Voorzitter, dat was dit blokje. Dan heb ik nog een aantal vragen in overig.Mevrouw Van Brenk had een vraag – eigenlijk heb ik daar net al even opgereflecteerd – over de toegankelijkheid van de casemanager dementie. Ikheb net al aangegeven dat ik denk dat er allerlei redenen zijn waarom hetsoms moeilijk is om die hulp te vragen. Het is in ieder geval ontzettendbelangrijk dat die zorg wel vergoed wordt en dat de zorgverzekeraars diezorg breed gaan inkopen. Ze mogen het in principe vergoeden vanaf hetsociaal domein tot aan de heel zware zorg als mensen uiteindelijk in eenverpleeghuis zitten en soms echt in de laatste fase van dementie zitten.Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat de zorgverzekeraars dat finan-cieren en ik verwacht dan ook dat de zorgverzekeraars samen metgemeenten en de zorgaanbieders in elke regio een plan maken voor hoeze dit onderdeel van hun zorgplicht – die hebben die zorgverzekeraars ookop dementie – invullen.Voorzitter. Dan de voorzorgcirkels. Daar begon mevrouw Van Brenk overen ik herinner me dat ze het daar ook al over had bij de begroting. Volgensmij zijn dat heel mooie voorbeelden. Ze vroeg of wij zien dat welzijnswerkeen belangrijke partner is voor zorgzame buurten, maar daar heeft mijncollega daar net al iets over gezegd. Ik denk dat het juist zo mooi is dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18048 beweging die we nu maken het welzijn en de zorg bij elkaar brengt, wantjuist vanuit welzijn kun je heel veel problemen op een andere manieraanpakken en kan je soms veel toevoegen aan de kwaliteit van leven enook aan de zingeving van mensen. Hoe mooi is het als je gewoon ergenskunt gaan eten als je eenzaam bent, ’s avonds met mensen in eenbuurthuis? Dan kun je wel pillen voorschrijven als arts, maar misschien ishet wel veel beter als je dat een paar keer per week kunt doen met demensen uit je buurt. Ik geloof er heel erg in dat we die bewegingen bijelkaar moeten brengen.Er waren nog een aantal vragen over de flexibele schil van zzp-huisartsen,onder anderen van de heer Van Dijk. Ook mevrouw Coenradie stelde daarvragen over. De vraag was hoe het nou zit met de wet waaraan gewerktwordt, die nieuwe Zelfstandigenwet. Ik moet zeggen dat die wet primairde verantwoordelijkheid is van mijn collega hier aan de andere kant vanhet Ministerie van VWS, namelijk die van Sociale Zaken. Daarom kan ik nunog niet op de invulling van dat wetsvoorstel vooruitlopen. Ik benuiteraard wel betrokken bij het verder uitwerken daarvan. Wat volgens mijvooral belangrijk is, is de vraag of die flexibele schil nou echt zo samen-hangt met de inzet van zzp’ers. Ook zonder zzp’ers is het mogelijk om diezorg, bijvoorbeeld die 24 uurszorg, te borgen bij de haps, om dat teregelen. Wij zijn al geruime tijd in gesprek met de huisartsenvereniging enmet InEen over de mogelijkheden om dat te doen met mensen inloondienst. Dus mijn collega is bezig met de wet – daar komen we later opterug – maar we zijn nu al aan het kijken hoe dat ingevuld kan wordenvanuit loondienst.De heer Bushoff had nog een hele ...De voorzitter:Voordat u naar de heer Bushoff gaat, heeft de heer Bevers nog een vraag.De heer Bevers (VVD):Ja, over dit onderdeel specifiek. Ik kreeg de vraag bij interruptie. Ik ben erheel duidelijk over geweest. Wij hebben er in het verleden heel veelcontact over gehad, ook met de Landelijke Huisartsen Vereniging en metde huisartsenposten. Het is dus wel een probleem. Het is wel eenprobleem om voldoende huisartsen te krijgen in loondienst. Met name inde spoedzorg zie je vaak dat vaak huisartsen die bijvoorbeeld gestopt zijnmet hun eigen praktijk zich als zelfstandige vestigen en op basis daarvaneen aantal huisartsenspoedposten bemannen. Dat is heel breed. Dat isook iets wat wij in ieder geval vanuit de sector als probleem hebbengehoord, de flexibele schil. Alle huisartsenposten willen het liefste artsenin loondienst, maar het lukt gewoon niet. Die artsen zeggen gewoon:sorry, ik ben altijd zelfstandig arts geweest en ik ga nu niet ineens inloondienst. Het is dus wat ons betreft echt wel een probleem. In hetverleden hebben we uw voorgangers opgeroepen – dit is een heelspecifiek punt – om daar blijvend aandacht voor te hebben namens hetministerie om dat goed te regelen. Ik ben echt bang dat we anders bij dehuisartsenposten, de haps, echt een probleem gaan krijgen. Ik wil daardus nogmaals toe oproepen.Minister Sterk:Als de heer Bevers de indruk heeft gekregen dat ik denk dat dat geenprobleem is, dan werp ik dat verre van mij. Ik denk namelijk dat erinderdaad een probleem is. De vragen gingen alleen heel erg over devraag of je zzp’ers in kan zetten en hoe dat zit in relatie tot de wet.Daarvan heb ik gezegd: daar kan ik nu nog niet zo veel over zeggen, wantdat ligt bij mijn collega. Maar we zijn hierover al geruime tijd in gesprekmet de huisartsenvereniging en InEen, juist omdat het een probleem is.We zijn uit aan het zoeken of het ook mogelijk is om daarvoor vanuit deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18049 loondienst een oplossing te vinden. Ik zal me de volgende keer ietsspecifieker uitdrukken.De voorzitter:Daar wil mevrouw Coenradie nog op doorvragen. Dat mag.Mevrouw Coenradie (JA21):Ik vind dat toch te vaag. Je kunt namelijk wel zeggen «de wet ligt niet bijmij, maar bij iemand anders», maar je hebt ook nog een boodschap aandegene die die wet maakt. De vraag is dus eigenlijk of deze Ministerbereid is om dit mee te nemen in de gesprekken die zij heeft binnen hetkabinet en dus ook met de Minister die verantwoordelijk is voor deze wet,en om daarbij de urgentie neer te leggen en te zeggen: luister eens, wijwillen dit heel erg graag in deze wet verankerd hebben of dat daar in iedergeval aandacht voor is. Anders zie ik op mijn terrein dadelijk echt heelveel problemen.Minister Sterk:Op dat laatste kan ik volmondig ja zeggen. Dat heb ik net ook aangegeven.Ik ga hier natuurlijk over in gesprek. Ik kan aan wat ik net heb gezegd nogtoevoegen dat er in dat gesprek met de huisartsenvereniging en InEen welkansrijke ideeën op tafel liggen, maar dat we daarover nu ook in gesprekzijn met de Belastingdienst. Er wordt dus gewerkt aan oplossingen. Ik gadit gesprek ook aan met mijn collega, want wij hebben er belang bij datdeze wet ook werkt voor de problemen die we hebben in de zorg enspecifiek in de huisartsenzorg.Voorzitter. Er was een vraag van de heer Claassen over de dividenduit-kering. Hij vraagt: is de Minister bereid om pas conclusies te trekken opbasis van een volledig beeld? Het ingewikkelde is een beetje ... Laat ik hetzo zeggen: we zijn blij dat die informatie nu op tafel ligt, want dat geeftook een beeld van hoe het ervoor staat en wat er misschien nog niethelemaal goed gaat. Daar kunnen we vervolgens onze maatregelen opnemen. Alleen bij de organisaties of aanbieders die een jaaroverzichthebben, kun je zien hoe dit werkt. Het is eigenlijk niet mogelijk om dat inbeeld te krijgen bij aanbieders die dat niet hebben. Een type investeerderis ook niet per definitie goed of slecht, dus volgens mij is het op ditmoment niet nodig en, zoals ik al zei, niet haalbaar om daar een heelvolledig beeld van te krijgen en daarvoor aanvullend onderzoek te doen. Ikwil me vooral richten op onwenselijk gedrag. Daarvoor zijn we bezig metwetgeving.Dan kom ik bij mijn laatste punt. Daarom zijn we ook bezig met hetwetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders.Dat willen we gaan aanscherpen, want geld voor de zorg moet gewoon inde zorg blijven, zoals de heer Bushoff aangeeft. Volgens mij wordt dattrouwens breed in de Kamer gedeeld. Ik ben gisteren op werkbezoekgeweest. Daar hoorde ik hoe slinks mensen soms gebruikmaken en vooralmisbruik maken van de regelingen die er zijn. Dan kunnen we maar éénding doen: daar keihard tegen optreden en zorgen dat we dat voorkomen.Dit wetsvoorstel moet daarbij gaan helpen. Dat willen we doen doordaarin aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap op tenemen, waardoor je de uitwassen van private equity kunt inperken. Wewillen ook voorwaarden stellen aan winstuitkering. In de aanscherpingvan het wetsvoorstel neem ik dus ook de reikwijdte van het winstuitke-ringsverbod mee. We willen gewoon zorgen dat die zorgeuro echt goedterechtkomt, waar die hoort. Ik zal de Kamer voor de zomer informerenover de aanpassingen van het wetsvoorstel.Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18050 Veel dank. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn vande zijde van het kabinet. Ik wil gelet op de tijd gelijk doorgaan naar detweede termijn. We hebben een sprekersvolgorde. Er zijn wat collega’sniet meer bij dit debat vanwege andere verplichtingen, dus ik begin bijmevrouw Coenradie, daarna is mevrouw Van Brenk en daarna hanteer ikweer de volgorde waarin iedereen zit. Mevrouw Coenradie, uw tweedetermijn.Mevrouw Coenradie (JA21):Voorzitter. Laat ik allereerst even beginnen met het aanvragen van eentweeminutendebat. Bij dezen dus.Dan het volgende. Ik hoor toch heel veel taal, maar weinig waarvan ikdenk: nou, na dit debat zijn we veel wijzer geworden en hebben we echtwel vooruitgang met elkaar geboekt. Als u mij nou vraagt, wat dat is, danweet ik daar het antwoord eigenlijk niet heel goed op. Ik vind zorgverzeke-raars nog steeds niet transparant. Ik vind daarin de schriftelijke beant-woording en de zaken zoals die vandaag besproken zijn, echt nog nietbevredigend. Dat apothekers niet hoeven bijleggen en het hele verhaaldaaromheen, vind ik ook echt nog veel te vaag en niet concreet.Regeldruk: «Ja, we willen allemaal minder regeldruk. Ja, we nemen hetmee. Er worden gesprekken gevoerd.»Ik mis daarin gewoon daadkracht, zo van: ja, dit gaan we doen, dit gaanwe regelen en dit is het idee hierbij. Het blijft allemaal heel erg vaag. Ikmerk ook dat het mij ontzettend uitnodigt, maar ook dwingt om dan dusmaar gewoon een tweeminutendebat aan te vragen, om dan maar viamoties veel concreter te zijn en om daadkracht vanuit de Ministers tevragen. Ik vind dat vervelend, want aanvankelijk was ik dat nietvoornemens, omdat ik vind dat we elkaar vooral niet iedere keer moetenoverladen met allerlei debatten. Ik merk dat door de beantwoording vande Ministers mij niets anders rest. We gaan dat dus doen en dan gaan wezien wat de opdracht op dit terrein vanuit de Kamer is richting het kabinet.De voorzitter:Dank u zeer. De volgende spreker is mevrouw Van Brenk, van 50PLUS.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Voorzitter. Ik hoop eigenlijk op een toezegging van de Minister. Kan zijmisschien iets betekenen? Ik noemde al de standaard van het NederlandsHuisartsen Genootschap over gordelroos. Nu ligt er een brief vanStichting Pijn na Gordelroos en SeniorenNetwerkNL, waarin zij wijzen opeen internationale richtlijn over de advisering rondom antivirale middelenbinnen 72 uur nadat het geconstateerd is. Het is nog niet aangepast, maarmisschien kan de Minister iets betekenen om partijen bij elkaar te zettenof misschien wil ze daar zelf iets in betekenen. Ik denk dat dat van grootbelang is in het kader van zenuwpijn die optreedt na gordelroos. Dat isheel belangrijk.Voorzitter. Ik ben blij dat de Minister waardering heeft voor casemanage-mentschap. Ik denk dat dat heel erg van belang is, zeker vanwege eengroeiend aantal mensen met dementie. Dus ik ben blij dat die voorop hetnetvlies staan. Wat ons betreft zou ik het daarbij willen laten.De voorzitter:Mooi. Dat was plusminus 1 minuut en 20 seconden. Mevrouw Maeijer.Mevrouw Maeijer (PVV):Ik heb geen stopwatch liggen, voorzitter, maar ik neem aan dat u mijeraan herinnert.Voorzitter. Ik zei het in de eerste termijn ook al, maar ik maak mij grotezorgen over hoe die maatregelen nou eigenlijk uitpakken voor al diekwetsbare mensen, zoals de ouderen en de chronisch zieken. Ik heb hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18051 dan over de stapeling van het geheel: het omhooggaan van het eigenrisico, het afschaffen van de tegemoetkoming voor chronisch zieken, deeigen bijdrage. Ik hoor ook niet heel veel enthousiasme over het kijkennaar financiële toegankelijkheid op het gebied van mondzorg of fysiothe-rapie. Ik voorzie gewoon een hele forse stapeling met grote gevolgen voormensen. De eigen bijdrage in de wijkverpleging kan ik ook niet echt rijmenmet alle mooie woorden over het belang van de wijkverpleging en hetbelang van de casemanager dementie. Die mooie woorden deel ik, maarik denk dat dit gewoon een slecht idee is.Ik heb de Minister in de eerste termijn ook nog gevraagd, naar aanleidingvan het onderzoek van PwC naar de casemanagers, hoe zij nou gaatzorgen voor voldoende casemanagers dementie.Tot slot, voorzitter, heb ik nog één vraag over C-support. Het ging net eenbeetje snel in de beantwoording van het geheel. Ik zie toch eigenlijk vooralberichten dat de zorg nog niet klaar is om die taken van C-support over tenemen en dat de kennis die daar nu zit, er gewoon nog niet overal is. Ikwil de Minister toch nog vragen: herkent zij die signalen en hoe ziet zij datvoor zich?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank. Mevrouw Wiersma.Mevrouw Wiersma (BBB):Dank, voorzitter. Ik hou het kort. Ik ben blij met de toezegging van deMinister van VWS dat ze in gesprek gaat met de Minister van OCW overde mogelijkheden die er zijn om een soortgelijke systematiek in te voerenin Nederland. Ik kijk ook heel erg uit naar de brief die voor de zomer komt.Ik hoop dat ze daar uitvoerig op in wil gaan. De algehele afdronk isnamelijk wel dat de regio hierin gewoon zwaar onder druk staat.Nogmaals, ik ben blij dat daar meer aandacht voor is, ook hier in dezeKamer.Over het ingroeipad heeft de Minister ook gezegd dat daar een brief overkomt. Ik zou daarin dan echt wel heel graag expliciet willen zien hoe zijervoor gaat zorgen dat de regionale ziekenhuizen, die op dit moment alkampen met een tekort, met name waar het gaat om de spoedeisendehulp, in de toekomst niet verder onder druk komen te staan. Dat is van hetgrootste belang, ook in de regio. Zorg is geen luxe is en toegang totspoedeisende hulp ook niet. Dat is gewoon broodnodig en een funda-mentele basisvoorziening. Ik kijk dus uit naar deze brief en ik zal diekritisch bestuderen.De voorzitter:Poortman.De heer Poortman (CDA):Dank, voorzitter. Dat klonk bijna als een stemming. Verder geen aanvul-lende vragen. Dank aan beide bewindslieden voor de beantwoording,voor hun aanwezigheid hier en voor de toezeggingen. Ik zal die kritisch enmet veel interesse volgen. Ik zie uit naar het vervolg en de uitwerking vandingen.De voorzitter:Meneer Poortman namens de CDA-fractie. Heel veel dank. Meneer Beversvan de VVD-fractie.De heer Bevers (VVD):Dank, voorzitter. Dank voor de uitgebreide beantwoording. De meeste vanmijn vragen zijn beantwoord. Ik hoop dat het volgende misschien toch inde tweede termijn nog kan. Ik heb het gehad over de oproep die wij inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18052 ieder geval hebben gekregen van de LHV, NHG, InEen en het UNH om wélmet een nieuw actieplan te komen om de werving van artsen buiten hetziekenhuis een nieuwe impuls te geven. Ik zou u toch willen vragen of uop zijn minst het gesprek daarover wilt aangaan. Daar komen we vast uiten anders kijk ik inderdaad naar een tweeminutendebat als daar een motievoor nodig is. Ik wilde die oproep toch nog even bij u neerleggen. Totzover, voorzitter.De voorzitter:De heer Bushoff, en die is zeker PRO GroenLinks-PvdA.De heer Bevers (VVD):Vandaag.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Eerst even kort nog over C-support. Ik ben benieuwd of deMinister erkent dat de kennis over post-acute infectiesyndromen zoalslong covid nog onvoldoende aanwezig is bij bijvoorbeeld huisartsen,Wmo-consulenten, keuringsartsen et cetera en dat dat kennisniveau echtnog een stapje hoger moet. Is in het verhogen van dat kennisniveau nietjuist een opdracht weggelegd voor C-support, waarvoor we ze nog eenjaar langer dan nu moeten laten voortbestaan? Als je ze nu al gaatafschalen, kunnen ze daar eigenlijk ook niet meer in voorzien. Zou u zeniet een jaar langer moeten laten bestaan met deze concrete opdracht?Voorzitter. Dan twee, over de Wibz. Ik hoop wel dat die er snel komt, wantwe zien in de tussentijd nu al dat het erop lijkt dat zorginstellingen numaar zo veel mogelijk winst nog uitkeren zolang de Wibz er niet is. Ik zoude oproep willen doen, aan al die organisaties maar ook aan dezeMinister, om in ieder geval alvast in lijn met die Wibz winstuitkeringen welof niet te doen, of om in ieder geval daartoe een oproep te doen aan deverschillende zorgpartijen.Voorzitter. Helemaal tot slot nog één ding. Minister Sterk schermde metinkomenssolidariteit en risicosolidariteit. Risicosolidariteit, want gezondbetaalt voor ziek, en inkomenssolidariteit, want rijk betaalt voor arm. Ikzou in het licht van alle voorstellen die nu worden gedaan, bijvoorbeeldde eigen bijdrage in de wijkverpleging, de verhoging van het eigen risicoet cetera, willen weten in welke mate al die maatregelen ofwel deinkomenssolidariteit en risicosolidariteit versterken, of die juist vermin-deren. Ik zou van de Minister eigenlijk de toezegging willen dat ze dat permaatregel in kaart brengt. Als je ermee schermt, ben ik namelijk ook welbenieuwd wat het effect op de risico- en inkomenssolidariteit van al diemaatregelen is.De voorzitter:Volgens mij is uw vraag helder. De volgende spreker is de heer Vervuurt,D66.De heer Vervuurt (D66):Voorzitter. Ook vanuit D66 dank voor de beantwoording door het kabinet.Ik denk dat deze commissie vandaag heel eensgezind haar zorgen heeftuitgesproken over met name het tekort aan huisartsen en praktijkhouders.Daar hebben we het vrij uitgebreid over gehad. Ik heb gehoord dat hetkabinet daar voortvarend mee aan de slag gaat en de vinger aan de polshoudt. Ik hoop dat de Kamer daar ook met enige regelmaat goed overgeïnformeerd wordt via rapportages, zoals vorige week in het tweeminu-tendebat is toegezegd. Ik vond het een goed idee van de heer Bushoff omdie rapportages op te stellen met in de ene hand het AZWA en in deandere hand het actieplan van de heer Bushoff. Ik zou het kabinet daartoedus willen oproepen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18053 Datzelfde geldt eigenlijk voor de ontwikkelingen omtrent de opleidingenvan doktersassistenten. Dat is natuurlijk ook iets waarop ik heb gehamerdin mijn bijdrage. Die zijn van cruciaal belang voor het goed draaien van dehuisartsenzorg.Ten aanzien van de wijkverpleging hoor ik Minister Sterk zeggen dat ereen heleboel knoppen zijn waaraan je zou kunnen draaien. Ik denk dat hetgoed is dat ze al die knoppen meeneemt. Ik heb haar daarbij geenexpliciete opties horen noemen, zoals het gratis maken van een x-aantaleerste behandelingen, maximering of inkomensafhankelijkheid. Ik gaervan uit dat zij die gaat meenemen in het arsenaal dat zij beschreef. Daarben ik blij mee, want ik denk dat het goed is dat dit integraal wordtaangevlogen.Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Zeker. Dan komen we bij mevrouw Dobbe, SP-fractie.Mevrouw Dobbe (SP):Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog twee punten.Over mondzorg gaf de Minister aan dat er een kleine groep is voor wiemondzorg niet goed toegankelijk is. Nu zien we dat onderzoek van Nivelhet sowieso al heeft over 11% van de mensen die moeite heeft om demondzorgkosten te betalen en daardoor zorg mijdt. Een ander onderzoekheeft het zelfs over een op de drie. Nou, me dunkt dat dat geen kleinegroep is en dat dit dus wel een oplossing vereist. Dat verklaart ookwaarom maatschappelijke organisaties zoals Dokters van de Wereld enallerlei andere organisaties zo veel werk hebben, en zij een groeiendegroep mensen zien die in acute nood komt vanwege mondzorgpro-blemen.Ik wil de Minister dus het volgende vragen. Het is goed dat zij een brieftoezegt, waarin bijvoorbeeld ook de optie van het noodfonds wordtgenoemd, maar als daarin komt te staan «we gaan het niet doen maar wenoemen het even in de brief, want dat is toegezegd», is dat natuurlijk nietwaarnaar ik op zoek ben. Ik zou de Minister graag willen vragen om ditgewoon te gaan uitwerken. Het is een kortetermijnoplossing, maar die iswel nú nodig voor mensen die in acute problemen raken.Dan de zorg voor onverzekerden. De Minister ziet op dit moment geenproblemen, omdat hier al regelingen voor zijn. Dat klopt ook – hier zijnregelingen voor – maar de problemen zijn er wel. We hebben hierover metpatiënten gesproken en ik heb ook zelf gezien en gehoord, toen ikmeeluisterde, dat huisartsen zeggen: we hebben geen plek voor mensenzonder zorgverzekering; we hebben wel plek voor mensen mét eenzorgverzekering. Daardoor komen mensen echt in de knel, omdat ze nietde zorg krijgen die ze zouden moeten krijgen, ondanks al die regelingen.Dit is niet alleen een anekdotisch voorbeeld; er zijn veel organisatieswaarbij de Minister dit zou kunnen verifiëren en navragen. Deze organi-saties lossen dit nu op. Ze bemiddelen voor die mensen, zodat mensenwel de zorg krijgen die ze nodig hebben. Daarom hebben wij eerder eenmotie ingediend om een actieplan te maken voor mensen die geenzorgverzekering hebben. Het stelt mij niet erg gerust als deze Minister zegt«er is geen probleem» als het gaat over de uitvoering van die motie. Datactieplan moet er namelijk wel komen, en ik heb daar nog geen antwoordop gehad.De voorzitter:Mevrouw Dobbe, als ik een gong had, had ik die allang gebruikt ...Mevrouw Dobbe (SP):Ja, dank u!Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18054 De voorzitter:... maar die heb ik niet. Wie weet schaf ik die nog aan! Ik schors voorenkele ogenblikken, om de Minister de gelegenheid te geven om inconclaaf te gaan over de laatste vragen die gesteld zijn. Daarna ronden wehet af. We komen zo terug voor de tweede termijn van het kabinet.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. Ik verzoek alle aanwezigen hier in de zaal tegaan zitten. Meneer Bevers, we gaan door. Ik geef het woord aan MinisterHermans.Minister Hermans:Voorzitter, dank. Ik ben de heer Bushoff nog twee antwoorden uit deeerste termijn verschuldigd. Het eerste antwoord gaat over financieelmaatwerk en het beschikbare budget daarvoor. Het kader huisartsenzorggroeit jaarlijks met 3,5%, exclusief de indexatie. Concreet betekent datvoor de jaren 2026, 2027 en 2028 circa 200 miljoen euro per jaar erbij. Dieruimte kunnen zorgverzekeraars gebruiken voor aan de ene kant natuurlijkde stijging van de zorgvraag en anderzijds het financiële maatwerk. Daarzit ook de subsidie in, die gebruikt kan worden voor ruimte of lucht in deagenda.Voorzitter. De heer Bushoff stelde mij nog de vraag voor welke periode datalternatieve geneesmiddel nog ter hand gesteld kan worden nadat hetpreferente middel weer beschikbaar is. Dat gaat om enkele weken,maximaal zes.Dan had ik mevrouw Coenradie nog toegezegd aan te geven wanneer debrief over de apothekers zal verschijnen en wanneer ik het gesprek zalvoeren, zoals haar toegezegd. Dat vond ik toch best een concretetoezegging. Die brief komt er voor de zomer.Voorzitter. Mevrouw Van Brenk stelde mij nog een vraag over de richtlijnvoor gordelroos. Ik kan de vraag van mevrouw Van Brenk overbrengenaan de beroepsgroep, maar het is natuurlijk wel iets wat partijen samendoen, zoals ik dat al in de eerste termijn zei. Maar naar aanleiding van hetdebat zal ik dit punt overbrengen.Voorzitter. Mevrouw Maeijer stelde mij, net als de heer Bushoff, nog eenvraag over C-support. Wij hebben voor dit jaar nog geld beschikbaar omdie kennis over te dragen. Het is nu 1 april. Het is nog niet het einde vanhet jaar, dus dat daar nog werk moet gebeuren en dat we die maandendaarvoor nog nodig hebben, lijkt me ook logisch. Dat vind ik ook niet raar.Ik zal de vinger aan de pols houden. Wij sturen sowieso nog een brief overPAIS. Ik zal daarin ook ingaan op hoe het hiermee staat en wat ons beeldis. Het is nu maart. Ik zal even checken nu of ik al weet wanneer de brief erkomt. Ik zie dat dit voor de zomer is. Dat lijkt me mooi. Dan zijn weongeveer halverwege het jaar. Dus dan hebben we een beetje een beeldvan hoe het ervoor staat.De voorzitter:Meneer Bushoff, u krijgt gelet op de tijd heel kort het woord. Eén vraag.Dat geldt ook voor de andere Kamerleden.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Eén vraag. Als dit jaar de financiering al afloopt, wordt dus de komendemaanden de capaciteit bij C-support al afgebouwd. Dat zal wel nodig zijn.Dus dan kunnen ze niet meer volledig hun taak uitvoeren, zou je zeggen.Ik vraag de Minister hoe zij hiernaar kijkt.De voorzitter:Er komt nog een tweeminutendebat. Dat zeg ik ook gelijk tegen alle leden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18055 Minister Hermans:We hebben voor dit jaar nog die subsidie, ook om de kennisoverdracht tedoen. Daarna, dus na dit jaar, blijft er een zogenaamde waakvlamfunctiedie ziet op die kennis en die kennisoverdracht. Het risico dat de heerBushoff schetst, is daarmee misschien niet helemaal, maar wel voor eendeel ondervangen. Nogmaals, ik stuur dus voor de zomer nog een briefover PAIS en C-support.Voorzitter. Mevrouw Wiersma kijkt uit naar de brief, ook over hetingroeipad. Ik heb gehoord wat zij daarbij ook zei over de regionale zorg,in het bijzonder de spoedeisende hulpen. Ik zal daar in de brief ook opingaan.Voorzitter. Mevrouw Dobbe had het over de mondzorg en het noodfonds.Ik zei dat ik daar in de brief naar aanleiding van de motie van de heerStoffer op terug zou komen. Ik denk eigenlijk dat de brief die ik nog overde voortgang van het AZWA stuur – dat is er niet eentje die er heelbinnenkort komt, maar wel voor de zomer, omdat we daar dan ook nogeen debat over hebben – een goede plek is om daarop in te gaan. Wijdelen namelijk volgens mij, zoals ik ook in mijn beantwoording zei, dat erhier voor een bepaalde groep een probleem is. We hebben in eenschriftelijk overleg dat onlangs geweest is, geschetst waarom wij nietdenken dat een noodfonds de oplossing is voor het probleem waarvan wijook zien dat het er is. Maar in de AZWA-ontwikkelagenda kijken we waarer manieren zijn om hier iets aan te doen. In die brief, die voor de zomerkomt, zal ik daarop ingaan.Ik hoop dat ik daarmee ook de vraag van mevrouw Dobbe, die zij aan heteind van haar bijdrage stelde over het actieplan, heb beantwoord. Dievraag begreep ik namelijk niet helemaal.De voorzitter:Mevrouw Dobbe, tot slot.Mevrouw Dobbe (SP):Ja, hoewel ik nu mijn vraag moet herhalen. Ik zal dat niet zo lang doen. Devraag ging over het actieplan voor zorg voor onverzekerden.De voorzitter:Check.Mevrouw Dobbe (SP):Ik haalde daarbij een aantal voorbeelden aan, waarbij ik zelf heb geziendat dit niet goed werkt. Ook maatschappelijke organisaties hebben geziendat het nog veel problemen heeft.De voorzitter:Dank voor de verduidelijking.Minister Hermans:Hier zal ik in een aparte brief op terugkomen. Ik heb nu geen reactie paraatop alle voorbeelden die mevrouw Dobbe schetste, dus ik wil daar best ineen aparte brief op terugkomen. Zeker.De voorzitter:Wordt vervolgd. Heel goed.Minister Hermans:Voor de zomer.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18056 Voor het zomerreces. In reactie op dat Minister Sterk buiten de microfoonzegt dat het vandaag 1 april is: alles wat gezegd is vandaag, is waar. Maardat terzijde. Minister Sterk.Minister Sterk:Dank u wel, voorzitter. Ik had ook nog een aantal vragen die in tweedetermijn zijn gesteld.Mevrouw Van Brenk had nog een antwoord tegoed op de vraag over DeBuurt als Ecosysteem, de taakstelling en de afname van het aantal urenwijkverpleging door de zorgverzekeraar. Ik zou het graag nog een keerzien, maar ik krijg mee dat De Buurt als Ecosysteem wel een heel mooivoorbeeld is van een transformatieplan. Het wordt inderdaad gefinancierddoor zorgverzekeraars en moet vooral bijdragen aan de beweging naar devoorkant.Ik ben niet precies bekend met de exacte voorwaarden die door zorgverze-keraars zijn gesteld aan deze financiering, maar op zich vind ik het ookniet vreemd dat als zorgverzekeraars ergens financiering aan geven, zeuiteindelijk het zorggebruik in dezen en de effecten van het zorggebruik indie wijk willen zien. Dat leidt mogelijk tot afname van uren. Maar ik vindhet moeilijk om zo te zeggen omdat ik er zelf niet bij betrokken bengeweest vanuit het ministerie.De voorzitter:Een verduidelijkende vraag, mevrouw Van Brenk.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Mijn specifieke vraag was de volgende. We weten dat het aantal ouderentoeneemt. Omdat er nog een aanloop is voordat dit gerealiseerd is, zou jeeigenlijk mogen verwachten dat de status quo al een mooi resultaat is. Ikbegrijp dat de Minister daar anders over denkt.Minister Sterk:Ik weet niet of ik daar per se anders over denk. Ik zeg volgens mij vooraldat het iets is van de zorgverzekeraar met degenen die dat projectuitvoeren. Daar wordt op dit moment dit gesprek gevoerd. Verder heb ikdaar geen bemoeienis mee.Mevrouw Maeijer had een vraag gesteld over casemanagement dementieen over het tekort. Ik denk dat het belangrijk is, ook zeker gezien devergrijzing, dat de dementiecasemanagers goed georganiseerd zijn enover het hele land bereikbaar zijn. Het veld heeft zelf aangegeven dat hethaalbaar is om toegang te borgen voor iedereen die het nodig heeft. Datvraagt ook iets van hun organisatie. Dan is het wel belangrijk – we haddenhet net ook al over de zorgverzekeraars – dat de zorgverzekeraars datgoed inkopen. Ik gaf net al aan dat ze dat kunnen doen vanaf het begin tothelemaal aan het eind.De heer Bevers had toch nog een vraag naar aanleiding van het actieplanen was nog niet helemaal tevreden. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de briefniet ken, maar ik wil in ieder geval toezeggen om dat gesprek aan te gaan.Ik ben wel benieuwd naar de achtergrond van die brief, ook in relatie totwat ik u net meldde, over hoe dat zich tot elkaar verhoudt.De heer Bushoff. Net als de heer Bushoff kan aanscherping van de wet mijniet snel genoeg gaan, zodat die excessen niet meer plaats kunnenvinden, maar ik vrees toch dat veel sneller dan voor de zomer gewoonniet gaat lukken. Ik hoop net als u dat ondertussen zorgorganisaties zelf zoverstandig zijn om daarin de goede keuzes te maken. Ik vrees dat ik daar,behalve dit moreel appel, niet zo heel veel invloed op kan uitoefenen.De heer Bushoff gaf ook aan – ik ben op zich blij om dat te horen – dat webij de eigen bijdrage moeten kijken wat de effecten zijn van de mogelijkemanieren waarop je die invult. Ik moet alleen even kijken hoe we datprecies in beeld kunnen brengen. Ik noem een voorbeeld. Stel dat je ietsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18057 doet met inkomensafhankelijk, maakt het natuurlijk uit hoe je datvormgeeft en hoe snel je die lijn laat oplopen of niet. Dat heeft natuurlijkweer effecten op inkomens van mensen en soms ook op de samenloopmet andere maatregelen. Ik wil daarnaar kijken, maar ook in het licht vanhet onderzoek dat naar die stapeling gebeurt. Het gaat namelijk niet oméén maatregel, maar er spelen daar natuurlijk meerdere maatregelen.Ten slotte. De heer Vervuurt vroeg of ik bij die knoppen dan ook wil kijkennaar de tijdigheid van wanneer iets ingaat. Ik meende dat in de eerstetermijn al te hebben genoemd, maar we gaan daar uiteraard ook naarkijken. Misschien zijn er nog meer ideeën en nog meer manieren omdaarnaar te kijken. Dat wil ik de komende weken gaan verkennen.De voorzitter:Meneer Bushoff, eigenlijk niet.De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Eén punt. Mijn woorden werden namelijk wel erg ruim genomen door deMinister. Het was een hele ruime interpretatie.De voorzitter:Dat kan, maar dat is echt politiek. U heeft een tweeminutendebat, dus ikzou zeggen...De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):Dan gaan we het daar weer hebben over de eigen bijdrage en hoe datrisico...De voorzitter:Het is wat het is. Dit is niet de laatste keer dat u dit onderwerp opbrengt,lijkt mij. Laten we het hierbij houden. Er is in ieder geval een tweeminu-tendebat aangevraagd door mevrouw Coenradie. Dat is bij dezendoorgeleid naar de Griffie plenair. Er zijn verschillende toezeggingengedaan. Die lees ik gewoon voor. U moet maar even meeluisteren om tehoren of ik iets vergeet.–Punt één. De Minister informeert de Kamer voor het zomerreces overde voortgang omtrent het landelijk ruil- en inschrijfsysteem bijhuisartsen.–Punt twee. De Minister informeert de Kamer voor het zomerreces overde gesprekken die zij gaat voeren over strategisch toelatings- enopleidingsbeleid in regio’s waar huisartsentekorten zijn.–Punt drie. De Minister stuurt de Kamer voor het zomerreces een briefover de gesprekken die zij voert met de apothekersverenigingen en zalhierin onder andere ingaan op het thema geneesmiddelentekorten intijden van onzekerheid.Minister Hermans:Voorzitter, als ik het mag specificeren: ik ga daarin in op de vraag diemevrouw Coenradie mij stelde, die ook zag op inkoop en de financiëleonzekerheid die daarmee samenhangt in het geval van tekorten.De voorzitter:Ik denk dat dit een preciezere invulling is, dus dat voegen we nu toe.–Punt vier. De Minister stuurt de Kamer voor het zomerreces een briefover het AZWA en zal hierin ook ingaan op instrumenten zoals eennoodfonds om financiële drempels inzake mondzorg te verlagen.Minister Hermans:Ja, voor minima. Dat was het debat dat ik met mevrouw Dobbe had.De voorzitter:Oké.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18058 –Punt vijf. De Minister informeert de Kamer voor het commissiedebatArbeidsmarktbeleid in de zorg op 18 juni over haar reactie op hetadvies van het Capaciteitsorgaan en het aantal vast te stellen oplei-dingsplaatsen.–Punt zes. De Minister informeert de Kamer voor het zomerreces overde stand van zaken met betrekking tot de uitwerking van de invullingvan de eigen bijdrage in de wijkverpleging.–Punt zeven. De Minister stuurt een brief over het groeipad richtingbudgetbekostiging voor onder andere de spoedeisende hulp.–Punt acht. De Minister stuurt voor de zomer een brief over PAIS engaat hierin ook in op zaken omtrent C-support.Minister Hermans:Voorzitter, het is echt een brief over C-support.De voorzitter:Gewoon een algemene brief? Oké, check.–Punt negen. De Minister stuurt voor het zomerreces een brief over hetactieplan omtrent onverzekerden.Dank. Dan heeft mevrouw Wiersma waarschijnlijk nog een aanvullendpunt.Mevrouw Wiersma (BBB):U noemde bij die opleidingsplekken en regio’s expliciet de huisartsen,maar het gaat om medisch specialisten. Bij huisartsen is ook een heelgroot probleem, maar het beperkt zich niet tot de groep huisartsen. Maargoed, ik denk dat dat goed overkomt. Bij dezen.De voorzitter:Het gaat erom dat het iets breder is.Minister Hermans:Ik moet even precies zijn. Volgens mij stelde mevrouw Wiersma mij devraag in de context van het tekort aan huisartsen. Dat is ook hoe wij hetgesprek voeren en de verkenning doen met OCW.De voorzitter:Ja, dat is de context.Minister Hermans:Ik ben altijd bereid om dat breder te trekken, dus naar medisch specia-listen. Ik vind het echter wel belangrijk om de verwachtingen even temanagen: de focus van wat ik nu met OCW bespreek, ligt op huisartsen.De voorzitter:Mevrouw Wiersma nog?Mevrouw Wiersma (BBB):Dat is dan zo, maar het gaat wel om medisch specialisten in hetalgemeen. Het speelt namelijk breder dan de huisartsen.De voorzitter:Er is nog een tweeminutendebat, mevrouw Wiersma. Wellicht is dat hetmoment om daar nog op door te gaan. Ik dank u allemaal: de bewindsper-sonen, de Kamerleden, alle aanwezigen. Ik sluit de vergadering. Om 17.30uur is er een technische briefing over de wijziging van de Embryowet naaraanleiding van de derde wetsevaluatie, zeg ik voor degenen die datinteressant vinden. Die technische briefing is om 17.30 uur in deTroelstrazaal.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18059 Sluiting 17.18 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 578, nr. 18060

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 36591b465ab7cb96

14 okt 2026 · b57a1dc29582ebc0

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingEerstelijnszorg
    Verslag van een commissiedebat, gehouden op 1 april 2026, over Eerstelijnszorg

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.