KamerkringInloggen
Kamerbrief

Rapport van de Onderzoekscommissie COR Politie

12 sep 2017 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 71ba2075d97aee21 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2016–2017 28 844Integriteitsbeleid openbaar bestuur en politie Nr. 120 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 12 september 2017 1. Inleiding Bij besluit van 23 december 2016 heeft de voormalige Minister van Veiligheid en Justitie de Commissie COR politie (hierna: de Commissie) ingesteld met als taak onderzoek te verrichten naar, een feitelijke reconstructie te geven ten aanzien van en antwoord te geven op de volgende vragen: a.wat is de betrokkenheid van de korpschef (waaronder tevens wordt verstaan de kwartiermaker nationale politie in de periode tot 1 januari 2013) in de periode van mei 2011 tot en met juni 2016 bij beslissingen ten aanzien van en het houden van toezicht op de financiën van de centrale ondernemingsraad; b.heeft de handelwijze van de korpschef inzake de financiën dan wel anderszins in zijn relatie tot de (voorzitter van de) centrale onderne-mingsraad invloed gehad op de besluitvorming c.q. advisering door de centrale ondernemingsraad en zo ja, welke; c.welke kennis en rol hadden de (voormalige) Minister van Veiligheid en Justitie en/of zijn departement ten aanzien van het onder a en b genoemde en over welke kennis behoorde de (voormalige) Minister van Veiligheid en Justitie vanuit zijn verantwoordelijkheid te beschik-ken.1 De aanbieding van het rapport van de Commissie was oorspronkelijk gepland op 27 juni jl. Enkele dagen daarvoor werd de heer Bouman getroffen door een hartstilstand. Dat was aanleiding voor de Commissie om de aanbieding van dit rapport uit te stellen tot een passender moment. 1Zie het Instellingsbesluit Commissie COR politie (Stcrt. 2017, nr. 3855, zoals aangeboden aan de Kamer middels een brief van 23 december 2016, Kamerstuk 28 844, nr. 113). Voor de aanleiding voor het instellen van deze commissie verwijs ik naar Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 3221, Kamerstuk 28 844, nr. 106, Besluitenlijst Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie van 2 november 2016, onder punt 26, Kamerstuk 28 844, nr. 107, Kamerstuk 28 844, nr. 108 en Kamerstuk 28 844, nr. 110. kst-28844-120ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2017Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 28 844, nr. 1201 Op 31 juli jl. werd het droevige bericht van het overlijden van de heer Bouman bekend. De loopbaan van de heer Bouman heeft altijd in het teken gestaan van veiligheid en rechtvaardigheid. In zijn functies bij de politie, het openbaar ministerie en bij de AIVD zette hij zich volop in voor de publieke zaak. Ook als hij in de persoonlijke sfeer moeilijke tijden doormaakte, bleef hij op zijn post. Daarvoor verdient hij groot respect. Vandaag heb ik uit handen van de heer Ruys, de voorzitter van de Commissie, het rapport ontvangen dat de Commissie heeft uitgebracht2. Ik ben de Commissie erkentelijk voor het vele werk dat zij heeft verricht en voor het rapport dat daarvan het resultaat is. Ik hecht er in dit verband op te wijzen dat binnen de politie en mijn ministerie oproepen zijn gedaan aan de medewerkers om zich te melden bij de Commissie, indien zij over informatie beschikken die relevant is voor het onderzoek. De Commissie heeft verder inzage gekregen in alle relevante gegevens. Het rapport is een bevestiging van de conclusies die de korpschef heeft getrokken naar aanleiding van het oriënterend onderzoek, waarover uw Kamer bij brief van 1 november 2016 is geïnformeerd. Het rapport van de Commissie constateert dat een cyclus van begroting en verantwoording van de COR ontbrak, de financiële controle en toezicht op uitgaven van de COR gebrekkig was en dat onvoldoende krachtig is opgetreden tegen niet-naleving van begrotingsdiscipline door de COR. De Commissie heeft geen bewijs gevonden dat het feitelijk verloop van de belangrijkste adviestrajecten van de COR (i.o.) is beïnvloed door de handelwijze van de korpschef ten aanzien van de COR-uitgaven of door de ruimhartige verstrekking van faciliteiten aan de COR. Evenmin heeft de Commissie geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat de opeenvolgende Ministers van Veiligheid en Justitie voor april 2016 op de hoogte waren van de specifieke situatie rondom de financiën van de COR. In onderstaande reactie ga ik in op de belangrijkste thema’s uit de conclusies van de Commissie: financiële controle en toezicht op de COR, de beïnvloeding van de advisering en de besluitvorming van de COR en e rol van het ministerie. Ik realiseer me dat deze thema’s op aspecten de specifieke onderzoeksopdracht van de Commissie overstijgen, maar ik zal mij in deze beleidsreactie zoveel mogelijk beperken tot het geven van een reactie op het onderzoeksrapport van de Commissie. 2. Financiële controle en toezicht op de COR Op 1 januari 2013 ging de nationale politie van start. Zoals in het bij het rapport van de Commissie gevoegde onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR) staat vermeld was op dat moment nog geen landelijke (financiële) administratie ingericht. De bemensing op de financiële functies was bij de start van de nationale politie nog niet adequaat. Naarmate de organisatie vorm kreeg, ontstond nieuwe kaderstelling die geïmplementeerd moest worden. De ADR constateert dat deze situatie in ieder geval tot en met 2016 relevant was. Tegen deze achtergrond constateert de Commissie in de periode 2013–2016 het ontbreken van een goed functionerende cyclus van begroting en verantwoording ten aanzien van de COR, waarbij budgetten jaar na jaar werden overschreden. De begroting van 2014 werd nooit formeel vastgesteld en in 2015 werd door de COR zelfs geen begroting ingediend, terwijl door het korps wel gelden werden toegekend. Begrotingen werden herhaaldelijk te laat ingediend en kenden niet altijd een voldoende onderbouwing. Verantwoordingen werden door de COR 2Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 28 844, nr. 1202 (regelmatig) niet van een toereikende toelichting voorzien. De COR werd gemaand tot soberheid, maar aan het niet-naleven van gemaakte afspraken (waaronder ook kostenoverschrijdingen) werden geen nadere consequenties verbonden. De Commissie plaatst de eigen bevindingen tegen de achtergrond van de vorming van de nationale politie. Reeds eerder is geconstateerd dat het tempo en de ambities bij het ontwerp en de vorming van de nationale politie te hoog lagen.3 De politie moest teveel tegelijkertijd doen. Niet alleen moest de voormalige korpschef één van de grootste veranderingen in de publieke sector doorvoeren, tevens moesten diverse noodzakelijke verbeteringen die uit het oude bestel, alsook noodzakelijke verbeteringen die uit nieuwe wensen voortkwamen gerealiseerd worden. Ook moesten 27 voormalige bedrijfsvoeringen worden samengebracht tot één Politiedienstencentrum (het PDC) waaronder het samenvoegen van 27 (financiële) administraties en (financiële) systemen. De korpschef heeft inmiddels maatregelen genomen naar aanleiding van de bevindingen uit het oriënterend onderzoek zodat een situatie zoals beschreven in het rapport thans niet meer kan voorkomen. In de eerste plaats zijn interne onderzoeken naar plichtsverzuim opgestart.4 In één geval is dat onderzoek afgerond. In de andere twee gevallen heeft de korpschef voorgenomen besluiten genomen die thans voor een zienswijze bij betrokkenen liggen. In één van deze onderzoeken leverde de vaststelling van het feitencomplex een vermoeden op van het plegen van strafbare feiten. Als gevolg hiervan heeft de korpschef aangifte gedaan. Dit onderzoek loopt nog. Zoals gebruikelijk doe ik geen nadere mededelingen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in een indivi-dueel geval. In de tweede plaats heeft de korpschef een interne audit gedaan naar de totstandkoming van de afspraken over faciliteiten voor de COR. Deze audit levert een aantal belangrijke inzichten op voor de verbetering van de beheerorganisatie en verduidelijking van de afspraken. In de derde plaats heeft de korpschef de procedures, taken en rollen rondom het proces van begroten, besteden en verantwoorden van de COR grondig tegen het licht laten houden en op belangrijke punten aangepast en aangescherpt. De financiële huishouding is inmiddels dusdanig op orde dat het begroten, besteden en verantwoorden van het COR-budget adequaat kan geschieden. In de vierde plaats verdient vermelding dat in opdracht van de korpschef een vergelijkend onderzoek is gedaan naar de faciliteiten van de medezeg-genschap in andere organisaties. De uitkomsten tonen aan dat de voorzieningen relatief ruimhartig zijn en worden betrokken bij de evaluatie van de ondernemingsovereenkomst. In de vijfde plaats heeft de korpschef een lid van de korpsleiding gevraagd om in samenspraak met de medezeggenschap en de politievakorgani-saties een heroriëntatie op de medezeggenschap te starten met het oog op de toekomst. 3Kamerstuk 29 628, nr. 554 en Kamerstuk 29 628, nr. 643 (bijlage met de aanbiedingsbrief van de korpschef van 20 juni 2016).4Zie Kamerstuk 28 844, nrs. 107 en 108.Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 28 844, nr. 1203 3. Geen beïnvloeding advisering of besluitvorming COR De Commissie heeft geen bewijs gevonden dat het feitelijk verloop van de belangrijkste adviestrajecten van de COR (i.o.) oneigenlijk is beïnvloed door de handelwijze van de voormalige korpschef ten aanzien van de COR-uitgaven of door de ruimhartige verstrekking van faciliteiten aan de COR en zijn voorzitter. Ook maakt het rapport inzichtelijk dat de voormalige korpschef pas achteraf kennis heeft kunnen nemen van bepaalde disproportionele uitgaven en hierover geen voorafgaande communicatie met de voormalige korpschef heeft plaatsgevonden. De Commissie oordeelt dat met betrekking tot twee feiten (het verstrekken van een lening aan en de bevordering van de voormalig voorzitter van de COR) de voormalig korpschef niet heeft voldaan aan de normen die daaraan vanuit professioneel oogpunt gesteld zou mogen worden. Ze zouden het beeld oproepen van willekeur en persoonlijke begunstiging. Zoals te doen gebruikelijk in het contact tussen bewindspersonen en uw Kamer acht ik het ook nu niet gepast nader in te gaan op het functioneren van individuele ambtenaren. 4. Rol van het ministerie Uit het rapport van de Commissie blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat de opeenvolgende Ministers van Veiligheid en Justitie voor april 2016 op de hoogte waren van de specifieke situatie rondom de financiën van de COR. Vanaf april 2016 ontving het ministerie signalen van de politievakor-ganisaties, van de huidige directeur Korpsstaf en van de huidige korpschef over de bestedingen van de COR. Op dat moment constateerde het ministerie dat de kwestie werd opgepakt door middel van het instellen van onderzoek op last van de huidige korpschef. Op een ander vlak stelt de Commissie dat het ministerie wel eerder maatregelen had kunnen en moeten treffen inzake de rolverdeling tussen de COR en de politievakorganisaties. In dit verband beschrijft het rapport dat het ministerie een meer heldere afbakening had moeten creëren tussen enerzijds de COR en anderzijds de politievakorganisaties. Mijn ministerie is zich van begin af aan bewust geweest dat de verhouding tussen de politievakorganisaties en de COR als nieuwe institutionele actor aandacht behoefde. Met de komst van de nationale politie en de intrede van één korpschef en een COR moest immers worden gekomen tot een (her)definiëring van de verhoudingen. Het ministerie heeft verschillende initiatieven genomen om de verhouding tussen de COR en de politievakorganisaties te verduidelijken. Zo vond reeds op 3 oktober 2012 een gesprek plaats tussen de voormalig voorzitter van de COR (i.o.) en mijn directoraat-generaal Politie. Twee weken na de start van de nationale politie werden twee externe begeleiders aangesteld om in april en juni 2013 met de vier partijen (ministerie, politie, COR en politievakorganisaties) bijeen te komen. Ook daarna kwamen deze vier partijen met regelmaat bijeen. In februari 2014 startte het zogeheten Vierpartijenoverleg om de hoofdlijnen van de personele reorganisatie, verder uit te werken. En in april 2014 werd gestart met het agenda-overleg CGOP5 /COR waarin meer duidelijkheid had moeten ontstaan over de taakverdeling tussen de COR en de politievakorganisaties. Daarnaast heeft de heer Borstlap, zoals ook vermeld staat in het rapport van de Commissie, eind 2016 advies gegeven wat leidde tot de instelling van een nieuw regulier overleg tussen de korpschef en de vakorganisaties over de 5Georganiseerd Overleg tussen Korps en Bonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 28 844, nr. 1204 uitvoering van afspraken die in het CGOP gemaakt zijn, te weten het Gemeenschappelijk overleg tussen korpschef en bonden, met de COR als toehoorder. Dit overleg is in april 2017 van start gegaan. 5. Afsluiting Ten slotte heeft mijn ambtsvoorganger bij brief van 8 november 2016 de Kamer gemeld dat het op dat moment niet mogelijk was het oriënterend onderzoek dat aanleiding was voor het instellen van de Commissie COR Politie (vertrouwelijk) met uw Kamer te delen aangezien het strafrechte-lijke onderzoek nog lopende was. Deze situatie is op dit moment onver-anderd, maar ik hecht er aan te benadrukken dat de Commissie alle relevante onderliggende stukken, waaronder ook dit oriënterend onderzoek, heeft kunnen betrekken bij haar onderzoek. De Minister van Veiligheid en Justitie,S.A. BlokTweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 28 844, nr. 1205

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · efd13afd7ae7b07f

14 okt 2026 · 5e2c4307ffbb4281

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.