Verzamelbrief Water t.b.v. het Commissiedebat Water van 25 juni 2026
Brontekst
Versie f22e6be200d98cef · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202627 625WaterbeleidNr. 743 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 juni 2026Nederland staat de komende jaren voor complexe opgaven in hetwaterdomein. De maatschappelijke en ruimtelijke druk op ons water-systeem neemt toe, terwijl klimaatverandering steeds nadrukkelijkerzichtbaar wordt. De zorg voor waterveiligheid blijft daarbij onverminderdvan groot belang. Tegelijkertijd vraagt de groeiende onderhouds- envervangingsopgave om forse investeringen en scherpe keuzes. U heeft op19 juni de brief over het afweegkader rond deze keuzes ontvangen, dieook betrekking heeft op de wateropgaven in relatie tot de financiëleruimte op het Deltafonds.1 In die brief wordt ingegaan op de financiëlekeuzes die het kabinet moet maken en de gevolgen daarvan voor onderandere het waterdomein.Los van die afweging staan de beschikbaarheid en kwaliteit van zoetwatersteeds verder onder druk. De vraag naar drinkwater neemt toe en hieromwordt gezocht naar nieuwe drinkwaterbronnen en naar manieren ombewuster en zuiniger om te gaan met ons drinkwatergebruik. Daarnaastvragen stoffen als PFAS in onze grote rivieren, zoals de Rijn en de Maas,nadrukkelijk aandacht. De kwaliteit van het oppervlaktewater staat onderdruk en verontreinigingen kunnen directe gevolgen hebben voor natuuren volksgezondheid.Bij het kabinet en bij maatschappelijke partners is hier volop aandachtvoor. Zo zal op 23 juni Natuurmonumenten namens een brede coalitie deKamer een petitie overhandigen. De vaste commissie IenW heeft in deprocedurevergadering van 18 juni verzocht om, vooruitlopend op deoverhandiging, een reactie op deze petitie te ontvangen2. De zorgen die inde petitie worden geuit, kwetsbare natuur, de drinkwatervoorziening,toenemende droogte en wateroverlast en de zwemwaterveiligheid zijnbekend. In de studies en gesprekken die de basis vormen voor de manier1Kamerstukken 36 800 XII, nr. 392Kamerstukken 2026Z13002/2026D30879 kst-27625-743ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7431 waarop we de komende jaren aan onze wateropgaven gaan werkenkomen deze aspecten vaak naar voren. In deze brief, samen met devoortgangsbrief KRW en het met Prinsjesdag te verschijnen Deltapro-gramma schetst het kabinet de manier waarop de komende jaren dewateropgaven worden aangepakt.Deze complexe opgaven voor het waterbeleid komen samen in hetNationaal Waterprogramma (NWP). Er wordt momenteel toegewerkt naarde opvolger, het NWP 2028–2033. Het NWP 2028–2033 beschrijft hethuidige beleid, legt de strategische keuzes voor de komende planperiodevast, programmeert de nationale wateropgaven en zet de koers uit voorde langere termijn. Daarnaast wordt het beleid vertaald in het beheer vande Rijkswateren. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor de PlanMERvan het NWP 2028–2033 en het participatieplan hebben tot 2 maart 2026ter inzage gelegen. Hierop zijn 26 zienswijzen binnengekomen, welkeworden betrokken bij het verdere proces van totstandkoming. Volgensplanning wordt het ontwerp-NWP begin 2027 aangeboden aan de Kamer.Dan start ook de zienswijzeperiode van in totaal zes maanden. Eind 2027wordt het definitieve NWP vastgesteld.Met deze brief wordt de Kamer voor het Commissiedebat Water van25 juni 2026 geïnformeerd over de stand van zaken en ontwikkelingen diebetrekking hebben op het waterdomein. Ook wordt met deze briefinvulling gegeven aan een aantal moties en toezeggingen. In de briefkomen de volgende onderwerpen aan bod:1.Waterkwaliteit2.Drinkwater3.Water en Bodem Sturend als richtinggevend principe in de NotaRuimte4.Klimaatadaptatie5.Zee6.OverigOver de onderwerpen Kaderrichtlijn Water, Ruimte voor de Rivier 2.0 ende normering van de primaire waterkeringen wordt de Kamer via apartebrieven geïnformeerd.1. Waterkwaliteit Implementatie herziene richtlijn Stedelijk AfvalwaterDe herziene Richtlijn stedelijk afvalwater is op 1 januari 2025 in werkinggetreden.3 De herziene richtlijn heeft als doel de opvang, behandeling enlozing van stedelijk afvalwater te verbeteren om het milieu en degezondheid van de mens te beschermen. Ook is een doel de broeikasgas-emissies als gevolg van de werkzaamheden bij het opvangen en debehandeling van stedelijk afvalwater te verminderen, de energiebalansvan de werkzaamheden bij het opvangen en de behandeling van stedelijkafvalwater te verbeteren, en bij te dragen aan de transitie naar eencirculaire economie. De uitvoering van de herziene richtlijn vraagt om eengrote investering in capaciteit, tijd en geld van met name gemeenten enwaterschappen. Het gaat dan onder andere om de bouw van de vierdezuiveringstrap om microverontreinigingen, zoals medicijn- en cosmetica-resten, te verwijderen. In Nederland wordt al gewerkt aan de bouw van devierde trap op rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s). Er zijn inmiddelstwaalf rwzi’s voorzien van een vierde trap waarmee microverontreini-3Richtlijn (EU) 2024/3019 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 inzakede behandeling van stedelijk afvalwater (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7432 gingen kunnen worden verwijderd4. Daarnaast is voor nog twaalf rwzi’ssubsidie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)aangevraagd voor het bouwen van een vierde trap.5 Dit bij elkaar vormteen eerste stap in het invullen van de aanzienlijke opgave vanuit deherziene Richtlijn voor de bouw van vierde trappen op grote rwzi’s enmiddelgrote rwzi’s in kwetsbare gebieden voor microverontreinigingen.De herziene richtlijn moet op 31 juli 2027 zijn omgezet in Nederlandsewet- en regelgeving. Er wordt door het Ministerie van IenW, in samen-werking met de andere betrokken ministeries en medeoverheden, gewerktaan de implementatie van de herziene richtlijn in Nederlandse wet- enregelgeving.6 De eerste prioritering ligt op het wetgevingstraject, omdatdit traject de langste doorlooptijd heeft. Daarvoor wordt een wijzigingvoorbereid van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en enkele anderewetten. Dit gaat met name om een uitbreiding van de delegatiegrond-slagen van de betreffende wetten om de inhoudelijke uitwerking verder inlagere regelgeving te kunnen doen. Daarnaast worden enkele andereinhoudelijke punten met betrekking tot de opvang van stedelijk afvalwaterop wetsniveau geregeld. Tegen de zomer zal de internetconsultatie van dewetswijziging worden opengesteld. Deze zal gedurende zes wekenworden opengesteld, zodat burger, bedrijven, medeoverheden en anderegeïnteresseerden tijd hebben om inspraak te hebben op het wetsvoorstel.Na afronding van de internetconsultatie zal het kabinet een besluit nemenover de indiening van dit voorstel bij het parlement.Toekomstscenario’s PFAS in de Rijn en MaasPFAS zijn stoffen die als ze in het milieu komen niet afbreken en bijlangdurige blootstelling schadelijk kunnen zijn voor mensen en ecosys-temen. Het kabinet zet daarom in op een vergaande vermindering van dePFAS-belasting via vier sporen: een zo breed mogelijk EuropeesPFAS-verbod, het stimuleren van alternatieven, het minimaliseren vanemissies, en het zo veel mogelijk voorkomen van blootstelling. Hetmeerjarig PFAS-onderzoeksprogramma van het RIVM vormt eenbelangrijk fundament van dit laatste spoor. De Kamer is hier op meerderemomenten over geïnformeerd.7In het kader van dit onderzoeksprogramma heeft het RIVM met eenrekenmodel de toekomstige PFAS-belasting geschat van de Rijn en Maas.Dit met het oog op de benodigde toekomstige zuiveringsinspanning vandrinkwaterbedrijven die water uit deze rivieren winnen. De resultatenlaten zien dat bij een volledige PFAS-restrictie, zonder uitzonderingen, hettot dertig jaar kan duren voordat de concentraties van de tien meestvoorkomende PFAS in de Rijn en de Maas voldoende zijn gedaald omextra zuiveringsmaatregelen overbodig te maken. Dit rapport zit alsbijlage bij deze brief. Bij invoering van uitzonderingen op dePFAS-restrictie loopt deze periode op tot veertig jaar.De conclusies van het RIVM in deze verkennende analyse sluiten aan bijde eerder met de Kamer gedeelde bevindingen over de zuiveringsinspan-ningen die van drinkwaterbedrijven worden verwacht om de hoeveelheidPFAS in drinkwater te verminderen.8 De resultaten benadrukken ook denoodzaak van de Nederlandse inzet op bronaanpak via een EuropesePFAS-restrictie, zoals benoemd in het regeerakkoord. De resultaten4Kamerstukken 27 625, nr. 717.5Stcrt. 2025, nr. 356186Kamerstukken 27 625, nr. 735.7Zie o.a. Kamerstukken 35 334, nrs. 258 en 35 334, nrs. 4218Kamerstuk 35 334, nr. 407Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7433 onderstrepen daarnaast het belang van een blijvende grote inzet opbilaterale afstemming en inzet in de Internationale Maascommissie en deInternationale Commissie ter Bescherming van de Rijn om PFAS-emissiesterug te dringen. De herziene richtlijn Prioritaire Stoffen die recent vankracht is geworden is daar ondersteunend bij.9Beleidsevaluatie Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW)De Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) heeft de ambitie omtot 2050 diverse maatregelen te treffen die gericht zijn op het verbeterenvan de ecologische kwaliteit van de grote wateren, het bevorderen vaneen stabiel en samenhangend ecologisch netwerk en het creëren vanruimte voor sociaaleconomische ontwikkeling. De PAGW is van startgegaan in 2018 en inmiddels zijn er drie tranches van maatregelen inuitvoering. Het programma wordt beleidsmatig getrokken door IenW enLVVN, en uitgevoerd door Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en deRijksdienst voor Ondernemend Nederland en regionale partners.De eerste beleidsevaluatie van de Programmatische Aanpak GroteWateren (PAGW) is bijgevoegd bij deze brief als bijlage. Deze evaluatielaat het belang en de urgentie van het programma zien voor het toekomst-bestendig maken van de grote wateren. De evaluatie bevat vijf aanbeve-lingen gericht op het aanscherpen van doelstellingen, het versterken vande sturing en monitoring en het verbeteren van de samenhang tussenambitie, middelen en uitvoering. Inmiddels heeft de PAGW-coördinatie aleen slag gemaakt in de beheersing van de programmatische aanpak. Er iseen aantal stappen al in gang gezet, zoals een meer realistische program-mering.De uitkomsten van de beleidsevaluatie worden betrokken bij deuitwerking van de vervolgstrategie van de PAGW voor de periode2034–2039, met nadruk op effectiviteit (doelbereik en ambitieniveau) enuitvoerbaarheid. Begin 2027 wordt de Kamer hierover geïnformeerd,inclusief uitwerking van de vervolgstappen.Getij GrevelingenDoor de aanleg van de Brouwersdam, als onderdeel van de Deltawerkenna de ramp van 1953, verdween het getij op de Grevelingen en daarmeeverviel de tweemaal daagse dynamiek van eb en vloed en verversing vande Grevelingen met zuurstofrijk Noordzeewater. In samenhang met ondermeer hogere watertemperaturen door de klimaatverandering kampt hetmeer met gestaag toenemende problemen door zuurstofloosheid. Degevolgen manifesteren zich vooral in de zomer en uiten zich in eenverslechtering van niet alleen de ecologische kwaliteit, maar raken indirectook de regionale economie (schelpdiersector, recreatie en toerisme) enhet woon- en leefmilieu.Uit afsluitend onderzoek van de Taskforce Getij Grevelingen bleek in 2023dat het terugbrengen van een mate van getijslag (door de aanleg van eennieuw doorlaatmiddel in de Brouwersdam), de enige mogelijkheid is omde ecologische achteruitgang onder en boven water in de Grevelingenaan te pakken. In 2024 is het project gepauzeerd vanwege het ontbrekenvan voldoende budget voor het vervolg. In 2025 is door Rijkswaterstaateen aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de kosten en effecten op dewaterkwaliteit, natuur en economie van eenzelfde getijvariant met 40 cmgetij, maar waarbij is uitgegaan van een hoger maximumpeil in deGrevelingen dan tijdens het onderzoek van de Taskforce was voorzien. De9Richtlijn (EU) 2026/805 van 30 maart 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7434 Kamer treft dit aanvullende onderzoek aan als bijlage bij deze brief.10Hierdoor kan het doorlaatmiddel fors kleiner worden aangelegd daneerder berekend. Het onderzoek is inmiddels afgerond en laat zien datuitgaan van een hoger maximumpeil zorgt voor een hoger doelbereikvoor waterkwaliteit en natuur ten opzichte van eerder beschouwdevarianten en een ingeschatte verlaging van de totaalkosten. De kostenvoor realisatie zijn indicatief € 550 miljoen (prijspeil 2025), inclusief dedaarbij benodigde natuur- en infrastructuurmaatregelen gebaseerd op dehuidige N2000-doelen en exclusief beheer en onderhoud. De mogelijkheidvoor bekostiging van Getij Grevelingen wordt meegenomen in deprioriteringsopgave, in het bijzonder in relatie met de natuurherstelveror-dening.2. Drinkwater Voortgang Actieprogramma Beschikbaarheid DrinkwaterbronnenOm ervoor te zorgen dat de drinkwaterbedrijven in 2030 aan de voorzienedrinkwatervraag kunnen voldoen, is op 13 januari 2025 het Actiepro-gramma Beschikbaarheid Drinkwaterbronnen 2023–2030 gelanceerd.11Het Actieprogramma is een gezamenlijk programma van de drinkwaterbe-drijven, provincies en IenW en heeft als doel om in 2030 ruim 100 miljoenm3 per jaar aanvullende productiecapaciteit voor drinkwater te hebben, inlijn met de eerdere aanbeveling van het RIVM.12 In het Bestuurlijk Overleg(BO) Water van 9 april jl. is de voortgang van het Actieprogrammabesproken.De belangrijkste conclusie is dat met de uitvoering door de drinkwaterbe-drijven en de provincies van de ruim 50 regionale actieplannen er in 2025meer dan 18 miljoen m3 per jaar aan aanvullende productiecapaciteit isgerealiseerd. De drinkwaterbedrijven en provincies verwachten dat demeeste aanvullende productiecapaciteit in de periode 2028–2030opgeleverd zal gaan worden. Het programma heeft regionaal geleid toteen nauwere samenwerking tussen drinkwaterbedrijven en provincies bijhet uitvoeren van projecten.Tijdens het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 is de toezegginggedaan aan het lid Boelsma-Hoekstra om de Kamer nader te informerenover de mogelijkheden die er zijn voor het inperken van bezwaarproce-dures bij drinkwaterwinning.13Bij de uitvoering van het Actieprogramma is op dit moment sprake vanéén project waarbij bezwaar is gemaakt tegen de bouwvergunning vooreen uitbreidingsproject. Er is dan ook geen aanleiding voor specifiekeprocedures voor drinkwaterwinning, aanvullend op de reguliere proce-dures en versnellingsmogelijkheden die de Omgevingswet nu al geeft. Zodoen de drinkwaterbedrijven, provincies en gemeenten nu op meerdereplekken ervaring op met het nemen van een projectbesluit voor derealisatie van grote projecten. Het projectbesluit biedt de mogelijkheid totversnelling van de uitvoering van projecten.De contouren voor de drinkwatervraag voor de periode tussen 2030 en2050 beginnen zich af te tekenen.14 Binnen de diverse scenario’s moetrekening gehouden worden met een verdere groei, onder andere als10Kiezen voor systeemherstel? Addendum Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen11Kamerstukken 27 625, nr. 69712Kamerstukken 27 625, nr. 62213TZ202602–02014https://www.h2owaternetwerk.nl/vakartikelen/hoeveel-water-voo-later-toekomstscenarios-voor-de-drinkwatervraag-in-2050Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7435 gevolg van nieuwe woningbouw vanuit de Taskforce VersnellenWoningbouw. Daarom werken we ook aan een perspectief en strategievoor de beschikbaarheid van voldoende drinkwater voor de langeretermijn na 2030. De hoofdlijnen daarvan worden opgenomen in hetNationaal Waterprogramma 2028–2033.Herijking Nationaal Plan van Aanpak DrinkwaterbesparingNaast het vergroten van het aanbod van drinkwater werken we met deuitvoering van het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing ookaan het terugdringen van de vraag naar drinkwater.15 Vanaf 12 juni kunt ude eerste beelden van de nationale publiekscampagne zien.16Met twee jaar uitvoering achter de rug is de afgelopen maanden samenmet de stakeholders gewerkt aan de herijking van het Nationaal Plan vanAanpak Drinkwaterbesparing.17 Op basis van de resultaten van de eersteplanperiode en de monitoring van het drinkwatergebruik is het maatregel-pakket aangescherpt en aangevuld voor de beleidsinstrumenten commu-niceren, stimuleren en reguleren. Met de Algemene Rekenkamer isgekeken hoe het bepalen van de effectiviteit van het beleid en demonitoring daarvan beter kan worden vormgegeven.Om effectieve maatregelen te kunnen inzetten voor drinkwaterbesparing,is inzicht nodig in hoe het drinkwatergebruik zich verdeelt over verschil-lende economische sectoren, huishoudens en de personen binnen diehuishoudens. IenW heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)verzocht te onderzoeken hoeveel drinkwater wordt gebruikt binnen deNederlandse samenleving en door wie. In dit rapport wordt het waterge-bruik door huishoudens, de personen in die huishoudens en doorbedrijven beschreven.18 In 2022 gebruikten huishoudens gemiddeld 263liter drinkwater per huishouden per dag, wat neerkomt op 125 literdrinkwater per persoon per dag. Het totale drinkwatergebruik van allehuishoudens in 2022 was 782 miljoen m3. Economische sectoren,waaronder landbouw, industrie en dienstverlening, gebruikten in datzelfdejaar gezamenlijk 344 miljoen m3 drinkwater. Deze informatie wordtgebruikt om het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing bij testuren.De uitkomsten van dit traject worden momenteel verwerkt in eenaddendum op het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. Ditherijkte plan wordt begin juli aangeboden voor bestuurlijke besluit-vorming en zal na vaststelling met de Kamer worden gedeeld. Op datmoment wordt de Kamer ook inhoudelijk nader geïnformeerd over demotie van het lid Kostic´ die de regering verzoekt om uiterlijk in de zomermet een voorstel te komen waarmee aantoonbaar voldoende waterbe-sparing wordt gerealiseerd om de waterbeschikbaarheid in Nederland oppeil te houden.1915Kamerstukken 27 625, nr. 738.16https://www.levenmetwater.nl/17Kamerstukken 27 625, nr. 67118https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2026/18/drinkwatergebruik-nederland-2018-202219Kamerstukken 36 800 J, nr. 24Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7436 Rapport Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur over de toekomstvan de drinkwatervoorzieningOp 30 april 2026 heeft de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur(RLI) een advies aangeboden over de toekomst van ons drinkwater alsgezamenlijke opgave.20 De RLI concludeert dat de drinkwatervoorzieningop de langere termijn onder toenemende druk komt te staan. Om ook opde lange termijn verzekerd te zijn van voldoende, schoon en betaalbaardrinkwater adviseert de RLI om nu in te grijpen in het zoetwatersysteem,extra ruimte te vinden voor de drinkwatervoorziening en moetenoverheden veel daadkrachtiger invulling geven aan hun verantwoorde-lijkheid voor het drinkwater. In het najaar ontvangt de Kamer eenuitgebreidere beleidsreactie op het advies van de RLI.3. Water en Bodem Sturend als richtinggevend principe in de NotaRuimte Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijkeordening, die goed verbonden zijn met het water- en bodemsysteem, vangroot belang. De functies moeten aansluiten bij de natuurlijke kenmerkenvan het water- en bodemsysteem. Dat doen we bijvoorbeeld bij locatie-keuze en inrichting bij het bouwen van woonwijken en bedrijventerreinen,om te voorkomen dat nieuwe bebouwing op termijn gaat verzakken of eengroot risico kent op wateroverlast en -schade. Het ruimtelijk afwegings-kader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de maatlat klimaatadap-tieve gebouwde omgeving helpen daarbij als ondersteunende instru-menten. Deze inzet kan rekenen op de steun van veel partijen zoalsverzekeraars, financiële instellingen, projectontwikkelaars en decentraleoverheden, en is ook in lijn met adviezen van onder meer de Raad voorleefomgeving en infrastructuur (Rli) en de Wetenschappelijke Klimaatraad(WKR).Door water en bodem sturend als richtinggevend principe te hanteren inde Nota Ruimte maken we verstandige keuzes in de ruimtelijke ordeningen inrichting, en voorkomen we dat volgende generaties wordenopgezadeld met hoge kosten en schade. De Kamer ontving hier recent ookeen brief over van de Minister van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening.21Traditioneel zijn we er goed in om water zo snel mogelijk af te voeren naarde zee. Door het veranderende klimaat zullen we water veel meer moetenvasthouden (waterbeschikbaarheid en wateroverlast) en onze bodemweer gezond maken. Maatregelen om water af te voeren en vast tehouden en de bodem te verbeteren moeten elkaar versterken en bijdragenaan een ecologisch robuuste inrichting die toekomstbestendig is engebruik op lange termijn mogelijk maakt. Ook geldt dat we niet meerenkel naar het watersysteem kijken voor oplossingen, maar dat we in degehele ordening ruimte maken voor duurzame oplossingen. De combi-natie van deze maatregelen is een van de grote uitdagingen voor dekomende jaren. Belangrijke richtingen en uitgangspunten voor detoekomst om water en bodem sturend als richtinggevend principe tehanteren zijn:–Watersysteem robuuster en toekomstbestendig maken door meer aante sluiten bij natuurlijke systeemwerking en optimalisatie huidigesysteem. Bijvoorbeeld door voldoende ruimte te reserveren voor derivieren om de afvoer- en bergingscapaciteit te kunnen vergroten, eneen goede balans te vinden tussen het hoofdwatersysteem en deregionale watersystemen;20https://www.rli.nl/publicaties/2026/advies/zorg-voor-water21Kamerstukken 29 435, nr. 320Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7437 –Ruimtelijke functies in een duurzame relatie met de huidige entoekomstige condities van het water- en bodemsysteem. In deOntwerp-Nota Ruimte staat bijvoorbeeld dat nieuwe grote watervra-gers niet worden gepland op locaties waar op lange termijn dezoetwaterbeschikbaarheid niet kan worden gegarandeerd;–Zo veel mogelijk voorkomen van afwentelen op toekomstige genera-ties, niet van privaat naar publiek en niet van regionaal naar nationaal;–Meer rekening houden met extremen. Bijvoorbeeld ruimte houdenvoor het opvangen en bergen van een teveel aan water in hetIJsselmeer en Markermeer;–In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en bodem;–Meerlaagse veiligheid: integrale aanpak van waterveiligheid met oogvoor preventie en ruimtelijke inrichting;–Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen;–Integrale en meer gebiedsgerichte aanpak in de leefomgeving. Wezetten gebiedskenmerken centraal en bevorderen kansen voormeervoudig ruimtegebruik, zoals het verbinden van natuurontwikkelin-gen aan maatregelen binnen het water- en bodemsysteem metbijvoorbeeld groenblauwe dooradering.–Water en bodem sturend als richtinggevend principe is een belangrijkafwegingskader, maar vormt geen zelfstandig uitsluitingscriteriumvoor ruimtelijke ontwikkelingen. In alle gevallen blijft een integralebestuurlijke belangenafweging leidend.In de Ontwerp-Nota Ruimte zijn al veel ruimtelijke keuzes gemaakt dieinvulling geven aan deze richtingen. Voorbeelden hiervan zijn het nietbouwen in de uiterwaarden, het benoemen van het IJsselmeergebied enhet Volkerak-Zoommeer als nationale waterbergingsgebieden, hetregionaal meer ruimte maken voor het vasthouden en bergen van zoveelmogelijk water, en bij het plannen en het inrichten van de fysiekeleefomgeving systematisch rekening houden met het veranderendeklimaat. Water en bodem sturend is niet alleen een richtinggevendprincipe voor de Rijksoverheid. Veel provincies en gemeenten hebben hettot uitgangspunt gemaakt voor de ruimtelijke plannen, waar zij aanwerken. Daar zijn goede voorbeelden van te vinden in de ruimtelijkevoorstellen, zoals in het NOVEX-gebied Regio Zwolle waar het zoekennaar nieuwe woningbouwlocaties hand in hand gaat met het versterkenvan de sponswerking van de bodem. Een ander goed voorbeeld zijn dewoningbouwplannen voor de Gnephoek bij Alphen aan den Rijn waar5.500 woningen komen, ingetekend op basis van de kenmerken van hetlokale water- en bodemsysteem. Vergelijkbare voorbeelden zijn nieuweplannen als de binnendijkse ontwikkeling van Almere Pampus en OssAmstelwijk maar ook herinrichting van bestaande wijken zoals De Pas inWinterswijk.Water en bodem sturend als richtinggevend principe genereertverstandige ruimtelijke afwegingen en houdbare keuzes voor detoekomst. Het richtinggevende principe water en bodem sturend betekentook een vroegtijdige betrokkenheid van waterbeheerders bij diverseruimtelijke keuzes zodat het waterbelang van meet af aan adequaat wordtmeegewogen. Door zo met elkaar op te trekken als overheden wordtvoorkomen dat we verkeerde keuzes maken en in latere instantie plannenmoeten worden bijgesteld of hoge kosten aan de orde zijn. Daarbij is eenlangetermijnperspectief essentieel. Veel ruimtelijke keuzes gaan decenniaof langer mee, en laten zich nadien lastig corrigeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7438 4. Klimaatadaptatie Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS)Op 29 mei heeft het kabinet de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestra-tegie 2026 (Ontwerp-NAS’26) vastgesteld en is deze aan de Kameraangeboden. Voor meer informatie wordt verwezen naar die Kamerbriefen de bijbehorende stukken.22Nationale Aanpak WateroverlastDoor klimaatverandering neemt de kans op extreme neerslag toe. Op dekortere termijn gaat dit bijvoorbeeld om het ’s zomers vaker optreden vanhoosbuien, en in de winter om toename van periodes met langdurigeregenval. In de Wateroverlastbrief van oktober jl. is aangekondigd dat wewerken aan een Nationale Aanpak Wateroverlast (NAW) om deweerbaarheid en veerkracht van Nederland bij wateroverlast doorextreme regen te vergroten. Deze NAW zal voor het einde van het jaarworden verstuurd aan de Kamer. In deze NAW worden ook de nog nietafgeronde acties uit de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater verwerkt.In het BO Water van 9 april jl. is besloten om de Beleidstafel af te rondenmet het opleveren van de vijfde voortgangsrapportage. Als bijlage bijdeze brief treft u deze voortgangsrapportage aan.23 Van de 80 acties zijn er50 afgerond (inclusief 19 acties uit het eerste advies van de Beleidstafel),19 opgenomen in andere programma’s, en worden dus 11 nog nietafgeronde acties verwerkt in de NAW.In de NAW zal onder andere worden ingegaan op de normen voorwateroverlast. De provincie stelt de regionale wateroverlast normen vast.Deze zijn gericht op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomenof beperken van wateroverlast. De gemiddelde overstromingskans kanverschillen van bijvoorbeeld 1 keer per 100 jaar voor bebouwd gebied, tot1 keer per 10 jaar voor grasland. De huidige regionale normeringwateroverlast stamt uit 2006 en heeft geleid tot investeringen in hetregionaal watersysteem en betere preventie tegen wateroverlast. Denormering kent echter ook een aantal beperkingen. De kosten vantechnische maatregelen om wateroverlast te voorkomen wegen niet altijdop tegen de vermeden schade. Ook zijn de grenzen van de mogelijkhedenvoor het aanpassen van water- en bodemsysteem in veel gebiedenbereikt. Verdere maatregelen om aan de wateroverlast norm te voldoenkan bijvoorbeeld negatieve effecten hebben op de aanpak van droogte ofhet remmen van bodemdaling. Vandaar dat het Interprovinciaal Overleg(IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en IenW de regionale normeringwateroverlast willen omvormen naar een meer risicogerichte en gebieds-specifieke normering.In de eerste stap wordt toegewerkt naar een toekomstbestendigenormenkaart voor wateroverlast met zichtjaar 2040. Bij de uitwerkingwordt de normering wateroverlast voor specifieke gebieden herover-wogen. Daarbij wordt in bepaalde gebieden de expliciete koppelingtussen type landgebruik en normering losgelaten. Het gaat dan met nameom de ongebouwde delen van het veenweidegebied, van beekdalen envan overgangsgebieden rond grondwaterafhankelijke Natura2000-gebieden. Ook maken we (als uitwerking van de Woontopafspraken)een nationale norm voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in bebouwdgebied om te kunnen omgaan met korte hevige buien die vaker zullenvoorkomen en met langduriger aanhoudende buien (herhalingstijd van22Kamerstukken 31 793, nr. 30123Bijlage «Voortgangsrapportage Beleidstafel wateroverlast en hoogwater».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 7439 eens in de 100 jaar). Deze norm is gericht op het voorkomen vanwateroverlast die lokaal in een gebied optreedt, op het niveau van eenstraat of wijk. We onderzoeken een bui van 1 uur met 70 mm neerslag eneen bui van 24 uur met 120 mm neerslag, waarbij differentie tussenbinnen en buitenstedelijke ontwikkelingen wordt bekeken. De uitwerkingen vaststelling van de inhoud volgt een zorgvuldig proces.Waterrobuust herstelAls uitwerking van één van de aanbevelingen van de Beleidstafelwateroverlast en hoogwater, heeft IenW onderzocht waarom verzekerdeschade tot dusver niet of nauwelijks waterrobuust hersteld wordt.24Waterrobuust is het herstellen van schade zodat de kans op toekomstigeschade wordt verkleind. Voorbeelden hiervan zijn: verplaatsen vaninstallaties zoals een CV-ketel van de kelder naar de zolder, het ophogenvan stopcontacten of het vervangen van houten vloeren door tegel-vloeren. Het onderzoek heeft drie veronderstelde obstakels van waterro-buust herstel geïdentificeerd en onderzocht; indemniteitsbeginsel,ontbreken van een business case en mededinging:1.Het indemniteitsbeginsel stelt dat een verzekerde geen vergoedingmag ontvangen waardoor die in een duidelijk voordeliger positiekomt. Op basis van een juridische analyse concludeert het onderzoekdat het indemniteitsbeginsel onder bepaalde voorwaarden weldegelijk ruimte laat voor waterrobuust herstel door verzekeraars.2.Er heerst voor individuele verzekeraars onzekerheid over de businesscase van waterrobuust herstel. De eerste resultaten laten nog geenpositieve business case zien voor de individuele verzekeraar. Deverzekeringssector voert momenteel zelf een onderzoek uit om ditverder te onderzoeken.3.Het mededingingsrecht bepaalt dat verzekeraars geen onderlingeafspraken mogen maken over zaken die «concurrentieel» zijn, zoalspolisvoorwaarden en andere zaken die potentieel impact kunnenhebben op de premiestelling van schadeverzekeringen. Verzekeraarszagen daarom geen ruimte tot (sectorbrede) opschaling vanwaterrobuust herstel via afspraken, wat tot een positievere businesscase leidt. Dit onderzoek laat zien dat deze samenwerkingsbeperkingniet zo absoluut is als verondersteld werd. Uit gesprekken blijkt datde Autoriteit Consument en Markt (ACM) welwillend staat tegenoverafspraken die goed zijn vanuit een duurzaamheidsoogpunt. Eenofficiële mededingingstoets is nog niet uitgevoerd door de ACM.De resultaten van dit onderzoek leiden ertoe dat er op twee punten verderontwikkeling zal plaatsvinden. Het Verbond van Verzekeraars zal eenonderzoek uitvoeren naar de business case voor waterrobuust herstel metals mogelijk resultaat dat verzekeraars individueel een verzekerings-product kunnen ontwikkelen. Mocht dit leiden tot een negatieve businesscase, dan is het nodig om een mededingingstoets door de ACM te latenuitvoeren.Leven met WaterHet tegengaan van wateroverlast door extreme regen en de gevolgendaarvan, vraagt niet alleen om actie van de verschillende overheden,maar ook van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. In juni2025 is het programma Leven met Water gestart, dat als doel heeft hetstimuleren van waterbewust gedrag onder Nederlanders. Leven metWater richt zich op vier wateropgaven: voorkomen van watertekort,24https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/16/waterrobuust-herstel-door-verzekeraarsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 74310 verminderen van wateroverlast, voorbereiden op wateroverlast enverbeteren van waterkwaliteit.Als onderdeel van de opgave «voorbereiden op wateroverlast» wordtgewerkt aan de landelijke aanpak waterweerbaarheid bij wateroverlast,zoals aangekondigd in de Wateroverlastbrief van 30 oktober 2025.25 Dezelandelijke aanpak richt zich op het faciliteren van gemeenten in hetuitvoeren van gedragsinterventies. Op basis van gedragsonderzoekworden er doelgedragingen geselecteerd en interventies ontwikkeld, dieonderdeel uitmaken van de aanpak, waarvoor recent een onderzoek isafgerond.26 Eén van de ambities is om te komen tot een website of anderinstrument waarop alle inwoners en bedrijven in Nederland, op basis vanpostcode en huisnummer, kunnen zien hoe groot de kans is op water-overlast als gevolg van extreme regenval. Vervolgens kunnen hande-lingsperspectieven in de vorm van maatregelen worden gepresenteerddie genomen kunnen worden vóór, tijdens en na wateroverlast. Hiermeewordt invulling gegeven aan de motie van het lid Bromet die is aange-nomen naar aanleiding van het wetgevingsoverleg van 2 februari 2026,waarin de regering wordt verzocht om burgers individueel, per adres ofpostcode praktisch en duidelijk te instrueren over wat hun risico’s zijn enwat ze moeten doen bij een ramp, zoals een overstroming.27 De volledigereactie op de motie ontvangt u in het derde kwartaal van 2026.Toepassen Landelijke maatlat in bestaand bebouwd gebiedDe Landelijke Maatlat voor een Groene Klimaatadaptieve GebouwdeOmgeving (de Maatlat) is een belangrijk instrument voor het realiserenvan een duurzame toekomst in Nederland. De Maatlat, ontwikkeld door deMinisteries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK),Infrastructuur en Waterstaat (IenW), en Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur (LVVN), biedt een uniform referentiekader voorklimaatadaptief bouwen en inrichten. De noodzaak om bestaand bebouwdgebied klimaatbestendig te maken is groot en complex. Het grootste deelvan het bebouwd gebied is bijna een kwart van het Nederlandse landop-pervlak. Daarnaast begint een buitenstedelijke ruimtelijke ontwikkelingmet een nieuw ontwerp waarin alle functies en structuren nog aangelegdmoeten worden, terwijl deze bij de bestaande bebouwd omgeving alaanwezig zijn.In het onderzoek Toepassen van de Maatlat is daarom bekeken inhoeverre de Maatlat, opgesteld voor nieuwbouw, ook een leidraad kan zijnvoor de herontwikkeling, beheer of onderhoud om het bestaandebebouwde gebied klimaatadaptief te maken.28 Uit het onderzoek blijkt datde Maatlat toepasbaar is voor het analyseren van de huidige situatie enook bruikbaar is om de opgave te definiëren. Gebiedsspecifiekekenmerken bepalen daarbij of alle normen en richtlijnen haalbaar zijn.Decentrale overheden kunnen de Maatlat zelf als referentiekader benutten.Het kan bijvoorbeeld worden meegenomen in het proces van stresstestenen risicodialogen van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. Het Rijk neemtde relevante onderdelen uit de Maatlat ook op in de herijking van deHandreiking Groen in en om de Stad (GIOS). Deze is ook toepasbaar voorde bestaande gebouwde omgeving. Daarnaast werkt het Rijk aan deverdere uitwerking van een maatlat voor de bestaande gebouwdeomgeving, hierbij wordt dit onderzoek meegenomen. De Kamer wordtvóór de zomer van 2027 geïnformeerd over de voortgang.25Kamerstukken 27 625, nr. 72126https://open.overheid.nl/details/c60d49d3-9c64-4898-a587-9e9bcb42bb0027Kamerstuk 36 800 J, nr. 2228https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/06/11/onderzoek-toepassen-landelijke-maatlat-in-bestaand-bebouwd-gebiedTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 74311 5. Zee Zienswijze Monitoringprogramma Mariene StrategieDe Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) verplicht lidstaten omhun zeeën schoner en gezonder te maken. Nederland heeft daarom voorhet Nederlandse deel van de Noordzee een Mariene Strategie opgesteld.De Mariene Strategie bestaat uit 3 delen, die elke 6 jaar worden geactuali-seerd. Deel II is het KRM-monitoringprogramma waarin de monitoring istoegelicht die Nederland uitvoert om de milieutoestand te beoordelen envolgen. Het Ontwerp Monitoringprogramma 2026 van de KaderrichtlijnMariene Strategie (KRM) is recent door het kabinet vastgesteld en ligt van10 juni tot en met 21 juli ter inzage voor eenieder via een openbarezienswijzeprocedure.29Voortgang Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI)Binnen het «Greater North Sea Basin Initiative» (GNSBI) werken Noord-zeelanden verder aan een betere samenwerking op het gebied vanmaritieme ruimtelijke planning, energie, visserij n natuur. Nederland enFrankrijk zijn op dit moment nog steeds voorzitter.Zo faciliteert op dit moment GNSBI een vroegtijdige sector- en grensover-schrijdende dialoog over maritieme ruimtelijke planning (MRP) en hetversterken van de regionale samenwerking op het gebied van Cumula-tieve Impact Assessments (CIA). Daarnaast werkt GNSBI momenteel aande ontwikkeling van een digitaal platform voor het delen van kennis eninformatie ter ondersteuning van deze vroegtijdige dialoog, zoalskaartontwikkeling en onderzoek naar natuur, visserij en medegebruik.GNSBI zet in op communicatie en betrokkenheid van stakeholders, zoalsmet de eerste stakeholderbijeenkomst in Brussel op 4 juni 2026.30Vervuiling van de Nederlandse Caribische ZeeTer uitvoering van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland2020–2030 (NMBP) en in het kader van de beheertaak van het Rijk voor deCaribische Zee onder de wet maritiem beheer BES, is een monitoringspro-gramma voor de zeewaterkwaliteit in Caribisch Nederland opgezet. Hetdoel van het monitoringsprogramma is om de soort, mate en herkomstvan vervuiling van de Caribische Zee in beeld te krijgen, en op basishiervan doeltreffende maatregelen te nemen. Op 3 juni 2026 is de eersterapportage van deze monitoring verschenen.31 In de procedureverga-dering van 18 juni jl. is door de vaste commissie IenW gevraagd om eenreactie hierop te ontvangen.32In antwoord daarop kan ik aangeven dat de precieze uitkomstenverschillen per eiland maar over het algemeen is er bij elk eiland sprakevan te veel stikstof in de zee, wat slecht is voor koraalriffen. Daarnaast zijner bij elk van de eilanden verschillende soorten chemische vervuilinggevonden. De slechte zeewaterkwaliteit kan in verband gebracht wordenmet activiteiten op land, zoals afval- en afvalwaterverwerking, olieter-minals, loslopend vee en havenactiviteiten. In Caribisch Nederlandbestaan geen wettelijke waterkwaliteitsnormen voor het mariene milieu,omdat de Europese Kaderrichtlijn Marien hier niet geldt. De resultaten uit29https://www.platformparticipatie.nl/marienestrategie-230https://maritime-forum.ec.europa.eu/theme/eu-sea-basin-strategies/greater-north-sea-basin-initiative-gnsbi_en31https://research.wur.nl/en/publications/integrated-water-quality-and-contaminant-assessment-of-near-shore/322026Z13373/2026D30900Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 74312 het onderzoek kunnen helpen om eventueel dergelijke normen voor deCaribische Zee op te stellen, zoals ook is voorgenomen in het NMBP.Verder kunnen met deze resultaten andere effectieve maatregelengeprioriteerd worden in fase 2 van het NMBP, zoals verzocht in de motievan de leden Boomsma en Grinwis, en in het vormgeven van maatregelenter verbetering van de situatie rondom de afvalstort op Bonaire, die nabijde kust ligt.33, 34 De Kamer wordt later dit jaar geïnformeerd over fase 2van het NMBP.Het OceaanverdragHet lid Kostic´ diende op 21 januari jl. twee moties in over de «BiodiversityBeyond National Jurisdiction (BBNJ)»-overeenkomst, ook wel hetOceaanverdrag genoemd, welke zijn aangenomen.35, 36 De Ministeries vanIenW, LVVN en Buitenlandse Zaken werken sinds begin 2024 aan degoedkeuring en implementatie van de BBNJ-overeenkomst voorNederland. Dit wordt, in overeenstemming met de eerste motie, zo snelmogelijk gedaan. Vanwege uiteenlopende onderwerpen in de overeen-komst en de verschillende uitvoeringsorganisaties die betrokken moetenworden is dit een complex proces. Daarnaast gaat deze overeenkomstover gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht. Voor diedelen van de oceaan is nog geen regelgeving in Nederland waarbijaangesloten kan worden. Een geheel nieuwe wet moet worden ontwikkeldvoor Nederland, inclusief Caribisch Nederland, en dat kost tijd.De verantwoordelijke ministeries zijn momenteel de uitvoeringswetgevingaan het afronden voor de internetconsultatie. Deze wordt binnenkortopgestart, met als streven rond de zomer dit jaar. Daarna moet hetreguliere wetgevingsproces doorlopen worden. Dit proces is nadertoegelicht in de Kamerbrief van 16 juli 2025.37 Dit wetgevingsproces kananderhalf tot twee jaar duren. Tegelijkertijd wordt gekeken naar mogelijk-heden om het reguliere wetgevingsproces te versnellen, zodat Nederlandals verdragspartij bij de BBNJ-overeenkomst kan deelnemen aan deeerste Vergadering van de Verdragspartijen (BBNJ Conference of theParties (COP)). Deze zal plaatsvinden van 11 t/m 22 januari 2027.Ongeacht of dit lukt zal Nederland zich ervoor inzetten om bij de eersteBBNJ COP concrete en ambitieuze beschermingsmaatregelen voor hetmariene milieu en de mariene biodiversiteit te realiseren, in overeen-stemming met de tweede motie. De Kamer zal in aanloop naar de COPover deze inzet geïnformeerd worden. Intussen neemt Nederland deel aanbijeenkomsten waar dergelijke beschermings-maatregelen wordenbesproken, zoals van het «BBNJ First Movers Initiative».38 Deze groeplanden werkt aan het ontwikkelen van de eerste BBNJ-beschermdemariene gebieden.33Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 5534Kamerstuk 22 343, nr. 45235Op 19 juni 2023 te New York tot stand gekomen Overeenkomst in het kader van het Verdragvan de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzamegebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van denationale rechtsmacht (Biodiversity Beyond National Jurisdiction; hierna:BBNJ-overeenkomst).36Kamerstukken 21 501–32, nrs. 1750 en 21 501–32, nrs. 1751.37Kamerstukken 30 196, nr. 851.38Het «BBNJ First Movers Initiative» wordt geleid door Chili. Andere leden zijn België, hetVerenigd Koninkrijk, de Filippijnen, Frankrijk, Palau, Australië, Canada, Costa Rica, Duitsland,Nigeria, Micronesië, de Seychellen en de Europese Unie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 74313 World Ocean AssessmentOp 8 juni 2026 is het derde «World Ocean Assessment» gepubliceerd.39 Indit VN-rapport wordt de staat en het gebruik van de zeeën en oceanenwereldwijd geëvalueerd. Dit rapport benadrukt het belang van de oceaanen zee voor Nederland en de wereld. Het rapport schetst de samenhangtussen verschillende onderdelen van zee- en oceaanbeleid. Ook biedt hetrapport handelingsperspectieven om zee- en oceaanbeleid te versterkenof te actualiseren. Zo waarschuwt het rapport onder andere voortoenemende plasticvervuiling en nieuwe soorten vervuiling, zoals PFASen medicijnresten. Nederland zet zich in regionaal en mondiaal verbandervoor in om deze soorten grensoverschrijdende vervuiling tegen te gaanvia o.a. het OSPAR «Regional Action Plan Marine Litter» 2022–2030.40 Ookblijft Nederland zich inzetten voor een ambitieus internationaalplasticverdrag. Komende tijd worden de bevindingen van het rapport inmeer detail bestudeerd en als bron ingebracht bij de verschillendeonderdelen van het Nederlandse zee- en oceaanbeleid.6. Overig Algemene maatregel van bestuur gebiedskenmerkenPer 1 januari 2026 is een wijziging van de Waterschapswet en enkeleandere wetten in werking getreden.41 Voorafgaand aan de inwerking-treding hiervan hebben de waterschappen in 2025 hun kostentoedelings-verordeningen van de watersysteemheffing voor 2026 vastgesteld.Waterschappen beschikken over bestuurlijke ruimte om de kosten aan decategorieën ingezetenen, gebouwd, ongebouwd en natuur toe te delen.Als zij die ruimte willen toepassen moeten zij aan de hand van gebieds-kenmerken motiveren hoe zij deze ruimte invullen.Bij de behandeling van deze wet is een motie van het lid Heutinkaangenomen die verzoekt om deze gebiedskenmerken en de elementendaarvan zo snel mogelijk vast te leggen in een algemene maatregel vanbestuur (AMvB) om de rechtszekerheid te vergroten.42Uit de huidige uitvoeringspraktijk komt naar voren dat de waterschappenvoldoende ruimte hebben binnen de huidige bestuurlijke bandbreedte. Ineen AMvB zou deze bandbreedte verder worden opgerekt. Om eenvolledig en representatief beeld te krijgen van de noodzaak hiervoor, iseen tweede monitoringsronde van belang. Nut en noodzaak, evenals devoor- en tegenargumenten van een AMvB, kunnen dan nader wordengewogen. Daarom zullen ook de volgende kostentoedelingsverordeningennauwlettend worden gevolgd. Naar verwachting wordt een aantal vandeze nieuwe verordeningen vastgesteld na de waterschapsverkiezingenvan 2027, wanneer de nieuwe algemeen besturen van de waterschappenzijn aangetreden. Daarna kan dan een besluit genomen worden tenaanzien van de noodzaak van een AMvB.39https://woa.un.org/40https://www.ospar.org/work-areas/eiha/marine-litter/regional-action-plan41Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemenewet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bijde watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossenvan enkele knelpunten. Staatsblad 2025, 6342Kamerstukken 36 412, nr. 20Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 74314 Jaarlijkse update belastingopbrengst per waterschapDe motie van het lid Grinwis c.s. verzocht de regering onder andere deKamer jaarlijks te informeren over de belastingopbrengst per waterschap,de verdeling tussen de categorieën en de relatieve en absolute stijging endaling van de lasten per categorie.43 Hierin wordt voorzien met hetjaarlijkse overzicht van de Unie van Waterschappen over de waterschaps-belastingen. Dit overzicht is als bijlage bij deze brief gevoegd.44 Conformde motie van het lid Grinwis c.s. zal dit overzicht ook in volgende jarenaan de Kamer worden toegezonden ter voorbereiding op het Commissie-debat Water. De motie wordt daarmee als afgedaan beschouwd.Monitoring en handhaving dempen slotenOp 6 mei jl. heeft de Kamer de antwoorden ontvangen op de vragen vande leden Vellinga-Beemsterboer en Podt (D66) over het bericht «Hoe desloten in Nederland verdwijnen».45 Zoals toegezegd in het antwoord opvraag 12, is in het Bestuurlijk Overleg Water van 9 april jl. een oproepgedaan aan de gemeenten en waterschappen om dit vraagstuk in goedoverleg en vanuit ieders verantwoordelijkheid gezamenlijk op te pakkenen te bezien waar verbetering mogelijk is in zowel de monitoring als dehandhaving. Afgesproken is dat zij dit oppakken en hierop terugkomen inhet Bestuurlijk Overleg Water van november, waarbij zij zullen aangevenwelke stappen hiervoor zijn gezet en welke vervolgstappen zij nogverwachten te moeten zetten om tot de gewenste verbetering te komen.Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer daarna geïnformeerd.Perspectief waterdomein binnen traject «Afweegproces prioritering enperspectief»Klimaatverandering vergroot de urgentie van waterbeheer in Nederland.Door zeespiegelstijging, extremere neerslag, langere droogteperioden entoenemende druk op de beschikbaarheid van zoet water staat onswatersysteem voor grote uitdagingen. Zonder blijvend te investeren inwaterveiligheid komt de bescherming tegen overstromingen onder drukte staan, waardoor niet alleen economische, maar ook risico’s voor deleefbaarheid kunnen optreden. Noodzakelijke investeringen in deveiligheid van het Hoofdwatersysteem moeten derhalve prioriteit krijgen.Als laaggelegen delta zal Nederland de komende decennia blijvendmoeten investeren in waterveiligheid, klimaatadaptatie en waterkwaliteit.Dit doen we via de verschillende programma’s, zoals het Hoogwaterbe-schermingsprogramma (HWBP), het programma Ruimte voor de Rivier2.0 en de Deltaprogramma’s. Maar het vraagt eveneens om wijzigingen inhet watersysteem, waarbij ook nadrukkelijk investeringen in herstel vanhet watersysteem nodig zijn om in deze laaggelegen delta te kunnenblijven wonen, werken en recreëren.De opgaven zijn structureel, langdurig en nauw verweven met deeconomische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Hierdoor zal devraag naar kennis, innovatie en investeringen in waterbeheer de komendedecennia verder toenemen. Het waterdomein blijft daarmee eenonmisbare pijler voor een veilig, leefbaar en klimaatbestendig Nederland.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,V.P.G. Karremans43Kamerstukken 36 412, nr. 1944Bijlage «Waterschapsbelasting 2026 het hoe en waarom».45Aanhangsel Handelingen II 2025–2026, nr. 1833Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 74315
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.