KamerkringInloggen
Kamerbrief

Weging ontwikkelingen huursector 2025

20 nov 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie a37fecdd1650a646 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202627 926HuurbeleidNr. 406 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 november 2025De huurmarkt is voortdurend in beweging. Sinds de inwerkingtreding vande Wet betaalbare huur (Wbh) volg ik de effecten nauwgezet aan de handvan beschikbare data en signalen uit de markt. De combinatie vangewijzigde regelgeving, fiscale ontwikkelingen en macro-economischeomstandigheden heeft invloed op zowel verhuurders als huurders. Metdeze brief informeer ik uw Kamer over de ontwikkelingen op dehuurmarkt, waarbij ik in ga op de cijfers van het Kadaster over dewoningmarkttransacties in de eerste helft van 2025.1 Daarnaast kom ikmet deze brief terug op de motie Klaver/Kouwenhoven2 over hetontwerpbesluit aanpassingen regelgeving verhuur en de brief van deleden van de fracties van NSC en GL-PvdA die verzoekt om de maatre-gelen uit dit ontwerpbesluit op wetsniveau te regelen. Ook kom ik terugop de motie Grinwis3 over het onderzoek naar de indexatie van depuntentabel van het Woningwaarderingsstelsel (WWS). Ook zend ik uwKamer de invoeringstoets toe, die ik een jaar na inwerkingtreding van deWbh heb uitgevoerd4 en beschrijf ik mijn aanpak voor de evaluatie van denieuwbouwopslag in het WWS.De cijfers van het Kadaster laten zien dat de uitpondbeweging, zoalsbeschreven in mijn brief van 10 april 20255, zich ook in de eerste helft van2025 heeft voortgezet. Het aandeel in de woningvoorraad van inves-teerders is ten opzichte van een jaar eerder iets afgenomen, van 9,3% naar9,2%. Deze afname is met name toe te schrijven aan de daling van hetbezit van particuliere investeerders, die hun woningen vooral verkochten1Conform mijn toezegging aan de Eerste en Tweede Kamer om halfjaarlijks te informeren overde ontwikkelingen in de huursector (Handelingen I 2023/24, nr. 36 – item 8, p. 10) (Kamerstuk36 496, nr. 73).2Kamerstuk 36 800 IX, nr. 14.3Kamerstuk 36 496, nr. 64.4Handelingen I, 2023/24, nr. 36 – item 8, p. 33.5Kamerstuk 36 496, nr. 74. kst-27926-406ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4061 aan eigenaar-bewoners. Terwijl het aantal particuliere huurwoningenafnam, groeide het bezit van bedrijven en andere organisaties binnen deprivate huursector. Gecorrigeerd voor de aankopen van deze inves-teerders kromp het totaalaantal private huurwoningen in de eerste helftvan 2025 met 3.000 huurwoningen. De verkochte woningen zijn vaakwoningen in het betaalbare segment, waar juist een grote behoefte aan is.Deze cijfers bevestigen wat ik eerder al concludeerde: de samenloop vanrecente huurmaatregelen, fiscale maatregelen en macro-economischeomstandigheden zorgt ervoor dat veel particuliere verhuurders hunwoningen verkopen. Daardoor is de private huurmarkt iets gekrompen,terwijl die juist moet groeien gezien de grote vraag naar betaalbarehuurwoningen. Ik ontvang verschillende verontrustende signalen dat hetaanbod van huurwoningen terugloopt. Zo constateerde NRC dat hetaantal aangeboden kamers en kleine appartementen in de grote studen-tensteden in Q3 van dit jaar 20 procent lager lijkt te liggen dan een jaargeleden6. De cijfers van Pararius laten ook een afname in het aanbod aanvrijkomende huurwoningen zien7 en ABF Research signaleert eengrootschalige verkoop van particuliere studentenhuizen8. Huurders,waaronder studenten, zijn hiervan de dupe.Om particuliere verhuurders meer ruimte te bieden heb ik een pakketmaatregelen opgesteld met gerichte en relatief snel in te voeren aanpas-singen aan de huurregelgeving, waarmee concrete knelpunten bij deverhuur worden opgelost. Dit heeft geleid tot het ontwerpbesluitaanpassingen regelgeving verhuur9. Uw Kamer heeft op 3 oktober demotie Klaver/Kouwenhoven aangenomen, die oproept om het ontwerpbe-sluit in te trekken. Daarnaast hebben de fracties van NSC en GL-PvdA perbrief verzocht om de maatregelen op wetsniveau te regelen. In deze briefga ik in op hoe ik invulling wil geven aan deze motie en brief, in gesprekmet uw Kamer.Stand van zaken ontwerpbesluit aanpassingen regelgevingverhuurOp 1 oktober jl. heb ik het ontwerpbesluit aanpassingen regelgevingverhuur bij uw Kamer in voorhang gebracht. Op 3 oktober heeft uw Kamerde motie van de leden Klaver (GL-PvdA) en Kouwenhoven (NSC)aangenomen, die oproept om deze voorgestelde regelingen per direct inte trekken. Daarnaast hebben 44 van uw leden (GL-PvdA en NSC) per briefverzocht om de wijzigingen aan het Besluit huurprijzen woonruimte (Bhw)en het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst (Bsgth) viaeen wet in formele zin aan uw Kamer voor te leggen, in plaats van meteen besluit10.Ik heb duidelijk gehoord welke zorgen er in uw Kamer leven en wil daarzorgvuldig op reageren. Tegelijkertijd blijf ik, gezien de voortdurendeverkoop van huurwoningen, de noodzaak voelen om met name particu-liere verhuurders op korte termijn tegemoet te komen en daarom6Dit becijferde NRC op basis van data van huurplatform Rent.nl («Aanbod studentenkamers invrije sector daalt met tientallen procenten», NRC, 2 november 2025).7Pararius Huurmonitor Q3 2025.8ABF Research heeft in opdracht van Kences, de vereniging voor sociale studentenhuisvesters,en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een analyse uitgevoerd naar deverkopen door particuliere verhuurders van studentenwoningen: «Steeds minder studenten-kamers in de grote steden», Kences, 3 november 2025.9Dit betreft wijzigingen aan het Besluit huurprijzen woonruimte, het Besluit kwaliteit leefom-geving en het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst (Kamerstuk 27 926, nr.402).10Kamerstuk 27 926, nr. 403.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4062 inhoudelijk iets te wijzigen in de huurregelgeving. Graag ga ik met uwKamer in gesprek over de mogelijkheden binnen het voorliggendeontwerpbesluit, dat juist is bedoeld om op korte termijn concretemaatregelen te kunnen nemen die bijdragen aan het terugdringen van deverkoop van huurwoningen en die daarmee de beschikbaarheid vanwoningen en studentenkamers op de huurmarkt vergroten. Huurders zijnimmers niet geholpen met woningen die niet meer worden aangeboden.Het ontwerpbesluit bevat (onder meer) een uitbreiding van demogelijkheid om studenten eenmalig een tijdelijk huurcontract aan tebieden. Deze maatregel behelst een wijziging van het Bsgth. Als gevolgvan de oproep van meer dan 1/5 van het grondwettelijk aantal leden vanuw Kamer kan deze maatregel in beginsel niet langer bij besluit wordeningevoerd, maar uitsluitend via een wet in formele zin aan uw Kamerworden voorgelegd. Dit vloeit voort uit de verzwaarde voorhangproceduredie voor het Bsgth geldt11. Ik verken graag met uw Kamer of er alsnogvoldoende steun kan worden gevonden om de wijziging betreffendetijdelijke studentencontracten op AMvB-niveau door te voeren. In datkader wijs ik uw Kamer op de noodzaak om nu actie te ondernemen,gezien het teruglopende aanbod aan studentenkamers. Een wetswijzigingomhelst een langer traject, terwijl het juist noodzakelijk is om verhuurdersvoor dit type verhuur snel meer ruimte te bieden.Voor het Bhw, waarin de WWS-maatregelen zijn opgenomen, geldt deverzwaarde voorhangprocedure niet. Tegelijkertijd wil ik recht doen aande zorgen die in de motie Klaver/Kouwenhoven zijn verwoord over hetontwerpbesluit. Om die reden ga ik graag met uw Kamer in gesprek om teverkennen op welke wijze en voor welke onderdelen van het ontwerpbe-sluit aan deze zorgen tegemoet kan worden gekomen. In dit kader wil ikbenadrukken dat het ontwerpbesluit ook noodzakelijke technische enbeleidsarme aanpassingen bevat voor het verbeteren van de werking vanhet WWS(O).Analyse ontwikkelingen huurmarktUit de transactiedata van het Kadaster blijkt dat het aantal woningver-kopen door investeerders ook in de eerste helft van 2025 is gestegen. Zijverkochten in deze periode iets meer dan 29.400 woningen, wat ruim 41%meer is dan in de eerste helft van 2024. De stijging in de woningverkopenis het resultaat van zowel een stijging in de verkoop van woningen doorbedrijfsmatige investeerders als door particuliere investeerders. Bedrijfs-matige investeerders verkochten 16.500 woningen en particuliereinvesteerders 12.900.Het merendeel van de huurwoningen dat werd verkocht door inves-teerders ging naar eigenaar-bewoners, namelijk 60%. In de eerste tweekwartalen van 2025 gingen op deze manier in totaal ruim 8.900 huurwo-ningen van bedrijfsmatige investeerders over naar de koopsector (figuur1). Dit is zo’n 3.200 woningen meer dan in de eerste helft van 2024. In deeerste twee kwartalen van 2025 gingen in totaal rond de 8.700 woningenvan particuliere investeerders naar de koopsector; dit is bijna 2.400woningen meer dan in dezelfde periode in 2024.11Artikel 7:271, lid 9 Burgerlijk Wetboek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4063 Dit beeld komt overeen met het beeld dat wordt geschetst door het CBS12met zijn data over de periode 2021 tot en met 2024. Deze stijgende trend,waarbij steeds meer woningen worden uitgepond, zette zich ook in deeerste helft van 2025 door. Het aandeel van de uitgeponde woningen datnaar koopstarters gaat neemt steeds verder toe: ruim 60% van deeigenaar-bewoners aan wie de woningen worden verkocht, zijn op ditmoment koopstarters. Deze cijfers laten zien dat de uitpondbewegingzoals beschreven in mijn brief van 10 april 2025 ook in 2025 heeftdoorgezet.Een nadere analyse van het Kadaster13 toont aan dat vanaf 2019 zowelbedrijfsmatige als particuliere investeerders steeds vaker woningenverkopen die nu naar schatting onder de sociale huur of middenhuurzouden vallen (figuur 2). Het is aannemelijk dat deze woningen voor eenhogere huur werden verhuurd dan de maximale huurprijsgrens op grondvan het WWS. Het aandeel verkochte woningen dat op basis van degeschatte WWS-punten in de sociale huursector valt, ligt bij de particu-liere verhuurders rond de 41%. Dit is aanzienlijker hoger dan bij debedrijfsmatige verhuurders, waar dit aandeel rond de 28% ligt. Bedrijfs-matige verhuurders verkochten relatief meer huurwoningen die naarschatting op basis van het WWS tot het middenhuursegment behoren: inde eerste helft van 2025 is dit aandeel 52%, ten opzichte van zo’n 43% bijde particuliere verhuurders.12CBS: Krimp private huursector in 2024 door minder verhuur door particulieren, https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/41/krimp-private-huursector-in-2024-door-minder-verhuur-door-particulieren.13In opdracht van VRO hebben Korevaar en Van Dijk (Instituut voor Publieke Economie)onderzoek gedaan naar het WWS en de private huurmarkt. Het Kadaster heeft op basis vanhun modelcoëfficiënten en de eigen woningkenmerken een schatting gemaakt van deWWS-huur in 2025 per woning. Dit betreft een indicatie; de waarden wijken iets af tussencorporaties en private beleggers en zijn waarschijnlijk licht onderschat.Figuur 1: Investeerders: van huur naar koop en van koop naar huurTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4064 De krimp van het aandeel huurwoningen in handen van investeerders alsgevolg van de verkoop van huurwoningen wordt gedempt door het aantalhuurwoningen dat wordt aangekocht door investeerders: investeerderskochten in het eerste half jaar van 2025 ongeveer 13.400 woningen,waarvan het grootste aandeel in het tweede kwartaal14. Dat is zo’n 36%meer dan in de eerste helft van 2024. Ze kochten voornamelijk van andereinvesteerders. Sinds de inwerkingtreding van de aanvullende huurregu-lering betreffen de woningen die worden aangekocht door investeerdersen de bestaande voorraad voornamelijk woningen die op basis van degeschatte WWS-punten in het duurdere huursegment vallen (figuur 3).Met name in de aankopen van de particuliere investeerders is een sterkestijging te zien in het aandeel woningen die worden aangekocht voorverhuur in de vrije sector (bijna 60% in het tweede kwartaal van 2025). Eris dus een verschuiving merkbaar in het bestaande woningbezit vanparticulieren naar duurdere huur. De beoogde groei van het sociale- enmiddenhuursegment is daarmee grotendeels afhankelijk van toevoe-gingen in de vorm van nieuwbouw, transformatie en splitsingen. Ditvormt een probleem voor woningzoekenden, aangezien het aanbod aanbetaalbare huurwoningen juist moet groeien, gezien de grote vraagdaarnaar.14Sinds 2023 verkopen zowel bedrijfsmatige als particuliere investeerders meer woningen aaneigenaar-bewoners dan ze van hen kopen.Figuur 2: Verkopen investeerders van eigenaar-bewoners aandeel naar indicatieWWS-huurTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4065 Aanvullende statistieken huurwoningen verkocht doorinvesteerders•Van alle verkopen van bedrijfsmatige en particuliere investeer-ders aan eigenaar-bewoners waarvan de koopsom bekend is, lagin de eerste helft van 2025 ongeveer 70% onder de betaalbaar-heidsgrens van €405.000. De verkoopwaarde van de huurwonin-gen die investeerders verkochten aan eigenaar-bewoners laggemiddeld lager dan de woningen die zij aan andere kopersverkochten.•In het tweede kwartaal van 2025 betaalden eigenaar-bewonersgemiddeld € 383.000 voor een woning die zij kochten van eeninvesteerder. Dat was ongeveer 1% hoger dan 1 jaar geleden. Opde hele woningmarkt betaalden eigenaar-bewoners gemiddeld€ 470.000 voor een woning. Het verschil tussen wat ze betaaldenaan investeerders en wat ze betaalden op de hele woningmarktwas daarmee bijna € 90.000. Dit weerspiegelt het verschil inkenmerken van woningen die worden verkocht door investeer-ders ten opzichte van de gehele woningmarkt.•Bijna 50% van de woningen die door investeerders werdenverkocht aan eigenaar-bewoners in de eerste helft van 2025betreft middelgrote appartementen (50–100 m2). Het aantalgrondgebonden woningen dat investeerders verkochten aaneigenaar-bewoners is sterk afgenomen in de eerste helft van2025. Dit is voornamelijk het resultaat van een daling in het aantalverkopen van dit type woningen door particuliere investeerders.In algemene zin neemt het aandeel verkopen van kleine wonin-gen toe ten koste van grotere woningen.Op 1 juli 2025 bezaten investeerders, exclusief het tweede woningbezitvan particulieren, ongeveer 9,2% van de woningvoorraad, wat neerkomtop circa 762.000 woningen. Dit aandeel en aantal zijn licht gedaald tenopzichte van een jaar eerder, toen het 9,3% en 767.000 woningen betrof.Deze afname is met name toe te schrijven aan de daling van het bezit vanparticuliere investeerders, die hun woningen vooral verkochten aaneigenaar-bewoners. Hun aandeel in de totale woningmarkt is afgenomenvan 3,8% naar 3,5%, wat een daling van zo’n 21.000 woningen betekent.Het aandeel van bedrijfsmatige investeerders bleef daarentegen lichtgroeien van 5,5% naar 5,6%, wat een toename van ongeveer 16.000woningen betekent. Dit is voornamelijk het resultaat van grote bedrijfs-Figuur 3: Aankopen investeerders van eigenaar-bewoners aandeel naar indicatieWWS-huurTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4066 matige investeerders die enerzijds nog steeds woningen kochten enanderzijds zelf woningen bouwden of lieten bouwen.Verhuurders in de categorie «Tweede woningen»De eerdere analyses van mijn ministerie over de ontwikkelingen op dehuurmarkt waren gebaseerd op de cijfers die het Kadaster rapporteert metbetrekking tot investeerders die ten minste drie woningen bezitten. Eendeel van de groep natuurlijke personen die maximaal twee woningenbezitten biedt deze woningen weliswaar aan als huurwoning, maar hetexacte aantal daarvan is voor het Kadaster lastig vast te stellen. Dit komtomdat de woningen in deze categorie voor veel uiteenlopende doeleindenworden gebruikt; iemand kan ook tijdelijk een tweede woning hebben,bijvoorbeeld na een erfenis of als een eerdere woning nog even nietverkocht is. Het Kadaster heeft in het recentste Kwartaalbericht Inves-teerders een goed onderbouwde schatting opgenomen van het aantaltransacties binnen deze categorie. Uit de resultaten van deze analyse blijktdat in algemene zin bij zowel aangekochte als verkochte tweede woningenin ongeveer 50% van de gevallen op 1 januari iemand anders dan deeigenaar in de woning woonde. Het Kadaster concludeert hierover dat ditwaarschijnlijk huurwoningen waren. De andere helft bestondwaarschijnlijk vooral uit tijdelijke situaties, zoals leegstand of gebruik doorde eigenaar zelf.In het 2e kwartaal zijn er naar schatting zo’n 250 tweede woningen voorde verhuur gekocht van eigenaar-bewoners. Tegelijkertijd zijn er zo’n 2.100tweede woningen die tot kort een huurwoning waren verkocht aaneigenaar-bewoners. Verhuurders binnen de categorie tweede woningeige-naren verkochten dus ongeveer 1.850 meer woningen aan eigenaar-bewoners dan dat zij van hen kochten. Dit verschil is groter dan in eerderejaren. Tweede woningen volgden de trend van andere investeerders:minder aankopen en meer verkopen. De voorraad van verhuurde tweedewoningen nam hierdoor af.Bevindingen invoeringstoetsMet deze brief informeer ik uw Kamer tevens over de invoeringstoets dieik heb uitgevoerd naar de Wbh. De invoeringstoets is een onderzoek meteen indicatief en kwalitatief karakter, dat één jaar na inwerkingtreding vandeze wet is uitgevoerd15. De toets is bedoeld om tijdig knelpunten in deuitvoering te signaleren die aanleiding kunnen geven om te onderzoekenof bijsturing van beleid of andere vervolgacties nodig is. Hierbij isbijzondere aandacht besteed aan de doelgroepen en uitvoerende partijendie direct geraakt worden door de wet. De toets richt zich op onvoorzieneeffecten in de praktijk en niet op effecten die vooraf zijn voorzien, in detotstandkoming van de Wbh en onderliggende regelgeving. Voorbeeldenvan dergelijke voorziene effecten die buiten de scope vallen, zijn demogelijke terugval in inkomsten voor verhuurders bij bestaandecontracten en de beperkte voorbereidingstijd als gevolg van de korteinvoeringstermijn. De voorziene effecten worden benoemd in deinvoeringstoets.De invoeringstoets is uitgevoerd door middel van drie gespreksrondes. Inde eerste ronde is gesproken met de belangrijkste uitvoerders van deWbh; de Huurcommissie en verschillende gemeenten. In de tweede rondeis een breder veld van maatschappelijke stakeholders geraadpleegd.Gesproken is met Aedes, de vereniging van Institutionele Beleggers in15Toezegging aan het lid Rietkerk (CDA) over het uitvoeren van een invoeringstoets één jaar nainwerkingtreding van de Wbh (Handelingen I, 2023/24, nr. 36 – item 8, p. 33).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4067 Vastgoed Nederland (IVBN), Vastgoed Belang, de Woonbond, StichtingProfessioneel Platform Vastgoed (SPPV), vertegenwoordiging uit demonumentensector, NEPROM en de Vereniging van NederlandseGemeenten (VNG). De derde ronde richtte zich op de directe ervaringenvan huurders en verhuurders met de Wbh, om eventuele knelpunten bijdeze groepen op te halen. Aan deze groepen namen huurders eninstitutionele en particuliere verhuurders deel, variërend van kleine totgrote partijen. In elke ronde zijn de bevindingen uit eerdere deskresearchof eerdere rondes getoetst, en is ruimte geboden om aanvullendeknelpunten en effecten te signaleren. De opgehaalde signalen geven eenindicatief eerste beeld van effecten die mogelijk nader onderzocht dienente worden.De signalen uit de invoeringstoets wijzen erop dat de implementatie vande Wbh over het algemeen goed op gang is gekomen, maar dat zich opverschillende onderdelen knelpunten en onvoorziene effecten voordoendie de uitvoerbaarheid en effectiviteit van de wet kunnen beïnvloeden. Uitde gesprekken blijkt dat gemeenten uitdagingen ervaren bij de toepassingvan de wet, doordat de benodigde kennis en expertise complex is en nietoveral volledig aanwezig en sterk wisselend tussen gemeenten is.Verhuurders signaleren onder andere knelpunten rondom het WWS. Metname de waardering van de WOZ-waarde, energielabels en monumentalestatus werden benoemd. De gesproken verhuurders ervaren daarbijadministratieve lasten en onzekerheid bij de toepassing van het punten-systeem. Huurders dienen nog relatief weinig meldingen (bij gemeenten)of verzoekschriften (aan de Huurcommissie) in, maar stellen wel veelvragen aan de Huurcommissie. Hierbij speelt mogelijk angst voor deconsequenties of onwetendheid over de rechten en mogelijkheden.Huurders gaven aan dat extra voorlichting en handhaving door overhedengewenst is en dat zij behoefte hebben aan meer transparantie overWWS-punten door verhuurders. Een volledig overzicht van de signalenvindt u in Bijlage I.Gezamenlijk laten deze signalen zien dat de invoering van de Wbh meervraagt dan alleen wettelijke aanpassing: structurele ondersteuning,eenduidige communicatie en betere afstemming tussen betrokken partijenzijn nodig om de doelen van de wet duurzaam te realiseren. Ook eenlangere implementatietermijn was behulpzaam geweest bij een adequateuitvoering. Hoewel de opgehaalde signalen een goed eerste beeld geven,zijn ze nog niet nader onderzocht of geverifieerd en dienen ze alsindicatief beschouwd te worden. Wel geeft de toets alvast waardevolleaanknopingspunten voor verder onderzoek naar beleidsaanpassing,monitoring en ondersteuning van de uitvoering in de komende periode.Bij het volledige overzicht van de signalen in Bijlage I vindt u eenoverzicht van de signalen en waar relevant voorstellen voor vervolg-stappen en oplossingsrichtingen.Op korte termijn worden gemeenten ondersteund met onder meer eenhandreiking, handhavingsprotocol, modelverordening, regiobijeen-komsten, webinars en communicatiemateriaal dat zij richting huurders enverhuurders kunnen inzetten. Daarnaast hebben het Ministerie van VRO,de VNG, de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland en een tientalgemeenten een opleidingstraject opgezet voor gemeentelijke toezicht-houders en handhavers.De invoeringstoets vormt een waardevol startpunt voor de evaluatie vande Wbh in 2027. Diverse inhoudelijke punten zijn geagendeerd voor dieevaluatie, waaronder de werking van energielabels en de WOZ-waarde inhet WWS, eventuele onduidelijkheden rond het begrip «duurzaamgemeenschappelijk huishouden» en de hoogte van de liberalisatiegrens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4068 In de periode tot aan de evaluatie blijf ik in gesprek met huurders,verhuurders en organisaties zoals gemeenten, de Huurcommissie, deVNG en brancheverenigingen om praktische knelpunten te monitoren enwaar nodig tijdig op te volgen.Onderzoek indexatie WWS-tabel (Motie Grinwis)Met de motie Grinwis c.s.16 heeft uw Kamer opgeroepen om 1) te bezienof de indexatie van de WWS-tabel adequaat is of aanpassing behoeft geletop de investeringsbereidheid van institutionele investeerders, en 2)daarbij inzicht te verschaffen in de neveneffecten van een aanpassing vandeze tabel.Het WWS is een puntensysteem dat de maximale huurprijsgrens van eenwoonruimte in het gereguleerde segment bepaalt. Het bepaalt deverhouding tussen huurprijs en de extra kwaliteit van de woonruimte. Dekwaliteit wordt uitgedrukt in WWS-punten, waarbij het totaal aantalpunten van de woning correspondeert met een maximale huurprijsgrensvan de woonruimte. De maximale toegestane huurprijs kan daarnaasthoger zijn als sprake is van een maximale huurprijsopslag, waarmee demaximale huurprijsgrens op basis van het aantal WWS-punten wordtvermeerderd met een bepaald percentage.17 Elk jaar wordt deWWS-prijstabel geïndexeerd, wat resulteert in een nieuwe maximalehuurprijsgrens per puntenaantal. Dit gebeurt sinds de invoering van hetWWS in 1979 met de consumentenprijsindex (CPI)18. Daarmee worden dejaarlijkse toegenomen kosten van de verhuurder in de maximalehuurprijsgrenzen verrekend. De overweging daarbij is dat het WWS zelf,los van de indexatie, een balans betreft tussen betaalbaarheid enerzijds eninvesteringsbereidheid anderzijds. Deze balans wordt gevonden in hetaantal WWS-punten dat voor kwaliteit wordt toegekend en de huurprijsdie daar tegenover staat. De indexatiesystematiek op grond van inflatieziet op het over de jaren stabiel houden van de huuropbrengst, afgezettegen gestegen kosten voor verhuurders.De motie Grinwis c.s. vraagt om te onderzoeken of de huidige wijze vanindexatie adequaat is, gelet op de investeringsbereidheid van institu-tionele investeerders. In algemene zin zal een hoger indexatiepercentagede financiële haalbaarheid van de nieuwbouw van huurwoningenverbeteren en de kans dat een huurwoning in de bestaande woning-voorraad wordt verkocht aan een eigenaar-bewoner (uitponding)verkleinen. Naast verhoging van het indexatiepercentage van deWWS-prijstabel bestaan er verschillende alternatieve beleidsopties voorhet verbeteren van de investeringsbereidheid voor institutionele inves-teerders voor wat betreft het WWS. Binnen de huurprijsregulering vormtbijvoorbeeld het eenmalig ophogen van de maximale huurprijsgrens eenalternatief. Dit kan gedaan worden door de WWS-puntprijs eenmalig teverhogen. Ook is het mogelijk investeringsbereidheid te verbeteren doorelementen in het WWS zwaarder te waarderen. Hierbij kan gedachtworden aan de waardering van de WOZ-waarde, het energielabel ofdiverse voorzieningen. In het recent met u gedeelde rapport Investerings-klimaat Middenhuur van SEO Economisch Onderzoek zijn de effectendoorgerekend van een ophoging van de puntprijs met 10%19. Ik zal samenmet de Staatssecretaris van Fiscaliteit binnenkort in een Kamerbrief debelangrijkste bevindingen voor uw Kamer inzichtelijk uiteenzetten.16Kamerstuk 36 496, nr. 64.17Op basis van het huidige WWS geldt een prijsopslag bij nieuwbouw en voor monumenten enbeschermde dorps- en stadsgezichten.18Jaarmutatie CPI, StatLine – Jaarmutatie consumentenprijsindex; vanaf 196319Kamerstuk 27 926, nr. 405Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 4069 In plaats van de geldende indexatie, gekoppeld aan de inflatie, kan ookgekozen worden voor een ander indexatiepercentage. Zo kan wordenaangesloten bij de ontwikkeling van lonen, middels deCAO-loonontwikkeling, of de prijsontwikkeling van koopwoningen.Daarnaast stelt IVBN, de brancheorganisatie voor institutioneleverhuurders in Nederland, voor om de huidige indexatiesystematiek teverhogen met een extra procentpunt (CPI + 1%)20. Hieronder beschrijf ikwaarom deze percentages een alternatief kunnen vormen voor deindexatie en wat hier de mogelijke voor- en nadelen van zijn. Ook schets ikvoor de genoemde opties de effecten op betaalbaarheid, afgezet tegen dehuidige indexatiemethode.Indexatie op basis van de prijsontwikkeling van koopwoningenOverwogen kan worden om de indexatie van het WWS te koppelen aan deprijsontwikkeling van koopwoningen21. Zo kan het indexatiepercentagegekoppeld worden aan de gemiddelde prijsstijging van bestaandekoopwoningen per kalenderjaar zoals gerapporteerd door het CBS.Hiermee blijft in de loop der jaren de verhouding tussen de huurop-brengst en de woningwaarde in leegstand (leegwaarde) redelijk constant.Een dergelijke indexatiemethodiek zou ervoor zorgen dat de financiëleaantrekkelijkheid van het exploiteren van huurwoningen op de langeretermijn meer aansluit op de financiële aantrekkelijkheid van het verkopenvan een leeggekomen huurwoning aan een eigenaar-bewoner. Hierdoorneemt de kans af dat huurwoningen bij bewonerswissel verschuiven naarhet koopsegment. Het belangrijkste risico bij deze systematiek is hetnegatieve effect voor de betaalbaarheid van huren op de langere termijn,ten opzichte van de huidige indexatie. Dit komt doordat de prijsontwik-keling van koopwoningen in percentages doorgaans aanzienlijk hoger ligtdan de inflatie (CPI). Daarnaast geldt tevens als risico dat de eigenwoning-waarde niet altijd stijgt, en in dat geval de maximale huren zoudenmoeten dalen. In deze situatie wordt de verhuurder niet alleen geraaktdoor de afnemende waarde van de huurwoning, maar wordt dit effectversterkt door dalende huurinkomsten. Een verhuurder moet hierbovendien alert op zijn, omdat het sinds de invoering van de Wbhverboden is een te hoge huurprijs te vragen.Indexatie op basis van CAO-loonontwikkelingEen andere optie is om het indexatiepercentage te koppelen aan deCAO-loonontwikkeling22. Op deze manier wordt verzekerd dat demaximale huurprijsgrenzen niet uit de pas gaan lopen met wat eenhuurder kan betalen. Daarmee wordt de betaalbaarheid van huren inbrede zin bewaakt. Tegelijkertijd wordt de investeringsbereidheid tenopzichte van de huidige indexatie gestimuleerd, aangezien de gemiddeldeCAO-loonstijging over het algemeen hoger ligt dan de inflatie. Daarbijdient wel de kanttekening gemaakt te worden dat deCAO-loonontwikkeling doorgaans de inflatie volgt, waardoor eenvertragend effect kan optreden: verhuurders kunnen gestegen kosten alsgevolg van inflatie pas later doorrekenen in de huur.20Zoals beschreven in de openbare consultatiereactie van IVBN op het ontwerpbesluit aanpas-singen regelgeving verhuur, 25 augustus 2025.21Prijsindex bestaande koopwoningen, ontwikkelingen per jaar. StatLine – Bestaande koopwo-ningen; verkoopprijzen prijsindex 2020=10022CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen volgens het CBS: StatLine – Cao-lonen,contractuele loonkosten en arbeidsduur; indexcijfers (2020=100)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 40610 Indexatie op basis van CPI +1% (voorstel IVBN)IVBN heeft in het verleden voorgesteld om de huidige indexatiesyste-matiek voor het middenhuursegment aan te vullen met een extraprocentpunt (CPI + 1%). IVBN geeft aan dat de indexatie van het WWScruciaal is voor de rendabiliteit van middenhuur, omdat de jaarlijksemaximale huurverhoging in deze sector gekoppeld is aan deCAO-loonstijging + 1%. Het kan daarmee voorkomen dat de huidigeindexatie van het WWS op grond van inflatie beperkend werkt omdat deinflatie lager uitkomt dan de jaarlijkse maximale huurverhoging toelaat.Het effect van de verhoging van het indexatiepercentage met 1% is dat deindexatie van de maximale huurprijsgrens elk jaar verder uit de pas looptmet de inflatie. Omdat deze huurprijsgrens elk jaar harder stijgt dan deinflatie, wordt de huurprijs van een gereguleerde huurwoning daarom elkjaar relatief «duurder» dan het jaar ervoor, zonder dat het aantalWWS-punten van de huurwoning verandert. Tegenover deze extraverhoging staat dus geen kwaliteitsverbetering van de woning.Om willekeur en onvoorspelbaarheid op de langere termijn te voorkomenvind ik het wenselijk om het indexatiepercentage van het WWS te baserenop een objectieve maatstaf. Het voorstel van IVBN om de indexatie met1% te verhogen is lastig objectief te onderbouwen. Voor deze verhogingvalt geen objectieve grondslag te vinden; de verhoging heeft het doel ominvesteringsbereidheid te stimuleren ten opzichte van het huidigeindexatiepercentage, ten koste van betaalbaarheid. Er valt echter moeilijkte bepalen wanneer de investeringsbereidheid voldoende gestimuleerd isen het is de vraag of daarvoor de indexatie het juiste instrument is.Daarnaast wil ik benadrukken dat het wenselijk is om één percentage vooralle segmenten te laten gelden. Door één percentage voor de geheleprijstabel te hanteren wordt het WWS niet onnodig gecompliceerd enwordt voorkomen dat de maximale huurprijsgrenzen uit verschillendesegmenten op termijn uit elkaar groeien.Effecten op betaalbaarheid van verschillende variantenDe verschillende genoemde varianten leveren over de jaren heenverschillende indexatiepercentages op. Als gevolg hiervan hebben deverschillende opties elk gevolgen voor de hoogte van de maximalehuurprijsgrenzen. Deze percentages en effecten op de maximalehuurprijsgrenzen worden hieronder uiteengezet. Hierbij wordt een beeldgeschetst voor de ontwikkeling van de maximale huurprijs over eenperiode van 2010 tot en met 2024. Tabel 1 toont voor die jaren deontwikkeling van de genoemde mogelijke grondslagen voor indexatie.Tabel 2 schetst de effecten van het hanteren van deze genoemdevarianten voor indexatie over dezelfde periode. Kolom 3 van die tabelschetst de maximale huurprijs in 2024, ter illustratie afgezet tegen eenmaximale huurprijsgrens van € 500,– in 2010. Kolom 4 schetst het verschilin totale huuropbrengst van 2010 t/m 2024, afgezet tegen de huidigeindexatiemethode van CPI +0%.Tabel 1: vergelijking indexatiepercentages verschillende methoden (2010 t/m 2024)%CPI + 0%CPI + 1%CAO-loon-ontwikkelingPrijsontwikkelingbestaandekoopwoningen20101,32,31,3– 2,020112,33,31,1– 2,320122,53,51,4– 6,320132,53,51,2– 6,320141,02,00,91,220150,61,61,43,3Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 40611 %CPI + 0%CPI + 1%CAO-loon-ontwikkelingPrijsontwikkelingbestaandekoopwoningen20160,31,31,85,520171,42,41,48,120181,72,72,09,220192,63,62,57,020201,32,32,97,920212,73,72,115,1202210,011,03,213,320233,84,86,1– 2,920243,34,36,58,7Totaal(2010–2024)39,558,233,560,0 Tabel 2: effecten van alternatieve indexatiemethoden WWS op huuropbrengstenMaximalehuurprijs-grens in20241Verschil huurper maand in2024, tov. CPI+ 0%Verschil huurper jaar in2024, tov. CPI+ 0%Totaal verschilhuur (2010 t/m2024), tov. CPI+ 0%CPI + 0%€ 697,–n.v.t.n.v.t.n.v.t.CPI + 1%€ 791,–€ 94,–€ 1.122,–€ 7.071,–CAO-loonontwikkeling€ 668,–€ – 29,–€ – 348,–€ – 2.052,–Prijsontwikkelingkoopwoningen€ 800,–€ 103,–€ 1.236,–€ – 3.255,–1 Uitgaande van een huurprijs van € 500,– in 2010. Bovenstaande tabel is een fictieve weergave van de stijging van maximalehuurprijsgrenzen, als sinds 2010 onafgebroken een bepaalde indexatiesys-tematiek zou zijn toegepast. In hoeverre een huurprijs daadwerkelijk hogerwordt en de huuropbrengsten daadwerkelijk van elkaar verschillen, isonder meer bepaald door de keuze van de verhuurder de maximaaltoegestane huurprijs te vragen of niet, tussentijdse wijzigingen aan hetWWS, het samenspel met de maximale jaarlijkse huurverhoging23,bewonerswissels in deze periode en eventuele woningverbeteringentussendoor. Bovenstaande tabel schetst het effect van een alternatieveindexatiesystematiek, waarbij geldt dat eenzelfde ontwikkeling in detoekomst allerminst zeker is.Op basis van CPI + 1%Ten aanzien van het voorstel van IVBN, CPI + 1%, laat tabel 2 zien hoe eenexponentieel effect zich uitmeet over de genoemde periode van 14 jaar.Het extra procent resulteert in die periode in een maximale huurprijsgrensdie 18,7 procentpunt hoger ligt dan wanneer CPI + 0% was aangehouden.Op basis van CPI + 0% zou een huurprijsgrens die in 2010 € 500,– betrof,zonder verbeteringen aan de woning of wijzigingen in het WWS in 2024op € 697,– liggen. Met CPI + 1% zou dezelfde huurprijsgrens in 2024 op€ 791 liggen. Op jaarbasis zou dat in 2024 neerkomen op een verschil intotale huuropbrengst van € 1.122. Over de periode 2010–2024 zou dit eenverschil in huuropbrengst zijn van € 7.071. De betaalbaarheid voor23In veel gevallen betekent het percentage van de maximale jaarlijkse huurverhoging dat kanworden ingelopen op de maximale huurprijsgrens, indien de feitelijke huur lager ligt dan diegrens. Dit is wenselijk zodat verhuurders kunnen inlopen op de maximale huurprijsgrens bijlopende contracten met een lagere feitelijke huur, of als deze wordt verruimd, bijvoorbeeld bijveranderend beleid of woningverbetering. De maximale jaarlijkse huurverhoging is historischgezien vaker aan verandering onderhevig. De percentages zijn vaker bijgesteld of soms zelfsbevroren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 40612 huurders zou, ten opzichte van de huidige indexatiemethodiek24, zowel inhet laag- als middensegment zijn verslechterd.Op basis van gemiddelde CAO-loonstijgingAls de gemiddelde CAO-loonstijging zou zijn aangehouden, zou demaximale huurprijsgrens in 2024 33,5% hoger liggen dan in 2010. Ditkomt omdat tot de significante toename van de gemiddeldeCAO-loonstijging in de afgelopen paar jaren het percentage structureelachterloopt op de CPI-ontwikkeling. Dit resulteert in een huurprijsgrensdie uiteindelijk lager uitkomt dan wanneer de huidige indexatiesyste-matiek zou zijn aangehouden. Het niveau van de huurprijsgrens zou in2024 ongeveer € 29,– per maand uitmaken met een aanvangshuur van€ 500,– in 2010. Over de periode 2010 tot en met 2024 zouden de totalehuuropbrengsten ongeveer € 2.052,– euro lager uitvallen.Op basis van prijsontwikkeling bestaande koopwoningenAls sinds 2010 uit was gegaan van de prijsontwikkeling van bestaandekoopwoningen, zou de maximale huurprijsgrens in 2024 ongeveer 60%hoger liggen dan in 2010. Dit is een significant verschil met de 39,5% vande huidige indexatiesystematiek. Een huurprijs van € 500,– in 2010 zoudaarmee in 2024 op € 800,– komen te liggen. Toch zou de totale huurop-brengst van over deze periode ruim € 3.200,– lager uitvallen. Dit is teverklaren omdat tot 2015 de prijsontwikkeling van bestaande koopwo-ningen zwak positief of zelfs negatief was. Pas sinds 2017 en vooral in2021 en 2022 is deze prijsontwikkeling zeer positief (beide jaren circa15%). Dit is niet genoeg om de lagere huuropbrengsten in de eerste jarente compenseren. Daar komt bij dat de jaarlijkse huurverhoging tevens eenbeperkende factor kan spelen bij lopende contracten. Bij een volatielpercentage bestaat daardoor kans dat de volledige indexatie van dehuurprijsgrens niet verrekend kan worden in de feitelijke huurprijs.25Tegelijkertijd zal de feitelijke huur wel verlaagd moeten worden indien diedoor een daling van de prijsontwikkeling van bestaande koopwoningenboven de geldende maximale huurprijsgrens komt te liggen26. Deprijsontwikkeling van bestaande koopwoningen is volatieler dan deandere twee alternatieven (CPI en CAO-ontwikkeling).ConclusieDe huidige jaarlijkse indexatie op basis van inflatie is bedoeld omtegemoet te komen aan de toegenomen jaarlijkse kosten van deverhuurder. Ik heb verschillende alternatieve indexatiemethodengeschetst. De beschreven opties zouden ten opzichte van de huidigeindexatie voor een hogere huurprijsgrens en eventueel voor hogerehuuropbrengsten kunnen zorgen bij gereguleerde huurwoningen. Eenhoger indexatiepercentage ten opzichte van de huidige methodiekbetekent een verslechtering van de betaalbaarheid voor huurders.Daarbij is de beslissing om te investeren in nieuwbouw of om eenhuurwoning aan te houden van legio factoren afhankelijk, niet enkel de24Hoe de betaalbaarheid van huren voor huurders zich ontwikkelt is ook afhankelijk van deloonontwikkeling over dezelfde periode.25Dit effect is niet in tabel 2 weergegeven. In tabel 1 valt bijvoorbeeld te zien dat de prijsontwik-keling van bestaande koopwoningen in 2021 dermate hoog uitviel (15,1%) vergeleken met CPI(2,7%) en de CAO-loonontwikkeling (2,1%), dat deze niet volledig verrekend zou kunnenworden.26Zie bijvoorbeeld tabel 1, jaren 2012 en 2013, waar de negatieve prijsontwikkeling vanbestaande koopwoningen (-6,3% in beide jaren) ervoor kan zorgen dat de huurprijs moetdalen, ongeacht stijgende kosten voor verhuurders (2,5% in beide jaren).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 40613 indexatie van de WWS-tabel. Ook geldt dat, hoewel met een hogerindexatiepercentage investeringsbereidheid verbeterd kan worden, lastigobjectief vast te stellen is wanneer deze voldoende verbeterd is of welkekoppeling daadwerkelijk zorgt voor een hogere huuropbrengst over tijd.Doordat de huidige indexatiesystematiek gegrond is in een objectief feit,de jaarlijkse stijging van kosten voor verhuurders, hebben huurders enverhuurders langjarig zekerheid over de stijging van huurprijzen. Ditversterkt het vertrouwen binnen de huursector en stimuleert daarmeelangdurige investeringsbereidheid.Binnen de huidige kostengedreven systematiek is het niet logisch hetinflatiepercentage met een relatief willekeurige 1% te verhogen. Inflatie(CPI) geldt als een goede maatstaf voor de toegenomen jaarlijkse kostenvan verhuurders. Een ophoging van dit percentage heeft bovendieneffecten op de betaalbaarheid van huren als gevolg. Een alternatievemethodiek zoals de prijsontwikkeling van koopwoningen houdt onvol-doende rekening met de gevolgen voor huurders en kan door volatiliteitongewenste neveneffecten hebben. De CAO-loonstijging is als grondslagniet relevant voor de stijging in investeringskosten en onzeker is ofdaarmee investeringsbereidheid wordt gestimuleerd.De indexatiemethode van het WWS is actief besproken en gewogen in hetkader van de totstandkoming van de Wbh. Daarbij is overwogen dat metde verdiencapaciteit van verhuurders rekening wordt gehouden in hetWWS, nu dit jaarlijks met inflatie wordt geïndexeerd. Tijdens de evaluatievan de Wbh in 2027 wordt in den brede bezien of het WWS, inclusiefindexatiemethodiek, voldoende investeringsbereidheid genereert. Daarbijbekijk ik ook alternatieve beleidsopties binnen de huurprijsregulering enandere factoren die een impact op de investeringsbereidheid kunnenhebben.Evaluatie nieuwbouwopslag in het WWSMet de invoering van de Wbh en onderliggende regelgeving op 1 juli 2024zijn maximale huurprijzen komen te gelden in het middenhuursegment.Om ervoor te zorgen dat de nieuwbouw in een tijd van woningtekortgestimuleerd zou blijven, is gelijktijdig in het WWS de nieuwbouwopslagingevoerd. De nieuwbouwopslag geldt voor middenhuurwoningenwaarvan de oplevering na 1 juli 2024 is en de start bouw voor 1 januari2028 is aangevangen. De nieuwbouwopslag betreft een maximalehuurprijsopslag van 10% die twintig jaar geldig is.Conform het amendement Flach27 moet uiterlijk op 1 juli 2027 een verslagaan uw Kamer verzonden zijn waarbij ingegaan wordt op de noodzaak vaneen eventuele voortzetting van de nieuwbouwopslag na 1 januari 2028,om de bouw van nieuwe middenhuurwoningen op gang te houden. In hetkader van de invoeringstoets van de Wbh (zie Bijlage I) is op dit punt doorverhuurders aangegeven dat de deadline van 1 januari 2028 eenbelangrijk knelpunt vormt. Door lange doorlooptijden bij procedures bij derechtbank en de Raad van State kunnen ontwikkelaars niet garanderen datde bouw van nieuwe woningen vóór 1 januari 2028 van start gaat. Ditzorgt bij investeerders voor onzekerheid over het kunnen toepassen vande nieuwbouwopslag bij nieuwbouwplannen. Een vertraging kan directegevolgen hebben voor de financiële onderbouwing van projecten,aangezien de mogelijkheid de nieuwbouwopslag toe te passen onderdeeluitmaakt van de business case. Volgens verhuurders kan deze onzekerheidertoe leiden dat projecten in sommige gevallen niet meer worden27Kamerstuk 36 496, nr. 48.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 40614 opgestart. De urgentie van dit vraagstuk neemt verder toe naarmate 2028dichterbij komt.Een eventuele verlenging van de nieuwbouwopslag na 1 januari 2028vereist wijziging van het Bhw28. Daarom moet – indien daartoe noodzaakbestaat – conform de oproep van het lid Rietkerk (CDA)29 tijdig een trajectgestart worden om tot aanpassing van de regelgeving te komen. Daaromwordt u per 1 januari 2027 geïnformeerd over de toekomst van denieuwbouwopslag in het WWS. Daarbij zal gekeken worden naar het dangeldende woningtekort en de ontwikkelingen binnen de voorraad aanhuurwoningen zoals die halfjaarlijks aan uw Kamer worden medegedeeld.VervolgIk blijf de ontwikkelingen op de huurmarkt nauwlettend volgen, metspecifieke aandacht voor de effecten van de Wbh op verhuurders. In hetvoorjaar van 2026 zal ik uw Kamer opnieuw informeren, dan met demonitoringscijfers over de tweede helft van 2025 en eventuele aanvul-lende onderzoeken en cijfers. Naast het monitoren van de data blijf ik ingesprek met investeerders, inclusief particuliere verhuurders, om eenactueel en volledig beeld van de marktontwikkelingen te behouden. Tot deformele evaluatie van de Wbh in 2027 zal ik deze lijnen blijven volgen ende vinger aan de pols houden. Tegelijkertijd zal ik waar nodig de signalenuit de invoeringstoets van de Wbh tussentijds al nader onderzoeken, omte zorgen voor een optimale uitvoering en doorwerking van de wet.Voor de vervolgstappen van het ontwerpbesluit aanpassingen regelgevingverhuurders wacht ik het gesprek met uw Kamer af. Ik wil hierbijnogmaals het belang onderstrepen van een gezonde (midden)huurmarkt,waarin voldoende ruimte is voor verhuurders om woningen te verhurenen voor huurders om een betaalbare woning te vinden.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. Keijzer28Een eventuele wijziging zal ook bij wijze van voorhang aan beide Kamers worden voorgelegd,conform art. 46 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.29Handelingen I 2023/24, nr. 36 – item 8, p. 29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 926, nr. 40615

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3689bfda14e2af2d

14 okt 2026 · 6af308e80ed7cf43

13 okt 2026 · 3a2d62de0bea7a3c

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.