Verslag van een schriftelijk overleg over Hoofdlijnenbrief wetsvoorstel differentiatie pabo (Kamerstuk 27923-498)
Brontekst
Versie bdc28ea04ede7fdc · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202527 923Werken in het onderwijsNr. 511 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 25 april 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap over de brief van 20 december 2024 over over Hoofdlij-nenbrief wetsvoorstel differentiatie pabo (Kamerstuk 27 923, nr. 498).De vragen en opmerkingen zijn op 19 februari 2025 aan de Staatssecre-taris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 24 april 2025 zijn devragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Arends kst-27923-511ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5111 InhoudIVragen en opmerkingen uit de fracties2Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2Inbreng van de leden van de VVD-fractie4Inbreng van de leden van de NSC-fractie5Inbreng van de leden van de D66-fractie7Inbreng van de leden van de BBB-fractie8Inbreng van de leden van de CDA-fractie9Inbreng van de leden van de SGP-fractie9Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie11IIReactie van de Minister en Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap11 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met zorg kennisge-nomen van de onderhavige hoofdlijnenbrief. Zij zien het lerarentekort alséén van de grote problemen van het Nederlandse onderwijs in deze tijden zijn zich bewust dat dit lerarentekort scholen ongelijk treft, zodatscholieren op sommige basisscholen door lesuitval of door inzet vanonbevoegde docenten minder (goed) onderwijs krijgen en dezen daardooral op jonge leeftijd een achterstand oplopen die hun toekomstkansenernstig schaadt. Zij vrezen echter dat de situatie er niet echt beter opwordt met de beoogde differentiatie van de pabo in nieuwe losseopleidingen voor het jonge en het oudere kind. Als de beoogde differen-tiatie al een component gaat vormen van de uitvoering van de motie vanhet lid Pijpelink, die de regering vroeg om een minstens vijftien jaardurend noodplan tegen het lerarentekort1, dan mogen zij toch hopen dater daarnaast véél belangrijkere componenten in dit noodplan aan bodkomen. Wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft zou het beterwerken om het vak van leraar aantrekkelijker te maken door leraren meerzeggenschap te geven op de werkvloer, papierwerk terug te dringen en dearbeidsvoorwaarden te verbeteren. Wat ondernemen de beide bewinds-lieden op deze punten?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie achten het essentieel dat eenleraar in het basisonderwijs zich bewust is van de gehele ontwikkeling vaneen kind in de basisschoolperiode, van vier tot twaalf jaar oud. Dit geeftdeze leraar immers de mogelijkheid om in te spelen op de specifiekebehoeften van leerlingen en hen optimaal te ondersteunen in hunontwikkeling. Het creëren van gescheiden opleidingsroutes en hetontbreken van kennis over de gehele leerlijn belemmert deze integralebenadering. Dit menen ook de onderwijsvakbonden AOb en CNVOnderwijs, de schoolleiders, verenigd in de AVS2, de PO-Raad, deVereniging Hogescholen en het Landelijk Overleg LerarenopleidingBasisonderwijs, blijkens hun brief d.d. 17 januari 20253. Kennelijk heeft debeoogde differentiatie in twee leerroutes maar bitter weinig draagvlak inhet onderwijsveld. Op welke wijzen willen de Minister en Staatssecretaristegemoetkomen aan de bezwaren die leven in het onderwijsveld?1Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 602AVS: Algemene Vereniging van Schoolleiders3Brief 2025D01530.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5112 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat veel meesterskinderen op een andere manier weerbaar maken dan de meeste juffen enze daarmee voor jongens wel eens een rolmodel zijn. Als dit eenrechtvaardiging vormt om meer mannen te interesseren voor depabo-opleiding, dan betekent dit nog niet per se dat er moet wordengekozen voor differentiatie in nieuwe losse opleidingen voor het jonge enhet oudere kind. Welke andere mogelijkheden hebben de Minister enStaatssecretaris overwogen? Hebben de Minister en Staatssecretaris ookoverwogen om juist ruimte te geven voor ontdekking binnen de opleiding,in plaats van te snel te splitsen in verschillende richtingen, zodat eenpabostudent de gelegenheid krijgt om eventueel ook te ontdekken dat hijlesgeven aan jongere kinderen bij nader inzien veel leuker vindt danverwacht, zoals gebeurt bij de pabo van de Driestar Hogeschool? Watkunnen zij zeggen over de pabo van de Hogeschool Utrecht die op anderemanieren de pabo aantrekkelijker maakt voor mannen en waar hetaandeel mannelijke studenten 23% bedraagt4?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de Minister enStaatssecretaris kunnen melden over de resultaten van de stichting meerpersoneel in het onderwijs (www.endanbenjeleraar.nl), die actief werktaan het werven van pabostudenten door bijvoorbeeld op beroepen-beurzen aanwezig te zijn en door mensen de mogelijkheid te bieden omeen uur in de klas mee te draaien? Blijkt deze aanpak mannen op eenlaagdrempelige manier kennis te laten maken met het onderwijs? Dezeleden constateren dat veel mannen die aan de pabo beginnen, deopleiding voortijdig verlaten, vaak omdat ze achteraf ontdekken dat hetlesgeven toch niet is wat ze ervan hadden verwacht. Is de Minister bereidom een onderzoek te laten doen naar mogelijke oorzaken en naarmanieren om het behoud van mannelijke studenten te verbeteren?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de onderhavige brief datslechts 13% van de leraren in het primair onderwijs man is, maar dat ditook internationaal speelt en in de OESO gemiddeld 83% van de leraren inhet primair onderwijs vrouw is en binnen de EU 86%. In welke landen inde EU en/of de OESO is nu al sprake van een differentiatie in losseopleidingen voor het jonge en het oudere kind en wat zijn daar depercentages mannen en vrouwen die in het primair onderwijs voor de klasstaan?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in hoeverre in Nederlandbij de keuze van mannen voor het lerarenberoep de Wet van Sullerot5 eenbelangrijke verklaring vormt. Biedt dit dan ook geen andere perspectievenvoor de mogelijkheden om meer mannen te interesseren voor hetlerarenberoep? Kunnen de Minister en Staatssecretaris ook reflecteren opwetenschappelijk onderzoek6 dat erop wijst dat je de pabo pas echtspecifiek aantrekkelijker maakt voor mannen, door je onder andere terichten op de status van het beroep en tegen het gebrek aan specialisten-rollen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen eveneens welkeoplossingen de bewindspersonen voor ogen staan bij de extra organisato-rische problemen die het splitsen van de bevoegdheden voor school-4«Pabo «splitsen»? Slecht idee, vindt directeur Luycx» in Trajectum Online, 4 februari 2025(https://www.hu.nl/nieuws/pabo-splitsen-slecht-idee-vindt-directeur-luycx).5Evelyne Sullerot: Histoire et sociologie du travail fe´minin, 1968.6Jan van Tartwijk, Douwe Beijaard en Martine van Rijswijk: Whitepaper Lerarentekorten. Overoorzaken, beleid en oplossingen, 4 april 2023 (https://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/427915/2023_04_van_Tartwijk_Beijaard_van_Rijswijk_Whitepaper_lerarentekorten.pdf?sequence=1).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5113 leiders met zich meebrengt. Hoe moeten scholen die in combinatie methet bestaande lerarentekort opvangen? Als bijvoorbeeld een schoolleidereen vacature plaatst voor een leerkracht voor groep 4, dan mag dezestraks alleen lesgeven aan groep 1, 2, 3 en 4. Als een jaar later deleerkracht van groep 7 weggaat, kan die onderbouwleerkracht niet naargroep 7. Kwalificeert de Staatssecretaris dit niet als een zeer onhandigeconstructie? Onderkent zij niet dat breed opgeleide leraren, ongeacht hungeslacht, nodig blijven?Klopt het beeld dat het zo’n € 200.000 kost om een pabo-curriculum teherzien? Bestaan er aanwijzingen dat de pabo’s nog zo’n bedrag ergensop de plank hebben liggen? Hoeveel middelen wil het kabinet er andersvoor vrijmaken, zo vragen deze leden.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dehoofdlijnenbrief wetsvoorstel differentiatie pabo. Deze leden zijn blij datde regering de motie van het lid De Kort c.s.7 voortvarend ter hand heeftgenomen en bezig is met een wetsvoorstel om twee pabo-specialisatiesmogelijk te maken, zoals ook afgesproken in het hoofdlijnenakkoord enregeerprogramma.Wat deze leden betreft zorgt een gesplitste pabo voor een bredereaantrekkingskracht van de opleiding, zowel voor mannen als vrouwen. Zijvragen hoe het wetsvoorstel differentiatie pabo past in het bevorderenvan de toestroom en interesse van mannen voor werk in het basison-derwijs. Zij vragen hoe er uitvoering gegeven wordt aan de motie van hetlid Ceder c.s.8 over meer mannen voor de klas en hoe dit wetsvoorsteldaaraan bijdraagt.Daarnaast zorgt splitsing volgens deze leden ook voor meer focus in hetcurriculum, wanneer de opleiding niet meer tot een lesbevoegdheid voorde gehele breedte van het primair onderwijs hoeft op te leiden. Dezeleden blijven van mening dat hiermee ook meer ruimte komt vooronderwijs in basisvaardigheden. Zij vragen het kabinet daarop tereflecteren.Huidige inzet op leeftijdsprofilering brede paboDe leden van de VVD-fractie lezen maar horen ook veel terug dat er oppabo’s al gewerkt wordt met leeftijdsprofilering waarbij pabostudentenkunnen kiezen voor een focus op het jonge dan wel het oude kind.Tegelijkertijd lezen deze leden de constatering van de Staatssecretaris datdeze leeftijdsprofilering onvoldoende leidt tot het verhogen van deinstroom. Deze leden vinden het wenselijk om alle mogelijkheden tot hetverhogen van de instroom bij de pabo’s te benutten en vragen hoe hetwetsvoorstel differentiatie pabo daaraan bij gaat dragen, bovenophetgeen nu al kan en gedaan wordt.Mogelijk maken van nieuwe opleidingen voor het jonge en oudere kindDe leden van de VVD-fractie constateren dat dit wetstraject eerder isdoorlopen en eind 2020 ter internetconsultatie is gepubliceerd. Eenveelgehoorde reactie toen en ook nu is de doorlopende leerlijn, zo wetendeze leden, waarbij critici noemen dat leraren met een smallebevoegdheid essentiële kennis over deze leerlijn zouden missen. De leden7Kamerstuk 27 923, nr. 473.8Kamerstuk 27 923, nr. 467Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5114 van de VVD-fractie vragen of en hoe dat bij deze nieuwe wetgevingondervangen wordt. Hoe kijkt het kabinet aan tegen het advies omoverlappende splitsing te maken tussen de smalle bevoegdheid enopleiding zoals geadviseerd door de landelijke expertisecentra? Ziet hetkabinet mogelijkheden voor bepaalde eisen aan lesmateriaal om eeneventuele lacune te vullen dan wel overbruggen in de kennis over deverschillen tussen het oudere en jongere kind?De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet bewust niet kiest voortracks in pabo-opleidingen omdat dit onvoldoende ruimte geeft om vande huidige opleiding af te wijken. Zij vragen dat nader te duiden. Dezeleden zouden een snellere realisatie, gezien de huidige tekorten, aanmoe-digen. Kan het kabinet schetsen tegen welke belemmeringen er hieraangelopen wordt?Betrokkenheid onderwijsveldDe leden van de VVD-fractie zijn blij met de geschetste nauwe betrok-kenheid van het onderwijsveld bij deze wetgeving en moedigen dat aan.Zij vragen of er in de gesprekken met het veld al gelukt is om tot eenbredere consensus te komen over een uniforme leeftijdsgrens envooropleidingseisen en zo nee, hoe deze gesprekken lopen.De leden van de VVD-fractie vragen eveneens of er ook gesproken wordtmet (aankomende) pabostudenten en geïnteresseerde scholieren om tetoetsen wat daar de behoeften, zorgen en gedachten zijn. Op welkemanier krijgt dit vorm? Deze leden zijn benieuwd of scholieren aangeveneerder voor een pabo-opleiding te zouden kiezen als er een aparteopleiding voor het jonge en oude kind bestaat en zien uit naar deresultaten van het beschreven onderzoek.Ontwikkeling kennisbases en opleidingenDe leden van de VVD-fractie lezen dat een instelling die een aparteopleiding voor het jonge en/of oudere kind wil starten een aanvraag totaccreditatie moet doen. Zij vragen in hoeverre dit geldt voor reedsgeaccrediteerde pabo-scholen en of zij eenzelfde traject van twee jaarmoeten doorlopen.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dehoofdlijnenbrief wetsvoorstel differentiatie pabo en hebben daarover eenaantal opmerkingen en vragen.De leden van de NSC-fractie lezen over een stijging van de instroom in depabo. Zij vragen, gezien het tekort aan mannelijke leraren in het primaironderwijs, welk aandeel hiervan man is. Is er ook een stijging van hetaantal mannen dat zich heeft ingeschreven in de pabo? Zo ja, zijn zij ookin aandeel van de totale instroom toegenomen? Zijn hier cijfers overbekend? Deze leden zijn ook benieuwd naar wat nu precies de omvangvan lerarentekort in het po9 is en welke definitie van «tekort» daarbijgehanteerd wordt.De leden van de NSC-fractie lezen verder dat de huidige breedte van deopleidingen sommigen mogelijk afschrikt die zich juist graag willenrichten op één doelgroep. Het introduceren van nieuwe pabo-opleidingenmet een exclusieve focus op deze doelgroepen zou mogelijk een effectief9po: primair onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5115 instrument zijn om nieuwe mensen voor het primair onderwijs teenthousiasmeren. Tegelijkertijd is een veelgehoorde zorg dat eengedifferentieerd opleidingsaanbod zal leiden tot verminderde inzet-baarheid van leerkrachten. Hoe kijken de bewindspersonen tegen dezezorg aan?De leden van de NSC-fractie merken op dat het effect van een gedifferen-tieerd pabo-aanbod op de inzetbaarheid in belangrijke mate afhankelijk isvan de vraag of aankomende studenten die nu een voorkeur hebben voorde bestaande brede opleiding anders zouden kiezen, mocht er eengedifferentieerd alternatief voorhanden zijn. Alleen in dat laatste gevalleidt differentiatie tot verminderde inzetbaarheid ten opzichte van dehuidige situatie, omdat studenten die anders voor de brede opleidingzouden kiezen dat in het nieuwe scenario niet meer zouden doen (maardaarentegen voor smalle bevoegdheid zouden kiezen). In het andere gevalzou een differentiatie juist een geheel nieuwe doelgroep mobiliseren diein de huidige situatie geheel geen interesse heeft in de pabo. Ten opzichtevan de huidige situatie zou het laatste scenario dus tot een vermeerderde(zij het niet een ideale) inzetbaarheid leiden. Hebben de bewindspersonendeze verschillende scenario’s voor ogen en hebben zij in beeld wat heteffect zal zijn van differentiatie op studenten die nu voor de pabo kiezen inde huidige brede vorm?Aansluitend op het voorgaande vragen de leden van de NSC-fractie wathet verwachte effect is van een differentiatie op het stelsel vanpabo-instellingen als geheel. Bestaat er een risico dat sommige instel-lingen meer voordeel uit een differentiatie halen dan andere instellingen,bijvoorbeeld omdat ze er qua middelen beter voorstaan en hoe groot is ditrisico? Is het mogelijk dat differentiatie tot een waterbed-effect leidt en datdeze zelfs van dusdanige omvang is dat het voortbestaan van kwets-baardere instellingen daarbij onder druk komt te staan? Zo ja, hoe kijkende bewindspersonen aan tegen deze mogelijkheid en welke maatregelenhebben zij voor ogen om daarmee om te gaan?De leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet van oordeel is dat hetverdiepen van de leeftijdsprofilering weliswaar een positieve ontwikkelingis die evenwel nog onvoldoende effect lijkt te hebben. Deze leden vragenhoe groot dat effect nu dan is.De leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet op dit moment wacht opde resultaten van een onderzoek naar hoeveel aankomende studenteneventueel geïnteresseerd zijn in het volgen van een gespecialiseerdeopleiding met een smallere bevoegdheid. Klopt het dat deze resultateneen rol gaan spelen in de besluitvorming over of er wel of geen wettelijkebasis voor nieuwe opleidingen zal komen? Zo ja, hoe groot moet deinteresse zijn om al dan niet tot nieuwe wetgeving over te gaan?Een gedifferentieerde pabo zou als gevolg hebben dat naast een «bredebevoegdheid» er ook een «smalle bevoegdheid» komt. De leden van deNSC-fractie merken daarbij op dat de studielast in beide gevallenhetzelfde blijft en dat vertegenwoordigers van de beroepsgroep hiervraagtekens bij zetten, net als deze leden. Hoe beoordelen deze bewinds-personen dat het behalen van een smalle bevoegdheid eenzelfdestudielast zou vereisen als het behalen van een brede bevoegdheid?De leden van de NSC-fractie merken tot slot op dat, zoals in de belisnotate lezen valt, het CDHO10 twijfels heeft over de doelmatigheid van devoorgestelde nieuwe pabo-opleidingen, omdat de huidige brede opleiding10CDHO: De Commissie Doelmatigheid Hoger OnderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5116 al voorziet in de arbeidsmarktbehoefte en dat er dus een risico is datinstellingen geen goedkeuring krijgen mochten zij een aanvraag indienenvoor het opstarten van een gedifferentieerde opleiding. Kunnen debewindspersonen hier een reactie op geven?Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomenvan de hoofdlijnenbrief. In een brief vol ingebouwde onzekerheden enzonder enige deugdelijke analyse of rationale proberen de bewindsper-sonen achteraf een politiek besluit te onderbouwen, dat moeilijk teonderbouwen is. Zonder in te gaan op de probleemstelling en daaruitlogisch volgende oplossingen. Deze leden hebben grote vraagtekens bijde probleemanalyse, de proportionaliteit van het voorstel en de onderlig-gende rationale.De leden van de D66-fractie merken op dat de bewindspersonen allerleivoorzichtige bewoordingen gebruiken, zoals «mogelijke oorzaken» vooreen weinig diverse instroom en de breedte van de opleiding die «mogelijkafschrikt». Als zij zo weinig zekerheid hebben over de oorzaken, waaromdan toch zo’n ingrijpende wijziging? Deze leden missen een heldereprobleemanalyse, gevolg door een oplossing en een bijpassenderationale. De onderwijsgeschiedenis leert dat ingrijpende wijzigingenstevig onderbouwd moeten worden met een deugdelijke probleem-analyse. Zijn de bewindspersonen het daarmee eens en vinden zij dat dithier het geval is? Deze leden lezen echter geen enkele onderbouwing nochrationale voor de voorliggende wijziging. Welk exact beleidsdoel heeft hetkabinet voor ogen? Welk onderzoek of evaluatie heeft de Minister om teconstateren dat het huidige specialisatiemodel niet voldoende werkt?Welk onderzoek heeft het kabinet om aan te tonen dat dit dé maatregel isom een meer diverse instroom te realiseren? Welke rationale heeft deMinister om niet in te zetten op meer proportionele maatregelen, zoalsbijvoorbeeld de bekendheid van het huidige specialisatiemodel? Dezeleden lezen in de brief dat de Minister stelt dat het verdiepen van deleeftijdsprofilering binnen de pabo een positieve ontwikkeling is, maar dathet onvoldoende leidt tot het verhogen en verbreden van de instroom. Zijvragen welke doelstellingen er gekoppeld zijn aan het verdiepen van deleeftijdsprofilering en wanneer die behaald zouden moeten zijn. Zij vragenbovendien welke evaluatie heeft aangetoond dat de instroom momenteelonvoldoende is toegenomen naar aanleiding van de leeftijdsprofilering,en wat dan wél «voldoende» is.De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister van mening is dat «voormannen geldt dat zij zich over het algemeen meer aangetrokken voelentot het geven van onderwijs aan de bovenbouw». Zij vragen of de Ministerdeze claim kan onderbouwen. Slaat dit op de 1,3 procentpunt uit hetonderzoek van Qompas uit 2018? De leden vragen hoeveel mensen dezestijging van 1,3 procentpunt in absolute aantallen zouden zijn. De ledenmerken op dat de Minister spreekt over «een kleine extra groep». Hoegroot is deze groep precies en acht de Minister het proportioneel omondoelmatige opleidingen toe te voegen aan het stelsel voor «een kleineextra groep»? Bovendien lezen deze leden in het onderzoek van Qompasuit 2018 dat «de aparte analyse voor mannen en vrouwen laat zien datspecialisatie bij zowel mannen als vrouwen geen effect heeft op deintentie om leraar in het po te worden» (p. 24). Hoe reflecteert de Ministerhierop? Bovendien laat onderzoek zien dat nieuwe, smalle, opleidingenjuist ook bestaande opleidingen kunnen kannibaliseren. Welke toename inleraren verwacht het kabinet concreet, met inachtneming van dezekannibalisatie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5117 De leden van de D66-fractie merken op dat uit de beslisnota bij de briefblijkt dat zowel de CDHO en de NVAO11 geen voorstander zijn van hetvoorstel. Het CDHO twijfelt of de kabinetsplannen door een macrodoelma-tigheidstoets komen. Is de Minister bereid om vooraf aan hetCDHO-advies te vragen op het gebied van macrodoelmatigheid, alvorenseen intensief juridisch traject te starten waarna de nieuwe opleidingenmogelijk niet door de macrodoelmatigheidstoets komen? Hoe reflecteertde Minister op het standpunt van de CDHO dat smalle opleidingen nietdoor de macrodoelmatigheidstoets komen?De leden van de D66-fractie hebben vragen bij de proportionaliteit van devoorgestelde maatregelen. Zij denken dat de energie beter is besteed aanmaatregelen waarvan er tenminste enigszins is aangetoond dat het effectheeft op het aantal leraren voor de klas. Zo noemen (potentiële) lerarenbijvoorbeeld het salaris, de werkdruk en het gebrek aan doorgroeimoge-lijkheden. Kan de Minister een op onderzoek gebaseerde top tien gevenvan redenen waarom afzonderlijk mannen en vrouwen tóch geen leraarwillen worden? Welke alternatieve maatregelen zijn volgens de Ministerdenkbaar om hierop in te spelen?Tot slot vragen de leden van de D66-fractie in hoeverre het voorstel steunheeft bij de onderwijssector. Zij merken op dat AOb, CNV, AVS, PO-Raad,VH12 en LOBO13 allemaal tegen het voorstel zijn. Hoe reflecteert deMinister hierop? Denkt de Minister dat het zinvol is om een voorstel doorte voeren waar niemand voor is? De leden merken bovendien op dat deMinister in het vorig schriftelijk overleg over dit onderwerp stelt: «Wevinden het van groot belang om de beroepsgroep actief te betrekken in dittraject.». Hoe zijn leraren betrokken geweest bij de hoofdlijnenbrief? Vindtde Minister het nog steeds van groot belang om de beroepsgroep actief tebetrekken, en zo ja, wat doet het kabinet met de (terecht) bijzondernegatieve reactie van de AOb op de hoofdlijnenbrief?Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de hoofdlijnen-brief wetsvoorstel differentiatie pabo. De leden hebben hier enkele vragenen opmerkingen over.Een lid van de BBB-fractie was eerder medeondertekenaar van een motiedie om de splitsing vroeg. Deze leden zijn voor het aantrekken van een zodivers mogelijke groep om het lerarentekort tegen te gaan en om tezorgen voor rolmodellen voor alle leerlingen. Eén van de mogelijkeoorzaken voor de te kleine instroom is het imago van het lerarenberoepen de opleiding. Voor mannen geldt dat zij zich over het algemeen meeraangetrokken voelen tot het geven van onderwijs aan de bovenbouw. Dehuidige breedte van de opleiding schrikt hen mogelijk af. Deze leden zijndus blij dat er nu werk van wordt gemaakt.De leden van de BBB-fractie hebben vragen bij de voorgestelde uitwerkingvan het wetsvoorstel en het vervolgtraject. Een overweging in de motiewas dat er reeds een wetsvoorstel werd voorbereid om de splitsing vanbevoegdheden binnen de pabo mogelijk te maken. De regering werd danook verzocht vaart te maken met het wetsvoorstel. De uitwerking in dehoofdlijnenbrief lijkt echter uit te gaan van een heel nieuw traject. Graagontvangen deze leden hier een reactie op.11NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie12VH: Vereniging van Hogescholen13LOBO: het Landelijk Overleg Lerarenopleiding BasisonderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5118 Een ander argument voor een splitsing van de pabo is dat naar het ideevan de leden van de BBB-fractie kleuters in psychologisch opzicht te vaakbenaderd worden als jonge schoolkinderen. Hierbij dan ook de vraag of erin het verdere traject specifieke aandacht kan worden gegeven aan deontwikkelingsfase van kleuters, bijvoorbeeld door de Werk- en SteungroepKleuteronderwijs (WSK) te betrekken. Tot slot vragen de leden van deBBB-fractie of de aanbevelingen uit het door ResearchNed uitgevoerdeonderzoek «Meer Meesters» kunnen worden meegenomen bij de verdereuitwerking.Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de hoofdlijnen-brief en hebben hierover nog enkele vragen. Deze leden constateren dat inhet veld flinke bezwaren leven ten aanzien van het voorstel om de pabo tesplitsen. Deze bezwaren zijn deels principieel en deels praktisch van aard.De principiële bezwaren gaan onder andere over dat het belangrijk is datde leraar zich bewust is van de gehele ontwikkeling van een kind tussenvier en twaalf jaar en hierover kennis heeft. Praktische bezwaren zienonder andere op het feit dat het kan leiden tot minder mobiliteit, kleinerecontracten, mogelijke problemen bij vervanging, het feit dat studententijdens de opleiding of tijdens hun werkzame leven erachter kunnenkomen dat ze toch liever een andere leeftijdsgroep lesgeven, de kosten, enhet feit dat er al mogelijkheden bestaan om je als leraar of student tespecialiseren. Deze leden vragen of de Minister deze bezwaren herkent endeelt, en of hij op deze bezwaren afzonderlijk wil reageren. Ook vragendeze leden welke verwachte voordelen de Minister hier tegenover zet enof hij deze verwachte voordelen wil onderbouwen.Inbreng van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de hoofdlijnenbrief. Deze leden hechten aan een zorgvuldig traject enzij hebben daarom nog een aantal vragen.De leden van de SGP-fractie vragen hoe de bewindslieden reageren op dekritiek van het onderwijsveld dat het voorstel niet zou bijdragen aan eenhogere instroom en een meer diverse populatie. Hoe zijn deze stellingente verenigen met eerdere onderzoeken die aangaven dat een verder-gaande specialisatie volgens een behoorlijk deel van de aspirant-studenten wel een overwegend positief effect zou hebben?De leden van de SGP-fractie zouden graag meer inzicht krijgen in hoeverrehet voorstel daadwerkelijk tot en forse beperking van de mobiliteit binnenbasisscholen zou leiden. Deze leden constateren dat het al geruime tijdgeleden is dat een onderzoek is gedaan naar de mobiliteit van hetpersoneel (Regioplan, 2011). Het onderzoek liet echter nog veel vragenopen, onder andere doordat een specifieke focus op het onderscheidtussen kleutergroepen en hogere groepen ontbrak. Kunnen de bewinds-lieden meer en actueler zicht bieden op de gevolgen voor de mobiliteit enzijn zij bereid te laten onderzoeken in hoeverre leraren daadwerkelijkmeerdere keren tijdens hun loopbaan overstappen van kleutergroepennaar hogere groepen?De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre de bewindslieden opbasis van het onderzoek van Qompas uit 2018 en andere onderzoeksge-gevens over de voorkeuren van scholieren en studenten de indruk heeftdat het inzetten op verdergaande specialisatie het investeren waard is.Kunnen zij toelichten waarom het onderwijsveld op basis van dezegegevens juist kritisch is over de meerwaarde?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5119 De leden van de SGP-fractie vragen of de bewindslieden inzichtelijkkunnen maken hoeveel opleidingen de kleuterstage als een verplichtonderdeel hanteren en in hoeverre studenten mogelijkheden om af tewijken. Welke mogelijkheden zien de bewindslieden om reeds binnen hetbestaande model, al dan niet vooruitlopend op het voorstel, meerkeuzevrijheid voor studenten te bieden. Hoe kunnen met de instellingen,gelet op de resultaten uit de inventarisatie van Divers voor de klas (juli2024), afspraken worden gemaakt om waar nodig concreet vooruitgang teboeken?De leden van de SGP-fractie vragen of de bewindslieden kunnenbevestigen dat ook binnen de voorgestelde splitsing leraren altijd ookkennis moeten hebben van de ontwikkeling van leerlingen tijdens devolledige basisschoolperiode, zodat onder andere de aansluitingvoldoende geborgd is en het gesprek over onderwijskwaliteit binnen hetteam op niveau gevoerd kan worden.De leden van de SGP-fractie vragen waarom een nader onderzoek isverricht naar de leeftijdsgrens voor splitsing, terwijl binnen de huidigespecialisaties en de brede en bestendige onderwijspraktijk de grens vanzeven jaar een duidelijk einde van de kleuterfase markeert. Vinden debewindslieden ook dat een verhoging van deze grens, het leggen van decesuur tussen groep 4 en 5, de essentie van het voorstel ondermijnt enbegrijpen zij het onbegrip in het onderwijsveld hierover? Gaan zij bij deuitwerking van het voorstel ook het advies van de Onderwijsraad uit 2018betrekken (Ruim baan voor leraren)?De leden van de SGP-fractie vinden het belangrijk dat het onderwijs in delaagste leeftijdsgroepen voldoende toegesneden is op de specifiekeontwikkelingsfase van kleuters. Deze leden wijzen op de suggestie van deWSK om in een proefproject met een aantal scholen ervaring op te doenmet het zogeheten ontwikkelingsvolgend en voorwaardenscheppendonderwijs en de resultaten op kwalitatieve wijze in beeld te brengen. Dezeleden vragen of de bewindslieden bereid zijn in gesprek met de WSK teverkennen hoe een dergelijk onderzoeksproject met een groep scholenkan worden uitgevoerd ter ondersteuning van de voorgenomen plannen.De leden van de SGP-fractie vragen welke overwegingen de bewinds-lieden hebben om af te wijken van de adviezen van de NVAO en het CDHOom juist wel te kiezen voor tracks in plaats van afzonderlijke opleidingen.Hoe reageren zij op de conclusie uit de tweede tussenevaluatie van depilots dat vraagtekens te plaatsen zijn bij de levensvatbaarheid vanafzonderlijke opleidingen? Deze leden vragen de bewindslieden ook in tegaan op het bezwaar van de instellingen dat de wijzigingen tot hogekosten en veel bureaucratie gaan leiden als het gaat om de toets opdoelmatigheid. Welke ondersteuning bieden zij hierbij, inhoudelijk enfinancieel? Hoe willen zij waarborgen dat het een volwaardige keuze isvoor instellingen om wel of geen afzonderlijke opleidingen aan te biedenen dat oneigenlijke concurrentie hierbij niet de drijvende kracht wordt?De leden van de SGP-fractie vragen waarom de bewindslieden tenaanzien van kleuters en bovenbouw geen differentiatie in naderevooropleidingseisen willen toepassen, terwijl de vaardigheden voor dezegroepen wezenlijk verschillen. Waarom zien zij in het rapport van deexpertisecentra geen aanleiding om dit juist nader te overwegen? Opwelke inhoudelijk overwegingen berust bijvoorbeeld de keuze om tenaanzien van rekenen dezelfde eisen toe te passen op de leraar die enkelverantwoordelijk is voor het onderwijs aan kleuters en degenen die ingroep 8 geacht wordt het niveau van de onderbouw van het voortgezetonderwijs te bedienen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51110 Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de hoofdlijnenbrief over het wetsvoorstel differentiatie pabo.Deze leden hebben enkele vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie juichen maatregelen toe diebevorderen dat meer mannen ervoor kiezen om meester te worden én ommeester te blijven, maar zijn sceptisch over het plan om de pabo tesplitsen. Deze leden kijken dan ook met belangstelling uit naar deresultaten van het onderzoek waaruit moet blijken hoeveel extrastudenten de gespecialiseerde opleidingen zouden aantrekken, maar zienook de bezorgde reacties uit de sector. Zo merkt de sector op dat splitsingvan de pabo juist het lerarentekort zou kunnen vergroten. Tevens zou hetcreëren van gescheiden opleidingsroutes het moeilijker maken voorleraren om zich bewust te zijn van de gehele ontwikkeling van een kind inde basisschoolperiode. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen deMinister of uit onderzoek blijkt of deze zorgen terecht zijn en zo ja, hoe deMinister op deze onderzoeken reflecteert. Mocht hier geen onderzoek naarzijn gedaan, is de Minister bereid om deze bezwaren alsnog te onder-zoeken?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de rapportage «Inventari-satie maatregelen «mannen op de pabo» dat de inzet van peers enrolmodellen alsmede de begeleiding in de inductiefase de twee maatre-gelen zijn uit het ResearchNed-rapport die het minst worden uitgevoerd.De leden vinden verdere opvolging van deze aanbevelingen van belang.Welke stappen is de Minister van plan op deze punten te zetten?Tevens lezen de leden van de ChristenUnie-fractie in de genoemderapportage dat het opvolgen van de aanbevelingen uit het ResearchNed-rapport niet hebben geleid tot een toename van de instroom en van hetstudiesucces van mannelijke studenten op de pabo en bevelen verderonderzoek aan. Is de Minister bereid om deze aanbeveling op te volgen enverder onderzoek uit te laten voeren? Zo nee, waarom niet?De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij met de vervolgstappen diede Alliantie Divers voor de klas zet om meer mannen voor de klas tekrijgen. De leden vragen of er al eens een werkbezoek en/of gesprek heeftplaatsgevonden met de Minister en Staatssecretaris met de Alliantie. Zonee, zijn ze bereid dat alsnog te doen?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen tenslotte in de genoemderapportage dat slechts 10% van de pabo’s die mee hebben gedaan aan derapportage een kwantitatieve doelstelling geeft. Deze leden merken op datde aangenomen motie van het lid Ceder c.s.14 de regering oproept om inoverleg met onderwijsorganisaties een concreet doel voor te stellen enzien dus dat er voor de Minister nog wel wat werk aan de winkel is. Kande Minister toezeggen om vóór het zomerreces van 2025 aan de Kamerconcrete afspraken en een concreet doel te presenteren? Als hij dat nietkan, vragen de leden de Minister om deze traagheid te verklaren. Het isimmers inmiddels bijna een jaar geleden dat de genoemde motie isaangenomen.II Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met zorg kennisge-nomen van de onderhavige hoofdlijnenbrief. Zij zien het lerarentekort alséén van de grote problemen van het Nederlandse onderwijs in deze tijd14Kamerstuk 27 923, nr. 467Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51111 en zijn zich bewust dat dit lerarentekort scholen ongelijk treft, zodatscholieren op sommige basisscholen door lesuitval of door inzet vanonbevoegde docenten minder (goed) onderwijs krijgen en dezen daardooral op jonge leeftijd een achterstand oplopen die hun toekomstkansenernstig schaadt. Zij vrezen echter dat de situatie er niet echt beter opwordt met de beoogde differentiatie van de pabo in nieuwe losseopleidingen voor het jonge en het oudere kind. Als de beoogde differen-tiatie al een component gaat vormen van de uitvoering van de motie vanhet lid Pijpelink, die de regering vroeg om een minstens vijftien jaardurend noodplan tegen het lerarentekort, dan mogen zij toch hopen dat erdaarnaast véél belangrijkere componenten in dit noodplan aan bodkomen. Wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft zou het beterwerken om het vak van leraar aantrekkelijker te maken door leraren meerzeggenschap te geven op de werkvloer, papierwerk terug te dringen en dearbeidsvoorwaarden te verbeteren. Wat ondernemen de beide bewinds-lieden op deze punten?Het mogelijk maken van gespecialiseerde opleidingen voor het jonge enoudere kind is niet de enige maatregel die we nemen in het kader van hetlerarentekort. Op dit moment werken we ook aan een Herstelplan, waarinde genoemde thema’s aan bod komen. Zoals beschreven in de hoofdlij-nenbrief Herstelplan kwaliteit onderwijs15 die november jl. aan uw Kameris verzonden, focust het Herstelplan zich op drie overkoepelende thema’s.Het gaat daarbij om 1) «goed onderwijs voor elk kind: inzetten op lezen,schrijven en rekenen», 2) «goed en voldoende onderwijspersoneel voorieder kind» en 3) «randvoorwaarden voor goed onderwijs: bekostiging enveilige leeromgeving». In het thema «goed en voldoende onderwijsper-soneel», zal er expliciet aandacht zijn voor de inspraak van leraren en hetstimuleren van een aantrekkelijke arbeidsorganisatie door onder meerinzet op het verlagen van de werkdruk en door het verbeteren van hetontwikkel- / loopbaanperspectief van leraren. De komende periode zal deStaatssecretaris het Herstelplan verder uitwerken in concrete maatregelenen uw Kamer hierover voor de zomer informeren. Aanvullend hierop heeftde Staatssecretaris uw Kamer eerder ook toegezegd te werken aan eenwetsvoorstel «zeggenschap leraren en schoolleiders».De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie achten het essentieel dat eenleraar in het basisonderwijs zich bewust is van de gehele ontwikkeling vaneen kind in de basisschoolperiode, van vier tot twaalf jaar oud. Dit geeftdeze leraar immers de mogelijkheid om in te spelen op de specifiekebehoeften van leerlingen en hen optimaal te ondersteunen in hunontwikkeling. Het creëren van gescheiden opleidingsroutes en hetontbreken van kennis over de gehele leerlijn belemmert deze integralebenadering. Dit menen ook de onderwijsvakbonden AOb en CNVOnderwijs, de schoolleiders, verenigd in de AVS, de PO-Raad, deVereniging Hogescholen en het Landelijk Overleg LerarenopleidingBasisonderwijs, blijkens hun brief d.d. 17 januari 2025. Kennelijk heeft debeoogde differentiatie in twee leerroutes maar bitter weinig draagvlak inhet onderwijsveld. Op welke wijzen willen de Minister en Staatssecretaristegemoetkomen aan de bezwaren die leven in het onderwijsveld?We onderschrijven het belang dat leraren zicht hebben op de geheleontwikkeling van het kind in de basisschoolleeftijd. Ook voor leraren meteen smallere bevoegdheid, opgeleid aan een gespecialiseerde opleidingvoor het jonge of oudere kind, is het belangrijk dat zij op hoofdlijnenkennis hebben van de ontwikkeling die kinderen binnen de gehelebasisschool doormaken. We kunnen ons dan ook voorstellen dat deopleiding voor het jonge of oude kind voor een deel overeenkomt met het15Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 762.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51112 curriculum van de bestaande brede pabo-opleiding. Aanvullend daarophebben leraren met een smalle bevoegdheid meer diepgaande kennis vande ontwikkeling van kinderen binnen de gekozen leeftijdsgroep. Daarnaastgeldt voor de smallere bevoegdheid dat deze betrekking heeft op vijfgroepen, een substantieel deel van de acht groepen op de basisschool.Omdat de huidige brede opleiding blijft bestaan zullen er ook in detoekomst leraren zijn met een brede bevoegdheid. De verwachting is datbinnen schoolteams leraren met elkaar aanvullende kennis en ervaring,breed of smaller bevoegd, zullen samenwerken. Het voorstel omopleidingen mogelijk te maken voor het jonge en het oudere kind naast debestaande brede opleidingen, is één van de maatregelen om de pabomogelijk aantrekkelijker te maken voor een meer diverse doelgroep en zode instroom mogelijk te verhogen met studenten die zich direct vanaf destart van de opleiding in de gekozen leeftijdsgroep wil specialiserenmogelijk te verhogen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat veel meesterskinderen op een andere manier weerbaar maken dan de meeste juffen enze daarmee voor jongens wel eens een rolmodel zijn. Als dit eenrechtvaardiging vormt om meer mannen te interesseren voor depabo-opleiding, dan betekent dit nog niet per se dat er moet wordengekozen voor differentiatie in nieuwe losse opleidingen voor het jonge enhet oudere kind. Welke andere mogelijkheden hebben de Minister enStaatssecretaris overwogen? Hebben de Minister en Staatssecretaris ookoverwogen om juist ruimte te geven voor ontdekking binnen de opleiding,in plaats van te snel te splitsen in verschillende richtingen, zodat eenpabostudent de gelegenheid krijgt om eventueel ook te ontdekken dat hijlesgeven aan jongere kinderen bij nader inzien veel leuker vindt danverwacht, zoals gebeurt bij de pabo van de Driestar Hogeschool? Watkunnen zij zeggen over de pabo van de Hogeschool Utrecht die op anderemanieren de pabo aantrekkelijker maakt voor mannen en waar hetaandeel mannelijke studenten 23% bedraagt?De Alliantie Divers voor de Klas werkt samen met lerarenopleidingen aanhet verbeteren van de diversiteit en inclusie binnen deze opleidingen doorgerichter te werven. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan wervingstekstengericht op o.a. mannen en het inzetten van mannelijke studenten bijvoorlichtingsactiviteiten. Het voorstel om gespecialiseerde opleidingenvoor het jonge en oudere kind mogelijk te maken, is één van de aanvul-lende maatregelen om de pabo aantrekkelijker te maken en zo mogelijk deinstroom te verhogen van een meer diverse doelgroep van studenten diezich direct vanaf de start van de opleiding in de gekozen leeftijdsgroep wilspecialiseren. De huidige brede pabo-opleiding blijft bestaan. Voorstudenten van deze opleiding is het mogelijk om zich breed te oriënterenop de verschillende leeftijdsgroepen en pas in de loop van hun opleidingde keuze te maken voor een specialisatie in het jonge of oudere kind.Uiteraard hangt de aantrekkelijkheid van de pabo samen met de aantrek-kelijkheid van het lerarenberoep. Zodoende wordt er stevig ingezet op hetverhogen van de aantrekkelijkheid van het beroep. Denk daarbij aan hetverlagen van de werkdruk, het verhogen van het salaris en het bieden vanontwikkelingskansen, of aan de landelijke campagne leraren waarmee wehet beroep in een positief en realistisch daglicht zetten.Landelijke cijfers laten zien dat gemiddeld 25% van de studenten bij deinstroom op de pabo man is. In het geval van de Hogeschool Utrechtwordt een «Leraar Basisonderwijs (pabo) – Sportklas» aangeboden, naastde reguliere pabo. Het is ons bekend dat een dergelijk sportklastrajectaantrekkelijk is onder mannen en daarmee voor een verhoging van demannelijke instroom zorgt. Dit is ook één van de successen die benoemdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51113 is in de «Inventarisatie maatregelen «mannen op de pabo», dieinteressant kan zijn voor andere pabo’s.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de Minister enStaatssecretaris kunnen melden over de resultaten van de stichting meerpersoneel in het onderwijs (www.endanbenjeleraar.nl), die actief werktaan het werven van pabostudenten door bijvoorbeeld op beroepen-beurzen aanwezig te zijn en door mensen de mogelijkheid te bieden omeen uur in de klas mee te draaien? Blijkt deze aanpak mannen op eenlaagdrempelige manier kennis te laten maken met het onderwijs?«En dan ben je leraar» is het landelijke vacatureplatform van de gezamen-lijke christelijk-reformatorische scholen in het basis- en voortgezetonderwijs. De doelgroep bestaat zowel uit jonge mensen, als uitzij-instromers. De stichting werkt veel samen met scholen, waar vol wordtingezet op voorlichting. Afgelopen jaar hebben 40 leerlingen zichopgegeven, waarvan 20 zich hebben aangemeld voor de pabo. Hetinitiatief zal gaan vallen onder de landelijke onderwijsregio Progressus.Op de website kunnen geïnteresseerden zich aanmelden om een uurtjevoor de klas te staan om te kijken of het beroep iets voor hen is. Dit soortinitiatieven juichen we uiteraard toe. Het maakt het op een laagdrem-pelige manier mogelijk om kennis te maken met het leraarschap, het ismoeilijk te zeggen of dit op een structurele wijze als laagdrempelig wordtgezien.Deze leden constateren dat veel mannen die aan de pabo beginnen, deopleiding voortijdig verlaten, vaak omdat ze achteraf ontdekken dat hetlesgeven toch niet is wat ze ervan hadden verwacht. Is de Minister bereidom een onderzoek te laten doen naar mogelijke oorzaken en naarmanieren om het behoud van mannelijke studenten te verbeteren?We merken dat het thema meer mannen en diversiteit voor de klas goedonder de aandacht is gebracht en breed wordt onderschreven in hetonderwijs. Daarbij constateren we ook dat er enige tijd overheen gaatvoordat resultaten zichtbaar zijn. We gaan daarom nu eerst in beeldbrengen welke invloed de genomen maatregelen binnen de AlliantieDivers voor de Klas, de gelanceerde OCW campagne leraren, de inspan-ningsafspraken die gemaakt gaan worden en de specifieke aandachtbinnen de onderwijsregio’s hebben op het aandeel mannelijke studenten.Vervolgens kan worden beoordeeld of aanvullend onderzoek nodig is.Over de voortgang en resultaten zullen wij de Kamer informeren via debrieven die we twee keer per jaar sturen over de voortgang van delerarenstrategie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de onderhavige brief datslechts 13% van de leraren in het primair onderwijs man is, maar dat ditook internationaal speelt en in de OESO gemiddeld 83% van de leraren inhet primair onderwijs vrouw is en binnen de EU 86%. In welke landen inde EU en/of de OESO is nu al sprake van een differentiatie in losseopleidingen voor het jonge en het oudere kind en wat zijn daar depercentages mannen en vrouwen die in het primair onderwijs voor de klasstaan?Het percentage mannen en vrouwen werkzaam in het primair onderwijslaat zich tussen landen niet eenvoudig vergelijken. De voor Nederlandgerapporteerde percentages hebben betrekking op de gehele basisschool,leraren werkzaam in groep 1 tot en met 8. Dit terwijl voor de meesteandere landen geldt dat gerapporteerde percentages betrekking hebbenop het primair onderwijs aan kinderen in de leeftijd vanaf 6 of 7 jaar, datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51114 doorgaans duurt tot de leeftijd van 10 tot 12 jaar16. In de Nederlandsedatabases registreren we of leraren op een basisschool werken, maar nietvoor welke klas ze staan. Het Nederlandse percentage mannen in hetbasisonderwijs is 12,7%, net iets lager dan het Europese gemiddelde van14,4%; dit is in Nederland dus inclusief de groepen 1 en 2.In de meeste andere Europese landen, zoals blijkt uit een quickscan vaninformatie ontsloten door het Europese netwerk Eurydice17, wordt invergelijking met Nederland een strikter onderscheid gemaakt tussenpre-primair en primair onderwijs waarbij de grens doorgaans ligt op deleeftijd van 6 of 7 jaar. Pre-primair onderwijs betreft meestal niet alleen dekleuterleeftijd maar ook jongere kinderen. Het betekent doorgaans ook dater aparte opleidingen zijn ingericht voor pre-primair en primair onderwijs,waarvan het niveau waarop opleidingen worden aangeboden van elkaarkan verschillen. Dat geldt zowel voor landen met een meer dan gemiddeldpercentage vrouwen werkzaam in het primair onderwijs, zoals Italië enTsjechië, als voor landen met een minder dan gemiddeld percentagevrouwen werkzaam in het primair onderwijs, zoals Denemarken enNoorwegen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in hoeverre in Nederlandbij de keuze van mannen voor het lerarenberoep de Wet van Sullerot eenbelangrijke verklaring vormt. Biedt dit dan ook geen andere perspectievenvoor de mogelijkheden om meer mannen te interesseren voor hetlerarenberoep? Kunnen de Minister en Staatssecretaris ook reflecteren opwetenschappelijk onderzoek dat erop wijst dat je de pabo pas echtspecifiek aantrekkelijker maakt voor mannen, door je onder andere terichten op de status van het beroep en tegen het gebrek aan specialisten-rollen?Of de Wet van Sullerot toepasbaar is op het onderwijs is moeilijkeenduidig te zeggen. Feit is dat het imago en de status van het onderwijsde afgelopen decennia is teruggelopen. Onderzoek uit 201718 laat zien dathet beroep van basisschoolleraar in aanzien is afgenomen sinds 1980 enop de beroepenprestigeladder van plek 42 naar 69 is gedaald. DeOnderwijsraad heeft in 2020 geconcludeerd19 dat het ontbreken vanmannelijke rolmodellen invloed kan hebben op de beroepskeuzes vanjongens en meiden. In dat opzicht is de huidige segregatie binnen hetlerarenberoep een punt van zorg. Onbewust krijgen kinderen en jongerende boodschap mee dat werken in het (basis)onderwijs vooral iets is voorvrouwen en niet voor mannen. De bestaande genderstereotypen onderleerlingen en studenten worden hierdoor verder versterkt (Onderwijsraad,p.73). Ook de lerarentekorten kunnen een negatief effect hebben op hetimago. Daarom zijn de salarissen van leerkrachten verhoogd en wordt eringezet op professionaliseringsmogelijkheden van leerkrachten,waaronder via de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL). Injanuari 2025 is de landelijke campagne «werken met de toekomst»16De International Standard Classification of Education 2011is de internationale onderwijsclassi-ficatie van de UNESCO. Niveau 0, specifiek categorie 02 betreft het pre-primair onderwijs inNederland bestaande uit kinderopvang, voorschoolse educatie en groep 1 en 2 van het(speciaal) basisonderwijs. Niveau 1 betreft het primair onderwijs in Nederland bestaande uitgroep 3 tot 8 van de basisschool. In de Nederlandse basisschool komen niveau 0 en 1 van deISCED derhalve samen, inclusief de huidige brede opleiding van leraren tot een bevoegdheidom te werken in groep 1 tot en met 8. Zie voor meer informatie: https://uis.unesco.org/en/topic/international-standard-classification-education-isced.17Zie voor meer informatie: https://eurydice.eacea.ec.europa.eu/national-education-systems.18Talis en Cörvers, F., Mommers, A., Van der Ploeg, S. & Sapulete, S. (2017). Status en imagovan de leraar in de 21ste eeuw. Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA),Maastricht en Ecorys, Rotterdam.19« Een verkenning van sekseverschillen in het onderwijs», Onderwijsraad, Den Haag, oktober2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51115 gelanceerd met als doel om werken in het onderwijs in een positief enrealistisch daglicht te stellen. De boodschap is dat werken in het onderwijsbetekenisvol is, je een serieus salaris verdient en je de kans hebt om je teblijven ontwikkelen. We weten uit onderzoek dat het salaris van lerarenwordt onderschat20 en dat er ook onterechte beelden leven over deontwikkelmogelijkheden.21 Deze beelden helpen niet bij het imago,daarom richt de campagne zich hierop.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen eveneens welkeoplossingen de bewindspersonen voor ogen staan bij de extra organisato-rische problemen die het splitsen van de bevoegdheden voor school-leiders met zich meebrengt. Hoe moeten scholen die in combinatie methet bestaande lerarentekort opvangen? Als bijvoorbeeld een schoolleidereen vacature plaatst voor een leerkracht voor groep 4, dan mag dezestraks alleen lesgeven aan groep 1, 2, 3 en 4. Als een jaar later deleerkracht van groep 7 weggaat, kan die onderbouwleerkracht niet naargroep 7. Kwalificeert de Staatssecretaris dit niet als een zeer onhandigeconstructie? Onderkent zij niet dat breed opgeleide leraren, ongeacht hungeslacht, nodig blijven?Met dit wetsvoorstel willen wij leraren in spe aanspreken die een voorkeurhebben voor het lesgeven aan een specifieke leeftijdsgroep binnen hetbasisonderwijs en die daardoor op dit moment niet voor de huidige bredeopleiding zouden kiezen. Op deze manier kan het bijdragen aan een (optermijn) groter lerarencorps. Zoals beschreven in de hoofdlijnenbrief,hebben de landelijke expertisecentra jonge kind en po-vo een voorstelgedaan voor de leeftijdsafbakening resulterende in een gedeeltelijkoverlappende bevoegdheid. We nemen dit advies over, wat resulteert ineen bevoegdheid voor het jonge kind waarmee leraren mogen lesgevenaan groep 1 tot en met 5, en een bevoegdheid voor het oudere kind voorlesgeven aan groep 4 tot en met 8. Dit zorgt ervoor dat de gespeciali-seerde leraren aan vijf van de acht groepen van de basisschool les mogengeven. Met het blijven bestaan van de brede pabo én de inzet van hethuidige, breed bevoegde lerarencorps heeft en houdt een school ookleraren in dienst die breed inzetbaar zijn. Een schoolteam bestaat zo uitleraren met verschillende expertises en bevoegdheden.Klopt het beeld dat het zo’n € 200.000 kost om een pabo-curriculum teherzien? Bestaan er aanwijzingen dat de pabo’s nog zo’n bedrag ergensop de plank hebben liggen? Hoeveel middelen wil het kabinet er andersvoor vrijmaken, zo vragen deze leden.Het bedrag van € 200.000 is een grofmazige inschatting gemaakt doorvertegenwoordigers van de opleidingen en betreft het totale proces vande ontwikkeling van een nieuwe opleiding, inclusief alle daarbij tedoorlopen processen. De daadwerkelijke kosten voor het herzien van eencurriculum is van vele factoren afhankelijk, waaronder de mate waaringebruik kan worden gemaakt van het curriculum van de bestaande bredepabo-opleiding waarvan een leeftijdspecialisatie ook onderdeel uitmaakt.Met het wetsvoorstel wordt het voor instellingen mogelijk om gespeciali-seerde opleidingen voor het jonge of oudere kind in te richten. Het isvervolgens aan instellingen zelf of zo’n opleiding wordt ingericht enaangeboden. De instelling zal daarbij de afweging maken hoe de kostenvoor de ontwikkeling en (duurzame) instandhouding van de nieuwe20Rapportage Beeldvorming beloning leraren. Onderzoeksproject OCW Onderwijscommunity.MWM2 (2024). https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/10/25/rapportage-beeldvorming-beloning-leraren21Gedragsonderzoek. Ideate (2023): «Heb jij er wel eens over nagedacht om leraar te worden?».https://www.aanpaklerarentekort.nl/documenten/rapporten/2023/06/22/eindrapportage-ideateTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51116 opleiding(en) zich tot elkaar verhouden. Zoals bij elke nieuwe opleiding isde instelling zelf verantwoordelijk voor de kosten die verbonden zijn aanhet starten van een nieuwe opleiding.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dehoofdlijnenbrief wetsvoorstel differentiatie pabo. Deze leden zijn blij datde regering de motie van het lid De Kort c.s. voortvarend ter hand heeftgenomen en bezig is met een wetsvoorstel om twee pabo-specialisatiesmogelijk te maken, zoals ook afgesproken in het hoofdlijnenakkoord enregeerprogramma. Wat deze leden betreft zorgt een gesplitste pabo vooreen bredere aantrekkingskracht van de opleiding, zowel voor mannen alsvrouwen. Zij vragen hoe het wetsvoorstel differentiatie pabo past in hetbevorderen van de toestroom en interesse van mannen voor werk in hetbasisonderwijs.We hebben onderzoeksbureau Qompas gevraagd de intentie van havo- envwo-scholieren en mbo 4-studenten om de lerarenopleiding voor hetbasisonderwijs te volgen te onderzoeken. Allereerst is de algemene vraaggesteld of de respondenten zouden overwegen om de lerarenopleidingvoor het basisonderwijs te volgen. Daarnaast zijn 4 verschillendevignetten voorgelegd, waarbij studenten is gevraagd in hoeverre zij bereidzouden zijn om onder de verschillende voorwaarden (brede of smallebevoegdheid; vroege of late specialisatie in jonge dan wel oude kind) eenlerarenopleiding voor het basisonderwijs te volgen. We zien dat deinteresse in alle voorgelegde opleidingsvarianten (brede en smallebevoegdheid; vroege of late specialisatie) zowel bij havo- envwo-scholieren als bij mbo 4-studenten toeneemt ten opzichte van deinitiële interesse die aan het begin van het onderzoek is gemeten. Dit kanvolgens Qompas waarschijnlijk worden verklaard door het feit dat devignetten bij iedere variant extra informatie geven over de inhoud van deverschillende varianten en dat de opleidingen met deze extra informatiede scholieren en studenten meer aanspreken.Voor de bestaande opleiding (brede bevoegdheid, specialisatie in jaar 3)geldt dat 27,3% van de havo-scholieren aangeeft zeker wel ofwaarschijnlijk wel de intentie te hebben om deze opleiding te willenvolgen. Datzelfde geldt voor 22,2% van de vwo-scholieren en 22,2% vande mbo 4-studenten. In vergelijking hiermee is de belangstelling voor eengespecialiseerde opleiding die leidt tot een smalle bevoegdheid fors lager.Het gaat om een afname van bijna twee derde onder havo/vwo scholierenen een afname van meer dan de helft onder mbo 4-studenten in deintentie om een lerarenopleiding basisonderwijs te gaan doen. Deze forsedaling van de intentie door een smalle bevoegdheid is vrijwel gelijk voormannen als voor vrouwen, zowel voor havo- en vwo-scholieren als voormbo 4-studenten. Voor de nieuwe gespecialiseerde opleiding (smallerebevoegdheid, specialisatie in jaar 1) geeft 13,8 van de havo-scholieren aanzeker wel of waarschijnlijk wel de intentie te hebben om de opleiding indeze vorm te willen volgen. Datzelfde geldt voor 7,8% van devwo-scholieren en 12,5% van de mbo 4-studenten.Tegelijkertijd is er een beperkte groep respondenten die aangeeft geenpositieve intentie (misschien, waarschijnlijk niet of zeker niet) te hebbenom een brede opleiding te volgen, en verschuift naar een positieveintentie (waarschijnlijk wel of zeker wel) als ze de mogelijkheid hebben omeen gespecialiseerde opleiding vanaf het eerste jaar te doen die rechtgeeft op een smalle bevoegdheid. Het gaat om 3,6% van dehavo-scholieren, 2,3% van de vwo-scholieren en 4,1% van de mbo4-studenten. Daarbij moet worden aangetekend dat de groep die aangeeftTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51117 naar zeker wel te switchen daarbinnen de kleinste groep vormt (te weten0,7 procent van de havo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en0,7 procent van de mbo 4-studenten), en het met name gaat om respon-denten die aangeven waarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding tekiezen. Op basis van dit onderzoek kunnen vanwege de steekproefgrootteen vele antwoordopties geen uitspraken worden gedaan over eventueleverschillen tussen mannen en vrouwen.Zij vragen hoe er uitvoering gegeven wordt aan de motie van het lidCeder c.s. over meer mannen voor de klas en hoe dit wetsvoorsteldaaraan bijdraagt.Onze inspanningen zijn erop gericht het percentage van 13% mannen inhet onderwijs te verhogen. Gemiddeld is 16% van de docenten in primaironderwijs van de OESO-landen man. De sociale partners onderkennen dater actie nodig is en willen hier ook verantwoordelijkheid in nemen, maarzien geen heil in een concreet streefcijfer. We willen daarom met eeninspanningsverplichting tussen LOBO (Landelijk Overleg LerarenopleidingBasisonderwijs), bevoegde gezagsorganen (vertegenwoordigers van)schoolbesturen, onderwijsregio’s en OCW gaan werken. Deze optie kanook op steun rekenen vanuit het veld. Op basis van de inspanningsver-plichting kan dit jaarlijks in de trendrapportage en in de Kamerbrieflerarenstrategie worden opgenomen.Er worden acties en aandachtspunten geformuleerd door de socialepartners, die passen bij de verschillende fases in de (studie)loopbaan vaneen student (instroom, doorstroom, uitstroom, behoud). Het is van belangdat alle spelers (opleidingen, schoolbesturen en onderwijsregio’s) een rolkrijgen en worden betrokken. Concrete voorbeelden van dergelijkeafspraken die gemaakt kunnen worden, zijn dat lerarenopleidingen samenmet opleidingsscholen werk maken van het verhogen van het studie-succes van de mannelijke student, dat het beroepsbeeld verbeterd, dat erdiversiteit in toetsvormen wordt aangeboden, dat voorlichtingen opmiddelbare scholen optimaliseren en dat er wordt gewerkt aan eeninclusief werkklimaat zowel tijdens de stage als tijdens de inductiefase.Daarnaast zorgt splitsing volgens deze leden ook voor meer focus in hetcurriculum, wanneer de opleiding niet meer tot een lesbevoegdheid voorde gehele breedte van het primair onderwijs hoeft op te leiden. Dezeleden blijven van mening dat hiermee ook meer ruimte komt vooronderwijs in basisvaardigheden. Zij vragen het kabinet daarop tereflecteren.Zoals november jl. beschreven in onze antwoorden22 op de vragen uit hetverslag van een schriftelijk overleg over dit onderwerp, stelt deVVD-fractie terecht dat smallere opleidingen ruimte kunnen bieden voormeer focus op basisvaardigheden, met vakinhoud, vakdidactiek enpedagogiek gericht op de specifieke leeftijdsgroep. Met geluiden over eenovervol curriculum van lerarenopleidingen zien wij dit dan ook als eenkans voor hogescholen en universiteiten om focus te kunnen aanbrengenen zich te richten op de kern van het beroep. Het is daarbij wel van belangdat dit ook tot uiting komt in de specifieke bekwaamheidseisen enbijbehorende bevoegdheden. De bekwaamheidseisen vormen eenbelangrijk wettelijk kader voor de opleidingen om op basis daarvan huneindtermen en curricula vorm te geven. Ook blijft het van belang datleraren die binnen een gespecialiseerde opleiding worden opgeleid toteen smallere bevoegdheid voldoende zicht houden op de doorlopendeleerlijn van kinderen gedurende de gehele basisschoolleeftijd.22Kamerstukken II 2024/25, 27 923, nr. 496.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51118 De leden van de VVD-fractie lezen maar horen ook veel terug dat er oppabo’s al gewerkt wordt met leeftijdsprofilering waarbij pabostudentenkunnen kiezen voor een focus op het jonge dan wel het oude kind.Tegelijkertijd lezen deze leden de constatering van de Staatssecretaris datdeze leeftijdsprofilering onvoldoende leidt tot het verhogen van deinstroom. Deze leden vinden het wenselijk om alle mogelijkheden tot hetverhogen van de instroom bij de pabo’s te benutten en vragen hoe hetwetsvoorstel differentiatie pabo daaraan bij gaat dragen, bovenophetgeen nu al kan en gedaan wordt.We willen alles op alles zetten om nieuwe doelgroepen te enthousias-meren voor de lerarenopleiding voor het basisonderwijs. Uit het meestrecente onderzoek van Qompas, dat bijgevoegd is bij deze beant-woording, blijkt dat een kleine groep aangeeft misschien, waarschijnlijkniet of zeker niet te kiezen voor de bestaande brede opleiding, maarwaarschijnlijk wel of zeker wel voor de nieuwe gespecialiseerde opleiding.Het gaat daarbij om 3,6% van de havo-scholieren, 2,3% van devwo-scholieren en 4,1% van de mbo 4-studenten. Daarbij moet wordenaangetekend dat de groep die aangeeft naar zeker wel te switchendaarbinnen de kleinste groep is (te weten 0,7 procent van dehavo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en 0,7 procent van dembo 4-studenten), en het met name gaat om respondenten die aangevenwaarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding te kiezen. Zoals benoemd,kunnen er op basis van dit onderzoek vanwege de steekproefgrootte envele antwoordopties geen uitspraken worden gedaan over eventueleverschillen tussen mannen en vrouwen. Wij beschouwen deze groep alsde potentiële extra studenten waarvoor we alles op alles gaan zetten omhen te werven voor het volgen van een opleiding tot leraar basison-derwijs.Voor de bestaande opleiding (brede bevoegdheid, specialisatie in jaar 3)geldt dat 27,3% van de havo-scholieren aangeeft zeker wel ofwaarschijnlijk wel de intentie te hebben om deze opleiding te willenvolgen. Datzelfde geldt voor 22,2% van de vwo-scholieren en 22,2% vande mbo 4-studenten. In vergelijking hiermee is de belangstelling voor eengespecialiseerde opleiding die leidt tot een smalle bevoegdheid fors lager.Het gaat om een afname van bijna twee derde onder havo/vwo scholierenen een afname van meer dan de helft onder mbo 4-studenten in deintentie om een lerarenopleiding basisonderwijs te gaan doen. Deze forsedaling van de intentie door een smalle bevoegdheid is vrijwel gelijk voormannen als voor vrouwen, zowel voor havo- en vwo-scholieren als voormbo 4-studenten. Voor de nieuwe gespecialiseerde opleiding (smallerebevoegdheid, specialisatie in jaar 1) geeft 13,8% van de havo-scholierenaan zeker wel of waarschijnlijk wel de intentie te hebben om de opleidingin deze vorm te willen volgen. Datzelfde geldt voor 7,8% van devwo-scholieren en 12,5% van de mbo 4-studenten. Het is belangrijk dat dehuidige brede-opleiding blijft bestaan. Ook hier geldt dat er op basis vandit onderzoek vanwege de steekproefgrootte en vele antwoordopties geenuitspraken kunnen worden gedaan over eventuele verschillen tussenmannen en vrouwen.De leden van de VVD-fractie constateren dat dit wetstraject eerder isdoorlopen en eind 2020 ter internetconsultatie is gepubliceerd. Eenveelgehoorde reactie toen en ook nu is de doorlopende leerlijn, zo wetendeze leden, waarbij critici noemen dat leraren met een smallebevoegdheid essentiële kennis over deze leerlijn zouden missen. De ledenvan de VVD-fractie vragen of en hoe dat bij deze nieuwe wetgevingondervangen wordt. Hoe kijkt het kabinet aan tegen het advies omoverlappende splitsing te maken tussen de smalle bevoegdheid enopleiding zoals geadviseerd door de landelijke expertisecentra? Ziet hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51119 kabinet mogelijkheden voor bepaalde eisen aan lesmateriaal om eeneventuele lacune te vullen dan wel overbruggen in de kennis over deverschillen tussen het oudere en jongere kind?Om passende ondersteuning te kunnen bieden aan leerlingen is het vanbelang dat elke leraar in het primair onderwijs zicht heeft op dedoorgaande leerlijn van de basisschool. In de nieuwe opleidingen voorhet jonge en oudere kind zal dan ook nog steeds aandacht moetenworden geschonken aan de doorgaande leerlijn van groep 1 t/m 8. Voorde gespecialiseerde opleidingen geldt daarnaast dat het van belang is omaandacht te hebben voor de aansluiting op de ontwikkeling van kinderenvoordat zij naar de basisschool gaan en de aansluiting op het voortgezetonderwijs. Wij nemen het voorstel van de landelijke expertisecentra rondde leeftijdsafbakening en een gedeeltelijk overlappende bevoegdheidover. Voor het jonge kind om les te geven aan groep 1 tot en met 5, envoor het oudere kind om les te geven aan groep 4 tot en met 8. Hiermeewordt er zowel recht gedaan aan het feit dat kinderen zich niet opeenzelfde manier en in eenzelfde tempo ontwikkelen, als aan het belangvan zicht op de gehele ontwikkeling van kinderen in de basisschoolleeftijd.De expertisecentra hebben hun notitie aangevuld en daarmee antwoordgegeven op de vraag hoe doorgaande ontwikkelingslijnen gewaarborgdkunnen worden waarbij de aangrenzende fases, de voorschoolse periodeen de overgang naar het voortgezet onderwijs, meegenomen worden.Ook is nader ingegaan op de verdeling van de studiepunten binnen degespecialiseerde opleidingen. De aangevulde notitie van de expertise-centra zullen wij gelijktijdig met de beantwoording van dit schriftelijkoverleg aan de Kamer doen toekomen.De kwaliteit van de opleidingen is door ons accreditatiestelsel geborgd.De opleidingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hetcurriculum en bepalen zelfstandig welke lesmaterialen worden gebruikt.Het staat opleidingen uiteraard vrij om hier zelf, of eventueel in gezamen-lijkheid, kwaliteitskaders voor te ontwikkelen.De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet bewust niet kiest voortracks in pabo-opleidingen omdat dit onvoldoende ruimte geeft om vande huidige opleiding af te wijken. Zij vragen dat nader te duiden. Dezeleden zouden een snellere realisatie, gezien de huidige tekorten, aanmoe-digen. Kan het kabinet schetsen tegen welke belemmeringen er hieraangelopen wordt?In motie De Kort c.s.23 wordt verzocht om, naast de bestaande, bredeopleiding, twee nieuwe pabo-opleidingen die leiden tot gespecialiseerdebevoegdheden in te richten. Eerder is het scenario van verschillendetracks binnen één pabo-opleiding verkend. Uitgangspunt daarbij is dat debekwaamheidseisen en eindtermen voor alle tracks gelijk dienen te zijn.Dit sluit onvoldoende aan bij de doelstelling van het inrichten vangespecialiseerde opleidingen die opleiden tot van elkaar te onderscheidenbevoegdheden op basis van de daarbij behorende bekwaamheidseisen.Het inrichten van losse gespecialiseerde opleidingen biedt meer ruimteom diepgaande, specialistische kennis over de gekozen doelgroep aan tebieden.De leden van de VVD-fractie zijn blij met de geschetste nauwe betrok-kenheid van het onderwijsveld bij deze wetgeving en moedigen dat aan.Zij vragen of er in de gesprekken met het veld al gelukt is om tot een23Kamerstukken II 2023/24, 27 923, nr. 473.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51120 bredere consensus te komen over een uniforme leeftijdsgrens envooropleidingseisen en zo nee, hoe deze gesprekken lopen.In reactie op de hoofdlijnenbrief wetsvoorstel differentiatie pabo vandecember 2024 en het commissiedebat van januari 2025 (Kamerstuk27 923, nr. 509) hebben verschillende onderwijsorganisaties hun bezwarentegen smallere bevoegdheden en gespecialiseerde opleidingen kenbaargemaakt: een brede consensus is er daarmee op dit moment (nog) niet.Uiteraard blijven we in gesprek met vertegenwoordigers van het werkveldover de vormgeving en uitvoering van het wetsvoorstel. Wat de leeftijds-grens betreft, zullen wij het eerdergenoemde voorstel van de landelijkeexpertisecentra overnemen. Zoals benoemd in de hoofdlijnenbrief vanafgelopen december24, komt er geen differentiatie in de bijzondere naderevooropleidingseisen. Dit is ook waartoe het onderwijsveld in eerderegesprekken heeft opgeroepen.De leden van de VVD-fractie vragen eveneens of er ook gesproken wordtmet (aankomende) pabostudenten en geïnteresseerde scholieren om tetoetsen wat daar de behoeften, zorgen en gedachten zijn. Op welkemanier krijgt dit vorm? Deze leden zijn benieuwd of scholieren aangeveneerder voor een pabo-opleiding te zouden kiezen als er een aparteopleiding voor het jonge en oude kind bestaat en zien uit naar deresultaten van het beschreven onderzoek.We hebben de interesse van havo- en vwo-scholieren en mbo 4-studentengemeten in een vignettenonderzoek dat is uitgevoerd door Qompas. Voorhet tweede deel van de vraag verwijzen we u naar de antwoorden die weop de voorgaande vragen hebben geformuleerd.De leden van de VVD-fractie lezen dat een instelling die een aparteopleiding voor het jonge en/of oudere kind wil starten een aanvraag totaccreditatie moet doen. Zij vragen in hoeverre dit geldt voor reedsgeaccrediteerde pabo-scholen en of zij eenzelfde traject van twee jaarmoeten doorlopen.Het is de wens van de meerderheid van uw Kamer dat er aparte gespecia-liseerde opleidingen komen die opleiden voor een smallere bevoegdheidvoor het lesgeven aan het jonge of oudere kind. Voor het besluit over derealisatie en bekostiging van deze nieuwe opleidingen volgen we dereguliere procedures inclusief de bijbehorende termijnen. Met deuitvoering van een toets nieuwe opleiding borgen we de kwaliteit van denieuwe opleidingen, zoals we dat voor alle nieuwe opleidingen doen. Ditis in het belang van zowel de aankomende studenten als het onder-wijsveld waar zij later werkzaam in zullen zijn.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dehoofdlijnenbrief wetsvoorstel differentiatie pabo en hebben daarover eenaantal opmerkingen en vragen. De leden van de NSC-fractie lezen overeen stijging van de instroom in de pabo. Zij vragen, gezien het tekort aanmannelijke leraren in het primair onderwijs, welk aandeel hiervan man is.Is er ook een stijging van het aantal mannen dat zich heeft ingeschrevenin de pabo? Zo ja, zijn zij ook in aandeel van de totale instroom toege-nomen? Zijn hier cijfers over bekend?24Kamerstukken II 2024/25, 27 923, nr. 498Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51121 De instroom in de pabo is de afgelopen jaren gestegen. Van ruim 5.100eerstejaars studenten in 2015 naar bijna 7.900 in 2024. Alleen in 2020 waser met 9.660 eerstejaars een hogere instroom. Deze uitschieter is teverklaren doordat de coronapandemie een effect heeft gehad op destudiekeuze. Het aandeel mannen ten opzichte van alle eerstejaarsstu-denten is de afgelopen jaren vrij stabiel rond de 25%. In 2024 hebbenbijna 2000 mannen zich ingeschreven op de pabo. Dit is in absolute zineen hoger aantal dan in voorgaande jaren, met uitzondering van deuitschieter in 2020. Het totale aandeel mannen blijft echter ongeveergelijk.Deze leden zijn ook benieuwd naar wat nu precies de omvang vanlerarentekort in het po is en welke definitie van «tekort» daarbij gehan-teerd wordt.Het lerarentekort in het po bedraagt landelijk momenteel 8,1% ofwel 7700FTE aan leraren. Onder de tekorten verstaan we zowel openstaandevacatures als verborgen tekorten. Van de 8,1% is 6,6% een zogenaamdverborgen tekort. Verborgen tekorten zijn tekorten waarvoor uit nood eentijdelijke alternatieve oplossing is gevonden. Het tekort in de G5(Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere) bedraagt 15,8%,waarbij 16% van de scholen aangeeft geen tekorten te hebben en 17% vande scholen aangeeft te kampen met tekorten groter dan 30%. Het tekortbuiten de G5 bedraagt 6,6%. 53% van deze scholen geeft aan geentekorten te hebben en 3% heeft een tekort groter dan 30%.De leden van de NSC-fractie lezen verder dat de huidige breedte van deopleidingen sommigen mogelijk afschrikt die zich juist graag willenrichten op één doelgroep. Het introduceren van nieuwe pabo-opleidingenmet een exclusieve focus op deze doelgroepen zou mogelijk een effectiefinstrument zijn om nieuwe mensen voor het primair onderwijs teenthousiasmeren. Tegelijkertijd is een veelgehoorde zorg dat eengedifferentieerd opleidingsaanbod zal leiden tot verminderde inzet-baarheid van leerkrachten. Hoe kijken de bewindspersonen tegen dezezorg aan?De afgestudeerden van de gespecialiseerde opleiding voor het jonge ofoudere kind zullen inderdaad minder breed inzetbaar zijn dan deafgestudeerden van de brede opleiding. De studenten die bewust kiezenvoor een gespecialiseerde opleiding hebben naar verwachting een sterkevoorkeur voor het werken met één van de twee leeftijdsgroepen. Dezeleraren zullen dan ook waarschijnlijk niet ingezet willen worden voor eengroep waar zij niet voor hebben gekozen. Uit het recente onderzoek vanQompas blijkt dat de meeste studiekiezers, van alle opleidingsniveaus,een voorkeur houden voor een brede opleiding en zal het werkveld dusvoor een groot deel blijven bestaan uit leraren die breed inzetbaar zijn.Een school kan bestaan uit een groep afgestudeerden van een gespeciali-seerde pabo en de brede pabo.De leden van de NSC-fractie merken op dat het effect van een gedifferen-tieerd pabo-aanbod op de inzetbaarheid in belangrijke mate afhankelijk isvan de vraag of aankomende studenten die nu een voorkeur hebben voorde bestaande brede opleiding anders zouden kiezen, mocht er eengedifferentieerd alternatief voorhanden zijn. Alleen in dat laatste gevalleidt differentiatie tot verminderde inzetbaarheid ten opzichte van dehuidige situatie, omdat studenten die anders voor de brede opleidingzouden kiezen dat in het nieuwe scenario niet meer zouden doen (maardaarentegen voor smalle bevoegdheid zouden kiezen). In het andere gevalzou een differentiatie juist een geheel nieuwe doelgroep mobiliseren diein de huidige situatie geheel geen interesse heeft in de pabo. Ten opzichteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51122 van de huidige situatie zou het laatste scenario dus tot een vermeerderde(zij het niet een ideale) inzetbaarheid leiden. Hebben de bewindspersonendeze verschillende scenario’s voor ogen en hebben zij in beeld wat heteffect zal zijn van differentiatie op studenten die nu voor de pabo kiezen inde huidige brede vorm?Uit het onderzoek van Qompas blijkt dat er een groep respondenten is dieaangeeft waarschijnlijk wel of zeker wel de intentie te hebben om debestaande brede opleiding, maar ook waarschijnlijk wel of zeker wel deintentie te hebben om de nieuwe gespecialiseerde opleiding te volgen. Ditis de groep die nu voor de bestaande brede opleiding kiest, maar latermogelijk voor een gespecialiseerde opleiding kiest. Het gaat daarbij om10,2% van de havo-scholieren, 5,5% van de vwo-scholieren en 8,4% vande mbo 4-studenten.Het onderzoek bevat ook resultaten waaruit blijkt in hoeverre we met dezegespecialiseerde opleiding scholieren of studenten zouden kunnenaanspreken die hebben aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in deopleiding zoals deze er nu uitziet. Er is een groep respondenten dieaangeeft misschien, waarschijnlijk niet of zeker niet de intentie te hebbenom de bestaande brede opleiding te volgen en waarschijnlijk wel of zekerwel de intentie te hebben om de nieuwe gespecialiseerde opleiding tevolgen. Deze groep beschouwen we als de potentiële extra studenten diede nieuwe opleiding kan aantrekken, het gaat daarbij om 3,6% van dehavo-scholieren, 2,3% van de vwo-scholieren en 4,1% van de mbo4-studenten. Daarbij moet worden aangetekend dat de groep die aangeeftnaar zeker wel te switchen daarbinnen de kleinste groep is (te weten 0,7procent van de havo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en 0,7procent van de mbo 4-studenten), en het met name gaat om respon-denten die aangeven waarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding tekiezen.Aansluitend op het voorgaande vragen de leden van de NSC-fractie wathet verwachte effect is van een differentiatie op het stelsel vanpabo-instellingen als geheel. Bestaat er een risico dat sommige instel-lingen meer voordeel uit een differentiatie halen dan andere instellingen,bijvoorbeeld omdat ze er qua middelen beter voorstaan en hoe groot is ditrisico? Is het mogelijk dat differentiatie tot een waterbed-effect leidt en datdeze zelfs van dusdanige omvang is dat het voortbestaan van kwets-baardere instellingen daarbij onder druk komt te staan? Zo ja, hoe kijkende bewindspersonen aan tegen deze mogelijkheid en welke maatregelenhebben zij voor ogen om daarmee om te gaan?Het wetsvoorstel regelt de mogelijkheid voor instellingen om gespeciali-seerde opleidingen voor het jonge of oudere kind in te richten. Het isvervolgens aan instellingen om te beslissen of ze van deze mogelijkheidgebruik maken. Zoals ook voor andere nieuwe opleidingen geldt is hetaannemelijk dat instellingen bij het maken van deze afweging de kostenvoor de ontwikkeling en (duurzame) instandhouding van de nieuweopleiding(en) in ogenschouw zullen nemen. Het is op voorhand niet tebepalen welke afwegingen instellingen daarbij maken en welk effect deafzonderlijke keuze van de ene instelling op de andere instelling heeft.Instellingen die lerarenopleidingen aanbieden werken binnen regionaleallianties onder andere samen aan een passend onderwijsaanbod. Wijmoedigen instellingen aan om binnen de regionale allianties ook deinrichting van gespecialiseerde opleidingen voor het jonge of oudere kindte bespreken en de samenwerking op te zoeken zodat het uiteindelijk inelke regio mogelijk wordt om een gespecialiseerde opleiding te volgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51123 De leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet van oordeel is dat hetverdiepen van de leeftijdsprofilering weliswaar een positieve ontwikkelingis die evenwel nog onvoldoende effect lijkt te hebben. Deze leden vragenhoe groot dat effect nu dan is.Al geruime tijd, in ieder geval vanaf 2013, wordt door pabo’s, al dan nietin specifieke pilots, gewerkt aan de vormgeving en versterking van deleeftijdsspecialisaties binnen de opleiding. In 2018, 2021 en 202225 is overde evaluatie van deze ontwikkeling en de specifieke pilots gerapporteerd.Uit deze evaluaties blijkt onder andere dat de leeftijdspecialisatie bijdraagtaan het eerder opdoen van meer specialistische kennis en vaardigheden,dat sluit ook aan bij de behoeften van het werkveld. De ervaringen warenover het algemeen positief, maar de precieze vormgeving van de pilotsverschilde per opleiding. Er is in de onderzoeken niet gekeken naar heteffect van de leeftijdsspecialisaties op de instroom van studenten in deopleiding.De leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet op dit moment wacht opde resultaten van een onderzoek naar hoeveel aankomende studenteneventueel geïnteresseerd zijn in het volgen van een gespecialiseerdeopleiding met een smallere bevoegdheid. Klopt het dat deze resultateneen rol gaan spelen in de besluitvorming over of er wel of geen wettelijkebasis voor nieuwe opleidingen zal komen? Zo ja, hoe groot moet deinteresse zijn om al dan niet tot nieuwe wetgeving over te gaan?Dit onderzoek is uitgevoerd door Qompas en is inmiddels afgerond enbijgevoegd bij deze beantwoording. De resultaten van dit onderzoekonder studiekiezers laten zien dat een kleine groep aangeeft misschien,waarschijnlijk niet of zeker niet te kiezen voor de bestaande bredeopleiding, maar waarschijnlijk wel of zeker wel voor de nieuwe gespeciali-seerde opleiding. Het gaat daarbij om 3,6% van de havo-scholieren, 2,3%van de vwo-scholieren en 4,1% van de mbo 4-studenten. Daarbij moetworden aangetekend dat de groep die aangeeft naar zeker wel te switchendaarbinnen de kleinste groep is (te weten 0,7 procent van dehavo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en 0,7 procent van dembo 4-studenten), en het met name gaat om respondenten die aangevenwaarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding te kiezen. Ook blijkt dat erstudiekiezers zijn die aangeven waarschijnlijk wel of zeker wel de intentiete hebben om de bestaande brede opleiding te volgen, maar ookwaarschijnlijk wel of zeker wel de intentie te hebben om de nieuwegespecialiseerde opleiding te volgen. Het gaat daarbij om 10,2% van dehavo-scholieren, 5,5% van de vwo-scholieren en 8,4% van de mbo4-studenten.Het is nu niet met zekerheid te zeggen hoe groot de daadwerkelijkinstroom in de nieuwe gespecialiseerde opleidingen zal zijn. Wij willen eralles aan doen om de interesse in het beroep van leraar en het volgen vande lerarenopleiding te verhogen. Eén van de maatregelen die daaraanbijdraagt is het mogelijk maken van gespecialiseerde opleidingen waarinstudenten zich vanaf de start kunnen richten op de gekozen leeftijdsgroep.Een gedifferentieerde pabo zou als gevolg hebben dat naast een «bredebevoegdheid» er ook een «smalle bevoegdheid» komt. De leden van deNSC-fractie merken daarbij op dat de studielast in beide gevallenhetzelfde blijft en dat vertegenwoordigers van de beroepsgroep hiervraagtekens bij zetten, net als deze leden. Hoe beoordelen deze bewinds-25Researchned (2018), Specialisatiemogelijkheden in lerarenopleidingen. ResearchNed (2021),Evaluatie van de pilots gespecialiseerde pabo-opleidingen. ECBO (2022), Tweede evaluatiepabo pilots uitgebreide specialisaties jonge kind en oudere kind.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51124 personen dat het behalen van een smalle bevoegdheid eenzelfdestudielast zou vereisen als het behalen van een brede bevoegdheid?De bestaande brede opleiding en de toekomstige gespecialiseerdeopleidingen hebben een gelijke studieduur en studielast. Studenten aande gespecialiseerde opleidingen verwerven vanwege het belang van dedoorlopende leerlijn zowel (op hoofdlijnen) de kennis die betrekking heeftop de ontwikkeling van kinderen gedurende de gehele basisschool, als demeer diepgaande en specialistische kennis over de gekozen leeftijdsgroepen de bekwaamheid om aan deze leeftijdsgroep les te geven. Binnen deopleiding voor het jonge kind is daarbij ook aandacht voor devoorschoolse periode en binnen de opleiding voor het oudere kind voorde overgang naar het voortgezet onderwijs.De leden van de NSC-fractie merken tot slot op dat, zoals in de beslisnotate lezen valt, het CDHO twijfels heeft over de doelmatigheid van devoorgestelde nieuwe pabo-opleidingen, omdat de huidige brede opleidingal voorziet in de arbeidsmarktbehoefte en dat er dus een risico is datinstellingen geen goedkeuring krijgen mochten zij een aanvraag indienenvoor het opstarten van een gedifferentieerde opleiding. Kunnen debewindspersonen hier een reactie op geven?De criteria voor het starten van een nieuwe opleiding staan beschreven inde Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 202326.Samenvattend komt het erop neer dat de betreffende instelling dearbeidsmarktbehoefte dient aan te tonen en te onderbouwen. Ook moetworden onderbouwd dat er binnen het bestaande opleidingsaanbodruimte is voor de nieuwe opleiding, wat de noodzaak is om een nieuweopleiding te starten en waarom het aanbieden van die nieuwe opleidingpast bij het profiel van de betreffende instelling. De regeling biedt ruimtevoor een clusteraanvraag van samenwerkende instellingen, die eengezamenlijke inhoudelijke toets faciliteert. Op basis van de hierbovenbeschreven elementen adviseert de CDHO de Minister. De Minister beslistvervolgens alles overwegend op basis van het concrete aanvraagdossierinclusief onderbouwing. Op de uitkomst daarvan kan in deze fase nietvooruit worden gelopen.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomenvan de hoofdlijnenbrief. In een brief vol ingebouwde onzekerheden enzonder enige deugdelijke analyse of rationale proberen de bewindsper-sonen achteraf een politiek besluit te onderbouwen, dat moeilijk teonderbouwen is. Zonder in te gaan op de probleemstelling en daaruitlogisch volgende oplossingen. Deze leden hebben grote vraagtekens bijde probleemanalyse, de proportionaliteit van het voorstel en de onderlig-gende rationale. De leden van de D66-fractie merken op dat de bewinds-personen allerlei voorzichtige bewoordingen gebruiken, zoals «mogelijkeoorzaken» voor een weinig diverse instroom en de breedte van deopleiding die «mogelijk afschrikt». Als zij zo weinig zekerheid hebben overde oorzaken, waarom dan toch zo’n ingrijpende wijziging? Deze ledenmissen een heldere probleemanalyse, gevolg door een oplossing en eenbijpassende rationale. De onderwijsgeschiedenis leert dat ingrijpendewijzigingen stevig onderbouwd moeten worden met een deugdelijkeprobleemanalyse. Zijn de bewindspersonen het daarmee eens en vindenzij dat dit hier het geval is? Deze leden lezen echter geen enkele onder-bouwing noch rationale voor de voorliggende wijziging. Welk exact26De regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 2023 en de toelichting daaropis te raadplegen via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0048105Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51125 beleidsdoel heeft het kabinet voor ogen? Welk onderzoek of evaluatieheeft de Minister om te constateren dat het huidige specialisatiemodelniet voldoende werkt? Welk onderzoek heeft het kabinet om aan te tonendat dit dé maatregel is om een meer diverse instroom te realiseren? Welkerationale heeft de Minister om niet in te zetten op meer proportionelemaatregelen, zoals bijvoorbeeld de bekendheid van het huidige specialisa-tiemodel?Het lerarentekort in het (primair) onderwijs is groot. Hoewel de instroomin de pabo dit jaar met ongeveer 3% stijgt, neemt de komende jaren hetaantal afgestudeerden aan de pabo af. Bovendien neemt de diversiteit vanleraren voor de klas en in de pabo af. Het aantrekken van een zo groot endivers mogelijke groep voor het beroep van leraar is van belang om hettekort tegen te gaan en om te zorgen voor rolmodellen voor alleleerlingen. Wij willen er alles aan doen om de lerarenopleiding voor eennieuwe en meer diverse groep studenten aantrekkelijk te maken.Uit onderzoek van Qompas blijkt in hoeverre we met deze gespeciali-seerde opleiding scholieren of studenten zouden kunnen aanspreken diehebben aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in de opleiding zoals dezeer nu uitziet. Er is een groep respondenten die aangeeft misschien,waarschijnlijk niet of zeker niet de intentie te hebben om de bestaandebrede opleiding te volgen en waarschijnlijk wel of zeker wel de intentie tehebben om de nieuwe gespecialiseerde opleiding te volgen. Deze groepbeschouwen we als de potentiële extra studenten die de nieuwe opleidingkan aantrekken, het gaat daarbij om 3,6% van de havo-scholieren, 2,3%van de vwo-scholieren en 4,1% van de mbo 4-studenten. Daarbij moetworden aangetekend dat de groep die aangeeft naar zeker wel te switchendaarbinnen de kleinste groep is (te weten 0,7 procent van dehavo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en 0,7 procent van dembo 4-studenten), en het met name gaat om respondenten die aangevenwaarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding te kiezen. Hierbij geldt dat hetomzetten van een uitgesproken intentie in een daadwerkelijke inschrijvingen start van de opleiding nog van vele verschillende factoren afhankelijkis.Wij willen het mogelijk maken voor instellingen om ervoor te kiezen eengespecialiseerde opleiding in te richten en daarmee een aanvullendegroep potentiële studenten voor het vak van leraar te werven, ook als diteen kleine groep is. Hiermee geven wij zowel uitvoering aan de motie DeKort c.s. als de afspraken die zijn gemaakt in het hoofdlijnenakkoord enregeerprogramma.Deze leden lezen in de brief dat de Minister stelt dat het verdiepen van deleeftijdsprofilering binnen de pabo een positieve ontwikkeling is, maar dathet onvoldoende leidt tot het verhogen en verbreden van de instroom. Zijvragen welke doelstellingen er gekoppeld zijn aan het verdiepen van deleeftijdsprofilering en wanneer die behaald zouden moeten zijn. Zij vragenbovendien welke evaluatie heeft aangetoond dat de instroom momenteelonvoldoende is toegenomen naar aanleiding van de leeftijdsprofilering,en wat dan wél «voldoende» is.Al geruime tijd, in ieder geval vanaf 2013, wordt door pabo’s, al dan nietin specifieke pilots, gewerkt aan de vormgeving en versterking van deleeftijdsspecialisaties binnen de opleiding. In 2018, 2021 en 202227 is overde evaluatie van deze ontwikkeling en de specifieke pilots gerapporteerd.27Researchned (2018), Specialisatiemogelijkheden in lerarenopleidingen. ResearchNed (2021),Evaluatie van de pilots gespecialiseerde pabo-opleidingen. ECBO (2022), Tweede evaluatiepabo pilots uitgebreide specialisaties jonge kind en oudere kind.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51126 Uit deze evaluaties blijkt onder andere dat de leeftijdsspecialisatiebijdraagt aan het eerder opdoen van meer specialistische kennis envaardigheden, dat sluit ook aan bij de behoeften van het werkveld. Deervaringen waren over het algemeen positief, maar de preciezevormgeving van de pilots verschilde per opleiding. Na invoering van debijzondere nadere vooropleidingseisen voor de pabo in 2015 is deinstroom aanvankelijk fors gedaald, om vervolgens in de periode tot enmet 2020 jaarlijks te stijgen. Vanaf 2021 is de instroom gestabiliseerd toteenzelfde niveau als voor 2015. De instroom van de pabo stijgt ditstudiejaar waarschijnlijk met 3%, maar de gewenste stijging in deinstroom is uitgebleven, ook gedurende de afgelopen jaren waarin deleeftijdsspecialisaties binnen de opleiding verder zijn vormgegeven. Hetdirecte effect van de pilots met leeftijdsspecialisaties op de instroom vanstudenten is niet onderzocht.De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister van mening is dat «voormannen geldt dat zij zich over het algemeen meer aangetrokken voelentot het geven van onderwijs aan de bovenbouw». Zij vragen of de Ministerdeze claim kan onderbouwen. Slaat dit op de 1,3 procentpunt uit hetonderzoek van Qompas uit 2018? De leden vragen hoeveel mensen dezestijging van 1,3 procentpunt in absolute aantallen zouden zijn. De ledenmerken op dat de Minister spreekt over «een kleine extra groep». Hoegroot is deze groep precies en acht de Minister het proportioneel omondoelmatige opleidingen toe te voegen aan het stelsel voor «een kleineextra groep»? Bovendien lezen deze leden in het onderzoek van Qompasuit 2018 dat «de aparte analyse voor mannen en vrouwen laat zien datspecialisatie bij zowel mannen als vrouwen geen effect heeft op deintentie om leraar in het po te worden» (p. 24). Hoe reflecteert de Ministerhierop? Bovendien laat onderzoek zien dat nieuwe, smalle, opleidingenjuist ook bestaande opleidingen kunnen kannibaliseren. Welke toename inleraren verwacht het kabinet concreet, met inachtneming van dezekannibalisatie?In het meest recente onderzoek van Qompas, dat bijgevoegd is bij dezebeantwoording, is aan respondenten gevraagd aan welke doelgroep zij,na het afronden van de lerarenopleiding basisonderwijs, het liefst willenwerken. 70,4% van de bevraagde mannelijke havo-scholieren geeft aanwaarschijnlijk of zeker het liefst met oudere kinderen (in het onderzoekgroep 5 t/m 8) te willen werken. Dit geldt ook voor 75,1% van de manne-lijke vwo-scholieren en 66% van de mannelijke mbo-studenten. De groepdie aangeeft met het jonge kind (in het onderzoek groep 1 t/m 4) te willenwerken, is aanzienlijk kleiner. Het gaat om 12,8% van de mannelijkehavo-scholieren, 7,1% van de vwo-scholieren en 12,7% van dembo-studenten. De resterende groep respondenten geeft aan zowel methet jonge als met het oudere kind te willen werken of dit nog niet teweten.Uit dit recente onderzoek van Qompas, blijkt dat er een groep respon-denten is die aangeeft waarschijnlijk wel of zeker wel de intentie tehebben om de bestaande brede opleiding, maar ook waarschijnlijk wel ofzeker wel de intentie te hebben om de nieuwe gespecialiseerde opleidingte volgen. Dit is de groep die nu voor de bestaande brede opleiding kiest,maar later mogelijk voor een gespecialiseerde opleiding kiest. Het gaatdaarbij om 10,2% van de havo-scholieren, 5,5% van de vwo-scholieren en8,4% van de mbo 4-studenten.Het onderzoek bevat ook resultaten waaruit blijkt in hoeverre we met dezegespecialiseerde opleiding scholieren of studenten zouden kunnenaanspreken die hebben aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in deopleiding zoals deze er nu uitziet. Er is een groep respondenten dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51127 aangeeft misschien, waarschijnlijk niet of zeker niet de intentie te hebbenom de bestaande brede opleiding te volgen en waarschijnlijk wel of zekerwel de intentie te hebben om de nieuwe gespecialiseerde opleiding tevolgen. Deze groep beschouwen we als de potentiële extra studenten diede nieuwe opleiding kan aantrekken, het gaat daarbij om 3,6% van dehavo-scholieren, 2,3% van de vwo-scholieren en 4,1% van de mbo4-studenten. Daarbij moet worden aangetekend dat de groep die aangeeftnaar zeker wel te switchen daarbinnen de kleinste groep is (te weten 0,7procent van de havo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en 0,7procent van de mbo 4-studenten), en het met name gaat om respon-denten die aangeven waarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding tekiezen.We willen alles op alles zetten om nieuwe doelgroepen te enthousias-meren voor de lerarenopleiding voor het basisonderwijs, dus ook als diteen kleine groep betreft.De leden van de D66-fractie merken op dat uit de beslisnota bij de briefblijkt dat zowel de CDHO en de NVAO geen voorstander zijn van hetvoorstel. Het CDHO twijfelt of de kabinetsplannen door een macrodoelma-tigheidstoets komen. Is de Minister bereid om vooraf aan hetCDHO-advies te vragen op het gebied van macrodoelmatigheid, alvorenseen intensief juridisch traject te starten waarna de nieuwe opleidingenmogelijk niet door de macrodoelmatigheidstoets komen? Hoe reflecteertde Minister op het standpunt van de CDHO dat smalle opleidingen nietdoor de macrodoelmatigheidstoets komen?De criteria voor het starten van een nieuwe opleiding staan beschreven inde Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 202328.Samenvattend komt het erop neer dat de betreffende instelling dearbeidsmarktbehoefte dient aan te tonen en te onderbouwen. Ook moetworden onderbouwd dat er binnen het bestaande opleidingsaanbodruimte is voor de nieuwe opleiding, wat de noodzaak is om een nieuweopleiding te starten en waarom het aanbieden van die nieuwe opleidingpast bij het profiel van de betreffende instelling. De regeling biedt ruimtevoor een clusteraanvraag van samenwerkende instellingen, die eengezamenlijke inhoudelijke toets faciliteert. Op basis van de hierbovenbeschreven elementen adviseert de CDHO de Minister. De Minister beslistvervolgens alles overwegend op basis van het concrete aanvraagdossierinclusief onderbouwing. Op de uitkomst daarvan kan in deze fase nietvooruit worden gelopen.De leden van de D66-fractie hebben vragen bij de proportionaliteit van devoorgestelde maatregelen. Zij denken dat de energie beter is besteed aanmaatregelen waarvan er tenminste enigszins is aangetoond dat het effectheeft op het aantal leraren voor de klas. Zo noemen (potentiële) lerarenbijvoorbeeld het salaris, de werkdruk en het gebrek aan doorgroeimoge-lijkheden. Kan de Minister een op onderzoek gebaseerde top tien gevenvan redenen waarom afzonderlijk mannen en vrouwen tóch geen leraarwillen worden? Welke alternatieve maatregelen zijn volgens de Ministerdenkbaar om hierop in te spelen?Deze vraag is in het recente Qompas-onderzoek, dat bijgevoegd is bij dezebeantwoording, voorgelegd aan de bevraagde havo- en vwo-scholierenen mbo 4-studenten. In alle groepen is salaris de meest genoemde redenom niet voor het beroep leraar te kiezen. Een kanttekening hierbij is dat uit28De regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 2023 en de toelichting daaropis te raadplegen via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0048105Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51128 een eerder vignettenonderzoek van Qompas in 201829 bleek dat scholierenhet salaris van leerkrachten in het basisonderwijs onderschatten. Geenpassend beroep en de hoge werkdruk zijn naast salaris in alle groepen demeest genoemde redenen om niet voor het beroep leraar te kiezen. De top10 redenen om niet voor het beroep van leraar te kiezen per opleidings-niveau staan hieronder per groep beschreven.Havo-scholieren:1.Salaris2.Ik denk dat het beroep leraar niet bij me past3.Hoge werkdruk4.De opleiding spreekt me niet aan5.Status van het lerarenberoep6.Zwaar beroep7.Mijn eigen ervaring als leerling in het onderwijs8.Carrièreperspectief9.Ik wil niet met kinderen werken10.Ik wil wel met kinderen werken, maar niet in het onderwijsVwo-scholieren:1.Salaris2.Ik denk dat het beroep leraar niet bij me past3.Hoge werkdruk4.Carrièreperspectief5.De opleiding spreekt me niet aan6.Weinig intellectuele uitdaging7.Status van het lerarenberoep8.Zwaar beroep9.Ik wil wel met kinderen werken, maar niet in het onderwijs10.Ik wil niet met kinderen werkenMbo 4-studenten:1.Salaris2.Hoge werkdruk3.De opleiding spreekt me niet aan4.Ik denk dat het beroep leraar niet bij me past5.Zwaar beroep6.Hoge toelatingseisen voor de opleiding7.Status van het lerarenberoep8.Carrièreperspectief9.Ik wil wel met kinderen werken, maar niet in het onderwijs10.Ik wil niet met kinderen werkenOnder de mbo 4-studenten noemen mannen vaker het (gebrek aan)carrièreperspectief en niet met kinderen willen werken als reden om nietvoor het lerarenberoep te kiezen dan vrouwen. Vrouwen noemen vaker dehoge toelatingseisen voor de opleiding als reden om niet voor hetlerarenberoep te kiezen dan mannen.We nemen maatregelen om aan verschillende van bovengenoemderedenen om niet voor het beroep te kiezen iets te veranderen. Zo is ereerder al fors geïnvesteerd in het verhogen van het salaris voor leraren.Afgelopen januari is de campagne «Werken met de toekomst» van startgegaan. Het doel is om te laten zien dat het onderwijs dé plek is waar jehet verschil kunt maken in de levens van kinderen, jongeren en (jong)vol-wassenen. En zo potentiële zij-instromers en studiekiezers enthousiast temaken voor een baan in het basis- en voortgezet onderwijs en hetmiddelbaar beroepsonderwijs. De campagne moet er ook aan bijdragen29Qompas (2018), Optimale inrichting van lerarenopleidingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51129 dat er een realistisch beeld ontstaat over het salaris van een leraar. In deNationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) worden o.a. deontwikkelpaden voor leraren uitgewerkt zodat het carrièreperspectief voorleraren duidelijker wordt.Tot slot vragen de leden van de D66-fractie in hoeverre het voorstel steunheeft bij de onderwijssector. Zij merken op dat AOb, CNV, AVS, PO-Raad,VH en LOBO allemaal tegen het voorstel zijn. Hoe reflecteert de Ministerhierop? Denkt de Minister dat het zinvol is om een voorstel door te voerenwaar niemand voor is? De leden merken bovendien op dat de Minister inhet vorig schriftelijk overleg over dit onderwerp stelt: «We vinden het vangroot belang om de beroepsgroep actief te betrekken in dit traject.». Hoezijn leraren betrokken geweest bij de hoofdlijnenbrief? Vindt de Ministerhet nog steeds van groot belang om de beroepsgroep actief te betrekken,en zo ja, wat doet het kabinet met de (terecht) bijzonder negatieve reactievan de AOb op de hoofdlijnenbrief?In aanloop naar de hoofdlijnenbrief is meermaals gesproken metvertegenwoordigers van de beroepsgroep. Zoals beschreven in de brief,hebben zij hun zorgen geuit over dit wetsvoorstel, bijvoorbeeld over deverminderde flexibele inzetbaarheid van leraren met een smallebevoegdheid. Wij begrijpen de zorgen van de beroepsgroep, maar zijnervan overtuigd dat we alles op alles moeten zetten om een zo grootmogelijke groep voor het lerarenberoep aan te spreken. De afgelopenjaren is daar al heel veel aan gedaan, maar het is niet genoeg. Daaromwillen wij ook buiten de gebaande paden kijken. Net als een meerderheidvan uw Kamer30 zien wij kansen met dit wetsvoorstel. Juist omdat eenvertegenwoordiging van de beroepsgroep niet positief is over opleidingendie opleiden tot een smalle bevoegdheid, vinden wij het extra van belangom hen goed te betrekken en een plan uit te werken dat voor allebetrokken partijen zo goed mogelijk werkbaar is.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de hoofdlijnen-brief wetsvoorstel differentiatie pabo. De leden hebben hier enkele vragenen opmerkingen over. Een lid van de BBB-fractie was eerder medeonder-tekenaar van een motie die om de splitsing vroeg. Deze leden zijn voor hetaantrekken van een zo divers mogelijke groep om het lerarentekort tegente gaan en om te zorgen voor rolmodellen voor alle leerlingen. Eén van demogelijke oorzaken voor de te kleine instroom is het imago van hetlerarenberoep en de opleiding. Voor mannen geldt dat zij zich over hetalgemeen meer aangetrokken voelen tot het geven van onderwijs aan debovenbouw. De huidige breedte van de opleiding schrikt hen mogelijk af.Deze leden zijn dus blij dat er nu werk van wordt gemaakt. De leden vande BBB-fractie hebben vragen bij de voorgestelde uitwerking van hetwetsvoorstel en het vervolgtraject. Een overweging in de motie was dat erreeds een wetsvoorstel werd voorbereid om de splitsing van bevoegd-heden binnen de pabo mogelijk te maken. De regering werd dan ookverzocht vaart te maken met het wetsvoorstel. De uitwerking in dehoofdlijnenbrief lijkt echter uit te gaan van een heel nieuw traject. Graagontvangen deze leden hier een reactie op.In het wetsvoorstel dat eind 2020 tot begin 2021 in internetconsultatie isgebracht, was een aantal fundamentele keuzes nog niet gemaakt. Zo waser nog geen keuze gemaakt over de leeftijdsafbakening tussen deopleidingen voor het jonge en oudere kind. Ook stond in dat wetsvoorstelnog de optie dat er onderscheid kon worden gemaakt in de toelatings-30Kamerstukken II 2023/24, 27 923, nr. 473.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51130 eisen voor de nieuwe opleidingen. Op deze aspecten zal het nieuwewetsvoorstel verschillen ten opzichte van de versie uit 2020. Voor watbetreft de leeftijdsafbakening, kiezen we ervoor om het advies van delandelijke expertisecentra op te volgen, namelijk een brede, overlappendebevoegdheid. Het gaat daarbij om een jonge kind opleiding van groep 1t/m 5, en een oudere kind opleiding van groep 4 t/m 8, met bijbehorendebevoegdheden. Op deze manier willen wij onder meer aansluiten bij deniet-lineaire ontwikkeling van kinderen. Ook kiezen wij ervoor, zoals ook inde hoofdlijnenbrief beschreven, om geen onderscheid te maken tussen detoelatingseisen voor de verschillende pabo-opleidingen. Het minimum-niveau dat we van aankomend leraren mogen verwachten, mag nietverlaagd worden, zeker niet aangezien de onderwijskwaliteit onder drukstaat. Uiteraard zal een deel van het verrichte werk aan het eerderewetsvoorstel worden gebruikt voor dit nieuwe wetsvoorstel. Daarnaastwordt van het werkveld een actieve bijdrage verwacht. De beroepsgroepzal worden gevraagd om advies uit te brengen over de aanpassing van debekwaamheidseisen, passend bij de nieuwe situatie. Het is aan desamenwerkende opleidingen om de landelijke kennisbases aan te passenop de nieuwe situatie. Het is aan instellingen om te beslissen of ze van demogelijkheid gebruik willen maken om gespecialiseerde opleidingen in terichten en daaraan voorafgaand de benodigde processen bij CDHO enNVAO te doorlopen.Een ander argument voor een splitsing van de pabo is dat naar het ideevan de leden van de BBB-fractie kleuters in psychologisch opzicht te vaakbenaderd worden als jonge schoolkinderen. Hierbij dan ook de vraag of erin het verdere traject specifieke aandacht kan worden gegeven aan deontwikkelingsfase van kleuters, bijvoorbeeld door de Werk- en SteungroepKleuteronderwijs (WSK) te betrekken.Ik acht het van belang om te borgen dat álle leraren, ook toekomstigeleraren met een smallere bevoegdheid opgeleid aan een gespecialiseerdeopleiding, zicht houden op de ontwikkeling van kinderen in de gehelebasisschoolleeftijd. Tegelijkertijd verwerven leraren met een smallerebevoegdheid tijdens hun gespecialiseerde opleiding meer diepgaandekennis van de ontwikkeling van kinderen binnen de gekozen leeftijds-groep. De landelijke expertisecentra voor het jonge kind en voor het po-vohebben daarbij het voorstel gedaan om te werken met overlappendebevoegdheden. Voor het lesgeven aan het jonge kind voor de groepen 1t/m 5 en voor het lesgeven aan het oudere kind voor de groepen 4 t/m 8.Ten opzichte van de opleiding voor het oudere kind onderscheidt deopleiding voor het jonge kind zich dus met een lesbevoegdheid voor degroepen 1 t/m 3 en de aandacht voor de voorschoolse periode. Mijnverwachting is dat daarmee de specifieke aandacht voor de ontwikke-lingsfase van het kind in de kleuterleeftijd voldoende is geborgd.Het is de taak van de beroepsgroep om een advies uit te brengen over deinhoud van de bekwaamheidseisen van leraren met een smallerebevoegdheid voor het lesgeven aan het jonge of oudere kind. Onderdeelvan dit proces is dat daarbij ook werkgevers, lerarenopleidingen/lerarenopleiders en andere belanghebbenden, waaronder vertegenwoor-digers van ouders en leerlingen, worden betrokken. Over het voorstelvoor aanpassing van de bekwaamheidseisen neemt de Staatssecretarisvervolgens een besluit dat daarna aan de Kamer zal worden voorgelegdmet de vraag om het vast te stellen. Op basis van deze bekwaam-heidseisen herijken lerarenopleidingen waar nodig de landelijke kennis-bases. Per opleiding worden daarna de eindtermen en de inhoud van hetcurriculum van de gespecialiseerde opleidingen vormgegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51131 Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de aanbevelingen uit hetdoor ResearchNed uitgevoerde onderzoek «Meer Meesters» kunnenworden meegenomen bij de verdere uitwerking.Het onderzoek van ResearchNed uit 202131 naar de wijze waarop eenmeer diverse instroom in opleiding en beroep kan worden bevorderdbevat een aantal aanbevelingen. Voor elk van deze aanbevelingen is ookde primaire actor benoemd die dus een leidende rol heeft in het opvolgenen aanjagen van de aanbeveling; als actoren zijn voornamelijk deopleidingen en schoolbesturen genoemd. Aanbevelingen waaraan deoverheid als primaire actor bijdraagt zijn: 1. het bevorderen van eenrealistisch, divers en sekseneutraal beeld van de opleiding en het beroep;2. het zorgen voor peers en rolmodellen voor zowel mannen als andereminderheidsgroepen tijdens opleiding en werk; 3. geen dominante focusop het aantrekken van mannen: motiveren van mannen en vrouwen vandiverse achtergronden voor het onderwijs, stereotypen en clichés inperspectief plaatsen en het maatschappelijk belang van de functie alsleerkracht basisonderwijs benadrukken. Deze worden ook betrokken in hetmogelijk maken van gespecialiseerde opleidingen.Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de hoofdlijnen-brief en hebben hierover nog enkele vragen. Deze leden constateren dat inhet veld flinke bezwaren leven ten aanzien van het voorstel om de pabo tesplitsen. Deze bezwaren zijn deels principieel en deels praktisch van aard.De principiële bezwaren gaan onder andere over dat het belangrijk is datde leraar zich bewust is van de gehele ontwikkeling van een kind tussenvier en twaalf jaar en hierover kennis heeft. Praktische bezwaren zienonder andere op het feit dat het kan leiden tot minder mobiliteit, kleinerecontracten, mogelijke problemen bij vervanging, het feit dat studententijdens de opleiding of tijdens hun werkzame leven erachter kunnenkomen dat ze toch liever een andere leeftijdsgroep lesgeven, de kosten, enhet feit dat er al mogelijkheden bestaan om je als leraar of student tespecialiseren. Deze leden vragen of de Minister deze bezwaren herkent endeelt, en of hij op deze bezwaren afzonderlijk wil reageren. Ook vragendeze leden welke verwachte voordelen de Minister hier tegenover zet enof hij deze verwachte voordelen wil onderbouwen.In aanloop naar de hoofdlijnenbrief is meermaals gesproken metvertegenwoordigers van de beroepsgroep. Zoals beschreven in de brief,hebben zij hun zorgen geuit over dit wetsvoorstel, bijvoorbeeld over deverminderde flexibele inzetbaarheid van leraren met een smallebevoegdheid. Wij begrijpen de zorgen van de beroepsgroep, maar zijnervan overtuigd dat we alles op alles moeten zetten om een zo grootmogelijke groep voor het lerarenberoep aan te spreken om het tekorttegen te gaan en om te zorgen voor rolmodellen voor alle leerlingen. Wijwillen er alles aan doen om de lerarenopleiding voor een nieuwe en meerdiverse groep studenten aantrekkelijk te maken. De afgelopen jaren isdaar al heel veel aan gedaan, maar het is niet genoeg. Daarom willen wijook buiten de gebaande paden kijken. Net als een meerderheid van uwKamer zien wij kansen met dit wetsvoorstel. Juist omdat een vertegen-woordiging van de beroepsgroep niet positief is over opleidingen dieopleiden tot een smalle bevoegdheid, vinden wij het extra van belang omhen goed te betrekken en een plan uit te werken dat voor alle betrokkenpartijen zo goed mogelijk werkbaar is.31Researchned (2021), Meer Meesters? Routes naar diversiteit voor de klas.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51132 We hebben de interesse van havo- en vwo-scholieren en mbo 4-studentenin de gespecialiseerde opleidingen voor het jonge en oudere kindgemeten in een vignettenonderzoek dat is uitgevoerd door Qompas en datis bijgevoegd bij deze beantwoording. Uit dit recente onderzoek vanQompas blijkt dat er een groep respondenten is die aangeeftwaarschijnlijk wel of zeker wel de intentie te hebben om de bestaandebrede opleiding, maar ook waarschijnlijk wel of zeker wel de intentie tehebben om de nieuwe gespecialiseerde opleiding te volgen. Dit is degroep die nu voor de bestaande brede opleiding kiest, maar later mogelijkvoor een gespecialiseerde opleiding kiest. Het gaat daarbij om 10,2% vande havo-scholieren, 5,5% van de vwo-scholieren en 8,4% van de mbo4-studenten.Het onderzoek bevat ook resultaten waaruit blijkt in hoeverre we met dezegespecialiseerde opleiding scholieren of studenten zouden kunnenaanspreken die hebben aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in deopleiding zoals deze er nu uitziet. Er is een groep respondenten dieaangeeft misschien, waarschijnlijk niet of zeker niet de intentie te hebbenom de bestaande brede opleiding te volgen en waarschijnlijk wel of zekerwel de intentie te hebben om de nieuwe gespecialiseerde opleiding tevolgen. Deze groep beschouwen we als de potentiële extra studenten diede nieuwe opleiding kan aantrekken, het gaat daarbij om 3,6% van dehavo-scholieren, 2,3% van de vwo-scholieren en 4,1% van de mbo4-studenten. Daarbij moet worden aangetekend dat de groep die aangeeftnaar zeker wel te switchen daarbinnen de kleinste groep is (te weten 0,7procent van de havo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en 0,7procent van de mbo 4-studenten), en het met name gaat om respon-denten die aangeven waarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding tekiezen.Inbreng van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de hoofdlijnenbrief. Deze leden hechten aan een zorgvuldig traject enzij hebben daarom nog een aantal vragen. De leden van de SGP-fractievragen hoe de bewindslieden reageren op de kritiek van het onder-wijsveld dat het voorstel niet zou bijdragen aan een hogere instroom eneen meer diverse populatie. Hoe zijn deze stellingen te verenigen meteerdere onderzoeken die aangaven dat een verdergaande specialisatievolgens een behoorlijk deel van de aspirant-studenten wel eenoverwegend positief effect zou hebben?Het recente Qompas onderzoek geeft aan dat er een groep is die aangeeftmisschien, waarschijnlijk niet of zeker niet de intentie te hebben om debestaande brede opleiding te volgen en waarschijnlijk wel of zeker wel deintentie te hebben om de nieuwe gespecialiseerde opleiding te volgen.Deze groep beschouwen we als de potentiële extra studenten die denieuwe opleiding kan aantrekken, het gaat daarbij om 3,6% van dehavo-scholieren, 2,3% van de vwo-scholieren en 4,1% van de mbo4-studenten. Daarbij moet worden aangetekend dat de groep die aangeeftnaar zeker wel te switchen daarbinnen de kleinste groep is (te weten 0,7procent van de havo-scholieren, 0,2 procent van de vwo-scholieren, en 0,7procent van de mbo 4-studenten), en het met name gaat om respon-denten die aangeven waarschijnlijk wel voor de nieuwe opleiding tekiezen. Op basis van dit onderzoek kunnen vanwege de steekproefgrootteen vele antwoordopties geen uitspraken worden gedaan over eventueleverschillen tussen mannen en vrouwen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51133 Uit evaluaties in 2018, 2021 en 202232 van de pilots met leeftijdsspeciali-saties blijkt onder andere dat de leeftijdspecialisatie bijdraagt aan heteerder opdoen van meer specialistische kennis en vaardigheden en datdat ook aansluit bij de behoeften van het werkveld. Eerder onderzoek vanQompas uit 2018 liet zien dat mannelijke mbo 4-studenten de pabointeressanter vinden wanneer er een specialisatieprogramma is waarmeezij zich kunnen specialiseren in het lesgeven aan kinderen in groep 5 t/m 8,terwijl vrouwelijke mbo 4-studenten meer interesse in de pabo hebbenwanneer zij zich kunnen specialiseren in het lesgeven aan kinderen ingroep 1 t/m 4. Bij scholieren van de havo en het vwo zijn uit het onderzoekgeen significante effecten van een specialisatieprogramma op de intentieom naar de pabo te gaan naar voren gekomen. Belangrijk aandachtspuntis dat in het onderzoek uit 2018 niet is aangegeven tot welke bevoegdheidde gespecialiseerde opleiding leidt (smal of breed), terwijl uit het recenteonderzoek blijkt dat een brede of smalle bevoegdheid veel effect sorteertop de intentie om een lerarenopleiding basisonderwijs te willen doen.De leden van de SGP-fractie zouden graag meer inzicht krijgen in hoeverrehet voorstel daadwerkelijk tot en forse beperking van de mobiliteit binnenbasisscholen zou leiden. Deze leden constateren dat het al geruime tijdgeleden is dat een onderzoek is gedaan naar de mobiliteit van hetpersoneel (Regioplan, 2011). Het onderzoek liet echter nog veel vragenopen, onder andere doordat een specifieke focus op het onderscheidtussen kleutergroepen en hogere groepen ontbrak. Kunnen de bewinds-lieden meer en actueler zicht bieden op de gevolgen voor de mobiliteit enzijn zij bereid te laten onderzoeken in hoeverre leraren daadwerkelijkmeerdere keren tijdens hun loopbaan overstappen van kleutergroepennaar hogere groepen?Door voor een brede, overlappende splitsing tussen de beide gespeciali-seerde opleidingen te kiezen, blijft het ook voor leraren met een smallebevoegdheid mogelijk om in meerdere groepen les te geven, groep 1 t/m5 voor leraren die bevoegd zijn om les te geven aan het jonge kind engroep 4 t/m 8 voor leraren die een bevoegdheid hebben voor het lesgevenaan het oudere kind. Wij achten het uitvoeren van aanvullend onderzoeknaar de mobiliteit van leraren niet noodzakelijk maar daarnaast welvertragend voor het verder brengen van dit wetsvoorstel.De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre de bewindslieden opbasis van het onderzoek van Qompas uit 2018 en andere onderzoeksge-gevens over de voorkeuren van scholieren en studenten de indruk heeftdat het inzetten op verdergaande specialisatie het investeren waard is.Kunnen zij toelichten waarom het onderwijsveld op basis van dezegegevens juist kritisch is over de meerwaarde?Uit de evaluaties van de pilots met de leeftijdsspecialisaties blijkt dat deervaringen van deelnemende opleidingen en studenten over hetalgemeen positief waren, maar de precieze vormgeving van de pilotsverschilde per opleiding. Er is in de evaluatieonderzoeken niet gekekennaar het effect van de leeftijdsspecialisaties op de instroom van studentenin de opleiding. Uit het onderzoek van ECBO in 2022 blijkt dat er onderdeelnemende opleidingen geen draagvlak is voor een gesplitste opleidingof gesplitste bevoegdheid.32Researchned (2018), Specialisatiemogelijkheden in lerarenopleidingen. ResearchNed (2021),Evaluatie van de pilots gespecialiseerde pabo-opleidingen. ECBO (2022), Tweede evaluatiepabo pilots uitgebreide specialisaties jonge kind en oudere kind.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51134 Het onderwijsveld uit zich inderdaad kritisch over het wetsvoorstelwaarmee wij het voor opleidingsinstituten mogelijk maken om aparteopleidingen voor het jonge en oudere kind die leiden tot smalle bevoegd-heden in te richten. Hun kritiek richt zich hoofdzakelijk op de smallerebevoegdheden en de consequenties hiervan. Binnen de bestaande bredeopleidingen wordt al vorm en inhoud gegeven aan de leeftijdsspeciali-saties.De leden van de SGP-fractie vragen of de bewindslieden inzichtelijkkunnen maken hoeveel opleidingen de kleuterstage als een verplichtonderdeel hanteren en in hoeverre studenten mogelijkheden om af tewijken. Welke mogelijkheden zien de bewindslieden om reeds binnen hetbestaande model, al dan niet vooruitlopend op het voorstel, meerkeuzevrijheid voor studenten te bieden.Als onderdeel van de beantwoording33 van een eerder schriftelijk overlegin november 2024, hebben wij de Kamer geïnformeerd dat ongeveer dehelft van de pabo’s geen verplichte kleuterstage heeft. Daarbij is vermelddat er geen verschil is in instroom van mannen tussen pabo’s metverplichte stage in de eerste twee groepen en pabo’s zonder. De kleuter-stage blijkt volgens de pabo’s slechts zelden de aanleiding te zijn voormeesters in opleiding om vroegtijdig met hun studie te stoppen.Aanvullend daarop hechten wij eraan te vermelden dat de bestaandepabo’s opleiden tot een brede lesbevoegdheid voor alle groepen van debasisschool, inclusief het jonge kind. Het is aan opleidingen om te borgendat al haar afgestudeerden voldoen aan de wettelijke bekwaamheidseisenen voldoende toegerust zijn om in alle groepen van de basisschoolzelfstandig als leraar te werken.Hoe kunnen met de instellingen, gelet op de resultaten uit de inventari-satie van Divers voor de klas (juli 2024), afspraken worden gemaakt omwaar nodig concreet vooruitgang te boeken?We willen met een inspanningsverplichting tussen LOBO, bevoegdegezagsorganen (vertegenwoordigers van) schoolbesturen, onderwijsre-gio’s en OCW gaan werken. Er worden acties en aandachtspuntengeformuleerd door de sociale partners, die passen bij de verschillendefases in de (studie)loopbaan van een student (instroom, doorstroom,uitstroom, behoud), die een bijdrage kunnen leveren aan de verbeteringvan diversiteit op lerarenopleidingen en scholen. Het is van belang datalle spelers (opleidingen, schoolbesturen en onderwijsregio’s) een rolkrijgen en worden betrokken. Alle inspanningen zijn erop gericht hetpercentage van 13% te verhogen. Een concreet voorbeeld van zo’nafspraak die gemaakt kan worden, is dat alle lerarenopleidingen enopleidingsscholen werk maken van het studierendement onder (manne-lijke) studenten.Deze optie kan ook op steun rekenen vanuit het veld. De sociale partnersonderkennen dat er actie nodig is en willen hier ook verantwoordelijkheidin nemen, maar zien geen heil in een concreet streefcijfer. Op basis van deinspanningsverplichting kan dit jaarlijks in de trendrapportage en in deKamerbrief lerarenstrategie worden opgenomen.De leden van de SGP-fractie vragen of de bewindslieden kunnenbevestigen dat ook binnen de voorgestelde splitsing leraren altijd ookkennis moeten hebben van de ontwikkeling van leerlingen tijdens devolledige basisschoolperiode, zodat onder andere de aansluiting33Kamerstukken II 2024/25, 27 923, nr. 496.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51135 voldoende geborgd is en het gesprek over onderwijskwaliteit binnen hetteam op niveau gevoerd kan worden.Wij onderschrijven het belang dat leraren zicht hebben op de geheleontwikkeling van het kind in de basisschoolleeftijd. Ook voor leraren meteen smallere bevoegdheid, opgeleid aan een gespecialiseerde opleidingvoor het jonge of oudere kind, is het belangrijk dat zij op hoofdlijnenkennis hebben van de ontwikkeling die kinderen binnen de gehelebasisschool doormaken. Aanvullend daarop hebben zij meer diepgaandekennis van de ontwikkeling van kinderen binnen de gekozen leeftijds-groep. De verwachting is dat binnen schoolteams leraren met elkaaraanvullende kennis en ervaring, breed of smaller bevoegd, zullensamenwerken.De leden van de SGP-fractie vragen waarom een nader onderzoek isverricht naar de leeftijdsgrens voor splitsing, terwijl binnen de huidigespecialisaties en de brede en bestendige onderwijspraktijk de grens vanzeven jaar een duidelijk einde van de kleuterfase markeert. Vinden debewindslieden ook dat een verhoging van deze grens, het leggen van decesuur tussen groep 4 en 5, de essentie van het voorstel ondermijnt enbegrijpen zij het onbegrip in het onderwijsveld hierover? Gaan zij bij deuitwerking van het voorstel ook het advies van de Onderwijsraad uit 2018betrekken (Ruim baan voor leraren)?Onderdeel van de eerdere pilots voor het inrichten van een specialisatie inhet jonge of oudere kind was het hanteren van een duidelijk onderscheid.Uit de eerste evaluatie van de pilots in 202134 blijkt dat opleidingen voorhun specialisatie in het jonge kind groep 3 en 4 meenemen met als doelom zorg te dragen voor een doorgaande lijn en geen breuk te creërentussen onder- en middenbouw. Uit de tweede evaluatie in 202235 blijkt datde meeste pabo’s voor het jonge kind de leeftijd van 2–7 jaar hanteren endat een enkele pabo kiest voor 0–7 of 2–8 jaar. Binnen de pilots ouderekind ligt de focus meestal op de leeftijd van 8–14 jaar. Daarbij werd alaangetekend dat gekozen grenzen tot op bepaalde hoogte arbitrair zijnomdat niet alle kinderen zich op dezelfde manier ontwikkelen. Onderdeelvan de internetconsultatie van het eerdere wetsvoorstel in 2021 was devraag welke leeftijdsgrens zou moeten worden gehanteerd voor het jongeen oudere kind. Uit de reacties op deze vraag blijkt geen directe duidelijkeconsensus over hoe de leeftijdsafbakening eruit zou moeten zien.De landelijke expertisecentra voor het Jonge Kind en voor po-vo hebbenop ons verzoek een advies opgesteld over de vraag naar een passendeleeftijdsafbakening. De expertisecentra adviseren te werken met overlap-pende bevoegdheden. Voor het lesgeven aan het jonge kind voor degroepen 1 t/m 5 en voor het lesgeven aan het oudere kind voor degroepen 4 t/m 8. Onderdeel van de onderbouwing hiervoor is ook hier datniet alle kinderen zich op dezelfde manier ontwikkelen. Bovendien draagtdit bij aan het zicht van alle leraren op de doorgaande lijn van kinderen inde totale basisschoolleeftijd. Ten opzichte van de opleiding voor hetoudere kind onderscheidt de opleiding voor het jonge kind zich met eenlesbevoegdheid voor de groepen 1 t/m 3 en de aandacht voor devoorschoolse periode. Onze verwachting is dat daarmee de specifiekeaandacht voor de ontwikkelingsfase van het jonge kind in brede zinvoldoende is geborgd. Zoals aangekondigd in de hoofdlijnenbrief zoekenwe op termijn naar meer verbinding tussen de opleidingen voor kinder-opvang en het jonge kind.34ResearchNed (2021), Evaluatie van de pilots gespecialiseerde pabo-opleidingen.35ECBO (2022), Tweede evaluatie pabo pilots uitgebreide specialisaties jonge kind en ouderekind.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51136 De leden van de SGP-fractie vinden het belangrijk dat het onderwijs in delaagste leeftijdsgroepen voldoende toegesneden is op de specifiekeontwikkelingsfase van kleuters. Deze leden wijzen op de suggestie van deWSK om in een proefproject met een aantal scholen ervaring op te doenmet het zogeheten ontwikkelingsvolgend en voorwaardenscheppendonderwijs en de resultaten op kwalitatieve wijze in beeld te brengen. Dezeleden vragen of de bewindslieden bereid zijn in gesprek met de WSK teverkennen hoe een dergelijk onderzoeksproject met een groep scholenkan worden uitgevoerd ter ondersteuning van de voorgenomen plannen.Het is aan de opleidingen om, als onderdeel van zowel de leeftijdsspeciali-satie binnen de bestaande opleiding als binnen een eventuele toekom-stige gespecialiseerde opleiding, zelf de eindtermen en inhouden van hetcurriculum vast te stellen. Daarbij baseren opleidingen zich op dewettelijke bekwaamheidseisen en de afspraken die opleidingen samenmaken over de landelijke kennisbases. Een onderzoek zoals door de WSKvoorgesteld vinden we niet nodig.De leden van de SGP-fractie vragen welke overwegingen de bewinds-lieden hebben om af te wijken van de adviezen van de NVAO en het CDHOom juist wel te kiezen voor tracks in plaats van afzonderlijke opleidingen.In motie De Kort c.s.36 wordt verzocht om, naast de bestaande, bredeopleiding, twee nieuwe pabo-opleidingen die leiden tot gespecialiseerdebevoegdheden in te richten. Eerder is het scenario van verschillendetracks binnen één pabo-opleiding verkend. Uitgangspunt daarbij is dat debekwaamheidseisen en eindtermen voor alle tracks gelijk dienen te zijn.Dit sluit onvoldoende aan bij de doelstelling van het inrichten vangespecialiseerde opleidingen die opleiden tot van elkaar te onderscheidenbevoegdheden op basis van de daarbij behorende bekwaamheidseisen.Het inrichten van losse gespecialiseerde opleidingen biedt bovendienmeer ruimte om diepgaande, specialistische kennis over de gekozendoelgroep aan te bieden.Hoe reageren zij op de conclusie uit de tweede tussenevaluatie van depilots dat vraagtekens te plaatsen zijn bij de levensvatbaarheid vanafzonderlijke opleidingen?Onderdeel van de tweede tussenevaluatie van de pilots in 202237 is deaanbeveling dat bij formalisatie van de uitgebreide leeftijdsspecialisatieshet van belang is dat deze financieellevensvatbaar zijn en blijven. Met het wetsvoorstel maken we het voorinstellingen mogelijk om gespecialiseerde opleidingen voor het jonge ofoudere kind in te richten. Het is vervolgens aan instellingen om tebesluiten al dan niet van die mogelijkheid gebruik te maken. Zoals ookvoor andere nieuwe opleidingen geldt is het aannemelijk dat instellingenbij het maken van deze afweging de kosten voor de ontwikkeling en(duurzame) instandhouding van de nieuwe opleiding(en) in ogenschouwzullen nemen. Instellingen die lerarenopleidingen aanbieden werkenbinnen regionale allianties o.a. samen aan een passend onderwijsaanbod.Wij moedigen instellingen aan om binnen de regionale allianties ook deinrichting van gespecialiseerde opleidingen voor het jonge of oudere kindte bespreken zodat het uiteindelijk in elke regio mogelijk wordt om eengespecialiseerde opleiding te volgen.36Kamerstukken II 2023/24, 27 923, nr. 473.37ECBO (2022), Tweede evaluatie pabo pilots uitgebreide specialisaties jonge kind en ouderekind.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51137 Deze leden vragen de bewindslieden ook in te gaan op het bezwaar vande instellingen dat de wijzigingen tot hoge kosten en veel bureaucratiegaan leiden als het gaat om de toets op doelmatigheid. Welke onder-steuning bieden zij hierbij, inhoudelijk en financieel? Hoe willen zijwaarborgen dat het een volwaardige keuze is voor instellingen om wel ofgeen afzonderlijke opleidingen aan te bieden en dat oneigenlijkeconcurrentie hierbij niet de drijvende kracht wordt?Het wetsvoorstel maakt het voor instellingen mogelijk om gespeciali-seerde opleidingen voor het jonge of oudere kind in te richten. Het isvervolgens aan instellingen om te besluiten al dan niet van diemogelijkheid gebruik te maken. Zoals ook voor andere nieuwe oplei-dingen geldt is het aannemelijk dat instellingen bij het maken van dezeafweging de kosten voor de ontwikkeling en (duurzame) instandhoudingvan de nieuwe opleiding(en) in ogenschouw zullen nemen. Dat is nietanders bij deze nieuwe opleidingen. Het is op voorhand niet te bepalenwelke afwegingen instellingen daarbij maken en wat het effect van deafzonderlijke keuze van de ene instelling op de andere instelling heeft.Instellingen die lerarenopleidingen aanbieden werken binnen regionaleallianties o.a. samen aan een passend onderwijsaanbod. Wij moedigeninstellingen aan om binnen de regionale allianties ook de inrichting vangespecialiseerde opleidingen voor het jonge of oudere kind te besprekenzodat het uiteindelijk in elke regio mogelijk wordt om een gespeciali-seerde opleiding te volgen.De leden van de SGP-fractie vragen waarom de bewindslieden tenaanzien van kleuters en bovenbouw geen differentiatie in naderevooropleidingseisen willen toepassen, terwijl de vaardigheden voor dezegroepen wezenlijk verschillen. Waarom zien zij in het rapport van deexpertisecentra geen aanleiding om dit juist nader te overwegen? Opwelke inhoudelijk overwegingen berust bijvoorbeeld de keuze om tenaanzien van rekenen dezelfde eisen toe te passen op de leraar die enkelverantwoordelijk is voor het onderwijs aan kleuters en degenen die ingroep 8 geacht wordt het niveau van de onderbouw van het voortgezetonderwijs te bedienen?Wij delen de mening van de SGP-fractie om onderscheid aan te brengenin vooropleidingseisen tussen de gespecialiseerde opleiding jonge enoude kind niet. De benodigde kennis van leraren is niet één-op-één dekennis die moet worden overgebracht op leerlingen. Vakinhoudelijkebekwaamheid vergt boven de leerstof staan. In het rapport van deexpertisecentra staat ook opgenomen dat zowel de leraar jongere kind alsoudere kind kennis en inzicht heeft in verschillende domeinen: taal, lezenen schrijven, rekenen-wiskunde, kennis van jezelf en de wereld/ burger-schap, zaakvakken (aardrijkskunde, geschiedenis), natuur en techniek(biologie), handschriftonderwijs. Juist in het hierboven genoemdevoorbeeld van rekenen wordt bij het jonge kind (groep 1 t/m 5) eenstevige basis gelegd en daarvoor is het van belang dat de leraar kennisheeft van de doorgaande lijn. Ook is het niet wenselijk dat er doordifferentiatie van de vooropleidingseisen een verschil van niveau ontstaantussen de verschillende routes, juist nu de onderwijskwaliteit onder drukstaat. Dit wordt erkend door de beroepsgroep.Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de hoofdlijnenbrief over het wetsvoorstel differentiatie pabo.Deze leden hebben enkele vragen. De leden van de ChristenUnie-fractiejuichen maatregelen toe die bevorderen dat meer mannen ervoor kiezenom meester te worden én om meester te blijven, maar zijn sceptisch overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51138 het plan om de pabo te splitsen. Deze leden kijken dan ook met belang-stelling uit naar de resultaten van het onderzoek waaruit moet blijkenhoeveel extra studenten de gespecialiseerde opleidingen zoudenaantrekken, maar zien ook de bezorgde reacties uit de sector. Zo merkt desector op dat splitsing van de pabo juist het lerarentekort zou kunnenvergroten. Tevens zou het creëren van gescheiden opleidingsroutes hetmoeilijker maken voor leraren om zich bewust te zijn van de geheleontwikkeling van een kind in de basisschoolperiode. De leden van deChristenUnie-fractie vragen de Minister of uit onderzoek blijkt of dezezorgen terecht zijn en zo ja, hoe de Minister op deze onderzoekenreflecteert. Mocht hier geen onderzoek naar zijn gedaan, is de Ministerbereid om deze bezwaren alsnog te onderzoeken?Het is belangrijk om te blijven benadrukken dat de brede pabo, naast degespecialiseerde opleidingen, zal blijven bestaan. Met dit wetsvoorstelwillen wij een doelgroep interesseren voor de pabo die anders wellichtniet voor de opleiding tot leraar in het basisonderwijs had gekozen. Methet toevoegen van deze optie is de inzet om uiteindelijk meer leraren tewerven voor het basisonderwijs. Daarbij is ook onze verwachting datleraren die bewust hebben gekozen voor het volgen van een gespeciali-seerde opleiding, meer werkplezier ervaren omdat zij van begin af aanwerken met een doelgroep waar zij affiniteit mee hebben en waarvoor zijzich ook optimaal toegerust voelen.Wij onderschrijven het belang dat leraren zicht hebben op de geheleontwikkeling van het kind in de basisschoolleeftijd. Ook voor leraren meteen smallere bevoegdheid, opgeleid aan een gespecialiseerde opleidingvoor het jonge of oudere kind, is het belangrijk dat zij op hoofdlijnenkennis hebben van de ontwikkeling die kinderen binnen de gehelebasisschool doormaken. Aanvullend daarop hebben zij meer diepgaandekennis van de ontwikkeling van kinderen binnen de gekozen leeftijds-groep. De verwachting is dat binnen schoolteams leraren met elkaaraanvullende kennis en ervaring, breed of smaller bevoegd, zullensamenwerken.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de rapportage «Inventari-satie maatregelen «mannen op de pabo» dat de inzet van peers enrolmodellen alsmede de begeleiding in de inductiefase de twee maatre-gelen zijn uit het ResearchNed-rapport die het minst worden uitgevoerd.De leden vinden verdere opvolging van deze aanbevelingen van belang.Welke stappen is de Minister van plan op deze punten te zetten?Wij delen de mening van de ChristenUnie-fractie dat er kansen liggen inde verdere opvolging van de aanbevelingen. De begeleiding in deinductiefase wordt door het LOBO gezien als één van de thema’s waar depabo’s vervolgstappen op moeten nemen. Ons Ministerie staat in nauwcontact hierover met hen en monitort de ontwikkeling van de concretestappen. Hier ligt ook een belangrijke rol voor de onderwijsregio’swaarbinnen leraren, scholen en lerarenopleidingen elkaar ontmoeten ensamenwerken. De Alliantie Divers voor de Klas zoekt dit jaar nadrukkelijkde samenwerking op met de onderwijsregio’s om dergelijke thema’s, diezich op het snijvlak van opleidingen en schoolbesturen bevinden, teagenderen. Voor de inzet van peers en rolmodellen ligt dat ingewikkelder,omdat voor de meeste pabo’s en scholen geldt: mannelijke rolmodellenzijn beperkt aanwezig. Zodra zij de mogelijkheid hebben mannelijkedocenten, schoolleiders, medestudenten en mentoren in te zetten, zullenzij dit doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51139 Tevens lezen de leden van de ChristenUnie-fractie in de genoemderapportage dat het opvolgen van de aanbevelingen uit het ResearchNed-rapport niet hebben geleid tot een toename van de instroom en van hetstudiesucces van mannelijke studenten op de pabo en bevelen verderonderzoek aan. Is de Minister bereid om deze aanbeveling op te volgen enverder onderzoek uit te laten voeren? Zo nee, waarom niet?We merken dat het thema meer mannen en diversiteit voor de klas goedonder de aandacht is gebracht en breed wordt onderschreven in hetonderwijs. We hebben hierop ook verschillende maatregelen lopen, zoalsde Alliantie Divers voor de Klas, de gelanceerde OCW campagne leraren,de inspanningsafspraken die gemaakt gaan worden en de specifiekeaandacht binnen de onderwijsregio’s. Daarnaast hebben we ook veelaandacht voor het vergroten en behouden van de aantrekkelijkheid vanhet lerarenberoep. Het kost tijd voordat de effecten van deze maatregelenzijn terug te zien in de cijfers. De Tweede Kamer wordt hier uiteraard overgeïnformeerd.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij met de vervolgstappen diede Alliantie Divers voor de klas zet om meer mannen voor de klas tekrijgen. De leden vragen of er al eens een werkbezoek en/of gesprek heeftplaatsgevonden met de Minister en Staatssecretaris met de Alliantie. Zonee, zijn ze bereid dat alsnog te doen?Vanuit ons ministerie is er veelvuldig contact met de Alliantie Divers en iser in het voorjaar een bijeenkomst van het netwerk van de Alliantie Diverswaarbij een vertegenwoordiging vanuit het ministerie aanwezig is.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen tenslotte in de genoemderapportage dat slechts 10% van de pabo’s die mee hebben gedaan aan derapportage een kwantitatieve doelstelling geeft. Deze leden merken op datde aangenomen motie van het lid Ceder c.s. de regering oproept om inoverleg met onderwijsorganisaties een concreet doel voor te stellen enzien dus dat er voor de Minister nog wel wat werk aan de winkel is. Kande Minister toezeggen om vóór het zomerreces van 2025 aan de Kamerconcrete afspraken en een concreet doel te presenteren? Als hij dat nietkan, vragen de leden de Minister om deze traagheid te verklaren. Het isimmers inmiddels bijna een jaar geleden dat de genoemde motie isaangenomen.Alle inspanningen zijn erop gericht het percentage van 13% mannen in hetonderwijs te verhogen. Een procentueel doel afspreken heeft alleen zinwanneer dit haalbaar én maakbaar is.Berekeningen laten zien dat 30% meesters voor de klas op korte termijnniet haalbaar is. Hiernaast is dit ook in vergelijkend internationaalperspectief onrealistisch, gemiddeld is 16% van de docenten in primaironderwijs van de OESO-landen man. We willen daarom met eeninspanningsverplichting tussen LOBO, bevoegde gezagsorganen(vertegenwoordigers van) schoolbesturen, onderwijsregio’s en OCW gaanwerken. Deze optie kan ook op steun rekenen vanuit het veld. De socialepartners onderkennen dat er op dit dossier actie nodig is en willen hierook verantwoordelijkheid in nemen, maar zien geen heil in een concreetstreefcijfer. Op basis van de inspanningsverplichting kan dit jaarlijks in detrendrapportage en in de Kamerbrief lerarenstrategie wordenopgenomen.Er worden acties en aandachtspunten geformuleerd door de socialepartners, die passen bij de verschillende fases in de (studie)loopbaan vaneen student (instroom, doorstroom, uitstroom, behoud). Het is van belangTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51140 dat alle spelers (opleidingen, schoolbesturen en onderwijsregio’s) een rolkrijgen en worden betrokken. Concrete voorbeelden van dergelijkeafspraken die gemaakt kunnen worden, zijn dat lerarenopleidingen samenmet opleidingsscholen werk maken van het verhogen van het studie-succes van de mannelijke student, dat het beroepsbeeld verbeterd, dat erdiversiteit in toetsvormen wordt aangeboden, dat voorlichtingen opmiddelbare scholen optimaliseren en dat er wordt gewerkt aan eeninclusief werkklimaat zowel tijdens de stage als tijdens de inductiefase.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 51141
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.