Verslag van een commissiedebat, gehouden op 22 januari 2025, over Leraren
Brontekst
Versie 2da0a91a543bc21c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202527 923Werken in het onderwijsNr. 509 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 7 maart 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op22 januari 2025 overleg gevoerd met de heer Bruins, Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, en mevrouw Paul, StaatssecretarisFunderend Onderwijs en Emancipatie, over:–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 17 december 2024 inzake lerarenstrategiedecember 2024 (Kamerstuk 27 923, nr. 497);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 19 november 2024 inzake antwoorden opvragen commissie over uitvoering van de motie van het lid DeKort c.s. over vaart maken met het wetsvoorstel en tweenieuwe pabo-opleidingen inrichten die opleiden tot gespeciali-seerde lesbevoegdheden (Kamerstuk 27 923, nr. 473), en vande gewijzigde motie van het lid Soepboer over naast degehanteerde klokurennorm ook een maximumlesurennorm van24 lesuren per week opnemen in de cao van het voortgezetonderwijs (Kamerstuk 27 923, nr. 489) (Kamerstuk 27 923,nr. 496);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 16 september 2024 inzake meer uren werkenstimuleren in het primair onderwijs: het vervolg op de voltijds-en meerurenbonus (Kamerstuk 31 293, nr. 747);–de brief van de Onderwijsraad d.d. 22 oktober 2024 inzake hetadvies «Een stevige stem» naar aanleiding van de adviesaan-vraag van de Kamer (Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 264) (Kamer-stuk 36 600 VIII, nr. 12);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 26 juni 2024 inzake voortgang lerarenstrategie juni 2024(Kamerstuk 27 923, nr. 492);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 28 oktober 2024 inzake beantwoordingvragen commissie over voortgang lerarenstrategie juni 2024(Kamerstuk 27 923, nr. 492) (Kamerstuk 27 923, nr. 495);–de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d.24 april 2024 inzake publicatie Focus op inhuur van docenten(Kamerstuk 27 923, nr. 488); kst-27923-509ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5091 –de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 2 september 2024 inzake beantwoordingvragen commissie over het rapport «Focus op inhuur vandocenten» van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 27 923,nr. 488) (Kamerstuk 27 923, nr. 493).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,BrometDe griffier van de commissie,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5092 Voorzitter: BeversGriffier: ArendsAanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bevers, Kisteman, Pijpelink,Rooderkerk, Soepboer, Stoffer, Uppelschoten en Van Zanten,en de heer Bruins, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, enmevrouw Paul, Staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie.Aanvang 10.00 uur.De voorzitter:Goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste Kamercommissievoor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Vanochtend is aan de orde hetcommissiedebat Leraren. Ik heet de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap, de heer Bruins, en de Staatssecretaris van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, mevrouw Paul, en hun beider ondersteuning vanharte welkom. Ook een woord van welkom aan de collega’s vanuit deKamer. Ik stel ze even kort voor: mevrouw Rooderkerk van D66, de heerKisteman van de VVD, mevrouw Pijpelink van GroenLinks-PvdA, mevrouwVan Zanten van de BBB, de heer Soepboer van NSC en de heer Uppel-schoten van de PVV. Ook welkom aan iedereen op de publieke tribune enaan de mensen die het debat thuis via de stream volgen.De Kamerleden hebben een spreektijd van maximaal vier minuten in deeerste termijn. U krijgt vier interrupties, vier losse vragen. U kent mijncredo: een vraag eindigt met een vraagteken en niet met een uitroepteken.Na de eerste termijn van de Kamer en de schorsing rondom de lunch – ikhoop dat ik de schorsing en de lunchpauze kan combineren, maar wekijken hoe dat gaat – zullen de bewindspersonen reageren.Als eerste is het woord aan mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Goedemorgen, allen. Een paar weken geleden sprak ikmet een nieuwe leraar in het basisonderwijs. Ze vertelde mij vol enthou-siasme over haar eerste klas, maar ook over de onophoudelijke uitda-gingen die zij tegenkwam. Na een paar maanden begon ze te twijfelen ofze het wel vol kon houden. Er was te veel werkdruk en te weinig vrijheidom haar eigen vak vorm te geven. Dat gebeurde niet alleen met haar,maar met veel jonge leraren. Daardoor brengen wij de toekomst van onsonderwijs in gevaar.Dankzij D66 verdienen leraren eindelijk een beter salaris. Zij verdienen nu€ 1.800 bruto extra per maand. Dat is een stap in de goede richting. Maargeld alleen is niet genoeg. Te veel startende leraren verlaten hetonderwijs, omdat zij geen autonomie ervaren en omdat de werkdruk tehoog is. Dit heeft directe gevolgen voor de leesvaardigheid van kinderen.Daarom doe ik een aantal voorstellen om de onderwijskwaliteit teverbeteren. Eén: luister naar de leraar. Twee: geef leraren de kans om zelfte leren. Drie: de lat omhoog.Ik begin met het luisteren naar de leraren voor het verbeteren van deonderwijskwaliteit. Leraren verdienen ruimte en waardering om kinderenoptimaal te steunen. Daarom vraag ik de Staatssecretaris of zij, naarvoorstel van de AOb, een lerarentoets in wil voeren, zodat hun stem bijnieuwe wijzigingen een centrale rol speelt. De leraar moet wat D66 betreftde kern zijn van al het onderwijsbeleid.Ten tweede: geef leraren de kans om zelf te leren. Leerlingen krijgen diekans, maar die moeten we natuurlijk ook aan leraren bieden. We zijnimmers nooit uitgeleerd. Toch biedt ons systeem nauwelijks mogelijk-heden om door te leren na de opleiding. Leraren die willen doorleren,verlaten vaker de klas. Het RED-Team Onderwijs heeft, ook in deze Kamer,een voorstel gedaan waarin een leraar begint als startbekwaam en na drieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5093 jaar met begeleiding verder kan groeien tot vakbekwaam. Ik heb eerdereen motie ingediend om deze begeleiding vanuit de lerarenopleiding teverkennen, maar het kabinetsantwoord was niet meer dan «juridischingewikkeld». Waarom niet kijken hoe dit wél mogelijk is? Graag eenreactie hierop. Zodra leraren vakbekwaam zijn, moeten ze de kans krijgenom door te groeien tot vakexpert, zodat het leraarschap geen eindstationis, maar een uitgebreide loopbaan. Hoe ziet de Staatssecretaris dat?Wanneer komt zij eindelijk met de carrièrepaden die ontwikkeld worden inhet kader van de Nationale Aanpak Professionalisering van Leraren enmet het reguleren van de onderwijs- en opleidingsmarkt?Ten derde: de lat omhoog. Goed onderwijs begint met goed opgeleideleraren. Op dit moment kennen we zo veel als 400 verschillende routesnaar het leraarschap, waarvan vele niet geaccrediteerd zijn. De Onder-wijsraad waarschuwt dat dit niet altijd leidt tot goed leraarschap. Wijpleiten voor één landelijke lerarenopleiding met regionale afdelingen, meteen helder curriculum en met stevige bekwaamheidseisen. Hoe denken deStaatssecretaris en de Minister hierover? De Onderwijsraad vraagt omaanscherping en toetsing van de bekwaamheidseisen. Graag een reactieop deze aanbeveling. Wij denken dat dat zeer van belang is.Onlangs sprak ik de Minister van Onderwijs van Estland, een land datbekendstaat om zijn onderwijskwaliteit. Zij sprak vol bewondering overleraren, die allen academisch opgeleid zijn. Daardoor slaan zij een stevigebrug naar de nieuwste wetenschappelijke inzichten in de klas. Die brug isin Nederland wankel. Weet de Staatssecretaris per school hoeveel lerarenin Nederland academisch geschoold zijn? Wil zij dit stimuleren door henbijvoorbeeld beter te belonen? Wil zij verkennen of het mogelijk is ommeer financiering aan scholen toe te kennen voor leerkrachten die hebbendoorgeleerd? Hoe staat het met de ambitie van universiteiten om 50%meer academische leraren op te leiden in 2028? Deelt het kabinet dieambitie?Voorzitter, tot slot. Onze onderwijskwaliteit staat op het spel. De oplossingbegint met investeren in de leraar. Er liggen duidelijke adviezen van deOnderwijsraad en van leraren zelf. We moeten de eisen aanscherpen enleraren een sterkere stem geven. Laten we hier snel mee aan de slaggaan.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Dank u wel, mevrouw Rooderkerk, voor uw mooie pleidooi en uw mooiedrieslag. Ik denk dat ik dat voor een groot deel kan volgen. Ik vind eenprofessionele beroepsgroep ook heel erg belangrijk. Graag zou ik evenmet u van gedachten willen wisselen over hoe we dat dan het bestezouden kunnen doen. Ik kan me ook nog een jongeman herinneren in eenrondetafel, een beginnend leerkracht. We vroeg hem: hoe zou je hetvinden om in het begin van je loopbaan, wanneer je net bent begonnenen je eigenlijk heel veel behoefte hebt aan ondersteuning, ook nog temoeten doorleren? Dat komt er dan dus nog extra bovenop. Hoe ziet u dieprofessionalisering in het begin in relatie tot de werkdruk? Welke dingenzouden we niet meer moeten gaan doen als we dit wel willen gaan doen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Kijk naar hoe leraren op dit moment worden opgeleid. Ze belandeneigenlijk bijna vrijwel direct voor de klas. Dan hebben ze nog niet veel tijdop de pabo besteed, maar moeten ze wel meteen aan het werk, omdat wezo’n groot tekort hebben. Heel veel startende leraren die ik spreek, hebbenveel behoefte aan goede begeleiding. Zij volgen altijd al daarnaast delerarenopleiding. In die zin gebeurt dat dus al. Maar door het lerarentekortzijn er op de school geen leraren die meer ervaren zijn en deze nieuweTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5094 leraren kunnen begeleiden. In Amsterdam, waar ik in het verledenraadslid ben geweest, is een heel programma opgezet om ervoor tezorgen dat ze via een externe pool begeleiding krijgen van ervarendocenten. Ik denk dat het voor elke startende leraar van belang is dat hijgoed begeleid wordt. Dat moet echt gebeuren op een school. Metintervisie, met in de klas meekijken en met dingen kunnen bespreken meteen ervaren leerkracht als je tegen dingen aan loopt. Maar we zien helaasdat dit niet overal gebeurt. Daar willen we echt aandacht voor vragen.Wat betreft startbekwaam of vakbekwaam: we hebben nu heel veeldocenten die meteen voor de klas moeten staan, maar dat betekent nietdat je al alles helemaal kan. We moeten leraren meer begeleiden, maar wemoeten ook inzien dat het belangrijk is dat we goede, bevoegde docentenhebben en dat we werken aan het hoger leggen van de lat.De heer Soepboer (NSC):Ik ben het met u eens dat we de lat hoger moeten leggen en dat webevoegde docenten moeten hebben, maar ik zit nog steeds op deuitvoering van de professionalisering, zeker in het begin. U noemt tweedingen die eigenlijk los van elkaar staan – tenminste, als ik het goedbegrijp – namelijk de begeleiding van de startende docent en de profes-sionalisering van startbekwaam naar vakbekwaam. Die zouden allebei inhet vroege traject, wanneer de leraar net aan de slag is gegaan, moetenplaatsvinden. Hoe verhouden die twee dingen zich tot elkaar? Moeten wedan van een jonge docent verwachten dat hij les gaat geven en het trajectingaat van begeleiding met een opleider op school, intervisie enzovoortsen daarnaast ook nog gaat studeren aan een instelling, een hogeschool ofeen universiteit, om nog allerlei dingen te halen? Dat lijkt mij gewoon heelveel.Mevrouw Rooderkerk (D66):Nee, op dit moment is het al zo dat leraren een lerarenopleiding doenterwijl ze voor de klas staan. Dat verandert dus niet. Wat wat mij betreftverandert, is dat ze daarin beter begeleid worden en niet zomaar voor eenklas terechtkomen om vervolgens te ervaren dat het zwaar is maarnergens terechtkunnen met hun vragen. Daar moeten ze echt beter inbegeleid worden. Dat geldt voor alle scholen in Nederland. Daarnaast kunje je afvragen of een leraar die meteen voor de klas wordt gezet, al eenhelemaal bevoegde leraar is. Ik denk daarom dat het goed is om onder-scheid te maken tussen startbekwaam en vakbekwaam, dat je een leraarde ruimte en de tijd geeft, en dat je hem met ondersteuning, wat mijbetreft vanuit de overheid, helemaal klaarstoomt totdat hij zelf het gevoelheeft van «nou, nu sta ik echt vakbekwaam voor de klas». Ik denk dat hetbelangrijk is dat we door dit te onderscheiden zien dat er een verschil is inbevoegdheden en in hoe ervaren een leraar is, maar ook dat we er echtvoor zorgen dat we leraren daar veel beter in ondersteunen.De voorzitter:Afrondend.De heer Soepboer (NSC):Het is natuurlijk niet altijd zo dat je én nog leert én lesgeeft. Het kannatuurlijk ook zijn dat je je lio-traject hebt doorlopen. Dan is je opleidingklaar en ga je aan het werk. Als het aan u ligt, tuigen we nu een verplichttraject op voor alle startende docenten. Ik wil het gewoon graag evenduidelijk hebben.Er gaat trouwens een heel lange bel. Moeten we daar even op wachten,voorzitter?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5095 De voorzitter:Dat lijkt me verstandig, ja. Als die bel er niet doorheen ging, zou ik bijnazeggen: dit is een meditatief momentje van stilte.De heer Soepboer (NSC):Nogmaals, ik ben het dus met mevrouw Rooderkerk eens dat we eenprofessionele vakgroep willen hebben, maar ik wil ook de werkdruk naarbeneden brengen. Er zijn ook leerkrachten die hun studie hebbenafgerond, aan het werk willen en dan dus nog ... Voor we het weten,tuigen we iets verplichts op voor alle leraren, dus ook voor de leraren diezeggen: «Ik ben wel bekwaam. Ik kan gewoon aan de slag. Ik wil gewoonaan het werk. Ik wil niet nog allemaal studiedingen erbij doen.» Hoe kijkt udaarnaar?Mevrouw Rooderkerk (D66):Ten eerste denk ik dat je wel een opleiding kunt volgen, maar dat je hetvak pas echt leert als je voor de klas staat. Ik heb zelf ook lesgegeven inhet verleden. Het is toch een vak apart om de klas in de hand te houdenen in goede banen te leiden. Het lijkt mij dat dat echt voorwaardelijk is omte kunnen zeggen: oké, ik voel me echt een ervaren, vakbekwame leraar.Daarnaast is het natuurlijk van belang dat je ze dan bijvoorbeeld minderuren les laat geven, zodat er tijd is voor intervisie en begeleiding. Wemoeten daar veel meer op die manier naar kijken. We zien nu dat eenkwart van de startende docenten binnen vijf jaar het onderwijs verlaat. Datis ontzettend zonde, want dat zijn leraren die vol enthousiasme begonnenzijn en echt een roeping voelen om voor de klas te staan en leerlingen ietsbij te brengen. Die verliezen we nu gewoon. Dan moeten we weer metallemaal andere maatregelen proberen het lerarentekort op te lossen. Ikzeg: zorg nou dat je die startende leraar veel beter begeleidt.De heer Soepboer (NSC):Ik ga mijn laatste interruptie er ook maar doorheen brassen, als we dantoch lekker bezig zijn. Ik ben het er helemaal mee eens dat we zeggen: diestartende docent moeten we beter begeleiden. Er zijn ook al regelswaardoor startende docenten minder uren les kunnen geven en welgewoon voltijd betaald kunnen krijgen. Die regels zijn er al. Ik zit meer ophet professionaliseringsstuk. Nogmaals, ik wil graag een professionelevakgroep. Alleen, waar en wanneer ga je dat doen? Het begin wordt al alszwaar ervaren. Ik ben bang dat juist dat moment, in combinatie met eenbegeleidingstraject en ook nog moeten doorleren, too much wordt. Daarinzit mijn angst. Misschien is die angst onterecht, maar dat is waar ik u naarvraag. Alles komt juist in het begin bij elkaar. Hoe ziet u dat?Mevrouw Rooderkerk (D66):Wat op dit moment too much wordt voor startende leraren, is juist dat zijonbegeleid voor een klas belanden en zich aan hun lot overgelatenvoelen. Terwijl zij vaak pas net met een opleiding zijn begonnen – hetgebeurt ook weleens andersom, maar dit hoor ik helaas heel vaak –ervaren zij heel veel druk. Daardoor verlaten ze uiteindelijk het onderwijs.Ik denk dat we daar dus vooral wat aan moeten doen. Natuurlijk moet datmaatwerk zijn. Je moet er ook voor zorgen dat je dan minder urenlesgeeft, zodat je tijd hebt voor je persoonlijke ontwikkeling. Wij overladenstartende docenten op dit moment echt. Dat is ontzettend zonde, want wehebben hen heel hard nodig voor het onderwijs. Als we de onderwijskwa-liteit willen verbeteren, moeten we uiteindelijk echt investeren in onzeleraren.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Kisteman voor zijn termijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5096 De heer Kisteman (VVD):Dank u wel, voorzitter. Vorige week kwam mijn jongste dochter uit schoolen zij vertelde dat zij binnenkort het letterfeest gaan vieren op school,want iedereen in de klas kent alle letters. De trotsheid in haar ogen sprakboekdelen. Wat een feest zal het worden voor de kinderen, maar vast ookvoor de leerkrachten op school. Het is een mooie mijlpaal in het prillebegin van het leren op school. Leraren leggen de basis voor de toekomstvan onze kinderen. Zij kunnen als geen ander aanvoelen wat een kind ofklas nodig heeft. Geen kind of klas is hetzelfde. Om dit te kunnenaanvoelen, heb je een goede opleiding nodig. Goed opgeleide lerarenkunnen onze kinderen zelf goed opleiden. Leerkracht zijn is echt een vakapart. De VVD wil dan ook de allerbeste leraren voor de klas hebben.Echter, er is nu enorm veel onduidelijkheid over waar een leraar aan moetvoldoen. Afgelopen week kwam de Onderwijsraad met een advies waarindie pleit voor een landelijke eindtoets voor leraren in spe. Dit advies isvolledig in lijn met het standpunt van de VVD en wij zijn hier dan ook zeerenthousiast over. Mijn vraag aan de Minister is hoe hij naar dit advieskijkt. Wil de Minister landelijk specifieker gaan vastleggen wat eenafgestudeerde leerkracht moet kennen en kunnen? Is de Minister ookvoorstander van de landelijke eindtoets om dit vervolgens te kunnentoetsen?Voorzitter. Daarop aansluitend wil ik het volgende zeggen. Als afsluitingvan de opleiding loopt een leraar in opleiding stage op een school. Dezestage wordt vervolgens beoordeeld door de stagebegeleider en deopleiding zelf. Eigenlijk wordt een soort van het eigen vlees gekeurd. Watdoe je als een student een twijfelgeval is of als deze het eigenlijk niet heeftgehaald, maar je het de student zo gunt? Komt deze manier van exami-neren de kwaliteit van onze toekomstige leraren wel ten goede? Mijnvraag aan de Minister is dan ook of hij deze manier van examinerenerkent. Hoe staat hij tegenover het idee om naar een andere manier vanexamineren te gaan, zoals bij het behalen van je rijbewijs?De voorzitter:U heeft een interruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik ben ook wel benieuwd naar wat daar nou mee bedoeld wordt, maar iksloeg even aan op het volgende. Het advies van de Onderwijsraad is dusom een eindexamen voor leraren in te voeren. Dat voelt voor ons toch watvreemd, omdat ik denk dat het belangrijk is dat ... Ik heb zelf een studiepoliticologie gedaan. Ik heb niet aan het eind een eindexamen hoevendoen. Nee, gedurende mijn studie ben ik opgeleid en uiteindelijk heb ikalle kennis verworven. Dat zou toch ook zo moeten zijn bij de lerarenop-leiding? Ik ben benieuwd hoe de VVD daarnaar kijkt. Moet het niet zo zijn– dat is een ander advies van de Onderwijsraad dat volgens mij zeerbelangrijk is – dat de bekwaamheidseisen goed op orde zijn en goedworden getoetst, zodat je binnen de lerarenopleiding alles leert wat jemoet leren en zodat ook duidelijk is wat leraren moeten leren?De heer Kisteman (VVD):Als ik mevrouw Rooderkerk zo hoor, dan denk ik dat we over bijnahetzelfde praten. U gaf in uw inleiding aan dat er een enorme wildgroei isaan routes om voor de klas te komen te staan. Dat zorgt voor onduide-lijkheid. Daarom stellen wij voor om met een duidelijk verhaal te komenover wat een leraar moet kunnen en kennen, en om dat vervolgens tetoetsen. Misschien begrijp ik uw vraag niet helemaal goed, maar volgensmij zegt u hetzelfde. Wij stellen voor om dit aan het eind van de opleidingte doen. Stel vooraf vast wat een leraar moet kunnen en kennen, en toetsdat aan het eind van de opleiding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5097 Mevrouw Rooderkerk (D66):Het verschil zit hem erin dat wij zeggen: zorg dat het curriculum duidelijkis en dat binnen dat hele curriculum goed wordt aangeleerd wat er moetworden aangeleerd; meet dat niet met een toets helemaal aan het eind.Denkt de VVD dat door het invoeren van een eindexamen opeens dekwaliteit van leraren helemaal omhoogschiet?De heer Kisteman (VVD):Wij denken niet dat door het invoeren van een eindexamen de kwaliteitomhooggaat. Het niveau gaat omhoog door vooraf vast te stellen wat eenleraar moet kennen en kunnen. Wij zijn er wel voorstander van om dat aanhet eind van de opleiding te toetsen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Daarin verschillen wij dan van mening, denk ik. Ik ben ook benieuwd hoehet kabinet dat ziet. Ik denk dat het belangrijk is dat we ervoor zorgen datin de basis duidelijk is wat docenten moeten leren tijdens de lerarenop-leiding en dat dat ook doorlopend gebeurt en getoetst wordt. Ik benbenieuwd hoe de VVD aankijkt tegen ons voorstel om een landelijkelerarenopleiding in te voeren. Dat zien we bijvoorbeeld ook in Finland enSingapore, waar dat heel goed werkt. Die opleidingen zijn echt van eenhoog niveau. Het is duidelijk wat er moet gebeuren, in plaats van al dieverschillende routes die wij hebben, om ervoor te zorgen dat we echt dekwaliteit van leraren vooropstellen.De heer Kisteman (VVD):Wij zijn er voorstander van om veel meer duidelijkheid aan te brengen indie wildgroei aan routes, zoals u ook voorstelt. Het gaat iets te ver om hetnaar één opleiding te brengen, want er zijn gewoon verschillen tussenleerlingen en klassen. Wij zijn er geen voorstander van om naar éénspecifieke opleiding te gaan. Maar ik zou zeker het kennen en het kunnenvooraf veel beter vastleggen.De voorzitter:Gaat u verder, meneer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Mijn vraag aan de Minister is dan ook of hij deze manier van examinerenherkent. Hoe staat hij ertegenover om naar een andere manier vanexamineren te gaan, zoals bij het behalen van je rijbewijs, dus dat destudent wordt beoordeeld door de stagebegeleider en door een leerkrachtvan een andere school? Zouden scholen bijvoorbeeld een onderlinge poolkunnen opzetten waarin leerkrachten die een cursus examineren hebbengevolgd, onderling uitgeruild kunnen worden? De VVD wil de besteleraren voor de klas hebben en is van mening dat deze voorstellen hieraankunnen bijdragen. Hoe kijkt de Minister hiernaar?Voorzitter. Dan de doorstroom vanuit de havo. Er is een groot tekort aanleraren. De Staatssecretaris is deze week dan ook een campagne gestartover hoe mooi het werken in het onderwijs is. Dat is een goed initiatief omnog meer leerlingen naar de pabo te krijgen. Maar weet de Staatssecre-taris ook dat er momenteel geen enkel profiel is waarmee je van de havodirect naar de pabo kunt? Je moet altijd nog een extra vak volgen voor oftijdens je instroom op de pabo. De VVD wil niet dat de eisen voor de paboomlaaggaan, maar zou het wel logisch vinden dat er op de havo eenprofiel is dat honderd procent aansluit op de eisen van de pabo. Herkentde Staatssecretaris dit probleem? Zo ja, wat kan zij hier dan aan doen?Voorzitter. Momenteel zitten ongeveer 70.000 kinderen thuis en van dievele thuiszitters is tussen de 25% en 40% hoogbegaafd. Dit is veruit degrootste groep in het primair onderwijs. Het grote probleem methoogbegaafdheid is dat die nauwelijks of veel te laat wordt herkend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5098 Tijdens de pabo-opleiding is er naar onze mening onvoldoende aandachtvoor het herkennen van hoogbegaafdheid, terwijl van de thuiszitters dezegroep het grootst is. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om in deopleiding meer aandacht te geven aan het herkennen van hoogbe-gaafdheid, zodat een leerkracht veel sneller signalen herkent en daar tijdigop kan acteren? Ook deze kinderen verdienen het beste onderwijs.Afrondend, voorzitter. Ik wil het nog hebben over zzp’ers in het onderwijs.Uit onderzoek blijkt dat 73% van de zzp-leraren weigert in loondienst tegaan. Zij kiezen voor een dienstverband bij een detacheringsbureau.Volgens de Algemene Rekenkamer kost een leraar in loondienst € 58,maar een leraar via een detacheringsbureau rond de € 113. Ik heb eenaantal vragen hierover. Is bij de Staatssecretaris bekend waarom dezeleraren niet in dienst willen? Is het een landelijk probleem of speelt hetvooral in de Randstad? Wat zouden de onderwijsinstellingen moetenveranderen zodat deze leraren wel in loondienst willen? Als dit allemaalniet bekend is, zou de Staatssecretaris hier dan onderzoek naar willenlaten doen?Hier wil ik het graag bij laten, voorzitter. Misschien heb ik af en toe deMinister en de Staatssecretaris door elkaar gehaald in mijn vragen, maarwellicht kunnen zij dat onderling dan even uitvechten in de beant-woording.De voorzitter:Dank u wel. U heeft in ieder geval nog een interruptie van mevrouwPijpelink.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik ben heel blij de VVD over de zzp’ers te horen. Ik zal daar straks zelf ookiets over zeggen, met name over de detacheringsbureaus. Het zijn, denkik, terechte vragen aan de bewindspersonen. Ik vroeg mij wel af wat deVVD zelf bereid is te doen. Moet er bijvoorbeeld een systeemveranderingkomen? We kennen de VVD als een partij die altijd goed kijkt hoebelastinggeld wordt uitgegeven. Hoe ver wil de VVD, de heer Kisteman,gaan om de drempels voor het onderwijs om mensen in dienst te nemen,te verlagen ten behoeve van de besteding van belastinggeld?De heer Kisteman (VVD):De VVD vindt het allereerst belangrijk om te weten waarom deze zzp’ersniet in loondienst willen, maar kiezen voor een detacheringsbureau. Ikdenk dat we dat eerst duidelijk in beeld moeten hebben voordat weandere stappen kunnen zetten of andere keuzes kunnen maken.De voorzitter:Heeft mevrouw Pijpelink nog een vervolgvraag? Nee? Prima. Maar ik blijfwel bij haar, want zij is nu aan haar eigen termijn toe.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Ik denk dat er weinig beroepsgroepen zijn die deeer krijgen dat er een compleet commissiedebat aan hen wordt gewijd indit huis. Helaas is het nodig. Dat is dan de constatering. Dit weekend – ikverzin het echt niet – ging ik een bloemetje halen bij mij in de stad en toenkwam ik een oud-collega tegen. Zijn jongste zoon staat nu zeven jaar voorde klas, op een basisschool in Brabant. Hij vertelde me dat hij gaatstoppen. Het is een beetje in lijn met het verhaal van mevrouwRooderkerk. Ontzettend jammer. Ik vroeg: hoezo dan? Hij leek mij eengeboren meester. Het antwoord was dat hij de bureaucratie en dewerkdruk echt enorm vindt en hij moeite heeft met de enorm hoge eisenvan en de ingewikkelde gesprekken met ouders. Dat breekt hem eenbeetje op, na zeven jaar. En dat terwijl we weten dat docenten na zevenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 5099 jaar juist wat meer vakbekwaam worden. Dit is geen geval op zich. Deuitval onder jonge docenten en docenten is groot.In elke aanpak van en bij alle aandacht voor het lerarentekort miste ik deaandacht voor het zittende lerarenkorps. Daar wil ik wat vragen overstellen. Hoe behouden we de leraar van nu? Het ging al over eigenaar-schap en professionaliteit. Het moet allemaal steviger, de rollen in deschool moeten duidelijker zijn en er moet meer ruimte zijn voor depedagogisch-didactische professionaliteit van de docent in de context vande vaksectie, het team en de school, maar dat geldt ook voor de school-leider. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is: hoe gaat u uitvoering gevenaan de aanbevelingen uit het rapport Een stevige stem, van de Onder-wijsraad? Hoe gaat de Staatssecretaris zorgen voor meer professioneleruimte en daarmee voor het behoud van het zittende lerarenkorps?Dan toch nog even over de tekorten. Eerst een hele technische vraag. Hoewordt dat tekort eigenlijk berekend? Daarbij gaat het met name om devraag: horen daar de ingevulde vacatures bij die door detacheringsbu-reaus worden ingevuld of niet? Ook vraag ik de Staatssecretaris hoe hetstaat met de vorderingen van het deltaplan, naar aanleiding van de vorigjaar aangenomen motie van mijn fractie over een groots opgezetmeerjarenplan voor het lerarentekort en daarmee voor het onderwijs,voor de leraren en voor de leerlingen.Dan een enkele noot over de campagne Werken met de Toekomst. Heelmooi dat het ministerie zo’n positief beeld wil schetsen van het mooieberoep van docent. Het ís een prachtig beroep, maar het is ook topsport,zeg ik er altijd bij. Dat moeten we niet vergeten. Ik heb vragen over hetbeeld dat het ministerie schetst over het gemiddelde brutobedrag datwordt verdiend. Ik citeer: «Als leraar verdien je gemiddeld bruto rond de€ 6.200 per maand.» Ik heb gekeken naar de eindschalen van LB, LC enLD. Pas bij een van de eindtreden van LD kom je bij dat bedrag in debuurt. We weten dat de meeste docenten in Nederland een LB-functiehebben; LD is voor slechts weinigen weggelegd. Ik veronderstel dat hetministerie de eindejaarsuitkering en het vakantiegeld heeft meegerekend.Dat mag, maar dan is mijn vraag wel of de tekst «Als leraar verdien jegemiddeld bruto rond de € 6.200 per maand» niet misleidend is. Ik zagvandaag een bericht in De Telegraaf dat daar gelijk op inhaakt, in de trantvan: die leraren verdienen eigenlijk heel veel; daarom werken ze nietfulltime, omdat ze het kunnen betalen. Dat is natuurlijk absoluut niet aande orde. Ik kan me niet voorstellen dat de Staatssecretaris dit beeld wilneerzetten. Graag een reactie. Misschien kan ze zelfs al nadenken over eeniets andere tekst in deze zin, want wat mij betreft is die misleidend.Dan leraren in dienst bij een uitzendbureau. Zij ervaren obstakels bij deoverstap naar een vast dienstverband bij een school, vanwege hetconcurrentiebeding en de overnamekosten. Zou de Staatssecretaris willenonderzoeken of via handhaving op het belemmeringsverbod door deArbeidsinspectie voorkomen kan worden dat scholen boetes moetenbetalen als ze gedetacheerde leraren in dienst willen nemen?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Van Zanten voor haar termijn.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank u wel, voorzitter. We hebben slechts vier minuten spreektijd, teweinig voor zo’n belangrijk onderwerp als leraren, en daarom zal ik mijbeperken tot drie punten: het tekort aan leraren, de lerarenopleidingen ende aantrekkelijkheid van het vak.Voorzitter. Het blijft BBB verbazen: tussen 2010 en 2022 steeg het aantalbanen in het onderwijs met 70.000, en nóg komen we ruim 11.000 lerarentekort in het p.o. en het vo, terwijl het aantal leerlingen in dezelfde periodedaalde. Ik heb deze vraag al vaker gesteld, maar ik herhaal hem: hoe kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50910 dit nou toch? Hoe kan het dat de schreeuw van managers, onderwijsadvi-seurs en consultants enorm groeit terwijl het niet lukt om mensen voor deklas te krijgen? Graag een reactie.Dan de vraag hoe we de aantrekkelijkheid van lerarenopleidingen kunnenvergroten. Experts van onder andere het RED-Team Onderwijs en BeterOnderwijs Nederland zeggen dat er in de opleidingen te weinig nadruk ligtop wat en hoe leerlingen leren, dus op het curriculum en de didactiek. Ditzou weer leidend moeten zijn. Graag een reactie van de Minister hierop,met het verzoek of hij daarbij wil ingaan op de rol van de expliciete,directe instructie, dus op duidelijke, doelgerichte instructies.Voorzitter. Een andere zorg is het grote aantal routes dat leidt naar eenonderwijsbevoegdheid. Mijn collega’s hadden het daar ook al over. Hetzijn er inmiddels 384. Dat zijn er veel te veel. Er moeten weer scherpekaders worden gesteld door de overheid, want de kwaliteit moet gelijkzijn. In de huidige situatie bepalen studentenaantallen de hoogte van hetbedrag dat lerarenopleidingen krijgen. Die afhankelijkheid beïnvloedt deinstroom-, doorstroom- en uitstroomeisen. Er worden studententoegelaten die niet van lezen houden en ook nooit een boek lezen, zo las ikin het manifest van RED-Team Onderwijs. Hierdoor werd op veel pabo’seen verplichte boekenlijst zelfs afgeschaft. Het gevolg: aan het eind van deopleiding zijn veel leraren in spe niet aan staat om leerlingen te lerenlezen, omdat ze zelf niet goed kunnen lezen. Is het mogelijk om debekostiging van lerarenopleidingen los te koppelen van studentenaan-tallen, zodat het gaat om kwaliteit in plaats van kwantiteit? Ik realiseer meheel goed dat dit inhoudt dat lerarenopleidingen dan een aparte statuskrijgen, maar een onderwijscrisis zoals deze vraagt om stevige maatre-gelen. Graag een reactie.De aantrekkelijkheid van het beroep wordt ook bepaald door de werkdruk.Administratieve lasten spelen hierbij een grote rol. Vandaar mijn unaniemaangenomen motie, waarin ik verzocht om niet-lesgebonden takenefficiënter te beleggen of niet langer te laten uitvoeren. Ik kijk dan ook uitnaar de rapporten over de administratieve lasten, van de AlgemeneRekenkamer en het ministerie. Ik vroeg me af of er al meer duidelijkheid isover wanneer deze resultaten precies naar de Kamer zullen komen. Q1 enQ2 werden eerder genoemd. We horen ook vaak terug dat docenten dezetaken ergerlijk vinden, dat de nadelen niet opwegen tegen de voordelenen dat het uitgaat van wantrouwen. Die taken kosten de docent ongeveeracht uur per week. Daarbij wordt het ministerie relatief vaak gezien als departij die vraagt om deze administratie. Wat gaan de bewindspersonenhieraan doen? Kunnen deze lasten niet omlaag? Kunnen deze taken nietdoor een administratief medewerker worden uitgevoerd, in plaats vandoor een leraar? Daar wil ik ook graag een reactie op.Voorzitter. Als we het tij willen keren en weer genoeg leraren voor de klaswillen krijgen, moeten we nu lef tonen en het stelsel op de schop gooien.Zoals Beter Onderwijs Nederland ook stelt: laat het algemeen belangprevaleren.Ik dank u wel.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Mevrouw Van Zanten noemt terecht de werkdruk. Dat is een veelge-noemde factor die docenten aandragen voor de reden waarom ze afhakenof misschien niet fulltime werken. Met betrekking tot de werkdruk zien wijhet volgende, wat ook te zien is in een van de stukken omtrent de externeinhuur. Sommige scholen moeten heel veel vacatures invullen middelsexterne inhuur. Dan is het heel fijn dat er lessen verzorgd worden, maar jeziet wel vaak dat deze docenten niet alle taken op zich nemen die in eenschool aan de orde zijn, zoals een mentoraat. Op die manier wordt dewerkdruk verhoogd bij de mensen die wel in dienst van de school zijn. Ikkom tot mijn vraag. Is de BBB bereid – u had het net over lef en systeem-verandering – om aan de Staatssecretaris te vragen iets te doen aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50911 boetes die nu hangen aan het in vaste dienst nemen van docenten dieeerst via een detacheringsbureau komen, zodat scholen deze mensensneller in dienst kunnen nemen en de werkdruk meer verspreid wordt?Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank voor de vraag. Ik ben het absoluut eens met mevrouw Pijpelink datwe echt naar systeemverandering moeten. Je ziet inderdaad dat er nuheel veel zzp’ers in het onderwijs werken. De heer Kisteman noemde aleven het verschil in het uurloon. Daar moeten we echt heel goed naargaan kijken. Uiteindelijk gaat het erover dat kinderen gewoon beteronderwijs moeten krijgen. Elk kind in Nederland heeft recht op goedonderwijs, ongeacht het niveau. Dat moet het belang zijn. Als dat betekentdat die boetes eraf moeten, dan wil ik zeker aan de Staatssecretaris of deMinister vragen of dat een mogelijkheid is en hoe zij daartegen aankijken.De voorzitter:Nog een vervolgvraag van mevrouw Pijpelink.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dit is eigenlijk een nieuwe interruptie, op een nieuw onderwerp, als u mijtoestaat, voorzitter. Mevrouw Van Zanten had het terecht over hetleesplezier, dat zo belangrijk is. Het is belangrijk om daar als docent invoor te gaan bij je leerlingen. Uit alle onderzoeken blijkt dat het leesplezierer tijdens de middelbare school – excusez le mot – uit geramd wordt. Datkomt ook een beetje door de inrichting van het vak Nederlands. Ik zeg dusniet dat het komt door de leraren Nederlands, want die zijn vaak echteleesliefhebbers; ik zeg dat het komt door de inrichting van het vak, en danmet name het vak begrijpend lezen. We zijn bezig met een curriculum-herziening. Ik weet dat dat niet het onderwerp van vandaag is, maaromdat mevrouw Van Zanten het daar wel over had met betrekking tot hetleesplezier en de pabo-studenten, heb ik de volgende vraag. Is de BBBbereid om bij alles wat nu voorkomt als het gaat om curriculum-herziening, zeker bij het vak Nederlands, te kijken wat een belemmeringvormt om het leesplezier waar veel kinderen vanuit groep 8 meebinnenkomen op de middelbare school ... Wat zou men ten behoeve vanhet vak Nederlands kunnen doen, of misschien niet meer moeten doen?We hebben het veel over focussen op basisvaardigheden, maar wevergeten een beetje dat die basisvaardigheden in een contextrijkeomgeving moeten plaatsvinden, waarbij leesplezier vooropstaat. Dat wasweer een lange inleiding, voorzitter; ik realiseer het me.De voorzitter:Ik wou net aan u vragen waar het vraagteken ging komen.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):U snapt de vraag.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank voor de vraag. Ik zie zeker dat het leesplezier afneemt. Dat heeftverschillende oorzaken. Er zijn natuurlijk enorm veel experts en deskun-digen die allerlei oorzaken naar voren brengen, van te veel op TikTok enYouTube tot te weinig interessante boeken. Ik denk dat je zou moetenkijken naar wat een kind interessant vindt om te lezen, dus naar rijketeksten die binnen hun interesses liggen. Natuurlijk gaat het ook omkennis. Door lezen krijg je ook kennis. Daar moet zeker naar gekekenworden. Ik denk dat het gewoon heel belangrijk is dat kinderen weerplezier krijgen in lezen, zoals ik vroeger ook alle boeken van TheaBeckman, Jan Terlouw en Evert Hartman verslond. Dat moet weer terug.Ik vind het zo zonde om te zien dat kinderen dat tegenwoordig allemaalniet meer zo interessant lijken te vinden, al zijn er natuurlijk ook nogTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50912 uitzonderingen. Ik denk echt dat dit geen onderwerp van links of rechts is.Dit is echt een onderwerp waar wij in de commissie volgens mij met z’nallen achter staan. Het onderwijs moet echt beter worden in Nederland, enleesvaardigheid is daar zeker een onderdeel van.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Soepboer voor zijn inbreng.De heer Soepboer (NSC):Dank u wel, voorzitter. Opgroeien tot wie je bent en iets worden, gebeurtnatuurlijk zelden zonder de hulp van anderen. Zelfs Plato moest het lerenvan Socrates. Wat ik wil zeggen, is: bijna iedereen heeft een leraar. Eenleraar zijn voor iemand, is het mooiste wat er is. Het is geweldig ommensen te inspireren, om mensen kritisch na te leren denken en nieuwevaardigheden aan te leren, om een voorbeeld te kunnen zijn, om hetverschil te kunnen maken en om samen te werken met andere gepassio-neerde collega’s aan de ontwikkeling van onze kinderen. Ik zou iedereenaanraden om leraar te worden. Het is in de basis gewoon echt eenprachtig vak. En toch zien we tekorten; niet overal, en zeker niet overal indezelfde mate, maar ze zijn er. Daar liggen meerdere oorzaken onder. Eendaarvan is mijns inziens dat mijn vak is veranderd, dat het steeds verdervan de basis af is komen te staan. Ik heb het met eigen ogen kunnen zien.De mensen die nog langer in het onderwijs hebben gewerkt, zullen hetook herkennen, denk ik. We vertrouwen tegenwoordig liever op bergenadministratie en twijfelachtige toetsing dan op de expertise van bekwameprofessionals. Vakleraren zijn op veel scholen verworden tot coaches diemeer begeleiden dan klassikaal lesgeven. Ze worden overladen met takendie een functie hadden moeten zijn en hebben steeds minder tijd voor deleerling.Doorgeslagen schaalvergroting heeft er bovendien voor gezorgd dat deafstand tussen de leerkracht en het bestuur groter is dan ooit. Hetresultaat: de zeggenschap van leerkrachten bestaat in de praktijk amper,bijvoorbeeld als het gaat om de verdeling van middelen. De leerkracht isbuiten spel gezet. Toch staat duidelijk in ons hoofdlijnenakkoord:zeggenschap van schoolleiders en betrokkenheid van leraren bij debesteding van middelen. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is: hoe gaatze dit concreet handen en voeten geven?Over doorgeslagen regelgeving of schaalvergroting gesproken: de Kamerheeft op 3 december de motie-Soepboer/Ceder aangenomen, met bredesteun van onder andere drie coalitiepartijen, om de onderwijsregio’s terugte brengen tot de stimuleringsregeling voor regionale samenwerking,zonder extra bestuurslagen en governancestructuren. Graag hoor ik vande Staatssecretaris welke concrete stappen er tot nu toe al zijn gezet omdeze motie uit te voeren. Ik heb ook de Kamerbrief gelezen, dus ik wilgraag een zo concreet mogelijk antwoord van de Staatssecretaris. VoorNieuw Sociaal Contract moeten in het Herstelplan kwaliteit onderwijsdaarom de leraar en het leraarsvak een belangrijke plaats innemen. Deleraar moet weer centraal komen te staan. Werkdrukverlaging, terug-dringen van de overladenheid, afspraken om het leraarsvak meer cachette geven: dat zijn de zaken die wij daar allemaal in terugverwachten, enook hoe de politiek daar centraler op zou kunnen sturen. Denk bijvoor-beeld aan landelijke afspraken over een opslagfactor. Hoe denkt deStaatssecretaris daarover?Voorzitter. De afgelopen tijd dienden wij een aantal richtinggevendemoties in, die aangenomen zijn. Graag horen wij concreet van deStaatssecretaris of van de Minister wat de precieze stand van zaken is,bijvoorbeeld over de inspanning van de Staatssecretaris bij decao-onderhandelingen in het vo voor een maximale lesurennorm. Graaghoren wij concreet wat de inspanning van de Staatssecretaris is geweest.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50913 Ten tweede. Hoever bent u met het nieuw leven inblazen van hetprofessioneel statuut en het zoeken naar aanvullende mogelijkheden omde autonomie van individuele leraren te vergroten? Wat heeft u preciesgedaan? Wat kunnen we de komende tijd verwachten?Ten derde. Heeft u al een update over hoever het is met de stok, met hetterugdringen van de overladenheid in het nieuwe curriculum?Voorzitter. Ik ben aangekomen bij het slot van mijn betoog. Ik wil alleenhet volgende nog op uw harten drukken, zeg ik tegen de bewindsper-sonen. Richt uw focus op het sturen op lastenverlichting en werkdrukver-laging. Kom in het herstelplan met concrete voorstellen die het vak vandocent weer centraal stellen en aantrekkelijk maken. Mochten die er nietin zitten, dan zal mijn fractie in moeten grijpen. Laat ons alstublieft metelkaar het mooiste vak dat er is, nog mooier maken.Dank u wel.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik ga geen lange inleiding houden, want dezelfde vraag die ik aan de VVDen de BBB heb gesteld, heb ik ook voor de heer Soepboer van NSC. IsNSC bereid om mee te denken over boetes voor de detacheringsbureaus,zodat scholen makkelijker gedetacheerde docenten in dienst kunnennemen?De heer Soepboer (NSC):Wat ik zie, mevrouw Pijpelink, is dat wanneer er te veel flexkrachten zijndie niet gebonden zijn aan een school, dit in de praktijk betekent dat dit dewerkdruk en de werklast op de schouders van de docenten die welverbonden zijn aan de school, groter maakt. Dat betekent dus ook dat zijextra administratief werk moeten doen, extra naar vergaderingen moeten,enzovoorts. Dat zien wij zeker. Wij zijn dan ook zeker bereid om met u meete denken. Ik wil het dan wel graag breder bekijken. Wat gebeurt er inandere sectoren? Hoe zit het in de zorg? Al die dingen moeten we wel heelgoed tegen elkaar afwegen. Maar ik steun u in uw strijd om het aantalleraren dat verbonden is aan een school, groter te maken.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Dank u wel, meneer de voorzitter. De leraren, en ik wil me dan tochbeperken tot de kwaliteit van de leraren. Volgens ons is het van belang omte stellen dat de kwaliteit van het onderwijs bepaald wordt door dekwaliteit van de leraren. We hebben het over heel veel dingen, maar dedocent die voor de klas staat, bepaalt eigenlijk de kwaliteit van hetgegeven onderwijs. De kwaliteit wordt volgens ons bepaald door vierdingen: vakkennis, didactische vaardigheden, pedagogische vaardighedenen de professionele vrijheid die een docent heeft om in de klas te doenwat hij denkt dat goed is.Door het lerarentekort wordt een beroep gedaan op zijinstromers. Er iseen veelheid aan cursussen – die 384 is net al genoemd – waarbij je jeonderwijsbevoegdheid kunt halen. Het is echter de vraag of dezestoomcursussen de vakkennis opleveren die nodig is om een goede leraarte worden. Voor de PVV is het doel van de school in de eerste plaats hetopdoen van gedegen kennis, kennis die dan wel in ruime mate aanwezigmoet zijn bij de leraren. Hij is degene die de leerling in staat stelt om zichte verheffen en hij is de sleutelfiguur in het emancipatieproces. Het magniet zo zijn dat hij of zij zich vooral een opvoeder vindt, en niet degene dieenthousiast bezig kan zijn met de inhoud van zijn vak en voor de leerlingeen onbekende wereld kan ontsluiten.Door nonchalant om te gaan met de beroepseisen van de leraar creërenwe een groot probleem voor de toekomst. Het is nodig om juist eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50914 hoogwaardiger beroepsperspectief te creëren voor de leraar. We hebbenhet net al genoemd: de startende, de vakbekwame en de expertleraar. Ditzou een mooi traject zijn voor ambitieuze leraren die zich steeds verderwillen bekwamen in hun vak, in datgene wat ertoe doet, namelijk eengoede docent zijn voor de klas. Leraar word je niet zomaar, en dat moetenwe vooral zo houden. Daar is juist een zware beroepsopleiding voornodig, net als in het buitenland. Voor onze jongeren zijn de bestgeschoolde mensen nodig. Samenwerking tussen onze scholen en deopleidingsinstituten is dan ook noodzakelijk, waarbij leren in de praktijkeen belangrijk onderdeel van het opleidingstraject hoort te zijn. Deuniversitaire lerarenopleiding hoort een duidelijke relatie te hebben metde lerarenopleiding in het algemeen. De beste en meest getalenteerdestudenten zouden zich aangetrokken moeten voelen tot het docentschap.Zeker voor de opleiding tot expert en vakdidacticus is het van belang dater verbinding is met de universitaire studiepoot. Het kan niet zo zijn dat ereen grote groep leraren is die geen ervaring heeft met een universitaireopleiding op het eigen gebied.Daarnaast moeten we stoppen met het idee van de leraar als coach en onsrichten op het vakmanschap. Het onderwijs heeft geen behoefte aan vagerollen of modieuze trends die losstaan van wetenschappelijk onder-bouwde methoden. Het onderwijs moet gebruikmaken van wat bewezenwerkt. Dat betekent het inzetten van effectieve, op bewijs gebaseerdestrategieën die opbrengstgericht bijdragen aan de leerprestaties vanleerlingen. Dat betekent, als ik het zo mag zeggen, onderwijsverouderingin plaats van -vernieuwing, dus degelijk klassikaal onderwijs, met directeinstructies in een ordelijke en veilig gestructureerde omgeving, waarbijhoge verwachtingen de norm zijn, met verwachtingen die ook gehand-haafd worden en geen loze kreten zijn. Goed onderwijs is nietingewikkeld.Het lijkt trouwens wel alsof we vergeten zijn dat het beroep van leraar ookeen praktische kant heeft. De leraar moet goed kunnen uitleggen. Hij moetklassenmanager wezen en kunnen begrijpen waarom leerlingen moeitehebben met het begrijpen van bepaalde zaken. De nadruk die in deopleiding wordt gelegd op reflectie – dat is naar mijn mening vaak eenlege reflectie – is contraproductief als het gaat om het krijgen van eenprofessionele en effectieve leraarshouding. Alle tijd die nu wordt ingezetvoor het verrichten van onderzoek – als je de verslagen van die onder-zoeken leest, denk je: waar gaat het in godsnaam over en wat draagt hetbij aan de kwaliteit van het onderwijs? – kan beter besteed worden aan hetbeheersen van de kennisbasis van het vak. Stages hebben alleen zin als ervoldoende en goede feedback wordt gegeven en er opnieuw geoefendkan worden in vergelijkbare situaties. Zo kan de opleiding verbeterdworden.Er is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in de beroepsgroep, maar ookde beroepsgroep zelf heeft baat bij hoge verwachtingen. De lat verlagenom op korte termijn kwantitatieve tekorten op te lossen, zal in detoekomst kwalitatieve tekorten veroorzaken.Dan nog een noodkreet: ik hoop dat we meer eigenwijze scholen krijgen,met eigenwijze leraren en een eigenwijze schoolleiding die zelf gaanbepalen wat de kwaliteit van het onderwijs is.Om terug te komen op de zzp’ers: wij zijn helemaal niet voor zzp’ers,omdat zzp’ers niet de dragende krachten van een school worden, terwijleen school wel dragende krachten nodig heeft. Mensen die daar een tijdjezijn en vervolgens weer vertrekken, ook omdat ze een hoger salarishebben, vinden wij eigenlijk helemaal niet goed; laat ik het op die manierzeggen.Dank u wel, meneer de voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50915 De heer Kisteman (VVD):Even over die zzp’ers. Is de PVV er voorstander van om alle zzp’ers in hetonderwijs af te schaffen?De heer Uppelschoten (PVV):Nou, dat zijn meteen hele woeste dingen, maar ik zou er wel naar strevendat er zo weinig mogelijk zzp’ers komen. De scholen hebben immersbehoefte aan mensen die kiezen voor het vak en de school willen dragen,en er niet alleen zijn om, zoals vroeger werd gezegd, hun uurtjes tedraaien en dan weer weg te zijn. Dat is absoluut niet goed voor eenschool, en voor de leerling trouwens al helemaal niet.De heer Kisteman (VVD):Wat verstaat de PVV dan onder «zo weinig mogelijk»? Wat wil de PVVdan?De heer Uppelschoten (PVV):Het zou het mooiste zijn als de school gedragen wordt door de mensendie in vaste dienst zijn. Maar die situatie bestaat niet. Er zijn nu zzp’ers diedaar om verschillende redenen werken, misschien omdat het wat kleinerebanen zijn, ze een hoger salaris krijgen of niet zo betrokken hoeven te zijnbij de school. Maar dat is voor de school en de leerlingen eigenlijk geengoede oplossing. Ik kan niet zeggen: we gaan er in één klap mee stoppen.Maar ik zou er wel naar streven dat het er zo weinig mogelijk zijn.De voorzitter:Dank u wel, meneer Uppelschoten. U heeft nog een interruptie, meneerKisteman?De heer Kisteman (VVD):Is de PVV het dan met de VVD eens dat we eerst gewoon eens in beeldmoeten brengen waarom leraren kiezen voor detachering, in plaats vanvoor het in loondienst zijn bij een school? Wat is de reden waarom eenleraar daarvoor kiest? Moeten we dat niet eerst in beeld brengen voordatwe het kind met het badwater weggooien?De heer Uppelschoten (PVV):Het is mooi om dingen te onderzoeken, maar ik denk dat er toch wel eensoort consensus is over de reden waarom mensen als zzp’er op eenschool werken. Scholen hebben gewoon een vaste groep docenten nodigdie de school willen dragen, in plaats van daar even te werken.De heer Stoffer (SGP):Die laatste noodkreet over zzp’ers in het onderwijs delen wij met de heerUppelschoten. Het is geen makkelijke opgave; dat begrijp ik. Maar goed, jemoet wel ergens beginnen. Meneer Uppelschoten heeft veel ervaring inhet onderwijs. Hij heeft wellicht nadat hij uit actieve dienst in hetonderwijs stapte, ook dingen zien veranderen. Heeft hij misschien eensuggestie voor een eerste stap om dit weer terug te dringen, terug tebrengen?De heer Uppelschoten (PVV):Die stap zou zijn dat het heel plezierig moet zijn om op een school tewerken, dat je met een groep collega’s gaat werken die voor jou ookstimulerend is, zodat het werken als leraar weer heel aantrekkelijk is. Overde professionele vrijheid hebben we het gehad. Die zou moeten terug-komen, net als de steun van de schoolleiding. Er wordt gepraat over hetvoeren van moeilijke gesprekken met de ouders. Die zijn er, maar danweet je dat je gesteund wordt door de schoolleiding. Het zou zo moetenzijn dat leraar zijn onderdeel is van je leven, dat je daar trots op bent enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50916 dat je dat niet even doet om geld te verdienen. Ik bedoel dat dat jouwidentiteit wordt. Maar dan moet je ook met een groep mensen gaanwerken die dat ook uitstraalt, zodat je blij bent dat je daarbij kunt horen.Dat is makkelijk gezegd, maar hoe je die sfeer weer terugkrijgt op eenschool, is een stuk moeilijker.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik wil toch even markeren dat het fijn is om te horen dat er nu eenwoordvoerder van de PVV is in de Kamer die uit het onderwijs komt endie daar met liefde over spreekt en het niet heeft over «linkse leraren diekinderen indoctrineren», zoals in het verkiezingsprogramma staat. Dat isbedoeld als compliment, maar ik wil dat toch even markeren.En dan heb ik ook een vraag over het advies van de Onderwijsraad. Hoedenkt de heer Uppelschoten daarover? Zij zeggen dat de bekwaam-heidseisen van lerarenopleidingen veel duidelijker moeten zijn en getoetstmoeten worden. Ik ben benieuwd of hij dat steunt en of hij ook vindt dathet kabinet daar zo snel mogelijk mee aan de slag moet.De heer Uppelschoten (PVV):Ik steun in ieder geval het idee dat er duidelijke eisen komen voor deberoepsgroep leraren. Ik zou het goed vinden als er een organisatie komtdie namens de leraren kan praten, maar die er ook op toeziet dat aan dieberoepseisen voldaan wordt en dat daaraan voldaan blijft worden. Ikbedoel dat er een systeem komt van verplichte nascholing en dat datconsequenties kan krijgen voor het wel of niet als leraar kunnen blijvenopereren.Er was net een discussie over één instituut voor de lerarenopleiding. Wezouden het ook goed vinden als er een landelijk instituut komt dat toezietop de lerarenopleiding. Ik schrik wel van de verschillende invullingen diegegeven worden aan de lerarenopleiding wat betreft de vraag wat eengoede leraar is. Dan denk ik dat er ook een professionele discussie moetplaatsvinden over wat wij met z’n allen vinden dat een goede leraar is.Dan is het niet een hobby van een bepaalde opleiding hoe een leraarwordt opgeleid. Wat dat betreft zou er meer regie van de overheid mogenzijn.De voorzitter:U heeft nog een vraag van mevrouw Van Zanten.Mevrouw Van Zanten (BBB):Nee, daarmee is mijn vraag al beantwoord.De voorzitter:Die vraag is al beantwoord. Als u uw microfoon wil uitzetten, meneerUppelschoten, dan gaan we over naar de laatste spreker van de zijde vande Kamer. Dat is de heer Stoffer namens de SGP.De heer Stoffer (SGP):Dank, voorzitter. Werken met de Toekomst: met die kersverse campagnewillen het ministerie en het onderwijsveld een positief maar realistischbeeld geven van het leraarschap. Het positieve en realistische deed medenken aan de dichtregels van docent Ida Gerhardt, die sprak van «mijnprachtige, mijn hondse baan». De SGP hoopt dat veel nieuwe mensen zichgeroepen weten om met dit prachtige werk de toekomst van ons land tedienen. Het is mooi dat we inmiddels kunnen zeggen dat de leraarfinancieel gezien in ieder geval geen hondse baan meer lijkt te hebben.Voorzitter. Voor de aantrekkelijkheid van het vak blijft de status van hetleraarschap een hoofdrol spelen. Ik heb daaraan een bijdrage willenleveren met mijn motie om de ervaring met lesgeven meer gewicht tegeven bij lerarenopleiders, leidinggevenden en inspecteurs. De SGPTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50917 begrijpt dat het kabinet niet nu al een uitgewerkt plan heeft, maar wezouden wel graag iets willen horen over hoe de uitwerking gaat gebeuren.Ligt dit het komende halfjaar uitdrukkelijk op de tafel bij het herstelplan enis daarbij bijvoorbeeld ook de inspectie betrokken?De rol van de overheid is ook cruciaal als het gaat om het aanwakkerenvan de status van het onderwijs. De SGP is kritisch op de vloed aanplannen die op het onderwijs blijft afkomen. Neem nou het aangekon-digde wetsvoorstel over strategisch personeelsbeleid. Schoolleidersvrezen vooral meer werkdruk en weinig rendement. Mijn vraag is:waarom gaat het kabinet hier toch mee door?Ik noem hier ook de rol van het professioneel statuut. Dat is een fraaiegedachte, maar het onderzoek laat zien dat het nauwelijks leeft en datweinigen er het nut van inzien. Moeten we dan niet de conclusie durventrekken dat we in ieder geval niet op deze manier verder moeten?Voorzitter. De rode draad in alle brieven uit het onderwijsveld is de kritiekop het voorstel om de pabo te splitsen. Het is duidelijk dat dit voorstel inieder geval om veel zorgvuldigheid vraagt. De SGP heeft daarom behoefteaan meer informatie over de gevolgen. In de brieven wordt heel stevigbeweerd dat het voorstel een groot probleem oplevert voor de mobiliteitvan leraren en voor vervanging bij ziekte. Hoeveel mobiliteit is er eigenlijktussen de kleutergroepen en de hogere groepen? Klopt de indruk dat diteigenlijk maar heel beperkt het geval is? In dat geval zouden de gevolgenniet dramatisch hoeven te zijn.De keuze van de leeftijdsgrens is een belangrijk punt. Ideeën om die bijgroep 5 te leggen, wekken bevreemding. Het voorstel van de splitsingdraaide namelijk helemaal om de positie van kleuters. In 2018 pleitte deOnderwijsraad daarom voor het invoeren van een cluster «jonge kind»,waarin zowel de voorschoolse periode als de kleuterfase zit, en eenoverloop naar het schoolse leren in groep 3. Neemt de Staatssecretaris ditadvies nadrukkelijk mee?De SGP hoort ook graag welke mogelijkheden de Staatssecretaris ziet omde huidige praktijk nog gunstiger te maken voor jongens. Het viel mijbijvoorbeeld op dat nog niet alle opleidingen een vrijwillige kleuterstagehadden. Hoe is dat nu? Hebben studenten de vrijheid om geen kleuter-stage te volgen? Zouden bestuurlijke afspraken over zulke punten nuttigkunnen zijn?Tot slot vraag ik me af of het uitvoeren van een experiment een goedetussenstap kan zijn om ervaring op te doen. Dat gaat verder dan deeerdere pilots en het biedt meer inzicht dan een theoretisch onderzoek. Ikhoor graag de reactie van de Staatssecretaris.Voorzitter. Bij de onderwijsregio’s wil de Staatssecretaris stevigdoorstomen. Inmiddels spreekt ze zelfs over het bieden van een langjarigperspectief. De Kamer heeft echter uitgesproken dat er eerst sprake moetzijn van een gedegen, onafhankelijke evaluatie. Dat onderzoek gebeurt dekomende twee jaar. Mijn vraag is hoe de Staatssecretaris haar ambitiesafstemt op dit gegeven. Kunnen we ervan uitgaan dat er geen wezenlijkestappen gezet worden voordat we hier in de Kamer een debat hebbengevoerd over de evaluatie?Voorzitter, tot slot. Er wordt veel werk verzet om de situatie van leraren teverbeteren. Soms zie je door de bomen het bos bijna niet meer. Daaromheb ik vorig jaar gevraagd om een compact overzicht van alle maatre-gelen, waarin je eenvoudig de voortgang kunt aflezen. Ik snap dat dat eenmakkelijke vraag is en een moeilijk antwoord. De Staatssecretaris wasdestijds enthousiast, maar ik lees er nog niets over in de stukken. Mijnvraag is of zij zou kunnen toelichten hoe en wanneer dit vorm gaat krijgen.Dat was het, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Het lukt zelden om precies op de tijd uit te komen, maar het is u vandaaggelukt. Mijn complimenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50918 De heer Stoffer (SGP):Een 10!De voorzitter:Ik zie geen vragen meer van de zijde van de Kamer. Dan komen we aanhet einde van de eerste termijn van de Kamer. Ik ben van plan om teschorsen tot 11.30 uur. Ik zeg erbij dat ik voornemens ben om het debatdaarna ook af te ronden, dus geen aparte lunchschorsing meer te doen.Dan weet u dat alvast. Mocht u nu al trek hebben, dan kunt u daarrekening mee houden.Nog even een punt van orde. Mijn idee was inderdaad om tot 11.30 uur teschorsen. Als dat echt een probleem is – dat hoor ik namelijk zowel van delinker- als van de rechterzijde – dan schors ik tot 11.40 uur, want ik zal eenbesluit moeten nemen.De vergadering wordt van 10.57 uur tot 11.40 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen het commissiedebat Leraren voor de eerste termijn van dezijde van het kabinet. Ik geef als eerste het woord aan de Staatssecretarisvan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zij zal ook even de blokjes van deMinister noemen, die daarna het woord krijgt. Het woord is aan deStaatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Voorzitter, dank u wel. Ik begin direct met de huishoudelijke medede-lingen. Mijn collega Bruins zal straks zijn onderwerpen behandelen aan dehand van twee blokjes: de lerarenopleidingen en de professionalisering.Zelf zal ik ingaan op de volgende blokjes: aanpak lerarentekort, professio-nalisering en tot slot een blokje overig.Dit debat is misschien wel een van de hoogtepunten van het jaar. Dat isniet omdat het gaat over gemakkelijke thema’s of omdat het allemaalrozengeur en maneschijn is, maar dit is wel een van de onderwerpen dieons allemaal na aan het hart liggen. Ik merk dat keer op keer bij de Kameren dat geldt ook voor ons als bewindspersonen. Heel veel wat naar vorenis gebracht, herken ik. Heel veel wat naar voren is gebracht betreft ookonderwerpen waar we met elkaar keihard aan werken.Als je het hebt over werken in het onderwijs, dan is het werken met envoor de toekomst van Nederland. Het is werken aan de ontwikkeling vanleerlingen en van jezelf. Het is ervoor zorgen dat kinderen en jongerenmet plezier naar school gaan en dat je zelf met een goed gevoelthuiskomt. Het is leerlingen elke dag weer iets nieuws leren, terwijl je zelfkunt rekenen op een serieus salaris. Kortom, werken in het onderwijs isbetekenisvol op heel veel vlakken. Dit is wat duizenden onderwijsprofes-sionals elke dag motiveert om het verschil te maken voor alle leerlingenen studenten, en dat is niet niks.Met de landelijke campagne die we gisteren hebben gelanceerd, laten wezien dat het onderwijs dé plek is waar je het verschil kan maken in hetleven van kinderen, jongeren en jongvolwassenen. Het is van grootbelang dat we aan Nederland laten zien wat voor prachtberoepen er in hetonderwijs te vinden zijn en wat voor impact onze leraren en schoolleidersen ondersteunend personeel maken. Ik nodig iedereen uit om een kijkje tenemen op de website werkeninhetonderwijs.nl.We hebben namelijk nog steeds te maken met grote tekorten aan vooralleraren en schoolleiders, die de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheidvan ons onderwijs onder druk zetten. Die tekorten zijn niet gelijk verdeelden zullen de komende tien jaar aanhouden en zelfs verergeren. Dit steltscholen voor een enorme uitdaging, die het school- en bestuursniveauoverstijgt. Het vraagt om samenwerking en solidariteit, zoals ik vaker hebTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50919 aangegeven, en om krachtenbundeling in plaats van concurrentie opleraren en leerlingen.Het afgelopen jaar zijn er door samen te werken mooie resultatengeboekt, die bijdragen aan meer leraren voor de klas, meer studenten diegoed opgeleid worden, regionale samenwerking en een aantrekkelijkberoep. Er zijn bijvoorbeeld circa 2.300 zijinstromers bij gekomen. Voormeer dan 900 onderwijsondersteuners is subsidie aangevraagd om henop te leiden tot leraar. Op het gebied van professionalisering ontvangenmeer dan 5.000 leraren komend jaar de lerarenbeurs. De komende tienjaar volgen 60.000 leraren een professionaliseringstraject via de NationaleAanpak Professionalisering van Leraren. Dat is toegekend vanuit hetGroeifonds. Collega Bruins zal daar uitgebreider op ingaan.Op het gebied van regionale samenwerking hebben we een landelijkdekkend netwerk van 50 onderwijsregio’s gerealiseerd, waarin dooropleiders, bestuurders, schoolleiders en leraren wordt samengewerkt aaneen goedlopende regionale arbeidsmarkt. We zien dat goede voorbeeldendoor steeds meer onderwijsregio’s worden geïmplementeerd enopgeschaald. Zo worden invalpools voor het primair onderwijs dooront-wikkeld en worden nu ook zogenaamde mobiliteitsteams in het voortgezetonderwijs opgezet. Dat zijn eigenlijk ook invalpools, maar het beestjeheeft een andere naam gekregen. De scholen kunnen zo beschikken overinvalkrachten en leraren die flexibel kunnen werken en ervaring opdoenop verschillende scholen. Onderwijsregio Utrecht-stad bijvoorbeeld biedteen minor gespecialiseerd onderwijs aan om de tekorten in het speciaalonderwijs terug te brengen. Door samenwerking tussen de lerarenoplei-dingen en scholen vinden theorie en praktijk elkaar nog veel beter.Op het gebied van het werven van nieuwe leraren en schoolleidersworden er verschillende initiatieven uitgevoerd in allerlei regio’s. Zokunnen geïnteresseerden een kijkje nemen in een klas, op openscholen-dagen. Potentiële schoolleiders in de regio Zwolle kunnen via hetoriëntatieprogramma Leidinggeven in het onderwijs een dag meelopenmet ervaren schoolleiders. Dit is maar een selectie, maar wel een selectievan concrete en waardevolle resultaten die de komende jaren wordendoorontwikkeld in het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs.Zoals aangekondigd in het regeerprogramma, willen we werken aan debasis van kwalitatief goed onderwijs voor alle leerlingen. Dit doen we methet herstelplan, waar ik zojuist ook aan refereerde. Hierin leggen we defocus op goede onderwijskwaliteit, goed onderwijspersoneel en belang-rijke randvoorwaarden om dat te kunnen realiseren, zoals bekostiging ensociale veiligheid. Om tot dit herstelplan te komen, zijn niet alleenmaatregelen nodig vanuit Den Haag, maar ook vanuit werkgevers, lerarenen schoolleiders zelf. Samen met sociale partners maken we dan ookgoede afspraken voor het herstelplan. En dat is ook de reden waarom wein het voorjaar van 2025 bij u daarop terugkomen, want we zijn nu volopbezig met het voeren van die gesprekken. Daarnaast spreken we, naasthet feit dat we spreken met vertegenwoordigers van verschillendegroepen, uiteraard ook rechtsreeks met heel veel leraren, schoolleiders,leerlingen, ouders, bestuurders en andere professionals in en om hetonderwijs. Hun ervaringen zijn van groot belang bij het uitwerken enuitvoeren van een goed herstelplan. En zoals gezegd: in het voorjaar van2025 deel ik het uitgewerkte Herstelplan kwaliteit funderend onderwijsmet uw Kamer.Voorzitter. In de brief van december hebben wij uw Kamer ingelicht overde voortgang van de lerarenstrategie. Afgelopen jaar heeft onze inzetweer geleid tot positieve resultaten, en tegelijkertijd moeten we ookconcluderen dat we er nog niet zijn. De komende jaren blijven deuitdagingen groot. Met het herstelplan, de campagne en heel veel andereacties, waaronder – dat is misschien iets wat je niet direct koppelt aan hetlerarentekort – het werken aan een actueel en goed curriculum, willen wede volgende stap zetten in het tegengaan van en omgaan met tekorten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50920 Want uiteindelijk zijn zo’n lesprogramma en het curriculum belangrijkeinstrumenten voor leraren om daar verder mee aan de slag te kunnengaan. Samen met het onderwijsveld en uw Kamer zetten we de volgendestappen, met steeds dat doel voor ogen: voldoende, goedopgeleideleraren die werken met en voor de toekomst van ons mooie land.Dan ga ik nu graag in op de vragen, voorzitter. Zoals gezegd heb ik deblokjes aanpak lerarentekort, professionalisering/vakmanschap en overig.Ik begin met een vraag van mevrouw Pijpelink van GroenLinks-PvdA overde vorderingen van het Deltaplan, ook in het licht van de aangenomenmotie daarover. In het hoofdlijnenakkoord en in het regeerprogrammaheeft het kabinet aangekondigd te komen met een Herstelplan kwaliteitfunderend onderwijs, waarbij het borgen van voldoende en kwalitatiefgoed onderwijspersoneel een van de drie pijlers is. We trekken in ditherstelplan samen op met alle betrokkenen in het onderwijs. In hetvoorjaar van 2025 – dat is dus over een paar maanden – informeren wijuw Kamer over het herstelplan. Voor de begrotingsbehandeling heb ik uwKamer in een hoofdlijnenbrief geïnformeerd over de hoofdlijnen hiervan.To be continued, zou ik willen zeggen.Nog een vraag van mevrouw Pijpelink, over het meten van tekorten: hoeberekenen we die tekorten precies, en worden extern ingehuurdedocenten ook meegerekend of alleen leraren die echt in dienst zijn bij eenschool? Die extern ingehuurde docenten worden meegenomen in demeting, maar gelden als een tekort, om het zo maar te zeggen. Detekorten in het p.o., vo en mbo worden via een onlinevragenlijst doorCenterdata uitgevraagd op schoolniveau. En scholen geven deopenstaande vacatures aan, maar ook de zogenaamde verborgentekorten. Dat zijn tekorten die niet naar tevredenheid of uit nood zijningevuld. Dat zou dus door extern ingehuurde docenten kunnen zijn, ofdoor mensen die niet bevoegd zijn. En dat wordt dus op die manierweergegeven. Dat is dus vrij transparant.De voorzitter:Ik zie dat mevrouw Pijpelink daar een vraag over heeft.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Allereerst even de vraag: hoeveel interrupties hebben we?De voorzitter:De insteek is om hetzelfde aantal aan te houden als in de eerste termijn,dus vier interrupties per persoon.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Oké, dank u wel, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor debeantwoording.Mevrouw Rooderkerk (D66):Sorry, excuus. Volgens mij lopen we qua tijd aardig op schema. Ik zou duswillen vragen om zes interrupties toe te staan. Dat geeft ons wat meerruimte om vragen te stellen, aangezien er ook twee bewindspersonen zijn.De voorzitter:Ik ben bereid daarin mee te gaan, maar wel onder de voorwaarde dat deintroductieteksten bij vragen echt een stuk korter moeten dan die van deeerste termijn. Ja? Ik kijk naar niemand persoonlijk, hoor. Goed. Eenuitdaging voor uw eerste interruptie, mevrouw Pijpelink.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Zeker, dat blijft de aard van het beestje. Nee, het is terecht.Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording. Ik vind dit namelijkwel heel interessant. Ik vind het ook een terecht punt dat deze vacaturesTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50921 leiden tot een groter tekort. Maar is de Staatssecretaris het met onzefractie eens dat we hier dus een areaal aan bevoegde docenten hebben?Ze hebben de opleiding achter de rug en ze zijn bevoegd. Het is het eersteblik dat we in de voorraadkast tegenkomen volgens mij. Is zij het met onseens dat we die groep, dus zowel de docenten die werken via dat soortdetacheringsbureaus als de scholen, moeten helpen om hen in eendienstverband aan die scholen te gaan verbinden, ook om de werkdruk teverlichten bij de anderen? Mijn vraag is: is de Staatssecretaris bereid omnog eens goed naar dit eerste blik, de bevoegde docenten, te kijken?Staatssecretaris Paul:Ik ga straks nog wat uitgebreider op zzp’ers in, maar ik kan er al wel hetvolgende over zeggen. Ik deel namelijk wat de Kamer zegt. Mensen die jetijdelijk in dienst hebt, zijn, nog los van het prijskaartje, geen dragendekrachten, zoals de heer Uppelschoten dat volgens mij mooi zei. Diedragende krachten heb je niet alleen nodig om te zorgen voor continuïteitqua lesgeven en voor de kwaliteit van het onderwijs, maar ook voor deaanpalende taken, of het nu gaat om oudergesprekken, mentoraten of hetorganiseren van bepaalde zaken in de school. Die komen dan bij eenkleiner groepje docenten in vaste dienst terecht. Dat moeten we zien tevoorkomen.Uiteindelijk ... Nu ga ik het toch uitgebreider beantwoorden, maar soit. Datis een van de redenen waarom we met een aantal zaken bezig zijn,waaronder het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid, waarin weonder andere werkgevers stimuleren en aanzetten tot goed werkgever-schap. Dat betekent ook dat de randvoorwaarden op een school dusdaniggoed moeten zijn dat leraren daar ook op intekenen. Uiteindelijk zal jealtijd mensen hebben die persoonlijk de afweging maken of ze wel of nietvolgens een bepaalde constructie willen werken. Maar wij stimuleren – ikga het in ieder geval stimuleren – dat zo veel mogelijk vaste contractenworden aangeboden door de werkgever. Het kan om van alles gaan. Ikhoor bijvoorbeeld in gesprekken met leraren ook terug dat meer flexibi-liteit in het lesrooster al kan bijdragen aan meer werkplezier. Ik hoor ookdat als een werkgever daartoe geneigd is, die waarschijnlijk mensen ookbeter aan zich kan binden. Het draait volgens mij om het gesprek voerenop school over de vraag: wat heb je nodig om bij mij in dienst te komenen met plezier je werk te kunnen uitoefenen? Dat delen we.De voorzitter:Nog een vervolgvraag van mevrouw Pijpelink.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dank aan de Staatssecretaris voor deze beantwoording. Ik denk er echthetzelfde over als de Staatssecretaris. In een bijzin zei u: even los van debedragen. Dat snap ik, omdat het even over de inhoud gaat. Maar is deStaatssecretaris het ook met mij over het volgende eens? Op dit momentgaat het namelijk om een miljard aan belastinggeld dat naar het onderwijsgaat, naar die detacheringsbureaus. We horen ook dat er aan scholenboetes worden uitgedeeld die kunnen oplopen tot € 45.000. Moet unagaan: een boete van € 45.000 om een docent in dienst te nemen. Is deStaatssecretaris bereid om, met de inhoudelijke onderlegger die ze netzelf aangaf, ook daar kritisch naar te kijken?Staatssecretaris Paul:Jazeker. Daar kom ik straks nog even op terug.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk heeft nog een interruptie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50922 Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik denk dat we hier een belangrijk probleem te pakken hebben. We gaanzelfs docenten die voor de klas staan via een zzp-bureau ... We sprekendan feitelijk over een tekort, maar er zijn gewoon heel veel docenten dieop die manier aan het werk zijn. Ik denk dat het belangrijk is dat we naarstrategisch hrm-beleid kijken, waarvoor dus ook een wetsvoorstel wordtvoorbereid. Maar dat duurt natuurlijk lang. Ik zou de Staatssecretaris dusook willen verzoeken om meer daadkracht te tonen en meer de regie tepakken op dit punt. Kan zij er niet voor zorgen dat de onderwijsregio’s eenuitgeklede vorm gaan aannemen? Wat ons betreft kan dat ook de vormzijn die de heer Soepboer heeft voorgesteld. Kan zij hen niet oproepen omeen interne pool op te richten, zodat er geen detacheringsbureaus meeraan te pas hoeven te komen en de lerarentekorten onderling kunnenworden opgelost, naar voorbeeld van de regio’s Amsterdam en Brabant,waar dat al gebeurt?Staatssecretaris Paul:Het goede nieuws is dat dat op heel veel plekken in de onderwijsregio’snu al gebeurt. We leren weer van de dingen die goed werken op bepaaldeplekken. Dat proberen we uit te rollen op andere plekken. Ik noemde net alhet werken met invalpools of mobiliteitsteams. Dat wordt opgepakt inverschillende regio’s. Wat mij betreft is dat iets wat op heel veel andereplekken zou kunnen en wellicht ook zou moeten gebeuren. Het punt is datdie regio’s qua problematiek verschillen. Je kunt dus niet helemaal eenone-size-fits-alloplossing bedenken. Maar geloof me: op het moment datwe goede kansen zien, zorgen we ervoor dat die op andere plekken ookgoed landen en worden uitgevoerd.Mevrouw Rooderkerk (D66):Sorry, maar dit klinkt voor mij toch weer als: laat duizend bloemenbloeien. Ik denk dat we meer regie moeten hebben en dat de Staatssecre-taris en het kabinet meer moeten sturen op het onderwijs. Anders gaat hetgewoon zo door. De Staatssecretaris kan natuurlijk ook zeggen: ik stelgewoon in dat alle onderwijsregio’s, naar voorbeelden die dus al bestaan,met een interne pool gaan werken, zodat er geen zzp’ers meer nodig zijndie via detacheringsbureaus werken. We hebben het hier namelijk overonderwijsgeld dat daaraan besteed wordt. De bedragen werden net algenoemd. Die bedragen zijn vele malen hoger voor ingehuurde docenten.Dat is echt zonde van ons overheidsgeld dat wij daaraan uitgeven. Dus ikvraag de Staatssecretaris of ze daar meer regie in wil pakken.Staatssecretaris Paul:Ik wil daar best meer regie in pakken, in de zin dat ik daar expliciet hetgesprek over aanga. Maar ik ga op dit moment niet toezeggen dat ik daareen verplichting opleg, juist omdat ik zie dat op heel veel plekken in dieregio’s mensen op zoek zijn naar oplossingen die passen bij de proble-matiek in hun regio. Er zijn binnen regio’s dus afspraken tussenwerkgevers om geen zzp’ers in te huren. Dat gebeurt op ongelofelijk veelplekken. Ik wil best dat gesprek verder voeren in regio’s waar dat nietgebeurt, om te kijken wat de belemmeringen zijn, maar ik ga hier nu niet,staande dit debat, een verplichting opleggen aan alle onderwijsregio’s.De heer Soepboer (NSC):Ik denk dat we even heel duidelijk moeten zijn. De Staatssecretaris steektin haar introductie de loftrompet af over de onderwijsregio’s. Dat begrijpik ook. Maar ze moet straks natuurlijk nog wel even terugkomen op mijnvraag hoe ze de breed aangenomen motie gaat uitvoeren. We gaan er nugemakshalve van uit dat die onderwijsregio’s doorgaan, maar dat gaan zenatuurlijk niet, want die motie ligt er. Ik wil daar dus zo meteen wat meerover horen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50923 Dan even over deze discussie. Die gaat nu voornamelijk over het geld, dusover hoe we dan een pool van flexwerkers zouden kunnen maken, omdatdan het onderwijsgeld in het onderwijs blijft. Maar het gaat niet alleenover het geld. Het gaat ook over het principe dat een flexwerker of iemanduit een invalpool, of welke naam je er maar aan wil geven, niet verbondenis aan een school en dus niet dragend is in dat team. Dat hebben we in deeerste termijn ook geconstateerd. Het gaat dus niet alleen over het geld.Volgens mij zou je juist af moeten willen van invalpools, flexpools of watdan ook. Je zou als school zo veel mogelijk mensen op een vaste basiswillen aannemen. Staat het verhaal dat we hier nu houden over flexpoolsen invalpools, die duidelijk een soort noodgreep zijn, dan niet haaks opwat we in de eerste termijn hebben geconstateerd, namelijk dat we willendat mensen gewoon op vaste basis door een school worden aangenomenen hiermee dragend kunnen zijn in zo’n team?Staatssecretaris Paul:Het staat niet haaks op elkaar. Het is en-en: je hebt beide nodig. Deinspanningen zijn er vooral op gericht om a de goede mensen in hetonderwijs te behouden en b meer mensen te verleiden een opleiding tevolgen om in het onderwijs aan de slag te gaan. Allerlei maatregelen zijndaar behulpzaam voor, zoals ervoor zorgen dat startende leraren beterworden begeleid enzovoort, enzovoort. Daarnaast wordt op die plekkenwaar je tijdelijk nog steeds behoefte zult hebben aan invallers, of dat nouis vanwege ziekte, verlof of andere omstandigheden, gewerkt metinvalpools. Het is natuurlijk fantastisch dat je het binnen het onderwijs zelfoplost en dat niet met commerciële partijen hoeft te doen. Het is dusen-en.De voorzitter:Heel goed. Vervolgt u uw betoog, Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Dan ga ik door naar een vraag van mevrouw Rooderkerk, D66, oververkennen of het technisch mogelijk is om meer financiering aan scholentoe te kennen als ze beter geschoold personeel aannemen. De bekostigingis sinds de vereenvoudiging van de bekostiging zodanig vormgegeven datdie begrijpelijk en goed voorspelbaar is voor scholen. Daar hebben wevorig jaar een aantal slagen in gemaakt. Het toevoegen van het oplei-dingsniveau van onderwijspersoneel zou die hele bekostiging en alleprocessen daaromheen ingewikkelder maken. Daarbij is het aan de socialepartners, dus werkgevers en werknemers, om afspraken te maken over demanier waarop zij functies waarderen. Daar hoort uiteraard ook doorgroeibij. Dat komt daarbij dus ook aan de orde.De voorzitter:Ik zie dat mevrouw Rooderkerk daar een vraag over heeft.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank voor de beantwoording. Ten eerste zegt de Staatssecretaris dat hetaan de sociale partners is. Ook daarop komt wat D66 betreft meer regie enneemt de Minister deel aan de cao-onderhandelingen in het funderendonderwijs. Dat brengt mij erop dat daartoe in 2022 een motie van D66 isaangenomen. Ik vroeg me af hoe het met de uitvoering daarvan staat.Maar ik kom op het punt van de inschaling. Je kunt bijvoorbeeld eraandenken dat je beter opgeleide leraren beter beloont. Denk bijvoorbeeldaan een schaal LD. We hebben het gehad over wanneer je vakexpert ofvakdidacticus bent, of academisch opgeleid bent. Je kunt eraan denkendat je de inschaling op die manier vormgeeft. Ik ben benieuwd hoe deStaatssecretaris daarnaar kijkt. Wil zij wellicht onderzoeken op welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50924 manier we dat zouden kunnen vormgeven? Ik denk namelijk dat het kanstimuleren dat we de kwaliteit van leraren vergroten.Staatssecretaris Paul:Deels herhaal ik mijn antwoord: dit gaat om afspraken tussen de socialepartners. Daarnaast heb ik hier ook het nodige over geschreven in desturingsbrief. We komen er ook uitgebreider over te spreken in het debatmedio februari. Klopt dat, vraag ik aan mijn ondersteuning. Ja, hoor ik.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk geeft aan dat ze het gevoel heeft dat haar vraag nietbeantwoord is. Wilt u hem eventueel in de tweede termijn beantwoorden?Staatssecretaris Paul:Ja, ik kom er in de tweede termijn op terug.De voorzitter:Helder. Gaat u verder.Staatssecretaris Paul:Ik ga door naar een vraag van de heer Kisteman van de VVD. Die gingerover dat geen enkel profiel op de havo direct naar de pabo leidt. Hetklopt dat geen profiel op de havo direct aansluit op de toelatingseisen,maar het is mogelijk om je vakken zo te kiezen dat je aan die toelatings-eisen voldoet. In dat licht heeft een apart profiel voor de pabo geentoegevoegde waarde. Deze zaken komen overigens aan de orde bijloopbaanontwikkeling en begeleiding in mentorgesprekken en dat soortzaken. Een apart profiel heeft dus wat mij betreft geen toegevoegdewaarde voor dit vraagstuk.De heer Kisteman (VVD):Dan vraag ik me af: is dit dan wel of geen probleem? Komen studenten ertijdig genoeg achter dat er geen sluitend profiel is? Zijn ze hiervan op dehoogte? Uit de praktijk blijken de ervaringen namelijk wel anders. Zijn danniet alle studieloopbaanbegeleiders er goed van op de hoogte dat dit in depraktijk zo werkt? Ik zei bijna «van dit probleem», maar dat is het niet.Staatssecretaris Paul:Ik moet eerlijk zeggen dat ons niet bekend is dat dit een groot probleemzou zijn of dat het gaat om grote aantallen. Het is natuurlijk heel spijtig alseen individuele leerling er te laat achter komt. Maar een apart profielmaken vraagt ook het nodige. Dan moet er dus wel sprake zijn van eenprobleem, wil je dat doen. Volgens mij is dat niet aan de hand. Als deonderliggende vraag is wat we eventueel zouden kunnen doen in termenvan communicatie, wil ik best bekijken of dit explicieter onder de aandachtkan worden gebracht in het kader van loopbaanbegeleiding.De heer Kisteman (VVD):Als ik het goed heb, was er in het verleden wel de mogelijkheid dat er opde havo voor zo’n profiel gekozen werd. Die stap kon dus direct gemaaktworden, zonder specifiek voor die vakken te kiezen. Denkt de Staatssecre-taris dan niet dat dit zou bijdragen aan nog meer instroom bij de pabo?Staatssecretaris Paul:Daar moet ik ook in de tweede termijn op terugkomen. Kijk, het punt is alsvolgt. Als dit een significant probleem was, dan had het bij ons op tafelgelegen. Dan hadden we er ook serieus naar gekeken. Maar ik snap dat deheer Kisteman dit met een reden aanvoert. We gaan er dus nog even naarkijken. Ik kom erop terug.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50925 De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Paul:Voorzitter. Ik ga door naar de vraag van de heer Soepboer over wat er isgebeurd met zijn motie om een maximumlesurennorm te bevorderen inde cao. Ik heb het verzoek van de heer Soepboer actief overgebracht aande cao-partijen. Het mooie is dat de cao-partijen op 18 decemberjongstleden een akkoord hebben bereikt en dat ze gezamenlijk gaanwerken aan een raamwerk van – ik citeer – «professioneel gesprek entaakbeleid» voor alle vo-scholen. Daarmee ligt er een gezamenlijkeafspraak over een aanpak van de werkdruk. Een maximumlesurennormkan daar onderdeel van gaan uitmaken. De cao-partijen hebbenafgesproken om uiterlijk in juni tot een raamwerk hiervoor te komen,zodat dat eventueel in het nieuwe schooljaar op scholen geïmplementeerdkan worden. Ik kijk met vertrouwen uit naar de uitwerking door delerarenorganisaties en de scholen, de werkgevers. Zij zijn er dus over ingesprek.De heer Soepboer (NSC):Ik ben blij dat er een akkoord is bereikt op de cao. Ik meen alleen wel tezien dat die meer gaat over geld dan over werkdruk, al zijn er natuurlijkeen aantal dingen afgesproken – u noemt het raamwerk – die nog moetenkomen. Maar dat is eigenlijk ook het enige concrete dat erin staat. Maar ikga even terug naar de motie, want daar vroeg ik u naar. Het dictum zegtniet: verzoekt de Minister om deze motie aan de sociale partners te sturen.U was toen nog de Minister. Het dictum van deze motie is: verzoekt deMinister om een zo groot mogelijke inspanning te leveren om ervoor tezorgen dat er naast de gehanteerde maximumklokuurnorm tevens eenmaximumlesurennorm wordt opgenomen in de cao. Dat komt voort uithet feit dat we mijn motie over het tripartiete overleg, waarbij de Ministerdus een rol speelt in de onderhandelingen en waar mevrouw Rooderkerkook naar verwijst, niet aangenomen hebben gekregen, maar deze motiewel. Die roept u op om een maximale inspanning te leveren om dit voorelkaar te krijgen. Mijn concrete vraag is: waaruit heeft die maximaleinspanning bestaan?Staatssecretaris Paul:Die maximale inspanning bestaat eruit dat we het onderwerp onder deaandacht brengen en daarover in gesprek blijven. Want hieroververschillen we principieel van mening: dit is een afspraak die door desociale partners wordt gemaakt. Ik volg dat op de voet. Daar waar webehulpzaam kunnen zijn, zullen we dat zijn. Maar het is een afspraaktussen werkgevers en werknemers. Daarom ben ik blij dat in ieder gevaldie basisafspraak is gemaakt in december vorig jaar. Nu lopen ergesprekken om daar verder handen en voeten aan te geven. Voor dezomer zal er meer bekend over worden. Dus dat. Punt.De heer Soepboer (NSC):...De voorzitter:Excuus, dat was het verkeerde knopje aan mijn kant.De heer Soepboer (NSC):Dan geef ik toch nog maar een aanvulling. Kijk, het kan natuurlijk zo zijndat mevrouw Paul, die inmiddels Staatssecretaris is, en ik het funda-menteel met elkaar oneens zijn, maar als de Kamer in meerderheid ietsaanneemt, dan ga ik er wel van uit dat het op een goede manier wordtuitgevoerd. In alle eerlijkheid is in gesprek blijven geen maximaleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50926 inspanning. Is er dus bijvoorbeeld een schrijven van uw kant, waarin u alsMinister, die uitvoert wat de Kamer wil, zegt dat u het op prijs zou stellendat dit wordt meegenomen in de onderhandelingen, of dat u daarvanuitgaat? Zo ja, dan zou ik dat graag zien, want, nogmaals, een maximaleinspanning is meer dan in gesprek blijven. Als zo’n schrijven er niet is, gaik ervan uit dat de motie niet is uitgevoerd.Staatssecretaris Paul:We hebben heel regelmatig bestuurlijke overleggen waarin we allerleithema’s bespreken. Dit thema is daarbij ook aan bod gekomen. Dat gaatinderdaad om rolvastheid en om het nemen van verantwoordelijkheid,daar waar dat geëigend is. Maar het gaat er ook om de andere partijenhun werk te laten doen, die de verantwoordelijkheid dragen op dit vlak.Daar komt het op neer.De voorzitter:Dan gaat u verder met uw betoog.Staatssecretaris Paul:Ik ga door, voorzitter. Dan heb ik nog een vraag van de heer Soepboer,over werkdruk. Daarbij zei de heer Soepboer dat voor NSC de leraren enhet leraarsvak centraal moeten komen te staan en dat de werkdrukverlaagd moet worden. De komende maanden voer ik gesprekken met hetonderwijsveld over het verlagen van de werkdruk en de inzet van dewerkdrukmiddelen. Hopelijk leidt dat tot het vergroten van werkplezier.Daarbij hanteer ik een brede blik en kijk ik naar alle mogelijke opties. Opbasis daarvan en op basis van de onderzoeken naar administratieve lastenen werkdrukmiddelen, werk ik verschillende beleidsopties uit. Die komenvoor de zomer, in Q2, naar de Kamer. De twee onderzoeken die lopen,gaan over administratieve druk in het p.o. en het vo. Eén onderzoek wordtuitgevoerd door de Algemene Rekenkamer en het andere onderzoek doorhet ministerie zelf. De bevindingen en de beleidsopties deel ik dus in Q2met de Kamer.Dan ga ik door naar de vraag van de VVD waarom zzp’ers in het onderwijsniet als leraar in dienst willen treden. Eigenlijk heb ik daarstraks, inantwoord op een vraag van mevrouw Pijpelink, daar ook het nodige overgezegd. Er is onderzoek gedaan naar de motieven van zzp’ers in hetonderwijs. We hebben dat ook gevoegd bij de lerarenbrief. Een van deaanbevelingen van het onderzoek is dat schoolbesturen meer doen omtegemoet te komen aan de wens van sommige zzp-leraren om bijvoor-beeld meer flexibiliteit. Dat ging dan over flexibiliteit in het rooster, zodatze bijvoorbeeld hun werk beter kunnen combineren met zorgtaken. Somsis het ook iets heel simpels. Een leraar zei tegen mij: als mijn rooster netiets anders in elkaar zou zitten, zou ik mijn kinderen af en toe zelf ook naarschool kunnen brengen. Dat zijn inderdaad zaken die daarover naar vorenkwamen. Met het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid bevorder ikde aantrekkelijkheid van werken in loondienst en ben ik ook strengrichting werkgevers op de inzet van zzp’ers, door vaste contracten veelmeer verplichtend op te leggen.Dan ga ik door naar een vraag van mevrouw Van Zanten van BBB. Zijvroeg waarom het maar niet lukt om meer mensen voor de klas te krijgen.Het is een taai probleem. Laat ik dit zeggen: die tekorten op de arbeids-markt zien we natuurlijk heel breed. We zien ze in de zorg, in het bedrijfs-leven, in de techniek en helaas ook in het onderwijs. Veel mensen kiezenvoor het onderwijs vanuit de intrinsieke drive om iets te kunnenbetekenen voor de nieuwe generatie en om het verschil te kunnen makenin de levens van kinderen en jongeren. Wat dat betreft kunnen wefocussen op de dingen die nog niet geregeld zijn, maar we kunnen ookproberen door te pakken op het ingeslagen pad en te kijken hoe we datnog verder kunnen stimuleren. Er waren bijvoorbeeld 2.300 zijinstromersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50927 het afgelopen jaar, die dankzij de ondersteuning en de financiëletegemoetkoming die we bieden, ervoor gekozen hebben om het onderwijsin te gaan. Maar wat betreft de tekorten en de keuzes die mensen maken,is het uiteindelijk natuurlijk ook zo dat je mensen niet aan een touwtjehebt en dat iedereen uiteindelijk voor zichzelf bepaalt welke opleiding hijwil doen en in welk beroep hij actief wil zijn.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank aan de Staatssecretaris. Ik heb begrepen dat er in Nederlandongeveer 83.000 mensen met een onderwijsbevoegdheid rondlopen dieervoor gekozen hebben om iets anders te gaan doen omdat het vak vanleraar niet aantrekkelijk genoeg is. Wij horen keer op keer de werkdrukterugkomen. Dan gaat het dus vooral om administratieve lasten die hetvak oninteressant maken. We horen ook dat er te weinig focus is opvakinhoud en vakdidactiek, dat het te veel met vorming, zelfreflectie enzelfontplooiing moet en dat veel leraren eigenlijk vinden dat hun vakdaardoor niet meer serieus wordt genomen. Er is geen intellectueleuitdaging en het imago gaat eraan. Waarom gaan we daar niet iets aandoen? Waarom gaan we er niet voor zorgen dat het vak gewoon aantrek-kelijker wordt voor al die 83.000 mensen die voor iets anders hebbengekozen? Dat lijkt me op zich misschien efficiënter en effectiever.Staatssecretaris Paul:Mevrouw Van Zanten en ik zijn het helemaal met elkaar eens. Alleen, hetpunt is dat je niet één gouden knop hebt waarop je kunt drukken om hetgefikst te hebben. We doen een veelheid aan dingen om juist dat tebewerkstellingen. Neem het verlagen van de administratieve druk. Nietvoor niets hebben we onderzoeken lopen om te bezien welke knoppen wewél kunnen indrukken om ervoor te zorgen dat die druk verlaagd wordt.Dan werkdrukverlaging. In de afgelopen periode, ook in het vorigekabinet, hebben we serieus geïnvesteerd om de werkdruk naar beneden tebrengen. Daardoor kunnen bijvoorbeeld klassenassistenten of onderwijs-ondersteuners aangenomen worden, zodat de leraar zich kan focussen opzijn kerntaak: lesgeven. We hebben structureel geïnvesteerd in lerarensa-larissen. Daarmee zijn we gestart in de vorige periode, maar dat is nudoorgetrokken. Met name in het p.o. liepen die salarissen achter.Daarvoor zijn belangrijke investeringen gedaan, die ervoor zorgen dat jevoor dat verantwoordelijke en mooie werk ook mag rekenen op eenserieus salaris. Er zijn dus een hoop dingen die we doen.We hebben volgens mij al eerder gesproken over hoe je mensen die zijnuitgestroomd, weer kan activeren of mobiliseren. Wellicht spraken wedaarover in een debat, maar ook een keer in het vragenuur, meen ik. Datkan dus a door al deze maatregelen te nemen en ervoor te zorgen dat hettotaalpakket aantrekkelijk is, maar b ook door het volgende. Ik weetoverigens dat veel scholen en schoolbesturen dat al doen. Die houdencontact met mensen die ooit zijn uitgestroomd en doen aan een vorm vanrelatiebeheer, in de zin van: jongens, kijk nou eens hoe we het geregeldhebben en overweeg om terug te komen. Een van de dingen die wij in hetverleden hebben gedaan, is de stille reserve aanspreken in de nieuws-brieven van het pensioenfonds ABP. Volgens mij zullen we dat ook blijvendoen. Om AVG-redenen is het niet mogelijk om een database bij tehouden en daarmee mensen rechtstreeks te benaderen, maar we doenwel meer indirecte dingen om mensen te mobiliseren.Van de campagne die we gisteren gelanceerd hebben, mag iedereen vanalles vinden, maar ik zeg er ook maar bij dat we die samen hebbengemaakt met mensen uit het hele onderwijsveld, dus met leraren,schoolleiders, bestuurders en noem maar op. We hebben heel nadruk-kelijk drie pijlers gekozen: laten zien hoe mooi en betekenisvol het is, latenzien dat je een serieus salaris verdient en laten zien dat er doorgroeimoge-lijkheden zijn. Dat geldt voor leraren, maar ook voor heel veel andereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50928 functies. Ik was vorige week op een school in Wijnjewoude, op Skoalle DeSinnewizer. Ik weet niet of ik het goed uitspreek. Ja, hè? Klinkt het eenbeetje?De voorzitter:We rekenen het goed, hoor.Staatssecretaris Paul:O ja, Harry, de voorzitter, weet het natuurlijk ook! Ik was bij Skoalle DeSinnewizer. Daar sprak ik Monique in groep 2. Zij is nu bezig als onder-wijsondersteuner en staat op het punt om haar diploma te halen, maar zeis ooit begonnen als conciërge. Ze heeft jarenlang als conciërge gewerkt.Ik vond dat een heel mooi voorbeeld. Zo zie je heel veel andere trajecten.Wij doen er in ieder geval alles aan om ervoor te zorgen dat dat zo goedmogelijk handen en voeten krijgt. Dat doen we ook door het te stimuleren,soms met geld en soms door de samenwerking met de opleidingen nogstrakker te trekken. De oproep is dus gehoord en we werken daar hardaan.De voorzitter:Mevrouw Van Zanten, u heeft een heel uitgebreid antwoord gekregen,maar u heeft een vervolgvraag.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording. Laat ik voorop-stellen dat ik de inzet absoluut waardeer. Ik zie natuurlijk ook dat erbepaalde resultaten behaald worden. Dat is natuurlijk altijd goed. Volgensmij heb ik een uitgebreid antwoord gekregen van de Staatssecretaris,maar niet specifiek over de vakinhoud en de vakdidactiek. Dat hoor ik zovaak terug. Docenten willen zich gewoon bezighouden met hun vak enniet met al de randzaken die ze er nu bij krijgen. Ik heb het dan niet alleenover administratieve lasten, maar bijvoorbeeld ook over de manier vanlesgeven, die nu heel erg is gericht op het vormende, op zelfreflectie enop leren samenwerken. Maar moet je niet gewoon rijtjes stampen, tafelsleren en geschiedenis krijgen zoals het bedoeld is?Staatssecretaris Paul:Ik zou daar twee dingen over willen zeggen. Het eerste is: daar waar ikcentraal regie kan voeren door ervoor te zorgen dat we ons focussen opde juiste dingen, doe ik dat. Vandaar dat we echt in de afgelopenanderhalf jaar ontzettend gesleurd hebben aan de herziening van hetcurriculum. Het curriculum is namelijk de basis waarmee je lerarenhouvast geeft ten aanzien van wat leerlingen moeten kennen en kunnen.Dat wordt geactualiseerd en aangescherpt. Daar gaan we volop mee aande slag.Daarnaast is het zo dat scholen de ruimte hebben om binnen hun team tebepalen hoe ze bepaalde zaken vormgeven. Dat is de vrijheid vanonderwijs, die we in ons land kennen. Daar waar het kan, stimuleren wehet gebruik van evidence-informed methodes en zorgen we ervoor dat weniet overal het wiel opnieuw gaan uitvinden. In het Masterplan basisvaar-digheden gebeurt dat bijvoorbeeld volop. Ik kom veel op scholen; deKamerleden komen daar ongetwijfeld ook. Dat geeft mij juist ook heel veelvertrouwen, want ik zie dat scholen in staat zijn de onderwijskwaliteithoog te houden en geen lerarentekort te hebben, ook scholen in uitda-gende wijken waar allerlei problematieken zijn. Ik ben op scholen geweestin Rotterdam-Zuid en Amsterdam-Zuidoost. Daar speelt echt van alles. Deproblemen in de wijk sijpelen daar de school binnen. Maar desondanks isdaar een hoge kwaliteit van onderwijs en heersen er rust, reinheid enregelmaat, doordat de schoolleider samen met zijn of haar team scherpekeuzes maakt en zegt: wat hebben onze leerlingen nodig en hoe gaan weTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50929 dat met elkaar doen? Ik juich dat van harte toe. Als er één mantra is dat ikook uitdraag wanneer ik het veld inga, dan is dat: durf keuzes te maken enfocus aan te brengen. Want wat je aandacht geeft, groeit en bloeit, maarhet is uiteindelijk aan de scholen, de leraren en de schoolleiders zelf om tebepalen welke methodes ze gebruiken en hoe ze het onderwijsvormgeven.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Paul:Ik ga door met een vraag van ...De voorzitter:Ik zie vanuit mijn ooghoek dat de heer Uppelschoten nog een vraag heeft.De heer Uppelschoten (PVV):U heeft scherpe ooghoeken als u dat zag. Aansluitend heb ik ook eenvraag. We praten nu steeds over maatregelen die we kunnen nemen oplandelijk niveau. Maar volgens mij heeft u het ook over zeggenschap vanteams en zegt u dat heel veel dingen in teams geregeld moeten worden. Ikkom ook docenten tegen die zzp’er zijn geworden omdat ze dan verlostzijn van alle rompslomp van de school. Dat zijn geen dragende docenten,maar het zijn wel mensen die les willen geven en dus vooral les willengeven. In een team zou je daar ook afspraken over kunnen maken, zodatmensen niet weg hoeven te gaan of zzp’er hoeven te worden. In een teamkan worden afgesproken wie vooral lesgeeft en wie de vormendeactiviteiten, of weet ik wat voor andere activiteiten, doet. Dat zijn dan dusde activiteiten die door anderen worden ervaren als rompslomp om hetvak heen. Ik noem dat dan «eigenwijze scholen». Besluit zelf hoe je datdan invult. Besluit zelf wat voor verdeling je eventueel wil maken in deonderwijstaken in zo’n team. Daarmee kun je ook heel veel problemenoplossen. Dan hebben we het niet over landelijke afspraken die wemoeten maken over hoeveel uren dit en hoeveel uren dat. Ik weet niet hoedat bekendgemaakt moet worden, maar dit is volgens mij wel eenoplossing voor dit probleem.Staatssecretaris Paul:Dit is me uit het hart gegrepen, alleen al het feit dat de heer Uppelschotendat hier benoemt en dat ik dat mag omarmen en mag bevestigen dat ik erook zo in zit. Ik noem nogmaals de voorbeelden die ik net noemde, overdie school in Rotterdam-Zuid. Daar heeft directeur Victor van Toer gezegd:wij gaan niet meer meedoen aan «red de walvis»-week, moestuintjes enandere dingen; die dingen zijn ook mooi, maar zolang het leesniveau vanonze leerlingen niet op peil is, gaan we daar de focus op leggen. Dat zie ikgelukkig op heel veel plekken gebeuren. Mijn oproep zou zijn: doe dat;maak met elkaar de afspraken die ervoor zorgen dat je het beste uit jeteam kunt halen, want daarmee kun je ook het beste aan de leerlingenbieden. Ik ben het dus helemaal met de heer Uppelschoten eens.De heer Uppelschoten (PVV):Nog een vervolgopmerking. Dat zijn mooie voorbeelden van het latenvallen van onderwerpen. Maar ook binnen het team zelf kun je afsprekenwie een dragende docent is en wie de lessen draait, om het zo maar tezeggen. Wie maakt het materiaal of wie zoekt het materiaal uit? Dat noemik dan de dragende docenten. Anderen doen dat dan gewoon. Dat zijn ookafspraken die je in een team kan maken. Daar kun je misschien ookmensen mee behouden die zzp’er willen worden. Op die manier kunnenze ook functioneren in een vast dienstverband binnen de school. Maar danmoet je eigenwijs zijn en dat durven te doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50930 De voorzitter:Dank u wel. Ik wil u wel vragen om uw interrupties te gebruiken voorvragen en niet opnieuw een betoog te houden. Maar ik geef de Staatsse-cretaris nog even kort de gelegenheid om te reageren.Staatssecretaris Paul:Inderdaad, heel kort. De werkdrukmiddelen die we beschikbaar hebbengesteld, zijn een voorbeeld van de dingen die ervoor zorgen dat scholenonderwijsondersteuners kunnen aannemen, die er vervolgens voorkunnen zorgen dat een leraar ontlast wordt. Dan kan een leraar zichfocussen op zijn of haar kerntaken. Surveilleren of andere taken kunnendan door een andere collega gedaan worden. Uiteindelijk is het volgensmij belangrijk dat je daar in je team goede afspraken over maakt en wijdat niet hier vanachter ons bureau proberen te bestieren.Voorzitter. Ik ga door naar een vraag van de heer Stoffer van de SGP. Hijvroeg waarom ik het wetsvoorstel SHRM, over strategisch hrm-beleid, wildoorzetten. Je merkt in de discussie die we net hebben gevoerd, datsommigen het nut van het wetsvoorstel inzien. De heer Stoffer trekt het intwijfel, maar ik denk dat ik door eisen te stellen aan schoolbesturen memet dit wetsvoorstel hardmaak voor kwaliteit van onderwijs, goedwerkgeverschap en het aanpakken van het lerarentekort. Daar draait hetom. Uit internationaal onderzoek weten we dat strategisch personeels-beleid, dat eigenlijk niets meer of minder is dan goed werkgeverschap,een bijdrage levert aan de kwaliteit van het onderwijs. Op heel veelplekken gaat het goed, maar ik wil in ieder geval een ondergrensneerleggen. Daarom wil ik dat wetsvoorstel doorzetten. Monitoringson-derzoeken laten namelijk zien dat een deel van de schoolbesturen hun rolniet voldoende oppakt. We zien bijvoorbeeld dat het aantal vastecontracten en de deeltijdfactor dalen, en dat schoolbesturen ook steedsvaker externen inhuren. Dat soort dingen wil ik tegengaan met datwetsvoorstel.De heer Stoffer (SGP):Dit is op zich een helder antwoord; ik kan daar deels ook wel inmeekomen. Maar aan de andere kant: als een aantal scholen het niet goeddoen, zijn er ook heel veel die het wel goed doen. Betekent dit voor henniet dat er soort extra last komt? Zou de Staatssecretaris daar nog ietsmeer over kunnen zeggen?Staatssecretaris Paul:Het is een terecht appel dat de heer Stoffer doet. Ik denk dat het onzeuitdaging of onze opdracht is om ervoor te zorgen dat dat niet gebeurt.Maar als het bijvoorbeeld gaat over ervoor zorgen dat er zo veel mogelijkvaste contracten worden aangeboden, dan zullen de scholen die dat nu algoed doen daar niet door geraakt worden. Ik ga het toch maar benoemen,want dit zijn dingen die ik ook hoor en dat vind ik onbestaanbaar in tijdenvan grote tekorten. Je hoort dat er kleine contracten worden aangebodenomdat dat handiger is bij het inroosteren. Ja, tot uw dienst, hè? Dat is nietacceptabel. Dat zijn onder andere de dingen die ik hiermee wil aanpakken.Maar de oproep is helder. Dit moet natuurlijk niet leiden tot extraadministratieve rompslomp, want dan schieten we ons doel voorbij. Dat ishelder.De heer Stoffer (SGP):Helder. Dank voor het antwoord. Ik heb nog een aanvullende vraag overdie kleine contracten. Ik heb in de afgelopen jaren geregeld onderwijsas-sistenten in opleiding gesproken. Die zeiden: «Ik ga als mijn opleidingklaar is nog wat anders doen, want ons perspectief bestaat alleen maar uitkleine contractjes. Je kunt er niet van rondkomen en er niet van leven enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50931 zo.» Neemt de Staatssecretaris ook de contracten voor onderwijsassis-tenten mee?Staatssecretaris Paul:Ja.De voorzitter:Dat is heel duidelijk.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter, ik ben blij met het antwoord!De voorzitter:Dat scheelt, toch? Gaat u verder, Staatssecretaris. Ik begrijp dat u aan hetvolgende blok toe bent.Staatssecretaris Paul:Voorzitter. Ja, dan ga ik door met het blokje professionalisering. Ik ga danook door met een vraag van de heer Stoffer over zijinstroom envakkennis. Er is geen enkele twijfel over dat we goede leraren willen. Daarworden geen concessies aan gedaan, ook niet in het zijinstroomtraject. Dezijinstromers behalen via het traject Zij-instroom in het beroep, eencombinatie van werken en studeren, binnen twee jaar een bevoegdheid,of ze doen dat via een maatwerklerarenopleiding. De heer Stoffer verweesnaar cursussen en dat soort dingen, maar dit is gewoon een heel gedegentraject en een gedegen opleiding. Ongeacht de route voldoet elkezijinstromer aan alle bekwaamheidseisen, dus ook aan de eisen vanvakinhoudelijke en de vakdidactische bekwaamheid. Het gaat omzijinstromers die al werkervaring hebben. Sommigen hebben al heel veelwerkervaring en zogenaamde eerder verworven competenties. Daardoorhebben ze al bepaalde ervaring en kwaliteiten die in het beroep van leraarvan belang zijn. In het geschiktheidsonderzoek wordt vastgesteld dat zijover een dusdanige bekwaamheid beschikken dat ze direct als leraaraangesteld kunnen worden en binnen twee jaar aan alle bekwaam-heidseisen kunnen voldoen. Je moet dus überhaupt aan bepaalde eisenvoldoen om in aanmerking te komen voor dat zijinstroomtraject.Dan ga ik door met een vraag van mevrouw Rooderkerk over de onder-wijsadviesmarkt met betrekking tot het professionaliseringsaanbod. Zevraagt of het kabinet het professionaliseringsaanbod voor leraren ookbetrekt bij het reguleren van de onderwijsadviesmarkt. Ik zie het leraar-schap inderdaad als een prachtige en uitgebreide loopbaan, van startbe-kwaam naar vakbekwaam, naar uiteindelijk een specialisme. Daaromwordt met de Nationale Aanpak Professionalisering van Leraren eenstructureel systeem voor doorlopende professionalisering ingericht omdeze loopbaan duidelijkere vorm en richting te geven. Onderdeel van dieNAPL is het ontwikkelen van kwaliteitscriteria en een kwaliteitszorg-systeem voor het professionaliseringsaanbod voor leraren in het p.o., hetvo en het mbo. Collega Bruins gaat hier straks uitgebreider op in.Daarnaast zijn we bezig met een verkenning naar de ondersteunings-structuur in het onderwijs, waarin ook regulatiemogelijkheden van deonderwijsadviesmarkt worden meegenomen. De uitkomsten van dezeverkenning worden in het eerste kwartaal 2025, dus binnen tweemaanden, naar uw Kamer gestuurd.Dan ga ik door met nog een vraag van mevrouw Rooderkerk, over debegeleiding van startende leraren. Ik geloof dat we het er allemaal overeens zijn – ik onderschrijf dat ook van harte – dat een goede start en eengoede begeleiding voor leraren essentieel zijn, omdat het doodzonde iswanneer leraren voortijdig uitvallen vanwege gebrekkige of volledigeontbrekende begeleiding. De begeleiding van starters is een van debelangrijkste thema’s waar de onderwijsregio’s aan werken. Ik zieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50932 mogelijkheden om via de onderwijsregio’s de begeleiding van starters testimuleren en door te ontwikkelen, bijvoorbeeld via een pool van ervarenleerkrachten en begeleiders. Dit vraagt om een goede samenwerkingtussen lerarenopleidingen, werkgevers en startende docenten. Uiteindelijkligt de verantwoordelijkheid voor die begeleiding van starters bij dewerkgevers. Je ziet echter dat het, juist op scholen waar tekorten zijn enmogelijk ook andere problematieken spelen, ingewikkeld is om mensenvrij te maken voor begeleiding. Dat is wat we met name via die onderwijs-regio’s oppakken. Je ziet dus dat dankzij de samenwerking in die regio’sleraren op andere scholen opgeleid worden en vervolgens op scholen diete kampen hebben met tekorten en waar een instroom gewenst is, aan deslag gaan. Daarover worden in die regio’s gewoon heel concreteafspraken gemaakt.Dan ga ik door ...De voorzitter:Ik zie een vraag van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoorde de Staatssecretaris eerder zeggen dat «durf keuzes te maken»haar mantra is als ze op scholen komt. Datzelfde zou ik dan ook aan deStaatssecretaris zelf willen vragen. Ik weet dat we dit voor een deel,namelijk het deel «meer regie», ook gaan bespreken bij de sturingsdis-cussie. Mijn motie die erom vraagt dat lerarenopleidingen – dus nietonderwijsadviesbureaus, de externe markt die er is gecreëerd, want deKamer wil het beleggen bij de lerarenopleidingen – gaan zorgen voor driejaar begeleiding van startende leraren, is aangenomen. Maar nu hoor ikde Staatssecretaris in haar beantwoording zeggen dat we onderwijsre-gio’s gaan optuigen die met elkaar gaan praten, die vervolgens met descholen gaan praten en die dan weer met de lerarenopleidingen gaanpraten, en dat zij erop rekent dat het dan goedkomt. Maar ik wil gewoondat mijn motie wordt uitgevoerd. Zou de Staatssecretaris dat willen doen?Staatssecretaris Paul:Collega Bruins komt hierop terug. Maar ik vind het toch een beetje flauwom te doen alsof er alleen maar gepraat wordt en er niks wordt gedaan. Erwordt gewoon aan gewerkt. Die begeleiding van leraren vindt as we speakplaats dankzij de samenwerking die er is tussen scholen, schoolbesturenen lerarenopleidingen. Dat heeft helemaal niks te maken met onderwijs-bureaus, want het gaat om samenwerking in de regio, gebaseerd op debehoefte in die specifieke regio. Op de aanvullende vraag komt collegaBruins terug.Dan was er nog een vraag van mevrouw Rooderkerk over de lerarenop-leiding. Die vraag ging over het advies van de Onderwijsraad over deaanscherping van de bekwaamheidseisen en het geven van een stem aande leraar. De Onderwijsraad beschrijft een richting die ik in de kernondersteun. Eerder is er ook geconstateerd dat de kwaliteit van delerarenopleidingen kan worden verhoogd door een meer eenduidigeminimumnorm te stellen. Deze norm is vastgelegd in de bekwaam-heidseisen. Collega Bruins en ik zijn momenteel volop in gesprek met deberoepsgroep, dus met de vertegenwoordigers van de leraren, dewerkgevers en de opleidingen, over hoe we serieus en structureelinvulling kunnen geven aan dit advies en in welke mate dit adviesuitvoerbaar is. In de lerarenbrief van juni zal ik hier verslag van doen enook een uitgebreidere reactie geven op het advies van de Onderwijsraad.Dan ga ik door naar een vraag van zowel NSC als SGP, en vanGroenLinks-PvdA zo wordt mij nu ingefluisterd, over het professioneelstatuut verder leven inblazen. Overigens viel mij op dat daar in de Kamerverschillend over wordt gedacht. Maar ik heb onderzoek laten uitvoerennaar het professioneel statuut en de autonomie van de leraren en deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50933 uitkomsten daarvan voor de kerst met de Kamer gedeeld. Daaruit bleekonder andere dat er een wisselende bekendheid is met het professioneelstatuut en dat het wisselend gebruikt wordt op scholen, terwijl het gebruikervan wel wettelijk verplicht is. Wat ik haal uit met name gesprekken metleraren overall is dat zij het professioneel statuut als iets waardevolservaren. In samenspraak met de sociale partners ben ik bezig te bekijkenhoe we ervoor zorgen dat het meer en intensiever wordt gebruikt, preciesdaar waar het voor bedoeld is. Voor de zomer geef ik de Kamer hier eenupdate over.Dan een vraag van de heer Soepboer van NSC over vakmanschap vanleraren. Hoe wil ik het vak van leraar weer centraal stellen? Excuus, ikmoet even hoesten. Ik was al blij dat dat in de eerste termijn van deKamer niet hoefde, maar dat kwam natuurlijk doordat ik zelf niet hoefdepraten maar mocht luisteren. Het vak van leraar centraal stellen doe ikdoor het vakmanschap van de leraar centraal te stellen. Het uitgangspunthiervoor is professionalisering gedurende de gehele carrière. We wetenuit onderzoek dat leraren daardoor bekwaam en gemotiveerd blijven, watleidt tot betere onderwijskwaliteit en het behoud van leraren op delangere termijn. Dit doen we onder andere door de nationale aanpakleraren waarin ontwikkelpaden worden gecreëerd, een opleidingsregisterwordt gemaakt en uiteindelijk een kwaliteitskeurmerk voor bijscholingkomt.Maar naast dat vakmanschap, dat ongelofelijk belangrijk is, en deautonomie is ook de zeggenschap van de leraar heel belangrijk. Volgensmij refereerde de heer Soepboer daar ook aan. Wij spreken allemaal metveel mensen in het onderwijs. Je ziet dan goede voorbeelden envoorbeelden waar het echt anders en beter moet. Op sommige plekken isde afstand tussen het onderwijsteam op school en het bestuur te groot,althans, het wordt als te groot ervaren. Dat moet anders. Daarom kijk iksamen met de sociale partners in het herstelplan hoe ik de stem van deleraar én van de schoolleider binnen de school kan vergroten en die kanborgen daar waar het niet vanzelf goed gaat. Te denken valt aan maatre-gelen als het stimuleren van teamleraren of een beroepsgroep voorleraren en schoolleiders. Daarnaast ontwikkel ik normen voor middelendie worden gebruikt door overhead- en onderwijspersoneel, om ervoor tezorgen dat zo veel mogelijk van het geld dat we aan onderwijs geven ookecht in de klas belandt en dat als het geld de school binnenkomt, binnende school het gesprek wordt gevoerd over hoe dat zo goed mogelijkingezet wordt. Dat kan ik inderdaad vanuit mijn rol faciliteren. Dat is ookonderdeel van het plan.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik wil even iets bij de Staatssecretaris verifiëren. In het rapport van deOnderwijsraad staat echt dat de docent een wat structurelere rol moetkrijgen bij de besluitvormingsprocessen op alle niveaus, landelijk,regionaal en in de school. Ik dacht uit het antwoord van de Staatssecre-taris zojuist op te maken dat zij zegt «daar waar het goed gaat, gaat hetgoed» en dat zij zich eigenlijk in de toekomst met haar besluiten enplannen alleen wil richten op daar waar het niet goed gaat. De Onder-wijsraad zegt echter wat anders, vandaar mijn vraag ter verificatie. Ik wileven heel specifiek horen wat de beleidsinzet van de Staatssecretaris gaatworden.Staatssecretaris Paul:Het gaat om brede en structurele maatregelen. Aan de ene kant werkenwe aan het opzetten van een georganiseerde beroepsgroep. In hetverleden zijn heel veel pogingen gewaagd om zoiets op te zetten, maardat is niet goed gelukt, omdat de vertegenwoordigers van de leraren daarzelf onvoldoende bij betrokken werden. Op dit moment is dat anders enzijn we volop bezig met onder andere de bonden om ervoor te zorgen datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50934 er uiteindelijk een vertegenwoordiging staat die de belangen van deberoepsgroep zo goed mogelijk kan behartigen.Daarnaast moeten zeggenschap binnen de school en de positie vanleraren en schoolleiders inderdaad een stevige plek krijgen. Dat vind ikook belangrijk; we komen er nog over te spreken in het debat over sturing.Je kunt er verschillende scenario’s voor bedenken. In de brief over sturingbinnen het funderend onderwijs heb ik er een aantal scenario’s vooruitgewerkt. Ik denk dat het heel mooi is dat we daar in februari uitgebreidover spreken. Op dit moment zijn er natuurlijk op het gebied vanmedezeggenschap al mogelijkheden om de stem van leraren door te latenklinken, maar mevrouw Pijpelink weet ook dat dat niet op alle plekkengoed gaat. Dus los van het feit dat ik niet op elke school kom en er dusniet persoonlijk voor kan zorgen dat alles precies zo gaat als wij misschienvoor ogen hebben, wil je wel dat een aantal zaken geborgd wordt. Dat kanmet name door de sturing en het in positie brengen van de schoolleideren de leraren. Dat is heel belangrijk, maar daar komen we nog over tespreken.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Paul:Dan ga ik door met het blokje overig. Ik begin met de vraag van mevrouwRooderkerk over de lerarentoets. Hoe kijken wij naar het initiatief van deAOb om ervoor te zorgen dat bij nieuw voorgestelde wijzigingen de stemvan de leraren gehoord en meegenomen wordt? De wens om bijwijzigingen in ons beleid de stem van de leraren beter te horen, vind iksympathiek en belangrijk, want dit kan ertoe bijdragen dat het beleid nogveel beter aansluit bij de dagelijkse praktijk in de school. Dat zou via eenlerarentoets kunnen, maar ook op een andere manier. Ik vind het vooralbelangrijk dat we dit doen op een uitvoerbare en in de praktijk nuttigemanier. Dus voor meer inspraak van leraren stimuleren we het veld om tekomen tot een actieve beroepsgroep. Daar had ik het net ook over. In hetkader van het herstelplan zijn we in gesprek over het takenpakket van dezeberoepsgroep. We zullen dit idee daarbij als mogelijke taak meenemen.Daar werken we dus heel concreet aan.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik zou daarop willen doorvragen, want volgens mij is het heel belangrijkom de stem van deze leraren daadwerkelijk te laten meewegen in nieuwte vormen beleid of in wijziging daarvan. Ik vind de vraag van mevrouwRooderkerk dus zeer terecht en ik vind dat wat de Staatssecretaris nu zegt,«nou ja, we gaan kijken» ... Het moet toch juist gaan om wat lerarenvinden? Dat moet toch het allerbelangrijkste zijn in elk beleid dat ergemaakt wordt?Staatssecretaris Paul:Ik ben het daar helemaal mee eens. Het punt is ... Twee dingen: als je heterover hebt dat je de stem van de leraar volwaardig en structureel wiltmeenemen, dan is dat een belangrijk doel. Maar hoe je dat preciesvormgeeft, is een tweede. Dat wil ik op de beste en meest uitvoerbaremanier doen. Maar ik ben echt voortdurend in gesprek met de vertegen-woordigers van de leraren. Dat is niet eenmalig even een kopjetheedrinken en een gesprek voeren. Dat is structureel praten over alleswat er speelt in het onderwijs; volgens mij zitten we volgende weekalweer om tafel. Daarom wil ik onder andere in het kader van hetherstelplan maar ook heel veel andere thema’s komen tot goedeafspraken. Want we kunnen hier van alles verzinnen, ik en mijn ministeriekunnen van alles bedenken, maar als het niet gedragen wordt of nietuitvoerbaar wordt geacht door de mensen in de praktijk, de leraren, deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50935 schoolleiders, de bestuurders, dan ben ik nergens. Het is dus heelbelangrijk om voortdurend in gesprek te blijven. Hoe laten we die stemdoorklinken? Op de meest praktische en nuttige manier. Dat is onderwerpvan gesprek, ook met de vertegenwoordigers van de beroepsgroep.De voorzitter:Eerst mevrouw Van Zanten en daarna mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik begrijp dat het heel veel gesprekken betreft, en dat het een ongoingproces is en niet één keer een kopje koffie drinken. Maar waar mevrouwRooderkerk volgens mij om vraagt, en waar ik het zeer mee eens ben, isdat het in de wet verankerd zou moeten worden om leraren te latentoetsen bij elk beleid en elke wijziging, zodat je hen een doorslaggevendestem gaat geven.Staatssecretaris Paul:Dat is wat mij betreft een punt van nadere uitwerking. Ik onderschrijf hetdoel, maar ik zou willen vragen om die ruimte te krijgen, juist door degesprekken die ik met de leraren, de bonden en andere vertegenwoor-digers, de vakvertegenwoordigers van leraren, zelf voer, om uiteindelijk tekomen tot iets wat werkbaar is, wat voldoet aan het doel en waarmee wehet leven juist niet ingewikkelder maken.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Maar dat kost mij een interruptie.De voorzitter:Nee, dat kost u geen interruptie, maar ik wil wel graag verstaan wat uprecies zegt.Mevrouw Rooderkerk (D66):Nou, dan hoor ik hier een toezegging en vraag ik me af wanneer wij er alsKamer over geïnformeerd kunnen worden wat er uit die gesprekken isgekomen en op welke manier de Staatssecretaris invulling zou willengeven aan een lerarentoets.Staatssecretaris Paul:In het herstelplan gaan we ook in op de positionering van de leraren. Datis tweede kwartaal 2025.De voorzitter:Helder. Gaat u verder.Staatssecretaris Paul:Ik ga door met de vraag van mevrouw Pijpelink. O ja, het was dezelfdevraag. Dat ging over lerarenbetrokkenheid en inderdaad hoe de stem vande leraar meegenomen kan worden. Daar kom ik op terug via hetherstelplan in het tweede kwartaal 2025.Dan een vraag van de heer Stoffer over de splitsing van de pabo; kan eenexperiment meer zicht bieden op behoeften in de praktijk? De bevoegd-heden zijn geregeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs. Deexperimenteerbepaling uit de wet biedt geen ruimte om af te wijken vandit artikel. Wel is er tussen 2020 en 2022 een pilot uitgevoerd metleeftijdsprofilering. Hieruit is het landelijk specialisatiemodel voortge-komen. Maar dat heeft niet geleid tot de gewenste verhoging van deinstroom waardoor we denken dat dit wetsvoorstel nodig is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50936 Naar aanleiding van uw vraag maak ik maar van de gelegenheid gebruik,want ik las van alles over dit wetsvoorstel, namelijk dat alle pabo’s op deschop gingen enzovoort, enzovoort. Dit wetsvoorstel beoogt eenaanvullende mogelijkheid te creëren. Heel veel studenten zullen dus nogsteeds de volledige pabo volgen en een brede bevoegdheid halen, maarer zullen er ook zijn die kiezen voor specialisatie in het jongere of ouderekind. Vandaar dat we met dit wetsvoorstel aan de slag willen gaan.Dan de vraag van de heer Soepboer over overladenheid. Hoever staat hetmet het terugdringen van de overladenheid? Ik deel de wens om deoverladenheid tegen te gaan en te voorkomen. Daarom heb ik conformhet verzoek van de heer Soepboer SLO gevraagd om met een voorstel tekomen. In maart verwacht ik u de aangescherpte kerndoelen taal enrekenen te kunnen leveren. De andere leergebieden volgen later in 2025.Maar in ieder geval verwacht ik de basis, taal en rekenen, in maart.De heer Stoffer (SGP):Soms is het goed dat je een goede buur hebt in plaats van een verrevriend. De heer Uppelschoten gaf me naar aanleiding van het antwoordvan de Staatssecretaris op mijn vraag rond die pabo’s aan dat er eenspecialisatie komt. Is dat een aparte opleiding? Of is het inderdaad eenspecialisatie in de zin van dat je de pabo volgt en alle eisen hetzelfde zijn,maar je je specialiseert in het jongere kind? Of is het een opleiding waarbijje bijvoorbeeld de eisen laat vallen voor bepaalde toetsen, die doorsommigen niet te halen zijn terwijl ze heel goed zouden kunnen functio-neren in de groepen 1 en 2? Is het zo’n soort aparte opleiding? Of moet jeaan alle eisen voldoen maar specialiseer je je op het jonge kind?Staatssecretaris Paul:Het gaat om specifieke opleidingen, met bijbehorende eisen. Hoe het erprecies uit gaat zien is nog een punt van uitwerking. Op dit moment is eral een mogelijkheid om binnen de pabo’s te kiezen voor bepaaldespecialisaties. Ik wijs op de behoefte – overigens ook de Kamer heeft mijdaartoe opgeroepen – om te komen met een knip en een splitsing, zodatje je echt op het een of het ander kunt richten, en om daar volwaardigeopleidingen van te maken. Dat is precies wat ik ga doen en ik heb hetwetsvoorstel nodig om dat mogelijk te maken. Maar er moet nog heel veeluitgewerkt worden. Daar komen we over te spreken.Voorzitter. Dan ga ik door met de vraag van de heer Stoffer welke acties ikonderneem om uitvoering te geven aan zijn motie inzake ervaring metlesgeven bij leidinggevenden, opleiders en inspecteurs. De motie van deheer Stoffer is ingediend op 28 november. Het klinkt heel simpel, maar hetis best wel een omvangrijk voorstel. We moeten goed kijken naar deuitvoerbaarheid ervan. We werken daar dus aan achter de schermen,maar in de Lerarenbrief van juni ga ik de Kamer informeren over hoe wedat specifiek willen doen. Want het heeft gewoon wat meer voeten in deaarde.Dan de vraag van de heer Stoffer over het toegezegde dashboard. In hetvorige lerarendebat heb ik de heer Stoffer inderdaad toegezegd dat wijmet een dashboard gaan komen, zodat de ambities rondom de leraren-strategie goed navolgbaar zijn. Volgens mij was de verzuchting dat er heelveel gebeurt, maar dat niet altijd even inzichtelijk is hoe, wat, wanneer ennoem maar op. Die toezegging kom ik zeker na. Dat wil ik de heer Stoffernogmaals expliciet toezeggen. Daarbij betrek ik ook de ambities uit hetherstelplan, dat voor de zomer komt, om u zo een compleet dashboard tegeven dat hopelijk ook langere tijd meekan en waarbij u de inzichten krijgtdie u nodig hebt of wenselijk acht. Dat komt dus voor de zomer naar u toe.Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Pijpelink over het gemiddeldesalaris dat genoemd wordt in de campagne. Het doel van die campagne isom werken in het onderwijs in een realistisch en positief daglicht testellen. De gemiddelde beloning van € 6.100 in het p.o. is berekend opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50937 basis van de daadwerkelijke inschaling van alle leraren volgens de cijfersvan DUO. Het bedrag is het gemiddelde bruto-voltijdssalaris met alleserop en eraan. Ik werd hierover gisteren bevraagd, en dat heb ik overalook zo aangegeven. Het is dus inderdaad voltijds, met eindejaarsuitkering,vakantietoeslag en dat soort zaken. Het is gebruikelijk om naar meer danalleen het salaris te kijken als je wilt vergelijken met andere beroepen.Wat we vooral wilden doen, is het volgende. Wanneer ik op scholen komen bijvoorbeeld met middelbare scholieren spreek, merk ik dat heel veeljongelui daar een heel ander beeld bij hebben. Dus uiteindelijk weten weallemaal dat het salaris voor je beroepskeuze niet doorslaggevend gaatzijn. Er zijn heel veel andere elementen die doorslaggevend zijn en die temaken hebben met de inhoud en een ander soort voldoening. Maar hetsalaris is wel belangrijk. Ik vind het dan ook belangrijk dat we daarduidelijk over zijn. Overigens vind ik het ook belangrijk om daaraan toe tevoegen dat die campagne tot stand is gekomen met allerlei vertegenwoor-digers vanuit het onderwijs. Dit punt hebben we ook heel nadrukkelijk methen besproken. Sterker nog, ze hebben aangegeven: zet dat daar nougewoon in; benoem dat.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dank aan de Staatssecretaris voor het antwoord. In het persbericht dat ikgisteren heb ontvangen, stond nog niet dat die € 6.100 gebaseerd is opeen salaris inclusief eindejaarsuitkering en vakantiegeld. Er wordt me netop gewezen dat dat op de website wel staat. Terecht. En toch ... Ik ben heter op zich helemaal mee eens, want ik ken die verhalen ook. De rapporteurvan Nieuwspoort, die ons vorig jaar heeft gevolgd, had het er ook over. Hijhad aan een klas gevraagd: wat denken jullie nou dat ik verdien? Hetantwoord zat er echt zwaar onder. Alleen, nu leidt het tot wat discussie endat is jammer. OCW had er ook voor kunnen kiezen ... Ik vraag toch evenaan de Staatssecretaris of het nog het overwegen waard is om eenonderscheid te maken tussen p.o. en vo. Want ik heb het gevoel dat hethier nu allemaal op een berg is gegooid. We weten dat in het p.o.LD-functies nauwelijks voorkomen. Dus als je realistisch wil zijn, dan vindik dat je dat ook moet betrachten. Want nu wordt je toch een beetje eenworst voorgehouden. Misschien dat je dat haalt als je aan het eind van jeschaal LB zit, inclusief eindejaars- en vakantie-uitkering, maar het doetniet helemaal recht aan het functiehuis van zowel p.o. als vo. En dat vindik wel jammer, juist vanuit de goede intentie om realistisch te zijn, zo zegik erbij.Staatssecretaris Paul:Ik ga dit meenemen. Uiteindelijk wil je een bepaalde boodschap zo goedmogelijk overbrengen. Ik heb vaker de uitdrukking gebruikt: geen knollenvoor citroenen. Mocht dat aanleiding geven, dan gaan we kijken hoe wedat op een andere manier zouden kunnen doen. Ik weet dat er ook eenuiting is waarbij er een bepaalde bandbreedte wordt aangehouden. Daarzouden we dus ook naar kunnen kijken. Pieter Uittenbogaard, derapporteur en leraar van het jaar, heeft daar inderdaad ook wat dingenover gezegd. Tegelijkertijd valt mij het volgende op. Op het moment dat jezo’n campagne lanceert en een aantal zaken wil belichten, komen er ookweer heel veel andere en ook echt lelijke geluiden, in de trant van: datsalaris is zo goed en daarom gaan ze parttime werken. Dus je doet hetnooit goed, is mijn afdronk. Maar daar waar we dingen kunnen verbe-teren ... Die campagne gaat langer door lopen. De eerste fase is vooralgericht op het aantrekken van zijinstromers. Later in het jaar gaan we ookde boodschap richten op studiekiezers. We hebben dus de kans omdingen ook nog te tweaken.Dank. Dan ga ik het stokje doorgeven aan mijn collega.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50938 De voorzitter:Ik zie dat de heer Soepboer nog een vraag heeft.De heer Soepboer (NSC):Er is een aantal vragen die ik niet helemaal naar voldoening beantwoordvind, maar omwille van de tijd laat ik die even voor wat het is. Maar ik hebook nog twee vragen die helemaal niet beantwoord zijn en die volgens mijwel onder de Staatssecretaris vallen. Ik weet niet of u die nu wilt horen ofaan het einde?De voorzitter:Ik stel voor dat we dat nu doen, want ik wilde inderdaad even vragen of ernog vragen waren blijven liggen. Dus ik geef u nu de gelegenheid om diete stellen.De heer Soepboer (NSC):Dan herhaal ik even twee concrete vragen uit mijn eerste termijn. Eén.Hoe denkt de Staatssecretaris over landelijke afspraken over eenopslagfactor? Dat is een vrij concrete vraag. Twee. Welke concretestappen zijn er tot nu toe al gezet in het uitvoeren van de motie-Soepboer/Ceder over onderwijsregio’s terugdringen tot een structurele stimulerings-regeling? Die twee vragen zijn het, voorzitter.De voorzitter:Ik kijk even naar de Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Misschien is het toch goed om collega Bruins te laten beginnen. Dan ga ikheel even mijn paperassen erbij halen.De voorzitter:Daar kan ik mee leven.Mevrouw Van Zanten (BBB):Volgens mij heb ik ook nog twee onbeantwoorde vragen die bij deStaatssecretaris horen.De voorzitter:Het lijkt me verstandig dat u die ook even noemt, want dan hebben weeen totaalbeeld.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik had gevraagd of er al meer duidelijk is over wanneer precies deresultaten van de rapporten van de Algemene Rekenkamer en hetministerie naar de Kamer komen, naar aanleiding van mijn aangenomenmotie van vorig jaar. Dat wordt Q2, hoor ik.De voorzitter:Het tweede kwartaal, zeg ik even voor de duidelijkheid.Mevrouw Van Zanten (BBB):Is het niet mogelijk om specifieker te zijn? Ik hoor hier: voor of na demeivakantie? Dat is een goede vraag.Staatssecretaris Paul:Het rapport van de Rekenkamer krijg ik in mei of juni.Mevrouw Van Zanten (BBB):En dan had ik nog een andere vraag die niet beantwoord is. Even kijken,hoor. Nee, ik denk dat die toch wel beantwoord is. Die ging over deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50939 administratieve lasten. Wat gaan de beide bewindspersonen doen om dienog verder naar beneden te brengen?Staatssecretaris Paul:Wat ik daarover gezegd heb, is dat er twee onderzoeken naar lopen en datwe ondertussen bij nieuwe wetgeving die we ontwikkelen heel kritischbekijken wat die betekent voor de administratieve druk. Maar daarnaastheb je het onderzoek van de Algemene Rekenkamer en een onderzoek datwe zelf doen gericht op het vo. Die beide onderzoeken komen naar deKamer in Q2.De voorzitter:Dan zie ik dat mevrouw Rooderkerk ook nog een vraag heeft.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik had nog een vraag over het voorstel van het RED-Team Onderwijs omte werken met verschillende bevoegdheden, zoals vakbekwaam, startbe-kwaam, vakexpert en vakdidacticus. Die is volgens mij ook nog niethelemaal beantwoord. Hoe denkt de Staatssecretaris daarover?Staatssecretaris Paul:Volgens mij heb ik daarover gezegd dat ik dat omarm, maar dat het verderuitgewerkt moet worden en dat collega Bruin daarop terugkomt. Dat isinderdaad de NAPL, het programma vanuit het Groeifonds.De voorzitter:Dat kan natuurlijk altijd gebeuren bij twee bewindspersonen. De afspraakis dat u straks nog even terugkomt op de opmerkingen van de heerSoepboer. Wilt u uw microfoon uitzetten? Dan ga ik het woord geven aande Minister.Minister Bruins:Dank u wel, voorzitter. Fijn dat ik de Staatssecretaris mag aanvullen op deonderwerpen lerarenopleidingen en de professionalisering van leraren.Op dat laatste punt heeft vooral mevrouw Rooderkerk vragen gesteld.Laat ik zeggen dat het lerarentekort een probleem is dat ons allen aan hethart gaat en dat het ook een probleem is dat de overheid niet in splendidisolation gaat oplossen. Daar staan we allemaal voor aan de lat en wemoeten met elkaar de schouders eronder blijven zetten. Het opleiden vantoekomstige leraren heeft in het bijzonder mijn aandacht, omdat een goedopgeleide leraar een bewezen cruciale factor is voor de kwaliteit van hetonderwijs. De opleiding speelt een cruciale rol en is het startpunt vangoede kwaliteit. Dat hebben we ook gehoord in het bevlogen pleidooi vande heer Uppelschoten. Dank u wel daarvoor.Om het lerarentekort tegen te gaan, is het belangrijk dat voldoendestudenten starten aan een lerarenopleiding. De instroom van de pabostijgt dit jaar waarschijnlijk met 3%. Bij de tweedegraadslerarenopleidingzien we de instroom stabiliseren na drie jaar van daling. Dat lijkt voor nudus goed nieuws. Er is al gesproken over de landelijke campagne diegisteren gestart is met als doelstelling om meer mensen enthousiast temaken om in het onderwijs te werken. De Staatssecretaris en ik hopen zoons steentje bij te dragen aan een stijgende instroom in de lerarenoplei-dingen. Daarbij helpt zijinstroom in het bijzonder. We zien die toenemen.Dat is ook goed nieuws, want met alleen maar instroom op het niveau vanstudiekiezers, dus jonge mensen, redden we het niet. We willen goedeleraren, ook vanuit de zijinstroom. Aan geen van de bekwaamheidseisenworden concessies gedaan. Hieraan moet de zijinstromer voldoen.Afgelopen jaar is aan 2.244 zijinstromende leraren subsidie toegekend.Dat is vergelijkbaar met het recordaantal in 2023. We blijven hierininvesteren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50940 Voorzitter. Het onderwijs heeft baat bij rust en continuïteit. De Staatssecre-taris zei het ook al. Maar de lerarenopleidingen zijn ook altijd in bewegingen werken aan continue kwaliteitsverbetering. Zo is er een samenwer-kingstraject curricula lerarenopleidingen in het primair onderwijs gestart.Daarin wordt onder andere gekeken welke ruimte er is om meer focus inhet curriculum van de lerarenopleidingen aan te brengen. Daarin wisselenlerarenopleidingen ook hun ervaringen met curriculumvernieuwing uit. Ikwil ze daarvoor ook vooral de ruimte blijven bieden. Ook is afgelopen jaarhet opleidingsberaad leraren gestart. Daarin werken we met lerarenorga-nisaties, werkgevers en opleiders aan meer eenduidigheid en scherpte inde landelijke eisen die we aan lerarenopleidingen stellen. Daar lag ookeen punt van zorg bij sommige van uw leden. De Onderwijsraad adviseertnog een stap verder te gaan. De heer Kisteman benoemde al het recenterapport van de Onderwijsraad. De komende maanden gaan we uitwerkenhoe we daarin stappen kunnen gaan zetten. We komen natuurlijk op nietal te lange termijn met een beleidsreactie op dat rapport van de Onder-wijsraad.Het opleiden van leraren stopt niet na de opleiding. Al enige malen werderop gewezen dat ik iets zal zeggen over de Nationale Aanpak Professio-nalisering Leraren, de NAPL, het Groeifondsprogramma. Daarmee gevenwe een serieuze impuls aan de verdere professionalisering van leraren totvakbekwame leerkrachten. We maken zichtbaar in welke onderdelen vanhet vak leraren zich kunnen specialiseren. Daar had ook mevrouwPijpelink het over. Binnen dat Groeifondsprogramma wordt gewerkt aanhet minder versnipperen van de ontwikkelmogelijkheden van leraren enaan het beter aansluiten bij wetenschappelijke inzichten. Zo wordenleraren geholpen in hun professionele ontwikkeling na hun startkwalifi-catie. Zoals we allen toch wel kunnen verwachten, zou dit moeten leidentot beter onderwijs en het aantrekkelijker maken van het beroep vanleraar. Ik zal uw Kamer voor het zomerreces nog informeren over devoortgang van dit programma NAPL, zodat u ook goed op de hoogte bentvan wat daar gebeurt met het budget van maximaal 160 miljoen euro.Over lerarenopleidingen en de professionalisering van leraren is aan mijeen aantal vragen gesteld die ik graag met u zal doornemen.Zo vroeg de heer Kisteman wat ik denk van een examensysteem zoals hetrijbewijs. Voor mij staat voorop dat de minimumkwaliteit van allestartende leraren gegarandeerd moet zijn, ongeacht de route die zevolgen. We hebben ook naar aanleiding van het rapport van de Onder-wijsraad gezien dat er vele routes zijn, maar er mag geen route zijnwaarbij de minimumkwaliteit niet gegarandeerd wordt. De meerwaardevan een andere manier van toetsen moet in verhouding staan tot deinspanning en de eventuele effecten op de aantrekkelijkheid van deopleiding en het beroep. Ik wil zorgvuldig kijken naar de effectiviteit en degevolgen van de invoering van centrale kennis- of praktijktoetsen. Daarneem ik de ideeën van de heer Kisteman graag in mee. Ik zal u in delerarenbrief van juni, die de Staatssecretaris en ik gaan versturen,berichten over mijn conclusies en vervolgstappen. Daarin zal de heerKisteman zijn woorden en onze inschatting van de kansrijkheid eneffectiviteit terugvinden. Ik kom in de deze context natuurlijk ook met eenreactie op het recente rapport van de Onderwijsraad over de manierwaarop wij bekwaamheidseisen willen toetsen.De voorzitter:De heer Kisteman vraagt of hij kan rekenen op een concrete toezegging.Minister Bruins:Ik kan niet voor de heer Kisteman uitmaken als hoe concreet hij dezetoezegging ervaart, maar voor mij voelt dit als een concrete toezegging,namelijk dat ik terugkom op dit onderwerp in de genoemde brief van juni.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50941 De voorzitter:Hij knikt bevestigend.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik had hier ook wat vragen over gesteld. Ik ben het er helemaal mee eensdat de bekwaamheidseisen en de toetsing daarvan beter moeten, maarwij zien als D66 niets in het idee van zo’n nieuwe toets, zo’n centraaleindexamen. De Minister geeft aan in juni met een brief te komen. Dat isbest ver weg. Ik ben toch benieuwd of hij een eerste reactie wil geven methoe hij daarnaar kijkt. Ik wil hem ook de rekentoets in herinneringbrengen. Dat was toch best een debacle. Die is ingevoerd en uiteindelijkook weer afgeschaft. Ik denk dat dat ons heeft geleerd dat alleen een toetsinvoeren niet per se helpt om het niveau te verbeteren. Daarvoor moet jedan ook echt de opleiding verbeteren. Graag een reactie daarop.Minister Bruins:Ik denk dat mevrouw Rooderkerk eigenlijk een hele goede samenvattinggeeft van de overwegingen die we zullen moeten gaan beschrijven in debrief van juni. Zomaar het plompverloren neerzetten van een toets lostniet iets op; je moet hier heel zorgvuldig over nadenken, je wil hierover ingesprek met het veld en je wil zeker weten dat je iets doet dat effectief isen er niet voor zorgt dat leraren of lerarenopleidingen nog verder belastworden. Hoewel we soms een beetje knorrig zijn over het grote aantalroutes via welke je leraar kunt worden, willen we daarbij geen routesafsluiten. Zeker als het gaat over zijinstroom, maar ook wat betreft deverschillende niveaus, wil je namelijk flexibiliteit kunnen behouden enmaatwerk kunnen leveren aan mensen die professioneel het onderwijs inwillen. Die grote hoeveelheid aan routes die je kunt kiezen, aan manierenwaarop je leraar kunt worden, zijn er ook omdat we in het onderwijs echtiedereen nodig hebben die we maar kunnen krijgen. Je wilt niet datiemand niet het onderwijs ingaat, omdat een bepaalde route niet bestaat.Maatwerk en uniformiteit zijn dus twee grootheden die soms met elkaarbotsen. We willen ervoor zorgen dat we het zo inrichten dat we zo veelmogelijk mensen naar het onderwijs trekken. Al die overwegingen moetenwe bundelen in de brief van juni.Mevrouw Van Zanten (BBB):Kan ik daaruit opmaken dat de Minister kwantiteit belangrijker vindt dankwaliteit?Minister Bruins:Nee, zo mag mevrouw Van Zanten dat niet zien. Ik heb gezegd dat deinstroom in het onderwijs via iedere route moet leiden tot de juistebekwaamheid. We gaan de lat dus niet lager leggen. Voor alle routes moetde lat hoog liggen. We hebben goede leraren nodig en we gaan kwantiteitniet boven kwaliteit zetten.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dus de Minister is het met BBB eens dat er wel scherpe kaders moetenkomen voor al deze opleidingen, zodat ze in ieder geval aan dezelfdekwaliteitseisen voldoen?Minister Bruins:Dat raakt natuurlijk aan de beleidsreactie die de Staatssecretaris en ikgaan geven op het recente rapport van de Onderwijsraad. Hoe toetsen wenou of de leraren via al die routes voldoende bekwaam zijn? Dat minimummoet er namelijk wel in zitten. We gaan goed kijken naar het hele wijzeadvies van de Onderwijsraad. Daar zitten wijze mensen, dus die nemenwe ook buitengewoon serieus. We komen ook met een buitengewoonserieuze reactie daarop.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50942 De voorzitter:Gaat u verder.Minister Bruins:De heer Kisteman sprak ook over het onderwerp hoogbegaafdheid. Ik wileigenlijk de VVD een compliment maken. Toen ik in 2015 in de Kamerkwam, sprak de VVD al over hoogbegaafdheid. Dit is een zeer consistentonderwerp van de VVD. Het is belangrijk dat we dit ook blijven benoemen,want als het gaat over passend onderwijs, vergeten we het weleens. Maardat is niet het geval bij het ministerie. Daar vinden wij hoogbegaafdheidaltijd een onderwerp dat moet worden meegenomen als het gaat overaandacht voor passend onderwijs. Het is belangrijk dat daar binnen hetkader van passend onderwijs op de pabo aandacht voor is en dat ergekeken wordt hoe hiermee om moet worden gegaan in de lessen. Datgeldt voor alle groepen leerlingen die iets bijzonders meenemen, dus ookvoor hoogbegaafdheid.Er is een onderzoek uitgevoerd naar behoeften bij leraren en docentenaan ondersteuning en professionalisering bij passend en meer inclusiefonderwijs. Dat is de titel van het onderzoek; het is een hele lange titel. Ditonderzoek zullen we gebruiken om het onderwijs op de pabo verder teverbeteren op dit punt. In mijn beleidsreactie zal ik hier verder op ingaan.Die beleidsreactie staat gepland voor komend voorjaar. Hoogbegaafdheidzal daar dus ook onderdeel van uitmaken.Ook in de NAPL, de Nationale Aanpak Professionalisering van Leraren,worden ontwikkelpaden uitgewerkt, zodat de professionalisering vanleraren daarop kan aansluiten. Die worden komend jaar stap voor stapdoor een werkgroep van mensen uit het werkveld ontwikkeld, in nauwesamenwerking met het werkveld. Hoewel ik als Minister niet ga over dekeuze van specialismen, zou hoogbegaafdheid wel zo’n loopbaanpad, zo’nontwikkelpad, kunnen zijn. Ik wil dat ook zeker aanmoedigen, al ga ik erniet over. Ik ben het namelijk met de heer Kisteman eens dat hetbelangrijk is dat kinderen die meer aankunnen ook het passend onderwijsdat ze nodig hebben, kunnen ontvangen.Voorzitter. Mevrouw Van Zanten vroeg of we de aantrekkelijkheid vanlerarenopleidingen kunnen vergroten. Ik denk dat dat begint bij hetcurriculum. De focus moet terug op de basis komen te liggen. Daar hoor ikmevrouw Van Zanten ook vaker over in onderwijsdebatten. Ik denk dat wedaarbij aan dezelfde kant van het touw trekken. Met het opleidingsberaadleraren en het curriculumtraject met de pabo’s zet ik in op het terugkerennaar de focus op de basis. Daarnaast vragen de verschillendedoelgroepen een andere aanpak, zeker niet door meer routes, maar welmet maatwerk en flexibilisering. Ik had net al een uitgebreid antwoordgegeven over hoe dat soms met elkaar kan botsen. Flexibilisering binnenbestaande routes kan bijvoorbeeld door het Bestuursakkoord Flexibili-sering en door goede begeleiding voor zijinstromers. Dan gaat het metname over een vraaggerichte aanpak, ook voor hybride docenten. Die zijnook heel belangrijk om het aantal docenten op peil te kunnen houden.Tot slot zorgt de pabo voor het jonge en oudere kind, waar de Staatssecre-taris al over sprak, ervoor dat de opleiding wellicht aantrekkelijker kanworden voor een bredere groep. We gaan de komende tijd aan de slag omook daarvoor extra mogelijkheden te bieden.De voorzitter:Ik zie dat mevrouw Van Zanten de hand bij de knop heeft. Ik merk daarbijop dat u door uw interrupties heen bent. Ik stel u de gelegenheid om eenhele korte vraag zonder inleiding te stellen.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank u, voorzitter. Ik hoor de Minister niets zeggen over de explicietedirecte instructie. Ik zou graag nog willen horen wat hij daarvan vindt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50943 De voorzitter:Dank u wel. De Minister.Minister Bruins:Dank u wel. Ik begin met de disclaimer dat ik als overheidsdienaar niet gaover de inrichting van het onderwijs, conform het gestelde in artikel 23.Maar directe instructie is een bewezen effectieve didactiek. Daarin volg ikmevrouw Van Zanten. Leerlingen een beetje zonder begeleiding latenaanrommelen is geen bewezen didactiek, maar we moeten beeldvormingen retoriek hier een beetje ontwarren. De cruciale factor voor goedonderwijs is een leraar die de touwtjes in handen heeft in de klas,inhoudelijk boven de stof staat en kan inspelen op de verschillen tussenleerlingen.Ja, er zijn ook didactieken, onderwijsontwikkelingen die wat meerbenadrukken dat leerlingen zelf hun kennis opbouwen. Voor sommigeleerlingen, bijvoorbeeld voor hoogbegaafde leerlingen, kan dat somswerken, maar daar moeten we geen karikatuur van maken. We moetenleerlingen niet laten aanrommelen. Je hebt directe instructie en indirecteinstructie en je kan wat meer begeleiden, maar een goede leraar kaninspelen op wat het kind nodig heeft. Dat is wat uiteindelijk zorgt voorkwaliteit van onderwijs. Directe instructie is daarbij een bewezeneffectieve wijze, die onderdeel is van de lessen.Het is misschien goed om te melden dat ik van plan ben om het NationaalRegieorgaan Onderwijsonderzoek om te vormen tot een kennisinstituutdat heel expliciet bezig gaat met het evidencebased maken van onderwijs-didactieken. Dat hebben we ontzettend nodig en dat past ook bij hetregeerakkoord van dit kabinet. We willen dat didactieken bewezen effectiefzijn. We gaan er dus echt op inzetten dat leraren worden ondersteund endat ze weten wat wel en niet werkt in welke situaties. Dit staat bij ons dusop het netvlies. Deze cry for help van mevrouw Van Zanten neem ik dusgraag mee.Mevrouw Van Zanten had nog een vraag. O, die ging over de didactiek.Die heb ik nu helemaal geïmproviseerd beantwoord, dus dat is goed. Heelmooi. Die heb ik dus gehad.Mevrouw Rooderkerk sprak over het aantal academische leraren. Zevroeg: heeft het kabinet zicht op hoeveel leraren academisch geschooldzijn en hoeveel dit er zijn per school? Ja, daar hebben wij zicht op. Dieinformatie is openbaar en ook beschikbaar voor uw Kamer op de websitedatabase.functiemix.nl. Op die website is informatie te vinden over deinschaling en het aandeel leraren met een bachelor- of masterdiploma inhet hbo of wo. Deze informatie is per sector beschikbaar, op landelijkniveau, per stad, per regio en op schoolniveau. Is dat niet prachtig?Mevrouw Rooderkerk (D66):Moet ik dat dan nu zelf gaan googelen of gaat u ons nu vertellen wat hetpercentage academisch opgeleide docenten is? Mijn vraag daarbij wasnamelijk ook of het voor de Minister mogelijk is om dat meer te stimu-leren. We kunnen bijvoorbeeld kijken of we dat qua inschaling zoudenkunnen verbeteren. De ambitie van de universiteiten is om 50% meeracademische leraren op te leiden in 2028. Mijn vraag was ook of die groeiwordt gehaald.De voorzitter:Ik geef de Minister eerst even de gelegenheid om hierop te reageren.Daarna geef ik de heer Uppelschoten het woord voor een interruptie.Minister Bruins:Ja, ik ga het zeggen. Het aantal leraren in het basisonderwijs met eenwo-master is 53.000. Nou weet ik niet wat het percentage is, maar dat ishet absolute aantal. De ambitie van de universiteiten is om 50% meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50944 academische leraren op te leiden in 2028. Dat is dus het ijkjaar. Ikbenadruk dat dat de ambitie van de universiteiten zelf is. Ik kan u zeggendat het een ambitieuze ambitie is, maar daar zijn ambities ook voor:ambitieus zijn.Ik benadruk richting mevrouw Rooderkerk dat academisch geschooldeleraren van toegevoegde waarde zijn in het onderwijs. Juist ook in tijdenvan tekorten is het nodig dat we iedereen weten te enthousiasmeren, duswe zetten volop in op het enthousiasmeren van academici voor hetlerarenberoep. Ik zie dat universiteiten zich hard inzetten om die ambitie tehalen met de verschillende routes binnen de academische lerarenoplei-dingen voor primair en voortgezet onderwijs, maar ze hebben voorzichzelf wel een heel forse ambitie vastgesteld. Maar het is expliciet hunambitie en niet iets wat het Ministerie van OCW hun heeft opgelegd. Alsmevrouw Rooderkerk ook wil weten welk percentage er hangt aan hetabsolute aantal van 53.000, moet ik daar in tweede termijn opterugkomen.De voorzitter:Of toch even naar de website gaan. Mevrouw Rooderkerk, ik had eigenlijktoegezegd dat de heer Uppelschoten nu een vraag kon stellen. Of is heteen hele korte vraag? Want u zit inmiddels ook aan uw aantal toegestaneinterrupties.Mevrouw Rooderkerk (D66):Inmiddels heb ik gegoogeld en heb ik gezien dat in het primair onderwijs5% van de leraren academisch geschoold is. Mijn vraag aan de Minister is:wil hij stimuleren dat dat meer gebeurt, dus dat meer leraren beter zijnopgeleid? Hij noemt een ambitie van universiteiten, maar zou hij daar eeneigen ambitie aan willen hangen? Wil hij ook nadenken over inschaling,bijvoorbeeld zodat academisch geschoolde docenten in de LD-schaalkomen? Wil hij het op die manier stimuleren, zodat we daarmee ookzorgen voor het verbeteren van de onderwijskwaliteit?Minister Bruins:Ik help graag mee om dat te stimuleren. Dat doen we op allerlei manieren,via alle routes die daarvoor openstaan. Ook de landelijke campagne diewe net zijn gestart, kan daarbij helpen. Maar ik ga mijzelf daar geenambitie voor opleggen. Ik durf geen realistisch groeipercentage neer teleggen en ik kan ook niet bedenken wat we nog meer zouden kunnendoen om de ambitie nog groter te maken dan die al is.Als het gaat om inschaling wil ik er toch voor oppassen dat we niet gaanuitstralen dat je de universiteit moet hebben gedaan om in de hoogsteschaal te komen. Dat is een samenleving waar ik zelf wat huiverig voorben. We willen kijken naar de kwaliteit die de leraar meebrengt en diekwaliteit hoort passend te zijn bij de inpassing, bij de manier waarop deleraar functioneert. Uiteindelijk ligt dat bij de werkgever, in de functione-ringsgesprekken, en bij de cao-partners. Zomaar zeggen dat iemand dievan de universiteit komt een betere leraar is en dus in schaal LD moetkomen, zou ik een ongezonde manier van inschaling vinden. Dat zou ikniet tot een automatisme willen maken.De heer Uppelschoten (PVV):Ik kom even terug op het vorige onderwerp, want tussen neus en lippendoor zei u dat u een bepaald instituut ging veranderen en dat dat eenandere functie zou krijgen. Welk instituut is dat? Want meestal is hetveranderen van de functie van een instituut een nogal ingewikkelde klus.Minister Bruins:Ik heb het over het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek. Dat is eenonderdeel van de Nederlandse Organisatie voor WetenschappelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50945 Onderzoek. Dat heeft nu ook een Kennisrotonde en een kenniscentrumvoor onderwijsbeleid. Daar kun je ook echt naar bellen en vragen: werktdit of werkt dat? Die manier van werken, dus dat we het onderwijsveldecht inzicht gaan bieden in wat in welke situaties wel en niet werkt,evidencebased, evidence-informed, willen we breder gaan aanbieden enverder gaan ontwikkelen, maar dat is een doorontwikkeling van hethuidige NRO.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Even iets over die 5% die academisch geschoold is. Dat maakte toch welwat los bij mij, want ik gokte hier net dat het 20% is, maar het is dus nogminder. Ik herinner mij een gesprek dat ik onlangs voerde met debelangenvereniging van de academisch opgeleide pabostudenten. Deuitval is daar enorm en dat baart me zorgen. Ik vroeg mij af of de Ministerervan op de hoogte is dat de uitval onder de academische pabostudentengroot is. Ik hoef geen antwoord over hoe dat komt, maar ik zou dit heelgraag onder de aandacht willen brengen bij OCW en bij de bewindsper-sonen daar. Ik denk namelijk dat het echt belangrijk is – er gaat ook veelgeld naartoe – dat we weten hoe dat komt, want dit zijn nou juist demensen die een stukje kwaliteitsverbetering op de scholen zouden kunnenbrengen.Minister Bruins:Mooi dat ik dankzij mevrouw Pijpelink de kans krijg om nog wat aan tevullen. Ik zei net tegen mevrouw Rooderkerk: iemand die van de univer-siteit komt, willen we niet zomaar ergens inschalen. Maar inderdaad, jekunt wel kijken of je het vak voor een academisch geschoolde leraarinteressant kunt maken en houden. Daarover zijn we in gesprek metwerkgevers: hoe kun je een boeiend takenpakket bieden en hoe kun jemeer differentiatie in het vak krijgen? Dan kom je bij mogelijke specia-lismen – de Staatssecretaris sprak daar ook over – zodat je doorgroeit eneen expert wordt in bepaalde onderwerpen. Dat kan er wellicht toe leidendat je nadenkt over promotie en een bepaalde inschaling. Via die routekunnen mevrouw Pijpelink, mevrouw Rooderkerk en ik elkaar helemaalvinden. Dit kan ertoe leiden dat er minder uitval zou zijn onder acade-misch geschoolde leraren.De voorzitter:Dank u wel. Even een punt van orde omwille van de tijd, want ik wil echtook de tweede termijn afronden vanmiddag. Wij hebben geen ruimte omna 14.00 uur door te gaan. Dat betekent dat ik er nu heel strak op ga lettendat de vragen zonder inleiding zijn en dat de antwoorden compact zijn.Anders moeten we nog een deel van het debat schriftelijk doen en dat isvolgens mij niet nodig. Ik vraag de Minister om verder te gaan.Minister Bruins:Er werd nog gepleit voor een landelijke lerarenopleiding met mogelijkregionale afdelingen. In de verkenning die we hebben uitgevoerd,waarvan u de uitkomsten in december vorig jaar heeft ontvangen, hebbenwe ook uitgebreid gekeken naar de voor- en nadelen van een landelijkeopleiding en een landelijk curriculum. Dat zou de flexibiliteit voorstudenten en de kwaliteitscultuur en professionele autonomie vermin-deren. Bovendien kan dan ook de kwaliteit van de opleiding verminderenomdat de logische samenhang tussen opleidingsdoelen, curriculum,opleidingsaanbod en toetsing dan vermindert. Ons beeld is dat devoordelen niet opwegen tegen de nadelen. Bovendien zijn er anderemanieren voor het eventueel doorvoeren van inhoudelijke veranderingenin curricula en die andere wegen hebben onze voorkeur.Mij werd door de heer Kisteman gevraagd: wil de Minister landelijkspecifieker gaan vastleggen wat een afgestudeerde leerkracht moetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50946 kennen en kunnen? Ook hierin horen we natuurlijk de echo van hetrapport van de Onderwijsraad. Met werkgevers, opleiders en de beroeps-groep werk ik aan het aanbrengen van meer focus in de opleidingen enhet terugdringen van de overladenheid via meer richtinggevendebekwaamheidseisen, meer focus op de kennisbasis en de inrichting vanhet opleidingsberaad. Vervolgens passen universiteiten en hogescholenhun lerarenopleidingen hierop aan. Ik wil zorgvuldig kijken naar deeffectiviteit en de gevolgen van de invoering van centrale kennis- ofpraktijktoetsen. Zoals ik zei, neem ik de ideeën van de heer Kisteman inieder geval mee in de brief die ik hierover in juni zal sturen.De heer Kisteman (VVD):Op zich hartstikke fijn, deze beantwoording, en fijn dat de Minister er injuni op terugkomt, maar er is ook wel wat haast bij geboden. Hoe krijgenwe een beetje vaart in dit hele verhaal van het niveau omhoog krijgen, deuitrol en de toets? Ik snap dat er gedegen onderzoek naar gedaan moetworden en dat erover gesproken moet worden, maar straks blijkt in junimisschien dat de Minister besluit om de helft van de adviezen op tepakken en de andere helft niet. Hoe krijgen we een beetje tempo in dithele verhaal?Minister Bruins:Zoals ik aan het begin van mijn inleiding al zei: het onderwijs heeft welbehoefte aan rust en continuïteit, maar is ook voortdurend in beweging.Dit is wel onderdeel van de voortdurende beweging. Dat we hiermeebezig zijn komt voort uit een eerder debat. We zijn dit op dit moment aanhet uitwerken. Het is, denk ik, wel heel efficiënt als we daar ook debeleidsreactie op het Onderwijsraadrapport dat recent is uitgekomen, bijkunnen betrekken. Daarom heb ik wel tot juni nodig om dit goed neer tezetten, maar net als de heer Kisteman wil ik dingen niet verder vertragen.Ik wil hier graag de vaart in houden. Maar dit is wel de continue bewegingdie de ontwikkeling van het leraarsvak maakt.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Bruins:De heer Kisteman vroeg ook naar studenten die een twijfelgeval zijn, diehet eigenlijk niet hebben gehaald, maar die je het toch zo gunt. Nou, dat isniet mijn wereld. Voor mij staat voorop dat de minimumkwaliteit van allestartende leraren gegarandeerd moet zijn. Anders krijg ik mevrouw VanZanten tegen me. De opleidingen borgen de kwaliteit van hun onderwijsen de examinering van studenten. De examencommissies vervullendaarin een belangrijke rol. Ik wil dit dus niet op deze manier doen, maarook hierover kan de heer Kisteman meer vinden, denk ik, in de brief die ikin juni zal sturen. Voorop blijft staan dat we geen concessies aan deminimumkwaliteit doen.De heer Kisteman had nog een laatste vraag, over een onderlinge poolopzetten waarin leerkrachten elkaar kunnen versterken en waardoorleerkrachten onderling uitgeruild kunnen worden. Voor mij staat vooropdat de minimumkwaliteit van alle startende leraren gegarandeerd moetzijn. Vanuit de begeleidingssystematiek van Samen Opleiden, werken veelscholen en lerarenopleidingen al samen door het examineren vanstudenten van de lerarenopleiding binnen opleidingsscholen. Datonderlinge contact is er dus. Schoolopleiders en instituutsopleidershebben nauw contact over het beoordelen van het praktijkleren. Debeoordelingswijze is vastgelegd. De professionalisering van schoolop-leiders is onder andere gericht op de beoordelingswijze van studentenvan de lerarenopleiding. Het idee van examinering door een pool vanleerkrachten is zo in de praktijk eigenlijk wel aanwezig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50947 Dat raakt overigens ook aan de vragen ...De voorzitter:De heer Kisteman heeft nog een vraag aan u.De heer Kisteman (VVD):Met het oog op die brief in juni, waar ik natuurlijk met enorm veelbelangstelling naar uitkijk, is mijn vraag of we naar een examinerings-systeem toe kunnen zoals bij het rijbewijs. Daaronder komen die anderevragen, zoals over de pool et cetera. Maar kunt u dat op die maniercombineren? Kunnen we dus naar zo’n examineringsysteem toe? Dit zoudaar een voorstel bij kunnen zijn. Zou de Minister dat zo in zijn beant-woording willen meenemen?Minister Bruins:Ik zal dit specifieke idee van de heer Kisteman ook benoemen in de briefvan juni en daar ook een oordeel over geven, zodat hij weet hoe wijdaartegen aankijken.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Bruins:Dan had mevrouw Rooderkerk nog een paar vragen over de professionali-sering van leraren. Specifiek was haar voorstel om de begeleiding enintervisie te verkennen. Zij kreeg toen een niet heel uitgebreid antwoord,namelijk: dat is juridisch ingewikkeld. Ik ben het met mevrouw Rooderkerkeens dat een goede start essentieel is voor leraren. Dit vraagt om eengoede samenwerking tussen de lerarenopleidingen, de werkgevers en destartende docenten. De motie vroeg ons om te verkennen of debegeleiding van onderwijsinstellingen bij startende leraren wettelijkgeborgd zou kunnen worden. We hebben dat verkend en het antwoord is:dat is juridisch heel ingewikkeld.Waarom is dat nou juridisch heel ingewikkeld? Omdat startende lerarenwerknemers zijn. De werkgever is dus verantwoordelijk voor de ontwik-keling van de startende leraar. Maar mevrouw Rooderkerk en ik trekkennatuurlijk wel aan dezelfde kant van het touw. Als lerarenopleidingenbijvoorbeeld terugkomdagen willen organiseren, zeg ik: laat ze dat vooraldoen. Het is ontzettend leuk om je klas weer tegen te komen. Maarwettelijk vastleggen dat de onderwijsinstellingen een wettelijke verant-woordelijkheid zouden hebben voor de ontwikkeling van werknemers bijeen andere werkgever, zou buitengewoon ingewikkeld zijn. Dat zou ik danook sterk afraden. In de cao’s van de werkgevers zijn er afspraken geweestover de ontwikkeling van startende leraren. Als onderwijsinstellingen daareen rol in willen of kunnen spelen, kan dat natuurlijk, maar dan moet datonderling en volgens de nette wettelijke afspraken vastgelegd en metelkaar afgesproken worden.Mevrouw Rooderkerk sprak ook nog over het onderscheid tussenstartbekwaam en vakbekwaam en zei: het systeem heeft nauwelijksmogelijkheden om door te leren na de opleiding, waardoor er uitval is. Wemaken in de loopbaanontwikkeling onderscheid tussen startbe-kwaamheid, vakbekwaamheid en specialisaties. Ik denk dat we hetvoltallig eens kunnen zijn over die driedeling. Dat zal ook zichtbaarworden in het advies voor de herijking van de bekwaamheidseisen,waaraan lerarenorganisaties op dit moment werken. Ook in het Groei-fondsprogramma NAPL, waar ik eerder over sprak, worden de bijbeho-rende ontwikkelpaden uitgewerkt, zodat de professionalisering vanleraren op deze loopbaanpaden kan aansluiten.De begeleiding van starters is een van de thema’s waaraan binnen desector wordt gewerkt. Ik zie ook mogelijkheden om de begeleiding vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50948 starters via de onderwijsregio’s te stimuleren, breder aan te pakken endoor te ontwikkelen. Dat sluit aan op de carrièrepaden en de NAPL, waarmevrouw Rooderkerk mij naar vroeg. Ze vroeg ook wanneer we dankomen met die carrièrepaden die binnen dat NAPL-programmaontwikkeld worden. Ik verwacht dat uiterlijk in de tweede helft van 2025duidelijk is welke specialismen per sector zijn uitgewerkt en dat uiterlijk inde tweede helft van 2026 de bijbehorende ontwikkelpaden per sector zijnopgeleverd, inclusief een raamwerk en eindtermen.Voorzitter, dat waren mijn antwoorden.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk even naar de Staatssecretaris om te zien of zij nu nogeen aanvulling heeft en terug wil komen op de vragen van de heerSoepboer. Dan geef ik u daar nu de gelegenheid voor.Staatssecretaris Paul:Dank, voorzitter. Ik begin met de vraag die de heer Soepboer had over zijnmotie over de onderwijsregio’s. De onderwijsregio’s zijn een vereenvou-diging van de situatie van hiervoor. De aparte regelingen die we haddenvoor de regionale aanpak van tekorten en samen opleiden en professiona-liseren zijn samengevoegd en in een helder ondersteunings- en financie-ringsmodel verder gebracht. Hiermee zijn we teruggegaan van meer dan200 samenwerkingsverbanden naar een landelijk dekkend netwerk van 50onderwijsregio’s. Ik schets het maar wat uitgebreider, want ik merk dat ervaak wat verschillende beelden leven rond de onderwijsregio’s. Hiermeehebben we tegelijkertijd een efficiënte samenwerking op regionaal gebied,want ook de arbeidsmarktvragen zijn regionaal. Alle voorbeelden ensuggesties die uw Kamer ook in dit debat aandraagt, of het nou gaat ominvalpools, meer meesters voor de klas of betere begeleiding van starters,krijgen een plek in die onderwijsregio’s. Veel van die ideeën krijgen dat nual. Andere ideeën die in de toekomst nog komen, nemen we ook mee.Daarnaast voegen we verschillende regelingen samen om tot een meerconsistente financiering te komen om zijinstroom, begeleiding vanstartende leraren et cetera te realiseren. Dit is, zeg ik ook maar, een van dewensen uit het hoofdlijnenakkoord: een meer consistente financiering enverschillende regelingen samenvoegen. Dat is dus de manier waarop wehiermee verdergaan, vooral ook omdat de aanpak van het lerarentekortblijft, complex is en ieders individuele belang overstijgt. Ik heb het vakergezegd: solidariteit en samenwerking zijn nodig in plaats van concur-rentie. Goede ideeën die op bepaalde plekken worden ontwikkeld,proberen we op te schalen en ook op andere plekken te laten landen.De heer Soepboer (NSC):Ik denk echt dat hier sprake is van een misverstand, want mijn vraag wasniet of de Staatssecretaris nog een keer wil uitleggen hoe zij de onderwijs-regio’s voor zich ziet en waarom ze die zo belangrijk vindt en ermeedoorgaat. Mijn vraag was: welke concrete stappen zijn er gezet om demotie-Soepboer/Ceder uit te voeren? Dat was de vraag. Ik zou graagwillen dat de Staatssecretaris daarop ingaat. En de onderwijsregio’s staanniet in het hoofdlijnenakkoord. Ik zou de Staatssecretaris dus graagnogmaals willen vragen om uit te leggen welke concrete stappen er al zijngezet om de motie-Soepboer/Ceder uit te voeren.Staatssecretaris Paul:Dat zit ’m uiteindelijk in het samenvoegen van oude regelingen tot eenmeer efficiënte samenwerkingsvorm. Dat heb ik net ook uitgelegd. Desamenwerkingsverbanden die we hiervoor hadden en de verschillendefinanciële regelingen en stromen die we hadden, worden juist gebundelden krijgen een efficiënte plek dankzij die regio’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50949 De heer Soepboer (NSC):Waar we het over eens zijn, is dat er door een gebrek aan sturing eenjanboel is gecreëerd; dat is dan even het woord dat mij te binnen schiet.Het gaat over samenwerkingsverbanden. Daar heb ik overigens ook eenmotie over ingediend, dus ik ben ook benieuwd naar de uitwerkingdaarvan, maar dat komt in een ander debat. Er zijn miljarden niet bij dedocenten terechtgekomen. Nu wordt er dus in de vorm van die regio’s eensoort nieuw vergadercircus opgetuigd. Het gaat om een doorgeslagenschaalvergroting; daar verwees ik al naar. Er worden nieuwe gover-nancestructuren opgetuigd. Daarover heeft de Kamer gezegd: we willendat u dat anders gaat inrichten; we willen dat u wat er nu aan de gang ismet die onderwijsregio’s terugbrengt naar een stimuleringsregeling. Datis dus iets anders dan wat u nu zegt. U bent aan het uitleggen waarom uvooral door moet gaan. De motie roept u op om dat niet te doen en hetterug te brengen. Mijn vraag is: welke concrete stappen heeft u gezet omdat te doen?Staatssecretaris Paul:Dan verwijs ik naar het antwoord dat ik ook heb gegeven bij de indieningvan deze motie. Die heb ik met reden ontraden, omdat we die onderwijs-regio’s nodig hebben om het arbeidsmarkttekort aan te pakken. Ik hebtoen ook uitgelegd dat in het licht van de tekorten die er nu zijn, deonderwijsregio’s zoals ze nu georganiseerd zijn zeer zeker niet deoverhead creëren die in de overwegingen van de heer Soepboers motiewordt geschetst. We zien daarnaast dat op heel veel plekken in heel veelregio’s de solidariteit en de samenwerking en het omarmen van bestpractices juist zorgen voor de aanpak van de tekorten die op heel veelplekken hardnekkig zijn. Ik zou daaraan ook willen toevoegen – dat heb ikindertijd ook gezegd – dat we dit nu anderhalf jaar doen en dat ik dit eenserieuze kans wil geven, omdat het een essentieel instrument is om diearbeidsmarkttekorten aan te pakken. Daarbij houden we uiteraard devinger aan de pols, want ik snap de zorgen best, om te kijken wat eranders kan, wat er precies gebeurt en hoe we ervoor kunnen zorgen datwat we nu hebben ingericht ook zijn doel dient om de arbeidsmarktte-korten gezamenlijk aan te pakken.De voorzitter:Afrondend, meneer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Mijn zesde en laatste interruptie dan maar.De voorzitter:Uw zevende, inmiddels.De heer Soepboer (NSC):Ik heb in ieder geval nog geen antwoord. Het kan zijn dat wij een verschilvan inzicht hebben. Dat kan. Het kan ook zijn dat u haar ontraden heeft.Dat kan ook. De Kamer heeft haar echter aangenomen met een ruimemeerderheid. Ook drie van de coalitiepartijen stonden erachter. Danverwacht ik gewoon dat die motie wordt uitgevoerd. En het is niet eens deeerste die niet wordt uitgevoerd. Ik heb ook in eerste termijn gewezen opeen andere motie die niet is uitgevoerd, namelijk de motie over maximaleinspanning om een maximumlesurennorm te krijgen. Die heeft u ook nietnaar behoren uitgevoerd, vind ik. Dat is ook hier weer het geval. Dus ikvraag me gewoon af: wat ben ik hier in godsnaam aan het doen? Waaromzit ik hier? Waarom voeren we deze debatten? U zegt dat dit het belang-rijkste debat van het jaar is, maar u weigert gewoon een motie uit tevoeren. Klopt dat, ja of nee?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50950 Staatssecretaris Paul:Ik zou het even in context willen plaatsen. Er zijn een heleboel moties diewarm omarmd worden en die uitgevoerd worden. Daar rapporteren weook periodiek over. Er zijn ook moties waarbij ik in ieder geval heeluitgebreid heb uitgelegd waarom het geen goed idee is om hier zo snel almee te stoppen. Dat deed ik in dit geval bij de begrotingsbehandeling.Dus het is een oproep van de Kamer, maar uiteindelijk bestuurt hetkabinet.De voorzitter:Ik constateer dat hier geen overeenstemming over is.Staatssecretaris Paul:Nee. Maar dan ga ik door op de andere vraag.De voorzitter:Ik wijs de heer Soepboer erop dat hij natuurlijk altijd om een brief van deMinister kan vragen.De heer Soepboer (NSC):Ik heb brieven zat gehad, voorzitter.De voorzitter:Prima, dan is dat wat dat betreft afgerond. Dan geef ik u de gelegenheidom nog een of twee punten toe te lichten.Staatssecretaris Paul:Nog één punt, voorzitter, en dat had ik al beantwoord.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik wil toch even een punt van orde maken, sorry. Ik constateer datmeerdere moties die zijn ingediend, door de bewindspersoon naast zichneer zijn gelegd, een aantal van mijn hand en een aantal van de heerSoepboer, maar ook van anderen. We hebben nu één keer dit debat overleraren. Er speelt ontzettend veel ten aanzien van de onderwijskwaliteit. Ikzie nu ook even niet hoe we ervoor moeten zorgen dat de vragen die wijneerleggen, die geen vraag zijn, maar feitelijk een opdracht vanuit degekozen volksvertegenwoordiging, ook gewoon worden uitgevoerd.Ik maak gewoon echt bezwaar tegen de manier waarop dit nu gaat. Erworden ons namelijk alleen maar brieven beloofd, het hele debat al. Wekunnen nergens echt over wisselen, want dan wordt er verwezen naar eenproces en een brief. Wij vragen gewoon om actie. Als we dan een motieindienen die daarom verzoekt, legt de bewindspersoon die ook naast zichneer. Dit geldt bijvoorbeeld voor de motie van de heer Soepboer, maarook mijn motie over het nog drie jaar opleiden van startende leraren etcetera. Dus ik zoek nu even naar een oplossing. Ik kijk daarvoor ook evende bewindspersonen aan.De voorzitter:Ik wil daar wel even de gelegenheid voor geven, maar ik merk wel op dateen bewindspersoon een motie uiteindelijk naast zich neer kan leggen. Ophet moment dat hij die niet uitvoert, zal hij dat ook moeten melden aan deKamer. Ik kan als suggestie geven dat u vraagt om een stand-van-zakenbrief over de betreffende moties. Als u dat niet wil, moet u daar zelfeen andere vorm voor vinden. Ik kan nog even naar rechts kijken of er nogbehoefte is aan een aanvulling vanuit de bewindspersonen, maar ik zie dieniet direct komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50951 Staatssecretaris Paul:Ik wil ingaan op de laatste motie, van de heer Soepboer en de heer Ceder.De intentie van die motie onderschrijf ik volledig. Alleen, gezien deuitdagingen die we hebben op het gebied van de tekorten in het onderwijsvind ik dat we geen enkel instrument onbenut moeten laten. We proberenhiermee juist de samenwerking en de financieringsstromen, die hiervoorheel gefragmenteerd waren, te bundelen om te zorgen voor de impact diewe nodig hebben op dit vlak.De voorzitter:Ik ga deze discussie ... Meneer Soepboer, kort, alstublieft.De heer Soepboer (NSC):Nogmaals, dit is de lezing van de Staatssecretaris. Maar er wordt gewoongeld bij scholen weggehaald. Dat wordt naar de onderwijsregio’sgebracht, die het vervolgens weer teruggeven aan de scholen. Ik krijgdagelijks mails in mijn mailbox – ik kan ze u laten zien – waarin staat: watzijn we blij met deze motie; we willen dat die uitgevoerd wordt. Ik wil ookdat die uitgevoerd wordt. Dat is het probleem. Ik geef een bloemlezing:«we blijven in gesprek», «we overleggen met de sociale partners», «het iseen punt van nadere uitwerking» ...De voorzitter:Meneer Soepboer ...De heer Soepboer (NSC):... «ik ga in gesprek met de beroepsgroep» ...De voorzitter:Meneer Soepboer ...De heer Soepboer (NSC):Ik wil gewoon dat de motie wordt uitgevoerd.De voorzitter:Dat is inmiddels meer dan duidelijk geworden. Die boodschap is, denk ik,ook bij het kabinet aangekomen. Ik wil toe naar het laatste punt van deStaatssecretaris. Ik geef u zo meteen in de tweede termijn nog degelegenheid om nader te reageren. Uw standpunt is helder. Ik ga naar deStaatssecretaris voor het laatste punt.Staatssecretaris Paul:Dat betreft de vraag die te maken had met de landelijke opslagfactor. Deopslagfactor bepaalt hoeveel uren docenten krijgen voor taken die directgerelateerd zijn aan het lesgeven. Ik snap het pleidooi van de heerSoepboer om de werkdruk aan te pakken. In reactie op uw motie heb ikpersoonlijk en nadrukkelijk gevraagd aan de werkgevers en werknemersom dit in hun cao op te pakken. Zoals ik in de eerste termijn heb gemeld,hebben ze dat ook gedaan en wordt dat nader uitgewerkt. Ik heb daarvertrouwen in, maar ik zeg de heer Soepboer toe dat ik dit uiteraardnauwlettend zal volgen. Er is in ieder geval aangegeven dat de nadereuitwerking van dit punt tussen werkgevers en werknemers in juni verderzal zijn gebracht. Ik neem het dus mee in de voortgangsrapportage vanjuni.De voorzitter:Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste ... MevrouwVan Zanten nog.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50952 Mevrouw Van Zanten (BBB):Mag ik ook een punt van orde maken? Ik heb weer een aantal vragen nietbeantwoord gekregen. Mijn interrupties zijn op, dus nu moet ik mijntweede termijn gebruiken om antwoord te krijgen op vragen die ik in mijneerste termijn heb gesteld.De voorzitter:Mevrouw Van Zanten, kunt u aangeven welke vragen volgens u nogsteeds niet beantwoord zijn?Mevrouw Van Zanten (BBB):Het waren twee vragen aan de heer Bruins. De eerste ging over deadministratieve druk vanuit OCW zelf. Wat gaan ze daaraan doen? Detweede ging over het loskoppelen van de bekostiging tussen lerarenoplei-dingen en studentenaantallen.De voorzitter:Ik kijk even naar de Minister.Minister Bruins:De eerste vraag, over de administratieve druk, is beantwoord door deStaatssecretaris. Die ligt in ieder geval bij de Staatssecretaris; laat ik het zozeggen. Maar ik heb ook echt een antwoord gehoord.De voorzitter:Ik ga nu echt de orde bewaken. Als hier onduidelijkheid over is, dan stel ikvoor dat u daar in de tweede termijn nog even kort op reageert. Ik wil nuecht de eerste termijn ... Mevrouw Van Zanten.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ter verduidelijking: ik heb een vraag gesteld over de administratievelasten. Daar heeft de Staatssecretaris op geantwoord. Maar ik had ook eenvraag gesteld over de administratieve lasten die bij OCW vandaan komen.Onder andere het mbo-rapport wijst daarop. Dat antwoord moet volgensmij echt van Minister Bruins komen.De voorzitter:We gaan dat ...Minister Bruins:Voorzitter, mag ik daar iets over zeggen?De voorzitter:Kort, alstublieft.Minister Bruins:Overal waar ik administratieve lasten kan wegnemen die voortkomen uitde werkwijze van OCW, wil ik ze wegnemen, mede in het kader van detaakstelling voor het aantal ambtenaren op mijn ministerie. We kunnengeen overbodige administratie gebruiken. Daar willen we zowel hetonderwijs als het ambtenarenkorps niet mee belasten. Ik neem dat graagop me, ook in het kader van de taakstelling van 22%. Ik neem dat mee inhet hele proces waar we mee bezig zijn.De voorzitter:Dank u wel. Ik wil de collega’s nu toch echt vragen om binnen de orde teblijven. We gaan over naar de tweede termijn van de Kamer. U heeft1 minuut en 40 seconden spreektijd. Ik wil u vragen om zich daaraan tehouden. Het woord is aan mevrouw Rooderkerk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50953 Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Ten eerste wil ik graag een tweeminutendebataanvragen, gezien de gesprekken die we hebben gevoerd. Ik begrijp echtdat de bewindspersonen hun best doen om antwoord te geven op onzevragen. Ik denk alleen dat het een beetje opgebouwde frustratie is dat ersteeds brieven worden beloofd, maar dat ik toch echt te weinig actiebespeur en ook te weinig regie. Bij heel veel zaken waar wij vragen overstellen wordt dan verwezen naar een regio of een gesprek, maar wij willengewoon dat er daadwerkelijk zaken verbeteren zodat we ook die onder-wijskwaliteit aanpakken.Wij hebben bijvoorbeeld vorig jaar en het jaar daarvoor een aantal motiesingediend die nog steeds wachten op uitvoering, terwijl wij die echt graaguitgevoerd willen zien. Het ging net even over de motie over het drie jaarna afronding van de lerarenopleiding nog begeleiding doen voorstudenten. Dan wordt in een brief gezegd: ja, juridisch lastig. Maar ik hebniet gevraagd om dat per se wettelijk vast te leggen. Ik heb gevraagd: zorgnou dat er regie wordt gepakt vanuit dit ministerie op het opleiden enbegeleiden van startende docenten. Daar verwacht ik dan niet één alineaover dat het juridisch lastig is. Ik verwacht daar een brief over. Ik hoopeigenlijk dat de Minister daar gewoon nader op in wil gaan, begrijpendwat ik hiermee bedoel, waarbij hij verkent hoe we dit nou echt kunnendoen. En niet alles weer weg gaan organiseren richting de onderwijsre-gio’s, maar gewoon hoe we ervoor gaan zorgen dat elke startende leraarbeleid wordt als die voor de klas komt. Dat zijn we echt aan onze standverplicht.Het gaat ook over een motie van de heer Van Meenen van 2022 over deMinister onderdeel maken van de cao-onderhandelingen. Waar is deuitvoering daarvan?De voorzitter:Wilt u wel af gaan ronden?Mevrouw Rooderkerk (D66):Oké, ja. Het gaat over een motie van D66 over het reguleren van deonderwijsadviesmarkt en een motie over het reguleren van bewezeneffectieve lesmethoden. Waar is de uitvoering daarvan?Dan heb ik twee toezeggingen gehad. Een over een lerarentoets. Daarvanhoop ik echt dat die concreet wordt ingevuld en niet met een half verhaalover dat er wordt gesproken met leraren. Ik wil gewoon een toets waarbijik zie in elke brief over leraren ...De voorzitter:Ik wil u echt vragen om te gaan afronden.Mevrouw Rooderkerk (D66):... dat leraren daarover zijn geïnformeerd. Net als toezegging overstartbekwaam en vakbekwaam. Ik hoop echt op een concrete invullingdaarvan.De voorzitter:Meneer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Voorzitter, dank u wel. Ik zal het kort houden. Ik wil de Minister en deStaatssecretaris bedanken voor de beantwoording. Ik kijk uit naar deantwoorden op mijn vragen over de doorstroom van de havo naar depabo in de tweede termijn.Ik heb nog één vraag aan de Minister over zijn reactie over hoogbe-gaafdheid. De Minister geeft aan dat hij daar niet over gaat, maar stel nudat wij als politiek daar wel invloed op zouden willen hebben. Kan datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50954 überhaupt? Kan de Minister daar wat meer over zeggen? Eventueel magdat ook schriftelijk.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Pijpelink.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Ik begon er al mee. We hebben vier uur langgesproken over één beroepsgroep en niet de minste: leraren. De passiewaarmee dit debat door een aantal mensen is gevoerd, maakt welduidelijk hoe belangrijk we het vinden, maar ook hoe machteloos we onsvoelen – of je nu aan deze kant van de tafel zit of aan de andere kant, denkik – om zo veel mogelijk mensen te bewegen om in het onderwijs teblijven of naar het onderwijs te komen.Ik heb draagvlak gevoeld, zowel bij de bewindspersoon als bij collega’saan deze kant, om echt te kijken naar de boetes die detacheringsbureausopleggen aan scholen bij het in dienst nemen van personeel. Dat betekentdat meer docenten in dienst kunnen worden genomen zonder torenhogeboetes. Dat betekent dus meer belastinggeld naar primaire proces enminder werkdruk bij het zittende lerarenteam op school, dat dat verspreidwordt. Ik kom hier in het tweeminutendebat zeker op terug.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Van Zanten.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank u, voorzitter. Er moet me toch iets van het hart. Ik heb net weer tweevragen opnieuw gesteld en een daarvan is weer genegeerd. Ik zou heelgraag antwoord willen hebben op die vraag, die ik nu voor de derde keerga stellen. Wat vindt de Minister van het loskoppelen van de bekostigingvan lerarenopleidingen en studentenaantallen? Daar zou ik heel graagantwoord op willen hebben. Verder vind ik het wel behoorlijk vervelenddat wij hier als een stel kleuters worden behandeld en elke keer geenantwoord krijgen op onze vragen, dat moties niet worden uitgevoerd. Ikga me zo langzamerhand echt afvragen wat ik hier in godsnaam aan hetdoen ben.De voorzitter:Ik zou u willen vragen om in ieder geval enigszins op uw taalgebruik teletten. Ik heb kennisgenomen van uw standpunten. Het woord is aan deheer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Dank, voorzitter. Ik heb gisteren een lyceumklas beloofd dat we nietzouden debatteren als een kleuterklas, dus dat moeten we dan ook maarniet doen. Ik ga het dan ook maar netjes houden. Ik dank u voor debeantwoording.Ik vind het fijn dat de Staatssecretaris zegt: ik ben in gesprek met het velden ben bij De Sinnewizer in Wijnjewoude geweest. Ik vind het allemaalmooi, blijf dat ook vooral doen, maar ik verwacht echt meer dan ingesprek zijn en het sturen van brieven naar de Kamer. Ik wil echt actie enwil de moties gewoon uitgevoerd zien. Ik zou daar graag persoonlijk met uover doorspreken.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Uppelschoten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50955 De heer Uppelschoten (PVV):De afloop van het debat verrast mij enigszins, want ik ben er toch wel vanovertuigd dat de bewindslieden hun uiterste best doen om iets aan hetlerarentekort en de kwaliteit van de leraren te doen. Dat er dingen niet inorde zijn, is heel vervelend. Ik zou bijna zeggen: ik hoop dat het hun ookspijt. Ik ben erdoor verrast. Maar in ieder geval heb ik de intentie van hetdebat, waarin we er met z’n allen aan werken om de kwaliteit van hetonderwijs en de kwaliteit van de leraren te verbeteren, wel gevoeld. Daarben ik heel blij mee. Verder heb ik geen vragen.De voorzitter:Dank u wel. Ten slotte de heer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter, dank. Dank aan de Minister en de Staatssecretaris voor debeantwoording van 98% van mijn vragen. Er was er een waarvan ik dacht:laat maar zitten. Maar ik moet zeggen dat mijn vraag een beetje zat bij delaatste emotie, die de heer Soepboer erin gooide rondom de onderwijsre-gio’s. Kunnen we op z’n minst afspreken dat er geen wezenlijke stappenworden gezet rondom die onderwijsregio’s voordat we daar als Kamer enkabinet ook met elkaar het debat over hebben gevoerd? Want het isnatuurlijk een heel wezenlijk iets. Ik wil er geen emotie in gooien. Ik vindwel mooi dat het gebeurt, maar ik kijk er dan toch wat analytisch naar endenk dan: bij alles wat ik ben tegengekomen in het veld, hoor je daar geenheel positieve geluiden over. Aan de andere kant ben ik het ermee eensals het kabinet zegt: er zijn dingen waarbij je echt alles moet inzetten. Datkan ook. Maar laten we er nog een keer met elkaar goed het debat overvoeren voordat we stappen zetten en niet meer terug kunnen. Ik zou heelgraag willen dat die toezegging vanuit het kabinet komt. Ik denk dat datbest heel goed zou kunnen zijn.Voorzitter. Voor de rest ben ik best heel content met dit debat, want je kuntgeen ijzer met handen breken. Ik merk dat er aan beide kanten, zowel bijKamer als kabinet, echt wel de intentie is om het met elkaar goed tekrijgen. Dat het dan een beetje schuurt: eigenlijk geniet ik daar ook welvan.Dank u wel. Ik blijf niet bij de beantwoording, voorzitter, want ik moet naareen tweeminutendebat.De voorzitter:Dat begrijp ik. Dank u wel, meneer Stoffer. Hebben de bewindsliedenbehoefte aan een korte schorsing? Of willen zij gelijk reageren in tweedetermijn? Dat laatste is het geval. Dan geef ik gelijk de gelegenheid om datte doen. Als eerste de Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Voorzitter, dank. Ik ga eerst in op twee vragen die ik in de tweede termijnzou beantwoorden. Ik begin met de vraag van mevrouw Rooderkerk overde uitvoering van de motie-Van Meenen en de cao-onderhandelingen. Inreactie op de motie-Van Meenen heb ik een verkenning lopen naar ééncao voor het funderend onderwijs. Daar bent u tegelijk met het iboKoersen op kwaliteit en kansengelijkheid over geïnformeerd. Hieruit blijktdat de sociale partners niet zozeer behoefte hebben aan een gezamenlijkecao-onderhandeling met de Minister of nu de Staatssecretaris; wel vindende partijen de cao te complex en ervaren zij een ongelijke informatiepo-sitie aan de cao-tafel. In de brief over de herijking sturing funderendonderwijs ben ik hier nader op ingegaan. Dat heb ik ook verder uitgewerktin verschillende scenario’s. Daar voer ik graag verder het debat over metuw Kamer; volgens mij is dat op 12 februari. Dus dat gaat over verschil-lende aspecten die met die cao te maken hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50956 De heer Kisteman had een vraag over het havo-profiel en de toelatings-toetsen voor de pabo. We hebben op dit moment geen informatie overeen specifiek aantal havoleerlingen dat een toelatingstoets moet doen.Het beeld is dat een deel van de leerlingen een of twee toetsen moetdoen. Vooral is wat mij betreft van belang dat leerlingen en decanen op dehoogte zijn van de toelatingseisen voor de pabo en welke vakkencombi-natie daarvoor nodig is. De pabo’s zelf besteden veel aandacht aan detoelatingseisen in hún voorlichting tijdens open dagen en op de website.Leerlingen hebben dan vaak al een vakkencombinatie gekozen. Dus ik deelde opmerking van de heer Kisteman dat het goed is om hier aandacht aante besteden in de studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding, de LOB. Datgaf ik eigenlijk in de eerste termijn ook aan. Ik kan de heer Kistemantoezeggen dat we uitzoeken of er sprake is van een belemmering, en dat ikdaar extra aandacht voor zal vragen indien dit het geval is. Ik kom hieropterug bij de volgende voortgangsrapportage in juni, dus voor de zomer.Ik wil kort iets zeggen naar aanleiding van de emotie. Ik voel die emotieook. Ik snap dat we verschillen van inzicht en verschillen van meningkunnen hebben. Ik zou het gevoel weg willen nemen dat ikzelf en demensen met wie ik samenwerk eindeloos vervallen in gesprekken enoverlegjes en weet ik veel wat. Ik zou het ook heel spijtig vinden als datgevoel blijft hangen. Er is heel veel actie die buiten deze zalen plaatsvindt,in het veld, met regie vanuit OCW, om ervoor te zorgen dat de grotevraagstukken die op dit moment spelen worden geadresseerd. Ik heb hetbijvoorbeeld over het naar een hoger peil brengen van de onderwijskwa-liteit en het aanpakken van het leraren- en schoolleiderstekort. Er is echteen veelheid aan acties die op dit moment lopen. Is het genoeg? Dat weetik niet. Ik blijf daarover graag in gesprek met de Kamer en als eraanvullend dingen gedaan kunnen worden, zullen we dat doen. We zijnerover in gesprek hoe we dat verder gaan vervatten in het herstelplan. Ikvind het echt wel heel naar om terug te krijgen dat de indruk is dat eralleen maar gesprekjes plaatsvinden en dat wij de Kamer niet serieuszouden nemen. Ik neem de Kamer heel serieus.Daar wil ik het bij laten.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de Minister.Minister Bruins:Voorzitter, dank u wel. Ik heb nog een aantal opmerkingen.De voorzitter:Ik kijk even naar meneer Soepboer. Heeft u een punt van orde?De heer Soepboer (NSC):Ik wil iets zeggen in reactie op Staatssecretaris Paul. Laat het duidelijk zijndat ik niet zeg dat er niks gebeurt; ik geloof dat u hartstikke hard werkt.Het gaat mij erom dat de reactie op vragen vanuit de Kamer vaak is «wekomen met een brief» of «we zijn in gesprek», terwijl ik juist hele concretedingen vraag die ik ook graag uitgevoerd wil hebben. Daar zit bij mij deemotie. Daar zit bij mij het gevoel dat we de zaken die de Kamer graag wil,niet voor elkaar krijgen. Dat is waar het mij om gaat. Ik zeg dus niet dat uen het ministerie niks doen. U bent waarschijnlijk hartstikke hard aan hetwerk. Alleen, wij sturen als Kamer bij. Wij hebben óók een mening overhet onderwijs. We willen ook graag zien dat daar iets mee gebeurt. Dát iswaar het mij om gaat. Dát is waar mijn emotie zit als het gaat om het nietuitvoeren van de moties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50957 De voorzitter:Dank u wel. Ik wil voorkomen dat we opnieuw een heel debat gaanvoeren. Ik denk dat er voldoende gewisseld is. Ik geef het woord nog aande Minister van OCW.Minister Bruins:Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een paar opmerkingen. De eerste gaatover hoogbegaafdheid, naar aanleiding van wat de heer Kisteman zei. Ikgeef uw wens gewoon door aan degenen die met dit proces bezig zijn. Hetis namelijk een hele logische wens. Er is goed overleg, dus een uitspraakvan de Kamer is niet nodig. Ik zal dit aandachtspunt doorgeven aan demensen die daarmee bezig zijn.Naar aanleiding van mevrouw Rooderkerk en haar motie wil ik hetvolgende zeggen. Zij zei in haar reactie dat het haar niet per se om hetwettelijk borgen gaat, maar dat zij wil weten hoe instellingen hun rolkunnen pakken bij startende leraren en hoe OCW daarin meer regie kannemen. Ik zeg toe dat ik dit zal behandelen in de brief die ik al hebtoegezegd. We zullen een veel uitgebreidere reactie geven dan alleenmaar te zeggen dat het juridisch ingewikkeld is. We gaan voor mevrouwRooderkerk een goed antwoord formuleren op de vraag hoe die rol kanworden gepakt. Ik had mij nog beperkt tot een absoluut aantal leraren,maar ik heb nu ook de percentages voor mevrouw Rooderkerk. In hetprimair onderwijs heeft 13,3% van de leraren een hbo-master, 1,0% eenwo-bachelor en 4,5% een wo-master.Mevrouw Van Zanten had een opmerking over bekostiging en hetloskoppelen van studentenaantallen ten opzichte van het geld datbeschikbaar is voor het onderwijs. De afgelopen jaren is de bekostigingvan het gehele onderwijs in stappen aangepast, waardoor deze minderafhankelijk is geworden van de studentenaantallen. De bekostiging looptnu meer via een vaste voet, maar zoals mevrouw Van Zanten weet, willenwe daar nog mee verder. Dat staat ook in het regeerakkoord; daarinzeggen we dat we met mbo-instellingen, hogescholen en universiteitenwerken aan een stabiele bekostiging, zodat zij ook bij dalende studenten-aantallen een goed onderwijsaanbod op peil kunnen houden. Dat geldt inhet bijzonder voor opleidingen die voor de regio vitaal zijn. Zo werken weonder andere toe naar vormen van capaciteitsbekostiging voorhogescholen en universiteiten. We gaan dus door met het loskoppelenvan aantallen, specifiek ook in het kader van krimp en krimpregio’s. Deeerste ideeën daarover zal mevrouw Van Zanten vinden in mijn allereerstebeleidsbrief als Minister, die ik dit kwartaal aan de Kamer zal doentoekomen.Ten slotte zal ik dit kwartaal ook nog komen met een beleidsreactie op hetrapport over de administratieve lasten. Dan krijgt mevrouw Van Zantenook op die vraag een uitgebreidere reactie dan ik nu mondeling kangeven.De voorzitter:Dank aan de Minister, de Staatssecretaris en hun ondersteuning voor hetbeantwoorden van de vragen. Dank aan de collega’s vanuit de Kamervoor het debat. Er is een fors aantal toezeggingen gedaan. Die ga ik nietnu opnoemen; die krijgt u via een e-mailprocedure. Wij hopen dievanmiddag al te kunnen rondsturen.Dan is er een tweeminutendebat aangevraagd, met als eerste sprekernamens de Kamer mevrouw Rooderkerk. Dat gaan wij doorgeven aan deGriffie plenair en dan wordt dat zo snel als mogelijk ingepland.Ten slotte. Emotie en politiek. Soms wordt er gezegd dat je in de politiekniet emotioneel moet zijn. Ik ben het daar volstrekt mee oneens – anderszouden we hier namelijk niet met elkaar zitten. Politiek ís emotie. Het issoms voor de voorzitter even een toer om dat dan ook enigszins tebegeleiden. Ik vertaal die emotie, zowel die van de zijde van de Kamer alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50958 die van het kabinet, oprecht als een ongelofelijke betrokkenheid die uallen voelt bij dit mooie vak en bij deze mooie sector. Ik stel voor dat ikdaarmee de vergadering sluit.Sluiting 14.10 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 50959
Gerelateerde bronnen
- Leraren
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 22 januari 2025, over Leraren
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.