KamerkringInloggen
Kamerbrief

Verslag van een schriftelijk overleg over het Rapport 'Hospices in Nederland' (Kamerstuk 29509-97)

12 feb 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 77b6ff1f4288f1ed · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 509Palliatieve zorgNr. 98 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 12 februari 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 4 november 2025over de brief van 4 november 2025 inzake Rapport «Hospices inNederland» (Kamerstuk 29 509, nr. 97).De vragen en opmerkingen zijn op 21 januari 2026 aan de Staatssecretarisvan Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van12 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Meijerink kst-29509-98ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 981 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie9Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie10Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie11II.Reactie van de Staatssecretaris11 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het rapport «Hospices in Nederland» en delen de zorg dat er geenlangdurig zicht is op de beschikbaarheid van hospicebedden. Hoewel hethuidige aanbod in kaart is gebracht, is dit slechts een momentopname enblijkt dat structurele monitoring van wachtlijsten momenteel teversnipperd is. Daardoor blijft de werkelijke onvervulde vraag onzichtbaar.Gezien de prognose dat er tot 2040 naar verwachting 200 tot 450 extrahospicebedden nodig zijn, vragen deze leden welke concrete maatregelende Staatssecretaris overweegt om de bedbezetting, wachtlijsten enonderliggende factoren structureel te monitoren. De leden van deD66-fractie willen weten hoe en door wie wordt gewaarborgd dat hetaanbod blijft aansluiten bij de groeiende vraag.De leden van de D66-fractie vernemen dat er een specifieke groep mensenis die redelijkerwijs niet thuis kan overlijden, maar die geen 24-uursaanwezigheid van formele zorg nodig heeft. De leden van de D66-fractiemaken zich zorgen dat de omvang van deze groep momenteel onbekendis en dat nader onderzoek noodzakelijk is om de behoefte aan dit type«informele bedden» vast te stellen. Het gaat hierbij vaak om kwetsbaremensen met een zwak informeel netwerk of een ongeschikte thuissituatie.Welke stappen gaat de Staatssecretaris ondernemen om deze specifiekezorgvraag in kaart te brengen en te borgen dat ook voor deze groepvoldoende capaciteit beschikbaar blijft in het sociaal domein?De leden van de D66-fractie wijzen op de conclusie dat de grote variëteitaan organisatie- en bekostigingsvormen leidt tot een gebrek aantransparantie voor zowel de zorgvrager als de verwijzer. Voor cliënten ishet vaak onduidelijk voor welke vorm en kwaliteit van zorg zij kiezen,waarbij de keuze nu vaak gebaseerd wordt op nabijheid in plaats van debest passende zorg. De leden van de D66-fractie ondersteunen het adviesom een duidelijk onderscheid te maken tussen hospices met een formelezorgfunctie en hospices die fungeren als alternatieve verblijfplaats metinformele zorg. Zij vragen op welke wijze de Staatssecretaris de sectorgaat ondersteunen om in de komende vijf jaar toe te groeien naar ditmeer eenduidige landschap.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 982 De leden van de D66-fractie lezen dat de hoogte van de eigen bijdragevoor cliënten momenteel sterk varieert zonder dat dit goed uitlegbaar isvanuit de zorgvraag. Het huidige model, waarbij de mate van financiëlebijdrage afhankelijk is van de organisatievorm van het hospice in plaatsvan de indicatie van de cliënt, is volgens deze leden op de lange termijnniet houdbaar. Zij vragen de Staatssecretaris om met voorstel te komenvoor duidelijke, uitlegbare afspraken over eigen bijdragen, zodat definanciële consequenties van een hospice voor de burger voorspelbaar enrechtvaardig zijn.De leden van de D66-fractie merken op dat de huidige bekostigings-structuur een lappendeken is die hospices weinig zekerheid biedt voorinvesteringen op de lange termijn. Veel hospices zijn afhankelijk vantijdelijke VWS-subsidies die eind 2026 aflopen, wat risico’s met zichmeebrengt voor de continuïteit en noodzakelijke opschaling. Deze ledenvragen hoe de Staatssecretaris invulling gaat geven aan een stabielerfinancieringskader dat hen in staat stelt om met vertrouwen te bouwenaan de benodigde extra capaciteit voor 2040.Ook vragen deze leden de Staatssecretaris hoe beter kan worden bepaaldwanneer zorg in de thuissituatie nog passend en verantwoord is, enwanneer een hospice een betere plek biedt in de laatste levensfase. Zij zijndaarbij benieuwd hoe de voorgenomen afspraken voor 2025 kunnenhelpen om deze afweging zorgvuldiger en duidelijker te maken. Ookvragen zij welke mogelijkheden er zijn om mensen die dat wensen beter teondersteunen bij het sterven thuis, samen met mantelzorgers en in deeigen omgeving. Tot slot willen deze leden inzicht in hoe wordt gekekennaar de balans tussen de wens om thuis te overlijden en de beschik-baarheid van hospices als alternatief, temeer omdat uit het rapport blijktdat nog onvoldoende zicht bestaat op de groep mensen voor wie eensociale indicatie doorslaggevend is en dat nader onderzoek nodig is.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet rapport «Hospices in Nederland». Zij benadrukken het belang vanhospices als onderdeel van de palliatieve zorg. Mensen moeten in hunlaatste levensfase kunnen rekenen op goede, respectvolle zorg, metaandacht voor comfort, pijnbestrijding en persoonlijke wensen. Zo zorgenwe voor een waardig levenseinde. De VVD hecht veel waarde aankeuzevrijheid: mensen moeten kunnen kiezen waar zij de laatste fase vanhun leven doorbrengen, bijvoorbeeld thuis, in een hospice, of in eenzorginstelling. Zij stellen enige vragen.De leden van de VVD-fractie lezen dat geadviseerd wordt duidelijkonderscheid te maken tussen twee soorten hospices op basis van defunctie die zij vervullen. Enerzijds gaat het om formele zorg met medischnoodzakelijk verblijf, anderzijds gaat het om een alternatieve verblijfplaatsmet informele zorg. Hierbij is volgens de onderzoekers duidelijkeafbakening nodig tussen mensen die op basis van hun zorgvraag 24-uursaanwezigheid van formele zorg nodig hebben tegenover mensen die ditniet nodig hebben, maar die ook niet redelijkerwijs thuis kunnenoverlijden. Dit betreft een omvangrijke stelselwijziging. Deze ledenbegrijpen dat stakeholders grote bezwaren zien bij de voorgesteldestelselwijziging. Heeft de Staatssecretaris hiervan kennisgenomen? Kande Staatssecretaris in haar beantwoording op deze bezwaren reageren?De leden van de VVD-fractie lezen de voorgestelde stelselwijziging metinteresse, maar ook met een kritische blik. Leidt de voorgesteldetweedeling in hospices en het onderbrengen van bijna-thuis-huizen in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 983 sociaal domein naar verwachting van het kabinet tot een versnippering inhet hospicelandschap? Wat zijn de gevolgen voor de keuzevrijheid vanhospicegasten, waar de leden van de VVD-fractie waarde aan hechten? Enwelke invloed zou deze stelselwijziging hebben op de administratievelast? Hoe noodzakelijk vindt het kabinet een stelselwijziging?De leden van de VVD-fractie lezen dat in het rapport geconcludeerd wordtdat de hospicezorg precair is. Deelt het kabinet deze aanduiding? Wat zijnvolgens het kabinet de grootste problemen bij hospices die het hoofdgeboden moeten worden? Zorgverzekeraars geven aan dat in allehospicevarianten zeer gemotiveerde professionals en vrijwilligers werkenen dat de kwaliteit van zorg op orde is. De zorgverzekeraars hebben geensignalen gehad dat de kwaliteit in hospices tekortschiet. Zij vragen zich afof de voorgestelde stelselwijzigingen proportioneel en noodzakelijk zijn.De leden van de VVD-fractie horen graag de reflectie van het kabinethierop.De leden van de VVD-fractie merken op dat met de voorgestelde stelsel-wijziging de nadruk wordt gelegd op centralisatie, scheiding van functiesen uniformering. In de status quo draaien hospices juist op «naober-schap». Biedt de voorgestelde stelselwijziging voldoende ruimte voorinitiatieven vanuit dit «naoberschap»?Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat al een aantal jarenhospices in het project «versterken hospicezorg» gezamenlijk met hunpartners regionaal werken aan het aanpakken van vraagstukken. In ditrapport wordt dit project met haar voortgang en uitkomsten niet meege-nomen. Hoe reflecteert het kabinet hierop? Zijn in het rapport de ideeënvan hospices zelf voldoende meegenomen? De leden van de VVD-fractiehechten er waarde aan dat bij verbetervoorstellen goed wordt afgewogenhoe deze wijzigingen lokaal in de praktijk landen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetrapport «Hospices in Nederland» en de bijbehorende brief van deregering. Zij hebben hier nog enkele vragen over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er geen landelijkuniform normenkader bestaat voor het zogeheten opnamebesluit. Zou hetkabinet kunnen reflecteren op de mate waarin dit (regionale) verschillenversterkt? Zou het kabinet tevens kunnen reflecteren op de eventuelewenselijkheid van een landelijk uniform normenkader? Zouden zij hierbijde voor- en nadelen kunnen opsommen van enerzijds het hebben van eenlandelijk uniform normenkader en anderzijds het niet hebben van eenlandelijk uniform normenkader?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het organisatiemodelbepaalt of en hoe de indicatiestelling en het opnamebesluit bekostigd zijn.Zou het kabinet kunnen reflecteren op de mate waarin dit leidt totongelijkheid in toegang tot zorg in verband met de kosten die doorge-rekend worden naar de patiënt? Hoeveel tijd wordt er doorgaans doorzorgverleners besteed aan indicatiestelling voor eerstelijnsverblijf?Hoeveel tijd wordt er doorgaans besteed aan het komen tot een opname-besluit? Hoe dient een opnamebesluit geregistreerd en verantwoord teworden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 984 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het op dit momentonbekend is wat de totale maatschappelijke kosten zijn van huisartsenvi-sites in hospices. Is er een wijze om dit alsnog inzichtelijk te maken? Opwelke wijze wordt ingezet op landelijke, toegankelijke informatievoor-ziening waarmee patiënten en hun naasten snel en duidelijk inzicht krijgenin de verschillen tussen hospices en zorgvormen? Hoe wordt gezorgd datpatiënten en naasten tijdig heldere en toegankelijke informatie ontvangenover kosten en vergoedingen voor hospicezorg? Hoe wordt de kwaliteitvan de palliatieve zorg gemonitord vanuit het perspectief van patiënten enhun naasten? Op welke wijze wordt ondersteuning van naasten enmantelzorgers meegenomen in kwaliteitsborging en financiering vanhospices?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gemeenten zijn diegemeentelijke subsidies verstrekken aan hospices. Hoe hoog zijn dezesubsidies gemiddeld? In hoeveel en in welke gemeenten worden ersubsidies verstrekt?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het deel van decliënten dat een vergoeding rechtstreeks aan het hospice betaalt en dehoogte van deze vergoeding verschilt tussen hospices. Bestaat er eenmaximum aan de eigen bijdrage die gevraagd zou mogen worden dooreen hospice die niet zelf V&V levert? Zo nee, waarom niet en bestaan erandere dergelijke kaders om te voorkomen dat de zorg ontoegankelijkwordt voor mensen met een lager inkomen of vermogen? Op welke wijzewordt er toezicht gehouden op de kwaliteit van de (informele) zorg bijhospices die niet zelf V&V leveren? Bij welke organisatie zouden patiëntenen hun naasten terecht kunnen met klachten over de kwaliteit van dezorg?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deaanbevelingen van het rapport. Zou het kabinet nader kunnen toelichtenin hoeverre deze conclusies gedeeld worden door de zorgverzekeraars?Zou het kabinet tevens nader kunnen toelichten welke eventuele risico’s ergepaard zouden kunnen gaan met het overhevelen van de hospices dieinformele zorg leveren binnen het sociaal domein?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben het rapport Hospices in Nederlandgelezen. Voor dit schriftelijk overleg hebben zij voor nu geen vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met interesse het rapport «Hospice inNederland» gelezen dat in het kader van het Nationaal ProgrammaPalliatieve Zorg II is uitgevoerd. Het rapport laat overtuigend zien datvrijwilligers een onmisbare rol spelen in de hospicezorg. In hospices diezelf formele zorg leveren zijn gemiddeld 15 à 16 vrijwilligers per bedactief; in hospices zonder formele zorg loopt dit op tot 17 à 18 vrijwilligersper bed. Veel voorzieningen zijn ontstaan vanuit buurtinitiatieven endraaien op de kracht van lokale gemeenschappen. De leden van deCDA-fractie vinden het van groot belang dat deze maatschappelijkeenergie behouden blijft en dat eventuele systeemwijzigingen niet leidentot extra regeldruk voor vrijwilligers. Kan de Staatssecretaris bevestigendat het belang van vrijwilligers en het behoud van hun inzet explicietwordt meegenomen als uitgangspunt bij eventuele vervolgstappen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 985 Veel hospices, met name de hospices die zelf geen formele zorg leveren,zetten vrijwilligers in bij mensen thuis. Deze vrijwilligers bieden nabijheid,ondersteuning en begeleiding in de laatste levensfase. Het rapport gaathier nauwelijks op in, terwijl hun bijdrage essentieel is. Op welke wijze isde ondersteuning van vrijwilligers die via hospices worden ingezet in dethuissituatie geborgd, en wordt deze groep meegenomen in het vervolg?Hospices die geen formele zorg leveren ontvangen gemiddeld 58% vanhun omzet uit de VWS-subsidie. Deze organisaties, die grotendeels opvrijwilligers draaien, zijn daarmee sterk afhankelijk van deze financiering.Voor hun continuïteit is tijdige duidelijkheid essentieel. Voornoemde ledenvragen: wanneer komt er duidelijkheid over het vervolg van de subsidiere-geling?Het rapport laat zien dat er op basis van bevolkingsprognoses in detoekomst meer hospicecapaciteit nodig zal zijn. Tegelijkertijd laten decijfers over 2024 zien dat de verwachte behoefte hoger lag dan defeitelijke capaciteit, zonder dat dit leidde tot een hogere bezettingsgraad.De leden van de CDA-fractie vinden het positief dat het aanbod regionaalin kaart is gebracht en dat de Staatssecretaris inzet op betere monitoring.Door de verschillende ontstaansgeschiedenissen van hospices bestaat ergrote diversiteit in bekostiging en eigen bijdragen. De leden van deCDA-fractie ondersteunen het streven naar een eenvoudiger systeem enhet wegnemen van verkeerde prikkels. Daarbij is het essentieel datadministratieve lasten niet toenemen. Liever nog: deze zouden deze ledenbij wijzigingen graag zien afnemen. Hoe borgt de Staatssecretaris dat eennieuwe bekostigingssystematiek niet leidt tot hogere administratievelasten, en op welke wijze kan worden ingezet op een verminderinghiervan?Het rapport concludeert dat de huidige bekostigingsstructuur onvol-doende toekomstbestendig is: hospices zijn afhankelijk van diverseinkomstenbronnen, hebben weinig lange termijn zekerheid en wordengeconfronteerd met uiteenlopende prikkels. Ook verschillen de eigenbijdragen sterk en zijn deze moeilijk uitlegbaar. Dit model is volgens deonderzoekers niet houdbaar, zeker gezien de verwachte groei van devraag naar hospicezorg. De leden van de CDA-fractie delen deze analyse.De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in de voorgesteldeindeling in twee typen hospicevoorzieningen: 1. hospices met formelezorg en medisch noodzakelijk verblijf, en 2. hospices als alternatieveverblijfplaats met informele zorg. Beide vormen blijven noodzakelijk. Deleden van de CDA-fractie vinden daarnaast dat ook hulp en ondersteuningthuis, vaak geleverd door vrijwilligers via hospices, moet wordenmeegenomen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?Een van de voorstellen is om budgetten voor informele zorg mee tenemen in de tariefstelling voor formele hospicezorg. Dit zou betekenendat zorgaanbieders die veel vrijwilligers inzetten een lagere vergoedingontvangen, terwijl deze middelen juist bedoeld zijn om vrijwilligers teondersteunen. Dit creëert een negatieve prikkel voor vrijwillige inzet. Deleden van de CDA-fractie zijn hier geen voorstander van. Hoe beoordeeltde Staatssecretaris het risico dat het meenemen van informele-zorgbudgetten in de tariefstelling leidt tot een financiële prikkel dievrijwilligerswerk ontmoedigt?In de begeleidende brief staat dat er nog nadere afstemming met het veldplaatsvindt. Voor een zorgvuldige beoordeling van vervolgstappen isinzicht in deze gesprekken belangrijk. Met welke partijen vindt de nadereafstemming plaats over de toekomstige inrichting van de hospicezorg?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 986 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbriefover het rapport Hospices in Nederland. De leden hebben hierover devolgende vragen.De leden lezen dat uit het rapport blijkt dat de hospicecapaciteit regionaalsterk uiteenloopt (4 tot 12 bedden per 1.000 overledenen) en dat42.000 mensen langer dan 30 minuten moeten rijden naar een hospicemet 24/7 formele zorg. Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat dezeregionale ongelijkheid verder toeneemt, en kan zij garanderen dat ookkrimpregio’s, dorpen en kleinere kernen toegang houden tot tijdigepalliatieve zorg dichtbij huis?Verder stelt de rapportage dat het onduidelijk is wie verantwoordelijk isvoor opschaling van hospicecapaciteit, terwijl er tot 2040 200 tot 450 extrabedden nodig zijn. Wie krijgt volgens de Staatssecretaris de eindregieover uitbreiding van capaciteit, en hoe wordt voorkomen dat hospices zelffinanciële risico’s dragen bij noodzakelijke opschaling?Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat de opnamecriteria en indicatie-stelling sterk verschillen per hospice, met risico’s op willekeur en ongelijketoegang. Is de Staatssecretaris bereid te komen tot heldere landelijkenormen voor opname, zodat cliënten niet afhankelijk zijn van lokaleverschillen in interpretatie of organisatiemodel?Daarnaast lezen de leden in het rapport dat de eigen bijdragen extreemverschillen (0 tot € 85 per dag). Ook is de bekostiging complex enversnipperd. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris deze ongelijkheid inkosten voor cliënten, en is zij bereid toe te werken naar een transparant enuniform systeem dat betaalbaarheid en toegankelijkheid bevordert?Tot slot laat het rapport zien dat de financiële situatie van hospices nietinzichtelijk is door constructies met stichtingen, vriendenfondsen enonderaanneming. Hoe gaat de Staatssecretaris zorgen voor transparantiein de financiële stromen en continuïteit van hospices, zonder extraadministratieve lasten?Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het rapport vanGupta over hospicezorg in Nederland. Graag maken zij van degelegenheid gebruik om hierover een aantal vragen te stellen.De leden van de SGP-fractie constateren dat Gupta in hoofdstuk 1 eenadequaat en grondig overzicht van het «hospicelandschap» heeftgemaakt. Zij zijn vooral benieuwd naar een reflectie van de Staatssecre-taris op de hoofdstukken 2 en 3 van het rapport waarin Gupta debelangrijkste knelpunten opsomt en een oplossingsrichting voorstelt.Deelt de Staatssecretaris de bevindingen van Gupta in hoofdstuk 2? Kanzij hier puntsgewijs op reageren?Kan de Staatssecretaris verduidelijken welke maatregelen er al zijngenomen om het inzicht in de beschikbaarheid van hospicezorg inregionaal verband te vergroten? Kan zij met name ingaan op het project«Versterken Hospicezorg»? Zijn er regio’s waar al wel een gezamenlijkewachtlijst is? Hoe functioneert dit?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 987 Gupta kwalificeert de zorg in hospices in Nederland als «precair». Deelt deStaatssecretaris deze omschrijving? Zo niet, hoe zou zij zelf de situatie metbetrekking tot en hospicezorg omschrijven? Heeft de Staatssecretariskennisgenomen van de kritiek van VPTZ Nederland die zich niet herkent inde kwalificatie «precair»? Hoe duidt zij dit?Het belangrijkste voorstel van Gupta is om een onderscheid te gaanmaken tussen twee soorten hospices. Enerzijds hospices waar formelezorg wordt geleverd, sprake is van medisch noodzakelijk verblijf en diegefinancierd worden vanuit de zorgverzekeraars en zorgkantoren.Anderzijds hospices als alternatieve verblijfplaats met informele zorg,gefinancierd vanuit het sociaal domein. Hoe kijkt de Staatssecretaris naardit onderscheid?Als het door Gupta voorgestelde onderscheid doorgevoerd wordt, moetenhospices die nu beide functies vervullen kiezen wat voor soort hospice zijwillen zijn. Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris dit? Blijkbaar voorzienhospices die nu beide functies aanbieden in een behoefte. Hoe wordtvoorkomen dat er gaten in het zorgaanbod ontstaan doordat hospicesgedwongen worden om te kiezen tussen één van beide categorieën?Meer principieel vragen de leden van de SGP-fractie hoe wenselijk deStaatssecretaris het vindt om een organisch gegroeid zorglandschap datvoor het grootste deel bestaat uit hospices die financieel gezond zijn engoede kwaliteit van zorg bieden zo rigoureus te gaan herinrichten. Hoevoorkomt de Staatssecretaris dat er een soort tekentafeloplossing wordtingevoerd? Het kenmerk van hospices is dat er vaak sprake is van sterkelokale of regionale verworteling, een grote betrokkenheid van lokalevrijwilligers of lokale sponsoren. Dit valt vaak niet in een beleidsmatig ofwetmatig hokje te passen. De leden van de SGP-fractie vragen zich af: isdat juist niet iets moois en lopen we niet het risico door alle hospicezorgstrikt onder te brengen bij de Zvw of Wmo dat dergelijke lokale verwor-teling wordt aangetast? Ziet de Staatssecretaris het risico dat hospices ineen keurslijf worden geperst waar ze niet in passen?Als iemand in een hospice wordt opgenomen, is dat vrijwel altijd delaatste plek waar diegene voor diens overlijden verblijft. In het nieuwesysteem zou het kunnen gebeuren dat iemand verblijft in een hospice metinformele zorg, te maken krijgt met verslechterende gezondheid waardoor24/7 zorg nodig is en dus overgeplaatst moet worden naar een ander-soortig hospice. Hoe wenselijk zou de Staatssecretaris zoiets vinden?Gupta beoogt met haar rapport een oplossing te bieden voor de versnip-pering in het hospiceaanbod. Tegelijkertijd adviseert Gupta een deel vande hospicezorg onder te brengen in het sociaal domein, waardoorgemeenten – náást de Rijksoverheid en verzekeraars – ook een rol gaankrijgen in de hospicezorg. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar? Vindt zijdat wenselijk vanuit het oogpunt van versnippering van zorg?Gupta constateert dat het onduidelijk is wanneer iemand aanspraak kanmaken op formele zorg met verblijf en wanneer het verblijf buiten deaanspraak valt. Is de Staatssecretaris van mening dat met het voorstel vanGupta om twee soorten hospices te creëren dit probleem is opgelost?De Associatie Hospicezorg Nederland wijst erop dat de inzet vanvrijwilligers in bijna hospices overdag is. Slechts in een heel klein aantalvoorzieningen is er ook informele zorg in de nacht. In het voorstel vanGupta komen er straks hospices die verblijf met informele zorg aanbieden.De verpleegkundige komt dan alleen op indicatie langs. Dit roept de vraagop hoe zorg in de nacht dan wordt georganiseerd. Wordt dit dan bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 988 familieleden of andere mantelzorgers neergelegd? Ook vragen de ledenvan de SGP-fractie zich af wat dan nog het verschil is met palliatiefterminale zorg thuis. De Associatie Hospicezorg Nederland vraagt zich(naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie terecht) af of erbehoefte bestaat aan dergelijke hospices met verblijf en informele zorg.Gupta geeft zelf aan ook niet te weten hoe groot deze groep is, dit vraagtnader onderzoek. De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretarisdan ook om die behoefte nader te laten onderzoeken.Gupta geeft aan dat het wenselijk is dat de bekostiging uitgaat van dezorgvraag van de cliënt, niet van de (huidige) organisatievormen vanhospices. De leden van de SGP-fractie vragen zich af of hospicelandschapdat Gupta schetst, voldoet aan de zorgvraag van de cliënt.Gupta schrijft dat een smalle afbakening van de aanspraak betekent datcapaciteit van hospices die nu formele zorg leveren, en via elv-bekostigdworden, moet worden afgebouwd of omgevormd naar hospices zondermedisch noodzakelijk verblijf. De leden van de SGP-fractie vragen deStaatssecretaris om een nadere duiding van wat dit betekent voorzelfstandige hospices. Het kan toch niet zo zijn dat deze beweging ertoezou leiden dat goedlopende hospices hun activiteiten helemaal moetenbeëindigen?Gupta verwijst naar de afspraak in het AZWA dat «burgerinitiatievenworden ondersteund». Hiermee ligt er volgens Gupta een duidelijke basisom coördinatie op de regionale samenwerking tussen gemeentenonderling en tussen sociaal domein en zorgdomein te verbeteren en ergezamenlijk voor te zorgen dat straks in alle regio’s voldoende «informelebedden» beschikbaar zijn. De leden van de SGP-fractie vragen zich afwaarom dit een extra taak voor gemeenten zou moeten betekenen.Waarom zouden activiteiten op het snijvlak van het zorgdomein en hetsociaal domein per se door gemeenten opgepakt moeten worden? Hetzou toch op z’n minst ook van zorgverzekeraars gevraagd kunnen wordenom (financieel) te ondersteunen bij dergelijke burgerinitiatieven?Uit bijlage A blijkt dat de reistijden naar specifieke types hospicezorg inbepaalde delen van het land ver achterblijft. Dit gaat dan met name omhigh care hospicezorg (Friesland, Groningen, Drenthe en het grootste deelvan Zeeland) en palliatieve units (delen van Zeeland, Overijssel,Gelderland en Brabant). Wie is straks in het nieuwe systeem verantwoor-delijk voor de beschikbaarheid en het creëren van dergelijke zorgaanbod?Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom enkele vragen te stellen over het rapport «Hospices in Nederland;adviezen richting toekomstbestendige inrichting en bekostiging» vanGupta Strategists.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke vraag of probleem-stelling vanuit het ministerie is meegegeven aan de opdrachtnemers vandit adviesrapport. Wat is de achtergrond van deze vraag en wordt dezevraag of dit probleem ook zo in de sector beleefd, zo vragen deze leden.Zijn de sectorpartijen betrokken geweest bij de totstandkoming van deopdracht en zo nee, waarom niet? De leden van de ChristenUnie-fractievinden het belangrijk dat oplossingen voor ervaren problemen wordengezocht. Is aan de sectorpartijen gevraagd welke problemen moetenworden opgelost?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 989 De leden van de ChristenUnie-fractie herkennen dat het hospicelandschapveelkleurig is en soms diffuus in financiering, regelgeving en toegang.Tegelijk willen deze leden ervoor waken dat het een doel op zich wordt omhet systeem te vereenvoudigen. Het gaat er wat deze leden betreftallereerst om dat er goede en voldoende hospicezorg in al haar vormenkan worden geboden. De oplossing die het rapport aanreikt, namelijk eendrastische herinrichting van het landschap, roept dan ook vragen op bijdeze leden. Bovendien wordt er wat deze leden betreft in het rapport geenrekening gehouden met de stappen die de sector de afgelopen jaren alheeft gezet en de ontwikkelingen die nu nog gaande zijn.Welke stappen zijn er de afgelopen jaren gezet om meer afstemming tecreëren tussen hospices, om meer inzicht te krijgen in de huidigecapaciteit, lege bedden en toekomstig benodigde capaciteit in regio’s, zovragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Welke stappen zijn er algezet en welke ontwikkelingen lopen er momenteel om de bekostigingbeter aan te laten sluiten bij de daadwerkelijke kosten en zorgvraag, zovragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Ten aanzien van de constatering op pagina 33 dat de InspectieGezondheid en Jeugd (IGJ) een inspectie heeft uitgevoerd bij 3% van dehospicelocaties, merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat deIGJ na deze steekproef geen signalen had om verder onderzoek te doenen bij andere signalen de inspectie weer activeert. Herkent de Staatssecre-taris dit en dat dit een standaard manier van werken is voor de IGJ?Ten aanzien van het beperkte zicht dat zorgverzekeraars hebben op dekwaliteit van zorg in hospices, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de bestaande regels voor inkoop en verantwoording vanwerkzaamheden niet net als bij andere zorgaanbieders voldoende controleop de kwaliteit biedt. Wat maakt het zicht op de kwaliteit in hospicezorganders dan bij andere zorgaanbieders?Deelt de sector de conclusie van Gupta Strategists dat situatie van dehospicezorg precair is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Ten aanzien van de adviezen van Gupta Strategists om tot een nieuweinrichting te komen van het hospicelandschap vragen de leden van deChristenUnie-fractie of er geen minder drastische maatregelen zijn tebedenken die de geschetste moeilijkheden in de hospicezorg net zo goedkunnen oplossen. Deze leden denken dan aan het verbeteren van desubsidieregeling voor de inzet van vrijwilligers, de verplichte aansluitingbij de VPTZ of de Associatie Hospicezorg Nederland om in aanmerking tekomen voor de subsidie, en verplichte aansluiting bij een regionaaloverleg van hospices om samen de capaciteit af te kunnen stemmen. Watvindt de Staatssecretaris daarvan?Hoe zou een strikt onderscheid tussen hospices met formele zorg metmedisch noodzakelijk verblijf en hospices die een alternatieve verblijf-plaats met informele zorg zijn eruit moeten zien of wat betekent dit voorhospices die beide vormen van zorg bieden, zo vragen de leden van deChristenUnie-fractie. Gaan er hospices verdwijnen als dit zou wordendoorgevoerd?Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het rapport«Hospices in Nederland» en de bijbehorende kabinetsbrief. Zij hebbenhier nog enkele vragen en opmerkingen over.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9810 De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris of zij bij deaangekondigde vervolgstappen ook met plannen zal komen om tevoorkomen dat meer hospices zullen moeten sluiten.De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of zij bij de vervolgstappenop het gebied van hospicezorg ook de motie Dobbe over een einde makenaan omzetplafonds in de ggz en de palliatieve zorg (Kamerstuk 36 725 XVI,nr. 23) meeneemt. Het gebruik van omzetplafonds in de palliatieve zorgkan immers ook de toegankelijkheid van hospices beperken.Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractieDe leden van de 50PLUS-fractie danken de Staatssecretaris voor detoezending van het Gupta-rapport over Hospicezorg in Nederland. Zijwillen hierbij nog een tweetal korte vragen stellen.Deze leden begrijpen dat de Staatssecretaris een beleidsarme reactie heeftgestuurd. Kan de Staatssecretaris inmiddels wat meer duiden inzake deopvolging van de aanbevelingen en wat er kan worden voorbereid in hetkader van NPPZ II? Ook willen de leden van de 50PLUS-fractie vragen omeen reflectie op de suggestie uit het rapport om gemeenten, een nieuwepartij in deze, te betrekken bij een deel van de hospicezorg.II. Reactie van de Staatssecretaris Met interesse heb ik kennisgenomen van de vragen van de leden van deverschillende fracties naar aanleiding van het schriftelijke overleg Rapport«Hospices in Nederland».Graag start ik met een algemene inleiding waarin kort de achtergrond ende voorgenomen aanpak worden weergegeven.Hospices vervullen een onmisbare rol in onze samenleving. Hospicesbieden warme zorg en ondersteuning, uitgaande van de wensen, waardenen behoeften van mensen in de allerlaatste fase van hun leven. Het is vanbelang dat hospicezorg een volwaardige plek in het zorglandschap heeften houdt, goed is ingebed in de samenleving, een mooie combinatie vanformele zorg en informele zorg en ondersteuning biedt en dat er sprake isvan gelijke toegang en financiering. In 2024 is daarom binnen hetNationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II), project VersterkenHospicezorg1, een gestructureerd overzicht gemaakt van alle hospices inNederland op dat moment. Voor het eerst zaten alle hospices gezamenlijkaan tafel om te kijken naar wat er nodig is in de toekomst. Niet alleen voorhun eigen hospice of binnen hun eigen gemeente, maar ook om dehospicezorg regionaal te verbeteren en toekomstbestendig te maken. Hetoverzicht schetst een beeld van het huidige landschap en de toekomstigbenodigde capaciteit (landelijk en regionaal).Wat nog ontbrak was inzicht in de variatie aan vormen van organisatie enbekostiging van de hospicezorg en wat dit betekent voor de toekomstbe-stendigheid. Ook met het oog op toenemende druk op formele eninformele zorg en de budgetten. Voortbouwend op Versterken Hospice-zorg is daarom door het Ministerie van VWS een opdracht verstrekt om devariatie in organisatievormen in het hospicelandschap in kaart te brengen.Het rapport «Hospices in Nederland» laat zien dat de huidige variëteit aanorganisatievormen en bekostigingsstructuren knelpunten oplevert op hetgebied van beschikbaarheid, kwaliteit en betaalbaarheid van hospicezorg.Er worden aanbevelingen gedaan voor hoe het landschap er over vijf tot1Project Versterken Hospicezorg – NPPZTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9811 tien jaar uit zou kunnen zien. Over de wijze van opvolging van deaanbevelingen vindt op dit moment overleg plaats met de betrokkenpartijen, te weten ActiZ, Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN),Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) en StichtingPalliatieve Zorg Nederland (PZNL). Daarnaast zullen ZorgverzekeraarsNederland (ZN), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Zorg-instituut Nederland (ZiN), Patiëntenfederatie Nederland en de VerenigingNetwerken Palliatieve Zorg (VNPZ) worden betrokken. Het overlegresulteert in een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg voorde komende vijf tot tien jaar. Daarbij zal worden bezien wat uit dit planvan aanpak binnen de resterende looptijd van NPPZ II nog kan wordenopgepakt en wat wordt meegenomen in de meerjarige toekomstagendaover palliatieve zorg die nu in de maak is.De bevindingen uit dit rapport worden daarnaast meegenomen en insamenhang bezien met de uitkomsten van twee nog lopende trajecten. Inhet voorjaar van 2026 worden de opbrengsten van de volgende trajectenverwacht:1.Evaluatie van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg engeestelijke verzorging thuis (verwacht in april 2026), en2.Toekomstvisie en langjarige toekomstagenda Palliatieve zorg enondersteuning (verwacht in mei 2026).Het is aan het volgende kabinet om u te informeren over de te nemenvervolgstappen in samenhang met bovenstaande trajecten. In mijnaanbiedingsbrief2 bij het rapport «Hospices in Nederland» had ik alaangekondigd dat een inhoudelijke reactie aan het volgende kabinetwordt overgelaten. Concreet betekent dit dat niet alle in dit schriftelijkoverleg gestelde vragen nu al van een inhoudelijk antwoord kunnenworden voorzien.Dan ga ik nu over tot de beantwoording van de vragen, waarbij devolgorde van het verslag wordt aangehouden.De leden van de D66-fractie vragen, gezien de prognose dat er tot 2040naar verwachting 200 tot 450 extra hospicebedden nodig zijn, welkeconcrete maatregelen worden overwogen om de bedbezetting, wacht-lijsten en onderliggende factoren structureel te monitoren. En willenweten hoe en door wie wordt gewaarborgd dat het aanbod blijftaansluiten bij de groeiende vraag.Via het project Versterken Hospicezorg zijn naar aanleiding van hetcapaciteitsonderzoek in 2024 in de meeste zorgkantoorregio’s al regionaleafspraken gemaakt over beddencapaciteit en zorgbehoefte en wat naarverwachting toekomstig benodigde capaciteit is. Er is gekeken hoeadequaat doorverwezen kan worden naar hospices binnen de regio diewel plek hebben. En hoe vrijwilligers vaker thuis kunnen worden ingezetom mantelzorgers te ontlasten en te voorkomen dat opname in eenhospice nodig is. Door middel van vervolgtrajecten in 2025 zijn in een deelvan de regio’s afspraken gemaakt over bestuurlijke borging van wat in2024 is opgestart en ontwikkeld. Het opzetten van een structurelemonitoring van vraag en aanbod per regio en het aanwijzen van een vasteregisseur per regio hiervoor zijn onderdeel van het plan van aanpaktoekomstbestendige hospicezorg dat samen met alle betrokken partijenzal worden opgesteld.2Kamerstukken II, 2025–2026, 29 509, nr. 97Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9812 De leden van de D66-fractie vragen, ten aanzien van een specifieke groepmensen die redelijkerwijs niet thuis kan overlijden, maar die geen 24-uursaanwezigheid van formele zorg nodig heeft, welke stappen wordenondernomen om deze specifieke zorgvraag in kaart te brengen en teborgen dat ook voor deze groep voldoende capaciteit beschikbaar blijft inhet sociaal domein.Het klopt dat specifieke cijfers over de omvang en behoeften van de groepkwetsbare mensen met een zwak informeel netwerk of een ongeschiktethuissituatie momenteel niet beschikbaar zijn. Regelmatig gaat het ommensen met een combinatie van lichamelijke, psychische en socialeproblemen. Het herkennen en organiseren van palliatieve zorg voor dezegroep mensen is vaak complex. Verschillende tools, zoals het draaiboekpalliatieve zorg voor mensen die dak- en thuisloos zijn, de toolkitproactieve palliatieve zorg in de ggz en de zelfevaluatie palliatieve zorgvoor zorgorganisaties, geven organisaties handvatten voor het tijdigherkennen van een palliatieve zorgbehoefte, proactieve zorgplanning, enhet bieden van palliatieve (terminale) zorg. Een aantal regio’s heeft binnenhet NPPZ II-project Versterken Hospicezorg afspraken gemaakt overkennisdeling over de palliatieve zorg voor specifieke doelgroepen, zoalsmensen met een psychiatrische achtergrond of verslavingsproblematiek.Ik zal nagaan of in de resterende looptijd van NPPZ II nader onderzoek kanworden gedaan naar de omvang en behoeften van deze doelgroepen.Zodat op basis van de uitkomsten van dit onderzoek in het plan vanaanpak voor toekomstbestendige hospicezorg maatregelen kunnenworden opgenomen.De leden van de D66-fractie ondersteunen het advies om een duidelijkonderscheid te maken tussen hospices met een formele zorgfunctie enhospices die fungeren als alternatieve verblijfplaats met informele zorg.Zij vragen op welke wijze de sector ondersteund gaat worden om in dekomende vijf jaar toe te groeien naar dit meer eenduidige landschap.De toekomstbestendige inrichting van het landschap, het groeipad daarnaartoe en de benodigde ondersteuning van de sector daarbij zijnonderdeel van de gesprekken met betrokken partijen die moeten leiden toteen plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.De leden van de D66-fractie vragen om een voorstel voor duidelijke,uitlegbare afspraken over eigen bijdragen, zodat de financiële conse-quenties van een hospice voor de burger voorspelbaar en rechtvaardigzijn.Dit is een onderwerp bij de gesprekken met betrokken partijen die moetenleiden tot een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.De leden van de D66-fractie vragen hoe invulling wordt gegeven aan eenstabieler financieringskader dat hospices in staat stelt om met vertrouwente bouwen aan de benodigde extra capaciteit voor 2040.Dit zal onderdeel zijn van de gesprekken die nu worden gevoerd metbetrokken partijen en die moeten leiden tot een plan van aanpaktoekomstbestendige hospicezorg. In samenhang hiermee zal naaraanleiding van de uitkomsten van de evaluatie van de SubsidieregelingPalliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis (verwacht in april2026) de systematiek voor de verdeling van de middelen voor de inzet vanvrijwilligers in de palliatieve terminale zorg opnieuw worden bezien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9813 De leden van de D66-fractie vragen hoe beter kan worden bepaaldwanneer zorg in de thuissituatie nog passend en verantwoord is, enwanneer een hospice een betere plek biedt in de laatste levensfase. Ookvragen zij welke mogelijkheden er zijn om mensen die dat wensen beter teondersteunen bij het sterven thuis, samen met mantelzorgers en in deeigen omgeving. Tot slot willen deze leden inzicht in hoe wordt gekekennaar de balans tussen de wens om thuis te overlijden en de beschik-baarheid van hospices als alternatief, temeer omdat uit het rapport blijktdat nog onvoldoende zicht bestaat op de groep mensen voor wie eensociale indicatie doorslaggevend is en dat nader onderzoek nodig is.De wijkverpleegkundige is verantwoordelijk voor het stellen van deindicatie en de zorgtoewijzing. Daarbij maakt de wijkverpleegkundigegebruik van het Normenkader voor indiceren en organiseren vanverpleging en verzorging in de eigen omgeving. Een aantal regio’s gaat opbasis van ervaringen en resultaten van het project Versterken Hospicezorgdat in 2024 en 2025 heeft gelopen, starten met het onderzoeken hoevrijwilligers vaker thuis kunnen worden ingezet om mantelzorgers teontlasten en te voorkomen dat opname in een hospice nodig is. De balanstussen de wens om thuis te overlijden en de beschikbaarheid vanhospices als alternatief, en nader onderzoek naar de groep mensen voorwie een sociale indicatie doorslaggevend is zullen onderdeel zijn van hetplan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg waaraan momenteeldoor betrokken partijen wordt gewerkt.De leden van de VVD-fractie vragen om een reactie op de bezwaren vanstakeholders bij de in het rapport voorgestelde stelselwijziging.Ik heb kennisgenomen van de bezwaren van enkele stakeholders en hebdaarover met alle betrokken partijen gesproken. Momenteel wordt samenmet betrokken partijen gewerkt aan een plan van aanpak toekomstbe-stendige hospicezorg, waarin deze bezwaren worden meegewogen.De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgestelde tweedeling inhospices en het onderbrengen van bijna-thuis-huizen in het sociaaldomein naar verwachting van het kabinet leidt tot een versnippering inhet hospicelandschap? Wat zijn de gevolgen voor de keuzevrijheid vanhospicegasten, waar de leden van de VVD-fractie waarde aan hechten? Enwelke invloed zou deze stelselwijziging hebben op de administratievelast? Hoe noodzakelijk vindt het kabinet een stelselwijziging?Over de wijze van opvolging van de aanbevelingen vindt op dit momentoverleg plaats met de betrokken partijen, te weten ActiZ, AHzN, VPTZ enPZNL. Daarnaast zullen ZN, de NZa, ZiN, Patiëntenfederatie Nederland ende VNPZ worden betrokken. Het overleg resulteert in een plan van aanpaktoekomstbestendige hospicezorg voor de komende vijf tot tien jaar.Daarbij zal worden bezien wat uit dit plan van aanpak binnen de reste-rende looptijd van NPPZ II nog kan worden opgepakt en wat wordtmeegenomen in de langjarige toekomstagenda die nu in de maak is.De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet de conclusie in hetrapport dat «de hospicezorg precair is» deelt. En wat de grootsteproblemen bij hospices zijn die het hoofd geboden moeten worden. Zijvragen zich af of de voorgestelde stelselwijzigingen proportioneel ennoodzakelijk zijn.De term «precair» verwijst niet naar de kwaliteit of inzet van de hospi-cezorg zelf, maar naar structurele kwetsbaarheden in de organisatie enfinanciering van het huidige stelsel, zoals de afhankelijkheid van tijdelijkefinanciering, personele knelpunten en verschillen in regionale beschik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9814 baarheid, die de continuïteit en toegankelijkheid van hospicezorg onderdruk kunnen zetten. Zo is er geen vaste regisseur van het capaciteits-vraagstuk, is de financiering een lappendeken en is deze niet altijdduurzaam en zijn er verschillen in de eigen bijdragen. Uit de eerstegesprekken met partijen blijkt dat er behoefte is aan een gezamenlijkevisie op hospicezorg, minder vrijblijvendheid, gelijke toegang en gelijkebekostiging, een goede balans en uitwisseling tussen formele eninformele zorg, en goede data en sturingsinformatie. Er is nog nietbepaald of de oplossing hiervoor (ook) in een stelselwijziging ligt.De leden van de VVD-fractie merken op dat met de voorgestelde stelsel-wijziging de nadruk wordt gelegd op centralisatie, scheiding van functiesen uniformering. In de status quo draaien hospices juist op «naober-schap». Biedt de voorgestelde stelselwijziging voldoende ruimte voorinitiatieven vanuit dit «naoberschap»?Het is belangrijk dat gemeenschapszin behouden blijft in de hospicezorg.Hospices bieden warme zorg en ondersteuning, uitgaande van dewensen, waarden en behoeften van mensen in de allerlaatste fase vanhun leven. Het is van belang dat hospicezorg een volwaardige plek in hetzorglandschap heeft en houdt, goed is ingebed in de samenleving, eenmooie combinatie van formele zorg en informele zorg en ondersteuningbiedt en dat gelijke toegang en financiering geborgd zijn. Deze elementenworden betrokken bij de gesprekken over een plan van aanpak toekomst-bestendige hospicezorg.Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat al een aantal jarenhospices in het project «versterken hospicezorg» gezamenlijk met hunpartners regionaal werken aan het aanpakken van vraagstukken. In ditrapport wordt dit project met haar voortgang en uitkomsten niet meege-nomen. Hoe reflecteert het kabinet hierop? Zijn in het rapport de ideeënvan hospices zelf voldoende meegenomen? De leden van de VVD-fractiehechten er waarde aan dat bij verbetervoorstellen goed wordt afgewogenhoe deze wijzigingen lokaal in de praktijk landen.In 2024 is binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II),project Versterken Hospicezorg, een gestructureerd overzicht gemaakt vanalle hospices in Nederland. Voor het eerst zaten alle hospices en anderebij hospicezorg betrokken zorgaanbieders gezamenlijk aan tafel om tekijken naar wat er nodig is in de toekomst. Niet alleen voor hun eigenhospice of binnen hun eigen gemeente, maar ook om de hospicezorgregionaal te verbeteren. Het overzicht schetst een beeld van het huidigelandschap en de toekomstig benodigde capaciteit (landelijk en regionaal).Wat nog ontbrak was inzicht in de variatie aan vormen van organisatie enbekostiging van de hospicezorg en wat dit betekent voor de toekomstbe-stendigheid. Ook met het oog op toenemende druk op formele eninformele zorg en de budgetten. Voortbouwend op Versterken Hospice-zorg is daarom door het Ministerie van VWS een opdracht verstrekt om devariatie in organisatievormen in het hospicelandschap in kaart te brengen.In het onderzoek is gebruik gemaakt van openbare gegevens uit openbarebronnen en informatie die door NPPZ II (ook over het project VersterkenHospicezorg), hospices en koepelorganisaties beschikbaar werd gesteld.Aanvullend is gesproken met 14 organisaties die één of meerderehospices uitbaten en met een aantal veldpartijen. Gedurende hetonderzoek zijn de bevindingen besproken in een klankborgroep met ActiZ,AHzN en VPTZ.Over de wijze van opvolging van de aanbevelingen vindt op dit momentoverleg plaats met de betrokken partijen, te weten ActiZ, AHzN, VPTZ enPZNL. Daarnaast zullen ZN, de NZa, ZiN, Patiëntenfederatie Nederland enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9815 de VNPZ worden betrokken. Het overleg resulteert in een plan van aanpaktoekomstbestendige hospicezorg voor de komende vijf tot tien jaar.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er geen landelijkuniform normenkader bestaat voor het zogeheten opnamebesluit. Zou hetkabinet kunnen reflecteren op de mate waarin dit (regionale) verschillenversterkt? Zou het kabinet tevens kunnen reflecteren op de eventuelewenselijkheid van een landelijk uniform normenkader? Zouden zij hierbijde voor- en nadelen kunnen opsommen van enerzijds het hebben van eenlandelijk uniform normenkader en anderzijds het niet hebben van eenlandelijk uniform normenkader?Een landelijk normenkader bevordert gelijke toegang en duidelijkheid bijzowel patiënten, naasten, verwijzers als financiers. De aanspraak oppassende hospicezorg wordt daardoor toetsbaar en transparant door dejuiste deskundigheid in te zetten en aan te sluiten bij de wet- en regel-geving op basis waarvan de informele en formele hospicezorg wordttoegekend en bekostigd.Aan de andere kant is bij een landelijk normenkader minder maatwerkmogelijk en kan het spanning geven bij hospices die vanuit een eigenfilosofie, een bepaalde levensovertuiging en/of flexibiliteit willenopereren. Het kan daarbij lastig zijn om een landelijk uniform normen-kader op te stellen dat recht doet aan de variatie in zorgbehoeften vanhospicegasten.Voor alle hospicevormen is er overigens nu al wel één uniforme landelijkenorm: om de verpleegkundige zorg vergoed te kunnen krijgen (of dat nu isvia eerstelijnsverblijf of via wijkverpleging) moet een inschatting zijn datde levensverwachting minder dan drie maanden is.Voor de toekomst is het belangrijk om te kijken of er enkele relevante entoetsbare normen kunnen worden vastgesteld die ook mogelijkhedenbieden voor maatwerk.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het organisatiemodelbepaalt of en hoe de indicatiestelling en het opnamebesluit bekostigd zijn.Zou het kabinet kunnen reflecteren op de mate waarin dit leidt totongelijkheid in toegang tot zorg in verband met de kosten die doorge-rekend worden naar de patiënt?De huidige inrichting van hospicezorg leidt tot verschillen in kosten dieworden doorgerekend naar de patiënt. Zo geldt bijvoorbeeld voorhigh-care hospices en palliatieve units dat er een tarief per dag wordtgedeclareerd via de bekostiging van het eerstelijnsverblijf. Hiervoor geldthet eigen risico. Bij bijna-thuis-huizen wordt de zorg geleverd vanuit dewijkverpleging waar geen eigen risico voor geldt, maar voor het verblijfwordt wel een eigen bijdrage gevraagd aan de gasten. Wat betreft de«toegang tot zorg» zijn bij de NZa geen beperkende signalen bekend.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoeveel tijd erdoorgaans door zorgverleners wordt besteed aan indicatiestelling vooreerstelijnsverblijf, hoeveel tijd er doorgaans wordt besteed aan het komentot een opnamebesluit en hoe een opnamebesluit geregistreerd enverantwoord dient te worden.Conform de opgestelde zorginhoudelijke beschrijving eerstelijnsverblijfpalliatieve terminale zorg (ELV PTZ, NZa) geleverd door hospices (AHzN)en de onderbouwing daarvan wordt hiervoor gemiddeld in totaal120–150 minuten door een verpleegkundige (HBO-V) besteed: deverpleegkundige voert een persoonlijk intakegesprek met de patiënt ennaaste en op basis van de vierdimensionale anamnese wordt de indicatievoor hospicezorg/ELV PTZ bepaald (45–60 minuten); op basis van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9816 positieve indicatie wordt het opnamebesluit genomen en wordt eenindividueel zorgplan opgesteld en alles geregeld voor de opname(45–60 minuten); bij voorkeur voert de verpleegkundige het gesprek metde arts, indien dit niet mogelijk is wordt er van tevoren en na het gesprekoverlegd (10–20 minuten). De geschetste levensverwachting van driemaanden door de arts moet in het dossier zijn opgenomen. Afhankelijkvan de bekostiging ELV PTZ of Wlz PTZ met verblijf zijn er eisen waaraanvoldaan moet worden, onder andere de verplichting om op te nemen bijpositieve indicatie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het op dit momentonbekend is wat de totale maatschappelijke kosten zijn van huisartsenvi-sites in hospices. Is er een wijze om dit alsnog inzichtelijk te maken? Opwelke wijze wordt ingezet op landelijke, toegankelijke informatievoor-ziening waarmee patiënten en hun naasten snel en duidelijk inzicht krijgenin de verschillen tussen hospices en zorgvormen? Hoe wordt gezorgd datpatiënten en naasten tijdig heldere en toegankelijke informatie ontvangenover kosten en vergoedingen voor hospicezorg? Hoe wordt de kwaliteitvan de palliatieve zorg gemonitord vanuit het perspectief van patiënten enhun naasten? Op welke wijze wordt ondersteuning van naasten enmantelzorgers meegenomen in kwaliteitsborging en financiering vanhospices?De wijze van monitoring en informatievoorziening in het algemeen zullenonderdeel zijn van de gesprekken die nu worden gevoerd met betrokkenpartijen en die moeten leiden tot een plan van aanpak toekomstbe-stendige hospicezorg.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gemeenten zijn diegemeentelijke subsidies verstrekken aan hospices. Hoe hoog zijn dezesubsidies gemiddeld? In hoeveel en in welke gemeenten worden ersubsidies verstrekt?Een totaaloverzicht hiervan is niet beschikbaar.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het deel van decliënten dat een vergoeding rechtstreeks aan het hospice betaalt en dehoogte van deze vergoeding verschilt tussen hospices. Bestaat er eenmaximum aan de eigen bijdrage die gevraagd zou mogen worden dooreen hospice die niet zelf V&V levert? Zo nee, waarom niet en bestaan erandere dergelijke kaders om te voorkomen dat de zorg ontoegankelijkwordt voor mensen met een lager inkomen of vermogen? Op welke wijzewordt er toezicht gehouden op de kwaliteit van de (informele) zorg bijhospices die niet zelf V&V leveren? Bij welke organisatie zouden patiëntenen hun naasten terecht kunnen met klachten over de kwaliteit van dezorg?Dergelijke kaders ontbreken op dit moment. Dit is een onderwerp bij degesprekken met betrokken partijen die moeten leiden tot een plan vanaanpak toekomstbestendige hospicezorg.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deaanbevelingen van het rapport. Zou het kabinet nader kunnen toelichtenin hoeverre deze conclusies gedeeld worden door de zorgverzekeraars?Zou het kabinet tevens nader kunnen toelichten welke eventuele risico’s ergepaard zouden kunnen gaan met het overhevelen van de hospices dieinformele zorg leveren binnen het sociaal domein?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9817 In mijn brief van 4 november 20253 heb ik aangegeven dat over de wijzevan opvolging van de aanbevelingen overleg plaatsvindt met debetrokken partijen. Zoals hierboven is aangegeven vallen ook dezorgverzekeraars daaronder. Hun inbreng zal worden betrokken bij detotstandkoming van een plan van aanpak toekomstbestendige hospi-cezorg.De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan bevestigen dat hetbelang van vrijwilligers en het behoud van hun inzet expliciet wordtmeegenomen als uitgangspunt bij eventuele vervolgstappen.Ja, dit wordt expliciet meegenomen als één van de uitgangspunten bij devervolgstappen.De leden van de CDA-fractie vragen: Op welke wijze is de ondersteuningvan vrijwilligers die via hospices worden ingezet in de thuissituatiegeborgd, en wordt deze groep meegenomen in het vervolg?Het Gupta-rapport richt zich op de organisatie en bekostiging vanhospicezorg. Dat laat onverlet dat de inzet van vrijwilligers voor palliatieveterminale zorg onmisbaar is voor ondersteuning van kwetsbare mensen inde laatste levensfase. De inzet van deze vrijwilligers wordt ondersteundvia de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijkeverzorging thuis. In de vervolgstappen wordt gekeken naar manieren omde ondersteuning en inzet van vrijwilligers structureel te borgen, zodatook hun rol in de thuissituatie en in hospices in de toekomst gewaarborgdblijft. Hiermee wordt deze groep nadrukkelijk meegenomen bij de verdereinrichting van de hospicezorg en palliatieve terminale ondersteuning.De leden van de CDA-fractie vragen wanneer er duidelijkheid komt overhet vervolg van de subsidieregeling.Op korte termijn wordt een verlenging van de subsidieregelingvoorbereid, zodat hospices en andere instellingen voor palliatieveterminale zorg de continuïteit kunnen waarborgen en tijdig een aanvraagvoor 2027 kunnen indienen. Op langere termijn wordt, op basis van deevaluatie (verwacht in april 2026) en aanpalende trajecten, bezien hoe deregeling toekomstbestendig kan worden ingericht. Het is aan een volgendkabinet om uw Kamer te informeren over de vervolgstappen en detoekomstige vormgeving van de subsidieregeling.De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat een nieuwebekostigingssystematiek niet leidt tot hogere administratieve lasten, en opwelke wijze kan worden ingezet op een vermindering hiervan?Dit zal één van de uitgangspunten zijn van waaruit wordt gewerkt aan hetplan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.De leden van de CDA-fractie vragen hoe hulp en ondersteuning thuis,vaak geleverd door vrijwilligers via hospices, wordt meegenomen.In een aantal regio’s die hebben geparticipeerd in het project VersterkenHospicezorg is gekeken hoe vrijwilligers vaker thuis kunnen wordeningezet om mantelzorgers te ontlasten en te voorkomen dat hospicezorgnodig is. Dit zal ook als één van de uitgangspunten worden meegenomenin het plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.3Kamerstukken II, 2025–2026, 29 509, nr. 97.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9818 De leden van de CDA-fractie vragen naar het risico dat het meenemen vaninformele zorgbudgetten in de tariefstelling leidt tot een financiële prikkeldie vrijwilligerswerk ontmoedigt.Bij de uitwerking zal dit risico worden meegewogen. Het moge duidelijkzijn dat een dergelijke negatieve prikkel niet gewenst is.De leden van de CDA-fractie vragen tot slot: Met welke partijen vindt denadere afstemming plaats over de toekomstige inrichting van dehospicezorg?Hierover vindt op dit moment overleg plaats met de betrokken partijen, teweten ActiZ, AHzN, VPTZ en PZNL. Daarnaast zullen ZN, de NZa, ZiN,Patiëntenfederatie Nederland en de VNPZ worden betrokken. Het overlegresulteert in een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg voorde komende vijf tot tien jaar.De leden van de BBB-fractie vragen hoe kan worden gegarandeerd datook krimpregio’s, dorpen en kleinere kernen toegang houden tot tijdigepalliatieve zorg dichtbij huis.Het is van belang dat hospicezorg een volwaardige plek in het zorgland-schap heeft en houdt, goed is ingebed in de samenleving, een mooiecombinatie van formele zorg en informele zorg en ondersteuning biedt endat er sprake is van gelijke toegang en financiering. Dit geldt ook inkrimpregio’s, dorpen en kleinere kernen. Vanuit deze uitgangspunten zalsamen met alle betrokken partijen worden gewerkt aan een plan vanaanpak toekomstbestendige hospicezorg voor de komende vijf tot tienjaar.De leden van de BBB-fractie vragen wie de eindregie krijgt overuitbreiding van capaciteit, en hoe wordt voorkomen dat hospices zelffinanciële risico’s dragen bij noodzakelijke opschaling.Dit is een onderwerp bij de gesprekken met betrokken partijen die moetenleiden tot een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet bereid is te komen totheldere landelijke normen voor opname, zodat cliënten niet afhankelijkzijn van lokale verschillen in interpretatie of organisatiemodel.Dit is een onderwerp bij de gesprekken met betrokken partijen die moetenleiden tot een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet bereid is toe te werkennaar een transparant en uniform systeem dat betaalbaarheid en toeganke-lijkheid bevordert?Dit is een onderwerp bij de gesprekken met betrokken partijen die moetenleiden tot een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Deopdracht voor totstandkoming van het rapport had overigens wel dezedoelstelling.De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt gezorgd voor transparantiein de financiële stromen en continuïteit van hospices, zonder extraadministratieve lasten?Dit is een onderwerp bij de gesprekken met betrokken partijen die moetenleiden tot een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9819 De leden van de SGP-fractie vragen naar een reflectie op de hoofdstukken2 en 3 van het rapport waarin Gupta de belangrijkste knelpunten opsomten een oplossingsrichting voorstelt en of het kabinet puntsgewijs kanreageren op de bevindingen van Gupta in hoofdstuk 2.Aangezien de gesprekken met alle betrokken partijen over het rapport ende vervolgstappen nog lopen en een kabinetsstandpunt over drie trajecten(Gupta-rapport, evaluatie subsidieregeling en toekomstagenda) insamenhang begin juli volgt, kan het kabinet nu niet reageren op specifiekepunten uit het rapport.De leden van de SGP-fractie vragen welke maatregelen er al zijn genomenom het inzicht in de beschikbaarheid van hospicezorg in regionaalverband te vergroten, met name in het project «Versterken Hospicezorg».En of er regio’s zijn waar al wel een gezamenlijke wachtlijst is en hoe ditfunctioneert.Binnen het project Versterken Hospicezorg is in een aantal regio’s gewerktaan regionale coördinatie en monitoring van bedbezetting. Omdateigenaarschap en eindverantwoordelijkheid van het capaciteitsvraagstukniet formeel bij een partij belegd zijn, is inzicht in beschikbaarheid vanhospicezorg op dit moment afhankelijk van hoe een regio dit zelf vorm eninhoud geeft.Daarom zal dit een onderwerp zijn bij de gesprekken met betrokkenpartijen die moeten leiden tot een plan van aanpak toekomstbestendigehospicezorg.De leden van de SGP-fractie vragen naar de kwalificatie «precair» en ofdeze omschrijving wordt gedeeld. Zo niet, hoe het kabinet de situatie metbetrekking tot de hospicezorg zou omschrijven. Verder vraagt deSGP-fractie of is kennisgenomen van de kritiek van VPTZ Nederland diezich niet herkent in de kwalificatie «precair» en hoe dit wordt geduid.De term «precair» verwijst niet naar de kwaliteit of inzet van de hospi-cezorg zelf, maar naar structurele kwetsbaarheden in de organisatie enfinanciering van het huidige stelsel, zoals de afhankelijkheid van tijdelijkefinanciering, personele knelpunten en verschillen in regionale beschik-baarheid, die de continuïteit en toegankelijkheid van hospicezorg onderdruk kunnen zetten. Zo is er geen vaste regisseur van het capaciteits-vraagstuk, is de financiering een lappendeken en is deze niet altijdduurzaam en zijn er verschillen in de eigen bijdragen. Uit de eerstegesprekken met partijen blijkt dat er behoefte is aan een gezamenlijkevisie op hospicezorg, minder vrijblijvendheid, gelijke toegang en gelijkebekostiging, een goede balans en uitwisseling tussen formele eninformele zorg, en goede data en sturingsinformatie.De leden van de SGP-fractie vragen naar het voorgestelde onderscheidtussen twee soorten hospices. Enerzijds hospices waar formele zorgwordt geleverd, sprake is van medisch noodzakelijk verblijf en diegefinancierd worden vanuit de zorgverzekeraars en zorgkantoren.Anderzijds hospices als alternatieve verblijfplaats met informele zorg,gefinancierd vanuit het sociaal domein.Dit is één van de oplossingsrichtingen die samen met alle betrokkenpartijen wordt meegewogen in het plan van aanpak toekomstbestendigehospicezorg dat op dit moment wordt opgesteld op basis van hetGupta-rapport.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9820 Verder vragen de leden van de SGP-fractie of hospices die nu beidefuncties vervullen moeten kiezen wat voor soort hospice zij willen zijn,hoe wenselijk dat is en hoe wordt voorkomen dat er gaten in hetzorgaanbod ontstaan doordat hospices gedwongen worden om te kiezentussen één van beide categorieën.Ook dit wordt meegewogen in het plan van aanpak toekomstbestendigehospicezorg dat op dit moment wordt opgesteld op basis van hetGupta-rapport.Meer principieel vragen de leden van de SGP-fractie hoe wenselijk het isom een organisch gegroeid zorglandschap dat voor het grootste deelbestaat uit hospices die financieel gezond zijn en goede kwaliteit van zorgbieden zo rigoureus te gaan herinrichten. En hoe wordt voorkomen dat ereen soort tekentafeloplossing wordt ingevoerd. De leden van deSGP-fractie vragen naar het risico dat door alle hospicezorg strikt onder tebrengen bij de Zvw of Wmo lokale verworteling wordt aangetast. En hetrisico dat hospices in een keurslijf worden geperst.Deze vraag is op zichzelf begrijpelijk. Tegelijkertijd maakt het rapportduidelijk dat die organische groei ook heeft geleid tot veel verschillen diemoeilijk uitlegbaar zijn en waardoor mensen die op een hospice aange-wezen zijn onvoldoende weten waarop ze kunnen rekenen. Het is vanbelang dat hospicezorg een volwaardige plek in het zorglandschap heeften houdt, goed is ingebed in de samenleving, een mooie combinatie vanformele zorg en informele zorg en ondersteuning biedt en dat gelijketoegang en financiering geborgd zijn. Vanuit deze uitgangspunten zalsamen met alle betrokken partijen worden gewerkt aan een plan vanaanpak toekomstbestendige hospicezorg voor de komende vijf tot tienjaar.De leden van de SGP-fractie vragen naar de wenselijkheid van een situatiedat iemand verblijft in een hospice met informele zorg, en te maken krijgtmet verslechterende gezondheid waardoor 24/7 zorg nodig is en dusovergeplaatst moet worden naar een andersoortig hospice.Dit is niet wenselijk en zou in de toekomstige inrichting moeten wordenvoorkomen. Daarbij kan onder andere gebruik gemaakt worden van deinzichten uit het project HOOP (UMC Utrecht), dat als doel heeft eenevidence based instrument te ontwikkelen dat helpt complexiteit van dezorgvraag systematisch inzichtelijk te maken, bij aanmelding, bij opname,en twee weken na opname.De leden van de SGP-fractie vragen naar de wenselijkheid, vanuit hetoogpunt van versnippering van zorg, om een deel van de hospicezorgonder te brengen in het sociaal domein, waardoor gemeenten – náást deRijksoverheid en verzekeraars – ook een rol gaan krijgen in de hospice-zorg.Uitgangspunt is geen verdere versnippering van hospicezorg. Veelaanbevelingen van het rapport zien juist op het tegengaan van bestaandeversnippering en moeilijk uitlegbare differentiatie. Of, en zo ja, hoegemeenten een rol krijgen in de toekomstige inrichting is nog onderwerpvan gesprek tussen de genoemde betrokken partijen en – indien aan deorde – de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).De leden van de SGP-fractie vragen of met het voorstel van Gupta omtwee soorten hospices te creëren het probleem is opgelost dat hetonduidelijk is wanneer iemand aanspraak kan maken op formele zorg metverblijf en wanneer het verblijf buiten de aanspraak valt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9821 Of en hoe dit voorstel onderdeel wordt van de aanpak voor een toekom-stige inrichting van de hospicezorg is nog onderwerp van gesprek metbetrokken partijen. Het adequaat kunnen indiceren of iemand formele zorgmet verblijf nodig heeft maakt deel uit van de overwegingen.De leden van de SGP-fractie vragen naar de toekomstige organisatie vanzorg in de nacht en de betrokkenheid van familieleden of andere mantel-zorgers daarbij. Ook vragen de leden van de SGP-fractie zich af wat danhet verschil is met palliatief terminale zorg thuis en of er dan nog behoeftebestaat aan hospices met verblijf en informele zorg. En vragen zij om diebehoefte nader te laten onderzoeken.Een dergelijk onderzoek kan onderdeel uitmaken van de route naar eentoekomstige inrichting van het hospicelandschap.Gupta geeft aan dat het wenselijk is dat de bekostiging uitgaat van dezorgvraag van de cliënt, niet van de (huidige) organisatievormen vanhospices. De leden van de SGP-fractie vragen zich af of hospicelandschapdat Gupta schetst, voldoet aan de zorgvraag van de cliënt.De zorgvraag van de cliënt is altijd het uitgangspunt van goede enpassende zorg. Palliatieve (terminale) zorg is bij uitstek passende zorg,dus moet aansluiten bij de waarden, wensen en behoeften van de cliënt.In de aanpak voor een toekomstige inrichting van de hospicezorg zal dusmoeten worden getoetst of de keuzes ten aanzien van de organisatie vanhospicezorg inderdaad aansluiten bij wat cliënten nodig hebben.Gupta schrijft dat een smalle afbakening van de aanspraak betekent datcapaciteit van hospices die nu formele zorg leveren, en via elv-bekostigdworden, moet worden afgebouwd of omgevormd naar hospices zondermedisch noodzakelijk verblijf. De leden van de SGP-fractie vragen om eennadere duiding van wat dit betekent voor zelfstandige hospices. En ofdeze beweging ertoe kan leiden dat goedlopende hospices hun activi-teiten helemaal moeten beëindigen.Of en hoe dit voorstel onderdeel wordt van de aanpak voor een toekom-stige inrichting van de hospicezorg is nog onderwerp van gesprek metbetrokken partijen.De leden van de SGP-fractie vragen of activiteiten op het snijvlak van hetzorgdomein en het sociaal domein per se door gemeenten opgepaktmoeten worden. En of het ook van zorgverzekeraars gevraagd zou kunnenworden om (financieel) te ondersteunen bij burgerinitiatieven.Of, en zo ja, hoe gemeenten een rol krijgen in de toekomstige inrichting isnog onderwerp van gesprek tussen de genoemde betrokken partijen en –indien aan de orde – de VNG. Ook de toekomstige rol van zorgver-zekeraars/zorgkantoren is nog onderwerp van gesprek.De leden van de SGP-fractie geven tot slot aan dat uit bijlage A blijkt datde reistijden naar specifieke types hospicezorg in bepaalde delen van hetland ver achterblijft. Dit gaat dan met name om high care hospicezorg(Friesland, Groningen, Drenthe en het grootste deel van Zeeland) enpalliatieve units (delen van Zeeland, Overijssel, Gelderland en Brabant).Zij vragen wie in het nieuwe systeem verantwoordelijk is voor debeschikbaarheid en het creëren van dergelijke zorgaanbod.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9822 Het rapport adresseert dat er op dit moment niet één partij is die de regievoert en aanspreekbaar is. Dit is één van de knelpunten die moet wordenopgelost in samenwerking met alle betrokken partijen en zal dus wordenbetrokken in de genoemde gesprekken over het toekomstige hospiceland-schap.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke vraag of probleem-stelling vanuit het ministerie is meegegeven aan de opdrachtnemers vandit adviesrapport. Wat is de achtergrond van deze vraag en wordt dezevraag of dit probleem ook zo in de sector beleefd, zo vragen deze leden.Zijn de sectorpartijen betrokken geweest bij de totstandkoming van deopdracht en zo nee, waarom niet? De leden van de ChristenUnie-fractievinden het belangrijk dat oplossingen voor ervaren problemen wordengezocht. Is aan de sectorpartijen gevraagd welke problemen moetenworden opgelost?In 2024 is binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II),project Versterken Hospicezorg, een gestructureerd overzicht gemaakt vanalle hospices in Nederland. Voor het eerst zaten alle hospices gezamenlijkaan tafel om te kijken naar wat er nodig is in de toekomst. Niet alleen voorhun eigen hospice of binnen hun eigen gemeente, maar om de hospi-cezorg regionaal te verbeteren. Het overzicht schetst een beeld van hethuidige landschap en de toekomstig benodigde capaciteit (landelijk enregionaal). Wat nog ontbrak was inzicht in de variatie aan vormen vanorganisatie en bekostiging van de hospicezorg en wat dit betekent voor detoekomstbestendigheid. Ook met het oog op toenemende druk op formeleen informele zorg en de budgetten. Voortbouwend op VersterkenHospicezorg is daarom door het Ministerie van VWS een opdrachtverstrekt om de variatie in organisatievormen in het hospicelandschap inkaart te brengen. Het rapport «Hospices in Nederland» laat zien dat dehuidige variëteit aan organisatievormen en bekostigingsstructurenknelpunten oplevert op het gebied van beschikbaarheid, kwaliteit enbetaalbaarheid van hospicezorg. Er worden aanbevelingen gedaan voorhoe het landschap er over vijf tot tien jaar uit zou kunnen zien. Over dewijze van opvolging van de aanbevelingen vindt op dit moment overlegplaats met de betrokken partijen; ActiZ, AHzN, VPTZ en PZNL. Daarnaastzullen ZN, de NZa, ZiN, Patiëntenfederatie Nederland en de VNPZ wordenbetrokken. Het overleg resulteert in een plan van aanpak toekomstbe-stendige hospicezorg voor de komende vijf tot tien jaar. Daarbij zalworden bezien wat uit dit plan van aanpak binnen de resterende looptijdvan NPPZ II nog kan worden opgepakt en wat wordt meegenomen in delangjarige toekomstagenda die nu in de maak is.Hoewel de opdracht voor het rapport door het Ministerie van VWS isgeformuleerd en aanvankelijk niet door alle partijen werd toegejuichtmerk ik in de lopende gesprekken dat de analyses van het rapport in grotelijnen worden herkend en dat breed het besef leeft dat er gezamenlijk nogwerk aan de winkel is voor een toekomstbestendig hospicelandschap.Welke stappen zijn er de afgelopen jaren gezet om meer afstemming tecreëren tussen hospices, om meer inzicht te krijgen in de huidigecapaciteit, lege bedden en toekomstig benodigde capaciteit in regio’s, zovragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Welke stappen zijn er algezet en welke ontwikkelingen lopen er momenteel om de bekostigingbeter aan te laten sluiten bij de daadwerkelijke kosten en zorgvraag, zovragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Binnen het NPPZ II-project Versterken Hospicezorg dat liep in 2024 en2025, konden regio’s gebruik maken van een financiële stimulerings-impuls om te werken aan toekomstbestendige hospicezorg, waarincapaciteit, kwaliteit en samenwerking centraal stonden. Het organiserenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9823 van samenwerking tussen hospices en bij hospicezorg betrokkenzorgaanbieders moest in de meeste regio’s nog worden opgestart.Meerdere studies over samenwerking in de zorg laten zien dat hetrealiseren van samenwerking een proces is dat tijd vraagt. De gereali-seerde samenwerking in de meeste regio’s mag daarom als een belangrijken waardevol resultaat van het project worden beschouwd.Alle deelnemende regio’s hebben een capaciteitsplan opgesteld op basisvan het rapport van Berenschot («Versterken Hospicezorg, onderzoek naarhuidige en toekomstig benodigde capaciteit»). Daarnaast is in een aantalregio’s gewerkt aan regionale coördinatie en monitoring van bedbe-zetting. Omdat eigenaarschap en eindverantwoordelijkheid van hetcapaciteitsvraagstuk niet formeel bij een partij belegd zijn, is inzicht inbeschikbaarheid van hospicezorg op dit moment afhankelijk van hoe eenregio dit zelf vorm en inhoud geeft.Daarom is dit een onderwerp bij de gesprekken met betrokken partijen diemoeten leiden tot een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.Ten aanzien van de constatering op pagina 33 dat de InspectieGezondheid en Jeugd (IGJ) een inspectie heeft uitgevoerd bij 3% van dehospicelocaties, merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat deIGJ na deze steekproef geen signalen had om verder onderzoek te doenen bij andere signalen de inspectie weer activeert. De leden van deChristenUnie-fractie vragen of dit herkenbaar is en een standaard maniervan werken voor de IGJ.Het is herkenbaar dat de IGJ voor dit onderwerp op deze manier werkt.Ten aanzien van het beperkte zicht dat zorgverzekeraars hebben op dekwaliteit van zorg in hospices, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de bestaande regels voor inkoop en verantwoording vanwerkzaamheden niet net als bij andere zorgaanbieders voldoende controleop de kwaliteit biedt. Wat maakt het zicht op de kwaliteit in hospicezorganders dan bij andere zorgaanbieders?In geval van de bijna-thuis-huizen hebben zorgverzekeraars geencontractrelatie met de bijna-thuis-huizen zelf. Zij kunnen dus niet sturenop de kwaliteit van de vrijwilligers en de stichting zelf. Zorgverzekeraarshebben wel een contractrelatie met de zorgaanbieders die de wijkver-pleegkundige zorg leveren in het bijna-thuis-huis. Op die zorg hebbenzorgverzekeraars dus wel zicht.Deelt de sector de conclusie van Gupta Strategists dat situatie van dehospicezorg precair is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.De term «precair» verwijst niet naar de kwaliteit of inzet van de hospi-cezorg zelf, maar naar structurele kwetsbaarheden in de organisatie enfinanciering van het huidige stelsel, zoals de afhankelijkheid van tijdelijkefinanciering, personele knelpunten en verschillen in regionale beschik-baarheid, die de continuïteit en toegankelijkheid van hospicezorg onderdruk kunnen zetten. Zo is er geen vaste regisseur van het capaciteits-vraagstuk, is de financiering een lappendeken en is deze niet altijdduurzaam en zijn er verschillen in de eigen bijdragen. Deze kwetsbaarheidwordt wel door de sector erkend. Uit de eerste gesprekken met partijenblijkt dat er behoefte is aan een gezamenlijke visie op hospicezorg, mindervrijblijvendheid, gelijke toegang en gelijke bekostiging, een goede balansen uitwisseling tussen formele en informele zorg en goede data ensturingsinformatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9824 Ten aanzien van de adviezen van Gupta Strategists om tot een nieuweinrichting te komen van het hospicelandschap vragen de leden van deChristenUnie-fractie of er geen minder drastische maatregelen zijn tebedenken die de geschetste moeilijkheden in de hospicezorg net zo goedkunnen oplossen. Deze leden denken dan aan het verbeteren van desubsidieregeling voor de inzet van vrijwilligers, de verplichte aansluitingbij de VPTZ of de Associatie Hospicezorg Nederland om in aanmerking tekomen voor de subsidie, en verplichte aansluiting bij een regionaaloverleg van hospices om samen de capaciteit af te kunnen stemmen. Watvindt de Staatssecretaris daarvan?In de komende periode wordt bezien welke maatregelen noodzakelijk zijnom de hospicezorg duurzaam te ondersteunen. Daarbij worden ookandere mogelijkheden betrokken, zoals aanpassingen in de subsidie-regeling en het versterken van samenwerking in de regio. De uitkomstenvan de lopende evaluatie van de subsidieregeling, het Gupta-rapport ende Toekomstvisie en langjarige toekomstagenda worden in samenhangbezien bij de verdere besluitvorming. Op basis daarvan zal het volgendekabinet uw Kamer informeren over de te nemen vervolgstappen.Hoe zou een strikt onderscheid tussen hospices met formele zorg metmedisch noodzakelijk verblijf en hospices die een alternatieve verblijf-plaats met informele zorg zijn eruit moeten zien of wat betekent dit voorhospices die beide vormen van zorg bieden, zo vragen de leden van deChristenUnie-fractie. Gaan er hospices verdwijnen als dit zou wordendoorgevoerd?Dit is een onderwerp bij de gesprekken met betrokken partijen die moetenleiden tot een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg.De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris of zij bij deaangekondigde vervolgstappen ook met plannen zal komen om tevoorkomen dat meer hospices zullen moeten sluiten.Het rapport heb ik juist doen opstellen met als doel om te voorkomen dater in de toekomst onvoldoende hospicecapaciteit zou zijn. In de aangekon-digde vervolgstappen richt ik mij op het borgen van de continuïteit entoegankelijkheid van palliatieve terminale zorg zodat hospices ook oplangere termijn hun belangrijke werk kunnen blijven doen.De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of zij bij de vervolgstappenop het gebied van hospicezorg ook de motie Dobbe over een einde makenaan omzetplafonds in de ggz en de palliatieve zorg (Kamerstuk 36 725 XVI,nr. 23) meeneemt. Het gebruik van omzetplafonds in de palliatieve zorgkan immers ook de toegankelijkheid van hospices beperken.In mijn brief van 29 september 20254 ben ik uitgebreid ingegaan op demotie Dobbe. Kern van deze reactie is dat zorgaanbieders van wijkver-pleging en zorgverzekeraars in hun contract onderling afspraken makenover omzetplafonds, die gelden voor de gehele wijkverpleging of heteerstelijnsverblijf. Zorg aan palliatief terminale patiënten maakt daaronderdeel van uit, want palliatieve zorg betreft onder meer een specifiekevorm van wijkverpleging. Hoewel er dus omzetplafonds zijn voor hetgeheel dat aan zorg wordt geleverd, worden deze omzetplafonds in depraktijk niet toegepast voor palliatief terminale zorg. Om te voorkomendat hierover onduidelijkheden bestaan tussen zorgaanbieders enzorgverzekeraars heb ik hierover in het Aanvullend Zorg en Welzijnsak-koord (AZWA) aanvullende afspraken gemaakt.4Kamerstukken II, 2025–2026, 29 509, nr. 96, blz. 6 e.v.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9825 De leden van de 50PLUS-fractie vragen naar de opvolging van deaanbevelingen en wat er kan worden voorbereid in het kader van NPPZ II.Over de wijze van opvolging van de aanbevelingen vindt op dit momentoverleg plaats met de betrokken partijen, te weten ActiZ, AHzN, VPTZ enPZNL. Daarnaast zullen ZN, de NZa, ZiN, Patiëntenfederatie Nederland ende VNPZ worden betrokken. Het overleg resulteert in een plan van aanpaktoekomstbestendige hospicezorg voor de komende vijf tot tien jaar.Daarbij zal worden bezien wat uit dit plan van aanpak binnen de reste-rende looptijd van NPPZ II nog kan worden opgepakt en wat wordtmeegenomen in de langjarige toekomstagenda die nu in de maak is.De bevindingen uit dit rapport worden daarnaast meegenomen en insamenhang bezien met de uitkomsten van de evaluatie van de Subsidiere-geling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis (verwachtin april 2026), en de Toekomstvisie en langjarige toekomstagendaPalliatieve zorg en ondersteuning (verwacht in mei 2026).Ook willen de leden van de 50PLUS-fractie vragen om een reflectie op desuggestie uit het rapport om gemeenten, een nieuwe partij in deze, tebetrekken bij een deel van de hospicezorg.Of, en zo ja, hoe gemeenten een rol krijgen in de toekomstige inrichting isnog onderwerp van gesprek tussen de genoemde betrokken partijen en –indien aan de orde – de VNG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 9826

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · d6288f781614133b

14 okt 2026 · bc203c16d742bffb

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.