KamerkringInloggen
Kamerbrief

Verzamelbrief pensioenonderwerpen najaar 2026

9 sep 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2acd3da8f89dfad7 · officiële bron

32 043 Toekomst pensioenstelsel Nr. 717 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 9 september 2026 Met deze brief informeer ik uw Kamer over de volgende pensioenonderwerpen: (1) reactie op de brief ‘pensioen en uitbetaling uit vaststellingsovereenkomst’, (2) reactie op een oproep tot versterking van informatierechten van gepensioneerden, (3) reactie op het artikel “Netherlands to open up €1.5tn slice of pensions market to foreign providers”, en (4) evaluatie werknemers zonder pensioen 2024. Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om uw Kamer te informeren over een aantal moties en toezeggingen waaraan inmiddels invulling is gegeven. Met de Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen zomer 2026[voetnoot 1] bent u geïnformeerd over het Wetsvoorstel toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen.[voetnoot 2] Dit wetsvoorstel is op 1 juni 2026 bij de Tweede Kamer ingediend. Onderdeel van dit wetsvoorstel betreft de toezegging van een aanpassing aangaande het vullen van de risicodelingsreserve in combinatie met het shoprecht voor flexibele regelingen.[voetnoot 3] Ook wordt met dit wetsvoorstel invulling gegeven aan de motie over de dekking voor wezenpensioen[voetnoot 4] en de toezegging aan de Eerste Kamer omtrent de uitwerking van de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen.[voetnoot 5] Daarnaast kan ik ten aanzien van het onderzoeken van de wens van het lid Joseph (destijds NSC) betreffende het aanpassen van de flexibele regeling laten weten dat hierover gesprekken worden gevoerd met betrokken partijen.[voetnoot 6] Tot slot heeft uw Kamer in juni 2025 gevraagd om een kabinetsreactie te geven op de initiatiefnota van de leden Joseph en Vermeer (destijds beiden BBB).[voetnoot 7] De voorstellen in die nota zagen op eerlijke en realistische communicatie, een versterkte koopkrachtambitie, governance en een alternatief voor het invaren. In een aantal brieven is inmiddels gereageerd op verschillende onderdelen van de initiatiefnota, onder andere in (a) de kabinetsreactie op het NSC pamflet “een offensief voor bestaanszekerheid”[voetnoot 8] met een reactie op het gebied van communicatie, (b) de kabinetsreactie op het amendement Joseph c.s.[voetnoot 9] met een reactie op communicatie, governance en koopkracht, en (c) de Kamerbrief Additionele Instrumenten Koopkracht en Koopkrachtambitie, waarin onder andere is ingegaan op de voorstellen rond een versterkte koopkrachtambitie.[voetnoot 10] Mocht uw Kamer de behandeling van deze initiatiefnota verder ter hand willen nemen, dan zal het kabinet daar desgevraagd een bijdrage aan leveren. Reactie op de brief “pensioen en uitbetaling uit vaststellingsovereenkomst” Naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie van SZW van de Tweede Kamer van 2 juni 2026 om een reactie op de brief ‘pensioen en uitbetaling uit vaststellingsovereenkomst’, merk ik het volgende op. In de brief vraagt de brievenschrijver aandacht voor het onderscheid binnen de socialezekerheidswetgeving tussen pensioenuitkeringen die wel als inkomen worden verrekend – met bijvoorbeeld een werkloosheidsuitkering – en een ontslagvergoeding op grond van een vaststellingsovereenkomst (VSO) niet. De brievenschrijver wijst er daarbij op dat pensioen gedurende het werkzame leven wordt opgebouwd en dat een ontslagvergoeding uit een VSO volgens hem eveneens een inkomensvervangend karakter kan hebben. Vanuit die vergelijking stelt hij dat de verschillende behandeling leidt tot een benadeling van mensen die pensioen hebben opgebouwd en dat sprake is van een structurele inconsistentie en strijd met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Ik deel die conclusie niet. Pensioenuitkeringen en ontslagvergoedingen verschillen naar hun aard, doel en juridische behandeling en zijn daarom niet zonder meer als gelijke gevallen aan te merken. De behandeling van pensioenuitkeringen en ontslagvergoedingen uit een VSO binnen het socialezekerheidsstelsel is afhankelijk van de specifieke wettelijke grondslag, aard en strekking van de aanspraak. Deze kunnen per socialezekerheidsregeling verschillen. Hoewel zowel pensioenen als VSO-vergoedingen fiscaal worden gekwalificeerd als loon uit vroegere dienstbetrekking (Box 1)[voetnoot 11], verschilt de toepassing binnen de sociale zekerheid op basis van de specifieke doelstellingen van de uitkeringswetten. Pensioenuitkeringen worden bijvoorbeeld binnen de toepasselijke wettelijke kaders van de Werkloosheidswet (WW) aangemerkt als periodiek inkomen ter voorziening in het levensonderhoud en worden daarom met een WW-uitkering verrekend. Ik begrijp dat het verschil in behandeling vragen kan oproepen, omdat pensioen in het algemene spraakgebruik ook wel als ‘uitgesteld loon’ wordt aangeduid. Deze aanduiding staat echter los van de juridische kwalificatie en behandeling van een pensioenuitkering binnen de socialezekerheidswetgeving. Dat pensioenuitkeringen gedurende het werkzame leven zijn opgebouwd, verandert hun juridische aard en strekking niet binnen de socialezekerheidswetgeving. Voor vergoedingen uit een VSO geldt dat de wetgever deze eenmalige ontslagvergoedingen in beginsel buiten de inkomensverrekening laat.[voetnoot 12] Een ontslagvergoeding blijft bijvoorbeeld bij een WW-uitkering buiten beschouwing, omdat een VSO-vergoeding wordt gezien als compensatie voor ontslag. Een ontslagvergoeding wordt fiscaal gezien als loon uit vroegere dienstbetrekking en niet als vermogen. Pas na uitbetaling kan het netto restant op de fiscale peildatum gaan meetellen voor een eventuele vermogenstoets in regelingen waar vermogen wél relevant is. Omdat een periodieke pensioenuitkering en een incidentele ontslagvergoeding fundamenteel verschillen in rechtskarakter en doel, is er geen sprake van gelijke gevallen en is de verschillende behandeling binnen het socialezekerheidsstelsel objectief gerechtvaardigd. Reactie op een oproep tot versterking van informatierechten van gepensioneerden De vaste commissie van SZW van de Tweede Kamer heeft mij, per brief van 17 juni 2026 met als kenmerk 2026Z11529/2026D30349, gevraagd om te reageren op de burgerbrieven over rechten van deelnemers en gepensioneerden bij internationale collectieve waardeoverdracht. Hierbij reageer ik zoals gevraagd op deze brieven. De Europese IORP II-richtlijn (IORP II) bevat regels voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht en schrijft onder meer voor dat een meerderheid van deelnemers en een meerderheid van pensioengerechtigden of in voorkomend geval, een meerderheid van hun vertegenwoordigers, de overdracht moeten goedkeuren.[voetnoot 13] De meerderheid wordt gedefinieerd overeenkomstig het nationale recht. Ten behoeve van het verkrijgen van deze goedkeuring schrijft de IORP II ook voor dat de overdragende IORP de informatie over de aan de overdracht verbonden voorwaarden tijdig ter beschikking wordt gesteld van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden. Lidstaten kunnen vervolgens nadere eisen stellen, waaronder voorwaarden over de wijze waarop instemming wordt georganiseerd. Ingeval de waardeoverdracht plaatsvindt van het Belgisch Pensioenfonds (OFP) naar een Nederlandse pensioenuitvoerder is hierop de Belgische wetgeving (gebaseerd op de IORP II) en het Belgische toezicht van toepassing. Ten slotte merk ik op dat nadat de grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht heeft plaatsgevonden en de regeling wederom bij een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder is ondergebracht, het Nederlandse recht integraal op de (uitvoering van de) regeling van toepassing is. In de Pensioenwet zijn de voorwaarden opgenomen waaronder een collectieve (grensoverschrijdende) waardeoverdracht van een in Nederland gevestigd pensioenuitvoerder naar een andere al dan niet in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder kan plaatsvinden. De informatie over de aan de voorgenomen (grensoverschrijdende) collectieve waardeoverdracht wordt door het pensioenuitvoerder tijdig ter beschikking gesteld aan de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Ook worden zij, indien van toepassing, geïnformeerd over hun goedkeuringsrecht. De AFM houdt hier toezicht op. Ik concludeer dan ook dat zowel in de Europese als de nationale regelgeving diverse voorschriften zijn opgenomen voor het betrekken en informeren van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden bij een internationale waardeoverdracht. Op de uitvoering van deze regelgeving houden de betrokken nationale toezichthouders toezicht. Hiermee is aanvullende wet- en regelgeving ter versterking van het bestaande kader mijns inziens niet nodig. Reactie op het artikel “Netherlands to open up €1.5tn slice of pensions market to foreign providers” De vaste commissie van SZW van de Tweede Kamer heeft mij gevraagd te reageren op een artikel in de Financial Times, “Netherlands to open up €1.5tn slice of pensions market to foreign providers”, van 23 juni 2026.[voetnoot 14] Dat doe ik uiteraard graag. Het artikel haakt aan op het onderwerp van het stichtingsvereiste waar ik in de Verzamelbrief van mei 2026 nader op ben ingegaan.[voetnoot 15] Zoals ook uit die brief blijkt zal wetgeving worden voorbereid die zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II. Ik zal uw Kamer in het tijdpad van die implementatiewetgeving ook meenemen in de nadere uitwerking van de wijziging. Kern daarvan is het wegnemen van de belemmering van het stichtingsvereiste, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Ik vind het belangrijk om hier nogmaals te herhalen dat ook na aanpassing van de wet, het aan sociale partners is om een pensioenregeling af te spreken en keuzes te maken over de onderbrenging van de pensioenregeling bij een bedrijfstakpensioenfonds. Sociale partners zullen dus altijd met inachtneming van de belangen van de (potentiële) deelnemers en gepensioneerden moeten kiezen óf ze de pensioenregeling bij een buitenlandse instelling willen onderbrengen en beoordelen welke consequenties dit kan hebben voor de deelnemers. 4. Evaluatie werknemers zonder pensioen 2024 Eind vorig jaar is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de reductie van het aantal werknemers zonder actieve pensioenopbouw middels een Kamerbrief.[voetnoot 16] Hierin is aangegeven dat in 2026 een tussenevaluatie van de wettelijke reductiedoelstelling zou plaatsvinden, die gekoppeld is aan de gegevens over het jaar 2024. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat periodiek onderzoek doet naar deze cijfers, heeft echter aangegeven dat de publicatie van het CBS-onderzoek Werknemers zonder pensioen 2024 is vertraagd. De publicatie stond gepland voor september 2026 en wordt nu verwacht in het eerste kwartaal van 2027. De voor dit onderzoek benodigde aanlevering van actieve deelnemers door pensioenfondsen bleek niet volledig. Het CBS is op dit moment in contact met de betrokken pensioenfondsen om tot een oplossing te komen, waarna het onderzoek kan worden voortgezet. Het is daardoor helaas niet mogelijk om de tussenevaluatie in 2026 aan uw Kamer te sturen. Ik zal de tussenevaluatie spoedig na de publicatie van de cijfers aan uw Kamer toesturen. Op basis van die tussenevaluatie zal, zoals met uw Kamer afgesproken, worden bezien of aanvullende stappen nodig zijn om de doelstelling te behalen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief Kamerstukken II, 2025-2026, 32 043, nr. 714. Kamerstukken II, 2025-2026, 36 957, nr. 2. TZ202411-095. Kamerstukken I, 2022-2023, 36 067, AR. T03633. TZ202411-094. 36775/2025D31496 Kamerstukken II, vergaderjaar 2024-2025, 36 600 XV nr. 10 Kamerstukken II, vergaderjaar 2024-2025, 36 578 nr. 15 Kamerstukken II, vergaderjaar 2024-2025 , 36 578, nr. 31 Zie artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Op grond hiervan worden zowel periodieke pensioenuitkeringen als eenmalige beëindigingsvergoedingen gekwalificeerd als loon uit vroegere dienstbetrekking. Zie artikel 16, tweede lid, Wfsv en artikel 3:2, eerste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Hoewel loon uit vroegere dienstbetrekking in beginsel is uitgesloten van inkomensverrekening, heeft de wetgever voor pensioenuitkeringen via artikel 3:5 van datzelfde besluit een expliciete uitzonderingsgrond gecreëerd om verrekening dwingend voor te schrijven, terwijl een eenmalige VSO-vergoeding onder de hoofdregel (uitsluiting) blijft vallen. Artikel 12 Richtlijn 2016/2341 (EU). Kenmerk: 2026Z14146/2026D34148. Kamerstukken II, 2025–2026, 32 043, nr. 711. Kamerstukken II 2025-2026, 32 043 nr. 690.

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 5cc5bd85d1742ccb

14 okt 2026 · d9d56f26a950e26d

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.