Verslag schriftelijk overleg over de Geannoteerde agenda informele bijeenkomst van milieuministers 11 en 12 juli 2024 te Boedapest, Hongarije (Kamerstuk 21501-08-952)
Brontekst
Versie f4b4e6319e06f0d8 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202421 501-08MilieuraadNr. 954 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld op 11 juli 2024 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur enWaterstaat over de brief van 17 juni 2024 de geannoteerde agendainformele bijeenkomst van milieuministers 11 en 12 juli 2024 teBoedapest, Hongarije (Kamerstuk 21 501-08-952).De vragen en opmerkingen zijn op 26 juni 2024 aan de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 11 juli 2024 zijn devragen, voorzien van een inleiding, mede namens de Minister voorBuitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp en de Staatssecretaris vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,PostmaDe adjunct-griffier van de commissie,Wiendels kst-21501-08-954ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9541 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties InhoudsopgaveInleiding2GroenLinks-PvdA-fractie2VVD-fractie5NSC-fractie5D66-fractie6BBB-fractie7 InleidingDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de geannoteerde agenda voor de informele Milieuraad op 11en 12 juli 2024. Hierover hebben deze leden meerdere vragen.De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda van de Milieuraad van 11 en 12 juli 2024. Zij hebben hierover nogenkele aanvullende vragen.De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda en hebben daarover nog een aantal vragen.De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda voor de informele Milieuraad van 11 en 12 juli.Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda voor de informele Milieuraad van 11 en 12 juli enhebben hierover nog enkele vragen.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen vangeannoteerde agenda van de informele Milieuraad, en hebben hieroverop dit moment geen vragen of opmerkingen.GroenLinks-PvdA-fractieEuropese inzet richting de VN-KlimaatonderhandelingenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen overde bespreking van de Europese inzet richting de Klimaatconferentie(COP29) in het najaar van dit jaar. Deze leden lezen het volgende in degeannoteerde agenda: «Verder is op COP28 de balans opgemaakt watbetreft de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs. In deze GlobalStocktake (GST) en de zogenaamde «UAE Consensus» is afgesproken omhet aandeel hernieuwbare energie wereldwijd te verdrievoudigen, omenergie-efficiëntie te verdubbelen, en om weg te bewegen van fossielebrandstoffen in energiesystemen.» Tijdens de vooronderhandelingen inBonn in juni dit jaar zijn verdere gesprekken in verschillende onderhande-lingsonderwerpen, waaronder National Adaptation Plans, een GenderAction Plan en een Mitigation Work Progamme om deze uitkomst teimplementeren, op niets uitgelopen. Wat wordt de Nederlandse enEuropese strategie in het doorbreken van de huidige impasse in deonderhandelingen? Bereidt de Minister zich voor op een concreet aanbod(concreet bedrag in US-dollar) om ontwikkelingslanden financieel te gaanondersteunen om daarmee de impasse te doorbreken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9542 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat de huidigeimpasse mede wordt veroorzaakt, doordat rijke landen, waaronder de EU,nog niet bereid zijn te onderhandelen over de omvang van de publiekekern van het nieuwe klimaatfinancieringsdoel. Arabische en Afrikaansedelegaties hebben aangegeven dat er een jaarlijks bedrag van 1,1 miljarddollar tot 1,3 miljard dollar vanaf 2025 nodig is, en roepen rijke landen opom met een concreet voorstel te komen en zo de dialoog voort te zetten.Wat is de inzet van de Minister in de EU voor het formuleren van eendergelijk voorstel voor het nieuwe klimaatfinancieringsbedrag?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ten aanzien van klimaatfi-nanciering en schuldenproblematiek dat de Minister een belangrijke rolziet voor internationale financiële instellingen en andere vormen vanpublieke en private financiering van klimaatactie. Toch wordt het grootstedeel van klimaatfinanciering in de vorm van leningen gegeven, vaak nieteens onder voordelige voorwaarden, wat de schuldenproblematiek alleenmaar verergert en daarmee contraproductief is. Hoe voorziet de Ministerte voorkomen dat ontwikkelingslanden verder in de schulden wordengeduwd bij het genereren van financiële middelen bij inmenging vanprivate financiering en binnen de verantwoordelijkheid van internationalfinancial institutions (IFI’s)?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat met namevoor adaptatie en klimaatschade ook financiering in de vorm van giftennodig is. Hoe gaat de Minister zich ervoor inzetten dat er voldoendefinanciering in de vorm van giften voor met name adaptatie en klimaat-schade in het doel New Collective Quantified Goal on Climate Finance(NCQG) komt te staan? In hoeverre zal de EU volgens de Minister in detailmet een actieplan komen dat uitstippelt hoe meer klimaatfinancieringwereldwijd naar lokale gemeenschappen stroomt en direct voor hentoegankelijk wordt? Wordt er aandacht besteed aan hoe klimaat-kwetsbaregroepen zoals vrouwen en inheemse gemeenschappen meer zeggen-schap krijgen over waar internationale klimaatfinanciering terechtkomt?Schetst de NCQG hoe lokale klimaatfinancieringsinitiatieven de komendejaren kunnen worden opgeschaald?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat de inzet van de EUen de Minister is dat dat het nieuwe doel er anders uitziet dan het huidigepuur kwantitatieve doel. «Het is van belang dat financiering van klimaat-actie wordt gezien als mondiaal doel, waarbij ontwikkelde landen hetvoortouw nemen en er ook een rol is voor opkomende, geïndustriali-seerde economieën.» Het oproepen voor een mondiaal doel op dergelijkemanier beschadigt het vertrouwen van ontwikkelingslanden doorogenschijnlijk de verantwoordelijkheid van rijke geïndustrialiseerdelanden weg te halen, die hun eerdere beloftes op klimaatfinancieringstructureel niet zijn nagekomen, op 2022 na. Hoe denkt de Minister ditvertrouwen te herstellen om daadwerkelijk een akkoord te kunnenverwezenlijken dat een «belangrijke factor [zal] zijn in de realisatie vanambitieuze klimaatplannen wereldwijd.»?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen overklimaatadaptatie en de Internationale Klimaatstrategie (IKS). In degeannoteerde agenda onderstreept de Minister de urgentie van klimaat-adaptatie en linkt deze aan de uitvoering van het UAE Framework (vooradaptatie) en de Nederlandse bijdrage hieraan via de IKS. Tegelijkertijdwordt in de op 8 mei jl. verstuurde voortgangsbrief (Kamerstuk 31 793, nr.268) over de strategie het volgende vastgesteld: «Zoals aangegeven in deBHOS-begroting 2024 zijn door ombuigingen binnen het ODA-budget dedoelstellingen in de Internationale Klimaatstrategie om in 2030 minimaalvier miljoen extra mensen minder kwetsbaar te maken voor klimaatveran-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9543 dering en zeven miljoen mensen extra toegang geven tot veilige enklimaatbestendige drinkwater- sanitaire voorzieningen niet langerhaalbaar.» Het lijkt erop dat deze uitspraken elkaar tegenspreken. Kan deMinister toelichten hoe de planning en uitvoering van adaptatie uit de IKS,die niet meer haalbaar zijn verklaard, in lijn kunnen zijn met bijdragen aande implementatie van de doelen uit het UAE Framework?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben tot slot nog enkelevragen over het Europese doel voor 2040 en de UAE Consensus. Volgensde geannoteerde agenda zal de nieuwe Nationally Determined Contri-bution (NDC) voor 2035 voortvloeien uit het Europese doel voor 2040,waarover momenteel wordt gesproken en dat via de Europese klimaatwetwettelijk bindend wordt voor de EU. Tegelijkertijd stelt het EuropeanScientific Advisory Board on Climate Change (ESABCC) het volgende:«the EU must strive for net emissions reductions of 90–95% by 2040,relative to 1990 levels. These reductions are essential for mitigatingclimate risks and achieving a sustainable future». Waarom zet Nederlandniet in op het doel dat volgens de ESABCC het eerlijke aandeel is datEuropa moet bijdragen? Welke landen moeten volgens de Minister het gatwel gaan dichten? Geeft de Minister met deze lagere inzet dan wat dewetenschap aangeeft, het Parijsdoel op?WaterweerbaarheidDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn positief over de erkenningdat klimaatverandering leidt tot veel grotere waterrisico’s voor onderandere Nederland. Wát er moet gebeuren, zegt de Minister niet. Hetonderwerp vanuit Nederlands perspectief staat uiteraard wel regelmatigop de agenda, maar biedt ook geen inzicht of oplossingen voor deEuropese dimensie. De recente overstromingen in Duitsland en in 2021ook in Limburg laten zien dat onvoorspelbare stortbuien, maar ookperiodes met langdurige regenval, tot grote overlast en schade kunnenleiden. Vergeleken met Duitsland viel de schade in Nederland de laatstekeren erg mee. Dat lag onder andere aan de betere hoogwaterbe-scherming. Deze leden wijzen erop dat het niet alleen een kwestie is vanhogere dijken hier, maar ook van lagere dijken dáár. Wij hebben het hierdroog gehouden, juist omdat in Duitsland rivieren buiten hun oeverstraden en zo veel water pas later en geleidelijker Nederland bereikte. Goedvoor Nederland, maar met grote schade in Duitsland tot gevolg. Dezeleden wijzen erop dat Duitsland voornemens is om in het kader van deklimaatadaptatie zijn hoogwaterbescherming nu op te hogen naarNederlands voorbeeld en zo zijn eigen steden en dorpen beter tebeschermen. Het gevolg hiervan is vermoedelijk wel een veel lagerwaterbergend vermogen van Duitsland, en dus een groter overstromings-risico in Nederland. Klopt het dat daarmee onze eigen hoogwaterbescher-mingsplannen alweer achterhaald zijn? Is hier overleg over in Europees ofbilateraal verband? Moet er niet voor elke grote grensoverschrijdenderivier een inclusief plan komen waarin de risico’s van hoog en laag watervoor de scheepvaart, omgeving, natuur en landbouw worden bepaald?Immers alles wat boven of benedenstrooms gebeurt, heeft gevolgen voorboven én beneden. Dijken en uiterwaarden, stuwen en vaargeulen,bruggen en sluizen, industrie en landbouwlozingen, koelwater, grind-winning; alles heeft invloed op elkaar en dus ook op wat in andere landenkan. Deze leden zouden graag zien dat er een Europese variant komt van«water en bodem sturend», die richtlijnen opstelt en belangen afweegt diegrensoverschrijdende effecten hebben. Is de Minister bereid dit tebepleiten en hier initiatieven toe te nemen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9544 VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie zijn blij om te zien dat circulaire economie alskans voor het versterken van het EU-concurrentievermogen op de agendastaat. Meer stimulans voor bedrijven om te verduurzamen en te innoverendraagt bij aan zoveel mogelijk strategische autonomie als antwoord op deschaarste van grondstoffen. Welke elementen zullen wat de Ministerbetreft deel uitmaken van een derde «circulaire economie»-actieplan,waarvoor zij wil pleiten bij de Europese Commissie?De leden van de VVD-fractie constateren dat de Nederlandse zomersdroger zullen worden en de winters natter. Omdat de gevolgen van deklimaatverandering steeds zichtbaarder worden, zijn klimaatadaptatie enhet vergroten van de weerbaarheid tegen klimaatrisico’s wat deze ledenbetreft van groot belang. Vanwege het door het KNMI voorspeldekantelpunt, waarbij veranderingen ineens sneller gaan als de gemiddeldetemperatuurstijging boven een bepaalde drempelwaarde komt, is hetgoed om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op en hulpverlening paraatte hebben bij extreme weersomstandigheden. Onderlinge bijstand tussende EU-landen op het gebied van kennis en operationele inzet bij bijvoor-beeld overstromingen en natuurbranden kan hierbij van grotemeerwaarde zijn. Hoe verloopt momenteel de samenwerking binnenRescEU en welke rol speelt de Minister hierin? Kan de Minister bijvoor-beeld gebruik maken van kennis, kunde en materieel van andere, meerzuidelijke landen, als het gaat om de preventie en de bestrijding vannatuurbranden? En in welke mate is de interoperabiliteit gewaarborgd?De leden van de VVD-fractie lezen wat betreft de Europese inzet richtingde COP29 dat er op de COP29 naar verwachting veel aandacht zal zijnvoor een nieuw langetermijndoel voor internationale klimaatfinanciering.Deze leden lezen dat de EU en de Minister erop willen inzetten dat hetnieuwe doel er anders uit komt te zien dan het huidige puur kwantitatievedoel. Wat betekent dit precies? Hoe zou de Minister het doel idealiterwillen vormgeven? Als het doel primair gericht moet zijn op de onder-steuning van de meest kwetsbare landen bij de implementatie van hunnationale klimaatplannen, wat vraagt dit dan van Nederland? Hoe ziet hetkrachtenveld er binnen de EU uit? En hoe staat het met de uitvoering vanhet Glasgow Climate Pact? Wordt hier al door alle landen gehoor aangegeven? Deze leden zijn in ieder geval blij om te lezen dat de OESOrecent heeft bevestigd dat het doel van 100 miljard dollar in 2022 isgehaald.De leden van de VVD-fractie lezen dat er op de COP29 ook wordtgesproken over handel in koolstofkredieten. Deze leden zien hier kansenin, maar zijn het met de Minister eens dat hiervoor robuuste kwaliteitscri-teria moeten worden opgesteld, zodat de gerealiseerde koofstofverwij-dering daadwerkelijk bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen. Aanwelke criteria denkt de Minister? Wat vinden andere lidstaten hiervan?Hoe gaat er gecontroleerd worden of de handel voldoet aan dergelijkecriteria?NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie vragen of al duidelijk is wanneer demededeling over «water resilience» zal worden gepubliceerd en ofNederland daarop gaat aandringen bij de informele Milieuraad. In hetschriftelijk overleg over het BNC-fiche klimaatadaptatie gaf de Ministeraan de inzet van klimaatadaptatie in het Meerjarig Financieel Kader (MFK)over te laten aan het nieuwe kabinet. Hoe ziet de(nieuwe) Minister de inzetin het MFK ten gunste van klimaatadaptatie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9545 De leden van de NSC-fractie zijn verheugd te zien dat het «one out allout»-principe in de Kaderrichtlijn Water vervangen lijkt te worden dooreen beoordelingsmethodiek die een algemener beeld geeft over de standvan het oppervlaktewater. Deze leden vragen hoe de Minister ditonderhandelingsresultaat beoordeelt en of hij dit als een werkbareoplossing voor Nederland ziet. Ook zijn deze leden benieuwd naar denieuwe doelen die al voor na 2027 gesteld zullen worden. Kan de Ministerinzicht geven wanneer hij verwacht dat daar meer over bekend zalworden?De leden van de NSC-fractie hebben meegekregen dat de Natuurherstel-verordening bij de Milieuraad van 17 juni jl. is aangenomen en consta-teren dat deze nu geïmplementeerd dient te worden. Kan de Ministeraangeven hoe hij het proces voor de totstandkoming van het natuurher-stelplan de komende twee jaar voor zich ziet? Welke rol ziet de Ministerdaarin voor relevante partners zoals lagere overheden en de agrarischesector? Hoe zal de Kamer worden betrokken bij de totstandkoming van hetnatuurherstelplan? En hoe is de Minister van plan rekening te houden metde recent aangenomen motie-Van Campen (Kamerstuk 21 501-32, nr.1657)?Tot slot hebben de leden van de NSC-fractie nog een enkele vraag over deEuropese inzet richting de VN-klimaatonderhandelingen (COP29). Dezeleden lezen dat Nederland eind februari 2025 zijn nieuwe NDC voor 2035in dient te dienen. Hoe staat het met de voorbereiding op de NDC-2035 inNederland? Kan de Minister aangeven of, en zo ja hoe, de Minister vanplan is de Kamer hierbij te betrekken?D66-fractieDe leden van de D66-fractie constateren dat eerder dit jaar het Europeesparlement heeft ingestemd met het voorstel voor recht op reparatie. Dit iseen mooie stap richting een circulaire en duurzame toekomst. Klopt hetdat met dit voorstel niet is geregeld dat producenten verplicht worden omonderdelen te leveren aan niet professionele reparateurs (zoals bijvoor-beeld repaircafe’s)? Is de Minister het met deze leden eens dat ookrepaircafe’s de mogelijkheid zouden moeten hebben om reserveonder-delen te bestellen om produceten te kunnen repareren? Zo ja, op welkemanier gaat de Minister zich hier in Europa hard voor maken?De leden van de D66-fractie constateren dat eerder dit jaar de EuropeseRaad ook een deal bereikte over nieuwe regels op het gebied vangreenwashing (Green Claims). Hoe kijkt de Minister naar het voorstelvanuit de Europese Raad? Welke gevolgen gaat dit hebben voor deNederlandse aanpak van greenwashing en de wet- en regelgevingdaaromtrent?De leden van de D66-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat deMinister in zal zetten op het opstellen van een derde actieplan voorcirculaire economie. Daarnaast lezen deze leden dat de focus van hetnieuwe Hongaarse voorzitterschap zal liggen bij concurrentievermogen eneconomische kansen voor de EU op circulair gebied. Is de Minister hetmet deze leden eens dat import van goedkoop plastic (en anderematerialen en grondstoffen) het voortbestaan van circulaire industrie inEuropa bemoeilijkt? Welke stappen gaat de Minister in Europees verbandzetten om circulaire bedrijven die het nu moeilijk hebben te onder-steunen? Welke concrete voorstellen gaat hij doen voor een derdeactieplan circulaire economie? Is de Minister bereid om op Europeesniveau te pleiten voor een Europese circulaire industriepolitiek of eenEuropese recyclestrategie? Is de Minister bereid om op Europees niveauTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9546 te pleiten voor eerlijke prijzen voor diverse grondstoffen zowel voorgrondstoffen van binnen de EU als van daarbuiten, zodat gerecycledegrondstoffen een eerlijke kans maken tegenover virgin grondstoffen? Zoja, op welke manier gaat de Minister daar concreet aandacht voor vragen?De leden van de D66-fractie constateren dat de geannoteerde agendavaag blijft over de inzet op het gebied van klimaat en water. Kan deMinister concreet aangeven wat zijn inbreng zal zijn namens Nederland ophet gebied van waterweerbaarheid en COP29?BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie lezen dat er voor een derde «circulaireeconomie»-actieplan gepleit gaat worden door de Minister. Welkeconcrete maatregelen zijn worden daarbij voorgesteld en hoe bindend isdit?De leden van de BBB-fractie vragen op wat voor manieren de investe-ringsbereidheid versneld kan worden zonder dat dit hetinvesteringsvermogen/vestigingsklimaat van Nederland schaadt.De leden van de BBB-fractie constateren dat er een groot tekort is aanfinanciële middelen op Europese schaal om alle doelstellingen van degroene transitie te behalen. Deze leden vragen of daarover wordtgesproken en of de conclusies van het onderzoek ««road to net zero»« vanhet Instituut Rousseau kloppen. Is het überhaupt mogelijk om de tekortente bekostigen vanuit Nederland en de andere lidstaten?De leden van de BBB-fractie vragen hoeveel geld er in dit fonds moetkomen, wanneer het fonds geopend wordt en of dit fonds Nederland kanhelpen in de uitdagingen die het heeft om te adapteren ten aanzien vanklimaatverandering op het gebied van water(infrastructuur) en landbouw.De leden van de BBB-fractie constateren dat het aandeel hernieuwbareenergie verdriedubbelen een enorme impact zal hebben op het vermogenvan Nederland om netcongestie op te lossen. Deze leden vragen of deNederlandse netcongestieproblematiek en de moeilijkheden die ditNederland oplevert, voldoende bekend zijn en overgedragen kunnenworden door Europese onderhandelaars. Welke rol krijgt de Nederlandsenetcongestieproblematiek in de onderhandelingen? Welke impact kan dithebben op mogelijke uitkomsten?De leden van de BBB-fractie vragen hoeveel de Nederlandse bijdrage voorhet NCQG ongeveer zal worden en of dit te bekostigen is bovenop denationale en Europese doelstellingen die behaald dienen te worden.De leden van de BBB-fractie hebben zorgen over de internationalesamenwerking op het gebied van water en dan met name de waterkwa-liteit. Nederland is een delta en daarmee ligt het risico om het afvalputjevan Europa te zijn op de loer. Nederland is dus erg afhankelijk van deinternationale samenwerking. Weliswaar wordt er veel samengewerkt ininternationale riviercommissies, maar, zoals de Raad voor de leefom-geving en infrastructuur (Rli) ook aangeeft: dit heeft nog niet geleid totbindende afspraken. Deze leden willen daarom graag weten wat de inzetvan de Minister op dit onderwerp is en welke rol de Europese Commissiehierin kan spelen. Zolang er enkel vrijblijvende afspraken gemaaktworden, loopt Nederland het risico op te draaien voor problemen die inhet buitenland ontstaan. Deelt de Minister deze mening en wat is de visievan de Minister hierop?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9547 De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om een appreciatie vanhet akkoord dat in de Raad is gesloten op 19 juni 2024 omtrent deKaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn prioritairestoffen. In het bijzonder vragen deze leden naar de voortgang rondom hetschrappen van het principe «one out all out».II Reactie van de bewindspersoon InleidingAgenda informele bijeenkomst van milieuministersDe laatste stand van zaken zoals vermeld in de geannoteerde agenda isgewijzigd. Op donderdag 11 juli zullen tijdens twee werksessies deEuropese inzet richting de VN-Klimaatonderhandelingen (hierna: COP29)en waterweerbaarheid (Engels: Water Resilience) besproken worden.Tijdens een informele lunch zal op donderdag 11 juli tevens gesprokenworden over de circulaire economie in het kader van Europees concurren-tievermogen.Op vrijdag 12 juli vindt er een 3e werksessie plaats met als onderwerpgrensoverschrijdende vervuiling van water en lucht. Tijdens de informelelunch zal de financiering van de groene transitie op het gebied van milieu,klimaat en circulaire economie besproken worden. Het kabinet zal zichambtelijk laten vertegenwoordigen tijdens de informele bijeenkomst.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reacties van debewindspersonenCOP291. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragenover de bespreking van de Europese inzet richting de Klimaatconferentie(COP29) in het najaar van dit jaar. Deze leden lezen het volgende in degeannoteerde agenda: «Verder is op COP28 de balans opgemaakt watbetreft de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs. In deze GlobalStocktake (GST) en de zogenaamde «UAE Consensus» is afgesproken omhet aandeel hernieuwbare energie wereldwijd te verdrievoudigen, omenergie-efficiëntie te verdubbelen, en om weg te bewegen van fossielebrandstoffen in energiesystemen.» Tijdens de vooronderhandelingen inBonn in juni dit jaar zijn verdere gesprekken in verschillende onderhande-lingsonderwerpen, waaronder National Adaptation Plans, een GenderAction Plan en een Mitigation Work Progamme om deze uitkomst teimplementeren, op niets uitgelopen. Wat wordt de Nederlandse enEuropese strategie in het doorbreken van de huidige impasse in deonderhandelingen? Bereidt de Minister zich voor op een concreet aanbod(concreet bedrag in US-dollar) om ontwikkelingslanden financieel te gaanondersteunen om daarmee de impasse te doorbreken?AntwoordIn de VN-klimaatonderhandelingen heeft de Europese Unie (EU) zich altijdgepositioneerd als partij die inzet op een zo hoog mogelijke en realistischeambitie. De EU treedt daarbij op als bruggenbouwer en betrouwbarepartner richting ontwikkelingslanden, in het bijzonder de minst ontwik-kelde landen en de kleine eilandstaten, onder meer door consequentuitvoering te geven aan afspraken omtrent financiering. Dat zal de EUblijven doen, ook richting COP29. Het kabinet steunt deze algemeneopstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9548 Tijdens de informele bijeenkomst van milieuministers vindt een eerstegedachtewisseling plaats tussen Ministers over de inzet van de EUrichting COP29. De besluitvorming over de daadwerkelijke inzet, endaarmee ook de besluitvorming over de strategie die kan helpenverschillen tussen partijen te overbruggen, vindt plaats na de zomer.Daarin wordt ook meegenomen hoe de EU het Mitigatie Werkprogrammaverder wil brengen, onder andere met het oog op de opvolging van deGlobal Stocktake. De besluiten over respectievelijk de evaluatie van deNationale Adaptatieplannen en de herziening van het Gender Action Planzijn voorzien voor COP29. De onderhandelingen daarover worden dusverder hervat in Bakoe, Azerbeidzjan.Voor een reactie op de vraag over klimaatfinanciering verwijzen wij graagnaar het antwoord op vraag 2.2. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat de huidigeimpasse mede wordt veroorzaakt, doordat rijke landen, waaronder de EU,nog niet bereid zijn te onderhandelen over de omvang van de publiekekern van het nieuwe klimaatfinancieringsdoel. Arabische en Afrikaansedelegaties hebben aangegeven dat er een jaarlijks bedrag van 1,1 miljarddollar tot 1,3 miljard dollar vanaf 2025 nodig is, en roepen rijke landen opom met een concreet voorstel te komen en zo de dialoog voort te zetten.Wat is de inzet van de Minister in de EU voor het formuleren van eendergelijk voorstel voor het nieuwe klimaatfinancieringsbedrag?AntwoordHet voorstellen van een bedrag door de EU of Nederland is op dit momentprematuur aangezien dit mede afhankelijk zal zijn van belangrijke zakenzoals de manier waarop het klimaatfinancieringsdoel wordt ingericht,welke landen zullen bijdragen en de begunstigden van de middelen.Overigens betreffen de bedragen die door andere partijen zijn genoemdUSD 1,1–1,3 biljoen. Tijdens de tussentijdse onderhandelingen in Bonnzijn er aangaande dit voorstel geen grote stappen gezet; het is gebruikelijkdat partijen pas vlak voor of tijdens de klimaattop in het najaar dichternaar elkaar toe bewegen.3. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ten aanzien vanklimaatfinanciering en schuldenproblematiek dat de Minister eenbelangrijke rol ziet voor internationale financiële instellingen en anderevormen van publieke en private financiering van klimaatactie. Toch wordthet grootste deel van klimaatfinanciering in de vorm van leningengegeven, vaak niet eens onder voordelige voorwaarden, wat de schulden-problematiek alleen maar verergert en daarmee contraproductief is. Hoevoorziet de Minister te voorkomen dat ontwikkelingslanden verder in deschulden worden geduwd bij het genereren van financiële middelen bijinmenging van private financiering en binnen de verantwoordelijkheidvan international financial institutions (IFI’s)?AntwoordNederland verstrekt geen publieke klimaatfinanciering in de vorm vanleningen aan andere overheden. Waar het gaat om de mobilisatie vanprivate financiering betreft het financiering aan bedrijven die actief zijn inontwikkelingslanden en niet aan overheden.Bij de investeringen van internationale financiële instellingen (IFI’s), zoalsde Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), staan debehoeften van klantlanden centraal. De financieringsvoorwaarden vanIFI’s zijn gebaseerd op het vermogen van landen om (concessionele)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 9549 leningen terug te betalen en zijn vastgelegd in raamwerken die toezien opeen beheersbare schuld, zoals de Sustainable Development Finance Policyvan de Wereldbank en de Debt Limits Policy van het IMF. IFI’s onder-steunen klantlanden ook actief in het nastreven naar duurzame overheids-schulden, bijvoorbeeld met beleidsadvies, training aan ambtenaren inklantlanden en door het aanbieden van gunstige leningsvoorwaarden. Hetkabinet ondersteunt deze initiatieven via trustfunds voor technischeassistentie op het gebied van schuldenbeheer en public financemanagement.4. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat met namevoor adaptatie en klimaatschade ook financiering in de vorm van giftennodig is. Hoe gaat de Minister zich ervoor inzetten dat er voldoendefinanciering in de vorm van giften voor met name adaptatie en klimaat-schade in het doel New Collective Quantified Goal on Climate Finance(NCQG) komt te staan? In hoeverre zal de EU volgens de Minister in detailmet een actieplan komen dat uitstippelt hoe meer klimaatfinancieringwereldwijd naar lokale gemeenschappen stroomt en direct voor hentoegankelijk wordt? Wordt er aandacht besteed aan hoe klimaat-kwetsbaregroepen zoals vrouwen en inheemse gemeenschappen meer zeggen-schap krijgen over waar internationale klimaatfinanciering terechtkomt?Schetst de NCQG hoe lokale klimaatfinancieringsinitiatieven de komendejaren kunnen worden opgeschaald?AntwoordHet kabinet onderschrijft het belang van publieke financiering vooradaptatie, waaronder giften. Gelet op de omvang van de uitdagingenzullen naast publieke financiering echter ook andere financiële bronnennoodzakelijk zijn, waaronder private financiering. Het kabinet zet zich inmiddels de Champions Group on Adaptation Finance en de in 2021 in hetleven geroepen Climate and Development Ministerial. Naar verwachtingzal het besluit over het nieuwe lange termijn klimaatfinancieringsdoel (deNCQG) relatief beknopt zijn. Het kabinet bekijkt nog hoe Nederlandhieraan zal bijdragen.5. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat de inzet van deEU en de Minister is dat dat het nieuwe doel er anders uitziet dan hethuidige puur kwantitatieve doel. «Het is van belang dat financiering vanklimaatactie wordt gezien als mondiaal doel, waarbij ontwikkelde landenhet voortouw nemen en er ook een rol is voor opkomende, geïndustriali-seerde economieën.» Het oproepen voor een mondiaal doel op dergelijkemanier beschadigt het vertrouwen van ontwikkelingslanden doorogenschijnlijk de verantwoordelijkheid van rijke geïndustrialiseerdelanden weg te halen, die hun eerdere beloftes op klimaatfinancieringstructureel niet zijn nagekomen, op 2022 na. Hoe denkt de Minister ditvertrouwen te herstellen om daadwerkelijk een akkoord te kunnenverwezenlijken dat een «belangrijke factor [zal] zijn in de realisatie vanambitieuze klimaatplannen wereldwijd.»?AntwoordIn het kader van het Klimaatverdrag is overeengekomen dat ontwikkeldelanden vanaf 2020 jaarlijks collectief USD 100 miljard mobiliseren voorklimaatactie in ontwikkelingslanden (de zogeheten USD 100 miljarddoelstelling). Het recente rapport van de Organisatie voor EconomischeSamenwerking en Ontwikkeling (de OESO) laat zien dat de overeenge-komen internationale verplichting van ontwikkelde landen in 2022 isgehaald met een bijdrage van USD 115,9 miljard. Op basis van dit rapportTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95410 is de verwachting dat de verplichting gemiddeld genomen in de periode2020–2025 zal worden nagekomen. Dit is belangrijk voor het vertrouwen.6. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen overklimaatadaptatie en de Internationale Klimaatstrategie (IKS). In degeannoteerde agenda onderstreept de Minister de urgentie van klimaat-adaptatie en linkt deze aan de uitvoering van het UAE Framework (vooradaptatie) en de Nederlandse bijdrage hieraan via de IKS. Tegelijkertijdwordt in de op 8 mei jl. verstuurde voortgangsbrief (Kamerstuk 31 793, nr.268) over de strategie het volgende vastgesteld: «Zoals aangegeven in deBHOS-begroting 2024 zijn door ombuigingen binnen het ODA-budget dedoelstellingen in de Internationale Klimaatstrategie om in 2030 minimaalvier miljoen extra mensen minder kwetsbaar te maken voor klimaatveran-dering en zeven miljoen mensen extra toegang geven tot veilige enklimaatbestendige drinkwater- sanitaire voorzieningen niet langerhaalbaar.» Het lijkt erop dat deze uitspraken elkaar tegenspreken. Kan deMinister toelichten hoe de planning en uitvoering van adaptatie uit de IKS,die niet meer haalbaar zijn verklaard, in lijn kunnen zijn met bijdragen aande implementatie van de doelen uit het UAE Framework?AntwoordHet kabinet is gecommitteerd aan het behalen van de doelen van deOvereenkomst van Parijs en op het gebied van klimaatadaptatie meerspecifiek de doelen gedefinieerd in de Global Goal on Adaptation en hetUAE Framework for Global Climate Resilience. Het kabinet zet zich actiefin om onze nationale en internationale activiteiten in lijn te brengen metde doelen van het mondiale raamwerk voor klimaatweerbaarheid.Nationaal wordt er bijvoorbeeld gekeken hoe het traject van de herzieningvan de Nationale Adaptatie Strategie (loopt tot 2026) aansluit bij dedoelen van het mondiale raamwerk. Internationaal draagt Nederland viapartnerschappen en Nederlandse kennis en kunde actief bij aan hetweerbaarder en meer adaptief maken van verschillende landen, zoalsbijvoorbeeld Bangladesh, Mozambique, Colombia. Het Partners voorWater Programma en de langjarige partnerschappen tussen Nederlandsedrinkwaterbedrijven en Nederlandse waterschappen en hun collega’s inhet buitenland zijn hier voorbeelden van. De genoemde ombuigingbinnen het budget voor ontwikkelingssamenwerking (het ODA-budget) isde aanleiding om de verhoging van de streefwaarden te schrappen endoet niet af aan de internationale rol van Nederland op het gebied vanadaptatie.7. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben tot slot nog enkelevragen over het Europese doel voor 2040 en de UAE Consensus. Volgensde geannoteerde agenda zal de nieuwe Nationally Determined Contri-bution (NDC) voor 2035 voortvloeien uit het Europese doel voor 2040,waarover momenteel wordt gesproken en dat via de Europese klimaatwetwettelijk bindend wordt voor de EU. Tegelijkertijd stelt het EuropeanScientific Advisory Board on Climate Change (ESABCC) het volgende:«the EU must strive for net emissions reductions of 90–95% by 2040,relative to 1990 levels. These reductions are essential for mitigatingclimate risks and achieving a sustainable future». Waarom zet Nederlandniet in op het doel dat volgens de ESABCC het eerlijke aandeel is datEuropa moet bijdragen? Welke landen moeten volgens de Minister het gatwel gaan dichten? Geeft de Minister met deze lagere inzet dan wat dewetenschap aangeeft, het Parijsdoel op?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95411 AntwoordIn de Overeenkomst van Parijs en in andere Klimaatverdragen is nietexpliciet vastgelegd welk aandeel een partij moet leveren om de mondialetemperatuurdoelen te realiseren. Zodoende bestaan er geen internatio-naalrechtelijke afspraken over de lastenverdeling tussen staten. Partijenleggen zelf in hun Nationally Determined Contribution (NDC) vast welkaandeel ze zullen leveren ten behoeve van het mondiale klimaatdoel. Welis in de Overeenkomst van Parijs bepaald dat een NDC een zo hoogmogelijke ambitie dient te bevatten, gebaseerd op billijkheid, waaruit de«gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onder-scheiden mogelijkheden in het licht van uiteenlopende nationaleomstandigheden» blijken. Ook is vastgelegd dat ontwikkelde landendaarbij het voortouw nemen.Over de verdeling tussen sectoren en lidstaten wordt pas onderhandeldnadat het doel is overeengekomen. Nederland zal hieraan een bijdrageleveren die zowel rechtvaardig als haalbaar is. Nederland heeft geen eigenNDC, maar is onderdeel van de gezamenlijke Europese NDC. Het kabinetsteunt een ambitieuze Een realistische Europese NDC in lijn met weten-schappelijke inzichten en internationale toezeggingen over het binnenbereik houden van 1,5 graden. De EU levert op dit moment eenambitieuze bijdrage aan het behalen aan de doelen van Parijs en zal datook in de toekomst blijven doen. De EU heeft daarbij een voortrekkersrol,waarbij zij andere landen wil bewegen om meer ambitie op te nemen inhun NDC, en het meenemen van de resultaten van de Global Stocktake.PBL heeft een analyse uitgevoerd over de vraag wat de Overeenkomst vanParijs voor Nederland betekent gelet op rechtvaardigheid enhaalbaarheid.1 Bij het bepalen van Nederlandse emissiereductiedoelstel-lingen spelen namelijk naast rechtvaardigheid ook overwegingen rondnationale haalbaarheid van de emissiereducties een rol. Het kabinet heeftzich gecommitteerd aan de internationale afspraken voor klimaatneutra-liteit in 2050. Voor een Europees tussendoel voor 2040 zet het kabinet zichin voor een doel dat gebaseerd is op wetenschappelijke inzichten, dathaalbaar is en voldoet aan de noodzakelijke randvoorwaarden. Daaromstaat het kabinet positief tegenover het door de Europese Commissieaanbevolen tussendoel van 90%, waarbij uw Kamer middels een reactieop de motie Erkens is geïnformeerd over het randvoorwaardelijkeuitvoeringspakket dat nodig is om het Europese tussendoel mogelijk temaken2. Het gaat hier dus om een Europees tussendoel, en niet bijvoor-beeld om een nationale tussendoelstelling voor 2040.8. De leden van de VVD-fractie lezen wat betreft de Europese inzet richtingde COP29 dat er op de COP29 naar verwachting veel aandacht zal zijnvoor een nieuw langetermijndoel voor internationale klimaatfinanciering.Deze leden lezen dat de EU en de Minister erop willen inzetten dat hetnieuwe doel er anders uit komt te zien dan het huidige puur kwantitatievedoel. Wat betekent dit precies? Hoe zou de Minister het doel idealiterwillen vormgeven? Als het doel primair gericht moet zijn op de onder-steuning van de meest kwetsbare landen bij de implementatie van hunnationale klimaatplannen, wat vraagt dit dan van Nederland? Hoe ziet hetkrachtenveld er binnen de EU uit? En hoe staat het met de uitvoering vanhet Glasgow Climate Pact? Wordt hier al door alle landen gehoor aangegeven? Deze leden zijn in ieder geval blij om te lezen dat de OESO1PBL (2024). Wat zijn rechtvaardige en haalbare klimaatdoelen voor Nederland?. Geraadpleegdvia: https://www.pbl.nl/system/files/document/2024-03/pbl-2024-wat-zijn-rechtvaardige-en-haalbare-klimaatdoelen-voor-nederland_5439.pdf2Kamerstuk 2023–24, 31 793, nr. 271Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95412 recent heeft bevestigd dat het doel van 100 miljard dollar in 2022 isgehaald.AntwoordHet kabinet ziet een financieringsdoel voor zich dat diverse financierings-stromen omvat, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbaren, enwaaraan een bredere groep landen bijdraagt dan op basis van de in 1992– aan de hand van het toenmalige OESO-lidmaatschap – bepaaldeverdeling tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden, en daarbij dehuidige economische realiteit als uitgangspunt te nemen met ruimte voortoekomstige groei. Aangezien er in dit stadium nog geen duidelijkheid isover enkele cruciale elementen rondom het doel, waaronder de omvang,mogelijke bronnen en contribuanten, kunnen nog geen uitspraken wordengedaan over wat dit financieel betekent. Voornoemde inzet is in lijn metde EU positie.Waar het gaat om de in de Glasgow Climate Pact (2021) overeengekomenverdubbeling van adaptatiefinanciering (naar USD 40 miljard in 2025) laathet recente OESO rapport met een bedrag van USD 32,4 miljard in 2022voortgang zien. Dit rapport bevat uitsluitend de collectieve cijfers en geeftniet aan in welke mate elk land wel of niet aan de oproep voldoet.9. De leden van de VVD-fractie lezen dat er op de COP29 ook wordtgesproken over handel in koolstofkredieten. Deze leden zien hier kansenin, maar zijn het met de Minister eens dat hiervoor robuuste kwaliteitscri-teria moeten worden opgesteld, zodat de gerealiseerde koofstofverwij-dering daadwerkelijk bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen. Aanwelke criteria denkt de Minister? Wat vinden andere lidstaten hiervan?Hoe gaat er gecontroleerd worden of de handel voldoet aan dergelijkecriteria?AntwoordHet is van belang dat (handelen in) koolstofverwijdering niet kan wordengebruikt om de noodzakelijke emissiereducties die op korte termijn nodigzijn uit te stellen. Emissiereductie blijft de absolute prioriteit, het poten-tieel van koolstofverwijdering wereldwijd is immers beperkt. Daarnaastbrengen veel vormen van koolstofverwijdering het risico met zich mee datde verwijderde koolstof uiteindelijk weer in de atmosfeer terecht komt,denk bijvoorbeeld aan koolstof die door een bos wordt opgenomen envervolgens weer vrijkomt door een bosbrand.Nederland, de Europese Commissie en de andere EU lidstaten willendaarom dat er duidelijke regels komen voor het omgaan met risico’s vanzulke omkeringen, zodat deze worden beperkt en volledig wordenaangepakt als deze plaatsvinden. Tevens is het de EU-positie dat enkel detoename in koolstofverwijdering die plaatsvindt door een menselijkeinterventie in aanmerking komt voor handel onder de VN-regels. Dit is vanbelang omdat er ook veel koolstofverwijdering plaatsvindt op land en inde oceaan zonder dat daar enige menselijke activiteit bij betrokken is.Andere criteria waar het kabinet zich via de EU voor inzet om de handel inkoolstofkredieten daadwerkelijk te laten bijdragen aan het behalen van deklimaatdoelen en meer klimaatambitie zijn onder andere i) duidelijkeboekhoudregels, ii) conservatieve baselines ten opzichte waarvan deadditionele koolstofverwijdering wordt berekend, en iii) robuustewaarborgen zodat koolstofverwijderingsactiviteiten een positieve impacthebben op gemeenschappen en het milieu, naast het beperken vanklimaatverandering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95413 Overigens beogen de EU en Nederland de wettelijke klimaatdoelen opeigen grondgebied te realiseren zonder gebruik van VN-koolstofkredietenuit andere landen. Tot slot, op de internationale koolstofmarkt van de VNwordt toezicht gehouden door een toezichthoudend orgaan, dat naarverwachting ook zal toezien op de door landen (in de toekomst) overeen-gekomen criteria.10. Tot slot hebben de leden van de NSC-fractie nog een enkele vraag overde Europese inzet richting de VN-klimaatonderhandelingen (COP29). Dezeleden lezen dat Nederland eind februari 2025 zijn nieuwe NDC voor 2035in dient te dienen. Hoe staat het met de voorbereiding op de NDC-2035 inNederland? Kan de Minister aangeven of, en zo ja hoe, de Minister vanplan is de Kamer hierbij te betrekken?AntwoordNederland heeft geen eigen NDC, maar is onderdeel van de gezamenlijkeEuropese NDC. De nieuwe Europese NDC voor 2035 zal voortvloeien uithet Europese klimaatdoel voor 2035, waarover momenteel wordtgesproken en dat via de Europese klimaatwet wettelijk bindend wordtvoor de EU. De Kamer is daar via de voorbereiding op de Milieuraad, viade geannoteerde agenda (GA)3, het verslag4, de schriftelijke overleggenover de GA’s5 en het Commissiedebat op 21 maart jl. (Kamerstuk 22 112,nr. 3951), bij betrokken.11. De leden van de D66-fractie constateren dat de geannoteerde agendavaag blijft over de inzet op het gebied van klimaat en water. Kan deMinister concreet aangeven wat zijn inbreng zal zijn namens Nederland ophet gebied van waterweerbaarheid en COP29?AntwoordHet kabinet zet in op het wereldwijd stimuleren van een integrale eninclusieve aanpak van adaptatie. De Nederlandse aanpak op water enbodem sturend is hiervan een goed voorbeeld. Dit is in lijn met deInternationale Klimaat Strategie en de Nederlandse Internationale WaterAmbitie (NIWA). Mede door de inzet van Nederland de afgelopen jaren isde adaptatie actiecyclus een belangrijk onderwerp geworden binnen deklimaatonderhandelingen. Ook tijdens COP29 zet het kabinet in op hetplaatsen van water in het hart van klimaatactie. Een groep van koplopers,waaronder Nederland, geeft tijdens COP29 podium aan water- enadaptatie-oplossingen in het Water Paviljoen om waterweerbaarheid enklimaatadaptatie op hoogpolitiek niveau te agenderen. Hier kan deNederlandse sector kennis en kunde delen en ophalen om adaptatie actiewereldwijd te versnellen.12. De leden van de BBB-fractie vragen hoeveel geld er in dit fonds moetkomen, wanneer het fonds geopend wordt en of dit fonds Nederland kanhelpen in de uitdagingen die het heeft om te adapteren ten aanzien vanklimaatverandering op het gebied van water(infrastructuur) en landbouw.3Milieuraad 17 juni jl.: Kamerstuk II, 2023–24, 21 501-08, nr. 945; Milieuraad 25 maart jl.:Kamerstuk II, 2023–24, 21 501-08, nr. 9364Milieuraad 17 juni jl: Kamerstuk II, 2023–24, 21 501-08, nr. 953; Milieuraad 25 maart jl.:Kamerstuk II, 2023–24, 21 501-08, nr. 9445Milieuraad 17 juni jl.: Kamerstuk II, 2023–24, 21 501-08, nr. 947; Milieuraad 25 maart jl.:Kamerstuk 21 501-08-938Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95414 AntwoordOp COP28 werd het besluit genomen ter operationalisering van een fondsvoor schade en verlies. Nederland heeft als lid van een voorbereidendcomité actief bijgedragen aan de uitkomst. Daarbij heeft Nederland zich ervoor ingezet dat het fonds grotendeels is gericht op de minst ontwikkeldelanden en kleine eilandstaten en dat het fonds een bredere, vrijwilligefinancieringsbasis heeft. In totaal werd tijdens COP28 meer dan USD 700miljoen toegezegd voor het fonds en andere financieringsregelingen voorschade en verlies. Nederland zegde een bijdrage toe van EUR 15 miljoenvoor de opstartkosten van het fonds6. Naar verwachting is het fonds beginvolgend jaar volledig operationeel. Het fonds richt zich uitsluitend opontwikkelingslanden.13. De leden van de BBB-fractie constateren dat het aandeel hernieuwbareenergie verdriedubbelen een enorme impact zal hebben op het vermogenvan Nederland om netcongestie op te lossen. Deze leden vragen of deNederlandse netcongestieproblematiek en de moeilijkheden die ditNederland oplevert, voldoende bekend zijn en overgedragen kunnenworden door Europese onderhandelaars. Welke rol krijgt de Nederlandsenetcongestieproblematiek in de onderhandelingen? Welke impact kan dithebben op mogelijke uitkomsten?AntwoordTijdens de COP28 kwamen de partijen overeen om de mondiale capaciteitvoor hernieuwbare energie te verdriedubbelen. Voor de EU en Nederlandbrengt deze doelstelling geen extra lasten met zich mee ten opzichte vande doelstellingen onder het Fit-for-55 pakket. Op Europees niveau is in deRichtlijn voor hernieuwbare energie7 afgesproken dat in 2030 minstens42,5% van de verbruikte energie in de EU uit hernieuwbare bronnen moetkomen. De Nederlandse bijdrage aan het EU-doel zoals gecommuniceerdrichting de Europese Commissie in het Integraal Nationaal Energie- enKlimaatplan (INEK)8 is een aandeel van 32–42% hernieuwbare energie in2030, gebaseerd op de raming uit de Klimaat- en Energieverkenning 2023(KEV2023)9. Om de afgesproken doelen te behalen blijft het van grootbelang om belemmeringen weg te nemen voor de uitvoering van deenergietransitie. In lijn met de eerder gecommuniceerde inzet en de motieErkens10 zal Nederland daarom blijven oproepen om gezamenlijk tewerken aan een uitvoeringsagenda ter versnelling van de energietransitie,onder andere door het aanpakken van netcongestie, het bevorderen vande aanleg van energie-infrastructuur en versnelling van vergunningver-lening.14. De leden van de BBB-fractie vragen hoeveel de Nederlandse bijdragevoor het NCQG ongeveer zal worden en of dit te bekostigen is bovenop denationale en Europese doelstellingen die behaald dienen te worden.AntwoordOp dit moment zijn de onderhandelingen over het nieuwe lange termijnklimaatfinancieringsdoel nog in volle gang en is nog niet te zeggen hoegroot de Nederlandse bijdrage zal worden. In dit stadium is er nog geenduidelijkheid over enkele cruciale elementen rondom het doel, waaronder6Kamerstukken II, 2023–2024 31 793, nr. 2567Richtlijn (EU) 2023/24138Kamerstukken II, 2023–2024, 32 813, nr. 14079https://www.pbl.nl/publicaties/klimaat-en-energieverkenning-202310Kamerstukken II, 2023–2024, 31 793, nr. 257Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95415 de omvang, mogelijke bronnen en contribuanten. Daarom kunnen noggeen uitspraken worden gedaan over wat dit financieel betekent. DeNederlandse bijdrage aan internationale klimaatfinanciering staat los vande inspanningen voor het behalen van de vastgestelde nationale enEuropese doelstellingen.Circulaire economie15. De leden van de VVD-fractie zijn blij om te zien dat circulaire economieals kans voor het versterken van het EU-concurrentievermogen op deagenda staat. Meer stimulans voor bedrijven om te verduurzamen en teinnoveren draagt bij aan zoveel mogelijk strategische autonomie alsantwoord op de schaarste van grondstoffen. Welke elementen zullen watde Minister betreft deel uitmaken van een derde «circulaire economie»-actieplan, waarvoor zij wil pleiten bij de Europese Commissie?AntwoordZoals in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–203011 isaangegeven, wordt nationaal circulaire economie-beleid ontwikkeld enuitgevoerd in een internationale context. Om onze nationale ambitie –Nederland circulair in 2050 – te realiseren, is internationale samenwerkingnoodzakelijk. Met name op het gebied van wet- en regelgeving heeft, methet oog op de impact en reikwijdte van maatregelen en een gelijkspeelveld, een inzet op Europees niveau de voorkeur.In het schriftelijk overleg ter voorbereiding op de informele Milieuraadvan 15 en 16 januari heeft de Kamer een uiteenzetting ontvangen van deNederlandse wensen voor een derde EU-actieplan Circulaire Economie12.Het kabinet vindt het van belang om het werk dat onder het huidigeEU-actieplan is opgepakt, voort te zetten en ziet kansen om met een derdeEU-actieplan de transitie naar een circulaire economie en circulairebedrijfsmodellen verder te stimuleren. Het kabinet zet in op bindendeinstrumenten als productregelgeving (waaronder het uitwerken vanproduct-specifieke maatregelen onder de Kaderverordening Ecodesign13),en herzieningen van Europese wetgeving die door de huidige Commissieal waren aangekondigd, waaronder een bredere herziening van deKaderrichtlijn afvalstoffen (Kra)14, de Richtlijn voor afgedankte elektrischeen elektronische apparatuur (AEEA)15, en de Richtlijn voor het beperkenvan gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur(RoHS)16. Ook wil het kabinet de financiering van circulaire businessmo-dellen via private financiering en Europese subsidies stimuleren. Tevenspleit het kabinet voor het stimuleren van het gebruik van duurzamekoolstof in de chemische industrie, ter ondersteuning van de transitierichting een circulaire economie.In een circulaire economie vallen de milieueffecten van grondstoffen voorproductie en consumptie binnen de grenzen van wat onze planeet aankan.Het kabinet ziet graag in een derde EU-actieplan uitgewerkt wat deplanetaire grenzen betekenen voor het grondstoffengebruik in de EU. Totslot hecht het kabinet er waarde aan dat in het derde EU-actieplanmaatregelen worden genoemd waarmee de EU en haar lidstaten opmondiaal niveau de noodzaak van de transitie naar een circulaireeconomie uitdragen, bijvoorbeeld via wereldwijde kennisuitwisseling en11https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/02/03/nationaal-programma-circulaire-economie-2023-203012Kamerstukken II, 2023–2024, 21 501-08, nr. 92513COM (2022) 14214Richtlijn (EG) 2008/9815Richtlijn (EU) 2024/88416Richtlijn (EU) 2011/65Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95416 inbedding van duurzaam grondstoffengebruik in multilaterale milieuover-eenkomsten.16. De leden van de D66-fractie constateren dat eerder dit jaar hetEuropees parlement heeft ingestemd met het voorstel voor recht opreparatie. Dit is een mooie stap richting een circulaire en duurzametoekomst. Klopt het dat met dit voorstel niet is geregeld dat producentenverplicht worden om onderdelen te leveren aan niet professionelereparateurs (zoals bijvoorbeeld repaircafe’s)? Is de Minister het met dezeleden eens dat ook repaircafe’s de mogelijkheid zouden moeten hebbenom reserveonderdelen te bestellen om producten te kunnen repareren?Zo ja, op welke manier gaat de Minister zich hier in Europa hard voormaken?AntwoordIn het voorstel voor een reparatie-richtlijn17 is de verplichting tot reparatievan toepassing op die producten waarvoor Europese ontwerpeisengelden, zoals vastgesteld onder de Ecodesign verordening (o.a.vaatwassers en wasmachines en in de toekomst smartphones en tablets).De Ecodesign wetgeving vereist dat deze producten beter te repareren zijnen dat producenten informatie delen over hoe een product te repareren is.Hierbij wordt ook gelet op de beschikbaarheid en de prijs van reserveon-derdelen en het gemak van demontage. Welke verplichtingen en welkereserveonderdelen voor professionele en niet-professionele reparateurszullen gelden wordt via de Ecodesign verordening uitgewerkt in product-specifieke regelgeving. In aanvulling hierop staat in het voorstel voor eenreparatie-richtlijn dat reparateurs en consumenten voor een redelijke prijsreserveonderdelen moeten kunnen kopen.Ter illustratie: in de Ecodesign eisen voor smartphones en tablets, die injuni 2025 van kracht worden, staat dat reserveonderdelen 7 jaar na dedatum waarop het product voor het laatst in de handel is gebrachtbeschikbaar moeten zijn. Bepaalde onderdelen die moeilijk te vervangenzijn en die specifieke reparatievaardigheden vereisen zijn alleen voorprofessionele reparateurs beschikbaar. Makkelijker te repareren onder-delen, zoals de batterij of de achterkant van een smartphone, moeten ookaan niet-professionele reparateurs en consumenten beschikbaar wordengesteld. Afhankelijk van de productgroep en de situatie is er dus eenverplichting tot het wel of niet moeten leveren van reserveonderdelen aan(onder meer) repaircafé»s.17. De leden van de D66-fractie constateren dat eerder dit jaar deEuropese Raad ook een deal bereikte over nieuwe regels op het gebiedvan greenwashing (Green Claims). Hoe kijkt de Minister naar het voorstelvanuit de Europese Raad? Welke gevolgen gaat dit hebben voor deNederlandse aanpak van greenwashing en de wet- en regelgevingdaaromtrent?AntwoordDe Green Claims Richtlijn is een belangrijk voorstel om greenwashingtegen te gaan18. Europese regels zijn van belang om te zorgen dat deeisen aan de onderbouwing van- en communicatie over milieuclaimsworden geharmoniseerd. Hierdoor wordt een gelijk speelveld enduidelijkheid voor handhavers en consumenten gegarandeerd. Door dezenieuwe regels kunnen bedrijven die zich écht inzetten voor verduur-17COM (2023) 15518COM (2023) 166Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95417 zaming, zich effectief onderscheiden. De Groene Claims Richtlijn moetbijdragen aan de betrouwbaarheid van alle milieuclaims en keurmerken.Het compromis dat de Raad heeft bereikt wordt door het kabinet positiefbeoordeeld. Verdergaande harmonisatie van eisen is niet in hetcompromis opgenomen omdat daar onvoldoende steun voor was binnende Raad. Naar verwachting worden de verdere onderhandelingen (detriloog-fase) met het Europees parlement het komend half jaar gestart.Nadat er een definitief akkoord wordt bereikt, werken de lidstaten viaeigen intern toepasselijke methode de Richtlijn uit in nationale wetgeving,zodat zij hetzelfde afgesproken eindresultaat behalen. Gezamenlijk met deRichtlijn «Grotere rol voor de consument bij de groene transitie»19 diebepaalde misleidende generieke termen verbiedt, vormt het Green Claimsvoorstel een belangrijk onderdeel van de Nederlandse aanpak omgreenwashing tegen te gaan. Europese wetgeving om greenwashing tebestrijden levert het meeste effect op en wordt daarom door het kabinetals uitgangspunt genomen.18. De leden van de D66-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat deMinister in zal zetten op het opstellen van een derde actieplan voorcirculaire economie. Daarnaast lezen deze leden dat de focus van hetnieuwe Hongaarse voorzitterschap zal liggen bij concurrentievermogen eneconomische kansen voor de EU op circulair gebied. Is de Minister hetmet deze leden eens dat import van goedkoop plastic (en anderematerialen en grondstoffen) het voortbestaan van circulaire industrie inEuropa bemoeilijkt? Welke stappen gaat de Minister in Europees verbandzetten om circulaire bedrijven die het nu moeilijk hebben te onder-steunen? Welke concrete voorstellen gaat hij doen voor een derdeactieplan circulaire economie? Is de Minister bereid om op Europeesniveau te pleiten voor een Europese circulaire industriepolitiek of eenEuropese recyclestrategie? Is de Minister bereid om op Europees niveaute pleiten voor eerlijke prijzen voor diverse grondstoffen zowel voorgrondstoffen van binnen de EU als van daarbuiten, zodat gerecycledegrondstoffen een eerlijke kans maken tegenover virgin grondstoffen? Zoja, op welke manier gaat de Minister daar concreet aandacht voor vragen?AntwoordDe leden van de fractie van D66 hebben meerdere vragen gesteld over deinzet op een derde EU-actieplan Circulaire Economie en focus van hetHongaars voorzitterschap op het concurrentievermogen en de econo-mische kansen voor de EU op circulair beleid. Deze worden hieronderseparaat beantwoord.Is de Minister het met deze leden eens dat import van goedkoop plastic(en andere materialen en grondstoffen) het voortbestaan van circulaireindustrie in Europa bemoeilijkt?Ja. Import van goedkope en niet-circulaire materialen bemoeilijkt detransitie naar een duurzame Europese circulaire economie. Om detransitie naar een circulaire economie te ondersteunen, heeft Nederlandzich in Brussel sterk uitgesproken voor (sectorale) productregelgeving diecirculariteitseisen stelt aan producten op de Europese interne markt. Zoheeft Nederland zich onder andere tijdens de onderhandelingen over deVerpakkingenverordening, conform de motie van Esch en Van der Graaf20,ingezet voor een Verordening die een belangrijke stap zou zetten richting19Rijksoverheid, «Consumenten beter beschermd tegen misleidende duurzaamheidsclaims»,https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/04/17/consumenten-beter-beschermd-tegen-misleidende-duurzaamheidsclaims20Kamerstukken II, 2023–2024, 22 112, nr. 3788Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95418 verduurzaming van de verpakkingenketen. Een voorbeeld is de verplichtetoepassing van een bepaald percentage plastic recyclaat in nieuweverpakkingen. Dit zorgt ervoor dat de afzetmarkt voor plastic recyclaatwordt versterkt en de markt voor virgin plastics (gemaakt van fossielegrondstoffen zoals olie en gas) wordt ingeperkt. Geïmporteerde plasticverpakkingen uit derde landen mogen alleen op de EU-markt wordengebracht, wanneer deze voldoen aan deze Europese vereisten. Ook deproductie van het recyclaat voor plastic verpakkingen moet aan gelijk-waardige eisen voldoen als de Europese geldende regels. Tegelijkertijdblijft het kabinet zich over het algemeen terughoudend opstellen tenopzichte van de unilaterale toepassing van Europese productiestan-daarden op geïmporteerde producten, omdat dit raakt aan het recht vanderde landen om het eigen systeem van wet- en regelgeving in te richten.Dergelijke maatregelen moeten conform zijn met de regels van deWereldhandelsorganisatie (Engels: World Trade Organisation, WTO) en bijhet opstellen ervan moeten legitieme belangen van derde landengerespecteerd worden. Zie voor een toelichting de Kamerbrief overonderhandelingsresultaten Europese Verpakkingenverordening21.Welke stappen gaat de Minister in Europees verband zetten om circulairebedrijven die het nu moeilijk hebben te ondersteunen?In het schriftelijk overleg ter voorbereiding op de informele Milieuraadvan 15 en 16 januari heeft de Kamer een uiteenzetting ontvangen van deNederlandse wensen voor een derde EU-actieplan Circulaire Economie.Het kabinet wil zich onder meer blijven inzetten op EU-regelgeving omcirculaire bedrijfsmodellen te stimuleren ten opzichte van lineairebedrijfsmodellen. Het kabinet zet zich bijvoorbeeld in om de toepassingvan recyclaat in Europese wetgeving te verplichten, waaronder inverpakkingen tijdens de onderhandelingen in de Verpakkingenveror-dening, in textiel in de lopende onderhandelingen voor de herziening vande Kaderrichtlijn afvalstoffen en in voertuigen in de lopende onderhande-lingen over de Verordening voor circulaire voertuigen. Hiermee wordt eengelijk speelveld gecreëerd in de Europese Unie ten behoeve van detransitie naar een EU circulaire economie. Het kabinet zal zich blijveninzetten voor het verplichten van toepassing van recyclaat, waaronder bijde uitwerking van de productspecifieke maatregelen onder de Kaderveror-dening Ecodesign.Welke concrete voorstellen gaat hij doen voor een derde actieplancirculaire economie? Is de Minister bereid om op Europees niveau tepleiten voor een Europese circulaire industriepolitiek of een Europeserecyclestrategie?Zoals in het schriftelijk overleg ter voorbereiding op de informeleMilieuraad van 15 en 16 januari jl. met de Kamer is gedeeld22, pleitNederland voor de publicatie van een derde EU-actieplan CirculaireEconomie, om het werk dat onder het huidige EU-actieplan CirculaireEconomie is opgepakt, voort te zetten. Tijdens het eerste EU-actieplanCirculaire Economie (2015–2019)23 lag de focus op het afvalmanagement,de «achterkant» van de productketen. In het tweede EU actieplan(2020–2024)24 lag het zwaartepunt op het verduurzamen van de gehelelevenscyclus van producten en kwam de aandacht meer te liggen op devoorkant van de keten, op bijvoorbeeld productontwerp. Het kabinet zietkansen om met een nieuw actieplan de transitie naar een circulaireeconomie en circulaire bedrijfsmodellen verder te stimuleren. Het kabinetmeent dat een derde EU-actieplan Circulaire Economie een geschikt21Kamerstukken II, 2023–2024, 22 112, 395822Kamerstukken II, 2023–2024, 21 501-08, nr. 92523COM (2015) 61424COM (2020) 98Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95419 instrument is om de ontwikkeling van de Europese circulaire industrie teondersteunen en om de strategie te bepalen voor de verdere verduur-zaming van de hele levenscyclus van producten, waaronderhoogwaardige recycling. Het kabinet wil daarom inzetten op instrumentenals productregelgeving (waaronder de uitwerking van product-specifiekemaatregelen onder de Kaderverordening Ecodesign) en herzieningen vanEuropese wetgeving die door de huidige Commissie al waren aange-kondigd, waaronder een grondige herziening van de Kaderrichtlijnafvalstoffen (Kra)25, de Richtlijn voor afgedankte elektrische en elektro-nische apparatuur (AEEA)26, en de Richtlijn voor het beperken vangevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (RoHS)27.Ook wil het kabinet de financiering van circulaire businessmodellen viaprivate financiering en Europese subsidies stimuleren. Tevens pleit hetkabinet voor het stimuleren van het gebruik van duurzame koolstof in dechemische industrie, ter ondersteuning van de transitie richting eencirculaire economie. In een circulaire economie vallen de milieueffectenvan grondstoffen voor productie en consumptie binnen de grenzen vanwat onze planeet aankan. Het kabinet ziet graag in een derde EU-actieplanuitgewerkt wat de planetaire grenzen betekenen voor het grondstoffenge-bruik in de EU. Tot slot hecht het kabinet er waarde aan dat in hetEU-actieplan maatregelen worden genoemd waarmee de EU en haarlidstaten op mondiaal niveau de noodzaak van de transitie naar eencirculaire economie uitdragen, bijvoorbeeld via wereldwijde kennisuitwis-seling en inbedding van duurzaam grondstoffengebruik in multilateralemilieuovereenkomsten.Is de Minister bereid om op Europees niveau te pleiten voor eerlijkeprijzen voor diverse grondstoffen zowel voor grondstoffen van binnen deEU als van daarbuiten, zodat gerecyclede grondstoffen een eerlijke kansmaken tegenover virgin grondstoffen? Zo ja, op welke manier gaat deMinister daar concreet aandacht voor vragen?Het klopt dat gerecyclede grondstoffen nu veelal nog slecht kunnenconcurreren met primaire grondstoffen. Dat heeft ermee te maken dat demeeste primaire grondstoffen eigenlijk te goedkoop zijn omdat nietbetaald wordt voor de maatschappelijke kosten, zoals milieuvervuiling. Inde Kamerbrief over circulair klimaatbeleid28 heeft het vorige kabinetaangegeven nader te bezien welke financiële prikkels mogelijk zijn,rekening houdend met de handelingsperspectieven van bedrijven en hetinternationale speelveld. Hiernaar wordt nu een verkenning uitgevoerd.Deze is nog niet afgerond dus het kabinet zal nog niet bij deze informelebijeenkomst van milieuministers, vooruitlopend op het regeerprogrammaen de uitkomsten van deze verkenning, pleiten voor specifieke nieuwestappen op Europees niveau.19. De leden van de BBB-fractie lezen dat er voor een derde «circulaireeconomie»-actieplan gepleit gaat worden door de Minister. Welkeconcrete maatregelen zijn worden daarbij voorgesteld en hoe bindend isdit?AntwoordVerwezen wordt naar de beantwoording bij vraag 15.25Richtlijn (EG) 2008/9826Richtlijn (EU) 2024/88427Richtlijn (EU) 2011/6528Kamerstukken II, 2023–2024, 32 813, nr. 1397Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95420 Waterweerbaarheid en waterkwaliteit20. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn positief over deerkenning dat klimaatverandering leidt tot veel grotere waterrisico’s vooronder andere Nederland. Wát er moet gebeuren, zegt de Minister niet. Hetonderwerp vanuit Nederlands perspectief staat uiteraard wel regelmatigop de agenda, maar biedt ook geen inzicht of oplossingen voor deEuropese dimensie. De recente overstromingen in Duitsland en in 2021ook in Limburg laten zien dat onvoorspelbare stortbuien, maar ookperiodes met langdurige regenval, tot grote overlast en schade kunnenleiden. Vergeleken met Duitsland viel de schade in Nederland de laatstekeren erg mee. Dat lag onder andere aan de betere hoogwaterbe-scherming. Deze leden wijzen erop dat het niet alleen een kwestie is vanhogere dijken hier, maar ook van lagere dijken dáár. Wij hebben het hierdroog gehouden, juist omdat in Duitsland rivieren buiten hun oeverstraden en zo veel water pas later en geleidelijker Nederland bereikte. Goedvoor Nederland, maar met grote schade in Duitsland tot gevolg. Dezeleden wijzen erop dat Duitsland voornemens is om in het kader van deklimaatadaptatie zijn hoogwaterbescherming nu op te hogen naarNederlands voorbeeld en zo zijn eigen steden en dorpen beter tebeschermen. Het gevolg hiervan is vermoedelijk wel een veel lagerwaterbergend vermogen van Duitsland, en dus een groter overstromings-risico in Nederland. Klopt het dat daarmee onze eigen hoogwaterbescher-mingsplannen alweer achterhaald zijn? Is hier overleg over in Europees ofbilateraal verband? Moet er niet voor elke grote grensoverschrijdenderivier een inclusief plan komen waarin de risico’s van hoog en laag watervoor de scheepvaart, omgeving, natuur en landbouw worden bepaald?Immers alles wat boven of benedenstrooms gebeurt, heeft gevolgen voorboven én beneden. Dijken en uiterwaarden, stuwen en vaargeulen,bruggen en sluizen, industrie en landbouwlozingen, koelwater, grind-winning; alles heeft invloed op elkaar en dus ook op wat in andere landenkan. Deze leden zouden graag zien dat er een Europese variant komt van«water en bodem sturend», die richtlijnen opstelt en belangen afweegt diegrensoverschrijdende effecten hebben. Is de Minister bereid dit tebepleiten en hier initiatieven toe te nemen?AntwoordMet betrekking tot de vragen over waterweerbaarheid in de Europesecontext wordt verwezen naar de recente verzamelbrief29 over verschil-lende actualiteiten uit het waterdomein. Deze brief beschrijft in de breedtehoe we samen met andere overheden en ook samen met onze buurlandencontinu werken om Nederland ook in de toekomst veilig te houden en vanvoldoende schoon water te kunnen blijven voorzien en hoe we onsinzetten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijkeontwikkeling. Dit door middel van nationaal beleid en bestuurlijkesamenwerking op weg naar de Nota Ruimte.Specifiek wordt ook beschreven hoe wij de samenwerking met Duitsland,maar ook met onze andere buurlanden, versterken. Voor het verminderenvan risico’s van extreem hoge afvoeren in het Nederlandse stroomgebiedvan de Rijn en de Maas zijn maatregelen in de meest nabijgelegengebieden, zoals Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen, Wallonië en Luxemburghet meest van belang. Daarom is ook specifiek ingezet op het versterkenvan de samenwerking in deze grensoverschrijdende regionale stroomge-bieden en de bilaterale samenwerking voor de Neder-Rijn en Grensmaas.De samenwerking ziet ook toe op het voorkomen van bovenstroomsemaatregelen met een negatief effect voor Nederland, ook voor laagwater29Kamerstukken II, 2023–2024, 27 625, nr. 670Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95421 situaties. Over dit alles zijn afspraken gemaakt in de InternationaleCommissie ter Bescherming van Rijn (ICBR) en de InternationaleMaascommissie (IMC).Bij dijkversterkingsprojecten wordt in Nederland al rekening gehoudenmet extreme afvoeren op basis van de situatie in het buitenland. Plannenworden waar nodig periodiek geactualiseerd. Nederland is als beneden-strooms land gebaat bij Europese regelgeving. Binnen deze riviercom-missies vindt onder andere afstemming van de implementatie van deRichtlijn Overstromingsrisico’s plaats, hoogwatervoorspellingen enomgaan met laag water. Daarnaast is actualisering van de klimaatadapta-tiestrategie van de ICBR één van de activiteiten van de ICBR zoalsvastgesteld bij de Ministersconferentie in 2020 met als doel om te komentot een duurzaam beheerd en klimaatbestendig Rijnstroomgebied.In de Maas wordt gewerkt met een plan van aanpak laagwater. De inzetvan het kabinet is om de samenwerking binnen de internationaleriviercommissies te versterken en het EU Water Resilience Initiative, datook ingaat op grensoverschrijdende samenwerking, te ondersteunen. Viabestaande programma’s en trajecten (waaronder het programma IntegraalRiviermanagement en de Deltaprogramma’s Zoetwater en Watervei-ligheid) wordt ook bezien waar aanvullende internationale samenwerkingof afspraken nodig zijn. Met bovengenoemde activiteiten, wordt ook ininternationaal verband, invulling gegeven aan «water en bodem sturend».21. De leden van de NSC-fractie vragen of al duidelijk is wanneer demededeling over «water resilience» zal worden gepubliceerd en ofNederland daarop gaat aandringen bij de informele Milieuraad.AntwoordDe mededeling van de Europese Commissie over het «Water ResilienceInitiatief» (WRI) werd in het voorjaar verwacht maar is uitgesteld. Hierna iswel het Europese Klimaatrisico-onderzoek (EUCRA) gepubliceerd30 dateen onderbouwing van de noodzaak van het initiatief verzorgt, maar er isnog geen mededeling over het WRI gedaan. Tijdens de informelebijeenkomst van de milieuministers in Boedapest wordt het onderwerpbesproken en zal het kabinet het belang ook benadrukken.22. De leden van de NSC-fractie zijn verheugd te zien dat het «one out allout»-principe in de Kaderrichtlijn Water vervangen lijkt te worden dooreen beoordelingsmethodiek die een algemener beeld geeft over de standvan het oppervlaktewater. Deze leden vragen hoe de Minister ditonderhandelingsresultaat beoordeelt en of hij dit als een werkbareoplossing voor Nederland ziet. Ook zijn deze leden benieuwd naar denieuwe doelen die al voor na 2027 gesteld zullen worden. Kan de Ministerinzicht geven wanneer hij verwacht dat daar meer over bekend zalworden?AntwoordOp 27 juni jl. is de Kamer geïnformeerd over de appreciatie van hetbereikte tussenresultaat31 in de onderhandelingen over een wetsvoorstelvan de Europese Commissie tot wijziging van de Richtlijn PrioritaireStoffen, de Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water (KRW)32. In hetalgemeen is het kabinet zeer tevreden met het bereikte resultaat. Het is30https://www.eea.europa.eu/publications/european-climate-risk-assessment31Kamerstukken II, 2023–2024, 27 625, nr. 67232COM(2022) 540, Kamerstuk II, 2022–23, 22 112, nr. 3587Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95422 zeker niet zo dat het «one out all out»-principe33 in de Kaderrichtlijn Waterwordt vervangen of geschrapt. In de Kamerbrief van 22 februari 202434 isook steun door het vorige kabinet uitgesproken aan de ambitie omuiteindelijk alle doelen te realiseren. Dat is immers een voorwaarde voorschoon en gezond water. Tegelijk is duidelijk dat het «one out allout»-principe ongeschikt is om de verbetering van de waterkwaliteitzichtbaar te maken. In het tussenresultaat is daarom een opdracht aan deEuropese Commissie opgenomen om een aanvullende indicator voor ditdoel in de KRW op te nemen. Weliswaar geeft dit een afhankelijkheid vande Commissie, maar op basis hiervan kunnen Nederland en anderelidstaten de Commissie wel aansporen dit op te pakken. Het tussenre-sultaat heeft de instemming van de lidstaten en vormt de basis voor detriloog-onderhandelingen met het Europees parlement, die vermoedelijkhet laatste kwartaal van 2024 gaan starten onder Hongaars voorzitter-schap.23. De leden van de BBB-fractie hebben zorgen over de internationalesamenwerking op het gebied van water en dan met name de waterkwa-liteit. Nederland is een delta en daarmee ligt het risico om het afvalputjevan Europa te zijn op de loer. Nederland is dus erg afhankelijk van deinternationale samenwerking. Weliswaar wordt er veel samengewerkt ininternationale riviercommissies, maar, zoals de Raad voor de leefom-geving en infrastructuur (Rli) ook aangeeft: dit heeft nog niet geleid totbindende afspraken. Deze leden willen daarom graag weten wat de inzetvan de Minister op dit onderwerp is en welke rol de Europese Commissiehierin kan spelen. Zolang er enkel vrijblijvende afspraken gemaaktworden, loopt Nederland het risico op te draaien voor problemen die inhet buitenland ontstaan. Deelt de Minister deze mening en wat is de visievan de Minister hierop?AntwoordIn de eerste plaats wordt voor de beantwoording verwezen naar deantwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp, zoals de Kamer dieontving bij brief van 21 december 202235. Nederland is als beneden-strooms land gebaat bij grensoverschrijdende afspraken en Europeseregelgeving. Het is echter niet zo dat Nederland in algemene zin hetafvoerputje van Europa is. Er is sprake van een beeld dat verschillend isper stof en per locatie. Zo geldt dat voor nutriënten de Rijn best schoon isbij binnenkomst in ons land en dat ook voor de Maas de opgave metbetrekking tot waterkwaliteit slechts beperkt is.Met name in enkele grensoverschrijdende beken is sprake van eenprobleem met nutriënten, maar de omvang van de problematiek verschilttussen grensregio’s36. Het is van belang hierover het gesprek aan te gaan,maar dit moet steeds zijn toegespitst op de specifieke problemen die erzijn. Dit betekent dat in de eerste plaats het overleg moet plaatsvindenmet het betreffende buurland en de internationale riviercommissies, enniet gelijk met de Europese Commissie. De Europese Commissie kangevraagd worden te bemiddelen als er geen overeenstemming wordtbereikt en is ook betrokken bij de Internationale Commissie terBescherming van de Rijn.33Het «one out all out-principe» uit de KRW betekent dat als een waterlichaam op basis van éénparameter niet voldoende scoort, de eindscore van het hele waterlichaam «rood» is en als nietgoed wordt beoordeeld.34Kamerstukken II, 2023–2024, 27 625, nr. 66435Kamerstukken II, 2023–2024, 27 625, nr. 59836Zie ook Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 1569Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95423 Wat betreft die bi- en multilaterale overleggen zijn er ook bindendeafspraken gemaakt. Zo zijn in Rijnverband al diverse afspraken vastgelegdmet onze bovenstroomse partners om de verontreiniging door chemischestoffen sterk te reduceren37. Tegelijk zijn nog niet alle grensoverschrij-dende problemen opgelost en geldt op grond van de Europese Kader-richtlijn Water (KRW)38 wel een resultaatsverplichting om per22 december 2027 aan de doelen te voldoen. Dit betekent dat ingezetwordt op verdere bespreking van de grensoverschrijdende problematiekmet onze buitenlandse partners, zowel bilateraal als in de internationaleriviercommissies. Uiteindelijk biedt de KRW een escalatiemogelijkheidrichting de Europese Commissie.In het verlengde hiervan moeten eind 2027 op grond van de KRW denieuwe stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) worden vastgesteld voorde volgende planperiode (2028–2033). Hierin wordt verantwoordingafgelegd over het halen van de KRW-doelen per 2027. Voor de doelen dieniet per 2027 worden gehaald, moet hierin worden aangegeven welkelegitieme uitzonderingsmogelijkheid wordt toegepast. Ook hiervoor kannodig zijn dat gesprekken gevoerd zijn met de buurlanden en dat deEuropese Commissie is ingelicht. Daarnaast wordt in deze nieuweplannen het KRW-beleid voor de periode 2028–2033 vastgelegd. Het gaatdan om de nieuwe ambities, doelen en maatregelen voor de volgendeplanperiode.Ook ná 2027 zal het bereiken en behouden van een goede waterkwaliteiten voldoende (grond)waterbeschikbaarheid blijvende inzet vragen.Volgens de KRW moeten binnen een stroomgebied waar het watergebruikgrensoverschrijdende gevolgen kan hebben, de vereisten voor hetbereiken van de milieudoelstellingen van de KRW, en in het bijzonder allemaatregelenprogramma’s, worden gecoördineerd voor het gehelestroomgebiedsdistrict. Daartoe wordt een overkoepelend internationaaldeel van de SGBP’s opgesteld. Dit gebeurt in de internationale riviercom-missies.24. De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om een appreciatievan het akkoord dat in de Raad is gesloten op 19 juni 2024 omtrent deKaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn prioritairestoffen. In het bijzonder vragen deze leden naar de voortgang rondom hetschrappen van het principe «one out all out».AntwoordVerwezen wordt naar de beantwoording bij vraag 21.Klimaatadaptatie25. De leden van de VVD-fractie constateren dat de Nederlandse zomersdroger zullen worden en de winters natter. Omdat de gevolgen van deklimaatverandering steeds zichtbaarder worden, zijn klimaatadaptatie enhet vergroten van de weerbaarheid tegen klimaatrisico’s wat deze ledenbetreft van groot belang. Vanwege het door het KNMI voorspeldekantelpunt, waarbij veranderingen ineens sneller gaan als de gemiddeldetemperatuurstijging boven een bepaalde drempelwaarde komt, is hetgoed om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op en hulpverlening paraatte hebben bij extreme weersomstandigheden. Onderlinge bijstand tussende EU-landen op het gebied van kennis en operationele inzet bij bijvoor-beeld overstromingen en natuurbranden kan hierbij van grotemeerwaarde zijn. Hoe verloopt momenteel de samenwerking binnen37Nationaal Waterprogramma, Kamerstukken II, 2021–2022, 35 325, nr. 538Richtlijn (EG) 2000/60Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95424 RescEU en welke rol speelt de Minister hierin? Kan de Minister bijvoor-beeld gebruik maken van kennis, kunde en materieel van andere, meerzuidelijke landen, als het gaat om de preventie en de bestrijding vannatuurbranden? En in welke mate is de interoperabiliteit gewaarborgd?AntwoordRescEU is een onderdeel van het bredere Europese instrument voorciviele bescherming, het Union Civil Protection Mechanism (UCPM). Doorhet veranderende risicolandschap is het belang van het mechanisme deafgelopen jaren sterk toegenomen (hierover ontving uw Kamer op14 december jl. ook een non-paper getiteld «The Future of Strategic CrisisManagement in the EU»39).Het mechanisme is gebaseerd op solidariteit tussen de deelnemendelidstaten om Europese bijstand te coördineren in noodsituaties wanneerde nationale responscapaciteit onvoldoende is om een crisis het hoofd tebieden. Het mechanisme is veelzijdig en omvat onder andere uitwisse-lingen op expertniveau, zodat lidstaten gebruik kunnen maken van dekennis, kunde en het materieel van andere lidstaten. Dit stelt lidstaten instaat elkaar bij te staan met gespecialiseerde middelen en expertise.Interoperabiliteit speelt hierbij een rol; de EU waarborgt gestandaardi-seerde procedures en organiseert regelmatig crisismanagementoefe-ningen op expertniveau, waaraan Nederland ook deelneemt. Hierdoorkunnen verschillende nationale systemen effectief samenwerken tijdensnoodsituaties.RescEU fungeert binnen het mechanisme als laatste redmiddel en bestaatuit capaciteiten die de Europese Commissie heeft aangeschaft om eenadditioneel vangnet te bieden. RescEU richt zich momenteel vooral op deopbouw van een Europese vloot van blusvliegtuigen. De inzet vanNederland is dat landen zelf blijven investeren in capaciteit. Tegelijkertijderkent het kabinet ook de effectiviteitsvoordelen die het mechanisme,inclusief rescEU, met name rond natuurbranden biedt.De coördinerende rol voor UCPM, en daarmee ook rescEU, is belegd bijde Minister van Justitie en Veiligheid. Via UCPM kunnen lidstaten eenoproep doen aan landen voor mensen, middelen en capaciteiten.Hierbinnen vallen ook de voorraden die beschikbaar zijn binnen rescEU.Ook Nederland kan hiervan gebruikmaken indien de situatie daaromvraagt. Bijvoorbeeld, via het communicatiesysteem «CECIS» (CommonEmergency Communication and Information System) vindt uitwisselingplaats van informatie en coördinatie van noodhulpoperaties tussen dedeelnemende landen.26. In het schriftelijk overleg over het BNC-fiche klimaatadaptatie gaf deMinister aan de inzet van klimaatadaptatie in het Meerjarig FinancieelKader (MFK) over te laten aan het nieuwe kabinet. Hoe ziet de (nieuwe)Minister de inzet in het MFK ten gunste van klimaatadaptatie?AntwoordKlimaatadaptatie is een belangrijk thema voor Nederland en zal dan ookmeegenomen worden in de integrale afweging van de kabinetsinzet voorhet volgend MFK. Hierbij zal een integrale afweging moeten wordengemaakt tussen de verschillende beleidsprioriteiten.39Bijlage bij Kamerstukken II 2023–2024, 29 517, nr. 251Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95425 Financiering van de groene transitie27. De leden van de BBB-fractie vragen op wat voor manieren deinvesteringsbereidheid versneld kan worden zonder dat dit hetinvesteringsvermogen/vestigingsklimaat van Nederland schaadt.AntwoordDe groene transitie gaat gepaard met een stevige investeringsopgave,waarbij zowel private als publieke investeringen van belang zijn. Omvoldoende private investeringen aan te trekken is een sterke EU investe-ringsagenda nodig. Centraal hierin is dat eenduidig beleid de voorspel-baarheid en investeringszekerheid voor bedrijven vergroot. Doordat deontwikkeling en uitrol van schone technologie en producten met name inde komende jaren plaats zal vinden, heeft de EU met een effectiefinvesteringsbeleid een sterke kans om een voortrekkersrol te nemen in hetontwikkelen van de technologie van de toekomst. In de Commissiemede-deling voor het aanbevolen 2040 klimaatdoel40 wordt daarom ook eensterke koppeling gemaakt tussen verduurzaming en het concurrentiever-mogen van bedrijven. Op termijn zal dit het concurrentievermogen, hetvestigingsklimaat en de weerbaarheid van de EU versterken. Om ook opde korte- en middellange termijn een gelijk Europees en mondiaalspeelveld (en daarmee goed vestigingsklimaat) te realiseren, heeft deCommissie onder andere het EU Emissions Trading System (ETS)41 incombinatie met de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) 42ingesteld.28. De leden van de BBB-fractie constateren dat er een groot tekort is aanfinanciële middelen op Europese schaal om alle doelstellingen van degroene transitie te behalen. Deze leden vragen of daarover wordtgesproken en of de conclusies van het onderzoek «road to net zero» vanhet Instituut Rousseau kloppen. Is het überhaupt mogelijk om de tekortente bekostigen vanuit Nederland en de andere lidstaten?AntwoordDe groene transitie vergt de modernisering van grote delen van deEuropese economie. Producten, processen en diensten op basis vanfossiele brandstoffen dienen vervangen te worden door duurzamealternatieven. Hiervoor zijn langdurige investeringen nodig in onderzoek,industrie en (productie)capaciteiten. Het onderzoeksrapport van InstitutRousseau onderschrijft deze significante investeringsbehoefte, waarbijmoet worden opgemerkt dat de methodologische onderbouwing van hetrapport niet in detail kan worden gecheckt. De Europese Commissie heeftin haar impact-assessment voor het aanbevolen 2040 doel43 gesteld datde benodigde investeringen voor 2040 en 2050 van een significanteomvang zijn, maar historisch gezien niet uitzonderlijk zijn. Uit deimpact-assessment bij de Commissiemededeling over het aanbevolen2040 klimaatdoel blijkt ook dat verduurzaming zal leiden tot een signifi-cante vermindering in de EU-brede importkosten van fossiele brand-stoffen. Daarnaast heeft de Commissie een schatting gemaakt van dekosten van klimaatverandering als er geen actie wordt ondernomen.Hieruit blijkt dat deze kosten veel hoger zijn dan de kosten die gemaaktmoeten worden om de emissies te reduceren.40COM(2024) 63; Kamerstuk II, 2023–24, 22 112, nr. 3916 (BNC-fiche)41Richtlijn (EG) 2003/8742Verordening (EU) 2023/95643SWD/2024/63 final Impact Assessment report Europe’s 2040 climate targetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95426 Door een combinatie van publieke en private investeringen is het mogelijkom langdurig een hoog investeringsniveau te bereiken. Publiekeinvesteringen zijn hierbij met name van belang voor specifieke, innova-tieve technologieën en de vroege opschaling van nieuwe technologieën.Private investeringen zijn met name van belang voor sectoren die reedseen industriële toepassing hebben, van innovatie in productieprocessentot de verdere opschaling van bestaande groene technologieën. Tot slotdient te worden opgemerkt dat investeringen in de groene transitie nietlouter de transitie ten goede komen, maar tevens de Europese concurren-tiekracht, onze weerbaarheid en het verdienvermogen versterken.Natuurherstel29. De leden van de NSC-fractie hebben meegekregen dat de Natuurher-stelverordening bij de Milieuraad van 17 juni jl. is aangenomen enconstateren dat deze nu geïmplementeerd dient te worden. Kan deMinister aangeven hoe hij het proces voor de totstandkoming van hetnatuurherstelplan de komende twee jaar voor zich ziet? Welke rol ziet deMinister daarin voor relevante partners zoals lagere overheden en deagrarische sector? Hoe zal de Kamer worden betrokken bij de totstand-koming van het natuurherstelplan? En hoe is de Minister van planrekening te houden met de recent aangenomen motie-Van Campen(Ka-merstuk 21 501-32, nr. 1657)?AntwoordLidstaten moeten binnen twee jaar na inwerkingtreding van de Natuurher-stelverordening een concept Nationaal Natuurherstelplan indienen bij deEuropese Commissie, met concrete maatregelen voor de periode tot 2030en met een doorkijk naar 2050. Uitgangspunt van het kabinet is uitvoeringvan de Natuurherstelverordening in lijn met de motie Van Campen44 datwil zeggen zonder nationale koppen, zoals ook benoemd in het Hoofdlij-nenakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 37). Echter, ook zondernationale koppen wordt de implementatie van de Natuurherstelveror-dening een uitdaging voor Nederland. Samenwerken met een groot scalaaan relevante partners is van groot belang bij de totstandkoming van hetnatuurherstelplan. De Kamer zal worden betrokken bij de uitvoering vande Natuurherstelverordening en op een later moment verder wordengeïnformeerd over het te volgen proces.44Kamerstukken II, 2023–2024, 21 501-32, nr. 1657Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-08, nr. 95427
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.