KamerkringInloggen
Kamerbrief

Stand van zaken uitvoering vonnis RBV-zaak

9 apr 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 6a8c34c71ef2c1b1 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202429 665Evaluatie SchipholbeleidNr. 498 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 april 2024Tijdens de Regeling van Werkzaamheden op 26 maart 2024 is er door hetlid Bamenga (D66) een verzoek gedaan om een inhoudelijke appreciatievan het vonnis in de civiele procedure die de stichting Recht opBescherming tegen Vliegtuighinder (hierna: RBV) tegen de Staat derNederlanden (hierna: de Staat) heeft aangespannen, te ontvangenvoorafgaand aan het Commissiedebat Luchtvaart (incl. VerduurzamingLuchtvaart) op 10 april 2024. Hierbij ontvangt de Kamer de gevraagdebrief.Kernpunten vonnisBelangenafweging zoals vereist vanuit het EVRMOp 20 maart 2024 heeft de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in deciviele procedure tussen RBV en de Staat. Hier is de Kamer op 20 maart2024 over geïnformeerd.1 Zoals aangegeven komt de rechtbank tot hetoordeel dat de Staat onrechtmatig handelt door niet de vereiste belangen-afweging te maken tussen de belangen van hen die gebaat zijn bij hetluchtverkeer van en naar Schiphol en de belangen van hen die daarvanernstige hinder en slaapverstoring ondervinden.De rechtbank oordeelt dat de Staat onrechtmatig handelt door hetgeldende wettelijk kader voor de geluidshinder rond Schiphol al bijnaanderhalf decennium niet te handhaven en door het beleid dat sindsdienwel is gemaakt en uitgevoerd te baseren op een onvolledig beeld van (despreiding en ernst van) de geluidsoverlast. De rechtbank oordeelt dat,door het ontbreken van adequate en daadwerkelijk gehandhaafdenormen, het mensen die overlast ervaren door Schiphol ook al jarenlangontbreekt aan effectieve rechtsbescherming. Daarnaast stelt de rechtbankdat in de handelwijze van de Staat steeds de hubfunctie en de groei van1Kamerstukken II 2023/24, 29 665, nr. 495 kst-29665-498ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 665, nr. 4981 Schiphol voorop stond; pas daarna werd gekeken hoe tegemoet konworden gekomen aan de belangen van omwonenden en anderen. Hierbijwerd niet beoordeeld of er voldoende recht werd gedaan aan dezebelangen.Deze manier van belangenafweging voldoet niet aan de eisen die hetEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en defundamentele vrijheden (EVRM) aan die belangenafweging stelt. Derechtbank geeft aan dat de overheid weliswaar een ruime marge aan«beleidsvrijheid» heeft, maar dat inmenging in de persoonlijke levens-sfeer pas is toegestaan, zolang er sprake is van een wettelijke basis en eenfair balance tussen de verschillende belangen. Volgens de rechtbank ishiervan gelet op het voorgaande in deze zaak geen sprake. Er is daaromvolgens de rechtbank sprake van een inbreuk op artikel 8 van het EVRM.De rechtbank benadrukt dat het aan de Staat, waaronder de regering ende volksvertegenwoordiging als medewetgever en controlerende macht,is om een belangenafweging en politieke keuzes te maken overbeleidsvorming.Toewijzing en afwijzing vorderingenDe rechtbank draagt de Staat op om binnen 12 maanden na betekeningvan het vonnis:1.de geldende wet- en regelgeving te handhaven. Hierbij is voor derechtbank het LVB 2008 het uitgangspunt. De rechtbank ziet innavolging van het gerechtshof Amsterdam geen noodzaak om voorhet stoppen met anticiperend handhaven ten aanzien van het LVB 2008de balanced approach-procedure te doorlopen.2.een vorm van praktische en effectieve rechtsbescherming in het levente roepen die toegankelijk is voor alle (individuele) ernstig gehinderdenen slaapverstoorden – dus ook voor hen die buiten de huidigevastgestelde geluidscontouren wonen. Bij deze vorm van rechtsbe-scherming moeten de belangen van het individu voldoende geïndivi-dualiseerd en gemotiveerd worden meegewogen.De rechtbank wijst de onderdelen van de vordering af die betrekkinghebben op de WHO-richtlijnen, en de stelling dat in strijd wordt gehandeldmet de gelijkwaardigheidscriteria en de (niet-equivalente) akoestischehinderfactoren. Ook wijst de rechtbank het gevorderde gebod tot hettreffen van specifieke maatregelen af, waaronder het verlagen van hetaantal vliegtuigbewegingen van en naar Schiphol en het vaststellen vanmaxima voor individuele geluidsbelasting. De rechter legt de Staat geendwangsom op. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.Eerste inhoudelijke appreciatieDe strekking van het vonnis van de rechtbank is helder: er moet meeraandacht komen voor omwonenden. Er wordt een duidelijk signaalafgegeven dat de belangen van omwonenden in het verleden onvol-doende zijn meegewogen bij besluitvorming rondom Schiphol.Vonnis in lijn met Hoofdlijnenbesluit SchipholSinds juni 2022 werkt het kabinet aan de effectuering van het Hoofdlijnen-besluit Schiphol. De kern van dit Hoofdlijnenbesluit is het herstellen vande rechtspositie van omwonenden, het terugdringen van de geluidshinderen het verminderen van de negatieve effecten van het vliegverkeer.Individuele rechtsbescherming maakt hiervan onderdeel uit. Het kabinetziet in het vonnis een ondersteuning voor het met het HoofdlijnenbesluitTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 665, nr. 4982 ingezette beleid. Op dit moment wordt er via een driesporen-aanpakgewerkt aan de effectuering van het Hoofdlijnenbesluit.De Kamer is daar recentelijk nog over geïnformeerd via de zevendevoortgangsbrief van het Programma Omgeving Luchthaven Schiphol.2Een onderdeel van de driesporen-aanpak is het volgen van een balancedapproach procedure voor het vastleggen van een pakket aan maatregelenom de geluidsoverlast te reduceren. De betekenis van het vonnis moetechter wel bezien worden in het licht van de stappen die beoogd wordente zetten en levert een aantal dilemma’s en uitzoekpunten op. Het vonnisvan de rechtbank om binnen 12 maanden de geldende wet- en regel-geving te handhaven en een vorm van praktische en effectieve rechtsbe-scherming in het leven te roepen die toegankelijk is voor alle ernstiggehinderden en slaapverstoorden is een forse klus. Tegelijkertijd is hetvoor omwonenden, verenigd in de RBV, van groot belang dat opvolgingwordt gegeven aan het vonnis.In het vervolg van deze brief wordt de Kamer, voor zover op dit momentmogelijk, op de hoogte gebracht van de inhoudelijke dilemma’s enuitzoekpunten op drie verschillende vlakken te weten: timing, (inter)na-tionale context en inhoud.Dilemma’s en lopende uitzoekpunten1. De tijd: uitvoerbaarheid/houdbaarheid op korte en lange termijnDe rechtbank geeft de Staat 12 maanden de tijd om het vonnis uit tevoeren en geldende wet- en regelgeving te handhaven. Een denkrichtinghiervoor kan zijn om het anticiperend handhaven binnen 12 maanden tebeëindigen. Als basis kan in dit geval het LVB 2008 dienen. Echter, ook tenaanzien van het LVB 2008 maakt de rechtbank in het vonnis een aantalopmerkingen. Dat betekent dat mogelijk een actualisatie van het LVB 2008noodzakelijk is. Iedere vorm van actualisatie van geldende wet- enregelgeving is binnen een tijdspanne van 12 maanden zeer ambitieus. Datligt bijvoorbeeld aan de procedures en inhoudelijke vereisten om eenzorgvuldig proces te doorlopen, waaronder de benodigde milieueffectrap-portage (mer), voorhang bij de beide Kamers en advisering door de Raadvan State.De tijdsplanning wordt nog ambitieuzer als de actualisatie nieuweelementen moet bevatten zoals de rechtbank overweegt. Conform hetHoofdlijnenbesluit Schiphol werkt het kabinet aan een nieuw stelselwaarbij uitgegaan wordt van milieunormen waaraan de luchtvaartsectormoet voldoen (spoor 3). Echter, de ontwikkeling van een dergelijk nieuwstelsel kost tijd, zoals ook in de Hoofdlijnenbrief Schiphol al aangegeven,3niet in de laatste plaats omdat het belangrijk is om dit nieuwe stelselsamen met de omgeving, bestuurlijke partijen en de luchtvaartsector tebouwen. Op dit moment is het kabinet aan het bezien wat er maakbaar isin 12 maanden en in welke mate dat invulling geeft aan het vonnis.2. Nationaal versus Internationaal. Complex nationaal en internationaalspeelveldHet luchtvaartbeleid speelt zich af in een complex en dynamisch (inter)na-tionaal speelveld. Nationaal is er sprake van rechtelijke procedures,waaronder het nog lopende cassatieberoep in de procedure tussen KLMc.s./IATA e.a. en de Staat. In het vonnis van 20 maart heeft de rechtbank innavolging van het gerechtshof geoordeeld dat het niet nodig is om debalanced approach procedure te volgen voor het stoppen met antici-2Kamerstukken II 2023/24, 29 665, nr. 4963Kamerstukken II 2021/22, 29 665, nr. 432Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 665, nr. 4983 perend handhaven. Eerder heeft het kabinet besloten om het stoppen metanticiperend handhaven op te schorten totdat de Hoge Raad uitspraakheeft gedaan over dit vraagstuk,4 mede naar aanleiding van het standpuntvan de Europese Commissie, die van mening is dat de balancedapproach-procedure vereist is voor het stoppen met anticiperendhandhaven. De Europese Commissie overweegt een infractieprocedureindien hier geen opvolging aan wordt gegeven en roept Nederland op allemogelijke stappen te nemen om overeenstemming met het Europeserecht te verzekeren. Op 5 april 2024 heeft de Advocaat-Generaal (A-G) eenadvies uitgebracht in het cassatieberoep. In dit advies concludeert de A-Gdat de Wet luchtvaart geen toereikende grondslag biedt voor de voorge-nomen experimenteerregeling. Daarnaast concludeert de A-G dat debalanced approach-procedure uit de Geluidsverordening van toepassingis op zowel de experimenteerregeling als op het stoppen met anticiperendhandhaven. De A-G adviseert de Hoge Raad het arrest van het HofAmsterdam te vernietigen en de zaak te verwijzen naar een ander hof. DeA-G stipt in de conclusie de uphill battle aan om noodzakelijk geachtemilieumaatregelen aanvaard te krijgen en adviseert dat de EuropeseCommissie bij haar beoordeling oog zou moeten hebben voor de nodenvan de leefomgeving rond een luchthaven. De conclusie van de A-G is eenonafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat advies al dan niet tevolgen.De uitspraak van de Hoge Raad in deze kwestie wordt rond de zomer van2024 verwacht, wat de tijdsspanne om tot uitvoering van het vonnis tekomen nog korter maakt. Hierbij speelt ook het internationale slotverde-lingsproces een rol, waar Nederland zich ook aan te houden heeft.3. De inhoud: mogelijkheden om te komen tot minder hinder en huidigetrajectenHet kabinet dient rekening te houden met een fair balance tusseneconomische belangen en de belangen van omwonenden. Daarnaast steltde rechtbank dat zowel de huidige operatie onder het anticiperendhandhaven, als de oude regelgeving deze fair balance onvoldoende borgt.Het vraagstuk waarvoor het kabinet zich met dit vonnis gesteld ziet is hoetot deze fair balance te komen, zodanig dat omwonenden daar merkbaarprofijt van hebben. Een denkrichting, terugvallen op eenniet-geactualiseerd LVB 2008, heeft ook nadelen. Terugvallen leidtweliswaar relatief snel tot een vermindering van het maximum aantalvliegtuigbewegingen door enkele zeer knellende handhavingspunten.Doordat in andere handhavingspunten juist (veel) ruimte zit geeft dit eenprikkel tot een andere manier van vliegen met mogelijk meer overlastvoor de betreffende gebieden als gevolg en op termijn mogelijk meervliegtuigbewegingen. Tegelijkertijd zijn sommige hinderbeperkendemaatregelen, die nu in de balanced approach-procedure wordenmeegenomen, onmogelijk te realiseren binnen de kaders van hetLVB 2008. Zo zijn in het vigerende LVB 2008 32.000 vliegtuigbewegingenin de nacht mogelijk. Reductie van dat aantal kan alleen nadat daarvooreen balanced approach-procedure is doorlopen. In de lopende balancedapproach-procedure is een reductie naar 28.700 vliegtuigbewegingenopgenomen als onderdeel van het genotificeerde maatregelenpakket. Ookhet beperken van secundair baangebruik en de inzet van stillere vlieg-tuigen in de nacht is onderdeel van de lopende balanced approach-procedure. Deze maatregelen zijn niet voorhanden binnen de kaders vanhet LVB 2008. Het kabinet beziet op dit moment hoe de huidige balancedapproach-procedure zich verhoudt tot het dictum van het vonnis, waarin4Kamerstukken II 2023/24, 29 665, nr. 488Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 665, nr. 4984 de Staat onder meer wordt bevolen om binnen twaalf maanden degeldende wet- en regelgeving te handhaven.Vervolgstappen en procesGelet op de hiervoor beschreven dilemma’s en uitzoekpunten kan op ditmoment nog niet exact worden aangegeven hoe het kabinet uitvoering zalgeven aan het vonnis. Daarvoor moeten eerst nog een aantal zakenworden uitgezocht en op onderdelen ook een ingewikkelde afweginggemaakt worden. Daar hoort ook een afweging bij over een eventueelhoger beroep. De termijn die daarvoor staat is 3 maanden. Het kabinetstreeft ernaar om al eerder duidelijkheid te geven over het vervolgpad enzal de Kamer daar ook over informeren. De voorlopige verwachting is dathet mogelijk is om de Kamer na het meireces nader te informeren over devervolgstappen.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,M.G.J. HarbersTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 665, nr. 4985

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 37e708ec9e6f932f

14 okt 2026 · 7488cf08e9d1d413

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.