Regeldruk en toezicht kinderopvang
Brontekst
Versie 244596786350bcd5 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 322KinderopvangNr. 572 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 27 november 2025De kinderopvang is belangrijk voor kinderen en hun ouders. In Nederlandmogen we trots zijn op een divers aanbod van kwalitatief hoogstaandekinderopvang. Hierdoor brengen ouders hun kinderen met een gerust hartnaar de kinderopvang die aansluit bij hun behoefte. Om voldoendeaanbod te houden, is ruimte voor ondernemerschap belangrijk. Met dezebrief zet ik in op het verminderen van regeldruk voor kinderopvangorgani-saties. Daarmee sluit ik aan bij de Rijksbrede ambitie van het kabinet.1Hiermee voer ik ook een motie uit die verzoekt om een plan van aanpakvoor vermindering van regeldruk in de kinderopvang.2Verder ga ik in deze brief in op de doorontwikkeling van toezicht enhandhaving. Daarbij bied ik eveneens de uitkomsten aan van het jaarlijksrapport van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO). Dit onderzoek gaatover de uitvoering van toezicht en handhaving op de kinderopvang.Toezicht en handhaving zijn (net als regels) belangrijk om de kwaliteit enveiligheid van de kinderopvang te waarborgen en stimuleren. Tegelij-kertijd draagt het eraan bij dat kinderopvangondernemers regeldrukervaren. De doorontwikkeling van het toezicht kan bijdragen aan dekwaliteit van de kinderopvang én aan vermindering van de ervarenregeldruk.1. Verminderen regeldruk In dit hoofdstuk beschrijf ik mijn inzet om regeldruk in de kinderopvang teverminderen. Allereerst schetst paragraaf 1.1 de uitgangssituatie en hetkader op basis waarvan ik hierover afwegingen maak. In paragraaf 1.2staat hoe ik input heb verzameld en gesprekken heb gevoerd met1Kamerstukken II 2024/25, 32 637, nr. 660.2Kamerstukken II 2024/25, 36 513, nr. 17. Deze brief richt zich op kinderdagopvang en buiten-schoolse opvang. Voor gastouderopvang heb ik aan de motie reeds uitvoering gegeven metKamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 554. kst-31322-572ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5721 sectorpartijen. Het doel daarvan was om te komen tot een gedragenaanpak. Paragraaf 1.3 beschrijft de concrete maatregelen die ik neem.1.1 Verminderen regeldruk, met behoud van kwaliteit De kinderopvang moet een veilige plek zijn waar kinderen ruimte krijgenom zich te ontwikkelen. In het belang daarvan staan in de Wet kinder-opvang en lagere regelgeving kwaliteitseisen. De huidige kwaliteitsregelszijn ingevoerd in 2018 met de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang. Deinhoud van de wet is gebaseerd op een convenant tussen het Ministerievan SZW en de sectorpartijen van kinderopvangorganisaties, ouders enpedagogisch professionals.De regelgeving wordt doorlopend onderhouden en waar nodig herzien.Dit gebeurt in overleg met de sectorpartijen. Mijn ministerie volgt deuitwerking van de eisen in de praktijk. De afgelopen jaren zijn eisenaangepast waar zich knelpunten voordeden. Zo is in 2022 tijdelijk demogelijkheid verruimd om beroepskrachten in opleiding in te zetten. In2023 is de drie-uursregeling zo aangepast dat deze meer flexibiliteit geeftvoor de dagelijkse praktijk. Datzelfde geldt voor het vaste gezichtencri-terium in 2023 (ziek-en-piek-regeling) en 2024 (beroepskracht in opleidinginzetten als vast gezicht). Verder zijn in 2024 drie wijzigingen doorgevoerdspecifiek voor de buitenschoolse opvang (bso): de mogelijkheid omandersgekwalificeerde medewerkers in te zetten, het vereenvoudigen vankindercentrumoverstijgend opvangen en het berekenen van deberoepskracht-kindratio per locatie in plaats van per groep.Naast aanpassing van regels heb ik op andere manieren ingezet opverminderen van ervaren regeldruk. Bijvoorbeeld door zoals toegezegdsamen met GGD GHOR en de VNG te bezien waar verbetering mogelijkwas in de communicatie over het aanvraagproces om door de gemeentete worden geregistreerd als (agrarische) kinderopvang.3 Inmiddels heb ikvan de brancheorganisaties, waaronder de Verenigde AgrarischeKinderopvang, begrepen dat zij het destijds geconstateerde knelpunt opdit moment niet meer zien in de praktijk.Om de kwaliteit en veiligheid te waarborgen zijn regels nodig. Zeker vooreen kwetsbare doelgroep, zoals de kinderen in de kinderopvang. Het isechter ook onontkoombaar dat regels leiden tot regeldruk en de ruimtevoor kinderopvangorganisaties beperken. Tegelijk zet ik mij in om detoegankelijkheid van de kinderopvang zoveel mogelijk te bevorderen. Metbehoud van kwaliteit en veiligheid, zoals eveneens is uitgesproken dooruw Kamer.4 Dat is voor mijn ministerie eveneens in de toekomst het kadervoor aanpassingen van kwaliteitseisen. Daarmee geef ik uitvoering aan deaankondiging van toenmalig Minister van Gennip om te komen tot eenkader voor toekomstige aanpassingen van de regels.51.2 Aanpak vermindering regeldruk Mijn ministerie is in gesprek gegaan met sector- en toezichtpartijen, zoalsverzocht in de motie Welzijn c.s.6 Alle betrokken partijen steunen hetuitgangspunt dat vermindering van regeldruk samen moet gaan metbehoud van kwaliteit en veiligheid. Ook bleek uit de gesprekken dat dehuidige regels daarvoor grotendeels noodzakelijk zijn.3Hiermee heb ik uitvoering gegeven aan de toezegging door de Minister van SZW in Kamer-stukken II 2023/24, 30 252, nr. 154.4Kamerstukken II 2021/22, 31 322, nr. 455.5Kamerstukken II 2022/23, 31 322, nr. 508.6Kamerstukken II 2024/25, 36 513, nr. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5722 Op de uitnodiging van mijn ministerie hebben enkele sectorpartijen een(beperkt) aantal concrete suggesties gedaan om regeldruk te vermin-deren. Deze suggesties hebben we besproken met alle sector- entoezichtpartijen. Veel voorstellen dragen bij nadere bestudering niet bijaan het verminderen van de regeldruk en/of hebben naar verwachtingnegatieve effecten op de kwaliteit en veiligheid. Op enkele onderwerpenzie ik naar aanleiding van de gesprekken wél concrete mogelijkheden omregeldruk te verminderen. Deze concrete maatregelen beschrijf ik inparagraaf 1.3.Er zijn daarnaast andere praktijksignalen over regeldruk betrokken in deaanpak. Zoals de monitor implementatie kwaliteitseisen kinderopvang. Ditjaar voerde Berenschot een tweede meting van dit onderzoek uit. Metdeze brief bied ik uw Kamer het rapport aan. De monitor richt zich oppraktijkervaringen met de kwaliteitseisen, in het bijzonder de uitvoeringvan kwaliteitseisen die sinds 2022 zijn aangepast of ingevoerd. Deonderzoekers keken ook uitgebreid naar de niet-gewijzigde kwaliteits-eisen. De uitkomsten van deze monitor heb ik betrokken bij deafwegingen. Ik ben de vele ouders, pedagogisch professionals, beroeps-krachten in opleiding, locatiemanagers, toezichthouders en gemeente-ambtenaren die hebben meegewerkt aan de monitor zeer dankbaar. Aanhet slot van deze brief ga ik in op afronding van deze monitor.1.3 Concrete maatregelen om regeldruk tegen te gaan Uit de gesprekken met sector- en toezichtpartijen blijkt dat het ervaren vanregeldruk verschillende oorzaken kan hebben. Zo hebben ervaringen vanregeldruk strikt genomen niet altijd betrekking op de regelgeving zelf. Inveel gevallen gaat het over onduidelijkheid over de juiste uitleg van regelsof zijn er verschillende ideeën over wat de regel beoogt. In samenhangdaarmee draagt de strikte toepassing van sommige regels in toezicht enhandhaving ook bij aan ervaren regeldruk. Ten slotte kan regeldruk zelfsontstaan door een onterecht beeld over een regel die in feite niet bestaat(dit noem ik spookregelgeving). Wanneer wel de regel zelf ter discussiestaat, is dat met uiteenlopende kritiekpunten. Soms gaat het om deadministratieve lasten, soms pakt de regel in specifieke situaties uit opeen ongewenste en soms onbedoelde manier.Mijn aanpak voor het verminderen van regeldruk kent op basis hiervandrie actielijnen:1.Schrappen of aanpassen regels2.Tegengaan spookregelgeving3.Bevorderen breed gedragen uitleg en toepassing van regelsDaarnaast zet ik bij de doorontwikkeling van het toezicht in op ruimte omin specifieke situaties af te kunnen wijken van de regels. Zie hiervoorparagraaf 2.4.1.3.1 Schrappen of aanpassen regels (actielijn 1) Op vijf concrete onderwerpen zet ik in op een aanpassing van deregelgeving. Aanpassing van deze regels lijkt kansrijk om regeldruk teverminderen. Bovendien lijkt een aanpassing mogelijk zonder negatieveeffecten voor de kwaliteit en veiligheid.Het betreft de volgende onderwerpen:1.Basisgroepen in de bso. Op de bso worden kinderen opgevangen ineen basisgroep. In de praktijk leven veel vragen over deze verplichting.Bijvoorbeeld of de regels nog aansluiten bij de behoefte van kinderen.En of opvang in een basisgroep noodzakelijk is voor de stabiliteit endaarmee bijdraagt aan de kwaliteit. Ik ga een wijziging voorbereidenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5723 om de regel te schrappen dat een kind in een basisgroep opgevangenmoet worden. Als onderdeel van dit traject bekijk ik op welke anderemanier het oorspronkelijke doel van deze regel bereikt kan worden metbehoud van kwaliteit. Daarvoor laat ik onderzoek uitvoeren naarstabiliteit in de kinderopvang.2.Verruimde inzet beroepskrachten in opleiding. Sinds 2022mogen kinderopvangorganisaties meer beroepskrachten in opleidinginzetten als beroepskracht op de groep. Dit is verhoogd naar 50% vande formatie op een kindercentrum (eerst was dit 33%). Deze verrui-ming was tijdelijk en loopt (na twee verlengingen) vooralsnog tot 1 juli2026. Ik ben voornemens om de verruiming per 1 juli 2026 definitief inte voeren. Er is immers nog steeds sprake van een personeelstekort inde kinderopvang, wat de aanleiding vormde voor de verruiming. Deverwachting is dat de personeelstekorten voorlopig zullen aanhouden.Verruimde inzet geeft houders flexibiliteit tijdens pauzes of bij ziektevan personeel en zij hoeven daardoor minder vaak groepen te sluiten.Ook lijkt de impact op de werkdruk en kwaliteit beperkt. Goedebegeleiding van de beroepskracht in opleiding is daarvoor echtercruciaal. Ik roep houders op om daar voldoende aandacht voor tehebben en om zorgvuldige afwegingen te maken over de inzet vanberoepskrachten in opleiding. Tijdens de uitwerking van de regeling,ga ik nog in gesprek met sectorpartijen hoe we de zorgen rondom deinzet van beroepskrachten in opleiding beter kunnen ondervangen. Ikvind het namelijk belangrijk om gezamenlijk vast te stellen hoe we nogbeter waarborgen dat we overbelasting bij beroepskrachten inopleiding en pedagogisch professionals voorkomen. Daarenboven blijfik de ervaringen volgen.3.Pedagogisch beleidsmedewerker. De waarde van de pedagogischbeleidsmedewerker/coach in de kinderopvang is onomstreden endraagt bij aan de kwaliteit.7 De formulering van de regel en het toezichtdaarop, draagt volgens velen echter niet bij aan de effectiviteit. Enzorgt voor onnodige regeldruk. De nadruk ligt meer op de administra-tieve eisen, dan op het bijdragen aan effectieve coaching voorpedagogisch professionals. Ik bekijk samen met de sector- entoezichtpartijen op welke manier ik deze regel kan verbeteren en watgeschrapt kan worden.4.Kinderen opvangen in een tweede stamgroep. Een kinderdagver-blijf vangt kinderen op in een vaste stamgroep. Een tweede stamgroepis in sommige situaties mogelijk als dit overeengekomen is tussenouder en houder.Er bestaat onduidelijkheid bij kinderopvangorganisaties en toezicht-houders over de interpretatie van deze regel. Bijvoorbeeld overwanneer een kind in een tweede stamgroep mag worden opgevangen.De onduidelijkheid leidt tot onnodige regeldruk. Ik bekijk hoe ik deonduidelijkheid over deze regel kan wegnemen. Op korte termijn kanhet verduidelijken wellicht via heldere communicatie over de beoogdeinterpretatie en toepassing. Ook de uitkomsten van het genoemdeonderzoek naar stabiliteit betrek ik bij een mogelijke aanpassing vandeze regelgeving.5.Mentorschap. Ieder kind op de kinderopvang heeft een mentor. Dementor volgt de ontwikkeling van het kind en bespreekt dit waar nodigmet ouders. Kinderopvangorganisaties zijn daarom verplicht ouders teinformeren wie de mentor van hun kind is. Daarnaast moetenkinderopvangorganisaties het kind hierover informeren. Voor kinderenop de bso vind ik dat belangrijk, maar op de dagopvang is dit bij jongekinderen niet logisch en werkbaar. Kleine kinderen kunnen weinig metdeze informatie. Voor hen is het belangrijk dat er een vertrouwdeberoepskracht op de groep aanwezig is, niet wie de mentor is. Daarom7Kamerstukken II 2022/23, 31 322, nr. 466.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5724 ben ik van mening dat deze regel geschrapt kan worden voor dedagopvang en zal ik dat in gang zetten.De komende periode werk ik uit of en hoe een aanpassing van bovenge-noemde regels vorm kan krijgen. Dat doe ik in nauwe samenspraak metde sector- en toezichtpartijen in de kinderopvang. Dit draagt mede bij aanhet verminderen van verschillen in het toezicht.8 Ik informeer uw Kamermedio 2026 over de stand van zaken en planning.De bovenstaande maatregelen neem ik aanvullend op de regeldrukver-minderingen die ik voor de gastouderopvang reeds in gang heb gezet.9 Dewijzigingen voor de gastouderopvang worden van kracht per 1 januari endeels 1 juli 2026.Zoals gezegd in paragraaf 1.2 hebben sectorpartijen meer voorstellengedaan om regelgeving aan te passen. Na nadere bespreking, bleek ergeen breed draagvlak en vind ik de voorgestelde aanpassingen onwen-selijk. In die gevallen leidt de regel niet tot onnodige regeldruk en/of kandeze niet worden aangepast zonder onwenselijke risico’s voor de kwaliteitof veiligheid. De volgende drie suggesties neem ik daarom niet over: hetkunnen inzetten van BOL-stagiairs als vaste beroepskracht van een kind,het niet langer bijhouden van welke kinderen en medewerkers aanwezigzijn, en verdere uitbreiding van de 50% inzet van beroepskrachten inopleiding aan de randen van de dag.Tot slot zijn er drie onderwerpen aangekaart waarbij de regel in algemenezin niet ter discussie staat, maar in zeer specifieke situaties toch onwen-selijk kan uitpakken. Hiervoor verken ik of ik het knelpunt kan wegnemendoor meer ruimte te bieden voor afwijking van de regel in specifiekesituaties. Het eerste onderwerp is de verplichting om een oudercommissiein te stellen, wanneer de kinderopvangorganisatie geen ouders bereidvindt om hieraan deel te nemen. Het tweede onderwerp is dat devereisten aan de binnenspeelruimte niet werkbaar en logisch zijn voorspecifieke bso-concepten zoals de buiten-bso.10Het derde onderwerp is de verplichting dat op ieder kindercentrum eenEHBO’er aanwezig is, ook wanneer een kleine dagopvang en kleine bsovan dezelfde houder in hetzelfde (of een aangrenzend) pand zitten (dit zijnformeel twee kindercentra). De verkenning om in dergelijke specifiekesituaties meer ruimte te bieden aan houders om af te wijken van de regellicht ik toe in paragraaf 2.4.1.3.2 Tegengaan spookregelgeving (actielijn 2) In de inventarisatie zijn daarnaast regels aangekaart die worden ervarenals regeldruk, die bij nadere bestudering niet (of niet op de verondersteldemanier) blijken te bestaan. Dit fenomeen van «spookregelgeving» doetzich ook regelmatig voor bij werkbezoeken, andere gesprekken en inmediaberichtgeving. Ik vind het belangrijk om deze te benoemen omhiermee duidelijkheid te geven.Ik noem enkele voorbeelden:1.Eén van de sectorpartijen deed de suggestie om de verplichteoudervragenlijsten te vervangen door korte digitale vragenlijsten. Datvind ik een sympathiek voorstel, maar de regelgeving voor kindercen-tra kent geen verplichting over oudervragenlijsten.2.In mediaberichtgeving is soms gesteld dat het vierogenprincipe in dekinderopvang betekent dat er altijd twee pedagogisch professionals op8Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 549.9Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 554.10Of vergelijkbare concepten, zoals een sport-bso of natuur-bso.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5725 de groep aanwezig moeten zijn. De werkelijke regel luidt dat eenvolwassene altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door eenandere volwassene. Dit kan een kinderdagverblijf op allerlei maniereninvullen (denk aan camera’s of doorkijkjes vanaf de gang).3.Bij een recent werkbezoek kregen mijn ambtenaren het signaal datvoor speeltoestellen in de kinderopvang strengere regels gelden dan inhet onderwijs. Dit is niet het geval. De eisen aan speeltoestellenverschillen logischerwijs per leeftijd, maar zijn onderworpen aandezelfde regels in het onderwijs als in de kinderopvang.Spookregelgeving vind ik schadelijk voor de kinderopvang. Dergelijkeverhalen dragen bij aan een onterecht beeld dat er sprake is van allerleionnodige regels in de kinderopvang. Dit beeld kan ervoor zorgen dat dekinderopvang minder aantrekkelijk lijkt om in te starten als ondernemer ofpedagogisch professional. Ik roep ook sectorpartijen op om de kinder-opvang te ondersteunen bij het begrijpen en toepassen van regelgeving.Door hierin als ministerie en sectorpartijen gezamenlijk op te trekken,dragen we bij aan het verminderen van (ervaren) regeldruk in dekinderopvang.1.3.3 Bevorderen breed gedragen uitleg en toepassing van regels(actielijn 3) Veel regeldruk die in de kinderopvang wordt ervaren komt niet voort uitde regelgeving, maar uit hoe het toezicht door de GGD wordt ervaren. Ditgeldt voor een deel van de knelpunten die sectorpartijen hebbeningebracht.Soms ervaren kinderopvangorganisaties dat verschillende GGD’en eenandere uitleg of toepassing van de regelgeving hanteren (bijvoorbeeld bijhet pedagogisch beleidsplan). In andere gevallen vinden kinderopvangor-ganisaties dat de toezichthouder zich te veel richt op naleving van deletter van de wet en onvoldoende rekening houdt met het achterliggendedoel (bijvoorbeeld bij veiligheids- en gezondheidsbeleid).Eveneens komt het voor dat houders niet duidelijk onderbouwen wat deachterliggende gedachte is bij keuzes die zij maken in de toepassing vanregelgeving.De onderwerpen in deze categorie wil ik voorleggen in het OperationeelOverleg Kinderopvang. Dat is een landelijk periodiek overleg tussentoezichtpartijen en sectorpartijen kinderopvang. Mijn ministerie neemtdeel aan deze gesprekken wanneer dat nodig is en houdt de vinger aan depols of dit de ervaren knelpunten wegneemt. Op een aantal onderwerpenloopt dit gesprek al.2. Doorontwikkeling toezicht en handhaving Regels zijn niet het enige instrument om de kwaliteit en veiligheid van dekinderopvang te bewaken. Het toezicht daarop is net zo belangrijk.Daarom wil ik zoals eerder aangekondigd inzetten op de doorontwikkelingvan het toezicht.11 De doorontwikkeling bestaat uit verschillende trajectenen hangen met elkaar samen. De inzet op stimulerend toezicht is daarbijleidend. Ik geef hieronder aan hoe de andere trajecten ondersteunendhieraan zijn.In paragraaf 2.1 beschrijf ik eerst de stand van zaken op het gebied vantoezicht en handhaving. Paragraaf 2.2 gaat over de reflectieve functie.Paragraaf 2.3 beschrijft de ontwikkeling naar meer stimulerend toezicht.11Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 549.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5726 Paragraaf 2.4 over ruimte om af te wijken van regels. En paragraaf 2.5over houdertoezicht. In paragraaf 2.6 ga ik in op het vervolg.2.1 Stand van zaken toezicht en handhaving Toezicht en handhaving in de kinderopvang zijn decentraal georganiseerd.Gemeenten zijn opdrachtgever van GGD’en, die het toezicht uitvoeren. DeGGD’en houden eveneens toezicht op de basisvoorwaarden voor dekwaliteit van de voorschoolse educatie. Op basis van hun bevindingengeven GGD’en indien nodig een handhavingsadvies aan gemeenten.Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de handhaving. De IvhO houdtinterbestuurlijk toezicht op hoe de gemeenten invulling geven aan huntoezicht- en handhavingstaak.De IvhO doet hiernaar jaarlijks onderzoek. Hierbij bied ik u het rapport vande IvhO met bevindingen over 2024 en 2025 aan. Het rapport gaat over degemeentelijke taken kinderopvang, het onderwijsachterstandenbeleid enonderwijs aan nieuwkomers. De bevindingen op het terrein van dekinderopvang zijn:•De IvhO constateert dat het percentage locaties waar GGD’enovertredingen constateren, stabiel is. Als er overtredingen zijn, wordendeze vaak met een herstelaanbod op korte termijn opgelost.•Na een handhavingsmaatregel is in verreweg de meeste gevallensprake van herstel. Slechts 16% van de tekortkomingen was bij heteerstvolgend onderzoek (nog) niet hersteld. De IvhO benadrukt hetbelang van herhalend handhaven.•De wijzigingen in kwaliteitseisen in 2023 en 2024 (zie paragraaf 1.1)hebben geleid tot een stijging van tekortkomingen op die eisen. Opbasis van eerdere ervaringen is de verwachting dat dit een tijdelijkestijging is. Houders implementeren wijzigingen in kwaliteitseisen nietaltijd meteen juist. Veel van deze tekortkomingen zijn snel hersteld.Over het geheel genomen constateer ik met de IvhO dat gemeenten huntaken naar behoren uitvoeren. Dit rapport en eerdere onderzoeken12 latenzien dat het stelsel van toezicht en handhaving voldoende functioneert enop onderdelen effectief is. Ik zie wel ruimte voor verbetering en dooront-wikkeling. Hiervoor heb ik vorig jaar een aantal acties aangekondigd13:•ontwikkeling reflectieve functie van toezicht en handhaving;•ontwikkeling van waarborgend toezicht naar stimulerend toezicht;•verkenning van mogelijkheden om ruimte te bieden om af te wijkenvan de regels («comply or explain»); en•verkenning van toezicht op houderniveau (naast locatieniveau).2.2 Stand van zaken reflectieve functie Ik heb ingezet op de ontwikkeling van de reflectieve functie van toezichten handhaving. Dit met als doel het ontsluiten van de informatie vanuittoezicht en handhaving op landelijk niveau die toezichthouders, beleid-smakers en de sector zelf kunnen benutten.De VNG en GGD GHOR Nederland hebben hiervoor in 2024 en 2025stappen gezet. Er is een eerste pilot uitgevoerd waarin waardevolle lessenzijn opgedaan. Zo bieden de huidige inspectierapporten veelal onvol-doende informatie voor bredere reflectie op risico’s en signalen uit depraktijk. Daarnaast dienen voor een goede invulling van de reflectievefunctie landelijke data over toezicht en handhaving breder beschikbaar te12De inrichting van het toezicht in de kinderopvang; Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 539 enAEF, Variatie in verschillen; Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 542.13Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 549.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5727 zijn. Ik waardeer de opgedane ervaringen en ondersteun de inzichten. Dekomende jaren gaan de VNG en GGD GHOR Nederland door met deontwikkeling van de reflectieve functie van toezicht totdat het is ingebedals standaard onderdeel van toezicht.2.3 Ontwikkeling naar stimulerend toezicht Toezicht dient zich niet te beperken tot controle op de naleving van deregels maar ook gericht te zijn op het stimuleren van kwaliteitsverbe-tering. De toezichthouder stimuleert dat de houder bijvoorbeeld eengoede kwaliteitscyclus heeft. De inzet is gericht op preventie, duurzaamherstel, verbetering van het kwaliteitsbeleid, continu leren en de intrin-sieke motivatie tot kwaliteitsverbetering. Het goede gesprek tussenhouder en toezichthouder staat daarbij centraal.Toezichthouders kunnen nu al stimulerend toezicht houden. Veel GGD’enhebben deze beweging al ingezet. Toezichthouders voeren bijvoorbeeldgesprekken met houders over hoe zij hun kwaliteitsbeleid inrichten enkunnen verbeteren. Dit vind ik een goede ontwikkeling. In 2026 wordtbepaald welke verdere maatregelen nodig zijn om alle toezichthouders engemeenten te ondersteunen en toe te rusten om goed uitvoering te gevenaan stimulerend toezicht. Een voorbeeld hiervan is aanpassing van hetopleidingsaanbod. Verder bekijk ik in 2026 in hoeverre een aanpassingvan wet- of regelgeving nodig is.2.4 Uitkomst verkenning ruimte om af te kunnen wijken van de regels Zoals genoemd wordt een deel van de regeldruk niet veroorzaakt doorregelgeving, maar door hoe het toezicht wordt ervaren.Houders ervaren de beoordeling van sommige kwaliteitseisen door detoezichthouder als (te) strikt. Tegelijkertijd ervaren toezichthouders doorde regelgeving beperkte ruimte in het omgaan met overtredingen. Ditbeperkt hen in de uitvoering van stimulerend toezicht.Dit jaar is verkend in welke situaties er bij houders, toezichthouders engemeenten behoefte is om af te kunnen wijken van de regels zonder datdit leidt tot kwaliteitsverlies (comply or explain). Er zijn bijeenkomsten metsector- en toezichtpartijen, individuele houders, toezichthouders engemeenten georganiseerd om voorbeeldsituaties uit de praktijk teverzamelen. Het gaat hierbij om:•structurele situaties waarbij houders vaak om fysieke redenenafwijken van de kwaliteitseisen. Een voorbeeld is de natuur-bso dieafwijkt van de eisen voor binnenruimte;•incidentele situaties die ad hoc ontstaan door onvoorzieneomstandigheden. De voorbeelden hierbij zijn zeer divers.Daarnaast zijn situaties genoemd die betrekking hebben op bijvoorbeeldgecombineerde peuter-kleutergroepen of de eisen voor voorschoolseeducatie waarvoor de Staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emanci-patie en ik al andere (wetgevings)trajecten in gang hebben gezet.142.4.1 Ontheffingsbevoegdheid gemeenten Voor de structurele situaties wil ik de mogelijkheid uitwerken om eenontheffingsbevoegdheid voor gemeenten mogelijk te maken. Gemeentenkunnen dan een (tijdelijke) ontheffing verlenen aan de houder als dezegoed onderbouwt waarom hij wil afwijken van kwaliteitseisen. Daarbij zal14Kamerstukken II 2022/23, 31 322, nr. 489 en Kamerstukken II 2024/2025, 31 322, nr. 548.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5728 als randvoorwaarde moeten gelden dat de veiligheid en kwaliteitgewaarborgd blijft.Een ontheffingsbevoegdheid voor gemeenten biedt ruimte voor houdersvoor innovatie; het maakt het mogelijk om kinderopvang op onderdelenanders aan te bieden. Dat draagt bij aan verrijking van het aanbod.Gemeenten zouden met deze maatregel situaties die nu worden gedoogd,kunnen legaliseren. Dat bevordert transparantie en ontstaat er overzicht.Daarbij sluit een ontheffingsbevoegdheid aan bij bestaande bevoegdheidvan gemeenten om aanvragen voor exploitatie van een kinderopvang-voorziening te beoordelen. Het uitbreiden van de bevoegdheden vangemeenten en mogelijk ook de taken van de GGD’en brengt hogereuitvoeringskosten met zich mee. Bovendien bestaat er een risico datgemeenten hier verschillend mee omgaan. Deze punten en de mogelijkeoplossingen werkt mijn ministerie samen met de toezichtpartijen in 2026nader uit. Over deze punten, waaronder dekking voor meerkosten tijdensde voorjaarsbesluitvorming, moet eerst duidelijkheid zijn voor ik kanbeslissen. Deze bevoegdheid vergt wetswijziging.2.4.2 Aanpassen noteren overtredingen door toezichthouder Een deel van de ervaren regeldruk komt voort uit de verplichting om elkeovertreding in het rapport op te nemen, bij een enkele incidenteleovertreding die niet van invloed is op de kwaliteit. Om meer ruimte tekunnen bieden in deze situaties overweeg ik om de verplichting van detoezichthouder om alle overtredingen te noteren (art. 1.63, tweede lidWko) aan te passen. De toezichthouder kan dan afwegen om al dan nieteen overtreding te noteren, hierbij rekening houdend met redelijkheid enproportionaliteit. Dit biedt ook ruimte voor stimulerend toezichtDit vraagt wel andere competenties van toezichthouders, bijvoorbeeld ophet gebied van oordeelsvorming. Zij dienen hiervoor scholing te volgen.Dit brengt mogelijk incidentele kosten met zich mee.2.5 Uitkomst verkenning houdertoezicht Samen met sector- en toezichtpartijen is verkend wat de meerwaarde isvan toezicht op het niveau van de houder (hierna: houdertoezicht) naasthet toezicht op niveau van de locatie. Dit idee is niet nieuw. Nu al voerenveruit de meeste GGD’en al dan niet samen met gemeenten, gesprekkenmet houders in hun regio. Dit gebeurt echter nog niet met alle houders enniet op structurele basis.Uit de verkenning komt naar voren dat houdertoezicht voordelen biedt.Het voorkomt dubbele beoordeling: hetzelfde beleidsplan dat voor allelocaties van een houder geldt, hoeft nog maar één keer beoordeeld teworden. Dit zorgt voor vermindering van ervaren regeldruk bij locaties.Daarbij biedt het beter zicht op (beleid over) kwaliteit en veiligheid vanorganisaties en kunnen overtredingen worden voorkomen.Ook sluit houdertoezicht goed aan bij mijn doel om meer stimulerendtoezicht mogelijk te maken. Het gesprek tussen houder en toezichthouderkan gebruikt worden voor verdere kwaliteitsverbetering.Ik wil hierbij wel oog houden voor de kleinere houders. Voor hen zit demeerwaarde in bijvoorbeeld informatie over nieuwe wetgeving. Daarbijben ik voornemens voor deze kleinere houders de eventuele lasten zoveelmogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld door de mogelijkheid deze nietjaarlijks te bezoeken. Tot slot, houdertoezicht brengt kosten met zich mee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5729 Deze dienen in kaart gebracht te worden en hier dient dekking voor teworden gevonden voordat hierover kan worden besloten.2.6 Vervolg op verkenningen De sector- en toezichtspartijen die betrokken waren bij de verkenningensteunen bovenstaande uitkomsten. Ook ik sta er positief tegenover en wilde voorstellen in 2026 verder uitwerken. Ik merk hierbij op dat ik nog nietkan besluiten over daadwerkelijke invoering van de maatregelen.Daarvoor is meer inzicht nodig in de juridische en financiële conse-quenties. Vanwege de budgettaire effecten vergt dit budgettaire dekkingen een integrale weging tijdens de voorjaarsbesluitvorming.Vooruitlopend hierop moedig ik GGD’en aan waar mogelijk afspraken temaken met gemeenten over stimulerend toezicht en om meer houderge-sprekken te voeren. GGD GHOR Nederland stelt in 2026 een handreikingop.3. Tot slot In deze brief kondig ik concrete acties aan om regeldruk te verminderenen om toezicht en handhaving te verbeteren. Ik informeer uw Kamer in deloop van 2026 over de voortgang van deze maatregelen.In deze brief heb ik verwezen naar de monitor van kwaliteitseisen die deafgelopen twee jaar is uitgevoerd. Deze monitor heeft veel informatiegeleverd die ik verder kan benutten in het beleid voor kwaliteit enveiligheid en eventueel beperken van de regeldruk. Voor de meestemaatregelen laat het rapport van deze tweede meting een stabiel beeldzien ten opzichte van de eerste meting in 2024. Om die reden is voor eenderde meting op korte termijn geen aanleiding. In de kwaliteitseisen voorgastouderopvang vinden in 2026 meerdere veranderingen plaats;daarvoor start in het voorjaar van 2026 een nieuwe monitor.Ik blijf met de sector- en toezichtspartijen in gesprek over mogelijkhedenom regeldruk te verminderen, met behoud van kwaliteit en veiligheid voorde kinderen.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,J.N.J. NobelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57210
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris neemt de verkenning naar toezicht op houderniveau mee in de voortgangsbrief over toezicht en kwaliteit die in november 2025 aan de Kamer wor
De staatssecretaris neemt de verkenning naar toezicht op houderniveau mee in de voortgangsbrief over toezicht en kwaliteit die in november 2025 aan de Kamer wordt gestuurd.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.