KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de buitengewoon opsporingsambtenaar een professionele partner met een eigenstandige taak in de publieke ruimte (Kamerstuk 36395-22)

2 mrt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 219bb47cc1af3eaf · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 395Wijziging van de Politiewet 2012 in verband meteen delegatiegrondslag voor een algemenemaatregel van bestuur over de bewapening enuitrusting van buitengewoonopsporingsambtenarenNr. 23 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 2 maart 2026 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid overde brief «De buitengewoon opsporingsambtenaar een professionelepartner met een eigenstandige taak in de publieke ruimte» (Kamerstuk36 395, nr. 22).De vragen en opmerkingen zijn op 20 januari 2026 aan de Minister vanJustitie en Veiligheid voorgelegd. Bij brief van 2 maart 2026 zijn de vragenen gemaakte opmerkingen beantwoord.De fungerend-voorzitter van de commissie,EllianAdjunct-griffier van de commissie,Van Tilburg kst-36395-23ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 231 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties21.Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie22.Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie33.Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie44.Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie65.Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie86.Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie97.Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie138.Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractie15II.Reactie van de Minister16 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties 1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorstellenvan het Minister ten aanzien van het hernieuwde stelsel voor buiten-gewoon opsporingsambtenaren (boa). Deze leden onderschrijven hetbelang van een goed functionerend, toekomstbestendig en professioneelstelsel van boa’s, dat bijdraagt aan de veiligheid en leefbaarheid in onzesamenleving en tegelijkertijd stevig is verankerd in de rechtsstaat. Zij ziendat boa’s in de praktijk een steeds belangrijkere rol vervullen. In dit kaderachten zij een hernieuwd boa-stelsel een logische ontwikkeling. Tegelij-kertijd roept de herziening ook vragen op over de specifieke invulling vanhet herziene stelsel.De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen enaandachtspunten die door onder meer de Nederlandse Spoorwegen (NS)zijn ingebracht ten aanzien van de herziening van het stelsel. De boa’s vande NS worden regelmatig geconfronteerd met strafbare feiten zoalsmishandeling, diefstal en vernieling. De NS geeft aan dat boa’s indergelijke situaties geacht worden de-escalerend op te treden of eensituatie te stabiliseren, terwijl zij niet altijd beschikken over toereikendebevoegdheden om dit veilig en effectief te doen. Deze leden vragen deMinister te reflecteren op deze zorgen van de NS en vragen hoe deMinister acht te voorkomen dat boa’s in deze onhoudbare posities komen.Ook vragen deze leden hoe in de praktijk de balans wordt gehouden,zodat boa’s voldoende bevoegdheden hebben om adequaat in te grijpenbij strafbare situaties, maar tegelijkertijd geborgd kan worden dat boa’szich niet begeven op het terrein van openbare-ordehandhaving.De leden van de D66-fractie enkele vragen over de verantwoordelijkheids-verdeling bij aanhoudingen. De NS heeft aangegeven zich zorgen temaken over mogelijke onduidelijkheid en een verschuiving van verant-woordelijkheden als gevolg van de herziening van het stelsel, met namerondom de afhandeling van aanhoudingen. De NS is bang dat door deherziening van het stelsel de boa’s een grotere verantwoordelijkheidkrijgen in de afhandeling van de aanhoudingen en hebben liever dat deboa’s zo veel mogelijk in de trein op of op het station aanwezig blijven.Daarom zou de NS graag bestaande samenwerkingsafspraken tussen deNS en de politie rondom de afhandeling van aanhouding landelijk willenverankeren en explicieter willen maken. Deze leden vragen of de Ministeruiteen kan zetten hoe in het hernieuwde boa-stelsel de verantwoordelijk-heden bij aanhouding en de verdere afhandeling daarvan precies zijnbelegd tussen werkgevers van boa’s en de politie. Daarnaast vragen dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 232 leden hoe de Minister reflecteert op de zorgen van de NS en of hij dezeterecht acht. Ook vragen zij of de Minister het wenselijk acht ombestaande samenwerkingsafspraken landelijk te verankeren en explicieterte maken.De leden van de D66-fractie merken eveneens op dat er een pilot looptwaarin boa’s in het domein openbare ruimte in enkele gemeenten demogelijkheid krijgen om de strafbaarstelling van seksuele intimidatie inhet openbaar te handhaven (artikel 429ter Sr.). Omdat de strafbaarstellingvan seksuele intimidatie in het openbaar niet is opgenomen in dedomeinlijst van het hoofddomein, zijn boa’s op dit moment niet automa-tisch bevoegd tot opsporen van en het handhaven. Deze leden vragen opwelke termijn de Minister de bevoegdheid op gaat nemen in hethernieuwde boa-stelsel, binnen het hernieuwde hoofddomein voor boa’sin de publieke ruimte?2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de beschouwing op het boa-bestel (hierna: de beschouwing). Dezeleden onderschrijven het belang van een duidelijk, professioneel entoekomstbestendig boa-bestel waarin boa’s effectief kunnen bijdragen aande veiligheid en leefbaarheid en stellen nog enkele vragen naar aanleidingvan de beschouwing.De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister vasthoudt aaneen zeer strikte lijn bij de toekenning van vuurwapens aan groene boa’s,terwijl wel wordt voorzien in een verruiming van de mogelijkheden voorhet dragen van pepperspray en de korte wapenstok. Deze leden erkennenhet belang van een terughoudende omgang met vuurwapens, maarwijzen er tegelijkertijd op dat groene boa’s in het buitengebied steedsvaker te maken krijgen met ondermijnende criminaliteit, afgelegenwerkplekken en beperkte directe politieback-up. Deze leden vragen deMinister hoe hij borgt dat groene boa’s in de praktijk tijdig en adequaatworden uitgerust om hun veiligheid te waarborgen. Daarnaast vragen zijhem toe te lichten hoe wordt voorkomen dat de huidige striktevoorwaarden voor vuurwapenbewapening in de praktijk leiden totlangdurige procedures of feitelijke onbeschikbaarheid, juist in situatieswaarin het risico structureel verhoogd is.De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorgestelde herinrichtingvan het boa-stelsel ertoe kan leiden dat in het openbaar vervoer (OV)taken verschuiven van de politie naar OV-boa’s, terwijl daar geenstructurele financiële middelen tegenover lijken te staan. Hoe kijkt deMinister hiernaar? Is de Minister het met deze leden eens dat de veiligheidvan de OV-boa voorop moet staan bij het werk wat zij doen en hoe ziet deMinister zijn rol hierin? Deze leden vragen de Minister voorts hoe hij borgtdat de voorstellen niet leiden tot een vermindering van de socialeveiligheid in het openbaar vervoer, doordat vervoerders genoodzaaktworden keuzes te maken tussen toezicht, controle en andere veilig-heidstaken, en op welke wijze hij voorziet in structurele financiering entijdige betrokkenheid van concessieverleners en vervoerders bij deverdere uitwerking van de voorstellen, mede gelet op de gevolgen voorconcessie-eisen en bestaande afspraken.De leden van de VVD-fractie hechten aan landelijke uniformiteit. Hoebeoordeelt de Minister de werking van de landelijke formats voorhandhavingsarrangementen in domein I en II en in hoeverre worden dezein de praktijk ook daadwerkelijk uniform toegepast? Welke lessen zijn totnu toe getrokken uit de toepassing van deze formats in de samenwerkingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 233 tussen boa’s en politie en hoe wordt voorkomen dat lokale of regionaleverschillen in invulling leiden tot ongelijke handhaving of onduidelijkheid?Hetzelfde geldt voor de uitrusting van boa’s. Hoe borgt de Ministeruniformiteit en te voorkomen dat er A-, en B-boa’s ontstaan? Deze ledenvragen voorts hoe wordt geborgd dat nieuwe keuzes binnen hetboa-bestel uitvoerbaar zijn voor gemeenten, provincies en anderewerkgevers. Hoe wordt bij deze keuzes rekening gehouden met destructurele krapte op de arbeidsmarkt, zowel bij de politie als bij boa’s?De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de boa’s een belangrijkepublieke taak vervullen en dus ook de bescherming moeten genieten alszij te maken krijgen met geweld en agressie. Ziet de Minister erop toe dater van alle incidenten een melding wordt gemaakt bij de werkgever en datelke melding wordt omgezet in een aangifte? Zo nee, waarom niet? Hoekan de Minister de werkgevers beter ondersteunen bij deze taak die zijhebben?De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat de gevolgen van dezewijziging in het bestel zijn voor de samenwerking tussen de boa’s en depolitie. Zijn huidige belemmeringen in deze samenwerking nu makkelijkerop te lossen, zoals bijvoorbeeld de identiteits-check?De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van demotie-Michon van 23 september 2025 waarin het knelpunt van bevoegd-heden op basis van de Omgevingswet is geadresseerd (Kamerstuk 29 911,nr. 483).3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van de brief van de Minister van Justitie en Veiligheidover het boa-stelsel. Deze leden onderschrijven van harte de opvatting datboa’s belangrijke partners zijn bij de leefbaarheid en veiligheid in deNederlandse samenleving. Boa’s hebben naar het oordeel van deze ledeneen belangrijke rol in handhaving en hulpverlening in de openbare ruimteen zijn vaak eerste aanspreekpunt van burgers. Naar het oordeel van dezeleden is het zo bezien belangrijk om in goed overleg met alle betrokkenenregelmatig te bezien of, en zo ja hoe, de taken en bevoegdheden van boa’stoereikend zijn om de gewenste bijdrage aan leefbaarheid en veiligheid televeren. Gezien het grote belang van boa’s voor de sociale veiligheid isdraagvlak voor de voorgestelde stelselwijziging essentieel. Daaromhebben deze leden nog enkele vragen.De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zien het voornemen om de boanadrukkelijk te positioneren als professionele partner binnen de politie-functie, met een eigen, duidelijk afgebakende taak in de strafrechtelijkehandhaving van de rechtsorde. Met het tegengaan van de huidigeversnippering van het boa-bestel en het verbreden van bevoegdhedenwordt naar het oordeel van deze leden handelingsverlegenheid tegen-gegaan. Begrijpen deze leden het goed, dat er méér ruimte wordt gegevenaan boa’s om preventief en proactief te handelen, terwijl de daadwerke-lijke handhaving van de rechtsorde voorbehouden blijft aan de politie.Deze leden hebben kennisgenomen van de opvattingen van de VerenigingNederlandse Gemeenten (VNG) over het boa-stelsel en leiden graag devraag door hoe de hulpverlenende taak van handhavers wordt belegd.De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben nog de nodige vragenover de beschikbare standaarduitrusting, de aanvullende uitrusting en deaanvullende geweldsmiddelen. Deze leden zijn benieuwd naar de onderde afzonderlijke groepen boa’s levende opvattingen over het voorgesteldeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 234 boa-stelsel. Kan de Minister voorzien in een uiteenzetting hoe over zijnvoorstellen wordt gedacht? Het valt deze leden namelijk op dat vanuitmeerdere groepen boa’s zorgen leven over de extra toebedeelde taken,die niet of onvoldoende kunnen worden uitgevoerd met de beschikbaargestelde middelen, waarbij óók gedacht wordt aan het kunnen raadplegenvan databases met belangrijke en relevante informatie voor deboa-functie. Wordt aan boa’s in de uitoefening van hun functie toegangverleend tot belangrijke, relevante informatiesystemen, zo vragen dezeleden. Als expliciet voorbeeld noemen deze leden de NS. Naar deze ledenbegrijpen vindt de NS zélf het onwenselijk om de taak toebedeeld tekrijgen om arrestanten te vervoeren. NS-boa’s zijn bedoeld om deveiligheid op stations en in de treinen te vergroten. Het arrestanten-vervoer betekent dat NS-boa’s minder aanwezig en beschikbaar zullen zijnop hun primaire taak. Hoe ziet de Minister dit? Als wordt vastgehoudenaan deze taaktoebedeling, kan de Minister aangeven welke standaarduit-rusting, aanvullende uitrusting en aanvullende middelen hiervoor aanNS-boa’s beschikbaar worden gesteld en is vastgesteld dat deze uitrustingvolstaat om deze extra taken uit te voeren? Wat vindt de Minister van deoproep van NS om NS-boa’s een bevoegdheid toe te kennen om inernstige situaties de eerste maatregelen te kunnen nemen om escalatie tevoorkomen en de situatie «te bevriezen». Wat vindt de Minister ervan omde bestaande afspraken tussen NS en de politie rondom arrestanten-vervoer en de afhandeling van aanhouding gerelateerde processenlandelijk te verankeren en te expliciteren? Herkent de Minister dit soortsignalen en welke andere, vergelijkbare signalen heeft de Ministerontvangen? Wat vindt de Minister ervan dat de NS zélf twijfels heeft enoproept om de herziening van het boa-stelsel samen met boa-werkgeversvorm te geven. Is de Minister daartoe bereid en zo ja, brengt hij de Kamervan de uitkomsten op de hoogte?Ook over de aanvullende geweldsmiddelen bereiken de leden van deGroenLinks – PvdA-fractie zorgelijke geluiden, bijvoorbeeld van de groeneboa’s. De mate van agressie en geweld waarmee groene boa’s de laatstejaren worden geconfronteerd is dusdanig, dat naar het oordeel van dezeleden onder strikte omstandigheden toekenning van een vuurwapen moetworden overwogen. Van groene boa’s zélf horen deze leden dat deaanvraag en het behoud van vuurwapens te ingewikkeld is, en in deprocedure te weinig oog bestaat voor de urgente knelpunten. Justis wordtals weigerachtig en niet consistent in de beoordeling ervaren. Wat vindtde Minister van deze klacht en is hij bereid om samen met vertegenwoor-digers van groene boa’s te bezien hoe kan worden gekomen tot eengenoegzame procedure? Deelt de Minister voorts de constatering vanuitde groene boa’s dat bij de overgang van de Wet natuurbescherming naarde Omgevingswet geen nieuw strafrechtelijk aanwijzingsbesluit isgenomen voor groene boa’s voor flora- en fauna-activiteiten, terwijl dezeovertredingen zich kwalificeren als economische delicten in de zin vanartikel 17 van de Wet op de economische delicten?De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zijn benieuwd naar de wijzewaarop het boa-werkgeverschap wordt ingericht en welke eisen daaraanmoeten worden gesteld. Verdere professionalisering en afstemming metde politie wordt weliswaar positief beoordeeld, toch is het voor deze ledende vraag of boa-werkgevers financieel en inhoudelijk voldoende in staatworden gesteld om deze opdracht te vervullen. Het valt deze leden op dater ook nu al een groot tekort aan boa’s bestaat, zeker in het buitengebied.Met de toenemende agressie valt te verwachten dat boa-werkgevers ookhun beleid op sociale veiligheid moeten versterken. Zijn boa-werkgeversmaterieel in staat om effectief beleid te voeren op het voorkomen enbehandelen van bijvoorbeeld posttraumatische stressstoornis bij hunboa’s? Hoe wordt gegarandeerd dat elke boa in beginsel op dezelfdeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 235 beschermende structurele maatregelen op preventie, begeleiding ennazorg kunnen rekenen, zoals van goed (overheids)werkgeverschapverwacht mag worden? Krijgen boa-(overheids)werkgevers de financiëleruimte die nodig is om volwaardig invulling te geven aan de boa-taak?De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben kennisgenomen vande brief van het Samenwerkingsverband van decentrale OV-autoriteiten.Het samenwerkingsverband wil duidelijkheid over de toekomstigeinrichting van het toezicht, de juridische, organisatorische en operationelegevolgen voor de OV-bedrijven en ProRail en de structurele financieringvan de vermoedelijk aanzienlijke kostenstijging die uit de voorstellenvoortvloeit, zodat de huidige capaciteit voor toezicht en controlebehouden blijft. Deze leden zien graag een stelselbreed uitgewerktefinanciële onderbouwing bij de voorstellen, zodat voorkomen wordt datwijzigingen in het stelsel afbreuk doen aan de effectiviteit.De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie vragen urgentie voor onafhan-kelijke klachtbehandeling. Het boa-optreden kan diep in de persoonlijkelevenssfeer ingrijpen en daarom moet, zoals in een goed functionerendedemocratische rechtstaat gebruikelijk is, voorzien zijn in een laagdrem-pelige klachtprocedure. Deze leden begrijpen uit de brief van de Ministerdat dit volledig wordt overgelaten aan de individuele boa-werkgever. Dewerkgever, zo lezen deze leden, wordt verplicht tot actieve verant-woording richting de toezichthouder en richting de Minister als verant-woordelijk Minister. Vindt de Minister dat voldoende waarborg oponafhankelijke en transparante klachtbehandeling? Moet toezicht, zekerals er (vuurwapen)geweld is toegepast, niet veel dwingender en doortas-tender worden ingevuld?4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister over het boa-stelsel, alsmede van de daarbij gevoegde bijlagen,waaronder de uitvoeringsagenda en de handhavingsarrangementen. Dezeleden danken de Minister voor deze uitgebreide toelichting. Zij makengraag van de gelegenheid gebruik om, mede naar aanleiding van signalenuit de praktijk, enkele vragen te stellen aan de Minister over de juridischeduiding, de uitvoeringspraktijk en de gevolgen voor de rechtspositie enveiligheid van boa’s.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij de signalen herkentdat groene boa’s sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per1 januari 2024 in de uitvoeringspraktijk door Justis als (gedeeltelijk)onbevoegd worden beschouwd voor de handhaving van flora- enfauna-activiteiten. Deze leden vragen daarbij of de Minister erkent dat ditconcrete gevolgen heeft voor de toekenning en verlenging van gewelds-middelen, waaronder het dienstvuurwapen.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij het risicobeoordeelt dat groene boa’s door deze ontstane rechtsonzekerheid feitelijkniet of slechts beperkt inzetbaar zijn, terwijl zij in de praktijk wel verant-woordelijk blijven voor toezicht en handhaving in het buitengebied. Zijvragen daarnaast of de Minister de zorg deelt dat deze situatie afbreukdoet aan de veiligheid van boa’s zelf, de effectiviteit van de handhaving enhet vertrouwen in de rechtspositie van boa’s.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de huidige uitvoe-ringspraktijk bij Justis zich verhoudt tot de in de Kamerbrief over hetnieuwe boa-bestel uitgesproken ambitie van eenduidigheid, uniformiteiten voorspelbaarheid in bevoegdheden, uitrusting en toezicht. Deze ledenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 236 vragen in het bijzonder hoe wordt voorkomen dat verschillen in interpre-tatie en uitvoering leiden tot handelingsverlegenheid en rechtsonge-lijkheid in de dagelijkse praktijk van boa’s.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke juridischegrondslag Justis het standpunt baseert dat voor de strafrechtelijkehandhaving van Omgevingswet-feiten door groene boa’s een afzonder-lijke aanwijzing door gedeputeerde staten als toezichthouder vereist is.Deze leden vragen hoe dit standpunt zich verhoudt tot artikel 1:6 van deAlgemene wet bestuursrecht, waarin expliciet is bepaald dat de hoofd-stukken over toezicht niet van toepassing zijn op de opsporing envervolging van strafbare feiten.De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister de analyse deelt datovertredingen van de Omgevingswet kwalificeren als economischedelicten en dat op grond van artikel 17 van de Wet op de economischedelicten de Minister van Justitie en Veiligheid zelf bevoegd is om boa’smet de opsporing daarvan te belasten. In dat licht vragen deze ledenwaarom bij de overgang van de Wet natuurbescherming naar deOmgevingswet per 1 januari 2024 geen expliciet nieuw of herbevestigendaanwijzingsbesluit is genomen, terwijl dit bij eerdere wetswijzigingen in2002 en 2017 wel is gebeurd.Voor zover de Minister van mening is dat een afzonderlijke provincialeaanwijzing noodzakelijk is, vragen de leden van de CDA-fractie welkestappen hij zet om provincies aan te sporen deze aanwijzingen met spoedte verrichten en hoe hij voorkomt dat hierdoor rechtsongelijkheid tussenprovincies ontstaat. Deze leden vragen tevens wat deze interpretatiebetekent voor groene boa’s die niet in dienst zijn van provincies, maar vanomgevingsdiensten.De leden van de CDA-fractie vragen verder of de Minister bereid is om,vooruitlopend op structurele wijzigingen in het kader van het nieuweboa-bestel, op korte termijn een tijdelijk of herbevestigend strafrechtelijkaanwijzingsbesluit te nemen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024om rechtsonzekerheid weg te nemen. Indien hij daartoe niet bereid is,vragen zij welke concrete alternatieve maatregelen worden getroffen omte voorkomen dat boa’s in de praktijk onbevoegd handelen of onvol-doende beschermd hun werk moeten doen.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij erkent dat dehuidige onduidelijkheid over bevoegdheden ertoe leidt dat aanvragenvoor geweldsmiddelen, waaronder het dienstvuurwapen, wordengeweigerd of langdurig blijven liggen. Deze leden vragen daarbij of deMinister bevestigt dat hierover inmiddels gerechtelijke procedures lopenen dwangsommen zijn opgelegd.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuweboa-stelsel de verantwoordelijkheid voor de uitrusting van boa’s primairbij de werkgever komt te liggen, of er een landelijk beslissingskaderbeschikbaar is voor werkgevers. Zij vragen welke rol politie en OpenbaarMinisterie hierin hebben, hoe de taakafbakening is vormgegeven en hoewordt voorkomen dat verschillen tussen werkgevers leiden totongelijkheid in uitrusting en bescherming van boa’s.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of het klopt dat deuitschuifbare wapenstok in het nieuwe boa-stelsel niet terugkeert in destandaarduitrusting van boa’s, noch in de aanvullende uitrusting. Dezeleden vragen wat hiervoor de reden is en of boa’s alsnog een verzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 237 kunnen indienen voor een uitschuifbare wapenstok. Indien dat mogelijk is,vragen zij welke criteria daarbij worden gehanteerd.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke instructies ofkaders hij aan Justis geeft om te waarborgen dat aanvragen vooropsporingsakten en geweldsmiddelen uniform, transparant en binnenredelijke termijnen worden afgehandeld, mede in het licht van deaangekondigde wijzigingen in het nieuwe boa-bestel.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke wijzewerkgevers en boa’s momenteel worden geïnformeerd over hunrechtspositie onder de Omgevingswet en of hij deze informatievoor-ziening toereikend acht, gelet op de signalen van onzekerheid enuiteenlopende interpretaties in de praktijk.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuweboa-stelsel ook het toezicht op de inzet van geweldsmiddelen primair bijde werkgever wordt belegd, of hiervoor een landelijk beslissings- entoezichtskader bestaat. Deze leden vragen hoe objectief en onafhankelijktoezicht wordt geborgd, welke rol politie en Openbaar Ministerie hierbijhebben en hoe de taakafbakening tussen betrokken partijen is geregeld.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de aansprakelijkheidvan werkgevers is geregeld bij onjuiste toewijzing van uitrusting aan boa’sen bij falend toezicht op de inzet van geweldsmiddelen. Deze leden vragenhoe deze aansprakelijkheid zich verhoudt tot de verantwoordelijkheid vande overheid voor een veilig en zorgvuldig functionerend handhavings-stelsel.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij ermee bekend is datde Politieacademie door capaciteitstekorten niet in staat is tijdig deRTGB-certificering (Regeling Toetsing Geweldsbeheersing BuitengewoonOpsporingsambtenaar) voor boa’s te faciliteren, waardoor naar schattingcirca 500 boa’s op een wachtlijst staan. Deze leden vragen welke maatre-gelen de Minister neemt om te voorkomen dat boa’s door deze capaci-teitstekorten hun bevoegdheid om geweldmiddelen te gebruikenverliezen.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu het nieuwe boa-stelselinzet van boa’s buiten het eigen werkgeversgebied mogelijk maakt, wie indie situaties verantwoordelijk is voor het toezicht op de taakuitvoering vandeze boa’s. Deze leden vragen hoe dit toezicht is ingericht op de verschil-lende toezichtsniveaus en hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheidontstaat over verantwoordelijkheden en aanspreekbaarheid.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bereid is de Kamervoorafgaand aan het geplande commissiedebat over boa’s in februari2026 schriftelijk te informeren over de juridische duiding van dezeproblematiek, de gekozen oplossingsrichting en de gevolgen daarvanvoor de uitvoeringspraktijk.5. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse de stukkenrondom het boa-stelsel gelezen. In een flink aantal verbetervoorstellen kande fractie van JA21 zich ook vinden. Het publieke domein wordt namelijkruwer en meer onvoorspelbaar en daarom is flexibiliteit nodig op hetgebied van taken, bevoegdheden en – wat ons betreft – ook bewapening.Wel zijn er nog meerdere vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 238 De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van 6 oktober 2025dat de boa wél strafrecht mag afdwingen, maar géén openbare orde maghandhaven. Is het verstoren van de openbare orde niet vaak een strafbaarfeit? Hoe kan een boa een strafbaar feit beëindigen (bijvoorbeeldbaldadigheid, verstoring, bedreiging), zonder feitelijk de openbare orde tehandhaven? Waar ligt juridisch het verschil? Is er een concrete grens?De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief dat de boa zich intheorie moet terugtrekken bij grote gevaarzetting. Afhankelijk van hetbeleid van de betreffende gemeente kan een boa pepperspray,handboeien en/of een wapenstok hebben. Wanneer mag een boa geweldgebruiken om een strafbaar feit te beëindigen, terwijl hij niet bevoegd isom de orde te handhaven? Hoe valt dit te rijmen?De leden van de JA21-fractie constateren dat boa’s de afgelopen jarensteeds vaker in benarde situaties terechtkomen, terwijl de politie op datmoment niet in de buurt is. Dit hebben we bijvoorbeeld meermaals gezientijdens het handhaven van coronamaatregelen. Wat wordt het handelings-kader van een boa als de dichtstbijzijnde politieagenten bijvoorbeeldlanger dan 15 minuten van de boa verwijderd zijn? In het verlengdehiervan: in gebieden met lage politiedichtheid en grote afstanden, zoalsnatuur- en buitengebieden, moet de boa bij escalatie vaak langer zelfblijven optreden voordat de politie arriveert. Welke minimale eisen gaatde Minister stellen aan responstijden en politiebeschikbaarheid inhandhavingsarrangementen, zodat boa’s niet feitelijk worden gedwongentot situaties waarvoor zij mogelijk niet binnen hun taakomschrijvingkunnen handelen of niet over de juiste verdedigingsmiddelen beschikken?De leden van de JA21-fractie zien dat de formele bevoegdheid van de boawordt verruimd tot het gehele domein, maar dat de feitelijke inzet viaregionale handhavingsarrangementen wordt begrensd. Hoe wordtvoorkomen dat boa’s opnieuw te maken krijgen met onduidelijkheid enverschillen tussen regio’s over wat zij wel en niet mogen handhaven?Komt er een landelijk minimumkader of een leidraad die ervoor zorgt dateen boa in vergelijkbare situaties overal dezelfde bevoegdheid kantoepassen?De leden van de JA21-fractie lezen dat uit pilots met de korte wapenstokblijkt dat boa’s zich veiliger voelen en eerder bereid zijn om in complexeof spanningsvolle situaties zelf op te treden, waardoor de druk op depolitie afneemt. Dit draagt bij aan de continuïteit van handhaving in depublieke ruimte, met name in gemeenten waar de politiecapaciteit onderdruk staat. Is het volgens de Minister juridisch mogelijk om een objectiefen automatisch toekenningsmechanisme te creëren waardoor boa’s ingemeenten met structureel hoge incidentdruk en beperkte politiecapaciteitstandaard in aanmerking komen voor aanvullende geweldsmiddelen,zoals de korte wapenstok en/of pepperspray?De leden van de JA21-fractie vragen waarom er boa’s zijn die meerbetaald krijgen dan politieagenten.6. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voordit schriftelijke overleg met betrekking tot het BOA-stelsel. Hier zijn nogeen aantal vragen over.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbriefvan de Minister van Justitie en Veiligheid over het stelsel van boa’s. Dezebrief is nauw verbonden met wetsvoorstel het wetsvoorstel waarin deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 239 wettelijke basis wordt gelegd voor regels over bewapening en uitrustingvan boa’s (Kamerstuk 36 395). Deze leden waarderen dat de Ministerexpliciet aandacht besteedt aan de positie, rol en toekomstbestendigheidvan het boa-stelsel, maar constateert tegelijkertijd dat de brief een grootaantal knelpunten blootlegt die vragen om nadere uitwerking.De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de brief blijkt dat boa’s eensteeds belangrijkere rol vervullen in de handhaving van leefbaarheid enveiligheid in de publieke ruimte. Zij zijn vaak het eerste aanspreekpuntvoor burgers bij overlast, kleine criminaliteit en het handhaven vanspecifieke regelgeving. De Minister onderkent dat boa’s een eigenstandigepositie innemen binnen de bredere politiefunctie, maar geen rol hebben inde handhaving van de openbare orde, die exclusief bij de politie blijft.Tegelijkertijd constateert de Minister dat het huidige stelsel onvoldoendeduidelijk maakt wat nu precies van boa’s wordt verwacht, zowel voor deboa zelf als voor burgers, gemeenten en ketenpartners.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de doorontwikkeling van hetboa-stelsel er niet toe mag leiden dat boa’s de politie vervangen of aan depolitie gelijk worden gesteld, zonder dat zij daarvoor de middelen of debevoegdheden van de politie hebben. De politie heeft binnen de rechts-staat een unieke positie, met als kerntaken de handhaving van deopenbare orde, de opsporing van strafbare feiten in volle breedte en deuitoefening van het geweldsmonopolie. Deze taken zijn verbonden aanvergaande bevoegdheden, intensieve opleiding en een zwaarverantwoordings- en toezichtskader, wat de politie fundamenteelonderscheidt van boa’s.De leden van de BBB-fractie constateren dat de sterke toename van hetaantal boa’s in de afgelopen jaren grotendeels lijkt samen te hangen metde aanhoudende personeelstekorten bij de politie. Gemeenten zien zichhierdoor genoodzaakt om zelfstandig capaciteit te organiseren door meerboa’s in gemeentelijke dienst te nemen. Deze leden vragen de Minister ofhij deze analyse herkent en of hij deze ontwikkeling als wenselijkbeschouwt, mede in het licht van de lange termijninrichting van hetveiligheidsbestel.De leden van de BBB-fractie constateren dat boa’s een andere rolvervullen. Boa’s zijn aangesteld voor specifieke, afgebakende handha-vingstaken, veelal gericht op leefbaarheid en naleving van regelgeving.Juist deze begrenzing is de kracht van het boa-stelsel. Wanneer boa’sstructureel worden ingezet als vervanging van politiecapaciteit, ontstaattaakvervaging en worden zij geconfronteerd met situaties waarvoor zijniet zijn toegerust of bevoegd, met risico’s voor hun veiligheid, derechtsbescherming van burgers en het vertrouwen in de overheid.De leden van de BBB-fractie geven aan dat zij een structurele verschuivingvan politietaken naar boa’s onwenselijk achten. Boa’s beschikken overbeperktere bevoegdheden en zijn niet toegerust voor het volledige paletaan taken dat hoort bij openbare ordehandhaving en strafrechtelijkehandhaving. De politie is, juist vanwege haar bredere bevoegdheden enlandelijke inzetbaarheid, effectiever en efficiënter in deze kerntaken. Dezeleden vragen de Minister of hij deze analyse deelt en of hij mogelijkhedenziet om prioriteit te geven aan een groei van het aantal politieambtenarenin plaats van een verdere uitbreiding van het aantal boa’s. Is hij bereidhierover in gesprek te treden met gemeenten?De leden van de BBB-fractie constateren dat door de situatie dat boa’ssteeds verder in het domein van de politie terechtkomen, zij tegengrenzen aanlopen van wat zij mogen en kunnen doen. Zo worden zij in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2310 dagelijks werk geconfronteerd met situaties waarin snel en adequaatoptreden noodzakelijk is. Dit spanningsveld wordt versterkt door debeperkte toegang tot relevante informatiesystemen, waardoor boa’s huntaken niet altijd effectief of veilig kunnen uitvoeren. De Minister kondigt inde brief aan te willen toewerken naar een herziening van het stelsel, ondermeer door domeinen samen te voegen, bevoegdheden overzichtelijker temaken en de juridische basis van uitrusting en bewapening te versterken.Deze leden wachten deze stelselwijziging met belangstelling af, maarwillen nogmaals benadrukken dat het boa-stelsel geen vervanging magworden van de politie.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de veiligheid vanboa-personeel te allen tijde voorop moet staan. In dat kader achten dezeleden het van groot belang dat boa’s beschikken over passende middelenom hun taken veilig en verantwoord te kunnen uitvoeren. Bewapeningvan boa-ambtenaren vormt daarbij een cruciaal onderdeel. Deze ledenverzoeken de Minister toe te lichten op welke wijze en onder welkevoorwaarden boa-ambtenaren gebruik kunnen gaan maken vanbewapening.Ten aanzien van de informatievoorziening constateren de leden van deBBB-fractie dat de Kamerbrief weinig concreet is. Hoewel de Ministererkent dat een beperkte informatiepositie de effectiviteit van boa’sondermijnt, blijft onduidelijk welke oplossingen daadwerkelijk wordenvoorzien. Deze leden benadrukken dat, ongeacht de uiteindelijke taakafba-kening van boa’s, effectieve en veilige handhaving alleen mogelijk iswanneer boa’s beschikken over adequate en actuele informatie. Zij zijnvan mening dat boa’s voor de uitvoering van hun taken toegang moetenhebben tot relevante informatiesystemen, vergelijkbaar met die van depolitie. Deze leden verzoeken de Minister hierop nader te reageren enconcreet aan te geven welke stappen worden gezet om de informatiepo-sitie van boa’s structureel te verbeteren.De leden van de BBB-fractie constateren dat in het huidige boa-bestel erzes verschillende domeinen bestaan. Deze domeinstructuur heeft geleidtot een situatie waarin boa’s vaak heel verschillende taken, bevoegdhedenen specialisaties hebben. Het gaat om de volgende zes domeinen:•Domein I: Openbare Ruimte – dit is het grootste en meest zichtbaredomein, met boa’s die in steden en dorpen handhaven op overlast,kleine verstoringen, APV-regels en leefbaarheid.•Domein II: Milieu, Welzijn en Infrastructuur – een breed domein waarinzowel groene boa’s (bijvoorbeeld boswachters, handhavers buitenge-bied) als grijze boa’s (omgevingsdiensten, inspecties) werken.•Domein III: Onderwijs (Leerplicht) – leerplichtambtenaren die toezichthouden op schoolbezoek en handhaven op de Leerplichtwet.•Domein IV: Openbaar Vervoer – boa’s in het OV, zoals bij NS, RET enandere vervoerders, gericht op orde, vervoerbewijzen en veiligheid invoertuigen en stations.•Domein V: Werk, Inkomen en Zorg – handhaving op socialezekerheids-wetgeving, fraudebestrijding en naleving van zorg- en inkomensregels.•Domein VI: Overige specialistische opsporing – onder andere takenvan CJIB-medewerkers en andere zeer specialistische functies;hierover loopt op dit moment een apart WODC-traject.De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister in de brief stelt dat deknelpunten vooral spelen in de publieke ruimte, dus in domein I, degroene en blauwe boa’s binnen domein II en de boa’s in het openbaarvervoer (domein IV). In die domeinen ervaren boa’s dat de werkpraktijkonvoorspelbaar is, situaties snel kunnen escaleren en dat een duidelijketaak- en bevoegdheidsafbakening essentieel is. De overige drie domeinenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2311 kennen veel minder problemen. Deze boa’s werken in specialistische,minder onvoorspelbare omgevingen, vaak met veel voorbereidingstijd enminder directe confrontatie. Daarom kiest de Minister nadrukkelijk nietvoor een volledige hervorming van het bestel, maar voor een gerichtestructuurwijziging waarbij de zes domeinen op een nieuwe manierworden ingedeeld. In plaats van zes domeinen introduceert de Ministertwee hoofddomeinen, gebaseerd op de mate van onvoorspelbaarheid inhet werk.De leden van de BBB-fractie zijn kritisch over het voornemen om debestaande zes boa-domeinen samen te voegen tot twee bredere hoofddo-meinen. Hoewel deze leden begrijpen dat de Minister met deze samen-voeging meer overzicht en uitvoerbaarheid wil creëren, vrezen zij dat dezekoers onbedoeld leidt tot taakvervaging en een te algemene inzet vanboa’s. Door verschillende domeinen met uiteenlopende aard en contextsamen te brengen, dreigt het onderscheid tussen specifieke handha-vingstaken van boa’s en de kerntaken van de politie verder te vervagen.De leden van de BBB-fractie stellen dat de kracht van het huidige stelseljuist ligt in specialisatie binnen een domein. Door boa’s bredere engeneriekere taken toe te kennen, ontstaat het risico dat zij steeds vakerworden ingezet in situaties die qua aard en complexiteit sterk lijken oppolitiewerk, zonder dat zij beschikken over dezelfde bevoegdheden,opleiding en verantwoordelijkheidsstructuur. Kan de Minister toelichtenhoe hij gaat waarborgen dat juist de specialistische kennis binnen eendomein gewaarborgd blijft?De leden van de BBB-fractie constateren dat een belangrijk onderdeel vande brief de uitrusting van boa’s betreft. De Minister kondigt aan eenstandaarduitrusting in te voeren voor alle boa’s in hoofddomein I,bestaande uit onder meer een portofoon, handboeien en bepaaldepolitiebevoegdheden op grond van de Politiewet. Daarnaast wordtvoorzien in de mogelijkheid van aanvullende uitrusting, zoals eenbodycam, steek- of kogelwerend vest, een korte wapenstok en pepper-spray. Voor alle boa’s geldt dat deze middelen uitsluitend wordentoegekend als aan «strikte voorwaarden» wordt voldaan. Kan de Ministeruiteenzetten wat onder deze strikte voorwaarden wordt verstaan? Welkeconcrete criteria worden gehanteerd bij de beoordeling of een boa inaanmerking komt voor aanvullende uitrusting? Wie voert deze beoor-deling uit en op basis van welke risico-inschatting? Worden dezevoorwaarden landelijk toegepast, of is er ruimte voor lokale interpretatie?De leden van de BBB-fractie lezend dat voor de groene boa een uitzon-dering wordt gemaakt. Groene boa’s zijn de enige categorie boa’s dieonder zeer specifieke omstandigheden in aanmerking kan komen voor hetdragen van een vuurwapen. De Minister geeft aan dat dit samenhangt methun wettelijke taken in het buitengebied, waar sprake kan zijn van eenreële kans op confrontaties met gewapende stropers. Daarbij wordtgenoemd dat vuurwapentoekenning alleen mogelijk is wanneer de boaeen wettelijke taak heeft op het gebied van bijvoorbeeld stroperijbe-strijding, wanneer de politie deze taak niet (voldoende) kan overnemen enwanneer minder ingrijpende middelen onvoldoende bescherming bieden.Kan de Minister verduidelijken hoe deze voorwaarden in de praktijkworden getoetst? Wanneer is volgens de Minister sprake van een situatiewaarin de politie een taak niet adequaat kan overnemen? Wie bepaalt datminder ingrijpende middelen onvoldoende bescherming bieden, en opbasis van welke criteria? Hoe wordt voorkomen dat deze voorwaarden zostrikt worden uitgelegd dat vuurwapentoekenning in de praktijk alsnogvrijwel onmogelijk blijft, zoals nu het geval is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2312 7. Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de brief van de Minister over de inrichting van het nieuwe boa-bestel.Deze leden onderschrijven het belang van een goed functionerendhandhavingsstelsel, waarin boa’s op een duidelijke, professionele enrechtsstatelijk verantwoorde wijze bijdragen aan veiligheid enleefbaarheid in de publieke ruimte. Tegelijkertijd constateren deze ledendat de voorgestelde herinrichting grote gevolgen heeft voor de positio-nering van boa’s, de verhouding tot politie en Openbaar Ministerie, dewerkgeversverantwoordelijkheid van gemeenten en andere werkgevers,en de bescherming van boa’s als hulpverleners. Deze leden hebbenhierover enkele vragen.De leden van de SGP-fractie lezen dat boa’s in het nieuwe bestel nadruk-kelijker worden gepositioneerd als professionele partner binnen dehandhavingsketen. Deze leden vragen de Minister hoe wordt geborgd datdeze professionalisering gepaard gaat met een duidelijke en eenduidigewerkgeversverantwoordelijkheid, met name bij gemeenten.De leden van de SGP-fractie constateren dat boa’s, net als anderehulpverleners met een publieke taak, in toenemende mate te makenkrijgen met agressie en geweld. Deze leden vragen de Minister hoe wordtgewaarborgd dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen op hetgebied van preventie, nazorg, begeleiding bij aangifte en juridischeondersteuning. Tevens vragen zij hoe wordt voorkomen dat verschillentussen gemeenten leiden tot ongelijke bescherming en ondersteuning vanboa’s.De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat er geen landelijk uniformregistratiesysteem bestaat voor agressie en geweld tegen hulpverleners,waaronder boa’s. Deze leden vragen de Minister of hij bereid is te komentot één landelijk en verplicht registratiesysteem en zo ja, op welke termijnen onder welke regie dit gerealiseerd wordt.De leden van de SGP-fractie vragen expliciet aandacht voor boa’s diewerkzaam zijn bij niet-gemeentelijke werkgevers, zoals particuliereterreinbeherende organisaties. Deze leden vragen de Minister hoe wordtgeborgd dat ook deze boa’s kunnen rekenen op een gelijkwaardigerechtspositie en bescherming. Voorts vragen zij aandacht voor decomplexiteit van het stelsel. Hoe wordt voor gemeenten duidelijk welkewerkgevers er in de gemeente boa’s inzetten, met welk doel en vindthierbij de juiste afstemming plaats met de gemeente?De leden van de SGP-fractie constateren dat de aangifteketen bij geweldtegen hulpverleners versnipperd en onoverzichtelijk is. Deze leden vragende Minister hoe de aangifteketen voor geweld tegen boa’s wordtvereenvoudigd en geharmoniseerd. Zij vragen of de Minister bereid islandelijke afspraken te maken met politie en Openbaar Ministerie over deprioritering en afhandeling van zaken waarin boa’s slachtoffer zijn vangeweld. Zij vragen de Minister hoe wordt geborgd dat geweld tegen boa’sdaadwerkelijk leidt tot zichtbare en consequente strafrechtelijke opvolgingen vragen de Minister hierbij in te gaan op de uitvoering van deEenduidige Landelijke Afspraken (ELA) waarbij geweld tegen hulpver-leners tweemaal zo hard gestraft zou moeten worden. Deze leden vragende Minister om inzicht te geven in de cijfers in dit soort zaken. Voortsvragen zij de Minister naar de voortgang ten aanzien van de structurele,Rijksbrede invulling van de Taskforce Onze hulpverleners veilig, conformde motie-Diederik van Dijk c.s. (Kamerstuk 36 600 VI, nr. 100). Welkeresultaten heeft deze taskforce tot op heden opgeleverd? Deze ledenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2313 vragen hoe de continuïteit van de inzet op een veilige publieke taak wordtgeborgd na afloop van de huidige opdracht van de taskforce. Op welkewijze worden boa’s, inclusief boa’s bij particuliere werkgevers, structureelmeegenomen in het beleid rond veilige publieke taak?De leden van de SGP-fractie constateren dat het boa-bestel meerderebeleidsterreinen raakt en dat zowel het Ministerie van Justitie enVeiligheid als het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties hierbij betrokken zijn. Deze leden vragen de Minister hoe desamenwerking tussen deze ministeries concreet wordt ingericht, metname op het gebied van afspraken in de samenwerking eneindverantwoordelijkheid. Zij constateren dat uit de praktijk blijkt dat er opdit moment een gebrek aan samenwerking is en vragen de Minister hoehij dit structureel gaat verbeteren en welke afspraken zijn gemaakt overregie en eindverantwoordelijkheid om te voorkomen dat departementenlangs elkaar heen werken.De leden van de SGP-fractie achten goede gegevensdeling tussen politieen boa-organisaties essentieel voor effectieve handhaving en opsporing.Deze leden vragen de Minister welke knelpunten op dit moment bestaanbij de gegevensdeling tussen politie en gemeenten. Welke concretemaatregelen worden genomen om te zorgen voor tijdige, volledige enrechtmatige gegevensuitwisseling tussen politie en boa-systemen? Hoewordt voorkomen dat privacywetgeving of technische beperkingen leidentot onnodige belemmeringen in opsporing en vervolging?De leden van de SGP-fractie lezen dat de versterking van het boa-bestelmede is ingegeven door schaarste in capaciteit en middelen binnen hetveiligheidsdomein, met name bij de politie. Deze leden vragen de Ministerof wordt verondersteld dat uitbreiding van het boa-stelsel efficiënter isdan uitbreiding van de politiecapaciteit. Welke onderbouwing ligt tengrondslag aan het argument dat versterking van het boa-stelsel daadwer-kelijk leidt tot structurele verlichting van de werkdruk bij de politie? Hoewordt voorkomen dat boa’s structureel worden ingezet als vervangingvoor politiecapaciteit, zonder dat daarvoor voldoende randvoorwaardenzijn gecreëerd?De leden van de SGP-fractie wijzen op verschillen in aansturing: boa’swerken onder verantwoordelijkheid van gemeenten, terwijl de politieonder gezag van het Openbaar Ministerie valt. Deze leden vragen deMinister hoe deze verschillende gezags- en verantwoordingslijnen in depraktijk worden afgestemd. Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheidontstaat over taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussenboa’s en politie.De leden van de SGP-fractie constateren dat in de praktijk sprake isgeweest van handelingsverlegenheid bij boa’s door onduidelijkheid overtaken, bevoegdheden, uitrusting en toegang tot systemen. Deze ledenvragen de Minister hoe het nieuwe stelsel deze knelpunten aantoonbaaroplost.De leden van de SGP-fractie constateren dat de uitrusting van boa’s, metname zij die werkzaam zijn bij niet-gemeentelijke werkgevers, sterkuiteenloopt en afhankelijk is van de bereidheid van werkgever en dienstJustis. Deze leden benadrukken dat de veiligheid van boa’s voorop staat inhet werk wat zij doen en dat zij met uitbreiding van taken nog meerverlegen zitten om adequate uitrusting. Deze leden waken ervoor datboa’s ook onder het nieuwe stelsel onvoldoende zijn uitgerust om hunwerkzaamheden veilig en naar behoren te kunnen uitvoeren. Zij vragen deMinister hoe wordt geborgd dat boa’s in iedere situatie, onder iedereTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2314 werkgever, beschikken de juiste uitrusting met passende geweldsmid-delen, conform de aangenomen motie- Diederik van Dijk hierover(Kamerstuk 36 395, nr. 14). Voorts vragen zij aandacht voor borging vaneen passende opleiding en toegang tot noodzakelijke informatiesystemen(Kamerstuk 36 395, nr. 15). Welke instrumenten worden ingezet om temonitoren of het nieuwe stelsel daadwerkelijk leidt tot minder handelings-verlegenheid en meer effectiviteit.De leden van de SGP-fractie benadrukken dat uitbreiding van taken alleenverantwoord is wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Deze ledenvragen de Minister welke structurele middelen beschikbaar wordengesteld voor opleiding, uitrusting, toezicht en beheer. Hoe wordtvoorkomen dat kwaliteitsverschillen tussen gemeenten ontstaan? Zijvragen de Minister te bevestigen dat eerst deze randvoorwaarden wordengerealiseerd alvorens het nieuwe boa-bestel volledig in werking treedt.8. Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractie De leden van de SP-fractie hebben de brief «de buitengewoonopsporingsambtenaar een professionele partner met een eigenstandigetaak in de publieke ruimte» van de Minister aandachtig gelezen. Dezeleden hebben nog een aantal vragen.De leden van de SP-fractie vinden het begrijpelijk dat er wordt gekekennaar het beleggen van extra bevoegdheden bij de boa, maar willen bijvoorbaat wel waarschuwen voor het hellende vlak waarin bij capaciteits-problemen bij de politie al snel wordt gekeken of deze gaten moetenworden gevuld door de boa’s. Het blijft voor deze leden prioriteit dat depolitie voldoende middelen krijgt voor het invullen van haar primairebevoegdheden. Er zijn nog steeds grote tekorten bij de politie die op kortetermijn moeten worden ingevuld. Desalniettemin staan deze leden openvoor het bezien waar een boa meer verantwoordelijkheden zou kunnenkrijgen ter versterking van de politie. Zij zijn het eens dat het zou helpenals de bevoegdheden van de boa beter worden omschreven omdat ditbeeld momenteel diffuus is.De leden van de SP-fractie hebben middels de motie-Van Nispen ookgevraagd om de boa onderdeel te maken van de politieorganisatie om desamenwerking te versterken (Kamerstuk 36 395, nr. 8). De Minister geeftaan het te zien als onhaalbaar en niet wenselijk. Deze motie is aange-nomen en toch doet de Minister deze motie vrij eenvoudig van de hand.Op welke manier is er zoals de Minister zelf zegt, onderzoek gedaanbinnen het werkveld naar het draagvlak? Waarom vindt de Minister ditzowel onwenselijk als onuitvoerbaar? Waarom acht de Minister dat demaatschappelijke functie van de boa vervalt als het gecentraliseerd wordtonder de politie? Waarom zou het niet mogelijk zijn boa’s te laten opleidentot politieagent? Is de Minister het met deze leden eens dat juist vanwegede onduidelijke taakomschrijving van de boa zij nu soms in gevaarlijkesituaties terechtkomen? Is het niet vreemd om een aangenomen motievan de hand te doen omdat de Minister het zelf niet wenselijk acht? Is deMinister zich bewust van het feit dat de wens van de Kamer zwaarderweegt dan de eigen wens van de Minister?De leden van de SP-fractie zijn voorstander van het idee om de huidigelosse domeinlijsten I, II en IV samen te voegen tot één domeinlijst. De boawordt hiermee formeel bevoegd handhavend op te treden voor het gehelehoofddomein, voor zover zich hier geen wet- of regelgeving tegen verzet.Ook zijn deze leden voorstander van het idee om de Eerste Hulp BijOngelukken (EHBO) onderdeel te laten zijn van de basisopleiding, zodatde boa dit kan toepassen bij ongelukken of een reanimaties. Bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2315 tweede onderdeel zien deze leden echter dat hiermee ook meer raakvlakbestaat met de medische hulpdiensten. Op welke manier wordt via dezeweg afgesproken welke onderdelen van de EHBO de boa zal doen en opwelke onderdelen de medische diensten? Nu deze onderdelen dichter bijelkaar komen te liggen vinden deze leden het ook noodzakelijk dat deMinister nadenkt over in hoeverre de samenwerking hiermee ook zalveranderen. Op welke manier gaat dit gesprek plaatsvinden?De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister een nieuwe weginslaat door in uitzonderlijke omstandigheden boa’s ook uit te rusten meteen wapenstok en pepperspray en zij dus uitgerust worden met wapens.Deze leden hebben hier moeite mee. Aan de ene kant tracht de Ministereen meer eenduidig profiel te maken voor het beroep boa, aan de anderekant kiest het er nu voor de boa’s onderling op twee verschillendemanieren uit te rusten (met of zonder wapenstok en pepperspray) envervolgens is het ook nog de taak van de boa om op geen enkele maniergeweld te gebruiken en te de-escaleren. Deze leden hebben begrip voordeze taakomschrijving, maar niet voor het feit dat zij hiermee eensoortgelijke uitrusting krijgen als de politie maar de Minister er explicietvoor kiest om deze twee beroepen strikt gescheiden te houden. Dezeleden waarschuwen ervoor dat dit voor meer verwarring dan duidelijkheidzal zorgen. Ook denken zij dat dit zal zorgen voor juist meer situatieswaarin geweld wordt toegepast in plaats van minder. Is de Minister hetmet deze leden eens dat twee verschillende uitrustingen tot meerverwarring zal leiden? Waarom handhaaft de Minister, juist ook met dezeexpliciete keuze in een andere uitrusting, het harde onderscheid tussen deboa en de politie? Op welke manier wordt de boa getraind in het gebruikvan deze extra middelen en in hoeverre verschilt dit met de training vande politieagent hiervoor? Waarom wordt gekozen voor een inwerking-treding op 1 januari 2026, zonder enige invloed of tussenkomst van deKamer? Waarom wordt er gekozen voor hoge spoed zonder debat? Is deMinister zich bewust van het feit dat het bewapenen van boa’s eengevoelige discussie is die al jaren loopt en dat hierbij een zorgvuldigebespreking van de Kamer noodzakelijk is?II. Reactie van de Minister InleidingDe buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: boa) is een belangrijkepartner binnen de brede politiefunctie en een belangrijke partner in hetveilig houden van bijvoorbeeld onze wijken, het openbaar vervoer en denatuurgebieden. Mijn brief van 2 oktober 2025 getiteld: de buitengewoonopsporingsambtenaar – een professionele partner met een eigenstandigetaak in de publieke ruimte, bevat de ontwikkelrichting voor het boa-besteldie recht doet aan de dagelijkse praktijk waarin de boa zijn belangrijkewerk doet.Met de aangekondigde beleidswijzigingen stel ik hen in staat om huneigenstandige taak adequaat te kunnen uitvoeren binnen de noodzakelijkewaarborgen waarmee werken binnen de politiefunctie omgeven is. AlsMinister van Justitie en Veiligheid schep ik, vanuit mijn stelselverantwoor-delijkheid, de kaders en randvoorwaarden. De daadwerkelijke inzet enprimaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de functie, blijft bijde boa-werkgevers liggen.De wijzigingen in het boa-bestel zijn betekenisvol en moeten zorgvuldigen stapsgewijs worden doorgevoerd. Met een uitvoerings- en implemen-tatieagenda wordt richting gegeven aan de verdere professionalisering enversterking van het bestel. De verdere uitwerking en implementatie vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2316 deze wijzigingen in het stelsel zullen, onder regie van mijn departement,tijd en verdere afstemming met de (keten-) partners vragen. Ook moetende werkgevers en andere partners de tijd krijgen om de impact van dewijzigingen te bepalen en hieraan te voldoen. Uitvoeringstoetsen enimpactanalyses zullen dan ook worden gedaan op het moment dat deaangekondigde richting verder is uitgewerkt. De voorgestelde wijzigingenvergen in ieder geval op onderdelen een aanpassing van de wet endaarnaast een aanpassing van lagere regelgeving. Dit alles kost tijd. Ikwerk stapsgewijs en streef ernaar om het nieuwe stelsel volledigingevoerd en operationeel te hebben in 2028.Vragen vanuit de D66-fractieVraag 1:De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen enaandachtspunten die door onder meer de Nederlandse Spoorwegen (NS)zijn ingebracht ten aanzien van de herziening van het stelsel. De boa’s vande NS worden regelmatig geconfronteerd met strafbare feiten zoalsmishandeling, diefstal en vernieling. De NS geeft aan dat boa’s indergelijke situaties geacht worden de-escalerend op te treden of eensituatie te stabiliseren, terwijl zij niet altijd beschikken over toereikendebevoegdheden om dit veilig en effectief te doen. Deze leden vragen deMinister te reflecteren op deze zorgen van de NS en vragen hoe deMinister acht te voorkomen dat boa’s in deze onhoudbare posities komen.Antwoord op vraag 1:Ik begrijp dat de NS zich zorgen maakt over hun boa’s en dat zij willenvoorkomen dat hun medewerkers in onhoudbare posities terechtkomenterwijl van hen verwacht wordt dat zij in bepaalde situaties de-escalerendoptreden of de situatie proberen te stabiliseren.In mijn brief van 2 oktober jl. benoem ik dat de handelingsverlegenheidvan boa’s één van de knelpunten is van het huidige boa-bestel. Dezehandelingsverlegenheid wordt onder andere veroorzaakt door onduide-lijke afbakening van bevoegdheden, incongruente verwachtingen enonduidelijke afbakening met de politietaak. Om de handelingsverle-genheid in onvoorziene situaties zo veel als mogelijk te beperken, ben ikvoornemens om enkele veranderingen door te voeren in de verantwoor-delijkheden en de bevoegdheden van de boa. Zo worden de domeinen I, II(groen en blauw) en IV samengevoegd. De huidige domeinindeling werktonduidelijkheid en inflexibiliteit in de hand, dat wordt hiermee groten-deels opgelost. De boa uit het zogenoemde «hoofddomein I», waartoe deNS-boa’s zullen gaan behoren, wordt hiermee voor alle strafbare feiten uitde samengevoegde domeinlijst bevoegd, binnen de bestaande kaderswordt de handelingsverlegenheid zo ver als mogelijk verkleind.Daarnaast is besloten om de boa niet aanvullend bevoegd te maken voorhet handhaven van de openbare orde, dit blijft voorbehouden aan depolitie. De boa kan echter wel in situaties terechtkomen waarin de boaalsnog onverwacht wordt geconfronteerd met een verdere escalatie ofgeweld tijdens de taakuitvoering. Van de boa wordt verwacht deze situatiete de-escaleren, te herstellen, te beëindigen of tenminste te bevriezen.Hiermee draagt de boa bij aan het tegengaan van overlast en hetherstellen van de rust voor een normale gang van het publieke leven.De komende periode zal de verdere uitwerking gezamenlijk met debetrokken partners nader worden uitgewerkt. De OV-sector zal hier danook bij betrokken worden.Vraag 2:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2317 Ook vragen deze leden hoe in de praktijk de balans wordt gehouden,zodat boa’s voldoende bevoegdheden hebben om adequaat in te grijpenbij strafbare situaties, maar tegelijkertijd geborgd kan worden dat boa’szich niet begeven op het terrein van openbare-ordehandhaving.Antwoord op vraag 2:Het handhaven van de openbare orde is geen taak van de boa. Deopenbare orde wordt uitsluitend door de politie gehandhaafd. De politie isde enige organisatie die hiervoor over de benodigde doorzettingsmachten -middelen beschikt. De boa werkzaam in de openbare ruimte heeft eeneigen taak binnen de politiefunctie en richt zich op het leefbaar en veilighouden van de leefomgeving voor de burger. Dat doet de boa doorpreventief optreden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm enspecifieke wet- en regelgeving. Bij de uitwerking van de domeinlijst voorhoofddomein I wordt geïnventariseerd waar hiaten in de opsporings-bevoegdheden, passend bij de taak van de boa, worden ervaren.Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Zehebben allebei de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden.De taak van politie en boa zijn zo veel als mogelijk complementair aanelkaar en de samenwerking tussen beiden is gelijkwaardig, ieder vanuiteen eigen expertise. In de afbakening met politie blijft het uitgangspuntdat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerktworden door grote gevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd eeninschatting van de situatie op basis van zijn professionaliteit voordat eractie ondernomen wordt. De politie beschikt voor dit soort situaties overdoorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo.Vraag 3:De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen over de verantwoorde-lijkheidsverdeling bij aanhoudingen. De NS heeft aangegeven zich zorgente maken over mogelijke onduidelijkheid en een verschuiving vanverantwoordelijkheden als gevolg van de herziening van het stelsel, metname rondom de afhandeling van aanhoudingen. De NS is bang dat doorde herziening van het stelsel de boa’s een grotere verantwoordelijkheidkrijgen in de afhandeling van de aanhoudingen en hebben liever dat deboa’s zo veel mogelijk in de trein op of op het station aanwezig blijven.Daarom zou de NS graag bestaande samenwerkingsafspraken tussen deNS en de politie rondom de afhandeling van aanhouding landelijk willenverankeren en explicieter willen maken. Deze leden vragen of de Ministeruiteen kan zetten hoe in het hernieuwde boa-stelsel de verantwoordelijk-heden bij aanhouding en de verdere afhandeling daarvan precies zijnbelegd tussen werkgevers van boa’s en de politie.Antwoord op vraag 3:Een van de doelen van de ontwikkelrichting is om de buitengewoonopsporingsambtenaar zijn werk zelfstandiger te kunnen laten uitvoeren. Erwordt reeds vereist dat boa’s, voor de toekenning van politiebevoegd-heden en vrijheidsbeperkende middelen, moeten voldoen aan de eis omverdachten zelf te kunnen aanhouden en overbrengen naar de plaats vanverhoor. Dit geldt dus eveneens voor de boa’s in dienst van de NS, dieover politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen beschikken.Mijn brief van 2 oktober jl. brengt hier geen verandering in. Het is zaak datde boa-werkgever en de politie, in afstemming met de bevoegde gezagen,afspraken maken over de samenwerking. Onderdeel hiervan is dat erafspraken worden gemaakt over de ondersteuning van boa’s door politiein bijvoorbeeld het geval van het vervoeren van arrestanten.Voor deze samenwerkingsafspraken bestaan landelijke formats die doorde boa werkgevers en de politie als basis voor hun eigen afsprakenworden genomen. De formats bieden naast handvatten ook de ruimte omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2318 specifieke lokale prioriteiten, omstandigheden en (on)mogelijkheden meete nemen in het uiteindelijke handhavingsarrangement, veiligheidsplan ofsoortgelijke overeenkomst met de lokale of regionale politie. Voor eenorganisatie als de NS zullen deze samenwerkingsafspraken zoveelmogelijk landelijk ingevuld moeten worden.Vraag 4:Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister reflecteert op de zorgen vande NS en of hij deze terecht acht.Antwoord op vraag 4:De betrokkenheid van de vele stakeholders, waaronder de NederlandseSpoorwegen (NS), bij de totstandkoming van de diepgaandebeschouwing op het boa-bestel waardeer ik zeer. Zoals ik ook in mijn briefheb aangegeven, hoop ik op eenzelfde betrokkenheid bij de verdereuitwerking en implementatie van de ontwikkelrichtingen. In de brief vande NS wordt expliciet aandacht gevraagd voor twee zorgen: 1) hande-lingsverlegenheid en 2) de afhandeling van aanhoudingen. Met betrekkingtot handelingsverlegenheid moet ik constateren dat die in de kerninherent is aan een buitengewone opsporingsbevoegdheid. Door hetsamenvoegen van de verschillende domeinlijsten tot één lijst voorhoofddomein I minimaliseer ik de ervaren handelingsverlegenheid, maardeze volledig wegnemen kan alleen door het toekennen van eenalgemene opsporingsbevoegdheid en die vind ik niet proportioneel inrelatie tot de rol en taak van de boa. Het aanhouden en overbrengen vanverdachten behoort nu ook al tot de taken van de boa. De boa-werkgeverkan hierover specifieke afspraken maken in het handhavingsarrangement,veiligheidsplan of soortgelijke overeenkomsten met de lokale of regionalepolitie.Vraag 5:Ook vragen zij of de Minister het wenselijk acht om bestaande samenwer-kingsafspraken landelijk te verankeren en explicieter te maken.Antwoord op vraag 5:Een goede samenwerking tussen boa en politie is essentieel. Dezesamenwerking is gelijkwaardig en dient vorm te worden gegeven vanuitde eigen expertise, rol en taak. Samenwerkingsafspraken tussen politie enboa’s worden onder andere vastgelegd in handhavingsarrangementen,veiligheidsplannen of gelijksoortige samenwerkingsovereenkomsten. Indeze afspraken moet er ruimte zijn voor onder andere lokale omstandig-heden of andere omstandigheden die relevant zijn voor de samenwerkingtussen de politie en de betreffende boa(-werkgever). Daarbij merk ik opdat ook het OM, binnen het kader van opportuniteit en selectiviteit, een rolheeft waar het gaat om de instroom van zaken.Omdat hier (lokaal) maatwerk mogelijk moet zijn, vind ik het niet wenselijkom samenwerkingsafspraken landelijk te verankeren of landelijk verder teexpliciteren. Voor deze samenwerkingsafspraken bestaan overigens wellandelijke formats die door de boa werkgevers en de politie als basis voorhun eigen afspraken kunnen worden genomen.Vraag 6:De leden van de D66-fractie merken eveneens op dat er een pilot looptwaarin boa’s in het domein openbare ruimte in enkele gemeenten demogelijkheid krijgen om de strafbaarstelling van seksuele intimidatie inhet openbaar te handhaven (artikel 429ter Sr.). Omdat de strafbaarstellingvan seksuele intimidatie in het openbaar niet is opgenomen in dedomeinlijst van het hoofddomein, zijn boa’s op dit moment niet automa-tisch bevoegd tot opsporen van en het handhaven. Deze leden vragen opwelke termijn de Minister de bevoegdheid op gaat nemen in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2319 hernieuwde boa-stelsel, binnen het hernieuwde hoofddomein voor boa’sin de publieke ruimte?Antwoord op vraag 6:De pilot waarin boa’s in enkele gemeenten handhaven op seksueleintimidatie in het openbaar loopt tot juli 2026. De evaluatie van deeffectiviteit van de handhaving op deze strafbaarstelling, inclusief in hetkader van deze pilot, wordt in het voorjaar van 2026 verwacht.Na oplevering van de evaluatie worden de uitkomsten besproken in destuurgroep van de pilot en in de verschillende overlegstructuren van hetboa-stelsel, zoals de Bestuurstafel Boa en het Strategisch BeraadVeiligheid. Op basis daarvan zal ik beslissen of deze bevoegdheid generiekwordt toegevoegd aan de domeinlijsten binnen het hernieuwdeboa-stelsel. Dit besluitvormingsproces vergt zorgvuldige afstemming metbetrokken partijen en neemt enige tijd in beslag.Gelet daarop en om de opgedane kennis en expertise te borgen en tevoorkomen dat de handhaving op seksuele intimidatie na afloop van depilot stilvalt, hebben de deelnemende partijen het volgende afgesproken.Pilotgemeenten die dat wensen kunnen, in overleg met het OM, dehandhaving voortzetten totdat een besluit is genomen over de structureleinrichting en over het toevoegen van deze bevoegdheid aan de domein-lijsten voor boa’s.Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk na afronding van de pilot informerenover de uitkomsten van de evaluatie en de vervolgstappen.Vragen vanuit de VVD-fractieVraag 7:De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister vasthoudt aaneen zeer strikte lijn bij de toekenning van vuurwapens aan groene boa’s,terwijl wel wordt voorzien in een verruiming van de mogelijkheden voorhet dragen van pepperspray en de korte wapenstok. Deze leden erkennenhet belang van een terughoudende omgang met vuurwapens, maarwijzen er tegelijkertijd op dat groene boa’s in het buitengebied steedsvaker te maken krijgen met ondermijnende criminaliteit, afgelegenwerkplekken en beperkte directe politieback-up. Deze leden vragen deMinister hoe hij borgt dat groene boa’s in de praktijk tijdig en adequaatworden uitgerust om hun veiligheid te waarborgen.Antwoord op vraag 7:Ik hecht er veel waarde aan dat boa’s veilig hun werk kunnen doen.Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak vanhun boa’s, zoals vastgelegd in de akte, aanspraak maken op geweldmid-delen, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak. In mijnbrief over het boa-bestel van 2 oktober jl. staat dat het aanpassen van debeleidsregels op het punt van de criteria voor de toekenning vangeweldmiddelen geldt als de eerste stap van de invoering van het nieuwebestel. Het is de bedoeling dat de vereiste noodzaak van een geweld-middel wordt gekoppeld aan de bevoegdheden en taak van de boa zoalsdeze is vastgelegd in de akte, in plaats van aan vastgelegde situaties uithet verleden waarbij een geweldmiddel wenselijk was geweest. Debepaling om met situaties en incidenten uit het verleden de noodzaakvoor toekenning aan te tonen («kan-bepaling») zal, zoals eerdertoegezegd, komen te vervallen.Boa’s uit Domein II, waaronder de groene boa’s, kunnen ook debeschikking krijgen over een vuurwapen. Om aanspraak te maken op eenvuurwapen dient onder meer te worden vastgesteld dat de boa bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2320 uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt ofkan komen te verkeren dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapenge-bruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd.Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de handhaving van gewapende stroperijop basis van de Omgevingswet. Echter, de handhaving van gewapendestroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij de gedepu-teerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor hethandhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerdestaten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak.De provincies zijn dus aan zet om deze toezichthouders aan te wijzen voordeze taak, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk tehandhaven. Dus naast door mij beëdigd te zijn als boa dient de desbetref-fende persoon tevens door gedeputeerde staten van de Provincie, alsbestuursorgaan belast met bevoegd inzake de handhaving van stroperij,te zijn aangewezen als toezichthouder.Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om tehandhaven op bijvoorbeeld gewapende wildstroperij, dan kunnen dezefeiten niet tot de taak van de boa behoren en kan de boa niet op basis vandeze feiten aanspraak maken op een vuurwapen, ook al kan hij deze in depraktijk tegenkomen. De toekenning van geweldmiddelen is immersgekoppeld aan de bevoegdheid en taak van de boa zoals deze zijnvastgelegd in de akte. De boa is in dat geval niet bevoegd om handhavendop te treden en dient zich terug te trekken uit de situatie en de politie in teschakelen.Vraag 8:Daarnaast vragen zij hem toe te lichten hoe wordt voorkomen dat dehuidige strikte voorwaarden voor vuurwapenbewapening in de praktijkleiden tot langdurige procedures of feitelijke onbeschikbaarheid, juist insituaties waarin het risico structureel verhoogd is.Antwoord op vraag 8:Om aanspraak te maken op een vuurwapen dient onder meer te wordenvastgesteld dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoor-ziene) omstandigheid komt te verkeren dat hij of anderen met onmid-dellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapenwordt geconfronteerd. Dit is afhankelijk van de feiten waar de boa voorbevoegd is om op te handhaven zoals vastgelegd is in de akte. Delangdurige procedures zijn het gevolg geweest van een discussie over debevoegdheid van boa’s om handhavend op te mogen treden tegenbepaalde feiten. Deze discussie is nu ten einde waardoor de aanvraagpro-cedures kunnen worden afgerond.Daarnaast ben ik bezig met het aanpassen van de Beleidsregels boa ophet punt van de toekenningscriteria voor de geweldmiddelen. Op ditmoment wordt er gewerkt aan de laatste afstemming van de tekst voor deaangepaste beleidsregels met de betrokken partijen. Het streven is om denieuwe regeling in het eerste tertaal van 2026 te laten ingaan. Voordatdeze in werking zal treden zal deze worden gepubliceerd zodat deze vooralle betrokkenen kenbaar is.Het is de bedoeling van de wijziging van de beleidsregels dat de vereistenoodzaak van een geweldmiddel wordt gekoppeld aan de bevoegdhedenen taak van de boa zoals deze is vastgelegd in de akte, in plaats van aanvastgelegde situaties uit het verleden waarbij een geweldmiddel wenselijkwas geweest. Daarbij zal de bepaling om met situaties en incidenten uithet verleden de noodzaak voor toekenning aan te tonen («kan-bepaling»),zoals eerder toegezegd, komen te vervallen. Daarnaast zal ook het vereisteworden vastgelegd dat de boa ook daadwerkelijk bevoegd moet zijn om tehandhaven op bepaalde feiten om dit als taak te kunnen aandragen. PasTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2321 als het daadwerkelijk een taak van de boa is, kan er op basis daarvan eengeweldmiddel worden toegekend. De toekenning van geweldmiddelenblijft geschieden op basis van een goede, adequate en veilige taakuit-voering. Geweldmiddelen moeten conform de Ambtsinstructie voor depolitie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren(hierna: Ambtsinstructie) worden ingezet.Vraag 9:De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorgestelde herinrichtingvan het boa-stelsel ertoe kan leiden dat in het openbaar vervoer (OV)taken verschuiven van de politie naar OV-boa’s, terwijl daar geenstructurele financiële middelen tegenover lijken te staan. Hoe kijkt deMinister hiernaar?Antwoord op vraag 9:Er verschuiven geen politietaken naar de (OV-)boa op basis van deontwikkelrichting in de brief. Het samenvoegen van de bestaandedomeinlijsten die de bevoegdheden van boa’s bepalen tot één domeinlijstvoor hoofddomein I maakt de (OV-)boa voor meer strafbare feitenbevoegd en vermindert de handelingsverlegenheid, maar de daadwerke-lijke inzet van de (OV-)boa blijft aan de werkgever. Door de domeinlijstensamen te voegen wordt de handelingsverlegenheid binnen de bestaandekaders verkleind, doordat de nu in drie domeinen te handhaven feiten zijnsamengevoegd in één domein. Daarnaast levert het meer flexibiliteit in deinzet van personeel voor de werkgever op en biedt het ontwikkelkansenen loopbaanperspectief voor de boa. De boa wordt hiermee formeelbevoegd handhavend op te treden voor het gehele hoofddomein, voorzover zich hier geen wet- of regelgeving tegen verzet. De werkgeverbepaalt de daadwerkelijke dagelijkse inzet binnen de kaders van ditdomein, de taak van de boa, en de handhavingsafspraken met het gezag.Vraag 10:Is de Minister het met deze leden eens dat de veiligheid van de OV-boavoorop moet staan bij het werk wat zij doen en hoe ziet de Minister zijn rolhierin?Antwoord op vraag 10:Ik ben het uiteraard met de leden van de VVD-fractie eens dat boa’s inbrede zin op een veilige manier hun taken moeten kunnen uitoefenen, ditgeldt ook voor de OV-boa’s. Uitgangspunt voor de doorontwikkeling vanhet boa-bestel is daarom het regelen van bevoegdheden, uitrusting enandere randvoorwaarden voor een veilige en adequate taakuitvoering vanboa’s. Dit past bij mijn rol als stelselverantwoordelijk bewindspersoonvoor het boa-stelsel. Een veilige taakuitvoering door deze functionarissenberust echter niet enkel op de randvoorwaarden die worden vastgelegd inhet boa-bestel. Het is van belang dat ook de werkgevers van boa’s enandere bewindspersonen zich blijven inzetten voor een veilige taakuit-voering van deze functionarissen.Vraag 11:Deze leden vragen de Minister voorts hoe hij borgt dat de voorstellen nietleiden tot een vermindering van de sociale veiligheid in het openbaarvervoer, doordat vervoerders genoodzaakt worden keuzes te makentussen toezicht, controle en andere veiligheidstaken, en op welke wijze hijvoorziet in structurele financiering en tijdige betrokkenheid van concessie-verleners en vervoerders bij de verdere uitwerking van de voorstellen,mede gelet op de gevolgen voor concessie-eisen en bestaande afspraken.Antwoord op vraag 11:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2322 Zoals toegelicht in vraag 9 krijgen (OV-)boa’s geen extra taken op basisvan de voorgestelde ontwikkelrichting. De werkgever gaat over de inzetvan de boa en kan op die manier prioriteren. Concessieverleners envervoerders worden – net als bij de totstandkoming van de diepgaandebeschouwing – betrokken via de zogenaamde werkgeverstafel domein IV.Als Minister van Justitie en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor hetboa-stelsel dat de wettelijke kaders en randvoorwaarden schept voor hetaanstellen en inzetten van boa’s. Met boa’s kunnen de werkgeversinvulling geven aan hun eigen verantwoordelijkheid op het gebied van(sociale) veiligheid. Zij staan dan ook zelf aan de lat voor het dragen vande kosten voor de boa’s die bij hen in dienst zijn. Specifiek voorOV-bedrijven geldt dus dat zij hiermee rekening dienen te houden in detenders richting de concessieverleners.Vraag 12:De leden van de VVD-fractie hechten aan landelijke uniformiteit. Hoebeoordeelt de Minister de werking van de landelijke formats voorhandhavingsarrangementen in domein I en II en in hoeverre worden dezein de praktijk ook daadwerkelijk uniform toegepast?Antwoord op vraag 12:De landelijke formats voor handhavingsarrangementen worden veelvuldiggebruikt als basis voor lokale of regionale afspraken met de lokale ofregionale politie. Dit is ook de intentie van de formats. Het biedt naasthandvatten ook ruimte om specifieke lokale prioriteiten, omstandighedenen (on)mogelijkheden mee te nemen in het uiteindelijke handhavingsar-rangement.Vraag 13:Welke lessen zijn tot nu toe getrokken uit de toepassing van deze formatsin de samenwerking tussen boa’s en politie en hoe wordt voorkomen datlokale of regionale verschillen in invulling leiden tot ongelijke handhavingof onduidelijkheid?Antwoord op vraag 13:Navraag bij onder andere de VNG leert mij dat de formats van dehandhavingsarrangementen die bij mijn brief van 2 oktober jl. zatenpositief zijn ontvangen en gebruikt worden om de samenwerking oplokaal en regionaal niveau te versterken.Vraag 14:Hetzelfde geldt voor de uitrusting van boa’s. Hoe borgt de Ministeruniformiteit en te voorkomen dat er A-, en B-boa’s ontstaan?Antwoord op vraag 14:Uniformiteit van de uitrusting van de boa draagt bij aan het verkleinenvan de handelingsverlegenheid van de boa. Het is belangrijk dat de burgerweet wat hij van de boa kan verwachten. Het stellen van een standaarduit-rusting met eventuele aanvullende uitrusting draagt hieraan bij.Echter, het boa-werkveld is zeer divers. Zowel als het gaat om deproblematiek waar de boa tegen optreedt als de wijze waarop de boawordt ingezet door zijn werkgever. Daar dient de uitrusting van de boa bijaan te sluiten. Zo kan de boa op de meest adequate en veilige manier zijnwerk doen. Zo past voor de groene boa in het veld waarbij de opvolgingbij escalatie door de politie beperkt mogelijk is een andere uitrusting daneen gemeentelijke handhaver. Daarnaast bestaan er ook weer verschillentussen de verschillende werkgevers binnen hetzelfde domein, bijvoor-beeld in verschillende gemeenten. De ene gemeente zal de boa’s anderswillen inzetten dan de andere, al naar gelang de problematiek en contextdie speelt binnen de betreffende gemeente. En daar kan dan ook eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2323 andere uitrusting bij passen. Juist ook de ruimte voor deze diversiteitzorgt ervoor dat de boa zo goed mogelijk kan worden ingezet.Vraag 15:Deze leden vragen voorts hoe wordt geborgd dat nieuwe keuzes binnenhet boa-bestel uitvoerbaar zijn voor gemeenten, provincies en anderewerkgevers. Hoe wordt bij deze keuzes rekening gehouden met destructurele krapte op de arbeidsmarkt, zowel bij de politie als bij boa’s?Antwoord op vraag 15:Ik vind het belangrijk dat nieuwe keuzes in het boa-bestel wordengedragen door gemeenten, provincies en andere werkgevers. Daaromzullen werkgevers – net als bij de totstandkoming van de diepgaandebeschouwing – in de concrete uitwerking hiervan worden meegenomendoor middel van bestuurs- en werkgeverstafels.Uit arbeidsmarktonderzoek blijkt dat een functie als boa een aantrekkelijkeoptie is voor mensen met interesse in het veiligheidsdomein. Daarbijliggen boa- en politiefuncties meer in het verlengde van elkaar dan dat zijelkaar beconcurreren. Dat neemt niet weg dat we, gelet op de (structurele)krapte op de arbeidsmarkt, zo goed mogelijk met de beschikbare mensenmoeten omgaan. De krapte op de arbeidsmarkt en de impact op politie enboa-werkgevers is daarom met enige regelmaat onderwerp van gesprekin het Landelijke Overleg Veiligheid en Politie (LOVP), het overleg dat ikheb met het OM, de Regioburgemeesters, en de korpschef.Vraag 16:De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de boa’s een belangrijkepublieke taak vervullen en dus ook de bescherming moeten genieten alszij te maken krijgen met geweld en agressie. Ziet de Minister erop toe dater van alle incidenten een melding wordt gemaakt bij de werkgever en datelke melding wordt omgezet in een aangifte? Zo nee, waarom niet?Antwoord op vraag 16:Met de leden van de VVD ben ik van mening dat de boa’s een belangrijkepublieke taak vervullen én dat zij op een veilige manier hun taak moetenkunnen vervullen. Ik acht het dan ook van het grootste belang dat er vanincidenten altijd een interne melding wordt gedaan en dat er in het gevalvan een strafbaar feit ook aangifte wordt gedaan bij de politie. De boavakbonden zijn hier ook alert op voor hun leden. Of en hoe dit wordtgeregeld valt onder de verantwoordelijkheid van de werkgever van deboa. Na een aangifte gelden wel de Eenduidige Landelijke Afspraken, opbasis waarvan een aangifte met prioriteit door de politie wordt opgepakt.Daarnaast heeft mijn ministerie in samenwerking met het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een handreiking uitgebrachtvoor de functie van adviseur-VPD (Veilig Publieke Dienstverlening), die hetproces van het doen van de interne melding en de aangifte bij de politiekan verbeteren.Vraag 17:Hoe kan de Minister de werkgevers beter ondersteunen bij deze taak diezij hebben?Antwoord op vraag 17:De boa als volwaardig partner binnen de politiefunctie vereist eveneensprofessioneel werkgeverschap. Daarom ga ik expliciet maken voorwerkgevers waar zij aan moeten voldoen, zodat dit voor alle werkgeverstot duidelijkheid leidt. Ik hecht eraan te benadrukken dat veel werkgevershier naar alle waarschijnlijkheid nu al grotendeels aan voldoen, maar eenprofessioneel boa-bestel vereist dat dergelijke kaders expliciet in wet- enregelgeving worden vastgelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2324 Het werk van de boa kan een zware emotionele en psychische belastingvoor de boa zelf zijn. Daarom zal in ieder geval van de werkgever wordenverlangd dat deze voorziet in adequate ondersteuning, zoals begeleiding,coaching en indien nodig (psychische) nazorg. Dit helpt verzuim tevoorkomen en draagt bij aan professioneel en duurzaam functioneren vande boa.Vraag 18:De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat de gevolgen van dezewijziging in het bestel zijn voor de samenwerking tussen de boa’s en depolitie. Zijn huidige belemmeringen in deze samenwerking nu makkelijkerop te lossen, zoals bijvoorbeeld de identiteits-check?Antwoord op vraag 18:Een goede samenwerking tussen de politie en boa, die als gelijkwaardigepartners met ieder een eigen expertise en rol en taak binnen de politie-functie steeds vaker samenwerken op het snijvlak van leefbaarheid enveiligheid, is van belang. Ondanks de verbeterslag die de samenwerkingtussen de boa en politie in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, heb ikuiteraard oog voor de benodigde doorontwikkeling. In mijn brief van2 oktober jl. heb ik onder andere aangegeven dat ik voornemens ben alseis te stellen dat de werkgever van de boa, in samenspraak met politie,zorgdraagt voor een handhavingsarrangement, veiligheidsplan ofgelijksoortige samenwerkingsovereenkomst, waarin afspraken met onderandere de politie worden gemaakt over welke partij optreedt in bepaaldesituaties en de ondersteuning daarbij. Dit zorgt in elk geval voor eenprofessionaliseringsslag van de benodigde samenwerking van debetrokken partijen binnen het veiligheidsdomein.Daarnaast moet de boa beschikken over een goede informatiepositie. Ditbestaat enerzijds uit (het verbeteren van) het onderling uitwisselen vaninformatie tussen samenwerkingspartners. Anderzijds zou de boa in staatmoeten zijn om de identiteit van staande gehouden personen die geenidentiteitsbewijs bij zich dragen, waarbij onder als mogelijke oplossings-richting is gedefinieerd de boa eigenstandig toegang te geven totsystemen. Ik verwijs daarvoor naar mijn antwoord op vraag 23.Vraag 19:De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van demotie-Michon van 23 september 2025 waarin het knelpunt van bevoegd-heden op basis van de Omgevingswet is geadresseerd (Kamerstuk 29 911,nr. 483).Antwoord op vraag 19:De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in deOmgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies.Enkel de personen die voor het handhaven op gewapende stroperij zijnaangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhavenen hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om dezetoezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijnstroperij strafrechtelijk te handhaven. Dus naast door mij beëdigd te zijnals boa dient de desbetreffende persoon tevens door gedeputeerde statenvan de Provincie, als bestuursorgaan belast met de handhaving vanstroperij, te zijn aangewezen als toezichthouder.Ik heb, vanwege het belang dat ik hieraan hecht, de provinciebesturen hiervia de portefeuilehoudend gedeputeerde bij het IPO, expliciet op gewezenen zij zijn hier actief mee aan de slag gegaan, zo blijkt uit navraag bij hetIPO. Zo zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in detwee relevante commissies van het Interprovinciaal Overleg (IPO)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2325 geïnformeerd. Het IPO heeft mijn ministerie laten weten dat provinciebe-stuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en desnelheid die in dat kader gewenst is.Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractieVraag 20:De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zien het voornemen om de boanadrukkelijk te positioneren als professionele partner binnen de politie-functie, met een eigen, duidelijk afgebakende taak in de strafrechtelijkehandhaving van de rechtsorde. Met het tegengaan van de huidigeversnippering van het boa-bestel en het verbreden van bevoegdhedenwordt naar het oordeel van deze leden handelingsverlegenheid tegen-gegaan. Begrijpen deze leden het goed, dat er méér ruimte wordt gegevenaan boa’s om preventief en proactief te handelen, terwijl de daadwerke-lijke handhaving van de rechtsorde voorbehouden blijft aan de politie.Antwoord op vraag 20:De handhaving van de rechtsorde valt uiteen in de handhaving van deopenbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Dehandhaving van de openbare orde blijft voorbehouden aan de politie.Binnen de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde heeft de boa eentaak op het voorkomen, opsporen en beëindigen van strafbare feiten.Deze strafbare feiten staan nu nog opgesomd op de afzonderlijkedomeinlijsten. Deze zullen worden samengevoegd tot één domeinlijstvoor hoofddomein I. Daarbij zal worden geïnventariseerd waar hiaten inde opsporingsbevoegdheden, passend bij de taak van de boa, wordenervaren.Vraag 21:Deze leden hebben kennisgenomen van de opvattingen van de VerenigingNederlandse Gemeenten (VNG) over het boa-stelsel en leiden graag devraag door hoe de hulpverlenende taak van handhavers wordt belegd.Antwoord op vraag 21:De boa uit hoofddomein I werkt in de publieke ruimte en komt regelmatigterecht in situaties waar zorg- of (acute) hulpverlening noodzakelijk is.Toch heb ik besloten om zorg- en acute hulpverlening geen formele taakvan de boa te laten zijn. Hiervoor zou de boa opgeleid moeten worden ente allen tijde beschikbaar moeten zijn. Omdat de boa in hoofddomein Iaanwezig is in de publieke ruimte, vind ik het wel belangrijk om de boabeter te bekwamen voor de situaties waarin een beroep op hulpverleningwordt gedaan of waarin hij of zij zich genoodzaakt voelt om hulp teverlenen. Dit wil ik bereiken door Eerste Hulp Bij Ongelukken (EHBO)onderdeel te laten zijn van de basisopleiding, zodat de boa dit kantoepassen bij ongelukken of een reanimatie. Ook moet de boa goed op dehoogte zijn van het netwerk van verschillende hulpverleners in zijnwerkgebied, zodat hij als professional en vertegenwoordiger van de Staatde benodigde hulp kan organiseren door het inschakelen van de juistehulpdiensten.Vraag 22:De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben nog de nodige vragenover de beschikbare standaarduitrusting, de aanvullende uitrusting en deaanvullende geweldsmiddelen. Deze leden zijn benieuwd naar de onderde afzonderlijke groepen boa’s levende opvattingen over het voorgesteldeboa-stelsel. Kan de Minister voorzien in een uiteenzetting hoe over zijnvoorstellen wordt gedacht?Antwoord op vraag 22:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2326 De diepgaande beschouwing op het boa-bestel is na intensief overleg meteen brede vertegenwoordiging van betrokken partijen, waaronderwerkgevers (gemeenten, OV-bedrijven, Omgevingsdiensten etc.),toezichthouders (politie en OM) en een vertegenwoordigers van verschil-lende groepen boa’s tot stand gekomen. Daarbij is expliciet aandachtbesteed aan de uitrusting van de boa en de inzet van aanvullendegeweldsmiddelen.Breed wordt het belang onderschreven van professionalisering en eenadequate basisuitrusting. Ook bestaat brede consensus dat boa’s in depublieke ruimte primair de rol hebben van zichtbare, aanspreekbare enlokaal verankerde handhavers van leefbaarheid. Tegelijkertijd lopen deopvattingen over de uitrusting uiteen. Een deel van de betrokken partijenziet meerwaarde in de mogelijkheid om aanvullende geweldsmiddelen toete kennen met het oog op de veiligheid van de boa tijdens de taakuit-voering, terwijl andere partijen terughoudender zijn vanwege zorgen overmogelijke escalatie. Er bestaat overeenstemming over het belang vancommunicatie en de-escalatie door de boa.Daarnaast is door werkgevers en boa’s gewezen op de behoefte aan meerflexibiliteit binnen landelijke kaders, zodat bewapening kan wordenafgestemd op lokale omstandigheden en risicoprofielen. Deze inzichtenzijn betrokken en liggen aan de basis van het besluit om onderscheid temaken tussen een standaarduitrusting en de optionele aanvullendeuitrusting voor de boa in het nieuwe bestel.Voor een uitgebreidere uiteenzetting van het doorlopen proces verwijs iku naar de meegezonden bijlagen bij de Kamerbrief van 2 oktober.Vraag 23:Het valt deze leden namelijk op dat vanuit meerdere groepen boa’s zorgenleven over de extra toebedeelde taken, die niet of onvoldoende kunnenworden uitgevoerd met de beschikbaar gestelde middelen, waarbij óókgedacht wordt aan het kunnen raadplegen van databases met belangrijkeen relevante informatie voor de boa-functie. Wordt aan boa’s in deuitoefening van hun functie toegang verleend tot belangrijke, relevanteinformatiesystemen, zo vragen deze leden.Antwoord op vraag 23:Ik vind het van belang dat de boa als volwaardig partner binnen depolitiefunctie zijn taak volledig, adequaat en veilig moet kunnen uitvoeren.Een voorwaarde daarvoor is dat de boa beschikt over een goedeinformatiepositie. Mijn departement zet daarom al geruime tijd in opverbetering van de informatiepositie van boa’s, specifieker in identificatie-situaties van personen die geen identiteitsbewijs kunnen tonen.Onderdeel daarvan is dat de Ministeries van JenV en IenW werken aan detoegang tot het rijbewijzenregister voor publieke boa’s uit de domeinen I,II en IV, evenals voor private ov-boa’s uit domein IV.De Staatssecretaris van IenW heeft uw Kamer, mede namens mij, op19 december jl. geïnformeerd dat de nieuwe streefdatum voor inwerking-treding van de ministeriële regeling 1 april 2026 is. De toegang voor boa’sin publieke dienst wordt daarmee gerealiseerd. De toegang voor ov-boa’sin domein IV wordt naar verwachting medio 2026 gerealiseerd.Daarnaast is uit gesprekken met werkgevers en andere relevantestakeholders, het rapport «Handhaven in het OV», dat is uitgevoerd inopdracht van OV-NL, de brancheorganisatie van openbaarvervoerbe-drijven, en de gesprekken die gevoerd zijn binnen het kader van dediepgaande beschouwing van het boa-bestel gebleken dat de toegang tothet Rijbewijzenregister als een goede eerste stap wordt gezien, maar dater meer benodigd is om die informatiepositie aanzienlijk te verbeteren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2327 Daarom is de afgelopen maanden, gezamenlijk met de instanties dieverantwoordelijk zijn voor de betreffende registers, verkend of en onderwelke voorwaarden boa’s toegang tot de Strafrechtketendatabank (SKDB)en de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) zouden kunnen verkrijgenten behoeve van identificatie.Uit de verkenningen blijkt dat er een gedeeld beeld bestaat over deproblematiek en het doel om tot een meer zelfstandige identiteitsvast-stelling door boa’s te komen. Momenteel worden met de partijen dieverantwoordelijk zijn voor de SKDB, de juridische en technische vraag-stukken nader uitgewerkt, onder meer met behulp van het beleidskompas.Ten aanzien van de BVV geldt dat toegang voor boa’s onder meer om eenwetswijziging vraagt. Deze wetswijziging en de beste inbedding hiervoorwordt door de Minister voor Asiel en Migratie in samenspraak met mijndepartement verkend.Vraag 24:Als expliciet voorbeeld noemen deze leden de NS. Naar deze ledenbegrijpen vindt de NS zélf het onwenselijk om de taak toebedeeld tekrijgen om arrestanten te vervoeren. NS-boa’s zijn bedoeld om deveiligheid op stations en in de treinen te vergroten. Het arrestanten-vervoer betekent dat NS-boa’s minder aanwezig en beschikbaar zullen zijnop hun primaire taak. Hoe ziet de Minister dit?Antwoord op vraag 24:Op basis van het besluit boa wordt reeds vereist dat boa’s, voor detoekenning van politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen,moeten voldoen aan het vereiste dat de boa verdachten zelf verdachtenmoet kunnen aanhouden en moet kunnen overbrengen naar de plaats vanverhoor. Dit geldt dus eveneens voor de boa’s in dienst van de NS, dieover politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen beschikken.Mijn brief van 2 oktober jl. brengt hier geen verandering in. Het is zaak datde boa-werkgever en de politie, in afstemming met de bevoegde gezagen,afspraken maken over de samenwerking. Onderdeel hiervan is dat erafspraken worden gemaakt over de ondersteuning van boa’s door politiein bijvoorbeeld het geval van het vervoeren van arrestanten. Hoe dezeafspraken er in de praktijk uit zien is mede afhankelijk van factoren aan dezijde van de boa-werkgever en lokale omstandigheden, o.a. aan de zijdevan de politie.Vraag 25:Als wordt vastgehouden aan deze taaktoebedeling, kan de Ministeraangeven welke standaarduitrusting, aanvullende uitrusting en aanvul-lende middelen hiervoor aan NS-boa’s beschikbaar worden gesteld en isvastgesteld dat deze uitrusting volstaat om deze extra taken uit te voeren?Antwoord op vraag 25:Omdat de ontwikkelrichting zoals gecommuniceerd op 2 oktober jl. geenverandering aanbrengt in de situatie die de NS omschrijft is er van hettoekennen van aanvullende middelen of aanvullende uitrusting binnen hetkader van arrestantenvervoer geen sprake. Het is reeds aan de werkgever,in dit geval de NS, om dit op een adequate manier voor hun personeel teregelen.Vraag 26:Wat vindt de Minister van de oproep van NS om NS-boa’s eenbevoegdheid toe te kennen om in ernstige situaties de eerste maatregelente kunnen nemen om escalatie te voorkomen en de situatie «tebevriezen». Wat vindt de Minister ervan om de bestaande afsprakentussen NS en de politie rondom arrestantenvervoer en de afhandeling vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2328 aanhouding gerelateerde processen landelijk te verankeren en teexpliciteren?Antwoord op vraag 26:Ik heb kennisgenomen van de wens van de NS om de boa demogelijkheid te geven, situaties te bevriezen zonder hen formeel bevoegdte maken voor het gepleegde strafbare feit. Hierover hebben in hetverleden al meerdere gesprekken plaatsgevonden met de NS, de politieen het OM. Uitkomst van die gesprekken was dat voor de gevraagdebevriezing bevoegdheid niet mogelijk is. Een boa dient bevoegd te zijnvoor het gepleegde strafbare feit om bijvoorbeeld gebruik te kunnenmaken van zijn politiebevoegdheden en geweldmiddelen. Is hij dat niet,handelt de boa als burger en mag hij zijn boa-bevoegdheden niet inzetten.Daarnaast verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 24.Vraag 27:Herkent de Minister dit soort signalen en welke andere, vergelijkbaresignalen heeft de Minister ontvangen?Antwoord op vraag 27:De boa brief zoals op 2 oktober 2025 aan uw Kamer gezonden, is deuitkomst van een langdurig traject samen met vertegenwoordigers vanalle stakeholders. In dat traject zijn vanzelfsprekend allerlei signalen enwensen naar voren gekomen die soms ook tegenstrijdig aan elkaar waren.Deze signalen en wensen heb ik uiteindelijk allemaal gewogen en op basisdaarvan keuzes gemaakt om te komen tot een coherent nieuw stelsel datzo goed mogelijk functioneert voor het gehele boa veld. Hiermee heb ikdus niet aan alle wensen en signalen kunnen voldoen.Vraag 28:Wat vindt de Minister ervan dat de NS zélf twijfels heeft en oproept om deherziening van het boa-stelsel samen met boa-werkgevers vorm te geven.Is de Minister daartoe bereid en zo ja, brengt hij de Kamer van deuitkomsten op de hoogte?Antwoord op vraag 28:Zoals eerder aangegeven heb ik de betrokkenheid van de verschillendestakeholders, waaronder de NS, bij de totstandkoming van de diepgaandebeschouwing zeer gewaardeerd en hoop ik op eenzelfde betrokkenheid bijde verdere uitwerking van de ontwikkelrichting. Uw Kamer wordtvanzelfsprekend over de uitkomsten daarvan geïnformeerd.Vraag 29:Ook over de aanvullende geweldsmiddelen bereiken de leden van deGroenLinks – PvdA-fractie zorgelijke geluiden, bijvoorbeeld van de groeneboa’s. De mate van agressie en geweld waarmee groene boa’s de laatstejaren worden geconfronteerd is dusdanig, dat naar het oordeel van dezeleden onder strikte omstandigheden toekenning van een vuurwapen moetworden overwogen. Van groene boa’s zélf horen deze leden dat deaanvraag en het behoud van vuurwapens te ingewikkeld is, en in deprocedure te weinig oog bestaat voor de urgente knelpunten. Justis wordtals weigerachtig en niet consistent in de beoordeling ervaren. Wat vindtde Minister van deze klacht en is hij bereid om samen met vertegenwoor-digers van groene boa’s te bezien hoe kan worden gekomen tot eengenoegzame procedure?Antwoord op vraag 29:In de Kamerbrief over de rol van de boa, die op 2 oktober jl. naar uwKamer is gestuurd, staat dat het aanpassen van de beleidsregels boa ophet punt van de criteria voor de toekenning van geweldmiddelen geldt alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2329 de eerste stap van de invoering van het nieuwe bestel. Er is besloten omartikel 3.2 beleidsregels boa onder het kopje Criteria toekenning gewelds-middelen opnieuw in te richten. Volgens de Regeling Wapens en Munitie(RWM) kunnen boa’s gedurende hun dienstuitoefening een wapen enmunitie voorhanden hebben indien en voor zolang de noodzaak totbewapening aannemelijk is. Onder deze aanpassing van de Beleidsregelsboa wordt beoogd om het aannemen van de noodzaak voor toekenningvan geweldmiddelen te koppelen aan de in de akte vastgelegde taak vande boa en niet meer te kijken naar de daadwerkelijke inzet of situaties enincidenten uit het verleden. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij desituaties waarbij het gebruik van het geweldmiddel geoorloofd is alsbepaald in de Ambtsinstructie.Op dit moment wordt er gewerkt aan de laatste afstemming van de tekstvoor de aangepaste beleidsregels met de betrokken partijen. Het strevenis om de nieuwe regeling in het eerste tertaal van 2026 te laten ingaan.Voordat deze in werking zal treden zal deze worden gepubliceerd zodatdeze voor alle betrokkenen kenbaar is. Het is de bedoeling dat de bepalingom met situaties en incidenten uit het verleden de noodzaak voortoekenning aan te tonen («kan-bepaling»), zoals eerder toegezegd, komt tevervallen. Daarnaast zal ook het vereiste worden vastgelegd dat de boaook daadwerkelijk bevoegd moet zijn om te handhaven op bepaalde feitenom dit als taak te kunnen aandragen. Pas als het daadwerkelijk een taakvan de boa is dan kan er op basis van die taak ook een geweldmiddelworden toegekend. De toekenning van geweldmiddelen blijft geschiedenop basis van een goede, adequate en veilige taakuitvoering. Geweldmid-delen kunnen conform de Ambtsinstructie worden ingezet.Vraag 30:Deelt de Minister voorts de constatering vanuit de groene boa’s dat bij deovergang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet geennieuw strafrechtelijk aanwijzingsbesluit is genomen voor groene boa’svoor flora- en fauna-activiteiten, terwijl deze overtredingen zich kwalifi-ceren als economische delicten in de zin van artikel 17 van de Wet op deeconomische delicten?Antwoord op vraag 30:De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in deOmgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies.Enkel de personen die voor het handhaven op gewapende stroperij zijnaangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhavenen hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om dezetoezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijnstroperij strafrechtelijk te handhaven. Dus naast door mij beëdigd te zijnals boa dient de desbetreffende persoon tevens door gedeputeerde statenvan de Provincie, als bestuursorgaan belast met de handhaving vanstroperij, te zijn aangewezen als toezichthouder. Ik verwijs u ook naar hetantwoord op de vraag 19.Vraag 31:De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zijn benieuwd naar de wijzewaarop het boa-werkgeverschap wordt ingericht en welke eisen daaraanmoeten worden gesteld. Verdere professionalisering en afstemming metde politie wordt weliswaar positief beoordeeld, toch is het voor deze ledende vraag of boa-werkgevers financieel en inhoudelijk voldoende in staatworden gesteld om deze opdracht te vervullen. Het valt deze leden op dater ook nu al een groot tekort aan boa’s bestaat, zeker in het buitengebied.Antwoord op vraag 31:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2330 Zoals in de brief aangegeven zullen door het Ministerie van JenV eisengesteld worden aan het boa-werkgeverschap. Gedacht kan worden aanhet borgen van de vakbekwaamheid van de boa en diens optreden, een inte stellen klachtenprocedure voor de burger, maar ook aan eisen in relatietot informatiebeveiliging en gegevensverwerking bij de werkgever. Deuitwerking van de professionalisering van de boa-werkgever en dehaalbaarheid van de in te richten eisen zal te allen tijde in gezamenlijkheidmet het veld moeten worden bepaald, onder meer door samenwerkingmet de werkgeverstafel. Alleen zo kan het boa-werkgeverschap optimaalworden ingericht. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag17 zal het expliciteren van de eisen voorts leiden tot duidelijkheid voor dewerkgevers, met kaders in wet- en regelgeving.Vraag 32:Met de toenemende agressie valt te verwachten dat boa-werkgevers ookhun beleid op sociale veiligheid moeten versterken. Zijn boa-werkgeversmaterieel in staat om effectief beleid te voeren op het voorkomen enbehandelen van bijvoorbeeld posttraumatische stressstoornis bij hunboa’s?Antwoord op vraag 32:Primair is het beleid op sociale veiligheid de verantwoordelijkheid van debetreffende boa-werkgever. Wel ben ik van mening dat de verschillendewerkgevers handvatten moeten worden aangereikt om hun rol zo goedmogelijk in te vullen. In opdracht van de Taskforce Onze hulpverlenersveilig1 is onderzocht hoe de psychosociale ondersteuning voor boa’s (indomein I) momenteel geregeld is en wat nodig is om deze ondersteuningte verbeteren. Uit dit in augustus 2025 opgeleverde onderzoek van ARQ2zijn aanbevelingen gedaan die benut kunnen worden. Een belangrijkeaanbeveling is het implementeren van de Richtlijn psychosocialeondersteuning binnen hoog-risico beroepen uit 2024. Deze richtlijn biedteen kader voor psychosociale ondersteuning in beroepen waarin de kansop ingrijpende gebeurtenissen hoog is. Werkgevers kunnen zo preventie,opvang en nazorg rondom ingrijpende gebeurtenissen organiseren.Vraag 33:Hoe wordt gegarandeerd dat elke boa in beginsel op dezelfde bescher-mende structurele maatregelen op preventie, begeleiding en nazorgkunnen rekenen, zoals van goed (overheids)werkgeverschap verwachtmag worden?Antwoord op vraag 33:Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om de boa opgenoemde punten te beschermen. Wel kunnen vanuit het Ministerie vanJenV werkgevers die behoefte hebben aan informatie over mogelijkemanieren om de maatregelen goed in te richten worden voorzien vaninformatie. Eén van die manieren is het verwijzen naar de in de beant-woording van vraag 32 aangehaalde Richtlijn psychosociale onder-steuning binnen hoog-risico beroepen uit 2024. Ook heeft het ministeriesamen met verschillende partners, waaronder gemeenten en hetMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een handreiking1De Taskforce «Onze hulpverleners veilig» is een initiatief dat in 2021 is opgericht om geweld enmishandeling tegen politie, brandweer, boa’s en andere publieke hulpverleners in Nederlandterug te dringen, met een focus op preventie, gedragsverandering en een strengere aanpak, viacampagnes, beleid en onderzoek om te benadrukken dat agressie onacceptabel is en hulpver-leners verdienen om veilig hun werk te kunnen doen.2Psychosociale Ondersteuning voor Buitengewoon Opsporingsambtenaren (domein 1) bijingrijpende gebeurtenissen op het werk, ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum | ARQKenniscentrum Impact van Rampen en Crises, 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2331 ontwikkeld voor de functie van adviseur-VPD3. Deze handreiking biedtdecentrale overheden handvatten om een adviseur-VPD aan te stellen enna te denken over diens taken, zoals bijvoorbeeld de ondersteuning bijaangiften en de registratie van incidenten.Vraag 34:Krijgen boa-(overheids)werkgevers de financiële ruimte die nodig is omvolwaardig invulling te geven aan de boa-taak?Antwoord op vraag 34:Als Minister van Justitie en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor hetboa-stelsel dat de wettelijke kaders en randvoorwaarden schept voor hetaanstellen en inzetten van boa’s. Met boa’s kunnen de diverse werkgeversinvulling geven aan hun eigen verantwoordelijkheid op het gebied vanveiligheid. Zij zijn dan ook zelf verantwoordelijk voor het dragen van dekosten voor de boa’s die bij hen in dienst zijn. Vanuit het ministerie draagik wel bij aan deze kosten. Zo gaat er sinds 2023 € 13 mln. per jaar naarhet gemeentefonds en € 5,5 mln. per jaar naar een subsidieregeling voorgroene boa’s.Vraag 35:De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben kennisgenomen vande brief van het Samenwerkingsverband van decentrale OV-autoriteiten.Het samenwerkingsverband wil duidelijkheid over de toekomstigeinrichting van het toezicht, de juridische, organisatorische en operationelegevolgen voor de OV-bedrijven en ProRail en de structurele financieringvan de vermoedelijk aanzienlijke kostenstijging die uit de voorstellenvoortvloeit, zodat de huidige capaciteit voor toezicht en controlebehouden blijft. Deze leden zien graag een stelsel breed uitgewerktefinanciële onderbouwing bij de voorstellen, zodat voorkomen wordt datwijzigingen in het stelsel afbreuk doen aan de effectiviteit.Antwoord op vraag 35:Zoals geantwoord bij vraag 34 ben ik als Minister van Justitie enVeiligheid verantwoordelijk voor het boa-stelsel dat de wettelijke kadersen randvoorwaarden schept voor het aanstellen en inzetten van boa’s.Met boa’s kunnen de diverse werkgevers invulling geven aan hun eigenverantwoordelijkheid op het gebied van veiligheid. Zij zijn dan ook zelfverantwoordelijk voor het dragen van de kosten voor de boa’s die bij henin dienst zijn. Bij de verdere uitwerking van het nieuwe stelsel zullen dewerkgevers en andere partners worden betrokken en zullen ook definanciële consequenties nader worden uitgediept.Vraag 36:De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie vragen urgentie voor onafhan-kelijke klachtbehandeling. Het boa-optreden kan diep in de persoonlijkelevenssfeer ingrijpen en daarom moet, zoals in een goed functionerendedemocratische rechtstaat gebruikelijk is, voorzien zijn in een laagdrem-pelige klachtprocedure. Deze leden begrijpen uit de brief van de Ministerdat dit volledig wordt overgelaten aan de individuele boa-werkgever. Dewerkgever, zo lezen deze leden, wordt verplicht tot actieve verant-woording richting de toezichthouder en richting de Minister als verant-woordelijk Minister. Vindt de Minister dat voldoende waarborg oponafhankelijke en transparante klachtbehandeling? Moet toezicht, zekerals er (vuurwapen)geweld is toegepast, niet veel dwingender en doortas-tender worden ingevuld?Antwoord op vraag 36:3Handreiking Veiligheidsadviseur, rijksoverheid, 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2332 Het afhandelen van klachten ligt in eerste instantie bij de werkgever vande boa. Dat is onder het huidige stelsel ook al het geval en in overeen-stemming met andere beroepsgroepen. Naast de klachtafhandeling doorde werkgever is het ook mogelijk om een klacht in te dienen bij deNationale ombudsman. Het OM blijft ook in het nieuwe stelsel hetbevoegd gezag voor zover de boa van zijn strafrechtelijke bevoegdheid ofzijn daaraan gekoppelde geweldsbevoegdheid gebruik maakt. Het kandaardoor processen-verbaal seponeren of strafrechtelijke vervolginginstellen bij buitensporig geweld. Bij de nadere uitwerking van het nieuwetoezichtstelsel zal hiermee rekening worden gehouden.Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractieVraag 37:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij de signalen herkentdat groene boa’s sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per1 januari 2024 in de uitvoeringspraktijk door Justis als (gedeeltelijk)onbevoegd worden beschouwd voor de handhaving van flora- enfauna-activiteiten. Deze leden vragen daarbij of de Minister erkent dat ditconcrete gevolgen heeft voor de toekenning en verlenging van gewelds-middelen, waaronder het dienstvuurwapen.Antwoord op vraag 37:Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak vanhun boa, zoals vastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning vangeweldmiddelen, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taakvan de boa. Boa’s uit Domein II, waaronder de groene boa’s, kunnen ookde beschikking krijgen over een vuurwapen. Om aanspraak te maken opeen vuurwapen dient onder meer te worden vastgesteld dat de boa bij deuitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt teverkeren dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik ofonmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd. Hiervanis bijvoorbeeld sprake bij de handhaving van gewapende stroperij opbasis van de Omgevingswet. Echter, de handhaving van gewapendestroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij de gedepu-teerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor hethandhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerdestaten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak.De provincies zijn dus aan zet om deze toezichthouders aan te wijzen,waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk tehandhaven. Ik verwijs hierbij tevens naar mijn antwoord op vraag 19.Vraag 38:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij het risicobeoordeelt dat groene boa’s door deze ontstane rechtsonzekerheid feitelijkniet of slechts beperkt inzetbaar zijn, terwijl zij in de praktijk wel verant-woordelijk blijven voor toezicht en handhaving in het buitengebied.Antwoord op vraag 38:Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om tehandhaven op bijvoorbeeld gewapende wildstroperij, dan kunnen dezefeiten niet tot de taak van de boa behoren en kan de boa niet op basis vandeze feiten aanspraak maken op een vuurwapen. De boa is zoals gezegdniet bevoegd en daarmee ook niet verantwoordelijk voor de handhaving.Indien de boa toch een dergelijk feit constateert dient deze zich terug tetrekken uit de situatie en de politie in te schakelen.Vraag 39:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2333 Zij vragen daarnaast of de Minister de zorg deelt dat deze situatie afbreukdoet aan de veiligheid van boa’s zelf, de effectiviteit van de handhaving enhet vertrouwen in de rechtspositie van boa’s.Antwoord op vraag 39:Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om tehandhaven op bijvoorbeeld gewapende wildstroperij, dan kunnen dezefeiten niet tot de taak van de boa behoren. De boa is, zoals ook aange-geven bij vraag 38, niet bevoegd en ook niet verantwoordelijk voor dehandhaving, en dient zich terug te trekken uit de situatie en de politie in teschakelen.Vraag 40:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de huidige uitvoe-ringspraktijk bij Justis zich verhoudt tot de in de Kamerbrief over hetnieuwe boa-bestel uitgesproken ambitie van eenduidigheid, uniformiteiten voorspelbaarheid in bevoegdheden, uitrusting en toezicht.Antwoord op vraag 40:De geschetste aanpassingen aan het boa-bestel zullen leiden tot verande-ringen in de uitvoeringspraktijk van de Dienst Justis. Consistentie envoorspelbaarheid zullen daarbij belangrijke aandachtspunten blijven,zowel voor de beleidskaders als voor de uitvoeringspraktijk.Vraag 41:Deze leden vragen in het bijzonder hoe wordt voorkomen dat verschillenin interpretatie en uitvoering leiden tot handelingsverlegenheid enrechtsongelijkheid in de dagelijkse praktijk van boa’s.Antwoord op vraag 41:Dienst Justis beoordeelt alle verzoeken op basis van de criteria die in deboa regelgeving en de beleidsregels staan. Bij de oordeelsvorming wegenzij in de huidige situatie de argumentatie van de werkgever en deadviezen van de direct toezichthouder (politie) en de toezichthouder (OM)ten aanzien van de criteria. Hiermee wordt zoveel mogelijk uniformiteitgeborgd. In de nieuwe situatie worden de verzoeken nog altijd beoordeeldop basis van de regelgeving en de beleidsregels, maar komt er meernadruk te liggen op de eigen beoordeling door Justis en de mogelijkenieuwe actoren in het toezicht.Vraag 42:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke juridischegrondslag Justis het standpunt baseert dat voor de strafrechtelijkehandhaving van Omgevingswet-feiten door groene boa’s een afzonder-lijke aanwijzing door gedeputeerde staten als toezichthouder vereist is.Antwoord op vraag 42:De reguliere functie/taak van boa’s in domein II is het houden van toezichtop grond van één of meer milieuwetten. Echter, de handhaving vangewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij degedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor hethandhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerdestaten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak.De provincies zijn dus aan zet om deze toezichthouders aan te wijzen,waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk tehandhaven. Dus naast door mij beëdigd te zijn als boa dient de desbetref-fende persoon tevens door gedeputeerde staten van de Provincie, alsbestuursorgaan belast met de handhaving van stroperij, te zijn aange-wezen als toezichthouder. Ik verwijs hierbij tevens naar mijn antwoord opvraag 19.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2334 Vraag 43:Deze leden vragen hoe dit standpunt zich verhoudt tot artikel 1:6 van deAlgemene wet bestuursrecht, waarin expliciet is bepaald dat de hoofd-stukken over toezicht niet van toepassing zijn op de opsporing envervolging van strafbare feiten.Antwoord op vraag 43:De opsporing van strafbare feiten door politie en boa’s geschiedt ondergezag en verantwoordelijkheid van het OM en met inachtneming van deregels van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden is de Algemenewet bestuursrecht niet van toepassing op de opsporing van strafbarefeiten. Dit neemt niet weg dat een boa op grond van artikel 25 lid 1 vanhet Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar slechts opsporings-bevoegdheid mag inzetten in de praktijk voor zover dat noodzakelijk isvoor de goede uitoefening van de functie en de daaraan gekoppeldetaakomschrijving. Die noodzakelijkheid vloeit voort uit de toezichtbe-voegdheid van de werkgever (en daarmee de boa).Vraag 44:De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister de analyse deelt datovertredingen van de Omgevingswet kwalificeren als economischedelicten en dat op grond van artikel 17 van de Wet op de economischedelicten de Minister van Justitie en Veiligheid zelf bevoegd is om boa’smet de opsporing daarvan te belasten.Antwoord op vraag 44:Artikel 17 van de Wet op de economische delicten geeft aan dat de doormij – in overeenstemming met andere Ministers wie het aangaat –aangewezen ambtenaren met de opsporing van economische delicten zijnbelast. Ook hiervoor geldt dat boa’s op grond van artikel 17 WEDweliswaar formeel bevoegd zijn tot opsporing van economische delicten,maar niet tot taak hebben al deze delicten op te sporen (net zoals dat voorde onder Domein II vallende wetten geldt). De totstandkomingsgeschie-denis van art. 17 WED bevestigt dit. Ook voor economische delicten geldtdus dat boa’s in de praktijk slechts opsporingsbevoegdheid mogeninzetten als dit nodig is voor hun functie en de daarbij horende taken. Diefunctie/taak is het houden van toezicht op grond van één of meermilieuwetten. De overtreding daarvan kan een (specifiek) economischdelict opleveren, ten aanzien waarvan de boa dan opsporingsbevoegdheidkan inzetten. Omdat gedeputeerde staten als bestuursorgaan belast zijnmet de handhaving van stroperij, moet een boa-werkgever eerst door henzijn aangewezen voordat de boa hiervoor opsporingsbevoegdheid maginzetten.Vraag 45:In dat licht vragen deze leden waarom bij de overgang van de Wetnatuurbescherming naar de Omgevingswet per 1 januari 2024 geenexpliciet nieuw of herbevestigend aanwijzingsbesluit is genomen, terwijldit bij eerdere wetswijzigingen in 2002 en 2017 wel is gebeurd.Antwoord op vraag 45:Met het bij elkaar brengen van verschillende wetten naar deOmgevingswet is deze aanwijzing voor gewapende stroperij eenbijkomend vereiste geworden. De provincies, als bevoegd gezag enregisseur van het groene domein, hebben daarmee de taak gekregen omexpliciet te benoemen wie er handhavend mag optreden in geval vangewapende stroperij. Hiermee houden zij de regie in handen.Vraag 46:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2335 Voor zover de Minister van mening is dat een afzonderlijke provincialeaanwijzing noodzakelijk is, vragen de leden van de CDA-fractie welkestappen hij zet om provincies aan te sporen deze aanwijzingen met spoedte verrichten en hoe hij voorkomt dat hierdoor rechtsongelijkheid tussenprovincies ontstaat.Antwoord op vraag 46:Zoals ook staat aangegeven bij het antwoord op vraag 19 zijn deprovincies aan zet om de boa’s aan te wijzen. Ik heb, vanwege het belangdat ik hieraan hecht, de provincies hier expliciet op gewezen en zij zijn hieractief mee aan de slag gegaan. Zo zijn provinciebestuurders hierover deafgelopen maanden in de twee relevante commissies van het Interprovin-ciaal Overleg (IPO) geïnformeerd. Het IPO heeft mijn ministerie latenweten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak vooreen aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is.De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in deOmgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies.Enkel de personen die voor het handhaven op gewapende stroperij zijnaangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhavenen hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om dezetoezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijnstroperij strafrechtelijk te handhaven. Dit geldt in alle provincies hetzelfde.Er is daarmee geen sprake van rechtsongelijkheid.Vraag 47:Deze leden vragen tevens wat deze interpretatie betekent voor groeneboa’s die niet in dienst zijn van provincies, maar van omgevingsdiensten.Antwoord op vraag 47:De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in deOmgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies.Enkel de personen die voor het handhaven op gewapende stroperij zijnaangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhavenen hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om dezetoezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijnstroperij strafrechtelijk te handhaven. Het is hiervoor niet noodzakelijk datde boa in dienst is bij de provincie. Gedeputeerde staten kunnen zelfbepalen welke boa’s of boa-organisaties zij daarvoor wil aanwijzen.Vraag 48:De leden van de CDA-fractie vragen verder of de Minister bereid is om,vooruitlopend op structurele wijzigingen in het kader van het nieuweboa-bestel, op korte termijn een tijdelijk of herbevestigend strafrechtelijkaanwijzingsbesluit te nemen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024om rechtsonzekerheid weg te nemen. Indien hij daartoe niet bereid is,vragen zij welke concrete alternatieve maatregelen worden getroffen omte voorkomen dat boa’s in de praktijk onbevoegd handelen of onvol-doende beschermd hun werk moeten doen.Antwoord op vraag 48:Het huidige toezicht en handhaving rond stroperij is gebaseerd op deOmgevingswet. De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld inde Omgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van deProvincies. Enkel de personen die voor het handhaven op gewapendestroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hieropte handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aanzet om deze toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ookbevoegd zijn stroperij strafrechtelijk te handhaven. Ik heb, vanwege hetbelang dat ik aan een goede taakuitvoering hecht, de provincies hierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2336 expliciet op gewezen. De provincies waarbij dit speelt zijn momenteel deaanwijzingsbesluiten aan het vormgeven.Indien de boa niet is of wordt aangewezen en daardoor niet bevoegd isom te handhaven op gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feitenniet tot de taak van de boa behoren. De boa is in dat geval niet bevoegden dient zich terug te trekken uit de situatie en de politie in te schakelen.Vraag 49:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij erkent dat dehuidige onduidelijkheid over bevoegdheden ertoe leidt dat aanvragenvoor geweldsmiddelen, waaronder het dienstvuurwapen, wordengeweigerd of langdurig blijven liggen.Antwoord op vraag 49:Zoals benoemd in mijn antwoord op vraag 48, is de onduidelijkheid overde bevoegdheden van de boa op het gebied van gewapende stroperijweggenomen. De ingediende aanvragen voor geweldmiddelen worden nuin behandeling genomen en beoordeeld met dit advies als uitgangspunt.De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in deOmgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies.Enkel de personen die voor het handhaven op gewapende stroperij zijnaangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhavenen hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om dezetoezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijnstroperij strafrechtelijk te handhaven. Indien de boa niet is aangewezen endaardoor niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld gewapendewildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behorenen kan de boa niet op basis van deze feiten aanspraak maken op eenvuurwapen.Vraag 50:Deze leden vragen daarbij of de Minister bevestigt dat hierover inmiddelsgerechtelijke procedures lopen en dwangsommen zijn opgelegd.Antwoord op vraag 50:Als gevolg van de lange procedures vanwege de eerdere juridischeonduidelijkheid rondom de bevoegdheid, en daarmee de taak van boa’sop het gebied van handhaving van gewapende stroperij, lopen ergerechtelijke procedures en er zijn dwangsommen opgelegd. Op ditmoment lopen er twee inhoudelijke gerechtelijke procedures. Er zijneerder meerdere inhoudelijke beroepen geweest en beroepen wegens niettijdig beslissen. Er zijn ook dwangsommen opgelegd. Nu deze juridischeonduidelijkheid is weggenomen, zoals beschreven in mijn antwoord opvraag 48, kan weer op de gangbare manier een besluit op een aanvraagworden genomen.Vraag 51:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuweboa-stelsel de verantwoordelijkheid voor de uitrusting van boa’s primairbij de werkgever komt te liggen, of er een landelijk beslissingskaderbeschikbaar is voor werkgevers.Antwoord op vraag 51:Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak vanhun boa, zoals vastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning vangeweldmiddelen. De afweging over de inzet van de boa en de benodigdeuitrusting om deze taakuitvoering adequaat en veilig te kunnen doen,moet door de werkgever gemaakt worden op basis van de lokale inzet enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2337 context waarin de boa zijn werk uitvoert. Deze wordt vervolgens getoetstaan de criteria in de Beleidsregels BOA.Vraag 52:Zij vragen welke rol politie en Openbaar Ministerie hierin hebben, hoe detaakafbakening is vormgegeven en hoe wordt voorkomen dat verschillentussen werkgevers leiden tot ongelijkheid in uitrusting en beschermingvan boa’s.Antwoord op vraag 52:De boa werkzaam in de openbare ruimte heeft een eigen taak binnen depolitiefunctie en richt zich op het leefbaar en veilig houden van deleefomgeving voor de burger. Dat doet de boa door preventief optreden,het handhaven van de zogenoemde kleine norm en specifieke wet- enregelgeving. De boa beschikt hiervoor in het nieuwe stelsel over eenstandaarduitrusting van handboeien en portofoon. Eventuele aanvullendeuitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak van de boa en op deomstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. De aanvullende uitrustingkan bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek- of kogelwerend vest,korte wapenstok en pepperspray. Deze aanvullende uitrusting heeftdaarnaast als grondslag de boa te beschermen als hij onvoorzien (enongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt. In deafbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boa zichterugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die gekenmerktworden door grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soortsituaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo. Op verzoekvan de werkgever, op zijn kosten en onder zijn verantwoordelijkheid, kanik als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten de geweldmiddelen,korte wapenstok en pepperspray, toe te kennen. De aanvraag voor deaanvullende uitrusting wordt, namens mij, getoetst door Dienst Justis.Zoals ook aangegeven onder vraag 14 kent het boa-veld een grotediversiteit aan boa-werkgevers, die allen andere context hebben. In hetverlengde daarvan kan het zijn dat boa-werkgevers verschil in uitrustingof bescherming wensen voor hun boa’s.Vraag 53:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of het klopt dat deuitschuifbare wapenstok in het nieuwe boa-stelsel niet terugkeert in destandaarduitrusting van boa’s, noch in de aanvullende uitrusting.Antwoord op vraag 53:De uitschuifbare wapenstok zal deel blijven uitmaken van de (optionele)aanvullende uitrusting van de boa. Echter zal, zoals ook nu het geval is, deboa in eerste instantie worden uitgerust met de korte wapenstok en nietmet de uitschuifbare wapenstok. De uitschuifbare wapenstok is een veelzwaarder geweldmiddel (hoger letselpotentieel) dan de korte wapenstok.De uitschuifbare wapenstok is alleen aan te vragen als de boa inaanmerking komt voor het vuurwapen, het gaat daarbij dus om de groeneboa. Voor overige boa’s is alleen de korte wapenstok beschikbaar.Vraag 54:Deze leden vragen wat hiervoor de reden is en of boa’s alsnog eenverzoek kunnen indienen voor een uitschuifbare wapenstok. Indien datmogelijk is, vragen zij welke criteria daarbij worden gehanteerd.Antwoord op vraag 54:De uitschuifbare wapenstok is alleen toe te kennen aan groene boa’s.Zoals ook aangegeven onder vraag 29 geldt de aanpassing van debeleidsregels op het punt van de toekenningscriteria voor de geweldmid-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2338 delen als eerste stap van de invoering van het nieuwe bestel. Op ditmoment wordt er gewerkt aan de laatste afstemming van de tekst voor deaangepaste beleidsregels met de betrokken partijen. Het streven is om denieuwe regeling in het eerste tertaal van 2026 te laten ingaan. Voordatdeze in werking zal treden zal deze worden gepubliceerd zodat deze vooralle betrokkenen kenbaar is.Het is de bedoeling dat de vereiste noodzaak van een geweldmiddel wordtgekoppeld aan de bevoegdheden en taak van de boa zoals deze isvastgelegd in de akte, in plaats van aan vastgelegde situaties uit hetverleden waarbij een geweldmiddel wenselijk was geweest. De bepalingom met situaties en incidenten uit het verleden de noodzaak voortoekenning aan te tonen («kan-bepaling») zal, zoals eerder toegezegd,komen te vervallen. In de huidige Beleidsregels boa staan de criteria dieop dit moment gelden voor de toekenning van een uitschuifbarewapenstok.Vraag 55:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke instructies ofkaders hij aan Justis geeft om te waarborgen dat aanvragen vooropsporingsakten en geweldsmiddelen uniform, transparant en binnenredelijke termijnen worden afgehandeld, mede in het licht van deaangekondigde wijzigingen in het nieuwe boa-bestel.Antwoord op vraag 55:De aanvraag voor een akte van opsporingsbevoegdheid of de aanvraagvan geweldmiddelen dienen in overeenstemming met het BesluitBuitengewoon Opsporingsambtenaar binnen 13 weken door Dienst Justisbehandeld te worden. In ruim 95% van de gevallen gebeurt dat ook. Insommige gevallen is er meer informatie nodig om tot een besluit tekomen waardoor de beslistermijn verlengt moet worden. Indien dat nodigis, wordt de aanvrager daarover geïnformeerd. Daarnaast verwijs ik u naarmijn antwoord op vraag 40.Vraag 56:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke wijzewerkgevers en boa’s momenteel worden geïnformeerd over hunrechtspositie onder de Omgevingswet en of hij deze informatievoor-ziening toereikend acht, gelet op de signalen van onzekerheid enuiteenlopende interpretaties in de praktijk.Antwoord op vraag 56:Zoals ook staat beschreven onder vraag 19 heb ik, vanwege het belangdat ik hieraan hecht, de provincies expliciet gewezen op de vereisteaanwijzing voor boa’s voordat zij handhavend kunnen optreden tegengewapende stroperij zoals bedoeld in de Omgevingswet. Zo zijn provin-ciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevantecommissies van het Interprovinciaal Overleg (IPO) geïnformeerd. Zij zijnhier actief mee aan de slag gegaan. Het IPO heeft mijn ministerie latenweten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak vooreen aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is. Deboa-werkgever ontvangt indien van toepassing meer uitleg over degeldende interpretatie. Daarnaast zijn de Toezichthouder (OM) en deDirect Toezichthouder (Politie) bekend met de geldende interpretatie enwat dit inhoudt voor de aanvragen van geweldmiddelen, in het bijzonderhet vuurwapen.Vraag 57:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuweboa-stelsel ook het toezicht op de inzet van geweldsmiddelen primair bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2339 de werkgever wordt belegd, of hiervoor een landelijk beslissings- entoezichtskader bestaat.Antwoord op vraag 57:Met het verstrekken van geweldmiddelen aan de boa komt een groteverantwoordelijkheid voor de werkgever. De aanwending van gewelddoor de boa raakt tenslotte de onaantastbaarheid van het lichaam en delichamelijke integriteit. Werkgevers zijn er primair voor verantwoordelijkdat hun boa’s op een juiste manier in staat worden gesteld gebruik temaken van deze bevoegdheid.Het daadwerkelijk gebruik van deze bevoegdheid geschiedt onder gezagen verantwoordelijkheid van het OM. De Ambtsinstructie is leidend bij deinzet van geweld(middelen). Op basis van de Ambtsinstructie is de boareeds verplicht een geweldsmelding te doen bij de hulpofficier vanJustitie. Daarnaast wordt voor het nieuwe bestel samen met werkgevers,politie (huidige direct toezichthouder) en OM (huidig toezichthouder)verder uitgewerkt welke aanvullende waarborgen rondom de afhandelingen beoordeling van geweldsinzet ingeregeld moeten worden. Het is vanbelang dat de afhandeling en beoordeling van de geweldsaanwendingendoor boa’s door een neutrale partij zal worden gedaan.Vraag 58:Deze leden vragen hoe objectief en onafhankelijk toezicht wordt geborgd,welke rol politie en Openbaar Ministerie hierbij hebben en hoe detaakafbakening tussen betrokken partijen is geregeld.Antwoord op vraag 58:Ik ben voornemens om in het nieuwe boa-bestel een gelaagd toezicht-stelsel te introduceren, waarin de werkgever zelf intern toezicht voert, debranche intercollegiale toetsing ontwikkelt en het Rijk systeemtoezichtuitoefent. Hierdoor ontstaat er een stevig, toekomstbestendig en lerendtoezichtstelsel, waarin ruimte is voor diversiteit, maatwerk, professioneleontwikkeling en lerend vermogen. De precieze invulling hiervan wordtnader uitgewerkt in de uitvoerings- en implementatieagenda. Hetuitgangspunt is dat de rol van politie en OM als direct toezichthouder entoezichthouder verdwijnt.Het OM blijft ook in het nieuwe stelsel het bevoegd gezag voor zover deboa van zijn strafrechtelijke bevoegdheid of zijn daaraan gekoppeldegeweldsbevoegdheid gebruik maakt. Het kan daardoor processen-verbaalseponeren of strafrechtelijke vervolging instellen bij buitensporig geweld.Bij de nadere uitwerking van het nieuwe toezichtstelsel zal hiermeerekening worden gehouden.Vraag 59:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de aansprakelijkheidvan werkgevers is geregeld bij onjuiste toewijzing van uitrusting aan boa’sen bij falend toezicht op de inzet van geweldsmiddelen.Antwoord op vraag 59:De aansprakelijkheid voor de taakuitvoering door de boa ligt primair bij dewerkgever. Wanneer incidenten raken aan de werking van het boa-bestelligt de verantwoordelijkheid primair bij mij als Minister van Justitie enVeiligheid.Vraag 60:Deze leden vragen hoe deze aansprakelijkheid zich verhoudt tot deverantwoordelijkheid van de overheid voor een veilig en zorgvuldigfunctionerend handhavingsstelsel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2340 Antwoord op vraag 60:Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 59.Vraag 61:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij ermee bekend is datde Politieacademie door capaciteitstekorten niet in staat is tijdig deRTGB-certificering (Regeling Toetsing Geweldsbeheersing BuitengewoonOpsporingsambtenaar) voor boa’s te faciliteren, waardoor naar schattingcirca 500 boa’s op een wachtlijst staan.Antwoord op vraag 61:Op basis van de RTGB is de Politieacademie wettelijk verantwoordelijkvoor het samenstellen van de RTGB-toetsen en de certificering van deRTGB-toetsers. Daarnaast heeft de Politieacademie de afgelopen jarentelkens een groot deel van de boa’s getoetst. Dit deden zij op basis vanoude afspraken met boa werkgevers.Door een terugloop in capaciteit heeft de Politieacademie in 2025aangegeven minder toetsen af kunnen nemen dan in voorgaande jaren.Wel heeft de Politieacademie aan het eind van vorig jaar een inhaalslagweten te maken om zoveel mogelijk van de boa-werkgevers, die deafgelopen jaren bij de Politieacademie toetsing hebben afgenomen, tehelpen hun boa’s alsnog getoetst te krijgen. Alle boa-werkgevers dietijdens deze inhaalslag een beroep hebben gedaan op de Politieacademiehebben de gelegenheid gekregen om hun boa’s alsnog te laten toetsen.Vraag 62:Deze leden vragen welke maatregelen de Minister neemt om tevoorkomen dat boa’s door deze capaciteitstekorten hun bevoegdheid omgeweldmiddelen te gebruiken verliezen.Antwoord op vraag 62:Zie het antwoord op vraag 61. De Politieacademie heeft een inhaalslaggemaakt waardoor de betreffende boa-werkgevers alsnog een beroep opde Politieacademie hebben kunnen doen. Daarnaast wordt gewerkt aaneen structurele oplossing om de RTGB-certificering voor boa’s vorm tegeven. Een werkgroep voor de herziening van de RTGB is in februari vanstart gegaan.4Vraag 63:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu het nieuwe boa-stelselinzet van boa’s buiten het eigen werkgeversgebied mogelijk maakt, wie indie situaties verantwoordelijk is voor het toezicht op de taakuitvoering vandeze boa’s.Antwoord op vraag 63:Het is aan de werkgevers om goede afspraken te maken over de verant-woordelijkheden tijdens de taakuitvoering op elkaars gebied. Dit neemtniet weg dat de uitoefening van de opsporings- en geweldsbevoegdheidaltijd geschiedt onder gezag en verantwoordelijkheid van het OM.Vraag 64:Deze leden vragen hoe dit toezicht is ingericht op de verschillende toezichtniveaus en hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat oververantwoordelijkheden en aanspreekbaarheid.4Met deze en de vorige vraag voldoe ik aan de toezegging, gedaan tijdens het CommissiedebatPolitie van 22 december 2025, om de Kamer te informeren over certificering BOA’s voorafgaandaan het CD BOA-stelsel. (TZ202512–069)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2341 Antwoord op vraag 64:De precieze inrichting van het toezichtstelsel is een belangrijk onderdeelvan de uitvoerings- en implementatieagenda. Duidelijkheid over verant-woordelijkheden en aanspreekbaarheid is uiteraard een vereiste in hetnieuwe toezichtstelsel. Dit neemt, zoals gezegd, niet weg dat de uitoe-fening van de opsporings- en geweldsbevoegdheid altijd geschiedt ondergezag en verantwoordelijkheid van het OM.Vraag 65:De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bereid is de Kamervoorafgaand aan het geplande commissiedebat over boa’s in februari2026 schriftelijk te informeren over de juridische duiding van dezeproblematiek, de gekozen oplossingsrichting en de gevolgen daarvanvoor de uitvoeringspraktijk.Antwoord op vraag 65:De oplossingsrichting en de gevolgen daarvan voor de uitvoeringspraktijkmoeten – in samenspraak met de uitvoeringspraktijk – uitgewerkt wordenals onderdeel van de implementatie- en uitvoeringsagenda. Zodra dezeoplossingsrichtingen en de gevolgen daarvan er zijn, zal ik deze delen metde Kamer. Dit moet zorgvuldig gebeuren en zal dus nog enige tijd kosten.Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractieVraag 66:De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van 6 oktober 2025dat de boa wél strafrecht mag afdwingen, maar géén openbare orde maghandhaven. Is het verstoren van de openbare orde niet vaak een strafbaarfeit?Antwoord op vraag 66:De handhaving van de openbare orde moet worden onderscheiden van destrafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De handhaving van deopenbare orde ziet op het bewaren van orde en rust in de openbareruimte en geschiedt onder gezag van de burgemeester. Het handhavenvan de openbare orde blijft aan de politie. Zij hebben hiervoor dedoorzettingsmacht en -middelen. Een verstoring van de openbare orde isvaak een APV-feit, maar gaat in de praktijk vaak gepaard met het plegenvan strafbare feiten uit het wetboek van strafrecht, zoals vernieling.Vraag 67:Hoe kan een boa een strafbaar feit beëindigen (bijvoorbeeld baldadigheid,verstoring, bedreiging), zonder feitelijk de openbare orde te handhaven?Waar ligt juridisch het verschil? Is er een concrete grens?Antwoord op vraag 67:Zie antwoord op vraag 66.Vraag 68:De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief dat de boa zich intheorie moet terugtrekken bij grote gevaarzetting. Afhankelijk van hetbeleid van de betreffende gemeente kan een boa pepperspray,handboeien en/of een wapenstok hebben. Wanneer mag een boa geweldgebruiken om een strafbaar feit te beëindigen, terwijl hij niet bevoegd isom de orde te handhaven? Hoe valt dit te rijmen?Antwoord op vraag 68:In het nieuwe bestel zal de boa, binnen de strafrechtelijke handhaving vande rechtsorde, op kunnen treden ter voorkoming, opsporing en beëin-diging van strafbare feiten. De strafrechtelijke handhaving van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2342 rechtsorde gebeurt onder het gezag van de Officier van Justitie. De tehandhaven feiten zijn die feiten die aan de boa zijn toegekend en staanopgenomen in de akte.Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Zehebben allebei de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden.De taak van politie en boa zijn zo veel als mogelijk complementair aanelkaar en de samenwerking tussen beiden is gelijkwaardig, ieder vanuiteen eigen expertise. In de afbakening met politie blijft het uitgangspuntdat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerktworden door grote gevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd eeninschatting van de situatie op basis van zijn professionaliteit voordat eractie ondernomen wordt. De politie beschikt voor dit soort situaties overdoorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo.De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is dus iets anders dan dehandhaving van de openbare orde, ook al gaat in de praktijk eenverstoring van de openbare orde vaak gepaard met het plegen vanstrafbare feiten. De boa zal altijd een inschatting moeten maken of hijbevoegd is op te treden in de gegeven situatie. Indien de boa bevoegd isom handhavend op te treden tegen het geconstateerde feit, dan kan deboa dit doen met gebruikmaking van de aan hem voor dit feit toegekendebevoegdheden en middelen mits dit gebeurt binnen de grenzen van deAmbtsinstructie.Vraag 69:De leden van de JA21-fractie constateren dat boa’s de afgelopen jarensteeds vaker in benarde situaties terechtkomen, terwijl de politie op datmoment niet in de buurt is. Dit hebben we bijvoorbeeld meermaals gezientijdens het handhaven van coronamaatregelen. Wat wordt het handelings-kader van een boa als de dichtstbijzijnde politieagenten bijvoorbeeldlanger dan 15 minuten van de boa verwijderd zijn?Antwoord op vraag 69:Het handelingskader van een boa wordt bepaald door de geldende wet-en regelgeving en de lokale werkafspraken met politie en het lokale gezag.Boa’s werken binnen lokale veiligheidsafspraken, waarin onder meer isvastgelegd hoe wordt omgegaan met meldingen, opschaling en samen-werking met de politie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat boa’s geenvervanging zijn van de politie bij gewelds- of hoog-risicosituaties.In de afbakening met politie blijft het uitgangspunt dat de boa zich nietmengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerkt worden door grotegevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd een inschatting van de situatieop basis van zijn professionaliteit voordat er actie ondernomen wordt. Depolitie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht en-middelen en dat blijft zo.Vraag 70:In het verlengde hiervan: in gebieden met lage politiedichtheid en groteafstanden, zoals natuur- en buitengebieden, moet de boa bij escalatie vaaklanger zelf blijven optreden voordat de politie arriveert. Welke minimaleeisen gaat de Minister stellen aan responstijden en politiebeschikbaarheidin handhavingsarrangementen, zodat boa’s niet feitelijk wordengedwongen tot situaties waarvoor zij mogelijk niet binnen hun taakom-schrijving kunnen handelen of niet over de juiste verdedigingsmiddelenbeschikken?Antwoord op vraag 70:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2343 Het ministerie hanteert geen generieke landelijke minimumnormen voorresponstijden of politiebeschikbaarheid in handhavingsarrangementen.Wel bestaat er een landelijk format handhavingsarrangement voor zowelde huidige Domein I als Domein II boa’s. De inzet en beschikbaarheid vanpolitie is afhankelijk van lokale omstandigheden, risico-inschattingen enprioritering.In handhavingsarrangementen worden lokaal afspraken gemaakt oversamenwerking, opschaling en taakverdeling tussen boa’s en politie.Tevens kunnen er afspraken worden gemaakt over hoe er in bepaaldesituaties (gezamenlijk) wordt opgetreden, maar ook over wanneer er nietwordt opgetreden. In het geval er onvoldoende zekerheid is over debeschikbaarheid van de politie zal afgesproken kunnen worden niethandhavend op te treden door de boa in gevallen van een situatie waarbijde boa niet over de juiste middelen beschikt. De onmogelijkheid voor deboa om een beroep te doen op de politie is overigens een van deaanvullende criteria in de Beleidsregels BOA bij de beoordeling of ersprake is van noodzaak tot bewapening van een groene boa met eenvuurwapen.Het ministerie blijft inzetten op duidelijke rolafbakening, goede samen-werking met de politie en passende randvoorwaarden, zodat boa’s hunwerkzaamheden veilig kunnen uitvoeren.Vraag 71:De leden van de JA21-fractie zien dat de formele bevoegdheid van de boawordt verruimd tot het gehele domein, maar dat de feitelijke inzet viaregionale handhavingsarrangementen wordt begrensd. Hoe wordtvoorkomen dat boa’s opnieuw te maken krijgen met onduidelijkheid enverschillen tussen regio’s over wat zij wel en niet mogen handhaven?Antwoord op vraag 71:De boa wordt juridisch bevoegd voor het gehele domein. Het is echter aande werkgever en het gezag om de feitelijke en dagelijkse inzet daarbinnente bepalen. Dit leidt niet tot handelingsverlegenheid, maar kan wel leidentot verschillende accenten in de prioriteiten tussen werkgevers. Dit is goedomdat de handhavingsproblematiek ook per gemeente, regio of terreinkan verschillen.Vraag 72:Komt er een landelijk minimumkader of een leidraad die ervoor zorgt dateen boa in vergelijkbare situaties overal dezelfde bevoegdheid kantoepassen?Antwoord op vraag 72:Alle boa’s in hoofddomein I zijn juridisch gezien bevoegd voor dezelfdestrafbare feiten. Het is daarbinnen aan de werkgever en het gezag om dedagelijkse prioriteiten te bepalen en af te wegen of er een aanvraagingediend moet worden voor aanvullende uitrusting.Vraag 73:De leden van de JA21-fractie lezen dat uit pilots met de korte wapenstokblijkt dat boa’s zich veiliger voelen en eerder bereid zijn om in complexeof spanningsvolle situaties zelf op te treden, waardoor de druk op depolitie afneemt. Dit draagt bij aan de continuïteit van handhaving in depublieke ruimte, met name in gemeenten waar de politiecapaciteit onderdruk staat. Is het volgens de Minister juridisch mogelijk om een objectiefen automatisch toekenningsmechanisme te creëren waardoor boa’s ingemeenten met structureel hoge incidentdruk en beperkte politiecapaciteitstandaard in aanmerking komen voor aanvullende geweldsmiddelen,zoals de korte wapenstok en/of pepperspray?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2344 Antwoord op vraag 73:Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak vande boa en op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. Deaanvullende uitrusting kan bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek-of kogelwerend vest, korte wapenstok en pepperspray. Deze aanvullendeuitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te beschermen als hijonvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boazich terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die geken-merkt worden door grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soortsituaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo. Op verzoekvan de werkgever, op zijn kosten en onder zijn verantwoordelijkheid, kanik als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten de geweldmiddelen,korte wapenstok en pepperspray, toe te kennen. Werkgevers van boa’skunnen enkel op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa, zoalsvastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning van geweldmid-delen, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak. Het feit datde politiecapaciteit onder druk staat is niet een van de toekenningscriteriavoor geweldmiddelen. De boa moet uitdrukkelijk ook niet gezien wordenals vervanging van de politie.Vraag 74:De leden van de JA21-fractie vragen waarom er boa’s zijn die meerbetaald krijgen dan politieagenten.Antwoord op vraag 74:Als Minister van Justitie en Veiligheid ga ik niet over de afspraken tussenboa en werkgever met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van de boa.Boa’s vallen onder de CAO van de eigen werkgever. Het is daarbinnen aande werkgever om bijvoorbeeld te bepalen in welke functieschaal de boamoet worden ingeschaald.Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractieVraag 75:i.De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de brief blijkt dat boa’s eensteeds belangrijkere rol vervullen in de handhaving van leefbaar-heid en veiligheid in de publieke ruimte. Zij zijn vaak het eersteaanspreekpunt voor burgers bij overlast, kleine criminaliteit en hethandhaven van specifieke regelgeving. De Minister onderkent datboa’s een eigenstandige positie innemen binnen de brederepolitiefunctie, maar geen rol hebben in de handhaving van deopenbare orde, die exclusief bij de politie blijft. Tegelijkertijdconstateert de Minister dat het huidige stelsel onvoldoende duidelijkmaakt wat nu precies van boa’s wordt verwacht, zowel voor de boazelf als voor burgers, gemeenten en ketenpartners.ii.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de doorontwikkelingvan het boa-stelsel er niet toe mag leiden dat boa’s de politievervangen of aan de politie gelijk worden gesteld, zonder dat zijdaarvoor de middelen of de bevoegdheden van de politie hebben.De politie heeft binnen de rechtsstaat een unieke positie, met alskerntaken de handhaving van de openbare orde, de opsporing vanstrafbare feiten in volle breedte en de uitoefening van het gewelds-monopolie. Deze taken zijn verbonden aan vergaande bevoegdhe-den, intensieve opleiding en een zwaar verantwoordings- entoezichtskader, wat de politie fundamenteel onderscheidt van boa’s.iii.De leden van de BBB-fractie constateren dat de sterke toename vanhet aantal boa’s in de afgelopen jaren grotendeels lijkt samen tehangen met de aanhoudende personeelstekorten bij de politie.Gemeenten zien zich hierdoor genoodzaakt om zelfstandigTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2345 capaciteit te organiseren door meer boa’s in gemeentelijke dienst tenemen. Deze leden vragen de Minister of hij deze analyse herkenten of hij deze ontwikkeling als wenselijk beschouwt, mede in hetlicht van de lange termijninrichting van het veiligheidsbestel.iv.De leden van de BBB-fractie constateren dat boa’s een andere rolvervullen. Boa’s zijn aangesteld voor specifieke, afgebakendehandhavingstaken, veelal gericht op leefbaarheid en naleving vanregelgeving. Juist deze begrenzing is de kracht van het boa-stelsel.Wanneer boa’s structureel worden ingezet als vervanging vanpolitiecapaciteit, ontstaat taakvervaging en worden zij geconfron-teerd met situaties waarvoor zij niet zijn toegerust of bevoegd, metrisico’s voor hun veiligheid, de rechtsbescherming van burgers enhet vertrouwen in de overheid.v.De leden van de BBB-fractie geven aan dat zij een structureleverschuiving van politietaken naar boa’s onwenselijk achten. Boa’sbeschikken over beperktere bevoegdheden en zijn niet toegerustvoor het volledige palet aan taken dat hoort bij openbare ordehand-having en strafrechtelijke handhaving. De politie is, juist vanwegehaar bredere bevoegdheden en landelijke inzetbaarheid, effectieveren efficiënter in deze kerntaken. Deze leden vragen de Minister of hijdeze analyse deelt en of hij mogelijkheden ziet om prioriteit tegeven aan een groei van het aantal politieambtenaren in plaats vaneen verdere uitbreiding van het aantal boa’s. Is hij bereid hierover ingesprek te treden met gemeenten?Antwoord op vraag 75:Ik deel de analyse van de leden van de BBB dat de boa in de afgelopenjaren in sterke mate is geprofessionaliseerd en een belangrijke rol speeltbinnen de politiefunctie. Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat de boa– binnen de politiefunctie – een eigenstandige taak heeft die verschilt vande politietaak. Deze eigenstandige taak richt zich op het leefbaar en veilighouden van de leefomgeving voor de burger. Leefbaar en veilig wordtgedefinieerd als de mate waarin de fysieke en sociale omgeving alsschoon, heel, rustig en veilig wordt ervaren. Dat doet de boa doorpreventief optreden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm enspecifieke wet- en regelgeving. Het werk van de boa is dus sterk gerichtop de normale gang van het publieke leven.Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Zehebben allebei de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden.De taak van politie en boa zijn zo veel als mogelijk complementair aanelkaar en de samenwerking tussen beiden is gelijkwaardig, ieder vanuiteen eigen expertise. Beide zijn onmisbaar binnen onze politiefunctie enverdienen continue aandacht en ontwikkeling. Ik wens dan ook geenprioriteit te geven aan de verdere uitbreiding van het aantal politieambte-naren ten koste van of in plaats van het aantal boa’s, omdat de een nietméér waarde heeft voor de politiefunctie dan de ander.Vraag 76:vi.De leden van de BBB-fractie constateren dat door de situatie datboa’s steeds verder in het domein van de politie terechtkomen, zijtegen grenzen aanlopen van wat zij mogen en kunnen doen. Zoworden zij in het dagelijks werk geconfronteerd met situaties waarinsnel en adequaat optreden noodzakelijk is. Dit spanningsveld wordtversterkt door de beperkte toegang tot relevante informatiesyste-men, waardoor boa’s hun taken niet altijd effectief of veilig kunnenuitvoeren. De Minister kondigt in de brief aan te willen toewerkennaar een herziening van het stelsel, onder meer door domeinensamen te voegen, bevoegdheden overzichtelijker te maken en dejuridische basis van uitrusting en bewapening te versterken. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2346 leden wachten deze stelselwijziging met belangstelling af, maarwillen nogmaals benadrukken dat het boa-stelsel geen vervangingmag worden van de politie.vii.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de veiligheid vanboa-personeel te allen tijde voorop moet staan. In dat kader achtendeze leden het van groot belang dat boa’s beschikken over passendemiddelen om hun taken veilig en verantwoord te kunnen uitvoeren.Bewapening van boa-ambtenaren vormt daarbij een cruciaalonderdeel. Deze leden verzoeken de Minister toe te lichten op welkewijze en onder welke voorwaarden boa-ambtenaren gebruik kunnengaan maken van bewapening.Antwoord op vraag 76:Zie het antwoord op vraag 29.Vraag 77:viii.Ten aanzien van de informatievoorziening constateren de leden vande BBB-fractie dat de Kamerbrief weinig concreet is. Hoewel deMinister erkent dat een beperkte informatiepositie de effectiviteitvan boa’s ondermijnt, blijft onduidelijk welke oplossingen daadwer-kelijk worden voorzien. Deze leden benadrukken dat, ongeacht deuiteindelijke taakafbakening van boa’s, effectieve en veiligehandhaving alleen mogelijk is wanneer boa’s beschikken overadequate en actuele informatie. Zij zijn van mening dat boa’s voorde uitvoering van hun taken toegang moeten hebben tot relevanteinformatiesystemen, vergelijkbaar met die van de politie. Deze ledenverzoeken de Minister hierop nader te reageren en concreet aan tegeven welke stappen worden gezet om de informatiepositie vanboa’s structureel te verbeteren.Antwoord op vraag 77:Ik ben het met de leden van de BBB-fractie eens dat een effectieve enveilige taakuitvoering door boa’s alleen mogelijk is wanneer zij beschikkenover relevante en actuele informatie die benodigd is voor een adequateuitoefening van de boa-taak. Het is hierbij goed om scherp te houden datde politietaak en de boa-taak elkaar op vlakken overlappen, maar niet éénop één gelijk aan elkaar zijn. Daarbij merk ik op dat de informatievoor-ziening aan boa’s niet één op één vergelijkbaar kan zijn met die van depolitie, gelet op verschillen in wettelijke taak, bevoegdheden en toepas-selijk gegevensbeschermingsregime. Over de informatievoorziening aanboa’s is in o.a. de beantwoording van vraag 17 nadere toelichtinggegeven.Een concrete stap die hiervoor in de afgelopen maanden is gezet is deaanbieding van voor toegang tot het Rijbewijzenregister benodigdewijzigingen van de ministeriële Regeling en de algemene maatregel vanbestuur (AMvB) ter internetconsultatie en voor externe toetsing, onderandere aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) en de AutoriteitPersoonsgegevens (AP).Daarnaast heb ik verkend of en op welke wijze het mogelijk is om toegangvoor boa’s tot de Basisvoorziening Vreemdelingen en de Strafrechtketen-databank te realiseren. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag23. Uw Kamer zal periodiek over de voortgang van deze verschillendetrajecten, die gezamenlijk tot een verbeterde informatiepositie van boa’smoeten leiden, worden geïnformeerd.Vraag 78:De leden van de BBB-fractie constateren dat in het huidige boa-bestel erzes verschillende domeinen bestaan. Deze domeinstructuur heeft geleidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2347 tot een situatie waarin boa’s vaak heel verschillende taken, bevoegdhedenen specialisaties hebben. Het gaat om de volgende zes domeinen:•Domein I: Openbare Ruimte – dit is het grootste en meest zichtbaredomein, met boa’s die in steden en dorpen handhaven op overlast,kleine verstoringen, APV-regels en leefbaarheid.•Domein II: Milieu, Welzijn en Infrastructuur – een breed domein waarinzowel groene boa’s (bijvoorbeeld boswachters, handhavers buitenge-bied) als grijze boa’s (omgevingsdiensten, inspecties) werken.•Domein III: Onderwijs (Leerplicht) – leerplichtambtenaren die toezichthouden op schoolbezoek en handhaven op de Leerplichtwet.•Domein IV: Openbaar Vervoer – boa’s in het OV, zoals bij NS, RET enandere vervoerders, gericht op orde, vervoerbewijzen en veiligheid invoertuigen en stations.•Domein V: Werk, Inkomen en Zorg – handhaving op socialezekerheids-wetgeving, fraudebestrijding en naleving van zorg- en inkomensregels.•Domein VI: Overige specialistische opsporing – onder andere takenvan CJIB-medewerkers en andere zeer specialistische functies;hierover loopt op dit moment een apart WODC-traject.De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister in de brief stelt dat deknelpunten vooral spelen in de publieke ruimte, dus in domein I, degroene en blauwe boa’s binnen domein II en de boa’s in het openbaarvervoer (domein IV). In die domeinen ervaren boa’s dat de werkpraktijkonvoorspelbaar is, situaties snel kunnen escaleren en dat een duidelijketaak- en bevoegdheidsafbakening essentieel is. De overige drie domeinenkennen veel minder problemen. Deze boa’s werken in specialistische,minder onvoorspelbare omgevingen, vaak met veel voorbereidingstijd enminder directe confrontatie. Daarom kiest de Minister nadrukkelijk nietvoor een volledige hervorming van het bestel, maar voor een gerichtestructuurwijziging waarbij de zes domeinen op een nieuwe manierworden ingedeeld. In plaats van zes domeinen introduceert de Ministertwee hoofddomeinen, gebaseerd op de mate van onvoorspelbaarheid inhet werk.De leden van de BBB-fractie zijn kritisch over het voornemen om debestaande zes boa-domeinen samen te voegen tot twee bredere hoofddo-meinen. Hoewel deze leden begrijpen dat de Minister met deze samen-voeging meer overzicht en uitvoerbaarheid wil creëren, vrezen zij dat dezekoers onbedoeld leidt tot taakvervaging en een te algemene inzet vanboa’s. Door verschillende domeinen met uiteenlopende aard en contextsamen te brengen, dreigt het onderscheid tussen specifieke handha-vingstaken van boa’s en de kerntaken van de politie verder te vervagen.ix.De leden van de BBB-fractie stellen dat de kracht van het huidigestelsel juist ligt in specialisatie binnen een domein. Door boa’sbredere en generiekere taken toe te kennen, ontstaat het risico datzij steeds vaker worden ingezet in situaties die qua aard encomplexiteit sterk lijken op politiewerk, zonder dat zij beschikkenover dezelfde bevoegdheden, opleiding en verantwoordelijkheids-structuur. Kan de Minister toelichten hoe hij gaat waarborgen datjuist de specialistische kennis binnen een domein gewaarborgdblijft?Antwoord op vraag 78:Vanuit mijn verantwoordelijkheid als Minister van JenV ken ik deopsporingsbevoegdheid toe en bepaal daarmee – door middel van dedomeinlijsten – op welke strafbare feiten de boa kan handhaven. In hetnieuwe bestel wil de huidige domeinlijsten I, II en IV samenvoegen tot ééndomeinlijst voor hoofddomein I. Daarmee is de boa bevoegd om op meerstrafbare feiten te handhaven. Waar de boa daadwerkelijk op handhaaft isniet aan mij als Minister van JenV, maar aan de werkgever. Ik schep derandvoorwaarden waarbinnen de taakuitvoering moet plaatsvinden, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2348 de werkgever gaat over het inzetbeleid en daarmee de daadwerkelijketaakuitvoering. Het specialisme is daarbij dan ook geborgd door dewerkgever.Vraag 79:x.De leden van de BBB-fractie constateren dat een belangrijkonderdeel van de brief de uitrusting van boa’s betreft. De Ministerkondigt aan een standaarduitrusting in te voeren voor alle boa’s inhoofddomein I, bestaande uit onder meer een portofoon, hand-boeien en bepaalde politiebevoegdheden op grond van dePolitiewet. Daarnaast wordt voorzien in de mogelijkheid vanaanvullende uitrusting, zoals een bodycam, steek- of kogelwerendvest, een korte wapenstok en pepperspray. Voor alle boa’s geldt datdeze middelen uitsluitend worden toegekend als aan «striktevoorwaarden» wordt voldaan. Kan de Minister uiteenzetten watonder deze strikte voorwaarden wordt verstaan?Antwoord op vraag 79:Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak vande boa en op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. Deaanvullende uitrusting kan bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek-of kogelwerend vest, korte wapenstok en pepperspray. Deze aanvullendeuitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te beschermen als hijonvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boazich terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die geken-merkt worden door grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soortsituaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo. Op verzoekvan de werkgever, op zijn kosten en onder zijn verantwoordelijkheid, kanik als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten de geweldmiddelen,korte wapenstok en pepperspray, toe te kennen. Als een aanvraag wordtgedaan om een boa uit te rusten met geweldmiddelen (als voldaan is aanalle voorwaarden), dan is het van belang te beseffen dat dit een serieuzeaangelegenheid is. De boa heeft een opsporingsbevoegdheid en isbevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld ofvrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, eventueel met toepassingvan geweldmiddelen ten behoeve van een goede en veilige taakuit-voering. Dit is een ingrijpende bevoegdheid die in het licht van debescherming van grond- en mensenrechten zorgvuldig gereguleerd is, enmoet voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit,redelijkheid en gematigdheid. De boa wordt net als politieagenten enandere opsporingsambtenaren adequaat getraind in het gebruik vangeweld en geweldmiddelen en werkgevers zijn primair verantwoordelijkvoor het juiste gebruik van deze bevoegdheid door hun medewerkers,zoals vastgelegd in de Ambtsinstructie. De werkgever is verantwoordelijkom bij een aanvraag af te wegen of het doel van een adequate en veiligetaakuitvoering ook op een minder ingrijpende manier kan worden bereiktdan met geweldmiddelen. Daarnaast moet de werkgever zorgen voorpassende nazorg bij het gebruik van pepperspray. Ook stel ik onderandere eisen aan de fysieke en psychische gesteldheid van de boa, eisenaan de werkgever zoals een centraal aanspreekpunt en dient er eenhandhavingsarrangement, veiligheidsplan of gelijksoortige samenwer-kingsovereenkomst te zijn waarin met de politie en andere partners in hetveiligheidsdomein afspraken zijn gemaakt over wie in welke situatie en opwelke wijze optreedt en de ondersteuning daarbij. Deze striktevoorwaarden gelden voor de toekenning van de korte wapenstok enpepperspray. De criteria waaraan wordt getoetst voor de toekenning vangeweldmiddelen zijn vastgelegd in de beleidsregels boa. Zoals ook in hetantwoord bij vraag 29 staat genoemd wordt op dit moment gewerkt aande laatste afstemming van de tekst voor de aangepaste beleidsregels metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2349 de betrokken partijen. Het streven is om de nieuwe regeling in het eerstetertaal van 2026 te laten ingaan.De andere in mijn brief genoemde aanvullende uitrustingsmiddelen, zoalsde bodycam of een steek- of kogelwerend vest, vallen niet onder destandaarduitrusting, maar zijn zonder tussenkomst of toekenningseisenvan mijn ministerie aanvullend in te zetten.Vraag 80:Welke concrete criteria worden gehanteerd bij de beoordeling of een boain aanmerking komt voor aanvullende uitrusting?Antwoord op vraag 80:De huidige toekenningscriteria of een boa in aanmerking komt voorgeweldmiddelen zijn opgenomen in de beleidsregels boa. Zoals ookaangegeven onder vraag 29 geldt de aanpassing van de beleidsregels boaop het punt van de toekenningscriteria voor de geweldmiddelen als eerstestap van de invoering van het nieuwe bestel. Op dit moment wordtgewerkt aan het afstemmen van de aangepaste beleidsregels boa met debetrokken partijen. Het streven is om de nieuwe regeling in het eerstetertaal van 2026 te laten ingaan. Voordat deze in werking zal treden zaldeze worden gepubliceerd zodat deze voor alle betrokkenen kenbaar is.Vraag 81:Wie voert deze beoordeling uit en op basis van welke risico-inschatting?Antwoord op vraag 81:In beginsel neemt de Dienst Justis, gehoord de adviezen van de toezicht-houder en de direct toezichthouder, namens mij een besluit op deaanvraag. Het gaat daarbij niet om een risico-inschatting maar om hetbesluit of de boa op basis van zijn bevoegdheden en taak, zoalsvastgelegd in de akte, aanspraak kan maken op een geweldmiddel opbasis van de criteria die hiervoor gelden.Vraag 82:Worden deze voorwaarden landelijk toegepast, of is er ruimte voor lokaleinterpretatie?Antwoord op vraag 82:Dit zijn landelijk geldende criteria.Vraag 83:xi.De leden van de BBB-fractie lezend dat voor de groene boa eenuitzondering wordt gemaakt. Groene boa’s zijn de enige categorieboa’s die onder zeer specifieke omstandigheden in aanmerking kankomen voor het dragen van een vuurwapen. De Minister geeft aandat dit samenhangt met hun wettelijke taken in het buitengebied,waar sprake kan zijn van een reële kans op confrontaties metgewapende stropers. Daarbij wordt genoemd dat vuurwapentoeken-ning alleen mogelijk is wanneer de boa een wettelijke taak heeft ophet gebied van bijvoorbeeld stroperijbestrijding, wanneer de politiedeze taak niet (voldoende) kan overnemen en wanneer minderingrijpende middelen onvoldoende bescherming bieden. Kan deMinister verduidelijken hoe deze voorwaarden in de praktijk wordengetoetst?Antwoord op vraag 83:De boa hoofddomein I wordt niet uitgerust met zwaardere geweldmid-delen dan beschreven in de Kamerbrief, omdat dit niet noodzakelijk enproportioneel is voor zijn taak. Als enige uitzondering hierop kan enkel deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2350 zogenoemde groene boa op grond van zijn taak en bevoegdheden onderstrikte voorwaarden en in bepaalde situaties over geweldmiddelen tot enmet een vuurwapen beschikken. Hiervoor moet de boa de opsporing enhandhaving van wetgeving als taak hebben waarbij een redelijkeverwachting bestaat dat hij bij de uitoefening van zijn functie in de(onvoorziene) omstandigheid komt te verkeren, dat hij of anderen metonmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met eenvuurwapen wordt geconfronteerd. Daarnaast moet het bezwaarlijk ofonmogelijk zijn om voor deze taak een beroep te doen op de politie engeven minder ingrijpende maatregelen onvoldoende bescherming. Deboa-werkgever levert bij de aanvraag een taak-/functieomschrijving aanen de werkgever geeft aan waarom hij het noodzakelijk vindt dat de boawordt uitgerust met geweldsmiddelen aan de hand van de gesteldecriteria in de beleidsregels boa.5 Als de boa tot taak heeft om tehandhaven op stroperijbestrijding dient hij daarvoor te zijn aangewezenvia een aanwijzingsbesluit/mandaat van de provincie (bevoegd gezag).Deze aanwijzing moet bij de aanvraag worden aangeleverd en Justistoetst de juistheid hiervan.Justis toetst of uit de aanvraag en de door de werkgever aangeleverdeinformatie blijkt dat een beroep op de politie niet altijd mogelijk is.Omstandigheden die hierbij een rol kunnen spelen zijn onvoldoendedekking van het C2000 netwerk, personele onderbezetting en prioriteringbij de politie, lange aanrijtijden, gebiedsonbekendheid en moeilijkebereikbaarheid van het gebied waarin de boa opereert.Bij de beoordeling of minder ingrijpende middelen onvoldoendebescherming bieden is de taakstelling van de boa leidend: bezien wordtwelke geweldmiddelen, gelet op de taken die de boa voor zijn werkgevermoet uitvoeren en waartoe hij ook bevoegd is, naar verwachtingvoldoende bescherming zullen bieden. Ook voorbeelden uit de concretepraktijk kunnen bij deze beoordeling worden betrokken.Vraag 84:Wanneer is volgens de Minister sprake van een situatie waarin de politieeen taak niet adequaat kan overnemen?Antwoord op vraag 84:Als door de boa-werkgever is aangetoond dat een beroep op hetpolitiebasisteam niet altijd mogelijk is vanwege onderbezetting ofprioritering, het werkgebied moeilijk bereikbaar is voor de politie, deaanrijtijden langer zijn dan gebruikelijk of het gebruik van het C2000netwerk niet toereikend is in het buitengebied, dan kan er sprake zijn vaneen situatie waarin de politie een taak niet adequaat kan overnemen.Vraag 85:Wie bepaalt dat minder ingrijpende middelen onvoldoende beschermingbieden, en op basis van welke criteria?Antwoord op vraag 85:De beleidsregels boa geven geen nadere invulling of minder ingrijpendemiddelen adequate bescherming bieden. Op dit moment neemt de DienstJustis, gehoord de adviezen van de Toezichthouder (OM) en de DirectToezichthouder (Politie), namens mij een besluit op de aanvraag waarbijeen afweging wordt gemaakt met betrekking tot dit criterium. In denieuwe situatie worden de verzoeken nog altijd beoordeeld op basis vande regelgeving en de beleidsregels.5Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar, Stcrt. 2025, 31978.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2351 Vraag 86:Hoe wordt voorkomen dat deze voorwaarden zo strikt worden uitgelegddat vuurwapentoekenning in de praktijk alsnog vrijwel onmogelijk blijft,zoals nu het geval is?Antwoord op vraag 86:Zoals uiteengezet onder vraag 29 staat in de Kamerbrief over de rol vande boa, die op 2 oktober naar uw Kamer is gestuurd, dat het aanpassenvan de Beleidsregels boa op het punt van de criteria voor de toekenningvan geweldmiddelen geldt als de eerste stap van de invoering van hetnieuwe bestel.Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractieVraag 87:De leden van de SGP-fractie lezen dat boa’s in het nieuwe bestel nadruk-kelijker worden gepositioneerd als professionele partner binnen dehandhavingsketen. Deze leden vragen de Minister hoe wordt geborgd datdeze professionalisering gepaard gaat met een duidelijke en eenduidigewerkgeversverantwoordelijkheid, met name bij gemeenten.Antwoord op vraag 87:In het nieuwe boa-bestel zal de boa inderdaad nog meer wordengepositioneerd als professionele partner binnen de handhavingsketen. Ikben het met de leden van de SGP eens dat duidelijke en eenduidigewerkgeversverantwoordelijkheid hierbij belangrijk is. Met de ontwikkelingvan het boa-bestel zal daarom aandacht worden besteed aan hetprofessionaliseren van het werkgeverschap, onder andere door het stellenvan duidelijke en eenduidige eisen aan dit werkgeverschap. Werkgevers,zo ook de gemeenten, zullen betrokken worden bij de uitwerking van ditonderdeel van het boa-bestel.Vraag 88:De leden van de SGP-fractie constateren dat boa’s, net als anderehulpverleners met een publieke taak, in toenemende mate te makenkrijgen met agressie en geweld. Deze leden vragen de Minister hoe wordtgewaarborgd dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen op hetgebied van preventie, nazorg, begeleiding bij aangifte en juridischeondersteuning.Antwoord op vraag 88:Het is helaas zo dat boa’s en andere hulpverleners met een publieke taakin toenemende mate te maken krijgen met agressie en geweld. Om degemeenten te helpen om hun verantwoordelijkheid te nemen, heb ik,zoals ook genoemd bij de beantwoording van vraag 33, samen metverschillende partners, waaronder gemeenten en het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een handreiking ontwikkeldvoor de functie van adviseur-VPD (Veilige Publieke Dienstverlening). Dezepersoon kan naar goed voorbeeld van onder andere de gemeenteNijmegen adviseren hoe het beleid op het gebied van preventie, nazorg,begeleiding bij aangifte en juridische ondersteuning vorm kan krijgen.Ook kan de invulling zorgen dat deze adviseur, naar voorbeeld van onderandere de gemeente Tilburg, de aangifte zelf begeleidt.Vraag 89:Tevens vragen zij hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen gemeentenleiden tot ongelijke bescherming en ondersteuning van boa’s.Antwoord op vraag 89:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2352 De werkgever is in beginsel zelf verantwoordelijk voor preventie ennazorg en de begeleiding bij aangifte en juridische ondersteuning van deboa. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat alle boa’s een gelijke mate vanbescherming en ondersteuning geboden wordt. Daarom zal ik, zoals ookaangegeven bij de beantwoording van vraag 88, de Richtlijn psychoso-ciale ondersteuning binnen hoog-risico beroepen uit 2024 breed onder deaandacht brengen, net als de handreiking voor het instellen van de functievan adviseur-VPD. Dit biedt gemeenten handvatten om op de genoemdeonderwerpen eenduidige en gelijke processen in te richten.Vraag 90:De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat er geen landelijk uniformregistratiesysteem bestaat voor agressie en geweld tegen hulpverleners,waaronder boa’s. Deze leden vragen de Minister of hij bereid is te komentot één landelijk en verplicht registratiesysteem en zo ja, op welke termijnen onder welke regie dit gerealiseerd wordt.Antwoord op vraag 90:Het registreren van incidenten is een verantwoordelijkheid van dewerkgever. Deze verantwoordelijkheid wordt niet overgenomen door hetMinisterie van Justitie en Veiligheid.Vraag 91:De leden van de SGP-fractie vragen expliciet aandacht voor boa’s diewerkzaam zijn bij niet-gemeentelijke werkgevers, zoals particuliereterreinbeherende organisaties. Deze leden vragen de Minister hoe wordtgeborgd dat ook deze boa’s kunnen rekenen op een gelijkwaardigerechtspositie en bescherming.Antwoord op vraag 91:Het boa-bestel geldt voor alle boa’s ongeacht waar deze werkzaam zijn.Vraag 92:Voorts vragen zij aandacht voor de complexiteit van het stelsel. Hoe wordtvoor gemeenten duidelijk welke werkgevers er in de gemeente boa’sinzetten, met welk doel en vindt hierbij de juiste afstemming plaats met degemeente?Antwoord op vraag 92:De verantwoordelijkheid voor de inzet van boa’s ligt primair bij dewerkgever. Gemeenten hebben daarbij vanuit hun rol als lokaal gezag enregisseur van de openbare orde zicht op de handhavingsactiviteitenbinnen hun grondgebied.In de praktijk vindt afstemming plaats via lokale veiligheidsstructuren,zoals driehoeken, handhavingsarrangementen en overlegvormen tussengemeente, politie en andere handhavende partijen.Vraag 93:De leden van de SGP-fractie constateren dat de aangifteketen bij geweldtegen hulpverleners versnipperd en onoverzichtelijk is. Deze leden vragende Minister hoe de aangifteketen voor geweld tegen boa’s wordtvereenvoudigd en geharmoniseerd.Antwoord op vraag 93:Boa’s vervullen een publieke taak en vallen daarmee onder de EenduidigeLandelijke Afspraken (ELA). Hierin is onder andere afgesproken dataangiften van agressie en geweld tegen hen altijd en met prioriteitworden opgepakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2353 Op dit moment wordt gewerkt aan de herziening van de ELA, waarbij ookde versterking van het aangifteproces wordt meegenomen. Bekekenwordt waar het aangifteproces mogelijk vereenvoudigd en geüniformeerdkan worden, bijvoorbeeld met behulp van digitalisering.Daarnaast besteedt de politie doorlopend aandacht aan de afspraken in deELA in interne communicatie gericht op de medewerkers die meldingenen aangiften opnemen.Vraag 94:Zij vragen of de Minister bereid is landelijke afspraken te maken metpolitie en Openbaar Ministerie over de prioritering en afhandeling vanzaken waarin boa’s slachtoffer zijn van geweld.Antwoord op vraag 94:Er bestaan reeds landelijke afspraken voor de aanpak van geweld enagressie tegen personen met een publieke taak, namelijk de EenduidigeLandelijke Afspraken (ELA). Dit zijn afspraken tussen politie en OM overde opsporing en vervolging van gepleegde strafbare feiten tegenpersonen met een publieke taak. Het doel van de ELA is een eenduidige,effectieve en snelle behandeling en afhandeling van delicten met agressieen geweld tegen functionarissen met een publieke taak door de politie enhet OM.Boa’s vervullen een publieke taak en vallen daarmee ook onder de ELA.Binnen de ELA wordt geen onderscheid gemaakt tussen beroepsgroepen,alle beroepen zijn gelijkwaardig belangrijk binnen hun publieke rol. Omdeze reden zullen er dan ook geen aparte landelijke afspraken gemaaktworden voor enkel de boa’s.Vraag 95:Zij vragen de Minister hoe wordt geborgd dat geweld tegen boa’sdaadwerkelijk leidt tot zichtbare en consequente strafrechtelijke opvolgingen vragen de Minister hierbij in te gaan op de uitvoering van deEenduidige Landelijke Afspraken (ELA) waarbij geweld tegen hulpver-leners tweemaal zo hard gestraft zou moeten worden.Antwoord op vraag 95:De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) dragen bij aan zichtbare enconsequente strafrechtelijke opvolging bij agressie en geweld tegenfunctionarissen met een publieke taak, waaronder boa’s, door politie enOpenbaar Ministerie. In de ELA is onder meer afgesproken dat eenaangifte van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieketaak altijd en met prioriteit worden opgepakt. Daarnaast is eenuitgangpunt van de ELA dat er een actief communicatiebeleid (uitdragenvan succes) wordt gevoerd.De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bevatten geen voorschrift omgeweld tegen hulpverleners tweemaal zo hard te straffen. Wel hanteerthet Openbaar Ministerie eigen strafvorderingsrichtlijnen, waarin een 200%hogere strafeis als uitgangspunt is opgenomen in dergelijke zaken. Naastde 200% verhoging als uitgangspunt zullen door het Openbaar Ministerieook andere factoren worden meegewogen, zoals de omstandigheden vanhet geval en de persoon van de verdachte.Vraag 96:Deze leden vragen de Minister om inzicht te geven in de cijfers in dit soortzaken.Antwoord op vraag 96:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2354 VPT staat voor beroepsgroepen met een Veilige Publieke Taak (VPT).Zowel OM6 (aantal verdachten) als politie7 (aantal VPT-aangiften) houdencijfers van VPT-incidenten bij. Deze worden jaarlijks gepubliceerd. Boa’svallen ook onder de deze VPT-cijfers. Hierin wordt geen onderscheid perberoepsgroep waardoor er geen aparte cijfers zijn specifiek over gewelden agressie tegen boa’s.Vraag 97:Voorts vragen zij de Minister naar de voortgang ten aanzien van destructurele, Rijksbrede invulling van de Taskforce Onze hulpverlenersveilig, conform de motie-Diederik van Dijk c.s. (Kamerstuk 36 600 VI, nr.100).Antwoord op vraag 97:Goede borging van de resultaten van de Taskforce «Onze hulpverlenersveilig» is van belang. Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid ishet programma «Voorbereid op agressie en geweld» opgericht. Ditprogramma richt zich op het versterken van de werkgeversrol bij agressieen geweld van de organisaties die onder dit ministerie vallen. Ditprogramma ontwikkelde de baseline «preventie, aanpak en zorg bijagressie en geweld». Deze baseline bevat een groot aantal basisnormenen maatregelen op het gebied van preventie, incidentmanagement, zorgen nazorg voor de medewerkers en hun thuisfront.De afgelopen vijf jaar heeft de taskforce meer kennis en inzicht verschaftdoor middel van een aantal onderzoeken naar geweld en agressie tegenhulpverleners. Daarnaast zijn concrete instrumenten ontwikkeld, zoals eenhandelingskader voor werkgevers bij doxing en de nieuwe richtlijnPsychosociale Ondersteuning voor Hoog Risico beroepen. Hiermee is eenbasis gelegd voor toekomstige inspanningen van werkgevers. Het is aande werkgevers om dit binnen hun organisatie te implementeren. Ditinstrumentarium en de onderzoeksfunctie van de taskforce wordt door hetprogramma «Voorbereid op agressie en geweld» overgenomen. Hetontwikkelde instrumentarium wordt hiermee geborgd, geactualiseerd enuitgebreid. De producten van dit programma worden breed, voor allepublieke werkgevers, beschikbaar gesteld, zoals de boa-werkgevers.Vraag 98:Welke resultaten heeft deze taskforce tot op heden opgeleverd?Antwoord op vraag 98:De Taskforce «Onze hulpverleners veilig» heeft een belangrijke rol vervuldin het bij elkaar brengen van organisaties met een publieke taak rondomhet thema «Geweld tegen hulpverleners». Dit bood organisaties eenplatform om de knelpunten rondom het signaleren van geweld en deaanpak van geweld tegen hulpverleners te delen. Ook liet de taskforceonderzoeken uitvoeren op het thema geweld tegen hulpleners. Dezeonderzoeken leverden bijvoorbeeld inzicht in risicofactoren van deomstandigheden waarin geweld tegen hulpverleners vaak voorkomt op.Op basis van deze uitkomsten en praktijkervaringen formuleerde detaskforce maatregelen op het gebied van preventie, zorg en nazorg diewerkgevers hulpverleners kunnen bieden. Voorbeelden hiervan zijn hethandelingskader voor werkgevers bij doxing en de nieuwe richtlijnPsychosociale Ondersteuning voor Hoog Risico beroepen. Tot slot droegde taskforce uit dat agressie en geweld tegen werknemers met eenpublieke taak onacceptabel is. Dit werd ook in samenwerking met het6Geweld tegen mensen met een publieke taak (VPT-cijfers over 2024) | Publicatie | OpenbaarMinisterie7Opnieuw hoge aantallen agressie en geweld tegen politie | politie.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2355 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benadrukt doorde collectieve norm «Stop Agressie Samen» onder de aandacht vanwerkgevers te brengen. Met campagnes, richtlijnen, trainingen ennetwerkbijeenkomsten door het hele land, droeg de Taskforce bij aan eencultuurverandering waarin geweld tegen hulpverleners actief wordtafgewezen en waarbij werkgevers worden opgeroepen om deze normactief over te nemen en te vertalen naar hun eigen organisatiepraktijk inhet kader van veilig werkgeverschap.Vraag 99:Deze leden vragen hoe de continuïteit van de inzet op een veilige publieketaak wordt geborgd na afloop van de huidige opdracht van de taskforce.Antwoord op vraag 99:Zie beantwoording op vraag 97.Vraag 100:Op welke wijze worden boa’s, inclusief boa’s bij particuliere werkgevers,structureel meegenomen in het beleid rond veilige publieke taak?Antwoord op vraag 100:Zie beantwoording op vraag 97.Vraag 101:De leden van de SGP-fractie constateren dat het boa-bestel meerderebeleidsterreinen raakt en dat zowel het Ministerie van Justitie enVeiligheid als het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties hierbij betrokken zijn. Deze leden vragen de Minister hoe desamenwerking tussen deze ministeries concreet wordt ingericht, metname op het gebied van afspraken in de samenwerking eneindverantwoordelijkheid.Antwoord op vraag 101:De verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van het boa-bestelligt bij mij als Minister van Justitie en Veiligheid. Daar waar interdeparte-mentale afstemming nodig is, wordt deze georganiseerd.Vraag 102:Zij constateren dat uit de praktijk blijkt dat er op dit moment een gebrekaan samenwerking is en vragen de Minister hoe hij dit structureel gaatverbeteren en welke afspraken zijn gemaakt over regie eneindverantwoordelijkheid om te voorkomen dat departementen langselkaar heen werken.Antwoord op vraag 102:Ik deel de constatering van de leden van de SGP-fractie niet. Als Ministervan Justitie en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor het boa-bestel.Daar waar nodig werk ik daarbij goed samen met mijn collega Ministers.Vraag 103:De leden van de SGP-fractie achten goede gegevensdeling tussen politieen boa-organisaties essentieel voor effectieve handhaving en opsporing.Deze leden vragen de Minister welke knelpunten op dit moment bestaanbij de gegevensdeling tussen politie en gemeenten.Antwoord op vraag 103:Het delen van politiegegevens tussen politie en boa’s, waaronder de boa’sdie werkzaam zijn voor gemeenten, is reeds mogelijk op grond van artikel15 van de Wet Politiegegevens, voor zover dit benodigd is voor deuitvoering van de taak van de betreffende ambtenaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2356 Knelpunten die bij het delen van gegevens tussen politie en boa’s kunnenoptreden zijn onder andere gelegen in het feit dat de politie en boa metverschillende informatie- en registratiesystemen werken waardoorpraktische informatie-uitwisseling tussen politie en boa’s lastig is.Bovendien gebruiken boa-werkgevers verschillende registratiesystemen,waardoor de onderlinge informatie-uitwisseling van boa’s werkzaam bijverschillende werkgevers ook niet altijd mogelijk is. Ook wordt metregelmaat gezien dat de ondersteuning van de boa door de politie totknelpunten leidt, gelegen in het feit dat de politie toegang heeft totbepaalde informatie(systemen), niet zijnde politiesystemen, voor hetuitvoeren van haar taak, niet zijnde de taak van de boa, terwijl de boa dezetoegang niet heeft. Dit treedt met name op bij assistentie van de boa doorpolitie in identificatiesituaties. Daarom is de afgelopen maanden,gezamenlijk met de instanties die verantwoordelijk zijn voor de betref-fende registers, verkend of en onder welke voorwaarden boa’s toegang totde Strafrechtketendatabank (SKDB) en de Basisvoorziening Vreemde-lingen (BVV) zouden kunnen verkrijgen ten behoeve van identificatie.Vraag 104:Welke concrete maatregelen worden genomen om te zorgen voor tijdige,volledige en rechtmatige gegevensuitwisseling tussen politie enboa-systemen?Antwoord op vraag 104:Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 103.Vraag 105:Hoe wordt voorkomen dat privacywetgeving of technische beperkingenleiden tot onnodige belemmeringen in opsporing en vervolging?Antwoord op vraag 105:Ik heb een groot aantal betekenisvolle wijzigingen in het boa-stelselgeformuleerd, die in de komende jaren zullen worden uitgevoerd aan dehand van de uw Kamer toegezonden uitvoeringsagenda. Doelstelling vandeze agenda is om richting te geven aan de maatregelen die wordengenomen ten behoeve aan het versterken van het boa-bestel en deprofessionalisering hiervan. Daarom is de afgelopen maanden,gezamenlijk met de instanties die verantwoordelijk zijn voor de betref-fende registers, verkend of en onder welke voorwaarden boa’s toegang totde Strafrechtketendatabank (SKDB) en de Basisvoorziening Vreemde-lingen (BVV) zouden kunnen verkrijgen ten behoeve van identificatie.Daarbij zullen technische belemmeringen zo veel als mogelijk wordenweggenomen.Bij de uitwerking van deze maatregelen dient te allen tijde de relevante(privacy)wetgeving in ogenschouw te worden genomen. Privacywet-geving vormt daarbij geen belemmering op zichzelf, maar biedt een kaderwaarbinnen gegevensdeling rechtmatig, noodzakelijk en proportioneelkan plaatsvinden. Ook technische randvoorwaarden zijn niet bedoeld alsbeperking, maar gericht op het mogelijk maken van gegevensdelingbinnen de wettelijke kaders, met passende waarborgen voor beveiligingen autorisatie.Vraag 106:De leden van de SGP-fractie lezen dat de versterking van het boa-bestelmede is ingegeven door schaarste in capaciteit en middelen binnen hetveiligheidsdomein, met name bij de politie. Deze leden vragen de Ministerof wordt verondersteld dat uitbreiding van het boa-stelsel efficiënter isdan uitbreiding van de politiecapaciteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2357 Antwoord op vraag 106:De versterking van het boa-bestel is ingegeven door de sterke mate vanprofessionalisering en als gevolg daarvan belangrijke rol van de boabinnen de politiefunctie. Ik wil daarbij graag benadrukken dat de boa –binnen de politiefunctie – een eigenstandige taak heeft die verschilt vande politietaak. Deze eigenstandige taak richt zich op het leefbaar en veilighouden van de leefomgeving voor de burger. Leefbaar en veilig wordtgedefinieerd als de mate waarin de fysieke en sociale omgeving alsschoon, heel, rustig en veilig wordt ervaren. Dat doet de boa doorpreventief optreden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm enspecifieke wet- en regelgeving. Het werk van de boa is dus sterk gerichtop de normale gang van het publieke leven.Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Zehebben allebei de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden.De taak van politie en boa zijn zo veel als mogelijk complementair aanelkaar en de samenwerking tussen beiden is gelijkwaardig, ieder vanuiteen eigen expertise. Beide zijn onmisbaar binnen onze politiefunctie enverdienen continue aandacht en ontwikkeling.Vraag 107:Welke onderbouwing ligt ten grondslag aan het argument dat versterkingvan het boa-stelsel daadwerkelijk leidt tot structurele verlichting van dewerkdruk bij de politie?Antwoord op vraag 107:Het boa-bestel wordt niet versterkt met als doel een structurele verlichtingvan de werkdruk bij de politie. De boa heeft een eigenstandige taakbinnen de politiefunctie, zo veel als mogelijk complementair aan depolitietaak. Vanuit het belang van de boa voor onze politiefunctie wordthet boa-bestel versterkt. Uiteraard wordt de slagkracht van de politie-functie groter door een goede samenwerking tussen boa en politie.Vraag 108:Hoe wordt voorkomen dat boa’s structureel worden ingezet alsvervanging voor politiecapaciteit, zonder dat daarvoor voldoenderandvoorwaarden zijn gecreëerd?Antwoord op vraag 108:De boa is geen politieagent en moet dus ook niet ter vervanging vanpolitie capaciteit worden ingezet. De boa heeft een eigenstandige taakbinnen de politiefunctie. De politietaak is hetgeen de politie allemaal doeten beschreven staat in artikel 3 van de Politiewet 2012. De politiefunctie isbreder. Het gaat bij de politiefunctie om handhaving van gezamenlijkenormen en regels en bescherming van ieders veiligheid, zo nodig zelfsdoor dwang. Behalve de politie hebben ook anderen, zoals buitengewoonopsporingsambtenaren (boa’s) en de Koninklijke Marechaussee, hierineen rol. De boa heeft een eigenstandige taak binnen de politiefunctiegericht op leefbaarheid, veiligheid en de normale gang van het publiekeleven.Vraag 109:De leden van de SGP-fractie wijzen op verschillen in aansturing: boa’swerken onder verantwoordelijkheid van gemeenten, terwijl de politieonder gezag van het Openbaar Ministerie valt. Deze leden vragen deMinister hoe deze verschillende gezags- en verantwoordingslijnen in depraktijk worden afgestemd.Antwoord op vraag 109:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2358 Ook de boa valt bij de opsporing van strafbare feiten onder het gezag enverantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. De werkgever isverantwoordelijk om binnen de gestelde kaders van de boa regelgeving,de dagelijkse inzet te bepalen. Dat is niet wezenlijk anders dan bij depolitie, die bij de handhaving van de openbare orde werkzaam is ondergezag van de burgemeester en bij de strafrechtelijke handhaving ondergezag van het OM. Afstemming vindt onder andere plaats in de lokaledriehoek.Vraag 110:Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over taken, bevoegd-heden en verantwoordelijkheden tussen boa’s en politie.Antwoord op vraag 110:De boa werkzaam in de openbare ruimte heeft een eigen taak binnen depolitiefunctie en richt zich op het leefbaar en veilig houden van deleefomgeving voor de burger. Dat doet de boa door preventief optreden,het handhaven van de zogenoemde kleine norm en specifieke wet- enregelgeving (opgesomd op de domeinlijst). In de afbakening met politieblijft het uitgangspunt dat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uitsituaties die gekenmerkt worden door grote gevaarzetting. Hiertoe maaktde boa altijd een inschatting van de situatie op basis van zijn professiona-liteit voordat er actie ondernomen wordt. De politie beschikt voor dit soortsituaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo. Dehandhaving van de openbare orde blijft voorbehouden aan de politie. Bijde uitwerking van de domeinlijst voor hoofddomein I wordt geïnventari-seerd waar hiaten in de opsporingsbevoegdheden, passend bij de taakvan de boa, worden ervaren.Vraag 111:De leden van de SGP-fractie constateren dat in de praktijk sprake isgeweest van handelingsverlegenheid bij boa’s door onduidelijkheid overtaken, bevoegdheden, uitrusting en toegang tot systemen. Deze ledenvragen de Minister hoe het nieuwe stelsel deze knelpunten aantoonbaaroplost.Antwoord op vraag 111:Met betrekking tot handelingsverlegenheid moet ik constateren dat die inde kern inherent is aan een buitengewone opsporingsbevoegdheid. Dezevolledig wegnemen kan alleen door het toekennen van een algemeneopsporingsbevoegdheid en die vind ik niet proportioneel in relatie tot derol en taak van de boa. Door het samenvoegen van de verschillendedomeinlijsten tot één lijst voor hoofddomein I, waarbij ook zal wordengeïnventariseerd waar hiaten in de opsporingsbevoegdheden, passend bijde taak van de boa, worden ervaren, minimaliseer ik de ervaren hande-lingsverlegenheid.De benodigde uitrusting wordt in het nieuwe bestel verondersteld opbasis van de rol en taak van de boa. De noodzaak hiertoe hoeft dus nietmeer worden aangetoond, maar als waarborg voor de aanvullendeuitrusting worden wel eisen gesteld aan boa en werkgever. Deze zullennader worden uitgewerkt in de uitvoerings- en implementatieagenda. Aanhet zo ver als mogelijk toegankelijk maken van informatie(systemen) voorboa’s wordt gewerkt, ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag23.Vraag 112:De leden van de SGP-fractie constateren dat de uitrusting van boa’s, metname zij die werkzaam zijn bij niet-gemeentelijke werkgevers, sterkuiteenloopt en afhankelijk is van de bereidheid van werkgever en dienstTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2359 Justis. Deze leden benadrukken dat de veiligheid van boa’s voorop staat inhet werk wat zij doen en dat zij met uitbreiding van taken nog meerverlegen zitten om adequate uitrusting. Deze leden waken ervoor datboa’s ook onder het nieuwe stelsel onvoldoende zijn uitgerust om hunwerkzaamheden veilig en naar behoren te kunnen uitvoeren. Zij vragen deMinister hoe wordt geborgd dat boa’s in iedere situatie, onder iederewerkgever, beschikken de juiste uitrusting met passende geweldsmid-delen, conform de aangenomen motie- Diederik van Dijk hierover(Kamerstuk 36 395, nr. 14).Antwoord op vraag 112:Ik hecht er veel waarde aan dat boa’s veilig hun werk kunnen doen. Demogelijkheden voor uitrusting en de randvoorwaarden waaraan voldaanmoeten worden, zijn voor iedere boa en werkgever hetzelfde. Hetboa-werkveld is echter zeer divers. Zowel als het gaat om de problematiekwaar de boa tegen optreedt als de wijze waarop de boa wordt ingezetdoor zijn werkgever. Daar dient de uitrusting van de boa bij aan te sluiten.Het is primair aan de werkgever om te beoordelen wat hij noodzakelijk enverantwoord vindt voor zijn boa’s. Zo kan de boa op de meest adequateen veilige manier zijn werk doen.Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak vande boa en op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. Deaanvullende uitrusting kan bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek-of kogelwerend vest, korte wapenstok en pepperspray. Deze aanvullendeuitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te beschermen als hijonvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boazich terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die geken-merkt worden door grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soortsituaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo. Op verzoekvan de werkgever, op zijn kosten en onder zijn verantwoordelijkheid, kanik als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten de geweldmiddelen,korte wapenstok en pepperspray, toe te kennen.In mijn brief over het boa-bestel van 2 oktober jl. staat dat het aanpassenvan de beleidsregels op het punt van de criteria voor de toekenning vangeweldmiddelen geldt als de eerste stap van de invoering van het nieuwebestel. Het is de bedoeling dat de vereiste noodzaak van een geweld-middel wordt gekoppeld aan de bevoegdheden en taak van de boa zoalsdeze is vastgelegd in de akte, in plaats van aan vastgelegde situaties uithet verleden waarbij een geweldmiddel wenselijk was geweest. Debepaling om met situaties en incidenten uit het verleden de noodzaakvoor toekenning aan te tonen («kan-bepaling») zal, zoals eerdertoegezegd, komen te vervallen. Dit conform de genoemde motie van hetKamerlid Diederik van Dijk.Vraag 113:Voorts vragen zij aandacht voor borging van een passende opleiding entoegang tot noodzakelijke informatiesystemen (Kamerstuk 36 395, nr. 15).Welke instrumenten worden ingezet om te monitoren of het nieuwestelsel daadwerkelijk leidt tot minder handelingsverlegenheid en meereffectiviteit.Antwoord op vraag 113:Voor een toelichting op de toegang tot noodzakelijke informatiesystemenbinnen het kader van de motie van het lid van Dijk (CDA) verwijs ik naarde beantwoording van de vragen 23, 103 en 104. Ten aanzien van deborging van een passende opleiding wordt het huidige opleidingsstelselvoor de boa onder de loep genomen en zullen extra eisen gesteld wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2360 aan de opleidingen. Het veld wordt bij de ontwikkeling zoveel mogelijkbetrokken, zodat een werkelijke verbeterslag wordt gemaakt. Dewerkgever staat vervolgens aan de lat om de opleiding van de boa aan tevullen met functie-specifieke kennis en vereisten. Dit laatste zal ook onderde aandacht worden gebracht bij de in te richten werkgeverstafels.Ik vind het van belang dat met alle bij het boa-stelsel betrokken partijenregelmatig wordt bezien of het boa-bestel op een goede manier functio-neert en welke impact relevante ontwikkelingen hebben op het functio-neren van het boa-bestel. Daarom heb ik in elk geval een evaluatie van hetnieuwe boa-bestel 5 jaar na inwerkingtreding aangekondigd. Daar zalonder meer aandacht zijn voor de effectiviteit van het doorontwikkeldeboa-bestel en de vraag of knelpunten afdoende zijn verholpen.Vraag 114:De leden van de SGP-fractie benadrukken dat uitbreiding van taken alleenverantwoord is wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Deze ledenvragen de Minister welke structurele middelen beschikbaar wordengesteld voor opleiding, uitrusting, toezicht en beheer.Antwoord op vraag 114:Zie het antwoord op de vragen 34 en 35.Vraag 115:Hoe wordt voorkomen dat kwaliteitsverschillen tussen gemeentenontstaan? Zij vragen de Minister te bevestigen dat eerst deze randvoor-waarden worden gerealiseerd alvorens het nieuwe boa-bestel volledig inwerking treedt.Antwoord op vraag 115:Vanuit mijn verantwoordelijkheid als Minister van Justitie en Veiligheid gaik over (de werking van) het boa-bestel. Ik schep de randvoorwaardenwaarbinnen werkgevers de daadwerkelijke inzet van de boa bepalen. Derandvoorwaarden zijn vanzelfsprekend voor iedereen gelijk, maar voor dekwaliteit van de taakuitvoering door de boa daarbinnen is de werkgeverprimair verantwoordelijk. Dit draagt bij aan de lokale verankering van depolitiefunctie in de maatschappij en maakt lokaal maatwerk mogelijk. HetOM blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de opsporing als geheelen specifiek op casus niveau door processen-verbaal te seponeren waarnodig. Het nieuwe boa-bestel treedt stap voor stap in werking zodra eenonderwerp verder is uitgewerkt en de benodigde randvoorwaardendaarvoor gerealiseerd zijn. Ik streef ernaar het nieuwe stelsel in 2028volledig ingevoerd en operationeel te hebben.Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractieVraag 116:De leden van de SP-fractie vinden het begrijpelijk dat er wordt gekekennaar het beleggen van extra bevoegdheden bij de boa, maar willen bijvoorbaat wel waarschuwen voor het hellende vlak waarin bij capaciteits-problemen bij de politie al snel wordt gekeken of deze gaten moetenworden gevuld door de boa’s. Het blijft voor deze leden prioriteit dat depolitie voldoende middelen krijgt voor het invullen van haar primairebevoegdheden. Er zijn nog steeds grote tekorten bij de politie die op kortetermijn moeten worden ingevuld. Desalniettemin staan deze leden openvoor het bezien waar een boa meer verantwoordelijkheden zou kunnenkrijgen ter versterking van de politie. Zij zijn het eens dat het zou helpenals de bevoegdheden van de boa beter worden omschreven omdat ditbeeld momenteel diffuus is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2361 De leden van de SP-fractie hebben middels de motie-Van Nispen ookgevraagd om de boa onderdeel te maken van de politieorganisatie om desamenwerking te versterken (Kamerstuk 36 395, nr. 8). De Minister geeftaan het te zien als onhaalbaar en niet wenselijk. Deze motie is aange-nomen en toch doet de Minister deze motie vrij eenvoudig van de hand.Op welke manier is er zoals de Minister zelf zegt, onderzoek gedaanbinnen het werkveld naar het draagvlak?Antwoord op vraag 116:Conform de aangenomen motie Van Nispen heb ik ook gewogen of hetwenselijk is om de boa onderdeel van de politieorganisatie te latenuitmaken. Ik acht dit geen haalbare route. Hiervoor is in het werkveld geendraagvlak en in het licht van de majeure (financiële) opgave die de politieal heeft om de basis op orde te brengen, acht ik dit naast onwenselijk ookonuitvoerbaar. Daarnaast speelt de boa een belangrijke rol in de lokaleverankering van de politiefunctie in de maatschappij, die mogelijk tenietgedaan wordt door het centraliseren van het werkgeverschap bij depolitie. Het gevraagde onderzoek naar wat ervoor nodig is om de boaonderdeel te maken van de politieorganisatie, zoals verzocht in de motieVan Nispen, is een serieus en expliciet onderdeel geweest van het breedmaatschappelijk gesprek dat met het veld is gevoerd. Het is tevens aan deorde gekomen aan de verschillende dialoogtafels met het brede veld endenksessies met experts in voorbereiding op de diepgaandebeschouwing. Hieraan hebben een afvaardiging van verschillendewerkgevers uit de huidige domeinen I, II en IV deelgenomen, politie, OMen boa’s zelf. Deze bijeenkomsten hebben verspreid door het landplaatsgevonden.Vraag 117:Waarom vindt de Minister dit zowel onwenselijk als onuitvoerbaar?Antwoord op vraag 117:Een van de kenmerkende pijlers van onze politiefunctie is de lokaleverankering ervan. Ik hecht hier grote waarde aan en de boa speelt hierineen belangrijke rol. Het risico dat de lokale verankering van de boavermindert door het centraliseren van het werkgeverschap bij de politievind ik te groot. De werkgevers weten het beste wat er in hun werkgebiednodig is en waar de boa op moet worden ingezet. Daarnaast is er uit hetbreed maatschappelijk gesprek gebleken dat er geen draagvlak voor is omde boa onderdeel van de politieorganisatie te maken.Het onderbrengen van alle boa’s bij de politieorganisatie zou daarnaasteen grote reorganisatie betekenen die moet worden bewerkstelligd dooreen politieorganisatie die reeds voor grote (financiële en organisationele)opgaven staat. Ter illustratie, de politieorganisatie zou ruim 14.000 boa’svan andere boa werkgeversmoeten absorberen in samenspraak met diemeer dan 600 huidige werkgevers. Daarnaast moet ook voor de 6250politieboa’s binnen de politieorganisatie een andere rechtspositioneleinvulling worden gezocht. Naar mijn beste inschatting weegt het resultaathiervan niet op tegen de benodigde inspanning en gun ik de politieorgani-satie de tijd om zich te focussen op haar kerntaak.Op basis van bovenstaande vind ik het onwenselijk en onuitvoerbaar omde boa bij de politieorganisatie onder te brengen.Vraag 118:Waarom acht de Minister dat de maatschappelijke functie van de boavervalt als het gecentraliseerd wordt onder de politie?Antwoord op vraag 118:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2362 Zoals in antwoord op de vorige vraag reeds genoemd, is juist de lokaleverankering van de boa zo van toegevoegde waarde voor de politie-functie. Centraliseren van het werkgeverschap draagt hier naar mijn ideeniet aan bij. Daarnaast zou ik toch ook in antwoord op deze vraag willenbenadrukken dat de boa een eigenstandige taak heeft binnen de politie-functie die echt verschilt van de politietaak. De veronderstelling dat boaen politie hetzelfde doen en het daarom logisch is beide onder te brengenbij één organisatie deel ik niet.Vraag 119:Waarom zou het niet mogelijk zijn boa’s te laten opleiden tot politieagent?Antwoord op vraag 119:Het zijn van boa is een vak apart. Een boa heeft een eigen taak, vanuit eeneigen expertise, binnen de politiefunctie. Wanneer een boa voldoet aan deeisen om toegelaten te worden tot de Politieacademie, kan deze wordenomgeschoold tot politieagent, maar ik hecht eraan om te benadrukken datdeze daarmee niet méér waarde heeft voor de politiefunctie.Vraag 120:Is de Minister het met deze leden eens dat juist vanwege de onduidelijketaakomschrijving van de boa zij nu soms in gevaarlijke situaties terecht-komen?Antwoord op vraag 120:Het werk van de boa is sterk gericht op de normale gang van het publiekeleven. De boa heeft een belangrijke signaalfunctie richting politie enopenbaar bestuur en is vaak het eerste aanspreekpunt voor burgers enondernemers bij vragen, kleine ergernissen of de handhaving vanspecialistische wetgeving. De functionaris met een boa-status treedt op bijoverlast, verstoring van rust en gedrag dat het maatschappelijk verkeerschaadt of bedreigt. Hij kan daarmee, binnen zijn bevoegdheden,bijdragen aan de preventie, de-escalatie en aanpak van gedragingen diede rust in de publieke ruimte aantasten. Dit doen zij als aanvulling op enin samenwerking met politie en andere ketenpartners. Uiteraard liggen deboa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Ze hebben allebei deautoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden. De taak vanpolitie en boa zijn zo veel als mogelijk complementair aan elkaar en desamenwerking tussen beiden is gelijkwaardig, ieder vanuit een eigenexpertise. In de afbakening met politie blijft het uitgangspunt dat de boazich niet mengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerkt worden doorgrote gevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd een inschatting van desituatie op basis van zijn professionaliteit voordat er actie ondernomenwordt. De politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmachten -middelen en dat blijft zo.Vraag 121:Is het niet vreemd om een aangenomen motie van de hand te doen omdatde Minister het zelf niet wenselijk acht? Is de Minister zich bewust van hetfeit dat de wens van de Kamer zwaarder weegt dan de eigen wens van deMinister?Antwoord op vraag 121:Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 116 en vraag 117.Vraag 122:De leden van de SP-fractie zijn voorstander van het idee om de huidigelosse domeinlijsten I, II en IV samen te voegen tot één domeinlijst. De boawordt hiermee formeel bevoegd handhavend op te treden voor het gehelehoofddomein, voor zover zich hier geen wet- of regelgeving tegen verzet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2363 Ook zijn deze leden voorstander van het idee om de Eerste Hulp BijOngelukken (EHBO) onderdeel te laten zijn van de basisopleiding, zodatde boa dit kan toepassen bij ongelukken of een reanimaties. Bij hettweede onderdeel zien deze leden echter dat hiermee ook meer raakvlakbestaat met de medische hulpdiensten. Op welke manier wordt via dezeweg afgesproken welke onderdelen van de EHBO de boa zal doen en opwelke onderdelen de medische diensten?Antwoord op vraag 122:De boa uit hoofddomein I werkt in de publieke ruimte en komt regelmatigterecht in situaties waar zorg- of (acute) hulpverlening noodzakelijk is.Toch heb ik besloten om zorg- en acute hulpverlening geen formele taakvan de boa te laten zijn. Hiervoor zou de boa opgeleid moeten worden ente allen tijde beschikbaar moeten zijn. Omdat de boa in hoofddomein Iaanwezig is in de publieke ruimte, vind ik het wel belangrijk om de boabeter te bekwamen voor de situaties waarin een beroep op hulpverleningwordt gedaan of waarin hij of zij zich genoodzaakt voelt om hulp teverlenen. Dit wil ik bereiken door Eerste Hulp Bij Ongelukken (EHBO)onderdeel te laten zijn van de basisopleiding, zodat de boa dit kantoepassen bij ongelukken of een reanimatie. Ook moet de boa goed op dehoogte zijn van het netwerk van verschillende hulpverleners in zijnwerkgebied, zodat hij als professional en vertegenwoordiger van de Staatde benodigde hulp kan organiseren door het inschakelen van de juistehulpdiensten. Wanneer een boa zelf EHBO toepast en wanneer hij dehulpdiensten inschakelt, is per situatie afhankelijk en laat ik aan hetprofessionele oordeel van de boa.Vraag 123:Nu deze onderdelen dichter bij elkaar komen te liggen vinden deze ledenhet ook noodzakelijk dat de Minister nadenkt over in hoeverre desamenwerking hiermee ook zal veranderen. Op welke manier gaat ditgesprek plaatsvinden?Antwoord op vraag 123:Aangezien de boa en politie als gelijkwaardige partner steeds vakersamenwerken op het snijvlak van leefbaarheid en veiligheid en het OMhet gezag is voor de strafrechtelijke handhaving, is er behoefte aan eenduidelijk overzicht van afspraken over die samenwerking. Deze afsprakenworden onder andere gemaakt in een handhavingsarrangement,veiligheidsplan of gelijksoortige samenwerkingsovereenkomst. Hierinstaan afspraken over informatiedeling en samenwerking tussen de boa enpolitie (over en weer), of en hoe er in welke situatie zal wordenopgetreden door boa’s (en wanneer niet) en over inzet en back-up doorpolitie in onvoorziene situaties. In de verdere uitwerking van de imple-mentatie agenda zal ik ook met de partners stilstaan wat er aanvullend ophet huidige handhavingsarrangement nog kan worden geregeld voor eenverstevigde samenwerking, bijvoorbeeld met medische hulpdiensten.Vraag 124:De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister een nieuwe weginslaat door in uitzonderlijke omstandigheden boa’s ook uit te rusten meteen wapenstok en pepperspray en zij dus uitgerust worden met wapens.Deze leden hebben hier moeite mee. Aan de ene kant tracht de Ministereen meer eenduidig profiel te maken voor het beroep boa, aan de anderekant kiest het er nu voor de boa’s onderling op twee verschillendemanieren uit te rusten (met of zonder wapenstok en pepperspray) envervolgens is het ook nog de taak van de boa om op geen enkele maniergeweld te gebruiken en te de-escaleren. Deze leden hebben begrip voordeze taakomschrijving, maar niet voor het feit dat zij hiermee eensoortgelijke uitrusting krijgen als de politie maar de Minister er explicietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2364 voor kiest om deze twee beroepen strikt gescheiden te houden. Dezeleden waarschuwen ervoor dat dit voor meer verwarring dan duidelijkheidzal zorgen. Ook denken zij dat dit zal zorgen voor juist meer situatieswaarin geweld wordt toegepast in plaats van minder. Is de Minister hetmet deze leden eens dat twee verschillende uitrustingen tot meerverwarring zal leiden?Antwoord op vraag 124:Het boa-werkveld is zeer divers. Dit geldt voor zowel de problematiekwaar de boa tegen optreedt als de wijze waarop de boa wordt ingezet.Daar dient de uitrusting van de boa bij aan te sluiten. Zo kan de boa op demeest adequate en veilige manier zijn werk doen. Zo past voor de groeneboa in het veld waarbij de opvolging bij escalatie door de politie beperktmogelijk is een andere uitrusting dan voor een gemeentelijke handhaverdie belast is met verkeershandhaving met betrekking totniet-gemotoriseerd verkeer. Daarnaast bestaan er ook weer verschillentussen de verschillende werkgevers binnen hetzelfde Domein, bijvoor-beeld in verschillende gemeenten. De ene gemeente zal de boa’s anderswillen inzetten dan de andere, al naar gelang de problematiek die speelt.En daar kan dan ook een andere uitrusting bij passen. Juist ook de ruimtevoor deze diversiteit zorgt ervoor dat de boa zo goed mogelijk kan wordeningezet. Op dit moment zijn er vele verschillende uitrustingen. Met hetnieuwe bestel zal dit worden beperkt doordat er een standaarduitrustingzal komen; minder uitrusting is daarmee niet meer mogelijk. Echter wordthet mogelijk om een aanvraag te doen voor aanvullende uitrusting.Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak vande boa en op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. Deaanvullende uitrusting kan bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek-of kogelwerend vest, korte wapenstok en pepperspray. Deze aanvullendeuitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te beschermen als hijonvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boazich terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die geken-merkt worden door grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soortsituaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo.Vraag 125:Waarom handhaaft de Minister, juist ook met deze expliciete keuze in eenandere uitrusting, het harde onderscheid tussen de boa en de politie?Antwoord op vraag 125:Zowel de boa’s als de politie hebben een eigenstandige taak binnen depolitiefunctie. Zie ook het antwoord op vraag 110.Vraag 126:Op welke manier wordt de boa getraind in het gebruik van deze extramiddelen en in hoeverre verschilt dit met de training van de politieagenthiervoor?Antwoord op vraag 126:De Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporings-ambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten (RTGB)bepaalt dat de boa-werkgever zorgdraagt voor de training en toetsing vande opsporingsambtenaar. De boa-werkgever kan zelf kiezen waar de boaopgeleid of getraind wordt voor het gebruik van de extra middelen. Eenboa mag echter pas gebruikmaken van geweldmiddelen indien deze dedaarvoor bestemde toets met voldoende resultaat heeft afgerond. DePolitieacademie is verantwoordelijk voor het samenstellen van deRTGB-toetsen en de certificering van de RTGB-toetsers. De training vanpolitieagenten geschiedt volledig intern bij de politie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2365 Vraag 127:Waarom wordt gekozen voor een inwerkingtreding op 1 januari 2026,zonder enige invloed of tussenkomst van de Kamer? Waarom wordt ergekozen voor hoge spoed zonder debat? Is de Minister zich bewust vanhet feit dat het bewapenen van boa’s een gevoelige discussie is die aljaren loopt en dat hierbij een zorgvuldige bespreking van de Kamernoodzakelijk is?Antwoord op vraag 127:Er is geen sprake van inwerkingtreding op 1 januari 2026. Zoals aange-geven in mijn brief van 2 oktober jl. werk ik stapsgewijs aan het nieuweboa-bestel en streef ik ernaar het nieuwe stelsel in 2028 volledigingevoerd en operationeel te hebben. Ik zal dat in stappen doen en uwKamer daar ook tussentijds van op de hoogte houden.Daarnaast ben ik bezig met het aanpassen van de Beleidsregels boa ophet punt van de toekenningscriteria voor de geweldmiddelen. Op ditmoment wordt er gewerkt aan de laatste afstemming van de tekst voor deaangepaste beleidsregels met de betrokken partijen. Het streven is om denieuwe regeling in het eerste tertaal van 2026 te laten ingaan. Voordatdeze in werking zal treden zal deze worden gepubliceerd zodat deze vooralle betrokkenen kenbaar is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 395, nr. 2366

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · d7ba0bdb4e883381

14 okt 2026 · 2ebfd558d38cce8f

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.