Verslag van een schriftelijk overleg o.a. de Geannoteerde Agenda JBZ-Raad 13-14 juni 2024 (Kamerstuk 32317-879)
Brontekst
Versie 2d5905ab1e3fb957 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 317JBZ-RaadNr. 880 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 12 juni 2024 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Ministers van Justitie en Veiligheid, voorRechtsbescherming en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid overde JBZ-Raad van 13 en 14 juni 2024 (algemeen) (Kamerstuk 32 317,nr. 879) en de JBZ-Raad van 4 en 5 maart 2024 (algemeen) (Kamerstuk32 317, nr. 873 en Kamerstuk 32 317, nr. 877) en het Fiche: Herzieningrichtlijn bestrijding van seksueel kindermisbruik en materiaal betreffendekindermisbruik (Kamerstuk 22 112, nr. 3950).De vragen en opmerkingen zijn op 10 juni 2024 aan de Ministers vanJustitie en Veiligheid, voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris vanJustitie en Veiligheid voorgelegd. Bij brief van 12 juni 2024 zijn de vragenbeantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,Van NispenAdjunct-griffier van de commissie,Vroege kst-32317-880ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8801 Inhoudsopgaveblz.IVragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie10Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie11IIReactie van de Minister I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het verslag van de JBZ-Raad van 4 en 5 maart 2024 en van de agendavan de JBZ-Raad van 13 en 14 juni 2024. Deze leden stellen graag nogenkele vragen.Verslag JBZ-raad 4–5 maart De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling in het verslag vande JBZ-Raad gelezen dat er door het voorzitterschap een nieuw tekst-voorstel is verspreid betreffende de Verordening tot vaststelling vanregels ter voorkoming en bestrijding van seksueel misbruik van kinderen(CSAM-verordening) en dat de technische discussies hierover zijnaangevangen. Kan de Minister schetsen hoe deze discussies verliepen– ook in het licht van de moeizame voortgang op deze verordening?Waaruit bestond het nieuwe voorstel van het voorzitterschap? Waren dittekstsuggesties waar de Minister zich in kon vinden?AntwoordHet Belgische voorzitterschap heeft zich de afgelopen maandenmet name ingezet om nadere waarborgen te stellen aan detoepassing van het zogeheten, en veelbesproken, detectiebevel.De technische discussies hierover verliepen constructief, maarlaten tegelijk zien dat lidstaten nog niet op één lijn liggen metbetrekking tot de regeling over het detectiebevel. Nederland kanzich op onderdelen vinden in het tekstvoorstel van het Voorzitter-schap, maar blijft, zoals uw Kamer weet, geen voorstander vandetectie van onbekend materiaal en grooming.1EU-agenda 2024–2029De leden van de VVD-fractie weten dat er met de verkiezing van een nieuwEuropees Parlement (EP) ook een nieuw samengestelde EuropeseCommissie (EC) in zicht komt, met daarbij een nieuw Europese Unie(EU)-werkprogramma. Klopt het, zo vragen de leden van de VVD-fractie,dat de Minister al actief bezig is met een lobby richting de EC om deNederlandse belangen goed in dat werkprogramma te krijgen? Waaruitbestaat de lobby van de Minister? Welke onderwerpen wil de Ministerterugzien in het EU-werkprogramma? Heeft zij ook contact met gelijkge-stemde lidstaten voor een gezamenlijke lobby richting het EC? Zo ja, omwelke gezamenlijke prioriteiten gaat het dan?1Zie in dit verband ook de brief van 18 september 2023, Kamerstukken II, 2022/23, 26 643,nr. 1069.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8802 AntwoordTer verankering van de Nederlandse prioriteiten op het gebiedvan Justitie en Veiligheid in de beleidsagenda van de nieuweCommissie is een aantal non-papers opgesteld en breedverspreid. De non-papers zijn op 23 februari jl. met uw Kamergedeeld.2 Met deze non-papers als uitgangspunt worden deNederlandse standpunten en prioriteiten zowel op ambtelijk– bijvoorbeeld in raadswerkgroepen – als op ministerieel niveau– in individuele gesprekken op politiek niveau en in de JBZ-Raad –actief uitgedragen. Hierbij wordt zoveel mogelijk samenwerkinggezocht met gelijkgestemde lidstaten. Het verschilt peronderwerp welke landen dit betreft. Zo trekt Nederland nauw opmet de landen uit de coalitie tegen ondermijning, maar wordt ookbreed gezocht naar andere lidstaten die de Nederlandse stand-punten delen.De non-papers richten zich op de JenV-prioriteiten zoals deaanpak van georganiseerde criminaliteit, waaronder de bestuur-lijke aanpak en het tegengaan van voortgezet handelen indetentie, maar ook het tegengaan van illegaal vuurwerk. Ookvraagt het kabinet aandacht voor het mogelijk maken vanGPS-tracken van voertuigen in andere lidstaten in het kader vanhet Europees Opsporingsbevel en het codificeren van hetverzamelen van persoonsgegevens in het kader van rechtshand-having. Op het gebied van migratie onderstrepen de non-paperswat Nederland op dit moment verwacht van de nieuweCommissie op het gebied van asiel en migratie, en in hetbijzonder bij de implementatie van het asiel- en migratiepact, enten aanzien van de uitdagingen aan de grenzen, het verbeterenvan terugkeer en de externe dimensie (waaronder de samen-werking met derde landen). Tot slot pleit het kabinet voor eenmeer integrale aanpak van de interne veiligheid van de EU.Het kabinet verwijst de leden van de VVD-fractie voor de volle-digheid ook naar het verslag van het schriftelijk overleg over denon-papers.3CSAM-verordening / Tijdelijke wetgevingDe leden van de VVD-fractie constateren dat, alle pogingen van hetBelgische voorzitterschap ten spijt, er nog steeds geen doorbraak isbereikt in de onderhandelingen over de CSAM-verordening. Waar zit nu,zo vragen deze leden, de bottleneck voor een mogelijk akkoord? Inhoeverre heeft de Minister er vertrouwen in dat het Hongaarse voorzitter-schap met dezelfde ijver gaat werken aan een doorbraak op deCSAM-verordening als het Belgische voorzitterschap? Verandert denieuwe samenstelling van het EP iets aan de positie van dat parlement indeze discussie? De leden benadrukken het belang van deze wetgeving enhoren graag wat de inzet van de Minister is om tot een akkoord te komen.De leden van de VVD-fractie lezen over tijdelijke wetgeving om verdachteactiviteit vrijwillig te detecteren, rapporteren en verwijderen. Dezewetgeving is nu tot 3 april 2026 van kracht. In hoeverre wordt demogelijkheid tot vrijwillige detectie vooralsnog benut door webproviders?2Kamerstukken II, 2023–2024, 32 317, nr. 872.3Kamerstuk II, 2023–2024, 32 317, nr. 877, d.d. 26 april 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8803 AntwoordHet is niet te zeggen hoeveel webproviders gebruik maken van demogelijkheid tot vrijwillige detectie. De keuze om dit te doen, ligtbij deze partijen zelf. Met de VVD-fractie deelt het kabinet dathet van belang is dat voor deze problematiek in EU-verbandwetgeving tot stand komt. Het kabinet heeft er vertrouwen in datdit belang ook door het Hongaarse voorzitterschap wordtgedeeld. Het krachtenveld binnen het Europees Parlement innieuwe samenstelling is nog niet bekend.In algemene zin geldt dat de meeste discussies over de inhoudvan de Verordening zich hebben toegespitst op het zogehetendetectiebevel. Discussies gaan met name over de vraag of eendergelijk detectiebevel van de Verordening deel moet uitmaken,waarop het betrekking zou moeten hebben en welkevoorwaarden aan de toepassing daarvan moeten wordenverbonden.Aanscherping EU-regels inzake de confiscatie van vermogensbestands-delenDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet akkoord betreffende de ontneming en confiscatie van vermogensbe-standsdelen. Met dit akkoord komen er nieuwe regels die lidstaten in staatstellen om onverklaarde rijkdom in beslag te nemen, indien dezevoortvloeit uit criminele gedragingen. Deze leden vragen de Minister in tegaan op de nationale implicaties van dit akkoord. Hoe wordt hetwetsvoorstel confiscatie criminele goederen om crimineel vermogen af tepakken door dit akkoord beïnvloedt? Betekent dit een enkele wijziging inhet huidige wetsvoorstel of een compleet nieuwe wet? Hoe lopen degesprekken met de betrokken partijen in de strafrechtketen over ditonderwerp? Wanneer verwacht de Minister met de uitwerking van dezerichtlijn naar de Kamer te komen?AntwoordUw Kamer is op 15 maart jl. geïnformeerd over de implicatie diede nieuwe richtlijn voor de ontneming en confiscatie vanvermogensbestanddelen (hierna: confiscatierichtlijn) heeft vooreen nationale procedure inzake non conviction based confis-cation (hierna: NCBC).4 Bij het verslag van de JBZ-Raad van 4 en5 maart jl.5 heeft het kabinet de nationale implicaties van ditakkoord op een rij gezet, en bij separate brief is specifiekingegaan op de gevolgen voor het wetsvoorstel confiscatiecriminele goederen (hierna: CCG).6 De confiscatierichtlijnverplicht lidstaten onder meer tot het gebruik maken van eenstrafrechtelijke procedure voor de confiscatie van vermogenzonder voorafgaande veroordeling. Mede als gevolg hiervan heefthet kabinet besloten het wetsvoorstel CCG, dat voorzag in eencivielrechtelijke procedure NCBC, niet in te dienen en in plaatshiervan een nieuw conceptwetsvoorstel ter implementatie van deconfiscatierichtlijn op te stellen, waarvan de procedure NCBConderdeel zal uitmaken. Over de uitwerking van dit nieuwewetsvoorstel worden regulier gesprekken gevoerd met betrokkenpartijen uit de strafrechtketen. Beoogd wordt om een concept-wetsvoorstel rond het einde van het jaar in consultatie tebrengen.4Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 29 911, nr. 435.5Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 874.6Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 29 911, nr. 435.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8804 Richtlijn slachtofferrechtenDe leden van de VVD-fractie lezen dat naar verwachting een algemeneoriëntatie kan worden bereikt in de Raad over de richtlijn slachtoffer-rechten. Kan nader worden toegelicht hoe de punten waar de Ministeraanvankelijk erg kritisch op was, nu worden geadresseerd in het voorlig-gende voorstel?AntwoordUw Kamer is in oktober 2023 middels BNC-fiche geïnformeerdover het voorstel en de kabinetsinzet.7 In het BNC-fiche heeft hetkabinet aangegeven met betrekking tot een aantal puntenkritisch te zijn. Het betrof onder meer de voorstellen rondomprocedurele rechten voor slachtoffers in de strafprocedure, hetfaciliteren van schadeverhaal (inclusief onmiddellijkvoorschieten) in de strafprocedure, kosteloze psychologischeondersteuning en het aanscherpen van de individuele beoor-deling. De redenen voor de kritische houding met betrekking totdeze voorstellen waren: de consequenties voor het stelsel van hetNederlandse strafprocesrecht, de grote gevolgen voor deketenorganisaties en de doorlooptijden.Deze onderwerpen zijn in de algemene oriëntatie significantaangepast waarbij er nu voldoende ruimte is om de verplich-tingen in te passen in het Nederlandse stelsel en waardoorNederland de tekst kan steunen.Kan voor elk van de kritiekpunten worden aangegeven hoe de algemeneoriëntatie deze kritiekpunten zijn geadresseerd? Op welke wijze zijn deteksten substantieel gewijzigd ten opzichte van het initiële commissie-voorstel? De leden van de VVD-fractie vragen voorts hoe de richtlijn strakservoor zorgt dat de privacy van slachtoffers beter wordt gewaarborgd.AntwoordTen aanzien van het initiële voorstel van de Europese Commissie(hierna: het voorstel) is een aantal elementen substantieelgewijzigd.In het voorstel werd voorgesteld dat het slachtoffer het rechtkrijgt op herziening van een aantal beslissingen dat op deterechtzitting wordt genomen. In de tekst van de algemeneoriëntatie staat dat lidstaten ervoor dienen te zorgen dat slacht-offers worden geïnformeerd over beslissingen, ten aanzien vanbepaalde beschermingsmaatregelen, die op de terechtzitting zijngenomen. Het nationale recht kan voorzien in de mogelijkheidvoor slachtoffers om een herziening te vragen van dergelijkebeslissingen die op de terechtzitting zijn genomen. De richtlijnverplicht volgens deze tekst dus niet tot het bieden van een rechtop herziening.Het kabinet heeft zich bij de onderhandelingen ook ingezet voorhet vinden van een goede balans tussen het beschermen van deprivacy van slachtoffers en het feit dat persoonsgegevens insommige gevallen relevante informatie vormt voor de strafvor-dering en om die reden in het dossier moeten wordenopgenomen. In het voorstel stond dat lidstaten ervoor dienen tezorgen dat persoonsgegevens van een slachtoffer aan de handwaarvan de dader de woonplaats van het slachtoffer kan achter-halen of anderszins op enigerlei wijze contact met het slachtoffer7Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 22 112, nr. 3799.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8805 kan opnemen, niet direct of indirect aan de dader wordenverstrekt. In de algemene oriëntatie staat dat lidstaten de nodigemaatregelen moeten treffen om te verzekeren dat als debevoegde autoriteiten, ambtshalve of gebaseerd op een verzoekvan het slachtoffer, vaststellen dat er een risico kan zijn dat hetslachtoffer of een derde persoon kan worden blootgesteld aanbedreigingen of geweld, persoonsgegevens inzake de woonplaatsvan het slachtoffer of andere gelijkwaardige contactgegevensniet gegeven worden aan de overtreder, tenzij het niet bekendmaken van de informatie afbreuk zou doen aan de rechten van deverdediging.Een andere wijziging betreft de in het voorstel opgenomenverplichting voor de lidstaten dat de Staat de toegekendeschadevergoeding voorschiet aan het slachtoffer en vervolgensprobeert om dit bedrag te innen. Het kabinet heeft in hetBNC-fiche reeds aangegeven hier geen voorstander van te zijn.Dit past namelijk niet bij het uitgangspunt dat de overheid nietverantwoordelijk is voor de volledige vergoeding van door eenstrafbaar feit geleden schade die door een ander is veroorzaakt.Nederland is wel voorstander van beleid ter ondersteuning vanslachtoffers in hun schadevergoedingsaanspraak op de daderzoals we dat in Nederland hebben, met name door de rol van deStaat om schadevergoeding te innen als een schadevergoedings-maatregel is opgelegd. Nederland heeft zich in de onderhande-lingen ingezet voor dit alternatief, dat minder ver gaat dan hetCommissievoorstel, mede in het licht van het feit dat veellidstaten op dit gebied nog niets hebben geregeld.Voor het Commissievoorstel was bij de lidstaten op dit puntonvoldoende draagvlak. Er was echter evenmin voldoende steunvoor het alternatief van Nederland. De bepaling ten aanzien vanschadevergoeding is geschrapt. Dit betekent dat de algemeneoriëntatie geen wijziging omvat van het bestaande artikel 16 vande Richtlijn 2012/29/EU ten aanzien van het recht op eenbeslissing inzake schadevergoeding door de dader in de loop vande strafprocedure.Nadat de JBZ-Raad heeft ingestemd met de algemene oriëntatiewordt de tekst openbaar. Met het verslag van de JBZ-raad zal hetkabinet de algemene oriëntatie naar uw Kamer sturen, zodat ukennis kan nemen van de wijzigingen.Ook vragen deze leden hoe de voorstellen van de commissie-Donner omeen beter toegankelijke voorschotregeling voor schadevergoeding zichverhouden tot de teksten van de richtlijn die nu voorliggen? Klopt deinschatting van deze leden dat de richtlijn lidstaten verplicht om eenlaagdrempelige en snelle voorschotregeling in hun nationale recht op tenemen voor slachtoffers?AntwoordDe Commissie Donner typeert de bestaande Nederlandsevoorschotregeling als een garantstelling en stelt onder meer voorom de Nederlandse systematiek te wijzigen. Zo adviseert deCommissie Donner «om het ongerechtvaardigde verschil datgelegen is in de op onderdelen ongelimiteerde garantstelling,weg te nemen door de voorschotregeling om te buigen naar eenvoorschot voor alle slachtoffers van een strafbaar feit, ter hoogtevan wat redelijkerwijze verwacht kan worden dat geïnd zalworden. In plaats van een gegarandeerde schadevergoeding voorslachtoffers van bepaalde strafbare feiten, ongeacht de hoogteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8806 daarvan, komt er dan een gegarandeerd reëel voorschot voorslachtoffers van alle strafbare feiten.»8 Voor de kabinetsreactieop het advies van de Commissie Donner verwijst het kabinet naarde brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 juni2023.9 Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie gaatverder dan het advies van de Commissie Donner. De Commissiestelde voor dat de staat verplicht werd om de toegekendeschadevergoeding in alle gevallen voor te schieten aan hetslachtoffer. Zoals hiervoor aangegeven is in de algemene oriën-tatie de bepaling ten aanzien van schadevergoeding geschrapt.Tot slot vragen de leden hoe de Minister aan kijkt tegen het voorstel vande schaduwrapporteur in het Europees Parlement om ook rechtspersonenonder het toepassingsbereik van de richtlijn te laten vallen.AntwoordVoorop wordt gesteld dat de vigerende richtlijn 2012/29/EUuitsluitend van toepassing is op natuurlijke personen. Ook in hetvoorstel voor aanpassing van de richtlijn is dit het uitgangspunt.De amendementen van het Europees Parlement zullen later ditjaar worden besproken in het kader van de triloog tussenEuropees Parlement, Europese Commissie en Raad. Er is nog geeninbreng bepaald voor de positie van de Raad ten aanzien van dedoor het Europees Parlement voorgestelde amendementen. Datgeldt ook voor het voorstel van de schaduwrapporteur omrechtspersonen onder het toepassingsbereik van de richtlijn telaten vallen. De gevolgen van dit voorstel vergen een grondigeanalyse van alle bepalingen uit de bestaande richtlijn en van dewijzigingen die de aanhangige richtlijn aanbrengt. In het Neder-landse Wetboek van Strafvordering kan een slachtoffer overigensook een rechtspersoon zijn, die als rechtstreeks gevolg van eenstrafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft onder-vonden.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennis genomen van de geanno-teerde agenda van de JBZ-Raad op 13 en 14 juni 2024. Deze leden stellengraag nog enkele vragen.De leden van de NSC-fractie hebben vragen over de Verordening totvaststelling van regels ter voorkoming en bestrijding van seksueelmisbruik van kinderen (CSAM-verordening). Deze leden zijn met deMinister groot voorstander van een gezamenlijke aanpak van onlineseksueel kindermisbruik. Online seksueel kindermisbruik is een afschu-welijk vergrijp dat niet binnen de eigen landgrenzen blijft. Voor eeneffectieve aanpak van online seksueel kindermisbruik is Europesesamenwerking volgens deze leden van groot belang. DeCSAM-verordening zet in haar huidige vorm in op een inperking vanencryptie van elektronisch berichtenverkeer waarbij ook het berichten-verkeer van niet-verdachten gescand wordt. Dit leidt tot massasurveil-lance, hetgeen volgens de leden van de NSC-fractie het risico teweeg-brengt van een niet te rechtvaardigen inbreuk op grondrechten, zoalsonder meer het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Erzijn creatieve oplossingen aangedragen, waaronder het vragen aan8Zie het advies van de Commissie Donner: Adviesrapport commissie-Donner stevige basis voortoekomstig schadestelsel | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl, p. 104 en 107.9Kamerstukken II 2022/23, 33 552 en 29 279, nr. 111.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8807 gebruikers van instemming dat berichtenverkeer op hun apparaten opCSAM wordt gescand en/of een risicoclassificatie van verdacht materiaalwaarbij web providers via wier diensten het berichtenverkeer looptnaarmate het risico hoger wordt ingeschat aan zwaardere waarborgenzouden moeten voldoen. De leden van de NSC-fractie vragen naar depositie van de Minister ten opzichte van deze oplossingen? Is voor deMinister voldoende duidelijk hoe deze oplossingen werken? En is deMinister ervan overtuigd dat deze oplossingen niet leiden tot enige vormvan massasurveillance? Zijn er, naast deze oplossingen, ook andereoplossingen?AntwoordZoals uw Kamer weet, steunt Nederland geen voorstellen tenaanzien van de detectie van onbekend materiaal of grooming.Bovendien is het, zoals eerder met uw Kamer gedeeld, mogelijkte detecteren zonder end-to-end encryptie onmogelijk te maken.Conform de motie-Van Raan c.s. is dat ook steeds de Nederlandseinzet in Brussel.10 Wel is het kabinet het met de leden van deNSC-fractie eens dat detectie alleen mogelijk moet zijn als lastresort en dat daaraan strikte voorwaarden moeten wordenverbonden. Deze uitgangspunten zijn voor het kabinet nog steedsleidend, ook bij de appreciatie van nieuwe voorstellen.De leden van de NSC-fractie hebben ook vragen over de herziening van deRichtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting vankinderen (CSA-richtlijn). De Minister geeft aan kritisch te zijn over deherziening van de CSA-richtlijn omdat het voorstel niet verder mag gaandan strikt noodzakelijk om het doel te verwezenlijken en de bepalingeninpasbaar moeten zijn in het Nederlandse stelsel van strafbaarstellingen.De leden van de NSC-fractie vragen de Minister welke punten uit deCSA-richtlijn verder beogen te gaan dan strikt noodzakelijk? Ook vragendeze leden welke bepalingen niet inpasbaar zijn in het Nederlandse stelselvan strafbaarstellingen?AntwoordVoorop wordt gesteld dat het kabinet het voorstel tot herzieningvan de Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruiken seksuele uitbuiting van kinderen (hierna: CSA-richtlijn)verwelkomt. Een gezamenlijke aanpak van (online) seksueelkindermisbruik en seksuele uitbuiting van kinderen is gezien hetgrensoverschrijdende karakter ervan essentieel voor een effec-tieve bestrijding van deze vorm van criminaliteit.Het kabinet is in het algemeen positief over het voorstel om destrafbaarstellingen in de richtlijn verder aan te scherpen. Deaanpassingen sluiten over het algemeen goed aan bij recenteNederlandse wetgeving op dit terrein, waaronder de nieuwe Wetseksuele misdrijven (Stb. 2024, 59), die per 1 juli van dit jaar inwerking treedt. In reactie op eerdere vragen van Uw Kamer isnader ingegaan op de wijze waarop de in het richtlijnvoorstelopgenomen aangescherpte strafbaarstellingen in de Nederlandsewetgeving strafbaar zijn gesteld.1110Zie de moties Van Raan c.s., Kamerstukken II, 2021–22 26 643, nr. 885, Van Ginneken c.s.Kamerstukken II, 2022–23 26 643, nr. 1011, en Van Weerdenburg c.s. Kamerstukken II 2022–2326 643, nr. 1047.11Zie Kamerstukken II 2023–24, 22 112, nr. 3950.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8808 Op een aantal punten meent het kabinet echter dat de exacteafbakening van de voorgestelde bepalingen in het richtlijn-voorstel van de Commissie nog aandacht vraagt. Zo wordt er inEU-verband nader gesproken over de mate waarin gedragingenmet kindersekspoppen onder het bereik van de aangepasterichtlijn zouden (moeten) vallen en hoe dit zou moeten wordenvormgegeven. Zoals in de eerdergenoemde reactie op Kamer-vragen aangegeven zal Nederland zich hierover – tegen deachtergrond van het aanvaarde amendement-Michon Derkzenover dit onderwerp – in positieve zin uitlaten en daarbij de inhoudvan het amendement als leidraad nemen. Een ander voorbeeld ishet voorstel om instructief materiaal over het seksueelmisbruiken van kinderen onder het bereik van de richtlijn tebrengen. Het kabinet staat hier positief tegenover, maar datmateriaal wordt – zoals ook in het BNC-fiche uiteengezet – in devoorstellen nu gelijkgesteld met kinderpornografisch materiaal(visuele weergaven van seksueel misbruik van kinderen). Dezegelijkstelling vindt het kabinet minder gelukkig omdat daarmeebeschrijvend materiaal dat strekt tot het instrueren over seksueelmisbruik van kinderen – en daarom een meer voorbereidendkarakter heeft – op een lijn wordt gesteld met visuele weergavesvan daadwerkelijk seksueel misbruik van kinderen. Ook kan hetkabinet zich in het algemeen goed vinden in de voorgesteldeaanscherping van de strafmaten. Met de Wet seksuele misdrijvenworden verschillende strafmaxima voor seksuele misdrijvengepleegd tegen kinderen verhoogd. Met die wet is voorzien in eenraamwerk van passende en onderling op elkaar afgestemdestrafmaxima. Over het algemeen sluiten de in de richtlijn voorge-schreven strafniveaus hierbij aan.Op enkele onderdelen voorziet het voorstel van de Commissie opdit moment echter in een strafmaat die tot aanpassing van deNederlandse wetgeving zou leiden. Dit houdt er met name meeverband dat in de richtlijn – ook ten aanzien van de strafniveaus –slechts een onderscheid wordt gemaakt tussen seksueel minder-en seksueel meerderjarigen, terwijl in de Nederlandse wetgevingniet alleen een onderscheid is gemaakt tussen seksueel meerder-jarige kinderen (16 tot 18-jarigen) en seksueel minderjarigen(kinderen jonger dan 16 jaar), maar ook binnen de categorieseksueel minderjarigen in gedifferentieerde strafmaxima isvoorzien voor gedragingen ten aanzien van minderjarigen jongerdan twaalf jaar en minderjarigen tussen de twaalf en zestien jaar.Dat dit laatste onderscheid in de richtlijn niet wordt gemaakt,betekent dat de richtlijnvoorstellen op een aantal puntenonvoldoende ruimte laten om voor deze laatste leeftijdscategorie(12- tot 16-jarigen) in afzonderlijke strafbepalingen met een eigenstrafmaximum te voorzien. Het kabinet zal – ook vanwege hetbelang dat lidstaten voldoende ruimte hebben om eenevenwichtig stelsel van strafmaxima voor seksuele misdrijven tekunnen waarborgen – zich er in de onderhandelingen dan ookhard voor maken dat lidstaten de ruimte houden om dit soortmaatwerk in hun wetgeving te kunnen blijven bieden.Kort samengevat steunt dit kabinet de voorgestelde aanpas-singen ten aanzien van de strafbaarstellingen en strafmaten ensluiten deze over het algemeen aan bij Nederlandse wetgeving.Op enkele punten zal echter worden ingezet op (technische)verbeteringen en aanpassingen, zodat Nederland en anderelidstaten voldoende ruimte houden om de voorstellen op eenevenwichtige wijze in te passen in de nationale stelsels.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 8809 De leden van de NSC-fractie hebben tot slot vragen over de lobby die deMinister inzet om het werkprogramma 2024–2029 van de nieuweEuropese Commissie te beïnvloeden. Heeft de Minister zicht op of deonderwerpen die Nederland op het werkprogramma wil zien ook wordengesteund door andere lidstaten? Heeft de Minister zicht op onderwerpendie andere lidstaten in het werkprogramma willen opnemen?AntwoordHet kabinet verwijst naar het antwoord op bovenstaande vraagvan de leden van de VVD-fractie over de inzet om het werkpro-gramma 2024–2029 van de nieuwe Europese Commissie tebeïnvloeden.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda van de JBZ-Raad op 13 en 14 juni 2024 in Luxemburg. Dezeleden maken graag van de gelegenheid gebruik om nog enkele vragen testellen hierover aan de Minister.Afronding richtlijn aanpak mensenhandelDe leden van de CDA-fractie lezen dat op 23 april 2024 het EuropeesParlement heeft ingestemd met de mensenhandel-richtlijn. In dezerichtlijn worden verschillende maatregelen genomen om middels eenEuropees juridisch kader mensenhandel te voorkomen en slachtoffers tebeschermen. De leden van de CDA-fractie vragen hoe deze richtlijn zichverhoudt tot het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaar-stelling mensenhandel (36 547), dat op dit moment aanhangig is bij deTweede Kamer? Heeft de richtlijn gevolgen voor de inhoud van ditwetsvoorstel?AntwoordNa de inwerkingtreding van de herziene mensenhandelrichtlijnhebben de lidstaten twee jaar de tijd om de desbetreffendebepalingen om te zetten in hun nationale beleid of wetgeving. Denoodzakelijke wetgevende maatregelen die in het kader van dieimplementatie moeten worden genomen, zullen wordenneergelegd in een separaat implementatiewetsvoorstel datafzonderlijk in procedure zal worden gebracht. Het Wetsvoorsteltot modernisering en uitbreiding van de strafbaarstelling vanmensenhandel, dat op dit moment bij uw Kamer aanhangig is,bevat geen onderdelen die na inwerkingtreding van de herzienemensenhandelrichtlijn ongedaan moeten worden gemaakt.De leden van de CDA-fractie lezen dat de Minister graag had gezien dat deaparte rol van een Nationale Rapporteur, zoals die voorheen in artikel 19van de richtlijn stond, behouden was gebleven. Wat is de reden dat ditniet in de finale versie van de richtlijn terecht is gekomen? HeeftNederland hier over onderhandeld en welke lidstaten zaten hier metNederland op een lijn?AntwoordNederland heeft tot aan het einde van de onderhandelingaangegeven dat het de voorkeur heeft om de tekst van de huidigerichtlijn op het punt van de Nationale Rapporteur te behouden. Erwas echter een aantal grote lidstaten die een andere meningwaren toegedaan omdat het voorstel niet in hun nationalesysteem paste, waardoor het compromisvoorstel van het Voorzit-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 88010 terschap is aangenomen. Met de huidige tekst konden delidstaten, waaronder ook Nederland, uit de voeten.De leden van de CDA-fractie lezen dat het Europees Parlement heeftvoorgesteld om het non-punishment beginsel binnen artikel 8 van derichtlijn te verruimen door alle strafrechtelijke procedures te staken tenaanzien van een vermoedelijk slachtoffer. In overeenstemming met hethuidige beleid is, mede op verzoek van Nederland, in de richtlijn aan delidstaten de ruimte gelaten voor de wijze waarop nationaal op de meestdoeltreffende wijze uitvoering kan worden gegeven aan hetnon-punishment beginsel. De leden van de CDA-fractie vragen aan deMinister of ter sprake is gekomen bij de onderhandeling of hetnon-punishment beginsel wettelijk verankerd zou moeten worden. Dezeleden vragen ook welke andere landen aan de zijde van Nederlandstonden als het gaat om nationale uitwerking van het non-punishmentbeginsel.AntwoordVoor het kabinet staat voorop dat het non-punishment beginseleen belangrijke pijler vormt van het regeringsbeleid om slacht-offers van mensenhandel op adequate wijze te beschermen:toepassing van dit beginsel in gevallen die zich daarvoor lenen,beschermt de mensenrechten van slachtoffers en beoogt tevoorkomen dat zij door het handelen van overheidsinstantiesopnieuw tot slachtoffer worden gemaakt. Om in de praktijkzoveel mogelijk invulling te geven aan het beginsel vanniet-bestraffing, ligt de sleutel bij het waarborgen van een goedeuitvoeringspraktijk. Tijdens de onderhandelingen heeft Nederlandhet voorstel gedaan om op nationaal niveau ruimte te laten voorde beoordeling ten aanzien van het non-punishment beginsel. Deandere lidstaten konden zich hier zonder discussie in vinden.Tijdens de onderhandelingen over de herziening van de mensen-handelrichtlijn is niet ter sprake gekomen om in het voorstel eenverplichting tot specifieke wettelijke verankering van hetnon-punishment beginsel op te nemen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben de agenda van de JBZ-Raad van 13 en14 juni gelezen. De leden hebben hier nog een aantal vragen over.De leden van de SP-fractie zien dat momenteel de laatste stappen wordengezet in de Talentenpool-verordening. De leden zien dat dit stuk is bedoeldom de tekorten op de arbeidsmarkt op te lossen met migranten van buitende EU. De Minister geeft aan dat hiermee volle aandacht is voor hetvoorkomen van misstanden en uitbuiting van arbeidsmigranten. Ditterwijl er nu ook al sprake is van veel misstanden met arbeidsmigrantenvan binnen de EU. Zo geeft de Minister aan dat er wordt gekeken naar defunctie van de werkgever. De leden willen de Minister vragen hoe ditvoldoende garantie is dat misstanden niet zullen plaatsvinden? Deelt deMinister de mening dat er nu ook veel misstanden plaatsvinden als hetgaat om de vestiging en de omgang met arbeidsmigranten? Op welkemanier gaat het helpen als er nog meer arbeidsmigranten via deTalentenpool naar Nederland worden gehaald terwijl er nu al veelmisgaat? De leden vinden het alarmerend dat de Minister er juist op inzetdat werkgevers verantwoordelijk blijven voor een goede selectie vanmigranten, terwijl werkgevers juist nu verantwoordelijk zijn voor demisstanden en geen enkele prikkel hebben om voor goede omstandig-heden te zorgen. De werkgevers worden gedreven door winst en dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 88011 wordt gemaximaliseerd met slechte huisvesting, slechte lonen en dekosten voor onderhoud voor de arbeidsmigranten zo laag mogelijk tehouden. Deze verantwoordelijkheid leggen bij de werkgevers zorgt juistniet voor betere omstandigheden. Deelt de Minister deze mening? Opwelke manier gaat de Minister er juist voor zorgen dat de controle op dezewerkgevers wordt geïntensiveerd in het belang van deze arbeidsmi-granten? Moet de Minister niet eerst prioriteit geven aan het verbeterenvan de omstandigheden voor de arbeidsmigranten die nu onder slechteomstandigheden in Nederland verblijven en worden uitgebuit? Deelt deMinister de mening dat deze Talentenpool hiermee een stap in deverkeerde richting is omdat het voorkomen van misstanden nu totaal nietkan worden gegarandeerd?AntwoordDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid informeerdeuw Kamer, mede namens mijzelf, op 10 juni jl. over de Neder-landse positiebepaling ten aanzien de EU-Talentenpool.12 Hetkabinet komt tot het oordeel om te onthouden van stemming.Waar de voorwaarden voor toelating tot de Nederlandse arbeids-markt door het voorstel niet worden aangepast, ziet het kabinetevenwel risico’s ten aanzien van misstanden bij arbeidsmi-granten. Het kabinet heeft zich tijdens de onderhandeling daaromintensief ingezet voor concrete waarborgen om misstanden tevoorkomen. Daar is in de algemene oriëntatie deels aan tegemoetkomen. Zo stelt de algemene oriëntatie dat werving en plaatsingalleen gericht mag zijn op functies in de lidstaat waarin dewerkgever gevestigd is. Ook dient er sprake te zijn van eenconcrete vacature alvorens een werkgever een werknemer uit eenderde land kan werven. Daarnaast kunnen lidstaten werkgeversuitsluiten van deelname aan het platform. Verder wordt explicietgenoemd dat de Detacheringsrichtlijn en de relevante jurispru-dentie nageleefd dienen te worden, waaronder de voorwaardevan legale en gewoonlijke tewerkstelling in de zendende lidstaat.Ook is er een evaluatiebepaling opgenomen die stelt dat in derapporten van de Commissie over de toepassing van de veror-dening specifiek aandacht besteed moet worden aan: de doeltref-fendheid bij aanpakken van tekorten in deelnemende lidstaten,de doeltreffendheid van het aanwervingsproces, o.a. wat betrefthet waarborgen van eerlijke aanwervingspraktijken, en hetrespecteren van eerlijke en rechtvaardige arbeidsvoorwaarden.Het kabinet heeft zich er tevens voor ingezet dat werkgeversverantwoordelijk blijven voor een goede, non-discriminatoireselectie van kandidaten en verificatie van cv’s en kwalificaties,alsmede de toelatingsvereisten voor werk en verblijf. Dezewerkgeversverantwoordelijkheid is opgenomen in de algemeneoriëntatie. Gelet op de weging van de Nederlandse belangen ophet vlak van voorkomen van misstanden en oneigenlijkedetachering van met name derdelanders, migratiesamenwerkingen partnerschappen met landen van buiten de Unie, het krach-tenveld en het uiteindelijke doel en reikwijdte van de Veror-dening, komt het kabinet tot het oordeel om te onthouden vanstemming. De uiteindelijke deelname van lidstaten aan deTalentenpool is vrijwillig en de keuze om mee te doen is aan eennieuw kabinet.Het kabinet constateert dat de afgelopen jaren de schaduw-kanten van arbeidsmigratie duidelijk naar voren zijn gekomen opbrede schaal. Met name laaggeschoolde arbeidsmigranten zijn12Kamerstukken II, 2023–24, 21 501–31, nr. 751.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 88012 kwetsbaar voor misstanden. Om uitbuiting van arbeidsmigrantentegen te gaan, slechte huisvesting aan te pakken, en oneerlijkeconcurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt te voorkomen,voert het kabinet de aanbevelingen uit het rapport van hetAanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (commissie Roemer)onverkort en met urgentie uit en wordt onder andere de straf-baarstelling van mensenhandel gemoderniseerd en uitgebreid.13Werkgevers, uitzendbureaus en verhuurders zijn niet afhankelijkvan wetten en regels om op een fatsoenlijke manier om te gaanmet hun werknemers en huurders. Zij moeten de verantwoorde-lijkheid van goed werkgeverschap nemen, zodat de lusten enlasten van arbeidsmigratie eerlijker worden verdeeld.Als sluitstuk van de (voorgestelde) wet- en regelgeving zijn goedehandhaving en toezicht nodig om naleving te bevorderen enmisstanden bij arbeidsmigranten tegen te gaan. De Arbeidsin-spectie is gestart met de voorbereiding van de nieuwe taken ende capaciteitsuitbreiding in het kader van het toelatingsstelsel.Daarnaast is er samenwerking op Europees niveau. Zo zijn er inhet afgelopen jaar onder de vlag van de Europese Arbeidsauto-riteit (ELA) diverse gezamenlijke inspecties geweest. Door desamenwerking is er een versterkte informatiepositie en kunnendeze organisaties gezamenlijk of individueel zo effectief mogelijkoptreden. In recente publicaties is uitgebreid gerapporteerd overingezette interventies en behaalde resultaten.14 Daarnaastworden de activiteiten en werkzaamheden van de ELA in 2024geëvalueerd.De leden van de SP-fractie hebben de richtlijn voor slachtofferrechtengelezen. Het voorstel beoogt de rechten en ondersteuning van slachtofferste verstevigen. Echter hebben deze leden nog wel zorgen over deproportionaliteit van dit voorstel in de zin dat veel van deze puntenbovenal een nationale bevoegdheid zouden moeten blijven. De leden ziendat de Minister deze zorgen deelt. De consequenties voor het stelsel vanhet Nederlandse strafprocesrecht, de grote gevolgen voor de ketenorgani-saties en de doorlooptijden zijn geadresseerd in de algemene oriëntatiedoor de Minister. Deze zorgen delen de leden. De Minister geeft aan datNederland de algemene oriëntatie dan ook kan steunen. De leden willenwel voor de duidelijkheid vragen hoe dit met elkaar rijmt? Kan deoriëntatie worden gesteund omdat de zorgen erin zijn meegenomen? Watis de precieze status van deze oriëntatie als de geadresseerde zorgenhiermee nog niet zijn opgelost in de richtlijn? Wanneer krijgen de ledeneen terugkoppeling over wat er met deze zorgen is gedaan?AntwoordHet kabinet verwijst naar de antwoorden op bovenstaande vragenvan de leden van de VVD-fractie over hoe de algemene oriëntatiezich verhoudt tot de zorgen die het Kabinet had.Voor wat betreft de status merkt het Kabinet op dat de algemeneoriëntatie de inzet vormt van de Raad bij de onderhandelingen diein het kader van de triloog zullen worden gevoerd met hetEuropees Parlement en de Europese Commissie. Nadat deJBZ-Raad heeft ingestemd met de algemene oriëntatie wordt de13Kamerstukken II, 2022–23, 29 861, nr. 99, en zie documenten van de internetconsultatie van hetwetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht: Overheid.nl | ConsultatieWetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (internetconsulta-tie.nl).14https://www.nlarbeidsinspectie.nl/publicaties/rapporten/2023/07/10/rapportage-schijnconstructies-cao-naleving-en-fraude-2019-2022Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 88013 tekst openbaar. Met het verslag van de JBZ-raad zal de algemeneoriëntatie naar uw Kamer worden gestuurd. Het EuropeesParlement heeft op 24 maart 2024 zijn amendementen vastge-steld. Naar verwachting zal de triloog met het EuropeesParlement en de Europese Commissie in de tweede helft van ditjaar worden gestart.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 317, nr. 88014
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.