Conceptverslag Jeugdbeleid
Brontekst
Versie c042db84794ec5ca · officiële bronTweede Kamer, Jeugdbeleid VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT Concept De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben op 30 september 2026 overleg gevoerd met mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, over: de brief van de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 5 februari 2026 inzake verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (31497, nr. 510); de brief van de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 20 februari 2026 inzake stand van zaken asbest in speelzand (25834, nr. 201); de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 15 april 2026 inzake acties met betrekking tot de aanpak ten behoeve van passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek (31839, nr. 1149); de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 7 april 2026 inzake reactie op verzoek commissie over het rapport Je bent maar een kind, je durft gewoon niet (31839, nr. 1147); de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 20 mei 2026 inzake antwoorden op vragen commissie inzake verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (31497-510) (31497, nr. 512); de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 juni 2026 inzake reactie op rapport over het thema tabaksontmoediging en het reguleren van aanverwante producten (32011, nr. 137); de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 15 juni 2026 inzake reactie op verzoek commissie over financiële situaties van pleegzorg (31839, nr. 1176); de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 30 juni 2026 inzake stand van zaken moties en toezeggingen jeugd en aanbieding rapporten (31839, nr. 1179); de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 3 juli 2026 inzake excuus- en hersteltraject gesloten jeugdzorg (inclusief ZIKOS) of verblijf in een justitiële jeugdinstelling met een civielrechtelijke maatregel (31839, nr. 1181); de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 24 juli 2026 inzake reactie op verzoek commissie over het bericht dat een jeugdzorgorganisatie kinderen illegaal in een jeugdzorgtraject in Spanje heeft geplaatst (31839, nr. 1182); de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 4 september 2026 inzake reactie op verzoek commissie over het bericht dat een jeugdzorgorganisatie kwetsbare jongeren illegaal in zorgtraject Spanje plaatst (31839, nr. 1184); de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 1 september 2026 inzake eerste landelijk beeld jeugdigen in een-op-eensetting en/of buitencontractueel, buitenregionaal aanbod (31839, nr. 1183). Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Mohandis De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Eerdmans De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Esmeijer Voorzitter: Mohandis Griffier: Sjerp Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Ceder, Coenradie, Dobbe, Hamstra, Van Houwelingen, Van Meetelen, Mohandis, Moinat, Synhaeve, Verkuijlen en Westerveld, en mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Aanvang 13.32 uur. De voorzitter: Ik open de vergadering. Ik heet u van harte welkom bij het commissiedebat over het jeugdbeleid. Van harte welkom aan iedereen die dit debat volgt, hier of op afstand via het scherm. Van harte welkom aan alle Kamerleden en ook zeker aan de bewindspersonen: minister Sterk van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en staatssecretaris Van Bruggen van Justitie en Veiligheid. Van de zijde van de Kamer hebben we diverse sprekers. Ik introduceer ze even: de heer Ceder van de ChristenUnie als eerste, dan mevrouw Synhaeve van D66, de heer Hamstra van de CDA-fractie, mevrouw Coenradie van JA21, mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie, mevrouw Moinat van Groep Markuszower, de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie, mevrouw Westerveld van PRO, de heer Verkuijlen van de VVD en mevrouw Dobbe van de SP. Normaal beginnen we altijd met de eerste spreker — dat is de heer Ceder — maar in overleg heeft mevrouw Moinat gevraagd om als eerste te mogen, omdat zij andere verplichtingen heeft. Dat sta ik toe, met uw goedvinden uiteraard. Yes. Mevrouw Moinat, uw vijf minuten gaan in. Ik zet de interrupties in de eerste termijn van de zijde van de Kamer op vier. U kent mij: we kijken gewoon hoe het loopt. Maar 18.30 uur is een harde eindtijd; die is niet onderhandelbaar. Aan u het woord, mevrouw Moinat. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Dank u wel, voorzitter. Als een kind hulp nodig heeft, moet die hulp er zijn, niet over een halfjaar, niet nadat ouders vijf keer hun verhaal hebben verteld en niet pas wanneer een probleem zo ernstig is geworden dat alleen nog zware jeugdzorg overblijft. Toch worden kinderen en ouders steeds vaker van loket naar loket gestuurd. De gemeente wijst naar de zorgaanbieder, de zorgaanbieder wijst naar school, de school wacht op een indicatie en ondertussen wacht het kind. DNA wil daarom psychologen stevig in het voorveld inzetten, dicht bij de kinderen, ouders en scholen. Zij kunnen vroeg beoordelen wat er werkelijk aan de hand is en direct de juiste ondersteuning organiseren. Eén toegang, één duidelijk plan en meteen passende hulp. Licht waar het kan en specialistisch waar het moet. Ik hoor graag hoe de minister hiernaar kijkt. Voorzitter. Op een wachtlijst staan, is geen hulp krijgen. DNA wil dat de wachtlijsten per regio openbaar en vergelijkbaar worden. Zolang passende hulp nog niet beschikbaar is, moet overbruggingszorg worden geregeld. Kan de minister toezeggen dat geen enkel kind nog zonder enige vorm van ondersteuning op een wachtlijst blijft staan? Voor jongeren met complexe problemen is de situatie nog ernstiger. Zij worden soms een-op-een ondergebracht in appartementen, vakantiehuizen of andere noodplekken, zonder de behandeling die zij nodig hebben. Dat is geen passende jeugdhulp; dat is een systeem dat geen plek heeft en daarom maar een dure tijdelijke oplossing koopt. DNA is niet tegen de afbouw van gesloten jeugdhulp, maar wel tegen afbouw zonder alternatief. Eerst moeten veilige behandelplekken, voldoende deskundig personeel en goede vervolgzorg beschikbaar zijn. Anders verplaatsen we kinderen alleen van de ene ongeschikte plek naar de andere. Kan de minister garanderen dat er geen capaciteit verdwijnt voordat een passend alternatief daadwerkelijk klaarstaat? Voorzitter. Op initiatief van DNA heeft de Kamer unaniem uitgesproken dat bij ernstige onveiligheid één professional eindverantwoordelijk moet zijn. Die motie moet nu worden uitgevoerd. Wanneer is in iedere ernstige zaak duidelijk wie verantwoordelijk is voor het veiligheidsplan, de opvolging van signalen en de samenwerking tussen instanties? Een aangenomen motie moet voor kinderen merkbaar zijn in de praktijk. Voorzitter. Ook fraude in de jeugdzorg vraagt om een stevige aanpak. Geld dat bedoeld is voor kwetsbare kinderen hoort terecht te komen bij hulp en behandeling, niet bij malafide aanbieders. Het kabinet wil nieuwe en herstartende aanbieders strenger controleren, de inzet van de Wet Bibob uitbreiden en het toezicht, opsporen en delen van gegevens versterken. Die maatregelen gelden ook voor aanbieders die vanuit de Jeugdwet worden betaald. DNA wil dat malafide aanbieders zo snel mogelijk voor de poort worden tegengehouden en dat er bij signalen van fraude snel kan worden ingegrepen. Kan de minister aangeven hoe zij ervoor zorgt dat de gemeente en toezichthouders voldoende informatie kunnen delen en dat aanbieders die niet integer zijn daadwerkelijk uit de jeugdzorg worden geweerd? Zorggeld is bedoeld voor kinderen die hulp nodig hebben, niet als verdienmodel voor fraudeurs. Voorzitter. Dan de kinderen die voor jeugdhulp naar het buitenland worden gestuurd. Er zijn signalen van jongeren die gefixeerd worden, het terrein niet mogen verlaten, geen onderwijs krijgen en zwaar onbetaald werk moeten verrichten. Ondertussen kan onze eigen Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd daar zelf niet eens toezicht op houden. Dit is onacceptabel. De inspectie waarschuwde al in 2009 voor de risico's en in 2019 zijn gemeenten opnieuw gewaarschuwd. Nu, jaren later, zegt de inspectie dat de situatie niet wezenlijk is veranderd. Ondertussen weten we niet eens waar al deze kinderen zitten en of zij veilig zijn. De motie die verzoekt om jeugdigen in beginsel in Nederland te plaatsen, is in februari unaniem aangenomen door deze Kamer. Het buitenland kan alleen een uitzondering zijn als een plaatsing aantoonbaar in het belang van het kind is, er in Nederland geen passend alternatief beschikbaar is en de juiste procedure wordt gevolgd. Zeven maanden later wil ik niet horen dat er nog steeds wordt overlegd over de uitvoering. Ik wil van de minister en de staatssecretaris weten hoeveel Nederlandse kinderen er vandaag voor jeugdhulp in het buitenland zitten. Waar zitten zij? Zijn dit er zeven of weten we dit gewoon niet? Wie heeft ieder van deze kinderen daadwerkelijk gezien en gesproken? Wie controleert of ze onderwijs krijgen en veilig zijn? En hoeveel kinderen zijn sinds het aannemen van mijn motie nog naar het buitenland gestuurd? Toezicht via beeldbellen is geen toezicht als een kind mogelijk niet eens vrijuit kan spreken. Een Nederlands kind dat voor jeugdhulp naar het buitenland wordt gestuurd, mag niet buiten ons zicht verdwijnen. Als wij niet kunnen garanderen dat een kind daar veilig is en goede zorg krijgt, dan hoort het kind daar niet te zitten. Aan de minister en de staatssecretaris vraag ik: "Hoe konden kinderen zonder de juiste wettelijke basis in Spanje of elders worden geplaatst? Wie hield toezicht binnen de jeugdbeschermingsketen? En hoe voorkomt zij dat dit opnieuw gebeurt?" Nederland blijft verantwoordelijk voor hun veiligheid. Ook binnen de jeugdbeschermingsketen mag een kind niet verdwijnen tussen de gecertificeerde instelling, Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, de gemeente en de zorgaanbieder. Wie heeft er doorzettingsmacht als zij naar elkaar wijzen? Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat deze unaniem aangenomen motie over één eindverantwoordelijke professional juist in deze keten wordt uitgevoerd? Voorzitter, ik rond af. Excuses aan de jongeren uit de gesloten jeugdzorg en ZIKOS zijn pas geloofwaardig als daarop daadwerkelijk het stelsel verandert in plaats van doorsukkelt in het tempo waarop het nu gebeurt. De kern is simpel: niet van loket naar loket, maar meteen de goede zorg en ondersteuning voor ieder kind, met psychologen in het voorveld, zicht op wachtlijsten, overbruggingszorg, passende behandelplekken en één professional die verantwoordelijk blijft, en geen kinderen meer in het buitenland zonder enige noodzaak en controle. Neem uw verantwoordelijkheid, alstublieft, en stop met het afschuiven. Dank u wel. De voorzitter: Ik dank u zeer voor uw inbreng. We hanteren weer de volgorde zoals we die hier normaal hanteren, dus ik geef het woord aan de heer Ceder voor zijn inbreng. De heer Ceder (ChristenUnie): Dank u wel, voorzitter. Ik doe mijn inbreng mede namens de SGP. "Waarom ben ik uit huis geplaatst?" Dit was een vraag die gisteren aan Kamerleden werd gesteld tijdens de petitieaanbieding van kinderen van toeslagenouders. "Waarom was ik onveilig bij mijn moeder? Was ik echt onveilig bij mijn ouders? En wat heeft de toeslagenaffaire te maken met de koers van mijn leven?" Dit zijn pijnlijke vragen, en tot op heden ook vaak vragen zonder duidelijke antwoorden. 3.000 kinderen zijn indertijd uit huis geplaatst. In het onderzoek van mevrouw Hamer werd op basis van diepte-interviews geconcludeerd dat er wel degelijk een duidelijke relatie tussen de toeslagenaffaire en vele uithuisplaatsingen bestaat, daar waar het eerst werd gebagatelliseerd. Dit onderzoek heeft echter nog geen vervolg gekregen in een groter onderzoek. Voor de verwerking van wat deze kinderen hebben meegemaakt, is zo'n onderzoek, een beoordeling op individuele basis echt nodig. Dit geven ze allereerst zelf aan, maar ook de Kamer geeft al jaren aan dat dit belangrijk is. Er zijn meerdere moties aangenomen door deze Kamer en meermaals is er opgeroepen tot individuele herbeoordelingen, maar jaren later is er nog te weinig concreets. Voorzitter. We hebben vernomen dat de staatssecretaris excuses gaat maken. Dat is heel goed, denk ik, maar waar gaat de staatssecretaris dan excuses voor maken en hoe voorkomen we dat dit geen lege excuses vormen terwijl dit dossier nog voortduurt? De pijnlijke waarheid is namelijk dat de koers van het leven van heel veel kinderen van richting is veranderd, kinderen die niet hebben kunnen ervaren wat het is om thuis bij hun ouders op te groeien, niet weten hoe het voelt om een leven te hebben waarbij je niet van pleeggezin naar pleeggezin verplaatst wordt, kinderen die daar, begrijpelijkerwijs, ook vandaag de dag nog steeds last van hebben. De pijnlijke waarheid is ook dat veel kinderen die uit huis geplaatst zijn, nog niet terug zijn bij hun ouders. Misschien is de allerpijnlijkste waarheid dat heel veel van deze kinderen ook niet meer terug kunnen of niet meer terug willen, omdat hun leven een andere koers heeft gevaren. Voorzitter. Laat ik duidelijk zijn: kinderen kunnen alleen terug als het veilig is, want het belang van het kind staat voorop. Maar ik vraag me af of daadwerkelijk alles op alles is gezet om zo veel mogelijk kinderen weer een leven te geven met in beginsel hun eigen ouders. Als ik naar de vele moties van de Kamer kijk en naar de opvolging daarvan, dan denk ik dat we meer kunnen en ook moeten doen. Daarom doe ik vandaag weer een voorstel om eindelijk naar de kinderen te luisteren en niet alleen opvolging te geven aan de vele moties, maar ook om het voor het einde van het jaar op orde te hebben, om de herbeoordelingen in gang te zetten, want dat verdienen de kinderen. Graag een concrete reactie van de staatssecretaris op dit punt. Voorzitter. Ten aanzien van dit punt nog twee andere vragen. Klopt het dat als je dit zou willen, de werkingsduur van de Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT verlengd moet worden, bijvoorbeeld de komende twee, drie jaar? Kan de staatssecretaris toezeggen dat nog voordat er excuses gemaakt worden, met deze groep kinderen gesproken wordt over hoe deze excuses er volgens hen betekenisvol uit zouden kunnen zien? Voorzitter. Dan de stand van zaken ten aanzien van kind- en jeugdpsychologen. Voor de zomer heeft deze Kamer de zeer duidelijke uitspraak gedaan om met een overgangsregeling te komen voor kind- en jeugdpsychologen die plotseling niet meer aan de slag kunnen als gz-psycholoog. Een overgangsregeling is nodig door de gewekte verwachtingen en doet recht aan de opleiding en ervaring van deze professionals. In de brief van de minister lees ik echter helaas nog niets over de stand van zaken rond deze overgangsregeling. Wanneer gaat de minister uitvoering geven aan de motie? Welke stappen neemt de minister? Wanneer kunnen we deze groep mensen duidelijkheid geven? Zou ik de toezegging kunnen krijgen dat we hierover een brief krijgen voor het WGO Begrotingsonderdeel Jeugd? Voorzitter. De ChristenUnie zegt het al langer: we moeten het eigenlijk niet hebben over jeugdzorg, maar over gezinszorg. Een kind is namelijk geen individu op zich, maar maakt onderdeel uit van een gezin, van een familie. Dat maakt het bijzonder vreemd dat het beleid in ons land te vaak gericht is op het kind als individu, alsof het juist los van het gezin en de familie leeft. Kinderen zijn namelijk heel vaak de dupe van dingen die spelen in het gezin en de familie; het gaat vaak niet zozeer om iets wat er bij de kinderen zelf speelt. De ChristenUnie en de SGP geven dit al langer aan en hebben hierover meerdere voorstellen gedaan. Wat is de ambitie van het kabinet ten aanzien van gezinszorg? Kan een samenhangende aanpak voor jeugd- en gezinszorg een meer formeel karakter krijgen in beleid en wet- en regelgeving? Kan de minister voor het WGO Jeugd met een brief komen die deze specifieke ambities, die de samenhang verankeren, op dit punt uiteenzetten? Voorzitter. Ik heb nog een laatste vraag. Mijn motie over de inrichting van een staatscommissie is aangenomen. Daarmee is aan de slag gegaan. Wanneer kunnen wij de eerste conclusies verwachten ten aanzien van de hervorming van het stelsel? Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Even checken: meneer Ceder, bent u aan het einde gekomen van uw inbreng? Ja. Er zijn twee interrupties, namelijk van de heer Tijmstra en dan van mevrouw Van Meetelen. Eerst de heer Tijmstra. De heer Hamstra (CDA): Voorzitter, ik ben de heer Hamstra. De heer Tijmstra is mijn collega uit de fractie. De voorzitter: Sorry, excuus. De heer Hamstra (CDA): Dat geeft helemaal niks, maar voordat er verhalen in de wereld komen, dacht ik: ik laat het u weten. De voorzitter: Ik excuseer mij, meneer Hamstra. Excuus, ik ging te snel. De heer Hamstra (CDA): Geen probleem. Dank. Ik heb een vraag aan de heer Ceder. U had een mooi betoog. Ik wil het straks in mijn inbreng graag hebben over de Wet reikwijdte Jeugdzorg, die eraan zit te komen. Ik ben benieuwd wat uw visie daarop is. Wanneer moeten er keuzes gemaakt worden in het kader van de afbakening? Welke keuzes zou u daarin maken? Wat verwacht u van die Wet reikwijdte Jeugdzorg? De heer Ceder (ChristenUnie): Het is goed dat u daarover begint. Ik kijk er ook met smart naar uit. Ik had verwacht dat we een deel van de keuzes afgelopen zomer hadden moeten maken, maar dat komt nog. Wat de ChristenUnie betreft moet er voldoende geld zijn voor jeugdzorg, maar aan de andere kant gaat er nu te veel geld naar de jeugdzorg. Het heeft er volgens ons mee te maken dat momenteel volgens mij een op de zeven kinderen een vorm van jeugdzorg krijgt. Dat is inherent aan een ongezonde situatie. De ChristenUnie wil niet dat er minder geld naar jeugdzorg gaat, maar dat die ontwikkeling — als we niets doen, gaat die curve naar een op de zes kinderen in dit land, een rijk land — gestopt wordt. Dat is de motivatie daarachter. Wij vinden dat je de reikwijdte van de vraag "wat is zorg?" veel beter moet afbakenen. Ik ben raadslid geweest in Amsterdam. De dynamiek in een gemeenteraad is dat geen enkele partij, behalve misschien een wat meer radicale partij, jeugdzorg voor kinderen weigert en het budget probeert te verkleinen, want je bent er gewoon voor je mensen. Daarom is het nodig dat de overheid afbakent wat zorg nou is. Er zitten namelijk varianten tussen het jeugdzorgstelsel waarvan ik ook zie dat het ofwel geen zorg is, ofwel dat het mensen zijn die met meer liefde voor geld dan voor kinderen het veld in stappen. Dus ja, wij staan open voor het beperken. Ook wij vinden dat je financieel gezien het koekoeksei moet inperken. We zijn er niet voor om dat door middel van een eigen bijdrage te doen. Verder staan wij ervoor open om dit verder vorm te geven. Tot slot. De financieel voordeligste stap die je kan zetten, is door al het geld dat voor uithuisplaatsing wordt gebruikt — we hebben het ooit uitgevraagd met mevrouw Westerveld; het is ongeveer een ton per jaar per kind — aan de voorkant, wanneer er breuklijnen in een gezin ontstaan, beschikbaar te stellen voor dat gezin. Dat is wat ons betreft de goedkoopste en de beste oplossing die we kunnen bedenken. Maar daar heb je het ministerie van VWS en het ministerie van JenV voor nodig. Als u zich gaat ingraven in hoe het samenwerkt, merkt u dat het heel ingewikkeld is. De voorzitter: Meneer Ceder, uw antwoorden moet iets korter. Ik zei al: als u de heer Ceder een vraag stelt, krijgt u een betoog. De heer Hamstra nog, in tweede instantie. Niet? Dan mevrouw Van Meetelen. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Met het risico op een lang antwoord, ga ik toch een vraag stellen. U spreekt ook namens de SGP. U heeft het over een wat formeler karakter van de gezinszorg en de jeugdzorg samen. Mag ik vragen hoe u dat ziet? De heer Ceder (ChristenUnie): Ik kan hier kort over zijn, want ik heb hier net iets over gezegd in mijn laatste punt richting de heer Hamstra. Heel veel kinderen worden — ik zeg dit als oud-advocaat — uit huis geplaatst terwijl er helemaal niets is met het kind. Het heeft de maken met de leefomstandigheden waarin zij verkeren, waar zij slachtoffer van zijn. Onderzoeken laten zien dat de overheid niet kan garanderen dat een kind er bij een uithuisplaatsing in de huidige setting beter van wordt. In die zin hebben wij eigenlijk een failliet stelsel. Je zou het niet moeten benaderen met: wat heeft het kind nodig? Dan kom je namelijk vaak uit op veiligheid en kom je dus vaak uit op verwijdering van de leefomgeving. Dat is wel een terecht punt, maar is niet het enige wat geldt in het kader van welzijn van kinderen. Je zou veel meer moeten kijken naar wat het gezin nodig heeft. Daarvoor zou je ook de middelen beschikbaar moeten stellen. Stel dat je de middelen voor uithuisplaatsingen die nu bij JenV liggen — nogmaals, dat is heel veel geld, namelijk ongeveer een ton per kind per jaar; reken maar uit — aan de voorkant anders zou kunnen besteden. Denk bijvoorbeeld — ik noem maar wat — aan een vader die er wel of niet is als het gaat om de verslavingsgevoeligheid van de moeder. Denk ook aan bestaanszekerheid of de ggz, waarvoor er nu een wachtlijst bestaat van meer dan 100.000 mensen. Als je daar wat meer aan kan doen, denk ik dat je uiteindelijk een gezondere samenleving hebt en dat het ook gewoon minder geld kost. Daarom zie ik die samenhang. De voorzitter: Geen vervolgvraag, mevrouw Van Meetelen? Nee. Dan gaan we naar de heer Van Houwelingen. De heer Van Houwelingen (FVD): Hier ben ik het helemaal mee eens; het is uit mijn hart gegrepen. Je zou het gezin moeten ondersteunen en daar het geld op moeten inzetten. Uithuisplaatsing, zeker gedwongen uithuisplaatsing, zou je zo veel mogelijk moeten willen voorkomen. Ik heb een vraag aan de heer Ceder. Zou het niet zo moeten zijn dat we het wettelijk kader op basis waarvan die gedwongen uithuisplaatsingen plaatsvinden, aanscherpen? Ik ben benieuwd hoe de ChristenUnie hiertegen aankijkt. Wij denken aan het volgende. Als je gedwongen uithuisplaatsingen hebt, zou er wat ons betreft ook sprake moeten zijn van mishandeling, misbruik of verwaarlozing. Dan zou de strafrechter logischerwijs om de hoek moeten komen kijken, en niet alleen de kinderrechter. Misschien kan de heer Ceder daarop ingaan. Hoe kijkt hij hiertegen aan? De heer Ceder (ChristenUnie): Als de heer Van Houwelingen zegt dat hij het helemaal eens is met de ChristenUnie, ga ik mijn betoog nog een keer nalezen. Volgens mij delen wij dezelfde zorg, namelijk dat uithuisplaatsingen veel minder moeten plaatsvinden. Het liefst heb ik nul uithuisplaatsingen. Als advocaat voor gezinnen heb ik in de praktijk meegemaakt dat het soms helaas onvermijdelijk is, dus die ruimte moet je hebben. Kan het minder? Ik denk van wel, in samenhang met gemeenten aan de voorkant meer ruimte en urgentie geven om tijdig in te grijpen. Als je dat niet doet, vrees ik een pendulum swing, wat vaak in de Kamer gebeurt. Ik bedoel dat bij het eerstvolgende incident waarbij niet is ingegrepen, dezelfde Kamer, en u als persoon misschien ook, vooraan staat en zegt: "Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Waarom heeft de overheid niet ingegrepen?" Ik zoek dus een zorgvuldige balans. Ik ben van mening dat de pendule nu de verkeerde kant is uitgeslagen. Er zijn wat mij betreft te vaak uithuisplaatsingen. Ook worden ze alleen vanuit een veiligheidskader bekeken en niet vanuit een welzijnskader. Ik denk dat je vanuit het welzijnskader veel eerder tot de conclusie komt: laat een kind thuisblijven en zorg ervoor dat je eromheen een schild bouwt en geld in steekt. Dat is mijn antwoord. Ik weet niet wat uw voorstel is, maar ik ben daar wel wat voorzichtiger in. De voorzitter: De heer Van Houwelingen, in tweede instantie. De heer Van Houwelingen (FVD): Ook hier ben ik het helemaal mee eens. Vreselijk, hè? Wat u zegt, is terecht. De Kamer heeft zelf boter op haar hoofd. Ik doel op de risicoregelreflex als er iets gebeurt. Wij van Forum voor Democratie vinden het heel erg als een kind onterecht uit huis wordt geplaatst en in een ergere situatie komt, zoals u ook beschrijft. Dat vinden wij het grote risico. Ik stel mijn vraag toch nog een keer. U kunt ook antwoorden: daar moet ik nog even naar kijken, want dat weet ik nog niet. Maar het is voor ons onbegrijpelijk dat als een kind uit huis wordt geplaatst, de strafrechter daar niet aan te pas komt. Wat ons betreft zou het zo moeten zijn dat als je ingrijpt in het gezin — dat is iets heel ernstigs — en het kind wegneemt uit het gezin, tegen de zin van de ouders in, dat alleen kan op grond van de zaken die ik net noemde. Dan is er sprake van het strafrecht. Dan zou logischerwijs de strafrechter om de hoek moeten komen kijken. Hoe kijkt u aan tegen dat idee? Dat is toch nog even de vraag die ik zou willen stellen. De voorzitter: Volgens mij kunt u daar kort op antwoorden. De heer Ceder (ChristenUnie): Ja, kort. Ik zal naar uw voorstel moeten kijken. Ik denk dat er situaties denkbaar zijn waarbij er geen sprake is van het vervullen van een delictsomschrijving, maar waarbij er wel onveilige situaties zijn voor het kind. Ik denk dus dat het daarmee te nauw wordt. Ik snap uw gedachtegang. Ik vind ook dat je wat strenger zou moeten zijn, maar ik denk dat dit te nauw is. Ik denk dat deze discussie niet los kan worden gevoerd van die over het aan gemeenten de juiste middelen en ruimte geven om dit aan de voorkant te mitigeren. De voorzitter: Gaat u een vraag stellen? Dat mag; u heeft vier interrupties. Stelt u uw vraag dan ook gelijk. De heer Van Houwelingen (FVD): Ja. Ook daar ben ik het op zich mee eens, alleen is het probleem dat wij horen dat je dan vage criteria krijgt en dus niet de harde, strafrechtelijke criteria. U zult het misschien zelfs met me eens kunnen zijn. Je krijgt dan: "Ja, dat is niet optimaal voor het kind." Daar lijkt heel veel mis te gaan. Heel veel ouders die ons benaderen omschrijven het als: we zijn eigenlijk bijna een uithuisplaatsing in gerommeld en er was een kinderrechter die het niet meer goed zag. U weet het ongetwijfeld nog veel beter. Is dat niet heel risicovol? Ik wil daar nog aan toevoegen dat wij er als Kamerleden zelf geen controle op kunnen uitoefenen, want de jeugdbescherming houdt ons overal bij weg. Wij mogen niet meekijken. Dat willen ze niet hebben. Dat zeggen ze expliciet tegen ons. Is dat niet een reden voor zorg en een reden om toch maar te zeggen: misschien moeten we de strafrechter erbij halen? De voorzitter: U herhaalt eigenlijk uw vorige vraag. De heer Ceder (ChristenUnie): Ik denk dat jeugdbeschermingsorganisaties en mensen die daar werken — het is best zwaar werk — dat doen omdat ze liefde voor het kind hebben en daarom onder heel zware omstandigheden die zorg willen bieden. Ik erken tegelijkertijd dat de overheid niet de garantie kan geven dat een kind dat onder toezicht komt van een dergelijke organisatie vanzelfsprekend beter af is. Onderzoeken wijzen uit dat die garantie helaas niet afgegeven kan worden. Ik denk dat ik eerder naar andere randvoorwaarden zou willen kijken. Een voorbeeld is dat heel veel gevallen die voor de rechter komen en waar soms uithuisplaatsingen plaatsvinden, te maken hebben met complexe scheidingen. Als je dat voorkomt, heb je die groep te pakken. Dat is in ieder geval een groep waarbij je denkt: daar is niets mis met het kind. U noemde het punt van de waarheidsvinding. Daarover ben ik het met u eens. Er wordt heel veel verteld en op grond daarvan moeten beschermers een conclusie trekken. Soms wordt een mening die wordt overgenomen op een gegeven moment een feit. Dat is waarheidsvinding. Ik denk dat je daar scherper naar zou moeten kijken. Maar ik denk dat dat niet rechtvaardigt dat je dat alleen bij de strafrechtrechter bepaalt. We zijn het eens over de beweging, maar ik denk dat het effectiever is om naar randzaken te kijken, zodat je echt tot de kern van het probleem komt. De blik is nu vooral op veiligheid gericht, terwijl die volgens mij veel meer op welzijn zou moeten rusten. Dan kom je tot meer knoppen waaraan je kunt draaien. De voorzitter: Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Dat is mevrouw Synhaeve namens D66. Uw vijf minuten gaan in. Mevrouw Synhaeve (D66): Dank u wel, voorzitter. Als we willen weten hoe Nederland er over twintig jaar uitziet, moeten we kijken naar hoe we nu omgaan met onze jongeren. Daar is nog een wereld te winnen. Ik begin met dieper ingaan op hoe we de zorg nu hebben georganiseerd voor de jongeren met de meest complexe zorgvragen, te beginnen met een-op-eenplaatsingen. Daar hebben we in het debat vorige week ook over gesproken. De conclusie was toen dat we niet weten om hoeveel kinderen het gaat, dat we niet weten waar ze zitten, dat we niet weten of ze worden begeleid door een deskundige professional en dat we aan het eind van de rit dus niet weten of ze veilig zijn. Ik denk dat we twee dingen moeten doen. De minister geeft dat deels ook aan in haar brief. Ze geeft aan deze kinderen in kaart te willen brengen. Dat is top. Bij dezen doe ik een voorstel voor hoe we dat volgens mij moeten concretiseren. Ik denk dat de Tweede Kamer ieder kwartaal inzicht moet hebben in hoeveel kinderen een-op-eenbegeleiding krijgen, waar deze kinderen zitten, hoelang ze deze begeleiding al krijgen, of ze onderwijs of dagbesteding hebben, of ze behandeling ontvangen, of ze toegang hebben tot een vertrouwenspersoon, of aanbieders werken met gecertificeerd personeel en of de veiligheid van deze kinderen geborgd is. Daarnaast is er 77 miljoen vrijgemaakt of beschikbaar voor de alternatieve gesloten jeugdzorg. Dat is heel goed, maar ik zie daar ook een levensgroot risico. De vorige keer, toen we eigenlijk al heel lang wisten dat jongeren in de gesloten jeugdzorg schade opliepen, erkenden we dat. We hebben gezegd: we moeten het anders doen. We zijn dat met z'n allen "JeugdzorgPlus" gaan noemen. De facto is er heel weinig gewijzigd. Ik zie een levensgroot risico dat we aanbieders hebben die hun hand opsteken en zeggen "deze vorm van zorg kan ik bieden", terwijl er eigenlijk wezenlijk niks verandert in hoe we de zorg bieden voor deze kinderen en jongeren. De minister gaf in haar brief al aan dat ze op de doorbraakaanpak gaat zitten. Ik denk dat dat uitstekend is. Mijn verzoek aan de minister zou zijn: ga daar dan alsjeblieft ook bovenop zitten. We hebben zo veel regie nodig om ervoor te zorgen dat het wezenlijk anders wordt. Deze kinderen hebben voorafgaand vaak al — wat was het? — gemiddeld zeven doorplaatsingen gehad. In die stappen ervoor moeten we het verschil gaan moeten met elkaar. Dan de gezinshuizen. De minister geeft in haar reactie op mijn schriftelijke vragen aan dat ze een aantal van de punten die ik noem, niet herkent. Ik ga even een paar punten uitlichten. Dat zijn signalen die ik ontvang. Ik noem bijvoorbeeld het signaal over een gezinshuis met twee gezinshuisouders die op hetzelfde moment, dus tegelijkertijd, elf kinderen in crisis opvangen en die daarvoor €300 per 24 uur per kind krijgen. Ik kan me geen enkele situatie voorstellen waarin dit een veilige omgeving zou zijn voor deze elf kinderen. Een ander signaal dat wij krijgen, is dat aspirant-pleegouders soms worden afgewezen omdat ze geen verklaring van geen bezwaar kunnen voorleggen, maar wel een gezinshuis kunnen starten, omdat daarvoor alleen een verklaring omtrent gedrag nodig is, terwijl gezinshuiszorg juist een veel intensievere doelgroep omvat. Ik ontvang ook signalen van gezinshuizen die moeten stoppen omdat de veiligheid van kinderen niet gegarandeerd is, maar die vervolgens tientallen kilometers verderop wel gewoon opnieuw kunnen beginnen. Die signalen zijn heel wezenlijk. We moeten ons daar heel veel zorgen om maken, denk ik. Hoe pakken we dit aan? Ik zei vorige week al in het debat dat de meest effectieve manier is het op voorhand veel strenger toetsen. Ik weet dat men veel bezig is met het aanscherpen van de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen. Daarover twee vragen. Als eerste: kan de minister garanderen dat de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen niet worden afgezwakt? De tweede vraag: kan de minister garanderen dat de toetsing van de kwaliteitscriteria door een onafhankelijke instantie gebeurt, en niet bijvoorbeeld door de brancheorganisatie die er baat bij heeft om meer gezinshuizen te hebben? Dan het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Het is heel goed dat dit kabinet ervoor gezorgd heeft dat Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen weer aan tafel zitten. Een vraag aan de staatssecretaris en de minister is: welke stappen zijn in de afgelopen periode gezet en welke stappen worden in de komende periode verwacht? Wellicht kan daar in deze termijn op gereageerd worden en kunnen we daarna ook nog een wat uitgebreider antwoord ontvangen. Voorzitter. Ik heb het tot nu toe heel veel gehad over de jeugdzorg. Dat is terecht, omdat daarbij heel grote zorgen zijn. Maar dit is natuurlijk het jeugddebat, dat breed gaat over jeugd. Kinderen verdienen niet alleen goede bescherming op het moment dat het niet goed met ze gaat en wanneer zij zorg nodig hebben; ze hebben ook het recht om gehoord te worden bij de overheidsvoorstellen die hen raken. De voorzitter: Wilt u komen tot een afronding? Mevrouw Synhaeve (D66): Zeker. Ik hoor graag van de minister hoe zij kijkt naar de oproep van de Kinderombudsman om veel vaker de kinderrechtentoets toe te passen. Daar lopen een aantal pilots voor. Ik hoor graag wanneer de inzichten van die pilots beschikbaar zijn en breed gedeeld kunnen worden. Ik rond af, voorzitter. Kinderen hebben recht op bescherming, op gehoord worden, op gezien worden. Laten we daar mooie stappen in zetten met elkaar. De voorzitter: Voor de goede orde: ik grijp niet gelijk in na vijf minuten, maar als het echt langer duurt dan vijf minuten, dan geef ik een seintje. Een interruptie van mevrouw Westerveld. Mevrouw Westerveld (PRO): Misschien om te beginnen: we zijn het op heel veel punten harstikke met elkaar eens. Dat is misschien ook wel vaak het probleem in deze commissie, namelijk dat heel veel Kamerleden het altijd met elkaar eens zijn en we vervolgens gewoon merken dat zaken niet snel genoeg gaan. We hebben het bijvoorbeeld al jaren over de alternatieven voor de afbouw van de gesloten jeugdzorg of het toekomstscenario; dat zijn geen termen die hier voor het eerst vallen. Ik hoor mevrouw Synhaeve terechte vragen stellen aan de bewindspersonen. Ik wil mevrouw Synhaeve vragen wat zij zelf vindt. Gaat het snel genoeg? Heeft ze het gevoel dat we het komende jaar met elkaar stappen kunnen zetten? Mevrouw Synhaeve (D66): Gaat het in de basis snel genoeg? Nee, zeker niet, want anders hadden we nu niet al die misstanden gehad. Volgens mij vragen we ons daarvan allemaal af: welk punt zullen wij uitlichten in onze eigen bijdrage? Denk ik dat er goede stappen worden gezet? Absoluut. Zaak is om nu door te pakken. De heer Verkuijlen (VVD): Ook ik ben het grotendeels met u eens, mevrouw Synhaeve. Wat me aansprak, is datgene wat u zei over de gezinshuizen. U sprak daar vol vuur over. U had het over de hoeveelheid kinderen en eerst ook even over de drempel die er is voor ouders zelf. Heeft u daarop een visie? Hoe ziet u dat? Vindt u een gezinshuis dan wel aansluiten bij de behoefte van jongeren? Wat vindt u van het perverse element dat een gezinshuis veel meer geld krijgt dan bijvoorbeeld een eengezinspleeggezin? Mevrouw Synhaeve (D66): Volgens mij zijn dit verschillende vragen in één. Ik denk dat gezinshuizen een fantastische vorm van zorg bieden en dat dat voor heel veel kinderen echt een ontzettend goede plek is om te zitten, juist omdat de geboden zorg veel intensiever is dan de zorg die vanuit de pleegzorg nodig is. Het is logisch dat daar dan ook een andere vergoeding tegenover staat. Dat was volgens mij uw laatste vraag. Heb ik ook een mening over het aantal kinderen? Jazeker. Volgens mij wordt nu een maximum van zes tot acht gehanteerd. Ik vind het aan de sector om te bepalen wat passend is. Op het moment dat daar veel meer kinderen worden geplaatst, moet je je wel afvragen of dat nog een gezinshuis is. Ik kan me voorstellen dat het dan een andere vorm van residentiële zorg is. De voorzitter: De laatste interruptie van de heer Van Houwelingen. De heer Van Houwelingen (FVD): Mevrouw Synhaeve maakt zich net als wij zorgen over de misstanden bij pleeggezinnen en gezinshuizen. Wij hebben daar ook een motie over ingediend. Wij willen dat de inspectie niet langer alleen de instellingen controleert, maar af en toe als toezichthouder ook rechtstreeks op bezoek gaat bij pleeggezinnen en gezinshuizen. Volgens mij is D66 daar niet voor, al hoop ik van wel. De vraag is: waarom wil D66 dat niet? Het is toch logisch dat je toezicht houdt waar het moet gebeuren? Mevrouw Synhaeve (D66): Ik gaf het al aan in mijn eigen bijdrage: de grote winst zit echt in het op voorhand veel beter toetsen van jeugdzorgaanbieders en dus ook van gezinshuizen. Zonder enige twijfel kun je daarmee het beste de veiligheid van de meest kwetsbare kinderen garanderen. Het lijkt me niet meer dan vanzelfsprekend dat de inspectie vervolgens ook op verschillende plekken langsgaat. Mevrouw Dobbe (SP): Ik dank mevrouw Synhaeve voor haar bijdrage. Ik heb inderdaad niks gehoord waar ik het niet mee eens ben. Ik denk dat er een aantal heel terechte vragen zijn gesteld. Daarom verbaast het mij ... Als ik mevrouw Synhaeve hoor praten, dan denk ik: daar ben ik het helemaal mee eens. Maar als ik dan naar het beleid van dit kabinet op het gebied van jeugdzorg kijk, dan denk ik: "Wat gebeurt hier? Hier ben ik het helemaal niet mee eens." We hebben het eerder gehad over de bezuinigingen. Iedereen weet dat er veel bespaard kan worden door verbeteringen door te voeren maar dat je nog niet moet gaan bezuinigen als die verbeteringen nog niet zijn doorgevoerd. Daar zijn we het ontzettend over oneens. Dat geldt ook voor de eigen bijdrage. Ik snap niet dat dit kabinet het plan van het vorige kabinet heeft overgenomen om de eigen bijdrage in de jeugdzorg door te voeren. Ik vraag me af hoe mevrouw Synhaeve daarnaar kijkt. Is dat nou echt een goed idee? Mevrouw Synhaeve (D66): Ons uitgangspunt is dat kinderen met de meest complexe problematiek de beste zorg moeten krijgen. Als we kijken naar de manier waarop de jeugdzorg is georganiseerd en gefinancierd, dan zien we dat het sinds 2015 van 3 miljard naar meer dan 8 miljard is gegaan. Aan het geld ligt het niet. We pompen er alleen maar meer geld in. We pompen geld in een lege fietsband en zijn vervolgens verbaasd dat de fiets nog steeds niet fietst. Meer geld is wat ons betreft dus niet de oplossing. Waar zit de groei? Het gaat vooral om lichte vormen van zorg voor mensen die dat vaak prima zelf kunnen betalen, of die in ieder geval een deel zelf kunnen betalen. Daarom vinden we het ook niet gek om te kijken naar een eigen bijdrage in de jeugdzorg. Maar ik zie het risico daarvan ook. We moeten heel goed kijken of de mensen met veel minder inkomen nog steeds zorg kunnen krijgen en of ze niet op voorhand afhaken. Dat hebben we ook meegegeven in het vorige debat: ga daar in de uitwerking heel zorgvuldig mee om, zodat we dat als Kamer kunnen beoordelen. Maar het uitgangspunt is dat we ervoor moeten zorgen dat de zorg weer beschikbaar komt voor de kinderen die dat het allerhardst nodig hebben maar die dat nu niet krijgen. Daar gaat mijn bijdrage over. Mevrouw Dobbe (SP): Deze discussie hebben we natuurlijk eerder gevoerd. We horen dat meer geld niet de oplossing is, maar minder geld is natuurlijk ook niet automatisch de oplossing. Er zijn grote hervormingen nodig. Daar zijn wij helemaal voor, maar het lijkt ons een heel slecht idee om al bezuinigingen in te boeken nog voordat je die hervormingen hebt gedaan. Ik wil het nog even hebben over de eigen bijdrage. Er zijn talloze waarschuwingen van experts en organisaties die zeggen dat dit tot zorgmijding en ongelijke toegang leidt, en dat dit zelfs in strijd is met het Kinderrechtenverdrag. Daar was D66 het voor de verkiezingen mee eens. D66 heeft een motie gesteund van PRO-collega Slagt-Tichelman waarin werd verzocht: stop met het voorbereiden van de eigen bijdrage en met het wetsvoorstel dat daarnaartoe werkt. Wat is er gebeurd waardoor D66 denkt dat het nu wel een goed idee is? Mevrouw Synhaeve (D66): Dan ga ik toch mijn reactie van net herhalen, met overigens één aanvulling; dat is ook onmiddellijk een vraag richting de minister. Volgens mij wordt juist bij het wetsvoorstel rond de eigen bijdrage de kinderrechtentoets uitgevoerd om te kijken wat het voor kinderen betekent, dus juist voor de meest kwetsbaren. Dat zullen wij meewegen wanneer het wetsvoorstel hier zal worden behandeld. De voorzitter: In derde instantie, mevrouw Dobbe. Mevrouw Dobbe (SP): Zo'n kinderrechtentoets toetst toch vooral of het niet slechter uitpakt voor het kind en of het rechtvaardig is voor het kind? Die toetst niet per se of de eigen bijdrage een verbetering is voor de situatie van het kind. Daar willen we allemaal naartoe. We krijgen allemaal waarschuwingen dat die eigen bijdrage in de jeugdzorg mogelijk een verslechtering gaat betekenen, maar er is geen enkele indicatie dat dit bijdraagt aan een verbetering. Dat dacht D66 voor de verkiezingen ook. Daarom herhaal ik nu mijn vraag: waarom is D66 van mening veranderd? D66 dacht voor de verkiezingen "dit is geen goed idee" en na de verkiezingen "dit is eigenlijk een heel goed idee". Mevrouw Synhaeve (D66): Volgens mij kijkt die kinderrechtentoets heel breed naar wat in potentie een positieve en negatieve impact heeft. Dat wordt meegenomen in de weging. Ik merk dat ook bij mijn eigen kind-eerst-initiatiefwet. De kinderrechtentoets bestaat uit vier stappen om het heel zorgvuldig te doorlopen met elkaar. Dat zal hier niet anders zijn. Zoals ik net al zei: de weging van wat het uiteindelijk voor de meest kwetsbare groep betekent, gaan we maken op het moment dat het voorstel er ligt. De voorzitter: Dan zijn we bij de volgende spreker gekomen. Dat is de heer Hamstra namens het CDA. Uw tijd gaat in. De heer Hamstra (CDA): Voorzitter. "Niet de ophef van de dag moet leidend zijn, maar wat mensen nodig hebben en wat de toekomst van ons vraagt." Deze wijze woorden komen niet van mijzelf, maar die heb ik de koning uit horen spreken tijdens de troonrede. Deze woorden zijn mij uit het hart gegrepen. Hoe kan het dan dat wanneer wij in deze Kamer praten over jeugdzorg, het heel vaak gaat over incidenten? Naar mijn mening praten we te weinig over de structurele oplossingen voor hoe we dit stelsel beter kunnen maken en kunnen laten werken voor de meest kwetsbaren van onze samenleving. Dat wil ik vandaag centraal stellen in dit debat. Zoals u misschien van mij gewend bent, begin ik bij het mensbeeld. De lens waardoor ik naar deze problematiek kijk, is een relationeel mensbeeld: een mens komt volledig tot zijn recht in relatie tot een ander. Daarbij zeggen we dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kinderen. Het CDA pleit dan ook voor een integrale aanpak bij hulp voor kinderen, waarbij aandacht is voor een stabiele basis zoals huisvesting, goed onderwijs en het gezin. Om die ouders heen staat een gemeenschap. It takes a village to raise a child. De jeugdzorg lijkt voor elk probleem waar een jeugdige of een gezin mee worstelt, een passende en vooral een kant-en-klare oplossing te moeten bieden, maar kan dat eigenlijk wel? Is het niet normaal dat wanneer ouders ergens tegen aanlopen in de opvoeding, ze eerst naar de eigen omgeving kijken? Jeugdzorg moet wat ons betreft dan ook aanvullend zijn en geen startpunt. Deelt de minister deze opvatting? Ik kom automatisch uit bij de Wet reikwijdte Jeugdwet. Mijn vraag is de volgende, als checkvraag. Volgens mij komt de Wet reikwijdte begin volgend jaar naar de Kamer. Gaan we daarin echte keuzes maken in de afbakening van wat nog wel en wat geen jeugdzorg meer is? Dat is een vraag aan de minister. De voorzitter: U heeft een interruptie van de ChristenUnie. De heer Ceder (ChristenUnie): Ik heb net al uitgebreid aangegeven dat ik dit steun en waarom. Een van de heikele punten in de afgelopen jaren is de eigen bijdrage. Dat is nou net een punt waarvan ik denk dat volgens mij de keerzijde groter is dan wat je ermee denkt te behalen, vooral voor de meest kwetsbare groep. We moeten natuurlijk nog een voorstel zien, maar mijn vraag is hoe de CDA-fractie dit punt weegt, even los van wat er in de akkoorden staat. Hoe kijken jullie daarnaar? De heer Hamstra (CDA): Het staat niet helemaal los van wat er in de akkoorden staat, want het staat in de akkoorden. Daar voelen wij ons ook toe gehouden. Ik ga hetzelfde antwoord geven als dat ik in eerdere debatten heb gegeven, ook richting mevrouw Westerveld. Eigenlijk doet het mij ook pijn; dat is het eerlijke verhaal. We staan er volledig achter dat die erin staat en dat we ons tot dat akkoord hebben te verhouden. Als er alternatieven zijn — dat heb ik ook al eerder aangegeven — dan ben ik altijd bereid om daarover mee te denken. Daar ben ik dan heel benieuwd naar. Maar wat ik heel belangrijk vind in de discussie met betrekking tot de Wet reikwijdte, is om te kijken wat er onder jeugdzorg valt en wat niet. Ik ben het met u eens dat geld niet het probleem is, maar wel wat we onder jeugdzorg verstaan en wat niet. Dan zijn we al een heel eind, denk ik. Tot slot ben ik ook heel erg benieuwd naar de uitwerking die volgend jaar komt. Hoe gaan we invulling geven aan de eigen bijdrage? De voorzitter: Ik vraag u om even te wachten totdat de stemmingsbel is afgerond, want die duurt wat langer. Dat betekent dat er in de plenaire zaal gestemd gaat worden. Even ter geruststelling: dat gebeurt fractiegewijs, dus de meesten hier kunnen blijven zitten. Dat scheelt weer. Een klein momentje. Meneer Hamstra, vervolgt u uw betoog. Voordat u dat gaat doen, is er eerst nog een interruptie van mevrouw Westerveld. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik denk dat de meeste mensen hier en in de zaal het met het pleidooi van de heer Hamstra eens zijn. Je moet voorkomen dat kinderen jeugdhulp nodig hebben, juist door sommige oorzaken weg te nemen. Maar tegelijkertijd is de harde werkelijkheid dat we zien dat steeds meer kinderen jeugdhulp krijgen, dat steeds meer kinderen niet naar school gaan, niet omdat ze het niet willen maar omdat er geen mogelijkheden zijn, en dat er nog steeds heel veel kinderarmoede is. Als ik kijk naar de stapeling van bijdragen van mensen die een beperking hebben, dan zie ik dat dat ook heel veel druk legt op gezinnen. Mijn vraag aan de heer Hamstra is of hij met mij ziet dat er ook op al die andere terreinen veel meer nodig is. Ik heb het echt niet alleen maar over geld, maar over ervoor zorgen dat we op al die verschillende vlakken klaarstaan voor deze gezinnen, zodat kinderen uiteindelijk niet naar de jeugdhulp hoeven. En hoe dan? Want dat is het belangrijkste. De heer Hamstra (CDA): Dat is zeker het belangrijkste. Ik ben het volledig met u eens. In alle eerlijkheid: toen ik net Kamerlid werd, elf maanden geleden, heb ik gevraagd om de portefeuille jeugdzorg, armoede en schulden en passend onderwijs, omdat ik die samenhang zie. Soms zeggen mensen "goh, dat is een hele versnipperde portefeuille", maar dat is helemaal niet zo. Iedereen die hier op de tribune zit en hier buiten snapt die samenhang en daar refereert u nu ook aan. Dat heeft deels te maken met hoe we de financiering hebben geregeld, met die geschotte budgetten. Ik ben hiervoor wethouder geweest. Het was voor mij, in mijn voormalige ambt als wetgever, veel makkelijker om met dat budget om te gaan dan nu als Kamerlid. Ik ben dat nog aan het leren en ik vind dat heel erg lastig. Ik loop tegen dezelfde schotten aan. Die schotten zijn niet alleen maar financieel van aard, maar die zien we ook in het denken terug. Het beleid moet veel meer samenhangend zijn. Ik denk dat dat oplossingsrichtingen zouden kunnen zijn. Ik heb een korte anekdote. Ik was op een werkbezoek in Arnhem bij een school. Ik had een gesprek met de brugfunctionaris en met de directeur van welzijn aldaar. Toen stelde ik de vraag: als we kijken naar de lichte problematiek van jeugdzorg op deze school en in deze wijk, durft u dan een percentage te plakken op het deel dat raakt aan bestaanszekerheid? Toen zei hij: 100%. Ik weet niet of het 100% is, maar ik denk dat het aardig in de buurt komt. Daarom zouden we daar binnen de Kamer ook veel integraler naar moet kijken. De voorzitter: Ik vraag u om door te gaan met uw betoog. De heer Hamstra (CDA): Dat ga ik doen, voorzitter. Het is een doorn in het oog van mij en van mijn fractie wanneer we het alleen maar hebben over incidenten. Dat is de risicoregelreflex. We overspoelen jeugdzorgmedewerkers en gemeenten met regels en bureaucratie waar niemand bij gebaat is, de jeugdzorgprofessionals en de gemeenten niet en de kinderen al helemaal niet. Wat het CDA betreft gaan we uit van het vertrouwen in de medewerkers van de jeugdzorg. Een van de oplossingen om de bureaucratie aan te pakken is standaardisering. Dat lezen we ook in de Hervormingsagenda. Een ander punt zou wat ons betreft een betere gegevensdeling zijn. Het kan toch niet zo zijn dat de ouders en het kind last hebben van het gebrek aan mogelijkheden tot gegevensdeling en daar uiteindelijk probleemeigenaar van worden? Wat het CDA betreft: wanneer het gaat om het dilemma tussen privacy enerzijds en de bescherming van het kind anderzijds, staat het kind altijd voorop. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris die visie met mij en ons deelt. De Kamer spreekt al jaren over gegevensdeling, maar concrete vooruitgang blijft uit. Welke stappen zijn inmiddels gezet en wanneer kunnen de ouders, kinderen en professionals daadwerkelijk verbeteringen merken? Ik heb nog een andere vraag: welke andere mogelijkheden ziet de minister dan wel de staatssecretaris voor het aanpakken van onnodige bureaucratie? Voorzitter. De pleegzorg is een onmisbare schakel wanneer het gaat om de beweging, de transformatie, die we met z'n allen voor ons zien in de jeugdzorg. Pleegouders stellen hun hart en huis open voor kinderen en jongeren wanneer het thuis niet meer gaat. Zo'n thuis nabij is natuurlijk ontzettend belangrijk. We zien verschillende varianten. Ik heb een aantal vragen aan de minister in het kader van het dalende aantal beschikbare pleeggezinnen. Hoe staat het met de uitvoering van mijn eigen motie over een plan voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud daaromtrent? Ik ben daar benieuwd naar. Een concreter punt dat bij mij verbazing opriep is het volgende. Bij de voorbereiding van dit debat kwam ik de Voorjaarsnota 2025 tegen dat een bedrag van 10 miljoen is vrijgemaakt ter compensatie voor de eigen bijdrage na de kinderopvangtoeslag voor pleegouders. Waar we tegen aanlopen, is dat het bedrag via het gemeentefonds naar gemeenten gaat en gemeenten kunnen bepalen of dat daadwerkelijk naar die pleegouders gaat of niet. Er lijkt daarbij een beetje handelingsverlegenheid te ontstaan. Mijn vraag aan de minister is hoe we ervoor kunnen zorgen dat het geld dat voor die pleegouders bedoeld is, ook daadwerkelijk bij die pleegouders terechtkomt. Voorzitter, tot slot het gesloten kader. Wanneer het gaat om jeugdzorg en de keuzes die we moeten gaan maken met betrekking tot de Wet reikwijdte, kiezen we wat ons betreft vooral voor de jongeren die het meest kwetsbaar zijn en het het meest nodig hebben. De tekorten in de jeugdbescherming zijn er de afgelopen jaren niet minder op geworden. Jongeren met zware problematiek zijn afgelopen jaren bijvoorbeeld ondergebracht op vakantieparken, en talloze inspectierapporten hebben gewaarschuwd voor een onhoudbare situatie. Dan de jongeren die geplaatst zijn bij Spaanse tehuizen, ondanks signalen over zorgen voor de veiligheid. Dat is iets wat nooit zou mogen voorkomen. We begrijpen dat de IGJ niet mag ingrijpen in Spanje, maar wie is er dan verantwoordelijk voor deze jongeren? Als er ernstige signalen zijn over de veiligheid van Nederlandse kinderen in een buitenlandse jeugdzorglocatie, waarom worden nieuwe plaatsingen dan niet automatisch opgeschort totdat die signalen er zijn? Dat is mijn laatste punt, voorzitter. Dank. De voorzitter: Ik dank u zeer. U bent aan het einde gekomen van uw betoog. Er is een interruptie van mevrouw Synhaeve. Mevrouw Synhaeve (D66): Het onderdeel over pleeggezinnen en het behoud van pleeggezinnen is ook mij uit het hart gegrepen. Ik denk namelijk dat we heel veel aandacht hebben voor de werving van nieuwe pleeggezinnen, maar dat we ook veel meer aandacht zouden moeten hebben voor het behoud van de huidige pleegouders. We zien namelijk dat veel pleegouders tussentijds afhaken. Ik heb daarom eerder het voorstel gedaan om Mockingbird Nederland onder de aandacht te brengen en breed uit te rollen. Dat is echt een manier waarop pleegouders elkaar kunnen ondersteunen in het netwerk. Het werkt bewezen effectief. Volgens mij zijn er alleen maar positieve verhalen. Ik zag ook op de sociale media dat de minister en de staatssecretaris naar een plek zijn geweest waar ze met pleegouders in gesprek zijn gegaan. Is de heer Hamstra het met mij eens dat dat juist initiatieven zijn die we veel meer ruimte zouden moeten geven en zouden moeten willen ondersteunen? De heer Hamstra (CDA): Ook dat antwoord is kort: ja. Ik ben ook bekend met de motie die u heeft ingediend in het kader van Mockingbird. Ik denk dat dat een prachtige manier is om ervoor te zorgen dat pleegouders met elkaar verbonden worden. Als het even niet gaat — dat is ons allemaal niet vreemd, denk ik — kun je in dat geval een beroep doen op anderen. Het zit op meerdere vlakken. Bij de werving van pleegouders zien we dat de werving lukt, maar dat het verwachtingsmanagement soms heel lastig is en dat het soms tegenvalt wanneer ouders de zorg krijgen over pleegkinderen. Dan is het heel handig dat er ambulante jeugdzorg voorhanden is en dat ze kunnen worden geholpen. Dat is vaak niet het geval. Er zijn meerdere mogelijkheden waar we aan zouden kunnen denken, maar Mockingbird is er daar zeker een van. De voorzitter: Dank u wel. Dan komen we de volgende spreker. Dat is mevrouw Coenradie namens JA21. Uw tijd gaat in. Mevrouw Coenradie (JA21): Voorzitter. Vandaag focus ik mij in dit debat op de jeugdzorg, want we hobbelen van wetswijziging naar wetswijziging en van inspectierapport naar inspectierapport. Ondertussen blijven we hangen in een systeem dat onvoldoende functioneert en zijn we als overheid niet in staat om goede zorg voor onze kinderen te garanderen. JA21 wil niet langer wachten op de zoveelste wetswijziging maar wil snel concrete verbetermaatregelen. Inspectierapporten concluderen al jaren hetzelfde: de hulpverlening schiet ernstig en langdurig tekort aan de meest kwetsbare kinderen. Ook bij het gezinshuis Bersama in Noord-Nederland, waar de William Schrikker Stichting bij betrokken was — u weet wel, diezelfde stichting als bij het Vlaardingse pleegmeisje. Ook nu is de conclusie van de IGJ dat er onvoldoende is samengewerkt en er onvoldoende zicht was op de veiligheid van kinderen, dit terwijl er vaak al zo veel signalen aan vooraf zijn gegaan die zijn gemist, niet goed zijn geïnterpreteerd of onvoldoende zijn opgevolgd. Met onze motie over het doorakkeren van dossiers wilden wij hier iets aan doen. Helaas werd die motie niet aangenomen. We zijn er daarom verheugd over dat er door onze inzet tijdens de onderhandelingen toch budget is geregeld voor de pilot voor een crisisteam kindveiligheid, met runningteams die direct met casussen uit de gehele jeugdbeschermingsketen aan de slag kunnen gaan bij alarmerende signalen. Kan de minister meer inzicht geven in de uitvoering van de pilot en garanderen dat het crisisteam de mogelijkheid krijgt om door te pakken om de veiligheid van het kind te kunnen waarborgen? Ik wil graag buiten het debat om nauw betrokken blijven bij de uitrol van deze pilot. Voorzitter. Zoals gezegd is het waarborgen van de veiligheid nog lang niet altijd aan de orde. Ik citeer de inspectie: "Momenteel is er geen enkele gecertificeerde instelling die voldoet aan de normen voor de veiligheid van kinderen en het garanderen van kwalitatieve zorg." Welke concrete acties gaat de minister hierop nemen? Wat JA21 betreft is de tijd van vriendelijke gesprekken voeren wel voorbij. We willen duidelijke sancties. Voorzitter. Dan hebben we het alleen nog maar over de Nederlandse jeugdzorg gehad. We zijn ons rot geschrokken van de jongeren die in Spanje en zelfs in Marokko verblijven voor jeugdhulp. Wij vinden het onbegrijpelijk dat we niet exact weten om hoeveel jongeren het gaat, omdat er blijkbaar buiten de verplichte procedure om via de Centrale autoriteit geplaatst kan worden. Hoe dan? Ook verbaasde het ons dat de IGJ in 2021 na meldingen van de Kinderombudsman de Spaanse inspectie niet zelf heeft gewaarschuwd. Waarom niet, vraag ik aan de minister. Dan kom ik bij SAVE Midden-Nederland. Die organisatie is bij de buitenlandplaatsingen betrokken, maar past ook de omstreden methode van ouderverstoting toe hier in Nederland. Ik ben tevreden met het standpunt van de minister dat er een goede motivering achter de beslissing moet zitten om dit te mogen toepassen en dat zij hierover met SAVE in gesprek gaat. Ook stelt de minister dat de stem van het kind moet worden meegewogen in de toetsing, maar hoe borgen we die stem met dit soort omstreden methodes? Kan de minister dit scherper veroordelen dan zij deed in haar brief aan de Kamer? En kan zij ingaan op situaties waarin sprake is van intieme terreur en dwingende controle van een ex-partner en op welke invloed dit heeft op de beslissing over het kind waarvan de ouders zo'n relatie hebben? Wij krijgen hier veel verontrustende signalen over. Wij horen zelfs dat SAVE en steevast dezelfde rechter kinderen de mond snoert. Ouders en kinderen mogen niet met de media en met Kamerleden praten. Ik veroordeel dat scherp. Bij dezen zeg ik in de richting van SAVE en de rechtspraak: niemand bepaalt met wie deze mensen mogen praten en niemand bepaalt met wie ik praat. Anders mogen ze dat haarfijn zelf aan mij komen uitleggen. Ik ga verder met de gesloten jeugdzorg en de peperdure een-op-eenbegeleiding. Door een gebrek aan passende hulp zitten 770 kinderen in de gesloten jeugdzorg, waarvan een aanzienlijk deel op een vakantiepark verblijft. Hoeveel precies? Dat weet deze minister niet. Wel stelt ze hier 77 miljoen euro voor beschikbaar. Met een snelle rekensom betekent dit eenmalig €100.000 per kind, terwijl er nu kinderen zijn die al jaarlijks 1 miljoen euro kosten. Deze rekensom loopt dus niet synchroon met de praktijk. Dit is niet meer houdbaar. Welke concrete maatregelen nemen we om te voorkomen dat kinderen een-op-eenbegeleiding nodig hebben? Ik ben blij dat deze minister erkent dat gesloten jeugdhulp in sommige situaties nodig blijft voor de veiligheid van de jeugdige of voor die van de omgeving. Dat geldt vooral voor forensische jongeren, die geronseld worden, die crimineel actief zijn of die seksueel grensoverschrijdend gedrag vertonen. Dat is ook nodig voor de veiligheid van het zorgpersoneel. Daarom vind ik het een teleurstelling dat de wetswijziging voor nachtelijke kamerinsluiting niet doorgaat. Ik begrijp dat dit gevoelig ligt, maar de medewerkers staan onder enorme druk en er is actie nodig om ook hun veiligheid te waarborgen. Ik begrijp dat u met het veld in gesprek gaat over deze situaties, maar wat biedt u de medewerkers die nu met escalaties te maken hebben? Kan de minister onderbouwen waarom de noodzakelijkheid van deze maatregel ontbreekt? Voorzitter, ik rond af. Ik heb het vooral gehad over de misstanden en de zaken die keer op keer niet goed gaan. Ik hoop dat we daar eindelijk verandering in kunnen brengen. De pilot crisisteam en kindveiligheid is een mooi begin, maar er is meer nodig. JA21 zal met concrete voorstellen blijven komen om de jeugdzorg te verbeteren om zo onze meest kwetsbare kinderen veiligheid en hulp te kunnen blijven bieden. Tot zover. De heer Hamstra (CDA): Zeker het slot van het betoog van mevrouw Coenradie is mij uit het hart gegrepen. Het is fijn dat u zelf ook met voorstellen wilt komen. Bent u het met het CDA eens, zoals ik zelf heb betoogd in mijn eerste termijn, dat de jeugdzorg beschikbaar zou moeten blijven voor de meest kwetsbaren? Dat is volgens mij ook de doelgroep die in uw betoog aan de orde kwam. Welke rol zou het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet daarin kunnen spelen en welke keuzes zouden we moeten maken? Mevrouw Coenradie (JA21): Ik sluit me een beetje aan bij de eerdere woorden die mijn collega van de ChristenUnie heeft uitgesproken. We zien allemaal dat als we zo doorgaan, het niet meer betaalbaar en houdbaar is. Er moeten dus keuzes gemaakt worden, ook al hebben we het in onze ideale wereld misschien anders voor ogen. Ik denk dat dat de harde werkelijkheid is. Degene die dat ontkent, leeft niet in de realiteit. We zullen dus wel moeten. Ik ben van mening dat de jeugdzorg echt bedoeld is voor degenen die dat heel hard nodig hebben. Dat betekent dat we aan de voorkant scherp moeten zijn over wie in de jeugdzorg hoort en wie aanspraak moet kunnen maken op het potje geld waar we het over hebben. En hoe gaan we daarmee om? Dat zal hier best de nodige discussies opleveren, want we gaan keuzes maken in wat belangrijk is en prioriteit heeft. Maar ik denk eerlijk gezegd dat we daar niet aan ontkomen en dat we zullen moeten overgaan tot deze wet. Mijn enige zorgpunt ... Nou, het is misschien niet mijn enige zorgpunt, maar ik maak me er wel zorgen over dat de beleidsvrijheid van gemeentes kan leiden tot regionale verschillen. Ik ben benieuwd hoe dat gaat uitpakken en hoe we gaan voorkomen dat we postcodeafhankelijke jeugdzorg gaan krijgen. Daar zit mijn zorg. Ik ben bang dat we de discussie over postcodeafhankelijke zorg ook op dit thema gaan krijgen. De voorzitter: Duidelijk. De volgende spreker aan de zijde van de Kamer is mevrouw Van Meetelen namens de PVV-fractie. Uw vijf minuten gaan in. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Dank u, voorzitter. We spreken vandaag over een enorme stapel stukken, over jeugdhulp, jeugdbescherming, jeugdreclassering, kwetsbare gezinnen, seksueel geweld, uitbuiting en misbruik. De onderwerpen gaan werkelijk alle kanten op. Gelukkig hebben we binnenkort ook nog de begroting en het WGO Jeugd. We kunnen het hier niet vaak genoeg over hebben, maar het is ook te veel om het allemaal aan te raken. Voorzitter. Achter al die rapporten, voortgangsbrieven en beleidstrajecten zitten kinderen en gezinnen. Voor de PVV staat eigenlijk één vraag centraal: krijgen de kinderen die onze hulp het hardst nodig hebben, die hulp ook daadwerkelijk op tijd en op de juiste plek? Want er gaat toch vaak wat mis. Kinderen worden te laat op de juiste plek geholpen, gezinnen krijgen te maken met verschillende instanties en hulpverleners, meldingen over onveiligheid blijven soms te lang liggen en wanneer het misgaat, wijzen organisaties te gemakkelijk naar elkaar. Voorzitter. Ik ga niet meer vragen waar de verantwoordelijkheid ligt, want die ligt bij de minister. De minister zal ongetwijfeld wijzen op de Hervormingsagenda, op het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet en op het voornemen van de lokale teams die de gemeenten een grotere rol moeten geven. Maar daarmee is het probleem niet zomaar opgelost. We moeten tegelijkertijd ook een andere ongemakkelijke discussie durven voeren, namelijk over de omvang van de jeugdhulp. In 2025 kregen ongeveer 469.000 jongeren jeugdhulp. Bij minderjarigen gaat het ongeveer om een op de zeven. Dat is een ongekend aantal. Maar niet iedere tegenslag in het leven is een zorgprobleem. Opgroeien betekent ook teleurstellingen meemaken, verdriet hebben, onzeker zijn, een keertje vastlopen, ruziemaken, ergens niet bij horen, een onvoldoende halen of meemaken dat het leven gewoon even tegenzit. Dat kan vervelend en soms behoorlijk moeilijk zijn, maar het hoort ook bij opgroeien. Kinderen moeten leren omgaan met tegenslag en weerbaar worden. Niet ieder probleem moet onmiddellijk een diagnose, een behandeltraject of professionele hulpverlening opleveren. Er ligt ook een verantwoordelijkheid bij de ouders en de familie, en een stukje verantwoordelijkheid bij de school en de rest van de samenleving. Voorzitter. Er moet echt een cultuuromslag gemaakt worden. Ziet de minister dat ook? En als dat het geval is, hoe zou zij dit dan aanpakken? Als we normale problemen steeds vaker tot zorgproblemen maken, raakt de jeugdzorg verder verstopt en zijn juist de kinderen met ernstige psychiatrische problemen, in een onveilige thuissituatie of met andere complexe problematiek de dupe, want die kinderen moeten wel snel professionele hulp krijgen. De PVV heeft een belangrijke zorg bij de plannen rondom de reikwijdte van de Jeugdwet en de grote rol voor lokale teams. Wij willen voorkomen dat een kind dat volgens de huisarts of een andere bevoegde verwijzer echt specialistische jeugdhulp nodig heeft, vervolgens bij een gemeentelijk team terechtkomt dat kan gaan zeggen: probeert u eerst maar eens iets anders. Als een arts vaststelt dat specialistische hulp noodzakelijk is, dan moet zo'n verwijzing betekenis hebben. Daarom vraag ik de minister: kan zij garanderen dat de nieuwe inrichting van de jeugdhulp er niet toe leidt dat noodzakelijke verwijzingen van huisartsen of andere bevoegde verwijzers feitelijk worden geblokkeerd door gemeentelijke toegangsteams? Kan een huisarts rechtstreeks blijven verwijzen naar de specialistische jeugdhulp als die arts dat medisch noodzakelijk vindt? Wie heeft uiteindelijk het laatste woord als een huisarts zegt dat specialistische zorg nodig is, maar het lokale team dat niet vindt? Voorzitter. Dan de kinderen die vanuit de Nederlandse jeugdzorg naar het buitenland zijn gestuurd. Juist daar zien we wat er gebeurt wanneer verantwoordelijkheid en toezicht versnipperd raken. Verschillende collega's hebben daar al wat over gezegd. Er bestaat geen volledig centraal overzicht van buitenlandse verplaatsingen die niet volgens de voorgeschreven procedure zijn verlopen. Dat is natuurlijk onacceptabel. Als een kind onder de verantwoordelijkheid van onze jeugdzorg naar het buitenland wordt gestuurd, moet de overheid weten waar dit kind is, waarom het er zit, wie er toezicht op houdt en of het veilig is. Ik sluit me aan bij alle vragen die hier al over zijn gesteld. Ik vraag de minister: hoeveel kinderen verblijven op dit moment vanuit de Nederlandse jeugdzorg in het buitenland, in welke landen en is van ieder van deze kinderen bekend waarom het daar verblijft en wie er verantwoordelijk is voor de veiligheid? En kan de minister garanderen dat er op dit moment geen kind in het buitenland verblijft waarvan haar ministerie niet weet dat het daar zit? Voorzitter. We zien steeds hetzelfde patroon. Er gaat iets mis en vervolgens komen er gesprekken, overlegtafels, pilots, evaluaties en nieuwe plannen, maar een kwetsbaar kind heeft niets aan zo'n overlegtafel. De PVV wil minder bureaucratie en meer vakmensen die daadwerkelijk die kinderen en gezinnen gaan helpen. We willen niet voor iedere tegenslag een hulpverleningstraject, maar wel onmiddellijk goede hulp wanneer een kind dat écht nodig heeft. Uiteindelijk kan de minister die verantwoordelijkheid niet doorschuiven naar een gemeente, een regio, een instelling of een lokaal team, want de minister is verantwoordelijk voor het stelsel. Dus vertel ons vandaag alsjeblieft niet welke trajecten er lopen, maar wel wat er nou concreet gaat veranderen om de kinderen die hulp nodig hebben, te helpen. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Hamstra. De heer Hamstra (CDA): Ik hoor mevrouw Van Meetelen van de PVV aan de ene kant over de Wet reikwijdte zeggen dat we echt een keuze moeten maken en dat tegenslag ook bij het leven hoort. Dat is me uit hart gegrepen, want dat vind ik zelf ook. Ze zegt dus dat we met de Wet reikwijdte keuzes moeten gaan maken. Aan de andere kant hoor ik haar zeggen: "Waar blijft de rol van de huisarts? We moeten er wel voor zorgen dat wanneer specialistische hulp nodig is en de huisarts doorverwijst, dat mogelijk moet blijven." Ik ben zelf wethouder geweest. Er zijn meerdere wethouders in dit land die zeggen: een heel groot gedeelte wordt doorverwezen door huisartsen, waardoor ik er zelf geen grip meer op heb en waardoor het de spuitgaten uit is gelopen. Wanneer iemand van bijvoorbeeld Centrum voor Jeugd en Gezin bij de huisartsen wordt gezet, wordt de kwaliteit van de doorverwijzing beter en is er meer grip op de financiën. Dat is uiteindelijk ook beter voor de jongeren zelf. Dat is dus het verstevigen van de lokale teams, waarover ik de minister ook hoor praten, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de Hervormingsagenda Jeugd. Hoe kijkt u daar dan naar? Want het één kan niet samen met het andere bestaan. Er moet daar ook een keuze in gemaakt worden. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ik heb dat natuurlijk ook gelezen. Ik ben het ook wel met u eens. Maar als je de lokale teams erover laat beslissen, kan het ook betekenen dat specialistische hulp daar op die manier niet meer terechtkomt. Het is ook duurder, dus het wordt een financiële afweging; die incentive is er. Ik heb het in mijn tekst ook gehad over een cultuuromslag. Ik denk dat het belangrijk is dat we er met z'n allen — daar reken ik eigenlijk ook de huisartsen en alle mensen in het veld en in de gehele samenleving onder — op een andere manier naar gaan kijken. Niet elk dingetje is inderdaad een zorgvraag en je hebt niet voor elk wissewasje zware zorg nodig, maar het kan niet zo zijn dat als een huisarts echt duidelijk maakt dat er specialistische hulp nodig is, een lokaal team gaat zeggen: nou, wij vinden van niet, dus zoek het maar eerst even ergens anders uit. Dan ben ik toch wel bang dat we ergens verkeerd terecht gaan komen en dat kinderen dan misschien juist niet de hulp krijgen die ze nodig hebben. Mevrouw Synhaeve (D66): Ik hoor mevrouw Van Meetelen zeggen dat de minister ervoor verantwoordelijk is om per casus te bekijken of wel de goede zorg in wordt gezet. Dat lijkt mij niet de goede invulling van stelselverantwoordelijkheid. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Nee, dat is niet wat ik heb gezegd. Ik heb duidelijk gezegd dat de minister verantwoordelijk is voor het stelsel, dus niet per casus. De voorzitter: Dank u wel. We zijn aan het einde gekomen van de inbreng van de PVV-fractie. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie. Uw vijf minuten gaan in. De heer Van Houwelingen (FVD): Dank u, voorzitter. Eerder heb ik de minister nog gecomplimenteerd, omdat er na signalen uit de Kamer eindelijk beweging leek te komen in het specialistisch ziekenvervoer, ook voor jongeren; veel jongeren maken daar gebruik van. De nadere uitwerking daarvan blijkt echter een forse tegenvaller, kreeg ik gisteren te horen. De vervoerders krijgen over de tweede helft van 2026 tijdelijk 2% extra vanwege de hele hoge dieselprijzen. Ze hebben hele spannende marges; de helft draait om het verlies. Datzelfde bedrag wordt in 2027 weer verrekend. Kortom, nu 2% erbij — dat is het aanbod — en later gaat hetzelfde bedrag er weer af. Per saldo is dat dus geen structurele compensatie, maar een soort kasvoorschot, een lening. Wat vindt de minister hiervan? Dit betekent eigenlijk dat er niks extra wordt gecompenseerd. Er wordt eigenlijk een lening verstrekt. Waarom kan er door zorgverzekeraars niet worden gewerkt met brandstofclausules die dat snel compenseren? Dat is bij Van Gend & Loos, in het bedrijfsleven, heel gebruikelijk. Die sector zit dus nog steeds in de problemen. Dat is het eerste wat ik even wilde opmerken. Het tweede onderwerp is het incident in Friesland dat naar buiten is gekomen. Ik heb het over dat gezinshuis waar misbruik plaatsvond. Ik las dat — dat is natuurlijk een droevig geval — en dacht: daar hebben we weer een voorbeeld. Er is geen controle. De gecertificeerde instellingen hebben daar sowieso niet de capaciteit voor, vanwege te weinig betekenisvolle contacturen; dat is al een paar keer genoemd. De inspectie is toezichthouder. Stel dat ze hadden aangebeld en de kinderen hadden gesproken, los van de ouders die daar zaten. Dan waren ze er misschien achter gekomen. Maar dat doen ze dus niet, want de inspectie komt alleen maar op het bureau van de zorginstellingen om een kop koffie te drinken. Dit is weer een voorbeeld waarbij ik denk: waarom gebeurt dat niet? Dat gebeurt dus niet. Wij willen graag dat het gebeurt. In het onderwijs hebben we het als Kamer voor elkaar gekregen. De Kamer heeft daarbovenop gezeten. De onderwijsinspectie moet niet alleen naar de schoolbesturen, maar moet ook naar schoollocaties toe. Ik denk dat dat een goede zaak is. Waarom lukt dat maar niet in de zorg? In de brief van de minister lees ik: daar ga ik niet over; we hebben het zo geregeld dat de inspectie daarover gaat. De inspectie is een soort vrijstaat, die zelf bepaalt hoe die haar werk inricht; daar gaan wij als regering, als Kamer, als Nederlandse bevolking niet meer over. Dat kan toch niet zo zijn? Moeten we er niet heel snel voor zorgen — ik hoop dat de Kamer het daarmee eens is — dat wij als Kamer dit soort aanwijzingen kunnen geven? Het kan niet zo zijn dat de inspectie denkt: nou … Het gaat nu niet goed. We moeten iets doen. De inspectie doet niets; dat weten we in ieder geval zeker. Dan de plaatsing in het buitenland; daar is ook al wat over gezegd. We hebben daar een debat over gehad. De minister maakt zich daar gelukkig ook zorgen over. Maar het kan toch niet zo zijn dat onze jongeren in het buitenland worden geplaatst zonder dat we daar toezicht op kunnen houden? Dan kan dan niet, want de inspectie is niet bevoegd in Frankrijk of in Spanje. Dat is hetzelfde als dat je de treinen laat rijden terwijl je weet dat de seinen niet werken. Dan stopt de NS ook met rijden. Dat kan toch niet? Het is eigenlijk een principevraag. Is dat niet voldoende reden om daarmee te stoppen? Ook daar maken we ons heel veel zorgen over. Mevrouw Coenradie (JA21): Even over de inspectie gesproken. Ik kan mij aansluiten bij de woorden van mijn collega, maar ik ben heel erg benieuwd hoe mijn collega van FVD kijkt naar het feit dat de inspectie, maar wij als Kamer eigenlijk ook, verder zo weinig mandaat heeft als het gaat om echt ingrijpen. De inspectie zelf zegt: geen enkele gecertificeerde instelling voldoet aan de kwaliteitseisen; als we zouden willen, zouden we misschien wel alles moeten sluiten, maar het alternatief is er niet. Dat is gewoon de werkelijkheid. Dat is een hele zware constatering. Maar we komen ook niet verder dan verscherpt toezicht. Als je pech hebt, gaat een instantie drie keer naar verscherpt toezicht. Daar houdt elk mandaat of vervolging op. Ik ben benieuwd in hoeverre mijn collega van FVD ideeën heeft over hoe we daarmee omgaan. We hebben allemaal als doel om dat verbeterd te zien, maar tegelijkertijd stopt het bij het verscherpte toezicht van de inspectie. Als je niet uitkijkt, duurt dat heel lang of komt het daarna net zo hard weer terug. De heer Van Houwelingen (FVD): Dank voor uw terechte vraag. We hebben onlangs een motie aangenomen waarmee de inspectie meer bevoegdheden zou moeten krijgen om bestuurders te ontslaan. Je zou wat meer bevoegdheden kunnen geven. Maar het is inderdaad een probleem. Mevrouw Coenradie vraagt eigenlijk: is de inspectie geen tandeloze tijger? Dat is een apart probleem, maar waar ik vooral op wil wijzen, is het volgende. Ze hebben capaciteit; ze kunnen controles uitvoeren. Ik begrijp maar niet waarom er alleen maar koffie wordt gedronken op de bureaus van de inspectie. Ik denk: bel dan aan. Hadden ze dat maar gedaan, bijvoorbeeld in Vlaardingen. Dan hadden ze dat meisje in die kooi gezien. Dan hadden ze, denk ik en hoop ik, wat gedaan. Dan kun je wat doen, mag ik hopen. Maar dat gebeurt maar niet. Dat vind ik heel frustrerend. Heel veel ouders maken zich daar zorgen over. Je zou hopen dat de Kamer die zorgen deelt. Wij delen die zorgen. Maar de minister zegt nu doodleuk: ik kan er ook niks aan doen, want zo hebben we dat nu eenmaal geregeld; wij gaan er niet meer over. Dan denk ik: wat zijn we hier nog met z'n allen aan het doen? Maar u heeft natuurlijk helemaal gelijk als u zegt dat de inspectie beperkte bevoegdheden heeft. De voorzitter: Geen verdere interruptie, mevrouw Coenradie? Nee. Dan vraag ik u om door te gaan met uw betoog, meneer Van Houwelingen. De heer Van Houwelingen (FVD): Dank. Ik was het trouwens helemaal eens met mevrouw Coenradie, met de zorgen die zij had. Ik kom daarmee op mijn volgende punt. We hebben zorgen over het hele stelsel. Is dat nog wel veilig voor onze kinderen? Waarom maak ik mij daar zo veel zorgen over? Elke keer wanneer je ziet dat er van buiten iets naar binnen komt in het stelsel … Ik probeer, zoals u weet, als Kamerlid al een tijd gesprekken te voeren met de jeugdbescherming. Ouders willen dat heel graag. Elke jeugdbeschermingsinstelling zegt tegen mij: we willen je niet hebben, we willen je niet zien; wegwezen! Dat wekt heel veel wantrouwen. Blijkbaar hebben ze iets te verbergen. Dat ga ik denken. De ouders zeggen dat ook. Zij zeggen: zo gaat het hier. Ik krijg heel veel zorgwekkende berichten. En dan hebben we een minister die zegt: nou, ik heb wel vertrouwen in het instituut. De ministers hier hebben altijd vertrouwen … Je moet helemaal geen vertrouwen in het instituut, want er gaat heel veel mis. Ik wil mijn controlerende taak uitvoeren, maar ik kan dat dus niet doen. De inspectie doet het ook al niet, zoals ik net uitvoerig heb betoogd. Die gaat een kopje koffie lopen drinken; daar hebben we ook niet veel aan. Ik hoor ook heel vaak dat klachten die bij de politie worden ingediend door ouders die radeloos zijn, worden geseponeerd. Daar gebeurt dus ook niets mee. Dat hele stelsel zit dus dicht. Mijn zorg is dat het kabinet niet probeert om het stelsel open te breken, maar probeert om de deksel erop te houden. Dat is wat er gebeurt. De minister zegt: "Ik vind het prima zo. Je moet als Kamerlid je werk niet willen kunnen doen. Je moet wegblijven bij de jeugdbescherming." Dat is een hele grote irritatie en zorg die ik heb. Misschien deel ik die met mevrouw Coenradie. Ik wil die nogmaals even benadrukken. Tot slot het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet. Het is eigenlijk ook al door mevrouw Van Meetelen opgemerkt, maar ik wil het ook nog een keer opmerken: ook dat vind ik zorgelijk. Het is weer iets van buiten. Het zorgstelsel zijn die artsen. Die kunnen straks niet meer rechtstreeks doorverwijzen. Dan komt er bureaucratie tussen. Er werd net in een interruptiedebat gezegd dat we daar paal en perk aan moeten stellen, maar er komt nog meer bureaucratie. De arts kan namelijk niet meer rechtstreeks doorverwijzen: dat wordt straks in overleg met jeugdteams of zo gedaan. Wat schieten daarmee op? Die wet gaan we natuurlijk nog behandelen, maar ik heb dus dezelfde zorg als u heeft, mevrouw Van Meetelen. Die wil ik in mijn laatste paar seconden hier toch ook nog maar even benadrukken. Voorzitter, ik zit precies op vijf minuten. De voorzitter: Ja. We zijn bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer gekomen. Mevrouw Westerveld, uw tijd gaat in. Mevrouw Westerveld (PRO): Dank, voorzitter. Vijf minuten is veel te weinig. Gelukkig hebben een heel aantal collega's ook al vragen gesteld over onderwerpen die ik wilde aanraken. Die sla ik dus over. Ik sluit me bij hen aan. Voorzitter. Een paar maanden geleden kreeg ik indringende mail van de 15-jarige Sofie over haar beste vriendin, Kaylee. Ik citeer even uit die mail. Ze schreef: "We hebben gelachen, gehuild, geschreeuwd en gefluisterd. We hadden zo veel plannen dat de kalender schrok. Maar toch was de wereld te veel voor Kaylee, niet omdat er veel gebeurde, maar juist te weinig. Kaylee is op 3 januari uit het leven gestapt. De wereld was niet meer van ons samen, maar nu alleen van mij." Het lijstje met brieven die we krijgen, maar ook met overleden kinderen en jongeren, groeit elk debat. Iedereen vindt dat natuurlijk heftig. Het is ook heel heftig om een gesprek te hebben met ouders en hun kind, dat haar beste vriendin is kwijtgeraakt. Ik merk echter dat er een soort gewenning lijkt op te treden, dat we het allemaal maar normaal vinden dat het niet goed gaat in de jeugdzorg. Daardoor laten we ons machteloos in een hoekje stoppen waarin we met elkaar machteloos worden. Volgens mij mogen we ons er nooit bij neerleggen dat dit gebeurt. Voorzitter. Kinderen en ouders willen namelijk helemaal niet de hele tijd dat gesteggel of gedoe over geld. Ze willen een minister en een staatssecretaris die knopen doorhakken en die wetgeving door de Kamer krijgen. Ik hoorde van haar ouders dat voor Kaylee zelfs geen plek was bij de crisisdienst. De cruciale ggz, ook de jeugd-ggz, moet uit de markt. Dat zeggen we wel vaker. Ik zeg het nog een keer. Bij een situatie van leven of dood moet er namelijk gewoon een plek zijn. Ik wil heel graag van deze bewindspersonen horen wat ze anders gaan doen dan hun voorgangers. We vinden het allemaal heel erg, maar er moet echt wat anders gebeuren dan de afgelopen jaren. Het stelsel loopt namelijk helemaal vast. Er moeten echt oplossingen komen. Het stelsel beschadigt gezinnen, maar raakt ook het vertrouwen van gezinnen in hulpverleners en in onze democratie. Ik hoor graag een reactie en een reflectie hierop. Wat gaan de minister en de staatssecretaris nu anders doen? Ik hoor ook graag een reactie op de volgende punten. We hebben hier allemaal voorbeelden genoemd. Ik sprak afgelopen week weer een moeder die vanwege mishandeling niet meer in haar huis kon wonen en die haar kinderen nu al jaren niet meer ziet. We hebben recent debatten gehad over de afschuwelijke mishandelingen in Vlaardingen en Stadskanaal. We zijn allemaal heel erg geschrokken van De kinderen van het kerkasiel en de berichten daarachter. Die roepen allemaal indringende vragen op. Ik vraag niet om in te gaan op individuele situaties, maar wel om in te gaan op het patroon dat we zien. Volgens mij zien we allemaal dat kinderen vaak niet wordt gevraagd wat ze willen. Als ze dan eens wordt gevraagd wat ze willen, worden ze vaak niet serieus genomen. Ook schiet de rechtsbescherming van veel ouders in kwetsbare situaties tekort. Kinderen en ouders, maar ook hulpverleners verdwalen in de regels en procedures. We merken ook dat er vaak helemaal geen eindverantwoordelijkheid lijkt te zijn: iedereen kan naar elkaar doorschuiven. De vraag is of instanties, als er een heel heftig besluit is genomen, soms ook op hun schreden kunnen terugkeren en kunnen zeggen: dit was niet goed; dit moeten we terugdraaien. Ik mis die zelfreflectie vaak. Ik hoor graag een reactie op deze punten. Voorzitter. Er is ook een groep kinderen die zich ongezien voelen omdat ze slachtoffer zijn van mishandeling, fysiek of mentaal, maar nooit zijn geholpen. Ze zijn nooit echt gezien. Ik sprak afgelopen maandag met een groep van hen. Het ging om een groep kinderen die als kind mishandeld werden. Ik heb ook een rapport van hen gekregen, dat "Gemiste kinderen" heet, met hele persoonlijke ervaringen. Zij gaven aan dat iedereen ervan wist, maar niemand ingreep. Iedereen was omstander. Niemand deed wat. Debatten en excuses gaan ook bijna nooit over hen, terwijl ook zij door willen met hun leven. Ze vertelden me ook dat in het onderwijs en op lerarenopleidingen vaak nog heel weinig aandacht is voor het herkennen van kindermishandeling. Ik weet dat ik in 2018 al een motie heb ingediend. Die verzoekt dat iedereen die leerkracht wordt, op de lerarenopleiding moet leren hoe je kindermishandeling herkent. Ik hoorde van hen dat dat niet overal zo is, dus ik hoor graag een reactie van de bewindspersonen. Over onderwijs gesproken: voor sommige leerlingen is zorg tijdens schooltijd nodig om überhaupt onderwijs te kunnen volgen. Toch hangt die heel vaak af van de afspraken die er zijn tussen scholen, gemeenten en zorgkantoren. Wie neemt de verantwoordelijkheid als een kind daardoor thuiszit? Wanneer is er duidelijkheid over de bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking na 2026? Voorzitter. Ik heb ook de bijeenkomst over de excuses in de gesloten jeugdzorg gevolgd. Die was emotioneel voor heel veel mensen die aanwezig waren, maar ook voor mensen die aan het kijken waren. Ik denk dat het dat ook was voor de minister en de andere aanwezigen. Ik heb eerder met mevrouw Dobbe een motie ingediend die vraagt om te kijken naar wat deze jongeren, nu soms jongvolwassenen, individueel nodig hebben. Ik vroeg me af of de minister wat meer kan vertellen over de uitvoering van die motie. Voorzitter. Er zijn al een aantal vragen gesteld over de afbouw van de gesloten jeugdzorg. Ik sluit me daarbij aan. Ik sluit me ook aan bij de gestelde vragen over de herbeoordeling van de dossiers van de kinderen die vanwege het toeslagenschandaal uit huis zijn geplaatst. De voorzitter: Mevrouw Westerveld, ik dank u zeer. De heer Hamstra (CDA): Mevrouw Westerveld zegt terecht dat degenen die zij spreekt, degenen die op de tribune zitten en degenen die al dan niet live meekijken, van ons verwachten en ook mogen verwachten dat we knopen doorhakken. Ik heb met een aantal collega's de volgende vraag gesteld. Zelf zie ik de wet Reikwijdte als een van de oplossingen en stappen die we in deze periode kunnen zetten. Hoe kijkt mevrouw Westerveld daarnaar in het kader van het doorhakken van knopen? Welke knopen durft zij door te hakken wanneer we de wet Reikwijdte gaan bespreken? Mevrouw Westerveld (PRO): Prima vraag. Misschien wel goed om te melden dat we het al over deze wet hadden in de debatten die we destijds hadden met Hugo de Jonge. Hij kondigde al aan dat er wetgeving moest komen om meer duidelijkheid te krijgen over de vraag wat jeugdzorg is en wat niet. Dat is inmiddels al een hele tijd geleden. Ik geloof dat ik nu in negen jaar acht verschillende bewindspersonen heb meegemaakt op Jeugd. Dat zegt natuurlijk al wel het een en ander. Het laat ook meteen het probleem zien. Wij zijn het namelijk vaak met elkaar eens. Tegelijkertijd zien we bijna nooit dat er wetgeving onze kant op komt. Ik wil dus heel graag wetgeving. Ik wil heel graag nadenken over hoe we het stelsel beter kunnen maken. Ik heb ook altijd, zowel tegen deze minister en staatssecretaris als tegen hun voorgangers, gezegd: we zitten natuurlijk in de oppositie, maar als het gaat over dit onderwerp, voer ik nooit oppositie om het oppositie voeren. Wij kijken altijd wat het beste is voor jongeren en gezinnen. Met die ogen gaan wij ook naar dit wetsvoorstel kijken. Misschien is het goed om daar het volgende aan toe te voegen. Het wetsvoorstel vraagt natuurlijk ook heel veel van ons als samenleving. Het vraagt van ouders om niet altijd te willen dat hun kind een havo- of vwo-advies krijgt. Het vraagt van ons als volwassenen om het jongeren toe te staan dat ze af en toe fouten maken, waar ze hopelijk van leren. Het vraagt ook van ouders om niet bij de voetbaltrainer op de stoep te staan op het moment dat hun kind niet in het selectieteam speelt, maar beter meekomt en meer plezier krijgt in een ander team. Het vraagt dus veel meer dan alleen een wetswijziging. De voorzitter: U bent door uw interrupties heen, meneer Hamstra, maar mevrouw Van Meetelen niet. Zij mag nog even. Mevrouw Van Meetelen (PVV): In het laatste stukje van het betoog van mevrouw Westerveld vinden wij elkaar natuurlijk. Ik denk dan dat u het ook eens was, mevrouw Westerveld, met het gedeelte van mijn inbreng over de cultuuromslag die we moeten maken. Ik denk dat dat misschien nog wel het allerbelangrijkste is om dingen voor elkaar te krijgen met elkaar, om het te veranderen. Dat betekent niet dat we minder moeten kijken naar waar de echte problematiek zit en naar specialistische hulp. We moeten ons gewoon met z'n allen, als maatschappij, weer weerbaarder maken. Inderdaad, we moeten minder naar de juf stappen als het rapport niet aanstaat of wat dan ook. Het is totaal niet erg als je kind een lager niveau heeft dan je in je hoofd had dat het zou moeten hebben. Dat kind is namelijk net zo waardevol als al die anderen. Als je het niet kunt bijbenen in de sportschool of in een voetbalwedstrijd, is dat niet erg. Dit vraag ik eigenlijk nooit, maar ik heb het gevoel dat ik PRO aan mijn zijde vind. Dat is zeldzaam! De voorzitter: Het was een betoog. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Het gaat om het vinden van de cultuuromslag en de vraag aan de minister om daar wat mee te doen. De voorzitter: Is PRO voor een cultuuromslag? Mevrouw Westerveld (PRO): Ik vind dit al heel lang. Ik ben de afgelopen jaren ook woordvoerder Onderwijs geweest. Daar hebben we ons altijd hard gemaakt voor de leerlingen die thuiszitten en niet naar school kunnen omdat ze een extra ondersteuningsbehoefte hebben. We hebben ons altijd hard gemaakt voor het praktijkonderwijs, terwijl er veel minder aandacht is voor debatten over praktijkonderwijs dan voor debatten over studenten die naar de universiteit gaan. Dat is ook de harde realiteit. Ik heb me als sportwoordvoerder altijd hard gemaakt voor veel meer plezier krijgen in de sport en voor op minder jonge leeftijd selecteren, omdat ik denk dat er niks mooiers is dan erachter komen wat je niet kan en tegen je grenzen aan lopen. Dat is ook heel gezond voor ons allemaal. Ik wilde vroeger ook altijd profvoetballer worden. Ik heb me er op een gegeven moment ook bij neer moeten leggen dat dat er niet in zit. Nee, dat kan niet meer. Even gechargeerd: kinderen moeten juist leren om fouten te maken en moeten van opvoeders ook de kans krijgen om fouten te maken. Daar hebben we ons altijd voor ingezet. Ik weet dat de huidige sportwoordvoerder van PRO, nu onze voorzitter, datzelfde doet. Het begint ook al bij termen. Hoe noemen wij iets? De termen "hoger" en "lager" in het onderwijs geven een waardeoordeel. Dan kunnen we met elkaar wel het gesprek voeren over "een woord is maar een woord", maar dat doet ertoe. Ik vind het ook heel pervers dat juist de leerlingen die vwo doen, veel langer onderwijs mogen volgen. Op het mbo moet je de keuze veel eerder maken. Ook daar zit weer een ongelijkheid. We hebben een samenleving gebouwd waarin voor mensen die het over het algemeen wat beter voor elkaar hebben, soms een wat beter netwerk hebben of thuis wat meer financiële mogelijkheden hebben, de wet- en regelgeving ook veel beter is ingericht. Ik vind het een taak van ons allemaal om in alle debatten te proberen om langzamerhand een kanteling daarin te maken. Ik denk ook dat dat op termijn leidt tot minder jongeren die in de jeugdzorg terechtkomen. Dat is niet omdat er iets verkeerd is aan hen, maar vanwege de omstandigheden, omdat ze gewoon een keer pech hebben in het leven. De voorzitter: Dank u wel. De volgende spreker is de heer Verkuijlen namens de VVD-fractie. De heer Verkuijlen (VVD): Voorzitter, dank. Het is bijzonder om weer in het midden van deze commissie te zijn. Anderhalf jaar geleden heb ik het twee jaar mogen doen. Een aantal woordvoerders komt mij nog zeer bekend voor. Ik ken de vurige betogen van mevrouw Westerveld. Bij het laatste sluit ik mij zeker aan, als het gaat om onderwijs volgen, tegenslag en de rol die jongeren en hun ouders daarin hebben. Daar vind ik ook de PVV in. Maar dit debat gaat niet alleen over jeugdzorg. Het gaat over jeugdbeleid, over de maatschappelijke druk die jongeren ervaren. Het advies van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving over de hypernerveuze samenleving en de daling van Nederland op de internationale kinderranglijsten kunnen we daar niet los van zien. De wet Reikwijdte moet ervoor zorgen dat de schaarse capaciteit in de jeugdzorg terechtkomt bij de jongeren die deze zorg het hardst nodig hebben. Niet iedere hulpvraag hoort in de jeugdzorg thuis. Pedagogische problemen — ik denk dat mevrouw Westerveld dat net heel terecht opmerkte — zoals dyslexie horen wat ons betreft in het onderwijs thuis en niet in de jeugdzorg. Ouders hebben daarbij een belangrijke rol. Zij kunnen voorkomen dat de jeugdzorg aan de voorkant wordt overvraagd. Hier bedoel ik echt mee dat als er aan een kind ook maar iets niet goed is, de cultuur op dit moment is om zo snel mogelijk te kijken of er zorg nodig is. We zijn het heel erg eens als het gaat over het verwerken van tegenslagen in het leven. Dat hoort ook bij het leven en het hoort ook bij de groei in het leven. Voorzitter. Als we dat niet doen, gebeurt precies wat we niet willen: het systeem raakt overbelast met lichte hulpvragen, terwijl kinderen met complexe problematiek langer moeten wachten. Denk aan jongeren met ernstige psychiatrische aandoeningen, suïcidaliteit, eetstoornissen, verslaving of situaties van zelfmishandeling. In de meest ernstige situaties kan het noodzakelijk zijn om iemand als laatste redmiddel onder een strikt regime te plaatsen. Dat is ingrijpend en wat ons betreft altijd onwenselijk als het kan worden voorkomen. De afgelopen jaren hebben zich in de gesloten jeugdzorg ernstige misstanden voorgedaan. Daarvoor zijn excuses aangeboden. Daarover zijn al mooie woorden gezegd; ik sluit mij daar graag bij aan. Het is goed dat de minister samen met de VNG die excuses heeft gemaakt. Maar excuses alleen zijn natuurlijk niet genoeg; dat weten we allemaal. De vraag is wat we er nu concreet aan gaan veranderen. Voorzitter. Een belangrijk probleem is dat er onvoldoende passende hulp beschikbaar is in de eigen regio. Verwijzers zoeken daarnaar en komen soms met oplossingen buiten bestaande contracten met gemeenten, bijvoorbeeld via een-op-eenplaatsingen. Daarover is al het nodige gezegd. Ik ben nu niet zo heel erg geïnteresseerd in tellen. Dat telraampje is niet zo interessant. Het gaat erom welk alternatief wij voor ons zien als we die gesloten instellingen met elkaar niet meer willen. Ik ben erg benieuwd om van de minister te horen welke richting zij daarbij wil inslaan en welke best practices ze op dit moment aan het ophalen is. Dat vind ik namelijk belangrijk. Je kunt daar nooit proeftuinen van maken, want je mag een jongere nooit als een laboratoriumobject gaan gebruiken; het zijn jongeren die zorg nodig hebben. Ik ben wel benieuwd naar waar dit over het algemeen wél goed werkt; daar moeten we namelijk heen. Ik ben het eens met mevrouw Coenradie, die zegt: de veiligheid van de mensen die in de jeugdzorg werken, is relevant, zeer relevant, niet alleen om die mensen te behouden voor de jeugdzorg, omdat ze heel graag in de jeugdzorg willen werken, maar ook voor de jongere zelf, die op dat moment ook een gevaar voor zichzelf vormt. Daar moeten we echt zo snel mogelijk een alternatief voor vinden. Dat heeft wat de VVD betreft prioriteit. Voorzitter. Wat komt er als concreet alternatief? Welke richting kiest de minister? Wanneer weten instellingen waar ze aan toe zijn? Dat is de vraag waar we voor staan. Voor de VVD staat één ding voorop: de veiligheid van jongeren en hulpverleners. Wij vinden het onverantwoord om ingrijpende maatregelen te nemen zonder dat er concreet zicht is op een passend alternatief. Voorzitter. Tot slot de jongeren met een forensisch profiel. Gemeenten en zorgaanbieders geven aan dat er onvoldoende passend aanbod is voor jongeren die in aanraking komen of dreigen te komen met het strafrecht. Volgens mij heeft JA21 daar ook al iets over gezegd. Dat is zorgelijk, want als we jeugdcriminaliteit willen voorkomen, moeten we juist deze jongeren op tijd bereiken, en niet pas wanneer het strafrecht al in beeld is. In het bijzonder vraag ik aandacht voor jongeren met een licht verstandelijke beperking. Zij kunnen zeer ontvankelijk zijn voor criminele beïnvloeding. De ronselaars zijn hier ook al eerder genoemd. Mijn vraag aan de minister is daarom wat zij concreet gaat doen om voor deze groep voldoende passende hulp beschikbaar te maken. Hoe voorkomen we dat deze jongeren pas hulp krijgen als het al mis is gegaan? Voorzitter. Ik rond af. De VVD wil af van een systeem waarin jongeren met de zwaarste problemen achteraan in de rij staan. Wij willen dat de schaarste zorg terechtkomt waar die het hardste nodig is. Daarvoor moeten we keuzes maken en vooral: die moeten we ook gaan uitvoeren. Mijn vraag aan de minister is daarom niet alleen wat zij van plan is, maar vooral wanneer jongeren daar daadwerkelijk iets van gaan merken. Dank u wel. De voorzitter: Een interruptie van mevrouw Westerveld en daarna van mevrouw Synhaeve. Nou, we gaan het rijtje gewoon af. Mevrouw Westerveld (PRO): Het frustrerende is dat we hier na twee jaar weer zitten en weer dezelfde discussies hebben. Over een heel aantal punten zijn we het best met elkaar eens. Een van de onderwerpen waar we het net over hadden, is de cultuuromslag. Dat vraagt misschien ook wel van ons om eens anders te kijken naar bepaalde vraagstukken. Ik wil heel graag weten hoe de VVD aankijkt tegen de marktwerking in de jeugdzorg. Laat ik het specificeren: het gaat mij om de marktwerking in de zorg die acuut nodig is, die echt beschikbaar moet zijn. Jeugdzorg Nederland pleit nu ook voor een ander stelsel en zegt: richt het in als publieke dienstverlening. Ik zou heel graag willen weten of de VVD bereid is om hier eens anders naar te kijken en misschien af te stappen van het idee dat marktwerking voor elke vorm van zorg de beste manier is om die in te richten. De heer Verkuijlen (VVD): Ik ben altijd bereid om naar de kwaliteit van de zorg te kijken. Dat is mijn eerste antwoord daarop. Maar dan moet natuurlijk wel overtuigend vastgesteld worden dat de marktwerking precies de werking heeft die u nu noemt. Ik heb op een gegeven moment ook in mijn fractie verdedigd dat we geen private equity in de jeugdzorg wilden. Volgens mij was dat op dat moment ook een belangrijk punt van mevrouw Westerveld. Ik verdedig dat nog steeds van harte. De eerste vraag is altijd: wat is de kwaliteit van de zorg en is de marktwerking inderdaad zodanig dat de kwaliteit van de zorg afneemt? Dan kunnen we het gesprek met elkaar voeren. Mevrouw Westerveld (PRO): Dan maak ik het even heel specifiek. Ik vind dat jongeren die in acute nood zitten, of die hele gespecialiseerde hulp nodig hebben van de allerbeste specialisten … Dat vind ik trouwens ook van de ggz. De vorige staatssecretaris, Vincent Karremans, zei in 2025 dat hij de marktwerking in de cruciale ggz ging afschaffen, maar dat is niet gebeurd. Laat ik het echter even bij de jeugdzorg en de jeugd-ggz houden. Neem bijvoorbeeld de crisisplekken. Die zouden toch altijd beschikbaar moeten zijn op het moment dat er acute nood is, op het moment dat het echt kan gaan om leven of dood van een kind? Zouden we de marktwerking daarin niet moeten afschaffen en zouden we er niet voor moeten zorgen dat er gewoon een aantal beschikbare plekken zijn? De heer Verkuijlen (VVD): Daarmee overvraagt u mij op dit moment. Ik ben zeker bereid om daarnaar te kijken met u. Als de marktwerking zou voorkomen dat die acute hulp er is, moeten we daar zeker naar kijken met elkaar. Mevrouw Synhaeve (D66): Ik wil even terug naar de een-op-eenplaatsingen. Ik hoorde de VVD zeggen: tellen is eigenlijk niet interessant, want de aantallen doen er niet toe. Maar voor de zomer waren het nog ongeveer 400 jongeren en na de zomer waren het ineens ongeveer 800 jongeren; eigenlijk weten we het nog niet. Mijn kernpunt was natuurlijk: we weten niet om hoeveel jongeren het gaat, maar we weten vooral niet of er gekwalificeerd personeel is en of ze veilig zijn. Onderschrijft de VVD dat dat wel degelijk de kernvraag zou moeten zijn? De heer Verkuijlen (VVD): Natuurlijk. Met mijn opmerking bedoelde ik, zeg ik tegen mevrouw Synhaeve, dat het mij gaat om de beweging die er gemaakt wordt en dat er gekeken wordt naar dit soort alternatieven. Zolang die nog in stand zijn, moeten we natuurlijk kijken naar de kwaliteit die daarin geleverd wordt. Dat ben ik helemaal met mevrouw Synhaeve eens. Mevrouw Dobbe (SP): We zijn het over een aantal dingen eens en over een aantal dingen ook niet. Ten eerste is zorg geen markt. De markt heeft echt geen plek in de zorg, en zeker niet in de jeugdzorg. Ten tweede vraag ik me het volgende af. We zeggen dat de jeugdzorg beter moet worden en dat we daarvoor keuzes moeten maken. Een keuze die dit kabinet maakt, is het invoeren van een eigen bijdrage in de jeugdzorg om 260 miljoen euro op te halen. Er zijn allerlei waarschuwingen: dat het leidt tot zorgmijding, ongelijkheid en spanning in gezinnen, dat de vraag is wie het nog kan betalen en dat het mogelijk in strijd is met het Kinderrechtenverdrag. Wij hoorden van D66 dat ze voor de verkiezingen tegen een eigen bijdrage in de jeugdzorg waren, maar dat ze daar na de verkiezingen voor zijn. Het CDA zei: we moeten er eerlijk over zijn dat dit pijn doet. Dan moet het idee dus wel van de VVD komen. Ik vraag mij af waarom de VVD een eigen bijdrage in de jeugdzorg een goed idee vindt. Niemand vindt dit namelijk een goed idee, behalve de VVD dan. De voorzitter: Duidelijke vraag, denk ik. De heer Verkuijlen (VVD): Die deductie is heel interessant. Ik denk dat er voor mevrouw Dobbe een opsporingscarrière verloren is gegaan, want zij heeft onderzocht wie de meest aannemelijke verdachte zou zijn in dit spel. Wij hebben een andere opvatting over die bijdrage en ik zal u ook uitleggen waarom. We hadden het net over de ouders. Een heel groot aantal ouders kan de jeugdzorg makkelijk betalen. Ik zou graag zien dat degenen die het kunnen betalen … Ik heb zelf een kind gehad met een ernstige aandoening en het ging mij absoluut niet om geld of wat ik er daarin bij kreeg; het ging mij erom dat mijn eigen kind weer gezond werd. Ik vind dat je dan een bijdrage zou moeten vragen. Ik ben benieuwd naar het wetsvoorstel dat eraan komt. Volgens mij zijn we in de Wmo aan het kijken naar een inkomensafhankelijke bijdrage. Ik zou het niet verkeerd vinden om daar ook heel nadrukkelijk naar te kijken en over na te denken voor de jeugdzorg. De voorzitter: Nee, ik ben even streng vandaag, gelet op de tijd, de hoeveelheid sprekers en de spreektijden. Mevrouw Dobbe, u mag wel gewoon uw inbreng leveren, in vijf minuten. Dat mag wel. Of hoeft dat niet meer? Mevrouw Dobbe (SP): Heel goed. Ja, je zou het bijna vergeten, maar dank u wel, voorzitter. Tweeënhalf jaar geleden maakte het rapport van Jason duidelijk wat jongeren via vele eerdere meldingen allang hadden aangegeven, namelijk dat de ZIKOS-afdeling en gesloten jeugdhulp heel veel jongeren hebben beschadigd. Ongeveer twee jaar geleden werd onze motie om excuses te maken aan deze jongeren en te werken aan herstel, breed aangenomen in de Kamer. Vorige maand kwamen er excuses. Daar wil ik toch even bij stilstaan. Het is goed dat die zijn gemaakt, maar het heeft lang geduurd, te lang. Dat liet het vervolgonderzoek Eenzaam gestorven ook zien. Jongeren hebben het niet overleefd, jongeren zijn suïcidaal, bijna allemaal hebben ze problemen in meerdere domeinen van de Big Five. De excuses betekenen erkenning, een hele belangrijke erkenning, voor wat jongeren is aangedaan. Het is heel belangrijk dat dit is gedaan. We hebben ook de reacties van de slachtoffers om wie het gaat op de excuses gehoord. Een deel van hen voelt de erkenning en vindt die ook heel belangrijk, maar een deel van de jongeren is teleurgesteld, boos of ontmoedigd. Ik denk dat we vandaag ook moeten praten over wat nu nodig is. De minister stelde zelf al dat dit het begin is en geen eindpunt. Hoe dragen we dan echt bij aan het herstel van deze jongeren? Er is 12 miljoen euro beschikbaar gesteld voor herstelactiviteiten. Eerder hebben jongeren aangegeven dat herstel ook betekent dat we moeten doen wat jongeren nodig hebben: hulp met de Big Five, bijvoorbeeld huisvesting, of misschien een hulphond, wachtlijstbemiddeling of traumatherapie. Gebeurt dit nu dan ook? Krijgen jongeren nu dan ook wat ze nodig hebben voor dat herstel, en op welke manier gebeurt dat? Mevrouw Westerveld refereerde er net al aan dat er een motie op dit punt is aangenomen. Een andere heel duidelijke aanbeveling uit het rapport Eenzaam Gestorven was ook heel terecht. "Transparantie is noodzakelijk over welk aandeel van het budget direct aan de jongeren gespendeerd dient te worden", staat er. Hoeveel van dat geld komt direct terecht ten goede van jongeren en bij jongeren, dus niet bij organisaties of managementlagen? Hoeveel gaat er naar indirecte kosten, en wat zijn die dan? Eerder vroeg ik, samen met mevrouw Westerveld, om in samenspraak met jongeren te zorgen voor financiële tegemoetkoming of een schadevergoeding voor wat hun is aangedaan. Gezien de behoeften van die jongeren en de reactie van sommige van deze jongeren op de excuses vraag ik: is de minister dan nu bereid om dit wel te gaan doen? Gesloten jeugdzorg wordt afgebouwd; hier is al veel over gezegd. We zien nu kinderen in Spanje en kinderen op vakantieparken. Dat is natuurlijk geen oplossing. Het is alleen maar schrijnend en heel verdrietig. Deze kinderen moeten zo snel mogelijk een fatsoenlijke plek krijgen. Ik lees ook wat de minister wil doen: de regie pakken, gesprekken voeren, beter zicht krijgen op waar jongeren zijn geplaatst. Er komt eind van het jaar een tijdslijn voor een nieuw wettelijk kader. In een tijdslijn kunnen kinderen en jongeren natuurlijk niet terecht. Er moet nu een oplossing komen. Aan welke deadline kunnen we deze minister houden om ervoor te zorgen dat de honderden kinderen die aantoonbaar op ongeschikte en niet-passende plekken zitten, wel een passende en goede plek hebben? Er is op dit moment veel variatie in de kleinschalige initiatieven en de alternatieven die er nu voor gesloten jeugdzorg ontstaan. De werkwijzen daartussen verschillen heel sterk. Dat is op zich goed te begrijpen, maar er kunnen dus ook dingen misgaan. Daarom is er voldoende toezicht nodig. Wij hebben daarom grote zorgen dat de geplande bezuinigingen op de inspectie op dit moment worden doorgevoerd. Dat staat daar toch volledig haaks op? Hoe kunnen we dan nog toezicht, dat hier juist zo ontzettend belangrijk is, houden? Is de minister het daarmee eens? Welke consequenties verbindt zij daar dan aan? Het is hier ook al eerder gezegd: hoe eerder er passende zorg en hulp is, hoe meer leed daarna voorkomen kan worden. Dat vindt denk ik iedereen. Dit kabinet wil een eigen bijdrage in de jeugdzorg, ondanks waarschuwingen van de gehele sector, zowat alle experts en een aangenomen motie op dit punt. Er zijn serieuze waarschuwingen dat een eigen bijdrage kan leiden tot zorgmijding, ongelijke toegang en schendingen van kinderrechten. Ook kan het zorgen voor extra spanningen in gezinnen als ouders bijvoorbeeld voor gedwongen zorg ook nog eens een eigen bijdrage moeten betalen. Is dat niet een risico dat wordt afgereageerd op het kind? Daar maken jongeren zichzelf nu ook zorgen over. Wat doet de minister met deze waarschuwingen? Doet ze die af als onzin? Neemt ze die serieus? Er is echt oprecht niemand die zegt dat de eigen bijdrage een goed effect zal hebben op de kwaliteit en de beschikbaarheid van zorg. Er is niemand die denkt dat we voor alle veranderingen die nu in de zorg en in de jeugdzorg moeten plaatsvinden een eigen bijdrage moeten hebben, omdat het daar beter van wordt. Wat doet de minister met deze waarschuwingen? Het is te kort om dit onderwerp echt recht te doen, maar ik wil het wel benoemen. De heer Ceder is er gelukkig ook over begonnen. Gisteren waren hier in de Kamer uit huis geplaatste kinderen en jongeren van het toeslagenschandaal. Vorig jaar is de motie-Dijk c.s. aangenomen om ouders, bijvoorbeeld via de Rijksuniversiteit Groningen, de mogelijkheid te geven om een multidisciplinaire analyse van hun dossier te laten maken die kan leiden tot een herbeoordeling en mogelijk — niet altijd — hereniging van hun gezin, en om onderzoek te laten doen naar de totstandkoming van de uithuisplaatsingen in het toeslagenschandaal en de lessen die daaruit getrokken kunnen worden. We hoorden gisteren weer hoe ontzettend belangrijk dat is voor deze kinderen en voor hun ouders. Wat zeggen wij dan tegen deze ouders? Wat zeggen wij tegen deze jongeren over de uitvoering van deze motie, over wat zij ons vragen en wat ook de Kamer al meermaals heeft gevraagd? Mag ik tot slot nog iets zeggen, voorzitter? Ik moet afronden. Oké. De SP vindt marktwerking in de zorg een absoluut slecht idee. De voorzitter: Nou, dat heb ik nou nog nooit gehoord vanuit de SP. Wil de heer Verkuijlen wel of niet interrumperen? Wel. De heer Verkuijlen (VVD): Ja. Ik zal het heel kort houden, want ik begrijp dat we uit de tijd lopen. Ik heb een korte vraag. Ik heb aandachtig geluisterd, zoals ik altijd doe. Mevrouw Dobbe ziet beloftevolle alternatieven voor de gesloten inrichting. Kunt u iets meer zeggen over wat u dan ziet? Ik denk namelijk dat we allemaal erg op zoek zijn naar manieren om naar die wenselijke situatie toe te gaan. Mevrouw Dobbe (SP): Ik vind dat een hele terechte vraag, want het is niet zo makkelijk op te lossen. Als we allemaal toe willen naar minder — het liefst geen, maar in ieder geval zo min mogelijk — gesloten jeugdzorg, dan moeten we denk ik een aantal dingen doen. We moeten leren van wat we zien dat werkt. We moeten veel meer — ik haat het woord — aan de voorkant kijken hoe we gezinnen sneller kunnen helpen op het moment dat er hulp en zorg nodig is, zodat we voorkomen dat het escaleert, dat het van kwaad tot erger gaat en eindigt in de gesloten jeugdzorg. We horen van jongeren ook dat als er eerder was ingegrepen, het misschien helemaal niet nodig was geweest. Als het dan toch nodig is, dan moet het kleinschalig en liefdevol zijn en moet er heel veel toezicht op zijn. Dat zijn de randvoorwaarden. We zien nu wel kleinschalige initiatieven ontstaan. Sommige zijn beter dan andere. We zien ook de manier waarop het niet moet. Daar hebben we het ook over gehad. Denk aan kinderen die verdwijnen in Spanje of op vakantieparken. Dat is dus absoluut niet hoe het moet. Daar worden we alleen maar slechter van en niet beter. De heer Verkuijlen (VVD): Dank voor dat antwoord. Het gaat met name om de jongeren helemaal aan de bovenkant van dat complexe systeem, die zichzelf verwonden en gevaarlijk zijn voor hun omgeving. Het moet wat mij betreft altijd liefdevol als het om jeugd en jongeren gaat. Ik snap de preventiegedachte, maar het gaat echt even om de vraag wat we ervoor in de plaats gaan zetten. Dat is namelijk het probleem waar de mensen in de instellingen nu mee te maken hebben. Mevrouw Dobbe (SP): Dat snap ik. Het is wel zo dat jongeren die zijn geëindigd in de gesloten jeugdzorg — niet allemaal, maar wel een deel daarvan — zeggen: ik ben daar geëindigd omdat ik al die tijd niet gehoord en gezien ben, omdat ook mijn gezin en de situatie waarin ik zat niet gehoord en gezien is. Dat heeft geleid tot gedragsproblematiek en allerlei uitwassen die niet hadden hoeven gebeuren als er eerder zorg was gekomen. Daarmee wil ik niet bagatelliseren dat ik ook, helaas, denk dat er een groep is die onveilig is voor zichzelf of voor iemand anders. Daar moeten we ook niet van wegkijken. Maar dat moet wel op een manier met een heel veel toezicht. Jongeren moeten op een veilige plek zitten. Dat is in het verleden misgegaan in de gesloten jeugdzorg, niet overal, maar wel op veel plekken. Het was niet veilig voor die jongeren. Er werd hun onrecht aangedaan, maar ze konden nergens terecht en niemand zag het. Wat voor alternatief er ook komt, dát moet in ieder geval geborgd zijn. Ik denk dat we daar wel lessen uit moeten trekken. Daarom maak ik me ook zorgen dat op het moment dat er alternatieven voor de gesloten jeugdzorg ontstaan, tegelijkertijd het toezicht wordt afgebouwd; dat adresseerde ik dus ook in mijn betoog. Dan denk ik: wat hebben we dan geleerd van wat er is gebeurd? Het is een vrijheidsbeperkende maatregel. Als je zoiets extreems doet, als het écht niet anders kan, dan moet er toch extreem goed toezicht zijn? Daarom maak ik me er zorgen over dat dat toezicht nu wordt afgebouwd. Ik hoop dat de minister daarop terug wil komen. De voorzitter: U heeft een interruptie van mevrouw Synhaeve. Dit is haar laatste. Mevrouw Synhaeve (D66): Ik onderschrijf natuurlijk volledig dat het toezicht op orde moet zijn. Is de SP het met mij eens dat een van de redenen waarom deze misstanden zo lang konden doorgaan, is dat er onvoldoende geluisterd is naar de kinderen en jongeren, die al veel eerder signalen afgaven dat het niet oké was wat daar gebeurde? Het is heel knap om al te zien dat het niet oké is als je er middenin zit. Moeten we niet veel wezenlijker kijken hoe we omgaan met de signalen van kinderen en jongeren die op een plek zitten waar ze veilig zouden moeten zijn onder onze zorg, maar dat niet zijn? Mevrouw Dobbe (SP): Ja, helemaal mee eens. Ik denk ook dat dat een voorwaarde moet zijn. Dat moet goed geborgd zijn in alles wat je doet binnen de jeugdzorg, zeker als je het hebt over dit soort plaatsingen. Ik herken dat helemaal. Dat is ook wat ik hoor. Daarom ben ik mijn betoog begonnen met te zeggen dat het niet begonnen is met het eerste rapport van Jason, in 2024. Daarvoor waren er al talloze andere rapporten waar niet naar is gekeken en niks mee is gedaan. Jongeren hebben daarvoor al vele malen aan de bel getrokken, maar die konden nergens terecht of ze zijn niet gehoord. Dat is het hele pijnlijke hiervan. Ik vind niet dat dat mag gebeuren. Alle voorstellen die dat verbeteren, hebben onze steun. Dat geldt ook voor de kind-eerst-wet. De voorzitter: Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 15.55 uur en dan gaan we verder met de beantwoording. De vergadering wordt van 15.18 uur tot 15.57 uur geschorst. De voorzitter: Ik heropen de vergadering. Ik verzoek u allen plaats te nemen en dan gaan we beginnen met de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Beide bewindspersonen zijn inmiddels aanwezig. Ik stel voor dat minister Sterk ons even meeneemt in de volgorde van beantwoording. De leden hebben maximaal vier interrupties. Ik dacht er in eerste instantie aan om de interrupties per blok te doen, maar het hangt ervan af. Ga niet gelijk interrumperen als er een kans is dat uw vraag gewoon wordt beantwoord door de minister. Het is tijdverspilling als de minister steeds moet zeggen: daar kom ik later op terug. Even geduld en dan komt u allemaal aan de beurt. De heer Van Houwelingen (FVD): Even een kleine mededeling. Mijn collega spreekt zo meteen waarschijnlijk voor het eerst in de plenaire zaal, dus misschien ga ik er heel kort even tussenuit. Dat is dus geen desinteresse. De voorzitter: Nee, dat is onderdeel van dit huis. Als collega's af en toe naar een ander debat of naar een andere zaal moeten, dan is dat wat het is. Dank u wel voor het doorgeven. Ik geef het woord aan de minister. Minister Sterk: Voorzitter. Als u het goedvindt, zal ik eerst een algemene inleiding houden en dan kom ik daarna op de blokjes. "Het is niet jullie schuld." Die woorden klonken op 29 augustus en daarmee onderstreepten we de erkenning die we wilden geven voor alles wat er is misgegaan in de gesloten jeugdzorg. Kinderen die daar terechtkwamen, hadden mogen rekenen op veiligheid en goede zorg. We hebben hun dat gewoon niet gegeven. Dat is een verschrikkelijk gegeven. Het was ook een emotionele bijeenkomst, ook voor de bewindspersonen. Wij trekken ons dat aan. Ik vermoed ook dat heel veel mensen hier op de publieke tribune daar hun eigen verhalen bij kunnen vertellen over waar het is misgegaan en waar het soms tot op de dag van vandaag nog steeds misgaat. Dat is ook waarom wij hier zitten. Het is echt onze ambitie om dat beter te maken. We zijn er namelijk nog niet. Onlangs heeft u een brief van mij ontvangen over de een-op-eenplaatsingen. Wij dachten in beeld te hebben om welke groep het ging, maar dat bleek een veel grotere groep te zijn dan wij dachten, namelijk 768 jongeren. Ook daarvan ben ik geschrokken. Ik vind het ook onwenselijk, om twee redenen. Ten eerste omdat het betekent dat de meeste van die jongeren niet op een passende plek zitten. Soms kan een een-op-eenplaatsing namelijk wel passend zijn. Het is dus niet zo dat alle jongeren daarmee op een niet-passende plek zitten. Als dat op een vakantiepark is — dat is de reden geweest van dit onderzoek — dan kan dat nooit het goede antwoord zijn op de zorgvraag. Dat is vanwege de kosten die daarbij komen kijken, die voor gemeentes soms bijna niet te dragen zijn. De reden dat ik met deze twee dingen begin, is dat het de complexiteit van het stelsel aantoont. Het zijn complexe dilemma's. Aan de ene kant willen we zorgen dat er voldoende plekken zijn, met voldoende zorg, waar kinderen niet alleen zorg krijgen en veilig zijn, maar ook onderwijs krijgen, waar vertrouwenspersonen zijn — ik weet niet wie van u daar net aan refereerde. Dat zijn allemaal belangrijke voorwaarden. We willen zorgen dat er ook een antwoord is op jongeren die tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen. Dat is ook een enorm dilemma. We hebben met elkaar gezegd dat we niet terug willen naar de gesloten jeugdzorg zoals we die hebben gekend. Tegelijkertijd is daarmee niet het vraagstuk van tafel wat je nou doet voor jongeren die een gevaar zijn voor zichzelf, hun omgeving of voor de medewerkers, die daar met hart en ziel hun werk proberen te doen. Het zijn best wel ingewikkelde dilemma's waar je in dit stelsel mee te maken hebt. Mijn collega hier en ik willen allebei voorkomen dat we opnieuw pleisters gaan plakken, maar willen wel dat we de ruimte nemen om dieper te analyseren waar dit precies misgaat. Ik hoorde sommigen van u zeggen dat we het nu allemaal moeten oplossen. Dan ga ik u toch teleurstellen, want ik heb dit morgen niet opgelost. Een deel van u weet dat volgens mij ook. Tegelijkertijd moeten we niet alleen kijken waar we al wel morgen mee kunnen beginnen en waar je op de korte termijn acties neerzet, maar ook het vraagstuk van de complexiteit van het stelsel op de langere termijn aanpakken. Het gaat over de knelpunten, over de rolverdeling en over de aanvullende afspraken die nodig zijn ten opzichte van wat we al eerder hebben gedaan. Wij gaan nu wel meer regie pakken. Dat volgt met name uit die een-op-eenplaatsingen, maar in feite geldt dat voor het hele vraagstuk van jongeren met hele complexe problematiek die nu niet de zorg krijgen waar ze recht op hebben, omdat het stelsel gewoon niet functioneert. We hebben dus een zevental acties die we daar nu op gaan inzetten. We gaan een doorbraakaanpak inzetten samen met de Bovenregionale Expertisenetwerken Jeugd en de gemeentes, waarbij we gewoon elke jongere uit de kast gaan pakken en gaan kijken waar die nu zit, hoe het ermee staat en of die veilig is. Dat is niet iets wat ik morgen al heb gedaan, maar wel een aanpak die we nu gaan starten. Dat is de doorbraakaanpak, waar wij nu ook de regie in nemen. Dat levert een monitor op waardoor we meer inzicht moeten gaan krijgen in de residentiële jeugdhulp. Hoe staat het daar nu mee en waar zitten de jongeren? Zo'n monitor heb ik niet morgen al klaar, want we moeten eerst de dossiers door om daar zicht op te krijgen. Daar is 77 miljoen voor beschikbaar gesteld, niet om hulp aan jongeren te geven, want als die jongeren hulp nodig hebben, moeten ze die gewoon kunnen krijgen. Daar hebben de gemeentes in principe middelen voor. Die middelen zijn beschikbaar gesteld om dat regionale specialistische zorglandschap te versterken en die een-op-eenplaatsingen terug te dringen. Die rekensom van €100.000 per jongere gaat hier dus niet op. Daar is het geld namelijk niet voor bedoeld; het is bedoeld om het systeem aan te pakken. We gaan samen met de VNG in gesprek met alle jeugdregio's om te kijken en te analyseren hoe ze sturen op dat dekkende specialistische zorglandschap. Wat kunnen ze wel en wat lukt ze misschien ook niet? Hoe hebben ze het geregeld? Hoe is de rolverdeling? Wat betekent dat dan vervolgens voor wat wij met elkaar moeten oppakken? We gaan ook een regionale plaatsingscoördinator voor de residentiële zorg opzetten, zodat er veel meer gecoördineerd gaat gebeuren richting de residentiële zorg. We zetten een landelijk kwaliteitsprogramma op om professionals voldoende toe te rusten, want ook daar hebben we een slag te maken. Ten slotte kijken we naar een betere beschikbaarheid van zorg voor jongeren met een forensisch profiel. Dat doen we met name volgend uit het vraagstuk van jongeren met een complexe problematiek, maar daarnaast loopt ook een traject rondom het bredere vraagstuk van de jeugdzorg en de jeugdhulp, voortkomend uit de hervormingsagenda. Een aantal van u noemde ook al de wet, de reikwijdtewet, waar we mee bezig zijn. Ik ben nu bezig in een traject samen met de VNG en de jeugdzorgaanbieders. Ik hoop daar begin november echt bestuurlijke afspraken over te maken om een aantal zaken in gang te zetten of soms al aan te passen, die verder gaan dan alleen de reikwijdtewet. Dat gaat ook over macrobeheersing en over hoe we ervoor staan met de hervormingsagenda. Ik zeg nu maar vast in mijn algemene inleiding toe dat ik u, voor het WGO Jeugd, dat we eind november hebben, een brief zal sturen over wat daaruit is gekomen. Ook daar wil ik weer aan verwachtingenmanagement doen. We gaan daarmee niet het hele stelselvraagstuk ineens oplossen, maar we willen wel dieper gaan kijken naar wat er echt nodig is. Je komt dan bijvoorbeeld op het vraagstuk van de knip. Wat willen we nou dat gemeentes doen? Wat is meer specialistische jeugdhulp? Dat is makkelijk gezegd. Het lijkt een hele logische, maar hoe verdeel je dat dan en wat valt onder wat? Dat zijn vraagstukken die we met elkaar moeten oppakken. Daar zijn we ook mee bezig en dat moeten we verder brengen. Ik zal u daar in ieder geval in november over vertellen. Daarnaast zijn we natuurlijk ook nog bezig met het toekomstscenario. Dat doe ik heel nadrukkelijk samen met de staatssecretaris. Dat gaat natuurlijk meer vanuit de zorg voor de gezinnen waarin sprake is van geweld, of dreigend geweld en hoe je daar tijdig bij bent. Ook dat is iets wat ik eigenlijk bij iedereen van u hoorde: we moeten zorgen dat we niet pas in de jeugdzorg een vraag gaan beantwoorden. Eigenlijk moet die vraag al beantwoord worden bij zo'n eerste contact in een gezinscontext, met een goede verklarende analyse van zo'n heel gezin en alle betrokkenen daarbij. Dat is heel erg het uitgangspunt van het toekomstscenario. We zijn ook bezig om OCW er meer bij te betrekken. Als we namelijk naar de voorkant willen — ik ben het helemaal met u eens, mevrouw Dobbe, dat het toch een beetje een rotbegrip is; ik krijg het soms ook niet uit mijn mond, maar wij begrijpen hier in ieder geval wat we bedoelen — is het ook belangrijk dat je het onderwijs goed aansluit. Het onderwijs ziet namelijk veel en kan ook veel. Ook die samenwerking moet beter, dus ook die loopt mee in dat traject dat ik samen met de VNG en de jeugdzorginstellingen volg. Dat doen we dus op dit moment. Dit was een beetje een algemeen verhaal. Voorzitter. Dan kom ik nu toe aan de blokjes die we uit de vragen hebben gedestilleerd. Het zijn vier blokjes. Het eerste blokje gaat over de structurele verbeteringen, dus meer over het stelsel, de reikwijdtewet en onderwijs. Hierin zit ook een vraag over het verminderen van de zorgfraude. Het tweede blokje is het blokje residentieel. Dat gaat over de een-op-eengezinshuizen, de nachtelijke insluiting, de excuses en de pleegzorg. Het derde blokje gaat over jeugdhulp in het buitenland. Het vierde blokje bevat de andere belangrijke vragen. De voorzitter: Duidelijk. Staat genoteerd. Ik zou de minister de gelegenheid willen geven om zo veel mogelijk te beantwoorden en dan aan de hand van de antwoorden willen kijken hoe we de interrupties doen. Minister Sterk: Zowel mevrouw Van Meetelen als mevrouw Westerveld vroegen wat ik nu anders ga doen dan mijn voorgangers. Op dag één heb ik in ieder geval besloten — volgens mij hebben we dat ook als kabinet gedaan — dat dit echt een heel belangrijk dossier is en dat we eigenlijk al te lang zien dat het gewoon niet goed gaat. We zijn sindsdien bezig om meer regie te pakken op het proces, maar ook op een aantal acties die we nu gaan ondernemen. Ik heb u net al een schets gegeven van wat dat in ieder geval betekent. Ik hoop u daar in november meer over te kunnen vertellen als ik u die brief stuur voor het WGO. Meneer Hamstra zegt dat jeugdhulp aanvullend moet zijn, niet het startpunt. Daar ben ik het zeer mee eens. Ik vond het eerlijk gezegd toch wel heel mooi dat ik ook u hoorde zeggen: te veel vragen worden doorvertaald naar een zorgvraag; we zouden veel meer vragen aan het begin moeten beoordelen op wat ze echt zijn. Soms is het een gezin waarvan de ouders in scheiding liggen, waarbij de bestaanszekerheid onder druk staat of waarbij er sprake is van verslavingsproblematiek, maar soms gaat het ook gewoon om hulpvragen die misschien wel iedere ouders af en toe heeft. Ik herken sommige dingen daar ook van mezelf in. Ik denk dat we niet alles meteen moeten adresseren als: daar moet een dure oplossing voor worden gezocht. Het gaat over wat we dan "vertragen en verdragen" noemen. Dat moeten we meer in het systeem durven brengen, ook omdat we moeten durven omgaan met de schaarste die er nou eenmaal is. Dat betekent dat de jeugdzorg er vooral voor die jongeren is die het echt heel hard nodig hebben. Aan de voorkant zullen we er via laagdrempelige voorzieningen en het beter inrichten van stevige lokale teams voor moeten zorgen dat we vragen kunnen afvangen, zodat we een jongere niet zeven keer hebben doorverwezen voordat we constateren dat die in de gesloten jeugdzorg past, zoals mevrouw Synhaeve ook altijd zegt. Daar ben ik het dus zeer mee eens. Meneer Hamstra zegt ook dat we de wet Reikwijdte moeten afbakenen. Ja, zeker. Dat is best een ingewikkelde vraag. Het is makkelijk gezegd. We zijn er heel hard mee bezig om daarnaar te kijken. Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt in welke situaties jeugdhulp nodig is en geeft nadere regels aan wat in ieder geval geen jeugdhulp is. Daarnaast werken we in lagere regels uit wat gebruikelijke hulp is en wanneer van ouders verwacht mag worden dat zij die hulp zelf aan hun kind bieden; dat gaat uit van de eigen kracht. Tegelijkertijd is het best lastig om een scherpte in de wetgeving te vangen, want hulpvragen zijn altijd afhankelijk van de context en zullen dus altijd door een professional moeten worden beoordeeld en afgewogen. Dit is ook onderdeel van het traject van KBL, gericht op het versterken van het vakmanschap en de leerlijn informele steun. Wij doen in de wet Reikwijdte dus een aantal zaken die echt belangrijk zijn om al te gaan doen. Tegelijkertijd besef ik dat dit nog niet voldoende is om de jeugdzorg echt op orde te krijgen. Mevrouw Van Meetelen zegt: er moet gewoon een cultuuromslag gemaakt worden, want niet ieder zorgprobleem heeft professionele hulp nodig; tegenslag hoort bij opgroeien. Ik denk dat dat waar is, maar dat betekent wel dat we de pedagogische basis moeten versterken. Het gaat erom dat jongeren inderdaad in een schoolomgeving kunnen opgroeien die veilig is en waar ze hun plek kunnen vinden, en dat er sportverenigingen zijn waar kinderen naartoe kunnen; dat zal de voorzitter zeer bevallen, denk ik. We zullen dan dus ook moeten zorgen dat we die voorkant zo inrichten dat het een fijne plek is om te zijn en waar je gewoon terechtkan met kleine vragen die er soms zijn in de opvoeding. Mevrouw Van Meetelen had net als de heer Van Houwelingen een vraag over het punt van de huisartsen. Ik vind het een herkenbaar punt, want ik hoor dat natuurlijk ook bij mijn werkbezoeken. Het is iets waar we kritisch naar kijken naar aanleiding van de internetconsultatie. Die hebben we net achter de rug, dus u zult straks zien hoe we daarmee zijn omgegaan. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Met het risico dat er misschien nog wat komt in de beantwoording, ga ik toch een vraag stellen over de huisarts. Ik heb twee weken geleden uitgebreid met een huisarts en een moeder gesproken over een bepaalde casus. Die merken dat er eigenlijk nu al een beetje op die manier wordt gewerkt. Het is een beetje van het kastje naar de muur, zo van: is het wel nodig? Ik sta voor mijn betoog en vind dat heel veel hulp misschien helemaal geen zorg is en dat we het op een andere manier moeten gaan bekijken. Dat is de cultuuromslag, die in mijn optiek nog veel breder moet zijn dan pedagogisch iets neer kunnen leggen. Ik denk dat iedereen gewoon weer tegen een stootje moet kunnen. Maar het gebeurt dus al een beetje. Er wordt dus al een beetje op vooruit gewerkt. Ik hoor u zeggen dat u ernaar kijkt, maar bent u het wel met me eens dat dit echt gewoon niet kan, zeker nu het nog niet eens in wetgeving staat? Minister Sterk: Ik denk dat mevrouw Van Meetelen in haar inbreng zelf al een beetje het dilemma schetst. Als we aan de ene kant vinden dat er meer zelf moet worden opgelost en aan de andere kant vinden dat medisch specialisten altijd doorzettingsmacht zouden moeten hebben, schuurt dat natuurlijk. Daarom heb ik gezegd: we kijken daarnaar. We hebben een internetconsultatie gedaan. Ik heb partijen hierover gesproken. Ik hoop dat u kunt wachten totdat het wetsvoorstel er is. Dan kunt u zien hoe we daarmee zijn omgegaan. Mevrouw Moinat had een vraag over de psychologen in het voorveld. Ze zei dat het belangrijk is dat er één plan komt en dat er meteen passende hulp is: licht waar dat kan en specialistisch waar nodig. Daar heb ik, denk ik, in mijn inbreng net al het nodige over gezegd. Natuurlijk is het wel van belang dat je de psychologische expertise in de lokale teams borgt; dat is volgens mij het punt dat mevrouw Moinat wil maken. Dat is iets waar nog wel heel hard aan gewerkt moet worden. Voordat je stevige lokale teams hebt, moet je er wel voor zorgen dat je die teams, die expertises, daar goed in hebt verankerd. Daar wordt nu heel hard aan gewerkt door de gemeentes. De heer Ceder vroeg om een samenhangende jeugd- en gezinsaanpak. Hij vroeg of die een formele plek krijgt. Wij delen die visie. In de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is die visie eigenlijk het uitgangspunt als het gaat om hoe wij jeugdigen en gezinnen willen ondersteunen en beschermen. Gezinsgericht werken is gewoon een van de belangrijke thema's. We zien nu vaak dat een kind als individu wordt benaderd en niet als onderdeel van een systeem, terwijl er in het systeem soms juist zaken misgaan waardoor het kind vervolgens het kind van de rekening wordt. Daarom is het juist zo belangrijk om er aan de voorkant voor te zorgen dat de ouders daarbij worden betrokken en zo snel mogelijk waar mogelijk worden ondersteund. Dan voorkom je dat je verderop in het systeem een kind met een zorgvraag krijgt die eigenlijk niet haar of zijn vraag was. Ik kan ook nog zeggen dat ik samen met de VNG en collega-bewindspersonen werk aan een agenda sociaal domein. Daarin is de aanpak echt specifiek gericht op kwetsbare gezinnen, juist om een beetje schotdoorbrekend met elkaar te kunnen werken. De aanpak heet Gezinnen in een kwetsbare positie. Ik zal uw Kamer in het najaar verder informeren over die specifieke aanpak Gezinnen in een kwetsbare positie, vanuit de sociale agenda. Er zijn vragen gesteld over het belang van onderwijs. Ik werk daar samen met mijn collega van OCW aan. Zij ziet absoluut het belang hiervan in. We willen komen tot een brede en gezamenlijk vastgestelde maatschappelijke opdracht voor onderwijs, ondersteuning en het jeugddomein, die gericht is op meedoen en inclusief opgroeien. Ik zie namelijk weleens dat het nog best lastig is, omdat het toch bijna twee verschillende talen zijn die je spreekt, met schotten daartussen. Volgens mij moeten we dat proberen te doorbreken, juist om winst te behalen in het voorveld. Mevrouw Westerveld vroeg wie de verantwoordelijkheid neemt als een kind thuiszit doordat de samenwerking niet goed gaat. De school en het samenwerkingsverband zijn daar natuurlijk in eerste instantie voor verantwoordelijk, want die moeten een passende onderwijsplek bieden met aanvullende ondersteuning zodat kinderen niet thuis komen te zitten. Ik zet nu zelf in op het versterken van die samenwerking en het maken van afspraken. Dat borg ik in de wetgeving. Dat zit in het wetsvoorstel Reikwijdte. Met het wetsvoorstel Maatwerk in het funderend onderwijs maakt de staatssecretaris van Onderwijs meer ruimte voor maatwerk in combinaties van onderwijs en zorg, bijvoorbeeld door onderwijs op een zorglocatie. Als de boel vastloopt vanwege problemen met het organiseren van de jeugdzorg, kan de school advies vragen aan de regionale expertiseteams, als de ouders en de jongere daar tenminste toestemming voor geven. Dat kunnen ze niet zomaar doen. U vroeg ook naar de EMB-regeling: is er al duidelijkheid over de bekostiging na 2026? De regeling blijft vooralsnog van kracht. Met een verhoging van 5 miljoen vanuit het Wlz-kader is het nu met één jaar verlengd, tot het einde van 2027. Eind 2026 wordt de regeling geëvalueerd en gaan we ook bekijken wat dat betekent voor het budgettair kader vanaf 2028. Ik zal u daar dan ook over informeren. Het CDA vroeg welke mogelijkheden ik nog zie voor het aanpakken van onnodige bureaucratie. Een van de dingen in de Hervormingsagenda Jeugd is het terugdringen van de bureaucratie door standaardisatie. Daar heb ik ook met alle partijen afspraken over gemaakt. Die standaardisatie zal uiteindelijk moeten leiden tot een landelijke set aan producten en registratie-eisen, waardoor onnodige administratieve lasten duidelijk lager worden. Dat loopt dus. We hebben ook een aantal trajecten naar voren gehaald. U zult vast zeggen: kan het niet wat sneller? Dit voorjaar hebben we daarom een uniforme tool voor kostprijsonderzoeken opgeleverd, zodat dat al kan worden ingezet. Voorzitter. Ten slotte had ik nog een vraag van mevrouw Moinat, over zorgfraude. Eigenlijk geef ik een antwoord dat ik vorige week al heb gegeven bij het debat over goed bestuur. Daarin ging het over zorgfraude. Ik ben het zeer met haar eens dat het belangrijk is dat gemeenten en toezichthouders voldoende informatie kunnen delen met elkaar. Daar werken we aan via een wijziging van het Besluit bevorderen rechtmatige samenwerking en zorg. Als die wijziging wordt doorgevoerd, kunnen gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren met elkaar gegevens uitwisselen tijdens fraudeonderzoeken. Zoals het hier vaker gaat met wetgeving duurt het wel even, dus ik hoop dat in het derde kwartaal van volgend jaar helemaal te hebben doorgevoerd. Ik ben op dit moment ook met de VNG in gesprek in het kader van een stimuleringsprogramma gemeentelijk toezicht Jeugdwet, om te bekijken hoe we de gegevensdeling daarin kunnen verbeteren. Ik zie nog één vraag, van mevrouw Dobbe, voorzitter. Die ging over de eigen bijdrage. Zij vroeg wat ik doe met waarschuwingen omtrent de eigen bijdrage. Ik neem natuurlijk altijd alle waarschuwingen serieus, maar ik vind er vervolgens ook iets van. Wij wegen dat in de voorbereiding van de wet op de eigen bijdrage. Uw zorg — ik denk dat iedereen die zorg heeft — is dat kwetsbare gezinnen geen gebruik meer kunnen maken van de jeugdzorg. Dat wil je namelijk niet. Daar kijken we dus goed naar. Tegelijkertijd kost zorg geld — de heer Verkuijlen zei daar net ook al iets over — dus daar mag je ook best wel iets voor vragen, maar het moet wel te dragen zijn. We bekijken in alle redelijkheid hoe we dat willen inregelen. Daarbij wegen we overigens ook de rechten zoals opgenomen in internationale verdragen, zoals het Verdrag inzake de rechten van het kind. Daar wordt het wetsvoorstel dus ook aan getoetst. U zult straks zien wat daaruit komt. De voorzitter: Dan zijn we aan het einde gekomen van dit blok. Ik heb wat interrupties genoteerd. De eerste is van mevrouw Coenradie. Mevrouw Coenradie (JA21): Er is vanuit het veld juist veel kritiek gekomen op de afbakening van wat wel of geen jeugdhulp is. Daar worden nog niet echt keuzes in gemaakt. Ik ben wel benieuwd wat de minister daarmee gaat doen. Minister Sterk: Juist omdat er zo veel kritiek op is, zijn we nu met het veld aan het bekijken hoe je die knip goed moet maken. Gemeentes willen graag weten wat er in eerste instantie wel en niet in het lokale domein terechtkomt en wat er meer specialistisch is. Het blijkt best wel ingewikkeld te zijn om dat goed te definiëren met elkaar, dus daarnaar zijn we nu aan het kijken. We hebben pas een onderzoek laten uitvoeren naar hoe je dat zou kunnen vormgeven, maar dat gaf nog niet zo'n duidelijk antwoord dat we kunnen zeggen: dit is klaar en kunnen we vormgeven in wetgeving of in een AMvB. Ik zie heel erg de urgentie ervan, omdat ik denk dat dit straks heel erg kan helpen straks bij de vraag waar we wel en niet van zijn, op welk niveau dat moet worden belegd en wie daar dan verantwoordelijk voor is. Maar dan moet je wel scherp met elkaar kunnen zeggen: dit valt eronder en dit niet. Mevrouw Coenradie (JA21): Het is inmiddels een welbekende vraag die ik dan altijd stel, want ik hoor de urgentie en ik hoor ook dat jullie ermee bezig zijn, maar ik ben dan heel erg benieuwd wanneer we, in al die urgentie, daar toch iets over horen. Het begint natuurlijk wel met deze vraag, voordat we verdere stappen zetten. Ik onderschrijf die helemaal, maar de vraag naar het wanneer en wat blijft voor mij overeind. Minister Sterk: Zo ken ik mevrouw Coenradie ook. Ik heb aangegeven dat ik daar in november op terug zal komen, omdat dit onderdeel is van de bestuurlijke afspraken die we op dit moment met elkaar proberen vorm te geven. Nogmaals, ik zeg niet dat ik daarmee ook helder heb hoe dat eruitziet, maar we zijn daar heel hard met elkaar over in gesprek, omdat we allemaal zien dat dit een belangrijk onderdeel is rondom het vraagstuk van de jeugdzorg. De heer Hamstra (CDA): Twee korte vragen. Eentje borduurt voort op wat mevrouw Coenradie zei. Ik ben blij dat er in november een Kamerbrief komt waarin we wat meer duidelijkheid krijgen. Wanneer verwacht u dat de wet Reikwijdte onze kant op komt? De laatste schatting was volgens mij begin 2027. Ik ben benieuwd of dat nog steeds zo is. De tweede vraag, voorzitter, als ik mag. Die gaat over de bureaucratie. Ik heb ergens gelezen dat het ministerie de opdracht heeft gegeven aan AEF om te kijken naar regeldruk in de jeugdzorg en dat het rapport dit najaar opgeleverd zou kunnen worden. Kunt u aangeven of dat zo is, wanneer we dat rapport kunnen verwachten en of dat naar de Kamer gestuurd kan worden? De voorzitter: Wat betreft de reikwijdtewet hebben we gecommuniceerd gekregen dat die in Q1 naar de Kamer zou komen. Minister Sterk: Heel fijn, voorzitter, dat u ook wat vragen voor mij beantwoordt. Op de tweede vraag kom ik in de tweede termijn even terug, want dat weten wij zo niet. De voorzitter: Dat deed ik omdat ik als voorzitter ook die informatie krijg. Die is voor de commissie. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik vroeg in mijn bijdrage wat deze bewindspersonen nu echt anders gaan doen. Ik hoorde de minister in de inleiding zeggen "we gaan steviger regie pakken" en daar een aantal aspecten uit belichten. Dat is fijn. Maar in de verdere beantwoording hoor ik heel veel zaken die echt al heel lang aan ons worden verteld, bijvoorbeeld als het gaat over de afbouw van de residentiële jeugdhulp en de alternatieven. Dan kijk ik even wat er is afgesproken in de hervormingsagenda en dan lees ik daar dat er samen met gemeenten van alles wordt gedaan om te werken aan die afbouw. Dan vraag ik me af: waarom is dat dan niet gebeurd, als dat met elkaar is opgeschreven in die hervormingsagenda, waar zo lang over is onderhandeld? Of neem die stevige lokale teams. Als ik kijk naar het actieprogramma Zorg voor de Jeugd uit 2018, dan zie ik daar 43 keer het woord "teams" staan. Dat gaat over dit thema. Daar wordt ook al geconstateerd dat er veel meer duidelijkheid moet zijn over de functie enzovoort. Als ik vragen stel over onderwijs en zorg, dan hoor ik de minister aan ons vertellen — dat is heel fijn — dat ze goed samenwerkt met haar collega op Onderwijs en dat er een agenda komt. Ook in 2018 al hebben we als Kamer de beide bewindspersonen van Onderwijs en Zorg bij elkaar gezet en kwam daar een agenda uit. Ik zou dus heel graag van de minister willen horen wat zij nu allemaal gaat doen. Gaat ze dat ook vertalen in bijvoorbeeld veel duidelijker wetgeving, niet alleen maar de wet waar we het nu over hebben, over de reikwijdte, maar ook over het recht voor kinderen om onderwijs te kunnen volgen, in allerlei andere plekken, het versterken van de rechtsbescherming van ouders en vooral recht voor kinderen? We hebben heel veel dingen die nu te veel vrijblijvend in actieagenda's staan, dus mijn vraag is: wanneer komt er heel harde wetgeving naar ons toe? Minister Sterk: Ik snap de vraag heel goed en ik snap het ongeduld heel goed, want u zit hier natuurlijk al een hele tijd en u hoorde al meer van de bewindspersonen hierover spreken. Het is dus goed dat u ons hier scherp op houdt. Dat waardeer ik ook. U weet ook dat er inmiddels al best wat stappen zijn gezet, maar dat tegelijkertijd de complexiteit van het vraagstuk echt heel groot is, zoals ik net ook heb geschetst. We hebben een hervormingsagenda. We hebben een commissie-Van Ark. In lijn met die hervormingsagenda hebben we nu het wetsvoorstel Reikwijdte ontwikkeld. Dat is ook een belangrijke stap. Zo zetten we elke keer weer stappen erbij, maar volgens mij komen we elke keer wel dichter bij waar het over gaat. In die reikwijdtewet leggen we nu dus ook een aantal dingen in wetgeving vast. Dat gaat bijvoorbeeld over stevige lokale teams. Er zijn inmiddels convenanten gesloten over hoe die eruit moeten gaan zien, met de associatieteams onder andere. We hebben een hele belangrijke stap gezet ten aanzien van het toekomstscenario. Een jaar geleden was dat echt nog niet denkbaar. Kijk waar we nu staan. Met de inrichting van de keten willen we voorkomen dat gezinnen waarin sprake is van huiselijk geweld te laat in beeld komen. We willen dat echt beter doen met elkaar. Ik deel uw mening niet dat er helemaal niets is gebeurd en dat er niks is veranderd. Ik denk echt dat we belangrijke stappen zetten ten aanzien van een aantal zaken die ik hier vandaag ook weer neerleg. Landt dat uiteindelijk ook in wetgeving? Als het nodig is, dan zal ik dat echt niet nalaten, maar ik wil dat proces wel samen doen met de VNG en de jeugdzorgaanbieders. Dat doen we nu. Daarom zeg ik ook dat het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wat mij betreft een eerste stap is. Maar het is wel een belangrijke stap, want er moeten nu een aantal dingen gebeuren. We gaan zien waar dat verder toe zal leiden, maar we zitten er wel bovenop en we proberen met grote urgentie een aantal zaken op te pakken. De heer Verkuijlen (VVD): Wat ik ga zeggen, is een beetje in lijn met de vorige twee betogen. Stel dat u allebei een huis hebt geërfd en dat dat huis al een hele tijd onder water staat. Er is van alles aan de hand. Er is een renovatieplan, maar dat is uitgesteld omdat de aannemers niet willen. Als u naar dat huis kijkt, dan moet u toch op enig moment bij uzelf hebben gedacht: daar ga ik als eerste aan beginnen. Dat raakt aan de vraag van mevrouw Coenradie. Ik hoor heel veel urgentie en ik heb ook het gevoel dat dit bij u in goede handen is, maar ik mis: wat zijn volgens u de belangrijkste stappen om nu te zetten om de misstanden in de jeugdzorg — het zijn er een aantal — bij de kop te pakken? Welke staan bij u beiden op één, twee en drie? Minister Sterk: De heer Verkuijlen vraagt: wat was het eerste wat u wilde doen? Het eerste wat ik wilde doen, is zorgen dat er excuses zouden komen. Dat kunnen mijn ambtenaren bevestigen. Daar doen we al veel te lang over. Dat heb ik als eerste met urgentie opgepakt, omdat ik het belangrijk vind dat de overheid het durft te zeggen als er dingen niet goed zijn gedaan. We hebben dit gewoon niet goed gedaan, niet alleen als overheid, maar ook als jeugdzorg en gemeenten, hoewel die laatste natuurlijk ook deel uitmaken van de overheid. Dat heb ik als eerste opgepakt. Het tweede wat ik mij heb voorgenomen, is dat we op het dossier van de jeugdzorg niet in dezelfde impasse terecht moeten komen als bij de gemeenten eerder het geval is geweest. We moeten dit dossier met elkaar aanpakken, samen met de jeugdhulp. Ik ben een traject gestart om te kijken hoe we vanuit het macrobeheersingsvraagstuk, de Hervormingsagenda en de reikwijdtewet stappen kunnen zetten om dit beter te maken. Maar het blijft taaie materie. Ik zou soms ook willen dat het sneller kan. Maar als u mij vraagt wat voor mij urgentie heeft, dan zeg ik: dit is waar ik heel hard aan werk en waar ik bovenop zit. De heer Verkuijlen (VVD): Dank voor de beantwoording. Het is heel goed dat u langs die lijn de toekomst inhoud wil geven, maar het gaat mij precies om urgentie en prioriteit. U zegt dat het urgentie heeft. Ik denk dat we daar allemaal zeer gelukkig mee zijn. Ik denk dat mevrouw Westerveld niet in de laatste plaats zal zeggen: fijn dat we nu meters gaan maken. Maar het gaat mij om de vraag: wat heeft prioriteit; wat gebeurt er als eerste? Als u het aan mij vraagt, dan vind ik dat de jongeren in gesloten inrichtingen prioriteit hebben. Daar moet een alternatief voor komen. Het is heel goed dat u excuses heeft gemaakt. Ik denk dat dat een hele goede beweging is geweest, maar we moeten wel het vermogen hebben om in de spiegel te kijken en om te zeggen: nu moet het anders. Minister Sterk: Ik heb net een heleboel acties genoemd die we nu ondernemen. Ik denk dat we allemaal blij zijn dat die jongeren nu uit de gesloten jeugdzorg zijn, maar er moeten voor die jongeren wel passende plekken komen. We gaan naar alle jeugdzorgregio's toe. We gaan met ze praten. We zijn bezig met doorbraakacties en we gaan een monitor opzetten. We hebben er 77 miljoen voor vrijgemaakt. We gaan werken aan een landelijk kwaliteitskader. Alle zeven acties die ik net noemde, zijn daarop gericht. Ik denk dus dat ik best tegemoetkom aan de zorgen die meneer Verkuijlen wellicht heeft. De voorzitter: Ik had mevrouw Dobbe nog op het lijstje staan. Ik maak even een rondje en dan kom ik zo weer bij u. Nee? Dan geef ik mevrouw Coenradie het woord. Mevrouw Coenradie (JA21): Ik sluit me hier een beetje bij aan. Ik hoor dat er heel veel dingen worden gedaan. Tegelijkertijd ben ik er bang voor dat we over een jaar hetzelfde gesprek hebben en we weer horen "daar zijn we mee bezig", "dat loopt nog", "dat zijn we nog aan het onderzoeken" of "u ziet dat straks terug in een brief". Ik denk dat ik namens iedereen hier spreek als ik zeg dat wij dagelijks mails krijgen, niet macro maar micro. Het zijn allemaal mensen die tegen iets aan lopen, als ouder, als pleegouder of als kind. Het zijn allemaal mensen die zich melden met misstanden. Ik ben zoekende. De urgentie zal ongetwijfeld voelbaar zijn. Dat geloof ik ook wel, maar hoe voorkomen we dat we over een jaar hetzelfde gesprek hebben? Hoe kunt u, ook vooraf, zeggen: "Dit zijn de prestatieafspraken waar ik mij als minister aan conformeer en dit mogen jullie komend jaar heel duidelijk per maand van mij verwachten"? Daar ben ik een beetje naar op zoek. Dat is zeker een bedrijfsmatige kijk, maar ik zou ook graag willen dat we vaker veel meer bedrijfsmatig werken en denken hier in Den Haag. Dat doen we echt veel te weinig. Minister Sterk: Maar de samenleving is geen bedrijf dat je zomaar even runt. Was het maar zo, denk ik weleens, want dan kun je er veel makkelijker op sturen. We hebben hier te maken met mensen en met verschillende sectoren die met elkaar moeten werken om ervoor te zorgen dat een kind uiteindelijk de hulp of zorg krijgt die het nodig heeft. Daar passen KPI's niet zomaar bij. Tegelijkertijd snap ik ook uw behoefte aan meer afrekenbaarheid. Wat mij betreft zit dat in de afspraken die ik maak. U mag mij daar elke keer scherp op houden. We kunnen hier elke keer het gesprek hebben: doet de minister wel voldoende en worden de goede stappen wel gezet? Maar ik wil u wel waarschuwen voor een te groot maakbaarheidsdenken. Het is niet zo dat we hier kunnen besluiten dat het morgen maar eens over moet zijn en dat we de jeugdzorg morgen geregeld moeten hebben. Het is niet zo dat dat ons dan ook lukt, want zo zit de wereld helaas niet in elkaar. We moeten met grote urgentie aan de slag. Volgens mij hebben we daar als kabinet nu meer regie op genomen om ervoor te zorgen dat een aantal dingen beter in beeld gaan komen en we betere analyses gaan maken. We zijn ondertussen ook bezig met de partijen die een belangrijke rol spelen in de jeugdzorg om tot afspraken te komen die verder gaan dan wat we eerder met elkaar hebben afgesproken. U moet mij daarop blijven aanspreken. Wat mij betreft hebben we daar met enige regelmaat ook een gesprek over, maar dat laat zich niet altijd in een KPI vertalen, in de zin van: dan hebben we het allemaal geregeld. De voorzitter: Mevrouw Dobbe alsnog. Mevrouw Dobbe (SP): Ik wilde terugkomen op de eigen bijdrage. Ik dacht: dan kan dit rondje afgemaakt worden. Ik wil het hebben over de eigen bijdrage in de jeugdzorg, omdat daar zo veel voor is gewaarschuwd. Veel experts, organisaties en jongeren zeggen: dit gaat leiden tot zorgmijding, tot ongelijkheid in de toegang tot zorg en misschien wel tot iets wat in strijd is met het Kinderrechtenverdrag. Ik vroeg de minister naar die waarschuwingen. Wat doet u met die waarschuwingen? Het antwoord van deze minister was: de zorg kost geld. Dat snap ik. De vraag is: waar leg je de rekening neer? De rekening die deze minister wil neerleggen bij jongeren en hun ouders is 260 miljoen euro. Kan de minister bevestigen dat dit een maatregel is die niet wordt genomen omdat die de jeugdzorg beter maakt, maar omdat er toch ergens geld vandaan moet komen? Dat betekent dat de rekening wordt neergelegd bij kinderen en hun ouders. Klopt dat? Minister Sterk: Ik ben eraan gewend dat mevrouw Dobbe altijd vrij uitgesproken opvattingen heeft over bepaalde maatregelen. Maar ik denk dat wat we hier doen, een stuk genuanceerder ligt. Ik heb volgens mij net aangegeven dat we natuurlijk niet doof zijn voor de waarschuwingen die we krijgen, zeker als het gaat om het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Het is natuurlijk wezenlijk dat we dat betrekken bij de wetgeving die we maken, juist als het kinderen betreft. Dat gaan we dus ook doen. Die toezegging heb ik gedaan. Tegelijkertijd weten we dat de eigen bijdrage in Nederland heel vaak niet als drempel wordt gevoeld om gebruik te maken van de zorg. We moeten inderdaad voorkomen dat deze eigen bijdrage kan betekenen dat kinderen niet de zorg krijgen die ze nodig hebben. Dat heb ik u net ook toegezegd. Natuurlijk nemen we dat mee in de vormgeving van het wetsvoorstel. Je kunt dit op verschillende manieren inregelen, dus daar zijn we nu naar aan het kijken. Nogmaals, de zorgen die u heeft, neem ik mee en uiteindelijk maken we hierin een afweging. Mevrouw Dobbe (SP): Als wij hier met elkaar constateren dat het niet goed gaat in de jeugdzorg en dat het stelsel kapot is — we hebben hier meermaals met elkaar geconstateerd dat het anders moet — dan moeten we maatregelen nemen die het beter maken. Iedereen zegt dat deze maatregel, het invoeren van een eigen bijdrage in de jeugdzorg, naar alle waarschijnlijkheid alleen maar negatieve effecten zal hebben. De minister gaat kijken hoe we die effecten zo min mogelijk negatief kunnen maken, maar ze zullen negatief uitpakken. Er zit geen voordeel aan. Het levert alleen maar geld op omdat we de rekening bij ouders en kinderen neerleggen. Waarom nemen we niet andere maatregelen die de zorg beter maken in plaats van een maatregel die de rekening alleen maar verschuift? Het is nu iets wat we allemaal samen betalen in een solidair stelsel, maar het verschuift naar mensen die zorg nodig hebben, in dit geval kinderen die al moeten functioneren in een kapot stelsel. Minister Sterk: Als we met elkaar constateren dat er te veel kinderen zomaar de jeugdzorg instromen, dan moeten we het ook durven hebben over de vraag: hoe kunnen we voorkomen dat kinderen de jeugdzorg instromen die daar misschien niet op hun plek zijn? Een eigen bijdrage kan een van de dingen zijn die daarbij helpt. Maar je moet tegelijkertijd wel de randvoorwaarde stellen dat er geen drempel wordt opgeworpen voor kinderen die het echt nodig hebben, maar van wie de ouders het niet kunnen betalen. Dat is de manier waarop ik naar dit wetsvoorstel kijk. Een eigen bijdrage kan ook betekenen dat ouders twee keer nadenken voordat ze om een ADHD-test of iets anders vragen voor hun kind. Dat is volgens mij ook de beweging die u allemaal van mij vraagt. We moeten meer naar de voorkant kijken en we moeten uiteindelijk minder mensen in de jeugdzorg krijgen die daar niet horen. De voorzitter: U heeft vier interrupties in totaal. U heeft er twee verbruikt, dus u heeft er nog twee te gaan. Mevrouw Dobbe (SP): Maar dat betekent dat de eigen bijdrage in de jeugdzorg als prikkel wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat er minder jongeren en kinderen gebruik gaan maken van de jeugdzorg. De minister stuurt eigenlijk op zorgmijding, want dat is wat je dan doet. In plaats van dat je de zorg beter maakt, verschuif je de rekening van de zorg naar ouders en kinderen. Dan stuur je op zorgmijding. Dat zal voor een deel betekenen dat ouders nog even moeten nadenken en dat het misschien niet nodig is, maar het zal voor een deel ook betekenen dat ouders die zorg niet meer zullen krijgen omdat ze het niet kunnen of willen betalen. Dat is toch een hele negatieve maatregel? Die moeten we toch niet willen nemen in een stelsel dat al kapot is? Ik vraag me af of de minister daarop wil reflecteren, want ik snap oprecht niet dat we deze maatregel nu nemen. Minister Sterk: Nogmaals, ik heb net al gereflecteerd op de zorgen die mevrouw Dobbe noemt. We moeten heel serieus kijken naar ouders die het niet kunnen betalen en die daardoor geen zorg zullen opzoeken, terwijl dat wel nodig is. De zorgen over het Kinderrechtenverdrag neem ik ook mee. Ik denk dat we deze discussie vooral moeten voeren als we weten wat er in het voorstel staat, want dan kunnen we echt een gesprek voeren over de inhoud van het voorstel. De heer Ceder (ChristenUnie): Wij hebben aangegeven dat minder geld naar de jeugdzorg voor ons geen principieel probleem is. Maar het is voor ons wel een probleem als minder geld leidend wordt in plaats van de zorg voor kinderen. Ik proef deze zorgen ook een beetje bij de andere collega's, onder wie mevrouw Dobbe. Ik wil niet dat er een bezuinigingsvoorstel komt naar de Kamer omdat dat nu eenmaal is afgesproken, terwijl we niet kunnen garanderen dat de kinderen dan niet slechter af zijn dan voor dit kabinet. Dat is in ieder geval mijn zorg, maar ik denk dat die breder wordt gedeeld in de Kamer. Als van tevoren uit onderzoeken en testen blijkt dat de opgave waarmee de minister op pad is gestuurd zal leiden tot een verslechtering van de huidige situatie, kan de minister dan garanderen dat ze eerder terugkomt naar de Kamer om te zeggen dat de kaders niet gaan lukken? Minister Sterk: Volgens mij moeten we hier nooit beleid maken waar kinderen slechter van worden, dus we trekken aan dezelfde kant van het touw. Als blijkt dat kinderen hier slechter van worden, dan hebben we hier natuurlijk iets te doen met elkaar. Alleen, volgens mij zijn we nog niet zover. Er worden nu allerlei stappen gezet. Volgens mij is het belangrijk dat we dit wetsvoorstel straks op zijn merites gaan beoordelen en dat we dan het gesprek met elkaar gaan voeren. De voorzitter: Mevrouw Van Meetelen, dit wordt uw tweede interruptie. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ik wil even voortborduren op wat mevrouw Dobbe zei. Ze heeft natuurlijk helemaal gelijk. Je krijgt zorgmijding door een eigen bijdrage. Ik vind het net zo kwalijk als mevrouw Dobbe. U zegt dat minder ouders met kinderen hier dan aanspraak op gaan maken. Alle argumenten die de PVV, de SP en andere partijen aandragen over de eigen bijdrage en het eigen risico zijn bij dezen bevestigd. De minister bevestigt dat dat zo is, want daar gaat ze van uit. Wij willen dit absoluut niet. Alles wat mevrouw Dobbe zegt, wil ik ondersteunen. Neem de argumenten van alle mensen die daarop hebben gereageerd alsjeblieft serieus en doe dit gewoon niet. Als u nog bezig bent die wet te maken, zou ik adviseren: laat het eruit. Minister Sterk: Ik hoorde mevrouw Van Meetelen net ook aangeven dat ze juist wil dat niet elke vraag per se een zorgantwoord krijgt. Volgens mij is dit een van de instrumenten om dat voor elkaar te krijgen. Ik heb net aangegeven dat het er niet toe mag leiden dat kinderen die zorg nodig hebben, die niet krijgen omdat de financiering ervan een probleem zou kunnen zijn. Volgens mij is dat ook de zorg van mevrouw Van Meetelen. Volgens mij vinden we elkaar op dit punt. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Daar ga ik natuurlijk wel op reageren. Dan heeft u mij verkeerd begrepen, minister. Ik heb vooral gevraagd om naar die cultuuromslag te kijken. We moeten op een andere manier ... We moeten met z'n allen, als samenleving, als ouders, als scholen en als mensen die doorverwijzen, gewoon eens niet naar een zorgantwoord kijken. Dat betekent niet dat we dan dus geld voor die zorg gaan vragen. We mogen ook weleens nadenken over de vraag: "Is dit überhaupt zorg? Is dit niet gewoon jouw verantwoording?" Kinderen moeten namelijk ook leren om te gaan met teleurstellingen. Dat is wat ik betoog. Ik ben het ermee eens dat er bij jeugdzorg te veel wat daar misschien helemaal niet hoort door de voordeur wordt geduwd. Maar om dan te zeggen "we gaan een eigen bijdrage heffen, want dan komen er minder mensen, want dan wordt het gemeden", is natuurlijk het slechtste wat er bestaat. Dat geldt zeker voor mensen die het misschien niet kunnen of willen betalen. Dan krijgen we exact wat we niet willen: de mensen die de zorg het hardste nodig hebben, krijgen die dan niet. Minister Sterk: Ik val een beetje in herhaling, denk ik. Ik denk dus wél dat het zou kunnen helpen als er ook iets van mensen wordt gevraagd. Dat geldt alleen niet voor mensen die het geld niet hebben. Daar moeten we gewoon goed naar kijken als we dit wetsvoorstel ontwikkelen. De heer Hamstra (CDA): Op het gevaar af dat de discussie wat door elkaar heen gaat lopen of dat ik het wat anders interpreteer. Aan de ene kant zeggen we: we willen scherpe keuzes maken. Daarover gingen mijn vragen aan de collega's in mijn interrupties ook. Aan de andere kant wordt nu de discussie gevoerd over de eigen bijdrage en waarom die zo lastig is. Volgens mij moeten we in het kader van de Wet reikwijdte goed afbakenen wat wel en wat niet. Je moet veel meer met de sociale basis of de pedagogische civil society. Je moet vrij voorliggende voorzieningen hebben, waar je gebruik van zou kunnen maken. Mijn vraag aan de minister zou de volgende zijn. Als we in het kader van de wet Reikwijdte die keuzes zouden maken, wat ik van harte toejuich, wat verwachten we dan van gemeenten? Misschien is dat een minimum basisniveau van die sociale basis. Hoe moeten ze die inrichten? Misschien zijn bepaalde vormen van jeugdzorg vrij toegankelijk of worden ze collectief aangeboden. We weten wel hoe dat gaat. Wat is de visie van de minister daarop? Minister Sterk: Ik begrijp de vraag heel goed. Precies daarover ben ik nu in gesprek. Ik heb u daarover een brief toegezegd. Daarin zal ik daar meer invulling aan geven. Die zal ik in november sturen. De voorzitter: Dan zijn we bij het volgende blok van de minister gekomen. Ik check even. Het klopt, zie ik. U vervolgt, minister. Minister Sterk: Ja, voorzitter. Dan ben ik inderdaad bij het tweede blokje, residentieel. Ik begin bij vragen van de heer Verkuijlen. Hij vroeg: als we gesloten jeugdhulp niet meer zien als de vorm waarvoor we willen gaan, welk alternatief bieden we dan? Hij vroeg ook wat we concreet anders gaan doen. Ik heb natuurlijk net al een aantal zaken genoemd. We blijven gewoon doorgaan met de afbouw van de gesloten jeugdzorg. Ik vermoed dat u dat zelf ook wil, meneer Verkuijlen. Tegelijkertijd levert het wel dilemma's op. Er is nog steeds een groep jongeren die tegen zichzelf of tegen anderen beschermd moeten worden of tegen wie anderen beschermd moeten worden. Het mag natuurlijk niet zo zijn dat zij, omdat we geen passende plek voor ze hebben, uiteindelijk op een vakantiepark terechtkomen. Het volgende doen we nu al wel anders. Er wordt steeds meer op kleinschaligheid ingezet. Dat is volgens mij heel positief. Er zijn maximaal zes jongeren per groep. Er wordt ook geïnvesteerd in het relationeel werken. Dat was ook echt anders in de gesloten jeugdzorg. Ook noem ik vakmanschap en meer maatwerk. Ik deel echter uw zorgen over het duidelijke toekomstbeeld na de gesloten jeugdzorg. Daarom ben ik gestart met een wetstraject om in specifieke omstandigheden vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken. Vanzelfsprekend krijgen jongeren hierin ook een stem. Ook dat, dus de rechtspositie van jongeren, was eerder namelijk eigenlijk onvoldoende geborgd. Die willen we dus ook meer plek geven. Deze wetswijziging, zeg ik dan ook maar tegen iedereen die meeluistert, mag geen verkapte manier zijn om de gesloten jeugdhulp voort te zetten. We moeten echt oppassen dat we niet weer terechtkomen in waar we juist vandaan willen. Dat betekent ook dat je de kennis en kunde over het voorkomen van vrijheidsbeperking in de sector moet verstevigen en het relationeel werken moet verbeteren. Tot slot. Er zijn zorgen geuit over veiligheid van professionals, mede in relatie tot het afzien van de wetswijziging over de nachtelijke kamerinsluiting. Ik wil met dat afzien in ieder geval niet de indruk wekken dat we het dús niet belangrijk vinden dat de veiligheid van medewerkers een rol moet spelen. Ik ga met het veld in gesprek daarover. Ik wil een handelingsperspectief voor professionals en een passende oplossing voor deze jongeren, die vaak een forensisch profiel hebben, zoals u volgens mij ook al zei. Daarbij denken we aan afspraken in de veldnormen over groepssamenstellingen, het voorkomen van escalaties en omgaan met gevaarlijk gedrag. Ik zie overigens ook al wel in de sector, bijvoorbeeld bij Levvel, dat er zonder vrijheidsbeperkende middelen maar door er bijvoorbeeld goed rekening te houden bij de samenstelling van de groepen kan worden voorkomen dat je in andere situaties zou moeten grijpen naar insluiting. Er wordt in de sector dus al aan gewerkt om die passende plekken te creëren. Ik zie daar goede voorbeelden van en ben dus hoopvol dat het moet gaan lukken. Daarnaast lopen er nog parallelle trajecten ter verbetering van de zorg voor de forensische doelgroepen, bijvoorbeeld een zorginhoudelijk kader en het ontwikkelen van een landelijke ketenaanpak voor kennis en expertise. Mevrouw Dobbe zei dat er nú een oplossing moet komen. Ik heb daar zojuist al heel veel over gezegd. Ik zou ook willen dat er nu een oplossing kon komen, maar de werkelijkheid is dat dat nu niet voor alles kan. Mevrouw Moinat vroeg of ik kan garanderen dat er geen capaciteit verdwijnt voordat er passende alternatieven zijn. Nee, die garantie kan ik niet geven, maar ik pak wel nu de regie om het realiseren van die passende zorg voor jongeren met complexe problematiek aan te pakken en te verstevigen. Mevrouw Synhaeve vroeg of ik kan garanderen dat de kwaliteitscriteria niet worden afgezwakt bij de herziening ervan. En kan ik ook garanderen dat de toetsing door een onafhankelijke instantie gebeurt? Zoals u al zei, zijn de kwaliteitscriteria in principe van de sector. De sector is daar dus aan zet, maar ik volg het proces nauwlettend. De vraag over de toetsing van de kwaliteitscriteria vind ik interessant. Ik wil die oppakken met de sector om duidelijk te krijgen hoe zij er zelf naar kijken, want KBL is natuurlijk niet per se een onafhankelijk iets in de zin zoals het Zorginstituut functioneert. Ik wil die vraag dus oppakken. Ik zal de uitkomst daarvan aan u terugkoppelen. We proberen dat in november te doen en als dat niet lukt, hoort u wanneer wel. Mevrouw Coenradie stelde een vraag over de nachtelijke kamerinsluiting. Ze wil weten waarom de noodzakelijkheid dan ontbreekt. Dat zit in een aantal zaken, maar ook wel in het grote risico op een glijdende schaal, dus dat je het risico hebt dat die maatregel steeds vaker ingezet wordt en je eigenlijk terugkomt in een situatie waarin je niet meer terug wil komen, namelijk zoals die in de gesloten jeugdzorg was. Bovendien is het aantal situaties waarin en het aantal jongeren waarvoor die maatregel zou kunnen gelden zeer beperkt. Er is ook echt nog wel een onderbouwing waarom alternatieven zoals een wakkere pedagogische nachtdienst en deurverklikkers ook een middel kunnen zijn om hier in te zetten. Ik zei net al dat we in het veld al voorbeelden zien van situaties waarin ze zonder die vrijheidsbeperkende maatregelen toch kunnen werken. Volgens mij willen we dat uiteindelijk allemaal; we willen dat het op een veilige manier gebeurt met het liefst zo min mogelijk vrijheidsbeperkende maatregelen. Op de dag dat we de excuses aanboden, merkte ik overigens zelf ook dat heel veel jongeren hier wel weer zorgen over hadden, in de trant van: gaan jullie dit tóch weer doen? Dat heeft eerlijk gezegd ook wel een beetje meegewogen hierin. Mevrouw Synhaeve had ook nog een vraag over die een-op-een. Kan ik de Kamer elk kwartaal informeren over de situatie van de jeugdigen? Ik weet niet of dat nou zo even gaat lukken, maar ik heb u al geschetst dat we bezig zijn om uit te vragen hoe het met elke jongere is. Dat zijn die doorbraakacties. Ik verwacht begin 2027 daar uitkomsten van te hebben, net als van het tweede onderzoek dat nu loopt, waar de uitvraag is om beter in beeld te krijgen hoe de cijfers precies in elkaar zitten. We zagen immers bij de eerste uitvraag, bij de gemeentes, dat we een beetje appels met peren moesten vergelijken omdat iedereen op een eigen manier registreert. Daarom werken we ook aan die standaardisatie. Maar ik verwacht — dat gaat volgens mij daarover — dat dat begin 2027 wordt. Volgens mij moeten we dan even kijken wat dat dan betekent, want we willen natuurlijk ook een monitor gaan inrichten. We moeten kijken hoe we de Kamer daarbij betrekken en inzicht houden in de ontwikkeling daarvan. Mevrouw Westerveld vroeg hoe ik de wensen en behoeften van jongeren leidend laat zijn in het hersteltraject. Ik vind dat ontzettend belangrijk. Ik krijg ook echt de indruk dat die jongeren, in ieder geval het deel van de jongeren dat dat wilde, heel erg betrokken zijn geweest bij het traject richting excuses, bij de inrichting van die dag en bij het traject hierna. Ik volg ze toevallig op Instagram en ik krijg signalen dat de bijeenkomsten die nu worden georganiseerd met heel veel enthousiasme worden bezocht. Op 4 oktober is er weer een nieuwe. Dit voldoet blijkbaar echt aan de behoefte van een deel van de jongeren. Het ingewikkelde is dat je natuurlijk niet iets kunt maken dat voor iedereen op dezelfde manier tegemoetkomt aan de behoeften. Daarom hebben we daarnaast een traject ingezet waarin we kijken hoe we jongeren die vastlopen op de vijf b's, zoals mevrouw Dobbe het zei, kunnen helpen met de toegang daartoe en hoe we hun ondersteuning kunnen bieden. Ik noem maar wat: als je een hulphond nodig hebt en er niet door komt of niet weet hoe je dat moet doen, zou je ondersteuning moeten kunnen vragen en zou iemand met je mee moeten kijken. Het gaat soms namelijk niet alleen maar om geld, maar vooral om het feit dat ze iets nodig hebben en daar zelf niet bij kunnen komen. De andere kant van het hersteltraject is dus dat we organiseren dat er iemand is — dat heet een procesbegeleider, geloof ik; dat vind ik dan weer zo'n beleidsterm, maar goed — die meekijkt om te bepalen hoe een jongere krijgt wat hij nodig heeft. Daar zijn die 12 miljoen voor bedoeld: voor die beide lijnen. Daarmee heb ik al heel veel vragen beantwoord, denk ik. Ik denk dat ik bijna bij het einde van dit blokje ben. Nog heel even iets over de pleegzorg. Dat is het laatste in dit blokje. De heer Hamstra vroeg hoe het staat met de uitvoering van de motie over een plan voor werving en behoud van pleegouders. Wat betreft de werving financier ik op dit moment de landelijke campagne Jouw huis een 2e thuis. Deze campagne verschaft veel informatie over pleegouderschap. Ik heb ook extra middelen beschikbaar gesteld om het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders te verbeteren, zodat ze wat sneller door dat proces heen komen. Dit is sinds 1 september, dus begin deze maand, live op pleegzorg.nl. Ik wil die campagne verlengen tot 2027 en voer gesprekken met de sector over de landelijke inzet die nodig is vanaf 2028. Ik wil dit jaar ook een nieuw onderzoek starten naar de vraag waarom pleegouders stoppen. Daarbij gaat het dus om behoud. De gesprekken daarover lopen op dit moment al. Ik verwacht de resultaten daarvan voor de zomer van volgend jaar. Iemand noemde Mockingbird; ja, het was mevrouw Synhaeve. Ik ben daar zelf ook geweest; de staatssecretaris volgens mij nog niet, maar ik heb haar daar gisteravond over verteld. Ik vind dat inderdaad een heel mooie manier om te zorgen voor een soort stutting van die pleegouders, juist omdat ze vanuit hetzelfde perspectief werken. Ik was daar heel erg positief over en ik breng het overal waar dat kan onder de aandacht. Dat doe ik hier dus ook weer. Dat zijn instrumenten die kunnen helpen, denk ik, maar de jeugdzorgregio's of de jeugdzorgaanbieders moeten ze dan wel gaan inkopen. Vandaar ook deze reclame. Ten slotte de vraag van de heer Hamstra over de kosten voor kinderopvang. Hij vroeg hoe we ervoor kunnen zorgen dat dit geld ook echt bij pleegouders terechtkomt. Ik herken het probleem. We hebben dat geld natuurlijk in het gemeentefonds geplaatst en gemeentes moeten dit nu zelf uitkeren aan de pleegouders. Ik span mij nu met gemeentes en aanbieders in om ervoor te zorgen dat het echt gaat gebeuren. Daarover voer ik continu het gesprek, maar ik kan geen garantie geven, om de simpele reden dat dat geld nu bij de gemeentes ligt. Samen met mijn collega van Sociale Zaken hou ik wel de gevolgen van het nieuwe stelsel kinderopvang voor pleegouders in de gaten. Ik onderzoek in de toekomst samen met gemeentes en de pleegzorgsector hoe we pleegouders op dit vlak beter kunnen gaan ondersteunen in het nieuwe stelsel. Dat was dit blokje, voorzitter. De voorzitter: Ja. Ik heb van alle Kamerleden interrupties verzameld op basis van wie de eerste was. Ik begin bij de heer Verkuijlen en ga iedereen netjes langs. De heer Verkuijlen (VVD): Voorzitter, met name dank dat u het nu doet, want anders zou ik bijna vergeten waar mijn interruptie over ging. Dat zal de leeftijd wel zijn, denk ik. Maar goed. Ik was zeer ingenomen met de beantwoording door de minister van de vragen over de alternatieven voor de gesloten jeugdzorg, laat ik dat ook gezegd hebben. Alleen zijn we in dit huis goed in dingen stopzetten, maar minder goed in tot een alternatief komen als we de transitie ingaan. Ik heb goed geluisterd naar de minister. Zij heeft het over wetgeving om het in te gaan regelen. Ik zag in de voortgangsbrief ook dat er verschillende onderzoeken over lopen. Maar ik wil graag van haar weten of zij daar wat pragmatischer naar wil kijken. Zij noemde ook Levvel. Als u de best practices identificeert, zou ik het heel fijn vinden om die zo veel mogelijk groter te maken zodat er in ieder geval geen handelingsverlegenheid optreedt naar aanleiding hiervan. Ik heb ook nog een vraag over de lvb'ers. Die vraag zit met name op het forensisch deel. We weten dat een derde van alle jongeren met een licht verstandelijke beperking zowat in de jeugdcriminaliteit terechtkomt. Voor dat deel wil ik extra aandacht vragen. Minister Sterk: Voor die laatste vraag kijk ik naar mijn collega. Als het goed is, neemt zij die zo meteen op. Dan uw eerste vraag. De 77 miljoen is precies hiervoor bedoeld: kijken wat er goed gaat en wat we kunnen opschalen. U noemde al het voorbeeld van Levvel. Het is inderdaad iets wat we moeten doen, maar ik heb daar ook de zorgaanbieders voor nodig, want zij zullen dit vervolgens wel op die manier moeten aanbieden. Mevrouw Synhaeve (D66): Dank voor alvast deze beantwoording. Ik heb ten eerste een vraag over de gezinshuizen. Zoals ik net al zei, zijn er heel veel plekken waar gezinshuizen echt fantastische zorg bieden en op die manier een groot verschil maken in de levens van kinderen. Dat neemt niet weg dat er ook een aantal plekken zijn waar we daar grote zorgen over hebben. Ik begrijp dat de kwaliteitscriteria uiteindelijk aan de sector zijn. Tezelfdertijd willen we veel meer aan de voorkant toetsen op de kwaliteit van deze gezinshuizen. Ik zou dus willen dat we gewoon heel kritisch mogen kijken naar wat dan voorgesteld wordt. Ik vind het overigens heel fijn dat de minister aangeeft te zullen kijken naar wie die toetsing gaat vormgeven. Dan specifiek mijn vraag over de een-op-eenplaatsingen. Ook hierbij geldt natuurlijk dat ik echt geloof dat voor een aantal kinderen in de tijdelijkheid dat de beste oplossing kan zijn. De minister gaf aan dat begin 2027 de monitor komt. Maar ik denk dat er hier twee niveaus zijn. Enerzijds heb je het niveau van de vraag of deze kinderen op dit moment veilig zijn. Dan is begin 2027 heel ver weg. Daarnaast heb je het niveau waar je dit natuurlijk gebruikt als ingang om te kijken waar er welk zorgaanbod mist. Dan snap ik heel goed dat je zegt begin 2027 weer op de lijn te komen. Kan de minister daarop reflecteren? Minister Sterk: Ik heb niet gezegd dat die monitor al begin 2027 op orde is. Ik heb wel gezegd dat het verdiepende onderzoek naar aanleiding van het eerste onderzoek, waaruit die hoge getallen kwamen, begin 2027 bekend wordt. Daarnaast doen we die doorbraakacties, waarbij we al die dossiers gaan bekijken. Dat kost even tijd, maar tegelijkertijd kijken gemeenten nu ook zelf, mede vanwege de uitvraag die we hebben gedaan en die nu opnieuw wordt gedaan, waar hun kinderen zitten en of die wel veilig zijn. Maar hoe graag ik het ook zou willen, ik kan niet garanderen dat wij straks van ieder kind in beeld hebben of die veilig is. We moeten eraan werken dat we dat in de toekomst wél in beeld hebben, want dat willen we natuurlijk gewoon weten. Mevrouw Synhaeve (D66): Ik snap dat dat beeld dan nog niet helemaal compleet is omdat je nu nog bezig bent, en ik snap ook dat de bovenregionale expertiseteams daar een rol in hebben. Maar kan de minister dan wel de Kamer informeren over wat de eerste beelden opleveren? Minister Sterk: Ja, dat zal ik zeker begin 2027 doen als dat onderzoek er is, en zo veel eerder als mogelijk is en we misschien informatie krijgen uit die doorbraakacties. Maar over dat laatste durf ik nog geen concrete toezegging te doen. De voorzitter: Dan zijn we gekomen bij de volgende interrumpant, mevrouw Westerveld. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik heb een vraag over het excuses- en hersteltraject. Dat laatste woord is ook heel belangrijk. Ik heb de bijeenkomst van een afstand gevolgd, maar ik weet ook van alle gevoeligheden daaromheen bij jongeren die geraakt zijn door de woorden van excuses, maar ook bij de jongeren die daar niet zo veel bij voelen en die soms ook al zo erg beschadigd zijn dat ik denk dat wat de minister ook zegt niet helpend is. Dat begrijp ik, vanuit hun perspectief. Ook daarom hebben mevrouw Dobbe en ik die motie natuurlijk ingediend. Als wij praten met jongeren en vragen wat nou bijdraagt aan hun herstel, wat nou helpt, geven ze altijd aan: dat er eens een keer naar mij en naar mijn wensen geluisterd wordt. Daar loopt het voor deze jongeren natuurlijk heel vaak vast, omdat ze niet in bestaande kaders passen, omdat ze er soms net tussendoor schieten, net geen aanspraak kunnen maken op een bepaalde regeling enzovoort. Dan vind ik het heel mooi dat de minister zegt dat er een procesbegeleider komt en dat ze gaat kijken wat er mogelijk is, maar zoals ik net al aangaf, hebben ze soms net iets nodig dat daarbuiten valt. Ik zou de minister dus willen vragen of daar ook specifiek ruimte voor is. Als een jongere aangeeft dat hij een bepaalde voorziening nodig heeft of een opleiding moet volgen, kan er dan alsjeblieft ook buiten bestaande kaders gekeken worden? Ik denk echt dat dat bijdraagt aan herstel van vertrouwen en jongeren die hun leven weer kunnen oppakken. Minister Sterk: Ik begrijp uw vraag heel goed. Je wilt tegemoetkomen aan wat die jongeren echt nodig hebben. Volgens mij is dat ook wat we in deze aanpak hebben afgesproken. Het is een soort lerende aanpak. We hebben nu deze trajecten afgesproken, het collectieve deel en het deel dat meer op het individu gericht is. Volgens mij moeten we heel goed gaan volgen wat de behoefte is die hieruit komt. Op een gegeven moment moeten we dan ook hier maar eens even bespreken wat dat opbrengt. Ik kan aan de voorkant niet zomaar zeggen dat we alles maar kunnen financieren wat daar op tafel komt, want dat is ook niet de werkelijkheid, denk ik. De voorzitter: Dan komen we bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Dobbe. Dit is tevens uw laatste interruptie. Mevrouw Dobbe (SP): Ik wil hier wel op doorvragen, want ik denk dat dit een hele terechte vraag is van mevrouw Westerveld. Ik vroeg mij af of de minister wat meer kan vertellen over hoelang dit proces gaat duren. Ik weet dat het soms moeilijk is om dat in te richten, maar we hebben gezien dat het feit dat de excuses zo lang hebben geduurd jongeren weer extra heeft beschadigd. Dan wil je niet dat het herstel ook heel lang duurt. Wat heeft de minister voor zichzelf voor tijdsplanning neergezet? Wanneer is er bijvoorbeeld met alle jongeren gesproken? Is er al met iedereen contact geweest? En kan zij ons daar bijvoorbeeld regelmatig over informeren, zodat wij ook kunnen volgen of dat goed gaat of dat er vanuit de Kamer nog iets extra's nodig is, en we dit echt goed kunnen doen? Minister Sterk: Wat betreft het eerste deel van uw vraag: er loopt nu een pilot met een aantal jongeren over de vraag hoe we dit nu inrichten. We hopen dat het begin volgend jaar helemaal staat, zodat we het ook echt concreet kunnen gaan uitvoeren voor jongeren die daar behoefte aan hebben. Dat over het eerste deel. Het tweede deel van uw vraag was: we willen als Kamer graag geïnformeerd worden daarover. Dat was eigenlijk ook de vraag van mevrouw Westerveld. Ik ga even kijken hoe ik dat het beste kan doen. Ik snap uw informatievraag heel goed. Dat wil ik dus toezeggen. Ik wil alleen even mee terugnemen op welke manier we dat dan gaan doen. Misschien kunnen we daar iets over zeggen in de brief die we in november toch al sturen naar aanleiding van de gesprekken over de jeugdzorg. De voorzitter: Duidelijk. Dan de heer Van Houwelingen. De heer Van Houwelingen (FVD): Dank voor de beantwoording. Excuus voor mijn afwezigheid. Waar we gebleven waren in het debat met de minister, was dat wij willen dat de inspectie af en toe rechtstreeks controleert bij die pleeggezinnen en gezinshuizen. Dat gebeurt niet. De minister zei eigenlijk: ik vertrouw het oordeel van de inspectie. Tegelijkertijd zegt de minister in dit debat ook een paar keer: ik ben geschrokken van die misstanden bij de gesloten instellingen, het aantal een-op-eenplaatsingen en wat er in het buitenland gebeurd is. Dat vind ik dan wel mooi. Mijn vraag is dus eigenlijk: waarom zouden we de inspectie ineens wel vertrouwen als het zo vaak misgaat? Ik begrijp niet waar dat vertrouwen vandaan komt. Minister Sterk: Omdat we ook heel vaak niet zien wat er allemaal wél goed gaat en waar de inspectie wel ingrijpt. Ik denk dat de inspectie elke keer ook weer leert van fouten die worden gemaakt. In die zin heb ik gewoon alle vertrouwen in de inspectie. Om maar gelijk in te gaan op een vraag die u heeft gesteld: ik vind het ook belangrijk dat de inspectie onafhankelijk blijft in haar oordeel en dus niet beïnvloedbaar is door politieke opvattingen over wat ze zou moeten doen. Ik denk dat we dat moeten borgen. De heer Van Houwelingen (FVD): Daarin verschillen we dan fundamenteel van mening. Ik heb het voorbeeld gegeven van de onderwijsinspectie. Daar is dat niet het geval. Er is heel veel gelijk, maar daarover heeft de Kamer gezegd: we willen dat scholen ook gecontroleerd worden, niet alleen de schoolbesturen. Het is denk ik goed dat dat gebeurd is. Ik kan me voorstellen dat de Kamer hiervan zegt: we zouden rechtstreeks bij die pleeggezinnen en gezinshuizen moeten kunnen controleren. Begrijp ik nu goed dat de minister zegt dat dat helemaal autonoom is? Zegt de minister: de inspectie is een soevereine staat in een staat die, ook als de Tweede Kamer of de minister iets wil, het zelf bepaalt en zijn eigen goddelijke gang gaat? Is dat dan wat de hier moeten concluderen? Waarom voeren we dan nog dit soort debatten, als we er toch niet over gaan? Minister Sterk: Ik denk dat de heer Van Houwelingen een karikatuur maakt van hoe de IGJ werkt. Ik heb geloof ik maandelijks, of in ieder geval elke zes weken, overleg met de hoofdinspecteur. Ik weet dat mijn collega's dat ook hebben. Daar bespreken we elke keer wat de zaken zijn die er lopen en hoe het zit met de prioriteiten die ook voor ons wezenlijk zijn. Ik noem maar wat; zorgfraude is echt een hele belangrijke prioriteit, ook in het werk van de IGJ. Ik denk dus dat wij op die manier heel goed in gesprek blijven met de IGJ, maar ik vind het wel echt wezenlijk dat we een instelling hebben in Nederland die onafhankelijk toetst. Daar mogen we natuurlijk de IGJ best op bevragen, en dat doen we ook, maar die onafhankelijkheid staat voor mij wel als een paal boven water. De heer Van Houwelingen (FVD): Ik vind het zo belangrijk. Als ik de minister goed begrijp, zegt zij dat de inspectie het zelf moet kunnen bepalen, maar — ik heb het al een paar keer gezegd — bij het onderwijs zien we dat ook niet. Dit is toch een politieke vraag? Het kan toch niet zo zijn dat als de Kamer bijvoorbeeld zou willen dat wij vaker controleren op die locaties, het zo gaat van "ja, nee"? Dat is wat de minister zegt. Ik vind dat echt onbegrijpelijk. "Ik trek mijn handen ervanaf; de inspectie bepaalt dat helemaal zelf." Laat ik dit onderwerp maar afconcluderen. Wat hier gebeurt, is dat de minister dit onderwerp technocratiseert. "Dit zijn experts; die moeten we vertrouwen", terwijl er zó veel misgaat! Er gaat zó ontzettend veel mis. De volgende keer dat er weer een misstand is, dan zal de minister zeggen: "Ja, we waren er niet op tijd bij. Kan ik ook niks aan doen. De inspectie kan z'n eigen gang gaan. Daar gaan we niet over." Ik vind het echt laakbaar. Ik vind het laakbaar dat niemand hier verantwoordelijkheid voor neemt en dat de minister stelt dat de Kamer er ook niet over gaat. De voorzitter: Ik hoorde geen vraag. Dan is dat een constatering. Ik ga even kijken. We gaan door naar het volgende blok, jeugdhulp buitenland. Klopt dat? Ja. Ik vraag de minister te vervolgen. Minister Sterk: Voorzitter, dat zijn niet zo heel veel vragen. Het gaat natuurlijk over alle vreselijke voorbeelden die we hebben gezien van jongeren die in het buitenland blijkbaar zijn — laat ik het even zo zeggen — neergezet en met wie het gewoon niet goed gaat. Wij beiden hier achter de tafel hebben ook gezegd … Voorzitter? De voorzitter: Even. Nee. We gaan niet buiten de microfoon praten. Ik geef de minister weer het woord en ik vraag de leden te luisteren. Minister Sterk: Ja. Dus ook wij hebben daar met afschuw kennis van genomen. We hebben ook gedacht: wat betekent dit nu? Dat traject liep trouwens ook al, maar we bedachten ook dat er wetgeving moet worden gemaakt om een veel scherper beeld te krijgen van wanneer jeugdhulp in het buitenland nou echt gepast is. Die vraag gaan we beantwoorden. Wat ons betreft is dat maar in heel weinig gevallen gepast. Daar gaan we naartoe. In het wetsvoorstel Reikwijdte staan daar ook zaken over, namelijk dat die hoge uitzondering alleen geldt als het in het belang is van het kind en als de plaatsing ook verloopt volgens de verplichte procedure voor de Centrale autoriteit internationale kinderaangelegenheden. Die positie en procedure zijn volgens mij nu nog niet wettelijk geborgd. Dat nemen we dus daarin mee. Over de uitwerking van de wetgeving en de communicatie gaan we in gesprek met alle partijen die zich daar gewoon aan moeten houden. Er waren ook een heleboel Kamerleden die vroegen om hoeveel kinderen het precies gaat en waar zij nu zitten. In 2026 heeft de Centrale autoriteit zeven verzoeken voor plaatsing in het buitenland ontvangen. Dan gaat het om de landen België, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Marokko. Ik weet dat de verplichte procedure van de Centrale autoriteit daarbij niet altijd is gevolgd. Daarom is er ook geen goed zicht op de aantallen. Wat niet via die procedure is gelopen, is ook niet bij ons in beeld. Dat weten we dus niet. Het is wel de taak van gemeentes, GI's en jeugdhulpaanbieders om te zorgen dat wél wordt voldaan aan die verplichte procedure, aan het toezicht en aan de geldende eisen. Dat gesprek wordt op dit moment ook wel gevoerd. Dan is er ook een vraag van een aantal leden waarom die procedure nou niet is gevolgd. Waarom die procedure niet is gevolgd, weet ik niet. Dat moet in principe juist gewoon gebeuren. Het ingewikkelde is dat wij vervolgens ook geen zicht hebben op wat daar gebeurt. De IGJ houdt geen toezicht in het buitenland, maar kan wel overgaan op handhavende interventies als door een Nederlandse aanbieder de verplichte procedure van de Centrale autoriteit niet is gevolgd bij het plaatsen van jongeren in het buitenland. Ik werk, ook in lijn met een motie van mevrouw Moinat, aan wetgeving die bepaalt dat de jeugdzorg in Nederland plaatsvindt en niet, of alleen maar bij hoge uitzondering, in het buitenland. Dan was er een vraag van mevrouw Coenradie, namelijk waarom de IGJ de Spaanse inspectie niet informeerde over de zorgelijke signalen. De inspectie heeft in 2016 een eerste melding gekregen over Huize Soria en heeft destijds de Spaanse autoriteiten daarover geïnformeerd. Achteraf gezien geeft de IGJ aan dat zij de inspectie, de Spaanse autoriteit, ook had kunnen informeren over andere meldingen die daarna volgden. Ze geven toe dat ze dat eigenlijk hadden moeten doen. De inspectie heeft zich vervolgens in het toezicht gericht op de jeugdhulpaanbieder in Nederland, die eigenlijk ook verantwoordelijk is voor de plaatsing van de kinderen in het buitenland, op wie deze meldingen betrekking hadden. Ook heeft de IGJ de plaatsende partijen aangesproken op hun rol. In die zin heeft de IGJ volgens mij wel gedaan wat ze moest doen. Ten slotte was er nog een vraag van de heer Hamstra, waarom nieuwe plaatsingen niet automatisch worden opgeschort. Ik kan buitenlandplaatsingen niet opschorten; dat is echt aan de aanbieders. Ik kan wel wetgeving aanpassen. Dat is ook wat ik op dit moment doe. De voorzitter: Bent u aan het eind gekomen van het blok? Dan heb ik hier qua volgorde eerst de heer Ceder, dan de heer Van Houwelingen en dan mevrouw Van Meetelen. De heer Ceder (ChristenUnie): Het puzzelt mij dat het ministerie niet in beeld kan krijgen om hoeveel kinderen het gaat. Dat puzzelt mij. Volgens mij zijn er een aantal GI's in het land — ik dacht zestien, maar in ieder geval niet meer dan twintig. Als je een uitvraag doet bij die zestien tot twintig GI's zodat zij binnen afzienbare tijd wat uitvragen doen met de aanbieders die onder contract zijn, dan moet daar toch een getal uit komen? De vraag is waarom dat ingewikkelder is dan ik het schets. Mijn vraag is of er toch een methodiek gevonden kan worden om, in ieder geval het liefst voor het WGO, zo veel mogelijk van die data bekend te krijgen. Ook vanuit onze controlerende taak zou ik daar graag als Kamerlid iets van willen weten. Mijn vraag is waarom, en of we een toezegging kunnen krijgen of we daar misschien via een andere methodiek voor het WGO via de GI's nog wat cijfers over kunnen krijgen. Minister Sterk: De GI's vallen onder de verantwoordelijkheid van mijn collega, dus die zal daar straks wat meer over zeggen, en ook over de mogelijkheid om daarover voor het WGO iets te melden aan de Kamer. De voorzitter: Dan gaan we naar de volgende spreker. De volgende interruptie is van meneer Van Houwelingen. Dat is tevens uw laatste interruptie. De heer Van Houwelingen (FVD): Eigenlijk is het een rappelleervraag, maar oké. Misschien bent u mild. Deze vraag is volgens mij in dit blokje niet beantwoord. Zou het feit dat onze toezichthouder in het buitenland geen bevoegdheden heeft, niet al voldoende reden moeten zijn om te zeggen dat we geen buitenlandplaatsingen meer moeten doen? De voorzitter: Oké. Dat is gewoon een rappelleervraag. Kunt u die nog meenemen? Minister Sterk: Ik heb net geprobeerd duidelijk te maken dat het wat ons betreft een "nee, tenzij" is en dat de "tenzij" slechts in hele bijzondere gevallen mogelijk is. We werken aan de wetgeving daarover. We komen hierover denk ik nog in gesprek als de wetgeving daar is. De voorzitter: Dan gaat u nu uw laatste interruptie doen. De heer Van Houwelingen (FVD): Ik vind het een interruptie, maar eigenlijk ook een vraag. Als ik het goed begrijp, zegt de minister eigenlijk dat we het niet kunnen controleren. Het is alsof de NS gaat zeggen "de seinen doen het niet, maar we gaan toch maar af en toe rijden". Ik begrijp het gewoon echt oprecht niet. Je kunt toch geen toezicht houden? De minister lacht, maar ik vind het niet grappig. Ik heb het voorgelezen voor het debat. Het gaat om kinderen die daar zwaar mishandeld zijn, onze kinderen, met botbreuken en al. We kunnen daar geen toezicht houden, en toch doen we dit. Dat dat kan, vind ik onbegrijpelijk. Laat ik het daar nu maar bij laten. De voorzitter: Oké. Minister Sterk: Even een persoonlijk feit. Ik was niet aan het lachen of zo, hoor. Als ik die indruk heb gewekt, dan wil ik dat graag even rechtzetten. De voorzitter: Dat heeft u gedaan. Dank u wel. Mevrouw Van Meetelen. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ik weet dat het ook mijn laatste interruptie is. De minister zegt dat de procedures niet zijn gevolgd, maar zij heeft geen idee waarom. Dat is natuurlijk al best wel vreemd. Maar wat zijn nu de consequenties voor de instellingen en de gemeenten die dit hebben gedaan? Laten we alles maar gewoon passeren omdat we niet weten wat er is gebeurd? "O, de procedures zijn niet gevolgd? O, nou ja, dan gaan we maar eens kijken." Daar moet toch iets achteraan komen? Er moeten toch consequenties zijn, op wat voor manier dan ook, voor een gemeente, voor een instelling of voor wie dan ook die dit op deze manier heeft gedaan omdat daarbij de procedures niet zijn gevolgd? Ik vind dat onuitlegbaar. Minister Sterk: In de casussen waar we nu over spreken, zoals Spanje, gaat de gemeente nu ook een onderzoek doen. Dat is ook waar het hoort, want de gemeente heeft die afspraken gemaakt met de zorgaanbieder en de zorgaanbieder heeft vervolgens dat toezicht niet op orde gehad bij de buitenlandplaatsing. Volgens mij is het heel belangrijk dat dit gebeurt en is het ook heel goed dat dit gebeurt. Wij wachten dat vanuit onze rol ook even af. De voorzitter: Dan gaan we naar het volgende blok: overig. Ik check het even, maar de staatssecretaris neemt dan het eigen blok ook nog voor haar rekening, toch? Oké, check. Dan weet ik de volgorde. Heel goed. Dan hoor ik die straks nog even, mevrouw Van Bruggen. Komt goed. Minister Sterk: Voorzitter. Mevrouw Moinat maakt zich zorgen, en dat begrijp ik ook, dat als je als kind op een wachtlijst staat, je misschien wel helemaal geen ondersteuning krijgt. In principe zijn er allerlei vormen van overbruggingszorg ontwikkeld, zodat jeugdigen ook als zij op een wachtlijst staan die ondersteuning kunnen krijgen. Gemeenten zijn aan zet om dat te regelen. De toezegging dat geen enkel kind die niet heeft, durf ik niet te doen, maar het moet wel gewoon gebeuren. Mevrouw Coenradie vroeg of ik meer inzicht kan geven in de uitvoering van de pilot. Ik zou eigenlijk willen voorstellen om eens met haar hierover in gesprek te gaan, om te horen wat haar idee daarover is en dat ook te betrekken bij de uitwerking daarvan. Mevrouw Westerveld vroeg of leraren wel voldoende in staat zijn om signalen van kindermishandeling te herkennen. Ik denk wel dat het een hele belangrijke plek is om het te herkennen. Ik ben pas bij Handle with Care geweest. Dat is een heel mooi project, om het zo te noemen, waarbij leraren het ook te horen krijgen als er politieaanwezigheid is geweest in een gezin, dus wanneer er sprake is van huiselijk geweld waar kinderen bij betrokken waren. Zo weten docenten ook dat die jongere of dat kind daarmee te maken heeft gehad. Dat helpt denk ik ook om het bewustzijn over kindermishandeling te vergroten. Daarnaast is binnen de pabo's de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling opgenomen als een vast onderdeel van de opleiding en werk ik aan de versterking van die meldcode met de adviesplicht. Dat is ook iets uit het coalitieakkoord. Daarnaast is er voor het onderwijs een handelingskader ontwikkeld over kindermishandeling en huiselijk geweld. Dat ondersteunt scholen en onderwijsprofessionals in hoe ze dat kunnen herkennen en wat ze dan moeten doen. De heer Verkuijlen had nog een vraag over preventie bij jeugdcriminaliteit. Het is natuurlijk ontzettend belangrijk dat we voorkomen dat jongeren uiteindelijk in het strafrecht terechtkomen. Lokale teams hebben daar een belangrijke rol in. Professionals moeten ook beschikken over de juiste kennis en tools om om te gaan met die jongeren. De heer Verkuijlen zei geloof ik ook dat het met name betrekking heeft op de lvb-jongeren. Dat is een extra kwetsbare groep. Daarom is er voor deze jongeren een zorginhoudelijk kader opgesteld en ben ik op dit moment aan het kijken naar een landelijke brede ketenaanpak om de kennis en expertise over de doelgroep te versterken en beter te delen, zodat, om een voorbeeld te noemen, een huisarts snapt hoe hij om moet gaan met een jongere die lvb heeft. Dan kun je beter een afspraak maken om 10.00 uur in plaats van om 9.55 uur. Het zit soms ook in dat soort dingetjes. Ik heb nog een aantal vragen. De heer Van Houwelingen vroeg naar de IGJ. Het debat over de IGJ heb ik eigenlijk net gehad. De heer Ceder vroeg wanneer we iets laten horen over de motie over de kind- en jeugdpsychologen. Ik zal u voor de begrotingsbehandeling een brief daarover sturen. Mevrouw Synhaeve vroeg hoe ik kijk naar het structureel toepassen van de kinderrechtentoets en wanneer de inzichten van de pilots kunnen worden gedeeld. Ik denk dat dat heel belangrijk is. Die kinderrechtentoets hebben we natuurlijk niet voor niks. Die wordt op dit moment uitgevoerd op alle wetsvoorstellen over jeugd, over de reikwijdte, de eigen bijdrage en de versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Mijn collega en ik zijn heel positief over de kinderrechtentoets, maar we merken wel dat de implementatie ervan binnen het beleid best wat vragen oproept, niet alleen bij mij, maar ook bij de Kinderombudsvrouw. De ervaringen uit de lopende trajecten kunnen nog leiden tot het aanpassen van de kinderrechtentoets. Ik sta daarover in nauw contact met de Kinderombudsman. In het voorjaar van volgend jaar zal ik u informeren over de inzichten. Voorzitter. Ten slotte heb ik nog een vraag van de heer Van Houwelingen over het specialistisch ziekenvervoer. Ik vind dat op zichzelf een heel kwetsbare branche, omdat de marges waarop de contracten worden gesloten echt minimaal zijn, zoals u zelf ook al aangaf. Daarmee maken ze zichzelf heel kwetsbaar, dus ik vind dat de branche wat te doen heeft op dit punt. Als ze niet zo kwetsbaar zouden zijn, dan zouden ze ook meer vet op de botten hebben om eventuele externe invloeden beter aan te kunnen. Dat wilde ik nog even aan de voorkant gezegd hebben, want ik maak me er zorgen over dat de sector dit op deze manier doet. Het gaat immers om mensen die kwetsbaar zijn. Ik heb zelf geen zicht op de afspraken die zorgverzekeraars maken met de vervoerders van specialistisch ziekenvervoer. Het werken met brandstofclausules in de contracten tussen zorgverzekeraars en de vervoerders van specialistisch ziekenvervoer betreft een afspraak die ze onderling moeten maken. Dat zou kunnen helpen bij het opvangen van dit soort fluctuaties. De voorzitter: Meneer Van Houwelingen, u mag niet meer interrumperen, maar over twee weken is de VWS-begrotingsbehandeling, dus u heeft daar nog ruimte. We zijn aan het einde gekomen van de inbreng van de minister. Er is een interruptie van mevrouw Synhaeve. Ik neem aan dat die het blok overig betreft. Mevrouw Synhaeve (D66): Ik wil nog even terugkomen op Handle with Care, naar aanleiding van de motie die we daarover hebben ingediend. Als de politie een melding krijgt over huiselijk geweld en er kinderen bij betrokken zijn, dan moet het vanuit Veilig Thuis mogelijk zijn om ook de school te informeren. We weten dat dat heel positieve effecten heeft op kinderen. Verschillende regio's geven echter aan dat ze daarvoor een wijziging van de Wmo nodig hebben. Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt. Wil ze die gegevensuitwisseling mogelijk maken? Dat mag ook in de tweede termijn, als dat makkelijker is. Ik weet niet zeker of mijn vraag over de kinderrechtentoets beantwoord is. Minister Sterk: Dat heb ik net gedaan. Mevrouw Synhaeve (D66): Oké. Excuses. De voorzitter: Dan gaan we luisteren naar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mevrouw Van Bruggen. Zij neemt haar deel voor haar rekening. Het woord is aan u. Staatssecretaris Van Bruggen: Voorzitter, dank u wel. Dank voor de vele vragen die gesteld zijn over een onderwerp dat ons allemaal ontzettend aan het hart gaat. Het gedeelte dat de minister zojuist heeft toegelicht, sluit aan bij het kader waarvoor ik verantwoordelijk ben. Het gaat om het meer gedwongen kader, waarin kinderen in aanraking komen met organisaties die zorg voor hen moeten dragen. We zien dat we iets te doen hebben in het stelsel. We hebben op 8 juli jongstleden een mijlpaal bereikt door met alle organisaties, de VNG, de Raad voor de Kinderbescherming, het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de leden van de Associatie Wijkteams en de gecertificeerde instellingen, vast te stellen dat we samen die veranderstrategie aangaan. Richting 2029 werken we toe naar concrete veranderingen. Ik zal zo dadelijk een paar concrete veranderingen noemen. Ik vroeg laatst zelf in een overleg: is er ook een soort jeugdjournaalversie van alles wat we aan het veranderen zijn? Het is soms heel erg helpend om onze taal te versimpelen. Dat is iets wat we echt zelf moeten doen. Tot die tijd heb ik het nog steeds over de acht acties die we gaan inzetten. Daar gaan we op versnellen. Bij signalen van structurele onveiligheid gaan de professionals samen met de betrokkenen in het gezin één veiligheidsbeoordeling en één veiligheidsplan maken. De betrokkenen krijgen ook één aanspreekpunt en hoeven hun verhaal ook maar één keer te vertellen. Dat laatste is misschien wel het meest ingewikkeld. Tegelijkertijd weet je ook dat als er maar één aanspreekpunt is, je ook een kwetsbaarheid kunt organiseren in het systeem, omdat kinderen en jongeren nu eenmaal heel erg loyaal kunnen zijn naar de ouders of pleegouders die op dat moment de zorg voor hen dragen. De kwetsbaarheden die we in dat systeem zien, zullen we dus moeten blijven beoordelen, maar dit is nu het uitgangspunt. Daarnaast wordt er gewerkt aan organisatiestructuren. Onder mijn verantwoordelijkheid gaat het dan ook over de regionale veiligheidsteams. Daarin is het doel om de GI's en Veilig Thuis samen te voegen, niet in private organisaties maar in publieke voorzieningen. Dit is echt een heel belangrijke stap, zoals de minister zelf al aangaf, om de regie weer meer terug te kunnen nemen. Op het moment dat jongeren en kinderen in het gedwongen kader geplaatst worden, hebben we als overheid een heel belangrijke rol en taak in hun veiligheid; ik kom zo meteen nog iets nader terug op hoe dat er dan uitziet. Overheidsingrijpen in gezinnen is immers niet mals; het is niet voor niets dat een staatscommissie daar nu onderzoek naar doet. Ik zal daar dadelijk nog specifiek iets over zeggen. Verder noem ik in deze korte inleiding graag ook de inspanningen om de rechtsbescherming van ouders en kinderen te verbeteren. Ook dat is ingegeven vanuit het toekomstscenario. Als de overheid ingrijpt in het leven van een gezin, moet dat zorgvuldig gebeuren. Onder leiding van mevrouw Hamer wordt hier nu onderzoek naar gedaan. Op 28 juni jongstleden heb ik het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming voor advies naar de Raad van State gestuurd. Met dit wetsvoorstel versterken we juist ook de positie van kinderen en ouders op belangrijke momenten in de jeugdbescherming. Denk aan kosteloze rechtsbijstand op het moment dat er een eerste verzoek komt op die uithuisplaatsingen of de gezagsbeëindiging. Want waar ga je dan als ouders naartoe en kun je dat dan betalen? Dat is dus heel belangrijk. Daarnaast zetten we sterker in op terugplaatsing van kinderen die uit huis zijn geplaatst en versterken we het toezicht op de kinderen die tijdelijk niet thuis opgroeien. Mijn streven is om het wetsvoorstel nog eind van dit jaar naar uw Kamer te sturen. Dit zijn dus ook belangrijke waarborgen die we vanuit het toekomstscenario met laten we zeggen "gezwinde spoed" oppakken. Ten slotte zetten de GI's natuurlijk nog steeds met gerichte acties in op het terugdringen van de wachtlijsten en het verbeteren van het betekenisvol contact. Hoe we dat met elkaar laden? Soms lijken het holle frasen, terwijl ik weet dat zeker ook die professional elke dag met de juiste dingen bezig wil zijn; de minister heeft er al een aantal keer aan gerefereerd. Hoe gaan we dat dan met elkaar invullen? De komende jaren heb ik daar 45 miljoen extra voor beschikbaar kunnen stellen. In alle dynamiek die er natuurlijk juist rondom alle financiële en beschikbare middelen voor de jeugd is en blijft, zien we dat er juist in de omslag zorgen leven, bijvoorbeeld: kunnen we het wel waarmaken als organisaties? We vragen eigenlijk van de verschillende organisaties om al op een nieuwe manier te gaan werken, bijvoorbeeld in proeftuinen, én we vragen ze om geen kinderen tussen wal en schip te laten vallen en ook nog te voldoen aan hun wettelijke verplichtingen. Nou, dan heb je frictie. Daar hebben we gelukkig voor de komende jaren wat extra middelen voor vrijgemaakt. Moeten we een vinger aan de pols houden? Ja, dat moet wel degelijk, want het is natuurlijk niet zomaar iets om te vragen aan die organisaties, die in een grote verandering meegaan. Ik zei net al dat inrichting van bijvoorbeeld de regionale veiligheidsteams, het samenvoegen van de organisaties en daar weer publieke voorzieningen van maken een enorme stap is. Wat we voor de zomer met elkaar hebben afgesproken, noemden we al een mijlpaal, maar dat is het ook echt. En dat gaan we nu verder handen en voeten geven. Voorzitter. Ik heb vier blokjes voor de beantwoording. Ik begin graag bij het blokje continuïteit en kwaliteit. Dan gaan we naar het blokje UHP KOT — ik moet nog steeds wennen aan de termen, maar dat gaat over de kinderen die uit huis zijn geplaatst naar aanleiding van het schandaal met de kinderopvangtoeslag. Vervolgens is er een blokje over het toekomstscenario in algemene zin en nog een blokje overig. Ik begin met de plaatsingen in het buitenland zonder dat de route van de Centrale autoriteit is gevolgd. De minister heeft hier al heel veel over gezegd. Het belangrijkste is natuurlijk dat de vragen die zijn ontstaan, ook zijn ontstaan omdat een GI, in dit geval SAVE Jeugdbescherming, die plaatsingen heeft gedaan. Ik vind dat heel zorgelijk en zelfs kwalijk. De wethouder heeft aangegeven dat er door de gemeente nu zelf onderzoek naar wordt gedaan. We weten van de betreffende GI dat er zeven kinderen geplaatst waren in het buitenland zonder dat de route van de Centrale autoriteit gevolgd is. SAVE Jeugdbescherming heeft op verzoek van de inspectie een extern onderzoek ingesteld naar hoe dit kon gebeuren. Half oktober verwachten we de uitkomsten daarvan. Belangrijk is wel — we hebben dit aangegeven in onze brief van 25 september jongstleden — dat we ook bij de andere GI's nagaan of zij op momenten ook de procedure niet gevolgd hebben, want het is waarschijnlijk niet alleen deze GI die dit soort plaatsingen heeft gedaan. Ik verwacht die informatie uiterlijk 1 november te hebben. Dat is ruim voor het wetgevingsoverleg van, naar ik zojuist begreep, 30 november. Op die manier heeft u in ieder geval vanuit de GI's een beeld welke GI wel of niet heeft meegewerkt aan die plaatsingen in het buitenland. Als blijkt dat er kinderen zijn bij wie de procedure via de Centrale autoriteit niet is gevolgd, vragen wij de GI's om in deze gevallen alsnog contact op te nemen met de Centrale autoriteit om na te gaan of er een mogelijkheid is om die procedure te doorlopen, en om goed het daaruit volgende inspectietoezicht te kunnen organiseren, niet zozeer vanuit Nederland maar vanuit het land waar die kinderen dan geplaatst zijn. Wat ons betreft zouden deze kinderen zo snel mogelijk moeten terugkeren naar Nederland. Dan de vraag van mevrouw Coenradie hoe de stem van het kind mee wordt gewogen in de toetsing bij omstreden methoden, bijvoorbeeld de casus betreffende ouderverstoting die bij SAVE plaatsvond. Kan de staatssecretaris dat duiden? Ja. Ik heb er buikpijn van, maar het is ook een ongelofelijk complexe zaak, die moeilijk te beoordelen is. Ik ben geen rechter of jeugdbeschermer, dat maakt 'm ingewikkeld. Belangrijke beslissingen in de jeugdbeschermingsketen worden altijd op basis van leeftijd en ontwikkelingsniveau genomen door de professionals die daarvoor doorgeleerd hebben. Dat geldt ook voor de inzet van jeugdhulp en van methoden. Vind ik het kwetsbaar? Jazeker. Ik constateer ook — het is denk ik ook de ervaring van iedereen die een tijdje meeloopt in dit veld en vooral in de jeugdbescherming — dat kinderen op enig moment ook een loyaliteit ontwikkelen aan de plek waar ze geplaatst zijn. De plek waar ze vandaan kwamen, was namelijk ook al niet veilig. Dit maakt het ook zo ingewikkeld om er echt de vinger achter te krijgen. De Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechter horen het kind uiteraard, en betrekken diens mening ook daadwerkelijk bij hun onderzoek en hun beslissing. Is dat kwetsbaar? Nou, als we kijken dat we dat netjes in een trias politica met elkaar geregeld hebben: nee. Is het belangrijk dat zij dat altijd doen? Ja, wel degelijk. Het is belangrijk om daar altijd de objectiviteit en zeker ook het horen van de kinderen een plek in te laten hebben. Dat is zeker iets waarover ik het gesprek zal blijven voeren met de rechtsspraak, waar ik natuurlijk ook verantwoordelijk voor ben. Voorzitter. Dan de vraag van … Ik moet even kijken of het handig is om …Excuus, voorzitter, gaat uw gang. De voorzitter: Gaat u maar. Mevrouw Coenradie (JA21): Omdat het best wel een groot iets is en voor de volledigheid voor de mensen die thuiszitten: een aantal Kamerleden heeft gesproken met een paar mensen die het een en ander konden vertellen over SAVE Midden-Nederland. Tot onze grote ontsteltenis hebben wij daar informatie over gezien en ontvangen — we hebben een rechterlijke uitspraak gezien — die eigenlijk in strijd is met de wet. Daar gaan we dan, "trias politica". Maar we zagen ook informatie over zorgelijke situaties waarbij er gewoon sprake is van een patroon. Er is niet alleen sprake van omstreden methoden — ik wil daar echt een scherpere veroordeling van deze staatssecretaris over horen — die worden toegepast door SAVE Midden-Nederland, daarnaast is er ook sprake van een patroon van eenzelfde gezinsvoogd, eenzelfde rechter die steeds die uitspraken doet en eenzelfde gedragswetenschapper. Ik snap dat er onderzoek wordt gedaan, maar ik wil écht een beroep doen op deze staatssecretaris en haar vragen om hier de regie te pakken, want er gebeuren echt ontiegelijk kwalijke zaken. Ik vind echt dat dat niet kan als we die wetenschap hebben met elkaar. We hebben zelfs begrepen dat er door deze mensen niet gesproken mag worden met Kamerleden dan wel met de media, dat deze mensen onder druk worden gezet en worden geïntimideerd, in de trant van: anders heeft het consequenties voor het toezicht op je kind, het zien van je kind of het zien van je ouders. Dit gaat echt alle perken te buiten. Ik wil hier echt, écht een punt van maken en er van deze staatssecretaris in heel duidelijke bewoordingen een heel duidelijke reflectie op horen. Staatssecretaris Van Bruggen: Alle begrip voor de bevlogenheid en de betrokkenheid die Kamerleden ook hier met mij delen, in een casus waarin zij meer informatie lijken te hebben dan ik heb. Ik vind het dus wel heel belangrijk om daar eerst ook zelf achteraan te gaan. Laat ik hier dan ook toezeggen dat ik dat natuurlijk doe, want dit soort signalen neem ik zeer serieus, niet zozeer om op de stoel van de rechter te gaan zitten, maar meer omdat ik heel graag wil weten wat hier aan de hand is, zodat we ook met elkaar kunnen ingrijpen in een stelsel als dat niet blijkt te werken. Misschien zeggen we dan dat dit soort methoden, methodieken, aan de organisatie zelf zijn, maar als er zulke onheuse dingen gebeuren, moeten er momenten en mogelijkheden zijn om daar echt op in te grijpen. Dus al met al zeg ik richting de Kamerleden die hier informatie over hebben, dat ik die heel graag verneem. Ik hoor het heel graag en ik zal er zeker achteraangaan om erachter te komen wat hier aan de hand is geweest. De voorzitter: Krijgt de Kamer dan een terugkoppeling naar aanleiding van de bevindingen? Staatssecretaris Van Bruggen: Ja, het is een goed voorstel om dat in de brief mee te nemen. Die gaat voor het WGO nog uit. Daarin zal ik erop terugkomen. De voorzitter: Dan hebben we dat genoteerd. Mevrouw Westerveld (PRO): Die open houding van de staatssecretaris is heel fijn. Volgens mij is dat waar we op zitten te wachten als we het hebben over situaties, helemaal in dit debat. Ik wil het punt nog wel iets breder maken. We hebben het hier heel vaak over het belang van het horen van een kind, maar het is natuurlijk ook van belang dat kinderen echt serieus worden genomen en dat er naar hen wordt geluisterd. Soms hebben zij ook inzichten die hulpverleners — er zijn er vaak nogal wat rondom een gezin — op dat moment niet hebben. Ik neem het altijd in ieder debat op voor mensen die met hart en ziel in de jeugdhulp en de jeugdbescherming werken. We weten dat mensen vaak levensreddend werk verrichten. Maar er kan ook weleens wat misgaan. Ik hoop dat de staatssecretaris helemaal in dat soort situaties met ons en hopelijk ook met de jongeren die ze spreekt, wil nadenken over hoe je de inzichten en wensen van een kind serieus kan nemen. Het gaat wel over een kind dat van alles heeft meegemaakt en best vaak een beeld heeft van wat het beste is. Ik vind echt dat we een heel andere houding moeten hebben als het gaat over kinderrechten. Daar hoor ik heel graag een reflectie op van de staatssecretaris. Dan heb ik het even over het algemene plaatje. We hebben het in dit gesprek gehoord van iemand, maar we horen dit natuurlijk veel vaker in onze gesprekken met kinderen en jongeren. Staatssecretaris Van Bruggen: Zeker. Dank. Ik hoor het ook. Daarom heb ik ook in het wetsvoorstel rechtsbescherming opgenomen dat die leeftijd voor het horen van kinderen naar beneden gaat. We gaan dat vanaf 8 jaar doen in plaats van vanaf 12 jaar. Kinderen moeten ook individueel gehoord kunnen worden. Daar moet niet altijd een ouder of iemand anders die op ze let of op ze past bij aanwezig zijn. Nogmaals, ik heb zelf ook in het veld gezien dat kinderen een loyaliteit kunnen hebben naar degene die voor hen zorgt. Daardoor is het heel moeilijk om op zo'n moment het achterste van je tong te laten zien. Maar alles wat we kunnen doen vanuit de overheid om daaraan bij te dragen en om die ruimte te geven, bijvoorbeeld door die leeftijd naar beneden te brengen, vind ik belangrijk. Dat hebben we dus ook in dat wetsvoorstel meegenomen. Alle begrip dus voor deze vraag van mevrouw Westerveld omdat ik dat zelf herken. Ik kom hier zeker nog met u over te spreken op het moment dat dit wetsvoorstel hier in de Kamer voorligt. De voorzitter: Gaat u door. Staatssecretaris Van Bruggen: Dan de vraag van de heer Van Houwelingen die gaat over de aanwezigheid van de inspectie bij gesprekken, dus over kinderen en ouders die niet of wel gehoord worden als er een inspectie plaatsvindt. Even gechargeerd: het is niet alleen maar kopjes koffie drinken vanuit een kantoor of met een raad van bestuur of een raad van toezicht. De inspecties spreken altijd met ouders en kinderen als zij toezicht houden bij jeugdzorginstellingen. Zo hebben de inspecties in hun onderzoek naar de uitvoering van de jeugdbescherming in 2025 met meer dan 100 kinderen, ouders en cliëntenraden gesprekken gevoerd. Dat is natuurlijk best wel direct, dus daarnaast hebben ze ook indirect ruim 1.000 kinderen en ouders via een digitale vragenlijst bevraagd. Bevindingen uit de gesprekken en de vragenlijsten zijn meegenomen in de beoordeling van de bezochte GI's. Ik zie dat de inspectie echt probeert om de vinger erachter te krijgen of er de juiste zorg en bescherming is voor jeugdigen en voor de ouders die al dan niet hun kinderen hebben moeten loslaten voor enige tijd. Dat nemen ze ook mee in hun oordeel. Dan een andere vraag. Omdat het over continuïteit gaat, merk ik dat het een heel divers blokje is geworden. Deze vraag gaat over de William Schrikker Stichting, en dan heel specifiek over wat er na Vlaardingen precies is gebeurd. In het halfuur dat we hadden om deze beantwoording voor te bereiden, hadden we het ook over wat nou eigenlijk specifiek de vraag was. De vraag was natuurlijk hoe het nou kan dat er toch weer een behoorlijk funest inspectierapport naar buiten komt over kinderen die in een gezinshuis geplaatst zijn en die daar niet veilig bleken. De William Schrikker Stichting is de grootste GI van Nederland. De kans dat als er iets misgaat, het dan ook daar is, is dus groter. Dat is gewoon kansberekening. Desalniettemin heeft de William Schrikker Stichting naar aanleiding van Vlaardingen alle lopende zaken doorgenomen en getoetst op de verbeteringen die naar aanleiding van Vlaardingen aan hen zijn voorgelegd. Dan kom ik ook weer op waar je op zo'n moment, in zo'n situatie, de signalen wel of niet kunt zien. Ik kan natuurlijk op de individuele casus niet ingaan, maar gezien de verbeterslagen die gemaakt moeten worden en die nu, ook weer naar aanleiding van dit inspectierapport, bij de William Schrikker Stichting worden neergelegd, lijkt het alsof er geen blinde vlekken zijn. Het is wel zo dat er situaties zijn, die zich dus kunnen blijven voordoen, die we te kwetsbaar vinden. Hebben we daar dan in het stelsel iets te veranderen? Ja, wellicht. Wellicht. Kan ik dat van deze casus al zeggen? Nee, dat vind ik te snel, en ik wil in alle eerlijkheid ook zeggen — dat heeft de minister net ook gedaan — niet alleen over het proces waar we nu in zitten, maar ook over hoe je uiteindelijk de allerbeste jeugdzorg, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering kan organiseren, dat we met elkaar in een veld blijven opereren waar incidenten zullen blijven plaatsvinden. Het aantal moeten we naar beneden brengen; we doen er alles aan om dat te minimaliseren. Dat is niet eenvoudig. Dit gaat ongetwijfeld nog een keer gebeuren, maar we zien wel dat de organisaties bewust de verbeteracties oppakken. Ook de William Schrikker Stichting doet dat, maar die is dus in deze casus, geleerd hebbende van Vlaardingen, weer in zo'n kwetsbare situatie terechtgekomen. Ik heb gisteren toevallig de voorzitter van de raad van bestuur nog aan de telefoon gehad, omdat ik ook zelf wil weten hoe het in de organisatie is. Reken er namelijk maar op dat dit ook iets doet met jeugdbeschermers. Zij zijn blijkbaar toch ook weer in een situatie gekomen waarvan ze gedacht hadden er niet meer in verzeild te raken. Ik denk echt dat het verbeteren van casuïstiekbesprekingen, multidisciplinair overleggen, het versterken van de positie van het kind en het horen van het kind allemaal stappen zijn die naar aanleiding van Vlaardingen gezet zijn in alle dossiers van William Schrikker. Dan blijven we in een situatie zitten dat dit soort zaken kan voorkomen, hoe treurig ook. Dat was mijn blokje over continuïteit van zorg. Voorzitter. Ik kan door naar de uithuisplaatsingen naar aanleiding van het kinderopvangtoeslagschandaal. Ik zeg maar UHP KOT; ik denk dat dat voor de meeste mensen op de tribune en thuis een bekende term is. Ik ben er zelf nog niet helemaal aan gewend, moet ik zeggen. Als ik eens even op een dinsdagavond met een deel van de kinderen die uit huis zijn geplaatst naar aanleiding van het toeslagenschandaal heb gegeten, vind ik het heel gek om dan te praten over UHP KOT-kinderen. Maar we begrijpen allemaal wie we voor ons hebben, en het zijn er echt heel veel. Er zijn er ook heel veel die nog steeds betrokken zijn bij het proces waar we nu in zitten. Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat de excuses die we maken, lege excuses vormen? Ik wil daar niet op vooruit te lopen, want we beogen dat nu in januari te doen. We doen dat juist ook in samenspraak met deze jongeren, die hun hand hebben opgestoken. Sommigen zijn gewoon al begin 30, even voor uw beeld; die zijn natuurlijk ook echt al verdergegaan met hun leven, maar die hebben nog iets af te sluiten en dat hebben wij met hen te doen. De excuses geven we samen vorm, in de zin dat wij nu aan de Jeugdraad hebben gevraagd een proces met elkaar te doorlopen, waarin op de eerste twee bijeenkomsten vooral de jongeren zelf konden aangeven wat zij belangrijk vonden in hoe die excuses worden uitgesproken, wie daarbij aanwezig zijn en hoe we dat verleden toch enigszins dienend kunnen laten zijn aan het helen in de toekomst — dat is misschien een beetje cryptisch, maar u begrijpt hopelijk wat ik bedoel — zodat de excuses kunnen bijdragen aan heling en herstel. In de laatste bijeenkomst zijn de staatssecretaris Herstel Toeslagen, mevrouw Palmen, en ik met deze groep ook wat nader ingegaan op wat belangrijk is voor hen in dit excuustraject. We krijgen 15 oktober een advies van de Jeugdraad. Zij hebben natuurlijk ook meegegeven wat de jongeren in dit geval belangrijk vinden om mee te krijgen vanuit het excuustraject en vooral ook bij de vraag wat je daarna nog weer doet. Dat is natuurlijk ook precies waarover u het gesprek met de minister heeft gehad. Met excuus is dat niet afgerond. Wat is dus belangrijk? Hoe houd je elkaar daarna ook vast? Dat nemen wij ook mee richting januari. De indieners van de petitie die gisteren aan u is aangeboden, heb ik inmiddels ook uitgenodigd om mee te denken over dat traject, want daar zag ik wel weer wat andere gezichten. Natuurlijk is het voor hen ook mogelijk om aan te sluiten bij het bestaande traject. Misschien is het een parallel proces dat we met elkaar moeten gaan lopen. De heer Ceder en mevrouw Westerveld van PRO vroegen: wordt wel alles op alles gezet om zo veel mogelijk kinderen weer een leven te geven, en natuurlijk het liefst bij hun eigen ouders? Dat is en blijft maatwerk. Uitgangspunt is dat het contact wordt hersteld en dat dat veilig en verantwoord kan. Om ouders hierbij te ondersteunen, hebben we het ondersteuningsteam opgericht, dat direct ondersteuning biedt bij onder andere het contactherstel en bij de terugplaatsingen. We hebben ook kosteloze rechtsbijstand beschikbaar gesteld. Zo heeft het ondersteuningsteam sinds de oprichting in 2022 meer dan 1.000 ondersteuningstrajecten afgerond. De heer Ceder vraagt terecht: waarom gaat het dan niet lukken om nog voor het eind van het jaar die herbeoordelingsdossiers op orde te krijgen? Hier is, natuurlijk voor zolang dat kan, lang over doorgesproken, omdat dit vraagstuk op tafel lag toen ik binnenkwam op 23 februari en ik dit dossier onder mijn verantwoordelijkheid kreeg. Wij hebben daarin gezien dat op een eerder moment ook gekeken is naar verschillende dossiers. In dit geval waren dat er twee. Dat is stukgelopen, omdat je in de resultaten en de verwachtingen zag dat het die heling en duidelijkheid niet bracht. Maar dit onderwerp is niet gaan liggen. Er zijn ook steeds gesprekken gevoerd, zowel met kinderen als met professionals vanuit het veld, die betrokken zijn bij dit onderwerp en die vandaag onder anderen op de tribune zitten. Zij geven nog steeds aan: het gaat ons er niet om dat we nog even een stok willen hebben om mee te slaan; het gaat ons erom dat we gewoon duidelijkheid krijgen over de afwegingen die zijn gemaakt. Dat zeggen ze met alle goede bedoelingen van dien, die wij natuurlijk op dit moment ook hebben. Dat betreft dus de inzage in dossiers en het kunnen meekijken. Onze professionals die daarbij betrokken zijn moeten dat inzicht geven. Zo willen wij heel graag die objectiviteit erin krijgen. Als we dat proberen vast te pakken bij hoe we dat gaan doen, dan willen we zo min mogelijk extra schade aanrichten. Dat maakt dat we nu een beperkt aantal dossiers als eerste, als start, nemen, waarin we de scope, de werkwijze en de kwaliteitsborging die het uiteindelijk zou moeten hebben, vastleggen. We toetsen in die eerste fase ook of we met een bepaalde universiteit of met een ander onderzoeksinstituut in zee zouden moeten gaan. Dat zeg ik ook heel specifiek, omdat je, als het over zo'n opdracht gaat — het gaat namelijk niet over iets kleins — ook aan aanbestedingsregels gebonden bent. Je kunt dus eigenlijk niet van het ene op het andere moment zeggen: dit is een mooie opdracht en we zien dat er een universiteit geïnteresseerd is die ook echt heel degelijk onderzoek zou kunnen doen. Dat betekent niet dat dat zomaar zou kunnen, maar natuurlijk nemen we dat nu wel mee in hoe we dit proces gaan inrichten. Na die eerste fase — ik realiseer mij dat hier niet staat wanneer we die precies afronden; misschien kunnen we daar nog even iets duidelijker over zijn — volgt een afwegingsmoment over het vervolg en de eventuele opschaling. De Kamer zal daar natuurlijk tijdig over worden geïnformeerd. Bestaande juridische routes, zoals de kinderrechter, de rechterlijke toetsing, de contra-expertise en de kosteloze rechtsbijstand, blijven allemaal bestaan. Ik weet niet of we meer duidelijkheid kunnen geven over wanneer we die eerste fase denken af te ronden, maar het helpt wel om dat aan u mee te geven. Ten tweede doen wij dit ook weer met de ouders, kinderen en briefschrijvers die ons natuurlijk ook net voor de zomer duidelijk hebben gemaakt dat het onderwerp echt niet is gaan liggen voor hen en dusdanig relevant is gebleven. Daarom zeggen we zelf ook: we moeten hier een andere keuze maken. Dan de vraag van mevrouw Dobbe die hierop aansloot, over de gefaseerde aanpak. Dat betreft eigenlijk precies het antwoord dat ik zonet heb gegeven. De criteria, de scope en de waarborgen zijn allemaal onderwerp van het nu inzichtelijk maken hoe dat eruit zou kunnen zien. We willen dit zo zorgvuldig doen, omdat we weten dat er aan de andere kant verwachtingen gewekt kunnen worden die je misschien niet waar kunt maken of die teleurstellen. Dat willen we natuurlijk op alle mogelijke manieren voorkomen. Vandaar dat we dit zo zorgvuldig mogelijk willen doen. Maar is hier een grote stap gezet? Ja, dat is er ook wel zeker. De voorzitter: We zijn nu bij het blok uithuisplaatsingen. Ik heb Ceder en Westerveld genoteerd, dus als u nog even wacht tot het einde van het blokje. Staatssecretaris Van Bruggen: Ja, ik heb nog een vraag te beantwoorden in dit blokje. Die gaat over de werkingsduur van de Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens. Volgens mij stelde meneer Hamstra als eerste de vraag of die moet worden verlengd, bijvoorbeeld tot 1 januari 2029. Ja, we bereiden die verlenging voor tot 1 januari 2029, zodat gegevensuitwisseling voor herbeoordelingen verantwoord kan doorgaan. Eventueel aanvullend wetenschappelijk onderzoek overwegen we wanneer er een solide methodiek staat en er duidelijke meerwaarde is. Het is dus belangrijk om dat wel even uit elkaar te halen. Als het helpt en als het iets bijdraagt, doen we dat wel degelijk. Dan zouden die gegevens daar natuurlijk ook beschikbaar voor gesteld moeten worden. Dan kijk je naar alle waarschijnlijkheid alweer tegen een langere termijn aan dan 1 januari 2029, maar dit is waar we nu naar kijken. De voorzitter: Duidelijk. Dan ga ik eerst naar de heer Ceder. Dit is uw laatste interruptie. De heer Ceder (ChristenUnie): Ik grijp even terug naar wat heel veel kinderen gisteren zelf aan de Kamerleden hebben gevraagd, namelijk dat ze geen pilot willen, maar gewoon een herbeoordeling van hun dossier, het liefst zo snel mogelijk, zodat ze niet drie, vier, vijf, zes jaar moeten wachten voordat ze aan de beurt zijn. Ik snap dat het ministerie gebonden is aan bepaalde trajecten en wegingen, maar ik zou het heel spijtig vinden dat we hier ondanks alle aangenomen moties, in 2029 nog steeds spreken hierover en er maar een handjevol kinderen hebben gekregen waar ze al jaren om vragen. Mijn vraag is als volgt. De heer Jimmy Dijk heeft het eerder genoemd. Ik heb ook een universiteit genoemd waarbij niet zozeer de aanbesteding leidend is, maar de onderzoeksopzet. Is de staatssecretaris bereid om het gesprek te voeren? Ik noem niet de naam van de universiteit, maar de staatssecretaris weet waar het over gaat. Als de onderzoeksopzet tot succes kan leiden, wil zij dan voorkomen dat dit een commerciële aanbesteding wordt waarvan we niet weten wat het resultaat wordt? Wil ze echt kijken of we op zo kort mogelijke termijn zo veel mogelijk kinderen kunnen helpen? Ik snap dat dat lastig is, maar ik hoop ook dat de staatssecretaris begrijpt dat het verzoek dat aan de Kamer gedaan is, zich slecht verhoudt tot de lange procestermijnen die de staatssecretaris nu voorschotelt. Mijn vraag is of de staatssecretaris bereid is om dat in ieder geval te verkennen. Staatssecretaris Van Bruggen: Zeker. De woorden die ik uitspreek, wegen ook best wel zwaar. Die moet ik echt wel zorgvuldig kiezen. Op het moment dat je gesprekken voert, al zijn het verkennende gesprekken, en je moet als overheid nog een aanbestedingstraject in ... Dat maakt het kwetsbaar. Daar vertel ik de heer Ceder ook niks nieuws mee. Dat willen we in dit proces juist niet. We willen dit dus niet op allerlei ingewikkelde juridische dingen vast laten lopen. We willen juist dat het gaat werken, dus vandaar. Ik neem het heel graag mee, ook om te kunnen wegen op welk moment we wel of niet met een partij in gesprek kunnen gaan. Laat ik dat toezeggen. We doen alles ten bate van het goed inrichten van dit proces, om de herbeoordelingen zo veel mogelijk te laten aansluiten bij de wens en de verwachtingen die ook gisteren weer zijn uitgesproken. De voorzitter: De heer Ceder fluistert mij in: op welke termijn? Staatssecretaris Van Bruggen: Ik kan daarbij heel concreet toezeggen dat we dat proces wat specifieker zullen opschrijven in de brief die nog voor het wetgevingsoverleg naar uw Kamer zal gaan, zodat u ook een beeld heeft van hoe we dat nu voor ons zien. De voorzitter: Dat is dus voor het WGO Jeugd. Dat is, als ik het goed heb, 30 november aanstaande. Mevrouw Westerveld, uw laatste interruptie. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik heb nog maar één vraag, dus ik wacht even op die brief en dan heb ik zo nog een vraag om te stellen. De voorzitter: Oké. We zijn wel aan het einde gekomen van het blok uithuisplaatsingen. Dan gaan we naar het blokje toekomstscenario. Staatssecretaris Van Bruggen: Ja, dat klopt, voorzitter. Dat heeft u hartstikke goed onthouden of meegeschreven waarschijnlijk, dus dank daarvoor. De voorzitter: We houden het allemaal heel scherp, hoor. Maakt u zich geen zorgen. Staatssecretaris Van Bruggen: Heel fijn. Dank u wel. Ik ook. En mevrouw Synhaeve vroeg mij: hoe scherp heeft u het precies? Als we het hebben over een toekomstscenario, wil je natuurlijk weten wat we precies doen. Ik zei net ook al: als we even niet oppassen, zijn het heel veel wollige termen die over elkaar heen buitelen. Wat doen we nou precies? In de afgelopen periode werkten we toe naar die omslag met het handelingskader, waarin we de professionals klaarmaken voor op een nieuwe manier werken. Er zijn bijvoorbeeld afspraken over welke kennis van geweldspatronen er nodig is om dat werk goed te kunnen doen. Dat doen we ook heel specifiek, omdat we natuurlijk straks in de inrichting met een sterk lokaal team naast een regionaal veiligheidsteam heel goed willen bekijken wat er nou aan veiligheidsexpertise nodig is. Welke bril moet je opzetten in een lokaal team? Of hoef je dat in een lokaal team eigenlijk niet te kunnen en moet je dan bij een regionaal veiligheidsteam terechtkunnen? Wat is heel specifiek de rol van de Raad voor de Kinderbescherming? Die heeft in die zin gewoon verschillende petten en zal ook een bepaalde mate van onafhankelijkheid moeten blijven borgen. We zijn dus op dit moment bezig met die rolverdeling en de taken die daarbij horen. Het gaat ook over de focus op veiligheid. Ik vond het ook weer een terechte opmerking, maar ik ben even kwijt van wie die kwam. Ik weet het even niet meer, maar ik denk dat het meneer Van Houwelingen was. Die zei namelijk terecht dat als we veiligheid maar centraal blijven stellen, dat misschien een te smalle benadering is, want soms voelen kinderen zich heel veilig en zijn ze dat misschien ook wel, maar kijken wij er vanaf de buitenkant anders naar. Ik geef even een voorbeeld, waardoor ik daar elke dag aan herinnerd word. Als je als staatssecretaris begint, krijg je een werkkamer. In ieder geval een van u weet hoe dat werkt. Je krijgt dan namelijk ook een schilderij opgehangen. Je kunt dan kiezen. Ik heb er een gekozen van een fotograaf die foto's heeft gemaakt van een gezin, een gezinssituatie. Zij zegt: "Dit is mijn gezin. Hierin ben ik opgegroeid. Ik vernam op mijn 12de dat dit een probleemgezin is, maar ik heb dat zelf helemaal nooit zo ervaren en ik heb mij ook niet onveilig gevoeld." Dan kijk je naar die foto en dan zie je inderdaad een opa zitten en een blikje bier staan. Het is een ongelofelijke bende. Kleine kinderen en grote kinderen, er loopt van alles rond. En toch denk je: zij voelde zich niet onveilig. Dat is interessant. Want ja, het gaat om veiligheid, maar hoe kijken we daar dan daadwerkelijk naar? Wanneer is er echt sprake van onveiligheid en wanneer is dit een gezin waarvan we gewoon met elkaar zouden moeten kunnen zeggen "dit hoort er gewoon bij en dit kan ook"? Maar goed, dat is concreet. Die veiligheidsbeoordeling, die veiligheidsbril is wel heel belangrijk en dus ook wat we van de definitie daarvan vinden. Zo heb ik geprobeerd dat wat concreter te maken, maar ook in onze eigen wensen hebben de minister en ik wel naar elkaar uitgesproken, en ook naar de mensen die al die fantastische stukken schrijven: versimpelen en ook de Jeugdjournaalvariant graag, want dat gaat ons allemaal helpen. Meneer Hamstra zei dat wat het CDA betreft in het dilemma tussen privacy en bescherming van het kind, altijd het kind vooropstaat en vroeg hoe ik daarnaar kijk. Bescherming van het kind staat altijd voorop. Dus wanneer gegevensdeling noodzakelijk is om de onveiligheid te stoppen, doen we dat. Aanvullend nog even iets over de Taskforce Gegevensdeling van Justitie en Veiligheid. Die ondersteunt de proeftuinen van kind- en gezinsbescherming met grondslagen, werkafspraken en convenanten, waardoor we juist ook de waarborg hebben om die gegevens in formele zin met elkaar te kunnen delen. Daarnaast heeft de minister voor de zomer de nota naar aanleiding van het nader verslag over het wetsvoorstel Aanpak meervoudige problematiek aan uw Kamer aangeboden. Dit wetsvoorstel voorziet in die expliciete grondslag en waarborgen voor de gegevensverwerking bij meervoudige problematiek. Het beoogt daarmee ook een belangrijk knelpunt in die integrale aanpak weg te nemen. In die zin zijn we dus complementair aan elkaar. Voorzitter. Dat was mijn blokje toekomstscenario. Dan heb ik nog een blokje overig. Ik begin met de vraag van de heer Van Houwelingen over ingrijpen in het gezin als onomstotelijk is bewezen dat er sprake is van een strafbaar feit. Daar werd natuurlijk in de interactie ook al even op gereageerd. Het is natuurlijk soms ook wel zo dat een kind onveilig is en er nog geen sprake is of geen sprake is van een strafbaar feit. De fundamentele vraag eronder is natuurlijk: wanneer mag de overheid ingrijpen bij gezinnen, hoe hoog moeten we die lat met elkaar leggen en hoeveel bewijs moet er dan zijn? Dus waarmee sturen we de rechtspraak op pad? Of het nu een jeugdrechter is of een strafrechter, waarmee sturen we die op pad? Dit is de vraag waar de staatscommissie-Hamer zich nu over buigt. Wij verwachten rond de zomer van 2027 de eerste beelden van haar advies. Volgens mij heeft zij zes onderzoekslijnen, waaronder juridisch, normen en waarden, cijfermatig, dus hoe vaak, en het effectiviteitsperspectief: wat heeft het ingrijpen van de overheid precies opgeleverd? Er wordt gewerkt met klankbordgroepen, met focusgroepen, met ervaringsdeskundigen. Voor ons is dit, zeker gezien de inrichting van hoe we dit nu doen, een heel belangrijke commissie. De commissie zal ook komen met een beeld van hoe je je als overheid zou moeten opstellen, wat je rol is ten opzichte van gezinnen. Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Coenradie over intieme terreur en dwingende controle van een ex-partner of soms misschien ook wel een partner: hoe zorgen we ervoor dat we de verontrustende signalen meenemen die bij u en zeker ook bij een deel van het kabinet binnenkomen? Bij beslissingen over jeugdbescherming is het voor de veiligheid van zowel het kind als de ouders essentieel dat vermoedens van huiselijk geweld, inclusief intieme terreur en dwingende controle, worden meegenomen. Alleen dan kan een afgewogen beslissing worden genomen. We weten dat dit nog niet vanzelfsprekend is en daarom blijven die signalen ons ook bereiken. Dit geldt ook voor andere beslissingen in het kader van jeugd- en familierecht. Daarom zijn we eind '25 met organisaties als de Raad voor de Kinderbescherming, de rechtspraak en ook Jeugdzorg Nederland, ervaringsdeskundigen en wetenschappers een verbetertraject gestart, juist om ervoor te zorgen dat als er sprake is van intieme terreur of ander huiselijk geweld, de rechter hiervan weet en dit ook kan meewegen in de beslissingen over jeugdbescherming, over gezag en over omgang. Dat zijn eigenlijk parallelle sporen, waarbij men de informatie niet hoeft te hebben maar die wel meeneemt. In de Kamerbrief over geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld — ik denk dat de minister die heeft gestuurd, samen met de minister van Justitie — zijn hier wat meer woorden aan gewijd. De vraag is even of dat tegemoetkomt, of dat u signalen blijven bereiken. Anders zou ik zeker zeggen: blijf dat steeds aangeven, ook bij ons. Wij hebben het vermoeden dat we bezig zijn met verbeteringen, maar als er nog blinde vlekken zijn, willen we dat wel graag weten. De laatste vraag, van de heer Verkuijlen, die voor een deel al door de minister is beantwoord, gaat over jongeren met lvb-problematiek die afglijden. Ik wilde hierop nog dit aanvullen. Volgende week hebben we een debat over de aanpak van jeugdcriminaliteit. Mevrouw Westerveld heeft heel vaak gevraagd hoe wij nou omgaan met lvb in de strafrechtketen. Met een werkagenda strafrecht lvb-proof proberen we stappen te zetten, zodat de professionals weten hoe je met deze groep omgaat, hoe ingewikkeld soms ook. Dit gaat zó veel opleveren. Want dan begrijpen we elkaar daadwerkelijk, om het zo te zeggen. In de voortgangsbrief die nu nog bij mij ligt maar eind deze week naar de Kamer gaat in voorbereiding op het debat van volgende week woensdag, wordt een beeld geschetst van hoe we daarmee omgaan in de strafrechtketen. Ik denk dat de heer Verkuijlen dat debat helaas niet bijwoont, maar mocht dat wel het geval zijn, dan kunnen we daarover nader in gesprek met elkaar. Dat was de beantwoording van de laatste vragen die aan mij waren gesteld, voorzitter. De voorzitter: Dan ga ik eerst naar de heer Verkuijlen. De heer Verkuijlen (VVD): Heel goed dat dit zo op het netvlies staat. Dit zijn de jongeren die de bommen neerleggen en geen idee hebben wat ze eigenlijk doen; dus de consequenties en de morele ontwikkeling. Tegelijkertijd wil ik mijn waardering uitspreken. Eerst leek het even of de vraag van de minister naar de staatssecretaris ging, maar ik vond het heel waardevol dat zelf ook aangaf wat er in die hulpverleningstrajecten al gebeurt, juist ter voorkoming. U heeft geen vraag gehoord, voorzitter, dus dat is prima. Ik wilde die waardering toch even uitspreken. De voorzitter: Zeker. Dat mag ook. Mevrouw Westerveld, uw laatste interruptie. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik schetste in mijn inbreng de eigenlijk altijd heel ingewikkelde gesprekken die wij denk ik allemaal best vaak hebben met ouders die in de knel zitten, met kinderen die in de knel zitten. Ik schetste dat we vaak merken dat er niet serieus naar het kind wordt geluisterd, dat de rechtsbescherming juist voor mensen in een kwetsbare positie vaak niet op orde is en dat mensen soms helemaal vastlopen in het oerwoud aan regels. Helemaal als er sprake is van geweld achter de voordeur, merk je dat mensen totaal vastlopen en echt ook niet weten waar ze terecht moeten. Door weer een termijn te missen kan het soms nog slechter gaan enzovoort, enzovoort. Ik weet dat er al heel lang over wordt gepraat, maar ik hoop dat we binnenkort een keer gaan praten over de verbetering van de rechtsbescherming. Is dat dan de wet die al deze knelpunten waar wij de hele tijd tegenaan lopen, gaat oplossen? Of gaat er nog meer gebeuren? Staatssecretaris Van Bruggen: "Alles" is veel, maar het gaat zeker ontzettend veel waarborgen in zich hebben voor de rechtsbescherming van kwetsbare mensen, ouders, die misschien niet eens als kwetsbaar worden gezien door onze samenleving, als ze in een situatie zitten waarin hun kinderen wel of niet bij ze mogen blijven. Dat regelen we in dat wetsvoorstel. Het is natuurlijk een van de onderdelen van het toekomstscenario. We zullen dus ook steeds gerichter moeten kijken naar hoe we die gesprekken gaan voeren. Hoe zorgen we ervoor dat het kind gehoord wordt? Het formaliseren van een deel van de rechtsbescherming zit inderdaad in dat wetsvoorstel, dat richting het eind van het jaar naar uw Kamer gaat. De voorzitter: Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van het kabinet. Mij is al ter ore gekomen dat de heer Ceder voornemens is om een tweeminutendebat aan te vragen. We doen een korte tweede termijn, wetende dat u vast ook weer een inbreng zult hebben bij het tweeminutendebat. Eén minuut. Uw minuut gaat in. De heer Ceder (ChristenUnie): Voorzitter, dank u wel. Ik wil inderdaad een tweeminutendebat aanvragen. Dat gaat met name over de uithuisgeplaatste kinderen, om te kijken wat we met elkaar kunnen doen. Ik zal geen uitgebreide toelichting geven. Ik denk dat we voldoende standpunten hebben uitgewisseld. Ik heb nog wel één vraag, over de buitenlandse uithuisplaatsingen. Die zou staatssecretaris Van Bruggen beantwoorden, heb ik begrepen, maar dat heb ik nog niet gehoord. Het gaat erom of we als Kamerleden in ieder geval voor het WGO een uitvraag kunnen doen om zo veel mogelijk data te kunnen ontvangen ten aanzien van de GI's maar ook de vrijwillige uithuisplaatsingen, die volgens mij via de gemeenten lopen. Dan weten we zo goed mogelijk hoeveel kinderen er in het buitenland zitten of hebben gezeten. De vraag is of de staatssecretaris die uitvraag wil doen via de GI's en de gemeenten. Dank u wel. De voorzitter: Synhaeve. Mevrouw Synhaeve (D66): Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording van de zijde van het kabinet. In essentie zitten we hier om te zorgen dat de kinderen met de meest complexe zorgvragen de zorg krijgen die nodig is. Volgens mij hebben we daar vandaag een goed debat over gevoerd met elkaar. We zullen er ook nog op terugkomen in het tweeminutendebat. Daarnaast wil ik nog even markeren dat dit natuurlijk eigenlijk een breed jeugddebat was. Daarin hebben we volgens mij één vraag gesteld, namelijk over de kinderrechtentoets, die breed ging over jeugd. Die wil ik er nog even uitlichten, want ik denk dat we daar echt een wereld te winnen hebben, niet zozeer door die toets an sich, maar omdat die ons verplicht om bij alle nieuwe keuzes die we maken na te denken wat dat betekent voor kinderen. Dank u wel. De voorzitter: Hamstra. De heer Hamstra (CDA): Voorzitter, dank. Allereerst dank aan de kabinetsleden voor de beantwoording in eerste termijn. Wat de wet Reikwijdte betreft: ik hoop echt dat we lef gaan tonen en daadwerkelijk die keuzes maken. Het is goed om te horen dat macrobeheersing wordt meegenomen, maar het kind moet natuurlijk wel altijd centraal staan. Dat vind ik zelf heel belangrijk. Dat wil ik toch meegeven. Ik heb nog een vraag: zitten de jongeren zelf ook aan tafel in die gesprekken? Dat is mijn eerste vraag. Ten aanzien van pleegouders en de middelen voor de kinderopvangtoeslag ben ik benieuwd of het nog op een andere manier zou kunnen. Kan het geld geoormerkt richting gemeenten gaan? Kan het via pleegzorgorganisaties? Welke mogelijkheden ziet de minister daarvoor? Tot slot. Wat de aanpak van de bureaucratie betreft ben ik nog benieuwd naar de stand van zaken rond het AEF-rapport. Die beantwoording zou in de tweede termijn komen. Dat is 'm, voorzitter. Dank. De voorzitter: Oké. Coenradie. Mevrouw Coenradie (JA21): Voorzitter. Een korte bijdrage in de tweede termijn. Veel dank aan de minister en de staatssecretaris. Speciale dank aan de staatssecretaris, die met heel veel openheid goed heeft geluisterd naar mijn vraag rondom SAVE. Die bevlogenheid werd ook een beetje gevoerd door het vrij emotionele gesprek dat voorafgaand aan dit debat heeft plaatsgevonden, met nog wat meer informatie dan we al in de afgelopen tijd in mails en berichten op een andere manier hebben gekregen. Dus ik ben heel blij om te horen dat deze staatssecretaris zich er ook zelf mee gaat bemoeien. Dank voor de heldere en transparante antwoorden die we hebben teruggekregen. Ik vond dat zelf erg prettig. Ik zal ook een bijdrage leveren in het tweeminutendebat, maar dat komt t.z.t. Voor nu heel veel dank. De voorzitter: Dank u wel. Van Meetelen. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Voorzitter, dank. Allereerst dank aan de minister en de staatssecretaris voor de beantwoording van onze vragen. Ik heb nog één vraag aan de minister, over de procedures die niet zijn gevolgd bij de kinderen die naar het buitenland zijn gegaan. Daarbij werd gezegd: geen idee. Ik vroeg wat de consequenties zijn voor de instellingen c.q. gemeenten. De minister antwoordde dat dat nu wordt onderzocht. Maar dat was eigenlijk niet de vraag. De vraag is: en dan? Wat dan? We weten al dat die procedures niet gevolgd zijn. We hebben al geconstateerd dat dat niet goed is gegaan. Dus wat dan? Het wordt vastgesteld. We weten dat het zo is. Wat zijn de consequenties? De voorzitter: Ja, wat zijn de consequenties? Heldere vraag. Van Houwelingen. De heer Van Houwelingen (FVD): Dank voor de beantwoording. Fijn om te horen van de staatssecretaris dat het besef er is dat geen enkel kind perfect opgroeit en dat de grens om een kind gedwongen uit huis te plaatsen eerder hoger dan lager moet komen te liggen, ook omdat je altijd schade aanricht als je dat doet. Het besef is er ook dat ouders in een heel kwetsbare positie zitten. Dat hoor ik ook heel vaak. Die zijn natuurlijk heel afhankelijk van jeugdzorg, want die kan een kind eventueel uit huis plaatsen. Dat is een heel ongezonde dynamiek. Ik was wat minder blij met de beantwoording van de staatssecretaris, die vertrouwt op de inspectie terwijl er heel veel dingen misgaan. Ze wil ook geen enkele aanwijzing geven aan de inspectie over iets. Ik heb het voorbeeld genoemd van direct toezicht op pleeggezinnen. Dat is politiek. In mijn ogen is dat politiek. Dat kun je niet wegbureaucratiseren. Tot slot. Het was in ieder geval wel goed om te horen dat het besef er is, in ieder geval bij de minister, dat de tarieven heel laag zijn vastgesteld. Ik heb hier nog een paar voorbeelden, maar die zal ik gezien de tijd niet voorlezen. Het balanceert op het randje. De helft van de zorgvervoerders maakt al verlies op dit moment. De zorgverzekeraars knijpen die tarieven steeds verder af. Ik hoop dat de minister dat in de gaten houdt. De minister suggereerde een beetje dat ze maar beter voor zichzelf moeten opkomen, maar als ze omvallen, ligt het denk ik daaraan. Het ligt eerder aan het feit dat de tarieven echt veel te laag zijn vastgesteld door de zorgverzekeraars. Dank. De voorzitter: Westerveld. Mevrouw Westerveld (PRO): Dank, voorzitter. Voor dit debat heb ik weer eens opgezocht wat we in de afgelopen jaren allemaal besproken hebben. Daar word je in alle eerlijkheid gewoon niet vrolijk van, omdat we vaak exact dezelfde onderwerpen bespreken. Ik heb de hervormingsagenda erbij gepakt, en de wetsvoorstellen die daarin worden beloofd. Dan staat er bijvoorbeeld: in 2023 krijgt de Kamer het wetsvoorstel … Dan hebben we het er opnieuw in de Kamer over. Ik neem dat zeker niet alleen de bewindspersonen kwalijk. Ik vind dat we echt als Kamer beter moeten nadenken over hoe we deze debatten vormgeven en hoe we ervoor zorgen dat we onze controlerende taak beter vervullen. Daar komt dus nog een vervolg op. Ik heb één belangrijke … Nee, ik heb heel veel belangrijke vragen gesteld in mijn eerste termijn, maar op één vraag heb ik nog zeker geen antwoord. Dat was het punt over de marktwerking. Een paar jaar geleden heeft toenmalig staatssecretaris Karremans beloofd om dit uit de ggz te halen. Het zit ook in de jeugd-ggz. Als er echt nood is, moet er een plek zijn. Iets wat niet veranderd is, zijn alle mensen op de tribune. Sommige gezichten zijn zelfs niet veranderd. Het is gewoon heel fijn om te zien dat deze debatten voor heel veel betrokkenheid zorgen, hoewel ik me ook kan voorstellen dat sommige punten best confronterend zijn. Dat is ook knap van alle mensen die deze debatten blijven volgen. De voorzitter: Dank u wel. Verkuijlen. De heer Verkuijlen (VVD): Dank, voorzitter. Ik sluit me aan bij de lovende woorden over de beantwoording. Ik denk dat het ook heel belangrijk is — er zitten ook jongeren in de zaal — om met ze in gesprek te blijven, juist als het gaat over de moeilijke onderwerpen die we met elkaar hebben te verbeteren. Ik geef het je te doen om als minister en staatssecretaris tegenover een groep Kamerleden te gaan zitten die het verleden goed kennen en precies weten waar het nog niet loopt. Dan proeft u ongeduld. Ik denk dat u dat in al onze bijdrages gemerkt hebt. Ik heb heel even geprobeerd om van urgentie naar prioriteit te komen. Ik kan me voorstellen dat ik nog met een motie ga komen die een beetje in die richting gaat. Maar ik wil u met name bedanken voor de beantwoording. Voorzitter. Ik vond het interessant dat met name de staatssecretaris het had over mijlpalen die we neerzetten. We kunnen hier met elkaar vervallen in incidentenproblematiek, maar ik denk dat het ook belangrijk is om de mijlpalen met elkaar te benoemen en vast te stellen. Dat zou wat mij betreft ook meer in deze commissie, of plenair, kunnen. Ik dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Tot slot, Dobbe. Mevrouw Dobbe (SP): Bedankt voor de beantwoording. Ik heb nog een vraag over de herbeoordeling van de dossiers van kinderen en jongeren die zijn geraakt door het toeslagenschandaal. Ik geloof dat in 2022 de eerste motie is aangenomen met het verzoek om een herbeoordeling te krijgen. Daarna zijn er nog verschillende moties geweest, in 2025 nog een keer. Ik heb het antwoord van de staatssecretaris gehoord. Ik snap dat de staatssecretaris zegt: we willen het objectief doen. Ze zegt ook: we willen zo min mogelijk extra schade. Dat snap ik. Je wilt niet dat iets extra schade veroorzaakt aan iets wat al schadelijk was. Tegelijkertijd ondervinden deze jongeren hier nu ook schade van, omdat ze geen inzage krijgen. Ik zou die keuze niet willen wegnemen. Sommige jongeren en ouders willen inzage en een herbeoordeling van het dossier. Ik zou die keuze bij hen willen laten. Op het moment dat we dat voor hen gaan invullen, berokkenen we ze weer op een andere manier schade en volgens mij wachten ze al te lang. Dat is het voornaamste wat ik wilde vragen. Ik heb nog één ander vraagje, als u het mij toestaat, voorzitter. Ik doe het heel snel. Ik wil het hebben over de plaatsingen in het buitenland. Ik heb gehoord dat we gaan kijken hoe we dit kunnen inbedden in wetgeving, maar ik hoorde ook dat de inspectie niet kan controleren in het buitenland. Moet er dan in ieder geval geen pas op de plaats komen ten aanzien van nieuwe plaatsingen in het buitenland, totdat die wetgeving er is? De voorzitter: We zijn gekomen aan het einde van de tweede termijn van de Kamer. Kabinet, kunnen we gelijk door? Minister Sterk: Voorzitter, als u mij die vraag 30 seconden geleden had gesteld, voordat mevrouw Dobbe deze vraag stelde, had ik ja gezegd, maar nu wil ik om een schorsing van twee minuutjes vragen. De voorzitter: Dat is goed. We hebben een kleine schorsing. De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. De voorzitter: Ik heropen de vergadering. Ik geef voor de tweede termijn van de zijde van het kabinet gelijk het woord aan de minister. Minister Sterk. Minister Sterk: Om gelijk maar even op de laatste vraag in te gaan: ik begrijp de zorg heel goed. We weten dat het niet goed gaat. We hebben ook aangegeven dat we niet voor niks die wetgeving gaan invoeren. Wat we kunnen doen, en wat ook binnen onze verantwoordelijkheid past, is een brief sturen aan de VNG en de jeugdzorgaanbieders met de oproep om te stoppen met het sturen van kinderen naar andere landen. We kunnen er niet voor gaan liggen. Dat past gewoon niet bij de verhoudingen die we hebben. Het doen van een nadrukkelijke oproep, ook mede omdat de Kamer hierom vraagt, is het ultieme dat we op dit moment kunnen doen, denk ik. De voorzitter: Zijn er nog vragen? Ja, nog een korte. Als u er niet uit komt, dan is er nog een tweeminutendebat, zeg ik gelijk. Mevrouw Dobbe (SP): Dank u wel; dan hebben we het zorgvuldig even scherp. Dat is in ieder geval al heel fijn. Dat is een belangrijk signaal en dat zal wellicht een aantal plaatsingen stoppen. Maar is het niet zo dat op het moment dat de kwaliteit van zorg in gevaar komt, deze minister en de staatssecretaris wel mandaat hebben om daar wat aan te doen, en anders de inspectie? Als je het niet kan garanderen, dan zou je toch als inspectie ook moeten kunnen ingrijpen voordat een plaatsing plaatsvindt? Minister Sterk: Volgens mij ligt de rol om dat te doen in de eerste plaats bij de gemeentes. In hun rol hebben zij de verantwoordelijkheid om toe te zien op de continuïteit van zorg. Zij sluiten ook de contracten met de zorgaanbieders. In de casus waar het mis is gegaan, zien we dat de gemeente die rol ook pakt. De gemeente Utrecht doet nu namelijk ook onderzoek. We willen voorkomen — dat was uw vraag — dat kinderen er nu nog naartoe gaan. We kunnen in ieder geval aan de gemeentes en de zorgaanbieders vragen: doe dat nu niet. Ook zijn we bezig met wetgeving om dit dicht te zetten. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk nog even naar de minister. Zijn er nog overige vragen? Minister Sterk: Ja, ik heb nog andere vragen. Sorry, voorzitter. De voorzitter: Gaat u door. Minister Sterk: Mevrouw Synhaeve vroeg naar Handle with Care. We hoorden bij het bezoek waar ik was met de staatssecretaris van OCW dat er belemmeringen zouden zijn voor een bredere uitrol van Handle with Care, met name wettelijke belemmeringen. Wij herkenden dat niet meteen, maar we zijn nu wel even aan het kijken wat dat precies is. We voeren daarover ook gesprekken. Ik zal u daar in de volgende voortgangsbrief over informeren. Dan had de heer Hamstra van mij nog een antwoord tegoed over de vraag over administratieve lasten. Er wordt nu door AEF gewerkt aan een rapport over administratieve lasten rond contractmanagement van contracten van jeugdhulpregio's. Dat rapport wordt in het najaar opgeleverd. Ik zal dat met de volgende brief, voor het WGO van eind november, meesturen met een beleidsreactie. U had ook nog gevraagd of we niet kunnen kijken of de middelen voor de kinderopvang rechtstreeks naar de pleegouders of de pleegzorgorganisaties kunnen. Dat hadden we al bekeken. Dat zou natuurlijk het makkelijkste zijn, maar dat blijkt gewoon niet mogelijk te zijn. Daarom hebben we gezegd: dan moet het maar via het gemeentefonds. We vragen nu aan gemeentes om dat uit te keren. Voor de langere termijn geldt dat we vanaf 2028 gaan kijken of we dit in de toekomst anders kunnen doen. Mevrouw Van Meetelen vroeg: wat zijn de consequenties van het niet melden? In eerste instantie kan en moet de gemeente het onderzoek doen en de aanbieder aanspreken. IGJ kan de instellingen in Nederland ook aanspreken over het niet volgen daarvan. Nogmaals, we willen bij wet ook regelen dat dit niet meer kan. Meneer Hamstra vroeg of jongeren worden betrokken bij de dingen die we ontwikkelen. Ja, de NJR is daarbij betrokken. De kinderrechtentoets passen we toe op de reikwijdte. In die zin zijn jongeren dus ook een soort van betrokken. Ten slotte had PRO nog een vraag over de marktwerking. Via de macrobeheersing kijken we naar de inrichting van het stelsel; dat is die laag dieper. Ook proberen we het natuurlijk aan banden te leggen via de vergunningenplicht. De voorzitter: Ik kijk nog even naar de staatssecretaris. Heel kort, mevrouw Westerveld. Mevrouw Westerveld (PRO): Wij worden nog geïnformeerd door de collega van de minister over de ggz en over een advies dat er ligt om de marktwerking uit de cruciale ggz te halen. Het zou heel fijn zijn als hierin specifiek de jeugd-ggz wordt meegenomen. De minister hoeft daar niet nu op te antwoorden, maar misschien kan ze dit wel meenemen in wat er komt. De voorzitter: Ja. Ik zie instemming. De staatssecretaris. Staatssecretaris Van Bruggen: Voorzitter, hartelijk dank. Ik heb nog twee vragen die voor mij zijn overgebleven. Eén sluit aan bij de eerdere beantwoording op de vraag van mevrouw Dobbe, namelijk de vraag van de heer Ceder over de buitenlandse plaatsingen vanuit de gemeenten. Dat inzicht vanuit de GI's krijgen we inderdaad uiterlijk 1 november. De uitvraag gaat mee in dezelfde brief richting de VNG om te vragen op hoeveel buitenlandse plaatsingen zij nog zicht hebben, zodat we dat hopelijk ook rond die tijd krijgen. Dat is natuurlijk een enorm grote groep, dus daarvan kunnen we minder goed toezeggen dat we dat ook daadwerkelijk voor het WGO hebben. De uitvraag gaat wel mee. Voorzitter. De tweede vraag aan mij ging over het proces dat we nu met elkaar lopen ten aanzien van de herbeoordeling. Mevrouw Dobbe vroeg of ik dat proces meer kan duiden en of mensen in ieder geval inzage kunnen krijgen in het dossier. Mensen kunnen inzage krijgen in het dossier. We hebben daar sinds dit najaar ook speciale contactpersonen voor bij de Raad voor de Kinderbescherming en bij de GI's, om mee te kijken met kinderen en ouders die geïnteresseerd zijn in hun dossier en die willen weten hoe het zit. Dat kan. Het punt is, en daar zit ook juist mijn grote betrokkenheid bij de zorgvuldigheid, dat dit de instanties zijn die ook de besluiten hebben genomen in de periode dat er uithuisplaatsingen of ondertoezichtstellingen waren. Zoals ik het nu begrijp, gaat het dus om de objectiviteit die gemist wordt in die wens voor herbeoordeling, waardoor ik dat onderzoek zo zorgvuldig mogelijk wil inrichten. Dat kan ik dus ook beter op een andere manier doen dan het nu alleen maar beschikbaar stellen met speciale contactpersonen, die met alle liefde meekijken in de dossiers om te zien wat er nou precies is gebeurd, maar die in de ogen van ouders en kinderen, en dat snap ik ook, soms ook de mensen zijn die deze besluiten hebben moeten nemen of hebben moeten voorleggen aan de rechter. Vandaar dat die inzage kan, maar dat er wel een verschil is met de herbeoordeling die we gaan doen. Dat proces wil ik ook graag meenemen in de brief die nog naar u toe komt voor het wetgevingsoverleg, zoals ik al aan de heer Ceder heb toegezegd, zodat u ook een beeld heeft bij hoe ik dat voor de komende periode voor me zie. Dat neemt niet weg dat dit gewoon mogelijk blijft. De voorzitter: Ik begreep het niet helemaal. Wat neemt u nog mee in de brief? Waar ging dit over? Staatssecretaris Van Bruggen: Het proces dat ik ga lopen ten aanzien van de herbeoordeling van de dossiers uit huis geplaatste kinderen kinderopvangtoeslagenschandaal, UHP KOT. De voorzitter: Die hadden we al genoteerd. Staatssecretaris Van Bruggen: U had die toezegging al genoteerd, want ik had die ook al aan de heer Ceder gegeven. De voorzitter: Nee, daarom. U had het al gemeld. Het is geen extra toezegging. Check. We hadden die al genoteerd. Ik dank beide bewindspersonen voor de beantwoording van de vragen. We zijn aan het einde gekomen van dit commissiedebat. Alvorens ik afhamer, wil ik even de toezeggingen voorlezen. Dan moet u allemaal even scherp zijn of uw voorzitter niets vergeten is. Voor het WGO op 30 november aanstaande — over dat WGO gaat u trouwens vaak horen; er komt heel veel informatie uw kant op — ontvangt de Kamer een stand-van-zakenbrief over diverse trajecten die momenteel zijn ingezet rondom de verbeteringen van de jeugdzorg en de bestuurlijke afspraken. Dat is één. Twee. In het najaar wordt de Kamer nader bericht over gezinnen in een kwetsbare positie, dit in het kader van de agenda sociaal domein. Drie. In de brief van november — dat is dus elke keer dezelfde — dit jaar nog, wordt de Kamer nader bericht over de toetsing op kwaliteitscriteria. Punt vier. Waar mogelijk wordt de Kamer begin 2027 nader geïnformeerd over de stand van zaken van de doorbraakactie. Punt vijf. In de novemberbrief, dus van dit jaar, wordt de Kamer bericht over de informatievoorziening rondom de invulling van het herstelproces en het herbeoordelingsproces van de dossiers uithuisplaatsingen kinderen. Dat was dus waar we het net over hadden. Punt zes. Voor de begroting ontvangt de Kamer een brief over de motie-Ceder inzake overgangsregeling kinder- en jeugdpsychologen. De heer Ceder (ChristenUnie): Het is de motie-Van Dijk/Bikker of -Bikker/Van Dijk, maar de toezegging gaat wel over mijn verzoek om daarop te reageren. De voorzitter: Goed. Dat heeft u bij dezen aangevuld. Punt zeven. De Kamer wordt nader geïnformeerd over SAVE, voor het WGO, ook dit jaar nog. Dan komen we bij punt acht. De Kamer ontvangt te zijner tijd een brief met de data-aantallen omtrent uit huis geplaatste kinderen in het buitenland. Staatssecretaris Van Bruggen: Nee, het zijn geen uit huis geplaatste kinderen in het buitenland, maar het zijn kinderen die daar zorg krijgen, bijvoorbeeld vanuit een jeugdbeschermingsorganisatie, maar soms ook vanuit een gemeente. We willen voor het wetgevingsoverleg inzicht kunnen geven in hoeveel kinderen dat betreft. De voorzitter: Hoeveel kinderen in het buitenland verkeren. Check. Oké, helder. Bij dezen heeft u dat aangepast. Punt negen. Handle with Care-informatie wordt ook meegenomen in de informatie richting het WGO. Tot slot. Het AEF-rapport waar de minister naar verwees, wordt ook meegenomen in de brief voor het WGO Jeugd op 30 november aanstaande. Dan zijn we er zo. Ik zie de heer Hamstra nog. De heer Hamstra (CDA): Klopt het dat bij die laatste toezegging ook het rapport zelf wordt meegestuurd? De voorzitter: Dat heeft u bij dezen toegevoegd. Ja, zo is het ook door de minister aangegeven. Mevrouw Dobbe (SP): Sorry. Misschien heb ik het gemist, maar er was ook toegezegd dat er een brief naar de gemeenten zou gaan om in ieder geval nu te stoppen met plaatsing in het buitenland, hè? Ja. De voorzitter: Ja, dat is een actie naar de gemeenten, maar dat moet dan ergens worden teruggekoppeld aan ons. Bij dezen. Dan is er een tweeminutendebat aangevraagd door de heer Ceder. Dat geleiden we door. Het is 18.31 uur. Ik sluit de vergadering. Dank u wel. Sluiting 18.31 uur. ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag CD van 30 september 2026 Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag CD van 30 september 2026 1
Gerelateerde bronnen
- Jeugdbeleid
Conceptverslag Jeugdbeleid
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.