document · 18 sep 2026 · Tweede Kamer
Wijzigingsbesluit implementatie Asbestrichtlijn
Brontekst
Besluit van tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en enige andere besluiten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668) (Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668) [KetenID WGK026090] Op de voordracht van Onze Minister van Werk en Participatie van datum openlaten , nr. nr. invullen , gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668), de artikelen 16, eerste, tweede, zevende, negende en tiende lid, 16a, 19a, tweede lid, 20, eerste en vierde lid, 29a, vijfde lid, 33, tweede lid, 34, vijfde en zevende lid en 45a, van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van datum, nr. ); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Werk en Participatie van datum openlaten , nr. nr. invullen, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: ARTIKEL I Het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als volgt gewijzigd: A Pagina 2 van 294 Aan artikel 1.1, achtste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende: g. Register gezond en veilig werken met asbest: het register, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, onderdeel g. B Aan artikel 1.5j, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende: g. het Register gezond en veilig werken met asbest. C In artikel 1.39 wordt ‘paragraaf 2 van afdeling 10 van hoofdstuk 4’ vervangen door ‘paragraaf 2 van afdeling 7 van hoofdstuk 4’. D In artikel 2.26 wordt ‘hoofdstuk 4, afdeling 5’ vervangen door ‘hoofdstuk 4, afdeling 3’. E In artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b, wordt ‘4.37’ vervangen door ‘4.23’. F In artikel 2.32, eerste lid, onderdeel d, wordt ‘4.54a, derde lid’ vervangen door ‘4.49, tweede lid’. G Artikel 4.1a, wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt ‘afdeling 5’ vervangen door ‘afdeling 3’. 2. In het tweede lid wordt ‘4.61b’ vervangen door ‘4.73’. H In artikel 4.10c, vierde lid, wordt ‘artikel 4.53, eerste lid’ vervangen door ‘artikel 4.46, eerste lid’. I Artikel 4.23 wordt vernummerd tot artikel 4.22. J Na artikel 4.22 (nieuw) wordt een afdeling ingevoegd, luidende: Afdeling 3. Aanvullende voorschriften asbest Pagina 3 van 294 § 1. Inleidende bepalingen Artikel 4.23. Begripsbepalingen In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten: 1°. actinoliet (CAS-nummer 77536–66–4); 2°. amosiet (CAS-nummer 12172–73–5); 3°. anthofylliet (CAS-nummer 77536–67–5); 4°. chrysotiel (CAS-nummer 12001–29–5); 5°. tremoliet (CAS-nummer 77536–68–6); 6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4); - serpentijnasbest: het vezelachtige silicaat chrysotiel; - amfibool asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet; - asbesthoudende producten: producten, waaronder mede begrepen bodem, grond en baggerspecie, die een of meer van de vezelachtige silicaten, genoemd in onderdeel a, bevatten; - asbeststof: stof afkomstig van asbest of asbesthoudende producten; - asbestverdacht materiaal: materiaal dat naar redelijke verwachting asbest is of een product waarin naar redelijke verwachting asbest aanwezig is of asbest dan wel een asbesthoudend product is toegepast; - asbestvezel: een asbestdeeltje dat langer is dan 5 micrometer, een breedte heeft van minder dan 3 micrometer en een lengte/breedteverhouding van meer dan 3/1; - asbestverontreiniging: aanwezig asbeststof, al dan niet te herleiden tot een toepassing van asbest; - containment: gesloten, voor personen toegankelijke constructie waarin een onderdruk en mechanische ventilatie in stand worden gehouden om de arbeidsplaats waar asbest wordt verwijderd af te schermen, verspreiding van asbeststof buiten deze werkplek te voorkomen en de concentratie asbestvezels op de arbeidsplaats te beheersen; - object: object als bedoeld in artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; - Aval-vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de wet, voor een bedrijf uit een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Artikel 4.24. Toepasselijkheid 1. Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, is naast de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk tevens deze afdeling van toepassing, met uitzondering van artikel 4.16, eerste en tweede lid, en met inachtneming van het tweede lid. 2. De paragrafen 2 tot en met 5 van deze afdeling zijn van toepassing op arbeid met betrekking tot asbesthoudende producten indien de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tienmaal de concentratie amfibool asbest hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof. 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze de concentraties asbest als bedoeld in het tweede lid worden vastgesteld. Artikel 4.25. Grenswaarde Een werknemer wordt niet blootgesteld aan een asbestconcentratie in de ingeademde Pagina 4 van 294 lucht die groter is dan 2000 vezels per m3, berekend als tijdgewogen gemiddelde over een periode van acht uur. Artikel 4.26 Asbestbewustzijn Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij zij in aanraking komen of kunnen komen met asbest of asbesthoudende producten, wordt doeltreffende voorlichting gegeven over de eigenschappen van asbest, de in relatie tot de arbeid relevante asbesthoudende producten en de omgang met asbest en asbesthoudende producten. § 2. Algemene regels voor het werken met asbest § 2a. Toepasselijkheid Artikel 4.27. Toepasselijkheid 1. Paragraaf 2 is, in aanvulling op paragraaf 1 en met inachtneming van artikel 4.28, van toepassing op: a. werkzaamheden met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal; b. werkzaamheden, anders dan die bedoeld onder a, die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof, met uitzondering van de artikelen 4.37, 4.39, eerste lid, onderdeel a, 4.40, tweede lid, onderdelen b en c, en 4.41, en voor zover, gelet op de aard van de werkzaamheden, naleving van de relevante bepalingen in redelijkheid mogelijk is. 2. Bij de toepassing van artikel 4.19, eerste lid, wordt onder een gevarenzone mede verstaan een plaats als bedoeld in artikel 4.11, onderdeel g, die buiten een bedrijf of inrichting ligt. 3. Artikel 1.5ha is van overeenkomstige toepassing op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 4.28. Afwijkende bepalingen In plaats van de artikelen, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel, worden de daarachter vermelde artikelen toegepast: Artikel Niet van toepassing Wel van toepassing 4.15 4.46 4.16, derde tot en met vijfde lid 4.42 en 4.43 4.19, eerste lid, onderdelen d en e 4.39, eerste lid, onderdelen c en d 4.20, vijfde lid 4.44, derde lid § 2b. Voorlichting en onderricht Artikel 4.29. Aanvullende voorlichting Aan werknemers die werkzaamheden verrichten waarop paragraaf 2 van toepassing is, wordt, in aanvulling op artikel 4.10d, doeltreffende voorlichting gegeven over de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarde. Artikel 4.30. Aanvullend onderricht 1. De werkgever zorgt ervoor dat alle werknemers die werkzaamheden verrichten Pagina 5 van 294 waarop paragraaf 2 van toepassing is, een passende opleiding hebben gevolgd die is toegespitst op het beroep, de taken, en de werkmethoden die met het beroep gepaard gaan en hen op een begrijpelijke manier de nodige kennis en vaardigheden voor het verrichten van de werkzaamheden verschaft. 2. De opleiding vindt plaats aan het begin van een arbeidsrelatie, tenzij de werknemer al voldoende is opgeleid, en daarna met regelmatige tussenpozen en wanneer aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld. 3. De opleiding bestaat uit een theorie- en praktijkgedeelte en verschaft de werknemers de nodige kennis en vaardigheden inzake veiligheid en preventie in elk geval met betrekking tot: a. het toepasselijke recht inzake het werken met asbest; b. eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken; c. soorten producten en materialen die asbest kunnen bevatten; d. handelingen die kunnen leiden tot blootstelling aan asbest en het belang van preventieve controles om blootstelling tot een minimum te beperken; e. veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen; f. de geëigende rol, keuze en selectie, beperkingen en het juiste gebruik van beschermingsmiddelen, met bijzondere aandacht voor ademhalingsapparatuur; g. noodprocedures; h. ontsmettingsprocedures; i. de wijze waarop de verwijdering van afvalstoffen veilig kan worden uitgevoerd; j. de eisen inzake medisch toezicht. 4. Onverminderd het derde lid, omvat de opleiding voor werknemers die werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50 verrichten tevens het gebruik van technologische apparatuur en machines om het vrijkomen en de verspreiding van asbestvezels tijdens de arbeid te beperken. 5. Een werknemer mag slechts werkzaamheden verrichten waarop paragraaf 2 van toepassing is, indien hij: a. een opleiding heeft afgerond die voldoet aan dit artikel en de krachtens het achtste lid gestelde regels dan wel over beroepskwalificaties beschikt die op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties gelijk te stellen zijn aan een zodanige opleiding; b. tezamen met de opleiding dan wel beroepskwalificaties, voor zover dit opleidingen zijn, is geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest; en c. beschikt over een bewijs van registratie in het register, genoemd in onderdeel b. 6. Het bewijs van registratie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, dan wel een afschrift hiervan is op de arbeidsplaats aanwezig. 7. Het vijfde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid zijn niet van toepassing op dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. 8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de opleiding, waarbij onder andere kan worden bepaald dat voor het afronden van een opleiding het afleggen van een examen is vereist. Artikel 4.31. Permanente educatie Pagina 6 van 294 1. Aan de verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding, bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, wordt ook voldaan, indien een werknemer vanaf het afronden van een opleiding tot en met de uiterste datum voor herhaling van de opleiding, onderwijsactiviteiten heeft gevolgd, anders dan een opleiding, en deze onderwijsactiviteiten tezamen gelijk kunnen worden gesteld aan een opleiding die voldoet aan de vereisten in artikel 4.30, eerste, derde en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30 achtste lid, gestelde nadere regels. 2. Indien een werknemer op de wijze, bedoeld in het eerste lid, heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in dat lid, wordt de uiterste datum voor herhaling van de opleiding bepaald op basis van de voorgaande uiterste datum voor herhaling van de opleiding en wordt voor de toepassing van het eerste lid gekeken naar de onderwijsactiviteiten die binnen deze periode zijn gevolgd. 3. Onze Minister beoordeelt op verzoek van een werkgever of werknemer of onderwijsactiviteiten gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat: a. het verzoek gelijktijdig wordt ingediend met een verzoek tot registratie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c; b. Onze Minister kosten in rekening mag brengen voor de beoordeling die redelijk, evenredig en in verhouding tot de door hem gemaakte kosten zijn, de gemaakte kosten niet overschrijden, en het laten registreren van onderwijsactiviteiten niet ontmoedigen; en c. indien een of meer van de te beoordelen onderwijsactiviteiten activiteiten zijn als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, subonderdeel 2, de beoordeling plaatsvindt overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. 4. Aan de verplichting tot het herhalen van de opleiding indien aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld, bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, wordt ook voldaan indien een werknemer een of meer onderwijsactiviteiten, anders dan een opleiding, heeft gevolgd die voorzien in de aanvullende opleidingsbehoefte. 5. De artikelen 4.30, vijfde tot en met achtste lid, 4.32, 4.33, 4.34, eerste lid, vierde lid, onderdelen a en c, en het zesde en zevende lid, 4.35 en 4.36 zijn van overeenkomstige toepassing op onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en vierde lid, met dien verstande dat: a. de verplichting, bedoeld in artikel 4.30, vijfde lid, onderdeel a, in het geval van onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid inhoudt dat de werknemer onderwijsactiviteiten heeft afgerond waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze tezamen gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in het eerste lid; b. in afwijking van artikel 4.32, tweede lid, onderdeel a, voor erkenning is vereist dat de onderwijsactiviteiten ten aanzien waarvan een opleider wil worden erkend, voldoen aan de regels die op grond van artikel 4.30, achtste lid, op de betreffende onderwijsactiviteiten van toepassing zijn; c. in aanvulling op artikel 4.34, vierde lid, onderdelen a en c, registreert Onze Minister op verzoek van een werkgever of werknemer tevens onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en vierde lid die: 1˚. zijn verzorgd door een opleider die door Onze Minister is erkend voor het verzorgen van de betreffende onderwijsactiviteiten; 2˚. zijn afgerond in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, zijn verzorgd door een opleider of instructeur die in het betreffende land is erkend door een daartoe bevoegde instantie en voldoen aan de regels die op grond van artikel 4.30, achtste lid, op de betreffende onderwijsactiviteiten Pagina 7 van 294 van toepassing zijn; d. bij de toepassing van artikel 4.35, eerste en tweede lid, een registratie of geregistreerde opleiding van rechtswege vervalt indien in een periode van drie jaar geen onderwijsactiviteiten zijn geregistreerd die tezamen gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in artikel 4.30. Artikel 4.32. Erkende opleider 1. De opleiding, bedoeld in artikel 4.30, wordt verzorgd door een opleider die door Onze Minister is erkend voor het verzorgen van de betreffende opleiding. 2. Onze Minister erkent op aanvraag een opleider, indien: a. de opleidingen waarop het verzoek om erkenning als opleider betrekking heeft, voldoen aan artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels; b. de opleider en de opleidingen aantoonbaar aansluiting hebben met de relevante werkvelden; c. de personen die werkzaam zijn voor de opleider en de opleidingen verzorgen aantoonbaar beschikken over de benodigde kennis en didactische vaardigheden; d. de opleider aantoonbaar voldoet of kan voldoen aan bij ministeriële regeling te bepalen organisatorische verplichtingen, waaronder in ieder geval verplichtingen inzake het verwerken van persoonsgegevens; e. de opleider aantoonbaar voldoet aan bij ministeriële regeling te bepalen voorschriften over de onafhankelijkheid van examinering, voor zover de aanvraag betrekking heeft op opleidingen waarbij het afleggen van een examen is vereist voor de afronding. 3. De aanvraag om erkenning wordt door de opleider ingediend met gebruikmaking van het door Onze Minister beschikbaar gestelde aanvraagformulier en gaat vergezeld van de bij ministeriële regeling te bepalen documenten. 4. Een erkenning is voor onbepaalde tijd geldig en vermeldt voor het verzorgen van welke opleidingen de opleider is erkend. 5. Onze Minister verbindt de volgende voorschriften aan een erkenning: a. de verplichting om uit eigen beweging en desgevraagd aan Onze Minister alle informatie te verstrekken die van belang kan zijn in relatie tot de erkenning; b. de verplichting om op een door Onze Minister aangegeven wijze mee te werken aan onderzoeken naar het voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in het tweede lid; c. de verplichting om, indien aan de opleiding een examen is verbonden, de inhoud van de examens geheim te houden voor anderen dan de opleider zelf en, voor zover van toepassing, de partij die het examen afneemt, indien overeenkomstig artikel 4.30, achtste lid, is bepaald dat het afleggen van een examen is vereist voor afronding van de opleiding. 6. Onze Minister kan aan een erkenning aanvullende voorschriften verbinden. 7. Onze Minister kan een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de opleider: a. hierom heeft verzocht; b. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot afwijzing van de aanvraag om erkenning zou hebben geleid; c. failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; d. gedurende ten minste twee jaar geen opleidingen voor het verzorgen Pagina 8 van 294 waarvan hij is erkend, heeft geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest, met dien verstande dat als de opleider voor het verzorgen van meerdere opleidingen is erkend, de intrekking van de erkenning alleen op deze opleiding betrekking heeft; e. niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid; f. opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 heeft verzorgd, terwijl zijn erkenning op dat moment was geschorst; g. niet voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het vijfde en zesde lid. 8. Onze Minister kan een erkenning voor ten hoogste een jaar schorsen in de situatie, bedoeld in het zevende lid, onderdeel e. 9. Onze Minister kan de kosten voor het erkennen in rekening brengen bij de opleider die een aanvraag om erkenning indient. Artikel 4.33. Van rechtswege erkende opleiders 1. In afwijking van artikel 4.32, zijn instellingen en aanbieders van niet uit ‘s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs van rechtswege erkend als opleider ten aanzien van door hen gegeven opleidingen als bedoeld in artikel 4.30. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid, waaronder over de manier waarop een opleider kan aantonen dat een door hem gegeven opleiding voldoet aan de bij of krachtens artikel 4.30 gestelde eisen. Artikel 4.34. Registratie opleidingen 1. In het Register gezond en veilig werken met asbest worden de volgende gegevens van een werknemer geregistreerd: a. een uniek, aan de werknemer gekoppeld registratienummer; b. de voornaam of -namen en achternaam van de werknemer; c. de geboortedatum van de werknemer; d. de naam, duur, inhoud, en taal van de afgeronde opleidingen en de datum en wijze van afronding; e. de naam, kwalificatie en contactgegevens van de instellingen die de opleidingen hebben verzorgd. 2. Aan erkende opleiders als bedoeld in artikel 4.32 wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens Onze Minister: a. werknemers en opleidingen te registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest op grond van het eerste lid en bewijzen van registratie te verstrekken als bedoeld in het zesde lid, voor zover de registratie ziet op een door de erkende opleider verzorgde opleiding; b. een door hem gedane registratie of geregistreerde opleiding te verwijderen indien is gebleken dat deze onjuist is of de geregistreerde de bij de erkende opleider gevolgde opleiding op frauduleuze wijze heeft afgerond; c. ambtshalve of op verzoek van de geregistreerde gegevens aan te passen indien dit noodzakelijk is en voor zover het gegevens betreft die door de erkende opleider zijn geregistreerd; d. beslissingen in bezwaarprocedures te nemen en op te treden in beroepsprocedures, voor zover deze procedures voortkomen uit de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met c. 3. De erkende opleider zorgt ervoor dat beslissingen in bezwaarprocedures, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, worden genomen met inachtneming van het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Pagina 9 van 294 4. Onze Minister registreert op verzoek van een werknemer of werkgever een opleiding die: a. is verzorgd door een van rechtswege erkende opleider als bedoeld in artikel 4.33; b. is afgerond nog voor de schorsing of intrekking van de erkenning van een opleider, maar nog niet door de opleider was geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest; c. uit het Register gezond en veilig werken met asbest is verwijderd op grond van artikel 4.35, eerste of tweede lid, indien onder het registratienummer van de werknemer een opleiding is geregistreerd die verband houdt met de eerder verwijderde opleiding; d. is afgerond in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, verzorgd door een opleider of instructeur die in het betreffende land is erkend door een daartoe bevoegde instantie en voldoet aan artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels, en is bedoeld om te voldoen aan de in dat artikel opgenomen verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding respectievelijk om te voorzien in een aanvullende opleidingsbehoefte. 5. Onze Minister beoordeelt als onderdeel van het verzoek om registratie of een opleiding als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, voldoet aan de bepalingen van artikel 4.30, genoemd in dat lid, overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. 6. Onze Minister verstrekt na registratie op grond van het eerste of vierde lid, aan de werknemer een bewijs van registratie waarop alle gegevens staan vermeld die over hem zijn geregistreerd. 7. Bij ministeriële regeling kunnen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, nader worden ingevuld en kunnen nadere regels worden gesteld over de registratie, bedoeld in het vierde lid. Artikel 4.35. Verwijdering registratie en geregistreerde opleidingen 1. Een registratie vervalt van rechtswege indien in een periode van drie jaar geen opleidingen zijn geregistreerd onder het registratienummer van de geregistreerde. 2. De registratie van een opleiding vervalt van rechtswege indien in een periode van drie jaar geen opleidingen zijn geregistreerd die verband houden met de geregistreerde opleiding. Indien er sprake is van opleidingen die voorafgaande aan de geregistreerde opleiding zijn geregistreerd en met deze opleiding verband houden, vervallen ook deze van rechtswege. 3. Onze Minister verwijdert een registratie dan wel een geregistreerde opleiding uit het register: a. op verzoek van de geregistreerde; b. indien de geregistreerde is overleden; c. in de situaties, bedoeld in artikel 4.34, tweede lid, onderdeel b. 4. Indien een registratie of een geregistreerde opleiding van rechtswege vervalt of wordt verwijderd, worden in het Register gezond en veilig werken met asbest de datum en reden van verwijdering opgenomen en blijven de gegevens met betrekking tot de registratie respectievelijk de geregistreerde opleiding door Onze Minister voor een periode van maximaal vijf jaar bewaard. Artikel 4.36. Afwijkingen Register gezond en veilig werken met asbest Pagina 10 van 294 Voor het Register gezond en veilig werken met asbest geldt dat: a. in aanvulling op artikel 1.5j, vijfde lid, Onze Minister als onderdeel van de beoordeling of er op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties sprake is van gelijkwaardige kwalificaties, tevens nagaat of de relevante opleidingen die onderdeel uitmaken van de te beoordelen beroepskwalificaties, zijn verzorgd door in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland erkende opleiders of instructeurs; b. in aanvulling op artikel 1.5o, eerste lid, Onze Minister alle gegevens in het Register gezond en veilig werken met asbest kan raadplegen ten behoeve van de verlening, schorsing en intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de wet en de partijen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, tevens de bij ministeriële regeling aangewezen informatie kunnen raadplegen over de opleidingen die de betreffende persoon heeft afgerond; c. de artikelen 1.5j, zevende lid, 1.5l, 1.5m, 1.5n en 1.5p, tweede tot en met vijfde lid, niet van toepassing zijn; en d. de verplichting tot aanpassing van gegevens in artikel 1.5p, eerste lid, betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid. § 2c. Melding Artikel 4.37. Melding voorafgaande aan start werkzaamheden 1. Ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden doet de werkgever een melding aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Deze melding bevat naast de naam en het adres van de werkgever ten minste een beknopte beschrijving van: a. de plaats waar de werkzaamheden worden verricht en, voor zover relevant, de specifieke zones waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden; b. de soorten en hoeveelheden asbest en asbesthoudende producten waaraan werkzaamheden worden verricht met, indien een asbestinventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, is opgesteld, de unieke aanduidingen van het betreffende asbest en de betreffende asbesthoudende producten in het inventarisatierapport; c. de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht; d. de werkmethoden, waaronder voor de bescherming en ontsmetting van werknemers, afvalverwijdering en, voor zover relevant, luchtverversing bij werkzaamheden in gesloten ruimten; e. het aantal betrokken werknemers en een lijst met de namen van de werknemers die waarschijnlijk zullen werken op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht; f. het registratienummer in het Register gezond en veilig werken met asbest, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel a, van de werknemers, bedoeld in onderdeel e; g. of aan de werknemers, bedoeld in onderdeel e, in de drie jaar voorafgaande aan de datum waarop de melding wordt gedaan, een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a is aangeboden; h. een werkschema met de data en de tijdstippen waarop de werkzaamheden plaatsvinden, waaruit mede blijkt of op weekenddagen gewerkt wordt en wat de gebruikelijke werktijden zijn; i. de maatregelen die zullen worden genomen om blootstelling van werknemers aan asbeststof te beperken, waaronder een overzicht van de te gebruiken uitrusting; Pagina 11 van 294 j. de documentatie, bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, het inventarisatierapport, bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, dan wel het resultaat van het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 4.48, vijfde lid, indien het werkzaamheden betreft als bedoeld in artikel 4.47; k. indien het werkzaamheden betreft als bedoeld in artikel 4.50: 1˚. de concentratie asbestvezels die is vastgesteld met het beoordelingsinstrument, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel a; 2˚. de resultaten van de verrichte meting, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel b; of 3˚. de erkende werkmethode, bedoeld in artikel 4.51, zevende lid, die zal worden gebruikt; l. de naam en het unieke kenmerk, bedoeld in artikel 4.57, negende lid, van het bedrijf of de bedrijven die de werkzaamheden zullen verrichten, indien op de werkzaamheden de vergunningplicht, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de wet van toepassing is; m. het unieke nummer van de sloopmelding, bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, indien voor de werkzaamheden het doen van een sloopmelding is vereist; n. of er sprake is van een asbestverontreiniging. 2. Indien voor de werkzaamheden een sloopmelding als bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is gedaan en voor zover de daarin opgenomen gegevens en bescheiden niet zijn gewijzigd, hoeven de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, wat betreft de plaats van de werkzaamheden, c, h, j, indien bij de sloopmelding documentatie als bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, of een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, is gevoegd, en l, niet in de melding te worden opgenomen. 3. Telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof, wordt een nieuwe melding gedaan. 4. De werkgever zorgt ervoor dat de op grond van het eerste en derde lid gemelde gegevens en bescheiden kunnen worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers. 5. De toezichthouder verwijdert de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e, f en g, zodra hij heeft vastgesteld dat de werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten, een opleiding hebben gevolgd die voldoet aan artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels, en er geen met het toezicht verband houdende redenen zijn om nog over deze informatie te beschikken. 6. Indien een werknemer een dienstverrichter is als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, wordt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel f, een opleidingscertificaat van deze werknemer bij de melding gevoegd, waaruit blijkt dat hij een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 heeft gevolgd. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de opleidingscertificaten. 7. In afwijking van het eerste lid, kan de melding later dan twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden worden gedaan, maar uiterlijk bij aanvang van de werkzaamheden, indien ter bescherming van de veiligheid of gezondheid van personen of de leefomgeving, het onmiddellijk verrichten van de te melden werkzaamheden noodzakelijk is. Pagina 12 van 294 Artikel 4.38. Uitzonderingen melding 1. In afwijking van artikel 4.37, eerste lid, hoeft de werkgever slechts eenmaal een melding te doen, indien de werkzaamheden een voortdurend karakter hebben en steeds op dezelfde locatie worden verricht. 2. Artikel 4.37 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die zijn gericht op: 1˚. het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp, voor zover dit plaatsvindt door de daartoe bevoegde instanties; 2˚. het uitvoeren van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 of de opsporingstaken, bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering; 3°. het waarborgen van de levering van nutsvoorzieningen, voor zover het noodzakelijk is dat de werkzaamheden onmiddellijk worden verricht. b. de volgende werkzaamheden: 1˚. verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a; 2˚. het bewaken en onderzoeken van de lucht en het nemen van monsters om vast te stellen of een bepaald materiaal asbest bevat, mits wordt voldaan aan het derde lid. 3. De werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2, zijn slechts uitgezonderd, indien de blootstelling of mogelijke blootstelling aan asbeststof sporadisch en van een geringe intensiteit is, en uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.25, niet zal worden overschreden. § 2d. Maatregelen en bewaking grenswaarde tijdens werkzaamheden Artikel 4.39. Preventieve maatregelen 1. Onverminderd de artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel d, 4.17, 4.18, en 4.19, eerste lid, onderdelen a tot en met c, worden, om de concentratie asbestvezels in de lucht zo laag mogelijk te houden, de volgende maatregelen genomen: a. de werkmethoden zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of, indien dat technisch niet mogelijk is, dat de blootstelling aan asbeststof zoveel als mogelijk wordt beperkt, door middel van maatregelen zoals: 1°. de onderdrukking van asbeststof; 2°. de afzuiging van asbeststof bij de bron; of 3°. het continu laten neerslaan van in de lucht zwevende asbestvezels. b. installaties en uitrustingen die dienen voor het werken met asbest of asbesthoudende producten, en ruimtes waarin werkzaamheden met asbest of asbesthoudende producten worden verricht, worden doeltreffend en regelmatig gereinigd en onderhouden; c. asbest, een asbesthoudend product en een product waaruit asbeststof vrijkomt worden opgeborgen en vervoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking; d. asbesthoudende afvalstoffen worden zo spoedig mogelijk verzameld in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat, en zo spoedig mogelijk afgevoerd; e. de werknemers ondergaan een passende ontsmettingsprocedure. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de Pagina 13 van 294 maatregelen, bedoeld in het eerste lid. Artikel 4.40. Aanvullende maatregelen bij verwachte overschrijding grenswaarde 1. De werkgever neemt in aanvulling op artikel 4.39 doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers als, gelet op de aard van de werkzaamheden, verwacht kan worden dat de concentratie asbestvezels de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25 zal overschrijden. 2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval: a. het ter beschikking stellen van aantoonbaar passende en geschikte ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen en het zorgen dat deze middelen op de juiste wijze worden gedragen; b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, met de aanduiding dat een overschrijding van de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, kan worden verwacht; c. het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden en, bij het uitvoeren van werkzaamheden in afgesloten ruimten, het gebruikmaken van een containment. 3. De werkgever zorgt ervoor dat de duur van het dragen van de ademhalingsapparatuur voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt en dat wordt voorzien in regelmatige rustpauzes. 4. Het aantal rustpauzes, bedoeld in het derde lid, en de duur daarvan wordt bepaald aan de hand van de fysieke en de klimatologische omstandigheden waaronder de werknemer de werkzaamheden moet verrichten. 5. De werkgever zorgt ervoor dat de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers: a. in de gelegenheid worden gesteld een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid; en b. indien relevant, in samenspraak met de werkgever de rustpauzes, bedoeld in het derde lid, vast kunnen stellen. 6. Een verwachte overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt vermoed niet aanwezig te zijn, indien de te verrichten werkzaamheden bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden zijn die worden verricht volgens een bij die regeling aangewezen erkende werkmethode. Artikel 4.41. Luchtmetingen tijdens werkzaamheden met asbest 1. Afhankelijk van de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt, om de naleving van de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, te kunnen waarborgen, op gezette tijden in specifieke operationele fasen de concentratie asbestvezels gemeten in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld. 2. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de wijze van monsterneming kenbaar te maken. 3. De monsterneming is representatief voor de individuele blootstelling van de werknemers aan asbestvezels. 4. De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat door meting, of door berekening van deze meting, gewogen in de tijd, de blootstelling van werknemers aan asbestvezels kan worden vastgesteld die representatief is voor een referentieperiode Pagina 14 van 294 van 8 uur. 5. Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door een persoon die de daarvoor vereiste deskundigheid bezit. 6. De na het nemen van monsters uit te voeren monsteranalyse wordt uitgevoerd in een laboratorium dat daarvoor adequaat is toegerust alsmede ervaring heeft met de vereiste identificatietechnieken. 7. De telling van de asbestvezels vindt plaats door middel van elektronenmicroscopie of een andere methode, indien deze gelijkwaardige of nauwkeurigere resultaten oplevert. 8. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers kunnen de resultaten van de metingen inzien en kunnen over de betekenis van deze resultaten uitleg krijgen, tenzij de metingen zijn verricht als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid. 9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en het vijfde tot en met het zevende lid. Artikel 4.42. Stillegging werkzaamheden 1. De werkzaamheden in de gevarenzone worden onmiddellijk stilgelegd, indien: a. de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, wordt overschreden, tenzij reeds maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn genomen; of b. het aannemelijk is dat asbest of asbesthoudende producten worden verstoord die niet voor de aanvang van de werkzaamheden zijn geïdentificeerd en die asbeststof kunnen produceren. 2. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden pas hervat op het moment dat: a. er doeltreffende maatregelen zijn genomen om de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels, overeenkomstig artikel 4.43, indien de werkzaamheden zijn stilgelegd vanwege de overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; b. een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 4.2 heeft plaatsgevonden, indien de werkzaamheden zijn stilgelegd vanwege de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 3. In dit artikel wordt onder gevarenzone verstaan: een gevarenzone als bedoeld in artikel 4.11, onderdeel h, met inbegrip van plaatsen als bedoeld in dat onderdeel die zich buiten een bedrijf of inrichting bevinden. Artikel 4.43. Maatregelen bij overschrijding grenswaarde 1. Bij overschrijding van de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, worden de oorzaken van de overschrijding opgespoord en worden zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot onder de grenswaarde of, indien dit technisch niet mogelijk is, de betrokken werknemers doeltreffend te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels. 2. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging dan wel, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de overschrijding, van de oorzaak daarvan en de te nemen maatregelen. Daarnaast wordt hen de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, tenzij er sprake is van spoedeisende redenen om deze maatregelen te nemen zonder deze gelegenheid te bieden. In dat geval worden zij ingelicht over de getroffen maatregelen. Pagina 15 van 294 3. Wanneer de blootstelling niet met andere middelen kan worden beperkt en de grenswaarde het dragen van individuele ademhalingsapparatuur vereist, wordt de duur van het dragen daarvan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke beperkt en wordt voorzien in regelmatige rustpauzes. Artikel 4.40, derde, vierde en vijfde lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing. 4. Nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen wordt de concentratie asbestvezels in de lucht gemeten overeenkomstig artikel 4.41. Artikel 4.44. Hygiënische beschermingsmaatregelen 1. De werkkleding mag uitsluitend buiten de arbeidsplaats worden gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen of deze te laten vernietigen. 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, wordt de werkkleding in een daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd. 3. Wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, wordt deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd en gereinigd. Defecte uitrusting mag niet worden gebruikt. § 2e. Bewaken van de gezondheid van werknemers Artikel 4.45. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek 1. Zolang de blootstelling aan asbeststof duurt, worden, in aanvulling op artikel 4.10a, derde lid, de betrokken werknemers ten minste éénmaal in de drie jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a te ondergaan. 2. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, omvat in ieder geval een specifiek onderzoek van de borstkas. 3. Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan asbeststof te voorkomen. Artikel 4.46. Blootstellingsregistratie 1. De werkgever houdt van iedere werknemer die in verband met de arbeid wordt blootgesteld aan asbeststof de blootstelling bij in een register, waarbij de aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van de blootstelling worden vermeld. 2. De gegevens die in het register zijn vermeld kunnen worden ingezien door de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst. 3. Iedere werknemer heeft recht op inzage in en afschrift van zijn persoonlijke gegevens in het register. 4. De gegevens in het register kunnen, voorzien van een toelichting en in statistische, niet tot individuen herleidbare vorm, worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de in het register op te nemen informatie, bedoeld in het eerste lid. § 3. Asbestidentificatie Artikel 4.47. Toepasselijkheid Deze paragraaf is, in aanvulling op de paragrafen 1 en 2, van toepassing op de volgende Pagina 16 van 294 werkzaamheden: a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast; b. het verwijderen van asbestverdacht materiaal, anders dan bedoeld in onderdeel d; c. het verrichten van onderhouds- of renovatiewerkzaamheden in of aan bouwwerken of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast; d. het ontgraven van grond of baggerspecie uit de bodem respectievelijk uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product aanwezig is. Artikel 4.48. Asbestidentificatieplicht 1. Ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, verricht de werkgever voor aanvang van de werkzaamheden een onderzoek naar de aanwezigheid en precieze locaties van asbest en asbesthoudende producten op de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht, de soorten asbest en de concentraties asbest, uitgedrukt in massapercentages. 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het raadplegen van: a. documentatie over specifieke materialen of producten, mits deze documentatie de benodigde informatie, bedoeld in het eerste lid, bevat; of b. een op de plaats van de werkzaamheden betrekking hebbend asbestinventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, indien de documentatie, bedoeld in onderdeel a, niet beschikbaar of niet toereikend is. 3. Iedere werkgever is verplicht om op verzoek van een andere werkgever de documenten en overige informatie te verstrekken die hij nodig heeft voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, voor zover de werkgever waar het verzoek aan is gericht over deze documenten en informatie beschikt. 4. Indien blijkt of het vermoeden ontstaat dat het asbestinventarisatierapport dat na een asbestinventarisatie is opgesteld, niet al het asbest of alle asbesthoudende producten bevat die hierin, gelet op de reikwijdte van het onderzoek, zouden moeten zijn opgenomen, wordt een aanvullende asbestinventarisatie verricht. 5. In afwijking van het eerste lid, is de werkgever in het geval van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.47, onderdeel d, verplicht om voor aanvang van de werkzaamheden te beschikken over de resultaten van een verkennend bodemonderzoek asbest dan wel een nader bodemonderzoek asbest als bedoeld in de artikelen 5.7c respectievelijk 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving. 6. De documentatie en de resultaten van de onderzoeken, bedoeld in het tweede en vijfde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig. 7. Dit artikel is niet van toepassing indien: a. de werkzaamheden worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd dan wel vervaardigd, tenzij er aanwijzingen zijn dat in het bouwwerk of het object asbest of een asbesthoudend product is toegepast; b. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4.38, tweede lid, onderdeel a, mits de bij de werkzaamheden betrokken asbestverdachte materialen worden behandeld als asbest of asbesthoudende producten. 8. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan de documentatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Pagina 17 van 294 Artikel 4.49. Nadere regels asbestinventarisatie 1. Een asbestinventarisatie wordt uitgevoerd door een bedrijf dat: a. in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling; en b. geen afhankelijkheid heeft van het bedrijf dat de werkzaamheden verricht waarvoor de asbestinventarisatie wordt uitgevoerd. 2. De resultaten van de asbestinventarisatie zijn opgenomen in een asbestinventarisatierapport dat ten minste de volgende informatie bevat: a. het doel van de inventarisatie; b. een afbakening van de uitgevoerde inventarisatie op basis van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de inventarisatie is verricht; c. een unieke aanduiding per geïnventariseerd asbestmateriaal of asbesthoudend product; d. foto’s; e. plattegronden; f. analysecertificaten, voor zover van toepassing; g. een aanduiding of sprake is van een binnen- of buitenruimte; h. wijze van bevestiging van de asbesttoepassing; i. een beschrijving van de categorie of categorieën waarin het asbest of asbesthoudend product is ingedeeld op grond van artikel 4.57, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a, of vierde lid; die is gegenereerd door het beoordelingsinstrument dat Onze Minister aanwijst op grond van artikel 4.51, tweede lid, onderdeel a; j. de aantekening dat het rapport geldig is zolang het rapport aansluit op de actuele situatie en de geldende regelgeving. § 4. Bijzondere regels voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden Artikel 4.50. Toepasselijkheid Deze paragraaf is, in aanvulling op de paragrafen 1, 2 en 3, van toepassing op de volgende werkzaamheden met asbest: a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of een asbesthoudend product is toegepast; b. het verwijderen van asbest en asbesthoudende producten, met uitzondering van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.57, derde lid, onderdeel d, en met dien verstande dat artikel 4.51 niet van toepassing is op het verwijderen van asbest uit de bodem of de waterbodem. Artikel 4.51. Vaststellen van de blootstelling voor aanvang werkzaamheden 1. Voor aanvang van de werkzaamheden wordt, in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid en met inachtneming van artikel 4.39, de concentratie asbestvezels vastgesteld in de lucht waaraan de werknemers tijdens het verrichten van de werkzaamheden zullen worden blootgesteld. 2. Het vaststellen van de concentratie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd met gebruikmaking van: a. een door Onze Minister aan te wijzen beoordelingsinstrument dat, gelet op de stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening, is ontwikkeld op basis van meetgegevens; of b. een door de werkgever of degene die opdracht geeft tot de werkzaamheden met asbest zelf te verrichten of in opdracht te laten verrichten meting die specifiek is afgestemd op de werkwijze en de situatie ter plaatse conform een bij Pagina 18 van 294 ministeriële regeling aangewezen genormaliseerde meetmethode. 3. Indien gebruik wordt gemaakt van een methode als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt deze methode uitgevoerd of wordt de uitvoering getoetst door een persoon met aantoonbare deskundigheid. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het beoordelingsinstrument, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, de meting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en de deskundigheid, bedoeld in het derde lid. 5. Een bewijs van de concentraties, verkregen door middel van het beoordelingsinstrument, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dan wel de meetgegevens verkregen door middel van gebruik van de meetmethode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is respectievelijk zijn op de arbeidsplaats aanwezig. 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop het bewijs van de vastgestelde concentratie, dan wel de meetgegevens, bedoeld in het vijfde lid, aan de toezichthouder beschikbaar worden gesteld en kan de verplichting worden opgelegd tot het registreren van de meetgegevens in een bij die regeling te bepalen voorziening. 7. Dit artikel is niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht volgens een bij ministeriële regeling aangewezen erkende werkmethode. Artikel 4.52. Werkplan 1. Voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden wordt door de werkgever die de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, verricht, een schriftelijk werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers. 2. Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, is opgesteld, worden de resultaten van dat rapport opgenomen in het werkplan. 3. In het werkplan wordt voorgeschreven dat het aanwezige asbest en de aanwezige asbesthoudende producten worden verwijderd voordat wordt gestart met andere werkzaamheden, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden. 4. Indien niet al het te verwijderen asbest of de aanwezige asbesthoudende producten worden verwijderd, vanwege het gevaar, bedoeld in het derde lid, wordt dit in het werkplan onderbouwd met daarbij een beschrijving van de wijze waarop wordt gezorgd dat het achterblijvende asbest niet leidt tot verspreiding van asbestvezels. 5. In het werkplan wordt voorgeschreven dat de werkgever, bedoeld in het eerste lid, zich ervan vergewist dat voor de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.55, er geen risico’s van blootstelling aan asbest of asbesthoudende producten meer zijn. 6. In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen: a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1c, eerste lid, aanhef en onderdelen d en h, 4.7, derde lid, onderdelen b, c en e, 4.18, 4.19, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, 4.20, eerste tot en met vierde lid, 4.39, eerste lid, onderdelen a, b en d, 4.44 en, in voorkomend geval, 4.40, tweede lid; b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden alsmede van de werkmethode; c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt; en d. de namen van de personen, die de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, uitvoeren. 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot het werkplan worden gesteld. Pagina 19 van 294 8. De werkzaamheden worden overeenkomstig het opgestelde werkplan uitgevoerd. 9. Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig. Artikel 4.53. Melding bij tussentijdse wijzigingen en na beëindiging werkzaamheden 1. Indien na het doen van de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, de werkzaamheden worden verricht op een andere plaats, of op andere data of tijdstippen dan opgenomen in die melding, meldt de werkgever de van toepassing zijnde wijzigingen aan een daartoe aangewezen toezichthouder uiterlijk een week na het bekend worden hiervan of, indien dit eerder is, uiterlijk voor de nieuwe datum waarop de werkzaamheden zullen plaatsvinden. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen die zich na een eerdere melding van wijzigingen hebben voorgedaan. 2. Uiterlijk op de eerste werkdag na de beëindiging van de werkzaamheden, doet de werkgever melding van de datum van beëindiging bij een daartoe aangewezen toezichthouder. 3. Artikel 4.38, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 4. De werkgever vermeldt in de meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn naam, adres en het unieke nummer van de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid. 5. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 7.12, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is geïnformeerd over de beëindiging van de werkzaamheden. Artikel 4.54. Reiniging Na de beëindiging van de werkzaamheden met asbest worden de arbeidsplaats en de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats aanwezig zijn of zijn geweest, doeltreffend gereinigd. Artikel 4.55. Eindbeoordeling 1. Na reiniging van de arbeidsplaats en voordat wordt aangevangen met het opheffen van de gevarenzone, wordt op de betreffende arbeidsplaats een eindbeoordeling uitgevoerd, teneinde vast te stellen dat de locatie weer veilig kan worden betreden. 2. De werkgever die de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, verricht, zorgt ervoor dat de voor de eindbeoordeling noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen in het werkgebied in stand blijven en stelt voor de eindbeoordeling arbeidsmiddelen beschikbaar totdat het werkgebied is vrijgegeven door het bedrijf dat de eindbeoordeling uitvoert. 3. De eindbeoordeling bestaat uit een visuele inspectie in het geval van verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a. 4. In aanvulling op het derde lid wordt de visuele inspectie uitgevoerd door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust, in het geval van verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, aanhef en onderdeel a en artikel 4.57, vierde lid. 5. Indien de verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in het vierde lid zijn verricht in een binnenruimte, geldt, in aanvulling op het vierde lid, tevens de verplichting tot een luchtmeting. 6. Bij de luchtmeting, bedoeld in het vijfde lid, worden kleefmonsters ingezet, indien asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.57, vierde lid, zijn verwijderd. 7. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de eindbeoordeling, waarbij in ieder geval: a. eisen kunnen worden gesteld aan de eindbeoordeling en aan het bedrijf, bedoeld Pagina 20 van 294 in het vierde lid, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt naar soorten asbestverwijderingswerkzaamheden; b. uitzonderingen kunnen worden gemaakt op het vierde of vijfde lid; c. een maximaal toegestane waarde voor de luchtmeting, bedoeld in het vijfde lid, kan worden bepaald. Artikel 4.56. Melding na afronden eindbeoordeling 1. De werkgever meldt uiterlijk twee weken na afronding van een eindbeoordeling als bedoeld in artikel 4.55, vierde lid, onder vermelding van zijn naam en adres en het unieke nummer van de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, het resultaat van de eindbeoordeling aan een daartoe aangewezen toezichthouder. 2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke vorm het resultaat van de eindbeoordeling wordt gemeld. 3. Artikel 4.38, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 7.12a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is geïnformeerd over het resultaat van de eindbeoordeling. § 5. Vergunningplicht Artikel 4.57. Vergunningsoorten 1. De vergunning, bedoeld in artikel 19a van de wet, kent de volgende soorten: a. asbestverwijdering beperkt; b. asbestverwijdering basis; c. asbestverwijdering uitgebreid; d. startvergunning; e. Aval-vergunning. 2. Een vergunning asbestverwijdering beperkt kan worden verleend voor het verwijderen van: a. bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten, al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, onderdeel a; b. asbest uit de bodem als het met asbest verontreinigde bodemvolume waarin wordt gegraven minder is dan 25 m3; c. asbest uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, indien de bodem of oever op grond van de concentratie asbest is ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022, en het met asbest verontreinigde bodemvolume waarin wordt gegraven minder is dan 1000 m3. 3. Een vergunning asbestverwijdering basis kan worden verleend voor het verwijderen van: a. bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten, al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, onderdeel a; b. asbest uit de bodem indien dit onderdeel uitmaakt van graafwerkzaamheden of het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48f respectievelijk 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. asbest uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, indien de bodem of oever op grond van de concentratie asbest is ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022, en het met asbest verontreinigde bodemvolume waarin Pagina 21 van 294 wordt gegraven gelijk is aan of meer is dan 1000 m3; d. asbest uit grond of baggerspecie, voor zover dit plaatsvindt als onderdeel van het bewerken van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 3.178 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 4. Een vergunning asbestverwijdering uitgebreid kan worden verleend voor het verwijderen van bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten, al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, onderdeel a, waarbij gebruik kan worden gemaakt van een containment. 5. Een vergunning asbestverwijdering uitgebreid kan ook worden verleend voor werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b of c, en het derde lid, onderdelen b, c of d, indien bij de vergunningaanvraag een bij ministeriële regeling aangewezen erkenning is overgelegd en de vergunning tevens wordt verleend voor werkzaamheden als bedoeld in het vierde lid. 6. Een startvergunning wordt verleend voor het verrichten van bij ministeriële regeling te bepalen werkzaamheden, als onderdeel van het proces tot verkrijging van een certificaat of erkenning als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b. 7. Bij het verlenen van een vergunning asbestverwijdering basis voor verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, kan worden bepaald dat de verwijderingswerkzaamheden mogen worden verricht met gebruikmaking van een containment. 8. Een Aval-vergunning kan worden verleend aan de houder van een vergunning voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, voor de in die vergunning opgenomen werkzaamheden. 9. Onze Minister kent aan iedere verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, en e, een uniek kenmerk toe en bakent bij het verlenen van de vergunning de toegestane werkzaamheden nader af, waaronder mede wordt begrepen het mogen werken met een containment. Artikel 4.58. Aanvraagprocedure vergunning 1. Een aanvraag tot verlening, verlenging of wijziging van een vergunning wordt ingediend bij Onze Minister met gebruikmaking van het door Onze Minister ter beschikking gestelde aanvraagformulier. 2. De aanvraag gaat vergezeld van: a. de unieke registratienummers, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel a, van alle werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft; b. een bij ministeriële regeling aangewezen erkenning, certificaat of ander bewijs van naleving van artikel 4.39; c. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van: 1˚. de aanvrager, indien de aanvrager in Nederland is gevestigd; 2˚. de Nederlandse bestuurders van de aanvrager, indien de aanvrager niet in Nederland is gevestigd. 3. Indien het bedrijf door een of meer natuurlijke personen wordt gedreven gaat de aanvraag, in aanvulling op het tweede lid, onderdeel a, vergezeld van het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel a, van de personen die het bedrijf drijven, voor zover zij de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft. Artikel 4.59. Gebruik van toezichtsinformatie Pagina 22 van 294 1. Onze Minister maakt bij de beoordeling van de aanvraag gebruik van informatie over de naleving van wettelijke voorschriften door de aanvrager die is verkregen van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, van de wet, voor zover deze voorschriften verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft. 2. De instanties die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, verstrekken Onze Minister op zijn verzoek de informatie, bedoeld in dat lid, en doen dit op een door Onze Minister te bepalen wijze. Artikel 4.60. Weigering vergunning Onverminderd artikel 19a, vierde lid, van de wet, weigert Onze Minister de verlening, verlenging of wijziging van de vergunning indien: a. uit het Register gezond en veilig werken met asbest blijkt dat de opleiding die de werknemers en, voor zover van toepassing, degenen die het bedrijf drijven hebben afgerond onvoldoende is voor het verrichten van de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft; b. de geldigheidsduur van het certificaat of de erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is verlopen op het moment dat deze aan Onze Minister is verstrekt; c. de verklaring omtrent het gedrag dan wel, in de situatie, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2, een verklaring omtrent het gedrag die bij de aanvraag is gevoegd, ouder is dan drie maanden; d. uit de informatie, bedoeld in artikel 4.59, eerste lid, het gegronde vermoeden is ontstaan dat de aanvrager zich niet of onvoldoende zal houden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft; e. de aanvrager failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; f. de aanvrager al in het bezit is van een vergunning met een beperkte geldigheidsduur als bedoeld in artikel 4.61, eerste lid, en deze vergunning nog langer dan drie maanden geldig is. Artikel 4.61. Geldigheidsduur vergunning 1. De vergunning wordt verleend of verlengd voor de duur van twee jaar indien op basis van de informatie, bedoeld in artikel 4.59, eerste lid, er onvoldoende zekerheid bestaat dat de aanvrager zich zal houden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft. 2. In overige gevallen wordt de vergunning verleend voor onbepaalde tijd. Artikel 4.62. Vergunningvoorschriften 1. Onze Minister verbindt de volgende voorschriften aan een vergunning: a. een omschrijving van de werkzaamheden die de vergunninghouder mag verrichten op basis van de vergunning en de verplichting om met de vergunning alleen deze werkzaamheden te verrichten; b. de verplichting om de werkzaamheden te verrichten overeenkomstig het bewijs van naleving dat op de werkzaamheden betrekking heeft, in het geval van een vergunning asbestverwijdering beperkt; c. de verplichting om uit eigen beweging en desgevraagd aan Onze Minister alle informatie te verstrekken die van belang kan zijn in relatie tot de vergunning, waaronder in ieder geval de schorsing of intrekking van het aan de vergunning Pagina 23 van 294 ten grondslag liggende certificaat of erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b; d. de verplichting om aan Onze Minister jaarlijks een overzicht te verstrekken van wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot de werknemers, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, en de door hen gevolgde opleidingen en onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.31; e. de verplichting om een nieuwe verklaring omtrent het gedrag te overleggen, indien het bedrijf door een of meer nieuwe personen wordt gedreven of een of meer nieuwe bestuurders tot het bedrijf zijn toegetreden en het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag bij de aanvraag was vereist. 2. Onze Minister kan aanvullende voorschriften verbinden aan een vergunning. 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter invulling van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid. Artikel 4.63. Actualisering vergunning Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van de vergunninghouder de identificerende gegevens van de vergunninghouder wijzigen die zijn opgenomen in de vergunning. Artikel 4.64. Schorsing en verval van rechtswege 1. Een vergunning is van rechtswege geschorst indien het certificaat of de erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, die ten grondslag ligt aan de vergunning, is geschorst of ingetrokken, voor de duur van de schorsing van het certificaat of de erkenning respectievelijk voor de periode waarin de intrekking van het certificaat of de erkenning nog niet onherroepelijk is. 2. Een vergunning vervalt van rechtswege indien het certificaat of de erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, die ten grondslag ligt aan de vergunning, is verlopen of is ingetrokken en deze intrekking onherroepelijk is geworden. 3. Indien aan de vergunning meerdere certificaten of erkenningen ten grondslag liggen, treedt de schorsing of het verval van rechtswege alleen in voor de werkzaamheden waarvoor het certificaat of de erkenning het op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, aangewezen bewijs van naleving van artikel 4.39 vormt. Artikel 4.65. Schorsing en intrekking vergunning 1. Onze Minister kan de vergunning schorsen indien bij Onze Minister het gegronde vermoeden bestaat dat er een grond tot intrekking van de vergunning aanwezig is, tot het moment dat Onze Minister een besluit tot intrekking van de vergunning heeft genomen dan wel heeft vastgesteld dat er geen grond tot intrekking aanwezig is. 2. Onverminderd artikel 19a, vierde lid, van de wet, trekt Onze Minister de vergunning in indien: a. de vergunninghouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot afwijzing, schorsing of intrekking van de aanvraag respectievelijk de vergunning zou hebben geleid; b. de vergunninghouder werkzaamheden heeft verricht waarop de vergunning betrekking heeft, terwijl de vergunning op dat moment was geschorst; c. de vergunninghouder failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; d. de vergunninghouder definitief is gestopt met het verrichten van bedrijfsactiviteiten; e. de vergunninghouder hierom heeft verzocht. Pagina 24 van 294 3. Onze Minister kan een vergunning intrekken indien: a. de vergunninghouder zich niet heeft gehouden aan de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning; b. uit informatie als bedoeld in artikel 4.59, eerste lid, is gebleken dat de aanvrager zich niet of onvoldoende heeft gehouden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de vergunning betrekking heeft. Artikel 4.66. Startvergunning 1. Een startvergunning wordt van rechtswege verleend indien is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. 2. De vergunning geeft recht op het verrichten van ten hoogste vijf werkzaamheden en heeft een geldigheidsduur van een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. 3. Onverminderd het tweede lid, vervalt een startvergunning van rechtswege zodra de aanvraag om een certificaat of erkenning, in het kader waarvan de startvergunning is verleend, wordt ingewilligd dan wel afgewezen. 4. Een van rechtswege verleende startvergunning wordt voor de toepassing van artikel 19a, eerste lid, van de wet aangemerkt als een door Onze Minister afgegeven vergunning. 5. Een van rechtswege verleende startvergunning wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze bekendgemaakt. 6. De artikelen 4.58 tot en met 4.62, 4.64 en 4.65 zijn niet van toepassing op de startvergunning. Artikel 4.67. Aval-vergunning 1. Indien de aangevraagde vergunning een Aval-vergunning is, kunnen in plaats van registratienummers als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, bij de aanvraag opleidingscertificaten worden gevoegd die zijn afgegeven door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, van alle werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft. 2. Als onderdeel van de behandeling van de vergunningaanvraag beoordeelt Onze Minister of uit de opleidingscertificaten, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de werknemers een opleiding hebben afgerond die voldoet aan artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels, en is verzorgd door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Indien uit een opleidingscertificaat niet blijkt dat aan de opleidingseis wordt voldaan, beoordeelt Onze Minister de beroepskwalificaties van de houder van het opleidingscertificaat overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, waarbij hij tevens nagaat of de relevante opleidingen die onderdeel uitmaken van de te beoordelen beroepskwalificaties, zijn verzorgd door in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland erkende opleiders of instructeurs. 3. Onze Minister mag voor de beoordelingen, bedoeld in het tweede lid, kosten in rekening brengen bij de aanvrager die redelijk, evenredig en in verhouding tot de door hem gemaakte kosten zijn, de gemaakte kosten niet overschrijden, en het doen van een vergunningaanvraag niet ontmoedigen. 4. Werknemers van wie op grond van het tweede lid is vastgesteld dat hun opleiding voldoet aan artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid, en de Pagina 25 van 294 krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels of van wie is vastgesteld dat hun beroepskwalificaties gelijk te stellen zijn aan een zodanige opleiding, worden beschouwd als personen die voldoen aan het bepaalde in artikel 1.5j, vijfde lid, in samenhang met artikel 4.36, onderdeel a. 5. Onverminderd artikel 4.60, weigert Onze Minister een Aval-vergunning indien uit de overgelegde opleidingscertificaten en een beoordeling van de beroepskwalificaties blijkt dat de opleiding die de werknemers hebben genoten onvoldoende is voor het verrichten van de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft. K Hoofdstuk 4, afdeling 5 vervalt. L De afdelingen 6, 7, 9 en 10 van hoofdstuk 4 worden vernummerd tot afdelingen 4, 5, 6 respectievelijk 7. M De artikelen 4.58 tot en met 4.62b in hoofdstuk 4, afdelingen 4 en 5 (nieuw), worden vernummerd tot de artikelen 4.68 tot en met 4.76. N In artikel 4.84, eerste lid, wordt ‘afdelingen 1 tot en met 8’ vervangen door ‘afdelingen 1 tot en met 5’. O In artikel 4.103 wordt ‘Artikel 4.54b, aanhef en onderdeel a,’ vervangen door ‘Artikel 4.48, zevende lid, onderdeel a,’. P In artikel 7.23d, vierde lid, wordt ‘artikel 4.47c’ vervangen door ‘artikel 4.37’. Q In artikel 9.1 wordt na ‘2.32 tot en met 2.34’ ingevoegd ‘, 4.32, tweede tot en met negende lid, 4.33 tot en met 4.36’. R In artikel 9.3, tweede lid, onderdeel d, wordt ‘4.45, eerste lid, 4.47a, derde lid, 4.47b, eerste en tweede lid4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde en zesde lid, 4.51, 4.54d, vijfde, zevende en negende lid, voor zover het certificaten uit het vijfde en zevende lid betreft, 4.58, eerste lid, 4.59, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.61, tweede tot en met vijfde lid, 4.61a, eerste lid, 4.61b, eerste lid,’ vervangen door ‘4.27, derde lid, 4.42, 4.44, 4.52, achtste en negende lid, 4.54, 4.55, eerste lid, 4.68, eerste lid, 4.69, eerste lid, Pagina 26 van 294 4.70, eerste lid, 4.71, tweede tot en met vijfde lid, 4.72, eerste lid, 4.73, eerste lid,’, wordt ‘als bedoeld in artikel 4.37’ vervangen door ‘als bedoeld in artikel 4.27’ en wordt voor ‘de artikelen 4.19, eerste lid, aanhef en onder a,’ ingevoegd ‘4.18, eerste lid,’. S Artikel 9.5 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel d wordt ‘4.45, 4.46, 4.47b, 4.47c, eerste lid, onderdelen a en e, 4.48a, eerste en tweede lid, onderdelen a, b en c, en vierde lid, 4.50, 4.51, 4.51a, 4.54a, met inachtneming van artikel 4.54b, 4.54d, 4.58, 4.59, 4.60, 4.61, 4.61a, 4.61b, 4.62b,’ vervangen door ‘4.25, 4.26, 4.30, eerste tot en met zesde lid, 4.31, eerste, tweede en vierde lid, 4.32, eerste lid, 4.37, eerste lid, onderdelen a en h, en tweede, derde, zesde en zevende lid, 4.38, 4.39, eerste lid, 4.40, eerste, tweede en zesde lid, 4.42, eerste en tweede lid, 4.43, eerste lid, 4.44, 4.47, 4.48, eerste tot en met zevende lid, 4.49, 4.51, eerste tot en met derde, vijfde en zevende lid, 4.52, eerste tot en met zesde, achtste en negende lid, 4.53, 4,54, 4.55, eerste tot en met zesde lid, 4.56, eerste, derde en vierde lid, 4.68 tot en met 4.73, 4.76,’. b. In onderdeel h wordt na ‘11’ ingevoegd ‘, 19a, eerste lid,’. 2. In het vijfde lid, onderdeel c, subonderdeel 2, wordt ‘4.47a, eerste en derde tot en met achtste lid, 4.47c, eerste lid, onderdelen b, c en f, en tweede lid,’ vervangen door ‘4.27, derde lid, 4.37, eerste lid, onderdelen b, c, d en i, en tweede, derde en zevende lid, 4.40, derde tot en met vijfde lid, 4.42, tweede lid, 4.43, derde lid, met dien verstande dat de verplichting in artikel 4.40, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, niet van overeenkomstige toepassing is, 4.43, vierde lid’. T In artikel 9.5a, eerste lid, onderdeel c, wordt ‘4.13 tot en met 4.21, 4.23, 4.44 tot en met 4.54d, 4.58 tot en met 4.61, 4.61a, 4.61b, 4.62b,’ vervangen door ‘4.13 tot en met 4.22, 4.25, 4.26, 4.29, 4.30, eerste tot en met zesde lid, 4.31, eerste, tweede en vierde lid, 4.32, eerste lid, 4.37, 4.38, 4.39, eerste lid, 4.40, 4.41, eerste tot en met achtste lid, 4.42, eerste en tweede lid, 4.43 tot en met 4.45, 4.46, eerste tot en met vierde lid, 4.47, 4.48, eerste tot en met zevende lid, 4.49, 4.51, eerste tot en met derde, vijfde en zevende lid, 4.52, eerste tot en met zesde en achtste en negende lid, 4.53, 4.54, 4.55, eerste tot en met zesde lid, 4.56, eerste, derde en vierde lid, 4.68 tot en met 4.73, 4.76,’. U Na artikel 9.5b wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 9.5c. Verplichtingen van de erkende opleider 1. De erkende opleider, bedoeld in artikel 4.32, is verplicht tot naleving van de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 4.32, eerste en derde lid, 4.34, eerste tot en met derde lid, en 4.35, vierde lid, en tot naleving van de voorschriften, bedoeld in artikel 4.32, vijfde en zesde lid. 2. De van rechtswege erkende opleider, bedoeld in artikel 4.33, eerste lid, is verplicht tot naleving van de voorschriften die zijn vastgesteld krachtens artikel 4.33, tweede lid. Pagina 27 van 294 V In artikel 9.6 wordt ‘de artikelen 4.51a, eerste en derde lid, 4.54a, vierde en vijfde lid, en 4.54d, eerste lid’ vervangen door ‘de artikelen 4.49, eerste lid en 4.55, eerste lid, van dit besluit en artikel 19a, eerste lid, van de wet’. W In artikel 9.9b, eerste lid, onderdeel d, wordt ‘4.23, tweede en vierde lid, 4.45, eerste lid, 4.45a, 4.45b, 4.46, 4.47, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid, 4.47a, eerste, derde tot en met zesde en achtste lid, 4.47b, 4.47c, eerste en tweede lid, 4.48a, eerste, tweede en vierde lid, 4.50, 4.51, 4.51a, eerste tot en met vijfde lid, 4.52, eerste en derde lid, 4.53, eerste tot en met derde lid, 4.54a, 4.54d, eerste en derde tot en met tiende lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede tot en met vijfde lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid, 4.62b,’ vervangen door ‘4.22, tweede en vierde lid, 4.25, 4.26, 4.27, derde lid, 4.29, 4.30, eerste tot en met zesde lid, 4.32, eerste lid, 4.37, eerste en derde lid, 4.39, eerste lid, 4.40, eerste tot en met vierde lid, 4.41, eerste, en derde tot en met zevende lid, 4.42, eerste en tweede lid, 4.43, eerste, derde en vierde lid, 4.44, 4.45, 4.46, eerste tot en met derde lid, 4.48, eerste tot en met zesde lid, 4.49, 4.51, eerste tot en met derde en vijfde lid, 4.52, eerste tot en met zesde en achtste en negende lid, 4.53, eerste, tweede en vierde lid, 4.54, 4.55, eerste tot en met zesde lid, 4.56, eerste lid, 4.68, 4.69, eerste en tweede lid, 4.70, eerste en derde lid, 4.71, tweede tot en met vijfde lid, 4.72, eerste en derde lid, 4.73, eerste lid, 4.76,’. X Artikel 9.10a, derde lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd: 1. In subonderdeel 1° wordt ‘de artikelen 4.54d, eerste lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid,’ vervangen door ‘de artikelen 4.68, 4.69, eerste en tweede lid, 4.70, eerste en derde lid, 4.71, tweede lid, 4.72, eerste en derde lid, 4.73,’. 2. Onder vervanging van de punt aan het slot van subonderdeel 2° door een puntkomma, wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende: 3˚. van de wet: artikel 19a, eerste lid. Y In de artikelen 9.14, 9.15 en 9.16 wordt ‘artikel 4.59’ vervangen door ‘artikel 4.69’. Z In artikel 9.16a wordt ‘artikel 4.62b’ vervangen door ‘artikel 4.76’. AA In artikel 9.19, onderdeel d, wordt ‘de artikelen van afdelingen 2, 5, 6, 7, met uitzondering van artikel 4.62b, en 9 en de artikelen van de paragrafen 2 en 3 van afdeling 10’ vervangen door ‘de artikelen van de afdelingen 2 tot en met 6, met uitzondering van artikel 4.76, en de artikelen van de paragrafen 2 en 3 van afdeling 7’. Pagina 28 van 294 BB In artikel 9.22, derde lid, onderdeel b, wordt ‘4.58, 4.59, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61b’ vervangen door ‘4.68, 4.69, 4.70, eerste en derde lid, 4.71, tweede lid, 4.73’. CC Afdeling 4 van hoofdstuk 9 komt te luiden: Afdeling 4. Overgangs- en slotbepalingen § 1a. Overgangsrecht Artikel 9.23. Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem, aanvullende risico-inventarisatie en evaluatie en noodplan winningsindustrieën voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen De aanvulling van het beleid en het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem als bedoeld in artikel 2.42k, eerste en tweede lid, de aanvulling van de risico-inventarisatie en -evaluatie en maatregelen als bedoeld in artikel 2.42l, eerste en tweede lid, en de aanvulling van het noodplan, bedoeld in artikel 3.37za, worden door de werkgever vastgelegd en aan de toezichthouder gezonden: a. voor bestaande installaties: voor 19 juli 2016; b. voor nieuwe installaties: voor de aanvang van de werkzaamheden. Artikel 9.24. Overgangsbepaling registratie 1. Personen die beschikken over een certificaat of getuigschrift dat is afgegeven krachtens het Arbeidsomstandighedenbesluit en nog geldig is op de datum van inwerkingtreding van een verplichting tot registratie in een van de registers, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, om de arbeid waarop dat certificaat of getuigschrift betrekking heeft te mogen verrichten, kunnen voor de resterende geldigheidsduur van dat certificaat of getuigschrift worden ingeschreven in het van toepassing zijnde register, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid. 2. Indien de resterende geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in het eerste lid, verstrijkt binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister in bijzondere gevallen de registratie in het van toepassing zijnde register verlengen voor ten hoogste zes maanden. 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inschrijving, bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.25. Explosieve atmosferen Artikel 3.5e, onder e, is niet van toepassing op arbeidsmiddelen voor gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen die voor 30 juni 2003 in gebruik zijn genomen. Artikel 9.26. Overgangsbepaling aanwijzing certificerende instellingen 1. Tenzij de aanwijzing op grond van artikel 1.5e, tweede lid, wordt ingetrokken, behoudt een certificerende instelling die niet over een accreditatie als bedoeld in artikel 1.5d, tweede lid, beschikt, haar aanwijzing, indien zij een certificerende instelling is als bedoeld in: Pagina 29 van 294 a. artikel 3.5h, vierde lid; b. artikel 4.9, tweede lid. 2. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. § 1b. Overgangsrecht bij Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 Artikel 9.27. Overgangsbepaling voor beslistermijn bij vergunningaanvragen Op een aanvraag tot verlening van de vergunning, bedoeld in artikel 19a van de wet, die wordt ingediend binnen acht weken na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, beslist Onze Minister binnen 16 weken. Artikel 9.28. Overgangsbepaling voor bedrijven met procescertificaat asbestverwijdering 1. Bedrijven die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 beschikken over een certificaat asbestverwijdering als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van dit besluit, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, mogen zonder een vergunning op grond van artikel 19a, eerste lid, van de wet, werkzaamheden met asbest blijven verrichten als zij binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, tot de dag waarop Onze Minister een besluit neemt op de aanvraag, met een maximum van zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet. 2. Bedrijven kunnen, in afwijking van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, hun certificaat asbestverwijdering voegen als bewijs van naleving van artikel 4.39, voor zover de vergunning is aangevraagd voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, onderdeel a, of vierde lid. 3. In afwijking van artikel 4.64, vindt geen schorsing of intrekking van rechtswege plaats, indien de vergunning is verleend voor werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid op basis van een certificaat asbestverwijdering als bedoeld in het eerste lid en dit certificaat is ingetrokken omdat een certificaat is verstrekt dat op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is aangewezen als het voor de aanvraag van de vergunning te verstrekken bewijs van naleving. Artikel 9.29. Overgangsbepaling voor bedrijven zonder procescertificaat asbestverwijdering 1. Bedrijven die binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, mogen zonder een vergunning op grond van artikel 19a, eerste lid, van de wet, asbestwerkzaamheden blijven verrichten waarop artikel 4.54d, eerste lid, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, niet van toepassing was, tot de dag waarop Onze Minister een besluit neemt op de aanvraag, met een maximum van zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet. 2. Bedrijven kunnen, in afwijking van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voor zover de vergunning is aangevraagd voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, onderdeel a, of vierde lid, de volgende documenten als bewijs van naleving van artikel 4.39 voegen: a. een schriftelijke en ondertekende verklaring dat het bedrijf de te vergunnen werkzaamheden zal verrichten overeenkomstig bij ministeriële regeling te Pagina 30 van 294 bepalen voorschriften die betrekking hebben op het document dat op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is aangewezen als het voor de aanvraag van de vergunning te verstrekken bewijs van naleving; en b. een schriftelijke en ondertekende verklaring dat het bedrijf uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 beschikt over het document dat op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is aangewezen als het voor de aanvraag van de vergunning te overleggen bewijs van naleving en, indien van toepassing, hier uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 een aanvraag voor heeft ingediend. 3. In aanvulling op artikel 4.64, vervalt een vergunning die is verstrekt op basis van de documenten, bedoeld in het tweede lid, van rechtswege indien het bedrijf een half jaar na inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 geen aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, heeft ingediend, mits van toepassing, of het bedrijf een jaar na inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 niet beschikt over het document dat op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is aangewezen als het voor de aanvraag van de vergunning te verstrekken bewijs van naleving. 4. In afwijking van artikel 4.57, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, mag een bedrijf waaraan een vergunning is verstrekt op basis van de documenten, bedoeld in het tweede lid, tot het moment waarop het bedrijf beschikt over het bewijs van naleving, bedoeld in het derde lid, alleen de werkzaamheden verrichten waarop artikel 4.54d, eerste lid, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, niet van toepassing was. Artikel 9.30 Overgangsbepaling voor erkende werkmethoden asbest 1. Een bedrijf kan bij de aanvraag van een vergunning asbestverwijdering beperkt als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel a, voor de werkzaamheden waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, in afwijking van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, als bewijs van naleving voegen: a. door Onze Minister getoetste, schriftelijk vastgelegde afspraken tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers op landelijk niveau, in een bedrijfssector, of in een branche, waarin voor de betreffende werkzaamheden relevante maatregelen of voorzieningen ter voorkoming of beperking van risico’s van het werken met asbest zijn vastgelegd en een schriftelijke en ondertekende verklaring van de aanvrager dat deze de werkzaamheden zal uitvoeren overeenkomstig de relevante afspraken; of b. een schriftelijke en ondertekende verklaring dat het bedrijf zich zal houden aan de bepalingen van artikel 4.39, indien er geen afspraken als bedoeld in onderdeel a bestaan voor de werkzaamheden waarop de aanvraag om een vergunning betrekking heeft. 2. Indien bij de aanvraag een bewijs van naleving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is gevoegd en er wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor verstrekking van de vergunning, wordt, in afwijking van artikel 4.61, tweede lid, de vergunning verleend voor de duur van twee jaar. 3. Een bedrijf waaraan een vergunning is verleend op basis van een bewijs van naleving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan bij een aanvraag tot verlenging van deze vergunning en, indien de vergunning is verlengd, een aanvraag tot wijziging van de vergunning niet opnieuw een zodanig bewijs van naleving gebruiken. 4. In andere gevallen dan de aanvraag voor de vergunning asbestverwijdering beperkt, waarin bij of krachtens een bepaling uit hoofdstuk 4, afdeling 5, de inzet van een Pagina 31 van 294 erkende werkmethode mogelijk is, kan ook gebruik gemaakt worden van afspraken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter invulling van het eerste en vierde lid, waarbij een tijdstip kan worden bepaald waarop de mogelijkheid om van het eerste en vierde lid gebruik te maken vervalt. Artikel 9.31. Overgangsbepaling voor opleidingen en registratie 1. Een opleiding die een werknemer heeft afgerond vóór de datum van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 wordt in de eerste zes maanden na die inwerkingtreding op verzoek van de werkgever opgenomen in het Register gezond en veilig werken met asbest. 2. Na een registratie in reactie op een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet de werkgever aan artikel 4.30, eerste lid, voor zover de opleiding voldoet aan de in artikel 4.30, derde en vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde eisen aan de inhoud van de opleiding. 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de manier waarop de werkgever aantoont dat een werknemer voldoet aan het theorie- of praktijkgedeelte, bedoeld in artikel 4.30, derde lid, wanneer hij een verzoek doet als bedoeld in het eerste lid; b. de indeling van opleidingen als bedoeld in het eerste lid in specifieke categorieën in het Register gezond en veilig werken met asbest en over de mate waarin een opleiding als bedoeld in het eerste lid voldoet aan artikel 4.30; en c. de geldigheidsduur van een opleiding die een werknemer heeft afgerond vóór de datum van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668. 4. De werkgever voldoet uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 aan artikel 4.30. 5. De werkgever die in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 4.58 indient, levert in afwijking van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, de unieke registratienummers, uiterlijk zes maanden na die inwerkingtreding aan bij Onze Minister. 6. Artikel 4.37, eerste lid, onderdeel f, en artikel 4.60, onderdeel a, zijn in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 niet van toepassing. 7. Artikel 9.24 is niet van toepassing op een persoonscertificaat als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde of zevende lid van dit besluit, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668. 8. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan ook worden ingediend door een werknemer of voormalig werknemer. Artikel 9.32. Overgangsbepaling voor het asbestinventarisatierapport 1. Het inventarisatierapport dat is opgesteld op grond van artikel 4.54a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, behoudt zijn geldigheidsduur, met dien verstande dat pas werkzaamheden mogen worden verricht op basis van dit inventarisatierapport, indien dit is aangevuld met de beschrijving, bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, onderdeel i. 2. Artikel 4.48, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op het inventarisatierapport, bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.33. Overgangsbepaling voor lopende asbestwerkzaamheden Pagina 32 van 294 1. Op werkzaamheden met asbest die zijn gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, blijven hoofdstuk 4, afdeling 5 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, van toepassing tot uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668. 2. In het geval van werkzaamheden waarop artikel 4.47c, eerste lid, zoals dit luidde voor inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, van toepassing was, wordt als de start van de werkzaamheden beschouwd, het moment waarop de sloopmelding, bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is gedaan dan wel, indien voor het verrichten van de werkzaamheden geen sloopmelding is vereist, het moment waarop de melding, bedoeld in artikel 4.47c, zoals dit luidde voor inwerkingtreding van Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, is gedaan. 3. Dit artikel wordt toegepast met inachtneming van artikel 9.28 en 9.29. 4. Artikel 9.32 is niet van toepassing op inventarisatierapporten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid. 5. Certificaten als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668, behouden hun geldigheidsduur gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid. § 2. Slotbepalingen Artikel 9.34. Wijziging bijlagen bij EU-Richtlijnen Een wijziging van een van de bijlagen bij een EU-Richtlijn waarnaar in dit besluit wordt verwezen, gaat voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. Artikel 9.35. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenbesluit. ARTIKEL II Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In de alfabetische volgorde worden twee begripsbepalingen ingevoegd, luidende: - asbestdocumentatie: documentatie als bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit; - asbestidentificatie: onderzoek als bedoeld in artikel 4.48 van het Arbeidsomstandighedenbesluit; 2. In de begripsomschrijving van het begrip asbestinventarisatierapport wordt ‘artikel 4.54a, derde lid,’ vervangen door ‘artikel 4.49, tweede lid,’. 3. De begripsbepaling asbestinventarisatie vervalt. B Pagina 33 van 294 In het opschrift van paragraaf 2 wordt ‘asbestinventarisatie’ vervangen door ‘asbestidentificatie’. C Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste, tweede en derde lid wordt ‘een asbestinventarisatie’ vervangen door ‘een asbestidentificatie’ en wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘, indien van toepassing,’. 2. In het eerste lid wordt in onderdeel a ‘, of’ vervangen door ‘; of’ en wordt de komma aan het slot van onderdeel b vervangen door een puntkomma. 3. In het vierde lid wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’. D Artikel 4 komt te luiden: Artikel 4 1. Artikel 3 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die worden uitgevoerd in of aan objecten, niet zijnde zeeschepen als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd dan wel vervaardigd; b. werkzaamheden die zijn gericht op: 1˚. het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp, voor zover dit plaatsvindt door de daartoe bevoegde instanties; 2˚. het uitvoeren van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 of de opsporingstaken, bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering; c. wegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen milieubeheer. 2. De uitzonderingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geldt slechts, indien de materialen die naar redelijke verwachting asbest zijn of de producten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast, bij het verrichten van de handelingen worden behandeld als asbest of asbesthoudende producten. 3. Artikel 3 is daarnaast niet van toepassing op het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf: a. geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen; b. als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen; c. in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, of asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een vaartuig, voor zover het vaartuig niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal maximaal vijfendertig vierkante meter bedraagt. E Pagina 34 van 294 In artikel 5 wordt voor ‘een afschrift’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’. F Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: 1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: De volgende handelingen mogen slechts worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de Arbeidsomstandighedenwet: 2. Het tweede lid komt te luiden: 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 4, derde lid. 3. In het derde lid vervalt ‘in verbinding met het tweede lid’. G Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid vervalt ‘in een binnenruimte’, en wordt ‘de artikelen 4.51a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘artikel 4.55 van het Arbeidsomstandighedenbesluit’. 2. Het tweede, derde en vijfde lid vervallen, onder vernummering van het vierde lid tot tweede lid. 3. In het tweede lid (nieuw) vervalt ‘in een binnenruimte’ en wordt ‘bedoeld in de artikelen 4.51a, tweede lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘bedoeld in het krachtens artikel 4.55, zevende lid, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalde,’. H In artikel 16 wordt voor ‘burgemeester en wethouders’ ingevoegd ‘het college van’. ARTIKEL III Het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 7.9 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 7.9. (asbestidentificatieplicht) 2. In het eerste lid wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘asbestdocumentatie dan wel’. 3. Het tweede lid komt te luiden: 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: Pagina 35 van 294 a. werkzaamheden die worden verricht in of aan een bouwwerk of een gedeelte daarvan dat op of na 1 januari 1994 is gebouwd, tenzij er aanwijzingen zijn dat in het bouwwerk of het gedeelte daarvan asbest of een asbesthoudend product is toegepast; b. werkzaamheden die zijn gericht op: 1˚. het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp, voor zover dit plaatsvindt door de daartoe bevoegde instanties; 2˚. het uitvoeren van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 of de opsporingstaken, bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering; c. de volgende werkzaamheden, mits zij anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden verricht: 1˚. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen; 2˚. het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen; 3˚. het in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt. 4. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 3. De uitzondering, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geldt slechts, als de materialen die naar redelijke verwachting asbest zijn of de producten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast, bij het verrichten van de werkzaamheden worden behandeld als asbest of asbesthoudende producten. 5. In het vierde lid (nieuw) wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’. B Artikel 7.10, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel c wordt als volgt gewijzigd: a. De subonderdelen 2 tot en met 4 vervallen, onder vernummering van de subonderdelen 5 tot en met 7 tot 2 tot en met 4. b. Er wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van subonderdeel 4 (nieuw) door een puntkomma, een subonderdeel toegevoegd, luidende: 5°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Pagina 36 van 294 2. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: d. in de uitoefening van een beroep of bedrijf slopen van bouwwerken dat is gericht op: 1˚. het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp, voor zover dit plaatsvindt door de daartoe bevoegde instanties; 2˚. het uitvoeren van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 of de opsporingstaken, bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. C Artikel 7.11 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd: a. Onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van onderdeel f door een puntkomma en onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel h wordt een onderdeel ingevoegd, luidende: g. als bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd, de exacte hoeveelheden en soorten asbest en asbesthoudende producten die zullen worden verwijderd; b. In onderdeel h (nieuw) wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘asbestdocumentatie dan wel’ en wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’. c. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h (nieuw) door ‘; en’, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: i. als bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd en degene die de sloopwerkzaamheden verricht, handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, de naam en het kenmerk, bedoeld in artikel 4.57, negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit van degene die de sloopwerkzaamheden zal verrichten. 2. Het vierde lid vervalt. D Artikel 7.12 komt te luiden: Artikel 7.12. (informeren: begin en beëindiging sloopwerkzaamheden) 1. Ten minste twee werkdagen voor het begin van sloopwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd. 2. Als bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd en degene die de sloopwerkzaamheden verricht, handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt in aanvulling op het eerste lid de beschrijving van de wijze waarop het verrichten van de sloopwerkzaamheden gaat plaatsvinden, bedoeld in artikel 7.11, onderdeel e, meegedeeld, en een werkschema met de data en tijdstippen, waaruit mede blijkt of op weekenddagen gewerkt wordt en wat de gebruikelijke werktijden zijn. 3. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beëindiging van de sloopwerkzaamheden daarover geïnformeerd. 4. Voor het eerste en het derde lid geldt dat: a. deze alleen van toepassing zijn op het slopen van een bouwwerk waarvoor een sloopmelding nodig is; en b. in de berichten om te voldoen aan de informatieplichten, bedoeld in die leden, het unieke nummer van de sloopmelding wordt opgenomen. Pagina 37 van 294 E Artikel 7.12a komt te luiden: Artikel 7.12a. (gegevens en bescheiden: eindbeoordeling) 1. Binnen twee weken nadat de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22, is verricht, wordt het resultaat hiervan verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2. 2. Het resultaat van de eindbeoordeling wordt verstrekt in de vorm die is vastgesteld krachtens artikel 4.56, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. 3. Voor het eerste lid geldt dat: a. dit alleen van toepassing is op het slopen van een bouwwerk waarbij asbest wordt verwijderd en waarvoor een sloopmelding nodig is; b. in het bericht om te voldoen aan de informatieplicht, bedoeld in dat lid, het unieke nummer van de sloopmelding wordt opgenomen. F In artikel 7.13, onderdeel g, wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘asbestdocumentatie dan wel’ en wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’. G Artikel 7.20 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het opschrift wordt ‘risicoklasse 2 en 2A’ vervangen door ‘door een vergund bedrijf’. 2. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: 1. De volgende werkzaamheden worden alleen verricht door een bedrijf waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de Arbeidsomstandighedenwet is verleend: 3. Het tweede lid komt te luiden: 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 7.9, tweede lid, onderdeel c. H Artikel 7.22 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid vervalt ‘in een binnenruimte’, en wordt ‘de artikelen 4.51a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘artikel 4.55 van het Arbeidsomstandighedenbesluit’. 2. Het tweede en vierde lid vervallen, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid. 3. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘In een binnenruimte’ vervangen door ‘Er’ en wordt ‘bedoeld in de artikelen 4.51a, tweede lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘bedoeld in het krachtens artikel 4.55, zevende lid, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalde,’. I Onderdeel A van bijlage I wordt als volgt gewijzigd: Pagina 38 van 294 1. In de begripsomschrijving van asbestinventarisatierapport wordt ‘artikel 4.54a, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘artikel 4.49 van het Arbeidsomstandighedenbesluit’. 2. In de alfabetische volgorde wordt een nieuwe begripsbepaling ingevoegd, luidende: asbestdocumentatie: documentatie als bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit; 3. De begripsbepaling LAVS vervalt. ARTIKEL IV Het Omgevingsbesluit wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1.1a, tweede lid, onderdeel a, wordt na ‘7, eerste lid,’ ingevoegd ‘16a,’. B In de artikelen 13.16, 13.17, tweede lid, 13.18, tweede lid, 13.20, eerste lid en tweede lid, onderdeel h, 13.21, eerste lid, 13.23, tweede lid, 13.24, eerste lid, wordt ‘artikel 1, derde lid, onder d,’ vervangen door ‘artikel 1, eerste lid,’. C In artikel 13.26 wordt ‘Een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar’ vervangen door ‘Onze Minister van Werk en Participatie’. D Aan hoofdstuk 14 wordt een afdeling toegevoegd, luidende: Afdeling 14.5. Gebruik van de landelijke voorziening op grond van de Arbeidsomstandighedenwet Artikel 14.13. (begripsbepaling) In deze afdeling wordt onder toezichthouder verstaan: de aangewezen toezichthouder, bedoeld in de artikelen 4.37, eerste lid, 4.53, eerste en tweede lid, en 4.56, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 14.14. (aanwijzing informatieverplichtingen) 1. Aan de informatieverplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.37, eerste en derde lid, 4.53, eerste en tweede lid, en 4.56, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan worden voldaan via de landelijke voorziening. 2. De artikelen 14.2, 14.3 en 14.7 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. in de artikelen 14.2, eerste lid, onderdeel b, en 14.7 in plaats van ‘het bevoegd gezag’ wordt gelezen ‘de toezichthouder’. Pagina 39 van 294 b. de verplichting tot het beschikbaar stellen van informatie, bedoeld in artikel 14.2, derde lid, van toepassing is op Onze Minister van Werk en Participatie. 3. De informatieverplichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van de krachtens artikel 16.139 van de wet gestelde regels, voor zover deze gaan over de landelijke voorziening, en de bij of krachtens afdeling 20.5 van de wet gestelde regels gelijkgesteld aan een verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding. Artikel 14.15. (doorzendfunctionaliteit) Onverminderd artikel 14.5b, voorziet de landelijke voorziening in het elektronisch doorzenden van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet naar de toezichthouder voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel 14.16. (doorzenden berichten) 1. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening brengt de volgende berichten onverwijld binnen het bereik van de toezichthouder voor het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet: a. sloopmeldingen als bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, als bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd; en b. berichten om te voldoen aan de informatieplichten, bedoeld in de artikelen 7.12, derde lid, en 7.12a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, als bij de sloopwerkzaamheden asbest is verwijderd. 2. Artikel 14.7b, tweede lid, is van toepassing op de berichten, bedoeld in het eerste lid. Artikel 14.17. (verwerking van persoonsgegevens bij gebruik landelijke voorziening) 1. De artikelen 14.8, tweede lid, 14.9 en 14.10 zijn van overeenkomstige toepassing op de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 14.14, eerste lid, met dien verstande dat in plaats van ‘het bevoegd gezag’ wordt gelezen ‘de toezichthouder’. 2. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verwerkt voor het doorzenden van berichten over meldingen en gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 14.16, eerste lid, aan de toezichthouder de volgende persoonsgegevens: a. over gebruikers: gegevens om te kunnen communiceren, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer; b. over initiatiefnemers, opdrachtgevers en uitvoerders: gegevens ten behoeve van het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, waaronder gegevens over de activiteit, de locatie waar de activiteit wordt verricht, de naam, de organisatienaam en het adres; en c. over derden: gegevens om het asbestinventarisatierapport en het resultaat van de eindbeoordeling, bedoeld in de artikelen 7.9 respectievelijk 7.12a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving te verifiëren, waaronder de naam van de partij die het asbestinventarisatierapport heeft opgesteld respectievelijk de eindbeoordeling heeft verricht. 3. Voor de persoonsgegevens gelden de in artikel 14.7, tweede en derde lid, genoemde bewaartermijnen. ARTIKEL V Pagina 40 van 294 Met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit besluit vervallen van rechtswege alle aanwijzingen als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zoals dit artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit. ARTIKEL VI Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. ARTIKEL VII Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen Pagina 41 van 294 Toelichting INHOUDSOPGAVE Algemeen 1. Inleiding 2. Implementatiewetgeving 3. Hoofdlijnen van het voorstel 3.1 Vergunningplicht 3.1.1 Reikwijdte van de vergunningplicht 3.1.1.1 Vergunningtypen 3.1.2 Bewijs van naleving 3.1.2.1 Differentiatie in het bewijs van naleving 3.1.2.2 Een ander bewijs van naleving dan certificering 3.1.2.3 Mogelijke alternatieven voor de gekozen vorm van differentiatie 3.1.3 Opleidingen 3.1.3.1 Nieuwe eisen richtlijn en verhouding tot de Nederlandse praktijk 3.1.3.2 Doel en reikwijdte 3.1.3.3 Voorlichting aan werknemers die asbest tegen kunnen komen 3.1.3.4 Gedifferentieerde opleidingseisen op basis van het type werkzaamheden 3.1.3.5 Opleidingen worden gegeven door erkende opleiders 3.1.3.6 De afgeronde opleiding wordt vastgelegd in een register 3.1.3.7 Wettelijke persoonscertificatie is vervallen 3.1.3.8 Examinering en invulling duurzame vakbekwaamheid 3.1.4 De aanvraag van een vergunning 3.1.5 Naleefgedrag en integriteit 3.1.5.1 Het gebruik van toezichtsinformatie 3.1.5.2 De Verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen (VOG RP) 3.1.5.3 De inzet van de Wet Bibob 3.2 Verbetering certificatiestelsel 3.3 Grenswaarde 3.4 Ondergrens 3.5 Asbestinventarisatie 3.6 Meldplicht 3.7 Eerdere uitzonderingen inventarisatie-, certificatie- en meldingsplicht 3.8 Het gebruik van SMART-ns 3.9 Eindbeoordelingen 3.10 Meten tijdens asbestwerkzaamheden 3.11 Blootstellingsregistratie en medische keuring 3.12 Het Validatie- en Innovatiepunt (VIP) 4. Verhouding tot hoger recht 4.1 Asbestrichtlijn 4.2 REACH-verordening 4.3 Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest (ILO 162) 4.4 Kaderrichtlijn arbeidsveiligheid 4.5 Vrij verkeer van werknemers, vrij verkeer van diensten en vrijheid van vestiging 4.6 Grondwet, EVRM en IVBPR 4.7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 4.8 Algemene verordening gegevensbescherming Pagina 42 van 294 4.9 Richtlijn erkenning beroepskwalificaties 5. Verhouding tot nationale regelgeving 6. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen) 7. Uitvoering 8. Toezicht en handhaving 9. Financiële gevolgen 9.1 Regeldruk 9.1.1 Berekening regeldruk volgens Panteia 9.1.2 Niet door Panteia meegenomen wijzigingen in het conceptbesluit 9.1.3 Totaalbeeld 9.2 Kosten voor de overheid 10. Evaluatie 11. Advies en consultatie 11.1 Parlementaire betrokkenheid (voorhang) 11.2 Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden(UDO) 11.3 Overleg Platform Bouwregelgeving 11.4 Bedrijfseffectentoets (BET) 11.5 Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) 11.6 U&H-toets Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) 11.7 U&H-toets Omgevingsdienst NL 11.8 U&H-toets Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) 11.9 HUF-toets Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) 11.10 Autoriteit Persoonsgegevens (AP) 11.11 Impactanalyse Dienst Justis/Landelijk Bureau Bibob (LBB) 11.12 Internetconsultatie 12. Overgangsrecht en inwerkingtreding 13. Bijlagen Artikelsgewijs Artikel I (wijzigingen Arbeidsomstandighedenbesluit) Artikel II (wijzigingen Asbestverwijderingsbesluit 2005) Artikel III (wijzigingen Besluit bouwwerken leefomgeving) Artikel IV (vervallen aanwijzingen certificerende instellingen) Artikel V (inwerkingtreding) Artikel VI (citeertitel) Bijlage A Transponeringstabel bij de omzetting van Richtlijn (EU) 2023/2668 Bijlage B Weergave van nationale uitwerking en beleidskeuzes bij implementatie Bijlage C Overzicht van delegatiegrondslagen in afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit Bijlage D Afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit Pagina 43 van 294 Algemeen 1. Inleiding Achtergrond en totstandkoming Dit wijzigingsbesluit dient ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (hierna: Wijzigingsrichtlijn)1. Deze Wijzigingsrichtlijn wijzigt Richtlijn 2009/148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (hierna: Asbestrichtlijn). Doel van de Wijzigingsrichtlijn is om werknemers beter te beschermen tegen blootstelling aan asbest bij het verrichten van arbeid. De Wijzigingsrichtlijn introduceert onder meer een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden gaan verrichten. Om dit te kunnen bewerkstelligen is eerder een wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet2 (hierna: Arbowet) in procedure gebracht. Deze zal tegelijkertijd met dit besluit in werking treden. De Wijzigingsrichtlijn moest uiterlijk op 21 december 2025 geïmplementeerd zijn. Dit was niet haalbaar. Wel voldoet Nederland al op een groot aantal punten aan de Richtlijn. Zo voldoet Nederland al aan de aangescherpte grenswaarde die de Richtlijn voorschrijft. De basis voor de grenswaarde in Nederland, zoals vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit), is het advies van de Gezondheidsraad uit 2010 “Risico’s van milieu- en beroepsmatige blootstelling”.3 Toegang tot de markt is weliswaar niet geregeld via een vergunningplicht, maar alleen gecertificeerde bedrijven kunnen de meest risicovolle werkzaamheden uitvoeren. De Wijzigingsrichtlijn één op één overnemen in de Nederlandse regelgeving, en daarom een puur zuivere implementatie bewerkstelligen, was niet mogelijk. De Wijzigingsrichtlijn is op veel punten niet concreet en daarom is nadere invulling nodig, zoals de invulling van het bewijs van naleving. Het introduceren van een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten, werkt bovendien door op tal van onderdelen in de regelgeving en heeft een herziening van het grootste deel van de nationale regelgeving tot gevolg. In beginsel dient implementatie ook lastenluw te zijn. In hoofdstuk 9 wordt hier verder op ingegaan. Bij de nadere invulling van de artikelen uit de Wijzigingsrichtlijn is rekening gehouden met de bestaande nationale regelgeving en praktijk en het begrijpelijker maken van de asbestregelgeving. Daarnaast is beoogd de totale lasten zo laag mogelijk te houden zonder afbreuk te doen aan het belang dat werknemers hun werk gezond en veilig doen. Zo gelden er strengere regels waar de risico’s hoger zijn en minder strenge regels waar de risico’s lager zijn. Bij de implementatie van de Wijzigingsrichtlijn is gebruik gemaakt van de denkrichtingen in het eerder beoogde meer risicogerichte beleid. Met de brieven van 28 november 2017 1 Richtlijn - EU - 2023/2668 - EN - EUR-Lex 2 Kamerstukken II 2025/2026, 36843, nr. 2. 3 Asbest: Risico’s van milieu- en beroepsmatige blootstelling | Advies | Gezondheidsraad Pagina 44 van 294 en 27 september 20184 gaf de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) een beleidsreactie op het onderzoeksrapport van Tauw naar het asbeststelsel van 20 oktober 20175. In de hiervoor genoemde brief van 27 september 2018 werd een aantal stappen aangekondigd om het asbeststelsel te verbeteren. Het betrof het verbeteren van de regelgeving en certificatie-eisen, het verduidelijken van de stand van de wetenschap met het instrument SMArt, het stimuleren van innovatie, het in balans brengen van de vertegenwoordiging bij certificatie, het richten van de certificeringsplicht op complexe werkzaamheden, het verkennen van verbetermogelijkheden in eindbeoordelingen en het effectiever maken van toezicht. Wanneer de genoemde maatregelen na invoering niet voldoende effectief zouden blijken te zijn, zouden de mogelijkheden worden verkend om met een erkenningsregeling notoire overtreders van de markt te kunnen halen. Voor het realiseren van een certificeringsplicht voor complexe werkzaamheden en de aanwijzing van het aangepaste SMArt, is een wijziging van het Arbobesluit voorbereid, tezamen met de daarvoor benodigde wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze wijziging is op 24 oktober 2022 aangeboden aan de Tweede Kamer6 en gelijktijdig aan de Eerste Kamer. Na publicatie van de Wijzigingsrichtlijn is met de brief van 21 december 20237 gemeld dat de Raad van State is verzocht de adviesvraag van 7 juli 2023 aan te houden, in afwachting van meer duidelijkheid over de gevolgen van de Wijzigingsrichtlijn. Toen duidelijk werd dat de benodigde wijzigingen in verband met de Wijzigingsrichtlijn niet aansloten bij de voorgenomen wijziging, is de adviesvraag aan de Raad van State teruggetrokken en is de Tweede Kamer daarover per brief van 22 april 20248 geïnformeerd. De concretisering van de Wijzigingsrichtlijn sluit waar mogelijk aan bij de eerdere oplossingsrichtingen, om de verbeterpunten te realiseren uit het rapport van Tauw. De implementatie van de Wijzigingsrichtlijn biedt hiervoor kansen. Zo is de eerdere gedachte achter een risicogerichte aanpak benut bij de totstandkoming van verschillende typen vergunningen. De eerder geschetste mogelijkheid om pas over te gaan tot een erkenningenstelsel als de getroffen maatregelen onvoldoende effect zouden hebben, moet met de vergunningplicht uit de Wijzigingsrichtlijn nu al (in andere vorm) worden ingevoerd. Hoewel de Asbestrichtlijn ziet op bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk, is niet alleen de Arboregelgeving gewijzigd. Er is een nauwe verwevenheid tussen de asbestregelgeving op het gebied van arbo en die over de gebouwde omgeving, leefomgeving en milieu. Deze zijn niet los van elkaar te zien. Daarom is de regelgeving tot stand gekomen in nauwe samenspraak met het onderdeel Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: I&W) en decentrale overheden. Het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn aangepast om aan te sluiten op de nieuwe regels in de arboregelgeving. In het Omgevingsbesluit is een artikel toegevoegd waardoor de arbomelding via de landelijke 4 Kamerstukken II 2017/2018, 25834, nr. 132 en Kamerstukken II 2018/2019, 25834, nr. 150 5 Kamerstukken II 2017/2018, 25834, nr. 130 6 Kamerstukken II 2022/2023, 25834, nr. 189 7 Kamerstukken II 2023/2024, 25834, nr. 194 8 Kamerstukken II 2023/2024, 25834, nr. 196 Pagina 45 van 294 voorziening kan worden ingediend. Het Arbeidsomstandighedenbesluit en de regeling zijn tot stand gekomen met intensieve betrokkenheid van een klankbordgroep. Daarin waren zowel gecertificeerde als niet gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven vertegenwoordigd, naast asbestinventarisatiebedrijven, laboratoria, opdrachtgevers en toezichthouders. Bij gelegenheid zijn andere partijen, zoals CI’s en de schemabeheerder Ascert, aangesloten. FNV, VNO-NCW, het ministerie van BZK en IenW en de VNG waren betrokken als agendalid. Daarnaast was de VNG aangesloten bij de reguliere overleggen tussen SZW, IenW en BZK. Algemeen De Asbestrichtlijn voorziet in een consistent niveau van bescherming tegen de risico’s van beroepsmatige blootstelling aan asbest via een kader van algemene beginselen. Dit verplicht de lidstaten te zorgen voor een consequente toepassing van de minimumvoorschriften. De bescherming van werknemers komt zo op het niveau van de Europese Unie. Lidstaten kunnen daarnaast strengere bepalingen vaststellen. De Asbestrichtlijn is vanwege de zeer kankerverwekkende eigenschappen van asbest, en daarmee het grote gezondheidsrisico voor werknemers, van toepassing op álle activiteiten, zoals bouw-, renovatie- en sloopwerkzaamheden, met (mogelijke) blootstelling van werknemers aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen. Doelstelling Voor bepaalde asbestwerkzaamheden was een certificaat verplicht. Door de Wijzigingsregeling komt er een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden(hierna: asbestverwijdering) gaan verrichten. Volgens de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA)9 is momenteel sprake van een slechte naleving van voorschriften door gecertificeerde bedrijven. Zo presteert 19% goed, 63% matig en 18% slecht. Circa de helft van de overtredingen heeft betrekking op het werken op hoogte. Deze overtredingen spelen overigens geen rol bij het verlenen van vergunningen, aangezien deze niet direct asbestgerelateerd zijn10. De vergunningverlening maakt effectiever optreden mogelijk tegen bedrijven die slecht presteren en die niet verbeteren ondanks de huidige handhaving. Zonder verbetering van naleefgedrag kunnen de overtredende bedrijven van de markt worden geweerd. Het instrument van certificering is niet bedoeld om dit soort gedrag te verbeteren, maar krijgt in dit wijzigingsbesluit wel een rol onder de vergunningplicht. Het certificaat is het door de Wijzigingsrichtlijn vereiste bewijs van naleving. Dankzij de vergunningplicht ontstaat meer zicht op de bedrijven die asbestverwijderingen mogen uitvoeren. Dat zicht ontbreekt nu deels, omdat voor werkzaamheden in een lagere risicoklasse geen certificeringsplicht geldt. Het verbeteren van het naleefgedrag draagt bij aan de doelstellingen van de Arbovisie11: er zouden geen mensen meer moeten overlijden door slechte omstandigheden op het werk, en, om dit te bereiken leven alle werkgevers, opdrachtgevers en werkenden de arboregelgeving na. Verder wil het kabinet tegemoetkomen aan de constatering van de 9 Programmarapportage Asbest, Nederlandse Arbeidsinspectie, januari 2025 10 Deze niet-asbestgerelateerde Arbo-overtredingen worden buiten beschouwing gelaten voor de vergunningverlening. 11 Kamerstukken II, 2023/2024, 25883, nr. 477) Pagina 46 van 294 Algemene Rekenkamer12 dat de handhavingsinstrumenten waarover de Arbeidsinspectie beschikt, niet toereikend zijn om het nalevingsgedrag van de groep herhaalde overtreders te verbeteren. Dat komt, volgens de Algemene Rekenkamer, door de eisen aan het opleggen van zwaardere maatregelen en langlopende juridische trajecten van bezwaar- en beroepsprocedures. Vanwege het grote belang om het naleefgedrag te verbeteren, voorziet het bovenliggende wetsvoorstel onder meer in het kunnen inzetten van de Wet Bibob en bevat dit besluit onder meer de mogelijkheid tot het gebruiken van toezichtinformatie bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag In artikel 6 van de Wijzigingsrichtlijn staan maatregelen om de blootstelling van werknemers aan stof afkomstig van asbest- of asbesthoudende materialen op de werkplek tot een minimum te beperken bij bepaalde werkzaamheden. De Wijzigingsrichtlijn vraagt om een bewijs van naleving van dit artikel, waaruit duidelijk blijkt dat er groot belang wordt gehecht aan het zo laag mogelijk houden van de blootstelling aan de bron. Dit komt niet alleen ten goede aan de werknemer, maar ook aan omstanders en aan de leefomgeving. De invulling van het bewijs van naleving met een procescertificaat of een erkende werkmethode, en de komst van het instrument SMART-ns (zie paragraaf 3.8), stimuleert het nemen van emissiebeperkende maatregelen. Het wijzigingsbesluit De vergunningplicht in het eerdere wetsvoorstel is een rechtstreekse uitwerking van Europese verplichtingen. Dit wijzigingsbesluit bevat onder meer de verdere uitwerking van de vergunningplicht. Daarnaast bevat het de nodige aanpassingen om te voldoen aan de overige bepalingen van de Wijzigingsrichtlijn. Daarvoor is ook een wijziging van de Arboregeling nodig. Omdat de asbestregelgeving van I&W en BZK, respectievelijk het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving, sterk verweven zijn met de bepalingen in het Arbobesluit zijn hier ook de nodige wijzigingen in aangebracht. De opbouw van het Arbobesluit is grondig gewijzigd. Het is verduidelijkt dat de grenswaarde voor álle werknemers geldt, ongeacht of zij actief werken aan asbest of niet. Het besluit is verder opgebouwd van meer algemeen tot meer specifiek. De scope van het wijzigingsbesluit betreft alleen werkzaamheden die door bedrijven worden uitgevoerd. Regels voor particulieren worden hiermee niet gewijzigd. 2. Implementatiewetgeving De Wijzigingsrichtlijn scherpt de regelgeving aan vanwege de te verwachten renovatiegolf waarbij werkenden met asbest in aanraking kunnen komen. De Wijzigingsrichtlijn is hoofdzakelijk geïmplementeerd in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het Arbobesluit. Zoals bij alle nieuwe regelgeving is op grond van het comply or explain principe beoordeeld of de voorgestelde wet- en regelgeving ook moet gelden voor de BES-eilanden. Door het kleinschalige karakter van de eilanden is deze wet- en regelgeving daar niet toepasbaar. De Asbestrichtlijn was zoals gebruikelijk bij Europese 12 Verantwoordingsonderzoek Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV), Rapport bij het Jaarverslag 2023, zoals vastgesteld op 6 mei 2024, Brief aan de Tweede Kamer van 15 mei 2024 (Kamerstukken II 2023/2024, 36560-XV, nr. 2) Pagina 47 van 294 regels al niet van toepassing op de eilanden. Wel gelden daar sinds 1 juli 2019 nieuwe regels voor het werken met asbest13. De introductie van een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten is een grote verandering in het Nederlandse stelsel. Hiervoor was een wijziging van de Arbowet nodig. De verdere uitwerking van de vergunningplicht is in het Arbobesluit opgenomen. De Richtlijn vraagt meer aandacht voor de preventieve maatregelen bij asbestwerkzaamheden, door artikel 6 aan te scherpen. Een bewijs van naleving van artikel 6 is bovendien een voorwaarde voor de vergunning. De Wijzigingsrichtlijn stelt ook strengere eisen aan opleidingen op basis van het gewijzigde artikel 14 en bijlage I bis, zoals een erkende instructeur. Deze opleiding van werknemers is tevens een vereiste voor het verkrijgen van de hierboven genoemde vergunning. Nederland kende risicoklassen waaruit bleek of er boven of onder de grenswaarde werd gewerkt en welke maatregelen dan op grond van de Asbestrichtlijn geldend waren. Alleen gecertificeerde bedrijven mochten werkzaamheden boven de grenswaarde verrichten. De grenswaarde lag in Nederland beduidend lager dan die van de Asbestrichtlijn14. Dit was gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad. In Nederland werd in de praktijk het instrument SMA-rt gebruikt om invulling te geven aan de vanuit de Asbestrichtlijn vereiste risicobeoordeling vooraf. SMA-rt gaf aan in welke risicoklasse de verwijdering viel. Er zijn artikelen die voorheen niet golden voor het werken onder de grenswaarde, maar nu ook daarvoor gelden. Om de complexiteit van de regelgeving te beperken en omdat deze in de nieuwe situatie minder toegevoegde waarde hebben, vervallen de bestaande risicoklassen in de nationale regelgeving. De grenswaarde blijft bestaan. Een aantal artikelen geldt nog steeds alleen bij een overschrijding van de grenswaarde. De verplichte melding voorafgaand aan werkzaamheden wordt uitgebreid in de Wijzigingsrichtlijn. De grenswaarde is op Europees niveau aangescherpt15 en wordt op 21 december 2029 verder verlaagd16. De Nederlandse grenswaarde was al lager, waardoor de aanscherping van de Europese grenswaarde geen gevolgen heeft. De Nederlandse grenswaarde voldoet ook al aan de verlaagde grenswaarde die op 21 december 2029 moet gelden. 3. Hoofdlijnen van het voorstel In dit wijzigingsbesluit (en onderliggend de arboregeling) staat het volgende: a. De vergunningplicht voor bedrijven die asbest verwijderen in de Arbowet is in het Arbobesluit en in de Arboregeling verder uitgewerkt. b. De vergunning geldt voor onbepaalde tijd tenzij er aanleiding is hiervan af te wijken. Het besluit schrijft de gronden voor schorsing, intrekking of weigering van een vergunning voor. Deze worden nader gespecifieerd in een beleidsregel. Daarin wordt ook vastgelegd hoe wordt omgegaan met 13 Zie het Arbeidsveiligheidsbesluit IV Caribisch Nederland. 14 Namelijk 2000 vezels i 8 uur-tijdgewogen gemiddelde (8-uur t.g.g.) versus 100.000 vezels 8-uur t.g.g. 15 Van 100.000 vezels/m3 acht-uur tijdgewogen gemiddelde (hierna t.g.g.) naar 10.000 vezels/m3 acht-uur t.g.g. 16 naar 2000 vezels/m3 8 uur t.g.g., tenzij dunne vezels worden meegeteld. Dan blijft de grenswaarde 10.000 vezels/m3 8 uur t.g.g.. Pagina 48 van 294 toezichtsinformatie die aan de vergunningverlener wordt verstrekt. Dit voorkomt dat herhaalde overtreders een vergunning krijgen of houden. c. In de Arboregeling is vastgelegd dat er een openbare lijst is met alle geldige vergunningen. d. Het besluit regelt hoe bedrijven met een vergunning van een andere lidstaat in Nederland aan de vergunningplicht moeten voldoen om ook op de Nederlandse markt te mogen werken. e. Het besluit legt verschillende typen vergunningen vast: beperkt, basis en uitgebreid. Waar hogere risico’s zijn, gelden strengere eisen. Deze indeling is gebaseerd op asbesttoepassingen. Hoe steviger de asbestvezels in een matrix zitten, hoe minder makkelijk deze vrijkomen. In de Arboregeling staat welke asbesttoepassing met welk type vergunning mag worden verwijderd. f. In het Arbobesluit staan de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning. Voor afgifte van de vergunning is een bewijs van naleving vereist volgens de Wijzigingsrichtlijn. Wat geldt als het bewijs van naleving staat in de Arboregeling. Voor de vergunning beperkt geldt hiervoor een erkende werkmethode. Voor de vergunningen basis en uitgebreid is een procescertificaat vereist. g. Eerder was een procescertificaat nodig voor werkzaamheden boven de grenswaarde. Er was veel kritiek op het certificatiestelsel. Daarom is het procescertificaat aangepast. Publiek en privaat zijn beter gescheiden. De overheid kan de vergunning intrekken. Het certificatiestelsel richt zich meer op kwaliteitsverbetering en -borging. De verwijzing naar het meest recente certificatieschema staat in de Arboregeling. h. Voor afgifte van de vergunning zijn ook erkende opleidingen van de medewerkers vereist. Daarnaast schrijft de Wijzigingsrichtlijn voor dat ook werknemers die andere werkzaamheden met asbest verrichten, een erkende opleiding moeten hebben gevolgd. De procedure voor het erkennen van opleidingen staat in het besluit. Welke opleiding geldt voor welke werkzaamheden en de eisen aan de opleidingen per categorie staan in de Arboregeling. Evenals de verplichtingen waar opleiders aan moeten voldoen om erkend te kunnen worden en blijven. i. Voor personen die asbest tegen kunnen komen in het werk geldt net als voorheen een verplichte voorlichting van de werkgever. Voor personen in beroepen waarbij blootstelling kan optreden, zoals bij de brandweer, geldt een basisopleiding. Voor personen die aan asbest werken zijn verschillende categorieën erkende opleidingen opgenomen. Voor asbestverwijderingen sluiten deze aan bij de verschillende typen vergunningen. j. Voor opleidingen in de categorie beperkt geldt een deelnameplicht, voor de categorieën basis en uitgebreid moet de werknemer ook een examen doen. k. Elke drie jaar moet de werknemer een opleiding of bijscholing volgen. De persoonscertificatie is afgeschaft. Hiermee vervalt ook het doen van een examen elke drie jaar. l. Alle personen die een erkende opleiding hebben gevolgd staan in het Register Gezond en Veilig werken met asbest. Dit is opgenomen in het Arbobesluit. Daar staat bij welke werkzaamheden zij mogen uitvoeren. In de Arboregeling staan de opleidingscategorieën nader omschreven. m. De registratienummers van personen worden gebruikt bij de vergunningaanvraag en bij het doen van projectmeldingen. Dit voorkomt dat de werkgever elke keer de opleidingscertificaten moet aanleveren. Pagina 49 van 294 n. Voor alle asbestwerkzaamheden is volgens het Arbobesluit een melding vooraf in het Omgevingsloket verplicht. Verwijderingswerkzaamheden in de categorie beperkt zijn hiervan uitgezonderd. Ook zijn er uitzonderingsgronden voor bijvoorbeeld levensbedreigende situatiesin het Arbobesluit opgenomen. o. Voor de verwijdering moet ook een risicobeoordeling plaatsvinden. Met een erkende werkmethode is vooraf aangetoond dat er onder de grenswaarde wordt gewerkt. Als die er niet is, kan dit op basis van meetgegevens of een modelberekening via een nieuw instrument. In de Arboregeling wordt SMART-ns als instrument aangewezen. p. SMART-ns stimuleert de asbestverwijderaar de blootstelling zo laag mogelijk te houden en geeft inzicht in te nemen emissiebeperkende maatregelen. Op basis van de blootstelling bepaalt SMART-ns of een afscherming vereist is, wat de minimale beheersmaatregelen zijn en wat voor eindbeoordeling nodig is. q. Een asbestinventarisatiebureau legt op basis van het Arbobesluit de feitelijke kenmerken van de aangetroffen asbestbronnen vast in een rapport en in SMART-ns. De asbestverwijderaar vult vervolgens de werkmethode in om de blootstelling te bepalen. r. Als de asbestverwijderaar documentatie heeft om de asbestbronnen te identificeren, vult hij deze zelf in SMART-ns in. De mogelijkheid om met documentatie te kunnen identificeren is nieuw. Voorheen kon dat alleen met een asbestinventarisatie. De eisen die hieraan gesteld worden staan in de Arboregeling. s. Na afronding van de werkzaamheden en schoonmaak van het werkgebied is een eindbeoordeling verplicht. Dit toont aan of het werkgebied weer veilig is. De eindbeoordeling is afhankelijk van de asbesttoepassing en de hoogte van de blootstelling. Wanneer welke eindbeoordeling geldt staat in het Arbobesluit. Nadere regels aan de uitvoering van de eindbeoordeling en uitzonderingen op de eisen van de eindbeoordeling staan in de Arboregeling. t. In het Besluit staat wanneer een eindbeoordeling mag worden gedaan door de asbestverwijderaar en wanneer dit door een onafhankelijke partij moet worden gedaan. Een eindbeoordeling bestaat altijd uit een visuele inspectie, soms ook uit luchtmetingen of kleefmonsters. In de Arboregeling staan de criteria voor het kunnen vrijgeven van het werkgebied. u. De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat ook onder de grenswaarde een werkplan, blootstellingsregistraties en medische keuringen nodig zijn. Deze eisen staan in het Arbobesluit. 3.1 Vergunningplicht De Wijzigingsrichtlijn vereist dat alle ondernemingen die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten een vergunning hebben. De vergunning geldt op nationaal niveau. Met de vergunning is het een bedrijf dus toegestaan werkzaamheden in heel Nederland te verrichten. De vergunningverlener is de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (DSU). Dit is een onderdeel van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Via de wijziging van de Arbowet is invulling gegeven aan de vergunningplicht. Daarnaast biedt de Arbowet een grondslag voor een vergunningplicht voor het bewerken van asbest. In de Memorie van toelichting bij de wetswijziging is toegelicht dat de begrippen Pagina 50 van 294 asbestverwijdering en het bewerken van asbest al in bestaande regelgeving voorkomt en geen nadere duiding behoeven. Volgens de Memorie van toelichting is bewerken gericht op het veranderen van de hoedanigheid van een asbesttoepassingen niet op het verwijderen van asbest. De wetswijziging voorziet in het openbaar kunnen maken van verleende vergunningen. Ten slotte voorziet de wijziging van de wet, zoals toegelicht in de Memorie van toelichting, in een tweetal instrumenten om de integriteit van de aanvrager te beoordelen. Er geldt de verplichting tot een VOG-rechtspersoon en het is mogelijk een Bibob-onderzoek te doen als daar aanleiding toe bestaat. Zoals in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is beschreven, is het Bibob-instrument bedoeld om misbruik van vergunningen te voorkomen. Met het huidige instrumentarium is het niet goed te voorkomen dat bedrijven die herhaaldelijk ernstige overtredingen begaan een doorstart kunnen maken onder een andere naam. Het instrument wordt gericht ingezet, als er een concrete aanleiding is dat een dergelijk onderzoek gerechtvaardigd is. In de wijziging van de Arbowet is verder bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de aanvraag, verlening, wijziging, schorsing en intrekking van de vergunning. En ook over de geldigheidsduur, de reikwijdte van de vergunning met betrekking tot het type werkzaamheden, de aan de vergunning te verbinden voorschriften en de bij een aanvraag te overleggen gegevens. In deze wijziging van het Arbobesluit is daar invulling aan gegeven. De Wijzigingsrichtlijn stelt twee minimale eisen voor het verkrijgen van een vergunning. Ten eerste moet het bedrijf een bewijs van naleving van artikel 6 van de Wijzigingsrichtlijn overleggen (vertaald naar artikel 4.39 van dit Wijzigingsbesluit). Ten tweede moet het bedrijf de opleidingscertificaten verstrekken van alle werknemers die werkzaamheden zullen verrichten waarop de aanvraag betrekking heeft. 3.1.1 Reikwijdte van de vergunningplicht In artikel 15 van de Wijzigingsrichtlijn is opgenomen dat ondernemingen die beogen werkzaamheden in verband met sloop of asbestverwijdering te verrichten, vóór aanvang van de werkzaamheden over een door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning beschikken. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie is een ‘onderneming’: elke eenheid die een economische activiteit uitvoert, ongeacht haar rechtsvorm en wijze van financiering.17 Dit betekent dat alle bedrijven en zelfstandigen een vergunning moeten aanvragen als ze werkzaamheden willen uitvoeren in verband met sloop- of asbestverwijdering. Zelfstandigen kunnen als hoofdaannemer of onderaannemer werkzaam zijn. De vergunningplicht geldt voor alle ondernemingen, ongeacht hun rol in het project. Zowel hoofdaannemers als onderaannemers moeten een vergunning aanvragen als zij werkzaamheden willen verrichten in verband met sloop- of asbestverwijdering. Wanneer een zelfstandige op projectbasis werkzaamheden uitvoert voor een (hoofd)aannemer, is het van belang om te beoordelen of sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Wie juridisch niet als zelfstandige maar als werknemer wordt gezien, 17 Zie o.a. HvJ EG 23 april 1991, ECLI:EU:C:1991:161 en HvJ EG 16 maart 2004, ECLI:EU:C:2004:150. Pagina 51 van 294 moet uiteraard voldoende zijn opgeleid, maar de vergunningplicht rust dan bij de werkgever. Het begrip asbestverwijdering in dit wijzigingsbesluit heeft betrekking op het weghalen van asbest uit bijvoorbeeld een gebouw, installatie, object, bodem of grond. In de afvalregelgeving heeft het begrip verwijderen een andere betekenis, zoals het storten of het op een andere manier verwerken van het afval. Voor zover bedrijven in de afvalbranche geen asbest verwijderen zoals bedoeld in dit wijzigingsbesluit, hebben ze voor het verwerken van asbesthoudende afvalstoffen geen vergunning volgens dit besluit nodig. 3.1.1.1 Vergunningtypen Niet alle werkzaamheden aan asbest zijn even risicovol. Dit rechtvaardigt een indeling in verschillende vergunningtypen op basis van de risico’s. Zo zijn de eisen streng waar dat nodig is, en gelden minder lasten waar dat verantwoord is. We noemen dit onderscheid in type vergunningen differentiatie. De potentiële blootstelling van de asbesttoepassing is bepalend voor de vereiste vergunning en de daaraan gestelde eisen. Potentiële blootstelling betekent hier: de blootstelling als er geen specifieke emissiebeperkende maatregelen zouden worden getroffen. Daarbij wordt uitgegaan van een vakbekwame werkwijze die normaal is bij het slopen en verwijderen van materialen. Er wordt niet uitgegaan van een uitzonderlijk onzorgvuldige uitvoering. Dan zouden ook materialen met een laag emissiepotentieel tot hoge blootstellingen kunnen leiden. In de praktijk treffen werkgevers wel maatregelen en is dit ook verplicht. Toch gaat het beleid hier uit van de situatie zonder maatregelen, uit voorzorg voor situaties waar werkzaamheden om welke reden dan ook anders verlopen. Dan treedt alsnog de hogere blootstelling op. Naarmate de risico’s op een hogere blootstelling groter zijn, is een hoger niveau van borging nodig. Dat is de reden om voor de vergunningtypen uit te gaan van het potentiële en niet van het daadwerkelijke ingeschatte blootstellingsrisico. Om zicht te krijgen op de potentiële blootstelling zijn asbesttoepassingen in een rapport van TNO ingedeeld in hoofdproductgroepen. Hierbij spelen onder andere de hechtgebondenheid en de samenstelling van de asbesthoudende toepassing een rol18. In algemene zin is de gebondenheid van belang voor het potentiële blootstellingsrisico, omdat asbestvezels bij verstoring sneller in de lucht terecht komen naarmate deze minder stevig zijn gebonden in het product. De hoofdproductgroepen, oplopend geordend in de mate van emissiepotentie, zijn: 1. In kunststof gebonden asbesthoudende toepassingen / imitatiemarmer 2. Elastische asbesthoudende toepassingen 3. Asbestcementtoepassingen 4. Geweven of geperste asbesthoudende toepassingen 5. Licht-gebonden asbesthoudende toepassingen 6. Niet-gebonden asbesthoudende toepassingen Daarnaast kan asbest voorkomen in de vorm van asbestverontreinigingen. Die zijn over het algemeen ontstaan door beschadiging van asbesthoudende toepassingen, onvoldoende reiniging na werkzaamheden aan asbesthoudende toepassingen, of 18 Spaan S, Tromp P, Schinkel J. Aanknopingspunten voor differentiatie in risico's van werkzaamheden met asbest ten behoeve van beheersregimes. TNO-rapport TNO 2019 R11239, 5 september 2019. Brief aan de Tweede Kamer van 7 oktober 2019, Kamerstukken II 2019/2020, 25834, nr. 164. Pagina 52 van 294 incidenten. De herkomst van de verontreiniging is vaak niet bekend. Het voorgaande leidt tot een indeling van drie niveaus van werkzaamheden met asbest en vergunningtypen, namelijk: a. categorie beperkt b. categorie basis c. categorie uitgebreid In eerste instantie is de hoofdproductgroep bepalend voor de indeling in categorieën. In principe vallen de hoofdproductgroepen I en II onder categorie beperkt, III en IV onder categorie basis en categorie V, VI en verontreinigingen onder categorie uitgebreid. Daar zijn uitzonderingen op. De volledige indeling van de asbesttoepassingen en de onderbouwing van de indeling wordt vastgelegd in de Regeling. De indeling is daarmee statisch en robuust. Het is dus niet toegestaan om een asbesthoudend product op grond van enige onderbouwing met een lichtere vergunning te verwijderen dan wat is vereist op grond van de indeling in de Regeling. Wanneer daar aanleiding voor is en daarvoor voldoende onderbouwing beschikbaar is, kan in de toekomst de Regeling worden aangepast. Onderscheid werken in containment De toepassing van een containment is verplicht in binnensituaties wanneer de concentratie boven de grenswaarde komt. Dat betekent dat een containment niet altijd nodig is. Het onderdeel containment is daarom optioneel bij de categorie basis. Voor bijvoorbeeld een bedrijf dat zich toelegt op asbestverwijdering in buitensituaties, zoals de verwijdering van asbestdaken, is een vergunning basis zonder containment voldoende. Dat leidt tot een vereenvoudiging van de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning. Voor het werken in containment zijn specifieke vaardigheden nodig, zoals het creëren van een bepaalde onderdruk en ventilatie en het werken met sluizen voor werknemers, gereedschap en af te voeren afval. Het vergt meer kennis en kunde van werknemers om onder deze omstandigheden gezond en veilig te kunnen werken. Ten slotte is asbest in de bodem een aparte categorie. Voor bodem wordt een onderscheid gemaakt in vergunning beperkt en basis. De vergunning beperkt kan worden verleend voor het verwijderen van asbest uit de bodem of de waterbodem waarbij de verontreiniging met asbest is beperkt tot een bepaald volume. Voor de bodem geldt daarvoor 25 m3 en voor de waterbodem 1000 m3. Daarmee wordt aangesloten op de criteria die in de milieuregelgeving worden gehanteerd. Dat houdt in dat voor deze werkzaamheden geen erkenning volgens het Besluit bodemkwaliteit nodig is. De vergunning basis kan worden verleend voor het verwijderen van asbest uit de bodem of waterbodem waarbij sprake is van een groter volume dat is verontreinigd met asbest. Daarnaast valt het saneren van een met asbest verontreinigde bodem in de categorie basis. Saneren is gedefinieerd in het Besluit activiteiten leefomgeving en komt erop neer dat de verontreiniging wordt beperkt of ongedaan gemaakt. Het verwijderen van asbest zoals bedoeld bij de vergunning beperkt heeft niet dat doel. Daar gaat het om graafwerkzaamheden om bijvoorbeeld een leiding te kunnen leggen. Ten slotte wordt de vergunning basis verleend voor het verwijderen van asbest uit grond of baggerspecie. Dat houdt in dat grond of baggerspecie die is ontgraven procesmatig wordt gereinigd, bijvoorbeeld met een zeefinstallatie. De Aval-vergunning is de vergunning die kan worden verstrekt aan een bedrijf uit een andere Europese lidstaat (van de Europese Economische Ruimte). Dit bedrijf moet bij de aanvraag als bewijs van naleving de vergunning uit een andere lidstaat indienen. De Pagina 53 van 294 werkzaamheden die met de Nederlandse vergunning mogen worden uitgevoerd, komen overeen met waarvoor de vergunning door de andere lidstaat is verstrekt. 3.1.2 Bewijs van naleving Volgens de Wijzigingsrichtlijn is bij de aanvraag van een vergunning onder andere een bewijs van naleving van artikel 6 vereist. Artikel 6 ziet, kort samengevat, op het minimaliseren van de blootstelling van werknemers aan asbest, het beperken van het vrijkomen van asbest en het op de juiste wijze afvoeren van asbestafval. Bij de Wetswijziging is al een toelichting gegeven op de invulling van het bewijs van naleving. In de Wijzigingsrichtlijn zijn geen eisen gesteld aan het bewijs van naleving. Het is aan de lidstaten om hier op nationaal niveau een nadere invulling aan te geven. Ook is ingegaan op de verschillen tussen de gehanteerde begrippen in Europese regelgeving. In bijvoorbeeld productregelgeving staat het begrip “declaration of conformity” waarbij een fabrikant zelf mag verklaren dat zijn product aan Europese eisen voldoet. In de Wijzigingsrichtlijn gaat het om “proof of compliance”, wat betekent dat een instrument met een zwaardere bewijskracht is beoogd dan de eigen verklaring van een ondernemer. Dit kan bijvoorbeeld ingevuld worden door een toetsing door een onafhankelijke partij. In de toelichting bij de Wetswijziging is een afweging van de volgende drie opties beschreven voor de invulling van het bewijs van naleving, waarbij onder certificering procescertificering wordt verstaan: a. Gedifferentieerde certificering voor alle vergunningplichtige werkzaamheden; b. Een lichte vorm van certificering voor alle vergunningplichtige werkzaamheden; c. Een ander bewijs van naleving dan certificering. Bij de Wetswijziging is het voornemen toegelicht om in principe uit te gaan van de inzet van het instrument van certificering als bewijs van naleving. Binnen de certificering is differentiatie mogelijk om invulling te geven aan een risicogerichte aanpak. Daarbij is ook het voornemen beschreven om te kijken of voor werkzaamheden waarvoor de risico’s gering zijn een ander bewijs van naleving voldoende is. Dit zorgt voor een afstemming van de eisen op de risico’s, zoals bij de indeling in vergunningtypen. Wanneer de risico’s lager zijn, is het uitlegbaar dat de borgingseisen minder streng zijn dan wanneer er hogere risico’s bestaan. Dit Wijzigingsbesluit geeft invulling aan optie 1: gedifferentieerde certificering als bewijs van naleving, maar maakt voor een deel van de werkzaamheden ook gebruik van een ander bewijs van naleving (optie 3). De motivatie hiervoor is als volgt. Een volledig dekkend bewijs dat een bedrijf de asbestregelgeving altijd en volledig naleeft is niet realistisch. Certificering (in combinatie met publiek toezicht) komt daar het meest aan tegemoet. Bij certificering toetst een onafhankelijke deskundige partij (de certificerende instelling) of een bedrijf in staat is om een beschreven werkwijze in de praktijk uit te voeren en dat in de praktijk ook daadwerkelijk laat zien. Er zijn zowel controles op kantoor als bij de uitvoering van projecten. Certificering is een vorm van zelfregulering en benut de deskundigheid van de sector. Door certificaten te gebruiken bij de aanvraag van vergunningen, is een inhoudelijke beoordeling van het bewijs van naleving door de vergunningverlener niet nodig. Dit maakt de vergunningverlening eenvoudiger uitvoerbaar. Voor het voldoen aan het bewijs van naleving hoeft slechts te worden getoetst op de geldigheid en reikwijdte van het certificaat. Hiermee maakt de vergunningverlening optimaal gebruik van de positieve kenmerken van certificatie. Voor Pagina 54 van 294 de aanvrager van een vergunning is dat gunstig vanwege de beperkte doorlooptijd en de rechtszekerheid dat een verkregen certificaat een afdoende bewijs van naleving biedt bij de vergunningaanvraag. In een variant zonder certificering ligt de toetsing van het bewijs van naleving vrijwel geheel bij de overheid. Van het opstellen van de (technische) normen waaraan een bewijs van naleving moet voldoen, toetsen van het ingediende bewijs én controle op naleving in de praktijk. Dit zorgt voor een aanzienlijke toename van de overheidscapaciteit met dito kosten voor vergunningverlening. Door te kiezen voor certificering, vraagt de regering meer verantwoordelijkheid en inspanning van het bedrijfsleven om de naleving te borgen. Een herziening van het huidige systeem van certificering is nodig voor een hogere effectiviteit en kwaliteitsverbetering (zie paragraaf 3.2). Certificering is geen vervanging van publiek toezicht, maar ondersteunt het toezicht door structureel de werkwijze te toetsen bij alle gecertificeerde bedrijven. Daardoor kunnen toezichthouders zich meer richten op bedrijven waarvan zij een slechte naleving verwachten of waar de risico’s het grootst zijn (risicogericht toezicht). Een licht niveau van certificering is niet toereikend voor alle werkzaamheden aan asbest. De risico’s voor de gezondheid van werknemers zijn veel hoger bij werkzaamheden aan licht of niet gebonden asbest dan aan hechtgebonden toepassingen. Voor deze toepassingen is het niveau van certificering zoals dat werd gehanteerd in de hogere risicoklasse voor de inwerkingtreding van dit besluit noodzakelijk. Daaraan kiest de regering voor een differentiatie in het bewijs van naleving, aansluitend op de type vergunningen. Dit is verder toegelicht in de paragraaf Differentiatie bewijs van naleving (3.1.2.1). 3.1.2.1 Differentiatie in het bewijs van naleving Zoals toegelicht in paragraaf 3.1.2. is het bewijs van naleving in principe een procescertificaat dat een bedrijf krijgt als het voldoet aan de vereisten die zijn vastgelegd in een certificatieschema. Er zijn twee niveaus van borging binnen het procescertificaat. Welk niveau geldt, is afhankelijk van de mate van het potentiële blootstellingsrisico. Daarnaast zijn er minder risicovolle werkzaamheden waarvoor een ander bewijs van naleving dan een procescertificaat volstaat (omschreven in paragraaf 3.1.2.2). Het type vergunning bepaalt het benodigde bewijs van naleving. Hieronder volgt een toelichting op de differentiatie in het bewijs van naleving. In principe is het basisniveau certificering vereist voor alle sloop- en verwijderingswerkzaamheden waarbij asbest vrijkomt. Er zijn echter asbesttoepassingen waarbij de potentiële blootstellingsrisico’s dermate hoog zijn dat een uitgebreid niveau van certificering is vereist. Voor het vergunningtype beperkt volstaat een ander bewijs van naleving. Voor werkzaamheden aan deze toepassingen is certificering een buitensporig zwaar instrument omdat de potentiële blootstellingsrisico’s laag zijn. Bij de verwijdering van asbesttoepassingen binnen deze categorie wordt de grenswaarde, ook zonder de toepassing van emissiebeperkende maatregelen, over het algemeen niet overschreden. Vergunningtype beperkt - Ander bewijs van naleving Voor werk met asbesttoepassingen in de vergunning beperkt is een ander bewijs van Pagina 55 van 294 naleving mogelijk dan certificering. Een ander bewijs van naleving is in dat geval een werkmethode die door de minister van Werk en Participatie is erkend, ofwel een erkende werkmethode. De minister laat zich hierbij adviseren door het Validatie- en Innovatiepunt asbest (VIP). Dit is verder uitgewerkt in paragraaf 3.12 over het VIP en in de Arboregeling. Bij de vergunningaanvraag verklaart een bedrijf te zullen werken volgens zo’n erkende werkmethode en geeft aan hoe dat geborgd is binnen het bedrijf. De werkmethode dient als een concrete handleiding die voorschrijft hoe je veilig kunt werken bij het verwijderen van asbest. De erkende werkmethode is een extra borging voor het niet overschrijden van de grenswaarde. De vergunning beperkt kan enkel worden afgegeven specifiek voor die toepassingen waar het bedrijf een bewijs van naleving voor heeft. Dit is een wezenlijk verschil met certificering, dat een veel breder bereik van werkzaamheden heeft. De overweging hierbij is dat het vergunningtype beperkt zal worden aangevraagd door bedrijven die asbest verwijderen als een nevenactiviteit en dit per bedrijf op een aantal specifieke werkzaamheden ziet. In tegenstelling tot het instrument certificering is er geen sprake van een onafhankelijke deskundige toetsing of de wijze van uitvoering van werkzaamheden in de praktijk volgens de erkende werkmethode gebeurt. Er zal op enige wijze invulling moeten worden gegeven aan een interne kwaliteitsbeoordeling, waarbij de werkgever verzekert dat zijn werknemers werken volgens de betreffende werkmethode. Vanwege de aard van de werkzaamheden en omdat het bedrijven betreft waarvoor het verwijderen van asbest geen hoofdactiviteit is, zijn hieraan geen concrete eisen gesteld. Bij de vergunningaanvraag omschrijft de aanvrager op welke wijze hij de juiste uitvoering van de erkende werkmethode borgt. Dit biedt de mogelijkheid tot maatwerk. Zo zou een werkgever de naleving periodiek in de praktijk kunnen beoordelen en dit vastleggen in een verslag. Bedrijven in een bepaalde sector kunnen ook komen tot een systeem van wederzijdse visitaties waarbij zij elkaar periodiek toetsen om te kijken of en waar verbeteringen mogelijk zijn. In plaats van een erkende werkmethode, volstaat voor bepaalde eenvoudige werkzaamheden een verklaring over het op een juiste manier verpakken en vervoeren van vrijkomende asbesthoudende afvalstoffen. Het gaat dan om werkzaamheden waarbij het verwijderen van asbest niet meer inhoudt dan het oppakken en verpakken van losliggende voorwerpen. Voor (water)bodemwerkzaamheden in de vergunningcategorie beperkt, is het bewijs van naleving de CROW-Publicatie 400. Daarbij behoort ook de ondertekende verklaring bij de aanvraag te worden ingediend waarmee de aanvrager verklaart de werkzaamheden volgens deze publicatie uit te voeren. Vergunningtype basis – Basisniveau certificering Voor asbesttoepassingen in de categorie basis ligt het potentiële blootstellingsrisico (ruim) boven de grenswaarde maar hebben we niet te maken met extreem hoge potentiële blootstellingsrisico’s. Zodra de blootstellingsrisico’s enorm hoog worden vallen de toepassingen in uitgebreid. Bedrijven die dit type vergunning aanvragen moeten in staat zijn om de blootstelling tijdens de werkzaamheden waar mogelijk onder de grenswaarde terug te brengen. Dit vergt bepaalde vaardigheden. Zij moeten ook in staat zijn te weten hoe te handelen wanneer zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Bij een overschrijding van de grenswaarde zijn aanvullende maatregelen nodig om de werknemer te beschermen en moet de asbestconcentratie in de ingeademde lucht in ieder geval beneden de grenswaarde blijven. Het certificatieschema zal moeten voorzien in voldoende borging hiervan. Pagina 56 van 294 Zoals toegelicht in paragraaf 3.1.1.1 is het bij vergunningtype basis facultatief om hierbij ook het werken met een containment aan de bevoegdheden van de vergunning toe te voegen. In dat geval moet het bewijs van naleving, ofwel het certificaat basis, hierop uitgebreid worden. Het certificatieschema voorziet daarom in een onderdeel met bepalingen voor het werken in containment. Een bedrijf kan ervoor kiezen zich voor dat onderdeel wel of niet te laten certificeren, afhankelijk van de werkzaamheden waarop men zich richt. Die keuze moet zichtbaar zijn gemaakt op het certificaat en de vergunning. Voor (water)bodemwerkzaamheden en het verwijderen van asbest uit grond of baggerspecie in de vergunningcategorie basis, is het bewijs van naleving de erkenning die wordt afgegeven door de minister van IenW op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Bij het zeven van puin mag zowel een procescertificaat basis als een erkenning volgens het Besluit bodemkwaliteit worden ingediend bij de vergunningaanvraag. Vergunningtype uitgebreid: uitgebreid niveau certificering Een uitgebreid niveau van certificering is vereist voor asbesttoepassingen met een hoog potentieel blootstellingsrisico. Een zwaarder borgingsniveau is vereist, omdat er veel nodig is om het blootstellingsniveau te verlagen, met in veel gevallen een zware vorm van adembescherming. Het basisniveau en het uitgebreide niveau van certificering verschillen dus in de mate van borging door de bepalingen die zijn opgenomen in het schema. Daarnaast is het onderscheid tussen het basisniveau en het uitgebreide niveau bepalend voor de auditfrequentie door de certificerende instelling. Het voordeel van deze differentiatie is dat de vereisten die aan een bedrijf worden gesteld meer zijn afgestemd op de werkzaamheden die een bedrijf verricht. In de Arboregeling is het herziene certificatieschema opgenomen. Dit is geldig en vereist vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regelgeving, behoudens het overgangsrecht. 3.1.2.2 Een ander bewijs van naleving dan certificering Voor het invullen van het bewijs van naleving zijn, naast certificering, verschillende andere opties bekeken. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan arbocatalogi of werkplannen die bedrijven kunnen opstellen. Bij al deze opties worden werkwijzen voor asbestwerkzaamheden vastgelegd maar is er geen onafhankelijke toetsing op de werkzaamheden zelf. Of de werkwijzen in de praktijk ook worden nageleefd, wordt dus niet door het bedrijf zelf bewezen, maar zal volledig door het publieke stelsel moeten worden geverifieerd. Dit komt niet overeen met het uitgangspunt van de Richtlijn dat het bewijs van naleving door de aanvrager van de vergunning wordt overlegd. Dit is ook toegelicht in de Memorie van Toelichting in de Arbowet. Doordat er geen sprake is van een externe beoordeling van de naleving is de mate van bewijskracht nihil. Dat betekent dat eenvoudige beheersmaatregelen voldoende moeten zijn en dat de uitvoeringswijze tegen een stootje moet kunnen. Dat laatste houdt in dat de blootstelling gering blijft ook als niet goed wordt gewerkt. De toepassingen in de categorie beperkt voldoen aan die criteria. Daarbij gaat het beleid niet uit van onrealistische extremen, omdat bij elke toepassing wel een hele hoge blootstelling kan ontstaan als er maar ruw genoeg wordt gewerkt. Voor de toepassingen in de categorieën basis en uitgebreid acht de regering de alternatieven die zijn verkend voor het bewijs van naleving onvoldoende. Daarom is daar certificering voorgeschreven. Voor werk met asbesttoepassingen in de vergunning beperkt is zoals hiervoor beschreven een erkende werkmethode als bewijs van naleving voorgeschreven, vergezeld van een verklaring dat geborgd wordt dat er volgens de erkende werkmethode wordt gewerkt. Pagina 57 van 294 3.1.2.3 Mogelijke alternatieven voor de gekozen vorm van differentiatie De hiervoor geschetste vorm van differentiatie heeft als kenmerk dat asbesttoepassingen via de regelgeving worden ingedeeld in de categorie beperkt, basis of uitgebreid op basis van het potentiële blootstellingsrisico. Het potentiële blootstellingsrisico bepaalt daarmee welk borgingsniveau nodig is. De indeling van de asbesttoepassingen staat vast. Bedrijven weten dus van te voren welk niveau van vergunning nodig is voor de werkzaamheden die zij willen uitvoeren. Bij de beoordeling van risico’s die tijdens de werkzaamheden optreden zal de aard, de mate en de duur van de blootstelling een essentiële rol blijven spelen. Ten alle tijden moet de werkgever zorgen voor een minimale blootstelling. Dit is verplicht. Innovatie om te komen tot werkmethoden en technieken om de blootstelling te verlagen, blijft van belang. Voor de werkgever (en de opdrachtgever) leidt dit mogelijk tot het kunnen werken onder de grenswaarde. Dit biedt voordelen, naast de gezondheidswinst, zoals het achterwege kunnen laten van containment en adembescherming. Hierdoor is sneller en goedkoper werken mogelijk, zonder de fysieke belasting die het werken met adembescherming met zich meebrengt. Een ander voordeel van deze indeling is dat de zogenoemde weeffout die voorheen in het stelsel zat eruit wordt gehaald. In het oude stelsel was het voor saneerders niet per definitie voordelig om methoden te ontwikkelen waarmee kon worden teruggeschaald van risicoklasse 2 naar risicoklasse 1. Dit betekende namelijk dat andere bedrijven, die niet gecertificeerd waren, het werk mochten verrichten, ten nadele van de gecertificeerde, professionele asbestverwijderaars. Nu blijft de borging hetzelfde als er wel een werkmethode wordt ingezet die leidt tot een blootstelling onder de grenswaarde en spelen marktbelangen minder een rol. Tevens werden er voorheen met regelmaat offertes opgesteld op basis van risicoklasse 2, met daarin bijvoorbeeld de kosten van een containment opgenomen, terwijl de saneerder het werk uiteindelijk in risicoklasse 1 uitvoerde. Met de huidige indeling zal de saneerder de offerte meer baseren op de daadwerkelijke werkzaamheden, omdat concurrenten dat ook zullen doen. In deze paragraaf wordt omschreven welke alternatieven ten opzichte van de differentiatie op basis van potentiële blootstelling zijn afgewogen. Het bedrijfsleven heeft verzocht om in plaats van het potentiële blootstellingsrisico uit te gaan van de aard, mate en duur van de blootstelling (alternatief 1). Daarnaast heeft het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) drie alternatieven aangedragen (alternatieven 2 tot en met 4). Alternatief 1: uitgaan van aard, mate en duur van de blootstelling Vanuit het bedrijfsleven is als alternatief een variant aangereikt die inhoudt dat het niveau van de benodigde vergunning afhangt van het daadwerkelijke risico voor de werknemer nadat maatregelen zijn genomen om het vrijkomen van asbestvezels zoveel mogelijk te beperken. Daarbij zou rekening moeten worden gehouden met hoe vaak een werknemer een asbesttoepassing verwijdert en hoe lang dat per keer duurt. Een bedrijf kan dan een blootstellingsberekening maken voor het verwijderen van een toepassing en te weten komen welke vergunning daarvoor nodig is. Een bezwaar tegen het aangereikte alternatief is dat het uitgaat van het volgens verwachting verlopen van de werkzaamheden en het goed uitvoeren van de maatregelen. In de praktijk blijkt dat helaas zeker niet altijd het geval te zijn (niet altijd bewust). Er kunnen zich onverwachtse gebeurtenissen voordoen waar bedrijven alleen Pagina 58 van 294 op kunnen inspelen als zij voldoende kennis en handelingsperspectief hebben. Anders worden werknemers alsnog blootgesteld aan hogere concentraties asbest in de lucht. Daarom is het potentiële blootstellingsrisico bepalend voor het niveau van borging, in de vorm van verschillende niveaus van het bewijs van naleving dat voor de vergunningaanvraag nodig is. Een ander nadeel van het aangereikte alternatief is dat een bedrijf zelf moet berekenen welke vergunning nodig is en dat de uitkomst in de tijd steeds kan variëren. Een bedrijf met een vergunning beperkt kan bijvoorbeeld denken bepaalde werkzaamheden te mogen doen op basis van een inschatting er twee uur mee bezig te zijn. Als het dan langer gaat duren, kan dat tot gevolg hebben dat het bedrijf ineens een andere vergunning nodig heeft. Het is dus geen robuuste indeling van de vergunningcategorieën. Bovendien bekijkt het voorstel de blootstelling op werknemersniveau in plaats van op bedrijfsniveau. Voor de toezichthouder zou het ondoenlijk zijn om na te gaan of een bedrijf de juiste vergunning heeft. Een indeling op basis van asbesttoepassingen die zijn vastgelegd in de regelgeving biedt daarentegen een robuuste en eenduidige basis voor de vraag welke vergunning een bedrijf nodig heeft, zowel voor het bedrijf zelf als voor de toezichthouder en de opdrachtgever. Een subvariant is meer uitgaan van de hoogte van de werkelijke blootstelling door de werkwijze mee te nemen bij de indeling. Dit zou betekenen dat de indeling gedetailleerder wordt door meerdere combinaties van asbesttoepassingen en werkwijzen. Daarbij speelt het nadeel zoals hiervoor beschreven dat de praktijk anders kan uitpakken dan van tevoren is ingeschat en dat een bedrijf dan ineens een andere categorie vergunning nodig heeft als een werkwijze met een lagere blootstelling toch niet mogelijk blijkt. Daarom is hier niet voor gekozen. De werkwijze is alleen meegewogen bij de indeling bij het verwijderen van lijm. Elastische lijm valt onder de hoofdproductgroep elastische asbesthoudende toepassingen, maar er zijn dusdanige intensieve methoden nodig om die te verwijderen dat de mate van blootstelling in de categorie basis is ingedeeld. Bovendien gaan er kosten mee gemoeid als bedrijven zelf moeten aantonen onder welk vergunningtype zij zouden vallen. Het verschil in kosten tussen de verschillende vergunningtypen zit vooral in het al dan niet nodig hebben van een procescertificaat als bewijs van naleving. De hierboven geschetste variant houdt in dat je als bedrijf bij moet houden wat de aard, mate en duur is van de blootstelling om vast te stellen welke vergunning je nodig hebt. De jaarlijkse kosten om deze registratie als bedrijf bij te houden komt al gauw hoger uit dan de certificeringskosten.19 Hier komen dan nog de kosten bij als blijkt dat er een andere vergunning nodig is. Dit kan consequenties hebben voor de bedrijfsvoering. Geplande projecten kunnen mogelijk niet meer uitgevoerd worden. Alternatief 2: een combinatie van groot vertrouwen en een hoge straf Een alternatief kan zijn dat het bewijs van naleving meer uitgaat van vertrouwen en dus lichter kan zijn, en dat vervolgens bij overtredingen zwaarder wordt gesanctioneerd. 19 Als een bedrijf 2 uur per week bezig is om te registreren wat de werknemers hebben gedaan en om te controleren of ze nog over de juiste vergunning beschikt, bedragen de jaarlijkse kosten 2 uur a 65 (uurtarief) x 50 weken = €6500/jaar. Dat is dan hoger dan de €4800 per jaar die Panteia heeft geraamd. Pagina 59 van 294 Bijvoorbeeld door hoge boetes op te leggen. Hiervoor is niet gekozen om de volgende redenen. Boetes die worden opgelegd moeten proportioneel zijn. Dat is een algemeen uitgangspunt en onder meer vastgelegd in artikel 3:4 en 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Er zijn dus grenzen aan de mate waarin boetes eventueel kunnen worden verhoogd. De boetebedragen zijn nu volgens de boetebeleidsregel €340-13.500 euro, afhankelijk van de soort overtreding wordt de hoogte vastgesteld. Deze zijn dus al proportioneel. De boete wordt gematigd met een percentage op basis van het aantal werknemers (bedrijfsgrootte). Bij 5 t/m 9 werknemers zijn de bedragen 20% van de normbedragen. Een deel van de bedrijven vertoont calculerend gedrag. Zij wegen het moeten betalen van boetes af tegen een werkwijze waarmee meer geld kan worden verdiend. Het verhogen van de boetes zal dit niet oplossen, tenzij de boetes zeer hoog worden. Daarnaast stelt de Richtlijn als voorwaarde bij een vergunningaanvraag dat een onderneming een bewijs van naleving overhandigt. Dit legt een zekere bewijslast bij de onderneming om de mate van naleving aannemelijk te maken voordat een vergunning wordt verleend. In de Engelse tekst van de Richtlijn wordt het bewijs van naleving aangeduid met de term proof of compliance, in tegenstelling tot de term declaration of confirmity waarbij een producent of leverancier zelf mag verklaren dat zijn product voldoet aan bepaalde eisen. Achteraf corrigeren van onvoldoende naleving met boetes komt neer op een voortzetting van de huidige praktijk en leidt niet zonder meer tot een betere naleving. Een dergelijke aanpak vraagt meer van het toezicht, terwijl de beschikbare toezichtscapaciteit begrensd is. Daar komt bij dat bedrijven de bestaande toezichtsdruk al als hoog ervaren. Alternatief 3: meer controles bij bedrijven in slecht presterende sectoren Meer controles uitvoeren bij bedrijven waar een slechtere naleving wordt verwacht is niet nieuw en wordt al als zodanig uitgevoerd in het kader van risicogestuurd toezicht. Nog meer controles uitvoeren bij bedrijven in slecht presenterende sectoren is een variant op het hiervoor beschreven alternatief. De overwegingen die daar zijn genoemd, gelden ook voor deze variant. Daarom is niet gekozen voor dit alternatief. Alternatief 4: bedrijven aan laten tonen dat zij veilig werken Bedrijven aan laten tonen dat zij veilig werken is in beginsel ook de gedachte bij de keuze voor de erkende werkmethode of certificering als bewijs van naleving. Een alternatieve invulling om aan te tonen dat veilig wordt gewerkt zal neerkomen op het veel meer documenteren van de wijze waarop werkzaamheden zijn uitgevoerd, in de vorm van logboeken aangevuld met foto’s en films. Een bedrijf zal dit vrijwel continu moeten bijhouden, omdat het anders de vraag is in hoeverre de vastlegging van correct uitgevoerde werkzaamheden representatief is. Het genereren van het bewijsmateriaal is in handen van het bedrijf zelf, zonder dat sprake is van een onafhankelijke toets via audits. Dit leidt niet tot lagere kosten.20 Ook de inspanning voor de overheid neemt toe 20 Als het bedrijf zelf aantoont dat ze veilig werkt houdt aan de ene kant een besparing in op het bewijs van naleving. Panteia heeft geraamd dat het verschil tussen een vergunning Basis en Beperkt 4800 euro/jaar is. Als we aannemen dat een werknemer daar per werkdag 15 minuten mee bezig is, dan zijn de kosten 0,25 x 65 (uurtarief) x 200 dagen = €3250 per jaar. Daar komen nog Pagina 60 van 294 om de bewijsmiddelen aan de hand van projectspecifieke omstandigheden te kunnen beoordelen en te toetsen op volledigheid. Daarom is hier niet voor gekozen. 3.1.3 Opleidingen 3.1.3.1 Nieuwe eisen richtlijn en verhouding tot de Nederlandse praktijk De Wijzigingsrichtlijn stelt minimumeisen aan de opleiding van werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan stof van asbest of asbesthoudende materialen. De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat deze werknemers moeten beschikken over een opleiding die voldoet aan vastgestelde inhoudelijke en kwalitatieve criteria. De opleiding moet worden gegeven door een opleider wiens kwalificatie is erkend door nationaal recht en de nationale praktijk (hierna ‘erkende opleider’). Ook stelt de Wijzigingsrichtlijn eisen aan periodieke scholing, zodat kennis en vaardigheden actueel blijven. Na voltooien van de opleiding ontvangt de werknemer een opleidingsbewijs. De werkgever moet de opleidingsbewijzen verstrekken bij het aanvragen van een vergunning en bij het doen van een melding voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden aan asbest. Door deze borging van de vakbekwaamheid van werkenden wordt de kans op blootstelling aan asbest en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s zoveel mogelijk beperkt. Er was in Nederland een stelsel van persoonscertificering rondom asbest vastgelegd in de Arbowet- en regelgeving. Voor werkzaamheden waarbij de blootstelling boven de grenswaarde uitkomt (voormalige risicoklassen 2 en 2A) moesten werknemers aantoonbaar gekwalificeerd zijn door middel van een persoonscertificaat.21 Daarnaast moesten alle werknemers met een mogelijke blootstelling aan asbeststof in hun werk al een periodieke opleiding volgen (waaronder voormalig risicoklasse 1). Daarbij werden geen verdere eisen gesteld aan de opleider of het bewijs dat er een opleiding gevolgd was. Veel eisen uit de richtlijn bestonden dus al. Veranderingen ten opzichte van de vorige situatie zijn: a. De opleiding vindt plaats aan het begin van een arbeidsrelatie en wanneer aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld22; b. De opleiding wordt gegeven door een erkende opleider; c. De opleiding voldoet aan enkele aanvullende minimumeisen (zoals vastgelegd in Bijlage I bis van de Wijzigingsrichtlijn); wel kosten bij omdat ook iemand al dat ingevulde materiaal moet bekijken. Maar als we die niet meerekenen, heb je vanaf 2 werknemers al hogere kosten dan voor certificering in Basis. Je bent als bedrijf dan duurder uit dan bij de gekozen variant. 21 Er waren wettelijke persoonscertificaten voor deskundige asbestverwijderaar (DAV-1/DAV-2) en deskundige toezichthouder asbest (DTA). De schemabeheerder voor deze certificaten was de stichting Ascert. 22 Het kan voorkomen dat een werknemer na het afronden van een opleiding die een werkgever hem heeft aangeboden, overstapt naar een andere werkgever. In dat geval hoeft de werknemer, mits hij voor zijn nieuwe werkgever dezelfde werkzaamheden verricht als waar hij eerder voor is opgeleid, niet opnieuw een opleiding te volgen. Wanneer daarentegen vastgesteld wordt dat er aanvullende opleiding nodig is, is de werkgever verplicht een aanvullende opleiding aan te bieden. Pagina 61 van 294 d. De werknemer ontvangt een opleidingsbewijs na bevredigende afronding van de opleiding. 3.1.3.2 Doel en reikwijdte Het doel van de opleidingsverplichting is het waarborgen van vakbekwaamheid van alle werknemers met mogelijke beroepsmatige blootstelling aan asbest. Dat betekent dat zij voldoende kennis moeten hebben over de risico’s van asbest en handelingsbekwaam zijn om veilig met asbesthoudende materialen om te gaan. Binnen de reikwijdte van de opleidingsverplichting uit de Wijzigingsrichtlijn vallen alle werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan stof van asbest of asbesthoudende materialen. Ook werknemers die geen werkzaamheden verrichten aan asbest kunnen hieraan worden blootgesteld. Bijvoorbeeld een kantoormedewerker die werkt in een gebouw van voor 1994waarin nog asbest aanwezig is. Het is echter in de ogen van de regering niet proportioneel om de opleidingsvereisten van toepassing te verklaren op alle werkenden. De werkgever is verantwoordelijk om een veilige werkplek aan te bieden en een te hoge concentratie asbest in de lucht te voorkomen of verhelpen. Het is dus niet de bedoeling dat een werknemer wordt opgeleid om in die situatie te kunnen werken. Er moet dan iets aan die te hoge concentratie worden gedaan. Wel is het nodig dat iedereen waarvan verwacht kan worden dat ze tijdens het werk met asbest in aanraking komen goed is voorgelicht (zie paragraaf 3.1.3.3). Bij de afbakening van de werkenden die een volgens de Wijzigingsrichtlijn erkende opleiding moet volgen, wordt in de Nederlandse regelgeving uitgegaan van werknemers die zelf werkzaamheden verrichten aan asbest. Op deze afbakening is één uitzondering voorzien. Werknemers die zelf geen werkzaamheden aan asbest verrichten, maar waarbij potentiële blootstelling onlosmakelijk verbonden is aan hun werkzaamheden, zoals bij een toezichthoudende rol. Aangezien zij wel handelingsperspectief hebben, vallen zij ook onder de opleidingsverplichting. 3.1.3.3 Voorlichting aan werknemers die asbest tegen kunnen komen Voor werknemers die geen werkzaamheden aan asbest verrichten, maar in de uitvoering van hun beroep wel asbest tegen kunnen komen, ligt de focus op het leren herkennen en bewust zijn van de risico’s van asbest. Het doel is het voorkomen dat deze werknemers (onbewust) werkzaamheden aan asbest verrichten. De kenniseisen voor deze categorie zijn grotendeels al geregeld in artikel 4.10d van het Arbobesluit en zijn voor asbest specifiek aangevuld in artikel 4.26. De werkgever is verplicht om doeltreffende voorlichting te bieden aan werknemers die kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, waaronder asbest. Doeltreffende voorlichting houdt in dat werknemers begrijpen wat asbest is, waar het in hun werkomgeving kan voorkomen en waarom het gevaarlijk is wanneer het wordt verstoord. Zij kennen de gezondheidsrisico’s en weten dat deze vaak onzichtbaar zijn en zich vertraagd uiten. De voorlichting stelt hen in staat om een mogelijke asbestsituatie te herkennen. Zij weten hoe ze moeten handelen wanneer zij asbest tegenkomen en dat zij in geval van twijfel het werk moeten stoppen en de situatie moeten melden. Pagina 62 van 294 Voor deze categorie werknemers is een erkende opleiding niet verplicht. In de verdere uitwerking van de opleidingsverplichting blijft deze categorie daarom buiten beschouwing. 3.1.3.4 Gedifferentieerde opleidingseisen op basis van het type werkzaamheden Voor werknemers die wel werkzaamheden verrichten aan asbest of waarbij potentiële blootstelling onlosmakelijk verbonden is aan hun werkzaamheden, moet de inhoud van de opleidingen in ieder geval voldoen aan de inhoudelijke onderwerpen die in de Wijzigingsrichtlijn worden genoemd. In essentie komt dit neer op het overdragen van kennis en vaardigheden die nodig zijn om gezond en veilig te kunnen werken met asbest. Daarnaast gaat het om aanvullende vakinhoudelijke kennis, die bijvoorbeeld van belang is voor werknemers die een asbestinventarisatie uitvoeren. In de Arboregeling is een categorisering gemaakt, met verschillende eisen aan de inhoud van de opleiding per type werkzaamheden. Dit wordt meer in detail uitgewerkt door de organisatie die de opleidingen gaat erkennen en zal door die organisatie openbaar worden gemaakt. De Wijzigingsrichtlijn biedt ruimte om de duur en inhoud van de opleiding af te stemmen op de kenmerken van het beroep en specifieke taken en werkmethoden die daarvoor nodig zijn. Maatwerk voor verschillende beroepen is dus mogelijk. Verdere specificatie, bijvoorbeeld op basis van beroepsgroep, kan de opleider in de opleidingen zelf verder uitwerken. Ook binnen een opleidingscategorie kunnen verschillen bestaan in de omvang, inhoud en vorm van opleidingen. Daardoor kunnen binnen eenzelfde opleidingscategorie verschillende opleidingsvarianten bestaan, bijvoorbeeld voor werkzaamheden die worden uitgevoerd volgens een erkende werkmethode of voor specifieke sectoren. Wel moeten alle opleidingen binnen een categorie voldoen aan de daarvoor geldende minimumeisen. Voor deze groep werknemers geldt naast de opleidingseisen dat zij op basis van artikel 17 van de Wijzigingsrichtlijn ook aanvullende voorlichting moeten krijgen over de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarde. De modulaire opzet van het opleidingsstelsel betekent niet dat werknemers voor iedere module een aparte opleiding moeten volgen. Modules kunnen worden gecombineerd binnen één opleiding. De modulaire structuur maakt het juist mogelijk opleidingen af te stemmen op de werkzaamheden die een werknemer verricht en is bedoeld om onnodige opleidingsonderdelen te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is de containmentmodule. Niet iedere werknemer die werkzaamheden verricht binnen de categorie vergunning basis werkt met een containment. Daarom is gekozen voor een aparte module. Werknemers die geen werkzaamheden met containment uitvoeren hoeven deze kennis niet te hebben. De Wijzigingsrichtlijn verplicht het periodiek volgen van een opleiding. En het aanbieden van scholing wanneer er aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld. Bijscholing moet ten minste eens per drie jaar plaatsvinden. Eisen zoals een minimumleeftijd, een face-fit-test of een medische beoordeling zijn geen toelatingseisen voor het volgen van een opleiding of het afleggen van een examen, zoals dat gold voor het persoonscertificaat. Deze eisen gelden wel voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden met asbest. Pagina 63 van 294 Voor het gebruik van het instrument SMART-ns komen geen wettelijke opleidingseisen. Een opleiding of e-learning kan een goede manier zijn om SMART-ns te leren gebruiken, de regelgeving staat dit niet in de weg. Het verplicht stellen van opleidingseisen om een instrument technisch te leren gebruiken laat weinig ruimte voor alternatieve manieren van leren. Het is ook geen verplichting uit de Wijzigingsrichtlijn. Door ruimte te laten voor verschillende vormen van kennisoverdracht en ondersteuning, is betere aansluiting mogelijk bij de behoeften van verschillende gebruikers. De inhoudelijke kennis over asbest die voor SMART-ns nodig is, bijvoorbeeld over emissiebeperkende maatregelen, is wel onderdeel van de opleidingseisen. 3.1.3.5 Opleidingen worden gegeven door erkende opleiders De implementatie van de Wijzigingsrichtlijn vraagt om het aanbieden van de opleiding door een erkende opleider. De brede reikwijdte van de Wijzigingsrichtlijn maakt dat opleiders van verschillende varianten van opleidingen aan deze erkenningseis moeten voldoen. Om aan te sluiten bij de nationale praktijk is daarom gekozen om de erkenning aan het opleidingsinstituut (hierna: opleider) te verbinden, niet aan de individuele instructeur. Het opleidingsinstituut zal vervolgens moeten voorzien in gekwalificeerde instructeurs, waar bij de erkenning ook op getoetst wordt. Het erkennen en aan criteria laten voldoen van de opleider, is een waarborg voor de kwaliteit van opleidingen. Om erkend te worden moet een opleider voldoen aan objectieve en toetsbare kwaliteitseisen. Die hebben betrekking op de kwaliteit en inhoud van de aangeboden opleidingen. Wanneer een opleider slechts gedeeltelijk of niet (meer) voldoet, kan de erkenning niet worden verleend, tijdelijk worden geschorst of worden ingetrokken. Eén van deze eisen is dat de opleider en opleidingen aantoonbaar aansluiting hebben met het werkveld. Dit betekent bijvoorbeeld dat instructeurs ook (werk)ervaring hebben in het relevante werkveld, de inhoud van opleidingen is gebaseerd op de actuele beroepspraktijk en dat er samenwerking is met relevante werkgevers. Bedrijfsinterne opleidingen kunnen ook in aanmerking komen voor een erkenning, uiteraard als deze aan de gestelde criteria voldoen. Daarmee kunnen bedrijven en branches bestaande goede opleidingspraktijken voortzetten. Bestaande opleidingen kunnen dus worden benut, maar worden niet automatisch erkend. Ook zzp’ers kunnen erkend worden. In dat geval is er geen onderscheid tussen opleidingsinstituut en instructeur. De door OCW erkende aanbieders van mbo-onderwijs, die opleidingen aanbieden die voldoen aan door de Wijzigingsrichtlijn gestelde eisen, worden automatisch erkend volgens de regelgeving. Wel moeten de opleidingen nog op inhoud worden gecontroleerd. Dit artikel is opgenomen zodat OCW erkende opleiders de mogelijkheid hebben om opleidingen te bieden. Er wordt waarschijnlijk niet meteen gebruik van gemaakt. Het verlenen van erkenningen aan opleiders is een taak van de minister. De minister zal hiervoor mandaat verlenen aan een instantie die is toegerust om de kwaliteit van opleiders te beoordelen. Hiervoor wordt Ascert gemandateerd, omdat zij op dit gebied Pagina 64 van 294 kennis hebben die niet in dezelfde mate bij andere partijen aanwezig is.23 Ascert zal een aantal taken verrichten. De kernactiviteit wordt het initieel en periodiek toetsen van opleidingsinstanties aan vastgestelde erkenningscriteria en het verlenen van erkenningen. Hierbij wordt ook getoetst op organisatorische eisen, bijvoorbeeld met betrekking tot een kwaliteitssysteem, klachtenprocedure, en de organisatie van examens. De instantie beheert een openbare en actuele lijst van erkende opleidingsinstituten met daarbij de aangeboden opleidingen. Er kunnen nadere voorschriften komen aan het verlenen van een erkenning. In deze voorschriften wordt bijvoorbeeld verplicht om relevante informatie te verstrekken en mee te werken aan periodieke onderzoeken (audits). De minister blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van deze taak. De aangewezen instantie voert haar werkzaamheden uit binnen de kaders van het verleende mandaat, wat is vastgesteld in een mandaatbesluit. In overeenkomsten worden nadere afspraken gemaakt over onder andere kwaliteit, betrouwbaarheid, informatiebeveiliging en rapportage. 3.1.3.6. De afgeronde opleiding wordt vastgelegd in een register De Wijzigingsrichtlijn verplicht dat iedere werknemer die op bevredigende wijze heeft deelgenomen aan een opleiding een opleidingsbewijs ontvangt. De werkgever moet deze bewijzen aanleveren bij de aanvraag van een vergunning en het doen van een melding. Om deze bewijzen van opleiding op een gemakkelijke manier toe te kunnen voegen aan een melding, is besloten ze op een centrale plek op te slaan in het register “gezond en veilig werken met asbest”. Hierin moeten opleiders de werknemers die een opleiding met goed gevolg hebben afgerond registreren. De registratie (vermelding van het nummer) geldt als opleidingsbewijs bij het doen van een melding en aanvragen van een vergunning. Een centraal register heeft meerdere voordelen. Het beperkt de administratieve lasten voor werkgevers en werknemers. Bij het doen van meldingen of een vergunningsaanvraag zijn de registratienummers voldoende, in plaats van het keer op keer uploaden van de opleidingsbewijzen. Werkgevers, toezichthouders en de vergunningautoriteit kunnen makkelijk controleren of iemand over de vereiste kwalificaties beschikt. Een register vermindert daarnaast het risico op vervalsing van opleidingsbewijzen. De verwerking van persoonsgegevens in het register vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de minister en moet voldoen aan de AVG. Erkende opleiders kunnen gegevens raadplegen, maar moeten zich uiteraard houden aan de taken en bevoegdheden die zij via de regelgeving hebben gekregen. Ook gelden passende organisatorische en technische beveiligingsmaatregelen om ongeautoriseerde toegang en oneigenlijk gebruik van gegevens te voorkomen, hierbij worden Rijksbrede beveiligingsstandaarden nageleefd. Het intrekken van een registratie op grond van het veroorzaken van gevaar voor personen (artikel 1.5p, tweede lid, van de Arbowet) is voor dit register niet voorzien, omdat het doel van het register anders is dan bij andere registratieverplichtingen in het Arbostelsel, namelijk het registreren van gevolgde opleidingen. In het verleden konden persoonscertificaten wel worden ingetrokken op basis van deze grond. Dat gebeurde echter weinig. Daarnaast versterkt de vergunningplicht de borging van veilig werken met asbest in het nieuwe stelsel. Onveilig werken kan leiden tot intrekking van een 23 Zij hebben een lange geschiedenis als schemabeheerder, examenbeheerder en erkennen nu ook de opleiders op het gebied van niet-wettelijke certificaten (zoals de Deskundige Asbest Inventariseerder; DIA). Pagina 65 van 294 vergunning. Dit is een prikkel voor werkgevers, om te zorgen dat werknemers hun werk veilig uitvoeren. Wanneer een werknemer dit niet doet kan dat negatieve gevolgen hebben voor de vergunning van een bedrijf. In extreme situaties, waarbij sprake is van het veroorzaken van zeer ernstig gevaar, is ingrijpen uiteraard wel mogelijk door een boete op te leggen of proces verbaal op te maken. In het Besluit is geregeld dat registratie een verantwoordelijkheid van de minister zelf is. De minister mandateert Ascert om het beheer van het register namens en voor hem uit te voeren. Wanneer er sprake is van fraude bij het volgen van een opleiding of examen dan wordt de geregistreerde opleiding uit het register verwijderd. Dit geldt tevens als er geen nieuwe opleiding is geregistreerd drie jaar na de eerder geregistreerde datum in het register. Dan is niet voldaan aan de periodieke opleidingsverplichting. 3.1.3.7. Wettelijke persoonscertificatie is vervallen De verplichting tot persoonscertificatie voor saneerders is vervallen. Bij persoonscertificatie ligt de nadruk op het toetsen van de vereiste kennis via het periodiek afnemen van een examen. Medewerkers moesten elke drie jaar opnieuw examen doen. Relatief veel werknemers ervaarden dit als zo belastend dat zij ander werk gingen doen. Het verloop in de sector is hoog. Dat is een ongewenst effect in deze krappe arbeidsmarkt. Het invoeren van de mogelijkheid tot permanente educatie was wenselijk. Dit is niet mogelijk binnen certificatie.24 De Wijzigingsrichtlijn legt met het erkennen van opleidingen juist de nadruk op de kwaliteit van de opleidingen. Door hier met deze wijziging van de regelgeving invulling aan te geven, kan de verplichting tot persoonscertificatie komen te vervallen. De rol van certificerende instellingen bij het beoordelen, verstrekken, schorsen en intrekken van persoonscertificaten is daarmee ook vervallen. De borging van vakbekwaamheid is niet losgelaten, maar op een andere manier ingericht. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden van persoonscertificering naar erkende opleidingen, registratie van gevolgde opleidingen, permanente educatie en, waar nodig, examinering. De kernvereisten worden rechtstreeks in regelgeving vastgelegd. Met het vervallen van de wettelijke persoonscertificaten is ook het onderscheid tussen Deskundig asbestverwijderaar (DAV) 1 en 2 en Deskundig toezichthouder asbest (DTA) vervallen. Uiteraard moet de opleiding van werknemers nog steeds goed afgestemd zijn op de specifieke werkzaamheden die zij verrichten. Een opleiding tot asbestverwijderaar in de betreffende vergunningscategorie is vereist om werkzaamheden aan die asbesttoepassingen te mogen verrichten. De rol van deskundig toezichthouder asbest vervalt. Dat heeft een aantal redenen. De rol van de DTA overlapt inhoudelijk met andere borgingsmechanismen in bedrijven, zoals werkplannen, certificering van bedrijven, opleiding van uitvoerenden. De verplichte rol van een DTA leidt tot complexiteit, kosten, toezichtsdruk en afhankelijkheid van schaars personeel. Door de verantwoordelijkheid sterker bij het bedrijf en de werkprocessen te leggen kan het stelsel eenvoudiger en beter uitvoerbaar worden. Het bedrijf kan zelf besluiten in welke gevallen het zinvol is iemand aan te wijzen om op de werkzaamheden toe te zien en op welke manier. Volgens het nieuwe certificatieschema moet een projectverantwoordelijke zijn aangewezen. 24 Dit volgt onder meer uit artikel 10, derde lid van de Arbowet, dat bepaalt dat een certificaat een beperkte tijdsduur heeft. Pagina 66 van 294 Ook het voormalige artikel 4.54d, achtste lid, van het Arbobesluit is vervallen. Deze bepaling regelde dat het afgraven, opslaan, voorhanden hebben, ter beschikking stellen of reinigen van grond met asbest gebeurde onder begeleiding van een persoonsgecertificeerd arbeidshygiënist of veiligheidskundige. Hiermee is destijds invulling gegeven aan de toenmalige praktijk en aan Richtlijn 2003/18/EG die voorschreef dat bedrijven die asbest verwijderen de bekwaamheid van de werknemers moesten aantonen. De deskundigheidseisen worden nu ondervangen door de opleidingseisen. 3.1.3.8. Examinering en invulling duurzame vakbekwaamheid In de Wijzigingsrichtlijn staan geen eisen met betrekking tot de examinering van opgedane kennis. Examinering is in Nederland een gebruikelijke afsluiting van een opleiding en heeft aanzienlijke meerwaarde, omdat hiermee kan worden nagegaan of iemand zich de opgedane kennis in de opleiding eigen heeft gemaakt en kan toepassen. Daarom blijft een verplicht examen na de eerst gevolgde opleiding onderdeel van een aantal opleidingscategorieën. Voor de werkzaamheden in de categorie vergunning beperkt, volstaat een bewijs van deelname. Voor de categorieën vergunning basis en vergunning uitgebreid blijft een examen vereist. Een onafhankelijke partij moet het examen verzorgen. De minister stelt de examens vast. Dat is belangrijk om kwaliteitsverschillen tussen examens te voorkomen. Het opstellen en verspreiden van deze examens zal de minister mandateren. Na de initiële opleiding voldoet permanente educatie. Examens hoeven dus niet meer elke paar jaar herhaald te worden. Dit zou een ongewenste drempel vormen om het opleidingsbewijs te houden. Het is vooral belangrijk dat werknemers in de praktijk veilig met asbest omgaan. Een systeem van permanente educatie biedt hiervoor een oplossing en is met deze wijziging mogelijk gemaakt. Permanente educatie is een manier om de vakbekwaamheid van werknemers actueel te houden en hen in de praktijk bij te scholen. Ook wanneer zich aanvullende opleidingsbehoeften voordoen, zoals een nieuwe werkwijze, kan permanente educatie daarin voorzien. Dit systeem werd al toegepast voor niet-wettelijke persoonscertificaten als deskundige inventariseerders (DIA) en asbestdeskundigen (ADK). Gezien de kennis over effectieve gedragsverandering, waarbij herhaalde, kleine en praktische stappen vaak het meest effectief zijn, zal een systeem van permanente educatie naar verwachting een positief effect hebben op het kennisniveau van en het daadwerkelijk toepassen van kennis door werknemers. Zo zet het beleid in op duurzame vakbekwaamheid. Ook in andere beroepsgroepen, zoals kraanmachinisten, wordt gebruik gemaakt van permanente educatie. 3.1.4 De aanvraag van een vergunning De werkgever doet een aanvraag voor een vergunning bij de vergunningverlener via een aanvraagformulier. Bij de aanvraag moet duidelijk zijn voor welke werkzaamheden/scope de gevraagde vergunning is. Dit maakt namelijk uit voor de beoordeling. Voor de aanvraag zijn de volgende documenten nodig: a. Opleidingsbewijzen van de werknemers b. Bewijs van naleving c. VOG-rechtspersoon (of natuurlijke persoon bij ZZP’er) (niet ouder dan 3 maanden) Pagina 67 van 294 De Wijzigingsrichtlijn vereist allereerst dat de opleidingsbewijzen van de werknemers worden ingediend om aan te tonen dat de medewerkers afdoende zijn opgeleid voor het verrichten van de vergunde werkzaamheden. Om de lasten voor de aanvrager te beperken, kunnen in plaats van de opleidingsbewijzen de unieke registratienummers van de medewerkers uit het Register gezond en veilig werken met asbest worden ingediend bij de vergunningaanvraag. De Wijzigingsrichtlijn vereist tevens een door de aanvrager te overhandigen bewijs van naleving. Het benodigde bewijs van naleving is afhankelijk van het type vergunning, zoals toegelicht in paragraaf 3.1.2. Het aanvragen van een vergunning is gratis en de vergunning wordt in principe verleend voor onbepaalde tijd. De vergunningverlener kan besluiten een vergunning voor bepaalde tijd te verlenen indien daar aanleiding toe bestaat. 3.1.5 Naleefgedrag en integriteit 3.1.5.1 Het gebruik van toezichtsinformatie Met het verlenen van een vergunning biedt de overheid bedrijven toegang tot de markt en spreekt daarmee het vertrouwen uit in een bedrijf. Naleving is daarom een cruciaal aspect voor het krijgen en behouden van een vergunning. Het bewijs van naleving is een document waar een bedrijf volgens de Wijzigingsrichtlijn zelf over moet beschikken, waarmee het bedrijf bij de vergunningverlening aannemelijk maakt dat sprake zal zijn van een adequate naleving. In paragraaf 3.1.2 staat meer over de invulling hiervan. Inzicht in de mate waarin daadwerkelijk sprake is van naleving, kan blijken uit toezichtinformatie over geconstateerde overtredingen en eventuele sancties die door toezichthouders zijn opgelegd. Indien de overheid weet dat een bedrijf niet naleeft, kan besloten worden geen vergunning te verlenen of deze in te trekken. Toezichtsinformatie die daarbij wordt betrokken door de vergunningverlener ziet specifiek op overtreding van de asbestregelgeving. Andere overtredingen (zoals valgevaar) wegen niet mee in de vergunningverlening. Deze toezichtsinformatie kan afkomstig zijn van de verschillende toezichthouders binnen het asbestwerkveld, die zich in een samenwerkingsverband verenigen, met bijbehorende samenwerkingsafspraken. Daarbij geldt dat de vergunningverlener deze informatie alleen kan gebruiken voor zover deze beschikbaar is. Niet van elk bedrijf zal toezichtinformatie beschikbaar zijn. In dat geval kan het bedrijf een vergunning krijgen, als het aan de gestelde eisen voldoet. Tenzij er een andere reden is om aan te nemen dat een bedrijf de regelgeving niet zal naleven, bijvoorbeeld vanwege informatie die uit onderzoek volgens de Wet Bibob volgt. Er kunnen zich ook situaties voordoen dat er gerede twijfel is over de mogelijkheden en/of intenties tot naleving, of dat een bedrijf overtredingen heeft begaan maar duidelijk toewerkt naar verbetering. Voor die situaties kan een vergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Als het naleefgedrag in de praktijk een gegrond vermoeden oplevert dat een bedrijf in de toekomst herhaaldelijk ernstige overtredingen zal (blijven) begaan, kan de overheid de verleende vergunning ook (tijdelijk) schorsen. Pagina 68 van 294 Omdat een vergunning het instrument is voor markttoelating, is het niet verlenen, schorsen of intrekken een zware maatregel die proportioneel moet zijn. Het moet daarom bij dergelijke maatregelen gaan om een zodanig ernstig en herhaaldelijk gebrek aan naleving dat handhavingsinstrumenten als preventieve stilleggingen, boetes of een last onder dwangsom niet meer toereikend zijn. Om te bepalen in welke mate een bedrijf de voorschriften niet naleeft, en dus de werknemers onvoldoende beschermt tegen blootstelling aan asbest, kijkt de vergunningverlener naar geconstateerde overtredingen en opgelegde sancties. In een beleidsregel wordt gespecificeerd op welke wijze overtredingen en sancties gewogen worden ten behoeve van een besluit tot weigering, schorsing of intrekking. In deze afweging hebben de toezichthouders een belangrijke rol, met inachtneming van de scheiding in verantwoordelijkheden tussen toezicht en bestuur. In de beleidsregel wordt gewerkt met een stoplichtmodel. Het aantal en type overtredingen leidt tot een aantal strafpunten. Het aantal strafpunten leidt tot een indeling in de categorie rood, oranje of groen. In de categorie groen wordt een vergunning verleend voor onbepaalde tijd. In de categorie oranje wordt een vergunning voor bepaalde tijd verleend zodat het bedrijf verbetering kan laten zien. In de categorie rood krijgt het bedrijf geen vergunning, of wordt de vergunning ingetrokken. In eerste instantie zijn de overtredingen gebaseerd op beschikbare gegevens van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Wel kan contextinformatie van de andere toezichthouders een rol spelen bij de afweging die DSU maakt. In de toekomst zullen ook overtredingen van andere toezichthouders binnen het samenwerkingsverband worden meegenomen in de puntentelling. Dit moet eerst organisatorisch binnen de organisaties goed worden ingericht. Vanwege de grote gezondheidsrisico’s bij het onveilig werken met asbest, komen bedrijven met herhaaldelijk onvoldoende naleefgedrag niet in aanmerking voor een vergunning. Het gebruik van toezichtinformatie bij de vergunningplicht is daarmee een effectief middel om herhaalde overtreders aan te pakken, zoals ook aangegeven in de kamerbrief van 4 juni 202425. Dit is naar verwachting een belangrijke verbetering ten opzichte van het huidige asbeststelsel. Bedrijven die met een dusdanige gevaarlijke stof herhaaldelijk overtredingen begaan en daarmee de gezondheid van werknemers en de leefomgeving op het spel zetten, kunnen de toegang tot de markt worden ontzegd of van de markt worden gehaald. Bovendien beschikken toezichthouders ook over contextinformatie over hoe bedrijven opereren binnen deze markt. Deze informatie kan ook gebruikt worden bij het bepalen of de inzet van de Wet Bibob nodig is, wat een effectief instrument kan zijn tegen slecht presterende bedrijven die bijvoorbeeld onder een andere naam de werkzaamheden vervolgen. 3.1.5.2 De Verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen (VOG RP) Het overleggen van een VOG voor rechtspersonen (VOG RP) is een voorwaarde voor het verkrijgen en, in het geval van een wisseling van bestuurders van een bedrijf, behouden van een vergunning. Dit voorkomt dat ondernemingen die relevante strafbare feiten op hun naam hebben staan, of waarvan een of meer bestuurders dat hebben, een vergunning verkrijgen of behouden. 25 Lijst van vragen en antwoorden over Aanbieding van het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2023 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken II 2023/2024, 36 560 XV, nr. 6. Pagina 69 van 294 Het gebruik van de VOG draagt bij aan het doel om bedrijven met een slecht naleefgedrag te weren van de markt. Het betrekken van strafrechtelijke informatie via de VOG RP heeft naar verwachting een preventieve werking, aangezien bedrijven zullen willen voorkomen dat zij hun positie voor het kunnen verkrijgen van een vergunning in gevaar brengen. Het eisen van een VOG RP komt minder vaak voor dan een VOG voor natuurlijke personen. De reden om bij de aanvraag van een vergunning voor asbestverwijdering een VOG RP te eisen is dat dit iets zegt over de integriteit van de organisatie en van de personen die daarachter zitten. Dit is relevant omdat de vergunning voor de organisatie als geheel wordt verleend. Via de VOG rp wordt een veel vollediger inzicht verkregen in het voor de vergunning relevante criminele verleden van de aanvrager voor zover misdrijven en/of overtredingen zijn ingeschreven in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS). Het is belangrijk dat deze eenvoudig toegankelijke informatie wordt meegenomen in de afweging om een vergunning te verlenen, aangezien wordt beoogd dat bedrijven met een slecht naleefgedrag niet in aanmerking komen voor een vergunning. Daarnaast mag worden verwacht dat van het op deze wijze betrekken van strafrechtelijke informatie via de VOG rp een preventieve werking uitgaat. Bedrijven zullen willen voorkomen dat zij hun positie voor het kunnen verkrijgen van een vergunning in gevaar brengen. Ook bij het gebruiken van toezichtinformatie kan mogelijk bezwaarlijke informatie over het gedrag van de aanvrager aan het licht komen, maar het delen van strafrechtelijke informatie is aan beperkingen gebonden. Bovendien is bij de Arbeidsinspectie niet alle informatie bekend over strafbare feiten die een aanvrager heeft begaan. De VOG RP geeft een veel vollediger inzicht in het voor de vergunning relevante justitiële verleden van de aanvrager voor zover relevante misdrijven en/of overtredingen zijn ingeschreven in het Justitieel Documentatie Systeem. Een bedrijf moet betalen voor het aanvragen van een VOG RP. Deze kosten bedragen eenmalig €207 en zijn dus relatief beperkt. Omdat vergunningen voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend, zoals toegelicht in paragraaf 3.3, zijn het slechts eenmalige kosten voor zover er geen sprake is van wijzigingen zoals hieronder genoemd. De VOG mag ten tijde van overlegging niet ouder zijn dan drie maanden. Bij een wisseling van personen op sleutelposities bij het bedrijf, zoals bestuurders, vennoten, maten of beheerders, moet de onderneming opnieuw een VOG aan de vergunningverlener overleggen. Zo wordt bijvoorbeeld voorkomen dat een vergunning kan worden aangevraagd op basis van een onderzoek naar antecedenten van ‘katvangers’, waarna de onderneming wordt overgenomen door de werkelijke ondernemers die zelf niet door de screening zouden komen. Dat gaat structurele malafiditeit in de sector tegen. De voorwaarde om een VOG te overleggen zal niet gelden voor ondernemingen die buiten Nederland zijn gevestigd. Dergelijke ondernemingen kunnen geen VOG voor rechtspersonen aanvragen. Een buitenlandse rechtspersoon met een of meer Nederlandse bestuurders dient wel voor de betreffende bestuurder(s) een VOG voor natuurlijke personen te overleggen. In dat geval worden deze bestuurders gescreend, maar niet de buitenlandse rechtspersoon. De regering heeft overwogen om buitenlandse rechtspersonen een verklaring te laten overleggen die naar aard en strekking Pagina 70 van 294 overeenkomt met een VOG en die door een daartoe bevoegde instantie van het land van vestiging is afgegeven. Voor de beoordeling van een dergelijke verklaring is echter kennis nodig van het strafrechtelijke systeem van andere landen. Onduidelijk is welke landen een vergelijkbare verklaring kunnen overleggen en wat daarvan de waarde is. Uit een buitenlandse VOG-equivalent zouden dus verkeerde conclusies kunnen worden getrokken. Deze kennis is dusdanig specifiek, dat het niet proportioneel is om deze eis in te voegen. Het onderscheid dat hierdoor tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven ontstaat acht de regering onvermijdelijk en uitlegbaar. Voor vergunningplichtige zelfstandigen zonder personeel geldt dat zij een VOG voor natuurlijke personen moeten overleggen bij de aanvraag. Het VOG-vereiste is een onmisbaar element in de beoordeling van vergunningaanvragen. 3.1.5.3 De inzet van de Wet Bibob De inzet van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) is beschreven in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Met het wetsvoorstel krijgt de minister van Werk en Participatie de bevoegdheid om overeenkomstig de Wet Bibob een vergunning te weigeren of in te trekken. De inzet van de Wet Bibob is onder andere noodzakelijk vanwege de constatering van de Arbeidsinspectie over de onwenselijke doorstart van ondernemingen in het oude stelsel. Dit houdt in dat verschillende bedrijven die hun certificaat dreigden kwijt te raken een doorstart maakten onder een andere naam en daarbij telkens nieuwe rechtspersonen inzetten, om onder de schorsing van het certificaat uit te komen. Langlopende juridische trajecten belemmerden in sommige gevallen het intrekken van certificaten. Hierdoor verstreken termijnen en telde het begaan van vergelijkbare overtredingen niet als recidive. De vergunningplicht en de Wet Bibob bieden mogelijkheden om dergelijke malafide bestuurders te weren. 3.2 Verbetering certificatiestelsel In de asbestregelgeving is sprake van twee verschillende certificatieschema's. Een voor asbestinventarisaties en asbestverwijdering. Een voor asbest in de bodem. Dat is het SIKB-schema. In de Arboregeling is het processchema voor asbestinventarisaties en asbestverwijdering aangewezen. Met de komst van de Wijzigingsrichtlijn is het SIKB-schema voor de betreffende werkzaamheden waarvoor een vergunningplicht geldt, aangevuld met bepalingen op arbo. Op deze manier kan de erkenning voor bodembedrijven gebruikt worden als bewijs van naleving bij de vergunningaanvraag. En wordt er ook door die bedrijven voldaan aan de Wijzigingsrichtlijn. Als onderdeel van het vergunningenstelsel krijgt het certificaat een andere positie. Voorheen was het asbestverwijderingscertificaat verplicht om werkzaamheden in risicoklasse 2 en 2A te mogen verrichten en het diende daarmee als markttoelatingsinstrument. In een vergunningenstelsel dient de vergunning als markttoelatingsinstrument en dient het certificaat als het volgens de Wijzigingsrichtlijn vereiste bewijs van naleving bij de aanvraag van een vergunning. Het certificaat moet minimaal voldoen aan de vereisten in artikel 6 van de Wijzigingsrichtlijn: c. Blootstelling aan asbeststof moet zoveel mogelijk worden voorkomen en altijd onder de grenswaarde blijven. Pagina 71 van 294 d. Werkmethoden moeten stofvorming en verspreiding van asbestvezels voorkomen of beperken. In gesloten ruimten moet voldoende bescherming zijn. e. Werknemers moeten zich goed kunnen ontsmetten en werkruimten en apparatuur moeten regelmatig worden schoongemaakt en onderhouden. f. Asbesthoudende materialen en afval moeten gesloten, veilig en gelabeld worden verpakt en afgevoerd. De andere positie van het certificaat vereist een aanpassing van het eerdere certificatiestelsel dat was aangewezen in de Arboregeling. Zo vergt de keuze voor differentiatie in de vergunningen ook een differentiatie binnen certificering. Naast een niveau dat vergelijkbaar is met het voorgaande certificatiestelsel, moet er ook een lichter niveau zijn als bewijs van naleving voor de vergunning basis. Met deze benodigde aanpassing ontstond de gelegenheid en noodzaak om het certificatiestelsel, waar al langere tijd kritiek op was, aan te passen. Dit wordt hieronder nader toegelicht. Met de introductie van een publiek vergunningenstelsel, waarbij het certificaat niet meer bepalend is voor de markttoegang maar één van de voorwaarden wordt om de vergunning te verkrijgen, worden de publieke en private belangen beter gescheiden. Om deze scheiding nog verder door te voeren, zijn in dit Besluit bepalingen opgenomen die voorheen alleen waren opgenomen in het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering (hierna: processchema). Het gaat om bepalingen waarvan overtreding een risico oplevert voor de gezondheid en veiligheid van werknemers. De Arbeidsinspectie krijgt daarmee de bevoegdheid om toezicht te houden op deze voorschriften26. Daarnaast zijn kaders meegegeven om rekening mee te houden bij het opstellen van het nieuwe certificatieschema. Die hadden onder andere betrekking op het omgaan met afwijkingen, zijnde de constatering door een certificerende instelling dat een certificaathouder zich niet houdt aan de certificatievereisten, en de ruimte die certificerende instellingen hebben om vast te stellen of een bedrijf voldoet aan de certificatievereisten. Deze kaders zijn meegegeven aan een werkgroep die onder leiding van de schemabeheerder27 het schema verder heeft uitgewerkt. Vervolgens heeft het schema de gebruikelijke stappen doorlopen die bij wijzigingen aan het schema worden doorlopen. Nieuw is dat ook de Certificerende Instellingen een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets op het schema hebben uitgevoerd. Certificerende instellingen hadden in het eerdere asbeststelsel te maken met het probleem van juridificering. Dat wil zeggen dat certificaathouders vaak tegen sancties op een afwijking van het processchema, hoe gering ook, in beroep gingen. Een van de daarvan aangevoerde oorzaken is de zogeheten ‘escalatieladder’, de regel in het processchema dat iedere sanctie opgeteld kan leiden tot een zwaardere sanctie, en uiteindelijk tot schorsing of intrekking van het certificaat. Omdat de sanctie opgelegd voor een afwijking gevolgen kon hebben voor de hoogte van de sanctie op een toekomstige soortgelijke afwijking van het processchema, had een certificaathouder er belang bij om altijd binnen de geldende bezwaar- en beroepstermijnen in bezwaar of beroep te gaan. In plaats van deze escalatieladder wordt in het herziene certificatieschema onderscheid gemaakt tussen niet-kritieke en kritieke afwijkingen. Bij 26 Kamerstukken II 2018/2019, 25834, nr. 150, Beleidsreactie onderzoek functioneren asbeststelsel 27 Het werkveld voor asbestverwijdering kent in overeenstemming met de Arbowet slechts 1 schemabeheerder die gezamenlijk is aangewezen door de Certificerende Instellingen. Pagina 72 van 294 een niet-kritieke afwijking wordt de certificaathouder in staat gesteld dit te corrigeren. Kritieke afwijkingen kunnen leiden tot het schorsen of intrekken van een certificaat. In het certificatieschema wordt daarnaast opgenomen dat de certificerende instelling de auditfrequentie tijdelijk kan verhogen als bijvoorbeeld sprake is van herhaalde niet-kritieke afwijkingen of kritieke afwijkingen. Met de extra audit wordt getoetst of de geconstateerde afwijking zich niet meer voordoet. De extra audit moet door het bedrijf worden betaald, zodat de certificaathouder wordt gestimuleerd om afwijkingen te voorkomen. De tweedeling in soorten afwijkingen en de mogelijkheid de auditfrequentie te verhogen komen in de plaats van het bestaande systeem van de escalatieladder en zal de behoefte van een certificaathouder beperken om tegen de constatering van niet-kritieke afwijkingen in beroep te gaan. Het is niet de verwachting dat de druk van certificaathouders op certificerende instellingen om geen afwijkingen uit te schrijven met deze wijziging geheel wordt weggenomen. Wel zullen de certificerende instellingen naar verwachting de tijd en mankracht, die zij voorheen kwijt waren aan juridische procedures, meer kunnen aanwenden om certificaathouders te stimuleren hun asbestverwijderingswerkzaamheden op verantwoorde wijze uit te voeren. Daarnaast kunnen nog steeds ernstige afwijkingen worden benoemd die leiden tot schorsing of intrekking van het certificaat. De bepalingen in het processchema waren gedetailleerd en in de vorm van middelvoorschriften. Een veelgehoorde klacht was dat het afvinklijsten waren die geen ruimte boden om na te denken. Dat houdt onder meer in dat de auditor geen ruimte had om rekening te houden met de mate van afwijking of te kijken of sprake is van een gelijkwaardige werkwijze. Voor een minimale afwijking moest dezelfde sanctie worden opgelegd als bij een flagrante afwijking daarvan. In combinatie met de escalatieladder konden hierdoor een paar geringe afwijkingen al heel grote gevolgen hebben voor een certificaathouder. Dit leidt niet altijd tot het doel van het schema, namelijk dat iedereen gezond en veilig werkt en dat het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering wordt geborgd en gestimuleerd. Bij de keuze voor een sanctie krijgen auditoren in het herziene schema daarom meer ruimte om de ernst van de afwijking en de omstandigheden waaronder deze is begaan mee te wegen. 3.3 Grenswaarde De concentratie asbestvezels moet zo laag mogelijk worden gehouden. Het is belangrijk dat artikel 4.25, waarin de grenswaarde voor asbest is opgenomen, wordt toegepast in combinatie met artikel 4.17, 4.18 en 4.19 van het Arbobesluit. Die artikelen verplichten tot het voorkomen en beperken van de blootstelling aan onder meer kankerverwekkende stoffen. Omdat asbest een kankerverwekkende stof is, moet de blootstelling van werknemers aan asbeststof altijd zo ver onder de grenswaarde zijn als technisch mogelijk is28. In diverse situaties is de concentratie in de lucht op de werkplek, ondanks het treffen van maatregelen om stofemissie te beperken, hoger dan de grenswaarde. Het is dan onvermijdelijk om adembescherming toe te passen, zodat de concentratie asbestvezels in de in te ademen lucht onder de grenswaarde blijft. Het niveau van adembescherming moet dan worden afgestemd op de concentratie in de lucht, met een zodanige beschermingsfactor dat de in te ademen lucht in ieder geval onder de grenswaarde blijft. 28 Richtlijn 2004/37 en afdeling 1 en 2 van het Arbobesluit Pagina 73 van 294 De huidige grenswaarde in het Arbobesluit van 2000 vezels/m3 voldoet aan de grenswaarde in de Wijzigingsrichtlijn. Lidstaten moeten op de datum van implementatie van de Wijzigingsrichtlijn tot en met 20 december 2029 een grenswaarde hanteren van maximaal 10.000 asbestvezels/m3, berekend als tijdgewogen gemiddelde over een periode van acht uur. Aangezien dit een waarde is die ruim hoger is dan de al in Nederland geldende norm van 2.000 vezels/m3, heeft dit niet geleid tot aanpassing van de grenswaarde die nu is opgenomen. Volgens de Wijzigingsrichtlijn moet een verder verlaagde grenswaarde van 2000 vezels/m3 (als geen dunne vezels worden gemeten) gelden vanaf 21 december 2029. Aan deze verder verlaagde grenswaarde voldoet de Nederlandse grenswaarde ook al op dit moment. In het genoemde advies uit 2010 beschreef de Gezondheidsraad een onzekerheid over de gezondheidsrisico’s van dunnere vezels. Aan de hand van actuele wetenschappelijke inzichten zal te zijner tijd, uiterlijk in 2028, worden bekeken wat bekend is over de klinische relevantie van de dunnere vezels en in welke mate de grenswaarde aanpassing behoeft. Het RIVM is door SZW gevraagd een literatuurstudie naar de klinische relevantie van dunnere vezels uit te voeren29. Uit dit onderzoek blijkt dat deze asbestvezels bijdragen aan de schadelijkheid van asbest voor mensen. Het is echter nog niet goed mogelijk om precies aan te geven hoe groot het gevaar is. Het RIVM adviseert om meer onderzoek te doen naar de gevolgen voor de Nederlandse grenswaarde voor asbest en naar de mogelijkheden om deze ultrafijne vezels goed te meten. SZW heeft het RIVM gevraagd met een voorstel voor een vervolgonderzoek te komen. Het RIVM is tevens gevraagd of het geboortegeslacht relevant is voor de gevoeligheid voor asbest. Dit rapport is gepubliceerd op 17 september 202530. Het RIVM concludeert dat er geen aanleiding is voor een aparte grenswaarde voor vrouwen volgens de wetenschappelijke literatuur. De huidige Nederlandse grenswaarde is gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad uit 201031. Voor chrysotiel asbest is de waarde overgenomen zoals die door de Gezondheidsraad is geadviseerd. Voor amfibool asbest adviseerde de Gezondheidsraad echter een lagere waarde van 420 vezels/m3, maar deze is vooralsnog niet overgenomen. Voor amfibool asbest wordt nu dezelfde grenswaarde gehanteerd als voor chrysotiel, waarbij beide typen vezels opgeteld moeten voldoen aan de grenswaarde van 2000 vezels/m3. De verlaging van de grenswaarde voor amfibool op grond van het advies van de Gezondheidsraad is destijds in 2011 voorgelegd aan de Subcommissie Grenswaarden Stoffen op de Werkplek van de Sociaal Economische Raad (SER). De SER adviseerde toen de grenswaarde voor amfibool asbest niet tot dat niveau te verlagen, omdat de meet- en analysetechnieken niet toereikend waren om deze lage asbestvezelconcentraties in de lucht te kunnen meten. Daarbij was een gebrek aan betrouwbare monitoringsinformatie om de haalbaarheid van deze lage grenswaarde te kunnen beoordelen. In 2024 is aan de SER gevraagd of de situatie inmiddels zodanig is veranderd dat het verlagen van de grenswaarde voor amfibool wel mogelijk is. De SER heeft geadviseerd de hiervoor benodigde haalbaarheidstoets uit te stellen vanwege de 29 RIVM Kennisnotitie: Health risks associated with ultrafine (d≤0.2 µm) asbestos fibres - state of knowledge 30 RIVM Kennisnotitie: Gendergevoeligheid voor het ontwikkelen van mesothelioom door asbestblootstelling 31 Advies van de Gezondheidsraad Asbest. Risico’s van milieu- en beroepsmatige blootstelling. Brief aan de Tweede Kamer 12 juli 2010, Kamerstukken II 2009/2010. nr. 25834, nr. 56. Pagina 74 van 294 Wijzigingsrichtlijn, die gevolgen heeft voor te gebruiken analysemethoden en criteria. Daarnaast speelt mee dat het nog steeds lastig en omslachtig is om betrouwbaar lage concentraties te meten en er ook nog steeds een gebrek is aan voldoende betrouwbare monitoring vanuit de branche. In paragraaf 3.10 wordt beschreven welke stappen worden gezet om te komen tot genoemde monitoring. Het is in dit wijzigingsbesluit verduidelijkt dat de grenswaarde altijd geldt, niet alleen wanneer het asbesthoudende materiaal meer dan 100 mg/kg asbest bevat. Er waren voorheen twee grenswaarden opgenomen in het Arbobesluit, een grenswaarde voor chrysotiele asbestvezels en een grenswaarde voor amfibole asbestvezels. Omdat nog geen invulling is gegeven aan een lagere grenswaarde voor amfibole asbestvezels, waren dit dezelfde grenswaarden. Daarmee was er geen noodzaak voor aparte grenswaarden voor chrysotiel enerzijds en amfibool asbest anderzijds. In artikel 4.25, dat in de plaats is gekomen van het oude artikel 4.46, is daarom nog maar één grenswaarde opgenomen die geldt voor alle typen asbestvezels waarop afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit van toepassing is. Deze grenswaarde bedraagt 2.000 asbestvezels/m3, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag. In de praktijk leidt dit niet tot een verandering, aangezien de grenswaarde voor beide typen vezels toch al gelijk was. Wanneer in de toekomst wordt besloten tot een lagere grenswaarde voor amfibole vezels, zal uiteraard weer een aparte grenswaarde voor amfibole vezels in het Arbobesluit worden opgenomen. Het jaar 2028 is een geschikt moment om een besluit te nemen over het meten van dunne vezels en om een lagere grenswaarde voor amfibool asbest te heroverwegen. 3.4 Ondergrens In het Arbobesluit geldt een ondergrens van 100 mg/kg asbest in producten waarboven de afdeling asbest van toepassing is als met deze producten wordt gewerkt. Het betreft een gewogen waarde, wat wil zeggen dat de aanwezige concentratie amfiboolasbest vanwege de grote gezondheidsrisico’s zwaarder meetelt dan de aanwezige concentratie serpentijnasbest (chrysotiel). Als wordt getoetst aan de ondergrens van 100 mg/kg moet de aanwezige concentratie chrysotiel asbest worden opgeteld met tienmaal de concentratie amfiboolasbest om te toetsen aan de ondergrens. Bij deze wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit is overwogen of de ondergrens aanpassing behoeft. Besloten is de ondergrens in stand te houden. De motivatie daarvoor is als volgt. In verreweg de meeste gevallen is bij werkzaamheden met asbest sprake van asbesthoudende toepassingen waarbij asbest in het verleden opzettelijk is toegevoegd vanwege de technische eigenschappen van asbest. Doordat er dan altijd sprake is van relatief hoge concentraties asbest, ruim boven de ondergrens, speelt de ondergrens voor deze asbesttoepassingen geen rol. Om de technische eigenschappen van asbest zoals de bestandheid tegen agressieve stoffen en hoge temperaturen, slijtvastheid en isolerende eigenschappen te kunnen benutten, moest vaak vrij veel asbest in een bepaalde toepassing worden verwerkt. In de meeste asbesttoepassingen is de concentratie asbest daarom vrij hoog, bijvoorbeeld vanaf 10% asbest in asbestcement en vanaf 60% asbest in asbesthoudend isolatiemateriaal. In asbesthoudende kit zit 0,1 tot 5% asbest.32 De percentages die hier worden genoemd zijn massapercentages (m/m), waarbij 0,01% chrysotiel (m/m) overeenkomt met de ondergrens van 100 mg/kg. Als het asbest 32 NEN 2991, bijlage A (informatief) Overzicht van de meest toegepaste asbesthoudende producten Pagina 75 van 294 volledig uit amfiboolasbest bestaat, komt 0,001% (m/m) overeen met de ondergrens. De asbestconcentraties in de hiervoor genoemde voorbeelden van asbesthoudende producten zitten dus ruim boven de ondergrens van 100 mg/kg. Asbest kan ook voorkomen in materialen waarbij het van nature aanwezig is, in materialen waarin restconcentraties aanwezig kunnen zijn en in de bodem. In deze gevallen kan asbest in hele lage concentraties voorkomen vanaf (nagenoeg) 0% of 0 mg/kg. Zonder ondergrens zouden zelfs bij de aanwezigheid van een enkele asbestvezel alle asbestregels van toepassing worden. Met als gevolg dat in heel veel gevallen maatregelen moeten worden genomen, zonder dat dit zinvol is om risico’s te beperken. Dat is niet proportioneel, daarom houdt de regering vast aan de bestaande ondergrens. De Richtlijn kent geen definitie voor wanneer iets als asbesthoudend wordt gezien. De waarde van 100 mg/kg komt in de regelgeving op meerdere plaatsen voor en de ondergrens in het Arbobesluit voorkomt daarmee ook conflicterende regelgeving. Volgens de Regeling bodemkwaliteit 2022 geldt deze waarde als kwaliteitseis voor alle kwaliteitsklassen landbodems, zoals landbouw/natuur, wonen en industrie. Dat houdt in dat een bodem met een lagere asbestconcentratie wordt geacht geschikt te zijn voor deze functies. In de Circulaire bodembescherming is als interventiewaarde bodemkwaliteit voor asbest een waarde van 100 mg/kg opgenomen. Deze interventiewaarde is ook vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en wordt onder meer gehanteerd als criterium voor het aanwijzen van milieubelastende activiteiten. Zo wordt het graven in een bodem onder de interventiewaarde niet aangewezen als milieubelastende activiteit. Als criterium voor asbesthoudend afval geldt ook een grens van 100 mg/kg. De ondergrens van 100 mg/kg sluit ook aan op bepalingsgrenzen in de Ontwerp-NEN 5896 “Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie (PLM) en scanning elektronenmicroscopie met röntgen microanalyse (SEM/RMA)”. Onderbouwing ondergrens voor bodem Asbest in de bodem kan in zeer lage concentraties worden vastgesteld, door het wegen van de visueel waarneembare stukjes asbest. Een bepalingsgrens is voor bodem dus niet van toepassing. Op grond van de hieronder beschreven overwegingen wordt het verantwoord geacht de afdeling asbest niet van toepassing te laten zijn op werkzaamheden in de bodem of met grond of baggerspecie beneden de waarde van 100 mg/kg. In CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde grond” zijn criteria opgenomen voor het bepalen van de veiligheidsklasse waarin wordt gewerkt. Behalve het totale gehalte aan asbest betreft dat als criterium ook respirabele asbestvezels, waarbij vanaf 5 mg/kg in veiligheidsklasse oranje en vanaf 10 mg/kg in veiligheidsklasse zwart moet worden gewerkt. Volgens bijlage 3 van de Circulaire bodembescherming, die tevens verwijst naar NEN 5707 Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond”, wordt het gehalte aan respirabele vezels pas bepaald als het totale gehalte aan asbest meer dan 100 mg/kg bedraagt. In de Circulaire is dit onderbouwd met een verwijzing naar het RIVM-rapport 711701034/200333. Hieruit volgt dat, ondanks de strengere criteria die worden gehanteerd in CROW-publicatie 400, het verantwoord is om als ondergrens in het Arbobesluit uit te gaan van 100 mg/kg. Vanuit 33 Beoordeling van de risico’s van bodemverontreiniging met asbest Pagina 76 van 294 de zorgplicht van de werkgever kunnen afhankelijk van de situatie ook onder deze ondergrens maatregelen nodig zijn om een te hoge blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen te voorkomen. Relatie ondergrens met de grenswaarde De ondergrens in artikel 4.26 sluit niet uit dat - naast het moeten voldoen aan de afdeling kankerverwekkende stoffen in dit besluit – moet worden voldaan aan de grenswaarde. Afhankelijk van de aard van het materiaal, het gebruik en de ruimte waarin werkzaamheden plaatsvinden, kunnen in bijzondere situaties hoge concentraties asbest in de lucht ontstaan. Een voorbeeld uit het verleden is het gebruik van straalgrit met lage concentraties asbest. Doordat het straalgrit met hoge snelheid op een te behandelen oppervlak wordt gebracht, komen veel asbestvezels in de lucht. Ondanks de lage concentratie in het materiaal kan de grenswaarde dan in hoge mate worden overschreden. Een ander voorbeeld is talkpoeder. Dit kan bij een onzorgvuldige productie van nature verontreinigd zijn met asbest. Vanwege de poedervorm kan het gebruik ook tot overschrijding van de grenswaarde leiden. Ook sommige soorten gesteenten, waaronder ook bekende edelstenen die in sieraden worden verwerkt, zoals tijgeroog, valkenoog en zilveroog, kunnen van nature asbest bevatten. Werkgevers moeten er daarom op bedacht zijn dat bepaalde producten asbesthoudend kunnen zijn en dat ook in concentraties onder de ondergrens blootstelling aan asbest een probleem kan zijn. Dat geldt in het bijzonder als sprake is van stofvorming en/of gesloten ruimten waarin de concentratie kan oplopen. Door bijvoorbeeld kwaliteitseisen te stellen aan het te leveren product, kunnen werkgevers invulling geven aan hun verantwoordelijkheid en voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan asbest. Werkgevers moeten in ieder geval altijd zorgen dat de grenswaarde niet wordt overschreden. 3.5 Asbestinventarisatie Volgens artikel 11 van de Wijzigingsrichtlijn moet een werkgever, voorafgaand aan sloop-, onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in gebouwen die voor de inwerkingtreding van het nationale asbestverbod zijn gebouwd, alle nodige maatregelen nemen om de materialen te identificeren waarvan wordt vermoed dat zij asbest bevatten. 1 januari 1994 kan voor Nederland aangemerkt worden als datum waarop asbest niet meer zou moeten zijn toegepast. Daarbij is rekening gehouden met een periode na de inwerkingtreding van het asbestverbod op 1 juli 1993, waarin lopende projecten zijn afgerond en bestaande voorraden asbesthoudende bouwmaterialen zijn verwerkt. Dit betekent echter niet dat er geen risico bestaat dat er in bouwwerken of objecten die na deze datum zijn gebouwd dan wel vervaardigd toch asbest zit. Asbest kan nog zijn toegepast door particulieren tot 2005, zijn geïmporteerd uit landen zonder asbestverbod, of zijn geïntroduceerd door hergebruik van oude materialen (bijv. keukens). Deze uitzondering ontslaat de werkgever dus niet van de zorgplicht om werknemers tegen deze eventuele blootstelling te beschermen. Indien inderdaad toch asbest wordt aangetroffen gelden alle plichten zoals in bouwwerken en objecten die voor 1994 zijn vervaardigd. De werkgever is ervoor verantwoordelijk dat hij over informatie over de aanwezigheid van asbest beschikt. Voor een juiste risicobeoordeling moet deze informatie ook het soort en het percentage asbest bevatten. Zo kan bepaald worden welke werkwijze en Pagina 77 van 294 beschermende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de grenswaarde en om verspreiding van stof en blootstelling zoveel mogelijk te beperken. Er kan op twee manieren aan dit doelvoorschrift worden voldaan. Dat kan in de vorm van documentatie van een specifiek materiaal of product met informatie over soorten asbest en percentages. Dit is verder uitgewerkt in de Arboregeling. Indien deze informatie niet beschikbaar of toereikend is, moet een gekwalificeerd marktdeelnemer onderzoek uitvoeren. Een gekwalificeerd marktdeelnemer is in Nederland een gecertificeerd asbestinventarisatiebureau. Het is van groot belang dat een asbestinventarisatie zorgvuldig wordt uitgevoerd, omdat het de basis is voor besluitvorming of verwijderen nodig is en alle verdere processtappen in de asbestverwijderingsketen. Een asbestinventarisatiebedrijf moet daarom onafhankelijk zijn en beschikken over een procescertificaat. De inventariseerder moet beschikken over aantoonbare specifieke deskundigheid. Hiertoe moet de inventariseerder een opleiding hebben gevolgd en in het register ‘gezond en veilig werken met asbest’ opgenomen staan. Deze eisen zijn uitgewerkt in de Arboregeling. In het asbestinventarisatierapport moet de duur van de geldigheid van het rapport worden vermeld. Er is geen sprake meer van een standaard maximale geldigheidsduur van het asbestinventarisatierapport van drie jaar, zoals eerst via het certificatieschema werd voorgeschreven. De geldigheid van een asbestinventarisatierapport kan afhankelijk worden gemaakt van de specifieke omstandigheden. In buitensituaties met een sterke verwering van materialen, kan een geldigheidsduur van drie jaar passend zijn omdat de mate van verwering in die periode toeneemt. Als er geen sprake is van verwering, kan een langere geldigheidsduur van toepassing zijn. Dit wordt verder uitgewerkt in de Arboregeling. In sommige gevallen kan een asbestinventarisatie niet worden uitgevoerd, bijvoorbeeld als een incident dermate spoedeisend is dat direct moet worden gehandeld, een asbesttoepassing niet bereikbaar is of als het niet acceptabel is dat een in gebruik zijnde toepassing niet meer functioneert als gevolg van bemonstering. Voorbeelden van het eerste punt zijn het moeten bestrijden van brand in een gebouw waar mogelijk asbest in aanwezig is en het repareren van een lekkage in een brandstofleiding om een calamiteit te voorkomen. Een voorbeeld van het laatste punt is een transformator die je zou moeten slopen omdat ergens binnenin asbest aanwezig kan zijn. In die gevallen moet ervan uit worden gegaan dat de toepassing asbesthoudend is. Als het gaat om werkzaamheden in bijvoorbeeld een gemeentelijk afvalstation is een asbestinventarisatie niet aan de orde. Het aangeleverde asbestafval moet op de juiste wijze zijn ingepakt om blootstelling te voorkomen. Voor werkzaamheden in de bodem is aangesloten op de daarvoor gebruikelijke en via bodemregelgeving voorgeschreven onderzoeksmethodieken. Daarvoor gelden niet de bovenstaande regels over identificatie en inventarisatie. 3.6 Meldplicht Gebruik van het Omgevingsloket (DSO) Om de lasten voor bedrijven te beperken is naar een oplossing gezocht om tot één meldloket te komen. Dit is bewerkstelligd door de melding vereist vanuit de Pagina 78 van 294 arbeidsomstandighedenregelgeving (hierna: arbomelding) onder te brengen bij de al bestaande sloopmelding voor asbest in het Omgevingsloket, onderdeel van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO). Om de arbomelding te kunnen onderbrengen in het DSO was een grondslag in de Arbowet nodig. Het wetsvoorstel Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstuk 36843) is behandeld tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer op 27 mei 2026. Zoals daarbij toegezegd heeft de minister de Tweede Kamer op 8 juni 2026 per brief34 geïnformeerd over de gevolgen van de overgang van de meldplichten van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Deze brief bevat daarnaast een visie op de aangenomen gewijzigde motie van de leden van Ark en Patijn, waarin is verzocht de periode waarin geen risicogericht toezicht mogelijk is zo kort mogelijk te houden35. In de brief is toegelicht dat met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 de meldplichten bij asbestwerkzaamheden wijzigen. De richtlijn introduceert aanvullende gegevensverplichtingen, waaronder informatie over de opleiding van werknemers en het aanbieden van arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Daarnaast vervallen bestaande risicoklassen en veranderen de werkmethoden en rollen binnen het stelsel van asbestverwijdering. Het bestaande Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) is niet ingericht op deze gewijzigde wettelijke vereisten. Aanpassing van het systeem zou omvangrijke technische wijzigingen en aanzienlijke investeringen vergen, terwijl het LAVS naar verwachting uiterlijk in 2030 wordt uitgefaseerd. Bovendien zouden de benodigde aanpassingen leiden tot verdere vertraging van de implementatie van de richtlijn en daarmee het risico vergroten op Europese sancties wegens niet-tijdige implementatie. Daarom is ervoor gekozen de meldplichten die voortvloeien uit de arbeidsomstandighedenregelgeving onder te brengen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Meldingen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waaronder sloopmeldingen waarbij asbest aan de orde is, verlopen reeds via het DSO. Aansluiting bij dit bestaande digitale loket sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet, waaronder één digitaal loket, uniforme processen en hergebruik van gegevens. Hiermee worden tevens de administratieve lasten voor bedrijven beperkt. De brief erkent dat de overgang naar het DSO veranderingen met zich meebrengt voor het toezicht op asbestwerkzaamheden. Het LAVS functioneert als ketenvolgsysteem, terwijl het DSO primair een meldingssysteem is. Een groot deel van de informatie die voor het toezicht noodzakelijk is, blijft beschikbaar, waaronder gegevens over de locatie van werkzaamheden, de start en afronding van werkzaamheden en de eindbeoordeling. De wijze waarop deze informatie beschikbaar komt, verschilt echter van de huidige situatie. Wat niet terugkomt na de overgang naar het DSO, is dat iedere schakel in de keten een eigen melding doet. Na de implementatie kijkt het kabinet nog wel naar een eventuele verplichte melding van alle inventarisatierapporten. Die ruimte biedt het wetsvoorstel wel, maar dit is geen richtlijnvereiste. Door de melding van alle inventarisatierapporten te verplichten is voor iedere toezichthouder beter na te gaan of op een bouw- of slooplocatie sprake is van asbest en is voldaan aan de verplichtingen. De toezichthouders maken gebruik van voorgaande inventarisatierapporten om illegale saneringen te kunnen aantonen bij vermoedens daarop. Tegelijkertijd zou deze 34 Kamerstukken II, 2025/2026, 36843, nr. 16 35 Kamerstukken II, 2025/2026, 36843, nr. 13 Pagina 79 van 294 verplichting kunnen leiden tot een lastenverzwaring voor burger en bedrijf. Het maken van een gedegen afweging hierover vergt meer tijd. Volgens de brief zal de Nederlandse Arbeidsinspectie gedurende een overgangsperiode een nieuw risicomodel voor risicogericht toezicht moeten ontwikkelen op basis van gegevens uit het DSO. In deze periode blijft toezicht op asbestwerkzaamheden plaatsvinden door middel van steekproefsgewijze inspecties op basis van meldingen en door reactief toezicht naar aanleiding van signalen, klachten of incidenten. De praktijk moet uitwijzen in hoeverre de nieuwe vorm van het risicogerichte toezicht net zo effectief is als het huidige toezicht. Dit zal duidelijker worden met de uitwerking die de komende tijd plaatsvindt. Daarnaast zijn er ook ontwikkelingen die kunnen bijdragen aan een verbetering binnen het asbestlandschap, waaronder de vergunningverlening en veranderingen in het certificatiestelsel. Dit versterkt het toezicht op bedrijven die asbest verwijderen, in het bijzonder het toezicht op malafide bedrijven. Naar verwachting draagt dit bij aan het verminderen van zware overtredingen. In de brief van 8 juni 2026 staat als conclusie dat de onderbrenging van de meldplichten in het DSO de meest doelmatige en toekomstbestendige oplossing biedt voor de uitvoering van de gewijzigde regelgeving, met de minste vertraging bij de implementatie van de richtlijn en lagere administratieve lasten. Voor het verwijderen van asbest in bouwwerken en het slopen van bouwwerken met asbest (of als meer dan 10 m3 bouwafval ontstaat) werd al op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) vier weken van tevoren een sloopmelding in het Omgevingsloket gedaan. In sommige situaties geldt een termijn van één week. Daarnaast werden werkzaamheden in risicoklasse 2 en 2A op grond van het Arbobesluit en het Bbl 2 dagen van tevoren in het LAVS gemeld. Voor werkzaamheden in risicoklasse 1 was op grond van het Arbobesluit een melding nodig in het meldportaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Er is een overlap van ingevoerde gegevens tussen de sloop- en arbomelding. Door de twee meldingen aan elkaar te koppelen, hoeven bedrijven gegevens niet dubbel in te voeren. Via een nieuwe ICT-toepassing komen al deze gegevens bij elkaar. Via de doorzendfunctionaliteit in het DSO, die met dit Besluit wordt geregeld, ontvangen verschillende toezichthouders de informatie die zij nodig hebben. Voor het verwijderen van asbest anders dan uit bouwwerken, zoals objecten, is het Bbl niet van toepassing. Daarvoor hoeft dus geen sloopmelding te worden gedaan. Op het moment dat op grond van het Arbobesluit een melding moet worden gedaan, is dus geen informatie beschikbaar uit een meldmoment daarvoor. Dat heeft tot gevolg dat meer gegevens nodig zijn bij de arbomelding omdat er geen voorgaande sloopmelding is. Het Omgevingsrecht en daarmee het Bbl maakt onderscheid tussen een meldingsplicht en een informatieplicht. Een meldingsplicht houdt in dat niet mag worden gestart met werkzaamheden als geen melding is gedaan. Bij een informatieplicht geldt een verplichting om het bevoegd gezag te informeren. Het Arbobesluit maakt geen onderscheid tussen een meldingsplicht en een informatieplicht. In het proces van werkzaamheden gaat het om de volgende meldmomenten: 1. Sloopmelding Bbl, indien van toepassing, meestal ten minste vier weken van tevoren. 2. Melding op grond van het Arbobesluit van de werkzaamheden en informatieplicht Bbl dat wordt gestart, ten minste 2 werkdagen van tevoren. Pagina 80 van 294 3. Melding op grond van het Arbobesluit en informatieplicht Bbl dat werkzaamheden zijn beëindigd, uiterlijk de volgende werkdag. 4. Melding op grond van het Arbobesluit en informatieplicht Bbl dat een onafhankelijke eindbeoordeling is uitgevoerd, uiterlijk twee weken na beëindiging werkzaamheden. Voor de meld-/informatieplichten op grond van het Bbl is de gemeente voor de betreffende locatie het bevoegd gezag en ontvangt de betreffende omgevingsdienst de informatie. De meldingen van de werkzaamheden op grond van het Arbobesluit komen rechtstreeks bij de Arbeidsinspectie terecht. De informatie via de sloopmelding en de informatieplichten voor begin en na beëindiging van de werkzaamheden en voor de onafhankelijke eindbeoordeling komt primair bij de gemeente/omgevingsdienst en komt via de doorzendfunctionaliteit ook bij de Arbeidsinspectie. Verschil met het LAVS: asbestinventarisaties, eindbeoordelingen en afvalmeldingen In het LAVS meldden inventarisatiebureaus op basis van het certificatieschema het inventarisatierapport. De verplichting vanuit de Richtlijn is echter dat het bedrijf dat asbest verwijdert vooraf beschikt over documentatie over het de aan- of afwezigheid van asbest. De saneerder moet deze documentatie invoeren bij de melding. Daarbij is het alleen een vereiste documentatie te hebben van de bronnen die verwijderd worden. Ook de eindinspectie-instellingen moesten in het LAVS het eindbeoordelingsrapport invoeren. Dit moet de saneerder voortaan zelf invoeren in het Omgevingsloket. Zowel de inventarisatiebureaus als de eindinspectie-instellingen zijn op dit moment geen normadressaat in het Arbobesluit. Verplichtingen kunnen daarmee alleen aan het bedrijf dat asbest verwijdert worden opgelegd. Daarbij komt dat het de verantwoordelijkheid van dat bedrijf is dat de werkplek veilig wordt achtergelaten. De afvalmeldingen die in het LAVS waren opgenomen komen te vervallen. Die informatie wordt al ingevoerd in AMICE. Volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moet binnen twee weken nadat de eindbeoordeling of de visuele inspectie is verricht, in het LAVS een bewijs worden ingevoerd van de afvoer van het asbestafval, onder opgave van het gewicht en van de afvoerbestemming van het asbestafval. Met het beëindigen van het LAVS zou in plaats van deze bepaling in het Bbl een informatieplicht kunnen worden opgenomen, waarbij deze informatie moet worden ingevoerd in het Omgevingsloket. Met het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen is echter beoogd een uitputtende regeling te geven voor de wijze waarop de ontvangst en de afgifte van afvalstoffen moeten worden gemeld36. Daarom is er niet voor gekozen om een informatieplicht op te nemen voor het verwijderen van asbesthoudend afval. Indieningsvereisten bij de melding De voorwaarden van de melding zijn uitgebreid in de Wijzigingsrichtlijn.. De Richtlijn vereist dat bij de melding wordt aangegeven welke personen deze werkzaamheden waarschijnlijk gaan uitvoeren. Tevens moet hun opleidingsbewijs en de datum van de laatst aangeboden medische keuring worden meegestuurd met de melding. 36 Staatsblad 2004, 522, Nota van toelichting, hoofdstuk 2. Pagina 81 van 294 Het volstaat om melding te maken van de werknemers die waarschijnlijk aanwezig zullen zijn op de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht. Zo wordt er rekening gehouden met een flexibele planning. Indien de lijst van werknemers wijzigt -door bijvoorbeeld uitval van een werknemer- hoeft er geen nieuwe melding te worden gedaan. Zoals beschreven onder opleidingen, kan in plaats van het opleidingsbewijs het registratienummer uit het register ‘gezond en veilig werken met asbest’ worden gebruikt in de melding. Voor het melden van de datum van de laatst aangeboden medische keuring voor elke individuele werknemer is een andere oplossing gezocht. Het moeten melden van de datum van de laatste medische keuring – zoals dat in de Asbestrichtlijn is komen te staan – gaat voorbij aan het feit dat werknemers slechts in de gelegenheid moeten worden gesteld om een medische keuring te ondergaan. De werkgever moet bij de melding verklaren dat de medewerkers gedurende de laatste drie jaren, conform regelgeving, in staat zijn gesteld een medische keuring te ondergaan. De datum van de laatste medische keuring is namelijk minder relevant. Een werknemer moet in de gelegenheid worden gesteld een medische keuring te krijgen, maar kan besluiten deze niet te ondergaan. In dat geval is er geen datum beschikbaar. Met deze oplossing zijn de administratieve lasten lager en wordt er meer relevante informatie ontvangen. Naar het oordeel van de regering is dit een passende invulling van de meldingsplicht uit artikel 4, derde lid, van de Asbestrichtlijn. Het uitbreiden van de meldingen in de Wijzigingsrichtlijn heeft onherroepelijk extra administratieve lasten voor het bedrijfsleven tot gevolg. Deze worden zoveel mogelijk beperkt door te kiezen om alle meldingen onder te brengen in hetzelfde loket, het Omgevingsloket. Ook zijn er keuzes gemaakt bij de invulling van de nieuwe verplichting om deze zo eenvoudig mogelijk in te regelen. Er zal bij de uitwerking verder bekeken worden of er technische mogelijkheden zijn om de lasten te beperken. Voor de toezichthouder is het belangrijk te weten wanneer een bedrijf de gemelde werkzaamheden uitvoert. Hiervoor moet het bedrijf de data en de tijdstippen waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd opgeven als onderdeel van de meldingsvereisten bij de melding die tenminste twee werkdagen van tevoren moet worden gedaan. Dit houdt in dat een werkschema nodig is. Daarin staat welke dagen wordt gewerkt, bijvoorbeeld ook of dat op zaterdagen en zondagen is en welke werktijden. In de praktijk komt het regelmatig voor dat een dergelijke planning wijzigt. Dan moet daarvan melding worden gedaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om een wijziging van de begin- en eindtijd, of andere werkdagen, waardoor het werkschema dus verandert. Er is geen nieuwe melding nodig bij incidentele afwijkingen van het schema, bijvoorbeeld als door omstandigheden een dag of deel daarvan niet kan worden gewerkt. Vaak bestaat een asbestverwijderingsproject uit meerdere fasen, zoals het opbouwen van een containment, andere voorbereidende werkzaamheden zoals het vrijmaken van het asbest, het verwijderen van asbest en de schoonmaak. Voor de meldingsplicht geldt als startmoment voor de werkzaamheden het moment vanaf wanneer sprake is van blootstelling aan asbest of een mogelijke blootstelling aan asbest. De meldplicht is in de Richtlijn en in de arboregelgeving voorgeschreven aan de saneerder. Voorheen werden via het LAVS ook (niet-wettelijke) meldingen gedaan door andere partijen in de keten, zoals de inventariseerders. Dit betekent dat inventariseerders geen meldingen via het Omgevingsloket hoeven te doen. De saneerder is verantwoordelijk om het inventarisatierapport van de bronnen waaraan hij gaat werken met de melding mee te sturen. Onderdeel van het inventarisatierapport is de Pagina 82 van 294 SMART-uitdraai die de inventariseerder heeft gemaakt waarop de feitelijke gegevens en de vereiste vergunning voor het verwijderen van de toepassing staan vermeld. Nieuw is dat de werkmethode in SMART-ns wordt vastgelegd door de saneerder. De saneerder stuurt een uitdraai van SMARTS-ns met de gekozen werkmethode mee met de arbomelding twee werkdagen van tevoren. SMART-ns geeft een overzicht van het beheers- en borgingsregime op basis van de te verwachten blootstelling. Het gaat hier om het al dan niet plaatsen van een afscherming, minimaal vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen en de uit te voeren eindbeoordeling. Als de saneerder gebruik maakt van een erkende werkmethode kan die worden gemeld in plaats van de SMART-uitdraai. Ook het rapport van de eindbeoordeling, dat wordt opgesteld na de beëindiging van de werkzaamheden, wordt door de saneerder gemeld. De meldplicht is in de Richtlijn en in de arboregelgeving voorgeschreven aan de saneerder. Voorheen werden via het LAVS ook (niet-wettelijke) meldingen gedaan door andere partijen in de keten, zoals inventariseerders. Dit betekent dat inventariseerders geen meldingen via het Omgevingsloket hoeven te doen. De saneerder is verantwoordelijk om het inventarisatierapport van de bronnen waaraan hij gaat werken met de sloopmelding mee te sturen. Dat gebeurt vier weken van tevoren, uitzonderingen daargelaten. Onderdeel van het inventarisatierapport is de SMART-uitdraai die de inventariseerder heeft gemaakt waarop de feitelijke gegevens en de vereiste vergunning voor het verwijderen van de toepassing staan vermeld. Nieuw is dat de werkmethode in SMART-ns wordt vastgelegd door de saneerder. De saneerder stuurt een uitdraai van SMART-ns, met de werkmethode, mee met de arbomelding twee werkdagen van tevoren. SMART-ns geeft een overzicht van het beheers- en borgingsregime op basis van de te verwachten blootstelling. Het gaat hier bijvoorbeeld minimaal vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen en de uit te voeren eindbeoordeling. Als de saneerder gebruikmaakt van een erkende werkmethode, kan die worden gemeld in plaats van de SMART-uitdraai. De saneerder meldt ook het rapport van de eindbeoordeling, dat wordt opgesteld na de beëindiging van de werkzaamheden. De sloopmelding in het Bbl die vier weken van tevoren moet worden gedaan (behoudens uitzonderingen) wijzigt met dit wijzigingsbesluit niet. Er wordt nog steeds gevraagd om de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd te melden. De beschrijving van de wijze waarop de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, is bedoeld om het bevoegd gezag in staat te stellen de risico’s voor de fysieke leefomgeving van de voorgenomen sloopwerkzaamheden te beoordelen. De beschrijving hoeft daarom niet hetzelfde detailniveau te hebben als de informatie die in SMART-ns wordt vastgelegd voor de beoordeling van de blootstelling van werknemers. Het gaat bij de sloopmelding om de voor de beoordeling van de risico’s voor de fysieke leefomgeving relevante kenmerken van de voorgenomen uitvoeringswijze, zoals de wijze waarop materialen worden verwijderd en eventuele maatregelen om emissies, stof of verspreiding naar de omgeving te beperken. De nadere invulling van deze informatiebehoefte wordt in samenspraak met de VNG en de omgevingsdiensten uitgewerkt en kan worden verwerkt in het formulier voor de sloopmelding. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de informatie die nodig is voor de beoordeling van de risico’s voor de fysieke leefomgeving en de informatie die op grond van de arbeidsomstandighedenregelgeving nodig is voor de beoordeling van de blootstelling van werknemers. Vrijstellingen op de meldplicht Pagina 83 van 294 Vrijstellingen op de meldingsplicht zijn volgens de Wijzigingsrichtlijn mogelijk als aan al deze voorwaarden is voldaan: a. Er is sprake van sporadische blootstelling van werknemers; b. De eventuele blootstelling is van geringe intensiteit; c. Uit de risicobeoordeling is gebleken dat de grenswaarde niet zal worden overschreden; en d. Het gaat om één van de vier hierna genoemde werkzaamheden: • korte niet-continue onderhoudsactiviteiten, waarbij uitsluitend met niet-broze materialen wordt gewerkt; • het verwijderen van niet-beschadigde materialen, zonder deze stuk te maken, waarin de asbestvezels stevig in een matrix zijn gebonden; • het inkapselen en omhullen van asbesthoudende materialen die in goede staat zijn; of • het bewaken en onderzoeken van de lucht en het nemen van monsters om vast te stellen of een bepaald materiaal asbest bevat. Bovenstaande is ingevuld met een vrijstelling voor de toepassingen met een beperkt blootstellingsrisico, categorie vergunning beperkt. Deze toepassingen hebben als bewijs van naleving een erkende werkmethode waarmee uit de risicobeoordeling blijkt dat de grenswaarde niet wordt overschreden. Het bewerken van toepassingen uit de categorie beperkt valt niet onder de genoemde vrijstelling en moet dus worden gemeld. Tevens bevat deze groep enkel hechtgebonden, niet-broze asbesttoepassingen en worden deze over het algemeen verwijderd door bedrijven die niet dagelijks bezig zijn met asbestverwijderingen, waardoor er gesproken kan worden van een sporadische blootstelling. De informatie die bij een melding moet worden verstrekt, laat zien dat de meldplicht zich duidelijk richt op verwijderingswerkzaamheden met asbest. Daarom is ook een vrijstelling op de meldplicht voor het uitvoeren van inventarisaties, luchtmetingen, labonderzoeken en incidenten opgenomen. Daarbij moet het gaan om werkzaamheden verricht door de hulpdiensten, waaronder de politie. Deze uitzonderingen op de meldplicht vallen naar het oordeel van de regering voor een deel ook onder de reikwijdte van artikel 2, tweede lid, van de Kaderrichtlijn. Het gaat namelijk om werkzaamheden in overheidsdienst waarbij het vanwege de aard van deze werkzaamheden, feitelijk onmogelijk is om hieraan voorafgaand een melding te doen dan wel dit redelijkerwijs niet kan worden verwacht. Dit zal immers ertoe leiden of kunnen leiden dat de schadelijke gevolgen die de betreffende overheidsdiensten met de werkzaamheden willen voorkomen, zich voor zullen doen of zullen verergeren. Bij andere spoedeisende werkzaamheden is geen sprake van een vrijstelling, maar van de mogelijkheid om later te melden, in plaats van twee werkdagen van tevoren. Het moet dan gaan om werkzaamheden die nodig zijn vanwege ernstige risico’s voor de veiligheid of gezondheid van personen of de leefomgeving. Bijvoorbeeld asbest dat op een weg is terechtgekomen, het repareren van een gaslek, het herstellen van een kapotte waterleiding of ongepland of spoedeisend noodzakelijk onderhoud. Inventarisaties vallen momenteel niet onder de meldplicht en het is wenselijk dit zo te houden. Voor bijvoorbeeld inventariseerders sluit de door de Wijzigingsrichtlijn vereiste informatie niet aan op het type werkzaamheden, het melden verhoogt de administratieve last en het is ingewikkeld te melden als je nog niet weet wat je aantreft. Daarbij zijn de werkzaamheden van een inventariseerder niet van dien aard dat doorlopende blootstelling waarschijnlijk is. In de eerste plaats hoeft er niet altijd asbest Pagina 84 van 294 aangetroffen te worden. Bij de meeste bronnen zal niet of nauwelijks asbeststof vrijkomen als je er niet aan komt. En daarbij is een inventariseerder niet continu met asbest bezig: hij doet vooronderzoek, rijdt van locatie naar locatie, kijkt rond in een gebouw, neemt zo nodig een monster en schrijft rapportages. Er zou wel een meldplicht voor het uitvoeren van de asbestinventarisatie moeten gelden als door de monstername de concentratie boven de grenswaarde zou uitkomen. Maar dit is praktisch uitgesloten, ook gelet op de korte duur van de handeling en het feit dat de grenswaarde een tijdgewogen gemiddelde is over 8 uur. Inschatten wanneer de eindbeoordeling na afloop van de sanering plaats zal vinden is ook lastig. Dat hangt af van wanneer de saneerder de werkzaamheden afrondt. Uiteraard is het van belang dat iemand die werkzaamheden uitvoert waarbij je mogelijk kan worden blootgesteld gezond en veilig werkt en zich voldoende beschermt tegen te hoge blootstelling aan asbest. Daarop kan dan ook toezicht worden uitgeoefend, maar het zou te ver gaan om een melding voor deze werkzaamheden te verplichten. Naast de genoemde werkzaamheden die van een meldplicht worden uitgezonderd, zijn nog meer kortdurende werkzaamheden denkbaar waarvoor het doen van een melding onevenredig lijkt. De richtlijn biedt echter geen ruimte om nog meer vrijstellingen op de melding te regelen. Zoals hierboven uitgelegd moet er namelijk ook aan de voorwaarden onder a, b, c of d worden voldaan. Een van de belangrijkste criteria daarbij is dat het niet-broze en stevig in een matrix gebonden asbesttoepassingen zijn, die onder de categorie beperkt vallen. Andere werkzaamheden kunnen dus geen uitzondering krijgen. 3.7 Eerdere uitzonderingen inventarisatie-, certificatie- en meldingsplicht In de vorige paragraaf is uitgelegd voor welke werkzaamheden een uitzondering op de meldingsplicht geldt. De eerdere regelgeving kende ook een aantal uitzonderingen op de inventarisatieplicht en een daaraan gekoppelde uitzondering op de certificatie- en meldingsplicht. Al voor de introductie van de Wijzigingsrichtlijn was er het voornemen om de uitzonderingen op de inventarisatieplicht opnieuw te bezien en deze te harmoniseren. Zoals in 2018 aangekondigd in een kamerbrief van de staatssecretaris van SZW,37 is nader gekeken naar de onderbouwing van deze uitzonderingen. In dat kader is in dat jaar door Bureau KLB onderzoek uitgevoerd naar de herkomst van de vrijstellingen38. Uit dit onderzoek is gebleken dat de herkomst van de vrijstelling niet in alle gevallen te herleiden is. Ook bleek er geen eenduidige grond te zijn voor de verschillende uitzonderingen. De Wijzigingsrichtlijn biedt zoals uitgelegd in paragraaf 3.6 ook geen ruimte en grond voor de uitzonderingen zoals deze in de regelgeving opgenomen stonden. Dit betekent dat deze uitzonderingen moeten worden herzien waar het gaat om het vrijstellen van de inventarisatieplicht en de meldingsplicht. Een vrijstelling van de certificatieplicht past binnen de Wijzigingsrichtlijn, maar een vrijstelling van de vergunningplicht en het bijbehorende bewijs van naleving is niet mogelijk in het geval van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden. Aangezien het certificaat een bewijs 37 Kamerstukken II, 2018/2019, 25834, nr. 150 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen 38 Herkomst vrijstellingen asbestinventarisatieverplichtingen | Rapport | Arboportaal Pagina 85 van 294 van naleving is, is er geen ruimte voor vrijstelling van de certificatieplicht, behoudens de categorie vergunning beperkt. Om invulling te geven aan de informatieplicht zoals benoemd in paragraaf 3.6 asbestinventarisatie kan in een aantal van de momenteel vrijgestelde gevallen een asbestidentificatie volstaan. Er zijn gesprekken gevoerd met bedrijven en branche(vertegenwoordigers) die tot nu toe uitgezonderd waren van de verplichtingen. Daaruit blijkt dat het in veel gevallen goed mogelijk is om de vereiste informatie in kaart te brengen. Een werkgever kan zonder dat een inventarisatie noodzakelijk is over de kennis beschikken welke asbestbron waar te vinden is en hoe hiermee om te gaan. Het is in de meeste gevallen mogelijk om de aangetroffen asbestbron op deze manier te identificeren. Als basis hiervoor kan bijvoorbeeld dienen:het bronnenboek voor asbesthoudende componenten in de energiesector39, documentatie over het netwerk van asbestcementleidingen van waterleidingbedrijven of onderzoek waaruit blijkt dat tegellijm van na een bepaalde datum asbestvrij is. De hierboven in paragraaf 3.1.1.1. beschreven differentiatie binnen het vergunningsstelsel biedt een basis om de lasten van de verplichtingen die volgen uit het vervallen van de uitzonderingen proportioneel te houden zonder dat de veiligheid en gezondheid van werknemers in het geding komt. Tevens is op dit deel van de werkzaamheden de meldplicht niet van toepassing zoals in paragraaf 3.5 meldingen is toegelicht. Een aantal van de bestaande uitzonderingen zal echter onder een zwaarder regime gaan vallen door de Wijzigingsrichtlijn en doordat de toepassingen in dit besluit zijn ingedeeld op het potentiële risico. Bijvoorbeeld asbesthoudende pakkingen zijn als toepassing op basis van het potentiële blootstellingsrisico bij verwijdering ingedeeld onder vergunning basis. Dit maakt dat bij deze toepassingen sprake is van een meldplicht wanneer er werkzaamheden aan het asbesthoudende materiaal worden verricht. De Wijzigingsrichtlijn biedt in dit geval ook geen ruimte hier af te zien van een melding. 3.8 Het gebruik van SMART-ns Het onderhavige besluit introduceert in het Arbobesluit een door de minister aan te wijzen instrument als optie voor het vaststellen van de blootstelling voorafgaande aan de asbestverwijdering. In de Arboregeling wordt het instrument SMART-ns aangewezen. De risicobeoordeling gemaakt met SMART-ns, voldoet aan de laatste stand van de wetenschap. TNO is intellectueel eigenaar van het onderliggende blootstellingsmodel AREAT dat daarin voorziet. Daarnaast is SMART-ns ontwikkeld in samenspraak met TNO. De informatie die het instrument verschaft, is afkomstig van TNO en stelt asbestverwijderaars in staat tot een professionele dienstverlening. De minister van Werk en Participatie heeft volledige zeggenschap over de inhoud van SMART-ns. TNO beheert in beginsel eigenstandig het blootstellingsmodel AREAT, maar aanpassingen aan het model in SMART-ns zullen altijd met instemming van de minister van SZW plaatsvinden. Ascert is via een concessie aangesteld als functioneel beheerder van het systeem. Zij is alleen verantwoordelijk voor het technische beheer en heeft niet de mogelijkheid de inhoud aan te passen. 39 https://www.bronnenboek.nl/ Pagina 86 van 294 Deze rolverdeling is vastgelegd in een tripartiet convenant met TNO en Ascert. Daarnaast is een concessieovereenkomst gesloten tussen het Ministerie van SZW en Ascert, waarin de taken van Ascert als functioneel beheerder zijn vastgelegd. Die zijn onder meer het organiseren van de helpdesk, verzamelen van terugkerende vragen en eventuele wijzigingsvoorstellen ten aanzien van de functionaliteit, en de financiële administratie. Onderdeel van de concessieovereenkomst is dat de functioneel beheerder geen financieel gewin uit SMART-ns mag halen. De functioneel beheerder heeft tevens geen inhoudelijke inbreng bij aanpassingen en neemt geen inhoudelijke beslissingen. De regelgeving kent drie manieren om de blootstelling vooraf in te schatten. Namelijk door het gebruik van een erkende werkmethode, door het gebruik van op de situatie van toepassing zijnde meetgegevens of door het gebruik van een modelmatige inschatting in SMART-ns. Deze schatting gebeurt op basis van het TNO-model AREAT40. Ook de erkende werkmethoden zijn opgenomen in SMART-ns. Hoewel bij het gebruik van een erkende werkmethode de blootstelling niet via SMART- ns hoeft te worden vastgesteld, is het belangrijk dat de asbestverwijderaar via SMART-ns bij de keuze van de werkmethode wordt gewezen op de erkende werkmethoden die beschikbaar zijn. Daarnaast berekent SMART-ns ook de gecombineerde blootstelling van verschillende werkzaamheden op een werkdag en wordt de bijdrage van de blootstelling via een erkende werkmethode daarin meegenomen. Ook meetgegevens moeten worden ingevoerd in SMART-ns. Aan de hand van de ingevoerde gegevens beschrijft SMART-ns het benodigde beheers- en borgingsregime. Zoals de nodige typen vergunning , eindbeoordeling en zo nodig het type adembescherming. Het grote voordeel van SMART-ns is dat een nauwkeurige blootstellingsinschatting voorafgaande aan de werkzaamheden kan worden gemaakt. Door de inschatting vooraf is beter vast te stellen welke maatregelen moeten worden genomen ter bescherming van de werknemers en de leefomgeving. Bovendien maakt het inzichtelijk wat het effect op de blootstelling is van verschillende maatregelen, zodat de gebruiker de werkwijze kan optimaliseren. Dit ontslaat werkgevers er niet van op gezette tijden ook te meten tijdens de werkzaamheden. SMART-ns is een meer risicogericht instrument dan het tot dusverre gebruikte instrument SMArt. In plaats van de van toepassing zijnde risicoklasse (boven of onder de grenswaarde) is er een nauwkeurigere inschatting van de blootstelling en maakt het duidelijk of de concentratie net boven of heel erg boven de grenswaarde zal uitkomen. In de blootstellingsbepaling kunnen ook de emissiebeperkende maatregelen die door de saneerder worden uitgevoerd worden meegenomen. Dit stelt de saneerder in staat om te kiezen voor de beste verwijderingsmethode in de gegeven situatie. Hiermee wordt de saneerder geholpen met het op een juiste wijze saneren en het zo laag mogelijk houden van de blootstelling zoals de regelgeving vereist. Het instrument motiveert de saneerder om de werkwijze zodanig in te richten dat de blootstelling zo laag mogelijk blijft. Hoewel het een verplichting is de blootstelling te minimaliseren, is de asbestverwijderaar niet automatisch verplicht om de methode te kiezen die de laagste blootstelling oplevert. Er kan in SMART-ns gemotiveerd worden afgeweken van de methode met de laagst mogelijke blootstelling. Bijvoorbeeld als dat andere, grotere, risico’s oplevert of in een bepaalde situatie niet uitvoerbaar is. Het wordt niet wenselijk geacht de 40 Franken R, Schinkel J, Spaan S. Validation and Recalibration of the Asbestos Removal Exposure Assessment Tool (AREAT). Ann Work Expo Health 2023; 67 (5): 650-662. doi: 10.1093/annweh/wxad010. Pagina 87 van 294 verwijderingsmethode dwingend voor te schrijven met SMART-ns omdat de specifieke situatie en daarmee de geschiktheid van methoden tijdens de verwijdering alleen ter plekke door het asbestverwijderingsbedrijf kan worden beoordeeld. SMART-ns geeft bij de te maken keuzes informatie weer die gebaseerd is op de laatste stand van de wetenschap, aangedragen door TNO. Bijvoorbeeld bij het kiezen van toe te passen emissiebeperkende maatregelen kan de saneerder de keuze baseren op de toelichtende informatie in de opgenomen informatiebladen. De informatiebladen zijn bedoeld om de saneerder te informeren over aandachtspunten en randvoorwaarden voor het toepassen van de bronmaatregelen. Indien er niet aan de voorwaarden kan worden voldaan, moet de emissiebeperkende maatregel niet gekozen worden. Bij het niet zeker zijn of de bronmaatregelen op de goede manier kunnen worden uitgevoerd is het beter deze optie niet te kiezen zodat de blootstelling en bescherming niet onderschat wordt. Hoewel het gebruik van het instrument enige lastendruk met zich meebrengt, weegt dit op tegen het alternatieve scenario waarin een dergelijk instrument niet aanwezig is. Het maken van een risicobeoordeling is al een verplichting. Het uitvoeren van metingen tijdens elke sanering leidt tot veel hogere (financiële) lasten dan het gebruik van SMART-ns. Bovendien zijn de risico’s vooraf dan minder duidelijk. Met SMART-ns kunnen meer risicogerichte maatregelen worden gekozen. Zo kan bijvoorbeeld het gebruik van containment niet nodig blijken als met behulp van SMART-ns blijkt dat met een bepaalde werkmethode onder de grenswaarde kan worden gewerkt. SMART-ns geeft ook aan welke adembescherming minimaal noodzakelijk is in de ingevoerde ruimte om goed beschermd te zijn. Daarbij moet altijd rekening gehouden worden met andere werkzaamheden die dezelfde werknemer die dag uitvoert. En mogelijk andere risico’s. Er kan daarom voor gekozen worden te kiezen voor het dragen van adembescherming met een hogere beschermingsfactor dan op de SMART-uitdraai is vermeld. Het was al een bestaande verplichting om de blootstelling zo laag als technisch mogelijk te houden. Dat principe verandert niet. De introductie en verplichtstelling van het instrument zal in de praktijk toch een verandering betekenen ten opzichte van het huidige SMA-rt. De saneerder krijgt een beter inzicht in de daadwerkelijke blootstellingsrisico’s en daarmee een verhoogd bewustzijn. De effecten van de emissiebeperkende maatregelen zijn beter zichtbaar, waardoor de noodzaak om andere maatregelen te treffen duidelijker is. Dit kan betekenen dat saneringen anders worden uitgevoerd dan voorheen. Het kost tijd om de nieuwe denkwijzen en uitvoering eigen te maken. Het is de verwachting dat door de introductie van het instrument minder projectvalidaties nodig zullen zijn waarmee op basis van metingen wordt aangetoond dat onder de grenswaarde kan worden gewerkt. Hoeveel minder is lastig te bepalen. De verwachte lastenverlichting vanuit deze wijziging is dan ook vooralsnog niet te kwantificeren. Naar verwachting weegt de lastenverlichting wel op tegen de toename van lastendruk die gepaard maakt met het gebruik van SMART-ns. De gezondheidswinst is moeilijk te kwantificeren maar naar verwachting aanzienlijk in situaties dat men zich niet bewust is van het verschil tussen een concentratie net boven de grenswaarde en tientallen miljoenen vezels/m3 en daar bijvoorbeeld het type adembescherming niet op afstemmen. Na inwerkingtreding is het belangrijk dat bij wijzigingen het bedrijfsleven voldoende wordt betrokken. Zo komen zij niet voor onverwachte of onuitvoerbare wijzigingen te staan. SMART-ns is, in verhouding tot het huidige SMArt, minder gebaseerd op worst-case scenario’s. Desondanks zal het blootstellingsmodel AREAT altijd een conservatieve schatting geven van het blootstellingsniveau. Dat betekent dat in vrijwel alle gevallen de werkelijke blootstelling lager zal zijn dan de berekende, mits wordt gewerkt volgens de ingevulde werkmethode en de bijbehorende maatregelen worden getroffen. In de Pagina 88 van 294 internetconsultatie van het eerdere ontwerpbesluit waren er zowel partijen die zorgen hadden dat het model te lage blootstellingsniveaus aangeeft als partijen die zorgen hadden dat het model te hoge blootstellingsniveaus geeft. De zorgen zijn gedeeltelijk gebaseerd op een gebrek aan vertrouwen in de representativiteit van validatiemetingen. Dergelijke validatiemetingen hebben door de wijze waarop zij in het model AREAT gebruikt worden echter een zeer kleine invloed op de uitkomst. In SMART-ns wordt een blootstellingsschatting gemaakt met behulp van het model AREAT. Met een rekenmodel wordt een zo betrouwbaar mogelijke inschatting gemaakt van de werkelijkheid. In de praktijk zullen zich echter omstandigheden voordoen waardoor de werkelijke blootstelling anders kan blijken te zijn dan de uitkomsten van AREAT. Zo kan het gedrag van de werknemer invloed hebben doordat voorzichtiger of juist minder voorzichtig te werk wordt gegaan. Er zit bijvoorbeeld ook variatie in de samenstelling en andere eigenschappen van asbestproducten, ook omdat asbestgehalten in bandbreedten van percentages worden gerapporteerd. Ook in meetresultaten zit variatie en dus onzekerheden. Daarom wordt het resultaat van een luchtmeting niet alleen gerapporteerd als de getelde (nominale) waarde maar ook met een ondergrens en bovengrens waarbij kan worden gesteld dat de werkelijke waarde met 95% betrouwbaarheid in die bandbreedte zit. Met behulp van kalibratie op basis van praktijkmetingen is ervoor gezorgd dat AREAT rekening houdt met al deze onzekerheden. Daardoor ligt de uitkomst van AREAT aan de veilige kant. Het model is ontwikkeld om het 90e percentiel van de blootstelling te schatten. Dit betekent dat naar verwachting circa 90% van de individuele metingen in een praktijksituatie onder de geschatte concentratie asbestvezels ligt. De verdeling van concentraties in de praktijk vertoont doorgaans een grote spreiding met een uitloop naar hoge waarden ten opzichte van het gemiddelde. Hierdoor ligt het 90e percentiel veel hoger dan zowel het rekenkundig gemiddelde als het geometrisch gemiddelde van de verdeling. In AREAT kan de berekende waarde daarom een veelvoud zijn van het geometrisch gemiddelde. AREAT wordt periodiek geëvalueerd en waar nodig aangepast op basis van nieuwe praktijkmetingen. Het invullen van SMART-ns is met deze wijzigingen ten opzichte van SMArt de gedeelde verantwoordelijkheid van de inventariseerder en de asbestverwijderaar. De inventariseerder is verantwoordelijk voor feitelijke rapportage van de te verwijderen asbesttoepassingen. De asbestverwijderaar dient uit te gaan van de in het inventarisatierapport opgegeven gegevens over de asbesttoepassing en kan die gegevens niet aanpassen. Hij kan naar eigen inzicht invullen hoe de asbesttoepassing verwijderd zal gaan worden. Met deze werkwijze wordt ook beter geïmplementeerd dat de verantwoordelijkheid voor veilig omgaan met asbest bij de werkgever (in casu de asbestverwijderaar) ligt en niet bij de inventariseerder. Een uitzondering op bovenstaande verdeling in SMART-ns vormen de saneringen die plaatsvinden op basis van een document waarmee het asbest geïdentificeerd is. Daarbij volgt de saneerder een aparte route waarin hij zelf de gegevens over de asbesttoepassing moet invullen. Op de uitdraai is duidelijk zichtbaar dat deze route is gekozen. 3.9 Eindbeoordelingen Pagina 89 van 294 De Wijzigingsrichtlijn stelt geen eisen aan een eindbeoordeling na afloop van de werkzaamheden. Er is een verplichting voor de werkgever opgenomen om in het werkplan op te nemen hoe men zich ervan gewist, overeenkomstig het nationale recht en praktijk, dat er geen risico’s van blootstelling aan asbest op de werkplek meer zijn voordat andere activiteiten worden hervat. Het is belangrijk na het verwijderen van asbest om de werkplek goed schoon te maken en te beoordelen of het asbest geheel is verwijderd en de locatie weer veilig in gebruik kan worden genomen zonder verdere beheersmaatregelen. Omdat het veilig achterlaten van de werkplek van belang is voor de gezondheid van werknemers, omstanders, milieu en leefomgeving, kende Nederland al een eindbeoordelingsverplichting. In het bestaande Arbobesluit waren de eisen aan de eindbeoordeling gerelateerd aan de risicoklassen. Zo kon in risicoklasse 1 worden volstaan met een visuele inspectie door het bedrijf dat het asbest verwijdert, om vast te stellen dat er geen asbest visueel waarneembaar meer was.. Voor risicoklassen 2 en 2A gold als eis dat de eindbeoordeling door een onafhankelijke partij moest worden gedaan. Dat hield altijd een visuele inspectie in, gevolgd door een luchtmeting als de asbestverwijdering in een binnenruimte was uitgevoerd. Pas na een afgeronde eindbeoordeling mochten andere werkzaamheden worden gestart. Aangezien met dit wijzigingsbesluit de risicoklassen zijn vervallen, is een andere benadering nodig. Om de regelgeving zo eenvoudig mogelijk te houden is deze aanpak gebaseerd op dezelfde categorieën beperkt, basis en uitgebreid, als de vergunningplicht. Voor elk van deze categorieën is voorgeschreven wie de eindbeoordeling mag of moet uitvoeren en wat de eisen daaraan zijn. Nieuw is dat er invulling is gegeven aan criteria voor het goed- of afkeuren. Voorheen baseerden laboratoria zich hierbij op de NEN 2990. Deze criteria passen echter beter onder de publieke regelgeving, en zijn daarom in het Arbobesluit opgenomen. Door het opnemen van eisen aan eindbeoordelingen met daarbij de criteria voor goed- of afkeuren is de werkgever verplicht om te zorgen voor een eindbeoordeling conform de vereisten en mag hij de werklocatie pas vrijgeven als volledig is voldaan aan de betreffende goedkeurcriteria. Voor categorie beperkt kan, zoals ook het geval was bij de eerdere risicoklasse 1, een bedrijf dat de asbestverwijdering doet ook zelf de eindbeoordeling doen. Die bestaat in dat geval alleen uit een visuele inspectie. In de Arboregeling zijn eisen gesteld aan de wijze waarop een visuele inspectie moet worden uitgevoerd. Hiermee wordt met het blote oog vastgesteld dat er geen asbest meer aanwezig is op de werkplek en de werkplek veilig kan worden betreden. Uiteraard is het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt. Via de (erkende) opleidingen wordt die kennis overgedragen. Het bedrijf dat zelf de visuele inspectie uitvoert, zal dit zorgvuldig moeten doen. Het opleveren van het werk met nog visueel waarneembare asbestrestanten kan worden gezien als een overtreding die afhankelijk van ernst en herhaling invloed kan hebben op de vergunning. Aangezien de grenswaarde niet wordt overschreden tijdens de werkzaamheden, heeft een luchtmeting na afloop geen toegevoegde waarde. Dit ontslaat het bedrijf er niet van in voorkomende gevallen een meting tijdens de werkzaamheden uit te voeren. De frequentie hiervan wordt bepaald in de Arboregeling. De potentiële blootstelling van een asbesttoepassing is een logischer criterium om de zwaarte van de eindbeoordeling op te baseren dan de risicoklassen in het verleden waren. De mate van hechtgebondenheid Pagina 90 van 294 zegt namelijk ook iets over de kans dat asbestvezels vrij komen in de omgeving als er asbesthoudend materiaal achterblijft. Voor de categorie basis moet de eindbeoordeling door een onafhankelijke en geaccrediteerde instelling worden gedaan volgens de beoordelingsmethodieken in de NEN 2990. Bij een totale concentratie asbestvezels van meer dan 10.000 tijdens de sanering (taakblootstelling: het totaal aantal vezels dat tijdens de sanering vrijkomt, onafhankelijk van tijd) moet naast een visuele inspectie ook een luchtmeting worden uitgevoerd na beëindiging van de werkzaamheden. De eisen aan de eindbeoordelingsinstellingen en laboratoria zijn opgenomen in de Arboregeling. In de categorie basis mag een eindbeoordeling worden uitgevoerd door het bedrijf dat de asbestverwijdering heeft uitgevoerd, mits gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. In dat geval betreft het alleen een visuele inspectie. Voor de categorie basis zou het standaard verplichten tot een luchtmeting in binnenruimtenleiden tot onevenredige lasten, omdat verwijderingen in de groep onder de 10.000 vezels taakblootstelling kunnen blijven. Luchtmetingen zijn alleen dan zinvol wanneer er een reële kans is op overschrijdingen van de waarde waarop wordt getoetst en dus niet als op voorhand al duidelijk is dat dit niet zal gebeuren. Het criterium van 10.000 vezels/m3, dat is voorgeschreven in artikel 4.56 van dit besluit, wordt door TNO gezien als een conservatieve (beschermende) keuze, die zich daarbij baseerde op modelmatige overwegingen. Dit is nadien bevestigd door metingen die TNO in experimentele opzet heeft uitgevoerd.41 Op basis van het uitgangspunt dat de asbestvezels tijdens de asbestverwijdering door ventilatie en/of afzuiging worden weggezogen, mag volgens het TNO-onderzoek verwacht worden dat als tijdens de asbestverwijdering sprake is van een vezelconcentratie in de ruimte van minder dan 10.000 asbestvezels/m3, de concentratie asbestvezels voldoende is verlaagd op het moment dat de eindbeoordeling wordt gestart. Het doen van luchtmetingen na de visuele inspectie heeft dan geen toegevoegde waarde meer. Als de taakblootstelling tijdens de werkzaamheden lager blijft dan 10.000 vezels/m3, voor zowel chrysotiel als amfibool asbest, biedt dit voldoende garanties dat de vezelconcentratie in de praktijk kort na de werkzaamheden beneden de 2.000 vezels/m3 zal liggen. Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat de concentratie in de lucht na afloop van de werkzaamheden en tijdens de eindbeoordeling nog verder zal dalen. De eisen inzake de eindbeoordeling worden daarmee meer afgestemd op het te verwachten risico of een werkplek na afloop veilig kan worden betreden. Voorheen was een luchtmeting verplicht boven de grenswaarde in binnenruimten. De concentratie asbestvezels in de lucht na afloop van de sanering zegt niet zozeer iets over hoe de sanering is uitgevoerd. Het zegt veel meer iets over hoe de ruimte na afloop is schoongemaakt. De eindbeoordeling heeft dan ook als doel om vast te stellen of de werkplek na afloop veilig kan worden betreden. De manieren waarop kan worden aangetoond dat de taakblootstelling42 bij het werken onder de 10.000 v/m3 blijft is in de Arbeidsomstandighedenregeling bepaald. Het gaat om de volgende wijzen: a. Een erkende werkmethode. 41 TNO-rapport TNO 2021 R10986, Opzet en resultaten van experimenteel onderzoek met asbesthoudend materiaal (amosietplaat, asbestcement golfplaat en pakkingen), 21 oktober 2021. 42 De totale concentratie asbestvezels die vrijkomt tijdens een sanering Pagina 91 van 294 b. Een inschatting van de blootstelling via SMART-ns. Hieronder vallen de situaties waarbij SMART-ns de taakblootstelling met AREAT schat op minder dan 10.000 v/m3, alsmede ingevoerde resultaten van persoonlijke blootstellingsmetingen waaruit dat blijkt. c. Een luchtmeting tijdens het werk door een onafhankelijk lab. De werkgever kan met een inschatting van de blootstelling of een luchtmeting tijdens de werkzaamheden aantonen dat de totale taakblootstelling onder de 10.000 v/m3 blijft. Dit kan tijdswinst opleveren doordat het werk na een gunstige visuele eindinspectie al kan worden vrijgegeven en niet hoeft te worden gewacht op de luchtmeting. Bovendien stimuleert het het uitvoeren van metingen tijdens de verwijdering. Voor de categorie uitgebreid zal altijd een onafhankelijke visuele inspectie moeten plaatsvinden. In deze categorie kan alleen worden afgezien van een luchtmeting wanneer er tijdens de sanering is gemeten en het aantal vezels onder de 10.000/m3 bleek. De kans dat dit voorkomt is beperkt. Geaccrediteerde laboratoria die de eindbeoordelingen uitvoeren, moeten volgens hun accreditatievoorwaarden werken volgens NEN 2990 “Lucht - Eindbeoordeling na asbestverwijdering”. Volgens NEN 2990 waren kleefmonsters alleen verplicht voor asbestverwijdering in risicoklasse 2A, dat wil zeggen dat tijdens de werkzaamheden de concentratie amfibool asbest hoger was dan de grenswaarde. Er is voor gekozen kleefmonsters voor te schrijven voor de categorie uitgebreid omdat hierbij hoge concentraties asbestvezels in de lucht kunnen worden verwacht en de kleefmonsters met name dan zinvol zijn om te achterhalen of er veel vezels zijn neergeslagen die niet met het blote oog kunnen worden waargenomen. De toetswaarde waaraan getoetst wordt met de luchtmeting blijft 10.000 v/m3 voor chrysotiel asbest als de analyse is uitgevoerd met fasecontrastmicroscopie. Wanneer de analyse is uitgevoerd met elektronenmicroscopie is de toetswaarde 2000 v/m3. Elektronenmicroscopie mag worden gebruikt voor de analyse van chrysotiel maar is verplicht voor amfibool asbest. De term ‘toetswaarde’ dient niet verward te worden met de term ‘grenswaarde’ (die geldt als norm voor een maximale blootstelling van de werknemer tijdens asbestverwijdering, gemiddeld over 8 uur per dag). In onderstaande tabel zijn de eisen aan eindbeoordelingen samengevat. Een eindbeoordeling bestaat altijd uit een visuele inspectie en afhankelijk van de situatie ook uit een luchtmeting en kleefmonsters. Beperkt Basis Uitgebreid Eindbeoordeling door werkgever Eindbeoordeling door: f. geaccrediteerde instelling en volgens NEN 2990 of; g. werkgever bij gebruik erkende werkmethode Eindbeoordeling door geaccrediteerde instelling en volgens NEN 2990. 1: Visuele inspectie: altijd Toetscriterium: Asbest is visueel niet meer waarneembaar aanwezig, tenzij het asbest betreft dat volgens het werkplan niet verwijderd hoeft te worden. 2: Luchtmeting in binnensituaties Pagina 92 van 294 Geen luchtmeting Luchtmeting, tenzij: 2. gebruik erkende werkmethode; 3. tussentijdse meting onder de 10.000 vezels/m3 taakblootstelling (elektronenmicroscoop); 4. SMART-ns onder 10.000 vezels/m3 taakblootstelling Luchtmeting, tenzij: h. tussentijdse meting onder de 10.000 vezels/m3 taakblootstelling (elektronenmicroscoop). Toetscriterium: Alleen chrysotiel, analyse met fasecontrastmicroscopie: <10.000 vezels/m3 met fasecontrastmicroscopie Chrysotiel en amfibool, analyse met elektronenmicroscopie: <2.000 vezels/m3 3: Kleefmonsters in binnensituaties Geen kleefmonsters d. Geen kleefmonsters altijd kleefmonsters Toetscriterium kleefmonsters: <100 vezels/cm2 bepaald met elektronenmicroscopie 3.10 Meten tijdens asbestwerkzaamheden In het nieuwe artikel 4.41 zijn de luchtmetingen tijdens werkzaamheden met asbest vastgelegd. Deze meetverplichting bestond al langere tijd. In artikel 7 van de Asbestrichtlijn van 2019 stond: “1. Afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling wordt, om de naleving van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde te waarborgen, op gezette tijden de concentratie (…) gemeten. 2. De monstername is representatief voor de persoonlijke blootstelling van de werknemer (…). (…) 5. De duur van de monstername wordt zo gekozen dat (…) de representatieve blootstelling (…) kan worden vastgesteld.” De Wijzigingsrichtlijn heeft aan het eerste lid toegevoegd dat de meting op gezette tijden “in specifieke operationele fasen” moet gebeuren. In het tweede lid is de eis dat de meting representatief moet zijn voor de blootstelling van de werknemer vervangen door de eis dat de meting de blootstelling van de werknemer weerspiegelt. Wat blijft staan is dat de metingen tot doel hebben te controleren dat er geen blootstelling is boven de grenswaarde. De wijzigingen houden in dat metingen op het juiste moment tijdens de sanering worden uitgevoerd zodat ze een goed beeld geven van de blootstelling en dat de meting aansluit bij het feit dat de blootstellingsrisico’s kunnen verschillen tijdens verschillende fases van de werkzaamheden. Wat nu in artikel 4.41 wordt geregeld, komt in plaats van het vervallen artikel 4.47 van het Arbobesluit. Daarin waren de vereisten van de Asbestrichtlijn uit 2009 geïmplementeerd, waardoor het wettelijk verplicht was om op gezette tijden te meten tijdens de werkzaamheden. Ook voor 2009 was al sprake van een dergelijke Pagina 93 van 294 meetverplichting. Zo is in 200643 een aanpassing verricht in deze bepalingen op grond van een wijzigingsrichtlijn uit 2003. Die wijzigingsrichtlijn uit 2003 bepaalde al dat de metingen op gezette tijden moest plaatsvinden afhankelijk van de risicobeoordeling. Voor die tijd werd een frequentie van 1 keer per 3 maanden voorgeschreven. Dit kon worden teruggebracht in bepaalde omstandigheden tot 1 keer per jaar. Bij de wijziging in 2006 is het betreffende artikel verplaatst waardoor het ook van toepassing werd op werkzaamheden met een lage blootstelling. Volgens de toelichting bij het wijzigingsbesluit uit 2006 biedt het afhankelijk zijn van de risicobeoordeling gelegenheid tot het minder vaak meten als de blootstelling heel laag is. Meten is immers geen doel op zich, maar dient ter voorkoming van blootstelling boven de grenswaarde. Het op gezette tijden meten betekent dus niet dat er bij elke sanering moet worden gemeten. Met behulp van SMART-ns kan een goede blootstellingsschatting vooraf worden gemaakt. Het is desondanks zinvol om wel zo nu en dan te meten of de manier waarop er in de praktijk gewerkt wordt, wel aansluit op de risicobeoordeling. De naleving van dit artikel was nihil. Metingen tijdens het verwijderen van asbest worden vooral gedaan in het kader van validatie-onderzoeken om aan te tonen dat onder de grenswaarde kan worden gewerkt. Aangezien metingen tijdens het saneren wel relevant zijn, is de branche gevraagd om te komen tot een meetkader waarin concreet is vastgelegd wanneer er gemeten wordt. Dit kader is opgenomen in de Arboregeling. Door op deze wijze de uitvoering van het meetkader te borgen, kan het niet naleven daarvan gevolgen hebben voor de vergunning. Met dit meetkader wordt ervoor gezorgd dat het meten een zinvolle bijdrage levert aan het borgen van gezond en veilig werken door het inzetten van metingen waar ze ook zinvol zijn. Kosten en baten moeten namelijk wel in verhouding tot elkaar staan. De meetresultaten zullen ook gedeeld worden met TNO voor aanvulling van de database, zodat de meetresultaten meer wetenschappelijk inzicht geven in de hoogte van de blootstelling bij diverse werkzaamheden. De data kunnen op die manier ook bijdragen aan de validatie van de blootstellingsschattingen in SMART-ns, zodat deze nog betrouwbaarder worden. Daartoe is het belangrijk dat TNO ook over de juiste contextinformatie beschikt, zodat de data voldoende bruikbaar zijn. Het meetkader creëert een gelijk speelveld doordat alle partijen dezelfde aanpak hanteren en daadwerkelijk meten. Het meetkader wordt opgenomen in de Arboregeling en daar nader toegelicht. De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat metingen tijdens het saneren moet worden uitgevoerd met behulp van een elektronenmicroscoop. Dit is geen verandering voor de Nederlandse praktijk. 3.11 Blootstellingsregistratie en medische keuring De Asbestrichtlijn verplicht om werknemers een medische keuring aan te bieden en hun blootstelling te registreren. In de Arboregelgeving waren deze verplichtingen in belangrijke mate al opgenomen. Voor enkele verplichtingen bij de medische keuring waren deze echter alleen opgenomen voor risicoklasse 2, terwijl de verplichting volgens de Asbestrichtlijn voor alle werkzaamheden geldt. Het betreft: f. Specifiek onderzoek van de borstkas. 43 Besluit van 7 juli 2006 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van asbest (implementatie van wijzigingsrichtlijn nr. 2003/18/EG) Pagina 94 van 294 g. Herhaling van de keuring elke 3 jaar zolang de blootstelling duurt. h. Maatregelen treffen als de keuring daartoe aanleiding geeft. Die verplichting geldt nu voor werkgevers, volgens de Asbestrichtlijn zou de arts zich hierover moeten uitspreken. De verplichtingen rondom de blootstellingsregistratie waren al geïmplementeerd in nationale regelgeving. 3.12 Het Validatie- en Innovatiepunt (VIP) Op 2 juni 2020 is het Validatie- en Innovatiepunt Asbest (hierna: VIP) geopend44. Het VIP is een onafhankelijk orgaan en beoordeelt (innovatieve) werkmethoden in het asbestwerkveld. Daarover brengt zij advies uit aan het Ministerie van SZW. In eerste instantie zagen de beoordelingen van het VIP op het beoordelen van werkmethoden waarmee werd aangetoond dat verwijderingen onder de grenswaarde konden worden uitgevoerd. Sinds september 202445 heeft het VIP ook een rol in het beoordelen van bewerkingen, zover deze zijn toegestaan volgens de geldende regelgeving. Dit verandert niet. De minister van Werk en Participatie kan ook in de nieuwe situatie op basis van een advies van het VIP beslissen of met de betreffende innovatie of werkmethode voldoende wordt aangetoond dat er onder de grenswaarde wordt gewerkt. Hiermee stelt de minister de werkmethode vast als een erkende werkmethode (voorheen beter bekend als een veilige werkwijze). Erkende werkmethoden voor verwijderingen zullen worden opgenomen in SMART-ns. Daarnaast zullen alle erkende werkmethoden worden gepubliceerd op de website van het VIP en een plek krijgen in de Arboregeling. Omdat in de nieuwe regelgeving erkende werkmethoden ook worden ingezet als bijvoorbeeld het bewijs van naleving als vereiste bij een vergunningaanvraag, is de regelgeving omtrent het VIP en erkende werkmethoden uitgebreid. Deze regelgevingswijzigingen staan in de Arboregeling. De bestaande erkende werkmethoden zijn aangepast aan de nieuwe regelgeving. Ook in de toekomst is het nodig dat de erkende werkmethoden actueel blijven. Zoals toegezegd aan uw Kamer in de brief van 16 september 202446, ga ik na de implementatie verder bekijken hoe innovatie in de sector kan worden gestimuleerd. Daarbij ga ik ook met het VIP bespreken of een periodieke evaluatie van de bestaande erkende werkmethoden moet worden ingericht. In de Arboregeling is het VIP nu aangewezen als een Adviescommissie. Het VIP is nu vastgesteld als een bij het RIVM ondergebracht, onafhankelijk orgaan dat de Minister van Werk en Participatie adviseert over werkwijzen op het gebied van asbestverwijdering en - bewerking. Tot op heden was het VIP niet formeel ingesteld als adviesorgaan. Met deze regeling krijgt het VIP de status van een commissie als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en wordt zij formeel belast met het geven van advies over onder meer werkmethoden voor het verwijderen en bewerken van asbest en asbesthoudende producten. Het VIP kan een advies zowel op verzoek als ambtshalve geven. Vanwege de rol van het VIP als onafhankelijke adviescommissie, is het van belang dat alle leden, inclusief de voorzitter, 44 Kamerstukken II 2019/2020, 25834, nr. 170 45 Kamerstukken II 2023/2024, 25883, nr. 501 46 Kamerstukken II 2023/2024, 25883, nr. 501 Pagina 95 van 294 volstrekt onafhankelijk optreden. Daarom is bepaald dat de voorzitter en de andere leden van het VIP op persoonlijke titel daarin zitting hebben en hun functie onafhankelijk moeten uitoefenen. 4. Verhouding tot hoger recht 4.1. Asbestrichtlijn De Asbestrichtlijn bevat voorschriften die zijn bedoeld om werknemers te beschermen tegen risico’s voor hun gezondheid die zich voordoen of kunnen voordoen als gevolg van blootstelling aan asbest op het werk. De Wijzigingsrichtlijn heeft de Asbestrichtlijn op een aantal punten gewijzigd. Het bovenliggende wetsvoorstel diende ter implementatie van twee van deze wijzigingen. Dit zijn de verplichting voor bedrijven om over een vergunning te beschikken om bepaalde asbestgerelateerde werkzaamheden te mogen verrichten en de verplichting om een lijst met bedrijven openbaar te maken waaraan een vergunning is verleend. Alle overige wijzigingen worden met dit besluit en een regeling tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling doorgevoerd. In de transponeringstabel die hoort bij deze toelichting, is opgenomen in welke artikelen van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling de artikelen van de Wijzigingsrichtlijn zijn geïmplementeerd. 4.2. REACH-verordening De REACH-verordening47 bevat een verbod op de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde asbestvezels en voorwerpen en mengsels waaraan deze vezels opzettelijk zijn toegevoegd. Tevens bevat de REACH-verordening een klein aantal uitzonderingen op dit verbod. Het verbod in de REACH-verordening is van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie. Voor asbest is in de REACH-verordening opgenomen dat voorwerpen waaraan asbest opzettelijk is toegevoegd en die voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen, mogen worden blijven gebruikt tot ze worden verwijderd of aan vervanging toe zijn. De arbeidsomstandighedenregelgeving ziet onder meer op de bescherming van de werknemer bij het gebruik van asbest en asbesthoudende voorwerpen dat volgens de REACH-verordening is toegestaan en op het verwijderen van asbest. De nieuwe regels in dit besluit passen binnen de kader van de REACH-verordening. 4.3. Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest (ILO 162) Het Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest is een verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) dat door Nederland is ondertekend en 47 Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie Pagina 96 van 294 geratificeerd. Het verdrag bevat regels om werknemers die werken met asbest te beschermen tegen de gezondheidsgevaren van asbest. Deze regels moeten door landen worden opgenomen in hun nationale wet- en regelgeving. Voorbeelden van deze regels zijn voorgeschreven grenswaarden voor de blootstelling van werknemers aan asbest, de verplichting om bepaalde sloopwerkzaamheden alleen door erkende partijen te laten verrichten en het meten van de concentraties asbeststof op de werkplek. De arbeidsomstandighedenregelgeving geeft invulling aan de bepalingen in het verdrag die zien op de arbeidsveiligheid. De nieuwe regels in dit besluit passen binnen de kaders van het Verdrag. 4.4. Kaderrichtlijn arbeidsveiligheid De Kaderrichtlijn arbeidsveiligheid48 bevat minimumvoorschriften om de veiligheid en gezondheid van werknemers op het werk te waarborgen. De bepalingen in deze richtlijn zijn in beginsel ook van toepassing op werkzaamheden waarop de Asbestrichtlijn van toepassing is. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Kaderrichtlijn is deze richtlijn niet van toepassing wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, de toepassing ervan in de weg staan. Wel zal in dat geval ervoor moeten worden gezorgd dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk worden verzekerd, met inachtneming van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn. Deze uitzondering werkt door naar de bijzondere richtlijnen als bedoeld in artikel 16 van de Kaderrichtlijn. De Asbestrichtlijn is aan te merken als een zodanige richtlijn. De uitzonderingen op de meldplicht, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, die zijn opgenomen in artikel 4.38, tweede lid, onderdeel a, vallen naar het oordeel van de regering onder de reikwijdte van artikel 2, tweede lid, van de Kaderrichtlijn. Het gaat namelijk om werkzaamheden in overheidsdienst waarbij het vanwege de aard van deze werkzaamheden, feitelijk onmogelijk is om hieraan voorafgaand een melding te doen dan wel dit redelijkerwijs niet kan worden verwacht. Dit zal immers ertoe leiden of kunnen leiden dat de schadelijke gevolgen die de betreffende overheidsdiensten met de werkzaamheden willen voorkomen, zich voor zullen doen of zullen verergeren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een brandweerman die iemand niet uit een brandend gebouw kan redden, omdat hij daarvoor sloopwerkzaamheden moet verrichten waarop de meldplicht van toepassing is. In een geval als dit is het doen van een voorafgaande melding onmogelijk, gelet op het acute gevaar voor de persoon die vastzit in het brandende gebouw en de taak van de brandweer om in dit geval op te treden. De eis dat voorafgaande aan de werkzaamheden een melding moet worden gedaan, moet naar het oordeel van de regering daarom wijken in het geval van de hiervoor bedoelde werkzaamheden. Dit geldt ook voor de verplichting tot het identificeren of inventariseren van asbest en asbesthoudende producten. Hier is een uitzondering voor opgenomen in artikel 4.48, zevende lid, onderdeel b, van het Arbobesluit, met als kanttekening dat de bij de werkzaamheden betrokken asbestverdachte materialen dan wel moeten worden behandeld als asbest of asbesthoudende producten. 48 Richtlijn van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PbEG 1989, L 183). Pagina 97 van 294 Omdat de overige verplichtingen inzake het werken met asbest, afkomstig uit de Asbestrichtlijn, onverkort van toepassing zijn op de partijen die de uitgezonderde werkzaamheden verrichten, is naar het oordeel van de regering de veiligheid en de gezondheid van de werknemers nog steeds zoveel als mogelijk verzekerd, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Kaderrichtlijn. 4.5. Vrij verkeer van werknemers, vrij verkeer van diensten en vrijheid van vestiging Vanwege de harmonisering van regels inzake het werken met asbest door middel van de Asbestrichtlijn, moeten alle nationale regels die hierover gaan, passen binnen de Europese beginselen voor de interne markt. Voor dit besluit zijn het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging relevant. Vrij verkeer van werknemers Artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder: VWEU) bepaalt dat het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij is (vrij verkeer van werknemers). Ook bepaalt het artikel onder meer dat het vrij verkeer van werknemers op bepaalde gronden kan worden ingeperkt. Het vrij verkeer van werknemers is nader uitgewerkt in Verordening (EU) Nr. 492/2011 van het Europees parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. Deze Verordening geeft werknemers die afkomstig zijn uit andere lidstaten van de Europese Unie dezelfde rechten als de eigen onderdanen van een lidstaat met betrekking tot de toegang tot werk, de arbeidsvoorwaarden en toegang tot onderwijs. Ook kent de Verordening bepaalde sociale rechten toe aan werknemers uit andere lidstaten, waaronder een recht om zich aan te sluiten bij een vakorganisatie. De voorschriften in dit besluit maken geen onderscheid tussen Nederlandse werknemers en werknemers afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Voor al deze werknemers gelden dus dezelfde regels. De voorschriften in dit besluit raken daarnaast niet de rechten die in de Verordening aan werknemers worden toegekend. Gelet hierop leveren de voorschriften in dit besluit geen strijd op met Verordening 492/2011. Wel dienen deze voorschriften nog te worden getoetst aan artikel 45 van het VWEU. Hier wordt verderop in deze paragraaf ingegaan. Vrijheid van vestiging en vrij verkeer van diensten In artikel 49 van het VWEU is het recht geregeld van zelfstandigen en bedrijven om zich in een andere lidstaat te vestigen (vrijheid van vestiging). Daarnaast regelt artikel 56 van het VWEU het recht van onderdanen van de Europese Unie om diensten te verrichten in andere lidstaten dan die waar zij gevestigd zijn (vrij verkeer van diensten). Zowel de hiervoor genoemde vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten zijn nader uitgewerkt in Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (verder: Dienstenrichtlijn). Op grond van artikel 1, zesde lid, van de Dienstenrichtlijn is die richtlijn echter niet van toepassing op wettelijke bepalingen betreffende arbeidsvoorwaarden, ‘met inbegrip van de gezondheid en veiligheid op het werk’. De Dienstenrichtlijn is dus niet van toepassing. Pagina 98 van 294 De maatregelen in dit besluit moeten wel nog worden getoetst aan de artikelen 49 en 56 van het VWEU. Beperkingen van het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging Het onderhavige besluit voegt bepalingen toe aan het Arbeidsomstandighedenbesluit die kunnen worden beschouwd als een beperking van het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. Het gaat hierbij om de bepalingen die het volgende regelen: a. De verplichting om een gevolgde opleiding als bedoeld in artikel 4.30 te laten registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest. b. De verplichting om over een erkenning te beschikken voor opleiders die opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 verzorgen. c. De verplichting om over een certificaat, erkenning of ander voorgeschreven bewijs van naleving van artikel 6 van de Asbestrichtlijn te beschikken voor het aanvragen en behouden van een vergunning voor het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden. d. Het gebruik van toezichtsinformatie en een onderzoek op grond van de Wet Bibob bij de aanvraag om een vergunning en als grond om een verleende vergunning in te trekken. e. De verplichting voor bedrijven om bij een vergunningaanvraag een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor rechtspersonen te overleggen. f. De verplichting voor bedrijven die in het bezit zijn van een vergunning om periodiek een overzicht te verstrekken van wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot door de werknemers gevolgde opleidingen en de verplichting om een nieuwe VOG te overleggen indien het bedrijf door andere personen wordt gedreven dan wel een of meer nieuwe bestuurders zijn toegetreden. g. Een onderscheid in vergunningcategorieën. h. De verplichting voor buitenlandse vergunninghouders om een Nederlandse vergunning aan te vragen. Indien bepaalde maatregelen een beperking opleveren van een van de eerdergenoemde vrijheden, zal moeten worden bekeken of deze beperking gerechtvaardigd is. Voor het vrij verkeer van werknemers is in dit verband artikel 45, derde en vierde lid, van het VWEU relevant. Voor de vrijheid van vestiging zijn dit de artikelen 51 en 52 van het VWEU, die op grond van artikel 62 van het VWEU ook van toepassing zijn op het vrij verkeer van diensten. Daarnaast kan, overeenkomstig jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie49, een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten gerechtvaardigd zijn, indien de beperking niet discriminerend van aard is, deze noodzakelijk is om dwingende redenen van algemeen belang, de beperkende maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (‘rule of reason’). In paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a, zijnde de grondslag voor de vergunningplicht, aan de Arbeidsomstandighedenwet 49 Zie o.a. HvJ EG 30 november 1995, ECLI:EU:C:1995:411, HvJ EG 3 oktober 2000, ECLI:EU:C:2000:527 en HvJ EU 1 juni 2010, ECLI:EU:C:2010:300. Pagina 99 van 294 wordt toegevoegd50, is ten aanzien van de maatregelen die zijn genoemd bij de nummers 3, 4, 5 en, voor zover het de verplichting tot het overleggen van een nieuwe VOG betreft, 6, reeds toegelicht waarom deze maatregelen een gerechtvaardigde beperking opleveren van de hiervoor genoemde vrijheden. Wat deze maatregelen betreft wordt daarom verwezen naar de betreffende paragraaf van de memorie van toelichting. Voor de overige maatregelen wordt hieronder toegelicht waarom zij naar het oordeel van de regering een gerechtvaardigde beperking van een of meer van de eerdergenoemde vrijheden opleveren. Naar het oordeel van de regering zijn de beperkingen van de eerdergenoemde vrijheden die niet al zijn besproken in het wetsvoorstel, gerechtvaardigd op grond van de rule of reason. Hiertoe overweegt zij als volgt. Registratieplicht in het Register gezond en veilig werken met asbest Het moeten hebben afgerond van een opleiding die aan bepaalde eisen voldoet, is een eis die rechtstreeks voortvloeit uit de Asbestrichtlijn. Deze verplichting als zodanig levert dus geen beperking op van de genoemde vrijheden. De verplichting om een afgeronde opleiding en de werknemer die deze heeft afgerond te laten registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest kan daarentegen wel worden gezien als een beperking. Nu deze verplichting ook buitenlandse bedrijven raakt die zich willen vestigen in Nederland en deze verplichting ook zal gelden voor zelfstandigen, kan de registratieplicht zowel als een beperking van het vrij verkeer van werknemers als de vrijheid van vestiging worden gezien. De registratieplicht geldt niet voor dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties die in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting werkzaamheden zullen verrichten in Nederland. Bij dit type werkzaamheden is er dus geen sprake van een beperking van het vrij verkeer van werknemers. Daarnaast is er door deze uitzondering geen sprake van een beperking van het vrij verkeer van diensten: buitenlandse bedrijven die in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting werkzaamheden willen verrichten in Nederland hoeven immers de opleidingen van hun werknemers, voor zover zij zijn aan te merken als dienstverrichter, niet te laten registeren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Dit geldt tevens voor zelfstandigen die zijn aan te merken als dienstverrichter en in Nederland werkzaamheden willen verrichten bij wijze van tijdelijke en incidentele dienstverrichting. Voor het overige, geldt het volgende. De verplichting geldt voor Nederlandse ondernemingen en ondernemingen uit andere lidstaten in gelijke mate. Een inhoudelijke eis aan de opleiding is weliswaar dat werknemers kennis hebben van Nederlands recht, maar deze eis vloeit direct voort uit de Wijzigingsrichtlijn en zorgt daarmee niet voor ongerechtvaardigd onderscheid tussen Nederlandse ondernemingen en ondernemingen uit een andere lidstaat. Het is van groot belang dat werkzaamheden waarbij er sprake is of kan zijn van blootstelling aan asbeststof, alleen worden verricht door personen die hier deugdelijk toe zijn opgeleid. Dit niet alleen vanwege de opleidingseis in de Asbestrichtlijn, maar ook vanwege de grote gevaren die het werken met asbest met zich meebrengt en de schadelijke effecten van asbestvezels voor mens en milieu. Het instellen van het Register gezond en veilig werken met asbest maakt het mogelijk voor de toezichthouder om eenvoudig na te gaan welke personen een opleiding hebben gevolgd en dus 50 Kamerstukken II 2025/26, 36843, nr. 3. Pagina 100 van 294 werkzaamheden met asbest mogen verrichten, en om ondubbelzinnig te kunnen bepalen welke werkzaamheden zij mogen verrichten. Hiermee kan beter worden gewaarborgd dat de opleidingseis wordt nageleefd en dat werkzaamheden met asbest worden verricht door personen die hier deugdelijk toe zijn opgeleid. Dit voorkomt op zijn beurt weer dat zich schadelijke gevolgen voor zowel mens als milieu voordoen, omdat de werkzaamheden door een ondeskundig persoon zijn verricht. Daarnaast maakt het Register het mogelijk om op vereenvoudigde wijze informatie te verstrekken over opleidingen bij een melding als bedoeld in artikel 4.37 of een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 4.58. Hier kan worden volstaan met een vermelding van de registratienummers van de betrokken werknemers, in plaats van dat diploma’s of andere bewijzen van afronding van de opleiding hoeven te worden verstrekt. Dit vermindert de hoeveelheid persoonsgegevens die van deze werknemers zullen worden opgevraagd, verstrekt en vastgelegd, zodat de beperking van het vrij verkeer niet verder gaat dan nodig is. Gezien het voorgaande acht de regering de registratieplicht als een gerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. Erkenningsplicht opleiders Een opleider die opleidingen wil verzorgen als bedoeld in artikel 4.30 en niet op grond van artikel 4.33 van rechtswege is erkend als opleider, zal over een erkenning moeten beschikken die is afgegeven door de Minister van Werk en Participatie. De eis dat een opleider moet zijn erkend, is de Nederlandse invulling van de eis in de Asbestrichtlijn dat een opleiding moet worden gegeven door een instructeur van wie de kwalificatie wordt erkend overeenkomstig het nationaal recht en de nationale praktijk (bijlage I bis van de Asbestrichtlijn). Deze invulling kan worden gezien als een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten voor opleiders die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Omdat ook deze eis direct voortvloeit uit de Wijzigingsrichtlijn, ziet de regering dit niet als een eis die ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen Nederlandse ondernemingen en ondernemingen uit een andere lidstaat. Vanwege de risico’s die gepaard gaan met het werken met asbest en asbesthoudende producten, is het van het grootste belang dat degenen die deze werkzaamheden verrichten, deugdelijk zijn opgeleid. Op deze manier kan worden geborgd dat degenen die dergelijke werkzaamheden verrichten, dit op een veilige en verantwoorde wijze doen en zich bewust zijn van de risico’s die horen bij de betreffende werkzaamheden. Een opleiding is deugdelijk, indien deze voldoet aan de eisen die bij en krachtens artikel 4.30 zijn gesteld. De erkenningsplicht is bedoeld als waarborg om ervoor te zorgen dat opleidingen van voldoende kwaliteit zijn en goed afgestemd zijn op de asbestwerkzaamheden die werknemers in de praktijk uitvoeren. Als alleen de eis zou worden gesteld dat de persoon die de opleiding feitelijk geeft gekwalificeerd moet zijn, dan biedt dit geen garantie dat de opleiding als zodanig voldoet aan alle eisen die bij en krachtens artikel 4.30 aan een opleiding zijn gesteld. Om te verzekeren dat een opleider niet alleen beschikt over gekwalificeerd personeel, maar ook een opleiding aanbiedt die voldoet aan de relevante eisen, wordt de eis gesteld dat een opleider over een erkenning moet beschikken. Pagina 101 van 294 Gelet op het voorgaande, is de regering van oordeel dat de beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten door het stellen van een erkenningseis, gerechtvaardigd is. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de erkenningseis alleen geldt voor opleiders die actief zijn in Nederland. Opleiders die gevestigd zijn in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en aldaar actief zijn, hoeven zich dus niet te laten erkennen in Nederland. Wel zal in het geval van een opleiding die is afgerond in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, de Minister toetsen of de opleiding is verzorgd door een opleider of instructeur die door een bevoegde autoriteit in dat land is erkend. Dit om te voldoen aan de eis in de Asbestrichtlijn dat een opleiding door een erkende instructeur moet zijn verzorgd. Vergunningplicht De maatregelen ter uitwerking van de vergunningplicht in de Arbeidsomstandighedenwet raken buitenlandse bedrijven die zich in Nederland willen vestigen voor het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden of deze werkzaamheden vanuit het buitenland in Nederland willen laten verrichten. Zij kunnen daarom worden gezien als beperkingen van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. Een deel van deze maatregelen en hun verhouding tot deze vrijheden is al besproken in paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a aan de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegevoegd. Voor de overige maatregelen, wordt hierna toegelicht waarom zij naar het oordeel van de regering een gerechtvaardigde beperking opleveren van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. Daarnaast kan het onderscheid in vergunningcategorieën worden gezien als een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten van bedrijven die in Nederland gevestigd zijn. Ook ten aanzien van deze maatregel wordt hierna toegelicht waarom zij naar het oordeel van de regering gerechtvaardigd is. Periodiek overzicht opleidingen van werknemers De verplichting voor bedrijven die in het bezit zijn van een vergunning om periodiek een overzicht te verstrekken van wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot door de werknemers gevolgde opleidingen, is bedoeld om na te gaan of het bedrijf waaraan een vergunning is verleend, nog steeds beschikt over werknemers die een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 hebben afgerond waarmee zij de vergunde werkzaamheden kunnen verrichten. Hierbij gaat het ook om de vraag of de werknemers de nodige bijscholing hebben gevolgd, overeenkomstig de eisen van artikel 4.30. Met deze maatregel kan beter worden nagegaan of de opleidingseis uit de Asbestrichtlijn wordt nageleefd en de vergunde werkzaamheden worden verricht door personeel dat hier deugdelijk toe is opgeleid. Indien de informatie niet wordt verstrekt of de informatie hier aanleiding toe geeft, kan de vergunning daarbij worden geschorst of ingetrokken. Deze maatregel kan worden gezien als een beperking van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging, omdat dit geen geharmoniseerde regel is die op basis van de Asbestrichtlijn in alle lidstaten zal gelden, maar in Nederland is opgenomen voor de handhaafbaarheid van de opleidingseis. De regering is echter van mening dat vanwege datgene wat in de vorige alinea is beschreven, deze beperking gerechtvaardigd is. Met de maatregel kunnen immers gevaren voor zowel personen, waaronder werknemers, als het milieu, voortkomend uit het niet of onvoldoende opgeleid zijn van zij die bepaalde asbestwerkzaamheden verrichten, worden voorkomen. De maatregel is daarbij een Pagina 102 van 294 maatregel die naar het oordeel van de regering noodzakelijk en evenredig is om dit doel te bereiken. Wat de evenredigheid betreft, wijst de regering hierbij in het bijzonder op het feit dat het genoemde overzicht slechts eens per jaar hoeft te worden verstrekt. Hoewel is overwogen om bedrijven te verplichten om van iedere wijziging in de opleiding van werknemers melding te doen, is uiteindelijk gekozen voor een jaarlijkse melding om de lastendruk voor bedrijven niet teveel op te laten lopen en tegelijkertijd toch zicht te houden op de naleving van de opleidingsplicht. De verplichting geldt voor Nederlandse en buitenlandse bedrijven in gelijke mate en maakt daarmee geen ongerechtvaardigd onderscheid. Onderscheid in vergunningcategorieën De Asbestrichtlijn verplicht lidstaten om een vergunningplicht in te voeren, maar schrijft niet voor dat zij daarbij een onderscheid moeten maken tussen typen werkzaamheden die een bedrijf met een vergunning mag verrichten. In artikel 4.57 wordt een dergelijk onderscheid echter wel gemaakt: er zijn verschillende soorten vergunningen die elk recht geven op het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Bedrijven die over een vergunning beschikken die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, kunnen met de buitenlandse vergunning een Nederlandse vergunning aanvragen die hen het recht geeft om in Nederland dezelfde werkzaamheden te verrichten die zij met hun buitenlandse vergunning mogen verrichten. Hiermee is echter niet gezegd dat andere lidstaten een zelfde soort regeling kennen of een identieke of vergelijkbare indeling in vergunningcategorieën hebben. Met name voor bedrijven die een vergunning asbestverwijdering beperkt hebben, kan dit hun mogelijkheden beperken om in een andere lidstaat werkzaamheden te verrichten, wat gezien kan worden als een beperking van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. De Asbestrichtlijn stelt een vergunning verplicht voor alle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden en kent hierop geen uitzonderingen. Als er maar één type vergunning zou zijn, dan zou dit betekenen dat een bedrijf bij de vergunningaanvraag moet aantonen dat hij de meest complexe en risicovolle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden kan verrichten en beschikt over personeel dat deze werkzaamheden kan verrichten. De vergunning geeft in dit geval immers het recht om alle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten die er zijn. Dat een bedrijf in de praktijk slechts bepaalde, minder risicovolle asbestverwijderingswerkzaamheden wil verrichten met de vergunning, is hierbij niet relevant. Een systeem met maar één type vergunning zou vanwege het voorgaande een forse investering vragen van bedrijven die slechts bepaalde werkzaamheden willen verrichten. Zij zullen namelijk moeten aantonen dat zij bepaalde werkzaamheden kunnen verrichten, terwijl zij in de praktijk helemaal niet van plan zijn om die werkzaamheden te verrichten. De regering acht het niet redelijk om van deze bedrijven te verlangen dat zij investeringen doen om het kunnen uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan te tonen, terwijl zij deze werkzaamheden in de praktijk niet zullen verrichten. De differentiatie in vergunningtypen voorkomt dat bedrijven dergelijke investeringen moeten doen en maakt het mogelijk voor hen om zich te richten op die werkzaamheden die zij willen verrichten. Het voorgaande maakt het naar het oordeel van de regering gerechtvaardigd om het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging te beperken middels het systeem van Pagina 103 van 294 differentiatie, ook als dit betekent dat bedrijven die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte werkzaamheden willen verrichten, aan aanvullende eisen moeten voldoen om daar een vergunning te verkrijgen. De regering is van mening dat het belang van het voorkomen van onnodige investeringen en het daarmee gepaard gaande toegankelijk houden van de markt voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden, zwaarder weegt dan het belang om met één vergunningtype te werken. Differentiatie is een geschikt middel om deze onnodige investeringen te voorkomen, omdat de vergunning hierdoor beter afgestemd is op de werkzaamheden die een bedrijf daadwerkelijk uitvoert, en een bedrijf niet hoeft te investeren in maatregelen die het niet nodig heeft. De differentiatie is naar het oordeel van de regering ook als evenredig te beschouwen gelet op de te bereiken doelen. Dit met name omdat ieder bedrijf een vergunning kan aanvragen en verkrijgen waarmee alle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden mogen worden verricht waarop de vergunningplicht van toepassing is. Verplichting aanvragen Nederlandse vergunning Een bedrijf waaraan door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte een vergunning is verleend voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden, kan deze vergunning niet zonder meer gebruiken in Nederland. Wel kan dit bedrijf de buitenlandse vergunning die hij heeft, gebruiken om in Nederland een vergunning aan te vragen voor het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden (Aval-vergunning). Deze vergunningseis, ook als een bedrijf al een vergunning heeft die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, kan worden gezien als een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten. De regering is echter van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van zodanige beperkingen. Op grond van artikel 15 van de Asbestrichtlijn mogen sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden slechts worden verricht als een bedrijf beschikt over een “door de bevoegde autoriteiten” afgegeven vergunning. De regering leidt uit de tekst van artikel 15 en de overwegingen bij de Wijzigingsrichtlijn af dat onder “bevoegde autoriteiten” moet worden verstaan: de bevoegde autoriteiten van het land waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden. De eis dat ook bedrijven die al over een buitenlandse vergunning beschikken, een Nederlandse vergunning moeten hebben, past naar het oordeel van de regering daarom binnen de kaders van de Asbestrichtlijn. Aangezien de vergunningplicht is opgenomen in de Asbestrichtlijn en dus een geharmoniseerde verplichting is, is er daardoor volgens de regering geen sprake van een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten. Voor een bedrijf dat al over een buitenlandse vergunning beschikt, geldt een vergelijkbaar aanvraagproces als voor bedrijven die nog niet over een vergunning beschikken, maar dit is wel aangepast om onnodige lasten voor buitenlandse bedrijven te voorkomen. Het buitenlandse bedrijf hoeft bijvoorbeeld zijn werknemers niet in Nederland te laten opleiden; buitenlandse opleidingen die voldoen aan de eisen bij of krachtens artikel 4.30 van het Arbobesluit, zijn voldoende. Mocht de buitenlandse opleiding niet voldoen aan deze eisen, dan zal er een beoordeling van beroepskwalificaties plaatsvinden overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Hiervoor kunnen kosten in rekening worden gebracht, maar naar het oordeel van de regering is dit toelaatbaar, aangezien de Richtlijn erkenning beroepskwalificaties het toestaat dat voor een beoordeling als hier bedoeld kosten in Pagina 104 van 294 rekening worden gebracht. Hiermee is de eis voor buitenlandse bedrijven naar het oordeel van de regering geschikt om aan de Wijzigingsrichtlijn te voldoen, en is tegelijkertijd geen sprake van onnodige regeldruk. Na verlening van de vergunning gelden wel dezelfde eisen, waaronder de eis om jaarlijks een overzicht te verstrekken met daarop de opleidingen van werknemers. Voor de verhouding van deze maatregelen tot de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten, wordt terugverwezen naar dat wat hier eerder in deze toelichting over is gezegd. 4.6. Grondwet, EVRM en IVBPR Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit recht kan bij of krachtens de wet worden beperkt. Daarnaast heeft op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) eenieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalt de voorwaarden waaronder een inmenging in het recht op privéleven is toegestaan. Een inmenging moet zijn voorzien bij de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor een van de in dit lid genoemde doelen. Het begrip ‘wet’ in de zin van het EVRM is een breed begrip dat ook lagere regelgeving omvat. Artikel 17, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verder: IVBPR) bepaalt voorts dat niemand mag worden onderworpen aan een willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven. Dit besluit voegt een aantal bepalingen toe aan het Arbeidsomstandighedenbesluit op grond waarvan persoonsgegevens zullen worden verwerkt of die kunnen leiden tot de verwerking van persoonsgegevens, in aanvulling op de bestaande verwerkingen van persoonsgegevens. De verwerking van persoonsgegevens kan worden gezien als een inmenging in de hiervoor genoemde rechten op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven. Aan het vereiste dat de inmenging bij of krachtens de wet moet zijn gesteld, zoals verwoord in artikel 10, eerste lid van de Grondwet, 8, tweede lid, van het EVRM en 17, eerste lid, van het IVPBR, wordt naar het oordeel van de regering voldaan. Dit nu de verwerkingen van persoonsgegevens die dit besluit introduceert, zijn vastgelegd in bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit en deze bepalingen zijn terug te voeren op de Arbeidsomstandighedenwet. De regering is daarnaast van mening dat deze verwerkingen noodzakelijke en evenredige inmengingen zijn in de hierboven genoemde rechten op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven die, in het geval van het EVRM, beantwoorden aan twee van de beperkingsdoelen die worden genoemd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Hieronder wordt dit toegelicht. Vergunningplicht Zoals eerder aangegeven, geven de artikelen in paragraaf 5 van de nieuwe afdeling 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit een uitwerking aan de vergunningplicht die wordt opgenomen in artikel 19a van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze artikelen bevatten Pagina 105 van 294 onder meer de eis dat het bedrijf dat een vergunning aanvraagt, een verklaring omtrent het gedrag moet overleggen en de registratienummers van zijn werknemers in het Register gezond en veilig werken met asbest. Ook regelt de paragraaf het gebruik van toezichtsinformatie (voor zover beschikbaar) bij het verlenen of intrekken van een vergunning. De verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit de artikelen op het gebied van de vergunning, zijn naar het oordeel van de regering gerechtvaardigd in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. Voor een deel is dit al onderbouwd in paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a, zijnde de grondslag voor de vergunningplicht, aan de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegevoegd. Voor het overige, geldt het volgende. In de betreffende paragraaf van de memorie van toelichting staat dat in lagere regelgeving het gebruik van toezichtsinformatie nader zal worden uitgewerkt, waardoor duidelijk wordt wanneer en waarvoor de toezichtsinformatie wordt gebruikt. Deze uitwerking zit in de artikelen 4.59, 4.60, onderdeel d, 4.61, eerste lid, en 4.65, derde lid, onderdeel b. Deze artikelen bepalen niet alleen in welke gevallen er toezichtsinformatie zal worden gebruikt (bij de vergunningaanvraag, de verlening en als mogelijke grond voor intrekking), maar ook dat de Minister van Werk en Participatie zal bepalen op welke wijze de toezichtsinformatie met hem wordt gedeeld. De toezichtsinformatie zal zich daarbij beperken tot informatie over de naleving van wettelijke voorschriften, voor zover deze verband houden met de werkzaamheden waarop de vergunning betrekking heeft. Met deze afbakeningen is een balans gezocht tussen enerzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het belang om bij de beoordeling van een vergunningaanvraag, het verlenen hiervan en de mogelijke intrekking van een vergunning, te beschikken over informatie waarmee kan worden nagegaan of de relevante regels op het gebied van het werken met asbest worden of zullen worden nageleefd. Verder is bij het bepalen van de gegevens die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd, in lijn met dat wat is aangekondigd in de hiervoor genoemde paragraaf van de memorie van toelichting, de hoeveelheid persoonsgegevens zoveel als mogelijk beperkt. Hiermee blijft de inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven op dit vlak tot een minimum beperkt. Dit wordt onder andere bereikt door als uitgangspunt de unieke registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest te vragen bij de vergunningaanvraag, in plaats van opleidingscertificaten van elk van de werknemers die de te vergunnen werkzaamheden zullen verrichten. Tot slot zijn er vergunningvoorschriften die op grond van artikel 4.61, tweede lid, verplicht aan een vergunning moeten worden verbonden en die leiden tot de verwerking van persoonsgegevens. Het gaat hierbij om de vergunningvoorschriften in artikel 4.62, tweede lid, onderdelen d en e. Deze vergunningvoorschriften zijn echter nodig om na te kunnen gaan of de vergunninghouder nog werknemers heeft die bekwaam zijn om de vergunde werkzaamheden te verrichten respectievelijk om te voorkomen dat het vergunninghoudende bedrijf wordt gedreven of bestuurd door een of meer personen die strafbare feiten hebben begaan, waardoor zij geen VOG kunnen krijgen. Deze vergunningvoorschriften dragen hierdoor bij aan de deugdelijke naleving van de regels op het gebied van het werken met asbest en de bescherming van mens en milieu. De inmenging in de persoonlijke levenssfeer die met deze verwerkingen van Pagina 106 van 294 persoonsgegevens gepaard gaat, beantwoordt aan twee van de doelen in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, namelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en het beschermen van de gezondheid. De regering beschouwt deze inmenging tevens als proportioneel, nu de verplichting in onderdeel d verplicht tot het slechts eenmaal per jaar verstrekken van een overzicht en op dit overzicht alleen wijzigingen met betrekking tot de gevolgde opleidingen van de werknemers van de vergunninghouder hoeven te worden opgenomen. De verplichting in onderdeel e beschouwt de regering als proportioneel, omdat met een VOG op eenvoudige wijze kan nagaan of er sprake is van het gepleegd hebben van relevante strafbare feiten, zonder dat concrete informatie over die strafbare feiten hoeft te worden gedeeld. Daarbij geldt de verplichting tot het verstrekken van een nieuwe VOG slechts als zich veranderingen hebben voorgedaan ten aanzien van degenen die het bedrijf drijven of daartoe zijn toegetreden als bestuurders. Erkenning opleiders Als onderdeel van de erkenningsaanvraag van opleiders, wordt getoetst of de personen die werkzaam zijn voor de opleider en de opleidingen verzorgen, over de benodigde kennis en didactische vaardigheden beschikken. Hiervoor zullen identificerende gegevens van deze personen en gegevens over onder andere de door hen gevolgde opleidingen en werkervaring nodig zijn. Dit komt neer op een verwerking van persoonsgegevens en daarmee een inmenging in het recht op privéleven en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals opgenomen in de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. Naar het oordeel van de regering is deze verwerking van persoonsgegevens echter gerechtvaardigd in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. Deze verwerking beantwoordt hierbij aan twee van de doelen in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, namelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en het beschermen van de gezondheid. De Asbestrichtlijn vereist dat de opleidingen die een werknemer moet hebben gevolgd om werkzaamheden met asbest te verrichten, worden gegeven door een instructeur waarvan de kwalificatie is erkend overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk. Hoewel het mogelijk is om hier geen controle op uit te voeren en de invulling van deze eis over te laten aan de opleider, acht de regering dit onwenselijk, vanwege de gevaren die zijn verbonden aan werkzaamheden met asbest en de daaruit volgende noodzaak dat de werknemers die deze werkzaamheden verrichten, deugdelijk zijn opgeleid. Om een deugdelijke opleiding mogelijk te maken, is het niet alleen van belang dat de opleiding qua inhoud voldoet aan de eisen die hieraan worden gesteld, maar ook dat het personeel dat de opleiding verzorgd over de vereiste kennis en didactische vaardigheden beschikt om dit te doen. Hiermee kan ook beter worden gewaarborgd dat de relevante eis uit de Asbestrichtlijn inzake de instructeur die de opleiding geeft, wordt nageleefd. Om deze reden wordt als onderdeel van het erkenningsproces gecontroleerd of het opleidend personeel van de opleider over de vereiste kennis en kunde beschikt om de opleiding te geven. De hiermee gepaard gaande verwerking van persoonsgegevens is hierbij noodzakelijk om deze controle te kunnen uitvoeren. De verwerking van persoonsgegevens zal daarbij plaatsvinden overeenkomstig de regels van de AVG, wat onder andere betekent dat niet meer gegevens zullen worden verwerkt dan nodig is en de gegevens die worden verwerkt, niet langer zullen worden bewaard dan nodig is. De evenredigheid van de verwerking is hiermee geborgd. Pagina 107 van 294 Register gezond en veilig werken met asbest Dit besluit roept daarnaast een nieuw Register gezond en veilig werken met asbest in het leven, waarin persoonsgegevens zullen worden verwerkt. Het gaat dan om de gegevens van werknemers die een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, hebben afgerond, met inbegrip van buitenlandse opleidingen die zijn geregistreerd na een erkenning van beroepskwalificaties op grond van of overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Naast de verwerking van persoonsgegevens in het register zelf, zullen er ook verwerkingen van persoonsgegevens plaatsvinden die samenhangen met de daadwerkelijke registratie. Het gaat hierbij dan bijvoorbeeld om het aanleveren van gegevens bij het doen van een verzoek om registratie. Het na registratie in het register af te geven bewijs van registratie, waarop tevens persoonsgegevens zullen staan, vervult de functie van opleidingscertificaat als bedoeld in bijlage I bis van de gewijzigde Asbestrichtlijn. De regering is van oordeel dat deze verwerkingen van persoonsgegevens toelaatbaar zijn in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. De regering is namelijk van mening dat het toezichtsbelang en de vergemakkelijking van informatiedeling, zoals beschreven in paragraaf 4.5 van deze nota van toelichting, een inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven, zoals opgenomen in de Grondwet, het EVRM en het IVBPR, rechtvaardigen. Hierbij is met name van belang dat met het Register de noodzaak vervalt om bij elke melding voorafgaande aan het uitvoeren van werkzaamheden (artikel 4.37), opleidingscertificaten van werknemers te voegen en deze nadien te bewaren als onderdeel van de gedane melding, om later aan te kunnen tonen dat de melding is gedaan. Daarnaast speelt mee dat de hoeveelheid gegevens die over een persoon zullen worden geregistreerd in het Register, beperkt blijven tot datgene wat nodig is om de betrokken persoon en de opleidingen die hij heeft gevolgd, te identificeren. Het met de inmenging na te streven doel in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, is in dit geval het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid. Wat het bewijs van registratie betreft, merkt de regering op dat het bewijs van registratie de functie vervult van het opleidingsbewijs dat op grond van bijlage I bis van de gewijzigde Asbestrichtlijn moet worden verstrekt. De hierop te vermelden persoonsgegevens zijn noodzakelijk om de houder van het bewijs van registratie en de door hem gevolgde opleidingen te kunnen identificeren en, in het verlengde daarvan, vast te stellen welke werkzaamheden met asbest hij mag verrichten. Ook deze inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer dient de in de vorige alinea genoemde doelen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De regering is daarom van oordeel dat ook de verwerking van persoonsgegevens in relatie tot het bewijs van registratie een toelaatbare inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is. Meldplichten Op grond van artikel 4.37 moet een werkgever uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden, een melding doen bij de toezichthouder. Deze verplichting is niet nieuw en was voorheen opgenomen in artikel 4.47c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Wel nieuw is dat een aantal gegevens over de werknemers die de gemelde werkzaamheden zullen verrichten, moet worden Pagina 108 van 294 opgenomen in de melding. Het betreft een lijst van de werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten en de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest van deze werknemers en of in de drie jaar voorafgaande aan de datum van de melding, een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a is aangeboden aan de betrokken werknemers. De verplichting tot het verstrekken van deze aanvullende gegevens is afkomstig uit de gewijzigde Asbestrichtlijn en leidt tot een extra verwerking van persoonsgegevens. De verplichting om te verklaren dat in de afgelopen drie jaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek is aangeboden, is hierbij een invulling van de nieuwe eis in de Asbestrichtlijn dat in de melding de datum moet worden opgenomen wanneer de werknemers voor het laatst medisch zijn gekeurd. Omdat de verplichting tot verstrekking van de hiervoor genoemde gegevens rechtstreeks voortvloeit uit de Asbestrichtlijn, acht de regering de inmenging in de persoonlijke levenssfeer die hieruit voortkomt als toelaatbaar in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. De regering gaat er hierbij van uit dat de inhoud van de Wijzigingsrichtlijn in lijn is met het EVRM en het IVBPR, waardoor de verstrekking van de genoemde gegevens een toelaatbare inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven is. In het verlengde hiervan kan ook worden gesteld dat de beperking op het grondwettelijke recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gerechtvaardigd is. Bij de hierboven genoemde meldplicht, zullen ook persoonsgegevens worden verwerkt van de persoon die ofwel zelf als werkgever de melding doet ofwel handelt ten behoeve van een werkgever. Deze gegevens zullen ook worden verwerkt als een melding na afronding van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.53 wordt gedaan of een melding na het afronden van de eindbeoordeling als bedoeld in artikel 4.56. Aangezien deze gegevens noodzakelijk zijn om te kunnen identificeren welke werkgever een melding heeft gedaan dan wel met wie er contact kan worden opgenomen, indien bijvoorbeeld de melding onvolledig is of er nog nadere vragen zijn, acht de regering de inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer die de verwerking van deze gegevens met zich meebrengt, gerechtvaardigd in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. Deze inmengingen beantwoorden daarbij naar het oordeel van de regering aan de volgende doelen in artikel 8, tweede lid, van het EVRM: het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en het beschermen van de gezondheid. 4.7. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: het Handvest) bevat fundamentele rechten, vrijheden en beginselen en is van toepassing op de instellingen van de EU en, voor zover zij het EU-recht ten uitvoer brengen, de lidstaten van de EU (artikel 51, eerste lid, van het Handvest). Artikel 7 van het Handvest bevat het recht van eenieder op eerbiediging van onder andere zijn privéleven. In artikel 8, eerste lid, van het Handvest is het recht van eenieder op bescherming van zijn persoonsgegevens vastgelegd. Het tweede lid van artikel 8 schrijft voor dat als gegevens worden verwerkt, dit op een eerlijke manier moet plaatsvinden, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Daarnaast heeft eenieder recht op inzage in zijn gegevens en rectificatie hiervan. Pagina 109 van 294 Verder bepaalt artikel 16 van het Handvest dat de vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving en praktijken. Bij het opstellen van de regels in dit besluit, is met het principe van de vrijheid van ondernemerschap rekening gehouden. De rechten in het Handvest kunnen op grond van artikel 52, eerste lid, worden beperkt, mits wordt voldaan aan de in dat artikellid opgenomen voorwaarden. De nieuwe maatregelen, genoemd in paragraaf 4.5 van de nota van toelichting, kunnen worden gezien als een beperking van de hiervoor genoemde rechten. Voor wat betreft de beperking van de vrijheid van ondernemerschap, wordt verwezen naar datgene wat in paragraaf 4.5 is aangegeven over de beperking van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. Omdat de eisen die het Handvest stelt aan de verwerking van persoonsgegevens en de beperking van de in het Handvest opgenomen rechten samenvallen met de eisen die in de AVG zijn opgenomen, wordt voor een toelichting op de beperking van de artikelen 7 en 8, eerste lid, van het Handvest, verwezen naar paragraaf 4.8. 4.8. Algemene verordening gegevensbescherming De Algemene verordening gegevensbescherming (verder: AVG) is een Europese verordening die regels bevat over de verwerking van persoonsgegevens. De AVG is niet op alle verwerkingen van persoonsgegevens van toepassing, maar alleen op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, eerste lid, AVG). Uit artikel 5 van de AVG volgt een aantal eisen waaraan dient te worden voldaan bij het verwerken van persoonsgegevens. Zo dient de verwerking plaats te vinden op een zodanige wijze dat het voor betrokkenen rechtmatig, behoorlijk en transparant is. De verwerking dient daarnaast gebonden te zijn aan specifieke doelen en de gegevens moeten toereikend, ter zake dienend en beperkt tot het noodzakelijke zijn. Voorts geldt de eis dat de verwerkte gegevens juist zijn, dat gegevens niet langer mogen worden bewaard dan nodig en dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van de integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens. Als onderdeel van de totstandkoming van dit besluit is een Data protection impact assessment (DPIA) opgesteld. In deze DPIA zijn alle verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit de voorschriften in dit besluit, in kaart gebracht en getoetst aan de eisen die de AVG stelt. Ook zijn hierin mogelijke risico’s opgenomen en de maatregelen die zullen worden getroffen om deze risico’s te voorkomen of te verminderen. De verwerkingen van persoonsgegevens die in de DPIA zijn opgenomen, zijn de verwerkingen beschreven in paragraaf 4.6. Tot de verwerkte persoonsgegevens behoren zowel reguliere persoonsgegevens als gevoelige persoonsgegevens. Bij de reguliere gegevens gaat het onder andere om identificerende gegevens van werkgevers, contactpersonen van werkgevers en werknemers, terwijl het registratienummer in het Register gezond en veilig werken met asbest een gevoelig gegeven is, nu dit is Pagina 110 van 294 opgenomen in een register en toegang biedt tot informatie over een concrete persoon. Ook de persoonsgegevens die onderdeel uitmaken van toezichtsinformatie kunnen worden gezien als gevoelige persoonsgegevens. Als een Bibob-onderzoek wordt uitgevoerd als onderdeel van het vergunningsproces, dan worden ook strafrechtelijke gegevens verwerkt. Het Bibob-onderzoek wordt hier niet verder besproken, omdat hier al aandacht aan is besteed in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a, zijnde de grondslag voor de vergunningplicht, aan de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegevoegd51. In de DPIA is ten aanzien van elke verwerking van persoonsgegevens getoetst met welk doel deze verwerking plaatsvindt en of de verwerking noodzakelijk en evenredig is, ook rekening houdend met de precieze gegevens die worden verwerkt. De conclusie is dat alle verwerkingen van persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de doelen waarvoor deze plaatsvinden en dat de verwerkingen als evenredig te beschouwen zijn. In de DPIA is daarnaast een aantal risico’s geïdentificeerd. Deze risico’s zijn met name dat ongeautoriseerden toegang krijgen tot persoonsgegevens, met inbegrip van gegevens die voorkomen in bibob-onderzoeken, en het anderszins uitlekken van deze gegevens. Om te voorkomen dat deze risico’s zich voor zullen doen of het risico hierop zoveel mogelijk terug te dringen, zullen technische en organisatorische maatregelen worden genomen, zoals beschreven in de DPIA. Op basis van de DPIA en de te nemen technische en organisatorische maatregelen is vastgesteld dat de verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit dit besluit, voldoen aan de eisen van de AVG. De verwerkingen zijn noodzakelijk, evenredig en vinden plaats met inachtneming van de beginselen van doelbinding, dataminimalisatie en integriteit en vertrouwelijkheid. 4.9. Richtlijn erkenning beroepskwalificaties Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties bevat regels voor de erkenning van beroepskwalificaties die in een lidstaat van de Europese Unie, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland zijn behaald en zijn vereist voor het uitoefenen van een gereglementeerd beroep. De werkzaamheden met asbest waarop de opleidingseis in artikel 4.30 van toepassing is, zijn vanwege deze opleidingseis aan te merken als gereglementeerde arbeid. Dit betekent dat personen die een opleiding voor het verrichten van een of meer van deze werkzaamheden met asbest hebben afgerond in een van de hiervoor bedoelde landen, de mogelijkheid moeten hebben om deze opleiding, al dan niet in combinatie met andere beroepskwalificaties, in Nederland te laten beoordelen op gelijkwaardigheid aan een Nederlandse opleiding. De Richtlijn is in Nederland hoofdzakelijk geïmplementeerd in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de daarop gebaseerde regelgeving. Bij het opstellen van de voorschriften in dit besluit is getoetst of deze in lijn zijn met de Richtlijn en de Algemene wet. Naar aanleiding van deze toetsing zijn onder andere uitzonderingen opgenomen voor dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, die werkzaamheden verrichten met een tijdelijk en incidenteel karakter. Een voorbeeld van een dergelijke uitzondering is 51 Kamerstukken II 2025/26, 36843, nr. 3. Pagina 111 van 294 dat zij hun opleidingen niet hoeven te registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest. 5. Verhouding tot nationale regelgeving Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties De Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties is een implementatie van de Richtlijn erkenning beroepskwalificaties en bevat een algemeen wettelijk kader voor de erkenning van beroepskwalificaties die zijn behaald in lidstaten van de Europese Unie, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die toegang geven tot een gereglementeerd beroep. Beroepskwalificaties die zien op het werken met asbest en die zijn behaald in een van de hiervoor bedoelde landen, kunnen op grond van deze wet in Nederland gelijk worden gesteld aan een volwaarde asbestopleiding. Arbeidsomstandighedenwet De Arbeidsomstandighedenwet bevat algemene regels op het gebied van arbeidsomstandigheden. In deze wet is onder meer een grondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen in verband met de arbeidsomstandigheden van werknemers die werken met gevaarlijke stoffen – zoals asbest. Met het wetsvoorstel wordt verder in de Arbeidsomstandighedenwet de verplichting opgenomen voor bedrijven om te beschikken over een vergunning voor het verrichten van sloopwerkzaamheden waarbij asbest is betrokken en asbestverwijderingswerkzaamheden. Arbeidsomstandighedenregeling In de Arbeidsomstandighedenregeling worden bepaalde bepalingen in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit nader uitgewerkt. De Arbeidsomstandighedenregeling bevat onder meer de indeling van asbesttoepassingen op basis van het potentiële blootstellingsrisico dat de basis vormt van de differentiatie binnen het vergunningenstelsel. Asbestverwijderingsbesluit 2005 In het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn regels opgenomen over de verwijdering van asbest uit objecten en de sloop van objecten als bedoeld in dat besluit waarin asbest of een asbesthoudend product is toegepast of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat dit het geval is. De regels richten zich primair op opdrachtgevers en particulieren en hebben tot doel om mens en milieu te beschermen tegen de gevaren van asbest; anders dan in de arbeidsomstandighedenwetgeving gaat het hier dus niet om het belang van gezond en veilig werken. Productenbesluit asbest Het Productenbesluit asbest bevat onder meer een verbod tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, toepassen en bewerken van asbest of asbesthoudende producten. Ook bevat het besluit een aantal uitzonderingen op dit verbod. Het Productenbesluit asbest is als gevolg van de REACH-verordening op een aantal punten achterhaald. Het voornemen is om te zijner tijd het Productenbesluit asbest in lijn te brengen met de REACH-verordening.52 52 Zie o.a. Kamerstukken II, 2019/2020, 25834, nr. 169, p. 3. Pagina 112 van 294 Besluit asbestwegen milieubeheer Het Besluit asbestwegen milieubeheer geldt voor wegen waarin asbest is verwerkt. Onder een weg wordt onder andere verstaan een pad, erfverharding of grond die bestemd is om door rij- of ander verkeer te worden gebruikt. Degene die een asbestweg voorhanden heeft, moet dit melden aan de minister van IenW. Volgens het besluit is het verboden om een weg die asbest bevat voorhanden te hebben, tenzij het asbest voor 1 juli 1993 is aangebracht en het asbest is afgeschermd. Werkzaamheden aan asbestwegen vallen onder de reikwijdte van het Arbobesluit. Voorheen waren asbestwegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen milieubeheer uitgezonderd van de inventarisatie-, meldings- en certificatieplicht. Daarnaast waren er ook andere uitzonderingen. De Wijzigingsrichtlijn biedt echter geen ruimte en grond voor deze uitzonderingen en de uitzonderingen zijn daarom komen te vervallen. Als gevolg hiervan zijn de verplichtingen uit het Arbobesluit, waaronder de identificatieplicht, meldingsplicht en vergunningplicht, onverkort van toepassing op werkzaamheden aan asbestwegen. Hiermee wordt verzekerd dat werknemers die dergelijke werkzaamheden uitvoeren, worden beschermd overeenkomstig het geldende Arbobesluit. Zowel het Besluit asbestwegen milieubeheer als het Arbobesluit bevatten een meldingsplicht. Het Besluit asbestwegen verplicht tot melding van het voorhanden hebben van een asbestweg, terwijl het Arbobesluit een meldingsplicht kent voor het uitvoeren van werkzaamheden waarbij asbest wordt verwijderd of bewerkt. Deze meldingsplichten kunnen naast elkaar van toepassing zijn. Als een weg wordt aangemerkt als asbestweg en werkzaamheden noodzakelijk zijn, kan dit ertoe leiden dat zowel een melding op grond van het Besluit asbestwegen milieubeheer als een melding op grond van het Arbobesluit moet worden gedaan. Voor werkzaamheden die vallen in de categorie beperkt geldt geen meldingsplicht op grond van het Arbobesluit. Een voorbeeld hiervan is het verwijderen van asbesthoudende kit uit dilatatievoegen van een weg. Asbest kan in wegen op verschillende manieren voorkomen. De aard van het materiaal is bepalend voor de wijze waarop de werkzaamheden worden ingedeeld. Als sprake is van asbesthoudende kit, bijvoorbeeld in dilatatievoegen, vallen de werkzaamheden doorgaans in de categorie beperkt. Er geldt dan geen meldingsplicht volgens het Arbobesluit. Als asbest is toegepast als los materiaal, bijvoorbeeld in (half)verhardingen, en sprake is van niet-hechtgebonden asbest, worden de werkzaamheden aangemerkt als uitgebreid. Indien asbest aanwezig is in de bodem, wordt de verwijdering beoordeeld overeenkomstig de regels die gelden voor het verwijderen van asbest uit de bodem. Besluit bouwwerken leefomgeving Het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat regels over onder meer de sloop van bouwwerken waarin asbest voorkomt of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat dit daarin voorkomt. Ook bevat dit besluit regels over de verwijdering van asbest uit bouwwerken en geeft het de maximaal toegestane concentratie aan asbestvezels in gebouwen aan. Besluit bodemkwaliteit/Regeling bodemkwaliteit 2022/Besluit activiteiten leefomgeving Volgens het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) mogen op grond van dat besluit aangewezen werkzaamheden alleen worden uitgevoerd door instellingen die daarvoor een erkenning Pagina 113 van 294 hebben van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. In de Regeling bodemkwaliteit 2022 zijn deze werkzaamheden aangewezen, waaronder het ontgraven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en het saneren van de bodem. De erkenningsverplichting voor deze werkzaamheden volgt ook uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Omdat het bij genoemde werkzaamheden mede kan gaan om een verontreiniging met asbest, is bij het ontgraven of saneren dan ook sprake van het verwijderen van asbest in de zin van de Asbestrichtlijn. Dat betekent dat hierop ook de vergunningplicht van toepassing is. 6. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen) Algemeen Dit besluit leidt tot diverse gevolgen die hieronder kort worden opgesomd. De verschillende onderwerpen zijn eerder in deze toelichting uitgebreid besproken. Ten slotte wordt nog kort ingegaan op de implicaties van overschrijding van de implementatiedeadline van de Wijzigingsrichtlijn. Gevolgen: a. Dankzij de vergunningplicht is het beter mogelijk om bedrijven die de regelgeving zeer slecht naleven van de markt te weren. b. Het instrument van certificering komt door het vergunningenstelsel beter tot zijn recht, omdat certificering zich niet goed leent voor bedrijven die bewust de regelgeving niet naleven. c. Het publieke en private stelsel worden meer uit elkaar getrokken en versterken elkaar. d. Er komt meer zicht op bedrijven die asbest verwijderen. Voor werkzaamheden in risicoklasse 1 was geen sprake van een certificeringsplicht en daarnaast was sprake van diverse vrijstellingen van de certificeringsplicht in risicoklasse 2. e. Bedrijven die het verwijderen van asbest eerder als een nevenactiviteit verrichtten, zullen moeten kiezen of zij deze nevenactiviteit willen voortzetten en daarvoor de vereiste vergunning willen aanvragen en aan de bijbehorende verplichtingen willen voldoen, of dat zij deze nevenactiviteit opgeven en dergelijke werkzaamheden uitbesteden. Het is hiermee veel duidelijker welke bedrijven asbestwerkzaamheden mogen verrichten en deze bedrijven zijn beter toegerust. f. Een deel van de werkzaamheden waarvoor eerder een certificeringsplicht gold op grond van een indeling in risicoklasse 2, kunnen met een lichtere vorm van certificering in de categorie vergunning basis worden gedaan. Daarbij kunnen bedrijven die bijvoorbeeld alleen werkzaamheden in de buitenlucht uitvoeren, ervoor kiezen zich niet te laten kwalificeren voor het werken in containment. Voor bijvoorbeeld het verwijderen van asbestdaken wordt daarmee de drempel verlaagd voor bedrijven om zich daarvoor te laten kwalificeren. g. Voor de vergunning beperkt geldt als bewijs van naleving een erkende werkmethode. Hiermee zijn erkende werkmethoden in de regelgeving verankerd. h. De eerder bestaande uitzonderingen in het Arbobesluit op de inventarisatie-, certificatie- en meldplicht komen te vervallen. Hierdoor bestaan er geen uitzonderingssituaties voor specifieke groepen meer. Pagina 114 van 294 i. In plaats van inventarisatie is er een mogelijkheid tot identificatie van asbestbronnen. Hiervoor kan bijvoorbeeld een bronnenboek in aanmerking komen. j. Er zal sprake zijn van een kwaliteitsimpuls in de opleidingen door de verplichting dat een opleiding erkend moet zijn. Er was sprake van een divers aanbod van opleidingen, waarbij niet duidelijk is wat de kwaliteit daarvan was. k. Het is makkelijker te controleren dat iedereen die aan asbest werkt een afdoende opleiding heeft gevolgd. l. Het vervallen van de verplichting om voor bepaalde werkzaamheden (risicoklasse 2 en 2A) te beschikken over een persoonscertificaat betekent dat werknemers niet elke drie jaar examen hoeven te doen. Dit lijkt voor een deel van de werknemers een drempel te zijn en mogelijk zelfs te leiden tot uitstroom in een markt waar het personeel schaars is. m. Het is nu mogelijk om voor bepaalde werkzaamheden een luchtmeting als onderdeel van de eindbeoordeling achterwege te laten. Naast een kostenbesparing leidt dit ook tot het sneller kunnen vrijgeven van een werklocatie na de beëindiging van de werkzaamheden. Bovendien biedt het een extra stimulans om de blootstelling dusdanig laag te houden dat de luchtmeting niet meer hoeft te worden uitgevoerd. n. In de categorie basis is geen onafhankelijke visuele eindinspectie nodig indien met een erkende werkmethode wordt gewerkt. Dit stimuleert het gebruik van erkende werkmethoden en innovatie. o. Er is een meetkader voor het uitvoeren van metingen tijdens de sanering. Hiermee wordt een al langer bestaande verplichting concreter ingevuld waardoor er ook metingen plaats gaan vinden. Dit leidt tot een beter bewustzijn en deze data kunnen onder andere worden gebruikt om het blootstellingsmodel in SMART-ns te verbeteren. p. De inzet van het instrument SMART-ns en het schrappen van de risicoklassen leidt tot een beter inzicht in de concentratie asbestvezels die vrijkomt bij werkzaamheden. Hierdoor kunnen beter de juiste maatregelen worden ingezet om voldoende bescherming van de werknemers te bewerkstelligen. SMART-ns stimuleert daarnaast het zo laag mogelijk houden van de concentratie asbestvezels in de lucht door het aanreiken van werkmethoden en emissiebeperkende maatregelen die volgens de minimalisatieverplichting zouden moeten worden gehanteerd. Het effect van de maatregelen is nu ook inzichtelijk. q. De rollen van de inventariseerder en saneerder zijn met de komst van SMART-ns beter uiteen getrokken. Hiermee ligt de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de sanering te liggen bij de werkgever, waar deze hoort te liggen. r. De meldplichten voor asbestwerkzaamheden vanuit arbo-, bouw- en milieuregelgeving zijn samengebracht in het DSO. Hierdoor hoeven bedrijven gegevens niet dubbel in te voeren. Voor het goed kunnen uitvoeren van risicogericht toezicht moet er een ICT-oplossing komen waarin de data vanuit het DSO wordt opgeslagen en inzichtelijk is. Deze ICT-oplossing is naar verwachting nog niet beschikbaar bij inwerkintreding van de regelgeving. Dit betekent dat er tijdelijk op een andere manier toezicht wordt gehouden. s. Door het vervallen van het LAVS zijn niet meer alle inventarisatierapporten die worden gemaakt in te zien door de toezichthouder. Alleen de Pagina 115 van 294 inventarisatierapporten voor asbestbronnen die worden verwijderd, worden door de saneerder bij de melding gevoegd. t. In het LAVS moet continu inzichtelijk worden gemaakt of de saneringsbedrijven op de locatie aan het werk zijn zodat toezichthouders niet langskomen als er geen werkzaamheden plaatsvinden. Dit wordt minder gedetailleerd. Met behulp van het Beleidskompas53 is bekeken welke verplichte gevolgenbeoordelingen (toetsen) voor deze regeling van toepassing zijn. Aanvullend daaraan is ook een UDO uitgevoerd. Door het strakke EU-rechtelijke kader was er weinig ruimte om in dit besluit rekening te houden met het doenvermogen van de mensen die in de asbestsector werken. Wel is geprobeerd de regels zo eenvoudig mogelijk te houden, wat vanzelfsprekend bijdraagt aan de haalbaarheid om de verschillende verplichtingen ook daadwerkelijk na te komen. Een voorbeeld waar wel maximaal rekening is gehouden met het doenvermogen van mensen is de keuze om niet langer te verplichten dat mensen periodiek een examen moeten halen om als voldoende gekwalificeerd te kunnen worden gezien; scholing is verplicht maar examinering niet. De gevolgen voor de regeldruk zijn opgenomen in hoofdstuk 9. Overschrijding implementatiedeadline Nederland heeft ondanks grote inspanning de gewijzigde Asbestrichtlijn niet op tijd omgezet in nationaal recht. De implementatiedeadline was 21 december 2025. Op 28 mei 202554 is de Tweede Kamer geïnformeerd dat deze deadline niet gehaald ging worden. Ook de Europese Commissie is geïnformeerd. Op 21 december 2025 heeft Nederland gedeeltelijk genotificeerd bij de Europese Commissie. Via een publicatie in de Staatscourant55 is aangegeven aan welke artikelen van de Wijzigingsrichtlijn Nederland al volledig voldoet. Doordat Nederland al strenge asbestregelgeving kende die in lijn ligt met het beschermingsniveau dat de richtlijn vereist, was de richtlijn al voor een belangrijk deel geïmplementeerd. Nederland voldeed al aan de belangrijkste wijziging die de wijzigingsrichtlijn omvat, namelijk de verlaging van de grenswaarde voor blootstelling van werknemers aan asbest. Ook voldoet Nederland al aan de verlaagde grenswaarde die vanaf 2029 geldt. Daarmee waren de (vanuit het hoofddoel van de richtlijn bezien) belangrijkste bepalingen over de bescherming van werknemers al geïmplementeerd. Daarnaast gold in Nederland een certificeringsplicht voor bedrijven. Daarmee was voor de meer risicovolle asbestverwijderingswerkzaamheden de toegang tot de markt geregeld. Voorts was een verplichte persoonscertificatie van kracht voor de kwalificatie van werknemers die deze werkzaamheden verrichten. De doelstelling van de (gewijzigde) richtlijn, te weten het beschermen van werknemers tegen de risico’s van asbest op hun werkplek, werd dus door de voorgaande asbestregelgeving al op een hoog niveau gewaarborgd. 53 https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas/4-wat-zijn-de-gevolgen-van-de-geschetste-opties/41-verplichte-toetsenwijzer 54 Kamerstukken II 2025/26, 25883, nr. 527 55 Staatscourant 1283, 21 januari 2026 Pagina 116 van 294 Op 21 januari is Nederland middels een brief in gebreke gesteld door de Europese Commissie. Nederland heeft hierop een reactie gestuurd. Op 7 juli 2026 heeft de Europese commissie een met redenen omkleed advies vastgesteld. Daarin kreeg Nederland alsnog twee maanden voor implementatie. Dit was niet haalbaar. Het is aan de Europese Commissie of en wanneer zij de zaak voorlegt aan het Europees Hof. Het Hof stelt vervolgens een boetebedrag vast. De hoogte van een boete of dwangsom is mede afhankelijk van hoe ernstig de overtreding wordt ingeschat. Met een verwachte inwerkingtreding van de aangepaste regelgeving in het eerste kwartaal van 2027, en een overgangsperiode van zes maanden, is de richtlijn bijna twee jaar na de vereiste implementatiedatum volledig geïmplementeerd. Uitgaande van een gemiddelde ernstfactor moet bij een vertraging van 2 jaar rekening worden gehouden met ongeveer 14,6 miljoen euro boete. De last onder dwangsom die gaat lopen zodra het Hof uitspraak heeft gedaan is met dezelfde ernstfactor ongeveer 22 miljoen euro per jaar dat de implementatie nog langer voortduurt. Naast de financiële gevolgen straalt het niet goed op Nederland af dat de implementatiedatum is overschreden. In de communicatie richting de Europese Commissie wordt daarom benadrukt dat de implementatie van de Wijzigingsrichtlijn zorgvuldig is opgepakt en dat het beschermingsniveau in Nederland al in lijn ligt met de Wijzigingsrichtlijn. 7. Uitvoering Deze regelgevingswijziging gaat gepaard met verschillende uitvoeringtrajecten. De voornaamste zijn het inrichten van de vergunning afgifte, het inrichten van de erkenning van opleidingen, het inrichten van het register gezond en veilig werken met asbest, het onderbrengen van de meldplichten in het DSO en de ontwikkeling van SMART-ns. Naast de inrichting van deze randvoorwaarden voor implementatie van de regelgeving moet de regelgeving ook uitvoerbaar en werkbaar zijn in de praktijk. Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De inbedding van de regelgeving in de praktijk gebeurt met betrokkenheid van de brancheverenigingen. Een goede communicatie is essentieel. Ook de aanpassingen in de regelgeving door de Wijzigingsrichtlijn zijn besproken in een klankbordgroep. Hierin waren zowel de gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven als niet-gecertificeerde partijen vertegenwoordigd. Daarnaast bestond de groep uit vertegenwoordigers van laboratoria- en eindinspectie-instellingen, asbestinventariseerders, opdrachtgevers en toezichthouders. Bij gelegenheid zijn ook andere partijen betrokken, zoals de schemabeheerder of certificerende instellingen. Door een deel van het uitvoerend bedrijfsleven dat de voorheen niet-gecertificeerde bedrijven vertegenwoordigt (met name de onderhoudsbedrijven), en opdrachtgevers van werkzaamheden die nu niet onder de certificeringsplicht vallen, is zorg geuit over de uitvoerbaarheid van de regelgeving en de verzwaring van de eisen. Bijvoorbeeld door het verplicht stellen van certificering als bewijs van naleving. In paragraaf 3.1.2 is gemotiveerd waarom certificering gekozen is als invulling van het bewijs van naleving. Om aan de genoemde zorgen zoveel mogelijk tegemoet te komen is in overleg met stakeholders gekomen tot een differentiatie binnen het vergunningenstelsel. Zie paragraaf 3.1.2.1 Een groot deel van de toepassingen waaraan bedrijven die asbestverwijdering slechts als neventaak hebben werken, valt in de categorie beperkt. Met bijbehorende op het risico afgestemde lagere eisen. Tevens zijn er een aantal uitzonderingen getroffen voor situaties waarin gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode in de categorie basis om de lasten zoveel mogelijk te beperken. In die Pagina 117 van 294 gevallen kan de eindbeoordeling door het bedrijf zelf worden gedaan en hoeft SMART-ns niet gebruikt te worden. Het is in de categorie basis optioneel om de vergunning wel of niet te laten zien op het bouwen van een containment. Daarmee is zoveel mogelijk tegemoet gekomen aan de zorgen van bedrijven. Naar aanleiding van de motie Van Ark56 ingediend op het debat op 27 mei 2026 is opnieuw gekeken naar mogelijkheden om bij het gebruik van erkende werkmethoden de lasten te verlichten. De conclusie is dat we hier geen mogelijkheden meer zien die passen binnen de Richtlijn en verantwoord worden geacht. Er is specifiek overwogen om in de categorie basis in specifieke gevallen een erkende werkmethode als bewijs van naleving te hanteren in plaats van certificatie. Dat past echter niet binnen de gedachte dat er wel een potentie tot hoge blootstelling is en daarvoor voldoende borging aanwezig moet zijn. Daarom wordt hier niet voor gekozen. Het werken met een erkende werkmethode biedt daarnaast nog steeds belangrijke voordelen, waaronder het niet meer hoeven te werken in containment. In de brief van 16 september 202457 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat na de implementatie van de Richtlijn wordt bekeken hoe innovatie verder kan worden gestimuleerd. In dat traject kan meegenomen worden of er binnen de erkende werkmethoden nog manieren zijn de borging te verhogen. Bij de invoeringstoets zal er ook specifiek aandacht worden geschonken aan de uitwerking van de Richtlijn voor dit type bedrijven. Complexiteit Er is naar gestreefd de regelgeving eenvoudig en begrijpelijk te houden. Het stelsel is ingrijpend gewijzigd en het zal de nodige veranderingen vergen binnen de bedrijven. Voorheen waren er twee beheersregimes (één horend bij risicoklasse 1, één horend bij risicoklasse 2/2A) maar er is gekozen voor meer maatwerk in de te nemen maatregelen bij een asbestverwijdering. Hiermee wordt het stelsel meer risicogericht ingericht. Er zal een meer nauwkeurige blootstellingsschatting worden gemaakt dan voorheen het geval was met SMART-ns. Dit leidt echter per definitie tot meer complexiteit. Echter, deze risicobeoordeling levert een grote toegevoegde waarde . Er wordt inzichtelijk hoe hoog de te verwachten concentratie asbestvezels is. Dit leidt tot een groter bewustzijn van bedrijven. Om er voor te zorgen dat de uitvoering voor de saneerder niet ingewikkelder wordt dan nodig, deze wijzigingen op een goede manier te introduceren bij de doelgroep én naleving te vergemakkelijken, geeft SMART-ns op een overzichtelijke manier aan welke eisen aan de werkgever worden gesteld , zowel op basis van de wet- en regelgeving als op basis van de stand van de wetenschap. Tijdens de ontwikkeling van SMART-ns wordt zo veel mogelijk de gebruiksvriendelijkheid van het oude SMArt gehandhaafd. SMART-ns is echter geen aanpassing van een bestaand instrument, maar een nieuw instrument met nieuwe functionaliteiten: in het bijzonder de inbouw van het door TNO ontwikkelde blootstellingsmodel AREAT. Om de introductie van SMART-ns goed te laten verlopen wordt een plan uitgevoerd ter implementatie van het nieuwe instrument met als onderdeel daarvan training. Mede omdat er nu drie verschillende vergunningtypen komen, is er voor gekozen om de risicoklassen te laten vervallen. Dit voorkomt verwarring tussen de vergunningtypen en de risicoklassen. 56 Kamerstukken II 2025/2026, 36843, nr. 11 57 Kamerstukken II 2023/2024, 25883, nr. 501 Pagina 118 van 294 Het saneren van asbest dient op een bewuste manier met de nodige kennis te worden uitgevoerd. Het is van belang dat de sanering goed wordt voorbereid. Daarbij is aan een zekere complexiteit niet te ontkomen. Er moet bij elke sanering opnieuw een weloverwogen afweging worden gemaakt tussen het risico van blootstelling aan asbest van werknemers, andere risico’s voor werknemers (bijv. elektrocutie) en de risico’s voor de leefomgeving en het milieu. SMART-ns kan hierbij helpen. Het nemen van emissiebeperkende maatregelen aan de bron komt ten gunste aan zowel veiligheid van werknemers als leefomgeving/milieu. 8. Toezicht en handhaving Het introduceren van een vergunningplicht voor sloop- of verwijderingswerkzaamheden met betrekking tot asbest biedt de handhaving een instrument om herhaalde overtreders beter aan te kunnen pakken. Op dit moment wordt de markttoelating voor een deel van de bedrijven ingevuld door middel van certificering. De toezichthouders kunnen signalen over overtredingen doorgeven aan een conformiteitsbeoordelende instelling, maar deze kunnen alleen volgens de bepalingen in het certificatieschema hieraan opvolging geven. Omdat het verlenen van vergunningen wordt belegd bij de overheid, kan de beschikbare toezichtsinformatie directer worden benut. Hoewel de vergunning voor het mogen verrichten van asbestverwijderingswerkzaamheden door de Minister van Werk en Participatie wordt verstrekt, heeft dit ook gevolgen voor de toezichthouders die zijn aangewezen door de andere departementen. De toezichtsinformatie van alle verschillende toezichthouders op het gebied van asbest kan worden benut bij de afweging of een bedrijf al dan geen vergunning moet krijgen. Dus ook overtredingen op het gebied van milieu kunnen leiden tot het weigeren of intrekken van een vergunning. Daarnaast zullen ook bij het toezicht op milieu en leefomgeving de effecten te zien zijn van de vergunningplicht en de erkende opleidingen. Voor de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit is een Uitvoerbaarheids- en Handhaafbaarheidstoets uitgevoerd door de toezichthouders. Dit betreft naast de Arbeidsinspectie ook ODNL, de ILT en SodM. De uitkomsten voor de wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn beschreven in hoofdstuk 11. De certificerende instellingen hebben ook een rol in het stelsel en hebben tot taak de naleving van de certificatieplichten te waarborgen. Indien het procescertificaat van een bedrijf vervalt, wordt van rechtswege de vergunning ingetrokken. De implementatie van de Wijzigingsrichtlijn kan een aanleiding zijn voor de gezamenlijke toezichthouders in de asbestsector om het eigen instrumentarium en de onderlinge samenwerking te herijken. Aangezien de nieuwe asbestregels de nodige veranderingen met zich mee zullen brengen, zal ook bezien moeten worden hoe het bestaande instrumentarium in het toezicht en de handhaving complementair en optimaal kan functioneren, zowel op zichzelf staand als in relatie tot de vergunningplicht. 9. Financiële gevolgen Pagina 119 van 294 In de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is een kostenberekening opgenomen voor de in het wetsvoorstel opgenomen vergunningplicht. Dit was gebaseerd op een eerste inschatting van aantallen vergunningen destijds. Voor een nauwkeurigere inschatting van aantallen en een berekening van de totale lastendruk van alle wijzigingen die met dit besluit worden doorgevoerd, heeft Panteia een impactanalyse uitgevoerd. De uitkomsten zijn beschreven in het rapport “Implementatie van de nieuwe richtlijn asbest, Markt- en impactanalyse”. In paragraaf 9.1.1. worden eerst de uitkomsten van de impactanalyse beschreven. Tijdens de uitvoering van de impactanalyse zijn er nog wijzigingen doorgevoerd in dit besluit die niet meer konden worden verwerkt in de impactanalyse. In paragraaf 9.1.2 zijn deze wijzigingen beschreven en worden daarvan de kosteneffecten ingeschat. De totale kosten inclusief deze aanpassingen zijn beschreven in paragraaf 9.1.3. In paragraaf 9.2 zijn de kosten voor de overheid geschat. NB: De kosten in dit hoofdstuk zijn nauwkeuriger ingeschat op basis van de impactanalyse van Panteia dan de kostenschatting in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Bovendien zijn de kosten in dit hoofdstuk gebaseerd op de actuele stand van zaken. Het is niet meer mogelijk de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel te wijzigen. Voor het juiste inzicht in de totale kosten voor bedrijven en de overheid vanwege de wijzigingen in de Arbowet, het Arbobesluit en de Arboregeling wordt daarom verwezen naar de toelichting bij dit Besluit. 9.1 Regeldruk 9.1.1 Berekening regeldruk volgens Panteia In de periode september tot en met december 2025 voerde Panteia een markt- en impactanalyse58 uit die inzicht biedt in de (mogelijke) gevolgen van de implementatie van de nieuwe asbestrichtlijn. Het onderzoek richtte zich op twee centrale vragen: c. Hoeveel bedrijven en welk soort bedrijven gaan straks een vergunning aanvragen? Met specifieke aandacht voor de bedrijven die in de huidige situatie buiten het certificatiestelsel werkzaamheden in risicoklasse 1 verrichten. d. Wat zijn de effecten van de nieuwe regelgeving voor de verschillende stakeholders? Bedoeld wordt: de gevolgen voor bedrijven, medewerkers, toezichthouders en opleidingsinstituten. Panteia benoemt in het rapport dat er ondanks een brede onderzoeksopzet, via een bureaustudie, interviews en enquêtes belangrijke onzekerheden bestaan. Daardoor moesten diverse aannames worden gedaan en is gewerkt met bandbreedtes waarbinnen de werkelijke effecten kunnen liggen. De daadwerkelijke kosten zijn dus onzeker en kunnen per bedrijf of sector verschillen. Ook brengt het rapport enkel de kosten van de nieuwe verplichtingen in kaart. Mogelijke baten zoals gezondheidswinst zijn niet meegenomen in de analyse. Bandbreedte geschat aantal vergunningen 58 “Implementatie van de nieuwe richtlijn asbest, Markt- en impactanalyse”, projectnummer 11397, Zoetermeer 13-3-2026, versie 1.1. Pagina 120 van 294 Panteia schat het aantal vergunningen als volgt in. Zoals in de Bedrijfseffectentoets (zie hoofdstuk 11) is toegelicht, is het lagere aantal vergunningen het meest plausibel omdat dit in de orde van grootte overeen komt met het aantal bedrijven dat een melding heeft gedaan via het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen. Aantallen vergunningen Minimaal Maximaal Beperkt 200 1.900 Basis 3.900 6.800 Uitgebreid 250 300 Totaal 4.350 9.000 Bandbreedte geschat aantal werkenden Panteia schat het aantal werkenden als volgt in. Het betreft hier niet alleen werkenden die asbest verwijderen, maar ook die asbest bewerken (voor zover het bewerken is toegestaan). Aantallen werkenden Minimaal Maximaal Beperkt 3.500 5.000 Basis 32.100 39.500 Uitgebreid 3.400 3.500 Totaal 39.000 48.000 Bandbreedte geschat aantal projecten en eindbeoordelingen Panteia schat het aantal projecten en de verschillende onderdelen van eindbeoordelingen als volgt in: Minimaal Maximaal Projecten 351.100 498.300 Inventarisaties 88.400 128.900 Meldingen 222.200 312.400 Eindbeoordelingen (visueel door uitvoerder) 153.000 216.100 Eindbeoordelingen (visueel, onafhankelijk) 748.300 1.027.600 Eindbeoordelingen (luchtmeting) 8.500 8.500 Eindbeoordelingen (kleefmonsters 11.400 11.400 Met behulp van de geschatte aantallen zoals hierboven weergegeven, komt Panteia tot de volgende kosten. De lage variant is gebaseerd op de lage inschatting van de aantallen zoals hierboven genoemd en vice versa. Bandbreedte geschatte eenmalige kosten (x miljoen euro, afgerond op één decimaal) Lage variant Hoge variant Aanvraag vergunning* 1,75 3,6 Bewijs van naleving 9,1 17,6 Opleidingen 14,8 18,1 Totaal 25,7 39,3 Pagina 121 van 294 *Het gaat hier niet om leges of kosten opgelegd door de overheid, maar bijvoorbeeld om hoeveelheid werk per aanvraag Bij de raming van de kosten voor de opleidingen heeft Panteia geen kosten berekend voor het afhandelen van bezwaar en beroep door het opleidingsinstituut. Een verdere detaillering door ook kosten voor bezwaar en beroep in te schatten zou een schijnnauwkeurigheid bieden in relatie tot de onzekerheden in factoren als aantallen op te leiden personen. Daarbij is het onzeker of en in welke mate bezwaar en beroep gaan spelen, waarbij het dan alleen nog zou moeten gaan om een toename als gevolg van de wijzigingen in de regelgeving. De inschatting is dat dit nauwelijks voor zal komen. Als onderdeel van de kosten voor de overheid zijn wel kosten geraamd voor bezwaar en beroep berekend. Bij de vergunningverlening is het veel aannemelijker dat een bedrijf een procedure start als een vergunning niet wordt verleend of ingetrokken. Dit zijn ook kosten die volledig zijn toe te rekenen aan de wijziging van de regelgeving. Naast de eenmalige kosten zijn er ook terugkerende jaarlijkse kosten. Voor de jaarlijkse kosten heeft Panteia twee scenario’s doorgerekend: k. In het eerste scenario is ervan uitgegaan dat in de categorie basis voor alle projecten een onafhankelijke (visuele) eindbeoordeling nodig is, zoals aanvankelijk in de concept regelgeving stond. Dat zou een hoge kostenpost betekenen, waardoor de jaarlijkse kosten uitkomen op 160,0 miljoen (lage variant) tot 255,6 miljoen (hoge variant). l. Daarnaast heeft Panteia ook gekeken naar de gevolgen als bij de nutsvoorzieningen en in de industrie de uitvoerder van de asbestverwijdering zelf een eindbeoordeling mag doen. Volgens dit scenario komen de jaarlijkse kosten uit op 21,5 miljoen euro (lage variant) en 66,3 miljoen euro (hoge variant). Na de uitvoering van de impactanalyse is een wijziging doorgevoerd in de regelgeving waardoor het eerste scenario niet meer van toepassing is. De wijziging houdt in dat in de categorie basis de werkgever de visuele eindbeoordeling zelf mag doen als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. In de industrie gaat het veelal om pakkingen waarvoor een erkende werkmethode al beschikbaar is. Voor de nutsvoorzieningen zouden veelal al bestaande veilige werkmethoden nog door het VIP beoordeeld moeten worden en worden erkend door de minister. Met dit als uitgangspunt, wordt in deze toelichting verder uitgegaan van het tweede scenario. De jaarlijkse kosten volgens dit scenario volgens Panteia zijn weergegeven in de onderstaande tabel. In paragraaf 9.1.2 is de invloed op de kosten berekend van verdere wijzigingen in de regelgeving die nog niet waren meegenomen in de impactanalyse van Panteia. Bandbreedte geschatte jaarlijkse kosten (x miljoen euro, afgerond op één decimaal) volgens Panteia, nog exclusief verdere wijzigingen in de regelgeving Lage variant Hoge variant Bewijs van naleving 16,8 30,8 Opleidingen 4,6 8,3 Inventarisatie 7,0 23,2 Meldingsplicht 1,6 2,5 Pagina 122 van 294 SMART-ns 2,2 3,1 Tussentijdse metingen (dit is een bestaande verplichting, dus uitvoeringskosten worden niet toeberekend aan de wijziging) - - Eindbeoordelingen -13,3 -5,5 Afzettingen en waarschuwingsborden 0,7 1,5 Medische keuring 2,0 2,5 Totaal 21,5 66,3 9.1.2 Niet door Panteia meegenomen wijzigingen in het conceptbesluit Ten opzichte van de wijzigingen die Panteia heeft doorgerekend, zijn in dit besluit nog enige aanpassingen verricht die van invloed zijn op de kostenberekening: d. Verschuiving van de categorie basis naar beperkt: aan de categorie beperkt is toegevoegd: kleinschalige asbestcementtoepassingen voor zover deze losliggen of geklemd bevestigd zijn, niet verweerd zijn en de lengte van de te verwijderen toepassing maximaal 1 meter is. Dit is een uitbreiding ten opzichte van de losliggende voorwerpen die al waren ingedeeld in de categorie beperkt. e. In de categorie basis is de mogelijkheid opgenomen dat de visuele inspectie door het bedrijf zelf kan worden gedaan als er een erkende werkmethode is gebruikt. In scenario 2 ging Panteia er al vanuit dat nutsbedrijven en de industrie konden volstaan met zelf een visuele inspectie uitvoeren. Echter is niet de doelgroep een voorwaarde om te kunnen volstaan met een visuele inspectie, maar het gebruik van een erkende werkmethode. Daardoor komen meer bedrijven en meer projecten hiervoor in aanmerking. Kosteneffect verschuiving asbesttoepassingen van basis naar beperkt Doordat kleinschalige asbestcementtoepassingen e in de categorie beperkt worden ingedeeld, is de verwachting dat een aantal bedrijven in plaats van een vergunning basis slechts een vergunning beperkt nodig heeft. De kosten voor het bewijs van naleving volgen uit tabel 13 en 14 van het Panteia-rapport en bedragen 520 euro (8 maal het uurtarief van 65 euro) eenmalig voor categorie beperkt en 0 euro jaarlijks. Voor basis is dit eenmalig 2600 euro (40 maal het uurtarief van 65 euro) en jaarlijks 4800 euro. Dat kosten voor de vergunning beperkt lager zijn komt zoals uitgelegd in paragraaf 3.1.2 doordat het bewijs van naleving een erkende werkmethode is in plaats van certificering. Als wordt aangenomen dat 15% van de 3900 (is 585) tot 6800 (is 1020) bedrijven geen vergunning basis nodig hebben, maar een vergunning beperkt, dan leidt dit tot een verlaging van de kosten voor het bewijs van naleving met: Bandbreedte geschatte effect op kosten bewijs van naleving Minimaal 15% van 3900 = 585 bedrijven Maximaal 15% van 6800 = 1020 bedrijven Eenmalig Kostenverschil tussen basis en beperkt is 2600-520=2080. Kostenverlaging is 585 x 2080=1,2 miljoen Kostenverschil tussen basis en beperkt is 2600-520=2080. Kostenverlaging is 1020 x 2080=2,1 miljoen Pagina 123 van 294 Jaarlijks Kostenverschil tussen basis en beperkt is 4800-0=4800. Kostenverlaging is 585 x 4800=2,8 miljoen/jaar Kostenverschil tussen basis en beperkt is 4800-0=4800. Kostenverlaging is 1020 x 4800=4,9 miljoen/jaar Een verschuiving van basis naar beperkt heeft daarnaast een effect op de opleidingskosten. Volgens Panteia zijn de opleidingskosten per medewerker in de categorie beperkt 175 euro per 3 jaar en per medewerker basis 315 euro. Het verschil is 140 euro per medewerker per 3 jaar. Panteia rekent voor een medewerker in de categorie basis als eenmalige kosten 280 euro voor het examen dat in deze categorie is voorgeschreven. De aantallen medewerkers in de categorie basis en de kosten volgen uit tabellen 19, 20 en 21 van het Panteiarapport. Bandbreedte geschatte effect op kosten opleidingen Minimaal 15% van 32000 = 4800 medewerkers Maximaal 15% van 39500 = 5925 medewerkers Eenmalig Kostenverschil tussen basis en beperkt is 280 euro Kostenverlaging is 4800 x 280 =1,3 miljoen Kostenverschil tussen basis en beperkt is 280 euro Kostenverlaging is 5925 x 280= 1,7 miljoen Jaarlijks Kostenverschil tussen basis en beperkt is 140 euro/3 jaar. Kostenverlaging is 4800 x 140/3 = 0,2 miljoen/jaar Kostenverschil tussen basis en beperkt is 140 euro. Kostenverlaging is 5925 x 140/3=0,3 miljoen/jaar Kosteneffect eindbeoordelingen door bedrijf dat gebruik maakt van een erkende werkmethode De verschuiving van toepassingen van basis naar beperkt heeft ook invloed op de kosten voor de eindbeoordelingen. Omdat de toepassingen waar het hier om gaat ook zouden vallen onder de toepassingen die met een erkende werkmethode kunnen volstaan met een eindbeoordeling door het bedrijf dat het asbest heeft verwijderd, worden die meegenomen met de berekening van het kosteneffect van die wijziging. Anders zou dit een dubbeltelling tot gevolg hebben. Volgens tabel 31 van het Panteia-rapport zijn de kosten van een onafhankelijke eindbeoordeling (in de vorm van een visuele inspectie) 200 euro. In de minimale en maximale variant gaat het nog om 11.700 respectievelijk 44.400 projecten per jaar. Deze aantallen zijn volgens scenario 2, waarbij al vanuit is gegaan dat de nutsbedrijven en de industrie de eindbeoordelingen zelf doen. Als met een erkende werkmethode wordt aangenomen dat nog eens 20% minder projecten in aanmerking komen voor een onafhankelijke eindbeoordeling, dan worden de jaarlijkse kosten verlaagd met: 20% van 11.700 x 200 euro = 468.000 euro (0,5 miljoen). 20% van 44.400 x 200 euro = 1.776.000 euro (1,8 miljoen). 9.1.3 Totaalbeeld Eenmalige kosten (x miljoen euro, grijze tekst is berekening Panteia, dikgedrukte tekst is mutatie) Pagina 124 van 294 Lage variant Hoge variant Aanvraag vergunning 1,75 3,6 Bewijs van naleving 9,1 17,6 Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op bewijs van naleving -1,2 -2,1 Opleidingen 14,8 18,1 Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op opleidingen -1,3 -1,7 Totaal 22,3 (was 25,7) 34,3 (was 39,3) Bandbreedte geschatte jaarlijkse kosten (x miljoen euro, grijze tekst is berekening Panteia, dikgedrukte tekst is mutatie) Lage variant Hoge variant Bewijs van naleving 16,8 30,8 Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op bewijs van naleving -2,8 -4,9 Opleidingen 4,6 8,3 Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op opleidingen -0,2 -0,3d Inventarisatie 7,0 23,2 Meldingsplicht 1,6 2,5 SMART-ns 2,2 3,1 Tussentijdse metingen - - Eindbeoordelingen -13,4 -5,5 Kosteneffect eindbeoordeling door bedrijf zelf -0,5 -1,8 Afzettingen en waarschuwingsborden 0,7 1,5 Medische keuring 2,0 2,5 Totaal 18,0 (was 21,5) 59,3 (was 66,3) Zoals in hoofdstuk 1 is toegelicht is een zuivere implementatie niet mogelijk door de aard van de Asbestrichtlijn en de wijze waarop de benodigde veranderingen doorwerken in de wet- en regelgeving. Er moet in beginsel wel sprake zijn van een lastenluwe implementatie. De hoogte van de geraamde kosten zoals in deze paragraaf zijn weergegeven zijn onlosmakelijk verbonden aan de verplichtingen die volgen uit de Asbestrichtlijn. Een grote onzekerheid in de hoogte van de totale kosten komt vooral doordat niet bekend is hoeveel bedrijven een vergunning zullen aanvragen. Voor de totale kosten zijn daarom een lage en een hoge variant geraamd, waarbij de kosten volgens de hoge variant dus door meer bedrijven worden gedragen. Om de kosten zoveel mogelijk te beperken, zijn diverse maatregelen genomen zoals: 1. Er is gekozen voor een differentiatie in vergunningvereisten, gebaseerd op potentiële blootstellingsrisico’s. 2. De meldingsvereisten zijn beperkt tot wat de Asbestrichtlijn vereist en wat voor toezicht noodzakelijk is en er wordt aangesloten op één landelijk meldloket. 3. Er is de mogelijkheid gecreëerd om in plaats van een asbestinventarisatie te kunnen volstaan met een identificatie. Pagina 125 van 294 4. Er zijn situaties benoemd waarin een luchtmeting als onderdeel van de eindbeoordeling niet meer nodig is. 5. Er is een landelijk register opgericht voor de opleidingen om de vergunningaanvragen en meldingen te faciliteren, zodat daarbij niet telkens de opleidingsbewijzen hoeven te worden meegestuurd. Omdat binnen de ruimte die de Asbestrichtlijn biedt, de minst belastende variant is uitgewerkt die redelijkerwijs mogelijk is, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een lastenluwe implementatie. 9.2 Kosten voor de overheid De initiële en jaarlijkse kosten voor de overheid zijn hieronder berekend op basis van het aantal vergunningen dat Panteia heeft ingeschat. Omdat wordt ingeschat dat het lagere aantal van 4350 het meest plausibel is, is dit aantal in deze berekening aangehouden. Voor het inschatten van de kosten zijn in sommige gevallen aannamen gedaan. Dat geldt vooral voor de kosten voor ICT. Voor de ICT voor de vergunningverlening zijn de kosten hoger dan eerder ingeschat. Voor het toezicht wordt ingeschat dat aanvullende capaciteit nodig is. Dit bestaat onder andere uit het verzamelen en delen van toezichtsinformatie voor de vergunningverlening, het uitoefenen van toezicht op bedrijven die eerder niet in beeld waren en het toezien op de naleving van de vergunningplicht. Op basis van de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets (U&H-toets) is een post opgenomen voor uitbreiding van de capaciteit van de Arbeidsinspectie. De impact van deze regelgeving qua toezicht komt bij de Arbeidsinspectie terecht omdat de meeste wijzigingen in de regelgeving in de arboregelgeving staan. Op basis van een impactanalyse van Justis zijn de bedragen voor de Bibob aangepast. De kosten voor de vergunningverlening zijn een voorlopige inschatting gebaseerd op 4350 bedrijven. De gereserveerde gelden komen hier niet altijd mee overeen omdat die gedaan zijn op het eerder ingeschatte aantal van circa 2000 bedrijven. Aangezien er een grote onzekerheid bestaat in het aantal bedrijven dat een vergunning zal aanvragen (spreiding ca. 2000-9000 in schattingen), wordt er een aantal scenario’s uitgewerkt hoe te starten en hoe eventueel de capaciteit te kunnen uitbreiden of afschalen indien nodig. Beoogd vergunningverlener DSU heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd. Initiële kosten overheid Berekening Uitkomst Vergunningverlening 4350 aanvragen, gemiddeld 6 uur per aanvraag à €90 €2.349.000 Inrichten bevoegde autoriteit vergunningen/vergunningverlener 125 dagen à €800 €100.000 Bibob 10 onderzoeken à €25.680b €257.000 Bezwaar en beroep vergunningen €144.000 ICT ontwikkelkosten vergunningen €1.100.000 ICT ontwikkelkosten SMART-ns €600.000 Pagina 126 van 294 Aanpassen meldingensysteem DSO en Arbeidsinspectie €1.600.000 Voorlichting nieuwe regelgeving €200.000 Totaal €6.350.000 (afgerond) *de beëindiging van het LAVS maakt het voor toezichthouders nodig dat de ICT waarop het toezicht is gebaseerd wordt aangepast. Voor de Arbeidsinspectie zijn die kosten hierin meegenomen omdat het ook uitbreiding van de meldingen betreft die de richtlijn vereist. De kosten voor andere toezichthouders staan los van deze implementatie en zijn toe te rekenen aan de beëindiging van het LAVS.jo Structurele kosten overheid (jaarlijks) Berekening Uitkomst Wijzigingen vergunningen/in stand houden vergunningverlener €400.000 Bibob 10 onderzoeken per jaar. à €25.680 €257.000 Bezwaar en beroep €438.000 ICT onderhoudskosten vergunningen €50.000 ICT onderhoudskosten SMART-ns 0* Meldingensysteem onderhoud €50.000 Voorlichting en beantwoorden vragen €20.000 Extra capaciteit Arbeidsinspectie loonkosten €3.130.000 Totaal €4.400.000 (afgerond) *de structurele onderhoudskosten van SMART-ns worden gedekt met de kosten voor gebruik 10. Evaluatie Dit besluit voorziet in een ingrijpende herziening van het asbeststelsel ter implementatie van de Europese asbestrichtlijn. Gegeven de impact op de bedrijfsvoering van een groot aantal ondernemingen en de introductie van de vergunningplicht, zal één jaar na inwerkingtreding van dit besluit een invoeringstoets worden gestart. Dit is een beperkt onderzoek om na te gaan of er in de uitvoering knelpunten blijken te zijn die snel moeten worden opgelost. Vervolgens zal twee jaar na inwerkingtreding een evaluatie starten. Het doel van deze evaluatie is tweeledig: het toetsen van de gevolgen voor ondernemingen, waaronder zal worden gekeken naar de financiële gevolgen en de praktische uitvoerbaarheid, en de effectiviteit van de nieuwe maatregelen. De evaluatie richt zich in het bijzonder op de werking van de vergunningplicht als instrument om de naleving te verbeteren en de erkenning van opleidingen. Hierbij worden gegevens van de Nederlandse Arbeidsinspectie, omgevingsdiensten, ILT, SodM en de DSU betrokken, naast ervaringen vanuit het bedrijfsleven. Er zijn diverse aanvullende wensen ter verdere verbetering van het asbeststelsel die in de huidige wijziging niet zijn meegenomen. Zoals de aanbevelingen uit het rapport over de onafhankelijkheid van eindbeoordelaars van Panteia. Een belangrijk argument hiervoor is dat de implementatie van de Asbestrichtlijn anders verder zou worden vertraagd. De aanvullende wensen hebben voor een belangrijk deel betrekking op het Pagina 127 van 294 Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Indien mogelijk zullen eventuele aanvullende wijzigingen in samenhang met de uitkomsten van de evaluatie na twee jaar worden doorgevoerd. Hiermee wordt voorkomen dat de sector geconfronteerd wordt met opeenvolgende, gefragmenteerde wetswijzigingen. Dit biedt de markt de gewenste stabiliteit voor de middellange termijn. Dit is onder andere van belang om ondernemers in staat te stellen om te investeren en te innoveren. 11. Advies en consultatie 11.1 Parlementaire betrokkenheid (voorhang) Bij de wijziging van zowel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 als het Besluit bouwwerken leefomgeving is in principe een voorhangprocedure verplicht. De voorhangprocedure kan worden overgeslagen als de betrokken wijziging uitsluitend strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen – zoals een Europese richtlijn. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt. Beide Kamers hadden aandacht voor de lagere regelgeving tijdens de behandeling van het wetsvoorstel. De verplichte voorhang van de wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 wordt overgeslagen op grond van artikel 1:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer zal gelijktijdig met de voordracht aan de Koning wel een kennisgeving van de wijziging worden gestuurd aan de Eerste en Tweede Kamer. De verplichte voorhang van de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt overgeslagen op grond van artikel 23.5, derde lid van de Omgevingswet. Ook dit artikel verplicht tot een kennisgeving aan de Eerste en Tweede Kamer, die gelijktijdig met de eerder genoemde kennisgeving op grond van de Wet milieubeheer zal worden gedaan. 11.2 Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) De Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (hierna: UDO) is een proces waarmee de Rijksoverheid samen met de koepels van decentrale overheden beleid uitwerkt dat invloed heeft op decentrale overheden. In dat kader is met de VNG samengewerkt bij de totstandkoming van dit wijzigingsbesluit. Provincies en waterschappen zijn zowel door SZW als de VNG op de hoogte gesteld van het proces, maar dit heeft niet geleid tot reacties. Tijdens de samenwerking is geconstateerd dat een aantal wensen van de VNG buiten de implementatie van de gewijzigde richtlijn liggen, maar meer op de bouw- en milieuregelgeving zien. Daarover is de procesafspraak gemaakt om nog met de betrokken ministeries en de VNG te kijken naar aanvullende punten die nu niet met deze wijzigingen worden meegenomen. Eind 2025 heeft de VNG een uitvoeringstoets gedaan op basis van een eerste conceptversie van het wijzigingsbesluit. Er bleken nog veel onduidelijkheden te bestaan over de gevolgen van de voorgenomen wijzigingen voor de exacte rol voor gemeenten en omgevingsdiensten. Een deel van deze onduidelijkheden was al uit de concept regelgeving af te leiden. De toelichting is hierop verduidelijkt. Een aantal punten waarop de VNG om verduidelijking vroeg in de uitvoeringstoets staan niet op het niveau van dit wijzigingsbesluit maar worden in de vorm van beleidsregels verder uitgewerkt. Een Pagina 128 van 294 voorbeeld van het laatste is de manier waarop welke beschikbare toezichtsinformatie moet worden aangeleverd aan de vergunningverlener. In de uitvoeringstoets werd aangegeven dat omgevingsdiensten zijn uitgerust om de taken uit de gewijzigde regelgeving uit te voeren, met uitzondering van het beoordelen van de werkwijze binnen twee werkdagen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving is op dit punt niet gewijzigd. Bij de sloopmelding moet worden aangegeven op welke wijze het asbest wordt verwijderd. Zoals ook in de Nota van toelichting staat vermeld vergt de omschakeling naar het DSO een andere benadering van risicogericht toezicht. Dit wordt gezamenlijk verder uitgewerkt met de ontwikkeling van de bijbehorende ICT. Tevens is er in de toets gereageerd op de uitfasering van het LAVS en het gebruik van DSO voor alle meldingen. Daarbij geven de OD’s aan dat zij het LAVS dagelijks gebruiken en dat zij een volwaardig alternatief nodig hebben. In de wijzigingen van de regelgeving worden de meldingen omtrent arbeidsomstandigheden inderdaad opgenomen in het DSO. Dit is echter niet een melding die in eerste instantie aan de OD’s is gericht. De sloopmelding was al opgenomen in het DSO. Het afschaffen van het LAVS loopt samen met deze regelgevingswijzigingen, maar staat daar eigenlijk los van. Tegelijkertijd maakt deze samenloop van omstandigheden het wel zo dat er in de beginperiode na inwerkingtreding van de regelgeving waarschijnlijk geen systeem is waarin data van meldingen worden opgeslagen zoals dat nu via het LAVS gebeurt. Het DSO stuurt alleen afzonderlijke meldingen richting de toezichthouder. Met de verschillende betrokken toezichthouders wordt gekeken naar de mogelijkheden om de toezichthouders zo spoedig mogelijk in staat te stellen toezicht uit te oefenen aan de hand van alle bij de meldingen ingevoerde en (centraal) opgeslagen data. Gemeenten en OD’s geven tevens aan dat ze verwachten dat het publieke vergunningstelsel zal bijdragen aan het effectiever optreden tegen slecht presterende bedrijven. Zij zouden de vergunningplicht graag uitgebreid zien naar onder andere inventarisatiebedrijven en eindinspectie-instellingen. Daar wordt op dit moment niet voor gekozen. Ten eerste is dit geen vereiste vanuit de Richtlijn. Ten tweede zouden er eerst andere, minder zware instrumenten moeten worden verkend en mogelijk ingezet. Tot slot is een aantal aanbevelingen gedaan op basis waarvan een aantal artikelen en de toelichting zijn verduidelijkt. Op 13 juli 2026 heeft de VNG een aanvullende reactie gestuurd op basis van de laatste versie van het wijzigingsbesluit. Hierbij kwamen een aantal punten over meldingen en het LAVS opnieuw terug. VNG geeft aan dat DSO in zijn huidige vorm via het gemeentelijk systeem verbonden is aan het betreffende grondgebied en de daaruit volgende partners, niet een landelijk verbonden systeem. VNG geeft aan dat dat geheel nodig is om het DSO in werking te laten treden. Daarbij geeft VNG tevens aan dat de overgang van het LAVS naar het DSO niet mag leiden tot een tijdelijke verslechtering van toezicht, informatiepositie of fraudebestrijding. De uitwerking van de overgang van het LAVS naar het DSO vindt op dit moment gezamenlijk plaats met de verschillende toezichthouders. Daarbij wordt in acht genomen dat de overgang zo goed mogelijk wordt ingeregeld en de eventuele periode waarin de informatiepositie minder is, in ieder geval zo kort mogelijk is. De VNG ondersteunt een tijdige implementatie van de richtlijn indien er daarna aandacht blijft voor zaken die nog verder doorontwikkeld moeten worden. De krappe planning Pagina 129 van 294 onderstreept voor VNG het belang van een realistisch overgangsregime en een doorlopend programma na inwerkingtreding. De planning waaraan de VNG refereert in haar stuk was een tussentijdse planning waar nog niet alle benodigde informatie aanwezig was. SZW heeft aangegeven dat als de noodzakelijke uitvoeringsaspecten niet gereed zijn, de regelgeving niet in werking kan treden. Dat blijft zo. De planning van de uitvoering loopt loopt gelijk op met die van de regelgeving. Er is tevens voorzien in een overgangsperiode in de regelgeving. VNG geeft aan dat het punt over de sloopmelding vier weken vooraf en de definitieve startmelding twee werkdagen van tevoren aan gemeenten/omgevingsdiensten nog open staat. In paragraaf 3.6 is toegelicht dat de sloopmelding in de regelgeving op dit punt niet veranderd. De verdere uitwerking kan plaatsvinden in het meldformulier van de sloopmelding en hoeft de voortgang van deze regelgeving niet in de weg te zitten. In dat kader wordt een eventueel artikel 2 onderzoek besproken. Ten slotte reageert de VNG op de beleidsregel vergunningverlening en het samenwerkingsverband. Zij vindt het daarbij essentieel dat de rol van de Omgevingsdiensten gelijkwaardig wordt meegenomen in het stoplichtmodel. De wens om toezichtsinformatie van de omgevingsdiensten mee te nemen is er. ODNL heeft echter aangegeven dat de informatie die zij op dit moment kan aanleveren onvoldoende georganiseerd is en dat dit pas op een later moment realiseerbaar is. De afspraken in het samenwerkingsverband worden nog uitgewerkt. 11.3 Overleg Platform Bouwregelgeving Op 31 oktober 2025 heeft het Overleg Platform Bouwregelgeving de voorgenomen wijzigingen in het Bbl besproken en als volgt geadviseerd. Het OPB kan zich vinden in de beperkte wijzigingen in het Bbl, maar maakt zich zorgen over de gevolgen van de volledige herziening van het asbeststelsel. Het OPB vraagt aandacht voor de impact op bedrijven die slechts incidenteel met asbest werken zoals installatie- en onderhoudsbedrijven, om te voorkomen dat Nederland onbedoeld een strengere lijn kiest dan de Europese richtlijn. Ook vraagt het OPB bij de indeling van de soort vergunningen rekening te houden met emissiebeperkende maatregelen. De Asbestrichtlijn geldt voor alle bedrijven die asbest verwijderen, dus ook voor bedrijven die bij installatie- of onderhoudswerkzaamheden asbest verwijderen. Door de differentiatie in vergunningtypen worden de lasten voor deze bedrijven zo beperkt mogelijk gehouden. In paragraaf 3.1.2.3 is toegelicht waarom niet is gekozen voor een alternatief waarbij de indeling wordt gebaseerd op de risico’s nadat emissiebeperkende maatregelen zijn getroffen. 11.4 Bedrijfseffectentoets (BET) In deze paragraaf worden de effecten die dit voorstel heeft op bedrijven omschreven. Geraakte doelgroep De doelgroep die geraakt wordt door de implementatie van de Richtlijn is breed. Het meest voor de hand liggend zijn de professionele asbestverwijderingsbedrijven. Daarnaast is er echter een brede groep bedrijven die in aanraking kan komen met asbest tijdens het werk. Daarbij gaat het om bedrijven die ook asbest verwijderen, zoals kleinschalige toepassingen als beglazingskit die door schilders worden verwijderd, of Pagina 130 van 294 bedrijven zoals loodgieters en installateurs die asbest bewerken door een doorvoer aan te brengen door het dak wanneer er een nieuwe CV wordt geplaatst. Deze groep van onderhoudsbedrijven is heel breed. Het gaat bijvoorbeeld ook om werkzaamheden aan het elektriciteitsnet, weg- en bodemwerkzaamheden etc. Daarnaast zijn er mensen die niet direct aan asbest werken maar wel op een andere manier in aanraking komen met asbest, zoals werknemers van gemeentewerven of brandweerlieden. De bedrijven variëren van klein tot groot. EU-regelgeving Het gaat hier om een EU Richtlijn met nationale beleidsruimte. Een groot deel van de artikelen in de Richtlijn is dermate abstract dat de implementatie nadere concretisering en uitwerking vereist. Wel wordt de Richtlijn lastenluw geïmplementeerd. Daarbij is tevens gekeken of bestaande verplichtingen konden worden aangepast en vereenvoudigd. Omdat in Nederland al een asbeststelsel was ingericht moest dit flink worden aangepast. Enerzijds om de Richtlijn te implementeren maar ook om de lasten waar mogelijk te beperken en tot eenduidige regelgeving te komen. Zo is, in lijn met de beleidsbrief uit 2019, voor een meer risicogebaseerde aanpak gekozen. Hiermee zijn de regels streng waar nodig, maar niet onnodig streng wanneer de risico’s lager zijn. Dit heeft geleid tot verschillende gradaties in de vergunningplicht en de vereisten daarvoor. Ook bij de uitzonderingen op de meldingen, de eisen aan opleidingen en eindbeoordelingen is hiermee rekening gehouden. Implementatie omringende lidstaten Doordat de Richtlijn nadere concretisering vereist, hebben de diverse lidstaten de Richtlijn op een andere manier geïmplementeerd. Elke lidstaat kent een eigen unieke situatie en heeft andere accenten in de regelgeving aangebracht. Een aantal lidstaten had al een (gedeeltelijke) vergunningplicht. Voor veel lidstaten was de aanpassing van de grenswaarde een grote wijziging. Die is in de Wijzigingsrichtlijn met een factor 10 verlaagd. Ook gold voor veel lidstaten dat de asbestvezels nog niet met een elektronenmicroscoop werden geteld. Er is contact geweest met de buurlanden België en Duitsland. België maakt onderscheid tussen eenvoudige handelingen en andere asbestverwijderingen. Voor asbestverwijdering geldt een jaarlijkse opleiding van 32 uur, bij eenvoudige handelingen is dat 8 uur. Na deelname wordt een bewijs van deelname of getuigschrift verstrekt. Duitsland kent eveneens periodieke actualisering van vakbekwaamheid, met een termijn van zes jaar, maar legt daarbij meer nadruk op examinering. De vergelijking laat vooral zien dat lidstaten op verschillende manieren invulling geven aan de eisen rond opleiding, examinering en het actueel houden van vakbekwaamheid. Regeldrukeffecten De Richtlijn is aangescherpt waardoor er extra regels gaan gelden voor bedrijven. Alle bedrijven die asbestsloop- of verwijderingswerkzaamheden willen uitvoeren, moeten hiervoor een vergunning aanvragen. Daarbij vereist de Richtlijn een bewijs van naleving en dat de werknemers allen een erkende opleiding hebben gevolgd. Ook de informatie die moet worden verstrekt bij de melding voorafgaand aan asbestverwijderingen is uitgebreid in de Richtlijn. Daarnaast stelt de richtlijn verdergaande eisen aan de blootstellingsregistratie en het gezondheidskundig onderzoek van werkenden aan asbest. Alleen op het doen van meldingen zijn uitzonderingen mogelijk binnen de Richtlijn. Die ruimte is ook volledig benut. Pagina 131 van 294 In de regelgeving is het toenemen van kosten door bedrijven zoveel mogelijk beperkt: - Zo worden er geen leges geheven voor het aanvragen van een vergunning en wordt de vergunning in principe voor onbepaalde tijd verstrekt; - persoonscertificatie wordt niet meer verplicht; - identificatie wordt mogelijk gemaakt in plaats van inventarisatie; - voor het moeten uitvoeren van een luchtmeting bij de eindbeoordeling wordt een ander criterium gehanteerd waardoor deze minder vaak vereist is. Een impactanalyse uitgevoerd door Panteia laat zien dat desalniettemin de financiële gevolgen van de implementatie van de richtlijn mogelijk aanzienlijk zijn. Mede door het grote aantal bedrijven dat er mee gemoeid is. Dit komt ook door de veelheid aan soorten bedrijven die tijdens het werk met asbest in aanraking kunnen komen, zoals bijvoorbeeld loodgieters, installatiebedrijven, schildersbedrijven, etc. Voor de bedrijven die met asbest werken volgt rechtstreeks uit de Richtlijn dat werknemers een erkende opleiding moeten hebben gevolgd en dat wanneer het asbest verwijderd wordt het bedrijf een vergunning moet hebben. Uit de markt- en impactanalyse die is uitgevoerd door Panteia, blijkt dat het lastig in te schatten is wat het aantal asbestgerelateerde werkzaamheden per bedrijf is, hoeveel werknemers hiermee in aanraking komen en hoeveel bedrijven een vergunning nodig zullen hebben. Daarom is gewerkt met bandbreedtes. Ook dan is de onzekerheid nog groot, omdat niet bekend is hoeveel bedrijven momenteel in enige mate asbest verwijderen en welk deel daarvan hiervoor een vergunning zal aanvragen of zal besluiten de werkzaamheden niet meer uit te voeren. Dit laatste is met name een overweging voor bedrijven waar het verwijderen van asbest een beperkte nevenactiviteit is en het mogelijk is dit aan dit aan andere bedrijven over te laten. Het geschatte aantal bedrijven dat een vergunning gaat aanvragen ligt tussen de 4.350 en 9.000 bedrijven. Dit ligt hoger dan het in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ingeschatte aantal van 2.000 bedrijven. Deze getallen zijn dan ook met veel onzekerheden omgeven. De inschatting is dat de waarheid dichter in de buurt ligt van de 4.350 dan de 9.000. Volgens Panteia is de lage variant plausibel, omdat dit wordt onderbouwd met het aantal bedrijven dat melding heeft gedaan van de afvoer van asbesthoudend afval via het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). Volgens Panteia blijkt uit de cijfers van het LMA dat circa 3.159 tot 4.245 bedrijven waarschijnlijk ontdoeners zijn. Dat wil zeggen dat zij asbesthoudend afval afgeven aan een inzamelaar, vervoerder of verwerker. Dat ligt in de orde van grootte van de geschatte lage variant van 4.350 bedrijven. Als een deel van de gemelde afvalstoffen zijn vrijgekomen bij het bewerken van asbesthoudende materialen, dan zou het aantal bedrijven dat een vergunning nodig heeft iets lager kunnen zijn dan op grond van de LMA-cijfers. Daarentegen stelt Panteia dat ook de hoge variant plausibel kan zijn als bedrijven bij werkzaamheden in opdracht van particulieren het asbesthoudende afval achterlaten om door de particulier te worden afgevoerd. Dit is echter niet toegestaan en het zou op grote schaal moeten gebeuren om de hoge variant te verklaren. Het geschatte aantal werkenden die vallen onder opleidingseisen wordt ingeschat tussen de 39.000 en 48.000 personen. Ter vergelijking: het aantal personen die werkzaam zijn bij de voorheen gecertificeerde asbestverwijderaars ligt tussen de 3.400 en 3.500 personen. Daarbij moet worden opgemerkt dat volgens de huidige regelgeving Pagina 132 van 294 werknemers ook al moeten zijn opgeleid als zij werken met asbest. Dus ook de werknemers die niet bij de gecertificeerde asbestverwijderaars werken. Een groot deel van de extra lasten die Panteia heeft opgenomen in haar rapport volgt uit uitzonderingen die voorheen golden, maar niet meer passen binnen de gewijzigde richtlijn. Dit gaat om uitzonderingen op de inventarisatie-, certificatie- en meldingsplicht. Bedrijven die werkzaamheden uitvoeren die waren uitgezonderd van de certificeringsplicht, moeten nu in ieder geval een vergunning aanvragen, en afhankelijk van de mogelijke risico’s ook een certificaat als invulling van het door de richtlijn vereiste bewijs van naleving. De borging van de mogelijke risico’s is als uitgangspunt genomen en daardoor vallen een aantal eerdere uitzonderingen onder die certificeringsplicht. Naar aanleiding van de impactanalyse is gekozen om de eindbeoordeling door de werkgever zelf te laten doen als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. Daarmee wordt aangetoond dat onder de grenswaarde gewerkt wordt. Dit komt overeen met de eerdere bepaling dat de eindbeoordeling zelf mocht worden uitgevoerd als onder de grenswaarde werd gewerkt, hetgeen werd aangeduid als risicoklasse 1. De effecten hiervan op de kosten zijn in hoofdstuk 9 beschreven. Voor de meldingsplicht is alle ruimte die de richtlijn toelaat al benut door werkzaamheden in de categorie beperkt vrij te stellen van de meldingsplicht. Op basis van de impactanalyse is er ook voor gekozen kleinschalige asbestcementtoepassingen onder de vergunning beperkt onder te brengen in plaats van onder basis. Hiermee is voor deze vrij veel voorkomende werkzaamheden van beperkte omvang geen onafhankelijke eindbeoordeling en melding vereist. Samenvatting verkende alternatieven Naast de gekozen vergunningindeling op basis van het potentiële risico van asbesttoepassingen is ook gekeken naar alternatieve varianten waarbij het risico na het nemen van maatregelen bepalend zou zijn voor de indeling in typen vergunning. In paragraaf 3.1.2.3 zijn deze alternatieven toegelicht. Voor het vaststellen van het benodigde type vergunning zou de blootstelling van werknemers over een bepaalde periode of de blootstelling voor een specifieke verwijderingshandeling moeten worden berekend. Hoewel deze varianten mogelijk leiden tot lagere kosten, afgezien van de inspanningen die nodig zijn om het type vergunning vast te kunnen stellen, is hier niet voor gekozen. Redenen zijn onder andere dat dit niet werkbaar zou zijn en geen recht doet aan het principe dat het borgingsniveau rekening moet houden met het potentiële risico. MKB toets Er zijn twee online panelgesprekken geweest met MKB-bedrijven. Het eerste met momenteel niet-gecertificeerde bedrijven en het tweede met gecertificeerde (gespecialiseerde) asbestverwijderingsbedrijven. Tijdens de gesprekken bleken er veel vragen te bestaan bij ondernemers en zij vonden het lastig om iets te zeggen over de uiteindelijke impact. Zij zijn bang dat het vergunningenstelsel, met bijbehorend certificatiestelsel, tot meer kosten en administratie gaat leiden. De deelnemers begrijpen dat de richtlijn geïmplementeerd moet worden, maar hebben twijfels of het gaat bijdragen aan een betere bescherming van werknemers. Een deel van de bedrijven had liever gezien dat de categorieën waren ingedeeld op basis van daadwerkelijke blootstelling in plaats van de mogelijke blootstelling vanwege het soort Pagina 133 van 294 asbesttoepassing. Een deel van de bedrijven geeft aan geen asbest meer te gaan verwijderen in de nieuwe situatie, vanwege de extra lasten die erbij komen kijken. Er zijn zorgen over de tijd die gemoeid gaat met het onverwachts moeten inventariseren van asbesttoepassingen en de meldingen die dan niet meer op tijd kunnen worden gedaan bij het onverwachts aantreffen van asbest. Dit is in de huidige situatie echter niet anders, voor zover geen gebruik kan worden gemaakt van de bestaande uitzonderingen op de meldings- en inventarisatieplicht. Er zijn bezwaren tegen het aanleveren van opleidingsbewijzen bij de meldingen en het aanbieden van een medische keuring bij minder risicovolle werkzaamheden. Beiden volgen rechtstreeks uit de Richtlijn. Aan het bezwaar tegen het aanleveren van opleidingsbewijzen wordt wel tegemoet gekomen door de oprichting van het Register gezond en veilig werken met asbest. Daarmee kan worden volstaan met een registratienummer en wordt voorkomen dat telkens diploma’s moeten worden overhandigd bij de meldingen. Bij de nu al gecertificeerde bedrijven waren er ook bezwaren tegen het doorgeven bij de melding van welke werknemers waarschijnlijk het werk gaan uitvoeren. Ook dit volgt rechtstreeks uit de Richtlijn. Dit punt is samen met het eerder genoemde punt over opleidingsbewijzen opgenomen in de melding als het registratienummer uit het Register gezond en veilig werken met asbest om de lasten te beperken. Bedrijven vrezen dat wijzigingen in de inzet van medewerkers telkens moeten worden doorgegeven. Dit is echter niet zo. Bij de melding moet worden aangegeven welke medewerkers waarschijnlijk zullen worden ingezet en dit betekent dat er naderhand wijzigingen mogelijk zijn, zonder dat daarvoor een nieuwe melding moet worden gedaan. De bedrijven geven aan dat er stabiliteit nodig is in de regelgeving om innovatie van de grond te laten komen. De overgangsperiode van een half jaar wordt als krap ervaren en de zorgen zitten met name op de overgangsbepalingen rondom al gevolgde opleidingen. Vanwege de krappe implementatietermijn van de Asbestrichtlijn blijft de inzet om de overgangsperiode te beperken tot een half jaar, maar is voorzien in de mogelijkheid om die te verlengen met nog een half jaar als mocht blijken dat dit echt nodig is voor het behandelen van de vergunningaanvragen. Er is vrees dat de controles op medewerkers en de vereiste opleidingen toenemen en de personeelsschaarste in de branche daarmee toeneemt. Deze groep ondernemers uit vooral veel klachten over het toezicht op het werk. Zij geven aan dat er veel toezicht is en dat medewerkers neerbuigend worden behandeld. Hier zijn veel zorgen over, ook in relatie tot personeelsschaarste. Hierover wordt met toezichthouders gesproken. Uit de MKB-toets zijn geen concrete alternatieve voorstellen gekomen. De alternatieve voorstellen die vanuit het bedrijfsleven wel zijn aangereikt, zijn toegelicht in paragraaf 3.1.2.3. Innovatie-effecten Om innovatie in het asbestwerkveld te bevorderen is in 2020 het Validatie- en Innovatiepunt Asbest (hierna: VIP) geopend. In de nieuwe regelgeving is de rol van het VIP ingebed. Zo is er voor gekozen om in de categorie beperkt als bewijs van naleving voor de vergunningaanvraag een erkende werkmethode te hanteren. Dit zijn door de minister erkende werkmethoden na advisering hierover door het VIP. Ook in de hogere categorieën van vergunningen biedt het gebruiken van een erkende werkmethode voordelen. Het aantonen dat met een bepaalde werkwijze onder de grenswaarde kan worden gewerkt leidt weliswaar niet meer tot het vervallen van de certificeringsplicht. Wel biedt het werken met een dergelijke erkende werkmethode nog steeds belangrijke Pagina 134 van 294 voordelen, waaronder het niet meer hoeven te werken in containment. Er zijn partijen die de indeling van toepassingen in de verschillende vergunningcategorieën graag anders zou zien en belemmerend vinden voor innovatie. De categorieën zijn echter ingedeeld op basis van potentie tot hoge blootstelling van toepassingen en daarin ingedeeld om voldoende borging op gezond en veilig werken te hebben. Daarin zijn verantwoorde keuzes gemaakt. Markteffecten De marktstructuur zal er op basis van de vergunningplicht waarschijnlijk anders uit komen te zien. In de voorgaande regelgeving was er een groep niet-gecertificeerde bedrijven en een bedrijf gecertificeerde bedrijven. Nu geldt voor alle bedrijven die asbest verwijderen dat zij een vergunning moeten hebben. Dit zal vooral effect hebben op de niet-professionele asbestverwijderingsbedrijven, zoals onderhoudsbedrijven. Het is voor deze bedrijven de vraag of zij de keuze maken om een vergunning aan te vragen met alle bijbehorende eisen of dat een deel van de sectoren dat zal doen en deze werkzaamheden meer aan daartoe gespecialiseerde bedrijven over zullen worden gelaten. Het voordeel van de vergunningplicht voor alle bedrijven die asbest verwijderen is dat duidelijk is welke bedrijven bevoegd zijn om deze werkzaamheden te mogen verrichten. In de bestaande regelgeving mochten niet-gecertificeerde bedrijven in risicoklasse 1 asbest verwijderen, maar was niet duidelijk welke bedrijven dat waren en of zij daarvoor de benodigde kennis en vaardigheden hadden. Voor buitenlandse bedrijven was er voor de meer risicovolle werkzaamheden met asbest (voorheen risicoklasse 2 en 2A) al een drempel om in Nederland aan het werk te gaan vanwege het vereiste procescertificaat. Op dit punt zal de toegang tot de Nederlandse markt vergemakkelijken, want met een vergunning uit een andere lidstaat kan er ook in Nederland een vergunning worden aangevraagd. Daarbij is het wel een vereiste vanuit de Richtlijn dat de werknemers van deze bedrijven kennis hebben van de wet- en regelgeving rondom asbest in de lidstaat waarin de werkzaamheden worden verricht. Dit is ook nodig aangezien de Richtlijn nader ingevuld moet worden door lidstaten en werknemers uit andere landen dus wel moeten weten hoe zij de geldende wet- en regelgeving moeten naleven. Zo laat de Richtlijn lidstaten de keuze tussen twee verschillende minimale grenswaarden. De asbestbranche is nu ook overwegend een nationale markt en er worden niet veel veranderingen daarop verwacht. De inzet van buitenlandse werknemers komt in sommige bedrijfstakken wel voor. Sociaaleconomische effecten Op het gebied van werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden zullen er mogelijk veranderingen plaatsvinden. De asbestbranche kampt over het algemeen met een tekort aan medewerkers en heeft moeite medewerkers vast te houden. Doordat er nu erkende opleidingen moeten worden gevolgd door iedereen die met asbest in aanraking komt tijdens het werk, en daar meer controle op mogelijk is dan voorheen, zal dat er wellicht toe leiden dat er een bewustere keuze wordt gemaakt om deze werkzaamheden al dan niet te gaan uitvoeren. Dit, samen met het feit dat er niet elke drie jaar opnieuw herexamen moet worden gedaan, leidt er mogelijk ook toe dat medewerkers langer in de branche werkzaam blijven. Het telkens opnieuw examen moeten doen, zoals nu is vereist als onderdeel van de verplichte persoonscertificering voor bepaalde werkzaamheden (voorheen risicoklasse 2 en 2A), bleek voor werknemers veelal een drempel. Het is ook voorstelbaar dat bedrijven meer vaste werknemers in dienst zullen nemen om meer duurzame werkrelaties aan te gaan. Het inhuren van niet bekwame of Pagina 135 van 294 verantwoordelijke werkenden kan namelijk gevolgen hebben voor de vergunning die een bedrijf heeft en kan mogelijk zelfs tot het intrekken van de vergunning leiden. Andersoortige bedrijfseffecten De kosten waar bedrijven mee te maken gaan krijgen zijn in de financiële paragraaf en de regeldrukeffecten alinea hierboven beschreven. Er is getracht om de lasten voor bedrijven zo laag mogelijk te houden. 11.5 Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) ATR heeft op 13 mei 2026 het advies over het wijzigingsbesluit vastgesteld. Het dictum luidt “Niet indienen/vaststellen tenzij met de adviespunten rekening wordt gehouden”. In het advies gaat ATR in op de volgende onderdelen. i. Nut en noodzaak ATR stelt dat de bescherming van werknemers tegen asbestblootstelling een publiek belang is. Het is duidelijk en noodzakelijk dat de Richtlijn geïmplementeerd en verder uitgewerkt moet worden. Het college heeft daarom geen opmerking bij nut en noodzaak. ii. Minder belastende alternatieven Het college merkt op dat de (getoetste versie van de) transponeringstabel niet vermeldt welke ruimte Nederland heeft bij de invulling van het vergunningstelsel om rekening te houden met de nationale context. Het college adviseert daarom om in de transponeringstabel aan te geven welke ruimte Nederland heeft bij de invulling van de verplichtingen. De transponeringstabel geeft enkel aan of er ruimte is om af te wijken van het overnemen van het artikel in de nationale regelgeving. Dat is voor het overgrote merendeel niet het geval. Alleen bij de invulling van de meldplicht en de grenswaarde laat de Richtlijn ruimte om een keuze te maken. Het advies is opgevolgd door in bijlage B een extra tabel op te nemen waarin wordt aangegeven waar het nationale beleidskeuzes betreft en waar het uitwerking is van nader in te vullen bepalingen vanuit de Richtlijn. Deze tabel geeft tevens invulling aan de Motie Kisteman59. In het advies beschrijft het college dat Nederland invulling geeft aan een lastenluwe implementatie van de Europese vereisten door verplichtingen te koppelen aan bepaalde typen vergunningen. Asbesttoepassingen worden onderverdeeld in een type vergunning afhankelijk van het potentiële gezondheidsrisico. ATR geeft daarbij aan dat dit is ingegeven vanuit de overweging dat niet alle bedrijven in de praktijk alle preventieve maatregelen (goed) uitvoeren) en dat het (georganiseerde) bedrijfsleven pleit om uit te gaan van het daadwerkelijke risico. ATR stelt dat dit een politieke keuze is waar zij niet in treedt, maar dat voor een goed onderbouwde keuze inzicht nodig is in de maatschappelijke gevolgen van beide alternatieven. Een benadering die niet lijkt te zijn overwogen, is het toepassen van het principe high trust, high penalty. Een dergelijke benadering hanteert hoge boetes die preventief kunnen werken. Een andere benadering is het vaker uitvoeren van controles bij bedrijven in sectoren waarvan bekend is dat zij 59 Kamerstukken II, 2026, 36 834-10 Pagina 136 van 294 vaak overtredingen begaan. En weer een andere benadering is om bedrijven aan te laten tonen dat zij veilig werken. Het college constateert dat deze mogelijk minder belastende alternatieven niet expliciet in het voorstel worden genoemd en niet worden gewogen. Daarbij wordt aangegeven dat het voor de weging ook van belang is dat de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend bepalend is voor de hoogte van de regeldruk en dat het daarom logisch is de geschetste alternatieven in samenspraak met de toezichthouder te wegen. Het college adviseert om mogelijk minder belastende alternatieven te beschrijven en daarbij op inhoudelijke gronden aan te geven waarom deze niet zijn gekozen. Het betreft in ieder geval de drie genoemde alternatieven: (1) een benadering met high trust, high penalty, (2) een benadering waarbij de intensiteit van het toezicht wordt afgestemd op de doelgroep, en (3) een benadering waarbij bedrijven aantonen dat zij veilig werken. Het advies is opgevolgd door de genoemde alternatieven te beschrijven en te wegen in paragraaf 3.1.2.3. Daarbij wordt de kanttekening geplaatst dat de keuze om uit te gaan van het potentiële risico niet slechts is ingegeven vanuit de overweging dat niet alle bedrijven in de praktijk alle preventieve maatregelen (goed) uitvoeren. Het is tevens van belang als de werkzaamheden anders verlopen dan voorspeld is, het bedrijf weet hoe te handelen en daar de juiste kennis voor in huis heeft. iii.Werkbaarheid Het college constateert dat de werkbaarheid voor de bedrijven in belangrijke mate wordt bepaald door randvoorwaarden die nog niet volledig zijn ingevuld. Het gaat daarbij om verplichtingen zoals het hebben van een vergunning, een bewijs van naleving en opleidingsvereisten. Of bedrijven aan de verplichtingen kunnen voldoen hangt af van de werking van digitale systemen, de capaciteit van certificerende instellingen, de erkenning van werkmethoden, de beschikbaarheid van opleidingen en de wijze waarop de toezichthouder het toezicht verricht. De constatering dat deze onderdelen nog worden uitgewerkt betekent dat op het moment van besluitvorming nog niet is geborgd dat de maatregelen in de praktijk werkbaar zijn. Zorgpunt is de korte implementatietermijn van de Europese Richtlijn. Het college adviseert om aan te geven op welke wijze de genoemde noodzakelijke randvoorwaarden worden verwezenlijkt en om daar tijdig duidelijkheid over te verschaffen aan het bedrijfsleven. Het advies wordt opgevolgd. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit zal goed worden gecommuniceerd naar het bedrijfsleven. Verder wordt onderkend dat het voor een goede uitvoering noodzakelijk is dat de benodigde randvoorwaarden zijn ingevuld en beschikbaar zijn. Dit houdt in dat de regelgeving pas in werking kan treden als aan die voorwaarden is voldaan. Daarbij is van belang dat bedrijven aan de nieuwe eisen kunnen voldoen. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande praktijken. Hierop zijn de overgangsbepalingen ook verder aangevuld op basis van de reacties op de internetconsultatie. Op 28 augustus 2026 heeft de ATR met een aanvullende zienswijze gereageerd op de verwerking van de adviespunten uit het eerdere advies van 13 mei 2026. De ATR heeft Pagina 137 van 294 zich daarbij gebaseerd op een conceptwijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De ATR stelt dat het beeld uit de aanvullende zienswijze wisselend is. Een aantal adviespunten is opgevolgd, maar de onderbouwing van het voorstel blijft op onderdelen onvoldoende. Daardoor is het niet goed mogelijk om vast te stellen dat er geen onnodige regeldruk optreedt. Op grond van deze aanvullende zienswijze is een nadere onderbouwing opgenomen in paragraaf 3.1.2.3, waarbij de kosten zijn geschat van alternatieven voor het bewijs van naleving. In de aanvullende zienswijze is verder aangegeven dat niet per randvoorwaarde voor het in werking kunnen treden van de gewijzigde regelgeving is aangegeven hoe deze verwezenlijkt wordt en op welke wijze daar duidelijkheid over verschaft wordt aan bedrijven. Op grond daarvan wordt hieronder beschreven welke maatregelen zijn genomen om de implementatie goed te laten verlopen, zodat bedrijven in staat zijn aan hun verplichtingen te voldoen op het moment van inwerkingtreding en in de periode daarna. 1. Op verzoek van de certificerende instellingen is een transitieperiode van 1 jaar in de overgangsbepalingen opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met de beschikbare capaciteit van de certificerende instellingen. In dat jaar kunnen de nu al gecertificeerde bedrijven een nieuw certificaat krijgen bij de eerstvolgende reguliere jaarlijkse kantooraudit. Dit vergt dan geen extra audits omdat het aansluit op de al geplande kantooraudits. Tot dat moment blijft het oude certificaat rechtsgeldig. In datzelfde jaar kunnen ook nog niet-gecertificeerde bedrijven hun certificaat halen. 2. Voor het verkrijgen van een erkende werkmethode hebben we een periode van 2 jaar gegeven. In de tussentijd kan worden volstaan met een arbocatalogus of anders een eigen verklaring als bewijs van naleving. 3. Een geldige arbocatalogus wordt niet alleen tijdelijk als bewijs van naleving geaccepteerd maar wordt tijdelijk helemaal gelijk gesteld aan een erkende werkmethode. Dat geeft meer tijd om te komen tot een erkende werkmethode. Een arbocatalogus is 6 jaar geldig na goedkeuring. Dit levert bijvoorbeeld voordeel op bij de eindbeoordeling. 4. Als onderdeel van de overgangsregeling mogen bedrijven hun bestaande werknemers registreren in het opleidingenregister op basis van een verklaring. Ze hoeven dan binnen de overgangstermijn alleen een beperkte bijscholingscursus te volgen op de nieuwe wet- en regelgeving. De klankbordgroep is op 3 juli 2026 beëindigd. Er wordt een implementatiewerkgroep opgestart waar de benodigde stakeholders incl. toezichthouders in vertegenwoordigd zijn. In september 2026 gaat dat van start. In de laatste klankbordgroep is aangegeven dat de regelgeving niet in werking gaat zolang de randvoorwaarden niet op orde zijn. Randvoorwaarden zijn in ieder geval: a. Mogelijkheid om een vergunning te kunnen aanvragen b. Het kunnen doen van een aanvraag om opleidingen te laten erkennen c. Beschikbaarheid van erkende opleidingen d. Het kunnen doen van meldingen in het Omgevingsloket e. Erkende werkmethoden of alternatief voor de categorie beperkt f. Certificatiestelsel of alternatief voor categorie basis en uitgebreid Het doel van de implementatiewerkgroep is dat bedrijven volledig geïnformeerd zijn over de nieuwe regelgeving en bijbehorende verplichtingen, dat bedrijven tijdig zijn voorbereid en de juiste processtappen hebben doorlopen. Daarnaast worden bedrijven gefaciliteerd in de implementatie van nieuwe werkwijzen en procedures en worden operationele verstoringen en risico’s geminimaliseerd. Naast de implementatiewerkgroep Pagina 138 van 294 is er een aparte communicatiewerkgroep om te zorgen voor de juiste communicatie-uitingen. Er wordt op dit moment een communicatieplan uitgewerkt met de bedoeling om vanaf september 2026 breed te communiceren over de komende wijzigingen. Rol implementatiewerkgroep: 1. De Implementatiewerkgroep heeft als doel om samen te zorgen voor een goede en verantwoorde invoering van de nieuwe regelgeving. Dit is een gezamenlijk belang van alle partijen, ongeacht wat partijen van die regelgeving vinden. 2. Een schakel vormen tussen beleid en de praktijk; ophalen van signalen uit het veld en informatie doorgeven aan het veld 3. De implementatiewerkgroep moet klein en wendbaar zijn. Slagvaardigheid en openheid naar elkaar toe zijn daarvoor van belang 4. SZW is verantwoordelijk voor de dagelijkse uitvoering van het implementatieplan 5. De implementatiewerkgroep levert input en advies aan SZW Het implementatieplan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: 1. Vergunningaanvraag 2. Typen vergunningen 3. Het volgen van erkende opleidingen 4. Erkende werkmethoden 5. Veranderingen certificatiestelsel 6. SMART-ns 7. Toezicht 8. Communicatie 9. LAVS/Omgevingsloket 10. Overgangsperiode 11. Evaluatiemomenten/casusbesprekingen 12. Meetkader Het inrichten van de vergunningaanvraag loopt. Er wordt momenteel gebouwd aan de ICT van het aanvraagformulier. De uitkomsten van de definitieve uitvoeringstoets van DSU worden voordat we naar de MR gaan in de Nota van Toelichting opgenomen. Opleidingsinstituten kunnen bij Ascert al een verzoek indienen tot een erkenning van hun opleiding(en). Dit kan al informeel worden getoetst. Op het moment dat de regelgeving in werking treedt kan dit heel snel en eenvoudig worden geformaliseerd. Dit geeft werknemers de kans zo snel mogelijk een bijscholing of erkende opleiding te volgen. Indien mogelijk treden deze artikelen eerder in werking zodat deze periode verlengd wordt. De aanpassing van het meldingenloket bij DSO ligt op schema. Voor de benodigde meldingsformulieren zijn al concepten gemaakt die de komende weken worden afgestemd met o.a. toezichthouders. Arbeidsinspectie en omgevingsdiensten moeten hun systemen voor meldingen aanpassen. Zij kunnen wel meldingen ontvangen op het moment dat de regelgeving in werking treedt. De toezichthouders zullen tijdelijk wel een systeem missen waarmee ze risicogericht toezicht uitoefen, zoals ze nu via het LAVS doen. Dit is ook gecommuniceerd met de Tweede Kamer (brief 8 juni). SMART-ns zal vanaf 1 oktober live gaan. Opleidingsinstituten krijgen ruim daarvoor een training van TNO om opleidingen te kunnen gaan geven over het gebruik van SMART-ns, ‘’Train de Trainer’’-principe. Daarmee kunnen opleiders gaan starten met het instrueren Pagina 139 van 294 van inventariseerders en saneerders. De tool kent daarnaast een online boarding om gebruikers door de tool heen te leiden bij het eerste gebruik. Alle bovengenoemde uitvoeringsaspecten richten zich vooralsnog op 1 januari 2027 inwerkingtreding. Dit zal waarschijnlijk later in het eerste kwartaal worden. Dit geeft iets meer ruimte voor implementatie en communicatie. iv.Gevolgen regeldruk Het college geeft aan dat tijdens de internetconsultatie diverse partijen hebben gereageerd op de onderbouwing van de kosten. Zij geven aan dat de kosten zijn onderschat door te lage aannames voor tijdsbesteding en uurtarieven. Verder lijken de kosten voor certificering, audits en opleidingen te zijn onderschat. Het college adviseert de inschatting van de regeldrukkosten te herzien en waar nodig te actualiseren, conform de Rijksbrede methodiek. Op grond van het advies is nader gekeken naar de rapportage van adviesbureau Panteia. Panteia heeft gebruik gemaakt van alle beschikbare informatiebronnen en enquêtes en interviews gehouden om te komen tot een zo goed mogelijke inschatting van de kosten. Panteia geeft in het rapport aan dat ondanks de brede onderzoeksopzet en de combinatie van methoden er enkele belangrijke onzekerheden blijven. Tijdens de uitvoering van het onderzoek heeft Panteia informatie over aantallen van het bedrijfsleven ontvangen die leidde tot hogere kostenschattingen. Dit heeft geleid tot een lage en een hoge variant in het rapport en in die zin is al rekening gehouden met het signaal van het bedrijfsleven. De uurtarieven die Panteia heeft gebruikt zijn afkomstig uit het Handboek Meting Regeldrukkosten60. Voor de functies in het bedrijfsleven hoogopgeleide medewerker en technische medewerker noemt dit handboek een uurtarief van respectievelijk 54 en 33 euro (prijspeil 2020). Panteia heeft voor deze functies uurtarieven van 65 en 40 euro gehanteerd. Deze bedragen komen overeen met de uurtarieven in het handboek na een inflatiecorrectie van ruim 20%. Gebaseerd op de jaarlijkse inflatiecijfers tussen 2020 en 2026 is dat een goede indexatie van de uurtarieven in het handboek. Het handboek biedt ruimte om van de standaarduurtarieven af te wijken. Er is echter geen reden om aan te nemen dat bedrijven in sectoren die te maken hebben met het verwijderen van asbest hogere tarieven rekenen dan de bedrijven waar het handboek op is gebaseerd. Verder bleek tijdens overleggen met het bedrijfsleven, met name tijdens de bespreking van het concepteindrapport van Panteia met de klankbordgroep, dat zij het externe uurtarief zouden hanteren zoals dat aan de opdrachtgever wordt berekend. Volgens het handboek worden echter de interne uurtarieven aangehouden. Hoewel het begrijpelijk is dat bedrijven zouden willen rekenen met een extern uurtarief gelet op te derven inkomsten, is er geen reden om af te wijken van het handboek. Belangrijke afweging is daarbij ook het belang van eenduidigheid in de berekening van effecten van voorgenomen beleidswijzigingen. Dit alles overwegende is de conclusie dat er geen aanleiding is de inschatting van de regeldrukkosten te herzien. 11.6 U&H-toets Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) 60 https://www.adviescollegeregeldruk.nl/documenten/2023/11/29/handboek-meting-regeldrukkosten Pagina 140 van 294 Op 17 juni heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie haar antwoordbrief U&H toets gestuurd. De Arbeidsinspectie concludeert dat de wijzigingsvoorstellen in het Arbeidsomstandighedenbesluit uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Zij ziet echter risico’s voor de effectiviteit van het risicogerichte toezicht en de veiligheid en gezondheid van het eigen personeel, overige toezichthouders en ander personeel op de saneringslocaties. Zij onderbouwt dat als volgt. De Arbeidsinspectie constateert dat het ketenvolgsysteem komt te vervallen en uit zorgen over de kwaliteit van de gegevens die via het DSO worden aangeleverd. De Arbeidsinspectie trekt hieruit de conclusie dat de kans op ongewenste blootstelling op locatie toeneemt, omdat de inspecteur vooraf minder informatie heeft, bijvoorbeeld over asbest dat niet in de versie van het gemelde asbestinventarisatierapport staat. Daar komt bij dat bij inwerkingtreding geen risicogericht toezicht kan worden gehouden. De meldingen in DSO worden in samenspraak met de Arbeidsinspectie nog nader uitgewerkt. Over de Arboregeling kan de Arbeidsinspectie op dit moment nog geen definitief oordeel geven, aangezien een aantal zaken daarin nog nader moeten worden ingevuld. Tevens doet de Arbeidsinspectie een capaciteitsclaim. De Arbeidsinspectie geeft aan dat het op dit moment niet mogelijk is een specifieke capaciteitsclaim af te geven, omdat de regelgeving op onderdelen nog wordt uitgewerkt en overleg over de wijze van implementatie nog loopt. Daarbij komt ook dat het een beleidsmatige keuze is hoe intensief het toezicht op het vergunningstelsel wordt ingevuld. Onder deze voorbehouden heeft de Arbeidsinspectie wel een minimaal benodigde extra inzet van 19 fte geraamd. Deze extra capaciteit heeft onder meer te maken met het aantal bedrijven die onder het vergunningstelsel gaat vallen en de nieuwe taak ten aanzien van uitwisseling van toezichtsinformatie met de vergunningverlener. Dit komt in 2027 neer op 3,4 miljoen euro en vanaf 2028 jaarlijks op 3,1 miljoen euro. Voor dekking van deze personele kosten is bij de voorjaarsnota 2026 voorzien in een kostenpost voor de Arbeidsinspectie van 3,5 miljoen in 2027 en jaarlijks 3,1 miljoen vanaf 2028. De Arbeidsinspectie geeft in de U&H-toets ook een maximale variant voor de aanvullende inzet. Dan zou een uitbreiding met 32 fte benodigd zijn, hetgeen neerkomt op een bedrag van 5,2 miljoen euro in 2027 en vanaf 2028 een jaarlijks bedrag van 4,9 miljoen euro. Van deze maximale variant wordt niet uitgegaan, mede omdat het een beleidsmatige keuze is hoe intensief het toezicht op het vergunningstelsel wordt ingevuld, zoals de Arbeidsinspectie aangeeft. Daarbij speelt ook de grote onzekerheid in het aantal vergunningen dat zal worden aangevraagd, waardoor het daadwerkelijke aantal ook lager kan worden dan nu is geraamd. Dit pleit ervoor om nu uit te gaan van de minimaal benodigde inzet. Specifiek benoemt de Arbeidsinspectie de volgende punten: a. De systeemwijziging van LAVS naar DSO heeft gevolgen voor het risicogericht toezicht van de Arbeidsinspectie en het toezicht in de keten. De beëindiging van het LAVS staat op zich los van de implementatie van de Richtlijn, maar de nieuwe meldplichten vanuit de Richtlijn maken het nodig sneller over te stappen naar een ander systeem. Hierover is ook een Kamerbrief gestuurd op 8 juni 2026, zoals is toegelicht in paragraaf 3.1. Ter uitvoering van motie Van Ark en Patijn (Kamerstuk 36843, nr 17) wordt het risicogerichte toezicht zo spoedig mogelijk weer ingeregeld. De Arbeidsinspectie heeft in de U&H-toets toegelicht naar schatting driekwart jaar nodig te hebben om weer risicogestuurd toezicht te kunnen houden, maar het is nog onzeker op welk kwaliteitsniveau dit mogelijk is. Pagina 141 van 294 b. De Arbeidsinspectie stelt een aantal randvoorwaarden aan het uitleveren van toezichtsinformatie aan de vergunningverlener. Zoals de Arbeidsinspectie stelt, is het aan de vergunningverlener om te bepalen welke gevolgen de toezichtsinformatie van de Arbeidsinspectie en andere toezichthouders heeft voor de vergunningverlening. . c. De Arbeidsinspectie geeft aan dat zij momenteel actief toezicht houdt op de gecertificeerde bedrijven. Daarbij geeft zij aan dat de nieuwe groep bedrijven grotendeels onder het reactieve toezicht komt te vallen. SZW heeft de Arbeidsinspectie gevraagd om de intensiteit van het toezicht afhankelijk te stellen van de risico’s van niet naleving. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de indeling in vergunningcategorieën. Met als aandachtspunt dat er een verschuiving is in deze categorieën ten opzichte van de huidige risicoklassenindeling Vanwege de gezondheidsrisico’s van het werken met asbest, is het belangrijk dat toezicht wordt gehouden op bedrijven die asbest verwijderen. Met de aangescherpte Asbestrichtlijn, en in het bijzonder de daarin opgenomen vergunningplicht, benadrukt de Europese Commissie het belang van een goede naleving door alle bedrijven die asbest verwijderen. Dus ook voor de bedrijven die nu asbest verwijderen in risicoklasse 1. Echter, de focus van het toezicht moet zich richten op de grootste risico’s. Indien er geen negatieve toezichtsinformatie bekend is van een bedrijf kan een vergunning verleend worden, indien voldaan wordt aan de vereiste documenten bij de vergunningaanvraag. Waaronder de opleidingsvereisten en het gevraagde bewijs van naleving. Wanneer bekend is dat een bedrijf herhaaldelijk niet naleeft kan dat echter betekenen dat de vergunning wordt geweigerd of ingetrokken. De overheid kan geen vertrouwen hebben in een bedrijf dat aantoonbaar herhaaldelijk de regelgeving overtreedt. Overigens zal een deel van de bedrijven die nu asbest verwijderen er naar verwachting voor kiezen deze werkzaamheden straks niet meer zelf uit te voeren. Dit betekent een afname van het totaal aantal bedrijven. Het totaal aantal bedrijven dat een vergunning zal aanvragen is lastig in te schatten. Panteia komt in de impactanalyse uit op een spreiding van 4350 tot 9000 bedrijven, waarbij het aantal van 4350 bedrijven het meest realistisch lijkt. d. De Arbeidsinspectie geeft ten aanzien van de vergunningontduiking aan dat als zij bij een inspectie constateert dat een vergunningplichtig bedrijf niet beschikt over een vergunning, dat de Arbeidsinspectie op deze verplichting handhaaft. De Arbeidsinspectie geeft terecht aan geen toezicht te houden op eindinspectie-instellingen. Dit is ook niet mogelijk volgens de voorliggende regelgeving, aangezien de eindinspectie-instellingen geen normadressaat zijn. Dit is geen vereiste vanuit de Richtlijn en er wordt op later moment bekeken of dit gewijzigd wordt. e. Er zijn wijzigingen doorgevoerd naar aanleiding van meer gedetailleerde opmerkingen en vragen van de Arbeidsinspectie: a. In de toelichting is verduidelijkt welke werkzaamheden bedrijven nog mogen doen in de overgangsperiode, omdat het belangrijk is dat dit heel helder is voor zowel de bedrijven als de toezichthouder. b. De Arbeidsinspectie vraagt aandacht voor het kunnen evalueren en het zo nodig kunnen intrekken of laten aanpassen van erkende werkmethoden, aangezien het nu lijkt alsof deze voor onbepaalde tijd zijn. De erkende werkmethoden zijn aangepast aan de nieuwe regelgeving en met het VIP wordt bekeken of een periodieke evaluatie moet plaatsvinden. Pagina 142 van 294 c. Opgenomen is dat de geldigheidsduur van de registratie 3 jaar start vanaf het moment dat de al eerder geregistreerde opleiding is geregistreerd, zodat dit duidelijker en eenvoudiger toetsbaar is. d. De geldigheidsduur van asbestinventarisatierapporten is concreter gemaakt. Volgens de oude situatie was de geldigheidsduur in alle gevallen drie jaar. In de nieuwe situatie kan in bepaalde gevallen een asbestinventarisatierapport langer geldig zijn, maar het moet duidelijk zijn wanneer dat het geval is. e. In de toelichting werden niet altijd consequent de juiste termen beschermingsmaatregelen of beheersmaatregelen gehanteerd. Dit is gecorrigeerd. f. Het onderscheid lijm en kit is verduidelijkt in de Arboregeling, naar aanleiding van de opmerking van de Arbeidsinspectie dat montagekit wordt gebruikt als lijm. g. Ten slotte zijn diverse tekstuele verbeteringen aangebracht in de artikelen. f. De Arbeidsinspectie geeft aan nog U&H-toetsen uit te moeten voeren op de Arboregeling, beleidsregel vergunningverlening, de boetebeleidsregel Arbowet, en de certificatie/registratie schema’s. Hier zal de Arbeidsinspectie om worden verzocht zodra de genoemde documenten voldoende zijn uitgewerkt. g. Ten slotte merkt de Arbeidsinspectie op dat het tijdpad voor invoering ambitieus is. Dit wordt onderkend en hangt uiteraard samen met de krappe implementatietermijn van de Richtlijn en het belang de overschrijding daarvan door Nederland zoveel mogelijk te beperken. 11.7 U&H-toets Omgevingsdienst NL Op 13 mei heeft Omgevingsdienst NL haar uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets toegestuurd. Voor het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn er drie hoofdpunten waardoor ODNL meent dat ketentoezicht structureel onuitvoerbaar wordt: 1) Verifieerbaarheid van bevoegdheden/opleidingen door het nieuwe opleidingenregister; 2) Uitzonderingen op een luchtmeting op de eindbeoordeling die vanuit arbeidsgezondheidskundig oogpunt logisch zijn maar niet vanuit omgeving gezien; 3) Digitale dossiervorming voor afvalketen, start-/wijzigingsmeldingen en eindbeoordeling. Ad 1) De arboregeling introduceert opleidingscategorieën en registratie. ODNL vindt het cruciaal dat Omgevingsdiensten kunnen verifiëren wie welke categorie heeft. Van Omgevingsdiensten wordt volgens de regelgeving niet verwacht dat zij toezien op de opleidingsverplichtingen. Volgens het huidige Besluit bouwwerken leefomgeving, op grond waarvan omgevingsdiensten toezicht houden, geldt thans als verplichting dat het slopen of verwijderen van asbest in risicoklasse 2 of 2A wordt gedaan door een bedrijf dat beschikt over een certificaat. In dit besluit worden geen eisen gesteld aan de deskundigheid van werknemers, zoals dat wel het geval is in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Ad 2) Vanuit de leefomgeving gezien gaat dezelfde argumentatie op voor het afzien van luchtmetingen bij de eindbeoordeling als vanuit arbeidsomstandigheden. Ad 3) De sloopmelding in het Bbl wordt met dit wijzigingsbesluit niet gewijzigd. Er wordt nog steeds gevraagd om de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd te Pagina 143 van 294 melden. Hierbij wordt globaal aangegeven wat voor werkzaamheden er uitgevoerd gaan worden. In de praktijk maakte een beschrijving van de werkwijze voorheen deel uit van het inventarisatierapport en gaf het LAVS een lijstje van werkmethoden. Dit laatste was echter geen wettelijke vereiste en de samenstelling van dat lijstje was een willekeurige opsomming van ongelijksoortige gegevens. De omgevingsdiensten baseerden echter wel hun de manier waarop zij risicogericht toezicht hielden op deze gegevens. Hiermee ontstaat een praktisch probleem. Er zal daarom in samenspraak met de VNG en omgevingsdiensten bekeken worden op welke manier de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd moet worden gemeld op het formulier van de sloopmelding. Daarnaast merkt ODNL op dat het DSO alleen een doorzendfunctie kent en geen integrale dossieropbouw kent. Dit is bekend en er wordt met de verschillende toezichthouders overleg gevoerd om te komen tot een integraal systeem. ODNL kreeg voorheen op basis van het LAVS een afvalmelding. Omdat deze al via het Landelijk Meldpunt Afval (LMA) verloopt komt deze niet terug in het DSO. ODNL geeft aan dat dit niet vergelijkbaar is omdat LMA niet inzichtelijk is voor verschillende locaties en de informatie uiterlijk vier weken na afloop van de maand waarin de afgifte heeft plaatsgevonden (dus maximaal 8 weken) te raadplegen is. De omgevingsdiensten en het ministerie van IenW kijken naar mogelijkheden om meer zicht te krijgen op de afvoer van asbesthoudend afval via het daarvoor bestemde Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). Het uitgangspunt van de regering is dat het LMA is bedoeld om toezicht te kunnen houden op de juiste afvoer en verwerking van afvalstoffen. Vanuit doelmatigheid heeft het sterk de voorkeur om voor dat doel slechts één meldsysteem te gebruiken. Bedrijven moeten anders gegevens op meerdere plekken invoeren, wat leidt tot hogere administratieve lasten. ODNL merkt op dat in de arboregelgeving duidelijker zou moeten worden opgenomen wat een geschikte verpakking is. Dit is reeds opgenomen in het Bbl en AVB en in het Arbobesluit is nu een gelijkluidende bepaling opgenomen Er wordt verzocht om een format voor inventarisatierapporten op te nemen. Dit is niet nodig voor implementatie van de Richtlijn en wordt nu niet meegenomen. Zo worden er meer punten beschreven die op dit moment niet nodig zijn en op een later moment mogelijk kunnen worden meegenomen. Verder heeft ODNL nog een aantal opmerkingen gemaakt bij begripsbepalingen in het Bbl en geeft zij van een aantal dingen aan dat ze onduidelijk zijn. Waar nodig is dit verder aangepast en verduidelijkt. Er was ook wat onduidelijkheid over welke meldingen de Omgevingsdiensten exact ontvangen. Dit is mondeling doorgenomen. Op basis van de toets van ODNL is in artikel 7.9 van het Bbl gespecificeerd in welke gevallen geen identificatie hoeft plaats te vinden vanwege spoedeisendheid. 11.8 U&H-toets Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) Op 11 juni 2026 heeft de SodM haar Uitvoerings- en Handhaafbaarheidstoets toegestuurd. SodM ziet de voorgestelde invoering van een vergunningstelsel als een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. SodM is van mening dat door haar eerder aangedragen aandachtspunten onvoldoende uitgewerkt zijn in het besluit en de regeling. Pagina 144 van 294 SodM geeft aan dat toezichthouden op de (nieuwe) asbestvergunning een extra taak is ten opzichte van het huidige takenpakket. Deze taak lijkt beperkt van omvang en passend binnen de bestaande capaciteit. SodM is van mening dat de uitwerking nog onvoldoende is om dit met zekerheid te kunnen stellen. Daarbij heeft zij vier aandachtspunten; a. SodM vindt het nog onvoldoende duidelijk hoe het samenwerkingsverband dat toezichtsinformatie aanlevert aan de vergunningverlener eruit komt te zien. De taakverdeling, informatie-uitwisseling en praktische samenwerking zijn nog niet concreet. b. SodM constateert dat hoewel er in een werkgroep is gesproken over welke toezichtsinformatie van belang is voor het verstrekken van een vergunning, dit niet in besluit of regeling is vastgelegd. Ook staat er niet hoe deze informatie uitgewisseld gaat worden. c. SodM geeft aan dat het voor toezicht van belang is dat toezichthouders kunnen beschikken over de volledige vergunning, inclusief eventuele voorschriften. d. Als laatste aandachtspunt geeft de SodM aan dat er interpretatieruimte is in welke activiteiten onder welke vergunning vallen. Tot slot waardeert de SodM de betrokkenheid van diverse stakeholders bij de implementatie. Tegelijkertijd wordt ervaren dat de termijn waarop implementatie moet plaatsvinden kort is. Ad 1) Dit onderdeel wordt verder uitgewerkt in een beleidsregel. SodM is nauw betrokken bij de afronding van de beleidsregel en totstandkoming van de samenwerkingsafspraken. Dat is niet op niveau van dit wijzigingsbesluit geregeld. Ad 2) Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste punt. Hoe informatie wordt uitgewisseld wordt opgenomen in de samenwerkingsafspraken. Ad 3) In art. 19a van de Arbowet is vastgelegd dat de gegevens van bedrijven die beschikken over een geldige vergunning de handelsnaam, het KvK-nummer, het kenmerkt van de vergunning en de soort vergunning openbaar worden gemaakt, samen met de categorieën werkzaamheden die met de vergunning mogen worden uitgevoerd. Deze gegevens zijn dus voor iedereen inzichtelijk. Via het samenwerkingsverband is het mogelijk om eventuele nadere voorschriften die aan een vergunning worden gesteld met de SodM te delen. Ad 4) Het is duidelijk in de Arboregeling vastgelegd welke asbesttoepassingen onder welke vergunning vallen. Bovendien wordt op basis van de toepassing door de inventariseerder bepaalt onder welke vergunningcategorie de toepassing valt. Dit komt ook op de bijbehorende SMART-uitdraai te staan. Ook als het identificatie betreft. 11.9 HUF-toets Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) Op 23 juni 2026 heeft de ILT haar uitvoeringstoets toegestuurd. De ILT beoordeelt de wijzigingen als deels handhaafbaar. Zij zijn deze mening toegedaan aangezien de meeste wijzigingen gericht zijn op de bescherming van werknemers en minder op de bescherming van leefomgeving en milieu. Deze constatering is verklaarbaar, aangezien deze wijziging is doorgevoerd om de richtlijn ter bescherming van werknemers te implementeren. Pagina 145 van 294 De ILT beoordeelt de wijzigingen als uitvoerbaar, mits voldoende capaciteit en financiële middelen beschikbaar worden gesteld. De ILT stelt op basis van de impactanalyse van Panteia dat er een verdrievoudiging van het huidige aantal meldingen zal plaatsvinden en een evenredige hoeveelheid extra inspecties vereist is. De ILT gaat hierbij uit van een percentage van het aantal meldingen om een aanname te doen voor het aantal meldingen op objecten. In de HUF-toets brengt de ILT in beeld welke middelen de inspectie naar verwachting nodig heeft voor de nieuwe of aangepaste taken als gevolg van nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving. Voor het behandelen van de meldingen en het effectief blijven uitvoeren van ketentoezicht is volgens de ILT een uitbreiding van 4 FTE nodig. Hiervan is 3 FTE voor direct toezicht en 1 FTE voor ondersteuning vanuit juridische zaken en ICT. De regelgeving wordt gezien als deels fraudebestendig. Op administratief gebied is het lastig voor vergunninghouders om te frauderen. Op operationeel gebied ziet de ITL nog een aantal uitdagingen waardoor fysiek toezicht op locatie nodig is. Voor het constateren of alle regelgeving wordt nageleefd is inderdaad fysiek toezicht nodig. De toename van het aantal meldingen komt voort uit de eerder bestaande uitzonderingen op de meldplicht. Daarentegen geldt geen meldplicht voor de werkzaamheden in de nieuwe categorie ’beperkt’, die voorheen een melding moesten doen in rk1. De totale toename van het aantal meldingen is naar schatting door Panteia iets minder dan twee keer zoveel ten opzichte van de huidige meldingen. Een toename van meldingen betekent niet automatisch een evenredige toename van de toezichtslast. De wijze waarop toezicht wordt ingericht, waaronder risicogericht toezicht en samenwerking tussen toezichthouders, is bepalend voor de benodigde capaciteit. Daarbij merkt de regering op dat voor objecten alleen een arbomeldplicht geldt. Daarbij is bovendien het onderscheid tussen bouwwerken/gebouwen of objecten lastig te maken. Het aantal situaties waarin er aan asbesthoudende objecten wordt gewerkt, blijft gelijk. Naast de toename van het aantal meldingen stipt de ILT nog de volgende punten aan: 1. De ILT voorziet een lastenverschuiving van bedrijven naar toezichthouders als gevolg van het bieden van asbestidentificatie als alternatief voor de asbestinventarisatie. In de Arboregeling zal nader worden gespecificeerd wat de vereisten hieraan zijn. De mogelijkheid van asbestidentificatie naast asbestinventarisatie betekent niet dat de verantwoordelijkheid voor een correcte beoordeling verschuift naar toezichthouders. De werkgever/opdrachtgever blijft verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voldoende informatie en het aantonen dat aan de voorwaarden voor identificatie is voldaan. De toezichthouder beoordeelt vervolgens of deze onderbouwing voldoet aan de wettelijke eisen. 2. De ILT is van mening dat er voor effectief toezicht heldere afspraken dienen te worden gemaakt over gezamenlijk toezicht tussen de verschillende toezichthouders. De regering wil duidelijke afspraken tussen de verschillende toezichthouders hebben bij inwerkingtreding van de regelgeving. Dat de NLA hierin een coördinerende rol zou moeten hebben vindt de regering geen vanzelfsprekendheid. De ILT geeft aan dat het vaststellen van overschrijding van normen niet eenvoudig is en wijst op de benodigde expertise, onder meer ten aanzien van het opstellen van boeterapporten. Tevens wordt opgemerkt dat de strafbaarstelling van het Arbobesluit anders is vormgegeven dan die van het Asbestverwijderingsbesluit. Pagina 146 van 294 De voorgestelde wijzigingen brengen geen verandering in de bestaande sanctiestelsels. Overtredingen van arbeidsomstandighedenregelgeving blijven onder het regime van de Arbeidsomstandighedenwet en -besluit vallen, terwijl overtredingen van milieuregelgeving, waaronder het Asbestverwijderingsbesluit, strafbaar blijven via de Wet milieubeheer. De bestaande mogelijkheden tot handhaving en sanctionering blijven daarmee ongewijzigd. De ILT geeft aan dat de wijziging niet voorziet in aanvullende regels voor opslag, afvoer en verwerking van asbesthoudend afval en dat de koppeling met de afvalketen niet wordt versterkt. Deze constatering wordt zo begrepen dat wordt gedoeld op het ontbreken van aanvullende bepalingen in deze specifieke wijziging. De bestaande regelgeving met betrekking tot afvalstoffen blijft onverkort van toepassing. Dit betreft onder meer regels voor opslag, transport, afgifte en verwerking van asbesthoudend afval, evenals de bijbehorende toezicht- en handhavingsbevoegdheden van de ILT en omgevingsdiensten. De Nederlandse asbestregelgeving kent bewust een integrale benadering, waarin werknemersbescherming, milieubescherming en afvalbeheer in samenhang functioneren, zij het binnen verschillende wettelijke stelsels met een eigen systematiek en instrumentarium. De informatiepositie van toezichthouders is binnen deze bestaande kaders geborgd. In dat licht betreft het door de ILT gesignaleerde punt geen lacune in regelgeving, maar veeleer een vraagstuk van samenhang en toepassing binnen het bestaande stelsel. Ten slotte komt de VNG terug op het eerder ingebrachte punt dat in de Arbowet niet is geregeld dat er een last onder dwangsom op de daarin geregelde vergunningplicht is vastgelegd. Aangezien dit in het huidige wetsvoorstel niet meer kan worden meegenomen, wordt dit afgewogen bij een volgende wijziging van de wet. 11.10 Autoriteit Persoonsgegevens (AP) Op 24 juni 2026 heeft de AP haar reactie gestuurd op de Data Protection Impact Assessment (DPIA) bij dit wijzigingsbesluit. De AP merkt het volgende op: Bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag wordt gebruik gemaakt van informatie over de naleving van wettelijke voorschriften door de aanvrager die is verkregen van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, Arbowet. Volgens de memorie van toelichting bij de hiervoor genoemde wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet is het gebruik van deze toezichtsinformatie uiteindelijk terug te voeren op artikel 19a in het wetsvoorstel. Daarbij is aangegeven dat het gebruik van toezichtsinformatie in lagere regelgeving zal worden uitgewerkt. De AP merkt op dat deze nadere uitwerking grotendeels ontbreekt in het concept. Zo wordt niet aangegeven welk samenwerkingsverband toezichtsinformatie aan de minister zal verstrekken en is maar beperkt inzichtelijk gemaakt om welke gegevens het gaat en wanneer er waarvoor deze worden gebruikt. De AP meent dat aanvulling van artikel 4.59 van het concept en/of de nota van toelichting aangewezen is. Inderdaad was in de Memorie van Toelichting opgenomen dat artikel 29a verder zou worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Echter vereist artikel 29a nauwelijks uitwerking in de regelgeving. In paragraaf 3.1.4.1 is aangevuld hoe het samenwerkingsverband wordt ingevuld. Pagina 147 van 294 11.11 Impactanalyse Dienst Justis/Landelijk Bureau Bibob (LBB) Op 24 juli 2026 heeft Dienst Justis haar impactanalyse op het wijzigingsbesluit en de concept regeling gestuurd. Daarin wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een wijzigend product aan de zijde van Justis. De impact op het proces is daarom marginaal en de benodigde uitvoeringscapaciteit kan naar verwachting binnen de organisatie worden opgevangen. Aangezien LBB reeds ervaring heeft met dossiers waarin de asbestregelgeving een rol speelt, zal dit in beperkte mate aanvullende kennis en expertise vragen. 11.12 Internetconsultatie De internetconsultatie van het conceptwijzigingsbesluit liep van 9 april tot en met 10 mei 2026. Er zijn 35 openbare reacties en drie niet-openbare reacties ontvangen. De reacties worden hieronder per thema op hoofdlijnen behandeld. Een deel van de reacties heeft betrekking op onderdelen die niet gewijzigd worden en dus betrekking hebben op bestaande regelgeving, zoals artikel 4.37 lid 3 dat een nieuwe melding verplicht telkens wanneer sprake is van een aanzienlijke toename van de blootstelling. Hier wordt niet specifiek op ingegaan. Vergunningen ATN Asbestsanering stelt dat het toezicht door verschillende toezichthouders kan leiden tot rechtsongelijkheid en dat toezichthouders uit voorzichtigheid zwaardere vergunningscategorieën zullen verplichten. De toezichtsbevoegdheden op asbestwet- en regelgeving wijzigen niet met dit wijzigingsbesluit. Er kan geen sprake zijn van het verplichten tot een zwaardere vergunningcategorie. Het toepassen van de soort vergunningscategorie is gekoppeld aan de asbesttoepassing die bepaald wordt door de inventariseerder. Dit is een robuuste, eenduidige indeling. Netbeheer Nederland geeft aan dat het schorsen en intrekken van de vergunning kan leiden tot continuïteitsrisico’s. Ook zijn vragen gesteld over welke overtredingen meetellen, of en wanneer die vervallen en hoe schorsing en intrekking werken. Overtredingen behoren tot de toezichtinformatie op basis waarvan de vergunning kan worden geweigerd, geschorst of ingetrokken. Hierbij wordt gekeken naar overtredingen in de periode van vijf jaar vóór het moment van de beoordeling. Dit wordt nader uitgewerkt in een beleidsregel. Het schorsen en intrekken heeft inderdaad grote gevolgen voor bedrijven, die dan niet langer asbest kunnen verwijderen. Het is een gevolg van de gewijzigde Asbestrichtlijn dat voor het verwijderen van asbest een vergunning is vereist. Het is gerechtvaardigd dat als niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, de vergunning niet wordt verleend, geschorst of ingetrokken. Het niet verlenen van een vergunning, het intrekken en het schorsen daarvan zijn zware instrumenten die zijn bedoeld om de echt slecht presterende bedrijven van de markt te kunnen weren. Het is nadrukkelijk wel de bedoeling dat een bedrijf dat zich inspant om aan de voorwaarden te voldoen, in staat moet worden gesteld om een vergunning te verkrijgen en te behouden. Zeker gezien de aanzienlijke risico’s voor de gezondheid bij slechte naleving van wet- en regelgeving. De verlening, schorsing en intrekking van een vergunning is uitgewerkt in een beleidsregel, om te bewerkstelligen dat deze instrumenten transparant en proportioneel worden ingezet. Daarmee wordt gezorgd dat de vergunning niet lichtzinnig wordt geschorst of Pagina 148 van 294 ingetrokken. Ook het instrument dat de Bibob biedt, wordt proportioneel ingezet, waar VNO-NCW aandacht voor vraagt. VNO-NCW vraagt daarbij ook aandacht voor een proportionele inzet van de VOG-rp. In paragraaf 3.1.5.2 is toegelicht waarom de VOG-rp in alle gevallen een vereiste is bij de vergunningaanvraag. De Afvalbranche verzoekt afvalbedrijven uit te zonderen van de vergunningplicht, omdat daar slechts incidentele kans is op zeer lage blootstelling. In paragraaf 3.1.1 is verduidelijkt dat de vergunningplicht niet zal gelden voor afvalbedrijven die asbesthoudend afval storten. Het gaat hier niet om het verwijderen van asbest in de zin van dit besluit. De vergunning is beperkt tot het verwijderen van asbest uit een gebouw, object, installatie, bodem of grond, die afhankelijk van de situatie ook een afvalstatus kunnen hebben. Branchevereniging VAVB geeft aan graag te zien dat vergunninghouders ook moeten zorgen dat zij hun certificaat behouden, en zich hercertificeren wanneer nodig. De regelgeving voorziet daarin. Op grond van artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet wordt een certificaat gegeven voor een beperkte tijdsduur en is dus periodiek hercertificering nodig. In artikel 4.64 van dit wijzigingsbesluit is bepaald dat de vergunning van rechtswege vervalt op het moment dat het relevante certificaat vervalt of wordt ingetrokken. Brancheverenigingen VERAS, VVTB en VAVB stellen dat het onnodig is om een vergunningstelsel in te richten naast het certificeringsstelsel. De regering wijst erop dat het certificeringsstelsel een privaat stelsel is en dat de Richtlijn een publieke vergunningverlening vereist. Publieke vergunningverlening hoort te zijn gebaseerd op publieke besluitvorming en publiek toezicht. Dezelfde brancheverenigingen vragen zich af of de negatieve weergave van de naleving in de asbestsector juist is en verzoeken de mate van naleving te vergelijken met andere sectoren als de bouw en de industrie. In de programmarapportage asbest, januari 2025, heeft de Arbeidsinspectie asbestsaneerders ingedeeld in de categorieën goed, matig en slecht. Dit deed zij aan de hand van het aandeel geconstateerde overtredingen over de periode 2017 – 2023. Dat gaf een verdeling van 19% (goed), 63% (matig) en 18% (slecht). Het betrof hierbij zowel asbestgerelateerde als overige arbo-overtredingen. Circa 40% - 50% van de overtredingen was niet asbestgerelateerd. Bij een analyse van alleen asbestgerelateerde overtredingen is die verdeling: 43% (goed), 52% (matig) en 5% (slecht). Een vergelijking van nalevingspercentages tussen sectoren is niet mogelijk omdat de Arbeidsinspectie – met uitzondering van specifieke sectoren zoals de gecertificeerde asbestsector – lang niet alle bedrijven in een sector inspecteert. Brancheverenigingen vragen waar de stelling op gebaseerd is dat de kwaliteit van het werkplan van asbestverwijderaars voor verbetering vatbaar is. Dit blijkt uit de door de Arbeidsinspectie uitgevoerde inspecties. In bijvoorbeeld de programmarapportage asbest van januari 2025, tabel 2 staat vermeld dat in 8% - 11% van de gevallen waarin overtredingen zijn geconstateerd, geen sprake is van een correct werkplan of niet volgens het werkplan wordt gewerkt. VNO-NCW vraagt om terughoudendheid bij een vergunningplicht voor het bewerken van asbest. VNO-NCW pleit voor een scherpe afbakening van wat bewerken is. In het wetsvoorstel is alleen een grondslag gemaakt voor de vergunningplicht voor de bewerking van asbest, maar deze is nog niet ingevuld. Een scherpe afbakening tussen Pagina 149 van 294 verwijderen en bewerken is inderdaad van belang. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voorziet in een toelichting op dit onderscheid. Techniek Nederland vraagt aandacht voor werkzaamheden aan asbestcementleidingen waarbij het materiaal niet wordt verwijderd, zoals relining, interne coating, encapsulatie, inspectie, onderhoud en bepaalde reparatiewerkzaamheden. Volgens Techniek Nederland bestaat hierbij een risico op interpretatieverschillen over de vraag of sprake is van asbestverwijdering. Volgens de hiervoor genoemde toelichting in de memorie van toelichting is bij deze voorbeelden geen sprake van het verwijderen van asbest. Dat geldt ook als bijvoorbeeld voorafgaand aan relining, waarbij aan de binnenkant van een riool een nieuwe laag wordt aangebracht, asbesthoudende voegenkit glad moet worden gefreesd. OnderhoudNL vroeg of het schilderen van asbestcementen beplating in goede staat buiten de regels voor asbestbewerking blijft wanneer niet wordt geschuurd, opgeruwd of met hoge druk wordt gereinigd. Dat blijft zo zolang het materiaal niet wordt beschadigd en geen vezels vrijkomen. Zodra de werkzaamheden wel beschadiging of vezelvrijgave kunnen veroorzaken, gelden de asbestregels. Dit is niet anders dan voorheen. Differentiatie Indeling op basis van potentieel risico of feitelijke blootstelling Techniek Nederland, Netbeheer Nederland, VIA, VNCI, VNO-NCW, Vewin, OnderhoudNL en NVvA plaatsen vraagtekens bij de keuze om vergunningcategorieën te baseren op productgroepen en het potentiële blootstellingsrisico. Zij wijzen erop dat de arbeidshygiënische praktijk normaal gesproken uitgaat van de feitelijke blootstelling na toepassing van beheersmaatregelen. Volgens deze partijen leidt de gekozen systematiek ertoe dat werkzaamheden met een aantoonbaar lage blootstelling onder een zwaarder regime vallen dan noodzakelijk. FNV steunt juist dat het potentiële blootstellingsrisico uitgangspunt is bij de differentiatie. FNV is echter geen voorstander van de categorie beperkt, omdat het bewerken of verwijderen van asbest volgens FNV altijd goede voorbereiding en maatregelen vereist. In de toelichting (paragraaf 3.1.2.1. en 3.1.2.3) is nader toegelicht waarom er is gekozen voor een indeling op basis van het potentiële risico van asbesttoepassingen. Deze keuze laat onverlet dat op projectbasis uitgegaan wordt van aard, mate en duur van de blootstelling voor de te treffen maatregelen. De vergunningcategorie zegt slechts welke werkzaamheden een bedrijf mag verrichten en doet niets af aan de bestaande arbeidshygiënische praktijk. Indeling van specifieke toepassingen BOVAG, Netbeheer Nederland, Vewin, VIA, VNCI, Cumela, SGS Search, VERAS-VVTB-VAVB en Fenelab hebben opmerkingen gemaakt over de indeling van specifieke asbesttoepassingen. Een deel van deze reacties ziet op toepassingen die volgens indieners te zwaar zijn ingedeeld, zoals werkzaamheden aan rem- en frictiemateriaal, pakkingen, fitterskit, asbestcementleidingen, mantelbuizen en ondergrondse asbestcement-waterleidingen. Andere reacties zien juist op toepassingen die volgens indieners zwaarder moeten worden ingedeeld, zoals bepaalde verontreinigingen, restanten, vensterbanken, koord en risicovolle of repeterende toepassingen. Voor de meeste toepassingen blijft de voorgestelde indeling ongewijzigd, omdat deze het beste aansluit bij het potentiële risico. Naar aanleiding van de consultatie worden wel enkele aanpassingen en verduidelijkingen doorgevoerd in de indeling in de Arboregeling. Pagina 150 van 294 Zo is de indeling van imitatiemarmeren of in kunststof gebonden asbesthoudende producten verduidelijkt, de afzonderlijke vermelding van vensterbanken is geschrapt, de omschrijving van geheel omsloten asbestproducten verduidelijkt (geheel omsloten te maken is hieruit verwijderd) en de indeling van asbestverontreinigingen en restanten aangepast.Het is verduidelijkt waar montagekit en stopverf zijn ingedeeld. Deze indeling volgt ook uit SMART-ns. Bewijs van naleving TechniekNL merkt op dat voor een deel van de werkzaamheden in de categorie beperkt een erkende werkmethode nog ontbreekt. Naar aanleiding hiervan is de overgangsbepaling op dit punt aangepast die de benodigde tijd biedt om werkmethoden te ontwikkelen en te laten erkennen. Daarnaast worden twee daarvoor in aanmerking komende arbocatalogi aangewezen om tijdelijk tot de daarvoor geldende geldigheidsperiode te kunnen dienen als alternatief voor de erkende werkmethode. OnderhoudNL heeft er terecht op gewezen dat de erkende werkmethode voor vensterbanken ontbrak in de Arboregeling. Dit is aangepast. Tevens werd door OnderhoudNL, VIA en SGS Search voorgesteld om een dynamische verwijzing naar de erkende werkmethoden op te nemen en te verwijzen naar de VIP website. Dit is overwogen maar juridisch geen mogelijke oplossing. Gelet op de aanwijzingen in de regelgeving moet statisch worden verwezen, dus naar een specifieke versie van een werkmethode. Daarnaast moet terughoudend gebruik worden gemaakt van een verwijzing naar een website als onderdeel van de normstelling. SGS Search vindt de erkende werkmethode te licht als bewijs van naleving. De regering onderkent dat het een relatief licht bewijs van naleving is. Zelfs in samenhang met de verklaring die het bedrijf erbij moet afgeven dat er geborgd wordt dat er volgens de erkende werkmethode wordt gewerkt. Daarom is de erkende werkmethode met de verklaring alleen in de categorie beperkt, met een potentieel laag risico, als bewijs van naleving aangewezen. Een anonieme partij, Aedes, Bouwend NL, Netbeheer Nederland en Eneco hebben hun twijfels bij het voorschrijven van een procescertificaat als het bewijs van naleving. In de toelichting is onderbouwd dat deze keuze is gemaakt omdat er daarbij ook onafhankelijke audits plaatsvinden waarmee iets gezegd kan worden over de naleving, wat niet het geval is bij het uitgaan van documentatie. Een anonieme partij geeft aan dat certificering innovatie kan belemmeren. Het certificatieschema is volledig herzien en biedt meer ruimte voor innovatie. Onder andere Netbeheer Nederland en NVvA wijzen op het gebruik van arbocatalogi als mogelijk alternatief. De arbocatalogi voor de energiesector en waterbedrijven zijn tot de einddatum van de arbocatalogi aangewezen als alternatief voor de erkende werkmethode. Dit geeft bedrijven meer tijd om werkmethoden bij het VIP in te dienen en erkend te krijgen. Andere arbocatalogi die mede betrekking hadden op het werken met asbest, bleken te oud of waren niet beoordeeld op basis van blootstellingsdata. BouwendNL geeft aan dat er een zwaardere lastendruk komt voor bedrijven in de ondergrondse sector ten opzichte van de eerdere regels in risicoklasse 1. Het klopt dat de vereisten in de Richtlijn voor sommige partijen met meer lasten gepaard zullen gaan. Daarbij is zo goed als mogelijk rekening gehouden met de lasten in verhouding tot de risico’s. Veras, VVTB en VAVB merken op dat het huidige certificatiestelsel onvoldoende functioneert en dat de concrete uitwerking hoe het certificatiestelsel wijzigt in de Pagina 151 van 294 regelgeving ontbreekt. Dit is begrijpelijk omdat de uitwerking daarvan in het certificatieschema plaatsvindt. Een van de problemen die eerder werd ervaren is dat juridificering van het stelsel plaatsvindt. Volgens deze partijen wordt dat niet opgelost doordat besluiten van certificerende instellingen bestuursrechtelijke besluiten blijven. In het herziene certificatieschema is het sanctieregime aangepast door een onderscheid te maken in kritieke en niet-kritieke afwijkingen. De ZBO-status van de certificerende instellingen is inherent aan een wettelijk voorgeschreven certificatiestelsel. In de Memorie van toelichting bij de Arbowet 1998 (paragraaf 5.2) staat dat certificerende instellingen die door de minister worden aangewezen om verplichte certificaten af te geven een publieke taak en openbaar gezag toebedeeld krijgen en dus een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO)” zijn. Volgens artikel 20, tweede lid van de Arbowet staat dat de Kaderwet niet van toepassing is op certificerende instellingen. Hieruit blijkt ook dat certificerende instellingen ZBO zijn, omdat het anders niet nodig was geweest deze uit te zonderen van de Kaderwet. VERAS-VVTB-VAVB merkt op dat een van de oorzaken van juridificering in het huidige certificatiestelsel is dat de toezichthouders meldingen kunnen doen bij de certificerende instelling die moet worden opgevolgd (artikel 68 Certificatieschema Asbest). De certificerende instelling dient bij meldingen door toezichthoudende instanties eigenstandig onderzoek te doen en vervolgens hierop een besluit te nemen. Hierdoor ontstaan dubbele sanctieprocedures in het publieke domein. Het is aldus VERAS-VVTB-VAVB zelfs zo dat, als door de publieke toezichthouder een boete is opgelegd aan een asbestverwijderingsbedrijf waartegen bezwaar en beroep is aangetekend, de certificerende instelling desondanks gehouden is haar eigen onderzoek voort te zetten en ook een sanctie op te leggen. Dit zou leiden tot dubbele bestuursrechtelijke procedures over dezelfde vermeende afwijking. Volgens het nieuwe certificatieschema zal de certificerende instelling niet meer worden verplicht om direct opvolging te geven aan een melding, maar beoordeelt de certificerende instelling zelf welke actie hiervoor vereist is. Dat kan bijvoorbeeld een directe opvolging zijn of leiden tot een aandachtspunt tijdens een reguliere audit. Verder wordt door Veras, VVTB en VAVB gevraagd of artikel 29a van de Arbowet van toepassing is op de certificerende instellingen. Dat zou volgens partijen leiden tot de situatie dat de vergunningverlener informatie van de certificerende instellingen eigenstandig kan gebruik bij besluitvorming over het verlenen, schorsen en intrekken van de vergunning. Terwijl dat feitelijk al verloopt via het certificaat als bewijs van naleving. Technisch gezien vallen certificerende instellingen als zelfstandige bestuursorganen inderdaad onder artikel 29a van de Arbowet. Echter, de CI’s maken geen onderdeel uit van het in artikel 29a genoemde samenwerkingsverband van toezichthouders die toezichtsinformatie aan DSU verstrekt. Dit samenwerkingsverband bestaat alleen uit de publieke toezichthouders. Wel is het mogelijk dat CI’s ongevraagd signalen doorgeven aan DSU. Bodem De Nederlandse Vereniging van Procesmatige Grondreinigingsbedrijven (hierna NVPG) stelt dat een extra asbestvergunningplicht, bovenop bestaande regelgeving voor arbo en milieu en het beschikken over een milieuvergunning enkel leidt tot lastenverzwaring zonder dat het bijdraagt aan veiliger en gezonder werken. De NVPG verzoekt daarom om juridisch (nogmaals) te laten toetsen of de vergunningplicht wel geldt voor grondreinigingsbedrijven. Overweging die daarbij wordt gegeven is dat de Pagina 152 van 294 milieuvergunning en arboregelgeving nu al borgen dat emissie van asbest en blootstelling daaraan wordt voorkomen. Bij het totstandkomen van de regelgeving is al afgewogen of grondreiniging valt onder de reikwijdte van de vergunningplicht. Artikel 15 van de Richtlijn stelt een vergunning verplicht voor ondernemingen die werkzaamheden verrichten in verband met sloop of asbestverwijdering. In dit artikel is geen beperking van de reikwijdte opgenomen en de vergunningplicht is daarom niet beperkt tot bijvoorbeeld asbestverwijdering uit gebouwen of objecten. Los van de reeds bestaande waarborgen in Nederland, is het ook te verklaren dat in de Richtlijn geen onderscheid wordt gemaakt tussen het verwijderen van asbest uit het gebouw en het zeven van asbest uit een grondstroom. In het laatste geval kan de blootstelling ook hoog zijn als niet zorgvuldig wordt gewerkt. De NVPG deelt het uitgangspunt dat de vergunningplicht alleen geldt voor asbest in een concentratie boven de zogenoemde restconcentratienorm. Ook vindt de NVPG het een begrijpelijke beleidskeuze dat voor het bewijs van naleving wordt aangesloten bij het reeds bestaande Kwalibo-stelsel. De NVPG stelt daarbij als vraag welk bewijs van naleving van toepassing is als asbest uit andere bulkmaterialen, niet zijnde grond, moet worden verwijderd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het zeven van puin, wat gebeurt na het slopen van een gebouw. De Richtlijn maakt dat ook voor het zeven van asbest uit puin een asbestvergunning verplicht is. Asbest wordt namelijk verwijderd uit het puin. In de praktijk betekent dit dat een bedrijf dat puin zeeft ofwel een vergunning voor asbestsloop en -verwijdering, ofwel voor asbestverwijdering uit de bodem moet hebben. Daarnaast is het mogelijk om met thermische of chemische technieken asbest te neutraliseren, bijvoorbeeld in asbesthoudend staalschroot of asbesthoudend cement. Dit valt niet onder het verwijderen van asbest en hiervoor is geen vergunning nodig. De NVPG stelt dat volgens artikel 4.50 de paragraaf voor asbestverwijdering ten onrechte ook geldt voor het verwijderen van asbest uit grond, met uitzondering van artikel 4.51 en dat dit tot gevolg dat de regels inzake werkplan (artikel 4.52), gereedmelding (artikel 4.53 en 4.56), reiniging (artikel 4.54) en eindbeoordeling (artikel 4.55) van toepassing zijn. Verder stelt de NVPG dat artikel 4.39 (preventieve maatregelen) ook niet onverkort toepasbaar zijn binnen de context van grondreinigingsbedrijven. Op basis van deze reactie is artikel 4.50 aangepast waardoor de genoemde artikelen niet meer van toepassing zijn, behalve artikel 4.39. Dat is wel van toepassing op grondreiniging, aangezien ook daar maatregelen nodig zijn om de blootstelling aan asbest zoveel mogelijk te beperken. Het artikel biedt voldoende ruimte om maatwerk toe te passen in de praktijk van grondreiniging en is daarom niet aangepast. Opleidingen Op het onderdeel opleidingen zijn veel reacties ontvangen van onder meer IBEX, BME Opleidingen, Bouwend Nederland, Fenelab, HZC, Netbeheer Nederland, SGS Search, Stichting Arbocatalogus Afvalbranche, VERAS-VVTB-VAVB, VAVB, VNCI, Westpoort en enkele andere partijen. Onafhankelijke examinering IBEX heeft aandacht gevraagd voor de onafhankelijkheid van examinering en de vraag waarom niet is gekozen voor een centraal of volledig onafhankelijk examenstelsel. BME Opleidingen en Westpoort hebben gevraagd hoe de onafhankelijkheid van examinatoren Pagina 153 van 294 concreet wordt geborgd, mede omdat de opleider de examinator betaalt. IBEX vraagt ook of is gekeken hoe andere lidstaten de opleidings- en examineringseisen invullen. Onafhankelijke examinering is belangrijk om te borgen dat een opleiding succesvol wordt gevolgd en de leerstof daadwerkelijk is overgedragen. Daarom is in sommige gevallen een examen verplicht gesteld, terwijl dat niet rechtstreeks volgt uit de Richtlijn. Voorheen moesten medewerkers voor werk in risicoklasse 2 elke drie jaar een examen afleggen. Dat de opleider de examinator betaalt, betekent niet zonder meer dat de beoordeling niet onafhankelijk kan zijn. Doorslaggevend is of de examinator inhoudelijk onafhankelijk beoordeelt en geen belang heeft bij de uitkomst. De regeling en de toelichting daarop is aangevuld op de onafhankelijkheid van examinering en de keuze om geen centraal examenstelsel in te richten. Er is contact geweest met de buurlanden België en Duitsland. België maakt onderscheid tussen eenvoudige handelingen en andere asbestverwijderingen. Voor asbestverwijdering geldt een jaarlijkse opleidingsduur van 32 uur, bij eenvoudige handelingen is dat 8 uur. Na deelname wordt een bewijs van deelname of getuigschrift verstrekt. Duitsland kent eveneens periodieke actualisering van vakbekwaamheid, met een termijn van zes jaar, maar legt daarbij meer nadruk op examinering. De vergelijking laat vooral zien dat lidstaten op verschillende manieren invulling geven aan de eisen rond opleiding, examinering en het actueel houden van vakbekwaamheid. Persoonscertificatie en borging vakbekwaamheid IBEX heeft vragen gesteld over het vervallen van persoonscertificatie en de gevolgen daarvan voor de borging van individuele vakbekwaamheid. Daarbij vraagt zij welke waarborgen uit het huidige stelsel verdwijnen en hoe deze worden opgevangen. Met het vervallen van persoonscertificatie vervalt ook de rol van certificerende instellingen bij het beoordelen, verstrekken, schorsen en intrekken van persoonscertificaten. Vakbekwaamheid wordt in het nieuwe stelsel geborgd via passende opleiding, registratie, permanente educatie en waar nodig examinering. In het nieuwe stelsel hebben de certificerende instellingen geen rol meer om persoonscertificaten te verstrekken. De kernvereisten zijn vastgelegd in regelgeving, de minister wordt verantwoordelijk voor het register en de werkgever blijft verantwoordelijk voor veilige uitvoering van het werk. Als werknemers gevaar veroorzaken, kunnen er boetes worden opgelegd. Registratie door opleiders BME Opleidingen, VERAS-VVTB-VAVB en Westpoort hebben vragen gesteld over de rol van opleiders bij de registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest. Daarbij is door Veras gewezen op administratieve lasten, bezwaar en beroep, AVG-verplichtingen en de vraag of registratie niet centraal zou moeten plaatsvinden. Het is logisch en in lijn met de verantwoordelijkheden en expertise van een opleider dat de verantwoordelijkheid voor wel of niet registreren bij een opleider ligt. Zij hebben de persoon immers opgeleid en kunnen dus het beste inschatten of deze de opleiding goed heeft afgerond. Er is geen sprake van persoonsregistratie zoals in sommige andere beroepen, enkel de registratie van een goed afgeronde opleiding. Dat opleiders ook bezwaar en beroep moeten afhandelen komt ook voor in andere sectoren, dit hoeft overigens niet elke opleider apart te regelen, maar kan ook door bijvoorbeeld met verschillende opleiders een structuur hiervoor op te richten. Pagina 154 van 294 Aangewezen instantie en governance IBEX, BME Opleidingen en enkele anderen hebben vragen gesteld over de rol van de aangewezen instantie die de opleidingen gaat erkennen, de borging van onafhankelijkheid, kwaliteitsmanagement, toezicht en de verhouding tot publieke verantwoordelijkheid. De minister is verantwoordelijk voor het stelsel, omdat er sprake is van mandaat. De inzet van een uitvoerende instantie betekent niet dat publieke verantwoordelijkheden worden overgedragen. De taak wordt via een mandaatbesluit afgebakend, daarnaast worden een algemene overeenkomst en verwerkersovereenkomst afgesloten met de gemandateerde partij, in dit geval Ascert. De nota van toelichting is aangevuld met een nadere beschrijving van de rol van de aangewezen instantie en waar afspraken worden vastgelegd. Opleidingscategorieën en functies HZC, BME Opleidingen, SGS Search, Stichting Arbocatalogus Afvalbranche, VOAM en Westpoort hebben gevraagd welke opleiding nodig is voor specifieke functies, zoals laboratoriummedewerkers, NEN 5896-medewerkers, acceptatiemedewerkers, personeel op stortlocaties, kraanmachinisten en inventarisatiemedewerkers. SGS Search, Fenelab en BME Opleidingen hebben opmerkingen gemaakt over de opleidingseisen voor eindbeoordelaars. Daarbij is gewezen op de beperkte instroom en bestaande borging via RvA. Fenelab heeft gewezen op een onjuiste verwijzing in het overgangsbewijs voor eindbeoordelaars, dit eindbeoordelingscertificaat bestond niet meer. De werkgever bepaalt welke opleiding passend is bij de werkzaamheden van de werknemer. De toelichting in de regeling is aangevuld met een aantal voorbeelden. Daarbij wordt ook verduidelijkt dat voor kraanmachinisten een algemene opleiding met een aantal specifieke aanvullingen volstaat. De afzonderlijke opleidingscategorie voor eindbeoordelaars en toezichthouders is geschrapt. Zij moeten nog wel de erkende opleiding algemeen volgen. Deskundigheidseisen voor eindbeoordelaars blijven wel geborgd in de regelgeving via de accreditatieverplichting. Ook de verwijzing naar het oude eindbeoordelingscertificaat is geschrapt. Praktijkervaring, bestaande opleidingen en permanente educatie HZC, Netbeheer Nederland, BME, VAVB en enkele anderen hebben aandacht gevraagd voor praktijkervaring, vakmanschap en de frequentie van permanente educatie. Netbeheer Nederland, Bouwend Nederland, VNCI en Stichting Arbocatalogus Afvalbranche hebben gevraagd om bestaande sectorale opleidingen, e-learnings, toolboxen en bedrijfsspecifieke instructies zoveel mogelijk te kunnen blijven gebruiken. Praktijkervaring blijft belangrijk en speelt een rol bij overgangsrecht en permanente educatie, maar kan de verplichte opleiding niet volledig vervangen. De termijn van drie jaar is een maximum; vaker bijscholen mag en bij aanvullende opleidingsbehoeften is ook scholing nodig. Het is mogelijk om die scholing op een praktische manier in te richten. De nota van toelichting is op dit punt aangevuld. Bestaande opleidingen kunnen worden erkend als zij voldoen aan de eisen. Er is dus geen automatische erkenning, maar wel ruimte voor sectorspecifieke invulling. In de nota van toelichting is deze verduidelijking opgenomen. Proportionaliteit en regeldichtheid Pagina 155 van 294 Meerdere partijen, waaronder Bouwend Nederland, Netbeheer Nederland, HZC, VERAS-VVTB-VAVB en Stichting Arbocatalogus Afvalbranche, hebben aandacht gevraagd voor de proportionaliteit van de opleidingseisen. Daarbij is gewezen op verschillen tussen werkzaamheden, bestaande vakkennis en het risico dat opleidingseisen zwaarder uitpakken dan nodig is voor de werkzaamheden die werknemers feitelijk verrichten. Daarnaast geeft VERAS aan dat de regeldichtheid groot lijkt. Uitgangspunt blijft dat de opleiding passend moet zijn bij beroep, taken en werkmethoden. Daarom wordt niet alleen onderscheid gemaakt tussen opleidingscategorieën, maar kan ook binnen een opleidingscategorie worden gedifferentieerd in omvang, inhoud en vorm van de opleiding. Daarmee kunnen opleidingen beter aansluiten bij de concrete werkzaamheden en risico’s, zonder afbreuk te doen aan de minimumeisen voor het veilig werken met asbest. In de nota van toelichting is dit verduidelijkt. Wat betreft de regeldichtheid: De regelgeving bevat inderdaad meerdere bepalingen over opleiding, erkenning, registratie en permanente educatie. Dat maakt het stelsel op onderdelen gedetailleerd. Die uitwerking is nodig omdat de Wijzigingsrichtlijn niet alleen een opleidingsverplichting introduceert, maar ook eisen stelt aan de inhoud van opleidingen, periodieke herhaling, erkenning van opleiders en het verstrekken van een opleidingsbewijs. Deze bepalingen moesten ingevuld worden. Tegelijkertijd is de regelgeving niet verder gedetailleerd dan nodig is geacht. Zo worden geen vaste opleidingsduur of volledig uitgewerkte lesprogramma’s voorgeschreven en blijft ruimte bestaan voor sectorspecifieke invulling. Overgangsrecht en implementatie BME Opleidingen, Westpoort, VAVB en Netbeheer Nederland hebben vragen gesteld over de overgang van bestaande certificaten en opleidingen naar het nieuwe register. BME vraagt daarnaast om een overgangsbepaling voor opleiders die nu permanente educatie aanbieden. Bouwend Nederland en enkele andere partijen hebben zorgen geuit over onvoldoende opleidingscapaciteit, personeelstekorten en de haalbaarheid van de implementatietermijn. Het overgangsrecht heeft als uitgangspunt bestaande vakbekwaamheid zoveel mogelijk te behouden. Daarom kunnen bestaande opleidingen gedurende zes maanden na inwerkingtreding op verzoek van werkgever of werknemer worden geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Daarnaast kan opgedane praktijkervaring meetellen als praktijkgedeelte van een opleiding en worden bestaande persoonscertificaten gekoppeld aan de opleidingscategorieën van het nieuwe stelsel. Een overgangsbepaling voor opleiders is niet logisch, omdat erkend zijn voor permanente educatie niet hetzelfde is als de eisen voor erkende opleiders. Wel wordt door de erkennende instantie gekeken of de erkenning praktisch lichter vorm kan worden gegeven, omdat veel informatie al bekend is. De druk op de opleidingscapaciteit wordt beperkt doordat in overgangsrecht wordt voorzien, bestaande opleidingen en certificaten kunnen worden benut en bijscholing modulair en/of digitaal kan. Overige punten FNV vroeg om expliciet vast te leggen dat werknemers leren hoe zij asbest herkennen. De bestaande regelgeving verplichtte daar al toe, omdat goede voorlichting over de omgang met asbest ook herkenning vereist. Pagina 156 van 294 IBEX en BME Opleidingen vroegen hoe het register persoonsgegevens beschermt en welke gegevens opleiders kunnen inzien. De minister blijft verantwoordelijk voor de verwerking en moet aan de AVG voldoen. Opleiders mogen alleen gegevens verwerken die zij voor hun taak nodig hebben. De regeling bevat daarvoor verwerkersafspraken en er wordt een verwerkersovereenkomst gesloten met Ascert. VERAS-VVTB-VAVB wees ten slotte op verwarring tussen ‘basisopleiding’ en de categorie ‘basis’ en op de onjuiste term ‘saneerders niveau 2 en 3’. Deze terminologie is aangepast. Meldingen Aedes wijst erop dat bij de melding van werknemers -die waarschijnlijk op de plaats van de werkzaamheden aanwezig zijn- moet worden volstaan met een indicatie van de aanwezigen en niet een strikte, definitieve lijst. Dit biedt flexibiliteit bij uitval door ziekte. Op basis van het huidige artikel wordt die flexibiliteit al geboden door het woord ‘waarschijnlijk’. De lijst van werknemers is een indicatie van de aanwezigen. Ter verduidelijking is het genoemde voorbeeld opgenomen in de toelichting van het besluit. VERAS-VVTB-VAVB geven aan bezwaar te hebben tegen de uitzondering op de meldplicht voor asbestbronnen in de categorie beperkt. Waarbij ook wordt opgemerkt dat de categorie beperkt afwijkt van de wijzigingsrichtlijn. Volgens hun leidt dit tot eenzijdig overheidstoezicht op gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven. De wijzigingsrichtlijn biedt de mogelijkheid om voor de categorie ‘beperkt’ (waarbij sprake is van geringe blootstelling) een uitzondering op de meldplicht te maken. Bij de implementatie is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Hierbij zijn geheel omsloten voorwerpen die in hun geheel verwijderbaar zijn en losse of hechtgebonden voorwerpen of apparaten tevens onder de categorie beperkt ingedeeld. Bij verwijdering van deze voorwerpen is er geen of slechts lage blootstelling van zeer korte duur. Het ontbreken van een meldplicht betekent niet dat er geen overheidstoezicht is: ook bij deze bedrijven kan toezicht worden gehouden. Wel verloopt de inrichting van dit toezicht op een andere manier. Er is ook geen onderscheid in het type bedrijven gemaakt; ook gecertificeerde bedrijven die asbesttoepassingen uit de categorie beperkt verwijderen hoeven hier geen melding van te maken. VNO-NCW vraagt er rekening mee te houden dat gegevens over werknemers, opleidingen, werkzaamheden, afronding en eindbeoordeling niet op meerdere plekken opnieuw moeten worden ingevoerd. Hier wordt zoveel mogelijk rekening mee gehouden bij de inrichting van de ICT. Dit zal op termijn mogelijk nog verder geoptimaliseerd worden. Daarnaast is er gezocht naar mogelijkheden om de meldingen te vergemakkelijken, zo is er een register gezond en veilig werken met asbest opgericht waarin opleidingscertificaten kunnen worden geüpload, zodat bij meldingen eenvoudig het registratienummer kan worden ingediend zonder dat opleidingsbewijzen herhaaldelijk worden aangeleverd. VIA geeft aan dat de toelichting behorend bij artikel 4.53 lid 2 helder is, maar de formulering van het artikel zelf tot onduidelijkheden kan leiden. Het verzoek is om de tekst van het artikel aan te passen. In dit lid wordt verwezen naar de uitzonderingen die van overeenkomstige toepassing zijn op grond van artikel 4.38. Gelet hierop is geen aanleiding bevonden om het huidige artikel aan te passen. VERAS-VVTB-VAVB verzoekt om artikel 4.37, lid 1, onderdeel l, van het wijzigingsvoorstel arbobesluit te schrappen. Het toevoegen van het werkplan bij de Pagina 157 van 294 melding leidt volgens hen tot onnodige administratieve lasten. Om de administratieve lasten te beperken, is het werkplan als meldingsvereiste geschrapt. Wel blijft het aanleveren van een uitdraai uit het beoordelingsinstrument SMART-ns vereist, tenzij het gebruikt van SMART-ns niet verplicht is (op grond van artikel 4.51) doordat de blootstelling wordt bepaald met metingen of als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. In dat geval moet de werkgever in de melding opgeven welke erkende werkmethode hij gebruikt voor het verrichten van de werkzaamheden. BME Asbest Consult verzoekt de termijn van de arbomelding aan te passen van ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden naar ten minste tien werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden. De termijn van twee werkdagen gold voorheen ook al en deze naar voren schuiven zou tot extra lasten leiden. De asbestverwijderaar dient de arbomelding ten minste twee werkdagen van te voren te doen. Het staat de asbestverwijderaar vrij om eerder een arbomelding te doen. Vanuit het veld zijn zowel verzoeken tot het verkorten als verlengen van de meldtermijn binnengekomen. Er is besloten om deze termijn op twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden te houden. VERAS-VVTB-VAVB geeft aan dat voor bepaalde asbestbronnen op grond van de arbomelding uitzonderingen zijn opgenomen, terwijl er een meldingsplicht geldt op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het verzoek is om de meldingsverplichtingen op grond van arbo- en milieuregelgeving te vergelijken. Dit is gecontroleerd. De uitzonderingen op de arbomelding gelden ook voor de sloopmelding. Daarbij zijn de bestaande uitzonderingen op de sloopmelding weer opgenomen in het Bbl, waaronder de pakkingen in de procesindustrie, rem- en frictiematerialen, buizen in een ondergronds openbaar net voor nutsvoorzieningen en gas- en elektrotechnische componenten door of vanwege een distributiesysteembeheerder. Veiligheidsregio Rotterdam verzoekt een uitzondering te maken in geval van nood voor het opstellen van een inventarisatierapport, het verwijderen en verplaatsen van asbest, het uitvoeren van een medische handeling en het vaststellen van een besmet gebied. In geval van nood is al voorzien in een uitzondering in de regelgeving. Wanneer sprake is van het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie, het verlenen van medische hulp of het voorkomen van een levensbedreigende situatie kan direct gehandeld worden en is een melding vooraf niet verplicht. Meldingen van spoedeisende werkzaamheden moeten zo spoedig mogelijk gebeuren, in plaats van twee werkdagen van tevoren. Het moet dan gaan om werkzaamheden die nodig zijn vanwege ernstige risico’s voor de veiligheid of gezondheid van personen of de leefomgeving. Bijvoorbeeld asbest dat op een weg is terechtgekomen. De mogelijkheid om later te melden in deze situaties is aanvullend op de vrijstelling van de meldplicht die al was opgenomen in geval van levensbedreigende situaties, het verlenen van medische hulp en het uitvoeren van politietaken. Inventarisatie en identificatie Technisch gezien wordt identificatie geïntroduceerd als een overkoepelende term. Je kunt asbest identificeren op basis van ofwel bestaande documentatie, ofwel door het laten opstellen van een inventarisatierapport. Aedes ziet het introduceren van identificatie op basis van bestaande documentatie als een positieve ontwikkeling. Zij zien een afname van doorlooptijden en extra kosten. Zij vraagt wie verantwoordelijk is voor de correctheid van de juiste documentatie, de opdrachtgever of de saneerder. De saneerder is verantwoordelijk om onderzoek naar Pagina 158 van 294 aanwezig asbest te laten uitvoeren. Uiteraard is het niet toegestaan onjuiste informatie aan te leveren. ATN Asbestsanering, BME Asbest Consult, VIA, SGS Search en VOAM zien een aantal risico’s in het toestaan van identificatie op basis van documentatie. Daarin wordt identificatie op verschillende manieren geïnterpreteerd. In de Arboregeling is nader uitgewerkt aan welke eisen de documentatie die kan dienen voor de identificatie moet voldoen. Hieronder wordt in de regelgeving geenszins verstaan dat er losse monsters naar laboratoria worden verstuurd. Wanneer er monsters moeten worden genomen om te onderzoeken of het asbest betreft en/of om het soort en percentage vast te leggen, valt dit volgens de regelgeving onder inventarisatie. Dit dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerd asbestinventarisatiebureau. Bij identificatie kan gebruik worden gemaakt van bestaande of samengestelde documentatie. Documentatie van bijvoorbeeld een naastgelegen woning kan alleen in dat geval gebruikt worden wanneer met zekerheid gesteld en aangetoond kan worden dat dit bij alle woningen identiek is, bijvoorbeeld omdat er tijdens de bouw overal dezelfde standleiding is gebruikt. Wanneer er later wijzigingen aan de woning zijn gedaan kan niet met zekerheid gezegd worden dat dit nog hetzelfde is als de buurtwoning. In bijvoorbeeld bronnenboeken kunnen asbestbronnen die vaker voorkomen, bijvoorbeeld in een bepaald type CV ketel, worden vastgelegd, inclusief de soort en hoeveelheid en asbest. Het moet dan wel mogelijk zijn dit te identificeren als daadwerkelijk de benoemde bron. Er is een partij die de identificatie niet verder wil inperken in de lagere regelgeving of schema’s. FNV en BME Asbest Consult merken op dat er bij identificatie asbest over het hoofd kan worden gezien. De identificatie dan wel inventarisatie moet zien op de toepassingen waaraan gewerkt gaat worden. Het kan dus niet zo zijn dat er aan een toepassing gewerkt wordt zonder dat bekend is of het asbest betreft of niet. Met identificatie worden geen bronnen gemist, omdat van elke bron waaraan gewerkt wordt zeker moet zijn dat het geen asbest betreft. Identificatie is dus niet geschikt voor situaties waarin mogelijk asbesttoepassingen aanwezig zijn zonder dat daar informatie over is. Voor bijvoorbeeld het slopen van een woning zal een asbestinventarisatie nodig blijven om alle asbestverdachte toepassingen te vinden en vast te stellen of en in welke mate deze asbesthoudend zijn. BME Asbest Consult maakt zich zorgen over de uitzondering op de identificatie- en inventarisatieplicht voor particulieren. De wijzigingen gaan over arboregelgeving. Er wijzigt inhoudelijk niets aan regelgeving voor particulieren. Wel worden de desbetreffende artikelen in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin wordt bepaald wat particulieren zelf mogen doen, anders en duidelijker geformuleerd. De introductie van de vergunningplicht maakte het nodig die artikelen te wijzigen. VAVB vraagt naar de reikwijdte van de aanvullende inventarisatie als bronnen gemist zijn. Dit betreft het identificeren van de asbestbron door een gecertificeerd asbestinventarisatiebureau, het opstellen van een inventarisatierapport inclusief de SMART-ns uitdraai in het rapport. Het betreft dus niet alleen het nemen van een monster. SGS Search wil graag gebruik blijven maken van het Intechnium handboek voor identificatie. Hierin zijn geen asbestsoorten en percentages opgenomen. Deze eisen blijven staan in de regelgeving. Het handboek zal dan moeten worden aangevuld met de Pagina 159 van 294 soorten en percentages. Zonder soort asbest en het percentage kan geen goede risicobeoordeling kan worden gemaakt. SGS Search vindt het onduidelijk hoe in de praktijk moet worden aangetoond dat een asbestinventarisatierapport nog aansluit bij de actuele situatie en geldende regelgeving. Ook VOAM vraagt om het vastleggen van criteria of termijn voor de geldigheid van asbestinventarisatierapporten. Bij de overgang naar nieuwe regelgeving zal over het algemeen in overgangsbepalingen worden vastgelegd hoe over te gaan naar de nieuwe vereisten. Dit geldt niet voor kleinere wijzigingen. Indien een ouder rapport wordt gebruikt is het daarom altijd goed te kijken of het nog voldoet. Er is in de Arboregeling duidelijker vastgelegd en toegelicht hoe de geldigheidsduur van een inventarisatierapport wordt geregeld. De actuele situatie verandert bijvoorbeeld als een schuur is ingestort en alle dakplaten gebroken zijn. Of wanneer een verweringsproces sterk gevorderd is. Voam vraagt of de certificeringsplicht uitsluitend geldt voor het uitvoeren van reguliere asbestinventarisaties of ook voor calamiteiteninventarisaties, aanvullende inventarisaties, quickscans en second opinions. Deze vallen allen onder de certificeringsplicht voor zover de regelgeving een inventarisatie voorschrijft. Dat geldt niet voor quickscans en second opinions voor zover die niet de functie van een inventarisatie vervullen. Metingen tijdens en na asbestwerkzaamheden De regelgeving kent twee moment om te meten. Tijdens de werkzaamheden en na afloop van de werkzaamheden als onderdeel van de eindbeoordeling. Het meten op gezette tijden is al sinds lange tijd een verplichting, ook in de voorgaande EU regelgeving. Het is belangrijk dat er ook invulling wordt gegeven aan deze meetverplichting. SMART-ns is het hulpmiddel om een inschatting te maken van de blootstelling voordat je begint met werken. Maar het inbouwen van checkmomenten is heel zinvol. Daarom is er door de branches een voorstel voor een meetkader gedaan. Dit wordt opgenomen in de Arboregeling. Periodiek wordt bekeken of dit kader moet worden herzien. In de internetconsultatie zijn verschillende reacties binnengekomen op het aangekondigde meetkader. Aedes heeft zorgen over de betrouwbaarheid van de metingen. Over de manier van goed, representatief meten zijn normen aangewezen. Daarnaast heeft Aedes zorgen dat er tekorten ontstaan bij laboratoria om metingen te valideren. Laboratoria hebben aangegeven dat zij ruimte hebben om metingen uit te voeren. Het gaat hier overigens niet alleen om metingen die gevalideerd moeten worden. Het gaat om het verkrijgen van inzicht in de concentratie asbestvezels. Ten slotte verwacht Aedes door een explosieve toename van metingen met bijbehorende kosten dat er minder gesaneerd gaat worden. Het gaat niet om een explosieve toename van metingen en er wordt periodiek geëvalueerd. De kosten spreiden zich uit over de gehele branche en zijn beperkt gezien het aantal saneringen en het aantal metingen. Dit zal niet tot nauwelijks verschil geven in saneringskosten. OnderhoudNL vraagt zich af wat het nut is bij het gebruik van erkende werkmethoden omdat daar al metingen zijn gedaan tijdens het opstellen daarvan. Het is altijd goed om te blijven controleren of er in de praktijk ook op de juiste manier gewerkt wordt volgens de erkende werkmethode. Daarbij biedt de Richtlijn geen grond om de meetverplichting geheel uit te zonderen. Pagina 160 van 294 SGS Search vindt dat er concreter moet worden vastgelegd wie de persoonlijke blootstellingsmetingen mag uitvoeren. Er is ruimte gelaten in deze bepaling zodat zowel arbeidshygienisten als geaccrediteerde laboratoria de metingen kunnen uitvoeren. De analyse van de monsters moeten altijd door een geaccrediteerd laboratorium worden uitgevoerd. SGS Search geeft aan dat de meetdata niet kunnen worden gebruikt voor aanvulling van de database van TNO en het valideren van SMART-ns. Het zouden metingen zijn onder optimale condities. Het doel is juist om meetdata te verzamelen die in praktijksituaties zijn afgenomen en niet onder optimale condities. Het zijn representatieve metingen en TNO beoordeelt de data en de context voordat ze in de database worden opgenomen. Fenelab stelt voor dat het VIP ten minste om het jaar erkende werkmethoden gaat evalueren en opnieuw valideren op basis van de resultaten van de tussentijdse metingen. Met het VIP wordt na implementatie van de regelgeving verder gesproken over innovatie en mogelijke evaluaties van de erkende werkmethoden. Ten slotte brengt Fenelab in dat de koppeling tussen tussentijdse metingen en het achterwege kunnen laten van een eindbeoordeling onjuist is. Het gaat echter om het achterwege kunnen laten van de luchtmeting bij de eindbeoordeling. De visuele inspectie door een onafhankelijke eindinspectie-instelling blijft van kracht. In de nota van toelichting is toegelicht waarom deze keuze is gemaakt. Beide metingen dienen inderdaad andere doelen. Maar als de blootstelling tijdens sanering onder de 10.000 vezels per m3 is gebleven, is niet redelijkerwijs te verwachten dat na afloop de concentratie asbestvezels in de ruimte de toetswaarde overschrijdt. BouwendNL merkt op dat de eindbeoordeling een lastenverzwaring is. De Richtlijn laat de eindbeoordeling over aan het nationaal recht. Ten opzichte van de voorgaande regelgeving wordt in meer gevallen een onafhankelijke visuele inspectie gevraagd, maar in minder gevallen een luchtmeting. BouwendNL is positief dat de werkgever zelf de visuele inspectie mag doen bij gebruik van een erkende werkmethode. Zij voorziet wel een knelpunt als erkende werkmethoden niet snel genoeg ter beschikking komen. De NVvA adviseert om de adviezen op te volgen om de afhankelijkheid van eindbeoordelaars aan te pakken. Dit onderdeel wordt na implementatie van de Richtlijn verder bekeken. NetbeheerNL merkt op dat de eisen van de eindbeoordeling niet goed aansluiten op haar werkzaamheden en verzoekt dat bij gebruik van erkende werkmethoden geen eindbeoordeling hoeft plaats te vinden. Een visuele inspectie door de werkgever is altijd het minimaal vereiste geweest en dit zal ook zo blijven. Er zijn opmerkingen gemaakt door SGS Search over foutieve verwijzingen en afkeurcriteria. Deze zijn daarop aangepast. Ook SGS is geen voorstander van het vervallen van de luchtmeting in sommige situaties. SGS merkt ook op dat de eindbeoordelaar geen verantwoordelijkheid kan nemen over de tussentijdse meting. De Arboregeling is op dit punt aangepast. VERAS-VVTB-VAVB pleit ervoor in het Arbobesluit vast te houden dat er bij de visuele inspectie geen asbest meer visueel waarneembaar is, in plaats van te benoemen dat de locatie weer veilig betreden kan worden. Het vereiste dat geen asbest meer visueel waarneembaar mag zijn, is nu opgenomen in de Arboregeling. Dit verdwijnt dus niet. Fenelab geeft ook aan dat niet duidelijk benoemd is dat er gebruik moet worden gemaakt van een geaccrediteerde inspectie-instelling. Ook deze eisen staan in de Arboregeling. Fenelab pleit voor het behoud van de huidige eis van een luchtmeting van twee uur, zodat meetresultaten vergelijkbaar, reproduceerbaar en betrouwbaar blijven. De eis van Pagina 161 van 294 twee uur staat in de NEN2990 genoemd, waarnaar wordt verwezen. Hiermee komt de twee uur eis niet te vervallen. Het biedt wel ruimte op enig moment andere methoden te introduceren waarbij geen twee uur vereist is. Ten slotte wordt opgemerkt dat de overgang naar elektronenmicroscopie niet expliciet geborgd is in de regeling. Dit staat opgenomen in het Arbobesluit. SMART-ns ATN Asbestsanering merkt op dat de vergunningcategorie niet eenduidig vooraf wordt vastgesteld wanneer asbestinventarisaties en SMART-ns geen expliciete koppeling bevatten met de vereiste vergunningcategorie. Er is nu explicieter opgenomen dat de vergunningcategorie moet worden vermeld in het inventarisatierapport. Op de SMART-ns uitdraai wordt per bron aangegeven welke vergunning minimaal benodigd is. TechniekNL en BME Asbest consult merken op dat het offerteproces door de komst van SMART-ns er anders uit komt te zien omdat de werkmethode nog niet is bepaald. De zorg is onder andere dat de opdrachtgever dan bij voorbaat alleen aannemers selecteert met de hoogste vergunningcategorie. Deze zorg is ongegrond want na inventarisatie is wel al bekend welke vergunning nodig is voor de verwijdering. Dat was een van de redenen om te kiezen voor deze vorm van differentiatie, omdat die niet afhangt van de uitvoering. Daarnaast heeft deze wijziging in het proces als voordeel dat er een eerlijkere gang van zaken is bij het opstellen van een offerte. Voorheen werden dikwijls offertes afgegeven op basis van een risicoklasse 2 sanering terwijl er in de praktijk in risicoklasse 1 werd gesaneerd. BME Asbest Consult stelt voor dat SMART-ns kansen biedt om te komen tot een uniforme landelijke inventarisatietool. Hoewel hier voordelen aan zitten, delen niet alle partijen deze mening, en is het nu niet noodzakelijk voor implementatie van de regelgeving. De koppeling met SMART-ns is tijdig beschikbaar. BouwendNL en VERAS-VVTB-VAVB hebben zorgen over het tijdig beschikbaar zijn van SMART-ns en de werking in de praktijk. SMART-ns is een van de opties die gebruikt kan worden voor het maken van een blootstellingsschatting. SMART-ns en opleidingen worden tijdig ter beschikking gesteld. Daarnaast is er in de toelichting uitvoerig op ingegaan dat onderkend wordt dat bedrijven tijd nodig zich op de nieuwe werkwijzen aan te passen. Hier zal bij implementatie aandacht voor zijn. Er is overwogen om een overgangsbepaling voor het gebruik van SMART-ns op te nemen maar dat neemt het probleem niet weg. Er is namelijk ook op een later moment nog tijd nodig aan de tool te wennen. Daarnaast is het oude SMA-rt niet toepasbaar op de nieuwe regelgeving. Cumela merkt op dat SMART-ns extra administratieve lasten met zich meebrengt voor grondverzet- en infrabedrijven. SMART-ns is niet voor dit type bedrijven bedoeld en voor deze bedrijven verandert er niets aan de wijze waarop zij een risicobeoordeling moeten doen. Batteryspray opteert ervoor een bepaling op te nemen waarbij gemotiveerde afwijkingen van SMART-ns periodiek geaggregeerd en openbaar worden gemaakt. Dit is niet mogelijk. Het is niet mogelijk van SMART-ns af te wijken want SMART-ns schrijft niets voor. Dat zou ook niet werkbaar zijn, want elke situatie is anders en vergt een andere werkwijze. De saneerder heeft de kennis en verantwoordelijkheid per situatie de beste werkmethode te kiezen en deze waarheidsgetrouw in te vullen zodat er een passende blootstellingsbepaling uit SMART-ns volgt. VAVB heeft groot bezwaar tegen de verplichting dat saneerders de werkwijze in SMART-ns invoeren. Er is angst dat de praktijk te complex zal blijken, voor de wijze waarop het bevoegd gezag met de gegevens omgaat en dat niet de juiste beschermingsmaatregelen worden gekozen. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat SMA-rt in een groot deel van de gevallen beschermingsmaatregelen voorschrijft die verder gaan dan Pagina 162 van 294 noodzakelijk. SMART-ns betekent inderdaad een grote verandering in de praktijk, maar kan een grote bijdrage leveren aan de bewustwording van blootstelling aan asbestvezels en de efficiëntie van emissiebeperkende maatregelen. Het gebruik van SMART-ns is voor saneerders niet verplicht. Er mogen ook metingen worden gebruikt die zien op de exacte situatie als blootstellingsinschatting vooraf of erkende werkmethoden. VERAS-VVTB-VAVB heeft zorgen over de toepasbaarheid in de praktijk. Zowel over de administratieve lasten als de effecten op de dagelijkse werkpraktijk. Bij de implementatie is hier aandacht voor. VERAS-VVTB-VAVB pleit tevens voor een statische verwijzing voor SMART-ns. Hier wordt niet voor gekozen omdat er snel aanpassingen moeten worden gedaan als dit noodzakelijk is. Bij grote wijzigingen zal de sector betrokken worden. Hierover zullen nadere afspraken worden gemaakt. VERAS-VVTB-VAVB is van mening dat SMART-ns pas kan worden ingevoerd en wettelijk verankerd als vaststaat dat het toepasbaar is en valide in de praktijk na doorlopen van een deugdelijk implementatieplan. Daar wordt samen met een implementatiewerkgroep nader vorm aan gegeven. De wettelijke verankering van SMART-ns is zeer minimaal. Het is een van de opties om vooraf een blootstellingsbepaling mee te maken. Het hebben van een meer nauwkeurige blootstellingsbepaling heeft grote toegevoegde waarde. Fenelab zegt dat Nederland fors afstand doet van meten. Dit is ongegrond. SMART-ns is gebouwd op een blootstellingsmodel en is gevalideerd met beschikbare data. Daarbij is een flinke veiligheidsmarge van toepassing. Het geeft een veel nauwkeurigere blootstellingsschatting dan SMArt. Daarbij werden alle verwijderingen waarvan geen data bekend waren ingedeeld in risicoklasse 2. Daarmee was alleen bekend dat de blootstelling waarschijnlijk boven de 2000 vezels/m3 lag want het tegendeel was niet bewezen. Of dat 2001 of 2 miljoen vezels/m3 waren is niet bekend. Daarnaast zorgt de nieuwe regelgeving er juist voor dat er meer metingen worden gedaan tijdens werkzaamheden met asbest. Regeldruk Regeldruk en uitvoerbaarheid ATN Asbestsanering, BOVAG, Bouwend Nederland, VNO-NCW en enkele andere partijen wijzen op extra administratieve lasten door vergunningverlening, meldingen, registratieverplichtingen en opleidingseisen. Zij vrezen dat de voorgestelde verplichtingen de inzetbaarheid van personeel beperken en in de praktijk tot uitvoeringsproblemen leiden, bijvoorbeeld wanneer personeelsplanning op korte termijn wijzigt door ziekte, uitval of andere omstandigheden. Extra verplichtingen kunnen leiden tot vertragingen, hogere kosten en belemmeringen voor verduurzamingsprojecten, onderhoudswerkzaamheden en industriële processen. De nieuwe verplichtingen brengen administratieve lasten met zich mee. Bij de uitwerking van het stelsel is daarom gezocht naar een evenwicht tussen bescherming van werknemers en beperking van regeldruk. Daarbij is gekozen voor differentiatie naar werkzaamheden en risico’s, overgangsrecht voor bestaande kwalificaties, modulaire opleidingsvormen en ruimte voor sectorspecifieke invulling. Van belang is dat niet alle verplichtingen in de regelgeving nieuw zijn. Veel van de verplichtingen (zoals een passende opleiding, tussentijdse metingen, meldingen) bestonden al. Kosten toekomstige stelsel versus nieuwe kosten FNV vraagt om in de toelichting expliciet te maken dat de Panteia-analyse inzicht geeft in de kosten van het toekomstige stelsel, maar niet in het effect van de implementatie Pagina 163 van 294 van de richtlijn zelf. FNV wijst erop dat bepaalde verplichtingen al bestonden en dus niet volledig als nieuwe kostenpost zouden moeten worden gezien. Ook vraagt FNV aandacht voor baten, zoals minder ziekte, minder verzuim, lagere zorgkosten, minder aansprakelijkheidskosten en een gelijker speelveld. De huidige kosten van verschillende bestaande verplichtingen zijn in de berekeningen van Panteia waar relevant verrekend met de kosten voor de nieuwe verplichtingen. De uitkomsten van de impactanalyse zijn daardoor volledig toe te rekenen aan de veranderingen in het stelsel. De mogelijke baten zijn bij de analyse inderdaad niet meegenomen, omdat dit niet goed te kwantificeren is. Naar aanleiding hiervan is de nota van toelichting verduidelijkt. Aannames en kostenramingen Bouwend Nederland, VIA, VNCI, Eneco, Fenelab en Gerwin Lensink plaatsen kanttekeningen bij de aannames en kostenramingen in de impactanalyse. Zij wijzen onder meer op hogere uurtarieven in de praktijk (o.a. door de inzet van externe deskundigen), verouderde tarieven (eindbeoordelingen), kosten door wachttijden en stilstand, onzekerheden over aantallen bedrijven en werkzaamheden en hoge kosten om erkende werkmethoden te ontwikkelen. De impactanalyse heeft als doel inzicht te geven in de mogelijke gevolgen van het toekomstige stelsel. Daarbij is een zo goed mogelijke inschatting gemaakt van de aantallen bedrijven, werkzaamheden en benodigde inspanningen. De daadwerkelijke kosten kunnen per bedrijf of sector verschillen. Panteia heeft gebruik gemaakt van beschikbare informatiebronnen en heeft enquêtes en interviews gehouden om te komen tot een zo goed mogelijke inschatting van de kosten. De uurtarieven die Panteia hanteert zijn afkomstig uit het Handboek Meting Regeldrukkosten (deze zijn geïndexeerd). Het klopt dat de aannames nog steeds onzeker zijn, daarom zijn door Panteia grote bandbreedtes aangehouden. Dit punt is ook door de ATR ingebracht en uitgebreider gemotiveerd in de paragraaf over haar advies. Kostenbesparing en beschermingsniveau Fenelab wijst erop dat een deel van de in de impactanalyse genoemde kostenreductie samenhangt met minder onafhankelijke luchtmetingen en eindbeoordelingen. Volgens Fenelab kan een dergelijke kostenbesparing ten koste gaan van de borging van gezond en veilig werken. Bij de uitwerking van het stelsel is niet alleen gekeken naar lastenvermindering, maar steeds naar de vraag welke vorm van beoordeling past bij het risico van de werkzaamheden. Het uitgangspunt blijft dat het beschermingsniveau passend moet zijn bij het risico. Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van de uitgangspunten van het stelsel. Overgangsrecht algemeen Op het onderdeel overgangsrecht zijn veel reacties ontvangen van onder meer Techniek Nederland, Aedes, BME Opleidingen, Bouwend Nederland, Onderhoud NL, SGS Search, VERAS-VVTB-VAVB, VIA, VNO-NCW en VOAM. Er zijn door verschillende partijen zorgen geuit over een te korte overgangsperiode van zes maanden. Er zijn ook zorgen geuit over de inrichting van systemen en opleidingen. Er is gekozen voor een overgangsperiode van een half jaar om zo snel mogelijk te kunnen voldoen aan de verplichtingen vanuit de Europese Richtlijn. Om de overgangsperiode soepel te laten verlopen wordt het veld betrokken bij de uitwerking ervan in de periode voor ingang van de regelgeving. Voor de opleidingen zijn overgangsregelingen uitgewerkt waarmee bestaande vakbekwaamheid wordt behouden en passende (aanvullende) opleidingen worden aangeboden. Zolang de noodzakelijke Pagina 164 van 294 systemen niet zijn ingericht, zal de regelgeving niet worden ingevoerd. Door voor inwerkingtreding van de regelgeving aandacht te hebben voor de mogelijke knelpunten is het de verwachting dat een overgangsperiode van een half jaar zal volstaan. Bouwend Nederland en VNO-NCW vragen in het overgangsrecht rekening te houden met reeds gecontracteerde, geoffreerde of ingeplande werkzaamheden die nog niet zijn gestart voor inwerkingtreding van de regelgeving. Alleen werkzaamheden die al gemeld zijn voor inwerkingtreding van de regelgeving kunnen volgens de overgangsregeling worden vervolgd volgens het oude recht, tot maximaal een half jaar na inwerkingtreding. Dit is gewijzigd naar aanleiding van de internetconsultatie, waar de start van de werkzaamheden het uitgangspunt was. Uitbreiding van deze regeling kan in de praktijk tot onduidelijkheid leiden en is onwenselijk vanwege technische beperkingen. Al geruime tijd is bekend dat nieuwe regelgeving wordt ingevoerd. Voor gemelde werkzaamheden wordt gedurende zes maanden de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van de overgangsregeling, om te voorkomen dat lopende projecten onder twee verschillende regimes vallen. Doel is om zo snel mogelijk te voldoen aan de nieuwe regelgeving. Aedes en VOAM verzoeken de beperkte geldigheidsduur van asbestinventarisatierapporten na de inwerkingsperiode te heroverwegen. Ze geven aan dat de aanwezigheid van asbest binnen een periode van 6 maanden niet dusdanig zal veranderen dat het opnieuw gewaarborgd moeten worden door een nieuwe identificatie of inventarisatie. In de nieuwe regelgeving zijn enkele wijzigingen doorgevoerd voor de asbestinventarisatierapporten. Om twijfels over de geldigheid van de asbestinventarisatierapporten ‘oude stijl’ te voorkomen was de geldigheidsduur in de versie van de internetconsultatie beperkt tot zes maanden. Naar aanleiding van deze reactie is besloten dat het asbestinventarisatierapport dat voor inwerkingtreding van de regelgeving is opgemaakt geldig blijft tot het einde van de geldigheidsduur, mits het rapport aansluit bij de actuele situatie en de geldende regelgeving. Ook na de overgangsperiode kan het asbestinventarisatierapport nog worden gebruikt als het wordt aangevuld met een uitdraai van SMART-ns. Daaruit moet de categorie-indeling blijken van het asbesthoudende product of de asbesthoudende producten die in het asbestinventarisatierapport zijn gerapporteerd. Anoniem zijn zorgen geuit over de capaciteit van CI’s om alle procescertificaten op tijd te verstrekken en de afstemming tussen ICT-systemen en regelgeving. De overgangsregeling is aangepast om rekening te houden met de tijd die nodig is voor bedrijven om het voor de vergunning vereiste bewijs van naleving te verkrijgen. Bedrijven krijgen een jaar de tijd om het (nieuwe) certificaat te verkrijgen. Dit is volgens de certificerende instellingen haalbaar. Er wordt in de tussenperiode wel voldaan aan het vereiste van de Richtlijn dat bij de vergunningaanvraag een bewijs van naleving wordt verstrekt. Daarvoor dient voor de bedrijven die al gecertificeerd zijn het bestaande certificaat dat gedurende een jaar zijn rechtskracht behoudt. Bedrijven worden vanaf de inwerkingtreding van de regelgeving getoetst op basis van het nieuwe schema. Voor bedrijven die nog geen certificaat hebben en een vergunning basis of uitgebreid aanvragen, volstaat tijdelijk een verklaring dat zij zich houden aan de voorgeschreven maatregelen in zowel het Arbobesluit als het nieuwe certificatieschema. Aan de vergunning wordt voor deze groep de voorwaarde verbonden dat zij zolang zij nog niet beschikken over een certificaat, slechts de werkzaamheden mogen uitvoeren die zij onder het oude recht mochten doen zonder certificaat. Dus alleen werkzaamheden onder Pagina 165 van 294 de grenswaarde en de werkzaamheden die voorheen waren uitgezonderd van de certificeringsplicht. De benodigde ICT moet voor inwerkingtreding van de regelgeving gereed zijn. Daarbij zal in eerste instantie omwille van de tijd niet of nauwelijks voorzien worden in koppelingen tussen systemen van de overheid. Bedrijven die een vergunning beperkt aanvragen, krijgen twee jaar de tijd om een erkende werkmethode te verkrijgen voor zover die nog niet beschikbaar is voor hun werkzaamheden. Specifiek is voor de drinkwaterbedrijven en netbeheerders opgenomen dat zij zolang de arbocatalogus die zij hebben geldig is, deze als alternatief mag dienen voor de erkende werkmethode. Daarnaast is door de overgangsbepalingen voor veel werkenden een bijscholing in de vorm van een e-learning voldoende, waardoor de druk op opleidingen in de overgangstermijn behapbaar blijft. 12. Overgangsrecht en inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Hiermee is de mogelijkheid gecreëerd om een aantal artikelen zo mogelijk eerder in werking te laten treden. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om opleidingen te kunnen gaan erkennen. Implementatie van de Wijzigingsrichtlijn had uiterlijk 21 december 2025 moeten plaatsvinden. Voor de markttoelating en de kwalificatie van werknemers kende Nederland voor het werken in een hogere risicoklasse al een borging in de vorm van een procescertificaat, maar dit is aangepast om te kunnen voldoen aan de Wijzigingsrichtlijn. Hiervoor is de Arbeidsomstandighedenwet aangepast om de vergunningplicht zoals omschreven in de Wijzigingsrichtlijn te kunnen implementeren. Deze regelgeving moet daarom, samen met de wijziging op de Arbeidsomstandighedenwet, intreden zo snel als mogelijk is. De wijzigingen zullen bij inwerkingtreding vergaande gevolgen hebben op de wijze waarop een asbestverwijdering in de praktijk moeten worden aangepakt. Met name de introductie van een vergunningplicht en de differentiatie daarbinnen zijn ingrijpende wijzigingen ten opzichte van de situatie voorheen. Er kan dus niet worden ontkomen aan overgangsbepalingen. Er is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande praktijken om de overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen. Na inwerkingtreding van de regelgeving moeten bedrijven in de gelegenheid gesteld worden aan de regelgeving te kunnen voldoen. Pas op het moment van inwerkingtreding van de regelgeving kunnen vergunningen worden verstrekt of geweigerd en kunnen opleidingen worden erkend. Pas vanaf dat moment kunnen bedrijven een vergunningaanvraag doen en opleidingen laten erkennen dan wel volgen. Zonder overgangsperiode zouden bedrijven al vóór de inwerkingtreding allerlei zaken moeten regelen die ze nog niet kunnen regelen omdat de overheid daar nog niet op is ingericht. Het is daarom noodzakelijk te voorzien in een overgangsperiode. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande praktijken. Zo kan een vergunningsaanvraag plaatsvinden op basis van de huidige opleiding en ervaring van werknemers en het bestaande procescertificaat. Terwijl de vergunningsaanvragen worden beoordeeld kan de Pagina 166 van 294 aanvullende bijscholing uit de Richtlijn op de kennis van Nederlandse wet- en regelgeving worden gevolgd. Gezien het aantal bedrijven en het aantal werkenden aan asbest is de verwachting dat een half jaar nodig is voordat dit alles volledig is ingevuld. Het verkorten van de overgangsperiode is verkend maar vraagt veel van de overheid en het bedrijfsleven. Als de bepalingen niet haalbaar zijn voor bedrijven kan dit mogelijke consequenties hebben voor renovaties en de energietransitie omdat bedrijven de werkzaamheden niet kunnen uitvoeren. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit zal goed worden gecommuniceerd naar het bedrijfsleven. Asbestverwijderingen waarvoor voor inwerkingtreding van deze wijziging een sloopmelding voor gebouwen/bouwwerken resp. een arbomelding voor objecten is gedaan, worden op basis van de oude bepalingen uitgevoerd. Deze kunnen ook volgens die bepalingen worden voortgezet tot maximaal een half jaar na de inwerkingtreding. Dat houdt in dat bedrijven die eerder alleen in risicoklasse 1 mochten werken, nog steeds alleen werkzaamheden onder de grenswaarde mogen uitvoeren. Tevens gelden dan nog de oude meldplichten via de oude meldportalen. Het is wel noodzakelijk dat als bedrijven gebruik willen maken van het overgangsrecht, zij binnen een maand na inwerkingtreding een aanvraag tot een vergunning hebben ingediend. Het wijzigingsbesluit treedt zo snel mogelijk in werking. Op grond van artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, mogen de wijzigingen in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 op zijn vroegst vier weken na de publicatie in het Staatsblad in werking treden. Dit betekent dat de daarmee samenhangende bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit tegelijkertijd in werking moeten treden. Echter, andere bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit kunnen eventueel al eerder in werking treden. Bijvoorbeeld de bepalingen die samenhangen met het erkennen van opleidingen. Voor de invoering van het gemoderniseerde asbeststelsel als zodanig is de beoogde inwerkingtredingsdatum in het eerste kwartaal van 2027. 13. Bijlagen Na de artikelsgewijze toelichting bij dit wijzigingsbesluit is een aantal bijlagen toegevoegd. Ten eerste is dit een transponeringstabel, zoals gebruikelijk bij de implementatie van een richtlijn. Daarnaast is een aantal bijlagen toegevoegd onder andere om de verhoudingen tussen het oude en nieuwe recht inzichtelijk te maken en de toepassing van het overgangsrecht makkelijker te maken. Bijlage B maakt nog meer inzichtelijk welke bepalingen rechtstreeks uit de Richtlijn volgen en welke bepalingen concretere invulling vereisten. Bijlage C geeft een overzicht van de grondslagen die met dit besluit worden opgenomen in afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en van de uitwerking van deze grondslagen in de Arbeidsomstandighedenregeling. Dit overzicht wordt ook toegevoegd aan de toelichting bij de wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de implementatie van de wijzigingsrichtlijn. Pagina 167 van 294 In bijlage D staat de tekst van de regels voor het werken met asbest – afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit – zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit. Naar die tekst wordt in het overgangsrecht in dit besluit en in de toelichting namelijk meerdere malen verwezen, en het opnemen van deze bijlage maakt het makkelijker om de tekst van het oude recht terug te vinden. Pagina 168 van 294 Artikelsgewijs Artikel I (wijzigingen Arbeidsomstandighedenbesluit) Met dit besluit is een groot aantal artikelen in het Arbobesluit gewijzigd die zien op het verrichten van werkzaamheden met asbest. Daarbij is de afdeling waarin deze artikelen voorkomen, in zijn geheel opnieuw vastgesteld. Daarnaast is een aantal nieuwe artikelen toegevoegd en zijn er wijzigingen aangebracht in de nummering van afdelingen en artikelen in het Arbobesluit. Tot slot zijn wijzigingen doorgevoerd in het Asbestverwijderingsbesluit 2005, het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) en het Omgevingsbesluit die samenhangen met de hiervoor genoemde wijzigingen in het Arbobesluit. Ter verduidelijking is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I per onderdeel aangegeven of er sprake is van een nieuw artikel en, in het geval van een wijziging, om wat voor soort wijziging het gaat: een inhoudelijke wijziging of een technische wijziging. Inhoudelijke wijzigingen zijn alle wijzigingen waarmee een nieuwe norm wordt toegevoegd aan een bestaand artikel of een reeds bestaande norm in een artikel inhoudelijk wordt gewijzigd. De overige wijzigingen worden in deze toelichting beschouwd als technische wijzigingen. Hierbij gaat het in elk geval om vernummeringen, aanpassingen van verwijzingen naar artikelen en andere onderdelen van regelingen, het herformuleren van bestaande teksten, zonder de daarin opgenomen normen te veranderen, en het herstel van verschrijvingen. Als een onderdeel zowel inhoudelijke als technische wijzigingen bevat, staat bij het betreffende onderdeel alleen dat dit inhoudelijke wijzigingen bevat. Tot slot is voor een goed begrip van de artikelen van belang dat de normadressaat niet in alle artikelen expliciet wordt genoemd, omdat normadressaten volgens de systematiek van het Arbobesluit worden aangewezen in afdeling 1 van hoofdstuk 9. Onderdelen A en B (artikelen 1.1 en 1.5j) Inhoudelijke wijzigingen Deze onderdelen voegen het Register gezond en veilig werken met asbest toe aan de begripsbepalingen en de opsomming van registers in artikel 1.5j, eerste lid. Voor een verdere toelichting op dit register wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2 van de algemene toelichting en naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.34. Onderdelen C tot en met I, K tot en met P en Y tot en met BB Technische wijzigingen De voormalige afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, waarin aanvullende voorschriften inzake het werken met asbest waren opgenomen, is met dit besluit opnieuw vastgesteld als afdeling 3 van het genoemde hoofdstuk. Hiervoor is gekozen, omdat er al geruime tijd geen afdelingen 3 en 4 meer waren in hoofdstuk 4 en vanwege het grote aantal wijzigingen dat is aangebracht in de nadere voorschriften die betrekking hebben op het werken met asbest. Tegelijkertijd is de oude afdeling 5 komen te vervallen en zijn de daaropvolgende afdelingen van hoofdstuk 4 vernummerd, zodat de nummering van de afdelingen logisch op elkaar aansluiten. Bij de hernummering van de afdelingen is ook verwerkt dat afdeling 8 was vervallen. Pagina 169 van 294 De nieuw vastgestelde afdeling 3 van hoofdstuk 4 heeft een andere nummering dan de voormalige afdeling 5 van dit hoofdstuk: deze nummering sluit nu aan op de artikelen in de daaraan voorafgaande afdelingen. Daarnaast zitten er, in tegenstelling tot de voormalige afdeling 5, in de nieuwe afdeling 3 geen artikelen waar een letter onderdeel uitmaakt van het artikelnummer. Ook heeft de nieuwe afdeling 3 meer artikelen dan de oude afdeling 5. Dit alles maakte het nodig om in meerdere artikelen de verwijzingen naar bepaalde artikelen uit hoofdstuk 4 aan te passen, zodat deze verwijzingen in lijn zijn met de nieuwe nummering binnen dat hoofdstuk. Ook zijn de verwijzingen naar de afdelingen van hoofdstuk 4 in andere artikelen daar waar nodig aangepast, om deze in lijn te laten zijn met de nieuwe opzet van dit hoofdstuk. Onderdeel J (hoofdstuk 4, afdeling 3) Inhoudelijke wijzigingen Vanwege het grote aantal wijzigingen dat met dit besluit is aangebracht in de aanvullende voorschriften inzake het werken met asbest en om de nummering van de afdelingen in hoofdstuk 4 weer logisch op elkaar aan te laten sluiten, is de voormalige afdeling 5 van hoofdstuk 4 opnieuw vastgesteld als afdeling 3. De nieuw vastgestelde afdeling 3 heeft een andere paragrafenindeling dan de oude afdeling 5. Dit is het gevolg van het vervallen van de risicoklassen bij het werken met asbest en om duidelijker naar voren te laten komen welke voorschriften wanneer van toepassing zijn. De Asbestrichtlijn bevat voorschriften die van toepassing zijn op alle werkzaamheden waarbij er sprake is van (mogelijke) blootstelling aan asbeststof, maar ook voorschriften die slechts bij het verrichten van bepaalde werkzaamheden van toepassing zijn. De nieuwe paragrafenindeling is hierop gebaseerd. De eerste paragraaf bevat net als de eerste paragraaf in de oude afdeling 5 enkele relevante begripsbepalingen. Daarnaast bevat de eerste paragraaf regels over de toepasselijkheid van de afdeling en twee inhoudelijke voorschriften die in alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, van toepassing zijn. De tweede paragraaf bevat algemene regels voor het werken met asbest die van toepassing zijn bij werkzaamheden met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal. De regels in de tweede paragraaf zijn daarnaast, met een paar uitzonderingen, van toepassing bij werkzaamheden die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof. Op grond van de Asbestrichtlijn is bij bepaalde werkzaamheden een asbestidentificatie of -inventarisatie vereist. Regels die hierover gaan, zijn opgenomen in paragraaf 3. Verder bevat paragraaf 4 regels die alleen van toepassing zijn bij sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden. Het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die bij een incident zijn vrijgekomen was voorheen een aparte categorie van werkzaamheden in het Arbobesluit. Omdat voor deze categorie van werkzaamheden echter dezelfde regels gelden als asbestverwijderingswerkzaamheden en het opruimen neerkomt op het verwijderen van asbest, worden deze werkzaamheden niet langer apart benoemd. In plaats daarvan vallen zij onder de noemer ‘asbestverwijderingswerkzaamheden’. Pagina 170 van 294 Voor de paragrafen 1 tot en met 4 geldt dat als een paragraaf met een hoger nummer van toepassing is, ook de regels uit de lager genummerde paragrafen gelden. Als bijvoorbeeld de voorschriften van paragraaf 4 van toepassing zijn, dan gelden ook de regels in de paragrafen 1 tot en met 3. Tot slot bevat paragraaf 5 regels ter uitwerking van de vergunningplicht in artikel 19a van de Arbowet, dat aan de Arbowet zal worden toegevoegd met het bij koninklijke boodschap van 28 oktober 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstukken 36843). De artikelen die voorheen in afdeling 5 en nu in de nieuwe afdeling 3 zijn opgenomen, staan vanwege de nieuwe paragrafenindeling in een andere volgorde. Daarnaast zijn de artikelen binnen de paragrafen zoveel als mogelijk gerangschikt op basis van de fase van de werkzaamheden (voor aanvang, tijdens de uitvoering en na de uitvoering) waarop zij betrekking hebben. Naast deze herschikking zijn de artikelen vernummerd, zodat de nummering aansluit op de voorgaande afdeling 2 en binnen de afdeling een logische nummering wordt gehanteerd. In de tekst hierna worden de individuele artikelen van de nieuwe afdeling 3 toegelicht. Vanwege de vernummering van de reeds bestaande artikelen, is bij deze artikelen tevens aangegeven wat het oude artikelnummer van het betreffende artikel was. Indien een artikel nieuw is, is dit bij het betreffende artikel vermeld. Artikel 4.23 Voorheen: artikel 4.37 Inhoudelijke wijzigingen Dit artikel bevat de definities van begrippen die in deze afdeling worden gebruikt. In de begripsbepaling van asbest werd bij vijf van de zes soorten asbest die in de begripsbepaling worden genoemd, de aanduiding ‘CAS’ (Chemical Abstracts Service) met kleine letters geschreven. De juiste schrijfwijze is echter met hoofdletters. De begripsbepaling is hierop aangepast. Voor chrysotiel zijn twee CAS-nummers in gebruik, CAS 132207-32-0 en CAS 12001–29–5. In het besluit is CAS 12001-29-5 genoemd omdat dit overeenkomt met het nummer in de Wijzigingsrichtlijn. Het andere nummer (CAS 32207-32-0) komt overeen met dezelfde stof. In deze afdeling wordt op meerdere plekken gesproken over asbesthoudende producten. In artikel 4.23 is, net als voorheen het geval was in artikel 4.37, een definitie van dit begrip opgenomen. Aan de bestaande begripsomschrijving is echter toegevoegd dat ook bodem, grond en baggerspecie moeten worden gezien als een product. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat de relevante bepalingen van deze afdeling ook van toepassing zijn als wordt gewerkt met bodem, grond en baggerspecie waar een of meer vormen van asbest in voorkomt. Aan de bestaande definities die reeds waren opgenomen in het oude artikel 4.37, zijn zeven begripsbepalingen toegevoegd. Pagina 171 van 294 De definities van amfibool asbest en serptentijnasbest zijn toegevoegd om duidelijk te maken welke soorten asbest hieronder worden begrepen. Voorheen werden de soorten amfibool asbest telkens uitgeschreven na het gebruik van het begrip amfibole asbestvezels. Het begrip asbeststof is toegevoegd, omdat dit begrip werd en wordt gebruikt in meerdere artikelen en ook voorkomt in de Asbestrichtlijn waar de artikelen in deze afdeling voor een groot deel op zijn gebaseerd. De begrippen asbestverdacht materiaal, asbestverontreiniging en containment zijn toegevoegd, omdat deze begrippen in meerdere artikelen van deze afdeling terugkomen. Voor het begrip asbestverontreiniging geldt daarnaast dat dit begrip buiten de regelgeving ook wel eens anders gebruikt wordt. Het begrip Aval-vergunning is toegevoegd, omdat Aval een afkorting is voor ‘asbestverwijderaar uit een andere lidstaat’, en omdat de betekenis van deze afkorting zonder verdere uitleg niet direct helder is. Dit begrip komt bovendien meerdere keren voor in de artikelen van dit Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668. De begripsomschrijving van het begrip object is gewijzigd. In deze begripsomschrijving wordt nu verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005, omdat dit begrip in beide besluiten dezelfde betekenis heeft. Artikel 4.24 Voorheen: artikelen 4.37a en 4.37c Inhoudelijke wijzigingen Artikel 4.24 vervult dezelfde functie als het oude artikel 4.37a, namelijk het bepalen van het toepassingsbereik van de afdeling waarin het is opgenomen. Wel wijkt artikel 4.24 op een aantal punten af van het oude artikel 4.37a. Allereerst is het opschrift ten opzichte van artikel 4.37a gewijzigd in ‘toepasselijkheid’ om duidelijker te maken wat het artikel regelt. In artikel 4.24 wordt daarnaast gesproken over asbeststof in plaats van asbest of asbesthoudende producten, zoals in het voormalige artikel 4.37a het geval was. Hiervoor is gekozen om de tekst van het artikel beter te laten aansluiten op de Asbestrichtlijn. In artikel 3 van de Asbestrichtlijn staat namelijk dat deze van toepassing is op werkzaamheden waarbij er sprake is of kan zijn van blootstelling aan asbeststof. Het eerste lid bepaalt dat artikel 4.16, eerste en tweede lid niet van toepassing zijn. Volgens die leden worden bij ministeriële regeling grenswaarden vastgesteld of anders moet de werkgever die vaststellen. Voor asbest geldt dit niet, omdat de grenswaarde is opgenomen in artikel 4.25 van dit besluit. Voorheen was het niet van toepassing zijn van artikel 4.16, eerste en tweede lid, geregeld in artikel 4.37b. Het tweede lid van artikel 4.24 bevat een ondergrens voor de toepasselijkheid van de paragrafen 2 tot en met 5 van de afdeling. Deze ondergrens was voorheen opgenomen in artikel 4.37c. Daarin werd verwezen naar artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest. In plaats van een verwijzing naar het Productenbesluit, is in het tweede lid de ondergrens nu volledig uitgeschreven. Pagina 172 van 294 De ondergrens in artikel 4.37c was bepalend voor het van toepassing zijn van alle bepalingen in de afdeling. Op grond van artikel 4.24 is de ondergrens nu alleen nog maar bepalend voor het van toepassing zijn van de paragrafen 2 tot en met 5 van de afdeling. Dit betekent dat de voorschriften in paragraaf 1 ook van toepassing zijn als de ondergrens niet wordt gehaald. Omdat de grenswaarde in paragraaf 1 staat, is die nu dus nadrukkelijk ook van toepassing op concentraties asbest onder de ondergrens. Dat is belangrijk omdat heel lage concentraties asbest in sommige gevallen tot een hoge blootstelling kunnen leiden, zoals in onderdeel 3.4 van het algemeen deel van deze toelichting is uitgelegd. Ook is de ondergrens nu alleen van toepassing op asbesthoudende producten. In het oude artikel 4.37c was de ondergrens ook van toepassing op asbest. Als er echter wordt gewerkt met zuiver asbest, dan zal er in de praktijk altijd aan de ondergrens worden voldaan. Het heeft daarom geen toegevoegde waarde om de ondergrens ook van toepassing te verklaren op asbest. Als er wordt gewerkt met zuiver asbest, dan is de gehele afdeling op deze werkzaamheden van toepassing. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de ondergrens van toepassing is op de specifieke asbesthoudende producten waarmee wordt gewerkt. Als een asbesthoudend product onderdeel uitmaakt van een bouwwerk of object, dan moet worden nagegaan of de asbestconcentraties van het betreffende product de ondergrens van 100 mg per kilogram droge stof overschrijdt. Er moet dus niet worden gekeken naar de concentraties asbest van het gehele bouwwerk of object. De ondergrens wordt gehaald als de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal de concentratie amfibool asbest in het asbesthoudende product meer bedraagt dan honderd milligram per kilogram droge stof. Deze concentraties moeten, op grond van het derde lid van artikel 4.24, worden vastgesteld volgens een methode die in de Arboregeling is beschreven. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het tweede en derde lid niet verplichten tot het telkens vaststellen van de aanwezige concentraties asbest in een product. Dit zal alleen nodig zijn in die situaties waarin er twijfel bestaat of de ondergrens wordt gehaald. Als op voorhand duidelijk is dat een product concentraties asbest bevat boven de ondergrens, dan hoeft niet te worden vastgesteld of de ondergrens ook daadwerkelijk wordt overschreden. Artikel 4.25 Voorheen: artikel 4.46 Inhoudelijke wijzigingen In het oude artikel 4.46 waren de grenswaarden opgenomen die van toepassing waren bij het werken met asbest. Hierbij werd een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de concentratie chrysotiel en anderzijds de gezamenlijke concentratie actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet (amfibool asbest). Voor beide concentraties gold een grenswaarde van 2.000 vezels per kubieke meter, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag. Vanwege de afschaffing van de indeling in risicoklassen bestaat er geen noodzaak meer tot het behouden van aparte grenswaarden voor chrysotiel enerzijds en amfibool asbest anderzijds. In artikel 4.25, dat in de plaats is getreden van het oude artikel 4.46, is daarom nog maar één grenswaarde opgenomen die geldt voor alle typen asbestvezels Pagina 173 van 294 waarop afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit van toepassing is. Deze grenswaarde bedraagt 2.000 asbestvezels per kubieke meter, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag. In de praktijk leidt dit niet tot een verandering, aangezien voor het onderscheid tussen werkzaamheden in risicoklasse 1 of 2, en daarmee de te nemen maatregelen, de totale concentratie asbestvezels in de lucht al leidend was. De voor risicoklasse 2A geldende bijzondere regels met betrekking tot de eindbeoordeling zijn daarnaast gehandhaafd in het nieuwe artikel 4.55 dat gaat over de eindbeoordeling. Het is voor de praktijk erg belangrijk dat dit artikel wordt toegepast in combinatie met de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19 van het Arbobesluit. Het is immers niet de bedoeling dat de concentratie asbestvezels op de werkplek niet meer verder wordt teruggedrongen indien deze concentratie zich onder de grenswaarde bevindt. Omdat asbest een kankerverwekkende stof is, is het vanwege Richtlijn 2004/3761 en de afdelingen 1 en 2 van het Arbobesluit – die daarvan de implementatie vormen – altijd noodzakelijk om de concentratie asbestvezels in de lucht zo ver onder de grenswaarde te brengen als technisch mogelijk is. Artikel 4.26 Nieuw artikel Een minimale eis voor alle werknemers die tijdens hun werkzaamheden in aanraking komen of kunnen komen met asbest of asbesthoudende producten, is dat zij voorlichting krijgen over de eigenschappen van asbest en de in relatie tot de arbeid relevante asbesthoudende producten. Dit is een aanvulling op de verplichting van de werkgever volgens artikel 4.10d om voorlichting te bieden aan werknemers die kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Het doel van de voorlichting is dat werknemers het asbest en de asbesthoudende producten waar zij tijdens hun werkzaamheden mee in aanraking zouden kunnen komen, kunnen herkennen. Hiermee kan worden voorkomen dat bij het verrichten van werkzaamheden asbeststof wordt geproduceerd en dat handelingen met asbest of asbesthoudende toepassingen worden verricht door werknemers die niet de hiervoor vereiste opleiding als bedoeld in artikel 4.30 hebben. Ook kan het voorkomen dat asbest of asbesthoudende toepassingen worden verwijderd, terwijl hierop de vergunningplicht van artikel 19a van de Arbowet van toepassing is. Voor werknemers waarvan het de bedoeling is dat zij asbest en asbesthoudende producten kunnen herkennen en op grond daarvan afzien van werkzaamheden daaraan, volstaat de asbestherkenning als bedoeld in artikel 4.26. Voor werknemers die wel werkzaamheden aan asbest zullen verrichten of werkzaamheden verrichten die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof, zijn tevens de bepalingen over aanvullende voorlichting en onderricht in paragraaf 2 van toepassing. Voor werknemers die geen werkzaamheden met of aan asbest zullen verrichten, ligt de focus op het leren herkennen van en bewust zijn over de risico’s van asbest. Het primaire doel daarvan is het voorkomen dat deze werknemers onbewust werkzaamheden aan asbest verrichten. 61 Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad). Pagina 174 van 294 Artikel 4.27 Nieuw artikel Artikel 4.27 is nieuw en bepaalt in het eerste lid op welke werkzaamheden paragraaf 2 van toepassing is. Deze werkzaamheden bestaan uit twee categorieën: werkzaamheden met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal en werkzaamheden die onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof. Bij de eerste categorie (onderdeel a) gaat het om werkzaamheden waarbij er concrete handelingen worden verricht met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal. Werkzaamheden waarbij een werknemer stuit op asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal, zonder hier iets mee te doen, vallen dus niet onder deze categorie. Voorbeelden van werkzaamheden in deze categorie zijn asbestverwijderingswerkzaamheden, het bewerken van asbest, het verrichten van laboratoriumonderzoek naar asbesttoepassingen en het in ontvangst nemen van asbesthoudend afval. Bij asbestverdacht materiaal gaat om materialen waarvan nog niet duidelijk is of zij asbest zijn of producten waarvan nog niet duidelijk is of hierin asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Omdat in deze gevallen de kans bestaat dat het asbestverdachte materiaal ook daadwerkelijk asbest of een asbesthoudend product blijkt te zijn, zijn de voorschriften in paragraaf 2 ook van toepassing op werkzaamheden met of aan asbestverdacht materiaal. Hiermee wordt gewaarborgd dat als het betreffende materiaal achteraf bezien toch asbest of een asbesthoudend product blijkt te zijn, de relevante voorschriften met betrekking tot het werken met asbest en asbesthoudende producten, zijn nageleefd. Dit is ook in lijn met het principe uit de Asbestrichtlijn dat als er ook maar de geringste twijfel bestaat over de aanwezigheid van asbest, de van toepassing zijnde bepalingen van de Asbestrichtlijn moeten worden gevolgd. De tweede categorie (onderdeel b) betreft werkzaamheden, anders dan werkzaamheden in de eerste categorie, die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof. Dit zijn werkzaamheden waar een (mogelijke) blootstelling aan asbeststof onvermijdelijk is om de werkzaamheden te kunnen verrichten. Een werknemer heeft in dit geval, anders gezegd, niet de mogelijkheid om af te zien van het verrichten van de werkzaamheden en de daarmee gepaard gaande blootstelling aan asbeststof of het risico daarop. Een voorbeeld van werkzaamheden in deze categorie is het houden van toezicht op de naleving van de voorschriften in deze afdeling op een locatie waar asbest wordt verwijderd. Om dit toezicht deugdelijk te kunnen uitoefenen, zal de toezichthouder die deze werkzaamheden verricht zich moeten begeven op de locatie waar de verwijderingswerkzaamheden worden verricht. De toezichthouder loopt hierbij het risico om te worden blootgesteld aan asbeststof, maar kan er vanwege de aard van zijn werkzaamheden niet voor kiezen om niet naar de locatie van de verwijderingswerkzaamheden te gaan: het is immers zijn taak om toezicht te houden en het bezoeken van de locatie is vereist om dit goed te kunnen doen. Een ander voorbeeld van werkzaamheden die vallen in deze categorie, is het uitvoeren van een asbestinventarisatie op locatie door een asbestinventariseerder. Ook in dit geval bestaat er een risico op blootstelling aan asbeststof die niet kan worden vermeden, vanwege de aard van de te verrichten werkzaamheden. Pagina 175 van 294 Op de tweede categorie van werkzaamheden zijn niet alle bepalingen van paragraaf 2 van toepassing. De bepalingen waar het om gaat, zijn opgenomen in het eerste lid, onderdeel b. Het gaat daarbij om bepalingen die niet passend zijn of niet kunnen worden toegepast bij deze categorie van werkzaamheden. In aanvulling daarop bepaalt onderdeel b dat de bepalingen van paragraaf 2 alleen gelden voor zover, gelet op de aard van de werkzaamheden, naleving van de relevante bepalingen in redelijkheid mogelijk is. Dit houdt in dat als iemand werkzaamheden verricht die behoren tot deze categorie, maar vanwege zijn werkzaamheden (redelijkerwijs) niet kan voldoen aan een of meer niet-uitgezonderde bepalingen in paragraaf 2, deze bepalingen buiten toepassing kunnen blijven. De formulering van de uitzondering maakt het mogelijk om in elke situatie een individuele afweging te maken. Tegelijkertijd moet deze uitzondering restrictief worden uitgelegd: slechts als het in alle redelijkheid niet mogelijk is om in de gegeven situatie aan een of meer bepalingen te voldoen, kan een succesvol beroep op deze uitzondering worden gedaan. Een voorbeeld hiervan is wanneer de toezichthouder in de uitoefening van haar toezichtstaak onmiddellijk moet ingrijpen en om die reden niet aan alle voorschriften die eigenlijk op hem van toepassing zijn, kan voldoen. Hierbij geldt dat puur financiële overwegingen geen reden kunnen zijn om bepalingen niet na te leven. Vanwege het voorgaande, zijn de regels in paragraaf 2 (en de daaropvolgende paragrafen van deze afdeling) niet van toepassing op werknemers die weliswaar worden blootgesteld of kunnen worden blootgesteld aan asbest, maar deze blootstelling niet het resultaat is van werkzaamheden die behoren tot een van de hiervoor beschreven categorieën. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan werknemers die kantoorwerkzaamheden verrichten en worden blootgesteld aan asbeststof door een beschadigde asbestwandplaat in de ruimte waarin zij werkzaam zijn. Op deze passieve blootstelling is daarentegen wel artikel 4.25 van toepassing. Dit betekent dat de werkgever er ook in deze gevallen voor moet zorgen dat werknemers in ieder geval niet worden blootgesteld aan een asbestconcentratie in de ingeademde lucht van meer dan 2.000 vezels per m3 en, gelet op de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19, de concentratie asbestvezels in de lucht zo ver als technisch mogelijk is onder de grenswaarde moet brengen. In aanvulling daarop, zullen werknemers die geen werkzaamheden verrichten waarop paragraaf 2 van toepassing is, ook moeten voldoen aan artikel 4.26 als zij als onderdeel van hun werkzaamheden in aanraking komen of kunnen komen met asbest of asbesthoudende producten. Hiermee kan worden voorkomen dat werknemers handelingen verrichten met asbest of asbesthoudende producten, terwijl daarbij niet wordt voldaan aan de voorschriften in paragraaf 2. Het tweede lid van artikel 4.27 breidt de reikwijdte van het begrip ‘gevarenzone’ uit, zoals dit wordt gebruikt in artikel 4.19, eerste lid. Dit houdt in dat de verplichtingen in artikel 4.19, eerste lid, onderdelen b en c, niet alleen gelden voor gevarenzones die zich binnen een bedrijf of inrichting bevinden, maar ook daarbuiten, zoals in woningen, schepen of openbare terreinen. Gelet op artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Asbestrichtlijn waren in het geval van het werken met asbest, de verplichtingen in artikel 4.19, eerste lid, onderdelen b en c, al van toepassing op dergelijke gevarenzones buiten bedrijven of inrichtingen. Met het tweede lid wordt dit nu expliciet vastgelegd in het Arbobesluit. Pagina 176 van 294 Het derde lid verklaart de taaleis in artikel 1.5ha van overeenkomstige toepassing op de werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is. Dit betekent dat degenen die deze werkzaamheden verrichten, de Nederlandse taal moeten beheersen op het niveau dat nodig is om de werkzaamheden op verantwoorde wijze te kunnen verrichten, dan wel een andere gemeenschappelijke taal waarmee alle bij de arbeid betrokkenen de werkzaamheden op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van de taaleis in artikel 1.5ha op werkzaamheden met asbest geeft een invulling aan de taaleis in artikel 31 van de Algemene wet erkenning beroepskwalificaties. De taaleis, bedoeld in dat artikel, geldt ten aanzien van gereglementeerde beroepen. De werkzaamheden met asbest waarop paragraaf 2 van toepassing is, vallen onder deze noemer, nu er op grond van de Asbestrichtlijn en de arboregelgeving eisen gelden om deze werkzaamheden te mogen verrichten. Artikel 4.28 Voorheen: artikel 4.37b Technische wijziging Artikel 4.28 komt inhoudelijk overeen met het oude artikel 4.37b en bepaalt dat in plaats van bepaalde artikelen uit de voorgaande afdelingen, bepaalde artikelen uit deze afdeling moeten worden toegepast. Wel is de nummering van de artikelen in deze afdeling die moeten worden toegepast, aangepast, vanwege de nieuwe opzet van deze afdeling. Artikel 4.37b was onderverdeeld in vijf leden. Ten behoeve van de leesbaarheid is er nu voor gekozen om de artikelen die in plaats van andere artikelen moeten worden toegepast, op te nemen in een tabel. Artikel 4.29 Voorheen: artikel 4.45a Technische wijziging Dit artikel is, tezamen met artikel 4.10d, eerste lid, de implementatie van artikel 17, eerste lid, van de Asbestrichtlijn, waarin een verplichting tot het geven van voorlichting is opgenomen. Op grond van artikel 4.10d zal aan alle werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, doeltreffende voorlichting moeten worden gegeven over in ieder geval de in dat artikel genoemde onderwerpen. Op grond van dit artikel zal daarnaast voor werkzaamheden waarop paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is, doeltreffende voorlichting moeten worden gegeven over de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarde. Onderdeel a van het oude artikel 4.45a, waarin de verplichting was opgenomen om voorlichting te geven over de mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof, komt niet terug in artikel 4.29. Dit omdat de verplichting om over dit onderwerp voorlichting te geven reeds voortvloeit uit artikel 4.10d, eerste lid, onderdeel a. Dit artikel bevat tot slot een verwijzing naar artikel 4.10d, om de relatie met dat artikel te verduidelijken. Pagina 177 van 294 Artikel 4.30 Voorheen: artikel 4.45b Inhoudelijke wijzigingen In dit artikel is de verplichting voor werkgevers opgenomen om aan werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij zij worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, een passende opleiding aan te bieden. Ook bevat dit artikel de eisen die aan deze opleiding worden gesteld. Deze verplichting en de eisen die worden gesteld aan de opleiding zijn een implementatie van artikel 14 van de Asbestrichtlijn. De Wijzigingsrichtlijn heeft de eisen die aan de opleiding worden gesteld op een aantal punten gewijzigd en aangevuld, met name in een nieuwe bijlage I bis bij de Asbestrichtlijn. Deze aanvullingen en wijzigingen zijn verwerkt in dit artikel van het Arbobesluit. Het eerste lid verplicht werkgevers om ervoor te zorgen dat werknemers die werkzaamheden verrichten waarop paragraaf 2 van toepassing is, een passende opleiding hebben gevolgd. Dit is een bestaande verplichting die door de Wijzigingsrichtlijn niet is veranderd. Wel is deze verplichting ten opzichte van het oude artikel 4.45b, eerste lid, stelliger geformuleerd: op grond van artikel 4.45b, eerste lid, diende de werkgever een passende opleiding te verzorgen. Om te benadrukken dat de werknemer de opleiding ook moet hebben afgerond, heeft het eerste lid nu als eis dat de opleiding moet zijn gevolgd. Dat de opleiding passend moet zijn, houdt onder andere in dat de duur van de opleiding moet zijn afgestemd op de werkzaamheden van de betrokken werknemers en voor werknemers gemakkelijk te begrijpen moet zijn. De eis dat de opleiding moet zijn toegespitst op het kennisniveau van de werknemer is een bestaande eis. De overige eisen die in het eerste lid worden genoemd, zijn ontleend aan het gewijzigde artikel 14 en de nieuwe bijlage I bis van de Asbestrichtlijn. Daarnaast is de frequentie waarmee de opleiding moet worden verzorgd, die voorheen was opgenomen in artikel 4.45b, eerste lid, ondergebracht in een apart artikellid. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat naast de verplichting in het eerste lid voor de werkgever om een passende opleiding aan te bieden, er ook een verplichting is voor de werknemer om deze te volgen. Dit volgt uit artikel 11, aanhef en onderdeel d, van de Arbowet. De Wijzigingsrichtlijn heeft de frequentie waarmee de opleiding dient te worden verzorgd, aangepast. Deze gewijzigde frequentie is nu opgenomen in het tweede lid van dit artikel. Een opleiding dient aan het begin van een arbeidsrelatie plaats te vinden en met regelmatige tussenpozen te worden herhaald. Hoelang deze tussenpozen duren, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden en de risico’s die de werknemer hierbij loopt. Een tussenpoos dient hoe dan ook korter te zijn dan drie jaar, aangezien op grond van artikel 4.35, eerste en tweede lid, een in het Register gezond en veilig werken met asbest geregistreerde opleiding of, indien slechts één opleiding is geregistreerd, de gehele registratie, van rechtswege komt te vervallen indien de opleiding niet binnen een periode van drie jaar is herhaald. De werkgever zal zijn werknemers daarnaast een nieuwe opleiding moeten laten volgen wanneer hij aanvullende opleidingsbehoeften vaststelt. Van aanvullende opleidingsbehoeften zal in de praktijk onder meer sprake zijn bij ontwikkelingen inzake Pagina 178 van 294 het werken met asbest, zoals nieuwe werkwijzen, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, of een relevante wijziging in wet- en regelgeving. Het kan voorkomen dat een werknemer na het afronden van een opleiding die een werkgever hem heeft aangeboden, overstapt naar een andere werkgever. In dat geval hoeft de werknemer niet opnieuw een opleiding te volgen als de opleiding die hij eerder volgde voldoende is voor de werkzaamheden die hij voor zijn nieuwe werkgever verricht. Wel geldt in alle gevallen het vereiste dat de opleiding met regelmatige tussenpozen moet worden herhaald. Als een opleiding bijvoorbeeld normaal gesproken na zes maanden moet worden herhaald en een werknemer stapt twee maanden na het afronden van een opleiding over naar een andere werkgever waar hij dezelfde werkzaamheden zal verrichten, dan moet de betreffende werknemer vier maanden na de overstap de door hem gevolgde opleiding herhalen. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat als de werknemer in het voorbeeld ook nog andere werkzaamheden met asbest verricht bij zijn nieuwe werkgever en op deze werkzaamheden de opleidingseis van artikel 4.30 van toepassing is, hij voor deze werkzaamheden moet worden opgeleid. In het derde lid van artikel 4.30 zijn inhoudelijke eisen opgenomen die gelden voor de opleiding als bedoeld in dit artikel. Deze eisen komen grotendeels overeen met de reeds bestaande eisen die al waren gebaseerd op de Asbestrichtlijn. De wijzigingen ten opzichte van de reeds bestaande eisen worden hierna benoemd en zijn alle afkomstig uit de Wijzigingsrichtlijn. Nieuw ten opzichte van de bestaande eisen is allereerst de eis dat de opleiding moet bestaan uit een theorie- en een praktijkgedeelte. Daarnaast zal in de opleiding ook aandacht moeten worden besteed aan het toepasselijke recht inzake het werken met asbest. Van werkgevers wordt hiermee verwacht dat hun werknemers op de hoogte zijn van de geldende regels op het gebied van het werken met asbest. Verder zal de opleiding aandacht moeten besteden aan de aangewezen rol, de keuze, selectie, de beperkingen en het juiste gebruik van beschermingsmiddelen in het algemeen, in plaats van enkel in relatie tot ademhalingsapparatuur. Daarbij moet echter wel in het bijzonder aandacht worden besteed aan ademhalingsapparatuur. Het vierde lid bevat een aanvullende opleidingseis voor werknemers die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden zullen verrichten. Aan hen zal een opleiding moeten worden aangeboden waarin niet alleen aandacht wordt besteed aan de onderwerpen in het derde lid, maar ook het gebruik van technologische apparatuur en machines om het vrijkomen en de verspreiding van asbestvezels tijdens de arbeid te beperken. Dit is een aanvullende eis die ook afkomstig is uit de Wijzigingsrichtlijn. De aanvullende opleidingseis in het vierde lid geldt ook voor werknemers die werkzaamheden zullen verrichten bestaande uit het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen. Dit zijn werkzaamheden die vallen onder het begrip verwijderen van asbest. Vanwege de aard van deze werkzaamheden en het feit dat in deze situatie zowel de werknemers als anderen worden of kunnen worden blootgesteld aan mogelijk grote hoeveelheden asbeststof, is het van groot belang dat de werknemers die de opruimwerkzaamheden zullen verrichten, deugdelijke kennis hebben van apparatuur en machines die erop zijn gericht om de (verdere) verspreiding van asbestvezels te beperken. Pagina 179 van 294 Het vijfde lid kent een drietal eisen waaraan moet worden voldaan alvorens een werknemer werkzaamheden mag verrichten waarbij hij aan asbeststof wordt of kan worden blootgesteld. De eerste eis is dat de werknemer een opleiding moet hebben afgerond die voldoet aan dit artikel en de eventuele op grond van het achtste lid gestelde nadere eisen dan wel over beroepskwalificaties moet beschikken die op grond van de criteria in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, gelijk te stellen zijn aan een zodanige opleiding. Het begrip ‘beroepskwalificaties’ heeft hier dezelfde betekenis als in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Dit betekent dat ook beroepservaring kan worden betrokken bij de toetsing van de gelijkwaardigheid. Het zwaartepunt van de gelijkwaardigheidstoetsing zal echter liggen bij de in het buitenland afgeronde opleidingen van de werknemer. Dat de opleiding moet voldoen aan de eisen die bij of krachtens dit artikel zijn gesteld, betekent onder meer dat de opleiding zal moeten zijn toegespitst op het beroep, de taken, het kennisniveau en de ervaring van de betreffende werknemer en de werkmethoden die met zijn beroep gepaard gaan. De tweede eis is dat zowel de werknemer als de door hem afgeronde opleiding moet zijn geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Onder de noemer beroepskwalificaties valt ook beroepservaring. Het Register gezond en veilig werken met asbest is echter niet bedoeld voor de registratie van beroepservaring. Gelet daarop zullen in het geval van een werknemer van wie de beroepskwalificaties zijn beoordeeld als gelijkwaardig, alleen de relevante opleidingen die onderdeel uitmaken van de beroepskwalificaties moeten zijn geregistreerd in het Register. Tot slot moet de werknemer in het bezit zijn van een bewijs van deze registratie. Deze laatste twee eisen maken het mogelijk om relatief eenvoudig na te gaan of een werknemer over de voor zijn werkzaamheden vereiste opleiding beschikt. Met het oog op het toezicht door de toezichthouder, bepaalt het zesde lid dat het bewijs van registratie of een afschrift hiervan, op de arbeidsplaats aanwezig moet zijn. Op grond van artikel 22 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties mogen aan personen die vanuit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland gereglementeerde werkzaamheden in Nederland willen verrichten (dienstverrichters), in beginsel geen beperkingen wegens beroepskwalificaties worden gesteld. Daarnaast zijn deze personen op grond van artikel 24 van die wet vrijgesteld van de inschrijving in een bij of krachtens de wet ingesteld register. Om deze redenen is in het zevende lid bepaald dat het vijfde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid van dit artikel niet van toepassing zijn op dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning beroepskwalificaties. Wel zal er bij deze werkzaamheden nog moeten worden voldaan aan de eisen die de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties stelt aan het verrichten van deze werkzaamheden. Dit kan voor bepaalde werkzaamheden de verplichting inhouden om voor aanvang van de werkzaamheden de beroepskwalificaties te laten controleren op grond van artikel 27 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, maar van deze mogelijkheid zal vooralsnog geen gebruik worden gemaakt. Pagina 180 van 294 Het achtste lid biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de opleidingen, bedoeld in dit artikel. Bij deze regels kan in ieder geval worden gedacht aan concretiseringen van de onderwerpen in het derde lid en een nadere invulling van het begrip ‘regelmatige tussenpozen’. Bij het formuleren van de nadere regels kan onderscheid worden gemaakt naar bijvoorbeeld beroepen, sectoren of soorten opleidingen. Daarnaast kunnen de nadere regels een verplichting inhouden om een opleiding met een examen af te ronden. Artikel 4.31 Nieuw artikel Op grond van artikel 4.30, tweede lid, moeten opleidingen die zijn vereist om werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, te verrichten, met regelmatige tussenpozen worden herhaald en daarnaast wanneer aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld. In plaats van het in zijn geheel opnieuw volgen van een opleiding, geeft artikel 4.31 werknemers de mogelijkheid om door middel van onderwijsactiviteiten aan deze verplichtingen te voldoen. Dit sluit aan bij het stelsel van permanente educatie, zoals dit gold voor de Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA) en de Asbestdeskundige (ADK). Het eerste lid van artikel 4.31 bepaalt dat aan de eis van het met regelmatige tussenpozen herhalen van een opleiding, ook kan worden voldaan door het volgen van onderwijsactiviteiten, anders dan een opleiding. Het begrip ‘onderwijsactiviteiten’ is een breed begrip: dit kunnen losse opleidingsmodules, trainingen en cursussen zijn, maar bijvoorbeeld ook praktijkdagen of stages bij andere werkgevers. In het eerste lid zijn twee aanvullende voorwaarden opgenomen om middels onderwijsactiviteiten te kunnen voldoen aan de hiervoor genoemde verplichting tot herhaling van de opleiding. Allereerst moet het gaan om onderwijsactiviteiten die zijn gevolgd vanaf het moment waarop de eerste of een eerdere opleiding is afgerond tot en met het moment dat deze opleiding moet zijn herhaald op grond van artikel 4.30, tweede lid. Aangezien artikel 4.31, eerste lid, een alternatieve manier is om te voldoen aan de verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding in artikel 4.30, tweede lid, zal het geheel aan onderwijsactiviteiten dat door een werknemer is gevolgd, vergelijkbaar moeten zijn met het opnieuw hebben gevolgd van een opleiding die aan alle relevante eisen voldoet. De tweede aanvullende voorwaarde is daarom dat de onderwijsactiviteiten die in deze periode zijn gevolgd, tezamen gelijkgesteld moeten kunnen worden met een opleiding die voldoet aan de vereisten in artikel 4.30, eerste, derde en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels. De gelijkstelling aan een opleiding ziet op het geheel aan gevolgde onderwijsactiviteiten. Het is, anders gezegd, dus niet zo dat elke individuele onderwijsactiviteit bijvoorbeeld aandacht moet besteden aan alle onderwerpen, genoemd in artikel 4.30, derde lid, of uit een theorie- en een praktijkgedeelte moet bestaan. Wel is het van belang dat op het moment dat de opleiding uiterlijk moet zijn herhaald, alle gevolgde onderwijsactiviteiten tezamen gelijk te stellen zijn aan een opnieuw gevolgde opleiding. Dit betekent onder meer dat het geheel aan gevolgde onderwijsactiviteiten de werknemer moet hebben voorzien van de nodige kennis en vaardigheden voor het verrichten van de Pagina 181 van 294 werkzaamheden en uit theorie- en praktijkelementen moet hebben bestaan. Ook moeten de onderwijsactiviteiten toegespitst zijn geweest op het beroep en de taken van de werknemer, en de specifieke werkmethoden die met zijn beroep gepaard gaan. Het tweede lid ziet op de situatie dat een werknemer onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid heeft gevolgd om te voldoen aan de verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding. Als de gevolgde onderwijsactiviteiten gelijk te stellen zijn aan een opleiding en de werknemer dus voldaan heeft aan de hiervoor genoemde verplichting, dan kan hij aan de eerstvolgende plicht tot herhaling van de opleiding voldoen door ofwel het volgen van een volwaardige opleiding ofwel het volgen van onderwijsactiviteiten, anders dan een opleiding, die aan een opleiding gelijk kunnen worden gesteld. Een vraag die zich hierbij kan voordoen, is vanaf welke datum er is voldaan aan de verplichting tot het herhalen van de opleiding en of dit nog binnen de termijn valt waarbinnen de opleiding had moeten zijn herhaald. Om hier geen onduidelijkheden over te laten ontstaan, bepaalt het tweede lid dat in deze situatie de nieuwe uiterste datum van het herhalen van de opleiding moet worden bepaald aan de hand van de voorgaande uiterste datum voor herhaling. Indien een werknemer ervoor kiest om opnieuw met onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid te voldoen aan de verplichting tot het herhalen van de opleiding, dan mogen, op grond van het tweede lid, alleen onderwijsactiviteiten die zijn gevolgd in de hiervoor genoemde periode in aanmerking worden genomen. Als bijvoorbeeld een opleiding elk jaar moet worden herhaald en de werknemer heeft aan deze plicht tot herhaling voldaan door het volgen van onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid, dan zal hij, als hij opnieuw op deze wijze aan de plicht tot herhaling wil voldoen, onderwijsactiviteiten moeten volgen in een periode die een jaar na het volgen van de eerste opleiding begint en een jaar daarna afloopt. Het derde lid bepaalt dat de Minister van Werk en Participatie beoordeelt of een set aan onderwijsactiviteiten gelijk kan worden gesteld aan een opleiding. Deze beoordeling vindt alleen op verzoek plaats. Dit verzoek moet worden gedaan door de werkgever of de werknemer, gelijktijdig met een verzoek tot registratie van een of meer onderwijsactiviteiten. Doordat de beoordeling alleen op verzoek plaatsvindt, hoeven werkgevers en werknemers niet in één keer een set aan onderwijsactiviteiten te laten registeren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Zij kunnen er ook voor kiezen om elke onderwijsactiviteit los te laten registreren of een aantal onderwijsactiviteiten per keer. Op het moment dat een werkgever of werknemer van mening is dat de onderwijsactiviteit of -activiteiten die hij wil laten registreren, tezamen met eerder geregistreerde onderwijsactiviteiten, gelijk te stellen zijn aan een opleiding, kan hij een verzoek tot beoordeling indienen. De Minister zal vervolgens nagaan of er inderdaad sprake is van een set onderwijsactiviteiten die aan een opleiding kan worden gelijkgesteld. Hierbij kijkt hij naar alle onderwijsactiviteiten die zijn afgerond in de periode, bedoeld in het eerste dan wel het tweede lid. Het tweede lid, onderdeel b, geeft de Minister van Werk en Participatie de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen voor de beoordeling als hiervoor bedoeld. Zoals aangegeven in het onderdeel, moeten deze redelijk, evenredig en in verhouding tot de door hem gemaakte kosten zijn, de gemaakte kosten niet overschrijden, en het laten registreren van onderwijsactiviteiten niet ontmoedigen. Pagina 182 van 294 Het kan voorkomen dat een of meer onderwijsactiviteiten die onderdeel uitmaken van de beoordeling, zijn afgerond in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en aldaar zijn verzorgd door een erkende opleider of instructeur. Deze onderwijsactiviteiten komen in aanmerking voor registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest (vijfde lid, onderdeel c, subonderdeel 2) en moeten dus worden meegenomen in de beoordeling. Het tweede lid, onderdeel c, bepaalt dat in dit geval de beoordeling plaatsvindt overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Het vierde lid maakt het mogelijk om door middel van onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid te voldoen aan de verplichting tot het opnieuw volgen van een opleiding bij aanvullende opleidingsbehoeften. Hierbij is het van belang dat de gevolgde onderwijsactiviteiten voorzien in de aanvullende opleidingsbehoefte. Is dit het geval, dan wordt de werknemer die deze onderwijsactiviteiten heeft gevolgd, geacht te voldoen aan de eis tot herhaling van de opleiding in artikel 4.30, tweede lid, vanwege een aanvullende opleidingsbehoefte. Het vijfde lid verklaart een aantal artikelen van overeenkomstige toepassing. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 4.30, vijfde lid, met de aanvullende voorwaarde over de toepassing van onderdeel a van dit artikellid, heeft tot gevolg dat een werknemer die onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid heeft gevolgd om te voldoen aan de verplichting tot herhaling van de opleiding, zijn werkzaamheden na het verstrijken van de uiterste datum voor herhaling van de opleiding pas mag voortzetten als de voor die datum gevolgde onderwijsactiviteiten gelijk te stellen zijn aan een opleiding die voldoet aan de bij of krachtens artikel 4.30 gestelde regels en in het Register gezond en veilig werken met asbest zijn geregistreerd. In het geval van een aanvullende opleidingsbehoefte mogen de werkzaamheden pas worden voortgezet zodra de onderwijsactiviteiten die voorzien in de aanvullende opleidingsbehoefte zijn afgerond en zijn geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. In beide gevallen zal de werknemer ook moeten beschikken over een bewijs van deze registratie. Vanwege de samenhang met het vijfde lid, zijn ook het zesde en zevende lid van artikel 4.30 van overeenkomstige toepassing verklaard. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing verklaart zodat bij ministeriële regeling ook nadere regels kunnen worden gesteld over de onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en vierde lid. Onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en vierde lid moeten net als opleidingen worden verzorgd door een erkende opleider of, in het geval van opleidingen en onderwijsactiviteiten die zijn verzorgd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, een in dat land erkende opleider of instructeur. Voor onderwijsactiviteiten die zijn verzorgd in Nederland, is de erkenningseis geregeld door de artikelen 4.32 en 4.33 van overeenkomstige toepassing te verklaren. Voor onderwijsactiviteiten die zijn verzorgd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is dit opgenomen als een voorwaarde voor registratie van de onderwijsactiviteit(en) in het vijfde lid, onderdeel c, subonderdeel 2. Een onderwijsactiviteit die niet is verzorgd door een erkende opleider of instructeur, mag niet worden meegenomen bij het bepalen of een geheel aan onderwijsactiviteiten gelijk Pagina 183 van 294 te stellen is aan een opleiding respectievelijk of de onderwijsactiviteit of- activiteiten voorzien in een aanvullende opleidingsbehoefte. Van onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en vierde lid wordt niet verwacht dat zij voldoen aan alle eisen die aan een opleiding worden gesteld. De erkenningsvoorwaarde in artikel 4.32, tweede lid, onderdeel a, is op grond van het vijfde lid, onderdeel b, daarom niet van toepassing op aanvragen om te worden erkend als opleider ten aanzien van een of meer onderwijsactiviteiten. Wel zullen de onderwijsactiviteiten moeten voldoen aan de regels die op grond van artikel 4.30, achtste lid, zijn gesteld en van toepassing zijn op de betreffende onderwijsactiviteiten. De bevoegdheid om op grond van het hiervoor genoemde artikellid regels te stellen over onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en derde lid, komt voort uit het van overeenkomstige toepassing verklaren van dit artikellid. Bij de invulling van de erkenningscriteria, bedoeld in artikel 4.32, tweede lid, onderdelen b en c, zal rekening worden gehouden met de aard en omvang van de onderwijsactiviteiten, nu onderwijsactiviteiten op deze punten verschillen van een volwaardige opleiding. Onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en vierde lid moeten, vanwege het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 4.30, vijfde lid, in het Register gezond en veilig werken met asbest worden geregistreerd. De artikelen 4.34, eerste lid, vierde lid, onderdelen a en c, en het zesde en zevende lid, 4.35 en 4.36, zijn daarom van overeenkomstige toepassing verklaard. Door het niet van toepassing laten zijn van artikel 4.34, tweede en derde lid, zullen de werkgever of de werknemer zelf een verzoek tot registratie van de onderwijsactiviteiten moeten indienen bij de partij die namens de Minister van Werk en Participatie het Register gezond en veilig werken met asbest beheert. Dit beperkt de uitvoeringslasten van de aanbieders van onderwijsactiviteiten en maakt het mogelijk om een geheel aan onderwijsactiviteiten in één keer te laten registreren. Artikel 4.34, vierde lid, bevat de situaties waarin de Minister van Werk en Participatie zelf overgaat tot registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest. Alleen de onderdelen a en c van dit lid zijn van overeenkomstige toepassing verklaard op de registratie van onderwijsactiviteiten. Onderdeel b is niet van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat onderwijsactiviteiten altijd door de Minister worden geregistreerd. Onderdeel d is niet van toepassing, omdat in dit onderdeel naar de eisen wordt verwezen waaraan een volledige opleiding moet voldoen, terwijl onderwijsactiviteiten niet aan al deze eisen hoeven te voldoen. Artikel 4.31, vijfde lid, onderdeel c, vult de van toepassing zijnde registratiegronden in artikel 4.34, vierde lid, aan voor onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en derde lid. De Minister van Werk en Participatie registreert op grond van dit onderdeel op verzoek onderwijsactiviteiten die zijn verzorgd door een opleider die door de Minister is erkend. Daarnaast registreert hij op verzoek onderwijsactiviteiten die zijn afgerond in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, zijn verzorgd door een opleider of instructeur die in het betreffende land is erkend door een daartoe bevoegde instantie en voldoen aan de regels die op grond van artikel 4.30, achtste lid in de Arboregeling zijn opgenomen en op de betreffende onderwijsactiviteiten van toepassing zijn. Pagina 184 van 294 Artikel 4.31, vijfde lid, onderdeel d, bepaalt dat voor de toepassing van artikel 4.35, eerste en tweede lid, een registratie of geregistreerde opleiding van rechtswege vervalt indien in een periode van drie jaar geen onderwijsactiviteiten zijn geregistreerd die tezamen gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in artikel 4.30. Het laten registreren van een enkele onderwijsactiviteit of een set onderwijsactiviteiten waarvan niet is vastgesteld dat deze gelijk te stellen zijn aan een opleiding, volstaat dus niet om de vervaltermijn van drie jaar opnieuw te laten lopen. Artikel 4.32 Nieuw artikel De nieuwe bijlage I bis van de Asbestrichtlijn schrijft voor dat een opleiding moet worden gegeven door een erkend instructeur. Artikel 4.32 is de implementatie van deze verplichting. Het eerste lid bepaalt dat de opleiding ten behoeve van het werken met asbest moet worden verzorgd door een erkende opleider. De eis in het eerste lid geldt alleen voor in Nederland verzorgde opleidingen, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op dergelijke opleidingen. Het voorgaande betekent niet dat opleidingen alleen maar door een in Nederland erkende opleider mogen zijn verzorgd. Omdat de opleidingseis uit de Asbestrichtlijn, inclusief de eis dat de opleiding moet zijn gegeven door een erkende opleider, ook in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte van toepassing is, mag de opleiding ook zijn verzorgd door een erkende opleider in een van deze andere lidstaten. De Asbestrichtlijn is niet van toepassing op Zwitserland, maar de Richtlijn erkenning beroepskwalificaties (Richtlijn 2005/36/EG) wel. Om die reden komen ook opleidingen die zijn gevolgd in Zwitserland in aanmerking voor erkenning. Omdat de Asbestrichtlijn echter verplicht dat de opleiding moet zijn verzorgd door een erkende instructeur, wordt deze eis ook gehanteerd ten aanzien van opleidingen die in Zwitserland zijn gevolgd. Of een opleiding door een erkende opleider of instructeur in een van de hiervoor genoemde landen is verzorgd, zal worden getoetst bij een verzoek tot registratie van deze opleidingen in het Register gezond en veilig werken met asbest. Dit op grond van artikel 1.5j, vijfde lid in samenhang met artikel 4.36, onderdeel a, voor eerste opleidingen en, voor zover het om herhaalopleidingen of opleidingen om te voldoen aan een aanvullende opleidingsbehoefte gaat, artikel 4.34, vierde lid, onderdeel d, en vijfde lid. De Asbestrichtlijn schrijft voor dat de kwalificatie van de instructeur die de opleiding verzorgt, moet zijn erkend naar nationaal recht en de nationale praktijk. Voor opleidingen die worden verzorgd in Nederland is dit vertaald naar een erkenning op het niveau van de opleider, dat wil zeggen: de organisatie die de opleiding aanbiedt. Dit wil echter niet zeggen dat andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte ook deze vertaling maken. Om die reden mag in het geval van opleidingen die zijn verzorgd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, de opleiding ook zijn verzorgd door een instructeur die is erkend door een daartoe bevoegde instantie in het betreffende land. In Nederland zal de erkenning als opleider worden afgegeven door de Minister van Werk en Participatie. Deze erkenning is daarbij gekoppeld aan een of meer concrete opleidingen. Anders gezegd: een erkenning geeft de opleider het recht om een bepaalde opleiding te verzorgen die voldoet aan artikel 4.30 en die, bij het goed afronden hiervan, Pagina 185 van 294 werknemers het recht geeft om bepaalde asbestwerkzaamheden te verrichten. Een erkenning geeft een opleider daarnaast het recht om namens de Minister van Werk en Participatie bepaalde registraties door te voeren in het Register gezond en veilig werken met asbest en deze in bepaalde gevallen te verwijderen. Een erkenning wordt, zo volgt uit het tweede lid, op aanvraag verleend door de Minister van Werk en Participatie. De criteria voor erkenning zijn ook opgenomen in het tweede lid. Aangezien de erkenning van de opleider gekoppeld is aan opleidingen die voldoen aan de criteria van artikel 4.30, zal de opleider in ieder geval moeten aantonen dat de opleidingen ten aanzien waarvan hij als opleider wil worden erkend, voldoen aan de eisen van artikel 4.30. Ook zal de opleider moeten aantonen dat zowel hijzelf als de relevante opleidingen die hij aanbiedt, aansluiting hebben op de relevante werkvelden. Met deze eis wordt gewaarborgd dat de opleider en de opleidingen aansluiten bij de kennisbehoeften van werkgevers en werknemers in het betreffende werkveld. In onderdeel 3.2.1 van de algemene toelichting is hierover meer uitleg opgenomen. De Asbestrichtlijn vereist dat de instructeur over een erkenning beschikt. In dit artikel wordt dit zo ingevuld dat de opleider, als voorwaarde voor erkenning, over aantoonbaar deskundige instructeurs moet beschikken. Het gaat hierbij om het personeel dat in de praktijk de opleiding zal geven: zij moeten beschikken over de hiervoor benodigde kennis en didactische vaardigheden. Dit wil niet zeggen dat elke docent kennis moet hebben van elk onderdeel van de opleiding. Indien een opleiding door meerdere docenten wordt gegeven die bijvoorbeeld elk een bepaald onderwerp of thema binnen de opleiding verzorgen, dan is het van belang dat elk van hen beschikt over de benodigde kennis voor dat deel van de opleiding dat zij geven en dat zij tezamen over alle kennis beschikken die voor (het geven van) de gehele opleiding is vereist. Het is ook na erkenning aan de opleider om erop toe te zien dat de kennis en didactische vaardigheden van zijn personeel op peil blijft. Schiet hij hierin tekort, dan kan dit leiden tot intrekking van de erkenning. Voorts zal een opleider moeten kunnen aantonen dat hij voldoet of kan voldoen aan bij ministeriële regeling te bepalen organisatorische verplichtingen. Een zodanige verplichting kan bijvoorbeeld inhouden dat personen die een opleiding hebben gevolgd, een klacht moeten kunnen indienen bij de opleider. Een ander voorbeeld is de verplichting dat de opleider moet beschikken over personeel dat in staat is om bezwaar- en beroepsprocedures te voeren in relatie tot beslissingen die de opleider namens de minister zal nemen. De formulering ‘kan voldoen’ slaat op verplichtingen die pas nageleefd kunnen worden zodra de opleider zijn werkzaamheden heeft gestart, zoals de verplichtingen over de verwerking van persoonsgegevens. De te stellen organisatorische verplichtingen zullen relevant moeten zijn voor de erkenning als opleider. Het is dus niet de bedoeling dat eisen worden gesteld die geen verband houden met de verzorging van opleidingen door de opleider. Er zullen echter hoe dan ook verplichtingen moeten worden gesteld inzake het verwerken van persoonsgegevens. Dit omdat aan een opleider, indien hij wordt erkend, mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend om namens de Minister van Werk en Participatie bepaalde handelingen te verrichten in relatie tot het Register gezond en Pagina 186 van 294 veilig werken met asbest (artikel 4.34, tweede lid). De erkende opleider zal hierbij persoonsgegevens verwerken in de hoedanigheid van verwerker van de Minister van Werk en Participatie. Op grond van artikel 28 van de AVG moet in een overeenkomst of andere rechtshandeling het nodige worden vastgelegd over de relatie tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker. In dit geval wordt ervoor gekozen om dat wat op grond van artikel 28 van de AVG moet worden vastgelegd, vast te leggen in de vorm van verplichtingen waar de opleider aan moet voldoen. Als een opleider wordt erkend, dan zal hij op grond van het erkenningsvoorschrift, bedoeld in het zesde lid, onderdeel c, gehouden zijn om de verplichtingen inzake het verwerken van persoonsgegevens na te leven. Het kan zo zijn dat een opleider op het moment dat hij een aanvraag om erkenning heeft ingediend, nog niet aan een of meer van deze verplichtingen voldoet. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het voldoen aan een verplichting de nodige investeringen met zich meebrengt, maar het doen van deze investeringen redelijkerwijs niet van de opleider kan worden verwacht nog voordat hij is erkend. Om die reden kan een opleider ook worden erkend als hij op het moment van de aanvraag nog niet aan een of meer verplichtingen voldoet, maar wel aan kan tonen dat hij in staat is om hier op termijn aan te voldoen. Indien een opleider weet aan te tonen dat hij op termijn aan een verplichting kan voldoen, maar dit een langere tijd in beslag zal nemen, dan kan de Minister van Werk en Participatie overeenkomstig het vijfde lid een voorschrift verbinden aan de erkenning om te waarborgen dat de opleider ook daadwerkelijk aan de verplichting zal voldoen. Wordt door de opleider niet of niet langer aan een verplichting voldaan, dan kan de erkenning worden ingetrokken. Een laatste eis voor erkenning is dat de opleider aantoonbaar moet voldoen aan bij ministeriële regeling te bepalen voorschriften over de onafhankelijkheid van examinering. De doelstelling van onafhankelijke examinering is dat de vakbekwaamheid onafhankelijk wordt vastgesteld zonder dat daarin mogelijke andere belangen meespelen voor iedereen die betrokken is bij de constructie, beheer, afname en vaststellen van de uitkomst van het examen. Daardoor is er sprake van gelijkwaardigheid van examinering en worden de rechten en plichten geborgd van degene die examen doet. Het examineren mag uitbesteed worden aan een examenorganisatie die zich logischerwijze houdt aan dezelfde verplichtingen ten aanzien van examens als die voor erkende opleiders die uit de wet- en regelgeving voortvloeien. Als de inhoud van een opleiding wijzigt, is het niet altijd nodig om een nieuwe aanvraag om erkenning in te dienen. Of dit nodig is, hangt af van de wijzigingen die zijn doorgevoerd. Gaat het bijvoorbeeld alleen om een actualisering van bepaalde onderdelen van de opleiding, bijvoorbeeld vanwege nieuwe technologieën of werkmethoden, dan is het niet nodig om een nieuwe erkenning aan te vragen. Zijn de wijzigingen echter zodanig, dat er in feite sprake is van een nieuwe opleiding, dan zal de opleider wel een nieuwe erkenning moeten aanvragen. Doet de opleider dit niet of wordt aan hem geen erkenning verleend voor de gewijzigde opleiding, dan kan hij niet langer worden aangemerkt als een voor die opleiding erkende opleider. Als een opleider al over een erkenning beschikt en ook voor andere opleidingen wil worden erkend als opleider, dan hoeft hij in zijn aanvraag om erkenning alleen informatie op te nemen over deze andere opleidingen. De opleider hoeft dus niet Pagina 187 van 294 opnieuw aan te tonen dat hij voldoet aan alle voorwaarden ten aanzien van die opleidingen waarvoor hij al als opleider is erkend. Op grond van het derde lid moet de erkenningsaanvraag worden ingediend door middel van een door de Minister van Werk en Participatie ter beschikking gesteld formulier. Daarnaast zullen bij de aanvraag bepaalde stukken moeten worden gevoegd. De stukken waar het om gaat, zijn benoemd in de Arboregeling. Een erkenning is op grond van het vierde lid voor onbepaalde tijd geldig. Wel kan een erkenning, als hier aanleiding toe is, worden ingetrokken of geschorst op grond van het zevende respectievelijk het achtste lid. Het vierde lid bepaalt ook dat in een erkenning moet worden opgenomen voor het verzorgen van welke opleidingen de opleider is erkend. Het vijfde lid bevat een set voorschriften die aan elke erkenning moet worden verbonden. Een opleider waaraan een erkenning is verleend, zal moeten blijven voldoen aan de voorwaarden voor erkenning. Zo zal de opleider ervoor moeten zorgen dat de opleidingen ten aanzien waarvan hij is erkend, aantoonbaar aansluiting behouden met de relevante werkvelden. Ook zullen de personen die de opleidingen verzorgen hun inhoudelijke kennis en didactische vaardigheden op peil moeten houden. Om naleving van de erkenningsvoorwaarden te waarborgen, bevat het vijfde lid drie voorschriften die aan elke erkenning als opleider worden verbonden. Het voorschrift in onderdeel a behelst de verplichting voor de erkende opleider om aan de Minister van Werk en Participatie alle omstandigheden te melden die relevant zijn voor de erkenning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een grote inhoudelijke wijziging van een opleiding. Het voorschrift in onderdeel b is een verplichting voor de opleider om mee te werken aan onderzoeken van de Minister van Werk en Participatie naar de vraag of de erkende opleider nog voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. Hoe dit onderzoek eruit zal zien en hoe frequent dit wordt uitgevoerd, is aan de Minister van Werk en Participatie om te bepalen. Het kan bij een onderzoek als hier bedoeld onder meer gaan om een periodieke audit die eens in de zoveel tijd plaatsvindt. Het voorschrift in onderdeel c verplicht de erkende opleider om de inhoud van examens geheim te houden. Dit voorschrift is alleen van toepassing op opleidingen die op grond van artikel 4.30, achtste lid, met een examen moeten worden afgesloten. Het doel van dit voorschrift is voorkomen dat degenen die een zodanige opleiding volgen, op de een of andere manier kennisnemen van de inhoud van de examens. De geheimhoudingsplicht geldt niet alleen voor de erkende opleider zelf, maar ook voor de partijen die hij inschakelt om het examen af te nemen. Het zesde lid bevat aanvullend daarop de bevoegdheid om nog andere voorschriften aan de erkenning te verbinden, voor het geval dit nodig is. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een opleider wel al is erkend, maar nog niet voldoet aan een of meer van de organisatorische verplichtingen in het tweede lid, onderdeel d. Een voorschrift kan dan zijn dat aan deze verplichtingen pas hoeft te worden voldaan op een nader te bepalen datum of termijn. Dit geeft de opleider de gelegenheid om aan de verplichtingen te voldoen, zonder dat dit meteen leidt tot intrekking van zijn erkenning. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het in dit geval gaat om verplichtingen waar op het moment van erkenning nog niet aan wordt voldaan, maar waarvan wel vast is komen te staan dat de opleider hier op enig moment aan kan voldoen. Slaagt de opleider er niet in Pagina 188 van 294 om binnen de gestelde termijn of nog voor de gestelde datum aan de verplichting of verplichtingen te voldoen, dan kan dat leiden tot intrekking van de erkenning. Het zevende lid bevat gronden tot intrekking van een erkenning. Een erkenning kan op grond van dit lid geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Een gedeeltelijke intrekking kan zich voordoen als een opleider ten aanzien van meerdere opleidingen is erkend. Als blijkt dat een opleider ten aanzien van een van de door hem verzorgde opleidingen niet langer voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid, kan de erkenning voor deze opleiding worden ingetrokken en voor de overige opleidingen in stand blijven. Het achtste lid geeft de Minister van Werk en Participatie de mogelijkheid om de erkenning te schorsen in plaats van in te trekken als een opleider niet langer voldoet aan de voorwaarden in het tweede lid. Een schorsing heeft hetzelfde effect als een intrekking in die zin dat een opleider niet langer erkend is voor het verzorgen van een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 4.30. Het verschil met een intrekking is dat een schorsing slechts een tijdelijke duur heeft. Gedurende de schorsing mag een opleider wat betreft deze opleidingen ook geen nieuwe gegevens invoeren of wijzigen in het Register gezond en veilig werken met asbest. De Minister van Werk en Participatie zal in de praktijk overgaan tot schorsing in situaties dat er niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden in het tweede lid, maar er wel nog een mogelijkheid is voor de opleider om het gebrek binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het gebrek tijdig hersteld, dan zal de schorsing worden opgeheven en ‘herleeft’ de erkenning. Als daarentegen geen herstel plaatsvindt, dan zal de erkenning worden ingetrokken. Om ervoor te zorgen dat een schorsing niet voor al te lange tijd voortduurt, bepaalt het achtste lid dat een schorsing niet langer dan een jaar kan duren. Uiterlijk binnen deze termijn zal een opleider dus moeten aantonen het gebrek te hebben hersteld dat ten grondslag heeft gelegen aan de schorsing. Het negende lid geeft de Minister van Werk en Participatie de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij de opleider voor de erkenningsaanvraag. Deze kosten zullen in redelijke verhouding moeten staan tot de werkelijke kosten die de Minister van Werk en Participatie maakt voor het beoordelen van de erkenningsaanvraag. Om iedereen in staat te stellen na te gaan welke opleiders zijn erkend en voor welke opleidingen, zal de Minister van Werk en Participatie, met inachtneming van de Wet open overheid, een digitale lijst publiceren waarop deze informatie staat vermeld. Het wettelijk kader hiervoor zal de Wet open overheid zijn. Ook schorsingen en intrekkingen zullen op deze lijst worden aangetekend. Artikel 4.33 Nieuw artikel Op grond van artikel 4.32 dient een opleider een aanvraag in te dienen bij de Minister van Werk en Participatie om te worden erkend. Artikel 4.33 bevat een uitzondering op dit vereiste en wijst opleiders aan die van rechtswege over een erkenning als opleider beschikken. De aangewezen opleiders zijn opgenomen in het eerste lid. Met instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs worden opleiders bedoeld die beroepsopleidingen als bedoeld in die wet (mbo-opleidingen) verzorgen en hier bekostiging voor ontvangen uit ’s Rijks kas. Met de term ‘aanbieders van niet uit ‘s Rijks Pagina 189 van 294 kas bekostigd beroepsonderwijs’ worden opleiders bedoeld die niet door het Rijk worden bekostigd, maar die wel door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkende beroepsopleidingen verzorgen. De hiervoor genoemde opleiders worden van rechtswege erkend, omdat op hen reeds kwaliteitseisen met betrekking tot het verzorgen van opleidingen van toepassing zijn en deze eisen overeenkomen met de eisen die in artikel 4.32 aan de erkenning van opleiders worden gesteld. Het heeft dan geen toegevoegde waarde om deze opleiders een aanvraag om erkenning te laten indienen en te beoordelen of aan de eisen van artikel 4.32 wordt voldaan. De opleiders vallen daarnaast onder het toezicht van de Onderwijsinspectie waardoor is gewaarborgd dat zij naar behoren blijven functioneren. Een erkenning van rechtswege is net als een erkenning die op grond van artikel 4.32 is aangevraagd, gekoppeld aan een of meer opleidingen die voldoen aan de vereisten van artikel 4.30. Dit omvat ook de eventuele nadere eisen die aan opleidingen zijn gesteld op grond van artikel 4.30, achtste lid. Een opleider die onder de erkenning van rechtswege valt, hoeft geen aanvraag om erkenning in te dienen, maar zal wel moeten aangeven ten aanzien van welke opleidingen de erkenning moet gelden en moeten aantonen dat deze opleidingen voldoen aan de eisen die bij of krachtens artikel 4.30 aan opleidingen zijn gesteld. In de Arboregeling zal op grond van artikel 4.33, tweede lid, worden bepaald hoe de opleider dit moet aangeven en aantonen. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat met opleidingen als bedoeld in dit artikel niet alleen wordt verwezen naar volwaardige beroepsopleidingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, maar dat ook onderdelen van deze opleidingen onder dit begrip vallen. Wat van belang is, is of een beroepsopleiding of onderdeel daarvan voldoet aan de vereisten die bij of krachtens artikel 4.30 worden gesteld. Een keuzedeel kan bijvoorbeeld ook een opleiding zijn als bedoeld in dit artikel. Artikel 4.34 Nieuw artikel Artikel 4.34 bevat regels over het Register gezond en veilig werken met asbest dat is toegevoegd aan de lijst met registers in artikel 1.5j, eerste lid. Net als de andere registers in dat artikellid, is het Register gezond en veilig werken met asbest een register waarin personen zijn geregistreerd die voldoen aan bij of krachtens het Arbobesluit gestelde eisen die aan bepaalde beroepsgroepen worden gesteld. In dit geval gaat het dan om de opleidingseis in artikel 4.30 die wordt gesteld aan werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij asbeststof ontstaat of kan ontstaan. Het Register gezond en veilig werken met asbest heeft primair als doel om toezichthouders en de vergunningautoriteit inzage te geven in de opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 die een persoon heeft gevolgd. Vanwege deze beperktere functie ten opzichte van de registratie als bedoeld in afdeling 1B van hoofdstuk 1, zijn niet alle van de daarin opgenomen bepalingen van toepassing op het Register gezond en veilig werken met asbest. De bepalingen waar het om gaat, zijn opgenomen in artikel 4.36. In de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel is toegelicht waarom deze bepalingen buiten toepassing blijven. Het Register gezond en veilig werken met asbest zal formeel worden beheerd door de Minister van Werk en Participatie. Op grond van artikel 1.5k, tweede lid, zal hij een Pagina 190 van 294 verwerker aanwijzen die namens hem het register feitelijk beheert. Aan deze verwerker zal ook mandaat en machtiging worden verleend om bepaalde handelingen ten aanzien van het register te verrichten, zoals het in bepaalde gevallen verwijderen van registraties en geregistreerde opleidingen. De grondslag voor de registratie van personen en opleidingen in het Register gezond en veilig werken met asbest, is, net als bij de andere registers, artikel 1.5j, derde en vijfde lid. Op grond van het derde lid van dat artikel kunnen opleidingen worden geregistreerd die in Nederland zijn afgerond, terwijl op grond van het vijfde lid, in samenhang met artikel 4.36, onderdeel a, opleidingen kunnen worden geregistreerd die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland zijn afgerond en onderdeel uitmaakt van beroepskwalificaties waarvan overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties is vastgesteld dat zij gelijkwaardig zijn aan een Nederlandse opleiding. Het gaat in dit laatste geval alleen om opleidingen van personen die zich in Nederland vestigen of hebben gevestigd en die kunnen worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Personen die werkzaamheden verrichten in Nederland in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting als bedoeld in die wet, kunnen hun opleidingen niet laten registreren in het register, nu zij op grond van artikel 24 van de Algemene wet EU-beroepskwalificaties zijn vrijgesteld van registratieplichten. Het eerste lid bevat de gegevens die in het register worden geregistreerd. Komt een persoon al voor in het register, dan zal alleen bepaalde informatie over de door hem afgeronde opleiding in het register worden opgenomen. Deze informatie wordt opgenomen onder het unieke registratienummer waarmee de persoon in eerste instantie in het register is geregistreerd. De te registreren gegevens beperken zich tot gegevens over opleidingen. Als bij de beoordeling van beroepskwalificaties op grond van of overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties ook beroepservaring is meegenomen, dan zal deze dus niet worden geregistreerd. De opleidingen die onderdeel uitmaken van de getoetste beroepskwalificaties worden daarentegen wel geregistreerd. Met deze registratie in combinatie met de vaststelling dat de beoordeelde beroepskwalificaties gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in artikel 4.30, kan een werkgever aantonen dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4.30, vijfde lid. Voor de registratie, bedoeld in het eerste lid, hoeft niet altijd een verzoek te worden gedaan: deze zal in veel gevallen ambtshalve plaatsvinden na afronding van de opleiding. De formele verantwoordelijkheid voor alle registraties berust bij de Minister van Werk en Participatie. Om het registratieproces zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen en gegevensuitwisselingen tussen de Minister van Werk en Participatie, de aangewezen verwerker en de erkende opleiders te beperken, wordt aan door de Minister van Werk en Participatie erkende opleiders mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van Werk en Participatie bepaalde handelingen te verrichten met betrekking tot het Register gezond en veilig werken met asbest. Het gaat hierbij om het registreren van werknemers en opleidingen overeenkomstig het eerste lid, voor zover het gaat om opleidingen die de erkende opleider verzorgt, en het verrichten van handelingen die samenhangen met de verrichte registraties. De erkende opleiders waaraan mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend, zijn alleen de opleiders die hun erkenning hebben verkregen na een besluit van de Minister Pagina 191 van 294 van Werk en Participatie. Aan erkende opleiders die van rechtswege zijn erkend overeenkomstig artikel 4.33, wordt geen mandaat, volmacht en machtiging verleend. Een werknemer of werkgever die een opleiding wil laten registeren die is verzorgd door een van rechtswege erkende opleider, zal hiertoe een verzoek moeten indienen bij de Minister van Werk en Participatie op grond van het vierde lid, onderdeel a. In het geval van een opleiding die is verzorgd door een erkende opleider als bedoeld in artikel 4.32, is het deze opleider die ervoor moet zorgen dat de opleiding wordt geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Als de werknemer die de opleiding heeft afgerond nog niet voorkomt in het register, zal de opleider naast de vereiste gegevens over de opleiding, ook de in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, opgenomen gegevens moeten registreren. Het is ook aan de erkende opleider om na het afronden van de registratie een bewijs van registratie aan de werknemer te verstrekken. Dit bewijs van registratie vervult de rol van opleidingscertificaat als bedoeld in bijlage I bis van de Asbestrichtlijn en is het bewijs dat een werknemer een opleiding die voldoet aan de eisen van artikel 4.30 heeft afgerond. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het mandaat en de machtiging van een erkende opleider niet zover strekt dat hij ook opleidingen in het register mag registreren die hij niet zelf heeft verzorgd. De erkende opleider is ten aanzien van de door hem gedane registraties en geregistreerde opleidingen in bepaalde gevallen bevoegd om deze zelf ook weer te verwijderen namens de Minister van Werk en Participatie. Deze situaties staan beschreven in onderdeel b van het tweede lid. Hierbij worden zowel de registratie als de geregistreerde opleiding genoemd om duidelijk te maken dat het niet noodzakelijk is om alle gegevens uit het register te verwijderen. Als er bij een werknemer bijvoorbeeld fraude is geconstateerd ten aanzien van een van de geregistreerde opleidingen, dan kan worden volstaan met het verwijderen van deze geregistreerde opleiding uit het register in plaats van alle gegevens van de werknemer. De geregistreerde opleidingen waarbij geen grond voor verwijdering aanwezig is, kunnen zo dus in het register blijven staan. Onderdeel c van het tweede lid geeft de erkende opleider de bevoegdheid, wederom alleen met betrekking tot registraties die hij zelf heeft opgenomen in het register, om ambtshalve of op verzoek gegevens van de geregistreerde aan te passen. Hierbij gaat het om het herstel van foute of onvolledige gegevens. Na herstel van de fout wordt van de erkende opleider verwacht dat hij een nieuw bewijs van registratie verstrekt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook de partij die overeenkomstig artikel 1.5k, tweede lid, is aangewezen als verwerker voor het Register gezond en veilig werken met asbest, bevoegd is om foute of onvolledige gegevens te herstellen op grond van artikel 1.5p, eerste lid. Tot slot geeft onderdeel d de erkende opleider de bevoegdheid om namens de Minister van Werk en Participatie beslissingen te nemen in bezwaarprocedures en op te treden in beroepsprocedures. Het gaat hierbij om het voeren van het gehele proces van bezwaar, beroep en hoger beroep. Hierbij geldt wel dat deze bevoegdheid zich alleen uitstrekt tot die procedures die voortkomen uit de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met c. De erkende opleider is dus niet bevoegd om in bezwaar en beroep op te treden ten aanzien van beslissingen met betrekking tot het Register gezond en veilig werken met asbest die hij niet zelf namens de Minister van Werk en Participatie heeft genomen. Dit is vergelijkbaar met de bevoegdheden die OCW-erkende instellingen hebben in bezwaar- en beroepszaken. Pagina 192 van 294 Onderdeel d is verder een afwijking van artikel 10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar is gemandateerd aan een niet-ondergeschikte. Op grond van artikel 10:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is deze afwijking toegestaan. Hiervoor is gekozen omdat de erkende opleider in dit geval zelf veel beter dan het ministerie van SZW in staat is om de bezwaargronden inhoudelijk te beoordelen en in beroep een gedegen inbreng te geven, omdat de procedure doorgaans inhoudelijk over de opleiding zal gaan. Daarbij is overwogen dat de erkende opleider in de Wijzigingsrichtlijn en in dit implementatiebesluit een belangrijke rol speelt, en de aard van de bevoegdheid zich daarom niet verzet tegen mandatering aan de erkende opleider. Op grond van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het niet toegestaan om mandaat tot het beslissen op bezwaar te verlenen aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, op grond van mandaat heeft genomen. Om deze reden bepaalt het derde lid dat de erkende opleider ervoor moet zorgen dat beslissingen in bezwaarprocedures worden genomen met inachtneming van dit artikellid van de Algemene wet bestuursrecht. Concreet houdt dit in dat de erkende opleider ervoor moet zorgen dat beslissingen op bezwaar tegen bijvoorbeeld een weigering tot registratie worden genomen door een andere medewerker dan degene die het besluit tot weigering heeft genomen. Het is hierbij van belang dat de medewerker die het besluit op bezwaar neemt niet ondergeschikt is aan degene die het besluit in eerste aanleg heeft genomen. Deze voorwaarde geldt ook voor een erkende opleider die zzp’er is. Het vierde lid bevat vier situaties waarin de Minister van Werk en Participatie op verzoek zorgdraagt voor een registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest. Dit is een invulling voor het Register gezond en veilig werken met asbest van de bevoegdheid tot registratie die is opgenomen in artikel 1.5j, derde lid. Bij de eerste situatie gaat het om opleidingen die zijn verzorgd door een opleider die van rechtswege is erkend op grond van artikel 4.33. Bij deze opleidingen draagt niet de opleider, maar de Minister van Werk en Participatie zorg voor registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest. De werknemer die de betreffende opleiding heeft afgerond of zijn werkgever, kunnen hiertoe een verzoek tot registratie doen aan de minister. De tweede situatie ziet op het geval dat de erkenning van een opleider is geschorst of ingetrokken, maar een werknemer nog daarvoor een opleiding bij de betreffende opleider heeft afgerond. In deze situatie heeft de opleider niet langer het recht om personen en opleidingen te registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Om de opleiding toch in het Register gezond en veilig werken met asbest te laten registreren, kan de werknemer of zijn werkgever daarom een verzoek doen aan de Minister van Werk en Participatie, via de verwerker, om dit te doen. Bij de derde situatie gaat het om het opnieuw opnemen van een eerder verwijderde opleiding. Deze situatie zal zich voordoen als de volledige registratie van rechtswege is vervallen op grond van artikel 4.35, eerste lid, of als de registratie van een specifieke opleiding van rechtswege is vervallen op grond van artikel 4.35, tweede lid. Als een werknemer na het van rechtswege vervallen van zijn registratie of de registratie van een opleiding, een nieuwe opleiding heeft afgerond, die voortbouwt op een opleiding die vanwege het verval van rechtswege uit het Register is verwijderd, dan kan de Minister van Werk en Participatie deze verwijderde opleiding opnieuw registreren in het Register. Pagina 193 van 294 Hiermee wordt dan duidelijk dat de nieuw afgeronde opleiding geen los op zichzelf staande opleiding is, maar een relatie heeft met een eerder afgeronde opleiding. De vierde situatie ziet op opleidingen die zijn afgerond in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die bedoeld zijn om te voldoen aan de in artikel 4.30 opgenomen verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding respectievelijk om te voorzien in een aanvullende opleidingsbehoefte. Een registratie kan in dit geval niet plaatsvinden op grond van artikel 1.5j, vijfde lid, omdat dat artikellid alleen bedoeld is voor de eerste registratie van opleidingen voor het verrichten van bepaalde asbestwerkzaamheden. De registratiegrond in onderdeel d is bedoeld voor werknemers van wie al opleidingen in het Register gezond en veilig werken met asbest zijn geregistreerd en waarbij de te registreren opleiding voortbouwt op deze opleidingen. Op grond van het vijfde lid wordt bij de beoordeling van een verzoek om registratie op grond van het vierde lid, onderdeel d, de te registreren opleiding beoordeeld overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. De beoordeling van dergelijke buitenlandse opleidingen verloopt daardoor op dezelfde manier als wanneer iemand een buitenlandse opleiding wil laten registeren terwijl deze persoon nog niet in het Register is opgenomen of daarin nog geen opleidingen heeft staan voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden. In al deze gevallen vindt de registratie plaats op verzoek. Dit verzoek kan worden gedaan door zowel de werknemer als zijn werkgever. Als gevolg van de Wijzigingsrichtlijn bepaalt bijlage I bis van de Asbestrichtlijn nu expliciet dat na de succesvolle afronding van een opleiding, een opleidingscertificaat moet worden verstrekt waaruit dit blijkt. Dit opleidingscertificaat zal daarbij ten minste de in dezelfde bijlage van de Asbestrichtlijn genoemde elementen moeten bevatten. Artikel 4.34 geeft invulling aan deze eisen door in het zesde lid te bepalen dat Onze Minister aan de werknemer een bewijs van registratie moet verstrekken waarop alle van hem geregistreerde gegevens in het register staan vermeld. Tot deze gegevens behoren de gegevens die op grond van bijlage I bis van de Asbestrichtlijn op een opleidingscertificaat moeten worden vermeld (artikel 4.34, eerste lid, onderdelen d en e). Het bewijs van registratie vervult daarmee de rol van opleidingscertificaat als bedoeld in de Asbestrichtlijn. Als de registratie is verricht door een opleider die door de Minister van Werk en Participatie is erkend, dan zal deze opleider het bewijs van registratie verstrekken, namens de Minister van Werk en Participatie. Bij een registratie op verzoek op grond van het vierde lid zal het bewijs van registratie worden verstrekt door de partij die als verwerker is aangewezen voor het Register gezond en veilig werken met asbest, ook namens de Minister van Werk en Participatie. Het is de bedoeling dat telkens wanneer een opleiding wordt geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest, er een nieuw bewijs van registratie wordt verstrekt. Op dit bewijs moeten alle van een persoon geregistreerde gegevens staan. Op die manier beschikt een werknemer altijd over een volledig en recent overzicht van alle door hem afgeronde opleidingen. Pagina 194 van 294 Met het bewijs van registratie of het unieke registratienummer van de werknemer in het register kunnen werkgevers en werknemers richting de toezichthouder aantonen dat wordt voldaan aan de opleidingseis in artikel 4.30. De werkgever kan daarnaast het unieke registratienummer gebruiken voor de verplichting tot het doen van een arbomelding op grond van artikel 4.37, en, indien hij voornemens is om sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten, om op grond van artikel 4.58 een vergunning aan te vragen. Het zevende lid biedt de mogelijkheid om de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, die in het Register gezond en veilig werken met asbest worden opgenomen, nader in te vullen. Hiervan zal in ieder geval gebruik worden gemaakt om nader af te bakenen wat er over de inhoud van een opleiding moet worden opgenomen in het Register. Daarnaast biedt het zevende lid de mogelijkheid om nadere regels te stellen met betrekking tot de registraties die door de Minister van Werk en Participatie worden verricht. Van deze bevoegdheid zal in ieder geval gebruik worden gemaakt om te bepalen welke informatie aan de Minister van Werk en Participatie moet worden overgelegd bij een verzoek om registratie op grond van het vierde lid. Artikel 4.35 Nieuw artikel Artikel 4.35 bevat de gronden waarop een registratie of een geregistreerde opleiding worden verwijderd uit het Register gezond en veilig werken met asbest. Op grond van het eerste lid vervalt een registratie in zijn geheel, als in een periode van drie jaar er geen opleidingen zijn geregistreerd op naam van de geregistreerde. Zoals volgt uit artikel 4.30, tweede lid, en bij dat artikel is toegelicht, moeten opleidingen als bedoeld in dat artikel met regelmatige tussenpozen worden herhaald. De termijn van drie jaar in het eerste lid geeft een invulling aan het begrip ‘regelmatige tussenpozen’: hiervan is in ieder geval geen sprake meer als een werknemer drie jaar lang geen opleidingen meer heeft gevolgd. Het gevolg is dat de registratie van een werknemer ten aanzien waarvan drie jaar lang geen opleidingen zijn geregistreerd, van rechtswege komt te vervallen. Het tweede lid bevat ook een verval van rechtswege. In tegenstelling tot het eerste lid, gaat het hierbij niet om een verval van rechtswege van de gehele registratie, maar van de registratie van een concrete opleiding. Ook dit verval van rechtswege komt voort uit de hiervoor genoemde termijn van drie jaar: een werknemer die drie jaar lang geen vervolg heeft gegeven aan een bepaalde opleiding, in de vorm van bijvoorbeeld een herhaalde opleiding of het opnieuw volgen van de opleiding, wordt beschouwd als niet te hebben voldaan aan het vereiste van het met regelmatige tussenpozen volgen van een opleiding. Het gevolg is dat de registratie van de opleiding waar geen vervolg aan is gegeven, van rechtswege komt te vervallen. Indien er sprake is van opleidingen die voorafgaande aan de geregistreerde opleiding zijn geregistreerd en met deze opleiding verband houden, vervallen ook deze van rechtswege. Het tweede lid spreekt over de registratie van opleidingen ‘die verband houden met de geregistreerde opleiding’. Dit verband zal in het Register gezond en veilig werken met asbest blijken uit de aanduiding van de inhoud van de opleiding, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel d, die in het Register zal zijn opgenomen en nader zal worden uitgewerkt in de Arboregeling op grond van het zevende lid van dat artikel. Pagina 195 van 294 Op grond van het derde lid kunnen een registratie en geregistreerde opleiding ook door de Minister van Werk en Participatie uit het Register gezond en veilig werken met asbest worden verwijderd. Dit kan allereerst op verzoek van de geregistreerde zelf. Hierbij moet wel worden bedacht dat als een geregistreerde opleiding die is verzorgd door een erkende opleider op deze grond uit het Register wordt verwijderd, het niet mogelijk is om deze opleiding weer opnieuw te laten opnemen in het Register gezond en veilig werken met asbest. Er zal in dit geval dus een nieuwe, door de erkende opleider te registreren opleiding moeten worden gevolgd. Een registratie en geregistreerde opleiding kunnen daarnaast worden verwijderd als de geregistreerde is overleden. Een verwijdering op deze grond zal in de praktijk altijd neerkomen op een verwijdering van de gehele registratie en kan door de Minister van Werk en Participatie ambtshalve worden verricht. De Minister van Werk en Participatie zal echter pas tot verwijdering op deze grond overgaan, als vast is komen te staan dat de geregistreerde is overleden. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een akte van overlijden of een mededeling van de werkgever van de geregistreerde. Tot slot kan de Minister van Werk en Participatie ambtshalve een registratie of geregistreerde opleiding verwijderen als er sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 4.34, tweede lid, onderdeel b. Dit is aan de orde als een registratie onjuist is of de opleiding op frauduleuze wijze is afgerond. De Minister van Werk en Participatie zal in het geval van opleidingen verzorgd door een erkende opleider alleen van deze grond gebruikmaken, indien de erkende opleider heeft nagelaten om (tijdig) een registratie of geregistreerde opleiding op deze grond te verwijderen of als de erkenning van de opleider is geschorst of ingetrokken. Het vierde lid bepaalt dat bij een verwijdering van een registratie of geregistreerde opleiding moet worden aangetekend wat de reden hiervan is geweest en op welke datum de verwijdering heeft plaatsgevonden. Net als bij de andere registers het geval is, zal een verwijderde registratie nog maximaal vijf jaar bewaard moeten blijven. Dit om toezicht achteraf door de toezichthouder mogelijk te maken en vanwege eventuele bezwaar- of beroepszaken. Artikel 4.36 Nieuw artikel Artikel 4.36 bevat aanvullingen op twee bepalingen in afdeling 1B van hoofdstuk 1 in relatie tot het Register gezond en veilig werken met asbest. Daarnaast somt het een aantal bepalingen op die niet van toepassing zijn op het Register en is een afwijking opgenomen die gaat over de toepassing van artikel 1.5p, eerste lid. Dat sommige bepalingen uit afdeling 1B niet van toepassing zijn, komt door de beperktere functie van het Register, zoals is beschreven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.34. Hierna wordt toegelicht waarom de bepalingen die worden genoemd in dit artikel, niet op het Register van toepassing zijn. Onderdeel a is een aanvulling van artikel 1.5j, vijfde lid. Op grond van dat lid kan een persoon zich laten registreren in het van toepassing zijnde register, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, indien deze persoon een migrerend beroepsbeoefenaar is als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en op grond van die wet is aangetoond dat deze persoon over gelijkwaardige kwalificaties beschikt als de personen, Pagina 196 van 294 bedoeld in artikel 1.5j, derde lid. Onderdeel a voegt hieraan toe dat de Minister van Werk en Participatie, als onderdeel van de beoordeling op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, ook kijkt of de relevante opleidingen die onderdeel uitmaken van de te beoordelen beroepskwalificaties, zijn verzorgd door in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland erkende opleiders of instructeurs. Als hiervan sprake is en de beroepskwalificaties van de werknemer gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in artikel 4.30, dan kan deze werknemer worden geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest op grond van artikel 1.5j, vijfde lid, in samenhang met artikel 4.36, onderdeel a. In het Register zullen naast een uniek kenmerk en enige identificerende gegevens van de werknemer (artikel 4.34, eerste lid, onderdelen a tot en met c), de buitenlandse opleidingen worden geregistreerd die onderdeel uitmaken van de gelijkgestelde beroepskwalificaties. Als bij het beoordelen van de beroepskwalificaties ook is gekeken naar beroepservaring, dan zal deze niet worden geregistreerd in het Register. Het Register voorziet namelijk niet in het registeren hiervan. Artikel 1.5o, eerste lid, somt limitatief op wie er toegang hebben tot de registers, genoemd in artikel 1.5j. Aangezien bij de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de wet de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest moeten worden aangeleverd van de werknemers van een bedrijf die de vergunde werkzaamheden zullen verrichten, is het noodzakelijk dat ook de Minister van Werk en Participatie, als vergunningverlener, toegang heeft tot alle gegevens in het hiervoor genoemde register. Deze toegang heeft hij ook nodig bij het bepalen of een vergunning moet worden geschorst of ingetrokken, bijvoorbeeld omdat er signalen zijn dat een werknemer die niet daartoe was opgeleid, vergunde werkzaamheden heeft verricht. In onderdeel b is daarom bepaald dat, in aanvulling op artikel 1.5o, eerste lid, ook de Minister van Werk en Participatie toegang heeft tot de gegevens in het Register gezond en veilig werken met asbest voor de hiervoor genoemde werkzaamheden. Voor werkgevers, opdrachtgevers, de door hen gemachtigden en overige betrokkenen geldt normaal gesproken de regel dat zij alleen kunnen zien of een persoon in het Register gezond en veilig werken met asbest is geregistreerd (artikel 1.5o, eerste lid, onderdelen b en c). In het geval van het Register gezond en veilig werken met asbest zou dit neerkomen op een mededeling dat een werknemer voorkomt in het register en er dus een of meer opleidingen op zijn naam zijn geregistreerd. Omdat dit echter onvoldoende is om te bepalen voor het verrichten van welke werkzaamheden een werknemer is opgeleid, zullen de hiervoor genoemde partijen ook bij ministeriële regeling te bepalen informatie kunnen raadplegen over de opleidingen die een werknemer heeft afgerond. Er is gekozen om de te raadplegen informatie vast te leggen op het niveau van de Arboregeling, omdat zo kan worden aangesloten bij de eventuele verdere invulling van de gegevens over de opleiding en opleider, die op grond van artikel 4.34, zevende lid, in de Arboregeling kunnen worden opgenomen. Onderdeel c somt de bepalingen uit afdeling 1B van hoofdstuk 1 op die niet van toepassing zijn op het Register gezond en veilig werken met asbest. Artikel 1.5j, zevende lid, is niet van toepassing, omdat het Register gezond en veilig werken met asbest primair tot doel heeft om inzage te geven in gevolgde opleidingen. Pagina 197 van 294 De verplichting tot het alleen werkzaam zijn in de eigen sector in artikel 1.5j, zevende lid, is daarom niet aan de orde. De artikelen 1.5l en 1.5m zijn niet van toepassing, omdat in het Register gezond en veilig werken met asbest andere gegevens worden geregistreerd dan de gegevens die normaliter in de registers, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, worden geregistreerd. Aangezien afgeronde opleidingen in veel gevallen worden geregistreerd door erkende opleiders zal er daarnaast geen sprake zijn van een door een burger ingediend verzoek om registratie als bedoeld in artikel 1.5l. Tot slot is de grond tot buitenbehandelingstelling in artikel 1.5l, derde lid, niet van toepassing, nu de verwijderingsgronden waar in dat lid naar wordt verwezen niet van toepassing zijn op registraties in het Register gezond en veilig werken met asbest. Artikel 1.5n is niet van toepassing, omdat de registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest geen vastgelegde begin- en einddatum kent. Na het afronden van een opleiding zal de erkende opleider of de Minister van Werk en Participatie de datum van afronding van de opleiding registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Een opleiding die is geregistreerd in het register blijft hier vervolgens in opgenomen, tenzij deze op een van de gronden, bedoeld in artikel 4.35, uit het register wordt verwijderd. Het tweede, derde en vijfde lid van artikel 1.5p zijn niet van toepassing, omdat de gronden tot verwijdering van een registratie of opleiding uit het Register gezond en veilig werken met asbest en de bewaartermijn van gegevens na verwijdering in artikel 4.30 zijn geregeld. Het vierde lid van artikel 1.5p is niet van toepassing, omdat er geen noodzaak is tot het schorsen van een registratie in het geval van het Register gezond en veilig werken met asbest. Tot slot bevat artikel 4.36, onderdeel d, een afwijking van de verplichting in artikel 1.5p, eerste lid, tot het aanpassen van gegevens. De verplichting tot aanpassing in artikel 1.5p, eerste lid, ziet op de gegevens, bedoeld in artikel 1.5m. Omdat in het Register gezond en veilig werken met asbest de gegevens, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, worden geregistreerd in plaats van de gegevens, bedoeld in artikel 1.5m, bepaalt artikel 4.36 dat de aanpassingsverplichting in artikel 1.5p, eerste lid, voor het Register gezond en veilig werken met asbest ziet op deze gegevens. Artikel 4.37 Voorheen: artikel 4.47c, eerste tot en met derde lid Inhoudelijke wijzigingen In artikel 4 van de Asbestrichtlijn staat de verplichting tot het doen van een melding aan de toezichthouder voorafgaande aan het verrichten van werkzaamheden waarbij er sprake is van een (mogelijke) blootstelling aan asbeststof. Deze meldplicht was voorheen geïmplementeerd in het vervallen artikel 4.47c. De inhoud van artikel 4.37 is deels gelijk aan het met dit besluit vervallen artikel 4.47c. Op grond van het eerste lid moet een melding uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden worden gedaan, in plaats van twee dagen. Werkdagen zijn in dit geval maandag tot en met vrijdag. Als de werkzaamheden beginnen op een maandag kan dus niet in het daaraan voorafgaande weekend of op vrijdag een melding worden gedaan. Pagina 198 van 294 Met “aanvang van de werkzaamheden” wordt het moment bedoeld waarop de eerste handeling wordt verricht die onderdeel uitmaakt van de te verrichten werkzaamheden en waarbij blootstelling aan asbest mogelijk is. Bij een asbestverontreiniging is dit bijvoorbeeld al het geval vanaf de start van de voorbereidende werkzaamheden. Er zijn verschillende nieuwe onderdelen toegevoegd aan de verplichte Arbomelding. Het gaat dan onder andere om informatie die op grond van de Wijzigingsrichtlijn ook moet worden opgenomen in de arbomelding, namelijk de volgende onderdelen: - De specifieke zones waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden, indien relevant en als aanvulling op de plaats waar deze zullen plaatsvinden (onderdeel a) - Informatie over de bescherming en ontsmetting van werknemers, afvalverwijdering en, indien relevant, luchtverversing bij werkzaamheden in gesloten ruimten (onderdeel d) - Een lijst met de namen van de werknemers die waarschijnlijk op de arbeidsplaats zullen werken, hun registratienummer in het Register gezond en veilig werken met asbest en of de betrokken werknemers in de afgelopen drie jaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a is aangeboden (onderdelen e tot en met g) - Een overzicht van de te gebruiken uitrusting (onderdeel i) Met de ‘specifieke zones’ waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden, worden de concrete plekken op een arbeidsplaats bedoeld waar de werkzaamheden zullen worden verricht. Als de werkzaamheden bijvoorbeeld zullen worden verricht op een fabrieksterrein met meerdere bouwwerken, dan kan een beschrijving van de specifieke zone een aanduiding zijn van het bouwwerk waaraan of waarin zal worden gewerkt, met eventueel, indien van toepassing, een aanduiding van de verdieping en ruimte(n) binnen het bouwwerk (bijvoorbeeld de hal, de cv-ruimte, de machinekamer etc.). In het eerste lid, onderdeel b, is de verplichting opgenomen om de soorten en hoeveelheden asbest en asbesthoudende producten op te nemen in de melding. Deze verplichting was ook opgenomen in het oude artikel 4.47c, eerste lid, onderdeel b. Wel is onderdeel b op twee punten uitgebreid ten opzichte van de oude situatie. Allereerst is verduidelijkt dat het doorgeven van de soorten en hoeveelheden alleen ziet op asbest en asbesthoudende producten waaraan werkzaamheden worden verricht. Het is dus niet nodig om melding te doen van asbest en asbesthoudende producten waar bij de werkzaamheden die worden gemeld, niets mee zal worden gedaan. Daarnaast bepaalt onderdeel b dat de unieke aanduidingen van het betreffende asbest en de betreffende asbesthoudende producten in het inventarisatierapport moeten worden opgenomen. Dit uiteraard indien voorafgaande aan de werkzaamheden een asbestinventarisatierapport is opgesteld. Het inventarisatierapport moet op grond van het eerste lid, onderdeel j, ook worden meegestuurd met de melding. In dit asbestinventarisatierapport heeft elk asbestmateriaal en elk asbesthoudend product een eigen, unieke aanduiding (zie artikel 4.49, tweede lid, onderdeel c). Onderdeel b verplicht de werkgever om de aanduidingen van het asbestmateriaal en de asbesthoudende producten waar hij werkzaamheden aan zal verrichten, te benoemen in de melding. Aan de hand van deze aanduidingen en het inventarisatierapport kan de toezichthouder nauwkeurig nagaan op welk asbestmateriaal of welke asbesthoudende producten de werkzaamheden betrekking hebben. Pagina 199 van 294 Op grond van het gewijzigde artikel 4, derde lid, onderdeel d, van de Asbestrichtlijn moeten de individuele opleidingscertificaten van de werknemers die waarschijnlijk op de arbeidsplaats zullen werken, in de arbomelding worden opgenomen. In het eerste lid, onderdeel f, is hier invulling aan gegeven door voor te schrijven dat de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest van de betrokken werknemers, in de arbomelding moeten worden opgenomen. Hiermee kan de toezichthouder nagaan of de betrokken werknemers beschikken over de vereiste opleiding voor het verrichten van de gemelde werkzaamheden. Het hiervoor genoemde onderdeel van de Asbestrichtlijn schrijft voor dat in de arbomelding de datum van de laatste medische keuring van de bij de werkzaamheden betrokken werknemers moet worden opgenomen. In artikel 4.37 is dit zo ingevuld dat de werkgever in de arbomelding moet aangeven of de betrokken werknemers in de afgelopen drie jaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a aangeboden hebben gekregen. Voor de termijn van drie jaar is gekozen, omdat op grond van artikel 18 van de Asbestrichtlijn werknemers eens in de drie jaar in de gelegenheid moeten worden gesteld om opnieuw een medische keuring te ondergaan. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het niet nodig is om opnieuw een arbomelding te doen, als na het doen van de arbomelding zich een verandering voordoet in de werknemers die de gemelde werkzaamheden verrichten. Een nieuwe arbomelding is, net als nu het geval is, alleen nodig in de situatie, bedoeld in het tweede lid. Verder hoeft bij de beschrijving van de te verrichten werkzaamheden (onderdeel c) niet tot in detail te worden beschreven welke werkzaamheden zullen worden verricht: een globale omschrijving van de werkzaamheden volstaat. De bestaande verplichting om de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen, zijnde de implementatie van artikel 4, derde lid, onderdeel e, van de Asbestrichtlijn, is aangescherpt. Voortaan zal een werkgever een werkschema met de data en tijdstippen moeten doorgeven waarop de werkzaamheden zullen plaatsvinden. Als ook bij voorbereidende werkzaamheden asbestblootstelling kan ontstaan, zoals bij een asbestverontreiniging, worden de data en tijdstippen daarvan ook opgenomen in het werkschema. De toezichthouder weet hierdoor of de werkzaamheden op één moment plaatsvinden of verspreid zijn over een dag dan wel meerdere dagen. Uit het werkschema moet blijken op welke dagen wordt gewerkt, ook als die dagen in het weekend vallen, en wat de gebruikelijke werktijden zijn. Daarnaast zijn de naam en het adres van de werkgever toegevoegd als gegevens die in de arbomelding moeten worden opgenomen. Ook zijn vijf onderdelen toegevoegd aan de lijst met te melden informatie, die niet direct voortvloeien uit de Wijzigingsrichtlijn. Het doel van deze nieuwe onderdelen is om het toezicht door de toezichthouder te vergemakkelijken. Als er sprake is van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.47, dan zullen werkgevers op grond van onderdeel j de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 4.48, eerste lid, bij de arbomelding moeten voegen. Het onderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid en precieze locaties van asbest en asbesthoudende producten op de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht, de soorten asbest en, voor zover het asbesthoudende producten betreft, de in de producten aanwezige concentraties asbest, uitgedrukt in massapercentages. De resultaten van dit onderzoek kunnen de vorm Pagina 200 van 294 hebben van asbestdocumentatie als bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, een asbestinventarisatierapport of, in het geval van bodemwerkzaamheden, een verkennend of nader bodemonderzoek asbest. Het nieuwe onderdeel k verplicht werkgevers daarnaast om gegevens over de vaststelling van de asbestblootstelling voor de aanvang van de werkzaamheden bij de arbomelding te voegen, indien de werkzaamheden waarvoor zij een arbomelding doen, werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50 zijn. Aangezien een werkgever in beginsel gehouden is om de verwachte concentratie asbestvezels vast te stellen voorafgaande aan de werkzaamheden (artikel 4.51), zal hij een uitdraai uit het beoordelingsinstrument SMART-ns of de resultaten van een uitgevoerde meting mee moeten sturen. Is de verplichting in artikel 4.51 niet van toepassing op de werkgever, omdat hij gebruikmaakt van een erkende werkmethode, dan zal de werkgever in de arbomelding moeten aangeven welke erkende werkmethode hij zal gebruiken voor het verrichten van de werkzaamheden. Bij werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50 zal de werkgever op grond van het nieuwe onderdeel l, de naam en het unieke (vergunning)kenmerk moeten melden van de bedrijven die de werkzaamheden zullen verrichten. Voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, geldt namelijk de vergunningplicht, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet. Door het melden van de naam en het vergunningnummer kan de toezichthouder nagaan of de bedrijven die de gemelde werkzaamheden zullen verrichten, over de juiste vergunning beschikken. Onderdeel m is ook nieuw en verplicht de werkgever om het unieke nummer van de sloopmelding, bedoeld in artikel 7.10 van het Bbl, in de arbomelding op te nemen, indien voor de werkzaamheden het doen van een sloopmelding is vereist. Het unieke nummer is het nummer dat bij het doen van de sloopmelding in de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, door die voorziening wordt aangemaakt. Het gaat hier om een uniek nummer aan de hand waarvan de gedane melding kan worden geïdentificeerd. Is de sloopmelding niet via de Landelijke voorziening, maar schriftelijk ingediend, dan is het unieke nummer het nummer dat het bevoegd gezag heeft toegekend aan de ontvangen sloopmelding. Tot slot zal op grond van het nieuwe onderdeel n een werkgever in de melding moeten aangeven of er sprake is van een asbestverontreiniging. Het is niet nodig dat de werkgever omschrijft waaruit deze asbestverontreiniging bestaat: voldoende is dat hij aangeeft of er wel of niet sprake is van een zodanige verontreiniging. Wat er onder een asbestverontreiniging moet worden volstaan, volgt uit de gelijknamige begripsbepaling in artikel 4.23. Voor het overige komt de informatie in het eerste lid overeen met de informatie die op grond van het voormalige artikel 4.47c, eerste lid, moest worden gemeld aan de toezichthouder. In het tweede lid staan een aantal soorten informatie uit het eerste lid opgesomd die niet met de arbomelding te hoeven worden meegestuurd als er ook al een sloopmelding is gedaan op grond van artikel 7.10 van het Bbl. De betreffende informatie is dan namelijk al gedeeld bij de sloopmelding. Uiteraard geldt dit alleen voor zover de informatie uit de sloopmelding nog actueel is. Pagina 201 van 294 Het derde en vierde lid zijn inhoudelijk hetzelfde als het voormalige artikel 4.47c, tweede en derde lid. Van een verandering in de arbeidsomstandigheden die kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof, zal in ieder geval sprake zijn indien een toename van de blootstelling leidt tot een zwaarder beheers- of borgingsregime. Het vijfde lid is nieuw en geeft invulling aan de eis in de laatste alinea van het gewijzigde artikel 4, derde lid, van de Asbestrichtlijn. De eis houdt in dat de gegevens van de werknemers die in de arbomelding zijn opgenomen, niet langer bewaard mogen worden dan nodig is om te waarborgen dat de betreffende werknemers naar behoren zijn opgeleid. De Wijzigingsrichtlijn vereist tevens dat er bij het bewaren van de informatie rekening wordt gehouden met de langetermijneffecten van asbest op de gezondheid van werknemers. Gelet hierop is in het vierde lid opgenomen dat de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e, f en g, worden verwijderd zodra de toezichthouder heeft vastgesteld dat de betrokken werknemers naar behoren zijn opgeleid en er geen met het toezicht verband houdende redenen zijn om nog over de informatie te beschikken. Het zesde lid bevat een afwijking voor werknemers die kunnen worden aangemerkt als dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Dienstverrichters als bedoeld in dat artikel zijn personen die vanuit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland naar Nederland komen om hier bij wijze van tijdelijke en incidentele dienstverrichting werkzaamheden te verrichten. Op grond van artikel 24 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties zijn deze personen vrijgesteld van registratieplichten die in Nederland gelden. Er kan dan ook niet van de werkgever worden geëist dat hij bij de arbomelding de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest verstrekt van werknemers die zijn aan te merken als dienstverrichter. Dit zou immers neerkomen op een verplichting om deze werknemers te registreren in het register, terwijl deze werknemers van deze verplichting zijn vrijgesteld. Omdat de Asbestrichtlijn echter verplicht dat de opleidingscertificaten worden meegestuurd van de werknemers die de gemelde werkzaamheden zullen verrichten, is het wel nodig dat er enig bewijs wordt meegestuurd van de opleidingen die de betreffende werknemers hebben afgerond. Het zesde lid bepaalt daarom dat van werknemers die zijn aan te merken als dienstverrichter, een opleidingscertificaat moet worden verstrekt waaruit blijkt dat de werknemer een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 heeft gevolgd. Deze verplichting komt voor deze werknemers in de plaats van de verplichting om het registratienummer uit het Register gezond en veilig werken met asbest bij de arbomelding te voegen. Het zevende lid bevat een afwijking van de meldingstermijn in het eerste lid. De melding mag op grond van het zevende lid ook later dan twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden worden gedaan. Dit is toegestaan, indien ter bescherming van de veiligheid of gezondheid van personen of de leefomgeving, het onmiddellijk verrichten van de te melden werkzaamheden noodzakelijk is. De melding moet wel uiterlijk bij het begin van de werkzaamheden worden gedaan, omdat artikel 4, derde lid, van de Asbestrichtlijn dat voorschrijft. Er is sprake van een “noodzaak” als gelet op alle omstandigheden niet van een werkgever mocht worden verwacht dat hij ten minste twee werkdagen zou hebben Pagina 202 van 294 gewacht alvorens te beginnen met de werkzaamheden. Het gaat dus om situaties waarin snel handelen noodzakelijk is om nadelige gevolgen voor de veiligheid of gezondheid van personen of de leefomgeving te voorkomen. Een voorbeeld van een situatie waarop dit lid van toepassing is, is wanneer in de entreehal van een appartementencomplex een illegale sanering heeft plaatsgevonden waarbij een grote hoeveelheid asbestresten en asbeststof is vrijgekomen, die maakt dat de bewoners het appartementencomplex niet zonder gevaar voor hun gezondheid kunnen betreden en niet elders kunnen worden opgevangen. Een ander voorbeeld is wanneer tijdens een demonstratie in de buitenlucht asbest of asbesthoudend materiaal wordt gedumpt. In beide gevallen is het onverantwoord om van een werkgever te verlangen dat hij twee werkdagen wacht alvorens te beginnen met het opruimen van het asbest. In het eerste geval is dit omdat een de bewoners van het appartementencomplex niet zonder gevaar voor hun gezondheid hun woningen kunnen betreden, maar tegelijkertijd zij niet elders terechtkunnen. In het tweede geval omdat asbestvezels die afkomstig zijn van het gedumpte asbest, door het niet onmiddellijk nemen van maatregelen zich verder kunnen verspreiden met een grotere verontreiniging (en bijbehorende schade) tot gevolg. In artikel 4.38, tweede lid, onderdeel a, staat een aantal werkzaamheden die zijn uitgezonderd van de verplichting tot het doen van een melding als bedoeld in het eerste lid. Voor zover deze werkzaamheden ook onder het zevende lid vallen, geldt dat de vrijstelling in artikel 4.38, tweede lid, onderdeel a, voorgaat. Artikel 4.38 Voorheen: artikel 4.47c, vierde en vijfde lid Inhoudelijke wijzigingen In het oude artikel 4.47c, vierde en vijfde lid, stonden uitzonderingen op de verplichting om voor aanvang van de werkzaamheden een arbomelding te doen bij de toezichthouder. Deze uitzonderingen kwamen grotendeels overeen met de uitzonderingen op de asbestinventarisatieplicht in het voormalige artikel 4.54b. Bij de voorbereiding van dit besluit zijn de uitzonderingen op de meldplicht opnieuw tegen het licht gehouden, waarbij onder meer is gekeken naar de ruimte die de Asbestrichtlijn biedt om uitzonderingen te maken op de daarin opgenomen meldplicht. Ook is nagegaan in welke situaties het doen van een arbomelding redelijkerwijs niet mogelijk is en in welke situaties het doen van een arbomelding geen toegevoegde waarde zou hebben. Dit alles heeft geresulteerd in de uitzonderingen die zijn opgenomen in artikel 4.38. Op grond van het eerste lid hoeven werkgevers voor bepaalde werkzaamheden slechts eenmaal een arbomelding te doen aan de toezichthouder. Het gaat hierbij om werkzaamheden die een voortdurend karakter hebben en steeds op dezelfde locatie worden verricht. Voorbeelden van dergelijke werkzaamheden zijn werkzaamheden met asbest of asbesthoudende producten in een laboratorium of op een milieustraat. Omdat het in deze situaties steeds om dezelfde werkzaamheden gaat en de locatie niet verandert, heeft het geen toegevoegde waarde om telkens opnieuw een arbomelding te doen. De toezichthouder zal immers weten waar de werkzaamheden plaatsvinden en dat deze doorlopend worden verricht. Een werkgever die een eenmalige arbomelding heeft gedaan voor bepaalde werkzaamheden, zal nog steeds melding moeten doen van andere dan deze gemelde Pagina 203 van 294 werkzaamheden. Dit geldt ook als hij weliswaar dezelfde werkzaamheden zal verrichten, maar dit doet op een andere locatie dan vermeld in de eerdere arbomelding. In het tweede lid zijn twee uitzonderingen op de meldplicht opgenomen. De uitgezonderde werkzaamheden in onderdeel a, subonderdelen 1 en 2, zijn werkzaamheden verricht door hulpverleningsdiensten waaronder de politie, waarbij het vanwege de aard van de werkzaamheden feitelijk onmogelijk is om uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een arbomelding te doen, of het uiterlijk op dat moment doen van een melding redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verwacht. Deze uitzonderingen zijn een invulling van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 2, tweede lid, van de Kaderrichtlijn arbeidsveiligheid (Richtlijn 89/391/EEG). De uitzondering in onderdeel a, subonderdeel 3, is opgenomen omdat ook bij werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de levering van nutsvoorzieningen niet van de werkgever kan worden verlangd dat hij een melding doet en daarna nog twee werkdagen wacht met de uitvoering van de werkzaamheden. Dit zou bovendien voor onnodige schade kunnen zorgen in de samenleving. Het gaat bij deze uitzondering dan ook nadrukkelijk niet om onderhoudswerkzaamheden, maar om het oplossen van crisissituaties zoals een stroomstoring of een waterleidingbreuk. De werkzaamheden in onderdeel b zijn een invulling van de uitzonderingsmogelijkheden die artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn biedt. De werkzaamheden in subonderdeel 1 zijn werkzaamheden, die met een vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verricht, met uitzondering van bodemwerkzaamheden. Het gaat om werkzaamheden die vallen onder de uitzonderingsgrond in artikel 3, derde lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Asbestrichtlijn. Subonderdeel 2 en het derde lid komen tezamen overeen met de uitzondering in artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel d, van de Asbestrichtlijn. Bij de werkzaamheden waarop deze onderdelen van artikel 4.38 van toepassing zijn, gaat het bijvoorbeeld om asbestinventarisatiewerkzaamheden en het verrichten van tussentijdse metingen tijdens saneringswerkzaamheden. Artikel 4.39 Voorheen: artikel 4.45 Inhoudelijke wijzigingen Artikel 4.39 is de opvolger van het oude artikel 4.45 en is de implementatie van artikel 6 van de Asbestrichtlijn. Dit artikel bevat de preventieve maatregelen die genomen moeten worden om de blootstelling aan asbestvezels tot een zo laag mogelijk niveau te beperken. De Wijzigingsrichtlijn heeft een aantal maatregelen toegevoegd aan het betreffende artikel van de Asbestrichtlijn. Deze zijn opgenomen in artikel 4.39 en worden hierna toegelicht. Dit artikel bouwt voort op de verplichting om de blootstelling aan asbest te beperken tot een niveau dat zo laag is als technisch uitvoerbaar. Deze verplichting volgt voor asbest als kankerverwekkende stof al uit de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19, eerste lid, onderdelen a, b en c van het Arbobesluit, en is daarom niet nogmaals in dit artikel opgenomen, zoals in het oude artikel 4.45 nog wel het geval was. Om echter te benadrukken dat deze bepalingen ook in het geval van asbest onverkort van toepassing zijn, wordt in het eerste lid van artikel 4.39 naar deze artikelen verwezen. Dit geldt eveneens voor de in artikel 6 van de Asbestrichtlijn opgenomen verplichting om het aantal werknemers dat Pagina 204 van 294 wordt of kan worden blootgesteld, te minimaliseren. Deze verplichting is opgenomen in artikel 4.1c, eerste lid, onderdeel d, dat ook op werkzaamheden met asbest van toepassing is. Om dit te benadrukken, wordt in het eerste lid van artikel 4.39 ook naar deze bepaling verwezen. De verplichting van de werkgever om de blootstelling te beperken eindigt vanwege de eerdergenoemde artikelen nadrukkelijk niet op het moment dat de concentratie asbestvezels zich onder de grenswaarde bevindt. Een werkgever zal zich continu moeten inspannen om de concentratie asbestvezels in de lucht tot een zo laag mogelijk niveau te brengen. Van hem wordt verwacht dat hij in elk geval de in dit artikel genoemde maatregelen neemt en handelt overeenkomstig de artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel d, 4.17, 4.18, en 4.19, eerste lid, onderdelen a, b en c. Artikel 4.39, eerste lid, bevat de maatregelen die een werkgever in ieder geval moet nemen om de concentratie asbestvezels in de lucht zo laag mogelijk onder de grenswaarde te houden. Deze maatregelen zijn ontleend aan artikel 6 van de Asbestrichtlijn. Zoals hiervoor aangegeven, heeft de Wijzigingsrichtlijn een aantal nieuwe maatregelen aan dit artikel van de Asbestrichtlijn toegevoegd. Bij het inrichten van de werkmethoden worden op grond van de richtlijn drie maatregelen genoemd die de werkgever in het bijzonder kan nemen om het vrijkomen van asbeststof te beperken, namelijk: o de onderdrukking van asbeststof; o de afzuiging van asbeststof bij de bron; of o het continu laten neerslaan van in de lucht zwevende asbestvezels. Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld. Als er maatregelen zijn die de blootstelling aan asbeststof even goed of nog beter beperken dan de hierboven genoemde maatregelen, dan kunnen ook deze maatregelen worden toegepast. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan het afschermen van de asbestbron. SMART-ns helpt bij het kiezen voor de meest effectieve maatregelen. Werknemers dienen als gevolg van de Wijzigingsrichtlijn een passende ontsmettingsprocedure te ondergaan. Deze verplichting is opgenomen in onderdeel e van het eerste lid. De Wijzigingsrichtlijn schrijft daarnaast als nieuwe maatregel voor dat bij werkzaamheden in gesloten ruimten, adequate bescherming moet worden gewaarborgd. Deze verplichting is niet afzonderlijk opgenomen in artikel 4.39, omdat deze verplichting feitelijk al voortvloeit uit de andere verplichtingen in het Arbobesluit. De verplichtingen in de onderdelen b tot en met d zijn bestaande verplichtingen die voorheen waren opgenomen in artikel 4.45, tweede lid, onderdelen b tot en met d. Wel zijn de onderdelen b en d iets anders geformuleerd dan het voormalige artikel 4.45, tweede lid, onderdelen b en d: in die onderdelen werd namelijk gesproken over het toepassen en bewerken van asbest of asbesthoudende producten. Het toepassen van asbest is echter al geruime tijd niet meer toegestaan. Bovendien zijn de verplichtingen in de onderdelen b en d breder van toepassing dan alleen bij het bewerken van asbest. Om deze reden wordt in de onderdelen b en d nu niet meer gesproken over het ‘toepassen’ en ‘bewerken’ van asbest of asbesthoudende producten. In onderdeel b wordt in plaats daarvan nu verwezen naar installaties en uitrustingen die dienen voor het werken met asbest of asbesthoudende producten, om nog wel duidelijk te maken ten aanzien van welke installaties en uitrustingen het voorschrift in onderdeel b geldt. Pagina 205 van 294 Daarnaast werd in het voormalige onderdeel b gesproken over gebouwen die doeltreffend en regelmatig zouden moeten worden gereinigd en onderhouden. De Asbestrichtlijn spreekt echter over ruimten die doeltreffend en regelmatig moeten worden gereinigd en onderhouden. In het nieuwe onderdeel b is de verplichting tot reiniging en onderhoud daarom nu van toepassing op de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden, in plaats van het gehele gebouw. De invulling van de begrippen ‘doeltreffend’ en ‘regelmatig’ zullen afhangen van de omstandigheden van het geval. Van belang is in ieder geval dat er bij het vervoer van gereedschappen die bij de werkzaamheden worden gebruikt, geen blootstelling aan asbeststof optreedt en dat de werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is, worden gestart met schone installaties en uitrustingen. Onderdeel d verplicht werkgevers om asbesthoudende afvalstoffen zo snel mogelijk in te pakken in daartoe geschikte en gesloten verpakkingen. Hiermee wordt niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal bedoeld van zodanige dikte en sterkte dat deze niet scheurt of, indien het verzamelde asbest of de verzamelde asbesthoudende producten niet in dergelijk verpakkingsmateriaal kan respectievelijk kunnen worden verpakt, een afgesloten container. Het tweede lid is gebaseerd op het oude artikel 4.45, vierde lid. Op grond van dat lid konden bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de werkmethoden, gericht op het voorkomen van de productie en het vrijkomen van asbeststof in de lucht. Deze bevoegdheid tot het stellen van nadere regels is nu uitgebreid tot alle maatregelen die worden genoemd in het eerste lid, vanwege het grote belang daarvan om de blootstelling te beperken. Op grond van het oude artikel 4.45, derde lid, hoefden er bij werkzaamheden in risicoklasse 1 geen douches beschikbaar te zijn voor werknemers. Deze uitzondering was uniek: hij gold namelijk niet voor alle andere werkzaamheden met kankerverwekkende stoffen. Gelet hierop en gelet op de risico’s die ook werkzaamheden in wat voorheen risicoklasse 1 was met zich meebrengen, komt de hiervoor bedoelde uitzondering niet terug in artikel 4.39 of een ander artikel van het Arbobesluit. Dit betekent dat de aanwezigheid van douches ook verplicht is als werkzaamheden worden verricht die voorheen in risicoklasse 1 zouden zijn gevallen. Het gebruik van douches wordt niet verplicht gesteld, maar dit kan onderdeel zijn van de ontsmettingsprocedure die wordt genoemd in het eerste lid, onderdeel f, van dit artikel. Artikel 4.40 Voorheen: artikel 4.48a Inhoudelijke wijzigingen Dit artikel is de implementatie van artikel 12 van de Asbestrichtlijn. Het artikel is gebaseerd op het oude artikel 4.48a en bevat regels over de aanvullende maatregelen die een werkgever moet nemen als op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, verwacht kan worden dat de concentratie asbestvezels in de lucht, tijdens de werkzaamheden boven de grenswaarde zal uitkomen. Het eerste lid komt inhoudelijk overeen met het oude artikel 4.48a, eerste lid, afgezien van de verwijzing naar de grenswaarde. Omdat er nu nog maar één grenswaarde is, is de voorheen in artikel 4.48a, eerste lid, opgenomen verwijzing naar de concentraties Pagina 206 van 294 asbestvezels als fractie van de grenswaarde, vervangen door een korte verwijzing naar de grenswaarde in artikel 4.25. Het tweede lid bevat de maatregelen die een werkgever in ieder geval moet nemen om werknemers te beschermen bij een verwachte overschrijding van de grenswaarde. De maatregelen in de onderdelen a en b zijn reeds bestaande maatregelen. Wat het ter beschikking stellen van aantoonbaar passende en geschikte ademhalingsapparatuur (onderdeel a) betreft, wordt nog opgemerkt dat met het woord ‘geschikte’ niet wordt gedoeld op de vraag of het gebruik van ademhalingsapparatuur in de gegeven situatie nodig is. Bedoeld is dat uit de verschillende soorten ademhalingsapparatuur die beschikbaar zijn, de apparatuur moet worden gekozen die in de gegeven situatie het meest geschikt is. De maatregel in onderdeel c is ook een bestaande maatregel, maar is op twee punten gewijzigd. In het oude artikel 4.48a, tweede lid, onderdeel c, zag de verplichting om het verspreiden van asbeststof te voorkomen op de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden. In de huidige Asbestrichtlijn heeft deze verplichting betrekking op ‘de ruimten of werkplek waar de werkzaamheden plaatsvinden’. Dit is breder dan hoe het in de tekst van het oude artikel 4.48a, tweede lid, onderdeel c, geformuleerd was. Om deze reden wordt in het nieuwe onderdeel c nu gesproken over het ‘gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden’. Dit omvat zowel binnen- als buitensituaties. De verplichting tot het voorkomen van de verspreiding van asbeststof is daarnaast aangevuld als gevolg van de Wijzigingsrichtlijn. De Asbestrichtlijn schrijft sinds de Wijzigingsrichtlijn voor dat als er wordt gewerkt in gesloten ruimten, de werkgever ervoor moet zorgen dat er een containment wordt gebruikt. Dit houdt in dat de gesloten ruimte luchtdicht wordt gemaakt en mechanisch wordt geventileerd door afzuiging. Door een containment te gebruiken, worden met name werknemers die buiten het containment aan het werk zijn en derden beschermd tegen blootstelling aan asbeststof. Het begrip ‘afgesloten ruimten’ is afkomstig uit de Asbestrichtlijn en verwijst naar werkzaamheden die in een binnenruimte plaatsvinden, zoals een kamer in een woning, de kajuit van een boot, of in een andere afgesloten ruimte zoals een afgesloten container, tank, leiding of silo. Het gaat hierbij niet om ruimten die in hun geheel zijn afgescheiden van de buitenlucht: het enkele openzetten van bijvoorbeeld een deur of raam betekent dus niet dat er geen sprake meer is van een afgesloten ruimte. Het derde lid schrijft voor dat als ademhalingsapparatuur ter beschikking wordt gesteld, de werkgever ervoor moet zorgen dat de duur van het dragen hiervan tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt en dat wordt voorzien in regelmatige rustpauzes. In de Asbestrichtlijn is deze verplichting opgenomen in artikel 10, derde lid, dat gaat over de situatie dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden de grenswaarde wordt overschreden. Het ligt echter voor de hand dat deze verplichting ook geldt als voorafgaande aan de start van de werkzaamheden al duidelijk is dat de grenswaarde zal worden overschreden. Om deze reden en gelet op artikel 4.4, zesde lid, is het derde lid opgenomen in dit artikel. Pagina 207 van 294 Het vierde lid stelt nadere eisen aan de rustpauzes waar op grond van het derde lid in moet worden voorzien. De inhoud van dit lid komt overeen met het oude artikel 4.47a, zesde lid. Het oude artikel 4.47a zag alleen op maatregelen die moeten worden genomen bij overschrijding van een grenswaarde. Deze maatregelen zijn nu opgenomen in artikel 4.43. Het is echter niet logisch om bij een overschrijding van de grenswaarde wel nadere eisen te stellen aan de rustpauzes, maar dit niet te doen als een dergelijke overschrijding slechts kan worden verwacht, terwijl in beide gevallen door de werknemers ademhalingsapparatuur moet worden gedragen en het dragen van ademhalingsapparatuur een voor werknemers belastende maatregel is. Om deze reden is de inhoud van het oude artikel 4.47a, zesde lid, in het nieuwe artikel 4.40 opgenomen als vierde lid. Het vijfde lid, aanhef en onderdeel a, is identiek aan het derde lid van het oude artikel 4.48a. Het vijfde lid, aanhef en onderdeel b, is gebaseerd op het oude artikel 4.47a, zevende lid. In dat lid werd alleen verwezen naar de situatie dat er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging in het bedrijf aanwezig is. Echter, ook als er wel een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is, zullen, indien relevant, de rustpauzes in samenspraak moeten worden vastgesteld. In de tekst van de aanhef in combinatie met onderdeel b komt dit nu duidelijk naar voren. Het zesde lid maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling werkzaamheden aan te wijzen waarbij ervan uit mag worden gegaan dat de grenswaarde niet zal worden overschreden. Het gaat hierbij om werkzaamheden die worden verricht volgens een bij ministeriële regeling aangewezen erkende werkmethode. Dit zijn werkzaamheden waarvan kan worden verwacht dat de grenswaarde, ondanks het nemen van preventieve maatregelen, zal worden overschreden, maar waar deze overschrijding zich niet voor zal doen, als een bepaalde erkende werkmethode wordt gevolgd. De systematiek van erkende werkmethoden bouwt voort op de erkenning van werkmethoden door het Validatie- en Innovatiepunt Asbest (VIP) waarmee onder de oude regelgeving kon worden teruggeschaald van risicoklasse 2 naar risicoklasse 1. Als er sprake is van aangewezen werkzaamheden die volgens een aangewezen erkende werkmethode worden verricht, dan brengt dit met zich mee dat de werkgever de maatregelen, bedoeld in dit artikel, niet hoeft te nemen. Hij zal echter wel nog steeds bij een daadwerkelijke overschrijding van de grenswaarde de werkzaamheden moeten stilleggen overeenkomstig artikel 4.42 en vervolgens moeten handelen overeenkomstig artikel 4.43. Het zesde lid gaat daarnaast uit van een rechtsvermoeden: de werkgever zal nog steeds de in dit artikel bedoelde maatregelen moeten nemen, indien in een gegeven situatie blijkt dat ondanks het volgen van een erkende werkmethode, de grenswaarde naar verwachting zal worden overschreden. Artikel 4.41 Voorheen: artikel 4.47 Inhoudelijke wijzigingen Dit artikel is de implementatie van de artikelen 7 en 17, tweede lid, onderdeel a, van de Asbestrichtlijn en bevat de verplichting om, afhankelijk van de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, bij het verrichten van werkzaamheden met asbest, tussentijds de concentratie asbestvezels in de lucht waaraan de werknemer wordt blootgesteld te meten. In het eerste lid staat dat de meting is bedoeld om de naleving van de grenswaarde te waarborgen. Zoals ook in paragraaf 3.10 van de algemene Pagina 208 van 294 toelichting is uitgelegd betekent dit dat een meting bij sommige werkzaamheden met een laag risico niet (altijd) nodig is. In de Arbeidsomstandighedenregeling zal de meetverplichting nog wat verder worden uitgewerkt. Het artikel is gebaseerd op het vervallen artikel 4.47 en komt grotendeels met dat artikel overeen. Een van de onderdelen die ten opzichte van het vervallen artikel 4.47 is gewijzigd, is het opschrift. Dit is gedaan om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat artikel 4.41 gaat over de metingen die tussentijds moeten worden verricht. De Wijzigingsrichtlijn heeft de verplichting geïntroduceerd om de tussentijdse metingen niet alleen op gezette tijden, maar ook in specifieke operationele fasen te laten plaatsvinden. Wat deze operationele fasen zijn, zal afhankelijk zijn van de werkzaamheden die worden verricht. Het is aan de werkgever om de fasen te bepalen en voor elk van deze fasen, afhankelijk van het resultaat van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, te bepalen op welke momenten er metingen zullen worden verricht. Vanwege het doel van de tussentijdse metingen, zullen de operationele fasen enkel fasen kunnen zijn waarin de werknemer wordt of kan worden blootgesteld aan asbeststof. Het is dus niet de bedoeling dat er wordt gemeten tijdens fasen waarin geen werkzaamheden plaatsvinden met (mogelijke) blootstelling aan asbeststof. Het tweede tot en met zesde lid komen overeen met het vierde tot en met achtste lid van het vervallen artikel 4.47. De voorheen in artikel 4.47, derde lid, opgenomen bepaling over de wijze van uitvoering van de meting, is in artikel 4.41 opgenomen als het zevende lid. Dit omdat de meting chronologisch gezien pas na het nemen van monsters plaatsvindt, waar de voorgaande leden op zien. Hierbij is de term ‘meting’ vervangen door ‘telling’, om duidelijker te maken waar het lid betrekking op heeft. Dit sluit ook beter aan bij de Asbestrichtlijn, die het tevens heeft over de telling van vezels. Het zevende lid is naast het bovenstaande ook op een ander punt gewijzigd ten opzichte van artikel 4.47, derde lid. Deze aanpassing is de implementatie van het gewijzigde artikel 7, zesde lid, van de Asbestrichtlijn. Op grond van dit lid van de Asbestrichtlijn moet bij de telling van de asbestvezels die middels monsterneming zijn verzameld, gebruik worden gemaakt van elektronenmicroscopie of een andere methode, mits deze gelijkwaardige of nauwkeurigere resultaten oplevert. Dit is nu in het zevende lid opgenomen. Het achtste lid komt grotendeels overeen met het negende lid van het vervallen artikel 4.47. Nieuw is een uitzondering voor werkzaamheden die met een vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verricht: de werkgever hoeft de resultaten van de tussentijdse metingen die bij deze werkzaamheden zijn verricht, niet ter inzage aan te bieden, en hij hoeft ook geen uitleg te geven over de betekenis. In het negende lid is een bevoegdheid opgenomen om nadere regels te stellen over het eerste lid en het vijfde tot en met zevende lid. De bevoegdheid om nadere regels te stellen over de meetmethode die was opgenomen in artikel 4.47, derde lid, valt nu onder de bevoegdheid om nadere regels te stellen in het negende lid. Daarnaast mogen op grond van deze bevoegdheid nadere regels worden gesteld over de telmethode en de gezette tijden waarop de concentratie asbestvezels in de lucht moet worden gemeten. Indien nodig kan hiermee nader worden bepaald op welke momenten er in ieder geval Pagina 209 van 294 metingen moeten plaatsvinden. Ook kunnen op grond van het negende lid nadere regels worden gesteld over de monstername, de persoon die de monsters neemt, de monsteranalyse en het laboratorium dat deze analyse uitvoert. Artikel 4.42 Nieuw artikel Artikel 4.42 is de implementatie van het gewijzigde artikel 10, eerste lid, eerste en tweede alinea, van de Asbestrichtlijn. Als de concentratie asbestvezels in de lucht tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden de grenswaarde van 2.000 vezels per kubieke meter overschrijdt, moeten de werkzaamheden in de gevarenzone onmiddellijk worden stilgelegd, tenzij na een eerdere overschrijding van de grenswaarde al doeltreffende maatregelen zijn getroffen overeenkomstig artikel 4.42. Met deze uitzondering wordt voorkomen dat als het technisch niet mogelijk is om de concentratie asbestvezels terug te brengen tot onder de grenswaarde, de werkzaamheden meteen weer moeten worden stilgelegd, ook al zijn doeltreffende maatregelen getroffen om de betrokken werknemers te beschermen tegen blootstelling aan asbestvezels. Stilleggen moet ook als bij het uitvoeren van de werkzaamheden er een reden bestaat om aan te nemen dat er asbesthoudende materialen die niet voor de aanvang van de werkzaamheden waren geïdentificeerd, worden verstoord en asbeststof kunnen produceren. De stillegging ziet alleen op werkzaamheden die in de gevarenzone worden verricht. In het derde lid is opgenomen wat in dit artikel onder dit begrip moet worden verstaan. De definitie van dit begrip komt overeen met de uitgebreide definitie van het begrip gevarenzone op grond van artikel 4.27, tweede lid, namelijk elke plaats waar werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan mutagene of kankerverwekkende stoffen, of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen. Als bijvoorbeeld op een bouwplaats op meerdere plaatsen werkzaamheden met asbest plaatsvinden, dan hoeven niet al deze werkzaamheden te worden stilgelegd, maar slechts die werkzaamheden die in de gevarenzone worden verricht. Gedurende de stillegging mogen er geen werkzaamheden meer worden verricht op de betreffende arbeidsplaats. Wel mogen er handelingen worden verricht die nodig zijn om de stillegging op te heffen. In het geval van een stillegging die voortkomt uit het overschrijden van de grenswaarde, zijn dit het treffen van doeltreffende maatregelen om de concentratie asbestvezels in de lucht tot onder de grenswaarde te brengen en de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels. Als de stillegging het gevolg is van niet eerder geïdentificeerd asbest, dan zal er een nieuwe beoordeling op grond van artikel 4.2 van het Arbobesluit plaats moeten vinden. Dit houdt, gelet op artikel 4.48, ook in dat een nieuw onderzoek naar de aanwezigheid van asbest zal moeten worden verricht, al dan niet door middel van een asbestinventarisatie. Afhankelijk van het resultaat hiervan kan het zo zijn dat op grond van het Bbl een nieuwe melding moet worden gedaan. De werkzaamheden mogen na overschrijding van een grenswaarde pas weer worden hervat als er doeltreffende maatregelen zijn genomen om de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels. Hiervan kan sprake zijn als de Pagina 210 van 294 concentratie asbestvezels in de lucht weer tot onder de grenswaarde is gebracht of als er maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat werknemers bij het uitvoeren van hun werkzaamheden grote hoeveelheden asbestvezels (kunnen) inademen, zoals het ter beschikking stellen van ademhalingsapparatuur. Als een werkgever deze laatstgenoemde maatregelen neemt, dan ontslaat hem dat echter niet van zijn plicht om de concentratie asbestvezels in de lucht weer tot onder de grenswaarde te krijgen, indien dit haalbaar is. Indien de concentratie asbestvezels weer tot onder de grenswaarde is gebracht, zal een werkgever zich daarnaast moeten blijven inspannen om de concentratie asbestvezels zo laag mogelijk onder de grenswaarde te krijgen en te houden. Als er niet eerder geïdentificeerd asbest is ontdekt, dan mogen de werkzaamheden pas weer worden hervat als een nieuwe beoordeling overeenkomstig artikel 4.2 heeft plaatsgevonden. Artikel 4.43 Voorheen: artikel 4.47a inhoudelijke wijzigingen Artikel 4.43 is de implementatie van de artikelen 10, eerste lid, derde alinea, tweede en derde lid, en 17, tweede lid, onderdeel b, van de Asbestrichtlijn. Het artikel bevat minder leden dan het vervallen artikel 4.47a, omdat de regels over het hervatten van de werkzaamheden zijn overgebracht naar het nieuwe artikel 4.42 en omdat voor een aantal regels over het gebruik van ademhalingsapparatuur is verwezen naar artikel 4.40. Als de werkzaamheden zijn stilgelegd vanwege een overschrijding van de grenswaarde, dan zal de werkgever op grond van het eerste lid, net als nu het geval is, de oorzaken van deze overschrijding moeten opsporen en doeltreffende maatregelen moeten treffen om de concentratie asbestvezels terug te brengen tot onder de grenswaarde. Daarbij geldt dat zolang de concentratie asbestvezels zich boven de grenswaarde bevindt, de werkzaamheden niet mogen worden voortgezet, tenzij doeltreffende maatregelen zijn geenomen om de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels. Zoals nu al het geval is, zal een werkgever op grond van het tweede lid de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de belanghebbende werknemers in kennis moeten stellen van een overschrijding van de grenswaarde, de oorzaak daarvan en de te nemen maatregelen. Daarnaast moeten zij de gelegenheid krijgen om een oordeel te vellen over de voorgestelde maatregelen, tenzij dit vanwege de spoedeisendheid van de situatie niet mogelijk is. Indien de werkgever ademhalingsapparatuur ter beschikking stelt, moeten de voornoemde partijen daarnaast, indien relevant, worden betrokken bij het vaststellen van de rustpauzes (derde lid, tweede zin, in samenhang met artikel 4.40, vijfde lid, onderdeel b). Als het niet mogelijk is om de blootstelling aan asbestvezels met andere middelen te beperken, dan zal, overeenkomstig het derde lid, ademhalingsapparatuur ter beschikking moeten worden gesteld aan de werknemers. Het is daarbij aan de werkgever om ervoor te zorgen dat deze ademhalingsapparatuur ook daadwerkelijk door de werknemers wordt gedragen. Dat vloeit ook voort uit het eerste lid, dat vereist dat de genomen maatregelen doeltreffend zijn. De werkgever moet er uiteraard ook voor zorgen dat de ademhalingsapparatuur voldoet aan de vereisten in afdeling 1 van hoofdstuk 8 van het Arbobesluit. De werkgever zal er verder voor moeten zorgen dat de Pagina 211 van 294 duur van het dragen van de ademhalingsapparatuur voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt en wordt voorzien in regelmatige rustpauzes. Hoeveel rustpauzes nodig zijn en hoelang deze moeten duren, dient de werkgever te bepalen overeenkomstig artikel 4.40, vierde lid, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard. Indien de werkgever maatregelen als bedoeld in het eerste lid heeft genomen, rust op grond van het vierde lid op hem de verplichting om een nieuwe meting te verrichten. Deze verplichting stond voorheen in artikel 4.47a, achtste lid. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat als een werkgever doeltreffende maatregelen als hiervoor bedoeld heeft genomen en als gevolg daarvan de werknemers hun werkzaamheden weer mogen hervatten, dit niet betekent dat de werkgever geen verplichting meer heeft om de concentratie asbestvezels in de lucht tot onder de grenswaarde terug te brengen, voor zover dat haalbaar is. Deze verplichting blijft op hem rusten totdat hiervan sprake is. Daarnaast blijft de verplichting gelden om de concentratie asbestvezels zo laag als technisch mogelijk onder de grenswaarde te houden. Artikelen 4.44 tot en met 4.46 Voorheen: artikelen 4.51, 4.52 en 4.53 Deze artikelen zijn inhoudelijk grotendeels identiek aan de artikelen waarop zij zijn gebaseerd, namelijk de vervallen artikelen 4.51, 4.52 en 4.53. De artikelen 4.44 tot en met 4.46 zijn een implementatie van de volgende artikelen van de Asbestrichtlijn: - Artikel 4.44: artikel 16, eerste lid, onderdelen c en f, van de Asbestrichtlijn; - Artikel 4.45: artikel 18, tweede lid, tweede en vierde alinea, en derde lid, van de Asbestrichtlijn; - Artikel 4.46: artikel 19, tweede lid, van de Asbestrichtlijn. De voorschriften in de vervallen artikelen 4.51, 4.52 en 4.53 golden alleen voor werkzaamheden die in risicoklasse 2 of 2A vielen. Met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit gelden deze voorschriften, die nu zijn opgenomen in de artikelen 4.44 tot en met 4.46, voor alle werkzaamheden waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof. Artikel 16 van de Asbestrichtlijn biedt de mogelijkheid om dit artikel van de Richtlijn buiten toepassing te laten, indien er sprake is van werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn en wordt voldaan aan de overige voorwaarden die dat lid stelt. De Wijzigingsrichtlijn heeft geen verandering gebracht in deze uitzonderingsmogelijkheid. In artikel 4.51 werd van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door dat artikel alleen van toepassing te laten zijn op werkzaamheden in risicoklasse 2 of 2A. Bij de totstandkoming van dit besluit is opnieuw gekeken of bepaalde werkzaamheden zouden moeten worden uitgezonderd van de toepassing van de voorschriften in artikel 16, eerste lid, onderdelen c en f, waar artikel 4.51 een implementatie van was en het huidige artikel 4.44 een implementatie van is. Er is gekozen om geen werkzaamheden uit te zonderen, met name vanwege de eis in het derde lid: het is in alle gevallen belangrijk dat wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, deze deugdelijk wordt bewaard, gecontroleerd en gereinigd, en er geen defecte uitrusting wordt gebruikt. Pagina 212 van 294 Op grond van artikel 4.10a, eerste lid, moet iedere werknemer die voor de eerste keer beroepsmatig kan worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, waartoe ook asbest behoort, in de gelegenheid worden gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. In het vervallen artikel 4.52 waren enkele aanvullende voorschriften met betrekking tot dit onderzoek opgenomen die van toepassing waren indien iemand arbeid verrichte of zou gaan verrichten waarbij er sprake was van (mogelijke) blootstelling aan asbeststof. Artikel 4.53 bevatte aanvullende voorschriften, afkomstig uit de Asbestrichtlijn, met betrekking tot de registratie van werknemers die worden blootgesteld aan asbeststof. In artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn was een mogelijkheid opgenomen om bij bepaalde werkzaamheden af te wijken van artikel 18 en 19 van de Asbestrichtlijn, waar de toenmalige artikelen 4.52 en 4.53 en de huidige artikelen 4.45 en 4.46 op zijn gebaseerd. In Nederland werd van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door de voorschriften in de artikelen 4.52 en 4.53 alleen van toepassing te verklaren op werkzaamheden die waren ingedeeld in risicoklasse 2 en 2A. Als gevolg van de Wijzigingsrichtlijn is de hiervoor genoemde afwijkingsmogelijkheid echter komen te vervallen, waardoor de hiervoor bedoelde aanvullende voorschriften van toepassing zijn op alle werkzaamheden waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof. Gelet op het voorgaande en door de verplaatsing van het artikel inzake het werkplan (voormalig artikel 4.50, nu artikel 4.52) was het onderscheid in regels tussen risicoklasse 1 enerzijds en risicoklassen 2 en 2A anderzijds zo klein geworden, dat het in stand houden van de risicoklassen geen toegevoegde waarde meer had. De risicoklasse-indeling is om deze reden dan ook komen te vervallen. De artikelen 4.44, 4.45 en 4.46, waar datgene is geregeld wat eerst in de artikelen 4.51, 4.52 en 4.53 stond, zijn nu ondergebracht in paragraaf 2 van de nieuw vastgestelde afdeling 3 van het Arbobesluit. Zoals eerder aangegeven, komen de artikelen 4.44 tot en met 4.46 grotendeels overeen met de oude artikelen 4.51 tot en met 4.53. Hieronder wordt toegelicht op welke punten deze artikelen van elkaar verschillen. In het oude artikel 4.51 stond dat de werkkleding alleen buiten het bedrijf of de inrichting mocht worden gebracht om deze te laten reinigen door een daartoe adequaat uitgeruste wasserij. In artikel 4.44 is de zinsnede ‘het bedrijf of de inrichting’ vervangen door ‘arbeidsplaats’ om te verduidelijken dat de hiervoor genoemde uitzondering ook geldt als de werkkleding zich niet binnen een bedrijf of inrichting bevindt, maar op een plaats buiten een bedrijf of inrichting waar werkzaamheden worden verricht, zoals een woning waaruit asbest wordt verwijderd. Omdat er daarnaast in de praktijk veelvuldig gebruik wordt gemaakt van werkkleding die na gebruik wordt vernietigd, is in artikel 4.44, eerste lid, nu opgenomen dat de werkkleding ook buiten de arbeidsplaats mag worden gebracht om deze te laten vernietigen. In het oude artikel 4.53 stond niet expliciet vermeld op wie de verplichting tot het bijhouden van de blootstellingsregistratie rustte. In de praktijk heeft dit tot de vraag geleid of de werkgever de registratie zelf mag bijhouden en raadplegen of dat alleen een bedrijfsarts of arbodienst dit mag doen. In artikel 4.46, eerste lid, is nu verduidelijkt dat de verplichting tot het bijhouden van de blootstellingsregistratie berust bij de werkgever. De werkgever zelf mag dus de gegevens van personen vastleggen in de Pagina 213 van 294 blootstellingsregistratie en deze waar nodig raadplegen, bijvoorbeeld om inzage hierin te geven aan de arbodienst. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat bij het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.45, het in beginsel niet gaat om belastende (invasieve) onderzoeken. Wel zal de arts aandacht besteden aan de longfunctie, bijvoorbeeld met behulp van een longfunctietest. Een aandachtspunt is onder meer dat het werken met adembeschermingsmiddelen in combinatie met fysieke arbeid belastend is voor de werknemer en dit een goede algehele conditie vraagt. Onder de maatregelen die op basis van het onderzoek nodig kunnen blijken, kan dan bijvoorbeeld worden gedacht dat werkzaamheden worden verricht die fysiek minder belastend zijn. Het maken van röntgenfoto’s van longen of verder medisch onderzoek kan aan de orde zijn als daar aanleiding voor is. Artikel 4.47 Voorheen: artikel 4.54a, eerste lid Inhoudelijke wijzigingen Artikel 4.47 is samen met de artikelen 4.48 en 4.49 de implementatie van artikel 11 van de Asbestrichtlijn. Dit artikel benoemt net als het voormalige artikel 4.54a, eerste lid, de werkzaamheden waarbij eerst de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten in kaart moet worden gebracht, alvorens de werkzaamheden mogen worden verricht. De genoemde werkzaamheden in artikel 4.47 wijken op enkele punten af van de werkzaamheden die werden genoemd in artikel 4.54a, eerste lid. Ten eerste is de uitzondering voor grondwerken, die in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a, was opgenomen, nu komen te vervallen, omdat voor de identificatie van asbest en asbesthoudende producten bij grondwerken nu een bepaling is opgenomen in artikel 4.48. Daarnaast wordt de term asbestverdacht materiaal gebruikt (onderdeel b). Bij asbestverdacht materiaal gaat het, zoals volgt uit de begripsbepaling, om materiaal dat naar redelijke verwachting asbest is en om producten waarin asbest voorkomt of naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Voor deze nieuwe formulering is gekozen, omdat voorafgaande aan de werkzaamheden vaak niet vast zal staan dat er sprake is van asbest of een asbesthoudend product dat zal worden verwijderd. Door het gebruik van de term asbestverdacht materiaal wordt duidelijk dat er ook een asbestidentificatie plaats zal moeten vinden alsnog niet vaststaat dat er sprake is van asbest of een asbesthoudend product, maar wel redelijkerwijs kan worden verwacht dat dit het geval is. Het verwijderen van asbestverdacht materiaal moet breed worden opgevat. Hieronder valt bijvoorbeeld ook het opruimen van asbestverdachte materialen die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen en procesmatige reiniging van grond of baggerspecie waarin zich asbestverdacht materiaal bevindt. Nieuw ten opzichte van het oude artikel 4.54a, eerste lid, is verder dat ook een identificatie van asbest en asbesthoudende producten zal moeten worden uitgevoerd als in of aan bouwwerken of objecten onderhouds- of renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd. Ook in dit laatste geval kan sprake zijn van werkzaamheden aan asbest of Pagina 214 van 294 asbesthoudende producten. Het moet dan wel gaan om onderhouds- of renovatiewerkzaamheden waarbij eventueel aanwezig asbest of asbesthoudende producten worden beroerd waardoor blootstelling aan asbeststof kan ontstaan. Verder is nieuw dat een identificatie plaats moet vinden in het geval van het ontgraven van grond of baggerspecie uit de bodem respectievelijk uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product aanwezig is. Voorafgaande aan deze werkzaamheden zal, net als nu het geval is, een verkennend of nader bodemonderzoek asbest als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving moeten zijn uitgevoerd. Artikel 4.48 Voorheen: artikel 4.54a Inhoudelijke wijziging Artikel 4.48 maakt onderdeel uit van de implementatie van artikel 11 van de Asbestrichtlijn. In het eerste lid is invulling gegeven aan de verantwoordelijkheid van de werkgever om voor aanvang van de werkzaamheden onderzoek te doen naar de aanwezigheid en precieze locaties van asbest en asbesthoudende producten op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, de soorten asbest waar het om gaat en de massapercentages asbest in het materiaal. In het eerste lid is met de zinsnede ‘op de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht’ bedoeld dat de benodigde informatie zich mag beperken tot de asbestverdachte toepassingen waaraan zal worden gewerkt. Als er echter risico bestaat op blootstelling aan asbeststof door asbesttoepassingen waaraan niet wordt gewerkt, moeten deze ook worden betrokken. De bedoelde informatie moet worden verzameld in het kader van de beoordeling in artikel 4.2, die de werkgever verplicht om te bepalen wat de aard, mate en duur van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen zal zijn op grond waarvan passende maatregelen moeten worden genomen om die blootstelling te beperken. In het tweede lid, onderdeel a, wordt vervolgens de mogelijkheid geboden om bestaande informatie te gebruiken. Dit kan productinformatie zijn van een specifieke toepassing die asbestverdacht is. Ook kan gebruik worden gemaakt van een bronnenboek, waarin bijvoorbeeld een beheerder van een installatie in kaart heeft gebracht welke onderdelen zich daarin bevinden met een karakterisering van het asbestgehalte. Het is van belang dat de documentatie de gevraagde informatie biedt en daarvoor moet dus voldoende informatie beschikbaar zijn van de materialen en producten die mogelijk asbesthoudend kunnen zijn. Het zal dan gaan om werkzaamheden aan duidelijk afgebakende materialen en producten, zoals bijvoorbeeld een verwarmingstoestel waarvan aan de hand van het bouwjaar, merk en het type kan worden achterhaald of daarin asbest aanwezig is. Wanneer bijvoorbeeld een gebouw gedeeltelijk of geheel wordt gesloopt, met daarin mogelijk zeer uiteenlopende asbesttoepassingen, zal dergelijke informatie doorgaans niet toereikend zijn en dan is een asbestinventarisatie vereist. Artikel 4.48 bepaalt niet wie er opdracht moet geven tot het verrichten van een asbestinventarisatie. Wel is het van belang dat als er geen documentatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voorhanden is, het naar aanleiding van de inventarisatie opgestelde asbestinventarisatierapport bij de werkgever terechtkomt. Dit omdat hij op Pagina 215 van 294 grond van het tweede lid, onderdeel b, dit rapport moet raadplegen om te kunnen voldoen aan zijn onderzoeksplicht op grond van het eerste lid. Het asbestinventarisatierapport dient hierbij te zijn toegespitst op de plaats waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden. In het derde lid is een verplichting opgenomen voor andere werkgevers om op verzoek van een werkgever aan hem de documenten en andere informatie te verschaffen die hij nodig heeft voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Deze verplichting geldt alleen voor zover de werkgever waaraan het verzoek is gericht, over de gevraagde informatie beschikt. Het derde lid verplicht een werkgever waaraan een verzoek is gericht tot medewerking, maar deze verplichting gaat niet zo ver dat de werkgever geheel nieuwe documenten moet opstellen of zelf een uitgebreid onderzoek moet doen om de gevraagde informatie te verstrekken. Het vierde lid bepaalt dat een aanvullende asbestinventarisatie moet worden uitgevoerd als het vermoeden bestaat of blijkt dat het opgestelde asbestinventarisatierapport niet al het asbest of alle asbesthoudende producten bevat. Dit kan zich voordoen als tijdens de werkzaamheden, bijvoorbeeld na verwijderingswerkzaamheden, onverwachte asbestverdachte materialen of producten worden aangetroffen. Voor bodemwerkzaamheden wordt, zoals in het vijfde lid beschreven, invulling gegeven aan de asbestidentificatie via de reguliere wijze van bodemonderzoeken zoals die zijn voorgeschreven in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dergelijk bodemonderzoek bestaat uit een verkennend bodemonderzoek, met aanvullend een nader bodemonderzoek als het verkennend bodemonderzoek daartoe aanleiding biedt. De documentatie waaruit de informatie, bedoeld in het eerste lid, blijkt, moet volgens het zesde lid aanwezig zijn op de arbeidsplaats, zodat de toezichthouder deze kan controleren. Het zevende lid bevat uitzonderingen op de asbestidentificatieplicht. Op grond van het voormalige artikel 4.54b, onderdeel a, hoefde geen asbestinventarisatie te worden verricht bij werkzaamheden die werden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd dan wel vervaardigd. Deze uitzondering blijft bestaan, maar bevat nu wel een voorbehoud: er zal wel een onderzoek moeten worden verricht als er aanwijzingen zijn dat er toch asbest of een asbesthoudend product in het bouwwerk of object is toegepast. Hoewel er in beginsel van uit mag worden gegaan dat in bouwwerken en objecten van na deze datum geen asbest of asbesthoudende producten zijn toegepast, kan niet volledig worden uitgesloten dat dit toch het geval is. Door de toevoeging aan de uitzondering, zal in bepaalde gevallen ook bij werkzaamheden in of aan bouwwerken of objecten van op of na 1 januari 1994 moeten worden nagegaan of er sprake is van asbest of asbesthoudende producten voor aanvang van de werkzaamheden. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de uitzondering, net als nu het geval is, zonder meer niet van toepassing is op zeeschepen op grond van artikel 4.103. Daarnaast bevat het zevende lid, onderdeel b, een uitzondering voor werkzaamheden die zijn gericht op het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp, voor zover dit plaatsvindt door de daartoe bevoegde instanties en politie- en opsporingstaken. In dat geval moet ervan worden uitgegaan dat Pagina 216 van 294 het om asbest of een asbesthoudende toepassing gaat en moet de uitvoering van de werkzaamheden daar dus ook op worden afgestemd. Het voormalige artikel 4.54b benoemde daarnaast in de onderdelen b tot en met k nog meer uitzonderingen op de asbestinventarisatieplicht die volgde uit het voormalige artikel 4.54a. De Asbestrichtlijn biedt geen grond voor deze uitzonderingen, zodat dit artikel is vervallen. Dit betekent dat de bepalingen in deze paragraaf nu ook van toepassing zijn op deze voormalige uitzonderingssituaties. Wel kan ook in deze gevallen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om een documentonderzoek te doen en blijft er een mogelijkheid bestaan om in spoedeisende gevallen een beroep te doen op het zevende lid. Het achtste lid bevat een bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen aan de documentatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Artikel 4.49 Nieuw artikel Het eerste lid bepaalt dat een asbestinventarisatie wordt gedaan door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie. Dit was eerder zo bepaald in het vierde lid van artikel 4.54a. In het eerste lid, onderdeel b, is daarbij aanvullend voorgeschreven dat het bedrijf dat de asbestinventarisatie uitvoert, onafhankelijk moet zijn ten opzichte van degene die de werkzaamheden verricht waarvoor de asbestinventarisatie wordt uitgevoerd. Het tweede lid bepaalt welke inhoud moet worden vastgelegd in het asbestinventarisatierapport. De meeste inhoudseisen zijn ontleend aan het ‘Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering’, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit. Een verwijzing naar de categorie-indeling is hieraan toegevoegd. Deze categorie-indeling is opgenomen in de Arboregeling. In het asbestinventarisatierapport moet staan in welke categorie het betrokken asbest of asbesthoudend product vallen. Een ander belangrijk verschil ten opzichte van dit processchema is dat er geen sprake is van een standaard maximale geldigheidsduur van het asbestinventarisatierapport van drie jaar. Op grond van onderdeel j is een inventarisatierapport geldig zolang dit aansluit op de actuele situatie en de geldende regelgeving. Is hier niet langer meer sprake van, dan zal een nieuwe asbestidentificatie of -inventarisatie moeten plaatsvinden. Een inventarisatierapport kan om verschillende redenen niet meer aansluiten op de actuele situatie. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als het asbest en de asbesthoudende producten die voorkomen in het rapport, sinds het uitbrengen hiervan zijn bewerkt of gedeeltelijk zijn verwijderd. Ook verwering van een asbesthoudend product kan maken dat het inventarisatierapport niet meer aansluit op de actuele situatie. In buitensituaties met een sterke verwering van materialen, kan het daardoor zo zijn dat een inventarisatierapport maar drie jaar geldig is, omdat de mate van verwering in die periode toeneemt. Als er echter geen sprake is van verwering, kan een langere geldigheidsduur van toepassing zijn. Pagina 217 van 294 Van het niet langer aansluiten op de geldende regelgeving zal in ieder geval sprake zijn als de categorie of categorieën waarin het asbest of de asbesthoudende producten zijn ingedeeld, niet langer meer actueel zijn door een verandering in regelgeving, behoudens eventueel overgangsrecht. Dit geldt ook als in de toekomst andere inhoudelijke eisen worden gesteld aan een inventarisatierapport. Het tweede lid richt zich tot de werkgever: hij zal erop toe moeten zien dat het asbestinventarisatierapport dat aan hem worden verstrekt, ten minste de in dit lid genoemde informatie bevat, voordat hij begint met de werkzaamheden ten behoeve waarvan het inventarisatierapport is opgesteld. Artikel 4.50 Nieuw artikel Paragraaf 4 van afdeling 3 van het Arbobesluit bevat bepalingen die alleen van toepassing zijn bij de sloop van bouwwerken of objecten waarin asbest of een asbesthoudend product is toegepast en asbestverwijderingswerkzaamheden. Dit is geregeld in het nieuwe artikel. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat onder deze laatste categorie ook de werkzaamheden vallen die nodig zijn voor het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen. De werkzaamheden in artikel 4.57, derde lid, onderdeel d, zijn uitgezonderd van deze paragraaf, omdat de bepalingen hierin niet aansluiten op de manier waarop deze werkzaamheden plaatsvinden. De overige verwijderingswerkzaamheden waarop deze paragraaf wel van toepassing is, hebben een duidelijk projectmatig karakter. Dit maakt het onder andere mogelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden een blootstellingsbepaling uit te voeren, een werkplan op te stellen en een eindbeoordeling te doen na afronding van de werkzaamheden. Bij de werkzaamheden in artikel 4.57, derde lid, onderdeel d, gaat het daarentegen om continue werkzaamheden die op dezelfde locatie plaatsvinden in een afgesloten installatie. In het artikel is tevens bepaald dat artikel 4.51 van deze paragraaf niet van toepassing is op het verwijderen van asbest uit de bodem of de waterbodem. Dit komt omdat het beoordelingsinstrument, bedoeld in dat lid, niet voorziet in deze werkzaamheden en bij deze werkzaamheden geen luchtmetingen plaatsvinden. Artikel 4.51 Nieuw artikel Dit artikel is nieuw en bedoeld om te regelen dat aan de basisverplichting, het vooraf bepalen van het te verwachten blootstellingsniveau, op twee manieren kan worden voldaan bij werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is, anders dan het verwijderen van asbest uit de bodem, de waterbodem, grond of baggerspecie. Namelijk ofwel door gebruik te maken van een blootstellingsmodel dat ter beschikking wordt gesteld via een door de Minister van Werk en Participatie aan te wijzen beoordelingsinstrument, dat is ontwikkeld met gebruikmaking van eerdere meetgegevens – hiervoor zal Smart-ns in de Arboregeling worden aangewezen. Ofwel door het daadwerkelijk meten zelf waarbij de te gebruiken metingen representatief moeten zijn voor de uit te voeren werkzaamheden. Deze meetgegevens moeten tevens in het beoordelingsinstrument worden ingevoerd. Door het opnemen van dit artikel Pagina 218 van 294 wordt een al lang bestaande en geaccepteerde praktijk vastgelegd, namelijk dat er niet bij elke asbestsanering gemeten hoeft te worden als er gebruik gemaakt wordt van een instrument dat de blootstellingsschatting vooraf maakt, geformaliseerd. Hiermee kan er in vrijwel alle situaties een goede inschatting vooraf worden gemaakt van de blootstelling waaraan werknemers worden blootgesteld. In het eerste lid van dit artikel wordt verwezen naar artikel 4.39 om te verduidelijken dat altijd gekozen moet worden voor de methode die de minste blootstelling aan asbestvezels oplevert. Het adequaat vaststellen van het blootstellingsniveau, dat ontstaat door een combinatie van omstandigheden, asbestbron en werkmethode, is een verplichting die losstaat van de verplichting om te kiezen voor een werkmethode die de minste blootstelling oplevert. Eerst treft men maatregelen om de blootstelling te minimaliseren (artikel 4.39). Onderdeel daarvan is het kiezen van een werkmethode die tot zo min mogelijk blootstelling leidt. Vervolgens stelt men het blootstellingsniveau vast dat te verwachten is vast en afhankelijk van de blootstelling die ondanks de eerdere maatregelen toch ontstaat, neemt men verdere maatregelen. Deze verplichtingen bestaan ongeacht welke methode wordt gekozen voor vaststelling van het blootstellingsniveau. Op grond van het tweede lid, onderdeel a, wordt het mogelijk om voor het vooraf inschatten van het blootstellingsniveau gebruik te maken van het door de Minister van Werk en Participatie aangewezen instrument om het risico op blootstelling aan asbestvezels te bepalen. Het in onderdeel a bedoelde beoordelingsinstrument zal aangewezen worden in de Arboregeling. Daarvoor zal de Minister van Werk en Participatie het instrument SMART-ns aanwijzen. Dit instrument heeft naast het vaststellen van het blootstellingsniveau nog een andere functie, namelijk het geven van duidelijkheid over de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening. Het instrument geeft weer welke erkende werkmethoden en bronmaatregelen beschikbaar zijn en geeft inzicht in de effectiviteit in het reduceren van de blootstelling daarvan. Tevens maakt het op basis van de geschatte blootstelling het beheers- en borgingsregime inzichtelijk. In het tweede lid, onderdeel b, is de al bestaande wijze van meten opgenomen. De in onderdeel b opgenomen bepaling vereist ‘een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode’. Daarvoor wordt in de Arboregeling verwezen naar NEN 2939: Bepaling van concentratie aan respirabele asbestvezels in de lucht […]. Onderdeel b bepaalt dat het de werkgever of de opdrachtgever zelf is, die meet of laat meten volgens een genormaliseerde meetmethode. Het gaat dus om bij de asbestverwijdering direct betrokken partijen. Die betrokkenheid van werkgever of opdrachtgever is ter verduidelijking in onderdeel b opgenomen. Tevens is bepaald dat de meting specifiek moet zijn afgestemd op de werkwijze en situatie op de plaats waar de werkzaamheden met asbest plaatsvinden. Deze opzet werd ook al beoogd in de huidige situatie, maar dit leverde in de handhavingspraktijk discussies op. In het derde lid wordt bepaald dat indien gebruik wordt gemaakt van een methode als bedoeld in onderdeel b van het tweede lid, de methode uitgevoerd dient te worden door een persoon met een aantoonbare deskundigheid op het gebied van blootstellingsonderzoek. Indien de uitvoering van de meting niet gebeurt door zo’n deskundige, dient er in ieder geval een toets van die meting plaats te vinden door een persoon met deze kwalificaties. Een persoon met aantoonbare deskundigheid van Pagina 219 van 294 blootstellingsonderzoek kan in ieder geval een arbeidshygiënist zijn. Specifieke deskundigheidseisen kunnen in de Arboregeling worden opgenomen op basis van het vierde lid. In het vierde lid is een bevoegdheid opgenomen om in de Arboregeling nadere regels te stellen over het beoordelingsinstrument, de meetmethode en de deskundigheid van de persoon die het blootstellingsonderzoek uitvoert of toetst. Hier kan gebruik van worden gemaakt als dat in de handhavingspraktijk noodzakelijk zou blijken. In het vijfde lid is de verplichting opgenomen om het bewijs van de verkregen concentraties op de arbeidsplaats aanwezig te hebben. Het is van belang voor de toezichthouder om deze gegevens ter plekke vlot in te kunnen zien en de gegevens moeten in de nabijheid aanwezig zijn. Met ‘het bewijs van de vastgestelde concentraties’ wordt, indien de methode uit het tweede lid, onderdeel a, gevolgd wordt en zolang het instrument SMART-ns is aangewezen als het daar genoemde beoordelingsinstrument, de zogenoemde (in het asbestveld bekende) ‘SMART-ns-uitdraai’ bedoeld. Een vergelijkbare verplichting tot het op de arbeidsplaats aanwezig hebben van een bepaald document bestond al ten aanzien van het werkplan op grond van artikel 4.50, zesde lid, dat nu vernummerd is tot artikel 4.52, negende lid. Het zesde lid bevat een grondslag om in de Arboregeling nadere regels te stellen over de wijze van terbeschikkingstelling aan de toezichthouder, omdat meetgegevens op zichzelf niet voldoende zijn om naleving van de grenswaarden, zoals bepaald in het eerste lid, te kunnen waarborgen en beoordelen. Contextuele informatie is eveneens van groot belang voor de toezichthouder om te kunnen beoordelen of aan de verplichtingen uit dit artikel wordt voldaan en of de juiste conclusies uit de metingen worden getrokken. Op grond van het zesde lid kan daarnaast de verplichting worden opgelegd om de resultaten van de metingen in te voeren in een bij ministeriële regeling te bepalen voorziening. Deze voorziening zal het beoordelingsinstrument (Smart-ns), bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn. Op grond van het zevende lid hoeft er geen vaststelling van de blootstelling met een van de methoden in het tweede lid plaats te vinden, als er gebruik wordt gemaakt van een bij ministeriële regeling aangewezen erkende werkmethode. In dit geval volgen de verwachte concentraties asbestvezels waaraan werknemers kunnen worden blootgesteld, uit de werkmethode. Een werkgever mag van deze concentraties uitgaan. Een werkgever die een erkende werkmethode gebruikt, zal aan de toezichthouder wel moeten kunnen laten zien om welke erkende werkmethode het gaat, om aan te tonen dat dit artikel in zijn geval niet van toepassing is. Artikel 4.52 Voorheen: artikel 4.50 Inhoudelijke wijzigingen Dit artikel bevat de verplichting tot het opstellen van een werkplan voorafgaande aan de start van de werkzaamheden en voorschriften die met dit werkplan samenhangen. Deze bepalingen waren voorheen opgenomen in artikel 4.50 en zijn een implementatie van artikel 13 van de Asbestrichtlijn. Pagina 220 van 294 De verplichting tot het opstellen van een werkplan gold voorheen alleen bij werkzaamheden die waren ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A. De Asbestrichtlijn kende en kent echter geen mogelijkheid om de verplichting tot het opstellen van een werkplan te beperken tot die situaties waarin de (verwachte) concentratie asbestvezels in de lucht op de arbeidsplaats meer bedraagt dan de grenswaarde. Om deze reden zijn de verplichting tot het opstellen van een werkplan en de bijbehorende voorschriften, die voorheen waren opgenomen in artikel 4.50, nu opgenomen in dit artikel, dat onderdeel uitmaakt van paragraaf 4 van de nieuwe afdeling 3 van het Arbobesluit. Door de opname van dit artikel in deze paragraaf, is zij van toepassing op alle voornoemde werkzaamheden, ongeacht de (verwachte) concentratie asbestvezels op de plaats of plaatsen waar de werkzaamheden zullen worden verricht. De inhoud van artikel 4.52 komt grotendeels overeen met het oude artikel 4.50. Hieronder wordt toegelicht op welke punten het artikel afwijkt van het oude artikel 4.50. Op grond van het vervallen artikel 4.50, eerste lid, diende de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een werkplan op te stellen. Bedrijven als bedoeld in dat artikellid waren bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden verrichtten, bedrijven die asbest of asbesthoudende producten opruimden die ten gevolge van een incident waren vrijgekomen, maar ook bedrijven die de arbeidsplaats reinigden na het uitvoeren van sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden. De verplichting tot het opstellen van een werkplan is echter niet bedoeld voor de bedrijven die de arbeidsplaats reinigen. In het eerste lid van artikel 4.52 is daarom nu verduidelijkt dat de verplichting tot het opstellen van een werkplan slechts geldt voor de werkgevers die de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, verrichten. In het derde lid staat de verplichting om alle asbest en asbesthoudende producten te verwijderen voordat met andere werkzaamheden wordt begonnen, tenzij dit de bescherming van de werknemers niet ten goede komt. Deze verplichting stond voorheen niet in artikel 4.50, maar in artikel 4.48a over maatregelen bij een verwachte overschrijding van de grenswaarde. Op grond van artikel 13 van de Asbestrichtlijn hoort deze verplichting echter te gelden bij alle sloop- en verwijderingswerkzaamheden, en niet alleen bij werkzaamheden waarbij een overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht. Daarom is ervoor gekozen om – net als in artikel 13 van de Asbestrichtlijn – deze verplichting op te nemen in het artikel over het werkplan. Voor een verdere toelichting op deze verplichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.48a in Stb. 2006, 348. Als de saneerder ervoor kiest om niet al het asbest of niet alle asbesthoudende producten te verwijderen, omdat dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden, dan zal een werkgever op grond van het vierde lid in het werkplan moeten onderbouwen waarom deze keuze is gemaakt en hoe hij ervoor zorgt dat het achterblijvende asbest niet leidt tot verspreiding van asbestvezels. Dit kan bijvoorbeeld door het toepassen van een duurzame afscherming van het asbest. Het vijfde lid is vergelijkbaar met het oude artikel 4.50, derde lid, en bepaalt dat in het werkplan moet staan dat de werkgever ervoor zorgt dat de eindbeoordeling pas begint als de risico’s van blootstelling aan asbest op de arbeidsplaats zijn weggenomen. Pagina 221 van 294 In het zesde lid is aan de verwijzing naar artikel 4.40, tweede lid – voorheen artikel 4.48a, tweede lid – toegevoegd dat de daar genoemde maatregelen alleen in voorkomend geval beschreven worden in het werkplan. Deze toevoeging is nodig omdat het werkplan niet meer alleen van toepassing is op situaties waarin de grenswaarde naar verwachting wordt overschreden. Als de grenswaarde naar verwachting niet wordt overschreden, zijn de maatregelen van artikel 4.40, tweede lid, ook niet verplicht. Het zevende lid is ook nieuw en geeft de Minister van Werk en Participatie de bevoegdheid om bij ministeriële regeling nog nadere regels te stellen met betrekking tot het werkplan. Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt als dat nodig blijkt in de handhavingspraktijk. Signalen van de NLA geven aan dat de kwaliteit van het werkplan zeer regelmatig voor verbetering vatbaar is. Artikel 4.53 Nieuw artikel In het eerste lid van artikel 4.53 is een verplichting opgenomen voor werkgevers om bepaalde wijzigingen na de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, door te geven aan een daartoe aangewezen toezichthouder. De door te geven wijzigingen zijn wijzigingen in de plaats van de werkzaamheden en de data of tijdstippen waarop deze plaatsvinden. De termijn voor het doorgeven van deze wijzigingen is uiterlijk een week na het bekend worden hiervan dan wel, indien dit eerder is, uiterlijk voor de nieuwe datum waarop de werkzaamheden zullen plaatsvinden. Verandert er na het doorgeven van wijzigingen opnieuw iets, dan zullen ook deze wijzigingen moeten worden doorgegeven binnen dezelfde termijnen, genoemd in dit lid. Het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden brengt bijzondere risico’s met zich mee. Het is daarom van het grootste belang dat deze werkzaamheden niet alleen zorgvuldig worden uitgevoerd, maar ook dat na afronding de arbeidsplaats grondig wordt gereinigd en een eindbeoordeling plaatsvindt. Voor de toezichthouder is het van belang dat hij kan controleren of dit gebeurt. Artikel 4.53, tweede lid, verplicht werkgevers daarom om het afronden van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te melden aan de toezichthouder. Deze melding moet uiterlijk op de eerste werkdag na de beëindiging van de werkzaamheden worden gedaan. Werkdagen zijn, net als bij de melding, bedoeld in artikel 4.37, maandag tot en met vrijdag. In de melding hoeft alleen te worden aangegeven op welke datum de werkzaamheden zijn afgerond, onder vermelding van de naam en het adres van de werkgever die de melding doet en het nummer van de melding die op grond van artikel 4.37, eerste lid, is gedaan. Het hier bedoelde nummer, is het unieke nummer dat de landelijke voorziening van het DSO aan de melding heeft toegekend. De melding, bedoeld in artikel 4.53, kan, net als de meldingen, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, en 4.56, eerste lid, worden gedaan met gebruikmaking van de landelijke voorziening van het DSO. Dit maakt het mogelijk om deze melding tegelijkertijd te doen met de melding na afronding van de werkzaamheden die op grond van artikel 7.12 van het Bbl moet worden gedaan, indien de werkzaamheden betrekking hadden op een bouwwerk. Het derde lid verklaart de uitzonderingen in artikel 4.38, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat als het niet nodig was om een melding te Pagina 222 van 294 doen op grond van artikel 4.37, eerste lid, er ook geen melding hoeft te worden gedaan op grond van dit artikel. Het is in het geval van bijvoorbeeld werkzaamheden die mogen worden verricht met een vergunning asbestverwijdering beperkt (artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a) dus niet nodig om te melden dat de werkzaamheden zijn afgerond. Voor de in artikel 4.38, tweede en derde lid, uitgezonderde werkzaamheden hoeft ook geen melding te worden gedaan na afronding van de eindbeoordeling (artikel 4.57). Het vierde lid verplicht de werkgever om in de hiervoor genoemde meldingen zijn naam, adres en het unieke nummer van de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, op te nemen. Hiermee kan de toezichthouder de gedane meldingen koppelen aan de eerder gedane melding op grond van artikel 4.37, eerste lid. Het vijfde lid bepaalt dat geen melding hoeft te worden gedaan als er al op grond van artikel 7.12 van het Bbl een melding van de beëindiging van de werkzaamheden is ingediend. Een melding op grond van het tweede lid is dan namelijk overbodig, nu deze wordt doorgestuurd via de landelijke voorziening van het DSO. Artikel 4.54 Voorheen: artikel 4.47b, eerste lid Technische wijziging Artikel 4.54 bevat de verplichting die eerder stond in het vervallen artikel 4.47b, eerste lid, om de arbeidsplaats en de arbeidsmiddelen na werkzaamheden met asbest, doeltreffend te reinigen. Dat de reiniging doeltreffend moet zijn, betekent in ieder geval dat op de arbeidsplaats geen asbestrestanten meer aanwezig mogen zijn en dat gebruikte arbeidsmiddelen zodanig worden gereinigd, dat zij vrij zijn van eventuele asbestvezels. Het tweede en derde lid van artikel 4.47b gingen over de eindbeoordeling en zijn om die reden toegevoegd aan het nieuwe artikel 4.56 waarin de eindbeoordeling is geregeld. Artikel 4.55 Voorheen: Artikel 4.47b, tweede en derde lid, 4,51a en 4.53c Inhoudelijke wijzigingen Artikel 4.55 bevat de verplichting tot het uitvoeren van een eindbeoordeling na afronding van de werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is, en na afronding van de reiniging, bedoeld in artikel 4.54. Dit artikel is een implementatie van de verplichting in artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de Asbestrichtlijn, om overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk te vergewissen dat er geen risico’s van blootstelling aan asbest op de werkplek meer zijn voordat andere activiteiten worden hervat. De eindbeoordeling, bedoeld in dit artikel, is niet van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot de bodem, de oever van een oppervlaktewaterlichaam, grond of baggerspecie. Op deze werkzaamheden zijn de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Nieuw aan dit artikel is dat voorheen de eindbeoordeling in verschillende artikelen was opgenomen vanwege het onderscheid tussen risicoklasse 1 en 2. Met het vervallen van de risicoklassen kan de eindbeoordeling in één artikel worden opgenomen. Pagina 223 van 294 Het eerste lid bevat de verplichting tot het uitvoeren van een eindbeoordeling. Ten behoeve van de handhaafbaarheid is in het eerste lid verduidelijkt dat de eindbeoordeling moet plaatsvinden vóórdat wordt aangevangen met het opheffen van de gevarenzone. Boven de grenswaarde dient in binnensituaties een containment te worden gebouwd. Dit containment is onderdeel van de gevarenzone. Dit betekent dat het containment niet mag worden afgebroken voordat de eindbeoordeling heeft plaatsgevonden. Verder geldt uiteraard voor de toepassing van dit artikel dat alleen wordt gecontroleerd op het asbest dat volgens het werkplan verwijderd moest worden. Het tweede lid stond eerder in artikel 45 van het processchema en is dus één van de verplichtingen die vanuit het processchema naar de regelgeving is overgeheveld omdat de verplichting is gericht op de gezondheid en veiligheid van werknemers (zie ook paragraaf 3.2 van de algemene toelichting). Dit lid verplicht de werkgever die de sloop- of verwijderingswerkzaamheden verricht, om die veiligheidsmaatregelen in stand te houden die voor de werknemers van de inspectie-instelling noodzakelijk zijn om veilig hun werk te doen. Het kan bijvoorbeeld gaan om het containment en de decontaminatie-unit. Ook uit NEN2990 kan voortvloeien welke veiligheidsmaatregelen nodig zijn voor de werknemers van de inspectie-instelling. Het derde lid bepaalt dat in het geval het werkzaamheden betreft aan asbest en asbesthoudende producten die met de vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verwijderd, de eindbeoordeling bestaat uit een visuele inspectie door de werkgever. In de Arboregeling zijn eisen opgenomen over de manier waarop deze visuele inspectie dient te worden uitgevoerd. In het vierde lid worden eisen gesteld aan de eindbeoordeling in de buitenlucht in het geval van werkzaamheden aan asbest en asbesthoudende producten die met de vergunning asbestverwijdering basis mogen worden verwijderd. In deze gevallen dient de visuele inspectie te worden uitgevoerd door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust. In de Arboregeling is verduidelijkt dat het hier gaat om een geaccrediteerde inspectie-instelling en dat dit dient te worden uitgevoerd conform NEN2990. In het vijfde lid worden eisen gesteld aan de eindbeoordeling in het geval van werkzaamheden aan asbest en asbesthoudende producten die met de vergunning asbestverwijdering basis of een vergunning asbestverwijdering uitgebreid mogen worden verwijderd en die zijn verricht in een binnenruimte. Aanvullend op de visuele inspectie omschreven in het vierde lid geldt in dat geval ook een luchtmeting om vast te stellen of de concentratie chrysotiele asbestvezels in de lucht lager is dan 2.000 vezels per kubieke meter en of de concentratie amfibole asbestvezels in de lucht lager is dan 2.000 vezels per kubieke meter. Beide waarden zijn gebaseerd op het gebruik van elektronenmicroscopie. Voor het meten van amfibole asbestvezels is dat ook de enige toegestane methode. Chrysotiele asbestvezels mogen ook gemeten worden met fasecontrastmicroscopie. In dat geval is de toetswaarde 10.000 vezels per kubieke meter. Deze toetswaarden worden overigens op grond van het zevende lid, onderdeel c, opgenomen in de Arboregeling. De referentieperiode van twee uur die voorheen voor luchtmetingen gold, is komen te vervallen omdat dit bij nader inzien een onnodige inperking is van de mogelijkheden om een effectieve luchtmeting te doen die niet een eigenstandig doel dient, maar alleen van belang is in relatie tot andere technische parameters bij de meting. Pagina 224 van 294 In het zesde lid wordt opgenomen wanneer kleefmonsters moeten worden ingezet bij een eindbeoordeling. Het zevende lid schrijft voor dat bij ministeriële regeling nadere regels moeten worden gesteld over de eindbeoordeling. Dit kunnen verschillende regels zijn, maar in de onderdelen a tot en met c worden drie typen regels benoemd die in ieder geval gesteld kunnen worden. Op grond van onderdeel a kunnen regels worden gesteld voor specifieke categorieën werkzaamheden. Deze regels zullen in ieder geval bestaan uit eisen aan de geaccrediteerde inspectie-instelling, zoals de verplichting om de eindbeoordeling uit te voeren overeenkomstig NEN2990. Onderdeel b biedt expliciet een grondslag om in de Arboregeling uitzonderingen te maken op de eis om een gespecialiseerd bedrijf in te zetten voor de eindbeoordeling én om uitzonderingen te maken op de eis om een luchtmeting te verrichten, zoals die voorheen waren opgenomen in het vervallen artikel 4.53c, tweede lid, van het Arbobesluit en het oude artikel 4.30 van de Arboregeling. Onderdeel c is ingevoegd om voor de luchtmeting maximaal toegestane toetswaarden te bepalen, zoals bij het zesde lid als is toegelicht. Artikel 4.56 Nieuw artikel Artikel 4.56 bevat een nieuwe meldplicht voor werkgevers. Deze melding is op eenzelfde manier opgebouwd als de melding na afronding van de werkzaamheden van artikel 4.53. Een werkgever zal op grond van het eerste lid uiterlijk twee weken na het afronden van een eindbeoordeling als bedoeld in artikel 4.55, vierde lid, de toezichthouder hiervan op de hoogte moeten stellen. Het gaat hierbij om eindbeoordelingen waarvoor een inspectie-instelling moet worden ingeschakeld. In de melding moet de werkgever de informatie, bedoeld in het eerste lid, opnemen. Met de resultaten van de eindbeoordeling wordt niet alleen de uitkomst van de eindbeoordeling bedoeld (positief of negatief), maar ook de daaraan ten grondslag liggende informatie. Omdat de te melden eindbeoordeling wel of niet kan bestaan uit een luchtmeting, zal niet aan elke te melden eindbeoordeling dezelfde informatie ten grondslag liggen. Om die reden schrijft het tweede lid voor dat bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke vorm de resultaten van de eindbeoordeling moeten worden gemeld. Het derde lid verklaart de uitzonderingen in artikel 4.38, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. De resultaten van de eindbeoordeling hoeven dus niet te worden gemeld aan de toezichthouder, als de werkzaamheden waarop de eindbeoordeling ziet niet aan de toezichthouder hoefden te worden gemeld voor aanvang daarvan. Het vierde lid bepaalt, vergelijkbaar met het derde lid van artikel 4.53, dat geen melding hoeft te worden gedaan als de informatie al gemeld is op grond van artikel 7.12a, eerste lid, van het Bbl. In de praktijk betekent dit dat alleen bij sloop van of verwijdering uit objecten een melding op grond van het eerste lid moet worden gedaan, omdat in de overige gevallen het Bbl van toepassing is. Paragraaf 5 De regels in paragraaf 5 zijn een uitwerking van de vergunningplicht die is opgenomen in artikel 19a van de Arbowet en maken onderdeel uit van de implementatie van artikel 15 van de Asbestrichtlijn. Deze bepalingen zijn allemaal gebaseerd op de delegatiegrondslag in artikel 19a, derde lid, van de Arbowet. Pagina 225 van 294 Artikel 4.57 Nieuw artikel Artikel 4.57 bepaalt welke soorten vergunningen voor asbestwerkzaamheden er zijn en welke vergunning voor welk type werkzaamheden kan worden verleend. Ook bevat het artikel een bevoegdheid voor de Minister van Werk en Participatie tot het afbakenen van de werkzaamheden die een vergunninghouder mag verrichten. Het eerste lid onderscheidt vijf typen vergunningen. De vergunningen in de onderdelen a tot en met c zijn ingedeeld naar risico: bij de vergunning asbestverwijdering beperkt gaat het om werkzaamheden met een relatief laag risico op (hoge) blootstelling aan asbeststof. De vergunning asbestverwijdering uitgebreid is bedoeld voor werkzaamheden waarbij de verwachting is dat er een hoge blootstelling kan optreden. De vergunning asbestverwijdering basis zit qua risico tussen deze beide vergunningen in. De startvergunning is een vergunning die alleen wordt verleend als onderdeel van het proces tot verkrijging van een certificaat of erkenning. Het gaat hierbij om de certificaten en erkenningen die nodig zijn om de vergunningen, genoemd in de onderdelen a tot en met c van het eerste lid aan te vragen. De startvergunning wordt verder uitgewerkt in artikel 4.66. De Aval-vergunning is bedoeld voor bedrijven die al een vergunning hebben in een andere lidstaat, en wordt verder uitgewerkt in het achtste lid en in artikel 4.67. De vergunningen in de onderdelen a tot en met c dragen allemaal de naam ‘asbestverwijdering’. Dit wil echter niet zeggen dat zij alleen zien op asbestverwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, van de Arbowet. Ook de werkzaamheden in onderdeel b van dat lid, zijnde sloopwerkzaamheden waarbij personen worden of kunnen worden blootgesteld aan asbest, kunnen met de vergunning worden verricht. Hierbij geldt wel dat dit in de vergunning moet zijn bepaald: als een vergunning is afgegeven voor het verwijderen van asbest uit de bodem, dan betekent dit niet dat de vergunninghouder ook sloopwerkzaamheden als hiervoor bedoeld mag verrichten. Dit is anders als iemand bijvoorbeeld een vergunning asbestverwijdering uitgebreid heeft of een vergunning asbestverwijdering basis voor het verwijderen van bepaalde asbesttoepassingen. Houders van laatstgenoemde vergunning mogen immers, op grond van het derde lid, onderdeel a, bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten verwijderen ‘al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, eerste lid, onderdeel a’, zijnde sloopwerkzaamheden. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat een bedrijf dat een vergunning heeft om sloopwerkzaamheden te verrichten, ook moet voldoen aan andere regels die van toepassing zijn op deze werkzaamheden. Het tweede tot en met zesde lid geven aan voor welke werkzaamheden de vier typen vergunningen kunnen worden verleend. De vergunning zal in alle gevallen worden verleend door of namens de Minister van Werk en Participatie. Voorwaarde daarbij is wel dat er geen weigeringsgronden van toepassing zijn en er wordt voldaan aan alle relevante eisen die bij en krachtens deze paragraaf worden gesteld. In het tweede en derde lid worden de begrippen ‘bodem’, ‘grond’ en ‘baggerspecie’ gebruikt. Deze begrippen hebben de definitie die hieraan is gegeven in de Omgevingswet respectievelijk het Besluit bodemkwaliteit. Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ heeft de definitie die hieraan is gegeven in de Omgevingswet. Pagina 226 van 294 Zoals eerder aangegeven, is bij de vergunningen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, het risico op blootstelling aan asbeststof bepalend voor de werkzaamheden die een bedrijf met een bepaalde vergunning mag verrichten. Het tweede tot en met vierde lid maakt voor elk van deze vergunningen duidelijk welke categorieën van werkzaamheden er met de betreffende vergunning mogen worden verricht. Het zesde lid verduidelijkt waarvoor de startvergunning is bedoeld. De vergunning asbestverwijdering uitgebreid geeft een vergunninghouder het recht om alle asbestverwijderingswerkzaamheden en sloopwerkzaamheden waarbij asbest of asbesthoudende producten betrokken zijn, te verrichten, maar kent een voorbehoud waar het gaat om de bodemwerkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, en het derde lid, onderdelen b tot en met d. Vanwege de specifieke deskundigheid die is vereist bij bodemwerkzaamheden, mogen, op grond van het vijfde lid, deze werkzaamheden alleen met deze vergunning worden verricht als bij de aanvraag van de vergunning een bij ministeriële regeling aangewezen erkenning is overgelegd. Een vergunning asbestverwijdering uitgebreid kent dus een variant waarbij de bodemwerkzaamheden wel zijn inbegrepen en een variant waarbij dit niet het geval is. Bij verwijderingswerkzaamheden, niet zijnde bodemwerkzaamheden, die mogen worden verricht met een vergunning asbestverwijdering basis of uitgebreid, kan het gaan om zowel werkzaamheden waarbij niet wordt gewerkt met een containment als werkzaamheden waarbij dit wel het geval is. Het werken met een containment vereist gespecialiseerde kennis, wat betekent dat niet iedere vergunninghouder zonder meer deze werkzaamheden mag verrichten. In het geval van houders van een vergunning asbestverwijdering uitgebreid is deze kennis er, wat betekent dat zij voor alle werkzaamheden die binnen het bereik van hun vergunning vallen, een containment mogen gebruiken. In het geval van houders van een vergunning asbestverwijdering basis mag dit alleen als in de vergunning is bepaald dat dit is toegestaan. Het zevende lid biedt de grondslag om in een vergunning asbestverwijdering basis voor werkzaamheden als hiervoor bedoeld, te bepalen dat de werkzaamheden mogen worden verricht met een containment. Of een bedrijf werkzaamheden met een containment mag verrichten, zal afhangen van het certificaat dat bij de vergunningaanvraag is overgelegd. Het achtste lid bepaalt dat een Aval-vergunning kan worden verleend aan de houder van een vergunning voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Aval is een afkorting die staat voor ‘AsbestVerwijderaar uit een Andere Lidstaat’. Op een Aval-vergunning zijn dezelfde bepalingen van toepassing als de overige vergunningen. Wel gelden er een paar aanvullende voorschriften die zijn opgenomen in artikel 4.67. Een Aval-vergunning geeft net als de vergunningen asbestverwijdering beperkt, basis en uitgebreid, het recht om doorlopend bepaalde sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten. Een belangrijk verschil tussen de beide typen vergunningen is dat in het geval van de Aval-vergunning, de in het buitenland afgegeven vergunning het bij de aanvraag te overleggen bewijs van naleving is, terwijl dit bij de vergunningen asbestverwijdering een schriftelijke verklaring over het gebruik van een bepaalde werkmethode dan wel een certificaat of erkenning zal zijn. Dit is gedaan mede met het oog op het vrij verkeer van diensten: een bedrijf met een vergunning om in een andere lidstaat bepaalde sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten, zal bij de aanvraag van die vergunning een bewijs van naleving hebben overgelegd dat door de autoriteit in het land van afgifte is getoetst. Om deze reden wordt van een dergelijk bedrijf dat in Nederland een vergunning wil aanvragen, niet verwacht dat hij een in Nederland vereist bewijs van naleving verkrijgt en bij zijn vergunningaanvraag voegt. Het bedrijf kan in dit geval volstaan met zijn buitenlandse vergunning als bewijs van naleving. Pagina 227 van 294 Welk type vergunning asbestverwijdering in Nederland nodig is, hangt af van de asbesthoudende toepassingen waar het bedrijf mee zal gaan werken, of het bedrijf zal werken met zuiver asbest of niet en of er sprake is van bodem- of niet-bodemwerkzaamheden. Omdat artikel 15 van de Asbestrichtlijn slechts spreekt over een vergunning en geen onderscheid maakt in categorieën, kan elke lidstaat van de Europese Economische Ruimte er zelf voor kiezen om wel of geen onderscheid te maken in vergunningsoorten. Een lidstaat die voor een onderscheid heeft gekozen, kan daarnaast zelf bepalen welke invulling zij hieraan geeft. De lidstaat kan bovendien op een later moment voor een andere invulling kiezen. Dit alles betekent dat de werkzaamheden die met een buitenlandse vergunning mogen worden verricht, mogelijk niet aan zullen sluiten op de indeling van werkzaamheden die met de Nederlandse vergunningen asbestverwijdering mogen worden verricht. Om die reden wordt in het geval van de Aval-vergunning aangesloten bij de werkzaamheden die het bedrijf met de buitenlandse vergunning mag verrichten. Anders gezegd: de buitenlandse vergunning die bij de aanvraag van een Aval-vergunning wordt overgelegd, bepaalt welke werkzaamheden er uiteindelijk met de Aval-vergunning mogen worden verricht. Deze werkzaamheden zullen, bij inwilliging van de aanvraag, op de vergunning worden vermeld, overeenkomstig het negende lid, middels een verwijzing naar de buitenlandse vergunning. De vergunningverlener kan in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht vragen om een Nederlandse vertaling van de buitenlandse vergunning. Het negende lid verplicht de Minister van Werk en Participatie om aan elke verleende vergunning een uniek kenmerk toe te kennen en bij het verlenen van de vergunning af te bakenen welke precieze werkzaamheden de vergunninghouder mag verrichten. Bij het verlenen van de vergunning zal de Minister ook moeten aangeven of de vergunninghouder mag werken met een containment of niet. De startvergunning wordt niet benoemd in het negende lid, omdat die niet door de Minister wordt verleend. De afbakening van de werkzaamheden die een bedrijf mag verrichten, wordt bepaald door het type vergunning dat hij heeft aangevraagd en de informatie die hij bij zijn aanvraag heeft overgelegd. Een bedrijf waaraan bijvoorbeeld een vergunning asbestverwijdering beperkt is verleend, mag dus niet alle werkzaamheden verrichten die worden genoemd in het tweede lid. Welke werkzaamheden hij precies mag verrichten, zal afhangen van datgene waar hij in zijn aanvraag om heeft verzocht en de stukken die hij bij zijn aanvraag heeft overgelegd. Als het bedrijf in kwestie in zijn aanvraag heeft aangegeven alleen bepaalde asbesttoepassingen die op grond van het tweede lid, onderdeel a, zijn aangewezen te willen verwijderen en informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij en zijn personeel hiertoe in staat zijn, dan zullen dit de werkzaamheden zijn die hij met zijn vergunning mag verrichten, maar hij mag dan geen bodemwerkzaamheden verrichten. Verricht de houder van een vergunning asbestverwijdering beperkt andere werkzaamheden dan op de vergunning aangegeven of volgt hij niet de op die vergunning vermelde werkmethode, dan is hij in overtreding en kan de vergunning worden ingetrokken. Een bedrijf kan meerdere soorten vergunningen hebben (asbestverwijdering/slopen of bodem in de verschillende combinaties van niveaus) en een vergunning kan recht geven op het verrichten van werkzaamheden die in meerdere categorieën werkzaamheden binnen de vergunningsoort vallen. Het is dus mogelijk dat een bedrijf zowel een vergunning asbestverwijdering beperkt heeft voor het verwijderen van bepaalde asbesttoepassingen die zijn aangewezen op grond van het tweede lid, onderdeel a, als een vergunning asbestverwijdering basis voor het verwijderen van asbest als onderdeel van graafwerkzaamheden in de bodem en het verwijderen van asbest uit grond of baggerspecie als onderdeel van het bewerken van grond of baggerspecie (derde lid, onderdelen b en d). Pagina 228 van 294 Werkzaamheden die horen bij een ‘lager’ vergunningstype, mogen ook worden verricht met een ‘hoger’ vergunningstype, zolang deze werkzaamheden binnen de afgebakende werkzaamheden van de ‘hogere’ vergunning passen: wie het meerdere mag, mag ook het mindere. Een bedrijf dat in het bezit is van een vergunning asbestverwijdering basis voor het uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, mag ook werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verrichten. Het bedrijf mag echter geen werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, verrichten, tenzij hij met zijn vergunning ook asbest of asbesttoepassingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, mag verwijderen. Het werken met een containment kan in bij de vergunning asbestverwijdering basis als extra worden opgenomen, en wordt dan vermeld op de vergunning. In de categorie uitgebreid is werken met containment standaard inbegrepen in de vergunning. Dit betekent dat een bedrijf één van de volgende veertien typen vergunning kan hebben: Alleen bodem Beperkt Basis Basis met containment Uitgebreid (is altijd met containment) Geen bodem 1 2 3 4 Bodem beperkt 5 6 7 8 9 Bodem basis 10 11 12 13 14 De afbakening van werkzaamheden wordt opgenomen in de vergunning als een van de verplichte vergunningvoorschriften (artikel 4.62, eerste lid, onderdeel a). Doordat de afbakening een vergunningvoorschrift is, kan het niet naleven hiervan tot intrekking van de vergunning leiden. Artikel 4.58 Nieuw artikel Het eerste lid van artikel 4.58 schrijft voor dat een vergunningaanvraag moet worden ingediend middels een door de Minister van Werk en Participatie ter beschikking gesteld aanvraagformulier. Op dit formulier zal de aanvrager onder meer gevraagd worden om aan te geven welk type vergunning hij aanvraagt en welke werkzaamheden hij met de vergunning wil verrichten. Deze informatie zal bepalend zijn voor de stukken die de aanvrager bij de aanvraag moet overleggen en de vergunning die hij uiteindelijk krijgt, ervan uitgaande dat aan alle voorwaarden voor verlening wordt voldaan. Het tweede lid somt de stukken op die een aanvrager bij zijn aanvraag moet overleggen. Artikel 15 van de Asbestrichtlijn verplicht bedrijven die een vergunning willen om een bewijs van naleving van artikel 6 van de Asbestrichtlijn te verstrekken. Ook zullen zij opleidingscertificaten moeten verstrekken waaruit blijkt dat hun werknemers opleidingen hebben afgerond die voldoen aan de eisen in de Asbestrichtlijn. Deze twee eisen zijn verwerkt in de onderdelen a en b van het tweede lid. De eis dat een opleidingscertificaat moet worden verstrekt na het afronden van een opleiding, is in dit besluit ingevuld middels een registratie van de opleiding in het Register gezond en veilig werken met asbest en de verstrekking van een bewijs van registratie hiervan. De Minister van Werk en Participatie kan aan de hand van het Register zelf nagaan welke opleidingen een werknemer heeft gevolgd en of deze opleidingen passend en voldoende zijn voor de werkzaamheden waarvoor een vergunning is aangevraagd. Het bedrijf dat de vergunning aanvraagt kan daarom in de vergunningaanvraag volstaan met het vermelden van de unieke registratienummers in Pagina 229 van 294 het Register gezond en veilig werken met asbest van de werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft. Het bewijs van naleving als bedoeld in artikel 15 van de Asbestrichtlijn dat bij de aanvraag moet worden gevoegd, kan een erkenning, certificaat of ander bewijs van naleving zijn. Welk document precies moet worden overgelegd, is afhankelijk van het type vergunning dat wordt aangevraagd en, in het geval van de vergunning asbestverwijdering beperkt en basis, de categorie van werkzaamheden. In de Arboregeling is bepaald welk document in welk geval als bewijs van naleving moet worden overgelegd. De grondslag hiervoor is opgenomen in het tweede lid, onderdeel b. Op grond van het tweede lid, onderdeel c, zal een Nederlands bedrijf ook een verklaring omtrent het gedrag moeten overleggen bij zijn aanvraag. Het gaat hierbij om een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen, behalve als de aanvrager een eenmanszaak is. In dat geval zal de verklaring omtrent het gedrag een verklaring omtrent het gedrag voor een natuurlijke persoon zijn. Hoewel een vennootschap onder firma (vof) en een maatschap geen rechtspersonen zijn, moeten ook zij een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen aanvragen. Dit komt omdat zij onder de reikwijdte van het begrip “rechtspersoon” vallen zoals dit in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die de basis vormt voor de verklaring omtrent het gedrag, wordt gebruikt. De eis van een verklaring omtrent het gedrag geldt niet voor buitenlandse aanvragers, omdat buitenlandse bedrijven geen Nederlandse verklaring omtrent het gedrag kunnen aanvragen. Als een buitenlands bedrijf echter Nederlandse bestuurders heeft, dan zal de aanvrager verklaringen omtrent het gedrag moeten overleggen van deze bestuurders. Voor een toelichting waarom buitenlandse bedrijven geen verklaring omtrent het gedrag hoeven te overleggen, wordt verwezen naar onderdeel 4.4 van de memorie van toelichting bij de wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668. Een verklaring omtrent het gedrag mag niet ouder zijn dan drie maanden. Dit op grond van artikel 4.60, onderdeel c. Is de verklaring ouder dan drie maanden, dan zal, na het bieden van een mogelijkheid tot herstel, de aanvraag worden afgewezen. Artikel 4.58 is ook van toepassing op aanvragen tot wijziging en verlenging van een vergunning. Bij de wijziging van een vergunning gaat het om een aanpassing van de werkzaamheden waarvoor een eerdere vergunning is verstrekt. Indien een bedrijf bijvoorbeeld in het bezit is van een vergunning asbestverwijdering basis voor het verwijderen van een bepaalde asbesttoepassing, maar ook asbest wil verwijderen uit de bodem (artikel 4.57, derde lid, onderdeel b), dan kan hij met een verzoek tot wijziging deze werkzaamheden laten toevoegen aan zijn vergunning. Het derde lid bevat een aanvulling in het geval een bedrijf door een of meer natuurlijke personen wordt gedreven. In dat geval zullen naast de registratienummers van de werknemers van het bedrijf, ook de registratienummers van degenen die het bedrijf drijven bij de aanvraag moeten worden gevoegd, voor zover zij de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft. Met natuurlijke personen die het bedrijf drijven worden de natuurlijke personen bedoeld die een personenvennootschap vormen of de natuurlijke persoon die een eenmanszaak heeft. Zij zijn niet aan te merken als werknemers van het bedrijf. Als zij daarentegen ook de vergunde werkzaamheden zullen verrichten, dan zullen ook zij aan moeten tonen dat zij over de vereiste opleiding hiervoor beschikken. Artikel 4.59 Pagina 230 van 294 Nieuw artikel Artikel 4.59, eerste lid, verplicht de Minister van Werk en Participatie om bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, waaronder een aanvraag tot verlenging of wijziging, gebruik te maken van toezichtsinformatie. Met toezichtsinformatie kan worden nagegaan of aan de aanvrager van de vergunning bestuursrechtelijke sancties zijn opgelegd. Ook kan hiermee worden nagegaan of er andere zaken zijn, voorkomend uit het houden van toezicht door de toezichthouder, die maken dat aan de aanvrager geen vergunning of een vergunning met een tijdelijke duur zou moeten worden verstrekt. De toezichtsinformatie zal alleen bestaan uit informatie die verband houdt met de werkzaamheden waarvoor de vergunning is aangevraagd. Informatie over bijvoorbeeld bestuursrechtelijke overtredingen die niet hebben plaatsgevonden bij het werken met asbest, worden niet met de Minister van Werk en Participatie gedeeld. Het is voorts niet zo dat elke bestuursrechtelijke overtreding of andere aangelegenheid die voortkomt uit het houden van toezicht, ertoe leidt dat een vergunning wordt afgewezen of wordt verleend met een beperkte geldigheidsduur. De Minister van Werk en Participatie zal bij de beoordeling van de toezichtsinformatie rekening houden met onder andere de aard, ernst en hoeveelheid bestuursrechtelijke overtredingen en signalen, en of er sprake is geweest van recidive. Ook de houding van de aanvrager, voor zover deze blijkt uit de toezichtsinformatie, kan worden betrokken in het oordeel van de minister. Bij elke aanvraag zal een afweging plaatsvinden op basis van de omstandigheden van het geval. Hierbij zal de Minister van Werk en Participatie gebruikmaken van een door hem opgesteld afwegingskader. De toezichtsinformatie die de Minister van Werk en Participatie dient te gebruiken, zal op verzoek aan hem moeten worden verstrekt door een samenwerkingsverband van toezichthouders. Dit samenwerkingsverband is een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, van de Arbowet. In het tweede lid van artikel 4.59 is de verplichting opgenomen voor het samenwerkingsverband om de gevraagde informatie te verstrekken en dit te doen op een door de Minister van Werk en Participatie te bepalen wijze. Deze wijze van verstrekken is opgenomen in de Arboregeling. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het samenwerkingsverband, overeenkomstig artikel 29a, eerste lid, van de Arbowet, ook op eigen initiatief toezichtsinformatie mag verstrekken, voor zover dit naar zijn oordeel relevant is voor de vergunningaanvraag. Het voorgaande geldt ook als al een vergunning is verleend: in dat geval kan de (ambtshalve) verstrekte toezichtsinformatie een reden zijn om de vergunning te schorsen of in te trekken. Artikel 4.60 Nieuw artikel In artikel 4.60 zijn de gronden tot weigering van een vergunning opgenomen. Deze weigeringsgronden zijn van toepassing op zowel aanvragen om een nieuwe vergunning als aanvragen tot verlenging of wijziging van een reeds verleende vergunning. Een aanvraag kan in ieder geval worden geweigerd indien een onderzoek op grond van de Wet Bibob hier aanleiding toe geeft (artikel 19a, vierde lid, van de Arbowet). De weigeringsgronden in de onderdelen a tot en met d zijn gebaseerd op de informatie die op grond van artikel 4.58, tweede lid, bij de aanvraag moet worden gevoegd en de toezichtsinformatie die op grond van artikel 4.59 bij de aanvraag wordt betrokken. Pagina 231 van 294 Uit de weigeringsgrond in onderdeel a volgt dat de vergunning niet wordt verleend als er geen werknemers of, voor zover van toepassing, personen die het bedrijf drijven – zie voor uitleg over deze term ook de toelichting bij artikel 4.58, derde lid – zijn die voldoen aan de opleidingseisen. Het bedrijf zal, anders gezegd, ten minste één werknemer of persoon die het bedrijf drijft moeten hebben die is opgeleid om de werkzaamheden te verrichten waarvoor de vergunning is aangevraagd. Degenen die niet daartoe zijn opgeleid, mogen de vergunde werkzaamheden niet verrichten. Bij de weigeringsgrond die is opgenomen in onderdeel b gaat het om de situatie dat het certificaat of de erkenning die op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is vereist voor de vergunning die is aangevraagd, op het moment van verstrekken is verlopen. Hierbij wordt opgemerkt dat ook na het verlenen van de vergunning er een geldig certificaat of erkenning moet zijn. Als een certificaat of erkenning na verlening van de vergunning zijn geldigheid verliest door het verlopen van de geldigheidsduur, dan vervalt de vergunning van rechtswege. De weigeringsgrond in onderdeel c ziet zowel op de situatie dat alleen de aanvrager een verklaring omtrent het gedrag hoeft te overleggen als de situatie dat er verklaringen omtrent het gedrag van de Nederlandse bestuurders van de aanvrager moeten worden overgelegd. In het laatste geval zal de vergunning worden geweigerd als ten minste een van de overgelegde verklaringen omtrent het gedrag ouder is dan drie maanden. In onderdeel d staat dat ook toezichtsinformatie als bedoeld in artikel 4.59 kan leiden tot een weigering van de vergunning. Een vergunning kan echter alleen worden geweigerd als de Minister van Werk en Participatie op basis van de toezichtsinformatie het gegronde vermoeden heeft dat de aanvrager zich niet of onvoldoende zal houden aan de relevante wettelijke voorschriften. Omdat er sprake moet zijn van een ‘gegrond vermoeden’, zal de Minister van Werk en Participatie na moeten gaan of uit de toezichtsinformatie zodanige feiten naar voren komen, dat het aannemelijk is dat de aanvrager zich niet of onvoldoende aan de relevante wettelijke voorschriften zal houden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit de toezichtsinformatie blijkt dat de aanvrager in het verleden herhaaldelijk sancties opgelegd heeft gekregen voor (ernstige) asbestgerelateerde bestuursrechtelijke overtredingen en geen verbetering heeft laten zien op dit vlak. De concrete toepassing van het begrip ‘gegrond vermoeden’ zal worden uitgewerkt in een beleidsregel. De weigeringsgrond in onderdeel e is er om te voorkomen dat een vergunning wordt verleend aan een bedrijf dat de werkzaamheden waarvoor de vergunning is aangevraagd, naar alle waarschijnlijkheid niet zal kunnen uitvoeren, omdat het bedrijf in de nabije toekomst mogelijk niet meer zal bestaan. Als er onvoldoende zekerheid bestaat dat een bedrijf zich zal houden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop een vergunning betrekking heeft, dan zal een vergunning met een tijdelijke geldigheidsduur van twee jaar worden verleend (artikel 4.61, eerste lid). Tijdens deze periode van twee jaar kan dan worden bekeken of de relevante voorschriften ook inderdaad niet of onvoldoende worden nageleefd door het bedrijf. De constateringen die in dit verband worden gedaan, zullen worden meegenomen bij een eventuele aanvraag tot verlenging van de vergunning. De periode van twee jaar geeft de toezichthouder voldoende de tijd om de naleving van de relevante voorschriften door het bedrijf te controleren. Omdat het bedrijf in deze periode moet laten zien dat hij tot naleving in staat is, is het niet de bedoeling dat een bedrijf met een tijdelijke vergunning ver voor het verloop hiervan al een verlenging van zijn vergunning aanvraagt. Om deze reden bepaalt onderdeel f dat de aanvraag om een Pagina 232 van 294 vergunning wordt geweigerd, indien de vergunning die het aanvragende bedrijf bezit, nog langer dan drie maanden geldig is. Naast een afwijzing op grond van de weigeringsgronden in dit artikel en artikel 19a, vierde lid, van de Arbowet, kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht indien niet is voldaan aan een of meer van de indieningseisen in artikel 4.59 of de aanvraag onvolledig is. Artikel 4.61 Nieuw artikel Het uitgangspunt is dat een vergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend. Dit uitgangspunt staat in het tweede lid. Op dit uitgangspunt bestaat één uitzondering, die is opgenomen in het eerste lid. Uit toezichtsinformatie kan blijken dat de aanvrager in het verleden meerdere asbestgerelateerde overtredingen heeft begaan, maar deze overtredingen hem niet of niet volledig konden worden verweten. Ook kan uit de toezichtsinformatie blijken dat hoewel de aanvrager dergelijke overtredingen heeft begaan, er geruime tijd tussen de overtredingen zit en de aanvrager maatregelen heeft genomen om deze overtredingen te voorkomen. In deze gevallen kan de Minister van Werk en Participatie tot de conclusie komen dat hij onvoldoende grond heeft om aan te nemen dat de aanvrager zich niet of onvoldoende zal houden aan de relevante wettelijke voorschriften. Tegelijkertijd kan er bij hem nog steeds twijfel bestaan over het wel of niet naleven van de relevante voorschriften door de aanvrager. In dergelijke gevallen, waarbij er sprake is van onvoldoende zekerheid of de aanvrager zich zal houden aan de voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft, kan de Minister van Werk en Participatie ervoor kiezen om een vergunning met een beperkte geldigheidsduur van twee jaar te verlenen. De aanvrager waaraan een tijdelijke vergunning is verleend kan voorafgaande aan het verlopen van zijn vergunning een aanvraag tot verlenging van de vergunning indienen. Deze aanvraag volgt het reguliere aanvraagproces. Zijn er geen weigeringsgronden van toepassing en leidt de toezichtsinformatie niet tot onvoldoende zekerheid over de naleving van voorschriften bij de Minister van Werk en Participatie, dan zal de vergunning worden omgezet naar een vergunning voor onbepaalde tijd. Bestaat er nog steeds onvoldoende zekerheid over de naleving, dan zal de vergunning worden verlengd met nogmaals twee jaar. Het is niet mogelijk om een tijdelijke vergunning al te ver voor het verlopen hiervan, om te zetten naar een vergunning voor onbepaalde tijd. Een vergunninghouder zal dus moeten wachten tot zijn vergunning aan verlenging toe is. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 4.60, onderdeel f. Artikel 4.62 Nieuw artikel Het eerste lid bevat een aantal voorschriften die in alle gevallen aan een vergunning worden verbonden. Het voorschrift in onderdeel a is de uitwerking van artikel 4.57, negende lid: de Minister van Werk en Participatie zal in de vergunning moeten aangeven welke werkzaamheden hiermee mogen worden verricht. Bij deze afbakening zal hij uitgaan van de aangevraagde vergunning en de bij de aanvraag overgelegde informatie. Tot de afbakening van de werkzaamheden behoort ook of er met een containment mag worden gewerkt of niet. Pagina 233 van 294 Aan de vergunning wordt op grond van onderdeel a ook de verplichting gekoppeld om alleen die werkzaamheden te verrichten die op grond van de vergunning mogen worden verricht. Onderdeel b bevat een voorschrift dat alleen wordt verbonden aan de vergunning asbestverwijdering beperkt. Als onderdeel van de vergunningaanvraag moet een bewijs van naleving worden overgelegd. In het geval van de vergunning asbestverwijdering beperkt zal dit een erkende werkmethode zijn tezamen met een verklaring dat de aanvrager volgens deze werkmethode zal werken. Om deze reden maakt het verrichten van de vergunde werkzaamheden overeenkomstig het bewijs van naleving dat op de werkzaamheden betrekking heeft, onderdeel uit van de vergunningvoorschriften bij een vergunning asbestverwijdering beperkt. Om ervoor te zorgen dat de Minister van Werk en Participatie op de hoogte wordt gesteld van alle informatie die relevant kan zijn voor de vergunning, bevat onderdeel c een informatieplicht voor de vergunninghouder. Op grond van de informatieplicht zal de vergunninghouder zowel spontaan als op verzoek informatie moeten verstrekken. Een vergunninghouder zal in ieder geval een schorsing of intrekking van het aan de vergunning ten grondslag liggende certificaat of erkenning moeten melden. Andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de vergunning zijn bijvoorbeeld de overname of stopzetting van het bedrijf of het niet langer hebben van (voldoende) gekwalificeerde werknemers. Het voorschrift in onderdeel d verplicht de vergunninghouder om jaarlijks een overzicht met mutaties te verstrekken dat ziet op de werknemers van de vergunninghouder die de vergunde werkzaamheden in de praktijk verrichten en de door hen gevolgde opleidingen. Het gaat hierbij meer in het bijzonder om een overzicht van werknemers die niet langer voor de vergunninghouder werkzaam zijn, nieuwe werknemers, de unieke registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest van de nieuwe werknemers en een aanduiding van de werknemers die nieuwe opleidingen of onderwijsactiviteiten in het kader van permanente educatie hebben gevolgd. Hiermee kan worden nagegaan of de vergunninghouder nog beschikt over werknemers die de vergunde werkzaamheden kunnen verrichten. Omdat het aanzienlijke lasten met zich mee zou brengen als een vergunninghouder elke relevante wijziging in zijn personeelsbestand meteen zou moeten doorgeven aan de Minister van Werk en Participatie, maar het tegelijkertijd nodig is om erop toe te zien dat de vergunninghouder over deugdelijk opgeleid personeel beschikt, is gekozen voor de verplichting om jaarlijks een overzicht als hiervoor bedoeld te overleggen. Onderdeel e verplicht de vergunninghouder om een nieuwe verklaring omtrent het gedrag te overleggen in de in dat onderdeel genoemde situaties. Deze eis geldt alleen voor zover het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag bij de aanvraag was vereist. Als de vergunninghouder bijvoorbeeld een buitenlands bedrijf is en er treedt een nieuwe buitenlandse bestuurder toe tot dit bedrijf, dan is het overleggen van een nieuwe verklaring omtrent het gedrag niet verplicht. Het tweede lid bevat een bevoegdheid voor de Minister van Werk en Participatie om aanvullende voorschriften te verbinden aan een vergunning. Het derde lid bevat een bevoegdheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen ter invulling van de vergunningvoorschriften, bedoeld in het eerste lid. Hiervan wordt in ieder geval gebruikgemaakt waar het gaat om de informatie die moet worden opgenomen in het overzicht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d. Artikel 4.63 Pagina 234 van 294 Nieuw artikel De bevoegdheid tot het ambtshalve of op verzoek wijzigen van identificerende gegevens in de vergunning is bedoeld voor het wijzigen van bijvoorbeeld de naam van de vergunninghouder of het adres waarop deze is gevestigd, zodat deze overeenkomen met de situatie van dat moment. Voor deze wijzigingen hoeft dus niet het hele gebruikelijke aanvraagproces te worden doorlopen. Artikel 4.64 Nieuw artikel Voor het verkrijgen en behouden van sommige typen vergunningen is het bezit van een certificaat of een erkenning als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, een vereiste. Dit betekent dat als dit certificaat of deze erkenning wordt geschorst of ingetrokken, dit automatisch gevolgen heeft voor de geldigheid van de vergunning die met een dergelijk certificaat of een dergelijke erkenning is verkregen. Artikel 4.64 voorziet hierin door in het eerste lid te bepalen dat een vergunning van rechtswege wordt geschorst, als het onderliggende certificaat of de onderliggende erkenning wordt geschorst. De schorsing van de vergunning volgt in dit geval de schorsing van het certificaat of de erkenning: wordt deze schorsing opgeheven of komt deze ten einde, dan geldt dit ook voor de schorsing van de vergunning. Ook vindt ambtshalve schorsing van de vergunning plaats als het certificaat of de erkenning is ingetrokken, zolang deze intrekking nog niet onherroepelijk is. Is de intrekking van het certificaat of de erkenning onherroepelijk geworden, dan leidt dit op grond van het tweede lid van artikel 4.64 tot het van rechtswege vervallen van de vergunning. Wordt de intrekking van het certificaat of de erkenning in bezwaar of beroep ongedaan gemaakt, dan vervalt vanaf dat moment de schorsing van de vergunning. Daarnaast vervalt op grond van het tweede lid de vergunning van rechtswege, indien het certificaat of de erkenning die ten grondslag heeft gelegen aan de vergunning, is verlopen. Het derde lid is bedoeld voor de situatie waarin een vergunning is verleend voor meerdere typen werkzaamheden op basis van meerdere certificaten of erkenningen. Hierbij kan worden gedacht aan een vergunning voor zowel bodem- als niet-bodemwerkzaamheden, waarbij in het geval van de bodemwerkzaamheden een erkenning moet worden overgelegd, terwijl voor de niet-bodemwerkzaamheden een certificaat vereist is. Als alleen de erkenning of alleen het certificaat wordt geschorst of ingetrokken, dan beperkt de schorsing of het verval van rechtswege zich tot de werkzaamheden waarvoor het certificaat respectievelijk de erkenning fungeerde als het bewijs van naleving van artikel 4.39. De vergunning blijft dus geldig voor de overige werkzaamheden. In dit artikel verwijst ’het certificaat of de erkenning […] die ten grondslag ligt aan de vergunning’ overigens naar het type certificaat of erkenning dat vereist is voor de betreffende vergunning. De werkgever moet over een geldig certificaat of een geldige erkenning van de voorgeschreven soort beschikken, maar dat kan – bijvoorbeeld na hercertificering – een andere versie zijn dan het exemplaar dat bij de aanvraag van de vergunning werd ingediend. Artikel 4.65 Nieuw artikel Pagina 235 van 294 Artikel 4.65 bevat gronden tot schorsing en intrekking van de vergunning. In tegenstelling tot artikel 4.64, gaat het hierbij om schorsingen en intrekkingen waaraan een beslissing van de Minister van Werk en Participatie ten grondslag ligt. Op grond van het eerste lid kan de Minister van Werk en Participatie een vergunning schorsen als er bij hem het gegronde vermoeden bestaat dat er een grond tot intrekking van de vergunning bestaat. Deze schorsing duurt totdat de vergunning ook daadwerkelijk is ingetrokken of de minister heeft vastgesteld dat er geen grond tot intrekking aanwezig is. De schorsingsbevoegdheid in het eerste lid is bedoeld voor situaties waarin er nader onderzoek nodig is om vast te stellen of er inderdaad een grond tot intrekking aanwezig is en waarbij het, naar het oordeel van de Minister van Werk en Participatie, niet verantwoord is om de vergunninghouder tot die tijd werkzaamheden te laten verrichten met de vergunning. Omdat de schorsing van een vergunning een ingrijpende bevoegdheid is, zal de minister een ‘gegrond vermoeden’ moeten hebben. Dit houdt in dat bij hem feiten en omstandigheden bekend moeten zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er een grond tot intrekking van de vergunning bestaat. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan signalen dat de vergunninghouder herhaaldelijk andere asbestwerkzaamheden heeft verricht dan de werkzaamheden die hij met zijn vergunning mag verrichten. Een ander voorbeeld is de constatering van een toezichthouder dat een vergunninghouder meerdere malen gebruik heeft gemaakt van onbevoegd personeel om vergunde werkzaamheden te verrichten. De concrete toepassing van de schorsingsbevoegdheid zal worden uitgewerkt in een beleidsregel. Een schorsing kan leiden tot de intrekking van een vergunning, maar het kan ook zo zijn dat de Minister van Werk en Participatie vaststelt dat er geen grond tot intrekking aanwezig is. Deze vaststelling kan de Minister van Werk en Participatie doen als op basis van eigen onderzoek is gebleken dat er, achteraf bezien, toch geen grond voor intrekking bestond of als deze grond er wel degelijk was, maar de vergunninghouder inmiddels maatregelen heeft genomen waardoor de grond tot intrekking is komen te vervallen. In het geval van de verplichte intrekkingsgronden in het tweede lid van artikel 4.65, zal de Minister van Werk en Participatie altijd tot intrekking moeten overgaan. Als daarom tijdens de schorsing van de vergunning blijkt dat er een verplichte intrekkingsgrond van toepassing is, dan zal de minister hier gebruik van moeten maken. In het geval van de facultatieve intrekkingsgronden in het derde lid, kan de Minister van Werk en Participatie echter besluiten om hier geen gebruik van te maken. Het kan dus ook voorkomen dat de Minister van Werk en Participatie een vergunning schorst, constateert dat een intrekkingsgrond van toepassing is, maar toch niet overgaat tot intrekking, omdat er sprake is van een facultatieve intrekkingsgrond. De Minister van Werk en Participatie kan hiertoe besluiten als hij bijvoorbeeld van oordeel is dat er weliswaar sprake is van een reden om de vergunning in te trekken, maar de vergunninghouder duidelijk verbeteringen heeft laten zien, of de gebeurtenis die een grond tot intrekking opleverde, zich slechts incidenteel heeft voorgedaan of niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend. Als de Minister van Werk en Participatie besluit om een vergunning niet in te trekken, dan komt de schorsing met deze beslissing te vervallen. Artikel 4.65, tweede lid, bevat verplichte intrekkingsgronden. Deze zullen in beginsel dus te allen tijde door de Minister van Werk en Participatie moeten worden toegepast. Naast de intrekkingsgronden in de onderdelen a tot en met e, zal de Minister van Werk en Participatie ook over moeten gaan tot intrekking van de vergunning als de resultaten van een onderzoek op grond van de Wet Bibob hier aanleiding toe geven (artikel 19a, vierde lid, van de Arbowet). Pagina 236 van 294 Bij de intrekkingsgrond in onderdeel d van het tweede lid gaat het om de situatie dat een bedrijf definitief is gestopt met zijn werkzaamheden. Deze grond kan in ieder geval worden toegepast als een bedrijf niet langer geregistreerd is in het Handelsregister, bedoeld in de Handelsregisterwet 2007. Het derde lid van artikel 4.65 bevat de bevoegdheid om in twee gevallen een vergunning in te trekken. De Minister van Werk en Participatie zal bij het bepalen of hij van deze gronden gebruikmaakt, een afweging moeten maken aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij hij in ieder geval rekening moet houden met het beginsel van evenredigheid. Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld het niet naleven van een vergunningvoorschrift onmiddellijk zal leiden tot intrekking van de vergunning. Ook de toepassing van deze intrekkingsbevoegdheid zal worden uitgewerkt in een beleidsregel. Artikel 4.66 Nieuw artikel Artikel 4.66 is een uitwerking van de startvergunning. Voor het verkrijgen van bepaalde vergunningen asbestverwijdering is het nodig om bij de aanvraag een bepaald certificaat of een bepaalde erkenning te overleggen. Deze certificaten en erkenningen worden op aanvraag verstrekt door daartoe bevoegde instanties nadat de aanvrager heeft aangetoond aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Als onderdeel van het certificerings- of erkenningsproces wordt de aanvrager doorgaans getoetst op het correct kunnen uitvoeren van een aantal asbestverwijderingen of sloopwerkzaamheden waarbij asbeststof kan vrijkomen. Omdat artikel 15 van de Asbestrichtlijn geen uitzonderingen op de vergunningplicht kent voor dergelijke werkzaamheden, zal de aanvrager van een certificaat of erkenning ook voor de hiervoor bedoelde werkzaamheden een vergunning moeten krijgen. De startvergunning voorziet hierin en vormt daarmee de ingang om toe te treden tot het vergunningstelsel. Het eerste lid bepaalt dat de startvergunning van rechtswege wordt verleend als is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. De werkzaamheden die met een startvergunning mogen worden verricht, worden uitgevoerd als onderdeel van het proces tot verkrijging van een certificaat of erkenning. De beslissing op de aanvraag om een certificaat of erkenning is een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Als de startvergunning net als de andere vergunningen door of namens de Minister van Werk en Participatie zou worden verleend, dan betekent dit dat er in het kader van de aanvraag van een certificaat of erkenning twee beschikkingen gegeven dienen te worden door twee verschillende bestuursorganen: de eerste beschikking is de startvergunning, die wordt verleend door of namens de Minister van Werk en Participatie, en de tweede de uiteindelijke beslissing op de aanvraag om een certificaat of erkenning, die wordt verleend door de instelling die bevoegd is om het certificaat of de erkenning af te geven. Tussen beide beschikkingen bestaat echter een nauwe samenhang: een bedrijf dat niet in staat wordt geacht om de eerdergenoemde werkzaamheden met asbest te verrichten, zal geen startvergunning krijgen en, in het verlengde daarvan, ook geen certificaat of erkenning. Een procedure in bezwaar- of beroep tegen de afwijzing van een startvergunning zal daardoor in feite ook gericht zijn op de afwijzing van de aanvraag om een certificaat of erkenning. Om een stapeling van procedures te voorkomen en vanwege de hiervoor beschreven samenhang, zal de startvergunning van rechtswege worden verleend op het moment dat aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden zullen worden afgestemd op het proces van certificatie of erkenning en dienen om te waarborgen dat het bedrijf waaraan de startvergunning zal worden verleend, in staat is om de werkzaamheden te verrichten waarop de startvergunning betrekking heeft. Dit heeft tot gevolg dat als een bedrijf bij het beoordelen van de aanvraag om een Pagina 237 van 294 certificaat of erkenning niet in staat wordt geacht om de werkzaamheden waarop het certificaat of erkenning betrekking heeft, te verrichten, er geen vergunning wordt verleend en, als de aanvraag om een certificaat of erkenning in het verlengde daarvan wordt afgewezen, er alleen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen deze afwijzing. In deze procedure kan echter ook naar voren worden gebracht dat wel degelijk aan de voorwaarden voor de startvergunning werd voldaan. Dat de voorwaarden voor verlening van de startvergunning worden opgenomen in de Arboregeling in plaats van het Arbobesluit, heeft te maken met de beperkte geldigheidsduur van de vergunning, de beperkte hoeveelheid werkzaamheden die daarmee mogen worden verricht en het feit dat de werkzaamheden die mogen worden verricht nauw verbonden zijn met het proces van certificatie en erkenning. Om deze reden wordt het passend geacht om bij ministeriële regeling te bepalen aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor de van rechtswege verlening van een startvergunning. Het tweede lid in combinatie met artikel 4.57, zesde lid, bepaalt de geldigheidsduur van de vergunning en de werkzaamheden die met de startvergunning mogen worden verricht. Een startvergunning is slechts geldig voor ten hoogste vijf werkzaamheden en heeft een geldigheidsduur van een jaar. Tegelijkertijd vervalt de startvergunning op grond van het derde lid van rechtswege indien de aanvraag om een certificaat of erkenning, in het kader waarvan de vergunning is verleend, wordt ingewilligd dan wel afgewezen. Hiermee wordt tevens voorkomen dat een bedrijf de startvergunning nog gebruikt, terwijl het doel waarvoor deze vergunning is verstrekt, namelijk het voldoen aan de praktijkeisen die gelden voor het verkrijgen van een certificaat of erkenning, niet meer aan de orde is. Als bijvoorbeeld voor het verkrijgen van een certificaat drie werkzaamheden moeten worden verricht en het bedrijf dat de vergunning heeft aangevraagd deze werkzaamheden met succes uitvoert, met inwilliging van de aanvraag tot gevolg, dan zal de startvergunning van rechtswege vervallen op het moment dat de aanvraag om een certificaat wordt ingewilligd. De startvergunning vervalt hoe dan ook na een jaar. Een bedrijf dat na een jaar nog niet de vereiste werkzaamheden heeft verricht voor het krijgen van een certificaat of erkenning zal in dat geval opnieuw moeten aantonen aan de voorwaarden voor verlening van een startvergunning te voldoen. Dit geldt tevens voor het bedrijf wiens aanvraag om een certificaat of erkenning is afgewezen, nu dat tevens leidt tot het van rechtswege vervallen van de startvergunning. Artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet bepaalt expliciet dat bedrijven geen asbestverwijderingswerkzaamheden of sloopwerkzaamheden waarbij personen worden of kunnen worden blootgesteld aan asbest mogen verrichten, zonder een vergunning van de Minister van Werk en Participatie. Om die reden bepaalt het vierde lid dat een van rechtswege verleende startvergunning voor de toepassing van artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet wordt aangemerkt als een door de Minister van Werk en Participatie afgegeven vergunning. De houder van een startvergunning die werkzaamheden verricht die binnen de startvergunning vallen, voldoet door het vierde lid dus aan de vergunningplicht in artikel 19a, eerste lid, van de wet. Er kan niet worden uitgesloten dat na de van rechtswege verlening van een startvergunning, er derden zijn die hier bezwaren tegen hebben en bezwaar en beroep hiertegen wensen aan te tekenen. Om deze reden bepaalt het vijfde lid dat een van rechtswege verleende startvergunning wordt gelijkgesteld aan een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit maakt het mogelijk om bezwaar en beroep in te stellen tegen een van rechtswege verleende startvergunning. Vanwege het specifieke doel en de beperkte scope van de startvergunning en het feit dat deze rechtstreeks Pagina 238 van 294 voortvloeien uit regelgeving, verwacht de regering dat van de mogelijkheden tot bezwaar en beroep niet veel gebruik zal worden gemaakt. De gelijkstelling geldt enkel in de situatie dat een startvergunning wordt verleend: als een partij niet voldoet aan de voorwaarden voor het van rechtswege verlenen van een startvergunning, dan kan daartegen niet zelfstandig bezwaar en beroep worden ingesteld. Wel kan de startvergunning worden betrokken in een bezwaar- of beroepsprocedure die is ingesteld tegen de afwijzing van een certificaat of erkenning, bijvoorbeeld als een bedrijf van mening is dat de aanvraag om een certificaat ten onrechte is afgewezen en hij wel degelijk aan de voorwaarden voor een startvergunning voldeed. Het vijfde lid bepaalt daarnaast dat de van rechtswege verleende startvergunning op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze wordt bekendgemaakt. Op deze manier wordt duidelijk of een bedrijf wel of niet van rechtswege een startvergunning heeft verkregen, op welke datum dit heeft plaatsgevonden en wanneer de geldigheidsduur van een jaar afloopt. Het voornemen is om de partij die is belast met de afgifte van het certificaat of de erkenning, te verplichten om het voorgaande schriftelijk mede te delen aan het bedrijf waaraan een startvergunning is verleend. Het zesde lid verklaart het grootste deel van de artikelen dat over de overige vergunningen gaat, niet van toepassing op de startvergunning. Dit heeft te maken met de specifieke functie die de startvergunning vervult en de eigen, afwijkende eisen die aan de vergunning zijn gesteld. Wel blijft de mogelijkheid bestaan om de vergunning ambtshalve of op verzoek te wijzigen, indien de identificerende gegevens van het bedrijf waaraan van rechtswege een vergunning is verleend, zijn gewijzigd. Een beslissing tot het ambtshalve of op verzoek wijzigen van een startvergunning is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4.67 Nieuw artikel Artikel 4.67 bevat een aantal bepalingen die van toepassing zijn op de Aval-vergunning en gelden in aanvulling op de overige artikelen van deze paragraaf. Op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, moet een bedrijf bij de vergunningaanvraag de unieke registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest voegen van alle werknemers die de te vergunnen werkzaamheden zullen verrichten. Een bedrijf met een vergunning die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, zal over het algemeen echter geen werknemers hebben die al zijn geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Tegelijkertijd zijn lidstaten op grond van artikel 15 van de Asbestrichtlijn verplicht om te beoordelen of de werknemers van het bedrijf dat de vergunning aanvraagt, deugdelijk zijn opgeleid. Het eerste lid van artikel 4.67 bepaalt daarom dat in plaats van de registratienummers, het bedrijf dat een Aval-vergunning aanvraagt de opleidingscertificaten die zijn afgegeven door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische ruimte bij de aanvraag mag voegen. Een in het buitenland gevolgde opleiding kan niet zonder meer worden gebruikt om in Nederland werkzaamheden met asbest te verrichten, onder andere omdat bijlage I bis van de Asbestrichtlijn vereist dat een werknemer kennis moet hebben van het toepasselijke recht van de lidstaat waar hij werkzaamheden verricht. Er zal eerst moeten worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding gelijk kan worden gesteld met een opleiding als bedoeld in artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels en of deze is verzorgd door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Pagina 239 van 294 Het tweede lid verplicht de Minister van Werk en Participatie om deze beoordeling uit te voeren ten aanzien van alle werknemers waarvan een opleidingscertificaat als bedoeld in het eerste lid is verstrekt. Blijkt uit alleen het opleidingscertificaat niet dat een opleiding is afgerond die voldoet aan de hiervoor genoemde bepalingen, dan zal een beoordeling van de beroepskwalificaties plaatsvinden overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Bij die beoordeling wordt ook naar eventuele andere opleidingen en beroepservaring gekeken om na te gaan of er sprake is van een geheel aan beroepskwalificaties dat gelijk te stellen is aan een opleiding als hiervoor bedoeld. Als onderdeel van deze beoordeling, gaat de Minister ook na of de relevante opleidingen die onderdeel uitmaken van de te beoordelen beroepskwalificaties, zijn verzorgd door in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland erkende opleiders of instructeurs Het derde lid maakt het mogelijk voor de minister van Werk en Participatie om kosten in rekening te brengen voor de beoordelingen, bedoeld in het tweede lid. De formulering van het derde lid is ontleend aan artikel 33, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, dat het mogelijk maakt om kosten in rekening te brengen voor het erkennen van beroepskwalificaties op grond van die wet. Er is geen concrete termijn voor het nemen van een beslissing op een vergunningaanvraag. Om die reden geldt dat wat in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen: de beslissing moet worden genomen binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag, waarbij deze redelijke termijn in ieder geval is verstreken als binnen acht weken na ontvangst geen beslissing is genomen of de beslistermijn is verlengd overeenkomstig artikel 4:14, derde lid. Het beoordelen van de opleidingen van de betrokken werknemers kan de nodige tijd in beslag nemen, waardoor het nemen van een beslissing binnen een redelijke termijn niet zonder meer mogelijk is. Om te voorkomen dat deze redelijke termijn wordt overschreden kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden tot opschorting in artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht. De Minister van Werk en Participatie kan op grond van dit artikel de beslistermijn bijvoorbeeld opschorten als hij nadere informatie nodig heeft van de aanvrager of als de aanvrager hiermee heeft ingestemd (artikel 4:15, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk, tweede lid, onderdeel a). Daarnaast is er de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen op grond van artikel 4:14, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het vierde lid bevat een gelijkstellingsbepaling voor artikel 1.5j, vijfde lid, in samenhang met de aanvullende eis in artikel 4.36, onderdeel a, die van toepassing is op de werknemers waarvan bij de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, is vastgesteld dat hun opleiding dan wel hun beroepskwalificaties gelijkgesteld kunnen worden aan een Nederlandse opleiding. Dit is gedaan om te voorkomen dat wanneer deze werknemers hun opleiding willen laten registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest, zij opnieuw hun buitenlandse opleiding moeten laten erkennen, omdat strikt genomen de beoordeling van de opleiding als onderdeel van de vergunningaanvraag niet op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties heeft plaatsgevonden, zoals is vereist in artikel 1.5j, vijfde lid. Het vijfde lid bevat een aanvullende weigeringsgrond die alleen van toepassing is bij aanvragen om een Aval-vergunning. Deze weigeringsgrond is een aanvulling op de weigeringsgrond van artikel 4.60, onderdeel a, en komt op hetzelfde neer: indien de werknemers niet of onvoldoende zijn opgeleid voor de vergunde werkzaamheden, moet de vergunning worden geweigerd. De aanvulling zit hem in het feit dat bij een Aval-vergunning in plaats van registratienummers, opleidingscertificaten mogen worden gevoegd. De weigeringsgrond maakt het mogelijk om een vergunning ook te weigeren als uit de opleidingscertificaten dan wel een beoordeling van de beroepskwalificaties niet Pagina 240 van 294 blijkt dat de werknemers deugdelijk zijn opgeleid voor het verrichten van de te vergunnen werkzaamheden. Onderdeel Q (artikel 9.1) Inhoudelijke wijzigingen Dit besluit voegt een aantal bepalingen toe aan het Arbobesluit die niet zijn gericht aan de werkgever, maar aan de erkende opleider. Omdat het niet de bedoeling is dat ook de werkgever verantwoordelijk wordt gehouden voor de naleving van deze bepalingen, zijn de betreffende bepalingen nu als uitgezonderde bepalingen toegevoegd aan artikel 9.1. Onderdeel R (artikel 9.3) Inhoudelijke wijzigingen In artikel 9.3 worden de artikelen aangewezen die ook de werknemer moet naleven. In dit artikel zijn de verwijzingen naar de oude asbestafdeling vervangen door verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen in de nieuwe asbestafdeling. Een aantal verwijzingen is niet meer teruggekomen, zoals de verwijzing naar de verplichte persoonscertificaten, omdat die niet langer bestaan. Ook zijn verwijzingen toegevoegd naar inhoudelijk nieuwe artikelen, zoals de verwijzing naar artikel 4.42 over de stillegging bij overschrijding van de grenswaarde. Tot slot zijn ook de verwijzingen naar de artikelen uit de nieuwe afdeling 4 aangepast aan de nieuwe nummering. Onderdeel S (artikel 9.5) Inhoudelijke wijzigingen In artikel 9.5 worden de artikelen aangewezen die zelfstandigen en meewerkende werkgevers moeten naleven. In het eerste lid, onderdeel d, zijn de oude artikelen over asbest vervangen door de nieuwe. Daarbij zijn ook verplichtingen aangewezen uit de artikelen die met dit wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan het Arbobesluit, en zijn de verwijzingen naar artikelen uit de nieuwe afdeling 4 aangepast aan de nieuwe nummering. In het eerste lid, onderdeel h, is nu bepaald dat ook de vergunningplicht moet worden nageleefd door de zelfstandige en de meewerkende werkgever. In het vijfde lid worden artikelen aangewezen die alleen gelden voor zelfstandigen en meewerkende werkgevers als ze niet alleen op de arbeidsplaats aanwezig zijn. Ook in dit lid zijn de oude artikelen over asbest vervangen door de nieuwe, en zijn ook verplichtingen aangewezen die met dit wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan het Arbobesluit. Onderdeel T (artikel 9.5a) Inhoudelijke wijzigingen In artikel 9.5a zijn artikelen aangewezen die ook organisaties waar vrijwilligers actief zijn moeten naleven. De verwijzingen zijn aangepast aan de nieuwe artikelnummering – ook de verwijzingen naar de nieuwe afdeling 4 – en is een aantal verwijzingen toegevoegd naar artikel die inhoudelijk nieuw zijn. Onderdeel U (artikel 9.5c) Nieuw artikel Dit besluit bevat bepalingen die gericht zijn aan de opleiders die door de Minister van Werk en Participatie zijn erkend en de van rechtswege erkende opleiders, bedoeld in de artikelen 4.32 respectievelijk 4.33, eerste lid. Pagina 241 van 294 De grondslag om de hiervoor bedoelde bepalingen te richten aan de eerdergenoemde partijen, is artikel 16, negende lid, van de wet, zoals dit zal luiden na inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 28 oktober 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstukken 36843). Het gaat namelijk om bepalingen die strekken tot implementatie van de Asbestrichtlijn. Door in het nieuwe artikel 9.5c, te bepalen welke bepalingen moeten worden nageleefd door de eerdergenoemde partijen, wordt invulling gegeven aan artikel 16, tiende lid, op grond waarvan moet worden bepaald welke voorschriften die bij of krachtens het Arbobesluit zijn vastgesteld, moeten worden nageleefd. De artikelen in paragraaf 5 van de nieuwe afdeling 3 van het Arbobesluit zijn niet gebaseerd op een van de in artikel 16, tiende lid, van de Arbowet genoemde grondslagen. De bepalingen in die paragraaf zijn daarom onverkort van toepassing op degenen aan wie de betreffende bepalingen zich richten. Onderdeel V (artikel 9.6) Inhoudelijke wijzigingen In artikel 9.6 zijn de verplichtingen voor opdrachtgevers vervangen door de verplichtingen die daar onder de nieuwe asbestregels het meest op lijken. Daarom is de verwijzing naar de certificatieplicht in het Arbobesluit vervangen door de vergunningplicht uit de Arbowet. Onderdeel W (artikel 9.9b) Inhoudelijke wijzigingen In artikel 9.9b, eerste lid, onderdeel d, zijn de beboetbare overtredingen die over asbest gaan gewijzigd. De oude artikelnummers zijn verwijderd, en alle nieuwe bepalingen uit dit besluit die een verplichting opleggen aan een normadressaat zijn toegevoegd. De vergunningplicht zelf is overigens niet beboetbaar op grond van dit artikel, maar op grond van artikel 33 van de Arbowet. Onderdeel X (artikel 9.10a) Inhoudelijke wijzigingen In artikel 9.10a, derde lid, worden ernstige overtredingen aangewezen. Op grond van het tweede lid is het mogelijk om bij deze ernstige overtredingen sneller over te gaan tot een waarschuwing voor een preventieve stillegging, en vervolgens tot de stillegging zelf. In subonderdeel 1 van het eerste lid is de certificatieplicht voor asbest geschrapt en zijn de verwijzingen naar artikelen uit de nieuwe afdeling 4 van hoofdstuk 4 van de juiste nummers voorzien. In plaats van de certificatieplicht voor asbest is vervolgens in een nieuw subonderdeel 3 de vergunningplicht uit de Arbowet toegevoegd, zodat overtreding van die vergunningplicht een ernstige overtreding is. Onderdeel CC (hoofdstuk 9, afdeling 4) Inhoudelijke wijzigingen Om ervoor te zorgen dat de toepassing van de oude asbestregels soepel kan overgaan in de toepassing van de nieuwe asbestregels, voegt dit besluit een aantal overgangsbepalingen toe aan het Arbobesluit. Hiervoor is het nodig om voor een aantal artikelen uit dit implementatiebesluit te bepalen dat ze op de datum van inwerkingtreding nog niet (volledig) van toepassing zijn. Van de overgangsbepalingen zijn er een aantal die betrekking hebben op de vergunningplicht. Deze bepalingen rusten Pagina 242 van 294 op de grondslag die voor de implementatie van de Wijzigingsrichtlijn wordt opgenomen in artikel 45a van de Arbowet. De overgangsartikelen die niet over de vergunningplicht gaan, berusten op artikel 16 van de Arbowet. Omdat afdeling 4 van hoofdstuk 9 van het Arbobesluit, waar de overgangsbepalingen in zijn opgenomen, veel artikelen bevat die inmiddels zijn vervallen, is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de afdeling in zijn geheel opnieuw vast te stellen. De nummering van de artikelen in de nieuw vastgestelde afdeling 4 sluit hierdoor niet alleen op elkaar aan, maar ook op die van de voorgaande afdeling van hoofdstuk 9. Hierna wordt een toelichting gegeven op elk van de artikelen in de nieuw vastgestelde afdeling 4. Artikelen 9.23, 9.24, 9.25 en 9.35 Technische wijzigingen Afgezien van een wijziging van de artikelnummers, zijn deze artikelen inhoudelijk hetzelfde als de voormalige artikelen 9.33, 9.34, 9.37 respectievelijk 9.41 van het Arbobesluit. Artikel 9.26 Technische wijzigingen Artikel 9.26 komt inhoudelijk overeen met het voormalige artikel 9.37d op twee punten na: het artikelnummer en het oude onderdeel c van het eerste lid. In het oude onderdeel c van het eerste lid werd verwezen naar certificerende instellingen als bedoeld in artikelen 6.14a, derde lid, en 6.16, derde, zesde, en zevende lid. In deze artikelleden worden echter geen certificerende instellingen genoemd, omdat de certificeringsplichten die voorheen in die artikelleden waren geregeld, zijn vervangen door registratieplichten. Om deze reden komt het oude onderdeel c van het voormalige artikel 9.37d, eerste lid, niet terug in artikel 9.26. Artikel 9.27 Nieuw artikel Voor de asbestvergunning is geen specifieke beslistermijn bepaald, wat betekent dat op grond van artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht binnen acht weken moet worden beslist op de vergunningaanvraag. In de periode vlak na de inwerkingtreding is echter behoefte aan een afwijkende beslistermijn, omdat er dan vermoedelijk zoveel vergunningaanvragen worden ingediend dat een beslistermijn van acht weken te kort is. Op grond van artikel 9.28 en 9.29 kunnen bestaande bedrijven in de asbestbranche hun werkzaamheden namelijk alleen voortzetten zonder vergunning als ze binnen een maand na de inwerkingtreding van het vergunningstelsel een vergunningaanvraag hebben ingediend. Artikel 9.27 bepaalt daarom een afwijkende beslistermijn van zestien weken voor vergunningaanvragen die in de eerste acht weken na de inwerkingtreding worden ingediend. Voor de periode van acht weken is gekozen omdat mogelijk ook kort na de eerste maand vanaf de inwerkingtredingsdatum nog veel aanvragen worden ingediend. Na acht weken is deze piek naar verwachting voorbij. Voor de termijn van 16 weken is gekozen omdat de totale overgangstermijn tussen inwerkingtreding en volledige implementatie zes maanden bedraagt. Na zes maanden moeten alle aanvragen dus behandeld zijn, en met een beslistermijn van zestien weken valt het einde van die beslistermijn nog in alle gevallen binnen de overgangstermijn. Artikel 9.28 Nieuw artikel In artikel 9.28 staat overgangsrecht voor bedrijven die onder het oude recht een procescertificaat asbestverwijdering hadden. Daarmee mochten deze bedrijven asbest Pagina 243 van 294 slopen en verwijderen in risicoklassen 2 en 2A. Onder het nieuwe recht hebben deze bedrijven een vergunning nodig. Dat zou betekenen dat deze bedrijven vanaf de datum van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit geen werkzaamheden zouden kunnen uitvoeren totdat ze een vergunning hebben. Om die situatie te voorkomen bepaalt het eerste lid dat de gecertificeerde bedrijven tijdelijk hun werkzaamheden mogen blijven uitvoeren. Van dit recht kunnen deze bedrijven alleen gebruik maken als ze binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een vergunningaanvraag indienen. Die voorwaarde is er om te bevorderen dat de overgangssituatie zo kort mogelijk duurt. Er zijn nog twee andere maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de overgangssituatie voor de vergunningplicht duidelijk in tijd beperkt is. Ten eerste loopt de overgangsperiode direct af als de Minister een besluit heeft genomen op de aanvraag. Als dat een afwijzend besluit is moet het bedrijf zich daar dus direct aan conformeren, en kan het niet door het indienen van een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening de overgangssituatie voortzetten. Ten tweede loopt de overgangsperiode af na uiterlijk zes maanden. Dit is om te garanderen dat de Wijzigingsrichtlijn uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit volledig geïmplementeerd is. In het tweede lid van dit artikel staat dat het procescertificaat asbestverwijdering kan worden ingezet als bewijs van naleving van artikel 4.39 bij aanvragen die binnen een maand na inwerkingtreding van artikel 19a van de wet zijn ingediend. Het certificaat kan alleen als bewijs van naleving worden gebruikt bij een aanvraag om een vergunning asbestverwijdering basis of asbestverwijdering uitgebreid en alleen voor niet-bodemwerkzaamheden. Dit omdat het oude procescertificaat asbestverwijdering geen betrekking heeft op bodemwerkzaamheden. Als aan een bedrijf eenmaal een vergunning is verleend op basis van een procescertificaat asbestverwijdering, dan is op deze vergunning dezelfde set aan regels van toepassing als bij andere verleende vergunningen het geval is. Dat betekent onder andere dat de vergunning kan worden ingetrokken op basis van toezichtsinformatie of als het bedrijf zich niet aan de vergunningvoorschriften houdt. De regels over schorsing en verval van rechtswege zijn ook van toepassing. Het derde lid maakt hier een uitzondering op om te voorkomen dat wanneer het procescertificaat wordt vervangen door het certificaat dat op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is aangewezen als het voor de aanvraag van de vergunning te verstrekken bewijs van naleving, de vergunning van rechtswege vervalt. Als een bedrijf het nalaat om een nieuw certificaat aan te vragen en het procescertificaat verloopt, dan vervalt de vergunning van rechtswege. Een schorsing of verval van rechtswege kan zich ook voordoen als het procescertificaat wordt geschorst of om een andere reden wordt ingetrokken. Artikel 9.29 Nieuw artikel In artikel 9.29 staat overgangsrecht voor bedrijven die asbestverwijderings- of asbestsloopwerkzaamheden verrichten die onder het oude recht onder de regels van risicoklasse 1 of onder een vrijstelling op de certificatieplicht vielen. Deze bedrijven kunnen op grond van het eerste lid hun werkzaamheden in de overgangsperiode blijven uitvoeren zonder vergunning, op voorwaarde dat ze binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een vergunningaanvraag hebben ingediend. De betreffende bedrijven dienen zich verder te beperken tot de werkzaamheden die zij onder het oude recht mochten uitvoeren zonder certificaat asbestverwijdering. Het is hiermee nadrukkelijk de bedoeling dat deze bedrijven hun gebruikelijke werkzaamheden kunnen voortzetten, en zich in de overgangsperiode niet bezighouden met Pagina 244 van 294 werkzaamheden die onder het oude recht in risicoklasse 2 of 2A vielen. Voor ieder bedrijf dat binnen een maand na de inwerkingtreding van de vergunningplicht een vergunning heeft aangevraagd duurt deze overgangsperiode tot het moment waarop de Minister een besluit neemt op de aanvraag, met een maximum van zes maanden. Net als bij de toepassing van artikel 9.28 kunnen bedrijven de werking van het overgangsrecht dus niet verlengen door na een afwijzing van de aanvraag een bezwaar in te dienen en de rechter om een voorlopige voorziening te vragen. Bedrijven die niet binnen een maand een vergunningaanvraag indienen kunnen geen gebruik maken van dit overgangsrecht, en zullen vergunningplichtige werkzaamheden dus niet kunnen uitvoeren totdat ze daadwerkelijk over een vergunning beschikken. Het tweede lid is bedoeld voor bedrijven die onder het oude recht niet beschikten over een procescertificaat, en onder het nieuwe recht werkzaamheden in de categorie basis of uitgebreid willen uitvoeren. Dit lid regelt dat bedrijven die binnen een maand na inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een vergunningaanvraag hebben ingediend, andere documenten als bewijs van naleving van artikel 4.39 kunnen overleggen dan die zijn aangewezen op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b. Dit recht is er alleen als de aangevraagde vergunning een vergunning asbestverwijdering basis of asbestverwijdering uitgebreid is en de werkzaamheden waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet-bodemwerkzaamheden zijn. Is dat het geval, dan kunnen de documenten in de onderdelen a en b dienen als bewijs van naleving. Het bewijs van naleving bestaat in dit geval uit allebei de documenten: een bedrijf dat slechts een van beide documenten overlegt, voldoet dus niet aan de eis dat een bewijs van naleving van artikel 4.39 bij de aanvraag moet worden ingediend. In onderdeel a is een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling voorschriften aan te wijzen. Dit zal worden vormgegeven door in de Arboregeling te verwijzen naar voorschriften uit het certificatieschema waarin de regels staan voor de certificaten die als bewijs van naleving kunnen gelden. Afhankelijk van het bewijs van naleving dat op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is aangewezen, moet een bedrijf voor het verkrijgen hiervan een aanvraag indienen. Om deze reden is de eis dat uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 een aanvraag voor een bewijs van naleving moet zijn ingediend, alleen van toepassing als voor het verkrijgen van het bewijs van naleving het indienen van een aanvraag nodig is. Een vergunning die is verleend op basis van de documenten, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend onder de voorwaarde dat het bedrijf uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 beschikt over het bewijs van naleving dat normaal gesproken voor de betreffende vergunning en werkzaamheden is vereist en dat, indien van toepassing, binnen een half jaar na inwerkingtreding een aanvraag voor dit bewijs van naleving is ingediend. Het derde lid bepaalt de consequentie als dit niet gebeurt: de vergunning vervalt in dat geval van rechtswege. Het vierde lid bouwt voort op de beperking in het eerste lid: als aan een bedrijf een vergunning is verleend op basis van de documenten, bedoeld in het tweede lid, mag dit bedrijf nog steeds alleen de werkzaamheden verrichten die in de voormalige risicoklasse 1 vielen of onder een uitzondering op de certificatieplicht. Deze beperking geldt tot het moment dat het vereiste bewijs van naleving, bedoeld in het derde lid, wordt overgelegd. Artikel 9.30 Nieuw artikel Pagina 245 van 294 In de nieuwe regels voor het werken met asbest die worden ingevoerd met het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 heeft de erkende werkmethode een belangrijke rol als bewijs van naleving voor de vergunning asbestverwijdering beperkt. In de eerste periode na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 zullen er echter nog niet veel erkende werkmethoden zijn. Daarom staan in het eerste lid twee alternatieven als bewijs van naleving voor de vergunning asbestverwijdering beperkt. Onderdeel a bepaalt dat bij de aanvraag van een vergunning asbestverwijdering beperkt in plaats van een erkende werkmethode ook gebruik mag worden gemaakt van afspraken tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en een schriftelijke en ondertekende verklaring van de aanvrager van de vergunning, waarin hij verklaart dat hij de werkzaamheden overeenkomstig de relevante afspraken zal uitvoeren. Bij de formulering van onderdeel a is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip arbocatalogus in de Beleidsregel arbocatalogi 2019, zonder deze formulering volledig over te nemen. Dat betekent dat de erkende werkmethode kan worden vervangen door het gebruik van een arbocatalogus, maar ook door het gebruik van andere afspraken die formeel geen arbocatalogus zijn. Wel moet er altijd sprake zijn van afspraken die landelijk of voor een sector of branche zijn gemaakt, en die dus bedrijfsoverstijgend zijn. Een afspraak tussen een werkgever en een ondernemingsraad is daarmee niet voldoende. Verder vereist artikel 9.30, eerste lid, onderdeel a dat de afspraken ook gaan over het domein waar de erkende werkmethode voor gebruikt wordt. Afspraken die worden gebruikt als bewijs van naleving zullen dus ook daadwerkelijk moeten gaan over de naleving van artikel 6 van de Asbestrichtlijn – artikel 4.39 van dit besluit – bij de uitvoering van het type werkzaamheden dat het bedrijf verricht. Onderdeel b is bedoeld voor bedrijven die werkzaamheden verrichten waarvoor geen arbocatalogus of vergelijkbare afspraken bestaan. Deze bedrijvenkunnen bij de vergunningaanvraag volstaan met een schriftelijke en ondertekende verklaring dat het bedrijf zich zal houden aan de bepalingen van artikel 4.39. Het is de bedoeling dat er uiteindelijk een erkende werkmethode komt voor alle werkzaamheden die met de vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verricht en waar niet al een ander bewijs van naleving voor geldt, zoals bijvoorbeeld bij bodemwerkzaamheden. Om dit te stimuleren en de duur van het overgangsrecht te beperken, leggen het tweede en derde lid beperkingen op. Het tweede lid beperkt de geldigheidsduur van de vergunning als gebruik wordt gemaakt van de documenten in het eerste lid, onderdeel b, als bewijs van naleving. In dat geval zal de vergunning asbestverwijdering beperkt, mits ook wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor verlening, worden verleend voor de duur van twee jaar. Het derde lid bevat een extra beperking van de mogelijkheid om alleen een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, te gebruiken als bewijs van naleving. Dit kan een bedrijf slechts doen bij de eerste aanvraag van de vergunning en bij aanvragen tot wijziging hiervan, zolang de vergunning nog niet is verlengd. Als een bedrijf een aanvraag om verlenging van zijn vergunning asbestverwijdering beperkt wil indienen, dan zal hij ofwel het bewijs van naleving in het eerste lid, onderdeel a, ofwel een erkende werkmethode moeten overleggen bij de aanvraag. Het vierde lid is bedoeld voor gevallen waarin het gebruik van een erkende werkmethode een vrijstelling van een bepaalde verplichting oplevert. In het Arbobesluit Pagina 246 van 294 en in de Arboregeling komt dit een aantal keren voor. Ook voor deze gevallen zijn waarschijnlijk in de eerste jaren na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit onvoldoende erkende werkmethoden beschikbaar. Daarom bepaalt het vierde lid dat ook voor deze gevallen een arbocatalogus of vergelijkbare afspraken – zoals omschreven in het eerste lid, onderdeel a – gebruikt mogen worden in plaats van een erkende werkmethode. Het vijfde lid bevat een grondslag om in de Arboregeling in ieder geval te bepalen hoelang deze overgangsregeling blijft bestaan. Dit zal langer zijn dan zes maanden, omdat de ontwikkeling van voldoende erkende werkmethoden meer tijd vergt. Dit zit de implementatie van de Wijzigingsrichtlijn niet in de weg, omdat de in het eerste lid genoemde stukken tot de komst van een erkende werkmethode fungeren als bewijs van naleving zoals de Wijzigingsrichtlijn die eist. Ook kunnen regels gesteld worden over de documenten in het eerste lid en de inhoud van de afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Met deze grondslag is het ook mogelijk om voor het eerste en vierde lid verschillende regels te stellen en om voor het eerste en vierde lid verschillende momenten te bepalen waarop de overgangsregeling eindigt. Artikel 9.31 Nieuw artikel In artikel 9.31 staat het overgangsrecht voor opleidingen en de registratie daarvan. Op grond van artikel 4.30 en 4.32 bevatten opleidingen meer verplichte onderdelen, moeten ze worden verzorgd door een erkende opleider en moeten ze geregistreerd worden in het Register gezond en veilig werken met asbest. Het is voor werknemers en werkgevers niet haalbaar om daar op de dag van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit direct aan te voldoen. Dit overgangsartikel bepaalt daarom in het eerste lid dat een werkgever voor zijn werknemers de opleidingen kan laten registreren die de werknemers al hebben afgerond. Als de werkgever daarom verzoekt, worden de betreffende opleidingen in het register opgenomen. Het is aan de werkgever om vast te stellen in hoeverre de werknemer na de registratie voldoet aan de nieuwe opleidingsverplichtingen. Bij ontvangst van een registratieverzoek wordt de betreffende opleiding dus geregistreerd zonder dat wordt beoordeeld welke verplichte onderdelen van de opleiding nog ontbreken. Het is de taak van de werkgever om die beoordeling uit te voeren en om de opleiding van de werknemer aan te vullen als de al voltooide opleidingen nog niet aan alle eisen van de nieuwe regelgeving voldoen. Deze eigen verantwoordelijkheid van de werkgever wordt benadrukt in het tweede lid. In het derde lid staan grondslagen om bij ministeriële regeling te bepalen op welke manier de werkgever moet bewijzen dat de werknemer de opleiding heeft gevolgd, in welke opleidingscategorie specifieke bestaande opleidingen worden ingedeeld en hoelang opleidingen die vóór de datum van inwerkingtreding werden afgerond, nog geldig blijven. In het vierde lid is bepaald dat de werkgever zes maanden na inwerkingtreding van dit implementatiebesluit in ieder geval moet voldoen aan de opleidingsverplichting van artikel 4.30, eerste lid. In aansluiting hierop bepaalt het vijfde lid dat de werkgever bij een vergunningaanvraag in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit nog niet de registratienummers voor de opleidingen van zijn werknemers hoeft mee te sturen. De werkgever krijgt zes maanden de tijd om aan de opleidingsverplichting te voldoen, en is daarom ook pas na zes maanden verplicht om de registratienummers aan te leveren. Omdat tijdens de overgangstermijn van zes maanden nog niet alle werkgevers aan hun opleidings- en registratieplicht kunnen voldoen bepaalt het zesde lid dat tijdens deze zes maanden de registratienummers van werknemers nog niet bij de Arbomelding hoeven te Pagina 247 van 294 worden gevoegd, en dat het ontbreken van de registratienummers bij een vergunningaanvraag in de overgangstermijn nog geen reden is om de vergunning te weigeren. Het zevende lid verschaft duidelijkheid over de verhouding met artikel 9.24, waarin staat dat persoonscertificaten hun resterende geldigheidsduur behouden bij de overgang naar een registratiestelsel. Op grond van artikel 9.24 zouden werkgevers kunnen denken dat dit ook geldt voor de persoonscertificaten voor Deskundig Asbestverwijderaar (DAV) en Deskundig Toezichthouder Asbest (DTA). Dit is echter niet verenigbaar met de Wijzigingsrichtlijn, omdat de persoonscertificaten DAV en DTA niet voldoen aan alle opleidingsvereisten van de Wijzigingsrichtlijn. Daarom staat in het zevende lid dat artikel 9.24 voor deze persoonscertificaten niet van toepassing is, en biedt dit artikel – en de onderliggende bepalingen in de Arboregeling – een ander regime voor de geldigheid van het DAV- en DTA-certificaat. Het achtste lid is toegevoegd voor personen die tijdens de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit geen werkzaamheden met asbest uitvoeren, bijvoorbeeld omdat zij tijdelijk niet werken. Als alleen een werkgever opleidingen kan laten registreren die gevolgd zijn vóór de datum van inwerkingtreding, kan de situatie ontstaan dat een persoon die al opleidingen heeft gevolgd, deze opleidingen overnieuw moet doen als hij pas na de overgangstermijn weer werkzaamheden met asbest gaat uitvoeren. Om dat te voorkomen kan een persoon die tijdens de overgangsperiode geen werknemer is, of die wel werknemer is maar niet met asbest werkt, in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding ook zelf een registratieverzoek indienen. De formulering van dit lid sluit niet uit dat een werknemer die wel met asbest werkt, een verzoek indient in plaats van zijn werkgever. In dat geval is het aan de werknemer om zijn werkgever hierover in te lichten. Artikel 9.32 Nieuw artikel Onder het oude recht was een inventarisatierapport 3 jaar geldig als het aansloot bij de actuele situatie en de geldende regelgeving. Hoewel dit implementatiebesluit nieuwe eisen stelt aan het asbestinventarisatierapport, voldoen ook de inventarisatierapporten ‘oude stijl’ aan de eisen van de Wijzigingsrichtlijn. Deze rapporten kunnen hun geldigheidsduur daarom behouden. Wel mogen er pas werkzaamheden worden verricht op grond van een dergelijk inventarisatierapport, indien dit is aangevuld met de uitdraai uit Smart-ns waarin staat over welke soorten asbest of asbesthoudende producten het inventarisatierapport gaat. Deze uitdraai uit Smart-ns wordt ook benoemd in artikel 4.49, tweede lid, onderdeel i. Het tweede lid van artikel 9.32 gaat over de situatie waarin tijdens de geldigheidsduur van het inventarisatierapport ‘oude stijl’ blijkt dat het inventarisatierapport niet al het asbest of alle asbesthoudende producten bevat. In dat geval moet het inventarisatierapport worden aangevuld met toepassing van het nieuwe artikel 4.48, vierde lid. Het inventarisatierapport ‘oude stijl’ kan dan op basis van het oude recht worden aangevuld. Artikel 4.49 is namelijk niet van overeenkomstige toepassing. Artikel 9.33 Nieuw artikel Artikel 9.33 bevat de standaardregel voor werkzaamheden die vóór de datum van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit zijn gestart. Er is voor gekozen om alle bepalingen uit de oude afdeling 5 van hoofdstuk 4 te blijven toepassen op lopende werkzaamheden, dus ook de bepalingen die zien op de fase Pagina 248 van 294 voorafgaand aan de daadwerkelijke werkzaamheden. De vrijstellingen op de asbestinventarisatieplicht van het oude artikel 4.54b blijven bijvoorbeeld van toepassing, zodat aan een werkgever niet kan worden tegengeworpen dat hij geen asbestinventarisatie heeft laten uitvoeren, terwijl dat voor de datum van inwerkingtreding ook niet verplicht was. Vergelijkbare situaties kunnen onder andere ontstaan rondom de arbomelding en het werkplan. Ook dit overgangsartikel bevat de beperking dat het maximaal zes maanden van kracht is. Als de werkzaamheden dan nog niet zijn afgerond, zullen die dus direct op grond van de nieuwe regels moeten worden uitgevoerd. Verder is dit artikel nadrukkelijk beperkt tot werkzaamheden die al gestart zijn op de datum van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit. Dat betekent dat dit artikel niet van toepassing is op werkzaamheden die op of na de datum van inwerkingtreding starten. In het tweede lid is nader bepaald wat onder de start van de werkzaamheden moet worden verstaan in het geval van werkzaamheden waarop de meldplicht in het oude artikel 4.47c, eerste lid, van toepassing was. Dit is het moment waarop de sloopmelding, bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is gedaan, of, indien een sloopmelding niet is vereist, de melding op grond van artikel 4.47c, eerste lid. Bij werkzaamheden waarop de meldingsplicht in artikel 4.47c, eerste lid, niet van toepassing was, zijnde de uitgezonderde werkzaamheden in het tweede lid van dat artikel, geldt de feitelijke start van de werkzaamheden. Het derde lid verduidelijkt de relatie met artikel 9.28 en 9.29, waarin staat dat bedrijven na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit alleen door mogen gaan met asbestverwijderingswerkzaamheden als ze binnen een maand na de inwerkingtreding een vergunningaanvraag hebben ingediend. Uit dit lid vloeit voort dat die regel ook van toepassing is op de afronding van lopende asbestverwijderingswerkzaamheden. Alleen bedrijven die binnen een maand na inwerkingtreding een vergunningaanvraag indienen mogen hun lopende asbestverwijderingswerkzaamheden voortzetten. Het vierde lid verklaart artikel 9.32 niet van toepassing op werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid. Dit betekent dat een asbestinventarisatierapport dat bij deze werkzaamheden wordt gebruikt, niet eerst hoeft te worden aangevuld met de beschrijving, bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, onderdeel h. Ook hoeft geen aanvullende inventarisatie te worden gedaan op grond van artikel 4.48, vierde lid. Het vijfde lid bepaalt dat de persoonscertificaten voor de verwijdering van asbest in ieder geval gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, geldig blijven. Hiermee wordt voorkomen dat als een certificaat tijdens deze periode zijn geldigheid verliest, de werkzaamheden niet meer kunnen worden voortgezet, omdat persoonscertificatie geen onderdeel meer uitmaakt van het nieuwe recht en er daardoor ook geen nieuwe certificaten meer zullen worden verstrekt. Artikel 9.34 Technische wijziging Artikel 9.34 is het voormalige artikel 9.39 van het Arbobesluit. In het artikel is de verwijzing naar de Europese Gemeenschap (‘EG’) vervangen door een verwijzing naar de Europese Unie (‘EU’). Dit is een louter technische wijziging. ARTIKEL II (wijzigingen Asbestverwijderingsbesluit 2005) Onderdeel A (artikel 1) Pagina 249 van 294 Op grond van artikel 4.48 van het Arbobesluit kan de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten niet alleen meer met een asbestinventarisatie, maar ook met een documentonderzoek in kaart worden gebracht. Deze mogelijkheid is nu ook doorgevoerd in de relevante artikelen van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Omdat er nu in meerdere artikelen naar het nieuwe proces van identificatie van asbest en asbesthoudende producten wordt verwezen en de documentatie waarmee de aanwezigheid hiervan kan worden aangetoond, zijn aan artikel 1 twee begripsbepalingen toegevoegd, met daarin een verwijzing naar de relevante artikelen in het Arbobesluit. In de begripsomschrijving van asbestinventarisatierapport is de verouderde verwijzing naar artikel 4.54a, derde lid, vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel waarin het asbestinventarisatierapport wordt beschreven. De begripsbepaling asbestinventarisatie heeft vanwege het nieuwe begrip asbestidentificatie geen doel meer en is daarom komen te vervallen. Onderdeel B (paragraaf 2) Het opschrift van paragraaf 2 is aangepast, omdat de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten ook kan worden vastgesteld aan de hand van een documentonderzoek in plaats van slechts een asbestinventarisatie. Onderdeel C (artikel 3) De wijzigingen zijn doorgevoerd vanwege het nieuwe proces van asbestidentificatie. De tekst ‘, of’ in het eerste lid, onderdeel a, was niet in lijn met de Aanwijzingen voor de regelgeving en is daarom vervangen door ‘; of’. Dit geldt ook voor de komma aan het slot van het eerste lid, onderdeel b, die nu is vervangen door een puntkomma. Onderdeel D (artikel 4) In artikel 4 waren de situaties opgenomen waarin geen asbestinventarisatie hoefde te worden uitgevoerd. Deze uitzonderingen kwamen grotendeels overeen met de uitzonderingen in artikel 4.54b van het Arbobesluit. De uitzonderingen in artikel 4.54b zijn echter met dit besluit komen te vervallen, afgezien van de uitzondering voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten, niet zijnde zeeschepen, die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd of vervaardigd. Deze uitzondering, voor zover het objecten betreft, is in het gewijzigde artikel 4, eerste lid, gehandhaafd. Daarnaast bevat artikel 4, eerste lid, nu uitzonderingen voor werkzaamheden die zijn gericht op het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp, voor zover dit plaatsvindt door de daartoe bevoegde instanties, en politie- en opsporingstaken. Deze uitzonderingen zijn ook opgenomen in het Arbobesluit Verder is de uitzondering voor asbestwegen in stand gebleven. In het Arbobesluit is deze uitzondering echter niet meer opgenomen voor werkgevers. Dat betekent dat de werkgever van het bedrijf dat een asbestweg (gedeeltelijk) verwijdert wel verplicht is om het asbest te identificeren of te inventariseren. De opdrachtgever blijft op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel c, echter vrijgesteld van die verplichting. Op grond van het tweede lid geldt een aanvullende voorwaarde bij de uitzonderingen voor werkzaamheden die zijn gericht op het verschaffen van (medische) hulp en politie- en opsporingstaken. Net als in artikel 4.48, zevende lid, onderdeel b, van het Arbobesluit, kan op deze uitzonderingen alleen een beroep worden gedaan als alle Pagina 250 van 294 materialen en producten waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij asbest zijn respectievelijk asbest of een asbesthoudend product bevatten, als zodanig worden behandeld. Het derde lid van artikel 4 bevat uitzonderingen op de asbestidentificatieplicht voor particulieren. Deze uitzonderingen komen overeen met de bestaande uitzonderingen op de inventarisatieplicht, behalve de inventarisatie van asbestwegen. Particulieren mogen op grond van artikel 6, tweede lid, niet langer asbestwegen verwijderen, en daarom is het ook niet langer relevant om regels te stellen over de inventarisatie van asbestwegen door particulieren. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de uitzondering in het derde lid, onderdeel c, alleen ziet op vaartuigen die niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader. Dit betekent dat een particulier op grond van deze uitzondering alleen uit een vaartuig als hiervoor bedoeld geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, asbesthoudende vloertegels en niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking mag verwijderen. Onderdeel E (artikel 5) Er kan op twee manieren worden aangetoond dat aan de plicht tot asbestidentificatie is voldaan: met asbestdocumentatie of, als er geen documentatie aanwezig is of deze onvoldoende is om aan de asbestidentificatieplicht te voldoen, een asbestinventarisatierapport. Artikel 5 is op dit punt aangevuld: als voor de asbestidentificatie kon worden volstaan met een documentonderzoek, dan rust op de opdrachtgever de plicht om de asbestdocumentatie te verstrekken aan degene die de handeling zal verrichten. Als het daarentegen nodig was om een asbestinventarisatie uit te laten voeren, dan zal de opdrachtgever, net als voorheen het geval was, het asbestinventarisatierapport moeten verstrekken. Onderdeel F (artikel 6) Artikel 6 bevatte de verplichting om werkzaamheden in risicoklasse 2 of 2A te laten verrichten door een gecertificeerd bedrijf. De risicoklassen zijn met dit besluit echter komen te vervallen. Daarnaast is de certificeringsplicht vervangen door een vergunningplicht en geldt de vergunningplicht voor alle werkzaamheden die worden genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met c. Om deze reden bepaalt artikel 6, eerste lid, nu dat het verboden is om de genoemde werkzaamheden te verrichten zonder vergunning als bedoeld in artikel 19a van de Arbowet. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het enkele bezit van een vergunning als zodanig niet voldoende is. De vergunning waarover het bedrijf beschikt zal hem ook het recht moeten geven om de betreffende werkzaamheden te verrichten. Artikel 19a van de Arbowet, waarin de vergunningplicht is opgenomen, is een implementatie van artikel 15 van de Asbestrichtlijn, dat een vergunningplicht voorschrijft. Aangezien dit artikel geen uitzonderingen op de vergunningplicht toelaat, bevat ook artikel 6 geen uitzonderingen op de vergunningplicht. Overigens is het voor bedrijven ook op grond van artikel 19a van de Arbowet al verboden om zonder vergunning de werkzaamheden uit te voeren die staan opgesomd in het eerste lid. Er is echter voor gekozen om het verbod ook in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 op te nemen. De Omgevingsdiensten kunnen namelijk Pagina 251 van 294 niet handhaven op de Arbeidsomstandighedenregelgeving, maar het is wel wenselijk dat zij kunnen optreden tegen een bedrijf dat handelt in strijd met de vergunningplicht als het gaat om het opruimen van asbest na een incident – in verband met de bevoegdheid van artikel 16 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Daarmee wordt de situatie zoals die bestond voor de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit voortgezet, omdat het toenmalige verbod om te werken zonder procescertificaat ook al overlapte met de Arbeidsomstandighedenregelgeving. Een vergelijkbare bepaling voor bouwwerken is om dezelfde reden opgenomen in artikel 7.20 van het Bbl. Op grond van artikel 6, tweede lid, waren verschillende typen asbestverwijderingen voor bedrijven en particulieren uitgezonderd van de certificatieplicht. Zoals hiervoor al geschreven is, laat de vergunningplicht geen uitzonderingen toe. Met de vervanging van de certificatieplicht door de vergunningplicht zijn de uitzonderingen voor bedrijven daarom verdwenen uit artikel 6, tweede lid. Nu zijn in dit lid alleen nog de werkzaamheden opgenomen die particulieren zelf mogen verrichten, en waar ze dus geen vergunningplichtig bedrijf voor hoeven in te schakelen. Dit zijn de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4, derde lid. Wat betreft de werkzaamheden waarop het Asbestverwijderingsbesluit 2005 van toepassing is, zijn dit de enige asbestwerkzaamheden die particulieren zelf mogen verrichten. Deze werkzaamheden zijn op één punt gewijzigd ten opzichte van het oude artikel 6, tweede lid. Het betreft de verwijdering van asbestwegen, die voor particulieren niet langer is toegestaan – zie ook de toelichting bij artikel 4, tweede lid. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat vanwege de formulering van het oude artikel 6, eerste lid, ook de verwijdering van asbest in risicoklasse 1 door particulieren was toegestaan, en dat ook die mogelijkheid verdwijnt. Het derde lid van artikel 6 is gewijzigd. Dit lid bepaalt nog steeds dat het verbod uit het eerste lid ook geldt voor de opdrachtgever, maar de verbinding met de uitzonderingen in het tweede lid is vervallen omdat er geen uitzonderingen zijn op de vergunningplicht – zie ook de toelichting op het eerste lid. Onderdeel G (artikel 9) In artikel 9 zijn de oude verwijzingen naar de artikelen over de eindbeoordeling in het Arbobesluit vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel waarin de eindbeoordeling is geregeld. Daarnaast is het artikel aangepast aan de nieuwe opzet van het eindbeoordelingsartikel in het Arbobesluit. Tot slot is vanwege de stopzetting van het LAVS, de meldplicht in het oude artikel 9, derde lid, komen te vervallen. Onderdeel H (artikel 16) In artikel 16 is aan ‘burgemeester en wethouders’ de tekst ‘het college van’ toegevoegd, omdat dit de volledige, officiële naam van het bestuursorgaan is. ARTIKEL III (wijzigingen Besluit bouwwerken leefomgeving) Op sloopactiviteiten als bedoeld in de Omgevingswet is het Bbl van toepassing. Het gaat hierbij om werkzaamheden die bestaan uit het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk. Het slopen van objecten is dus geen sloopactiviteit die onder het Bbl valt. Als daarom bij de sloop van een object asbest wordt verwijderd, dan Pagina 252 van 294 zijn hierop de regels uit het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en niet het Bbl van toepassing. De wijzigingen van het Bbl in dit artikel, zijn in essentie hetzelfde als de wijzigingen die met dit besluit zijn doorgevoerd in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Hierna volgt per artikel een toelichting. Onderdeel A (artikel 7.9) De wijzigingen in artikel 7.9 zijn, op het onderdeel asbestwegen na, identiek aan de wijzigingen in de artikelen 3 en 4 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van die artikelen. Onderdeel B (artikel 7.10) In artikel 7.10, vierde lid, onderdeel c, zijn uitzonderingen op de sloopmelding opgenomen. Deze uitzonderingen kwamen overeen met de situaties waarin geen melding hoefde te worden gedaan op grond van artikel 4.47c, vierde lid, van het Arbobesluit. Hoewel deze specifieke uitzonderingen in het Arbobesluit zijn komen te vervallen, worden zij hier gehandhaafd. Dit omdat artikel 7.10 gaat over de sloopmelding en de eisen die de Asbestrichtlijn stelt aan een melding voorafgaande aan de werkzaamheden, niet van toepassing is op deze melding. De uitzonderingen die waren opgenomen in onderdeel c, subonderdelen 2 tot en met 4, zijn als specifieke uitzonderingen komen te vervallen, maar de werkzaamheden die worden genoemd in die subonderdelen, blijven uitgezonderd van de sloopmelding. Zij vallen namelijk onder de uitzondering voor werkzaamheden die met een vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verricht. Deze uitzondering is opgenomen in het nieuwe subonderdeel 5 van onderdeel c. Aanvullend is een nieuw onderdeel d toegevoegd met daarin een uitzondering voor werkzaamheden die zijn gericht op het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp, voor zover dit plaatsvindt door de daartoe bevoegde instanties, en politie- en opsporingstaken. Deze uitzondering is ook opgenomen in het Arbobesluit. Onderdeel C (artikel 7.11) Het eerste lid is op meerdere punten gewijzigd. Op grond van het nieuwe onderdeel g moet in het geval van asbestverwijdering worden gemeld welke hoeveelheden en soorten asbest verwijderd zullen worden. Dit komt overeen met onderdeel b van de melding die is ingevoerd in het nieuwe artikel 4.37, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Omdat Omgevingsdiensten deze melding niet kunnen inzien maar het voor hen wel wenselijk is om over deze informatie te beschikken, is dit nieuwe onderdeel g toegevoegd. In de praktijk kan de melding van globale hoeveelheden asbest op grond van het eerste lid, onderdeel f, hierdoor worden overgeslagen onder verwijzing naar de informatie die op grond van onderdeel g worden geven. De melding van de voorgenomen afvoerbestemming op grond van onderdeel f blijft wel relevant. Het eerste lid, onderdeel h – voorheen onderdeel g – is aangepast, omdat naast een asbestinventarisatie, de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten nu ook kan worden vastgesteld door een documentonderzoek. Pagina 253 van 294 Het nieuwe onderdeel i houdt verband met de invoering van de vergunningplicht voor asbestverwijdering. Als bij de te verrichten sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd en de sloopwerkzaamheden worden verricht door een bedrijf, dan moet bij de sloopmelding ook de naam en het vergunningnummer worden gevoegd van het bedrijf dat de werkzaamheden zal verrichten. De vergunning is in dit geval de vergunning die op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet is vereist voor dergelijke sloopwerkzaamheden. Door het opnemen van de naam en het vergunningnummer in de sloopmelding kan er beter op worden toegezien dat het uitvoerende bedrijf beschikt over de hiervoor vereiste vergunning. Het vierde lid is komen te vervallen, omdat er geen risicoklasseindeling meer bestaat en het niet nodig is dat een sloopmelding voor sloopwerkzaamheden waarbij asbest is betrokken, altijd langs elektronische weg wordt gedaan. Onderdeel D (artikel 7.12) Aan artikel 7.12 is de verplichting toegevoegd om bij het informeren van het bevoegd gezag over de start van de werkzaamheden, de informatie door te geven die ook op grond van artikel 7.11, onderdeel e al moest worden gemeld. Dit zijn de data en tijdstippen waarop gewerkt wordt en een beschrijving van de manier waarop de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd (werkmethode). In aanvulling op de eerder gemelde informatie moeten de data en tijdstippen bij deze startmelding worden weergegeven in een werkschema. Daaruit moet ook duidelijk worden of er op weekenddagen wordt gewerkt en wat de gebruikelijke werktijden zijn. Deze informatie is nuttig voor het werk van de toezichthouder. Deze verplichting geldt alleen voor zover bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd en degene die de sloopwerkzaamheden verricht, handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het voormalige derde lid is door de toevoeging van bovengenoemde verplichting vernummerd tot het vierde lid. In dit vierde lid is nu de verplichting opgenomen om het unieke nummer van de sloopmelding op te nemen in de berichten om te voldoen aan de informatieplichten in dit artikel. Hiermee kunnen deze berichten eenvoudiger worden gekoppeld aan de sloopmelding waar zij bij horen. Het unieke nummer van de sloopmelding is het nummer dat bij het doen van de sloopmelding in de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, door die voorziening wordt aangemaakt. Het gaat hier om een uniek nummer aan de hand waarvan de gedane melding kan worden geïdentificeerd. Is de sloopmelding niet via de Landelijke voorziening, maar schriftelijk ingediend, dan is het unieke nummer het nummer dat het bevoegd gezag heeft toegekend aan de ontvangen sloopmelding. Onderdeel E (artikel 7.12a) In artikel 7.12a waren verplichtingen opgenomen om bepaalde gebeurtenissen te registreren in het LAVS. Deze verplichtingen zijn met dit besluit komen te vervallen vanwege de stopzetting van het LAVS. In plaats daarvan bevat artikel 7.12a, eerste lid, nu een verplichting om het resultaat van de eindbeoordeling door te geven aan het bevoegd gezag. Dit ter vervanging van de plicht om bij werkzaamheden in risicoklassen 2 en 2A deze informatie op te nemen in het LAVS, die door de stopzetting van het LAVS is komen te vervallen. Pagina 254 van 294 Op grond van het tweede lid moet het resultaat van de eindbeoordeling in dezelfde vorm worden gemeld als bij de melding op grond van artikel 4.56, eerste lid, van het Arbobesluit. De regels hiervoor zijn opgenomen in de Arboregeling en zijn gebaseerd op artikel 4.56, tweede lid, Arbobesluit, waar in artikel 7.12a, tweede lid, naar wordt verwezen. Het derde lid maakt duidelijk dat de verplichting tot het doorgeven van het resultaat van de eindbeoordeling alleen geldt als het doen van een sloopmelding verplicht is en er bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd. Pas als aan allebei de voorwaarden is voldaan, is er een verplichting tot het doorgeven van het resultaat. Bij het doorgeven van het resultaat van de eindbeoordeling zal ook het unieke nummer van de sloopmelding moeten worden vermeld. Onderdeel F (artikel 7.13) De wijzigingen in dit onderdeel zijn hetzelfde als de wijzigingen die met onderdeel C van dit besluit zijn doorgevoerd in artikel 7.11, eerste lid, onderdeel g. Onderdeel G (artikel 7.20) De wijzigingen in artikel 7.20 komen overeen met de wijzigingen die zijn aangebracht in artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de wijzigingen van dat artikel. Onderdeel H (artikel 7.22) In artikel 7.22 zijn de oude verwijzingen naar de artikelen over de eindbeoordeling in het Arbobesluit vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel waarin de eindbeoordeling is geregeld. Daarnaast is het artikel aangepast aan de nieuwe opzet van het eindbeoordelingsartikel in het Arbobesluit. Onderdeel I (bijlage I) In de begripsomschrijving van asbestinventarisatierapport wordt nu verwezen naar het nieuwe artikel in het Arbobesluit dat gaat over het rapport. Daarnaast is een nieuwe begripsbepaling voor het begrip ‘asbestdocumentatie’ toegevoegd, omdat dit begrip nu op meerdere plaatsen in het Bbl wordt gebruikt. Tot slot is de begripsbepaling van LAVS komen te vervallen, omdat het LAVS niet meer bestaat. Artikel IV (wijzigingen Omgevingsbesluit) In het bij koninklijke boodschap van 28 oktober 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstukken 36843) wordt voorgesteld om aan de Arbowet een nieuw artikel 16a toe te voegen. Op grond van dat artikel kunnen informatieverplichtingen die gelden op grond van de Arbowet worden aangewezen, waar via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, aan kan worden voldaan. Artikel IV van dit besluit voegt een nieuwe afdeling toe aan hoofdstuk 14 van het Omgevingsbesluit waarin gebruik wordt gemaakt van de hiervoor genoemde bevoegdheid. Daarbij worden ook de nodige regels gesteld om het gebruik van de landelijke voorziening mogelijk te maken. Artikel IV bevat daarnaast een klein aantal Pagina 255 van 294 technische wijzigingen van het Omgevingsbesluit die bedoeld zijn om bepaalde artikelen van het Omgevingsbesluit tekstueel in lijn te brengen met de Arbowet. Onderdeel A (artikel 1.1a, tweede lid) Onderdeel A voegt artikel 16a van de Arbowet toe, omdat de regels in de nieuwe afdeling 14.5 zijn gebaseerd op deze wettelijke grondslag. Onderdeel B (meerdere artikelen in hoofdstuk 13) In de artikelen die worden genoemd in onderdeel B werd voor het toezichthoudersbegrip in de Arbowet verwezen naar artikel 1, derde lid, onder d, van die wet. De definitie van het begrip toezichthouder is echter verplaatst naar artikel 1, eerste lid, van de Arbowet. Met onderdeel B is daarom de verwijzing naar de oude bepaling vervangen door een verwijzing naar de nieuwe bepaling. Onderdeel C (artikel 13.26) Op grond van de Arbowet wordt een last onder bestuursdwang opgelegd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 13.26 van het Omgevingsbesluit, dat gaat over het opleggen van een last onder bestuursdwang voor arbogerelateerde overtredingen, bepaalde echter dat een door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de last oplegt. De Arbowet en het Omgevingsbesluit weken op dit punt dus van elkaar af. Onderdeel C heeft dit gelijk getrokken door de tekst van artikel 13.26 in lijn te brengen met die van de Arbowet. Onderdeel E (afdeling 14.5) Afdeling 14.5 is een nieuwe afdeling die het gebruik van de landelijke voorziening voor informatieverplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet uitwerkt. De bepalingen in deze nieuwe afdeling zijn gebaseerd op artikel 16a van de Arbowet. De losse artikelen van deze afdeling worden hieronder toegelicht. Artikel 14.13 In deze afdeling worden vijf informatieverplichtingen in het Arbobesluit aangewezen waar via de landelijke voorziening aan kan worden voldaan. De informatie waar het om gaat, moet bij al deze informatieverplichtingen worden verstrekt aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Deze aangewezen toezichthouder heeft hierbij dezelfde rol als het bevoegd gezag in het geval van meldingen en andere informatieverplichtingen dan een melding als bedoeld in het Omgevingsbesluit. Het begrip ‘bevoegd gezag’ is echter een begrip uit het omgevingsrecht met een betekenis die niet aansluit op de begrippen uit de arbeidsomstandighedenregelgeving. Daarom wordt in meerdere artikelen van deze afdeling bepaald dat daar waar ‘bevoegd gezag’ staat, moet worden gelezen ‘de toezichthouder’. In het Omgevingsbesluit wordt op meerdere plaatsen verwezen naar de toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van de Arbowet. Dit zijn alle toezichthoudende ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Arbowet. Zoals hiervoor aangegeven, moet de informatie waar het bij de informatieverplichtingen om gaat, worden verstrekt aan een specifiek daartoe aangewezen toezichthouder. Een verwijzing naar de toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van de Arbowet, sluit hier niet op aan. In artikel 14.13 is daarom opgenomen dat ‘de toezichthouder’ de aangewezen toezichthouder is als bedoeld in de bepalingen van het Arbobesluit waarin de eerdergenoemde informatieverplichtingen staan. De aanwijzing van deze specifieke Pagina 256 van 294 toezichthouders is geregeld in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving. Artikel 14.14 Op grond van het eerste lid kan een werkgever aan de informatieverplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.37, eerste en derde lid, 4.53, eerste en tweede lid, en 4.56, eerste lid, van het Arbobesluit voldoen via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet. De informatieverplichtingen waar het om gaat, zijn: - de melding die voorafgaande aan het verrichten van werkzaamheden met asbest als bedoeld in artikel 4.27 moet worden gedaan; - de melding die moet worden gedaan als een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof; - de melding dat de sloop- of verwijderingswerkzaamheden worden verricht op een andere plaats, of op andere data of tijdstippen dan opgenomen in de melding voorafgaande aan het verrichten van de werkzaamheden; - de melding die moet worden gedaan na afronding van sloop- of verwijderingswerkzaamheden; - de melding die moet worden gedaan na afronding van de eindbeoordeling. Het Omgevingsbesluit bevat regels over onder meer de werking van de landelijke voorziening en de verwerking van persoonsgegevens in relatie tot de landelijke voorziening. Deze regels zijn vaak specifiek toegespitst op het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in artikel 16.1 van de Omgevingswet. Om die reden is het nodig om bepaalde voorschriften van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing te verklaren. Dit is gedaan in het tweede lid, en artikel 14.17. Hierbij is een splitsing aangebracht tussen voorschriften die zien op het gebruik van de landelijke voorziening (artikel 14.14, tweede lid) en voorschriften die zien op de verwerking van persoonsgegevens (artikel 14.17). Het tweede lid, verklaart de artikelen 14.2, 14.3 en 14.7 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing. Deze artikelen regelen onder meer het verplicht gebruik van het in de landelijke voorziening opgenomen elektronische formulier, de ondertekening van via de landelijke voorziening gedane meldingen en het beheer van in de landelijke voorziening opgenomen berichten. Deze artikelen en de onderdelen hiervan zijn ofwel alleen van toepassing op het elektronisch berichtenverkeer, bedoeld in artikel 16.1 van de Omgevingswet, ofwel hebben zij betrekking op het bevoegd gezag als bedoeld in die wet. Zonder het van overeenkomstige toepassing verklaren van deze voorschriften, gelden deze niet wanneer via de elektronische voorziening een bericht wordt verstuurd om te voldoen aan de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 4.37, eerste en derde lid, 4.53, eerste en tweede lid, of 4.56, eerste lid, terwijl deze voorschriften ook in die situatie moeten gelden. Hierin voorziet het tweede lid. Berichten om te voldoen aan de informatieverplichtingen, bedoeld in het eerste lid, moeten worden verstuurd aan de toezichthouder. Het is daarom van belang dat als in de hiervoor genoemde artikelen van het Omgevingsbesluit wordt gesproken over het bevoegd gezag, dit in deze context wordt gelezen als de toezichthouder. Dit is nu geregeld door in onderdeel a van het tweede lid te bepalen dat in de artikelen 14.2, eerste lid, onderdeel b, en 14.7 ‘bevoegd gezag’ moet worden gelezen als ‘de toezichthouder’. Pagina 257 van 294 In artikel 14.2, derde lid, van het Omgevingsbesluit wordt ook gesproken over het bevoegd gezag. Dit artikellid bevat de verplichting om aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, als beheerder van de Landelijke Voorziening, de benodigde informatie aan te leveren om een elektronisch formulier in de landelijke voorziening te kunnen samenstellen. In artikel 14.14, tweede lid, onderdeel b, is bepaald dat ‘bevoegd gezag’ hier moet worden gelezen als ‘de Minister van Werk en Participatie’. Hiervoor is gekozen, omdat er op grond van de Arbowet meerdere toezichthoudende ambtenaren zijn, terwijl het voor de informatielevering de voorkeur heeft om dit bij één persoon te beleggen. Dit is de Minister van Werk en Participatie, als eindverantwoordelijke voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Het derde lid is opgenomen vanwege de specifieke invulling die in het omgevingsrecht wordt gegeven aan het begrip ‘melding’. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Omgevingswet is een melding in het omgevingsrecht een harde eis om een activiteit te mogen verrichten. Als er een meldplicht geldt, dan mag een activiteit pas worden verricht als op tijd een melding is gedaan. De informatieverplichtingen in artikel 14.14, eerste lid, worden in het Arbobesluit allemaal aangeduid als melding, omdat dit de term is die in het gehele Arbobesluit wordt gebruikt als het gaat om een verplichting om iets door te geven aan de toezichthouder of een andere partij. Er geldt echter geen absoluut verbod om een activiteit te verrichten zoals in het omgevingsrecht het geval is. Vertaald naar het omgevingsrecht, hebben de meldingen in het eerste lid eerder het karakter van een verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 20.21, eerste lid, onderdeel b, van de Omgevingswet. Artikel 16.139 van de Omgevingswet is met artikel 16a, tweede lid, van de Arbowet van overeenkomstige toepassing verklaard op informatieverplichtingen bij of krachtens de Arbowet die op grond van dat eerste lid zijn aangewezen. Dit betekent dat op grond van artikel 16.139, eerste lid, onder meer regels kunnen worden gesteld over de toepassing van deze informatieverplichtingen, voor zover de Omgevingswet, de Algemene wet bestuursrecht en de bij of krachtens de Bekendmakingswet gestelde regels hier niet in voorzien. In het derde lid is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door te bepalen dat deze informatieverplichtingen bij de toepassing van de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet die gaan over de landelijke voorziening, moeten worden gelijkgesteld aan verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en bescheiden. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld hoe deze verplichtingen in de landelijke voorziening moeten worden gekwalificeerd. Artikelen 14.15 en 14.16 Op grond van artikel 20.22 van de Omgevingswet kan bij algemene maatregel van bestuur een andere functionaliteit worden aangewezen waarin de landelijke voorziening voorziet. Een van deze functionaliteiten is de doorzendfunctionaliteit, die is geregeld in artikel 14.5b van het Omgevingsbesluit. Met deze doorzendfunctionaliteit kunnen meldingen en gegevens of bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting op grond van de Omgevingswet, worden doorgestuurd naar de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Voor werkgevers die een sloopmelding als bedoeld in artikel 7.10 van het Bbl hebben gedaan, heeft het doorzenden van deze melding aan de toezichthouder als voordeel dat de toezichthouder al over bepaalde informatie beschikt die ziet op de te verrichten Pagina 258 van 294 werkzaamheden. Het is dan niet meer nodig voor de werkgever om deze informatie te verstrekken bij de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, van het Arbobesluit, erven uitgaande dat de informatie die is opgenomen in de sloopmelding, tussentijds niet is gewijzigd. Als een werkgever daarnaast heeft voldaan aan de informatieplichten, bedoeld in de artikelen 7.12, derde lid, en 7.12a, eerste lid, van het Bbl en deze worden doorgezonden aan de toezichthouder, dan vervalt daarmee de noodzaak voor de werkgever om nog te voldoen aan de informatieverplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.53, tweede lid, en 4.56, eerste lid, van het Arbobesluit. Vanwege deze voordelen van doorzending voor de werkgever, bepaalt artikel 14.15 dat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, ook voorziet in het doorzenden van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de Omgevingswet naar de toezichthouder voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit. Artikel 14.16, eerste lid, bepaalt daarbij welke informatie zal worden doorgezonden: dit zijn de hiervoor bedoelde sloopmelding en berichten om te voldoen aan de informatieplichten, bedoeld in de artikelen 7.12, derde lid, en 7.12a, eerste lid, van het Bbl. De toevoeging ‘onverminderd artikel 14.5b van het Omgevingsbesluit’ in artikel 14.15, is om te verduidelijken dat deze doorzendfunctionaliteit niet in de plaats komt van de doorzendfunctionaliteit als bedoeld in dat artikel, maar hier een aanvulling op is. Een andere functionaliteit moet op grond van artikel 20.22, eerste lid, van de Omgevingswet bijdragen aan de doelen, bedoeld in artikel 20.20 van die wet. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van afdeling 20.5 van de Omgevingswet in artikel 16a van de Arbowet, moeten deze doelen in het licht van de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving worden gelezen. Dit betekent bijvoorbeeld dat het beschikbaar stellen van informatie over de fysieke leefomgeving (artikel 20.20, onderdeel a), moet worden gelezen als: het beschikbaar stellen van informatie over arbeidsomstandigheden. De doorzendfunctionaliteit, bedoeld in artikel 14.15 van het Omgevingsbesluit, dient in dit geval het doel, bedoeld in artikel 20.20, onderdeel c, van de Omgevingswet, wat in het licht van het voorgaande inhoudt: het bevorderen van een doelmatige en doeltreffende uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Arbowet. Berichten om te voldoen aan de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 4.37, eerste en derde lid, 4.53 en 4.56 van het Arbobesluit moeten allemaal worden verstuurd aan de toezichthouder. Om deze reden bepaalt artikel 14.16, eerste lid, dat ook het doorzenden aan de toezichthouder moet plaatsvinden. Artikel 14.16, tweede lid, verklaart artikel 14.7b, tweede lid, van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing op de berichten die op grond van het eerste lid worden doorgezonden. Hierdoor geldt voor deze berichten dezelfde bewaartermijn als voor berichten die op grond van de doorzendfunctionaliteit, bedoeld in artikel 14.5b van het Omgevingsbesluit, worden doorgezonden. Artikel 14.17 Artikel 14.8 van het Omgevingsbesluit bepaalt wie de verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening en wie de Pagina 259 van 294 verantwoordelijke is op het moment dat een bericht wordt opgehaald uit de landelijke voorziening. Dit artikel geeft daarmee invulling aan de verplichting in artikel 20.25, eerste lid, van de Omgevingswet tot het stellen van regels hierover. In het geval van de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 4.37, eerste en derde lid, 4.53, eerste en tweede lid, en 4.56, eerste lid, zal de toezichthouder, zodra hij een bericht dat in het kader van deze informatieverplichtingen is verstuurd, ophaalt uit de landelijke voorziening, de verwerkingsverantwoordelijke worden voor de verwerking van de daarin opgenomen persoonsgegevens. In artikel 14.17, eerste lid, van het Omgevingsbesluit is dit geregeld door artikel 14.8, tweede lid, van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hierbij is bepaald dat ‘bevoegd gezag’ in dit artikellid moet worden gelezen als ‘toezichthouder’, omdat de arboregelgeving het begrip ‘bevoegd gezag’ niet kent. Artikel 14.17, eerste lid, verklaart daarnaast twee andere artikelen uit het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing en bepaalt ook hier dat daar waar gesproken wordt over het bevoegd gezag, de toezichthouder moet worden gelezen. Beide artikelen gaan over het verwerken van persoonsgegevens door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor het verlenen van toegang tot de landelijke voorziening respectievelijk het doorgeleiden van berichten die zich in de landelijke voorziening bevinden. Om deze artikelen ook van toepassing te laten zijn in het geval van de informatieverplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.37, eerste en derde lid, 4.53, eerste en tweede lid, en 4.56, eerste lid, en zo te voldoen aan de verplichtingen tot het stellen van regels in artikel 20.25, eerste lid, van de Omgevingswet, zijn ook deze artikelen van overeenkomstige toepassing verklaard. In het tweede lid wordt bepaald welke persoonsgegevens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verwerkt om de berichten, bedoeld in artikel 14.16, eerste lid, door te zenden naar de toezichthouder. Deze bepaling is nodig, omdat artikel 14.10c van het Omgevingsbesluit alleen gaat over de verwerking van persoonsgegevens bij het doorzenden van berichten met de doorzendfunctionaliteit, bedoeld in artikel 14.5 van het Omgevingsbesluit. Het derde lid bepaalt de bewaartermijn van de persoonsgegevens die ten behoeve van het doorzenden worden verwerkt. Dit is dezelfde termijn als bij de doorzendfunctionaliteit, bedoeld in artikel 14.5, van het Omgevingsbesluit. Artikel V Op het moment dat dit besluit in werking treedt, zullen de verplichtingen om te beschikken over de certificaten, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid, van het Arbobesluit, ophouden te bestaan. De bedoelde certificaten zijn de persoonscertificaten voor de functie van deskundig toezichthouder asbest (DTV) en de deskundig asbestverwijderaar (DAV). Het vervallen van deze certificatieplichten brengt met zich mee dat de aanwijzing van certificerende instellingen die tot dan toe deze certificaten hebben verstrekt, geen betekenis meer heeft. In artikel IV is daarom bepaald dat deze aanwijzing van rechtswege komt te vervallen. Artikel VI Zie voor een toelichting over de inwerkingtreding hoofdstuk 12 van de algemene toelichting. Pagina 260 van 294 Artikel VII In het overgangsrecht voor de wijzigingen van het Arbobesluit wordt vaak verwezen naar de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit. Als dan iedere keer opnieuw het volledige opschrift van dit implementatiebesluit moet worden ingevoegd, wordt het overgangsrecht moeilijker te lezen. Daarom is gekozen voor een citeertitel, waarmee dit besluit makkelijker kan worden aangeduid. Om de citeertitel zo kort en duidelijk mogelijk te houden is gekozen voor Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668. Bijlagen A. Transponeringstabel bij de omzetting van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668) B. Weergave van nationale uitwerking en beleidskeuzes bij implementatie C. Overzicht van delegatiegrondslagen in afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit D. Afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 Pagina 261 van 294 Bijlage A. Transponeringstabel bij de omzetting van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668) Richtlijn (EU) 2023/2668 Geïmplementeerd in Nationale beleidsruimte Toelichting op implementatiewijze Artikel 1, punt 1 (doelstelling richtlijn) Artikel 4.24, eerste lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Richtlijn 2004/37 is geïmplementeerd in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Door de schakelbepaling van artikel 4.24 worden de implementaties van richtlijn 2004/37 en richtlijn 2009/148 in het Nederlands recht met elkaar verweven. Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.37a van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 1, punt 2 (toepassingsbereik asbest) Artikel 4.23, eerste begripsbepaling (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.37, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 1, punt 3, a (toepassingsbereik werkzaamheden) Artikel 4.2 (bestaand) en 4.17 (bestaand) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 3, b (vrijstelling van meldplicht artikel 4) Artikel 4.38, tweede lid, onderdeel b (nieuw), en derde lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Er is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uitzonderingen te maken op de Pagina 262 van 294 meldplicht. Artikel 1, punt 4 (melding) Artikel 4.36, eerste en vijfde lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 5 (beperking van blootstelling) - Minimaliseren van het aantal werknemers (a): artikel 4.1c, aanhef en onderdeel d (bestaand) en artikel 4.19, aanhef en onderdeel b (bestaand), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Inrichting werkprocedés (b): artikel 4.39, eerste lid, onderdeel a (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Ontsmettingsprocedé (b bis): artikel 4.39, eerste lid, onderdeel e (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Adequate bescherming bij werkzaamheden in gesloten ruimten (b ter): artikel 4.1b, eerste lid en tweede lid, onderdeel b (bestaand), 4.1c, eerste lid, onderdelen a, b, Geen Over afval: de Wijzigingsrichtlijn verwijst naar de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98). Deze verwijzing is niet overgenomen. Via artikel 10.3 van de Wet Milieubeheer en het Circulair Materialenplan (specifiek: afvalplan asbesthoudend afval) is al bepaald dat de afvoer van asbestafval moet voldoen aan richtlijn 2008/98. Pagina 263 van 294 c, d, e, h, i, j, k, l, en tweede lid (bestaand), 4.17 (bestaand), 4.18, eerste tot en met vierde lid (bestaand), 4.19, eerste lid (bestaand), 4.20, tweede lid (bestaand), 4.40 (nieuw) en 4.43 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Reiniging en onderhoud van ruimtes en uitrustingen (c): artikel 4.39, eerste lid, onderdeel b (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Opslag en vervoer (d): artikel 4.39, eerste lid, onderdeel d (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Afval (e): artikel 4.39, eerste lid, onderdeel e (bestaand), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 1, punt 6, a (meting asbestvezels) Artikel 4.41, eerste en derde lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen De regels over metingen zijn verder uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Artikel 1, punt 6, b (duur van de monstername) Artikel 4.41, vierde lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.47, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Pagina 264 van 294 Artikel 1, punt 6, c (meting asbestvezels) Artikel 4.41, zevende lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen De toepassing van elektronenmicroscopie hoeft op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wijzigingsrichtlijn, pas op 21 december 2029 te worden geïmplementeerd, maar in Nederland was de toepassing van elektronenmicroscopie al gebruikelijk. Artikel 1, punt 6, d (meting asbestvezels) Artikel 4.23, zevende begripsbepaling (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit Nederland maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een grenswaarde in te voeren waarbij vezels van minder dan 0,2 micrometer worden meegeteld. De tweede alinea van dit onderdeel is daarom voor Nederland niet van toepassing. Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.37, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 1, punt 7 (grenswaarde) Artikel 4.25 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Nederland kiest voor de grenswaarde van 0,002 per cm3, omdat die al gold. Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.46 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De verlaging van de grenswaarde naar 2.000 vezels per m3 hoeft op Pagina 265 van 294 grond van artikel 2, tweede lid, van de Wijzigingsrichtlijn, pas op 21 december 2029 te worden geïmplementeerd, maar in Nederland gold deze grenswaarde al. Artikel 1, punt 8, a (stillegging bij overschrijding grenswaarde) Artikel 4.42, eerste en tweede lid (nieuw), en 4.43, eerste lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 8, b (individuele ademhalingsapparatuur) Artikel 4.40, tweede lid, onderdeel a, en derde tot en met vijfde lid (nieuw), 4.43, derde lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 9 (asbestidentificatie) Artikel 4.48 en 4.49 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 10, a (maatregelen bij verwachte overschrijding grenswaarde) Artikel 4.40, eerste lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.48a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 1, punt 10, b (persoonlijke beschermingsmiddelen bij verwachte overschrijding grenswaarde) Artikel 4.40, tweede lid, onderdeel a (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.48a, tweede lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 1, punt 10, c (beschermingsmaatregelen) Artikel 4.40, tweede lid, onderdeel c (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 11 (eindbeoordeling) Artikel 4.55 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.47b, 4.51a en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Pagina 266 van 294 De eindbeoordeling is verder uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Artikel 1, punt 12, a (opleiding) Artikel 4.30, eerste lid, (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 12, b (opleiding) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Artikel 1, punt 13 (vergunning) - Vergunningplicht: artikel 19a, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (nieuw) - Bewijs van naleving van artikel 6: artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Opleidingscertificaten: artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - Openbaarmaking: Artikel 19a, derde lid (nieuw), van de Arbeidsomstandighedenwet. Geen - De vergunningplicht is verder uitgewerkt in artikel 4.57 tot en met 4.67 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit en in de Arbeidsomstandighedenregeling. - De eisen aan het bewijs van naleving van artikel 6 zijn verder uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. - De registratie van opleidingen is verder uitgewerkt in artikel 4.34 tot en met 4.36 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - De openbaarmaking van vergunningen is verder Pagina 267 van 294 uitgewerkt de Arbeidsomstandighedenregeling. Artikel 1, punt 14 (arbeidsgezondheidskundig onderzoek) Artikel 4.45 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 15 (voorstellen aanvullende regelgeving) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Artikel 1, punt 16, a en b (blootstellingsregister) Artikel 4.46 (nieuw) en artikel 4.10c, vierde en vijfde lid (bestaand) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Geen Artikel 1, punt 17 (registratie beroepsziekten) Artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (bestaand), artikel 2.1a (bestaand) van het Arbeidsomstandighedenbesluit en artikel 1.11 (bestaand) van de Arbeidsomstandighedenregeling. Geen Artikel 1, punt 18 (voorstel aanvullende regelgeving en steun aan werkgevers) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Artikel 1, punt 19 (lijst beroepsziekten) Behoeft geen implementatie. Geen Deze lijst met ziekten wordt in artikel 1, punt 17, een indicatieve lijst genoemd. Hier schuilt geen verplichting achter. Pagina 268 van 294 Artikel 1, punt 20 (toevoeging bijlage) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Artikel 2, eerste lid (implementatieverplichtingen lidstaat) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Artikel 2, tweede lid, eerste alinea (verschillende fases implementatie) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Nederland voldoet al aan de nieuwe grenswaarde en aan de nieuwe regels voor de meetmethode. Implementatie in 2029 is daarom niet meer nodig. Artikel 2, tweede lid, tweede alinea (aanvullende regel implementatie meetmethode) Behoeft geen implementatie. Geen Deze alinea bepaalt overgangsrecht voor lidstaten waar elektronenmicroscopie nog niet algemeen gebruikt wordt. In Nederland is dit al wel de standaardmethode. Implementatie van deze alinea is daarom niet nodig. Artikel 2, derde lid (verwijzing naar richtlijn bij implementatie) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Artikel 2, vierde lid (notificatie) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Artikel 3 (inwerkingtreding richtlijn) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Pagina 269 van 294 Artikel 4 (adressaat richtlijn) Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Geen Bijlage (minimumvoorschriften voor opleiding) Artikel 4.30, eerste tot en met vierde lid (nieuw), 4.32, eerste lid (nieuw) en 4.34, eerste lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De verplichtingen rondom de opleiding zijn verder uitgewerkt in artikel 4.30, vijfde tot en met zevende lid (nieuw), 4.31 (nieuw) en 4.32, tweede tot en met negende lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en in de Arbeidsomstandighedenregeling. Pagina 270 van 294 Bijlage B. Weergave van nationale uitwerking en beleidskeuzes bij implementatie62 Inhoudelijke bepalingen Arbobesluit Artikel in Richtlijn (EU) 2023/2668 Inhoud Richtlijn Toelichting op implementatiewijze Grenswaarde Art. 4.25 Grenswaarde Art. 1, punt 7 Werknemers mogen niet worden blootgesteld aan een grenswaarde van boven de 10.000 vezels/m3. Vanaf 21-12-2029: 10.000 vezels/m3 met dunne vezels, of 2000 vezels/m3 zonder dunne vezels Nationale beleidskeuze De grenswaarde in de Richtlijn is een minimumeis. Nederland hanteert op grond van het advies van de Gezondheidsraad 2010 sinds 2017 de huidige grenswaarde van 2000 vezels/m3, die vanaf 2029 op EU-niveau geldt. We veranderen hier nu niets aan. Opleidingen Art. 4.26 Asbestbewustzijn Art 4.29 Aanvullende voorlichting Art. 4.30 Aanvullend onderricht Art.1, punt 12 Bijlage I bis De werkgever zorgt voor een passende opleiding voor alle werknemers die aan stof van asbest of asbesthoudende materialen worden of kunnen worden blootgesteld. De opleiding wordt aangeboden door een instructeur van wie de kwalificatie wordt erkend overeenkomstig Nationale uitwerking Werknemers die in aanraking kunnen komen met asbest (maar er verder vanaf blijven) moeten voorlichting krijgen van hun werkgever. Werknemers die daadwerkelijk worden blootgesteld moeten een opleiding van een erkend opleidingsinstituut hebben. Met deze nationale uitwerking in twee categorieën werknemers is bewerkstelligd dat het ruime begrip “kunnen worden blootgesteld” er niet toe leidt dat in potentie elke werknemer een erkende opleiding nodig heeft. 62 De motie Kisteman (Kamerstukken II, 2025/2026, 36843, nr. 10) verzoekt om een overzicht van verplichtingen voor ondernemers in een overzichtelijke tabel met daarbij aangegeven of het een nationale beleidskeuze betreft en deze voor te leggen aan ATR om na te gaan of lastenluwere varianten mogelijk zijn Pagina 271 van 294 het nationaal recht en de nationale praktijk. Betreft bestaande verplichtingen dat werknemers adequaat zijn opgeleid. Nieuw zijn de erkenning van opleidingen die de Richtlijn eist en een daarmee samenhangende concretisering van wat een adequate opleiding is. In de Arbeidsomstandighedenregeling is voor de categorieën opleidingen met de hogere risicowerkzaamheden eenmalig een examen verplicht gesteld na afronding van de eerste opleiding. Dit is een uitwerking van de bepaling in de richtlijn dat een opleidingscertificaat wordt verstrekt aan een deelnemer die op bevredigende wijze heeft deelgenomen aan een opleiding. Art 4.34 Registratie opleidingen n.v.t. Art.1, punt 13: bedrijven die een vergunning aanvragen verstrekken de autoriteit certificaten waaruit de voltooiing van opleiding overeenkomstig artikel 14 van RL 2009/148/EG en bijlage I bis blijkt. Art. 1, punt 4: voor aanvang van de werkzaamheden doet de werkgever een melding en verstrekt hij de Nationale beleidskeuze Er is een registratieverplichting voor opgeleide werknemers opgenomen. Hiermee worden de lasten verlaagd bij het aanvragen van de vergunning en het doen van meldingen waar de Richtlijn het overleggen van opleidingscertificaten verplicht. Dit betekent dat bij vergunningaanvragen en meldingen alleen registratienummers nodig zijn en niet de opleidingscertificaten hoeven te worden overlegd. Pagina 272 van 294 opleidingscertificaten van de werknemers die waarschijnlijk het werk zullen uitvoeren. Art. 4.31 Permanente educatie Art. 4.35 Verwijdering registratie en geregistreerde opleidingen Bijlage I bis, punt 1 de opleiding vindt plaats aan het begin van een arbeidsrelatie en telkens wanneer aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld; Nationale uitwerking De werkgever is verantwoordelijk om te voorzien in aanvullende opleidingsbehoeften en de kennis en vaardigheden van de werknemer op niveau te houden. Als minimumeis is gesteld dat eens in de drie jaar een opleiding moet zijn gevolgd die wordt vastgelegd in het registratiesysteem omdat anders de registratie vervalt. Er kan ook door permanente educatie worden voldaan aan de verplichtingen. Art. 4.32 Erkende opleider Art. 9.5.c Verplichtingen van de erkende opleider Art. 1, punt 12 en bijlage I bis, punt 3 3) de opleiding wordt aangeboden door een instructeur van wie de kwalificatie wordt erkend overeenkomstig het nationaal recht en de nationale praktijk. Nationale uitwerking Artikel 4.32 regelt dat opleiders door de Minister erkend kunnen worden, zoals de Richtlijn verplicht. Ook moeten de erkende opleiders zich aan enkele eisen houden. Art. 4.33 Van rechtswege erkende opleiders n.v.t. Nationale uitwerking Dit artikel erkent automatisch de beroepsonderwijsinstellingen en de aanbieders die niet worden bekostigd vanuit het Rijk maar wel zijn erkend door de minister van OCW. Meldplicht Art. 4.37 Melding voorafgaande aan start werkzaamheden Art. 4.53 Art. 1, punt 4 Nationale beleidskeuze De meldplichten vanuit de Richtlijn zijn overgenomen en aanvullend: -wordt voor het toezicht niet alleen gevraagd om de duur van de werkzaamheden maar ook om wijzigingen in de Pagina 273 van 294 Melding bij tussentijdse wijzigingen en na beëindiging werkzaamheden Art. 4.56 Melding na afronden eindbeoordeling plaatsen, data en tijdstippen van de werkzaamheden door te geven. Daarnaast moet een melding worden gedaan na afronding van de werkzaamheden en na afronding van de eindbeoordeling. Dit is nodig om effectief toezicht te kunnen houden. Nationale beleidskeuze -identificatie/-inventarisatierapport/rapport bodemonderzoek -de risicobeoordeling die vooraf is gedaan met de blootstellingsinschatting -het kenmerk dat een bedrijf heeft verkregen bij de vergunninguitgifte -het nummer van de sloopmelding die aan de arbomelding vooraf is gegaan om dubbele invoer te beperken -of sprake is van een asbestverontreiniging Art. 4.38 Uitzonderingen melding Art. 1, punt 3 Lidstaten mogen onder voorwaarden afwijken van het doen verplichten van een melding als het gaat om sporadische blootstelling van werknemers met een geringe intensiteit en uit de risicobeoordeling vooraf blijkt dat de grenswaarde niet wordt overschreden. Nationale uitwerking De Richtlijn biedt de ruimte geen melding te doen in het geval van specifieke voorwaarden. Dit komt in de nationale regelgeving overeen met de categorie beperkt. Daarnaast biedt de Europese Kaderrichtlijn Arbeidsveiligheid89/391/EEG de mogelijkheid af te zien van meldingen in het geval van werkzaamheden verricht door hulpdiensten, waaronder de politie. Dat is tevens opgenomen. Nationale uitwerking Er hoeft slechts eenmaal een melding te worden gedaan als de werkzaamheden een voortdurend karakter hebben Pagina 274 van 294 en steeds op dezelfde locatie worden verricht. Werkzaamheden aan asbest Art. 4.39 Preventieve maatregelen Art. 1, punt 5 Dit artikel regelt dat de emissie van asbest zo laag mogelijk wordt gehouden en verspreiding wordt voorkomen. De genoemde voorbeelden komen uit de Richtlijn. Tevens worden er eisen gesteld aan reiniging, onderhoud, verpakking en ontsmetting van de werknemers na afloop van de werkzaamheden. Het bewijs van naleving dat bij de vergunning moet worden ingediend ziet op dit artikel. Rechtstreekse implementatie Dit artikel is een rechtstreekse weergave van de eisen in de richtlijn. Art. 4.40 Aanvullende maatregelen bij verwachte overschrijding grenswaarde Art. 1 punt 10 Nationale uitwerking Dit artikel is grotendeels rechtstreeks geïmplementeerd maar er is toegevoegd dat er bij het gebruik van een erkende werkmethode vanuit kan worden gegaan dat de grenswaarde niet wordt overschreden. Art. 4.41 Luchtmetingen tijdens werkzaamheden met asbest Art. 1, punt 6 Er wordt vastgelegd dat er op gezette tijden metingen tijdens de werkzaamheden moet worden uitgevoerd. De Rechtstreekse implementatie Dit is een rechtstreekse weergaven van de vereisten uit de richtlijn. Het is een bestaande verplichting in de Richtlijn, de wijzigingsrichtlijn heeft het artikel alleen iets geredigeerd. O.a. met de Pagina 275 van 294 meting moet representatief zijn voor de blootstelling van werknemers voor een referentieperiode van acht uur. De monsters en de analyses moeten worden uitgevoerd door deskundigen. De telling gebeurt met elektronenmicroscopie. De ondernemingsraad wordt betrokken. toevoeging van “specifieke operationele fasen”. In de arbeidsomstandighedenregeling worden nadere eisen gesteld aan wanneer en hoe er metingen moeten worden uitgevoerd, wie die mag uitvoeren en welke laboratoria de monsteranalyses mogen uitvoeren. Art. 4.42 Stillegging werkzaamheden Art. 4.43 Maatregelen bij overschrijding Art. 1, punt 8 Dit artikel geeft aan wanneer de grenswaarde wordt overschreden of er asbest wordt aangetroffen dat niet vooraf was geïdentificeerd, de werkzaamheden onmiddellijk worden stilgelegd tot passende maatregelen zijn getroffen. Rechtstreekse implementatie De inhoud van deze artikelen is rechtstreeks uit de Richtlijn afkomstig en voor de maatregelen wordt verwezen naar art. 4.43. Art. 4.44 Hygiënische beschermingsmaat-regelen n.v.t. Dit was een bestaande verplichting vanuit art. 16 van RL 2009/148/EG waarin eisen aan de kleding en uitrusting zijn opgenomen. n.v.t. Art. 4.45 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek Art. 1, punt 14 Voorheen gold er in de richtlijn een vrijstelling op het arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor werkzaamheden onder de grenswaarde. Rechtstreekse implementatie Pagina 276 van 294 Deze vrijstelling is vervallen. Art. 4.46 Blootstellings-registratie Art. 1, punt 16, onderdelen a en b Voorheen gold er in de richtlijn een vrijstelling op de blootstellings-registratie van werknemers die onder de grenswaarden werkten. Deze vrijstelling is vervallen. Rechtstreekse implementatie Art. 4.48 Asbestidentificatie-plicht Art. 4.49 Nadere regels asbestinventarisatie Art. 1, punt 9 Voorheen gold er een identificatieplicht vanuit de Richtlijn. Daaraan is toegevoegd dat als er geen informatie beschikbaar is om het asbest te kunnen identificeren, een gekwalificeerde marktdeelnemer onderzoekt of er asbesthoudende materialen aanwezig zijn. Nationale uitwerking In Nederland gold voor het overgrote merendeel een verplichte inventarisatie door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf. Nu is de mogelijkheid opgenomen om onder voorwaarden te kunnen volstaan met een identificatieplicht. De genoemde voorwaarden zijn opgenomen in de arbeidsomstandighedenregeling. Art. 4.51 Vaststellen van de blootstelling voor aanvang werkzaamheden n.v.t. Dit was een bestaande verplichting vanuit art. 13, tweede lid van RL 2009/148/EG dat een risicobeoordeling vooraf voorschrijft waarin de aard en mate van blootstelling van werknemers wordt bepaald. Nationale uitwerking Deze risicobeoordeling werd in de staande praktijk uitgevoerd met SMA-rt dat de risicoklasse bepaalde of er werd gebruik gemaakt van een door het VIP beoordeelde veilige werkwijze of validatiestudie om aan te tonen dat onder de grenswaarde werd gewerkt. In de regelgeving is nu vastgelegd dat de risicobeoordeling wordt gedaan door het gebruik van Pagina 277 van 294 SMART-ns, metingen of door gebruik van een erkende werkmethode. Art. 4.52 Werkplan n.v.t. Het hebben van een werkplan was een verplichting vanuit RL 2009/148/EG. n.v.t. Art. 4.54 Reiniging n.v.t. n.v.t. Nationale beleidskeuze Bestaande verplichting. In de nationale regelgeving was en is de verplichting opgenomen de arbeidsplaats en arbeidsmiddelen na afloop van de werkzaamheden grondig te reinigen. Art. 4.55 Eindbeoordeling Art. 1, punt 11 Na beëindiging van de werkzaamheden vergewist men zich ervan dat er geen risico’s meer aanwezig zijn van blootstelling aan asbest op de werkplek volgens het nationale recht en de nationale praktijk. Nationale uitwerking In het nationale recht was de eindbeoordeling gebaseerd op de risicoklassen en het soort asbest. Met het vervallen van de risicoklassen en de komst van drie typen asbesttoepassingen om het risico op te baseren is de eindbeoordeling nu daarop toegespitst. Art. 4.57 Vergunningsoorten n.v.t. Art. 1, punt 13 vereist een vergunningplicht. Dit artikel is opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet. In het besluit staat de verdere uitwerking van die vergunningplicht. Nationale uitwerking De Richtlijn verplicht een vergunning voor alle asbestverwijderingswerkzaamheden. De risico’s bij de verschillende werkzaamheden liggen echter ver uit elkaar. Daarnaast verschilt het type bedrijven ook van een installateur tot een professioneel asbestverwijderingsbedrijf. Daarom heeft Nederland ervoor gekozen om onderscheid te maken in typen vergunningen en de Pagina 278 van 294 vereisten daarop af te stemmen. Art. 4.58 Aanvraagprocedure vergunning n.v.t. Art. 1, punt 13 vereist een vergunningplicht. Dit artikel is opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet. In het besluit staat de verdere uitwerking van die vergunningplicht. Nationale uitwerking Bij de verplichting tot een vergunning is het noodzakelijk iets op te nemen over de aanvraagprocedure in de nationale regelgeving. De Richtlijn stelt het indienen van opleidingscertificaten (vertaald naar registratienummers in NL) en een bewijs van naleving als vereisten. Het bewijs van naleving is nationaal verder uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Nationale beleidskeuze Het indienen van een VOG-rp bij de aanvraag is een nationale beleidskeuze. Dit biedt de vergunningverlener relevante informatie tegen relatief beperkte kosten voor de aanvrager. Art. 4.59 Gebruik van toezichtsinformatie n.v.t. Art. 1, punt 13 vereist een vergunningplicht. Dit artikel is opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet. In het besluit staat de verdere uitwerking van die vergunningplicht. Nationale beleidskeuze Het gebruik van toezichtsinformatie om herhaalde overtreders de vergunning te kunnen weigeren of ontnemen is een nationale beleidskeuze. Dit is van belang om van de vergunningverlening een effectief instrument te maken waarmee de hele slechte nalevers van de markt kunnen worden geweerd. Pagina 279 van 294 Art. 4.60 Weigering vergunning Art. 4.61 Geldigheidsduur vergunning Art. 4.62 Vergunningvoorschriften Art. 4.63 Actualisering vergunning Art. 4.64 Schorsing en verval van rechtswege Art. 4.65 Schorsing en intrekking vergunning Art. 4.66 Startvergunning Art. 4.67 Aval-vergunning n.v.t Art. 1, punt 13 vereist een vergunningplicht. Dit artikel is opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet. In het besluit staat de verdere uitwerking van die vergunningplicht. Nationale uitwerking Bij de verplichting tot een vergunning is het noodzakelijk iets op te nemen over de schorsings-, weigerings- en intrekkingsgronden van een vergunning. Daarnaast moeten voorschriften aan een vergunning kunnen worden gesteld. Er wordt in principe een vergunning voor onbepaalde tijd verleend om de lasten zoveel mogelijk te beperken tenzij er aanleiding toe is een vergunning van tijdelijke aard te verlenen. Specifiek zijn er regels vastgelegd om te kunnen voldoen aan de eisen om een procescertificaat te kunnen verkrijgen via de startvergunningen en voor bedrijven die al over een vergunningen uit een andere lidstaat beschikken via de Aval-vergunning. Pagina 280 van 294 Bijlage C. Overzicht van delegatiegrondslagen in afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit Delegatiegrondslagen Arbobesluit asbest Artikel Onderwerp Verplichting of bevoegdheid Uitwerking in Arboregeling 4.24, derde lid Wijze van vaststellen asbestconcentraties Verplichting Ja, art. 4.21 4.30, achtste lid Nadere regels opleiding Bevoegdheid Ja, art. 4.22, eerste en tweede lid, en 4.23 4.32, tweede lid, onderdeel d Organisatorische verplichtingen erkende opleiders Verplichting Ja, art. 4.25 4.32, tweede lid, onderdeel e Voorschriften onafhankelijkheid examinering Verplichting nnb 4.32, derde lid Bij aanvraag tot erkenning als opleider te overleggen documenten Verplichting Ja, art. 4.26 4.33, tweede lid Nadere regels over van rechtswege erkende opleiders, waaronder manier van aantonen van rechtswege erkend zijn Bevoegdheid 4.34, zevende lid Nadere invulling gegevens over opleiding en instelling die in het Register gezond en veilig werken met asbest worden geregistreerd + nadere regels registratie door de Minister Bevoegdheid Ja, gedeeltelijk, art. 4.22, derde en vierde lid. 4.36, onderdeel b Informatie in het Register gezond en veilig werken met asbest die werkgevers, opdrachtgevers en andere direct betrokkenen mogen inzien Bevoegdheid 4.39, tweede lid Nadere regels over preventieve maatregelen asbest Bevoegdheid Nee 4.40, zesde lid Aanwijzen werkzaamheden en erkende werkmethoden waarmee men onder grenswaarde blijft Bevoegdheid Ja, art. 4.29 Pagina 281 van 294 4.41, negende lid Nadere regels luchtmetingen Bevoegdheid Ja, art. 4.30, eerste lid. 4.46, vijfde lid Nadere regels over informatie, op te nemen in blootstellingsregistratie Bevoegdheid Nee 4.48, achtste lid Nadere eisen asbestdocumentatie Verplichting nnb 4.51, tweede lid, onderdeel a Aanwijzen beoordelingsinstrument blootstelling (Smart-ns) Verplichting Ja, art. 4.32 4.51, tweede lid, onderdeel b Aanwijzen verplichte meetmethode Verplichting Ja, zie artikel 4.32 4.51, vierde lid Nadere regels beoordelingsinstrument, metingen en deskundigheid bij metingen Bevoegdheid 4.51, zesde lid Wijze van beschikbaar stellen vastgestelde asbestconcentratie of meetgegevens aan toezichthouder Bevoegdheid Ja, art. 4.33. 4.51, zevende lid Aanwijzen erkende werkmethoden die uitzondering op artikel geven Bevoegdheid Ja, art. 4.34 4.52, zevende lid Nadere regels werkplan Bevoegdheid 4.55, zevende lid Eisen aan de eindbeoordeling, uitzonderingen op verplichte inzet inspectie-instelling en verplichte luchtmeting, maximaal toegestane waarde voor de luchtmeting. Bevoegdheid, verplichting Ja, art. 4.35 en 4.36 4.56, tweede lid Bepalen te melden resultaten eindbeoordeling Verplichting Ja, artikel 4.37 4.57, tweede lid, onderdeel a Aanwijzen asbest en asbesthoudende producten vergunningcategorie beperkt Verplichting Ja, art. 4.41, eerste lid 4.57, derde lid, onderdeel a Aanwijzen asbest en asbesthoudende producten vergunningcategorie basis Verplichting Ja, art. 4.41, tweede lid Pagina 282 van 294 4.57, vierde lid Aanwijzen asbest en asbesthoudende producten vergunningcategorie uitgebreid Verplichting Ja, art. 4.41, derde lid 4.57, vijfde lid Te overleggen erkenning voor asbestvergunning uitgebreid met bodemwerkzaamheden Verplichting Ja, art. 4.42, vierde lid 4.57, zesde lid Werkzaamheden die met startvergunning mogen worden verricht Verplichting Ja, artikel 4.44 4.58, tweede lid, onderdeel b Aanwijzing van bij vergunningaanvraag te overleggen erkenning, certificaat of ander bewijs van naleving Verplichting Ja, art.4.42, eerste, tweede en derde lid 4.59, tweede lid Wijze van verstrekken toezichtsinformatie Verplichting nnb 4.62, derde lid Nadere regels ter invulling vergunningvoorschriften Bevoegdheid Ja, art. 4.45 4.66, eerste lid Voorwaarden voor verlening startvergunning Verplichting Ja, art. 4.44 4.66, vijfde lid Wijze van bekendmaking startvergunning Verplichting Ja, art. 4.44 9.29, tweede lid, onderdeel a Aanwijzing van voorschriften waaraan bedrijven zonder procescertificaat moeten voldoen als ze hun werkzaamheden willen voortzetten Verplichting nnb 9.30, vijfde lid Nadere regels over tijdelijke vervanging van erkende werkmethoden door schriftelijke afspraken Bevoegdheid 9.31, derde lid Manier waarop werkgever aantoont dat aan theorie- of praktijkgedeelte opleiding is voldaan, categorie-indeling opleidingen, mate waarin opleiding aan artikel 4.30 voldoet en geldigheidsduur van eerder gevolgde opleiding. Verplichting Ja, art. 9.3 Pagina 283 van 294 Bijlage D. Afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn asbest 2023/2668 Arbeidsomstandighedenbesluit Geraadpleegd op 31-08-2026. Afdeling 5. Aanvullende voorschriften asbest § 1. Definities en toepasselijkheid Artikel 4.37. Definitie asbest In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten: 1°. actinoliet (Cas-nummer 77536–66–4); 2°. amosiet (Cas-nummer 12172–73–5); 3°. anthofylliet (Cas-nummer 77536–67–5); 4°. chrysotiel (Cas-nummer 12001–29–5); 5°. tremoliet (Cas-nummer 77536–68–6); 6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4); b. asbesthoudende producten: producten die een of meer van de onder a genoemde vezelachtige silicaten bevatten; c. asbestvezel: een asbestdeeltje dat langer is dan 5 micrometer, een breedte heeft van minder dan 3 micrometer en een lengte/breedteverhouding van meer dan 3/1; d. object: constructie, installatie, apparaat of transportmiddel, niet zijnde een bouwwerk. Artikel 4.37a. Schakelbepaling Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbest of asbesthoudende producten is naast de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk, met inachtneming van de artikelen 4.37b en 4.37c, tevens deze afdeling van toepassing. Artikel 4.37b. Afwijkende bepalingen 1. In afwijking van artikel 4.15 wordt artikel 4.53 toegepast. 2. In afwijking van artikel 4.16 worden de artikelen 4.46 en 4.47a toegepast. 3. In afwijking van artikel 4.19, eerste lid, onderdelen d en e, wordt artikel 4.45, tweede lid, onderdelen c en d toegepast. 4. In afwijking van artikel 4.20, vijfde lid, wordt artikel 4.51, derde lid, toegepast. Artikel 4.37c. Toepasselijkheid Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot asbest of asbesthoudende producten indien de concentratie asbest hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit Pagina 284 van 294 asbest. § 2. Verbodsbepalingen Artikel 4.38. Spuitverbod [Vervallen per 08-03-2005] Artikel 4.39. Crocidolietverbod [Vervallen per 08-03-2005] Artikel 4.40. Uitzonderingen op het crocidolietverbod [Vervallen per 08-03-2005] Artikel 4.41. Asbestverbod [Vervallen per 08-03-2005] Artikel 4.42. Uitzonderingen op het asbestverbod [Vervallen per 08-03-2005] § 3. Voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten Artikel 4.43. Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, beoordelen [Vervallen per 27-06-2000] Artikel 4.44. Risicoklasse 1 Deze paragraaf is van toepassing indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid kunnen worden blootgesteld, de som van de concentratie asbestvezels van het type chrysotiel als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, en van de concentratie amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, kleiner is dan 1. Artikel 4.45. Preventieve maatregelen 1. De concentratie van asbestvezels in de lucht wordt zo laag mogelijk onder de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.46, gehouden. 2. Ter naleving van het eerste lid worden de volgende maatregelen genomen: a. de werkmethoden zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of indien dat technisch niet mogelijk is, dat geen asbeststof in de lucht vrijkomt; b. gebouwen, installaties en uitrustingen die dienen voor het toepassen of het bewerken van asbest of van asbesthoudende producten worden doeltreffend en regelmatig gereinigd en onderhouden; c. asbest, een asbesthoudend product en een product waaruit asbeststof vrijkomt Pagina 285 van 294 worden opgeborgen en vervoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking; d. afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van asbest of van asbesthoudende producten, worden zo spoedig mogelijk verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat. 3. Artikel 4.20, vierde lid, voorzover het de beschikbaarheid van douches betreft, is niet van toepassing indien de concentratie van asbestvezels in de lucht is ingedeeld in risicoklasse 1. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Artikel 4.45a. Aanvullende voorlichting Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof bestaat, wordt doeltreffende voorlichting gegeven over: a. mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof; en b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden. Artikel 4.45b. Aanvullend onderricht 1. Voor alle werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij zij aan asbeststof worden of kunnen worden blootgesteld wordt met regelmatige tussenpozen een passende opleiding verzorgd. 2. Deze opleiding is toegespitst op het kennisniveau en de ervaring van de werknemers en verschaft hen de nodige kennis en vaardigheden inzake veiligheid en preventie met name met betrekking tot: a. eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken; b. soorten producten en materialen die asbest kunnen bevatten; c. handelingen die kunnen leiden tot blootstelling aan asbest en het belang van preventieve controles om blootstelling tot een minimum te beperken; d. veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen; e. de keuze en selectie, de beperkingen en het juiste gebruik van ademhalingsapparatuur; f. noodprocedures; g. ontsmettingsprocédés; h. de wijze waarop de verwijdering van afvalstoffen veilig kan worden uitgevoerd; i. de eisen inzake medisch toezicht. Artikel 4.46. Grenswaarden 1. De concentratie van asbestvezels van het type chrysotiel overschrijdt niet de grenswaarde van 2.000 vezels per kubieke meter, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag. 2. De concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet overschrijdt gezamenlijk niet de grenswaarde van 2.000 vezels per Pagina 286 van 294 kubieke meter, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag. Artikel 4.47. Meten en monsterneming 1. Om de naleving van de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.46, te kunnen waarborgen, worden, in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld de concentraties, bedoeld in artikel 4.46, gemeten. 2. Het meten geschiedt op gezette tijden, afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2. 3. De meting wordt uitgevoerd overeenkomstig een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode of een andere methode, indien deze gelijkwaardige resultaten oplevert. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over deze methodes. 4. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de wijze van monsterneming kenbaar te maken. 5. De monsterneming is representatief voor de individuele blootstelling van de werknemers aan asbestvezels. 6. De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat door meting, of door berekening van deze meting, gewogen in de tijd, de blootstelling van werknemers aan asbestvezels kan worden vastgesteld die representatief is voor een referentieperiode van 8 uur. 7. Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door een persoon die de daarvoor vereiste deskundigheid bezit. 8. De na het nemen van monsters uit te voeren monsteranalyse wordt uitgevoerd in een laboratorium dat daarvoor adequaat is toegerust alsmede ervaring heeft met de vereiste identificatietechnieken. 9. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers kunnen de resultaten van de metingen inzien en kunnen over de betekenis van deze resultaten uitleg krijgen. Artikel 4.47a. Maatregelen bij overschrijding van een grenswaarde 1. Bij overschrijding van een grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, worden de oorzaken voor de overschrijding opgespoord en worden zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde. 2. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de overschrijding, van de oorzaak daarvan en de te nemen maatregelen. Daarnaast wordt hen de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, tenzij sprake is van spoedeisende redenen om zonder deze gelegenheid te bieden, deze maatregelen te nemen. In dat geval worden zij ingelicht over de getroffen maatregelen. Pagina 287 van 294 3. Zolang de in het eerste lid bedoelde maatregelen om de concentratie terug te brengen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, wordt de arbeid op de betreffende arbeidsplaats alleen voortgezet indien de betrokken werknemers doeltreffend zijn beschermd tegen blootstelling aan asbestvezels. 4. Wanneer in de situatie, bedoeld in het derde lid, de blootstelling niet met andere middelen kan worden beperkt en een grenswaarde het dragen van individuele ademhalingsapparatuur vereist, wordt de duur van het dragen daarvan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke beperkt. 5. Wanneer individuele ademhalingsapparatuur wordt gebruikt, wordt voorzien in rustpauzes. 6. Het aantal rustpauzes, bedoeld in het vijfde lid, en de duur daarvan wordt bepaald door de fysieke en klimatologische belasting waaronder de werknemer de werkzaamheden moet verrichten. 7. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging worden de rustpauzes, bedoeld in het vijfde lid, zo nodig vastgesteld in samenspraak met de belanghebbende werknemers. 8. Nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen worden de concentraties van asbestvezels in de lucht gemeten overeenkomstig artikel 4.47 en wordt de indeling in een risicoklasse als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a opnieuw bepaald. 9. Indien uit de meting, bedoeld in het achtste lid, blijkt dat een concentratie in een hogere risicoklasse wordt ingedeeld, is tevens paragraaf 4 of 5 van deze afdeling van toepassing. Artikel 4.47b. Reiniging en visuele inspectie 1. Na werkzaamheden met asbest worden de arbeidsplaats en de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats aanwezig zijn of zijn geweest, doeltreffend gereinigd. 2. Na de reiniging wordt, voordat wordt aangevangen met het opheffen van de gevarenzone, bedoeld in artikel 4.11, onderdeel h, op de betreffende arbeidsplaats een eindbeoordeling uitgevoerd. 3. De eindbeoordeling betreft een visuele inspectie waarbij is vastgesteld dat het te verwijderen asbest niet meer visueel waarneembaar is, met inachtneming van artikel 4.48a, vierde lid. Artikel 4.47c. Melding 1. Uiterlijk twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden wordt door de werkgever melding gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Deze melding bevat tenminste een beknopte beschrijving van: a. de plaats waar de werkzaamheden worden verricht; b. de soorten en hoeveelheden asbesthoudende producten; c. de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht, de werkmethoden alsmede de indeling van de concentraties asbestvezels in de lucht in een risicoklasse; Pagina 288 van 294 d. het aantal betrokken werknemers; e. de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen, alsmede de duur ervan; f. de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling van werknemers aan asbest te beperken. 2. Telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof of asbesthoudende producten, wordt een nieuwe melding gedaan. 3. De op grond van het eerste en tweede lid gemelde gegevens kunnen worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers. 4. Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing. 5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke bijzondere spoedeisende situaties de melding, in afwijking van het eerste lid, op een ander tijdstip kan plaatsvinden. § 4. Aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten Artikel 4.48. Risicoklasse 2 Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid kunnen worden blootgesteld, de som van de concentratie asbestvezels van het type chrysotiel als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, en van de concentratie amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, groter is dan of gelijk is aan 1, dan is in aanvulling op paragraaf 3 tevens deze paragraaf van toepassing. Artikel 4.48a. Aanvullende maatregelen 1. Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, verwacht kan worden dat de som van de concentratie asbestvezels van het type chrysotiel als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, en de concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, in de lucht groter is dan of gelijk is aan 1, ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers. 2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval: a. het ter beschikking stellen van aantoonbaar passende en geschikte ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen en het zorgen dat deze middelen op de juiste wijze worden gedragen; b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter aanduiding dat een overschrijding van een in artikel 4.46 genoemde grenswaarde kan worden verwacht; c. het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden Pagina 289 van 294 plaatsvinden. 3. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid. 4. Voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden, wordt respectievelijk worden het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden. Artikel 4.49. Melding [Vervallen per 28-07-2006] Artikel 4.50. Werkplan 1. Voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden wordt door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een schriftelijk werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers. 2. Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, is opgesteld, worden de resultaten van dat rapport opgenomen in het werkplan. 3. In het werkplan wordt voorgeschreven dat de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, zich ervan vergewist dat voor de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.51a, er geen risico’s van blootstelling aan asbest of asbesthoudende producten meer zijn. 4. In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen: a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1c, eerste lid, aanhef en onderdelen d en h, 4.7, derde lid, onderdelen b, c en e, 4.18, 4.19, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, 4.20, eerste tot en met vierde lid, 4.45, eerste en tweede lid, onderdelen a, b, en d, 4.48a, tweede en vierde lid, en 4.51; b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden alsmede van de werkmethode; c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt; en d. de namen van de werknemers en personen, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid. 5. De werkzaamheden worden overeenkomstig het opgestelde werkplan uitgevoerd. 6. Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig. Artikel 4.51. Hygiënische beschermingsmaatregelen 1. De werkkleding mag uitsluitend buiten het bedrijf of de inrichting worden gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen. Pagina 290 van 294 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, wordt de werkkleding in een daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd. 3. Wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, wordt deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd en gereinigd. Defecte uitrusting mag niet worden gebruikt. Artikel 4.51a. Eindbeoordeling 1. Na de werkzaamheden met asbest wordt voordat wordt aangevangen met het opheffen van de gevarenzone, bedoeld in artikel 4.11, onderdeel h, op de betreffende arbeidsplaats in een binnenruimte een eindbeoordeling uitgevoerd waarbij de monsterneming wordt uitgevoerd door een persoon als bedoeld in artikel 4.47, zevende lid, en de monsteranalyse door een laboratorium als bedoeld in artikel 4.47, achtste lid. 2. De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een visuele inspectie gevolgd door een eindmeting, teneinde vast te stellen of de concentratie van asbestvezels in de lucht lager is dan 10.000 vezels per kubieke meter, uitgaande van een referentieperiode van ten minste twee uur. 3. Na de werkzaamheden met asbest wordt voordat wordt aangevangen met het opheffen van de gevarenzone, bedoeld in artikel 4.11, onderdeel h, op de betreffende arbeidsplaats in de buitenlucht door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust een visuele inspectie uitgevoerd. 4. Bij de visuele inspectie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt vastgesteld dat het te verwijderen asbest niet meer visueel waarneembaar is, met inachtneming van artikel 4.48a, vierde lid. 5. Indien de werkzaamheden in de buitenlucht betrekking hebben op asbesthoudende grond, wordt na het beëindigen van die werkzaamheden door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust, een visuele inspectie uitgevoerd op de aanwezigheid van asbest teneinde vast te stellen dat er geen asbest meer visueel waarneembaar is. 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de monsterneming, bedoeld in het eerste lid, de eindmeting, bedoeld in het tweede lid, en de visuele inspectie, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid. Artikel 4.52. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek 1. Zolang de blootstelling aan asbeststof duurt, worden, in aanvulling op artikel 4.10a, derde lid, de betrokken werknemers ten minste éénmaal in de drie jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a te ondergaan. 2. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, omvat in ieder geval een specifiek onderzoek van de borstkas. 3. Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan asbeststof te voorkomen. Pagina 291 van 294 Artikel 4.53. Registratie 1. Van iedere werknemer die in verband met de arbeid wordt blootgesteld aan asbeststof wordt aantekening gehouden in een register, waarbij de aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van de blootstelling worden vermeld. 2. De gegevens die in het register zijn vermeld kunnen worden ingezien door de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst. 3. Iedere werknemer heeft recht op inzage in en afschrift van zijn persoonlijke gegevens in het register. 4. De gegevens in het register, voorzien van een toelichting, in statistische niet tot individuen herleidbare vorm, kunnen worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers. § 5. Extra aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten Artikel 4.53a. Risicoklasse 2A Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat de concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid kunnen worden blootgesteld, hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, is in aanvulling op de paragrafen 3 en 4 tevens deze paragraaf van toepassing. Artikel 4.53b. Aanvullende maatregelen Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, kan worden verwacht ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, neemt de werkgever, doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers. Artikel 4.53c. Eindbeoordeling 1. In afwijking van artikel 4.51a, tweede lid, betreft de eindbeoordeling een visuele inspectie gevolgd door een eindmeting, teneinde vast te stellen of de concentratie van asbestvezels in de lucht gezamenlijk lager is dan 2.000 vezels per kubieke meter. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien: a. uitsluitend sprake is van verwijdering van kleine losliggende oppervlakken onbeschadigd product waarvoor geen bewerkingen nodig zijn; of b. uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat de concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid kunnen worden blootgesteld, beperkt is. 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid. Pagina 292 van 294 Artikel 4.54. Verzwaarde eindbeoordeling [Vervallen per 01-01-2017] § 6. Certificatie Artikel 4.54a. Asbestinventarisatie 1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig geïnventariseerd voordat wordt aangevangen met de volgende werkzaamheden: a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast; b. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a; of c. het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen. 2. Op grond van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, door het bedrijf, bedoeld in het vierde lid, bepaald in welke risicoklasse als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a de werkzaamheden vallen. 3. De resultaten van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en de indeling in een risicoklasse, bedoeld in het tweede lid, worden opgenomen in een inventarisatierapport. 4. De inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en het inventarisatierapport, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd, onderscheidenlijk opgesteld, door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. 5. Een afschrift van het inventarisatierapport wordt verstrekt aan het bedrijf dat asbest verwijdert. 6. Het certificaat asbestinventarisatie of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig. 7. De inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht door of onder toezicht van een persoon die daartoe aantoonbare specifieke deskundigheid bezit. Artikel 4.54b. Uitzonderingen asbestinventarisatie Artikel 4.54a is niet van toepassing indien de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, betrekking hebben op: a. werkzaamheden die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd dan wel vervaardigd; b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare water-, gas-, elektra-, riool-, of telecomleidingnet; c. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen; Pagina 293 van 294 d. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; e. het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen; f. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; g. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van pakkingen uit verbrandingsmotoren; h. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van pakkingen uit procesinstallaties of onderdelen van procesinstallaties, inclusief aan- en afvoerende leidingen; i. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van pakkingen uit verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt; j. wegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen milieubeheer; k. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet. Artikel 4.54c. Uitzonderingen maatregelen [Vervallen per 28-07-2006] Artikel 4.54d. Deskundigheid bij het werken met asbest 1. De volgende werkzaamheden, indien de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling: a. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid; b. het reinigen van de arbeidsplaats nadat een handeling als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a of b, is uitgevoerd. 2. Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing. 3. Voordat wordt aangevangen met het verwijderen van asbest is het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54a, vijfde lid, in het bezit van een afschrift van een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, voor zover van toepassing. 4. Bij de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, de indeling van de risicoklasse in het inventarisatierapport als ondergrens gehanteerd. 5. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. 6. Bij een bedrijf als bedoeld in het eerste lid is ten minste één persoon als bedoeld in het vijfde lid werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. 7. Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, mede worden verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het vijfde lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. Pagina 294 van 294 8. Indien de handelingen, bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, van het Productenbesluit asbest betrekking hebben op werkzaamheden met asbesthoudende grond, worden deze werkzaamheden begeleid door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidhygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. 9. De certificaten, bedoeld in het eerste, vijfde en zevende lid, of afschriften daarvan en een afschrift van het inventarisatierapport, bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig. 10. In afwijking van het zevende lid kan een persoon die werkzaam is als machinist en in die hoedanigheid werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, zonder het certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest werkzaam zijn, mits: a. hij onder voortdurend toezicht staat van een persoon die in het bezit is van het certificaat, bedoeld in het vijfde lid; en b. hij voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde nadere regels met betrekking tot de werkzaamheden, de machine en hemzelf. Artikel 4.55. Werkplan [Vervallen per 28-07-2006] Artikel 4.55a. Eindbeoordeling [Vervallen per 28-07-2006] Artikel 4.56. Crocidoliet [Vervallen per 28-07-2006] § 7. Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht Artikel 4.57. Voorlichting en onderricht [Vervallen per 28-07-2006] De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Versie 6bd29916b01503ab5773932b5869fccbd14792a3110cbf6ac7ce6c0575453195 · Officiële bron.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.