Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda van de Milieuraad van 16 december 2025 (Kamerstuk 21501-08-1012)
Brontekst
Versie 1ff2018b1ba94fa5 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-08MilieuraadNr. 1014 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 9 december 2025 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infra-structuur en Waterstaat en de Minister van Klimaat en Groene Groei overde brief van 20 november 2025 over de geannoteerde agenda van deMilieuraad van 16 december 2025 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1012), over debrief van 7 november 2025 over het verslag van de Milieuraad van21 oktober 2025 te Luxemburg (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1011), over debrief van 10 november 2025 over de kwartaalrapportage Q3 2025Milieudossiers (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1163) en over de brief van24 november 2025 over het verslag van de Milieuraad van 4 november2025 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1013).De vragen en opmerkingen zijn op 4 december 2025 aan de de Staatsse-cretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Klimaat enGroene Groei voorgelegd. Bij brief van 9 december 2025 zijn de vragen,voorzien van een inleiding, beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,P. de GrootAdjunct-griffier van de commissie,Van der Graaf kst-21501-08-1014ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10141 InleidingAlgemeenHierbij wordt de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zakenrondom de agenda van de Milieuraad van 16 december 2025. Ten opzichtevan de laatste stand van zaken zoals vermeld in de geannoteerde agendadie op 20 november jl. verstuurd is aan de Kamer1, zijn twee punten vande agenda gehaald: de gedachtewisseling over de herziening van deREACH-verordening en de gedachtewisseling over milieuaspecten van hetMeerjarig Financieel Kader (hierna: MFK). De jaarlijkse voortgangsrap-portage over Simplificatie, Implementatie en Handhaving is reeds alsdiverse punt geagendeerd door de Europese Commissie (hierna:Commissie). Daarnaast zijn er vier diversenpunten toegevoegd aan deagenda: de Commissie zal een presentatie geven over de EU-missie overklimaatneutrale en slimme steden en over aanpassing aan klimaatveran-dering, evenals over het voorstel voor een besluit van het EuropeesParlement en de Raad tot wijziging van Besluit (EU) 2015/1814 betreffendede marktstabiliteitsreserve voor de bouw-, wegvervoer- en anderesectoren. Frankrijk heeft daarnaast een diversenpunt ingediend over denoodzaak van Europese inzet voor het tegengaan van milieu- en econo-mische effecten van fast-fashion. Ten slotte heeft Oostenrijk een diver-senpunt ingediend over de gevaren van lithiumbatterijen en een Europeesstatiegeld systeem voor batterijen.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reacties van debewindspersonenREACH, PFAS, Chemicaliën1.REACH-herzieningDe leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris om nader toe telichten welke aspecten van de herziening van de REACH-verordeningvolgens Nederland het meest urgent zijn om in 2026 op te pakken, nu deherziening opnieuw vertraging oploopt. Deze leden vragen tevens hoe hetkabinet het risico beoordeelt dat een te sterke nadruk op versimpeling kanleiden tot lagere bescherming van gezondheid en milieu, en op welkemanier Nederland deze balans in Europese onderhandelingen bewaakt. Zijvragen of de Staatssecretaris kan aangeven welke gevolgen het uitstel vande REACH-herziening heeft voor bedrijven die juist duidelijkheid wensenover toekomstige verplichtingen. En welke aanvullende tijdelijkeafspraken binnen de Europese Raad worden verkend om voorspel-baarheid te behouden totdat de herziening verschijnt?AntwoordMet het verslag van de Milieuraad van 21 oktober 2025 heeft de Kamerook het Nederlandse non-paper voor de REACH-herziening ontvangen2.Hierin staan de prioriteiten van het kabinet opgesomd ten aanzien van deREACH-herziening. Het betreft grotendeels voorstellen voor de wijzewaarop REACH zou kunnen worden aangepast opdat de doelstellingenvan REACH – waaronder bescherming van gezondheid en milieu én eengoed functionerende interne markt voor chemische stoffen – doeltref-fender en doelmatiger kunnen worden bereikt. Voorafgaand aan deMilieuraad in oktober is de Nederlandse inzet besproken met onder meerde Europese Commissie.1Kamerstuk 21 501-08, nr. 1012.2Kamerstuk 21 501-08, nr. 1011.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10142 Tot de herziening in werking treedt, blijft de huidige REACH-verordeningvan toepassing. Daarmee is het voor bedrijven duidelijk waar ze nu aantoe zijn. Duidelijkheid over de aanpassingen hebben we pas als er eenCommissievoorstel ligt. Vooruitlopen op toekomstige aanpassingen kanniet omdat de REACH verordening daar op dit moment geen ruimte toebiedt. Dat neemt niet weg dat Nederland graag had gezien dat deherziening van de REACH verordening eerder had plaatsgevonden, ondermeer zodat bedrijven zien wat ze kunnen verwachten in de toekomst.Voorafgaand aan de Milieuraad in oktober heeft de Staatssecretaris vanIenW de Nederlandse inzet besproken met onder meer de EuropeseCommissie.2.REACH-herzieningDe leden van de VVD-fractie merken op dat de eerste herziening van deREACH kaderverordening al diverse keren is uitgesteld en lezen dat ook deherziening die was voorzien voor eind 2025 vermoedelijk niet zal wordengehaald. Zij vragen wat hiervan de oorzaak is. Tevens vragen zij hoe deStaatssecretaris de gevolgen van de uitgestelde herziening voor deinvesteringszekerheid van Nederlandse bedrijven beoordeelt. Welke actiesonderneemt Nederland om het proces te versnellen of meer voorspelbaarte maken? Ook zijn deze leden benieuwd naar of de Staatssecretaris kanaangeven welke concrete reductie van administratieve lasten Nederlandbeoogt binnen REACH.AntwoordDe Europese Commissie heeft niet toegelicht wat de achtergrond van devertraging is. Wel is bekend dat de Regulatory Scrutiny Board (RSB) eennegatief advies heeft uitgebracht over de Impact Assessment. De inzet vanNederland, ook ten aanzien van de administratieve lasten, is weergegevenin het non-paper dat bij het verslag van de vorige Milieuraad met deKamer is gedeeld. De vertraging door de interne procedures van deEuropese Commissie is zeker te betreuren, ook vanwege de onzekerheiddie dit met zich brengt. Of dat invloed heeft op investeringsbeslissingen isniet aan te geven.3.REACH-HerzieningDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de zorg van het kabinetdat de komende herziening van de REACH-verordening vooral uitdraait opeen versimpeling en niet leidt tot een verbetering van de bescherming vanmens en milieu. De REACH verordening is inmiddels twintig jaar oud ende belasting van en kennis over toxische stoffen is anders dan toen envraagt om een andere aanpak. Op welke wijze wil de Staatssecretaris zichhardmaken in Brussel om Persistente Mobiele Stoffen (PMT) en zeerPersistente en Zeer Mobiele stoffen (vPvM) in de REACH-regulering op tenemen als Substance of very High Concern (SVHC)?AntwoordDe aangehaalde stofcategorieën zijn inmiddels opgenomen in deEuropese CLP verordening (inzake indeling, etiketteringen verpakking vanchemische stoffen). Het kabinet gaat er daarmee vanuit dat ze wordentoegevoegd aan het huidige artikel 57 van de REACH verordening met decriteria voor zeer zorgwekkende stoffen. Dit kan tijdens een reguliereperiodieke update van de lijst stoffen die onder artikel 57 vallen.4.REACH non-paperDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de non-paper van hetkabinet, dat Nederland alleen de «Generic Approach to RiskTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10143 Management» wil toepassen voor chemicaliën in consumentenproductenen niet bij de productie, terwijl juist in de productiefase veel stoffenvrijkomen in het (water) milieu. Bekende voorbeelden waar bij deproductie veel stoffen vrijkomen zijn 3M en Chemours. Waarom wil deStaatssecretaris deze generic approach in relatie tot risicomanagementniet voor de productie laten gelden? Hoe ziet de Staatssecretaris denoodzakelijke bescherming van het oppervlaktewater in deze? Wil deStaatssecretaris zich inzetten om Europees ook het gebruik en emissiesvan gevaarlijke stoffen tijdens productie versneld te kunnen verbieden?Kan de Staatssecretaris aangeven op welke manier de Nederlandse inzetrond REACH Nederland helpt om te voorkomen dat Zeer ZorgwekkendeStoffen vanuit het buitenland in het oppervlaktewater en bronnen vandrinkwater terecht komen? En geldt voor die persistente stoffen nietgewoon dat ze alleen dan geen risico vormen, als ze niet wordengeproduceerd? Is een totaalverbod dan niet de meest logische stap?Welke incentive heeft de chemische sector om op zoek te gaan naarveilige alternatieven, als er geen verbod op productie en gebruik wordtaangekondigd?AntwoordREACH gaat over het op de markt brengen van stoffen en mengsels en,via restrictie, over het op de markt brengen van producten. De «GenericApproach to Risk Management» (GRA) als instrument ziet specifiek op hetsnel van de markt kunnen halen van stoffen en producten waarin zeerzorgwekkende stoffen zitten.Bij de registratie en risicobeheersmaatregelen voor het op de marktbrengen, is van belang dat veilig gebruik mogelijk is. REACH is echter nietbestemd of geschikt voor het reguleren van emissies of voor debescherming van oppervlaktewater. Hiervoor bestaat separate regel-geving om emissies te reguleren.Persistente stoffen vergen inderdaad extra aandacht. Daarom was hetkabinet ook voorstander van de toevoeging van aan persistentie gerela-teerde gevaareigenschappen aan de CLP (Persistente Mobiele Stoffen(PMT) en zeer Persistente en Zeer Mobiele stoffen (vPvM)). Een totaal-verbod op persistente stoffen heeft verstrekkende gevolgen. Daarmeeworden vrijwel alle kunststoffen en plastics verboden, maar ook bijvoor-beeld zouten en metalen. Daarom gaat het steeds om persistent incombinatie met andere schadelijke eigenschappen.5.PFAS (Drinkwater)De leden van de D66-fractie benadrukken het belang van de REACH-herziening aangezien giftige PFAS nog steeds in grote mate in ons milieugeloosd worden. Recent nog verscheen er een artikel over een bedrijf dat5 kilogram PFAS per jaar mag lozen op het riool, en dus in het water.Bestuurslagen komen tegenover elkaar te staan omdat er nationaal enEuropees geen eenduidig beleid is over de stof. Kan de Staatssecretariswederom toezeggen in Europa te pleiten voor een spoedige behandelingvan een ambitieuze REACH-herziening? Kan hij tevens toezeggen in detussentijd een nationaal kader te ontwikkelen met duidelijke richtlijnenvoor alle bestuurslagen om te voorkomen dat er kilo’s PFAS in onsdrinkwater terecht komen?AntwoordNederland pleit op verschillende manieren in Brussel voor een ambitieuzeREACH herziening die toeziet op een hoge bescherming van gezondheiden milieu én een goed functionerende interne markt, zoals in hetnon-paper staat. Daarnaast voert Nederland regelmatig gesprekken metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10144 de Commissie waarin het belang van een spoedige behandeling van deherziening wordt benadrukt. Om de drinkwaterwinningen te beschermenis in het Handboek Emissietoets, het kader dat gebruikt wordt bij hetbeoordelen van vergunningaanvragen voor lozingsactiviteiten, eentoetsmoment opgenomen waarin de invloed van een voorgenomen lozingop een benedenstrooms gelegen innamepunt voor drinkwater beoordeeldwordt. Bij het beoordelen van lozingen wordt de geadviseerde drinkwater-richtwaarde van het RIVM gebruikt om innamepunten voor drinkwater tebeschermen.3 Op basis hiervan kan het bevoegd gezag nadere eisenstellen aan een lozing. Het bevoegd gezag heeft daarmee duidelijke kaderswaarmee zij de drinkwaterwinning kan beschermen. In het Drinkwaterbe-sluit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van het Nederlandse drink-water, ook voor PFAS. Het drinkwater dat door de Nederlandse drinkwa-terbedrijven geleverd wordt, voldoet aan deze eis.6.REACH (PFAS)De leden van de CDA-fractie hebben over de gedachtewisseling overREACH enkele vragen. Zij vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen dewens binnen Europa om verdere normering van PFAS, microplastics enandere schadelijke stoffen en chemicaliën te verkennen. Kan de Staatsse-cretaris uiteenzetten in welke sectoren volgens hem ruimte bestaat om hetgebruik van dergelijke stoffen te beperken, bijvoorbeeld in consumenten-verpakkingen of materialen waarin zij niet van essentiële waarde zijn?Deze leden vragen tevens of de Staatssecretaris wil toelichten hoe hij dezeonderwerpen in de Milieuraad van 16 december zal inbrengen. Ookvragen deze leden hoe de Staatssecretaris omgaat met chemische stoffendie verwerkt zijn in andere materiaalstromen, zoals textiel. Kan deStaatssecretaris in dat verband aandacht vragen voor het belang vaneerlijke concurrentie, waarbij producten van buiten Europa die op deEuropese markt komen moeten voldoen aan dezelfde eisen als Europeseproducten, onder meer voor productveiligheid en recyclebaarheid?AntwoordNederland heeft het initiatief genomen om te komen tot het uitbannen vanzo veel mogelijk toepassingen van PFAS. Samen met Duitsland,Denemarken, Zweden en Noorwegen is daartoe een zogenoemdrestrictievoorstel opgesteld en gepubliceerd in januari 2023. Hiermee zalde productie, het gebruik en de uitstoot van PFAS waar mogelijk wordengestopt, en waar dat niet mogelijk is, sterk worden beperkt. Momenteel ishet European Chemicals Agency (ECHA) bezig met de beoordeling van hetvoorstel.Er is eveneens een restrictie die het bewust toevoegen van microplasticsaan producten sterk inperkt. Het niet bewust vrijkomen van microplasticszoals van autobanden wordt niet gereguleerd door REACH.Ook geldt er een restrictie op het gebruik van schadelijke stoffen in textiel.Deze eisen gelden ook voor importeurs. Het kabinet hecht veel belang aaneen gelijk speelveld voor bedrijven en ondernemers. Producten die vanbuiten de EU worden verkocht op de Europese markt, moeten wettelijkvoldoen aan dezelfde eisen als Europese producten. Het ondermijnen vandeze regels door niet-Europese partijen zorgt voor oneerlijke concurrentieen ondermijnt de positie van Europese bedrijven. Het kabinet zal daaromhet belang van eerlijke concurrentie benadrukken richting de EuropeseCommissie.7.3Kamerstuk 35 334, nr. 209.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10145 REACH (SVHC en oppervlakte water)De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de Staatssecretaris inBrussel wil inzetten op het opnemen van persistente mobiele stoffen enzeer persistente en zeer mobiele stoffen in de REACH-regelgeving alssubstances of very high concern. Deze leden vragen daarnaast hoe hetkabinet aankijkt tegen de toepassing van generic approaches to riskmanagement, specifiek voor situaties waarbij gevaarlijke stoffen tijdensproductieprocessen in het milieu kunnen vrijkomen, en hoe hierbijbescherming van oppervlaktewater en drinkwaterbronnen wordt geborgd.Deze leden vragen ook hoe de Staatssecretaris de mogelijkheden bezietom het gebruik en de emissie van gevaarlijke stoffen tijdens productie tebeperken of te verbieden. Tot slot vragen zij op welke wijze de Neder-landse inzet binnen REACH ertoe kan bijdragen dat zeer zorgwekkendestoffen vanuit het buitenland niet in het oppervlaktewater en in bronnenvoor drinkwater terechtkomen.AntwoordIn antwoord 4 is ingegaan op de GRA en emissieregelgeving. Hetbeperken of verbieden van gevaarlijke stoffen tijdens de productie kanmet de reguliere procedures onder REACH, maar ook met specifiekeregelgeving gericht op bescherming van werknemers. Het verbieden vanstoffen kan op termijn een positieve invloed hebben op de verontreinigingvan het oppervlaktewater. Dat is een belangrijke reden dat Nederland isgestart met de brede EU restrictie op PFAS. REACH is echter niet geschiktals instrument voor het reguleren van emissies van individuele bedrijven.8.REACH verordeningDe leden van de BBB-fractie lezen dat de herziening van de REACH-verordening is uitgesteld, met een verwachte publicatie in het tweedekwartaal van 2026. Dit uitstel zorgt voor onzekerheid voor de chemischesector. Welke initiatieven neemt het kabinet om de Commissie op teroepen de voorspelbaarheid en snelheid van het wetgevingsproces tevergroten en daarmee de onzekerheid en hoge kosten voor de industrie teverminderen?AntwoordVerschillende lidstaten, waaronder Nederland, hebben meermaalsgezamenlijk en afzonderlijk, schriftelijk en mondeling aangedrongen opeen zo spoedig mogelijke publicatie van het voorstel voor de herzieningvan REACH. Voorafgaand aan de Milieuraad in oktober heeft de Staatsse-cretaris van IenW de Nederlandse inzet besproken met onder meer deEuropese Commissie.9.MAFDe leden van de BBB-fractie merken op dat Nederland de introductie vaneen Mixture Allocation Factor (MAF) steunt, maar uitsluitend onder devoorwaarde van bewezen effectiviteit. Hoe verzekert de Staatssecretarisdat de MAF in de praktijk op een wetenschappelijk onderbouwde endoelgerichte manier wordt toegepast, en dat deze factor zich beperkt totrelevante chemicaliën, om onnodige lasten te voorkomen?AntwoordHet kabinet wacht op het voorstel van de Europese Commissie en zal ditvervolgens beoordelen op effectiviteit (zullen er minder negatieve effectenvoor gezondheid en milieu van alle chemische stoffen samen optreden)en proportionaliteit (zijn de verwachte maatschappelijke opbrengstengroter dan de verwachte maatschappelijke kosten).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10146 10.GRADe leden van de BBB-fractie lezen dat de Nederlandse inzet zich beperktde uitbreiding van de Generic Approach to Risk Management (GRA) totconsumentenproducten voor de meest gevaarlijke stoffen. Wat is despecifieke reden om deze versnelde restrictieprocedure niet toe te passenop industriële toepassingen? Hoe garandeert het kabinet dat degezondheid en veiligheid van werknemers in de industrie in dit scenariovoldoende beschermd blijven, gezien andere reguleringsinstrumenten indeze sector?AntwoordDe specifieke reden om de GRA niet toe te passen op industriële toepas-singen is dat hier de blootstellingsinformatie beter is. In plaats vangenerieke aannames kan de industrie daardoor een meer gedetailleerdeen op maat gemaakte risicobeoordeling uitvoeren, wat nauwkeuriger enbetrouwbaarder is dan de standaard GRA voor consumentenproductenwaardoor het meerwaarde heeft rekening te houden met het risico bij hetbepalen van de maatregelen. Om werknemers te beschermen tegen derisico’s van gevaren van allerlei aard bestaat immers vooral het arbeids-omstandighedenbeleid. In sommige gevallen kunnen maatregelen opgrond van REACH doeltreffend en doelmatig zijn. In andere gevallenkunnen bijvoorbeeld beter specifieke arbeidsnormen worden vastgesteld.Om hierin de beste keus te kunnen maken, bepleit het kabinet daarom hetstructureel inzetten van Regulatory Management Option Analysis(RMOA).411.Autorisatie proces chemische stoffenDe leden van de BBB-fractie merken op dat de Nederlandse inzet ervoorpleit om het autorisatieproces direct te koppelen aan het restrictieproces.Door het autorisatieproces direct te koppelen aan het restrictieproces,wordt bereikt dat niet alleen het gebruik van een bepaalde chemische stofin de EU wordt gereguleerd, maar tegelijkertijd ook (geïmporteerde)producten die deze chemische stof bevatten. Welke stappen onderneemtde Staatssecretaris om te zorgen dat deze koppeling effectief leidt tot eengelijk speelveld door ook risico’s bij het gebruik van geïmporteerdeproducten met risicovolle chemicaliën te reguleren?AntwoordHet doel van het parallel schakelen is duidelijk geformuleerd. Eenrestrictie inzake het op de markt brengen van stoffen of producten leidtvoor dit punt automatisch tot een gelijk speelveld. Daarom zal het kabinethet voorstel ook toetsen op de mate waarin dit daadwerkelijk wordtgerealiseerd.12.Balans concurrentiekracht en bescherming milieu en gezondheidDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn blij om te lezen dat hetkabinet erkent dat het minder beschermen van de gezondheid en hetmilieu maatschappelijke kosten oplevert. Helaas zien we in de praktijk datwanneer er afwegingen gemaakt moeten worden tussen het concurrentie-vermogen van grote vervuilers en milieu en gezondheid, milieu engezondheid vaak het onderspit delven. Onder het mom van vereenvou-diging van de regelgeving kan het beschermingsniveau voor mens enmilieu flink worden ingeperkt. Zo zien we dat er al minder bescherming isin de cosmeticarichtlijn rondom kankerverwekkende stoffen bij de4RMOA beoordeelt systematisch beleidsopties om chemische stofrisico’s effectief, proportioneelen haalbaar te beheersen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10147 vereenvoudiging van de Chemicals Omnibus. Hoe ziet het kabinet –kijkend naar de al gepubliceerde Omnibus-voorstellen – de balans tussenconcurrentiekracht en bescherming van milieu en gezondheid in zijnalgemeenheid? Kunnen de bewindspersonen reflecteren op het risico datdoor de voorstellen er extra schade optreedt voor milieu, natuur engezondheid? Op welke wetenschappelijke bronnen baseren de bewinds-personen zich dan? Kunnen de bewindspersonen reflecteren op demogelijke extra maatschappelijke kosten (waaronder hogere rekeningvoor waterzuivering, hogeren kosten door schade aan natuur engezondheid) die zullen volgen als de voorstellen door worden gezet?AntwoordHet kabinet vindt het van groot belang dat voorstellen van de EuropeseCommissie werkbaar zijn voor het bedrijfsleven, terwijl tegelijkertijd eenhoog beschermingsniveau voor gezondheid, natuur en milieu wordtgewaarborgd. De Cosmeticaverordening (Vo. EG nr. 1223/2009) bepaaltdat cosmetische producten geen stoffen mogen bevatten die carcinogeen,mutageen of reprotoxisch (CMR) zijn. Nederland heeft zich in de onder-handelingen steeds kritisch opgesteld ten aanzien van mogelijkeversoepelingen van dit verbod. In het huidige compromisvoorstel is eenuitzondering voor natural complex substances (NCS) opgenomen, maardaarbij is vastgelegd dat het Scientific Committee on Consumer Safety(SCCS) altijd een veiligheidsbeoordeling moet uitvoeren. Hiermee blijfthet voorziene beschermingsniveau geborgd. Hoewel in het compromis-voorstel een beperkte overgangsperiode is opgenomen voor productendie een nieuw geclassificeerde CMR-stof bevatten, verwacht het kabinetniet dat hiermee het beschermingsniveau voor gezondheid of milieu inhet geding komt. De termijnen zijn beperkt van omvang en korter dan inhet oorspronkelijke Commissievoorstel, en zijn uitsluitend bedoeld omeen ordelijke uitfasering van bestaande voorraden mogelijk te maken.Nieuwe producten met een CMR-stof mogen in deze periode niet meer opde markt worden gebracht. Het kabinet ziet op basis van het huidigecompromisvoorstel geen aanwijzingen dat sprake zal zijn van extraschade voor milieu, natuur of gezondheid. Het kabinet verwacht niet dathet huidige voorstel leidt tot hogere maatschappelijke kosten, zoals extralasten voor waterzuivering of schade aan natuur en gezondheid. Mogelijkewaterzuiveringskosten zijn in dit verband bovendien niet direct relevant,omdat lozingen en verwijdering van stoffen worden gereguleerd binnenhet bredere EU-kader voor waterkwaliteit, waaronder de Urban WasteWater Treatment Directive, die een grondslag voor verhaling biedt.Daarnaast blijven risicovolle NCS binnen de reikwijdte van de CMR-regelsvallen en worden zij niet uitgezonderd van een veiligheidsbeoordeling.Voor NCS geldt dat het SCCS altijd een beoordeling moet uitvoeren,waardoor wordt geborgd dat stoffen met een potentieel risico niet zonderwetenschappelijke toetsing op de markt komen. Tot slot zijn deovergangstermijnen voor producten die een nieuw geclassificeerdeCMR-stof bevatten in het compromisvoorstel substantieel verkort tenopzichte van het oorspronkelijke Commissievoorstel. Nieuwe productenmet een CMR-stof mogen gedurende deze periode niet meer op de marktworden gebracht. Het betreft uitsluitend een beperkte uitfaseringsperiodevoor bestaande voorraad. Daarmee wordt naar verwachting langdurige ofextra blootstelling voorkomen, evenals kosten die anders zoudenvoortvloeien uit mogelijke milieuschade of gezondheidsklachten op delangere termijn.13.REACH herzieningDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat Nederland streeftnaar snellere, voorspelbare procedures binnen REACH, met minderadministratieve lasten en zonder dat dit ten koste gaat van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10148 bescherming van gezondheid en milieu. Tegelijkertijd blijkt uit het nieuwerapport van het Europees milieuagentschap dat er ondanks regelgevingover bescherming tegen bepaalde chemische stoffen het volume enaantal schadelijke stoffen op de markt toeneemt. Hoe kan de Staatssecre-taris ons precies verzekeren dat vereenvoudiging niet zal leiden totafzwakking van de regelgeving en extra schade aan gezondheid, natuur enmilieu? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert de Staatssecretariszich dan?AntwoordHet kabinet kan invloed uitoefenen door goede ideeën, initiatieven teontplooien, onderzoek te laten doen, en bijeenkomsten te organiseren.Nederland pleit op verschillende manieren in Brussel voor een ambitieuzeREACH herziening die toeziet op een hoge bescherming van gezondheiden milieu én een goed functionerende interne markt, zoals in het hogergenoemde non-paper staat.Om zicht te krijgen op de effecten van de voorstellen voor de herzieningvan REACH maakt het kabinet gebruik van de inzichten van BureauREACH, de brancheverenigingen, maatschappelijke organisaties, dewetenschap en de organisaties die belast zijn met toezicht en handhaving.14.PFASDe Partij voor de Dieren-fractie hecht groot belang aan een zo snelmogelijk landelijk en Europees verbod op alle PFAS, gezien de ernstige enlangdurige milieu en gezondheidsschade die deze stoffen veroorzaken.Het kabinet stelt zich in te willen zetten voor een zo breed mogelijkEuropees PFAS-verbod. Maar op dit moment wordt PFAS in bestrijdings-middelen uitgezonderd van het Europese voorstel voor een verbod, terwijlhet gebruik daarvan stijgt en ervoor zorgt dat PFAS alsnog overal in onzeomgeving en zelfs op ons voedsel terecht komt. Is het kabinet het met onseens dat het onwenselijk is dat via bestrijdingsmiddelen PFAS alsnogoveral in onze omgeving terecht komt? Zo nee, waarom niet? Hoebeoordeelt het kabinet (ook vanuit het voorzorgsbeginsel) het risico opgezondheid van mens en dier als PFAS via bestrijdingsmiddelen steeds inons voedsel terecht komt en zich in ons lichaam opstapelt, ook gezien hetfeit dat meeste Nederlanders nu al te veel PFAS in hun bloed hebben? Ishet kabinet als eindverantwoordelijke voor gezondheid van mens, dier enmilieu bereid om ook voor een verbod op PFAS in bestrijdingsmiddelen tepleiten, eventueel in samenwerking met landen als Denemarken? Zo niet,is het kabinet bereid daar nationale maatregelen op te nemen, in lijn metonder andere Denemarken? Zo nee, waarom kan Denemarken het wel?Waarom laat het kabinet bewust toe dat PFAS via bestrijdingsmiddelenalsnog overal in ons milieu, water en voedsel terechtkomt?AntwoordBinnen het huidige restrictievoorstel is een uitzondering opgenomen voorstoffen waar al een risicobeoordeling op plaatsvindt, zoals (dier)genees-middelen, biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Voor bestrijdings-middelen wordt, conform wetgeving, voor iedere stof een individuelerisicobeoordeling uitgevoerd. Het kabinet staat achter het restrictie-voorstel en de individuele benadering die geldt voor de uitgezonderdegroepen van stoffen. Wanneer nieuwe wetenschappelijke inzichtenontstaan, bijvoorbeeld over PFAS-houdende stoffen, dan zal de risicobe-oordeling voor de betreffende middelen en stoffen hierop moeten wordenaangepast. Nederland heeft de Europese Commissie daarom opgeroepenom alle PFAS-houdende werkzame stoffen (versneld) te laten herbeoor-delen en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelenen biociden (Ctgb) bestudeert momenteel nieuwe wetenschappelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10149 informatie over de TFA-vorming van een aantal werkzame stoffen ingewasbeschermingsmiddelen die Denemarken eerder dit jaar heeftgedeeld.Voordat een gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt op eengewas, wordt onderzocht of de te verwachten residuen van het desbetref-fende gewasbeschermingsmiddel een gevaar voor de volksgezondheidvormen. Hiervoor wordt bij de beoordeling van een product en actievestof (werkzame bestanddeel van een gewasbeschermingsmiddel) eenMaximaal Residu Limiet (MRL) vastgesteld. De MRL is de maximalewettelijke hoeveelheid van een actieve stof die in of op levensmiddelenvoor mag komen. Gewasbeschermingsmiddelen worden alleen toege-laten als de risicoinschatting aangeeft dat bij de maximum te verwachtenresiduen per gewas de acceptabele dagelijkse inname (ADI) en de acutereferentie dosis (ARfD), niet worden overschreden voor respectievelijkchronische blootstelling en acute blootstelling. Het kabinet heeftvertrouwen in dit systeem en in de NVWA die hier, door middel vanperiodieke controles, op toeziet.Het kabinet vindt het belangrijk dat bestrijdingsmiddelen alleen op demarkt komen als deze veilig kunnen worden toegepast. Hiervoor vindt eenuitgebreide Europese en nationale risicobeoordeling plaats op de risico’svoor mens, dier en milieu. Wanneer nieuwe wetenschappelijke informatiebeschikbaar komt dient goed te worden bekeken wat dit betekent voor deeerder uitgevoerde risicobeoordeling. Dit heeft Denemarken ook zogedaan. Daarom bekijkt het Ctgb momenteel de nieuwe wetenschappe-lijke informatie over de TFA-vorming van een aantal werkzame stoffen ingewasbeschermingsmiddelen die Denemarken eerder dit jaar heeftgedeeld. Het is vervolgens aan het Ctgb om, als aangewezen toelatingsau-toriteit, te bepalen of er aanleiding is om de in Nederland toegelatenmiddelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen.15.PFASDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of het kabinet bekendis met de conclusies uit het rapport «Grondwaterkwaliteit Nederland2024», waaruit blijkt dat PFAS bijna overal zit en op veel plekken ver detoegestane waarde overschrijdt? Is het kabinet bekend met de conclusiesuit datzelfde rapport waarin wordt gewaarschuwd dat Nederland nietmeer gaat voldoen aan de Europese waterkwaliteitsdoelen en waarin deonderzoekers de aanwezigheid van PFAS «zorgelijk» noemen? Ziet hetkabinet reden voor snelheid en actie om PFAS beter aan te pakken via ooknationale maatregelen? Geeft dit verbod het kabinet een reden om ook tepleiten voor een PFAS-verbod in bestrijdingsmiddelen? Zo nee, waaromniet? Wat is in de EU de inzet van Nederland als het gaat om sanering vanvervuilde locaties, monitoring en betere transparantie richting publiek?Welke acties worden daarin ondernomen in de EU en welke mogelijkeextra stappen ziet het kabinet nog? Door (soms illegale) lozingen vanPFAS richten bedrijven maatschappelijke schade aan, waaronderverhoogde kosten voor rioolzuivering, maar blijkt nu in praktijk moeilijkom de kosten op de bedrijven te verhalen. Is het kabinet bereid in de EUervoor te pleiten dat beter wordt geborgd dat zulke bedrijven zelf gaanbetalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform aangenomenmotie-Kostic´/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat derekening steeds bij burgers terecht komt? Welke mogelijkheden ziet hetkabinet daarin?AntwoordJa, het kabinet is bekend met het rapport en deze conclusies. Het kabineterkent de urgentie van de PFAS-problematiek en onderneemt zowel opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101410 Europees als nationaal niveau actie. Nationaal ligt de nadruk op het zoveelmogelijk beperken van PFAS-emissies. Zo zijn alle PFAS recent aange-merkt als Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), waarvoor een minimalisatie-plicht geldt: emissie moet worden vermeden of, indien dat niet mogelijkis, moeten de emissies zoveel mogelijk worden teruggedrongen.In 2021 is het Actieprogramma PFAS gestart, een samenwerking tussenRijk, kennisinstellingen en bedrijfsleven. Hiermee stimuleert het kabinetmarktpartijen om vooruitlopend op Europese restricties, al bestaandealternatieven toe te passen of nieuwe te ontwikkelen, onder meer in depapier-, blusschuim- en elektronicasector. Inmiddels hebben veel sectorenactie ondernomen om PFAS uit hun productieprocessen te verwijderen.Voor de PFAS die al in het milieu aanwezig zijn, richt het kabinet zich ophet voorkomen van verdere verspreiding en het beperken van bloot-stelling. Het kabinet ondersteunt provincies en gemeenten financieel bijhet opruimen van vervuilde locaties. En het RIVM voert een breedonderzoeksprogramma uit om de verschillende blootstellingsroutes inkaart te brengen en te bepalen waar maatregelen het meest effectief zijn.Het kabinet begrijpt de uitzondering die is gemaakt voor stoffen waarvoorvoorafgaand aan toelating op de markt een risicobeoordeling plaatsvindt,zoals gewasbeschermingsmiddelen en geeft opvolging aan de opmerkingin het restrictievoorstel dat bij deze risicobeoordelingen goed rekeningmoet worden gehouden met persistentie. Als invulling daarvan is ondermeer op 30 juni 2025 een brief aan de Europese Commissie gestuurd methet verzoek om gewasbeschermingsmiddelen en biociden die horen totde groep PFAS en waar de PFAS-stof TFA een afbraakproduct van is, teherbeoordelen.Of op een bepaalde locatie met PFAS-verontreiniging maatregelen, zoalssaneren, nodig zijn, hangt af van specifieke omstandigheden en risico’s envraagt altijd een locatie-specifieke afweging. Hoe hieraan invulling wordtgegeven, is in de nationale wetgeving van lidstaten geregeld. Nederlandwisselt actief kennis en ervaringen met andere lidstaten op dit gebied uit.De aangenomen EU bodemmonitoringsrichtlijn verplicht lidstaten ommogelijk verontreinigde locaties in kaart te brengen en in een openbaarregister op te nemen. In principe ligt dit in het verlengde van de albestaande (dynamische) registers. Het monitoren van de bodemge-zondheid, inclusief PFAS, is onderdeel van deze richtlijn. Het publicerenvan deze data zorgt voor transparantie.Binnen Nederland zijn provincies en gemeenten actief aan de slag met deinventarisatie van met PFAS vervuilde locaties. Het Rijk ondersteunthierbij met kennis en expertise en het ter beschikking stellen vanSPUK-middelen.Het principe de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel deNederlandse als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in debeantwoording van de motie van de leden Kostic´ en Soepboer.5 Voorwaterzuivering is dit verankerd in de zuiveringsheffingen die water-schappen opleggen bij indirecte lozingen (op een RWZI), en de verontrei-nigingsheffing die opgelegd wordt bij directe lozingen op het oppervlakte-water. Voor zowel de verontreinigingsheffing als de zuiveringsheffing ishet beginsel «de vervuiler betaalt» leidend. De vervuiler betaalt naar ratovan de vervuilingswaarde van het afvalwater dat wordt geloosd ofafgevoerd.5Kamerstuk 30 015, nr. 130.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101411 Op het moment dat een waterzuiveraar extra kosten moet maken voorzuivering van het afvalwater van een bedrijf, dan kan een waterzuiveraarde extra kosten in rekening brengen bij dat bedrijf. Indien er sprake is vaneen illegale lozing, en daaruit ontstaat schade, dan kan degene bij wie deschade veroorzaakt wordt, de schade verhalen bij degene die datveroorzaakt of kan deze eisen dat de schade wordt opgeruimd door deveroorzaker.16.PFASDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de vorigebewindspersonen van Infrastructuur en Waterstaat hebben aangegeveneen nationaal verbod (in een bepaalde vorm) te overwegen als Europa tetraag handelt. Deze leden steunen die keuze. Is het kabinet het met onseens dat een Europees verbod veel te laat komt, omdat zo nog jarenlangschadelijke en niet-afbreekbare chemicaliën zich in onze leefomgeving enlichamen kunnen ophopen? En deelt het kabinet de mening dat devolksgezondheid beter beschermd wordt door eerder nationale restrictiesop PFAS in te voeren? De Kamer heeft meermaals gevraagd om meernationale maatregelen tegen PFAS, naar voorbeeld van landen zoalsDenemarken, waarbij het kabinet heeft aangegeven de mogelijkhedenvoor een gedeeltelijk lozingsverbod uit te werken. Is het kabinet bereidzo’n lozingsverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grotehoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en deschade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit preciesverwachten? Zo nee, waarom niet? Is het kabinet bereid naar voorbeeldvan onder andere Denemarken een gedeeltelijk nationaal productverbodin te stellen en met spoed naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom kanDenemarken het wel en ons kabinet niet?AntwoordHet kabinet deelt niet de mening dat het verbod te laat komt. Daarbij isbelangrijk te weten dat het zo breed mogelijke Europese verbod niet deenige maatregel is. Gelijktijdig wordt ook ingezet op substitutie, vermin-dering van lozingen en vergroting van de kennis over risico en bloot-stelling. Daarbij blijven we onderzoeken of aanvullende maatregelenmogelijk en effectief zijn. Bij elkaar een breed pakket aan maatregelen. Hetkabinet heeft op 21 juli 2025 een verkenning naar een nationaalPFAS-productverbod en PFAS-lozingsverbod aan de Kamer gestuurd. Hetkabinet kiest niet voor een nationaal productverbod op enkele product-groepen, zoals in Denemarken, omdat de inspanning voor toezicht enhandhaving hoog is en het een concurrentienadeel creëert voor hetNederlands bedrijfsleven binnen Europa. Wel is toegezegd6 te kijken naarde mogelijkheden voor een gedeeltelijk lozingsverbod. Een verdereuitwerking hiervan is noodzakelijk om beter zicht te krijgen op degevolgen hiervan en ongewenste neveneffecten te voorkomen. Dit vergttijd. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt hier momenteelaan. Conform de toezegging van de Minister van IenW zal de Kamer in heteerste kwartaal van 2026 over de voortgang worden geïnformeerd.17.REACHDaarnaast vragen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie wat hetkabinet concreet doet om te waarborgen dat de herziening van deREACH-verordening niet primair gericht wordt op administratievevereenvoudiging voor de industrie, maar dat gezondheid van mensen,dieren en milieu volgens meest recente wetenschappelijke inzichten envanuit het voorzorgsbeginsel wordt geborgd.6Toezegging TZ202510-098.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101412 AntwoordDe inzet van het kabinet is duidelijk, behoud en waar mogelijk verbeteringvan het beschermingsniveau.Circulaire Economie18.Kosten en lasten van nieuwe EU-regelgevingDe leden van de PVV-fractie lezen in het verslag zorgen over kosten,financieringsproblemen en risico’s voor bedrijven, maar er is geenkabinetsmaatregel, geen lastenverlichting en geen actiepunt vanuit deStaatssecretaris. Welke inschatting heeft de Staatssecretaris van dedirecte en indirecte kosten die nieuwe circulaire economie verplichtingen(bijvoorbeeld verplichte recyclaatpercentages, uitbreiding van producen-tenverantwoordelijkheid en verplichtingen onder de CE-markering) metzich meebrengen voor Nederlandse bedrijven? Welke maatregelen treft deStaatssecretaris om te voorkomen dat Nederlandse ondernemerswederom harder worden geraakt dan de concurrenten binnen en buitende Europese Unie (EU)?AntwoordDe doelstelling van een circulaire economie is dat deze rendabel is vooriedereen en zorgt voor een concurrerende economie.De transitie naar een circulaire economie brengt zowel kosten alsopbrengsten met zich mee. Een universeel beeld hiervan maken is nietmogelijk. Dit hangt in veel gevallen af van de precieze insteek van demaatregel. Daarbij is ook belangrijk te benadrukken dat de transitie veel(onzichtbare) kosten wegneemt, die bijvoorbeeld optreden bij het gebruikvan virgin7 grondstoffen. En zoals ook gesteld in de actualisatie van hetNationaal Plan Circulaire Economie (NPCE), biedt de transitie ook demogelijkheid om minder afhankelijk te worden van schaarse grondstoffen,leveringszekerheid en meer controle te krijgen over kosten die daarmeegepaard gaan.Uiteraard let het kabinet bij de vormgeving van alle nationale en Europesemaatregelen altijd op de gevolgen voor de Europese en Nederlandseeconomie. De kosten voor burgers en bedrijven worden daarom ook actiefmeegenomen in de impact assessments van de Europese Commissie, enhebben een plek in de beoordeling van Nederland via de BNC-fiches. Eenmondiaal eerlijk speelveld is hierbij van groot belang, waarbij bijvoor-beeld voor Europese producten dezelfde eisen gelden als voor geïmpor-teerde producten.19.«Afval» versus «grondstof»De leden van de PVV-fractie lezen in het verslag dat de EU aan hetvoorbereiden is en blijkbaar doet Nederland niks concreets. Kan deStaatssecretaris aangeven wanneer verwacht wordt dat de EuropeseCommissie eindelijk komt met definities voor de status van afval versusgrondstof, gezien de grote gevolgen van de huidige onduidelijkheid(vertraging, kosten en rechtsongelijkheid tussen lidstaten)? Welke inzetlevert Nederland om dit proces te versnellen?AntwoordVerduidelijking van de afvaldefinitie en het ontwikkelen van einde-afvalcriteria is iets waar het kabinet al langer voor pleit. De EuropeseCommissie heeft aangegeven dat dit ook een plek zal krijgen in de Circular7Virgin materialen zijn materialen die nooit eerder gebruikt of verwerkt zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101413 Economy Act. Hoe dit precies vorm zal krijgen, is op dit moment nog niette zeggen. Uiteindelijk is het aan de Europese Commissie om hiervoor eenvoorstel te doen. Het kabinet pakt hierin haar rol via onder andere delobby voor de Circular Economy Act, waarin de Nederlandse inzet wordtuitgedragen in technische meetings conform het nonpaper.820.Circulaire EconomieDe leden van de D66-fractie hebben ook met interesse kennisgenomenvan de «non-paper» over circulaire economie. Zij zijn de Staatssecretariserkentelijk dat het belang van een circulaire economie benadrukt wordtmaar zij vragen de Staatssecretaris waarom de nadruk op de afval- enrecyclefase wordt gelegd. Deze leden benadrukken dat circulariteit eindigtin de afvalfase, maar, belangrijker, begint bij het verminderen vangrondstoffengebruik. Met innovaties en met een ambitieuze Europesestrategie kunnen we zorgen dat veel producten en grondstoffen niet in deafvalfase terecht hoeven te komen. Kan de Staatssecretaris zijn inzethierop toelichten en toezeggen voor een ambitieuze agenda te pleiten inBrussel?AntwoordHet kabinet steunt en erkent het belang van het verminderen vangrondstoffengebruik. Het Nederlandse non-paper benadrukt dit ook, onderandere door de inzet op een ambitieus Europees productbeleid, hetinvoeren van verplichte percentages recyclaat en het stimuleren vanreparatie en hergebruik van bijvoorbeeld elektrische en elektronischeapparaten.21.RecyclingDe leden van de D66-fractie lezen tevens over de inzet van de Staatssecre-taris op recyclingbedrijven. De leden onderstrepen het belang van hetuitblijven van actie en beamen de woorden van de Staatssecretaris: «Alswe nu geen actie ondernemen, zullen meer bedrijven omvallen». Tegelijkvragen deze leden waarom de Staatssecretaris nog geen actie heeftondernomen om de aangekondigde plastic-heffing eerlijk over de keten teverdelen, aangezien deze nu juist ook recyclebedrijven zal raken.Daarnaast is de plastictafel tot een akkoord gekomen over de «marktcreatie hefboom». Een systeem wat enorm belangrijk is voor recyclebe-drijven aangezien zij rekenden op een bijmengverplichting in 2027, dievervallen was. De Staatssecretaris heeft aangegeven dat de hefboominvoeren niet in 2027 kan omdat het een te korte tijdlijn zou zijn. Dezeleden roepen de Staatssecretaris met klem op om niet alleen in Europa tepleiten voor actie maar ook nationaal werk te maken van de hefboom,waar de tafel al maanden geleden een akkoord over heeft gemaakt endeze alsnog uiterlijk in 2027 in werking te laten treden. Op die manierworden recyclebedrijven geholpen en groene plastic innovaties gestimu-leerd. Deze leden kijken met interesse uit naar de reflectie hierop van deStaatssecretaris.AntwoordIn de Werkgroep Afvalsector wordt naar alternatieven gekeken voor debudgettaire opgave van 567 miljoen euro van de plasticheffing. Besluit-vorming over de mogelijke alternatieve fiscale maatregelen, wordtvoorzien bij de Voorjaarsnota 2026. Zoals aangegeven in de Kamerbriefover circulaire plastic van 26 september 2025 is het kabinet positief overde circulaire hefboom.9 Er moet nog wel veel worden uitgezocht voordat8Kamerstuk 21 501-08, nr. 1009.9Kamerstuk 32 852, nr. 380.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101414 een definitief besluit kan worden genomen over de invoering ervan. Hetkabinet informeert de Kamer op korte termijn laatste stand van zaken.Meerjarig Financieel Kader (MFK)22.MFK en Do No Significant Harm-principeDe leden van de D66-fractie vragen hoe de Europese Commissie volgensNederland moet borgen dat het «Do No Significant Harm»-principe(DNSH) voldoende robuust blijft binnen het nieuwe Meerjarig FinancieelKader (MFK). Deze leden vragen wat de Staatssecretaris verstaat onder«rekening houden met kenmerken en uitdagingen van sectoren» bijDNSH-implementatie, en hoe voorkomen wordt dat dit leidt tot verwa-tering van het principe.AntwoordHet Do No Significant Harm-principe (DNSH) heeft als doel dat er geenernstige afbreuk mag worden gedaan aan bestaande EU-milieudoel-stellingen. Elke sector kent daarin eigen risico’s en kansen. Bij deuitwerking van het DNSH-principe moet er rekening gehouden wordenmet de toepassing van DNSH en dient deze proportioneel en uitvoerbaarte zijn, waarbij wordt gekeken naar sectorspecifieke omstandigheden (metname relevant voor landbouw, visserij en aquacultuursector) zoalstechnologische haalbaarheid en bestaande transitiepaden. Over het Do NoSignificant Harm-principe (DNSH) volgt nog een richtsnoer vanuit deEuropese Commissie. Het is op dit moment nog onduidelijk hoe ditconcept wordt vormgegeven binnen het MFK.23.MFK en LIFEDe leden van de VVD-fractie lezen dat er tijdens de Milieuraad eengedachtewisseling milieuaspecten MFK op de agenda staat. Zij zijn blijmet het kabinetsstandpunt met betrekking tot de impact van het voorstelop de nationale afdrachten want dit baart ook deze leden zorgen. Zijvragen daarom welke financiële rode lijnen het kabinet hier hanteert enwelke coalities worden gezocht om deze positie te versterken. Tevensvragen zij hoe geborgd wordt dat het schrappen of herplaatsen van hetLIFE-programma niet leidt tot versnippering en vermindering vaneffectiviteit.AntwoordZoals vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord zet het kabinet in op eencombinatie van een acceptabele omvang van het MFK en een voorNederland acceptabel aandeel in de nationale bijdragen via het eigenmid-delenbesluit. Als uitgangspunt dient hierbij de meerjarige raming van deNederlands afdrachten aan de EU zoals opgenomen op de begroting vanhet Ministerie van Buitenlandse Zaken.In het MFK-voorstel keren de activiteiten onder het huidige LIFE-programma terug binnen zowel het NRPP (National and RegionalPartnership Plans) als het ECF (European Competitiveness Fund). Hetkabinet steunt het samenvoegen van verschillende programma’s en deversimpeling van het MFK. In de onderhandelingen vraagt het kabinet,waar passend, aandacht voor een goede borging van de elementen dieLIFE tot een effectief instrument maken.24.Milieuaspecten MFKDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een aantal vragen overde milieuaspecten van het MFK. Deze leden lezen in de geannoteerdeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101415 agenda dat het kabinet het belang van investeringen in de groene transitiesteunt en daarbij ook steunt dat er een minimaal bestedingspercentagevan 35% voor klimaat en milieu wordt gehanteerd. Waarom pleit deStaatssecretaris niet voor een hoger percentage? De EU haalt vooralsnogde klimaatdoelstellingen niet en er zal dus meer moeten gebeuren op hetgebied van klimaat en milieu. Daarbij pleit dit kabinet ook juist voor eenEuropese aanpak. Is het dan niet noodzakelijk om een hoger percentagevan de Europese middelen aan klimaat en milieu te besteden? Deze ledenlezen ook dat het kabinet pleit voor «voldoende aandacht voor natuur-herstel». Wat verstaat de Staatssecretaris hieronder? Wat vindt deStaatssecretaris voldoende? Kan de Staatssecretaris toelichten wat op ditterrein concreet zijn inzet is en wanneer hij zal vinden dat er onvoldoendeaandacht is voor natuurherstel?AntwoordHet kabinet benadrukt het belang van investeringen in de groene transitieen staat daarom positief tegenover het voorstel om minimaal 35% van deEU-uitgaven te richten op klimaat en milieu. Wel constateert het kabinetdat in dit percentage geen afzonderlijk doel voor biodiversiteit isopgenomen, waar in het huidige MFK wel een verplichting van 10% geldt,naast 30% voor klimaat. Het kabinet vindt dat het nieuwe voorstel verdermoet worden uitgewerkt, onder meer om duidelijk te maken hoe hetvoorgestelde percentage precies kan worden gerealiseerd en hoegreenwashing wordt voorkomen. Daarbij moet voldoende aandachtblijven voor het terugdringen van vervuiling, het beschermen vanbiodiversiteit en het toepassen van nature-based solutions. Tijdens deonderhandelingen zet het kabinet zich hiervoor in en heeft de EuropeseCommissie gevraagd om een nadere toelichting en onderbouwing van deindicatoren die worden gebruikt.De EU staat voor een groot aantal uitdagingen, waaronder de versterkingvan concurrentievermogen en defensie. Ook zijn er belangrijke opgavenop het gebied van verduurzaming, milieu en natuur, ook gevat in derecent aangenomen Natuurherstelverordening. Het kabinet is van meningdat de middelen die uiteindelijk in het MFK beschikbaar komen inverhouding moeten staan tot de doelen en verplichtingen die aanlidstaten worden gesteld. Voldoende bijdrage aan natuur kan op verschil-lende manieren vorm krijgen. Daarbij kijkt het kabinet naar manieren envoorstellen van andere lidstaten om hier op constructieve wijze invullingaan te geven.25.MFKDe leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet «ernstige zorgen» heeftgeuit over de voorgestelde stijging van het MFK 2028–2034 en dat zij deimpact op de nationale afdrachten «onacceptabel» acht. Welk concreetstandpunt zal de Staatssecretaris innemen tijdens de gedachtewisselingtijdens de Milieuraad op 16 december om deze onacceptabele stijging teadresseren en een acceptabele afdracht voor Nederland te waarborgen?AntwoordDe gedachtewisseling over de milieuaspecten van het MFK is komen tevervallen op de agenda van de Milieuraad van 16 december. In deMilieuraad wordt overigens niet gesproken over de omvang van het MFKen de verdeling van de budgetten over de verschillende beleidsterreinen.Deze onderhandeling vindt plaats in de Raad Algemene Zaken enEuropese Raad. Over het eigenmiddelenbesluit wordt ook gesproken in deEcofinraad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101416 Conform Hoofdlijnenakkoord, zet het kabinet tijdens de onderhandelingenover het MFK in op een combinatie van een acceptabele omvang van hetMFK en een voor Nederland acceptabel aandeel in de nationale bijdragenvia het eigenmiddelenbesluit.26.LIFE-programmaDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat verschillendelidstaten zorgen hebben geuit over het mogelijk verdwijnen of uithollenvan het LIFE-programma. Daarnaast worden de afzonderlijke bestedings-doelen onder het meerjarig financieel kader voor klimaat (nu 30%) enbiodiversiteit (nu 7,5%) samengevoegd en verlaagd tot een totaalbestedingsdoel van 35%. Is de Staatssecretaris bereid zich expliciet aan tesluiten bij deze lidstaten en te pleiten voor voldoende financiële middelenvoor natuur, biodiversiteit en natuurherstel om uiteindelijk te kunnenvoldoen aan wat nodig om de natuur te herstellen en te beschermen(conform wetenschappelijk consensus)? Kan de Staatssecretaris ooktoelichten wat volgens hem voldoende financiële middelen zijn en opwelke wetenschappelijke inzichten hij zich precies baseert? En kan deStaatssecretaris toelichten hoe Nederland wil bijdragen aan het effectiefrealiseren van natuurherstelprojecten binnen Europa.AntwoordHet kabinet erkent het belang van voldoende en structurele financieringvoor natuur, biodiversiteit en natuurherstel. Het kabinet deelt de zorg dathet samenvoegen en verlagen van afzonderlijke bestedingsdoelen voorklimaat en milieu, en biodiversiteit kan leiden tot minder middelen voornatuurherstel. Tegelijkertijd steunt het kabinet ook de samenvoeging vanverschillende fondsen in het volgende MFK. Wat voor Nederlandvoldoende middelen zijn, hangt samen met de mate waarin lidstatenworden geacht om de doelen uit de Natuurherstelverordening terealiseren. Het kabinet kijkt hierbij primair naar het herstellen van natuurin Nederland. Het kabinet ziet dat grensoverschrijdende projecten op hetgebied van natuur en biodiversiteit binnen de ongeoormerkte middelenvan de EU-faciliteit kunnen worden gefinancierd. Dit biedt kansen, maarde exacte bijdrage van de EU-faciliteit aan natuur is op dit momentonzeker.27.Milieuaspecten MFKDe leden van de CDA-fractie hebben ook over de milieuaspecten van hetMFK enkele vragen. Zij lezen dat het kabinet de modernisering enflexibilisering van de EU-begroting steunt, waaronder het samenvoegenvan fondsen. De leden vragen of de Staatssecretaris kan toelichten hoewordt voorkomen dat eventuele centralisatie van cohesie- en investerings-fondsen leidt tot minder inspraak of onvoldoende afstemming op lokalebehoeften. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris in de Milieuraad zaltoelichten wat onder aandacht voor natuurherstel wordt verstaan en opwelke wijze dit onderwerp in de besprekingen wordt ingebracht. Kan deStaatssecretaris een concreet voorbeeld geven wat hieronder wordtverstaan en hoe hij de omstandigheden voor natuurontwikkeling wilverbeteren? Verder vragen de leden welke gemeenschappelijke uitgangs-punten lidstaten kunnen hanteren wanneer het gaat om natuurverster-kende inpassing van bijvoorbeeld windmolens op zee.AntwoordHet kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op hetpartnerschapsbeginsel. Het kabinet wil hier ook actief vorm aan gevendoor nauwe betrokkenheid van medeoverheden en andere (maatschappe-lijke) partners. Verder kan een voldoende bijdrage aan natuur opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101417 meerdere manieren worden ingevuld. Het kabinet verwelkomt de opnamevan biodiversiteit en natuurherstel in de doelstellingen binnen hetNRPP-voorstel en pleit voor voldoende aandacht hiervoor binnen hetMFK. In het kader van de Natuurherstelverordening werken lidstaten opdit moment aan hun nationale herstelplannen, die uiterlijk in concept op1 september 2026 en in definitieve vorm op 1 september 2027 moetenworden ingediend. In deze plannen worden natuurherstelmaatregelenconcreet uitgewerkt. De Natuurherstelverordening en het EU-format voorde herstelplannen bieden daarbij de inhoudelijke kaders en uitgangs-punten. Het kabinet erkent het belang van samenhang tussen de nationaleen regionale partnerschapsplannen onder het MFK en de nationaleherstelplannen, zodat financiering en beleidsdoelen elkaar optimaalversterken.Raadconclusies Circulaire Economie en klimaatadaptatie28.RaadsconclusiesTijdens de Milieuraad wenst het Deens Voorzitterschap tot een akkoord tekomen over de Raadsconclusies over het «Milieu in Europa in 2025 en deweg vooruit richting 2030», zo lezen de leden van de VVD-fractie.Zij vragen hoe in die Raadsconclusies wordt geborgd dat toekomstigevoorstellen voor circulaire economie leiden tot innovatie in plaats vanextra verplichtingen zonder aantoonbare meerwaarde. Op welke wijzewordt de betrokkenheid van sectoren bij klimaatadaptatie versterkt, zoalsdoor Nederland bepleit, zonder nieuwe lasten? Tot slot op dit punt vragende leden of de Staatssecretaris inzicht kan geven in de concrete voordelendie Nederland verwacht voor het bedrijfsleven uit deze Raadsconclusies.AntwoordHet kabinet onderschrijft de noodzaak dat toekomstige voorstellen voorcirculaire economie leiden tot innovatie. Om deze reden heeft het kabineteen non-paper opgesteld waarin wordt benadrukt dat de aankomendeCirculair Economy Act (CEA, verwacht Q3 2026) innovatie moet bevor-deren via o.a. verschillende financieringsvormen voor circulaire bedrijvenen producten. Op deze manier probeert het kabinet aan de voorkant testuren op de inhoud van het Commissievoorstel, en geeft het kabinet deCommissie enkele randvoorwaarden mee. Het kabinet zal bij het uitkomenvan de toekomstige Commissievoorstellen voor circulaire economietoetsen op de doelmatigheid en bevordering van de transitie richting eencirculaire economie, o.a. via het stimuleren van innovatie, met daarin dejuiste ondersteuning voor het bedrijfsleven. De oproep van de Raad vande Europese Unie in deze Raadsconclusies tonen dat ook andere Lidstatendeze noodzaak onderschrijven.Het kabinet hecht er belang aan dat alle sectoren werken aan klimaatweer-baarheid. De mogelijke gevolgen voor bedrijven zijn sterk afhankelijk vanbedrijfsspecifieke omstandigheden, zoals locatie en aard van dewerkzaamheden. Het kabinet is van mening dat het primair de verant-woordelijkheid is van bedrijven om keuzes te maken over hun klimaat-weerbaarheid, en hoe zij om willen gaan met de lokale gevolgen, zoalshitte en extreme neerslag. Bedrijven kunnen besluiten om preventievemaatregelen te nemen, maar ook maatregelen om de omvang van deschade te beperken, de schade te verzekeren of restschade te accepteren.Vanuit het Rijk wordt informatie verstrekt over het veranderende klimaatom bedrijven bij een keuze te ondersteunen. De Commissie kijkt samenmet de lidstaten of meer informatie beschikbaar is om bedrijven teondersteunen bij het verhogen hun klimaatweerbaarheid. Nationaalbetrekt het kabinet sectoren bij het nationale klimaatadaptatiebeleid viahet traject van de Nationale Adaptatie Strategie (die gepland is in 2026).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101418 Op dit moment is onduidelijk wat de concrete invulling van de Commissiegaat zijn van de voorstellen op het gebied circulaire economie enklimaatadaptatie. De verwachting is dat de Raadsconclusies een duidelijkboodschap meegeven aan de Commissie om bij de ontwikkeling van devoorstellen voor circulaire economie en klimaatadaptatie een goedebalans te kiezen tussen de bestaande (milieu)ambities en het onder-steunen van het bedrijfsleven in de transitie naar een schone en toekomst-bestendige economie.29.Burgerberaad Klimaat en Raadsconclusies CEDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretarisde aanbevelingen van het Burgerberaad Klimaat over het gebruik vanspullen mee in overweging neemt voor de Nederlandse positie tenaanzien van de raadsconclusies circulaire economie. Voorstellen zoals hetverlengen van de garantieperiode op producten, de mogelijkheid om voorbepaalde reparaties lagere btw-tarieven toe te kennen, en een hogerebijmengverplichting van gerecyclede oplossingen hebben baat bij actie opEuropees niveau, onder andere door het creëren van een gelijk speelveld.AntwoordDe Raadsconclusies passen bij de aanbevelingen die het BurgerberaadKlimaat gedaan heeft. Gezien de timing van de onderhandelingen, is hetechter niet mogelijk geweest om deze aanbevelingen actief mee te nemenin de onderhandelingen over de Raadsconclusies. Het kabinet is het erverder volledig mee eens dat de circulaire transitie een Europese aanpakvereist, en daarom zal het kabinet de aanbevelingen die relevant zijn voordeze Europese aanpak ook meenemen in de komende periode in aanloopnaar de Europese CEA. Daarbij is het goed om te zien dat een aantal vande aanbevelingen reeds overeenkomt met de Nederlandse inzet uit heteerder ook genoemde non-paper, zoals de inzet op verplichte percentagesrecyclaat in producten.30.RaadsconclusiesDe leden van de CDA-fractie hebben ook over de raadsconclusies over hetmilieu en de weg vooruit naar 2030 enkele vragen. Uit de documentatieblijkt dat lidstaten niet op koers liggen om alle milieudoelstellingen tehalen. De leden vragen hoe de Staatssecretaris het belang van verbeteringvan waterkwaliteit zal inbrengen en of hij kan bevestigen dat wordtgewerkt aan een vorm van doelsturing voor nutriënten in oppervlakte-water in plaats van strikte middelvoorschriften. Deze leden vragen of hetkabinet scherp in beeld heeft welke aanvullende maatregelen nuttigkunnen zijn ter versterking van biodiversiteit, luchtkwaliteit en waterkwa-liteit. Vooruitlopend op het aangekondigde voorstel voor klimaatadaptatieen circulaire economie vragen de leden of de Staatssecretaris bereid isom in de Milieuraad te verkennen of een Europese grondstoffenheffingkan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van secundaire grondstoffenen het versterken van autonomie. Ook vragen deze leden of eenverhoging van heffingen op fossiele LNG-import kan worden besprokenom duurzame alternatieven kansrijker te maken. Daarnaast vragen dezeleden of gezamenlijke productnormen met verplichtingen voor recycledcontent en design-for-recycling onderdeel kunnen worden van deNederlandse inzet.AntwoordVanuit het Ministerie van LVVN wordt gewerkt aan bedrijfsgerichtedoelsturing van grondwaterkwaliteit. Dit heeft effecten op het oppervlakte-water. Het kabinet is van mening dat zowel generiek als gebiedsspecifiekbeleid nodig is om te voldoen aan de nationale en internationaleTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101419 doelstellingen voor biodiversiteit en waterkwaliteit. In dit kader zet hetkabinet primair in op maatregelen voor de landbouwsector via generiekbeleid, zoals haalbare bedrijfsspecifieke emissiedoelen en innovatie. Insommige specifieke gebieden zal generiek beleid onvoldoende zijn voorhet doelbereik. Hier werkt het kabinet aan gebiedsspecifieke maatregelendie nodig zijn ten behoeve van het doelbereik. Dit doet het kabinet viabijvoorbeeld via de MCEN-middelen voor de gebiedsgerichte aanpak. Hetkabinet onderkent het belang van het aantrekkelijker maken van circulaireproducten en materialen. Het kabinet pleit daarom bij de Commissie voorhet onderzoeken van maatregelen die bijdragen aan een gelijker speelveldtussen circulaire en niet-circulaire producten en materialen, zoals eencombinatie van prijs- en stimuleringsmechanismen en het tegengaan vanoneerlijke handelspraktijken.Een importheffing van fossiele LNG is niet wenselijk, aangezien Nederlanden de Europese Unie nu en in de komende jaren nog in hoge mateafhankelijk zijn van fossiele LNG. Een heffing op fossiele LNG leidt ertoedat het voor partijen minder aantrekkelijk wordt om LNG in te kopen, danwel dat LNG op de interne markt van de Unie te brengen. Dit heeftnadelige gevolgen voor zowel de leveringszekerheid als de betaal-baarheid. Bovendien kan dit een perverse prikkel hebben op de markt-vraag naar gas uit Rusland en kan de import hiervan (tijdelijk) toenemen.Dit terwijl nu juist met REPowerEU-verordening wordt besloten omdaarvan afstand te doen.Het kabinet pleit inderdaad voor de snelle uitrol van productnormen, meto.a. verplichte percentages recyclaat en maatregelen voor recyclebaarheidvan producten. Dit is ook opgenomen in het Nederlandse non-paper voorde Ciruclar Economy Act.Milieuomnibus31.Non-paper MilieuomnibusTot slot hebben de leden van de VVD-fractie enkele vragen over denon-paper Milieuomnibus. Welke Nederlandse voorstellen uit hetnon-paper worden actief ingebracht, en welke steun van andere lidstatenis reeds verkend en/of verzekerd? Hoe wordt geborgd dat de Milieuom-nibus niet slechts symbolisch vereenvoudigt, maar tot aantoonbarelastenreductie leidt?AntwoordDe gehele non-paper wordt door het kabinet gebruikt voor beïnvloedingvan het Commissievoorstel. Zo zijn alle voorstellen meegenomen in deNederlandse input voor de call for evidence van de Commissie, eningediend op 9 september 2025. Voor de call for evidence zijn vooral detechnische voorstellen relevant, aangezien dit de concrete suggesties zijnvoor de inhoud van de milieuomnibus. De milieuomnibus wordt op kortetermijn verwacht. Momenteel zijn lidstaten zich nog aan het oriënterent.a.v. de milieuomnibus. Het is daarmee nog onduidelijk welke positie zijzullen innemen. Wanneer de milieuomnibus wordt gepubliceerd door deCommissie, zal het kabinet o.b.v. de inhoud verkennen welke coalities zijkan vormen. De omnibusvoorstellen hebben als uitgangspunt om deEuropese wetgeving te versimpelen t.b.v. het concurrentievermogen vanhet Europees bedrijfsleven. De Commissie maakt hierin altijd een wegingtussen het concurrentievermogen en het waarborgen van bestaandedoelen. Lidstaten doen dit op hun beurt ook. Het kabinet zal bij debeoordeling van het uiteindelijke voorstel hierop toetsen, aangezien hetessentieel is dat deze balans voldoende en zorgvuldig is gedaan. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101420 beoordeling van het kabinet wordt via de reguliere processen gedaan, ende Kamer zal via een BNC-fiche worden geïnformeerd.32.MilieuomnibusDe leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris welke elementenvan het Nederlandse non-paper over de Milieuomnibus volgens hem hetmeest urgent zijn om door de Commissie over te nemen, en hoeNederland gaat beoordelen of de voorgestelde simplificaties daadwer-kelijk regeldruk verminderen zonder milieudoelen te verlagen. Deze ledenvragen ook wanneer het BNC-fiche wordt verwacht.Antwoord:Voor het kabinet is het essentieel dat de milieuomnibus bijdraagt aanzowel een schone en toekomstbestendige Europese industrie alsook eengezonde leefomgeving voor burgers. Het is belangrijk dat de voorgesteldeversimpelingen daadwerkelijk toezien op de nodige ondersteuning vanhet bedrijfsleven. Tegelijkertijd moet er via de milieuomnibus geenafbreuk worden gedaan aan bestaande doelen die een gezonde leefom-geving voor de burgers waarborgen. Het is op dit moment nog onduidelijkwelke versimpelingen de Commissie gaat voorstellen in de uiteindelijkmilieuomnibus. Het kabinet zal deze na publicatie via het reguliereBNC-fiche beoordelen, waarbij zij het uitgangspunt hanteert dat hetvoorstel zowel bijdraagt aan het verhogen van het concurrentievermogenvia lastenverlichting als de bestaande doelen waarborgt. De Milieuom-nibus wordt op korte termijn verwacht, alleen de publicatiedatum hangt afvan de Commissie. Na de publicatie zal het kabinet starten met eenBNC-traject, waarna de Kamer zal worden geïnformeerd.33.MKB en MilieuomnibusDe leden van de BBB-fractie merken op dat de Nederlandse inzet op deMilieuomnibus gericht is op het verminderen van administratieve enbureaucratische lasten. Deze leden hechten groot belang aan hetverminderen van de regeldruk, met name voor het midden- en kleinbedrijf(mkb). Welke concrete en meetbare regeldrukverminderingen voor hetmkb en de agrarische sector verwacht de Staatssecretaris dat deMilieuomnibus zal opleveren, in het bijzonder ten aanzien van rapportage-vereisten op het gebied van circulaire economie?AntwoordOp moment van publicatie van de milieuomnibus door de Commissie zalhet kabinet onder meer toetsen of de voorgestelde versimpelingendaadwerkelijk leiden tot concrete en meetbare regeldrukvermindering,voor zowel het mkb als de gehele Europese industrie. Hier hecht hetkabinet waarde aan. Ook om het bedrijfsleven te ondersteunen richtingeen schone en toekomstbestendige economie.34.Non-paper MilieuomnibusDe leden van de CDA-fractie hebben ook over het non-paper inzake deMilieuomnibus enkele vragen. Zij onderschrijven het belang van minderregeldruk, maar vragen hoe tegelijkertijd geborgd blijft dat milieube-scherming als doel overeind blijft. Deze leden vragen hoe de Omnibus inde praktijk kan bijdragen aan het beter faciliteren van duurzamerealternatieven en welke knelpunten kunnen worden weggenomen. Zijvragen of de Staatssecretaris deze vragen wil betrekken in de Nederlandsebijdrage aan de Milieuraad.AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101421 Het kabinet vindt het essentieel dat de Milieuomnibus een goede balansbevat tussen het ondersteunen van het bedrijfsleven richting een schoneen toekomstbestendige economie, alsook het waarborgen van eengezonde leefomgeving via bestaande doelen. Daarom heeft het kabineteen non-paper opgesteld die de noodzaak van deze balans onderstreept.Het uiteindelijk voorstel wordt op basis hiervan beoordeeld door hetkabinet. Momenteel is het nog onduidelijk welke concrete versimpelings-voorstellen er door de Commissie worden gedaan in de milieuomnibus.Pas na publicatie van de omnibus kan het kabinet beoordelen of deomnibus in de praktijk kan bijdragen aan het beter faciliteren vanduurzamere alternatieven via het wegnemen van knelpunten. Het kabinetzal de vragen meenemen in haar bijdrage tijdens de daartoe bestemdegremia, en indien passend bij de discussie. Het Deens Voorzitterschapheeft de behandeling van de milieuomnibus niet geagendeerd tijdens deaankomende Milieuraad.35.CSRDDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat in denon-paper milieuOmnibus het belang van «investeringsduidelijkheid»door het kabinet wordt benadrukt. Tegelijkertijd willen circulaire onder-nemers juist duidelijke kaders en wetgeving en zijn zowel grote als kleinebedrijven niet blij met het uitstellen of schrappen van maatregelen zoalsde Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de bossenstra-tegie, juist omdat dit leidt tot onzekerheid en vooral negatief uitpakt voorkoploperbedrijven die er al mee bezig zijn. Is het kabinet het ermee eensdat juist het plotseling uitstellen of schrappen van net afgesproken regels,grote onzekerheid voor bedrijven veroorzaakt? Zo nee, waarom niet? Zoja, hoe gaat Nederland dit in Brussel onder de aandacht brengen? Hoegaat het kabinet zorgen dat er een gelijk speelveld komt voor bedrijven dieal groen en duurzaam doen, ten opzichte van grote bedrijven die daaronvoldoende tot geen beweging in maken?AntwoordHet kabinet erkent dat het uitstellen of aanpassen van Europese regelszorgt voor onzekerheid bij bedrijven. Het kabinet ijvert in Brussel voor eengelijk speelveld door te blijven pleiten voor geharmoniseerde regelgevingvoor bedrijven. Dit komt ook terug in de verschillende Nederlandsenon-papers die zijn opgesteld, waaronder voor de Circular Economy Acten de Milieuomnibus. Het kabinet zal deze non-papers onder de aandachtblijven brengen bij de Commissie en andere lidstaten.36.HarmonisatieDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het kabinetaangeeft dat regelgeving ruimte moet bieden voor nationale omstandig-heden, maar dat ecologische uitkomsten binnen de EU wel geharmoni-seerd moeten blijven om een level playing field te behouden. WelkeNederlandse uitzondering(en) doelt het kabinet hier specifiek op?AntwoordHet kabinet doelt in haar non-paper niet op specifieke uitzonderingen. Welkent elke lidstaat haar ruimtelijke uitdagingen, zoals de mate vandichtbevolktheid en geografische ligging. Voor het kabinet is hetbelangrijk dat de Commissie bij voorstellen voldoende flexibiliteit geeftaan de lidstaten om wetgeving te laten aansluiten bij deze nationalekenmerken, zonder het algehele doel van de wetgeving uit het oog teverliezen, zoals bijvoorbeeld het uitgangspunt van de Unie ten aanzienvan interne markt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101422 37.MilieuomnibusDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat precies de gevolgenzijn van de Omnibus voor de bescherming van milieu en gezondheid. Zijzijn benieuwd in hoeverre deze gevolgen in kaart zijn gebracht en of dezegedeeld kunnen worden met de Kamer. Ook zijn zij benieuwd hoe hetkabinet milieu en gezondheid weegt ten opzichte van lastenverminderingvoor bedrijvenAntwoordDe Milieuomnibus is nog niet gepubliceerd, waardoor het onduidelijk iswelke concrete voorstellen de Commissie hierin doet. Na de publicatie zalhet voorstel inclusief de mogelijke gevolgen via het gebruikelijkeBNC-fiche beoordeeld worden. Het kabinet vindt het essentieel dat demilieuomnibus een goede balans heeft tussen het ondersteunen van hetbedrijfsleven richting een schone en toekomstbestendige economie,alsook het waarborgen van goede milieubescherming via bestaandedoelen. Voor het kabinet is er geen hiërarchie tussen het bedrijfsleven enhet milieu en de gezondheid van burgers. Beide hebben daarom eengelijkwaardige positie in de Nederlandse non-paper t.a.v. de milieuom-nibus. Het kabinet maakt altijd een weging in het BNC-fiche als het gaatom specifieke voorstellen. Het kabinet zal deze weging meenemen in hetBNC-fiche.Bio-economie38.Bio-economieDe leden van de CDA-fractie hebben ook over de gedachtewisseling overde bio-economiestrategie enkele vragen. Zij lezen dat de EuropeseCommissie een nieuwe strategie zal presenteren en dat de Nederlandseinzet zich richt op het creëren en beschermen van een afzetmarkt voorbiobased producten. Deze leden vragen of de Staatssecretaris kantoelichten hoe hij dit concreet zal maken voor verschillende sectoren. Ookvragen zij hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen mogelijke normen vooreen percentage groene grondstoffen in producten, bijvoorbeeld hetstimuleren van duurzame bouwmaterialen zoals hout en natuurlijkeisolatiematerialen zoals vlas. Verder vragen deze leden of de Staatssecre-taris in de Milieuraad afspraken kan bepleiten over de voorbeeldfunctievan overheden, zowel nationaal als decentraal, in hun rol als aanbestederen investeerder in het kader van biobased toepassingen.AntwoordHet kabinet is voor verplichte percentages biogebaseerd in productregel-geving, zoals voor verpakkingen. Voor de chemische sector zet het kabinetin op doelstellingen voor duurzame koolstof, waaronder ook biogeba-seerde koolstof10. Ook pleit het kabinet voor geharmoniseerde duurzaam-heidseisen. Dit helpt de afzetmarkt omdat zo duidelijkheid en zekerheidontstaat. Ook voor de bouwsector wordt de vraag naar biogebaseerdematerialen gestimuleerd. Daarvoor wordt de Nederlandse aanpak alsleidraad genomen.11 Daarin wordt gestuurd op de CO2-emissies vangebouwen, en worden marktpartijen financieel ondersteund bij hetopzetten van biogebaseerde ketens en buyer groups voor de inkoop vanbiogebaseerde materialen. Daarnaast pleit het kabinet voor erkenning van10Joint statement on a European sustainable Carbon Policy. https://www.government.nl/documents/publications/2024/04/15/joint-statement-on-a-european-sustainable-carbon-policy-package11Nationale aanpak Biobased Bouwen. https://open.overheid.nl/documenten/36800f92-e4bc-4d76-b152-073736609290/fileTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101423 koolstofvastlegging in gebouwen en bouwproducten, omdat dit dezemarkt verder kan ondersteunen. In de mededeling van de Commissiewordt een herziening van de Richtlijn Overheidsopdrachten benoemd,waarin aandacht komt voor het stimuleren van biogebaseerde inkoop.Nederland stimuleert al rijksinkoop voor biogebaseerde materialen in debouw, en ondersteunt bij gevolg deze aankondiging.Een uitgebreide appreciatie van de EU bio-economie strategie ontvangt deKamer binnenkort via een BNC-fiche.39.Bio-economieDe leden van de VVD-fractie onderschrijven de inzet van het kabinet metbetrekking tot de bio-economie strategie. Wel vragen zij hoe geborgdwordt dat de strategie niet zal leiden tot extra administratieve lasten vooragrariërs en mkb-bedrijven. Op welke wijze zet Nederland in optechnologie-neutrale uitvoering, zodat innovatie niet afhankelijk wordt vanvooraf gekozen technieken of sectoren?AntwoordIn de strategie is aandacht voor regeldruk bij mkb-bedrijven en boeren.Concreet kondigt de Commissie ondersteuning aan voor mkb-bedrijvenbij markttoelatingsprocedures. Het stimuleren van testomgevingen(regulatory sandboxes), waar nieuwe producten en technologieën kunnenworden getest, helpt mkb-bedrijven om te kunnen experimenteren zonderhoge administratieve lasten. Ook agrariërs hebben baat bij geharmoni-seerde regelgeving. Mede daarom pleit het kabinet voor geharmoniseerdeduurzaamheidseisen voor biogrondstoffen. Nederland benadrukt derandvoorwaarden voor een duurzame en succesvolle bio-economie, zoalsmarktcreatie en geharmoniseerde duurzaamheidseisen. Binnen dierandvoorwaarden sturen we niet op type technologie. Verder steunt hetkabinet de aandacht in de strategie voor scale-ups. Op die manier kunnenverschillende technologieën zich verder ontwikkelen. Vaak blijkt immerspas in de pilotfase of de technologie ook daadwerkelijk succesvol kanworden.40.Bio-economieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretariszal garanderen dat de inzet op bio-economie effectief tot een meerduurzame economie zal leiden, en geen andere milieuproblemen totgevolg zal hebben, bijvoorbeeld doordat de productie van biogrond-stoffen ten koste gaat van natuur binnen of buiten Europa. Hoe ziet deStaatssecretaris dit in de praktijk werken, onder andere gezien de beperktebeschikbare hoeveelheid land in Europa?Deze leden zijn benieuwd naar welke mogelijke waarborgen de Staatsse-cretaris wil steunen om een potentiële negatieve impact op de natuur tevoorkomen. Verder verwelkomen deze leden de ambitie om meervervuilende grondstoffen te vervangen door duurzame, circulaire vormenvan biogrondstoffen die niet ten koste gaan van natuur. Zij vragen zichdaarbij af of de Staatssecretaris ook zal hameren op het belang van hetverminderen van het totale gebruik aan grondstoffen.AntwoordIn een circulaire economie worden in de eerste plaats minder grond-stoffen gebruikt door bijvoorbeeld hergebruik, en grondstoffen gebaseerdop afval. Op die manier zijn minder nieuwe grondstoffen nodig. Biogrond-stoffen zijn noodzakelijk om te komen tot een circulaire economie.Nederland stelt daarbij wel randvoorwaarden aan het gebruik vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101424 biogrondstoffen12; alleen duurzame biogrondstoffen worden gebruikt(daarom pleit het kabinet voor duurzaamheidscriteria), en deze duurzamebiogrondstoffen worden zo hoogwaardig mogelijk ingezet. Daar hoort bijdat het gebruik van duurzame biogrondstoffen voor toepassingenwaarvoor (op termijn) andere alternatieven beschikbaar komen (bijvoor-beeld hoge temperatuurwarmte voor de industrie) worden afgebouwddan wel omgebouwd.41.Bio-economieDe leden van de BBB-fractie merken op dat de gedachtewisseling over debio-economie strategie zich zal richten op de Nederlandse inzet,waaronder het ondersteunen van boeren en het verhogen van debeschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen. Hoe verzekert deStaatssecretaris dat deze strategie daadwerkelijk leidt tot nieuweeconomische kansen voor Nederlandse boeren, zonder dat dit ten kostegaat van de voedselproductie of resulteert in nieuwe, onnodige regeldruk?AntwoordDe onlangs gepresenteerde EU bio-economie strategie biedt kansen voorhet Nederlandse verdienvermogen in het algemeen en Nederlandseboeren in het bijzonder. Zo zet de strategie sterk in op het valoriseren vanreststromen, op de rol van boeren en het diversifiëren van gewassen ende toepassingen daarvan. Daarnaast identificeert de Commissie eenaantal opkomende markten als prioritair, zoals die voor materialen alsbiogebaseerde plastics en verpakkingsmaterialen, textiel, bouwmateriaal,chemicaliën, biogebaseerde gewasbeschermingsmiddelen enmeststoffen, net als de technologieën bioraffinage, fermentatie enkoolstofverwijdering. Hier zitten ook kansen voor Nederland. Voedsel iseen primaire levensbehoefte en de productie van voldoende voedsel moetdaarom geborgd worden. Door slimme, efficiënte en effectieve inzet vanbiogrondstoffen zijn synergieën mogelijk en kunnen biogrondstoffenmultifunctioneel worden benut. Dit maakt het zo volledig mogelijkbenutten van de grondstoffen mogelijk (total use). Waar sprake is vanregelgeving die niet in lijn is met dit uitgangspunt, moet worden bekekenof aanpassing nodig is. Een uitgebreide appreciatie van de EUbio-economie strategie ontvangt de Kamer binnenkort in een BNC-fiche.Annual simplification progress report42.Annual simplification progress reportDe leden van de VVD-fractie vragen met betrekking tot de Annualprogress report on Simplification, Implementation and Enforcement of deStaatssecretaris kan aangeven welke concrete lastenreductie Nederlandop korte termijn kan verwachten en hoe deze wordt gemeten. Daarnaastvragen zij op welke wijze versnippering tussen lidstaten aangepakt wordtom concurrentieverstoringen te voorkomen.AntwoordConform de motie Yesilgöz/Bontenbal13 inventariseert het kabinet op ditmoment 500 regels waar concrete lastenreductie haalbaar is. Voor eenrecente stand van zaken en een overzicht verwijs ik naar de websitewww.regeldrukmonitor.nl. Versnippering van Europese regelgeving is ietswaar het kabinet aandacht voor vraagt in diverse Raadsformaties. Datgeldt ook voor wetgeving die behandeld wordt in de Milieuraad. Zo pleithet kabinet in het non-paper over de aankomende Circulair Economy Act12Kamerstuk 32 813, nr. 617.13Kamerstuk 36 800, nr. 16Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101425 (CEA) voor het wegnemen van barrières op de interne markt, verdereharmonisatie van Europese regelgeving en het toewerken naar een gelijkspeelveld in de EU.1443.Annual simplification progress reportDe leden van de CDA-fractie hebben ook over het Annual Progress Reporton Simplification, Implementation and Enforcement enkele vragen. Dezeleden lezen dat een presentatie zal worden gegeven over de uitvoeringvan milieugerelateerde EU-regelgeving, inclusief uitdagingen eninitiatieven voor meer efficiëntie. Deze leden vragen of de Staatssecretariskan informeren hoe binnen de EU meer gebiedsgericht gewerkt kanworden en welke goede voorbeelden er zijn die lidstaten onderlingkunnen uitwisselen. Ook vragen zij of de Staatssecretaris kan benadrukkendat Nederland graag wil samenwerken met andere EU-landen om dehandhaving van vergunningen, bijvoorbeeld voor lozingen op water, teactualiseren en strikt uit te voeren, onder meer door het delen van kennisen best practices.AntwoordHet rapport waaraan gerefereerd wordt, gaat niet specifiek in op gebieds-gericht werken, maar focust op de simplificatieagenda voor de EU alsgeheel op het gebied van milieu. Het kabinet is van mening dat eengerichte inzet op het vereenvoudigen van regelgeving en het terugdringenvan regeldruk in het milieu domein, met behoud van bestaande doelstel-lingen, belangrijk is. Het is aan de Commissie om hier opvolging aan tegeven door middel van concrete voorstellen waar burgers en bedrijven inde EU baat bij hebben. Daarom kijkt het kabinet met interesse uit naar demilieuomnibus, en eventuele andere voorstellen voor betere regelgevingvoor milieuwetgeving. Het kabinet zoekt in deze processen actief desamenwerking met gelijkgezinde lidstaten om tot betere EU wetgeving tekomen. Dit geldt niet alleen aan de voorkant en tijdens onderhandelingen,maar ook in de implementatie van deze wetgeving. Het delen van kennisen kunde is daar een onderdeel van.COP3044.COP 30De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen over deopvolging van de COP30. De leden zijn teleurgesteld in de uitkomsten vande COP. Er zijn te weinig resultaten uit de COP gekomen om de wereld-wijde doelstellingen te halen. Onderschrijft de Staatssecretaris dit? Watgaan Nederland en Europa doen om het gat om de klimaatdoelen te halente dichten? Gaat de Staatssecretaris hiervoor de banden met anderelanden aanhalen en zo ja, op welke manier gaat hij dit doen?AntwoordHet onderhandelde Mutirão-eindbesluit15 van COP30 bevat een aantalbelangrijke punten voor Nederland en de Europese Unie (EU). Landenstellen dat ze vastberaden zijn om de 1,5°C te halen en de overschrijdingdaarvan te minimaliseren. Dit is een belangrijke bekrachtiging van hettemperatuurdoel van de Overeenkomst van Parijs. Het belang van de bestbeschikbare wetenschap, via het Intergovernmental Panel on ClimateChange (IPCC), wordt ook onderstreept. Landen worden in het Mutirão-besluit eveneens opgeroepen hun plannen volledig te implementeren en14Kamerstuk 21 501-08, nr. 100915«Mutirão» is een inheemse term uit Brazilië die staat voor een samenkomst om gezamenlijkeuitdagingen het hoofd te bieden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101426 om het beter te doen dan hun Nationally Determined Contributions(NDC’s) voor 2035, zodat de daadwerkelijke emissiereductie hoger uitvaltdankzij een voortvarende uitvoering. Op basis van de 86 tot nu toeingediende NDC’s zal de wereldwijde broeikasgasuitstoot in 2035 circa 12procent lager liggen dan in 2019. Dit is de eerste keer dat de wereldwijdeuitstoot wordt omgebogen van een stijging naar een afvlakking en daling,en is het resultaat van stevige binnenlandse inspanningen in veel landen,waaronder Nederland en de EU.Ondanks deze positieve elementen geeft het kabinet aan dat we er nogniet zijn: wee jaar geleden is op COP28 in Dubai immers afgesproken datde wereldwijde uitstoot in 2035 met 60% gedaald moet zijn (ten opzichtevan 2019). Mede daarom is de oproep om gestelde NDC-doelen voorbij testreven bijzonder relevant. Aangezien de opwarming van de aarde isgekoppeld aan de CO2-uitstoot onderschrijft het kabinet het belang datdeze uitstoot zo snel mogelijk te verminderen.Nederland en de EU hadden graag concretere afspraken gezien gericht opverdere uitvoering en implementatie van bestaande afspraken, bijvoor-beeld via een routekaart over het uitfaseren van fossiele brandstoffen. Ditonderwerp behoudt echter momentum mede dankzij de conferentie dieColombia samen met Nederland in april 2026 organiseert, en detoezegging van COP30-voorzitter Brazilië dat zij zullen werken aan eenroutekaart om de afspraken van COP28 in Dubai te helpen realiseren. Methet oog op onze concurrentiepositie is het belangrijk om deze afspraken ininternationaal verband verder te brengen en dus met landen gezamenlijkstappen te zetten.Klimaatverandering raakt alle landen, en vereist per definitie eengezamenlijke aanpak. De jaarlijkse COP blijft het moment waarop landenmet multilaterale onderhandelingen, politieke dialoog en vrijwilligeinitiatieven zoeken naar de beste antwoorden en breed gedragenoplossingen. Voor effectieve en eerlijke klimaattransitie die ook econo-mische groei brengt is het daarbij van belang dat iedereen gelijk optrekt.Richting een volgende COP zal Nederland, in samenwerking met de EU,nauw optrekken met gelijkgestemde partners, zoals de minst ontwikkeldelanden, kleine eilandstaten, en Latijns-Amerika om dit te bewerkstelligen.Door wel in te stemmen met het eindpakket en de afspraken die daarinstaan over bijvoorbeeld adaptatiefinanciering blijft de EU schouder aanschouder staan met de armste landen en degenen die het meestkwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast zalNederland via onder meer de klimaatdiplomatie blijven inzetten opparallelle en aanvullende samenwerkingsverbanden. Zowel in Europees,Nederland als in de Caraïbische delen van het Koninkrijk hebben weimmers belang bij effectieve internationale afspraken. Multilateralismegaat daarbij hand-in-hand met vrijwillige initiatieven en coalities die dewereldwijde uitvoering versterken.45.COP30De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn in het bijzonder teleurge-steld in de resultaten van de COP met betrekking tot financiering voormitigatie en adaptatie. Elk jaar weer wordt hier te weinig commitmentuitgesproken door deelnemende landen. Onderschrijft de Staatssecretarisdeze conclusie? Nederland geeft zelf al niet het juiste voorbeeld door tebezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking en internationale klimaatfi-nanciering. Ziet de Staatssecretaris dit ook zo? Kan hij reflecteren op hetfeit dat Nederland hier zelf ook niet de internationale afspraken nakomt?Wat denkt de Staatssecretaris dat er nodig is voor het behalen van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101427 internationaal afgesproken doelen als het gaat om financiering voormitigatie en adaptatie?AntwoordHet kabinet onderschrijft niet dat er te weinig commitment is uitge-sproken. Klimaatfinanciering is altijd een belangrijk onderdeel van deonderhandelingen. Het eindbesluit bevat een versterkte inzet op adaptatie-financiering, waaronder een algemene oproep om gezamenlijk toe tewerken naar een verdriedubbeling van de totale financiering vooradaptatie per 2035 binnen afgesproken klimaatfinancieringsdoel.Nederland blijft zijn aandeel aan internationale klimaatfinancieringleveren. Dit is ook zo gesteld in de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp16. Weblijven binnen de bredere begroting voor ontwikkelingshulp ook andereklimaatgerelateerde inspanningen leveren via thema’s zoals waterma-nagement en voedselzekerheid en door bij te dragen aan de belangrijkstemultilaterale klimaatfondsen. Daarnaast richten we ons op de mobilisatievan private klimaatinvesteringen.Deze inzet wordt vormgegeven conform de richtlijnen van het VerenigdeNaties klimaatverdrag (UNFCCC). Bij de rapportage volgen we zoveelmogelijk de internationaal afgesproken methodes. Nederland wordt in hetrecente Climate Finance Shadow rapport van CARE en Oxfam Novib17positief uitgelicht vanwege een hoog aandeel giften en de duidelijke focusop adaptatie in de publieke klimaatfinanciering.Binnen de UNFCCC is erkend dat de samenwerking tussen alle actorennodig is en dat alle mogelijke financieringsbronnen moeten wordeningezet om tegemoet te komen aan de financieringsbehoefte vanontwikkelingslanden: publiek, privaat, bilateraal en multilateraal. DeNederlandse klimaatfinanciering richt zich erop dat deze verschillendebronnen worden benut en we dragen via onder andere diplomatie uit datandere donoren (traditionele en niet-traditionele donoren) hun bijdragemoeten leveren. Daarnaast is Nederland internationaal een innovatievespeler om private financiële stromen ook voor ontwikkelingslandenbeschikbaar te maken. Er ligt ook een verantwoordelijkheid bij ontvan-gende landen om de juiste kaders te scheppen om te waarborgen datklimaatfinanciering effectief kan worden geïmplementeerd.46.Colombia top uitfaseren fossiele brandstoffenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben tot slot nog enkelevragen over de top die Nederland zal gaan organiseren met Colombiaover het uitfaseren van fossiele brandstoffen. Wat zijn de plannen van deStaatssecretaris, of van de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG),voor deze top? Heeft de Staatssecretaris al een idee bij wat er op deagenda zal staan? Gaat de Staatssecretaris specifiek aandacht bestedenaan het afbouwen van fossiele subsidies? Deze leden vinden het goed datNederland hier internationaal het voortouw op neemt, maar vinden weldat Nederland dan ook nationaal het goede voorbeeld moet geven. Watgaat de Staatssecretaris (in aanloop naar de top) nationaal aanvullenddoen als het gaat om het uitfaseren van fossiele brandstoffen en hetafbouwen van fossiele subsidies?Antwoord16Kamerstuk, 2025–2026, 36 180, nr. 13317Climate Finance Shadow Report 2025: Analysing progress on climate finance under the ParisAgreement 2025. https://policy-practice.oxfam.org/resources/climate-finance-shadow-report-2025-analysing-progress-on-climate-finance-under-621735/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101428 De Minister van Klimaat en Groene Groei zal samen met Colombia deconferentie in april voorzitten. Hoewel de organisatie zich nog in debeginfase bevindt, werkt het kabinet momenteel met Colombia aan deverdere uitwerking.Tijdens de COP was er een duidelijke oproep van een grote groep landenom met elkaar door te praten over wat het betekent om de transitie wegvan fossiele brandstoffen vorm te gevenHoewel het niet mogelijk was om dit in de slottekst op te nemen, blijft hetvan groot belang om met gelijkgestemde landen verder te werken aan ditonderwerp.De conferentie biedt daarvoor een belangrijke gelegenheid. Hetvoornemen is om tijdens de conferentie met een groep gelijkstemdelanden en andere belanghebbenden – van zowel binnen als buiten Europa– in meer detail met elkaar door te praten over het afbouwen van fossielebrandstoffen. Daarbij willen we op een constructieve manier over ditmoeilijke vraagstuk doorpraten en de nadruk leggen op wat wél kan.Tijdens de conferentie zal ingegaan worden op verschillende deelthema’s,zoals het afbouwen van fossiele subsidies, economische diversificatie, hetopschalen van hernieuwbare energie en sociale aspecten van de transitie.Het kabinet ziet deze conferentie nadrukkelijk als een kans om metinternationale partners verdere stappen te zetten op thema’s als hetverminderen van fossiele subsidies, het bevorderen van economischediversificatie en het versnellen van hernieuwbare alternatieven. Met hetoog op onze concurrentiepositie is het belangrijk om dit juist in internati-onaal verband te doen en dus met landen gezamenlijk stappen te zetten.Zodra het programma is afgerond, zal het kabinet de Kamer informeren.47.CO2-toedeling aan tuinbouw opslag onder NoordzeeDe leden van de CDA-fractie hebben ook over de recente berichtgevingover CO2-toedeling aan de tuinbouw enkele vragen. In een artikel werdgesteld dat een juridische interpretatie ertoe zou kunnen leiden dat CO2niet meer naar de tuinbouw kan gaan en dat deze automatisch zoumoeten worden toegewezen aan opslag onder de Noordzee. Deze ledenvragen de Staatssecretaris of deze duiding van Europese regels juist is.Indien dit klopt vragen zij of de Staatssecretaris in Europa kan aangevendat dit volgens Nederland onwenselijk is en tot negatieve gevolgen leidt,onder meer voor verduurzaming in de sector. De leden vernemen graaghoe de Staatssecretaris dit op korte termijn kan ophelderen en of hijbereid is om draagvlak te zoeken voor oplossingen die de CO2-toevoerrichting kassen waarborgen, bijvoorbeeld door aanpassingen in adminis-tratieve vastlegging te verkennen indien dat het probleem blijkt te zijn.AntwoordEen juridische analyse van de toepasbaarheid van de CO2-toedeling (ookwel «bioswap») geeft aan dat een administratieve verrekening overseizoenen of soorten stromen (biogene of fossiele CO2) vanwegeEuropese regelgeving niet mogelijk is. Levering van CO2 aan deglastuinbouw kan wel, maar indien in een transportmiddel CO2 vangemengde fossiele en biogene oorsprong aanwezig is, wordt diezelfdeverhouding afgeleverd bij de tuinder. Indien de tuinder gebruik maakt vanbijvoorbeeld de OCAP-leiding18, heeft dit tot gevolg dat toeleveranciers18Een leiding die wordt ingezet voor het transport van koolstofdioxide.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101429 van CO2 zoals de afvalverbrandingsinstallaties over het fossiele deelCO2-heffing (of ETS) moeten betalen en/of dit doorrekenen aan tuinders.Dat CO2 automatisch zou moeten worden toegewezen aan opslag onderde Noordzee klopt dus niet. Ook daarvoor moeten partijen investeringendoen. Er hoeven echter geen ETS-rechten gekocht of een CO2-heffingbetaald te worden over de uitstoot die partijen ondergronds opslaan. Dejuridische analyse die bevestigt dat de bioswap niet past binnen dehuidige regelgeving, wordt ook nog voorgelegd aan de EuropeseCommissie. De Staatssecretaris van LVVN zal, samen met de Minister vanKGG, bij de Europese Commissie navraag doen of en hoe ruimte kanworden gevonden voor een administratief sluitende oplossing tenbehoeve van duaal gebruik van één tansportmiddel. Het is voor deverduurzaming van een economisch rendabele glastuinbouwsector, naastbesparing, een belangrijke randvoorwaarde dat er CO2 kan wordengebruikt in de kassen die níet afkomstig is van fossiele verbranding. Dehuidige EU-regels maken levering van gemengde stromen (fossiel enbiogeen) aan de glastuinbouw minder aantrekkelijk en werken daardoorop korte termijn belemmerend voor de transitie naar een rendabeleemissievrije glastuinbouw in 2040. Dit terwijl de Nederlandse tuinbouw-sector met die ambitie voorop loopt in de energietransitie. Op langetermijn past het beprijzen van fossiele CO2 wel bij de sector brede inzet opemissiereductie. Bovendien vormt biogene CO2 óók een belangrijkegrondstof in de circulaire economie. We moeten er wel rekening meehouden dat ook biogene CO2 in de toekomst schaars wordt en een prijskrijgt.Overig48.RED3 EIA-richtlijnDe leden van de BBB-fractie lezen dat de Nederlandse inzet pleit voor hetstroomlijnen van beleid en het minimaliseren van complexe kruisverwij-zingen tussen verschillende EU-regelgevingen, zoals tussen RED III en deEIA-richtlijn. Op welke wijze zal de Staatssecretaris tijdens de Milieuraadde Commissie oproepen deze beleidsfragmentatie en de daardoorveroorzaakte onduidelijkheid voor bedrijven en overheden effectief aan tepakken?AntwoordHet kabinet onderstreept het belang van het minimaliseren van complexekruisverwijzingen tussen verschillende EU-regelgevingen en hettegengaan van beleidsfragmentatie. Het kabinet maakt zich daarom inBrussel hard om de samenhang en voorspelbaarheid in EU-regelgeving teverbeteren om zodoende duidelijkheid voor bedrijven te creëren. Om diereden is ook het Nederlands milieu-omnibus non-paper opgesteld. Opdeze manier probeert het kabinet al aan de voorkant de Nederlandsebelangen in te brengen. Het kabinet zal deze inzet onder de aandachtblijven brengen bij de Commissie.49.Luchtkwaliteit en houtstookDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat luchtvervuilingzorgt voor voortijdige sterfgevallen en grote maatschappelijke kosten. InNederland is houtstook volgens experts nog een belangrijke bron vanslechte luchtkwaliteit. Erkent het kabinet de adviezen van expertshierover? Zo nee, waar baseert het kabinet zich dan op? Wordt houtstookal in Europees verband besproken als oorzaak van luchtvervuiling enschade aan gezondheid? En wat doet de Staatssecretaris nu concreetextra om de negatieve gezondheidseffecten van houtstook landelijk teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101430 voorkomen? Is het kabinet bereid om hierin extra maatregelen teoverwegen? Zo ja, wanneer gaat het kabinet de Kamer hieroverinformeren?AntwoordHet kabinet baseert zich op de emissieregistratiecijfers van het RIVM.Hieruit blijkt dat 25%19 van de fijn stof emissies (PM2.5) in Nederlandafkomstig is van houtstook, voor benzo(a)pyreen ligt dit boven de 70%.Houtstook is, net als vele andere bronnen, onderwerp van gesprek als hetgaat om het reduceren van emissies en het verbeteren van de luchtkwa-liteit, en daarmee het reduceren van gezondheidsschade. De uitstoot vankachels wordt momenteel ook besproken in het kader van de herzieningvan de Ecodesign richtlijn20. Bij de totstandkoming van de herzieneEuropese richtlijn luchtkwaliteit is ook het houtstookbeleid van deverschillende lidstaten betrokken en zijn voor sommige landen, waarvoorzieningen nog ontbreken en men op houtstook is aangewezen alshoofdverwarming, uitstelmogelijkheden geformuleerd.De Kamer is in het verleden op verschillende momenten geïnformeerdover de beleidsinzet op het thema houtstook.21 Houtstookoverlast isvooral een lokaal onderwerp, waarbij het aan gemeenten is om hierbepaalde keuzes in te maken. Deze lijn wordt voortgezet. Het is belangrijkdat mensen in de samenleving rekening houden met elkaar, bijvoorbeelddoor niet te stoken als de weersomstandigheden ongunstig zijn zoals bijmist of windstil weer. Daarom zet het kabinet in op informatievoorziening,middels bijvoorbeeld de stookwijzer.Op dit moment wordt door het Ministerie IenW gewerkt aan de implemen-tatie van de herziene richtlijn luchtkwaliteit, waaronder het opstellen vanverplichte routekaart(en) bij dreigende overschrijding van grenswaardenvanaf 2030. In de routekaart moet staan hoe overschrijdingen voorkomenworden en welke maatregelen daarvoor genomen kunnen worden. Bij deuitwerking van een maatregelenpakket worden alle bronnen betrokken.50.Richtlijn Industriële EmissiesDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het kabinetspecifiek pleit voor een systeem waarbij een «breach of permit» niet directaan de autoriteiten hoeft te worden gemeld maar slechts in een logboekwordt geregistreerd waar autoriteiten bij opvraging in kunnen kijken.Erkent het kabinet dat dit het risico verhoogt dat milieuovertredingenonopgemerkt blijven en de consequenties voor bedrijven kunnenafnemen? Er wordt geschreven dat er bij «uitzonderlijke» overtredingenwel direct melding moet worden gemaakt. Wat verstaat het kabinet onderuitzonderlijke overtredingen? Is het kabinet het ermee eens dat bijschending, ook wanneer niet «uitzonderlijk» van milieuwetgeving er somsonmiddellijk moet worden ingegrepen, om schade aan gezondheid enmilieu te voorkomen? Hoe wordt voorkomen dat belangrijke milieu-incidenten worden weggezet als niet uitzonderlijk en er daardoor niettijdig kan worden gehandhaafd?AntwoordDe zorgplicht van een bedrijf is van toepassing op alle voorvallen: grotereen kleinere voorvallen. Een inbreuk op een vergunningvoorschrift hoeft19Bijdrage houtstook aan uitstoot en luchtkwaliteit. https://www.rivm.nl/houtrook/bijdrage-houtstook-aan-uitstoot-en-luchtkwaliteit20Europese Richtlijn Ecodesign. (2009). 125/EG21Kamerstuk 30 175, nr. 448.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101431 geen ongewoon voorval te zijn met mogelijk significante nadeligegevolgen voor mens en milieu zoals gedefinieerd in Artikel 15.11 van hetBesluit activiteiten leefomgeving (Bal). Die voorvallen moeten onverwijldworden gemeld. Een inbreuk kan echter ook een relatief klein enonschuldig voorval zonder significant effect zijn Het onmiddellijk meldenvan elke kleine inbreuk bij het bevoegd gezag heeft geen meerwaarde,terwijl het wel leidt tot een grote lastenverzwaring voor zowel bedrijvenals overheden. Voor kleine niet-significante inbreuken zal met deherziening van de Richtlijn industriële emissies een logboek bijhoudenleiden tot een extra controlemogelijkheid voor het bevoegd gezag.Het is belangrijk dat overheden hun capaciteit besteden aan significanteovertredingen, zoals ongewone voorvallen. Voor kleine inbreuken op eenvergunningvoorschrift is het instellen van een registratieplicht in eenlogboek verstandig omdat dit ervoor zorgt dat de administratieve lastenvoor zowel bedrijven als bevoegde gezagen beperkt blijven, terwijltegelijkertijd het bevoegd gezag wel in staat wordt gesteld om toezicht tehouden. Het bevoegd gezag kan aan de hand van het logboek controlerenwelke voorvallen plaats hebben gevonden, wat op dat moment deprocesomstandigheden waren, met welke regelmaat voorvallenvoorkomen, en hoe het bedrijf gehandeld heeft in specifieke situaties. Nietcorrect bijhouden van het logboek levert een overtreding op. Aan de handvan de registratie kan het bevoegd gezag zien of de meldingen juist warenen of het terecht is dat een melding in het logboek is genoteerd en niet isgemeld aan het bevoegd gezag als ongewoon voorval. Daarmee wordtvoorkomen dat belangrijke milieu-incidenten worden weggezet als nietuitzonderlijk terwijl de administratieve lasten voor bedrijven en overheidbeperkt blijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 101432
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.