Verslag van een schriftelijk overleg over uitkomst evaluatie experiment instellingsaccreditatie, in relatie tot aanbevelingen over het hoger onderwijs uit het advies ‘Essentie van extern toezicht’ van de Onderwijsraad (Kamerstuk 31288-994)
Brontekst
Versie 4f9ca29f84f0615a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1210 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 3 juli 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap over de brief van 5 december 2022 over uitkomstevaluatie experiment instellingsaccreditatie, in relatie tot aanbevelingenover het hoger onderwijs uit het advies «Essentie van extern toezicht» vande Onderwijsraad (Kamerstuk 31 288, nr. 994).De vragen en opmerkingen zijn op 21 december 2022 aan de Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 3 juli 2025zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,BrometDe griffier van de commissie,Verhoev kst-31288-1210ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12101 InhoudIVragen en opmerkingen uit de fracties2•Inbreng van de leden van de VVD-fractie2•Inbreng van de leden van de D66-fractie3•Inbreng van de leden van de CDA-fractie5•Inbreng van de leden van de SP-fractie6•Inbreng van de leden van de PvdA-fractie6•Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie7•Inbreng van de leden van de SGP-fractie9IIReactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap10 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deuitkomst van de evaluatie van het experiment instellingsaccreditatie, inrelatie tot aanbevelingen over het hoger onderwijs uit het advies«Essentie van extern toezicht» van de Onderwijsraad. Zij hebben nog eenaantal vragen.De leden van deze fractie lezen dat conform de motie van de ledenVan der Woude en Van der Molen1 de steekproef een interventie is, diekan worden ingezet. Kan de Minister nader ingaan op de door hemvoorgestelde voorwaarden voor inzet van dit instrument, zo vragen zij.De leden constateren dat bij het experiment alleen hogescholen hebbenmeegedaan. Hierdoor is er bij de evaluatie van het onderzoeksbureauBerenschot van het experiment alleen gebruik gemaakt van hogescholen,zowel in de deelnemers- als in de controlegroep. De leden vragen of ditexperiment representatief kan zijn voor universitaire instellingen. Is deMinister het met de leden eens dat om een nieuw stelsel in te voeren, ditwel breed moet zijn getoetst? Ook lezen de leden dat het experimentwordt voortgezet, waarbij de regie over de opleidingsbeoordeling in hetbeoogde nieuwe systeem volledig bij de instelling komt te liggen.Aangezien uit de feitelijke vragen over de evaluatie van het Experimentinstellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie naar vorenkwam dat universiteiten niet hebben meegedaan omdat de universiteitende wens hadden de gehele opleidingsbeoordeling van bestaandeopleidingen zelf vorm te geven, vragen de leden of er bij het vervolg vanhet experiment wel universiteiten gaan deelnemen aan het experiment.De leden van de VVD-fractie lezen dat er «sterke aanwijzingen» zijn dat hetbieden van meer ruimte en vertrouwen aan hogeronderwijsinstellingenom de eigen kwaliteitszorg vorm te geven op een manier passend bij deinstelling, leidt tot het vergroten van betrokkenheid en eigenaarschap vande onderwijsgemeenschap. Dit kan leiden tot een versterking van dekwaliteitscultuur en minder ervaren lasten, maar het is geen automatisme.Het hangt ervan af hoe de ruimte wordt ingevuld. Wat zijn de sterkeaanwijzingen? In welke gevallen kan het niet leiden tot een versterkingvan de kwaliteitscultuur en minder ervaren lasten? Op wat voor maniermoet de ruimte worden ingevuld? Wat waren dan de doelstellingen die deMinister wil bereiken met het invoeren van het nieuwe stelsel? Waren dedoelstellingen het vergroten van betrokkenheid en eigenaarschap, zowillen de leden weten.1Kamerstuk 31 288, nr. 978Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12102 Is de Minister het met deze leden eens dat zaken als betrokkenheid,eigenaarschap en goede kwaliteitscultuur geen doelen op zich zijn, maarmiddelen? Deelt hij de mening dat het eigenlijke doel goede kwaliteitmoet zijn? Is de insteek van het experiment, dat zich erg lijkt de richten op«kwaliteitszorg», «kwaliteitscultuur» en «eigenaarschap» dan wel goedgekozen en kan de Minister het vervolg niet beter herijken op heteigenlijke doel namelijk kwaliteit van onderwijs, zo vragen de leden.Deelt de Minister de mening van de leden van de VVD-fractie en deOnderwijsraad dat het functioneren van kwaliteitszorg alleen te beoor-delen is in samenhang met een objectieve vaststelling van de kwaliteitvan een opleiding? Kan de Minister daarom onderzoeken of de steekproefook ingezet kan worden om de kwaliteitszorg van een instelling te toetsen,zo vragen zij.De leden deze fractie vragen hoe de stelselwijziging geïmplementeerdgaat worden, aangezien accreditatie via de NVAO2 ook blijft bestaan.Kunnen instellingen zelf kiezen voor welke vorm van accreditatie zijgebruik maken, zo willen zij weten.De leden lezen dat opleidingen vrij zijn om te bepalen met welke opleidingzij zich vergelijken. Zij vragen of er een waarborg in het nieuwe stelsel isdat dit opleidingen zijn die aan een minimum aantal vereisten moetenvoldoen.De leden hebben begrepen dat de rolverdeling tussen NVAO en inspectienog nadere aandacht vergt. Is de Minister het met de leden eens dat dezerolverdeling, met name het escalatiemodel, zeer zuiver en duidelijkmoeten zijn? Zij constateren dat de NVAO zowel in Nederland, als inVlaanderen functioneert. In zijn reactie geeft de Minister aan dat onderandere in Vlaanderen reeds een systeem van instellingsaccreditatie isingevoerd. Welke lessen trekt de Minister uit de manier waarop inVlaanderen dit systeem is vormgegeven en hoe neemt hij deze lessenmee in de uitwerking van instellingsaccreditatie in Nederland, zo vragenzij.Kan de Minister onderzoeken of de afwezigheid van heimelijkebeïnvloeding door onvrije regimes een aanvullend criterium van kwaliteitvan onderwijs kan zijn en tevens waar – buiten de instelling zelf – eenadequate monitoring op het naleven van dit criterium kan worden belegd?De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister in zijn brief van11 februari 2021 aangeeft dat het nieuwe systeem van instellingsaccredi-tatie ook zal bijdragen aan flexibilisering en meer ruimte zal bieden vooronderwijsvernieuwing. In de reactie op de evaluatie zien de leden nietterug hoe bijgedragen wordt aan dit doel. Zij vragen of de Minister uiteenkan zetten hoe de deelnemende hogescholen dit zien en hoe hun adviezenworden meegenomen in de uitwerking hiervan.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Minister over de uitkomst van de evaluatie van hetexperiment instellingsaccreditatie, in relatie tot aanbevelingen over hethoger onderwijs uit het advies «Essentie van extern toezicht» van deOnderwijsraad. De leden hebben enkele vragen.2NVAO: Nederlands-Vlaamse AccreditatieorganisatieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12103 Versterken interne kwaliteitsstructuren op de instellingenUit de evaluatie blijkt dat de betrokkenheid van de formele medezeggen-schap bij kwaliteitszorg wisselend was, zowel bij deelnemende alsniet-deelne-mende instellingen. Wat de leden van deze fractie betreft is het bijterugtredend extern toezicht belangrijk dat de interne stakeholders, waarde formele medezeggenschap toe behoort, een stevige rol krijgen in dekwaliteitszorg. Kan de Minister nader toelichten hoe de student- enmedewerkersbetrokkenheid in nieuw stelsel van instellingsaccreditatievorm krijgt?In een stelsel van instellingsaccreditatie kunnen goede en inventievevormen van kwaliteitszorg ontstaan. De leden zijn van mening dathierdoor een kans ontstaat om kennis en kunde op te bouwen op hetgebied van kwaliteitszorg in het onderwijs. Kan de Minister toelichten ofen hoe deze kennisdeling in een nieuw stelsel wordt ingericht, zo vragenzij.Versterken van stelselDe leden van de D66-fractie lezen dat de periodieke opleidingsbeoorde-lingen op basis van onafhankelijke en deskundige peer review verplichtblijven. De leden moedigen dit aan. Tegelijkertijd voorzien deze leden dater een spanning kan optreden tussen deskundigheid en onafhankelijkheidvan peers. Kan de Minister toelichten of en hoe de onafhankelijkheid vanpeers in een nieuw stelsel is geborgd?In een stelsel van instellingsaccreditatie accrediteert de NVAO instellingenin plaats van opleidingen. De leden van deze fractie vinden het belangrijkdat er heldere kaders zijn voor het verlenen van instellingsaccreditatie.Wat is het proces van het bepalen van deze kaders? Welke grip heeft deKamer op de vaststelling van de beoordelingskaders? Welke invloed heeftde Minister op de vaststelling van de beoordelingskaders?Transparantie en vergelijkbaarheidDe leden van de D66-fractie lezen dat opleidingsbeoordelingen in eennieuw stelsel toegankelijk openbaar moeten worden gemaakt. Onderandere moeten sterke punten en verbeterpunten in een stelsel vaninstellingsaccreditatie openbaar worden gemaakt voor studenten,studiekiezers, onderwijzend personeel, onderwijsleiders en anderegeïnteresseerden. De leden vinden toegankelijke informatie over deopleidingskwaliteit van groot belang. Kan de Minister nader toelichtenhoe deze toegankelijke openbaarheid eruit komt te zien? Is de Ministervoornemens om deze informatie op één centrale plek inzichtelijk temaken, zo willen zij weten.De leden van deze fractie zien in een stelsel van instellingsaccreditatie eenuitdaging op het gebied van vergelijkbaarheid van opleidingen. Met namevoor (aankomende) studenten en de overheid is dit perspectief belangrijk,in het kader van respectievelijk studiekeuze en stelselverantwoorde-lijkheid. Kan de Minister verder toelichten hoe vergelijkbaarheid vanopleidingen in een nieuw stelsel vorm krijgt, zo vragen zij.Extern toezichtIn een stelsel van instellingsaccreditatie verandert de vorm van externtoezicht. De leden van de D66-fractie lezen dat de samenwerking tussende NVAO en inspectie zal veranderen. De Minister geeft aan dat desamenwerking en de werkwijze van de NVAO en de inspectie op ditmoment nader wordt uitgewerkt met alle betrokken partijen in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12104 onderwijsveld. Kan de Minister toelichten hoe het verdere proces voorinrichting van extern toezicht het stelsel eruit zal zien?De leden constateren dat signaalgestuurd toezicht door de inspectie en deNVAO in een nieuw stelsel blijft bestaan. Als ultimum remedium kan deMinister accreditatie van een opleiding in een nieuw stelsel (nog steeds)intrekken. De leden van deze fractie vinden het van belang dat opleidingendie structureel onderpresteren «op de radar» van de NVAO of de inspectiekomen. De leden zijn van mening dat er daarvoor een helderemeldstructuur moet zijn, in ieder geval voor studenten en medewerkersvan instellingen. Daarnaast is het mogelijk dat inspectie en de NVAO ookop eigen initiatief tot toezicht kunnen overgaan. Hoe staat de Minister hiertegenover, zo willen de leden weten.De leden van de D66-fractie lezen dat bij weigering of verlies vaninstellingsaccreditatie de opleidingsbeoordeling blijft plaatsvinden op dewijze waarop dit in het huidige stelsel ook het geval is. De Minister geeftaan dat dit nadere doordenking vereist, onder andere met het oog op deuitvoerbaarheid voor de NVAO. De leden vinden het belangrijk dat als eeninstelling de accreditatie verliest, de procedure helder en uitvoerbaarmoet zijn. Kan de Minister nader toelichten hoe deze procedure eruit zalzien, zo vragen zij.Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief«Uitkomst evaluatie experiment instellingsaccreditatie, in relatie totaanbevelingen over het hoger onderwijs uit het advies «Essentie vanextern toezicht» van de Onderwijsraad». Zij zijn positief over deuitkomsten van de beoordeling van het experiment instellingsaccreditatieen zien uit naar het wetsvoorstel waarin instellingaccreditatie wordtuitgewerkt. Daarnaast zijn de voorgenoemde leden teleurgesteld over deuitvoering van de motie van de leden Van der Molen en Van der Woudeover toetsing op anderstalig onderwijs. Over beide onderwerpen hebbende leden nog enkele vragen.Hoe verhoudt de openstelling van de Instellingstoets Kwaliteitszorg (ITK)3.0 zich ten opzichte van de beoogde wetswijziging om het stelsel teveranderen, ook in de tijd? Zijn er al instellingen die hebben aangegevengraag deel te willen nemen aan ITK 3.0, zo vragen de leden.De leden van de CDA-fractie vernemen graag of het klopt dat de regelingmacrodoelmatigheid 2018, waarin een bepaling is opgenomen metbetrekking tot het advies over anderstaligheid op dit moment nog steedshet enige wettelijke kader is waaraan de CDHO3 zich dient te houden? Zoja, hoe verhoudt dit zich dan tot de passage in de brief «In de constate-ringen en overwegingen van de motie wordt verondersteld dat de CDHOnog altijd een adviesrol heeft ten aanzien van opleidingstaal. Dat is niethet geval.»? Welke ruimte is er om lopende een regeling al te besluitenom een onderdeel van de regeling niet meer toe te passen, zo willen deleden weten.Klopt het dat de Tweede Kamer nooit is geïnformeerd dat er plannenwaren om alleen de NVAO een oordeel te laten vellen over de oplei-dingstaal? Hoe duidt u deze beslissing in het licht dat er al jarenlang in deKamer wordt gesproken over het taalbeleid van het ministerie en deinstellingen?De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is om de nieuweregeling macrodoelmatigheid tijdig naar de Tweede Kamer te sturen.3CDHO: Commissie Doelmatigheid Hoger OnderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12105 Inbreng van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de uitkomst vande evaluatie van het experiment instellingsaccreditatie. Zij hebbenhierover nog enkele vragen en opmerkingen.De leden vragen of de Minister kan reflecteren op het beperkt aantalinstellingen dat deelnam aan het experiment. Zij zijn daarnaast benieuwdhoe instellingen zijn geselecteerd en willen de Minister vragen of hijuitgebreid kan toelichten hoe deze selectie tot stand is gekomen.De leden lezen dat de betrokkenheid van de formele medezeggenschap bijkwaliteitszorg wisselend was, zowel bij deelnemende alsniet-deelnemende instellingen. Zij vragen de Minister of hij, evenals deleden van de SP-fractie vindt dat dit zorgelijk kan zijn voor de positie enwerkdruk van de medezeggenschap, wanneer instellingsaccreditatievolledig wordt geïmplementeerd.Inbreng van de leden van de PvdA-fractieDe leden van de PvdA-fractie hebben met zorg kennisgenomen van deuitkomst van de evaluatie experiment instellingsaccreditatie. Eerdersteunden zij de motie van het lid Westerveld4, die vroeg om een verbe-tering van het huidige accreditatiestelsel in plaats van de invoering vaninstellingsaccreditatie, maar een krappe Kamermeerderheid van nauwe-lijks meer dan de coalitiefracties, heeft deze motie verworpen. Op 1 juli2018 ging het Experiment instellingsaccreditatie van start, met eenlichtere opleidingsaccreditatie. Onderzoeksbureau Berenschot heeft eentussentijdse evaluatie uitgevoerd en Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap beschouwt de uitkomsten hiervan als ondersteuning van zijnvoornemen om toe te werken naar een systeem van instellingsaccredi-tatie. De evaluatie van het experiment instellingsaccreditatie doorBerenschot is echter niet onverdeeld lovend, namelijk:−deze leidt niet tot de conclusie dat de grotere betrokkenheid eneigenaarschap van de onderwijsgemeenschap, automatisch leiden toteen betere kwaliteitscultuur,−de knip tussen de standaarden voor de opleidingsbeoordeling tussentoetsing en examinering en de beoogde en gerealiseerde leerresulta-ten wordt door de deelnemende instellingen unaniem geëvalueerd alsweinig succesvol en−zowel deelnemende als niet-deelnemende instellingen en opleidingenzijn zeer kritisch over de bijdrage die het reguliere stelsel van cluster-gewijs visiteren kan leveren aan onderlinge vergelijking.Heeft de Minister bij de evaluatie wel serieus overwogen of hij op hetgoede spoor zat, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Zo ja, kan hij danmet voorbeelden illustreren dat hij de evaluatie van de instellingsaccredi-tatie onvooringenomen en kritisch tegen het licht heeft willen houden?Weliswaar is de Onderwijsraad minder kritisch over instellingsaccreditatiedan de Kamerminderheid die zich uitsprak voor verbetering van hethuidige accreditatiestelsel, maar de Onderwijsraad adviseert wel ominstellingsaccreditatie zodanig vorm te geven dat het extern toezicht zichtblijft houden op de kwaliteit van de opleiding, zodat de overheid haarverantwoordelijkheid voor het toezicht op onderwijskwaliteit kanwaarmaken.De LSVb5 noemt instellingsaccreditatie een grote stelselwijzigingwaarvoor nog te weinig aandacht bestaat vanuit de Tweede Kamer engeeft de voorkeur aan verbeteringen binnen het huidige stelsel. Wat is de4Kamerstuk 31 288, nr. 9815LSVb: Landelijke StudentenvakbondTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12106 reactie van de Minister op de fundamentele kritiek vanuit de studenten-bonden, zo vragen deze leden.Het ISO6 is dan wel voorstander van instellingsaccreditatie, maar het vindtdat er al ver vóór het stadium van ondermaatse onderwijskwaliteit eenduidelijke procedure moet bestaan voor de behandeling van signalen datde onderwijskwaliteit bij een opleiding afglijdt. Wat doet de Minister metdeze wens van het ISO? Komt er een systeem dat daartoe meldingenopvangt, zowel van binnen als van buiten de betrokken instelling? Zes jaarna de eerste cyclus van de instellingstoets kwaliteitszorg wordt het tijdvoor de instellingstoets kwaliteitszorg 3.0, maar de voorbereiding van deinstellingsaccreditatie dreigt deze ontwikkeling in het gedrang te brengen.Wat wil de Minister ondernemen om instellingen te stimuleren om tochook aan de slag te gaan met de ontwikkeling van een instellingstoetskwaliteitszorg 3.0, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractieDe leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstellingkennisgenomen van de uitkomst van de evaluatie van het experimentinstellingsaccreditatie in relatie tot het advies van de Onderwijsraadhierover. Deze leden hebben hierover enkele vragen.Zoals bekend zijn de leden van voornoemde fractie sceptisch over hetvoornemen van het kabinet om over te gaan tot instellingsaccreditatie.Deze leden stellen dat het grootste deel van de kwaliteit van een opleidingniet op centraal niveau, maar op het niveau van de opleiding wordtbepaald. Derhalve zijn deze leden overtuigd van de waarde van oplei-dingsaccreditatie. Ook de eerdere bezwaren over het feit dat de feitelijkeregeldruk niet is verminderd bij instellingsaccreditatie, terwijl dat een vande redenen is voor deze stelselwijzigingen, blijven staan.De leden stellen dat over het algemeen de stelselwijziging wordtverdedigd door te wijzen naar de ervaren werkdruk en het eigenaarschap.Hoewel zij veel waarde hechten aan deze aspecten, stellen zij dat hetaccreditatiestelsel om iets anders gaat, namelijk de borging van onder-wijskwaliteit. De primaire verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteitligt bij de opleiding en op dat niveau wordt de onderwijskwaliteit in depraktijk gerealiseerd, stelt ook de Onderwijsraad. Eerst zal moeten wordenvastgesteld dat de onderwijskwaliteit van de opleidingen gewaarborgdblijft in het nieuwe stelsel. Is de Minister van mening dat hij dit voldoendeheeft onderzocht? Zo ja, waarom, vragen deze leden.De Minister stelt dat de kwaliteit van de deelnemende opleidingengeborgd is, omdat in de aangepaste vorm van accreditatie – goedmogelijk is om opleidingen betekenisvol en conform de ESG7 te beoor-delen. Vindt de Minister het ook niet voorbarig om te stellen dat wanneeriets goed te beoordelen valt, de kwaliteit ook geborgd is? Is er in dit gevalniet eerder sprake van dat de kwaliteitszorg is geborgd, zo willen de ledenweten.De vraag of met een stelselwijziging daadwerkelijk beter gecontroleerdkan worden op dit punt, blijft, zo constateren deze leden, grotendeelsonbeantwoord. Zo geeft de Minister zelf aan dat een versterking van dekwaliteitscultuur bij instellingsaccreditatie nadrukkelijk geen automatismeis.6ISO: Interstedelijk Studenten Overleg7ESG: European Standards and GuidelinesTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12107 In reactie op eerdere vragen van deze leden stelt de Minister dat in deverdere uitwerking van instellingsaccreditatie aanhoudend aandachtwordt besteed aan de vraag hoe het nieuwe stelsel op het niveau van deinstelling zo kan worden geïmplementeerd dat een te verre centraliseringvan de kwaliteitszorg wordt voorkomen. Kan de Minister nader toelich-tingen hoe deze implementatie eruit komt te zien en wat hij verstaat onder«te verre centralisering», zo vragen zij.Evaluatie experiment instellingsaccreditatieDe leden van de fractie van GroenLinks lezen in de brief van de Ministerdat de betrokkenheid van de formele medezeggenschap bij de kwali-teitszorg wisselend was. Kan de Minister aangeven hoe de verschilleneruit zagen, en welke verklaring hij hiervoor heeft? Was de betrokkenheidbij de deelnemende of de niet-deelnemende instellingen beter verankerd?Deze leden lezen voorts dat er nauwelijks verschillen zijn tussen deelne-mende en niet-deelnemende instellingen in hoe de interne kwaliteitszorgwordt ingericht. Bij de deelnemende instellingen zijn de regulierekwaliteitsprocessen meer ingebed in de accreditatie en beoordeling. Isdeze verbetering niet toe te passen in het huidige stelsel, zo vragen dezeleden. Zo nee, waarom niet?Over de zogenoemde knip bij de kwaliteitsaspecten geven deelnemersaan dat een logische samenhang wordt losgelaten. Deze leden lezenvoorst dat de Minister voornemens is om de regie over de opleidingsbe-oordeling in het beoogde nieuwe systeem volledig bij de instelling teliggen. De leden van de GroenLinks-fractie vinden het problematisch datde Minister bereid is tot deze uitbreiding, zonder dat is in het experimentis meegenomen dat instellingen ook verantwoordelijk zijn voor beoor-deling van Kwaliteitsaspecten I. Kan de Minister nader toelichten waaromhij hiertoe overgaat, zonder eerst te onderzoeken of dit verstandig is? Kande Minister reflecteren op het beperkte aantal instellingen dat deelnamaan het experiment instellingsaccreditatie? Kan hij met name ingaan opde deelname van enkel hogescholen. In hoeverre is volgens de Ministerdit experiment dan ook representatief voor universiteiten, zo vragen deleden.Advies OnderwijsraadDe leden van de fractie van GroenLinks vinden het vreemd dat de Ministeradvies heeft gevraagd aan de Onderwijsraad over extern toezicht, omvervolgens alle bezwaren en fundamentele kritiek naast zich neer teleggen. Hoe zit de Minister dat zelf? Kan de Minister aangeven met welkdoel hij het advies heeft ingewonnen?In het rapport adviseert de Onderwijsraad juist: geef in het externetoezicht op onderwijs meer prioriteit aan de kwaliteitsbeoordelende taaken zorg voor direct zicht op de onderwijspraktijk. Deze prioritering is nodigomdat het extern toezicht, dus de onderwijsinspectie en de NVAO, alsenige de onderwijskwaliteit kan en mag beoordelen namens de overheid,zodat de overheid haar grondwettelijke zorg voor de kwaliteit van hetonderwijs kan waarmaken. Een objectief en onafhankelijk extern oordeeldat namens de overheid uitdrukt of het onderwijs voldoet aan dekwaliteitseisen in de onderwijswetten, is een belangrijke waarborg vooronderwijs van voldoende kwaliteit. Vindt de Minister dat hij met hetdoorvoeren van het accreditatiestelsel hier gehoor aan geeft? Zo ja,waarom? Zo nee, waarom niet?In reactie op het advies van de Onderwijsraad stelt de Minister dat slechtsde wijze waarop de accreditatie voor bestaande opleidingen plaatsvindtwijzigt en suggereert dat het slechts gaat om een vormwijziging. Erkent deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12108 Minister dat het hier gaan om een ingrijpende wijziging en dat zo’n stapniet licht genomen mag worden, zo vragen de leden.De Onderwijsraad beveelt tevens aan om de uitkomsten van hetexperiment af te wachten, voordat er vervolgstappen worden gezet. Is deMinister het met de Onderwijsraad eens dat een experiment nietautomatisch een eerste stap is naar herziening, maar slechts een manierom een andere vorm van accreditatie uit te proberen? Zo nee, waaromniet? Kan de Minister toezeggen dat hij dit advies zal opvolgen en wachtmet het nemen van vervolgstappen, in ieder geval tot de einddatum vanhet experiment oktober 2024? Zo nee, waarom niet, willen de ledenweten.Voorst stelt de Onderwijsraad dat de WHW8 nauwelijks inhoudelijkekwaliteitsnormen bevat om het onderwijs te beoordelen. De wet gaatervan uit dat dit per opleiding bekeken wordt, en duidt daarvoor enkelkwaliteitsaspecten aan. Bij gebrek aan wettelijke normen komt kwaliteits-beoordeling voor een belangrijk deel aan op benchmarking en hetprofessionele oordeel van experts op het specifieke terrein. In het huidigeaccreditatiestelsel komt dat tot uiting in de clustergewijze accreditatie vansoortgelijke opleidingen en in de relatie tussen visitatie en accreditatie. Bijinstellingsaccreditatie zal hier op een of andere wijze in voorzien moetenworden. Kan de Minister reageren op dit advies van de Onderwijsraad.Hoe is hij voornemens om hier gehoor aan te geven?Een ander aandachtspunt is dat bij instellingsaccreditatie sprake moetblijven van een adequaat interventie-instrumentarium. Gelet op deconsequenties van een verlies van accreditatie voor de hele organisatie isdat bij instellingsaccreditatie slechts zelden een proportionele ingreep.Hoe ziet de Minister dit? Zo is het bij instellingen met een brede oplei-dingsportefeuille moeilijk voorstelbaar dat de accreditatie vervalt als dekwaliteit bij een of twee opleidingen langdurig onder de maat is.Momenteel is accreditatie op opleidingsniveau een effectief instrumentom gericht te kunnen interveniëren bij die ene opleiding waar de kwaliteitonder de maat is, zodat docenten en onderwijsleiders het onderwijskunnen verbeteren. Het heeft ook direct de functie van kritische, externeblik. Het is de vraag of en hoe instellingsaccreditatie zo georganiseerd kanworden dat een externe periodieke toets op de kwaliteit van de opleidinggewaarborgd blijft. Ziet de Minister net als de Onderwijsraad dit risicoook? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is hij voornemens dit te onder-vangen in het nieuwe stelsel? Indien in het nieuwe stelsel de kwaliteit vaneen opleiding ondermaats is en er is geen opleidingscommissie, hoe komtdat in het nieuwe stelsel tot uiting, zo vragen deze leden.Inbreng van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de brief van de Minister. Zij hebben enkele vragen met het oog op hetvervolg van het voorgenomen traject.De leden lezen dat de Minister de opleidingsbeoordelingen onder eigenregie hoe dan ook wil doorzetten. Deze leden vragen in hoeverre dezepraktijk binnen de huidige wettelijke kaders voortgezet kan worden, danwel dat hoe dan ook aanpassing van de wet nodig is.De leden van deze fractie vragen hoe de Minister reflecteert op debeperkingen die Berenschot zelf formuleert ten aanzien van de onder-zoeksopzet in relatie tot de conclusie dat de daadwerkelijke administra-tieve lasten, een doelstelling van het experiment, niet afnemen met delichtere opleidingsaccreditatie. Is het risico niet behoorlijk dat deze8WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12109 beperkte groep opleidingen en instellingen niet representatief is voor watzal gebeuren als het hele veld met het voorgestelde model moet werken?De leden van de SGP-fractie vragen of de regering ook scenario’s verkentwaarin de eigen regie van opleidingen gecombineerd wordt met hetbehouden van de positie van de NVAO om besluiten te nemen overopleidingsaccreditatie. Waar zou het niet mogelijk en wenselijk zijn om deNVAO een rol te laten behouden om met een marginale toets vast testellen of het voorstel voor de opleidingsaccreditatie voldoendevertrouwen geeft om te verwachten dat sprake zal zijn van een deugde-lijke accreditatie?Tot slot vragen de leden van deze fractie of de Minister bij de rapportageover het beoordelen van de opleidingstaal door de NVAO ook de criteriawil betrekken die door de CDHO zijn gebruikt. Deze leden zou graag eenvergelijking zien van de benadering door de CDHO en de NVAO.II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Graag dank ik de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuuren Wetenschap voor de vragen die zij hebben gesteld en de opmerkingendie zij hebben gemaakt naar aanleiding van de brief van 5 december 2022inzake de uitkomst van de evaluatie van het experiment instellingsaccredi-tatie, in relatie tot aanbevelingen over het hoger onderwijs uit het advies«Essentie van extern toezicht» van de Onderwijsraad. Ik ga hieronder inop de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Ik volg daarbij deindeling van het verslag.Onder verschillende ambtsvoorgangers is in nauwe samenspraak met allebetrokken partijen uit het hogeronderwijsveld gewerkt aan de uitwerkingvan een stelsel van instellingsaccreditatie. Dit heeft onder andere geleidtot de afspraak om te streven naar invoering van een stelsel van instel-lingsaccreditatie in 2025.Ik acht de kans reëel dat met een dergelijke grote stelselwijziging voorbijwordt gegaan aan de oorspronkelijke doelen van eigenaarschap envermindering van ervaren lasten, doordat deze doelen ondersneeuwen bijwensen voor het inbouwen van nieuwe controles en aanvullendeinterventie-instrumenten, en in de complexiteit van de uitwerking. Eendergelijk grote stelselwijziging is zeer complex en vergt forse inspan-ningen van alle partijen om dit op een goede en uitvoerbare wijze tekunnen uitwerken en implementeren. Ik zie op dit moment geenaanleiding en noodzaak om de doorontwikkeling van het stelsel via deinvoering van instellingsaccreditatie vorm te geven, en stap nu van dieroute af. Wel zie ik aanleiding voor een verbetering en doorontwikkelingvan het huidige stelsel met een meer stapsgewijze aanpak. In de brief metmijn beleidsreactie op de rapporten van de Inspectie van het Onderwijsover het accreditatiestelsel, die ik gelijktijdig met de beantwoording vanonderhavige vragen aan uw Kamer heb verstuurd, ga ik nader in op mijnbeslissing en mijn voornemens voor de aanpak van het accreditatiestelsel.Ik streef ernaar om medio 2026 de verdere aanpak van het stelsel met uwKamer te delen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121010 Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie lezen dat conform de motie van de leden Vander Woude en Van der Molen9 de steekproef een interventie is, die kanworden ingezet. Kan de Minister nader ingaan op de door hem voorge-stelde voorwaarden voor inzet van dit instrument, zo vragen zij.Zoals ik hiervoor heb aangegeven heb ik besloten om niet over te gaan opeen spoedige invoering van een stelsel van instellingsaccreditatie. Ik kiesdaarentegen voor een stapsgewijze aanpak voor verbetering en dooront-wikkeling van het bestaande accreditatiestelsel. Daarbij streef ik naar(a) het vergroten van het gevoel van eigenaarschap en (b) een verlagingvan de ervaren administratieve lasten.In veel sectoren bevat het externe (kwaliteits)toezicht risicogerichteelementen. Ik wil de komende tijd bezien of, en in hoeverre, in mijnvoorstellen voor de aanpak van het kwaliteitszorgstelsel ook risicogerichteelementen, zoals steekproeven, kunnen worden opgenomen. Voorwaardevoor inzet van dit instrument is wel dat dit – over het geheel bezien – niettot lastenverzwaring leidt en dat het bijdraagt aan effectief toezicht.De leden constateren dat bij het experiment alleen hogescholen hebbenmeegedaan. Hierdoor is er bij de evaluatie van het onderzoeksbureauBerenschot van het experiment alleen gebruik gemaakt van hogescholen,zowel in de deelnemers- als in de controlegroep. De leden vragen of ditexperiment representatief kan zijn voor universitaire instellingen. Is deMinister het met de leden eens dat om een nieuw stelsel in te voeren, ditwel breed moet zijn getoetst, zo vragen de leden.Ik ben het met de leden eens dat bij het invoeren van een nieuw stelseleen representatieve toetsing moet hebben plaatsgevonden. In hetexperiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsbeoordeling(hierna: experiment ILO) en in de controlegroep waren inderdaad alleenhogescholen betrokken. Het was het voornemen van de toenmaligeMinister van OCW om een grotere groep instellingen toe te laten tot hetexperiment en om de deelnemende instellingen toe te staan om oplei-dingen geheel onder eigen regie te laten beoordelen. Als gevolg vanbezwaren van uw Kamer is het aantal deelnemende instellingen echterbeperkt tot maximaal zes en is slechts voor twee van de vierNVAO-standaarden eigen regie toegestaan.10 Deze inperking was vooruniversiteiten reden om niet te willen deelnemen aan het experiment.Dit wil niet zeggen dat de leerervaringen uit het experiment daarmee nietrepresentatief kunnen zijn voor universiteiten. Zo zijn de opbrengsten dieverschillende deelnemende instellingen en opleidingen beschrijvenvergelijkbaar. In analysesessies die de onderzoekers organiseerden zijnook universiteiten meegenomen. Daar werd bevestigd dat de ontstaneruimte docenten de kans geeft zich op een zinvollere wijze te verant-woorden over de kwaliteit van onderwijs dan zij ervaren in het huidigeaccreditatieproces.De leden vragen of er bij het vervolg van het experiment wel universi-teiten gaan deelnemen aan het experiment.9Kamerstuk 31 288, nr. 98210Kamerstuk 31 288, nr. 522Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121011 Het experiment is inmiddels beëindigd. Zodoende is er geen sprake meervan nieuwe toetreders tot het experiment. Bij de aanpak van het kwali-teitszorgstelsel betrek ik logischerwijs zowel de universiteiten alshogescholen.De leden van de VVD-fractie lezen dat er «sterke aanwijzingen» zijn dat hetbieden van meer ruimte en vertrouwen aan hogeronderwijsinstellingenom de eigen kwaliteitszorg vorm te geven op een manier passend bij deinstelling, leidt tot het vergroten van betrokkenheid en eigenaarschap vande onderwijsgemeenschap. Dit kan leiden tot een versterking van dekwaliteitscultuur en minder ervaren lasten, maar het is geen automatisme.Het hangt ervan af hoe de ruimte wordt ingevuld. Wat zijn de sterkeaanwijzingen? In welke gevallen kan het niet leiden tot een versterkingvan de kwaliteitscultuur en minder ervaren lasten? Op wat voor maniermoet de ruimte worden ingevuld, zo vragen de leden.De evaluatie van het experiment ILO toont aan dat de tijd die in deopleidingsbeoordeling wordt gestoken in strikte zin niet minder isgebleken, maar dat door de sterkere waardering van de opbrengsten dekosten meer in verhouding staan tot de baten dan bij het bestaandeaccreditatieproces.De evaluatie wijst uit dat deelnemers een meer intrinsiek gemotiveerdebetrokkenheid ervaren bij de kwaliteitstoets en een sterker gevoel vaneigenaarschap hadden dan bij een regulier opleidingsvisitatietraject.Daarnaast heeft men bij de deelnemende opleidingen ervaren dat deopleidingsbeoordeling beter aansloot bij wat door docenten, studenten enwerkveld belangrijk wordt gevonden. Ook kan volgens betrokkenen uit hetexperiment ILO het beoordelingstraject meer op ontwikkeling wordengericht dan enkel op verantwoording.Mede daarom hanteer ik hetvergroten van eigenaarschap en het verlagen van de ervaren lasten alsuitgangspunten voor de stapsgewijze aanpak van het accreditatiestelsel.Wat waren de doelstellingen die de Minister wil bereiken met het invoerenvan het nieuwe stelsel? Waren de doelstellingen het vergroten vanbetrokkenheid en eigenaarschap, zo willen de leden weten.Ik deel hieronder de oorspronkelijke doelen. Ik ben echter niet overtuigddat de invoering van verplichte instellingsaccreditatie op dit moment debeste manier is om deze doelen te bereiken. Daarom laat ik het strevennaar spoedige invoering van instellingsaccreditatie los. Ik werk aan eenstapsgewijze aanpak van het accreditatiestelsel, waarbij ik het vergrotenvan het eigenaarschap en verlagen van de ervaren lasten als uitgangs-punten meeneem.Met de voorgenomen invoering van instellingsaccreditatie werd eeneffectievere en meer betekenisvolle verantwoording over de onderwijs-kwaliteit beoogd. Een grotere betrokkenheid en eigenaarschap van deonderwijsgemeenschap bij verantwoording en kwaliteitszorg waren hierinzowel een middel om tot nog betere borging van de onderwijskwaliteit tekomen, als een beoogd gevolg. Na ongeveer twintig jaar in het huidigeaccreditatiestelsel blijkt dat opleidingsbeoordelingen niet optimaal zijntoegespitst op de omstandigheden van de specifieke opleiding. Doordatbij opleidingsvisitaties te weinig sprake is van maatwerk ervarenopleidingen deze veelal als een hoepel om doorheen te springen, enkomen werkelijke sterkten en verbeterpunten van een opleiding onvol-doende naar boven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121012 Ik ben ervan overtuigd dat meer (bruikbare) inzichten worden opgedaanwanneer de betrokkenen bij een opleiding meer verantwoordelijkheidkrijgen bij de vormgeving van de opleidingsbeoordeling. Dit spoortinstellingen en opleidingen meer aan om met concrete verbeterpuntenaan de slag te gaan en draagt dus meer bij aan de borging van goedeonderwijskwaliteit. Een bijkomend voordeel van grotere betrokkenheid eneigenaarschap van onderwijsprofessionals is, dat dit de ervaren (adminis-tratieve) lasten van kwaliteitszorg kan verlichten. Deze inzichten neem ikmee in mijn stapsgewijze aanpak van het accreditatiestelsel.Is de Minister het eens dat zaken als betrokkenheid, eigenaarschap engoede kwaliteitscultuur geen doelen op zich zijn, maar middelen? Deelt hijde mening dat het eigenlijke doel goede kwaliteit moet zijn, zo vragen deleden van de VVD-fractie.Ja.Is de insteek van het experiment, dat zich erg lijkt de richten op «kwali-teitszorg», «kwaliteitscultuur» en «eigenaarschap» wel goed gekozen enkan de Minister het vervolg niet beter herijken op het eigenlijke doelnamelijk kwaliteit van onderwijs, zo vragen de leden.In een sterke interne kwaliteitscultuur is iedereen – docenten, studentenen instellingsbestuur – op betekenisvolle wijze betrokken bij de borgingvan onderwijskwaliteit. Ik bezie dan ook hoe ik dit verder kan stimuleren.Zoals hiervoor benoemd, zijn goede interne kwaliteitszorg en een sterkekwaliteitscultuur waarin onderwijsprofessionals mede-eigenaar zijn vankwaliteitszorg en verantwoording, belangrijke middelen bij het op peilhouden en verbeteren van onderwijskwaliteit. Mijn inzet op de aanpak vankwaliteitszorg beoogt kwaliteitszorg en verantwoording te verbeteren enzal daarmee ook bijdragen aan het verbeteren van kwaliteit. Hetexperiment ILO was in lijn met die doelstelling overigens ook gericht opde ontwikkeling van de kwaliteitszorg aan de deelnemende instellingen enop de elementen waaruit die kan worden afgeleid, zoals het gesprek overkwaliteit en kwaliteitscultuur, de inbedding van kwaliteitszorgprocessen inde onderwijspraktijk en de betrokkenheid van docenten, studenten enexterne stakeholders bij het accreditatieproces. Ook het vervolg van hetexperiment is daarop gericht geweest. Dit betekent geenszins dat ergedurende de looptijd van het experiment niet gekeken is naar het effecthiervan op de kwaliteit. De deelnemende opleidingen zijn (zoals deinternationale norm is) bezocht door onafhankelijke en deskundige peersen hebben een kwaliteitsbeoordeling doorlopen conform NVAO- enESG-standaarden, allen met positief resultaat.Deelt de Minister de mening van de leden van de VVD-fractie en deOnderwijsraad dat het functioneren van kwaliteitszorg alleen te beoor-delen is in samenhang met een objectieve vaststelling van de kwaliteitvan een opleiding? Kan de Minister daarom onderzoeken of de steekproefook ingezet kan worden om de kwaliteitszorg van een instelling te toetsen,zo vragen zij.In ieder systeem van accreditatie moet de opleidingskwaliteit geborgdzijn, dat staat voor mij buiten kijf. Zoals ik in mijn gelijktijdig met dezebeantwoording verstuurde beleidsreactie op dit rapport aangeef, wil ik hetdoor de inspectie gesignaleerde risico mitigeren. Ik denk daarbij zowelaan het invoeren van elementen van risicogericht toezicht, waar steek-proeven onderdeel van kunnen zijn, als aan de mogelijkheid om eennieuw instrument te laten ontwikkelen waarin NVAO en inspectiegezamenlijk tussentijds vinger aan de pols kunnen houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121013 Ook in het huidige stelsel van opleidingsaccreditatie is het mogelijk dat er,buiten de cyclus van visitaties om, bij de NVAO of de Inspectie van hetOnderwijs (hierna: inspectie) serieuze signalen binnenkomen overgebreken in de onderwijskwaliteit of in aan kwaliteit gerelateerdeonderwerpen binnen de instelling die zowel aandacht van NVAO alsinspectie verdienen.De leden van de VVD-fractie vragen hoe de stelselwijziging geïmplemen-teerd gaat worden, aangezien accreditatie via de NVAO11 ook blijftbestaan. Kunnen instellingen zelf kiezen voor welke vorm van accreditatiezij gebruik maken, zo willen zij weten.Ik streef niet langer naar spoedige invoering van een stelsel van verplichteinstellingsaccreditatie. In de aanpak blijft de NVAO de enige accredite-rende instantie voor graden die op grond van de WHW worden verleend.In het huidige stelsel kunnen opleidingen die de Instellingstoets Kwali-teitszorg (ITK) met positief resultaat hebben doorlopen, bij de accreditatievan opleidingen te kiezen voor een beperkt- of een uitgebreid beoorde-lingskader. Bij de aanpak van het kwaliteitszorgstelsel bekijk ik welkeontwikkelingen mogelijk zijn binnen het bestaande stelsel.De leden lezen dat opleidingen vrij zijn om te bepalen met welke opleidingzij zich vergelijken. Zij vragen of er een waarborg in het nieuwe stelsel isdat dit opleidingen zijn die aan een minimum aantal vereisten moetenvoldoen.Aangezien ik besloten heb om niet meer door te gaan op het pad vanintroductie van instellingsaccreditatie, is dit niet meer aan de orde. Deinspectie beveelt in haar rapport aan om de mogelijkheid te bekijken ofkleinere clustergewijze visitatie van opleidingen gevormd kunnen worden,zodat de vergelijking voor betrokkenen als zinvoller kan worden ervaren.Ik neem deze aanbeveling graag mee in mijn aanpak van het kwaliteits-zorgstelsel.De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister het met de leden eensis dat de rolverdeling tussen NVAO en inspectie, met name het escalatie-model, zeer zuiver en duidelijk moeten zijn.Binnen het externe toezicht op het hoger onderwijs hebben de NVAO ende inspectie elk eigen, complementaire wettelijke taken en bevoegdheden.De NVAO ziet via visitaties door peers toe op de onderwijskwaliteit en dekwaliteitszorg binnen een instelling en de inspectie houdt toezicht op denaleving van wet- en regelgeving en de financiële en bestuurlijkecontinuïteit die nodig is voor het leveren van die kwaliteit.Ik ben het met de leden eens dat het daarbij van groot belang is dat derolverdeling tussen de beide instanties volstrekt helder is, ook als het gaatom het inventariseren, onderzoeken en eventueel sanctioneren vansignalen over het niet naleven van wet- en regelgeving of gebreken in deonderwijskwaliteit.De leden van de VVD-fractie vragen welke lessen de Minister trekt uit demanier waarop in Vlaanderen dit systeem is vormgegeven en hoe hij dezelessen meeneemt in de uitwerking van instellingsaccreditatie inNederland.Hoewel ik niet langer streef naar spoedige invoering van een stelsel vanverplichte instellingsaccreditatie, blijf ik open staan voor ervaringen bijaccreditatie vanuit Vlaanderen en andere landen in Europa. Ik vind het11NVAO: Nederlands-Vlaamse AccreditatieorganisatieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121014 belangrijk om met oog voor de verschillende nationale context viagesprekken in de Europese Hoger Onderwijsruimte op de hoogte teblijven van ontwikkelingen in kwaliteitszorgsystemen van andere landen,zodat deze betrokken kunnen worden bij de aanpak van het accreditatie-stelsel.Ook vragen de leden van de VVD-fractie of de Minister kan onderzoeken ofde afwezigheid van heimelijke beïnvloeding door onvrije regimes eenaanvullend criterium van kwaliteit van onderwijs kan zijn en tevens waar –buiten de instelling zelf – een adequate monitoring op het naleven van ditcriterium kan worden belegd.Accreditatie heeft als doel om de onderwijskwaliteit te controleren.Daarmee vind ik het niet een passend middel om het tegengaan vanheimelijke beïnvloeding te monitoren. Het kabinet vindt elke vorm vanongewenste heimelijke buitenlandse inmenging volstrekt onacceptabel.Iedereen in Nederland moet vrij en ongehinderd diens leven kunnenleiden, zonder bemoeienis door autoriteiten van andere landen. Hetkabinet voert een brede aanpak om dit fenomeen tegen te gaan, zoalsbeschreven in de Kamerbrief van 6 april 202312 over de geïntensiveerdeaanpak ongewenste buitenlandse inmenging. In de Kamerbrief van17 oktober 202413 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dezeaanpak.Daarnaast voer ik een constante dialoog met kennisinstellingen overongewenste overdracht van kennis en technologie door statelijke actorenen ondersteun de instellingen, bijvoorbeeld met het Loket Kennisvei-ligheid en de Nationale Leidraad. Tot slot onderzoek ik hoe ongewenstebuitenlandse beïnvloeding gericht op kennisinstellingen verder kanworden opgenomen in de kabinetsbrede aanpak. Over de uitkomsten ga ikin gesprek met de kennisinstellingen.De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister in zijn brief van11 februari 2021 aangeeft dat het nieuwe systeem van instellingsaccredi-tatie ook zal bijdragen aan flexibilisering en meer ruimte zal bieden vooronderwijsvernieuwing. In de reactie op de evaluatie zien de leden nietterug hoe bijgedragen wordt aan dit doel. Zij vragen of de Minister uiteenkan zetten hoe de deelnemende hogescholen dit zien en hoe hun adviezenworden meegenomen in de uitwerking hiervan.De evaluatie van het experiment heeft geen bevindingen opgeleverd ophet gebied van flexibilisering, omdat dit geen expliciete onderzoeksvraagwas. Opleidingen vormen in het huidige accreditatieproces hetuitgangspunt. Ontwikkelingen op het vlak van flexibilisering wordennauwlettend in de gaten gehouden en binnen de aanpak ingepast waarmogelijk.Inbreng van de leden van de D66-fractieVersterken interne kwaliteitsstructuren op de instellingenDe leden van de D66-fractie vragen nader toe te lichten hoe de student- enmedewerkersbetrokkenheid in nieuw stelsel van instellingsaccreditatievorm krijgt.12Kamerstuk 30 821, nr. 180.13Kamerstuk 30 821, nr. 241.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121015 Aangezien ik besloten heb om niet meer door te gaan op het pad vanintroductie van instellingsaccreditatie, is dit niet meer aan de orde.Desondanks blijven inspraak en gezonde tegenspraak belangrijk voor hetgoed functioneren van universiteiten en hogescholen. Het is van belangdat iedere student en medewerker zich medeverantwoordelijk voelt voorde kwaliteit van het onderwijs. Medezeggenschap zorgt ervoor dat kennisen kunde vanuit de collegezaal en vanaf de werkvloer wordt meegenomenin continue kwaliteitsontwikkeling en besluiten die door het bestuurworden genomen. Op elke bekostigde instelling voor hoger onderwijs iser zodoende, zowel centraal als decentraal, een medezeggenschaps-orgaan, waarin studenten en medewerkers zitting hebben. Ook bij deaanpak van het accreditatiestelsel blijft dat voor mij een belangrijkuitgangspunt. Ik blijf daarom in nauw overleg met studentenorganisatiesISO en LSVb over de vernieuwingen binnen het stelsel.In een stelsel van instellingsaccreditatie kunnen goede en inventievevormen van kwaliteitszorg ontstaan. De leden van de D66-fractie zijn vanmening dat hierdoor een kans ontstaat om kennis en kunde op te bouwenop het gebied van kwaliteitszorg in het onderwijs. Kan de Ministertoelichten of en hoe deze kennisdeling in een nieuw stelsel wordtingericht, zo vragen zij.Het is belangrijk dat instellingen hun kennis en kunde op het gebied vankwaliteitszorg met elkaar delen. Ik neem dit mee in de gesprekken die ikvoer over mijn aanpak van het kwaliteitszorgstelsel.Versterken van stelselDe leden van de D66-fractie lezen dat de periodieke opleidingsbeoorde-lingen op basis van onafhankelijke en deskundige peer review verplichtblijven. De leden moedigen dit aan. Tegelijkertijd voorzien deze leden dater een spanning kan optreden tussen deskundigheid en onafhankelijkheidvan peers. Kan de Minister toelichten of en hoe de onafhankelijkheid vanpeers in een nieuw stelsel is geborgd, zo vragen deze leden.Er kan inderdaad, ook in het huidige stelsel, spanning optreden tussendeskundigheid en onafhankelijkheid. Niet omdat opleidingen erop uit zijnpanelleden te selecteren die hen gunstig gestemd zijn, maar omdat deexpertise gezocht moet worden binnen het onderwijsveld en de verschil-lende sectoren daarbinnen. De NVAO ziet erop toe dat aan de onafhanke-lijkheidseisen van panelleden is voldaan. De eisen aan onafhankelijkheidzijn afgelopen jaar verder aangescherpt. Zo heeft de NVAO de eisen voorde selectie van panelleden verduidelijkt in het herziene accreditatie-kader14, dat per 1 april 2024 in werking is getreden. Ook zijn de verkla-ringen ten aanzien van onafhankelijkheid aangescherpt, zowel voorpanelleden als voor de instellingen zelf. Tot slot wordt door de NVAOverder gewerkt aan bewustwording rondom onafhankelijkheid in deuitvoering, via gesprekken met instellingen en evaluatiebureaus.De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat er heldere kaderszijn voor het verlenen van instellingsaccreditatie. Wat is het proces vanhet bepalen van deze kaders? Welke grip heeft de Kamer op devaststelling van de beoordelingskaders? Welke invloed heeft de Ministerop de vaststelling van de beoordelingskaders, zo vragen deze leden.Zoals ik aan het begin van de beantwoording heb aangegeven heb ikbesloten niet meer over te gaan op het introduceren van instellingsaccre-ditatie. Bij de aanpak van het huidige accreditatiestelsel gelden de reeds14NVAO afdeling - rapportTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121016 bestaande kaders. Hierin is opgenomen dat het accreditatieorgaangesprekken voert met de koepels van instellingen voordat een accredita-tiekader vastgesteld of gewijzigd zal worden. Het accreditatiekader of eenwijziging daarvan moet vervolgens goed worden gekeurd en vastgestelddoor de Minister.Transparantie en vergelijkbaarheidDe leden van de D66-fractie vinden toegankelijke informatie over deopleidingskwaliteit van groot belang. Kan de Minister nader toelichtenhoe deze toegankelijke openbaarheid eruit komt te zien? Is de Ministervoornemens om deze informatie op één centrale plek inzichtelijk temaken, zo willen zij weten.Aangezien ik niet zal streven naar spoedige invoering van een stelsel vaninstellingsaccreditatie, wil ik de huidige praktijk waarin accreditatierap-porten beschikbaar zijn via de openbaar toegankelijke website van deNVAO handhaven en waar mogelijk verbeteren.De leden van de D66-fractie vragen hoe vergelijkbaarheid van opleidingenin een nieuw stelsel vorm krijgt.Aangezien ik heb besloten niet meer over te gaan op spoedige invoeringvan een stelsel van instellingsaccreditatie, blijft dit zoals het in het huidigestelsel is vormgegeven. Dat betekent dat elke opleiding te maken krijgtmet hetzelfde accreditatiekader en daarmee voor iedereen duidelijk is dateen geaccrediteerde opleiding aan de basiskwaliteit voldoet.Extern toezichtIn een stelsel van instellingsaccreditatie verandert de vorm van externtoezicht. De leden van de D66-fractie lezen dat de samenwerking tussende NVAO en inspectie zal veranderen. De Minister geeft aan dat desamenwerking en de werkwijze van de NVAO en de inspectie op ditmoment nader wordt uitgewerkt met alle betrokken partijen in hetonderwijsveld. Kan de Minister toelichten hoe het verdere proces voorinrichting van extern toezicht het stelsel eruit zal zien?Ik heb besloten niet meer over te gaan op het introduceren van instellings-accreditatie. Desondanks vind ik het van groot belang dat de rolverdelingtussen de NVAO en inspectie volstrekt helder is. Ik ben in gesprek metNVAO en inspectie om er voor te zorgen dat er binnen het extern toezichtmeer aandacht uitgaat naar effectieve en proportionele opvolging vansignalen over tekortkomingen in de opleidingskwaliteit en daaraangerelateerde onderwerpen. Ik werk samen met de toezichthouders aanverbetering van de rolverdeling en (samenwerkings)afspraken tussenNVAO en inspectie die daarbij horen.De leden constateren dat signaalgestuurd toezicht door de inspectie en deNVAO in een nieuw stelsel blijft bestaan. Als ultimum remedium kan deMinister accreditatie van een opleiding in een nieuw stelsel (nog steeds)intrekken. De leden van deze fractie vinden het van belang dat opleidingendie structureel onderpresteren «op de radar» van de NVAO of de inspectiekomen. De leden zijn van mening dat er daarvoor een helderemeldstructuur moet zijn, in ieder geval voor studenten en medewerkersvan instellingen. Daarnaast is het mogelijk dat inspectie en de NVAO ookop eigen initiatief tot toezicht kunnen overgaan. Hoe staat de Minister hiertegenover, zo willen de leden weten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121017 Effectief en proportioneel extern toezicht blijft een vaste en belangrijkepijler onder de borging van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Alsonderdeel van hun interne kwaliteitszorg, dienen instellingen in eersteinstantie zelf zorg te dragen voor een adequate opvolging en passendeafhandeling van interne signalen. Zij moeten interne klachten- enberoepsprocedures transparant en inzichtelijk maken voor studenten enmedewerkers. Als de instelling signalen niet adequaat oppakt, dan is ervoor betrokkenen de mogelijkheid extern melding te doen bij de NVAO eninspectie.De inspectie heeft in haar onderzoek naar het huidige accreditatiestelselgewezen op het een risico in de huidige werkwijze. Het is in de huidigesituatie mogelijk dat signalen over eventuele gebreken in de onderwijs-kwaliteit in beginsel pas bij de volgende visitatie van de opleidingbetrokken worden, of er moet eerder een onderzoek gestart worden naarde mate waarin de opleiding «accreditatiewaardig» is. Er zijn situatieswaarin niet zolang gewacht moet worden of waar eerst meer verkenningvan de signalen nodig is, voordat tot een dergelijk onderzoek gestartwordt. Ik ben met de NVAO en inspectie in gesprek over het structureelinbedden van de manier waarop op dit moment opvolging wordt gegevenaan die signalen.De leden van de D66-fractie lezen dat bij weigering of verlies vaninstellingsaccreditatie de opleidingsbeoordeling blijft plaatsvinden op dewijze waarop dit in het huidige stelsel ook het geval is. De Minister geeftaan dat dit nadere doordenking vereist, onder andere met het oog op deuitvoerbaarheid voor de NVAO. De leden vinden het belangrijk dat als eeninstelling de accreditatie verliest, de procedure helder en uitvoerbaarmoet zijn. Kan de Minister nader toelichten hoe deze procedure eruit zalzien, zo vragen zij.Aangezien ik besloten heb om niet over te gaan tot invoering vaninstellingsaccreditatie, is dit niet meer aan de orde. NVAO blijft deaccreditatiebesluiten nemen.Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie vragen hoe de openstelling van de Instel-lingstoets Kwaliteitszorg (ITK) 3.0 zich verhoudt ten opzichte van debeoogde wetswijziging om het stelsel te veranderen, ook in de tijd? Zijn eral instellingen die hebben aangegeven graag deel te willen nemen aan ITK3.0, zo vragen de leden.De derde beoordelingsronde voor de ITK is in het najaar van 2023 gestart.In totaal nemen 33 instellingen hieraan deel.De leden van de CDA-fractie vernemen graag of het klopt dat de regelingmacrodoelmatigheid 2018, waarin een bepaling is opgenomen metbetrekking tot het advies over anderstaligheid op dit moment nog steedshet enige wettelijke kader is waaraan de CDHO15 zich dient te houden? Zoja, hoe verhoudt dit zich dan tot de passage in de brief «In de constate-ringen en overwegingen van de motie wordt verondersteld dat de CDHOnog altijd een adviesrol heeft ten aanzien van opleidingstaal. Dat is niethet geval.»? Welke ruimte is er om lopende een regeling al te besluitenom een onderdeel van de regeling niet meer toe te passen, zo willen deleden weten.15CDHO: Commissie Doelmatigheid Hoger OnderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121018 De CDHO is een adviescommissie die mij bijstaat bij de beoordeling vanmacrodoelmatigheidsaanvragen binnen de kaders van de WHW en deRegeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs (hierna: deregeling). Deze regeling is in 2023 herzien en in werking getreden.16 Begin2021 liet de CDHO weten dat de adviestaak over opleidingstaal van deCDHO zoals neergelegd in de regeling in de praktijk voor onduidelijkheidzorgde. Voor zowel de CDHO als de NVAO was niet duidelijk in hoeverrehet advies van de CDHO door de NVAO moest worden betrokken in haartoetsing van nieuwe opleidingen en bleek het beoordelingskader van deNVAO over toets nieuwe opleidingen lastig uit te voeren. Daarnaast washet voor onderwijsinstellingen onduidelijk welke instantie zich bezighoudtmet het vraagstuk over de opleidingstaal omdat hetzelfde onderwerp bijtwee verschillende beoordelingen aan de orde kwam. Begin 2021 wastevens de herziening van de regeling gestart en was de Wet taal entoegankelijkheid (WTT) al aangenomen door de Tweede Kamer. Omwillevan een betere uitvoerbaarheid voor zowel CDHO, NVAO als de instel-lingen is afgesproken dat vooruitlopend op de herziening van de regelingde advisering door de CDHO per 2021 kwam te vervallen. Aangezien debeoordeling van de opleidingstaal door de NVAO in stand bleef, achttemijn ambtsvoorganger dit legitiem. De NVAO heeft in de afgelopen jarenbij de accreditatie van anderstalige opleidingen de instellingen gevraagdom de keuze voor een andere taal dan het Nederlands te motiveren in hetlicht van de geldende kwaliteitseisen. Uit een rapportage17 die de NVAOhierover heeft opgesteld komt het beeld naar voren dat weinig kritischediscussie heeft plaatsgevonden tussen de opleidingen en beoordelendepanels over de gemaakte keuzes. De NVAO heeft aangekondigd dewerkwijze hieromtrent aan te zullen scherpen. Voor de korte termijn is diteen oplossing. Voor de lange termijn wens ik, zoals ook blijkt uit hetwetsvoorstel Wet internationalisering in balans (WIB), een aanpak waarbijbredere maatschappelijke belangen worden meegewogen. Passendhierbij, zal de adviestaak over opleidingstaal vanaf inwerkingtreding vande wet weer bij de CDHO worden belegd. De CDHO zal daarbij niet aan deNVAO adviseren, maar rechtstreeks aan de Minister van OCW.Klopt het dat de Tweede Kamer nooit is geïnformeerd dat er plannenwaren om alleen de NVAO een oordeel te laten vellen over de oplei-dingstaal? Hoe duidt u deze beslissing in het licht dat er al jarenlang in deKamer wordt gesproken over het taalbeleid van het ministerie en deinstellingen?In de Wet Taal en Toegankelijkheid (WTT), die begin 2021 al wasbehandeld en aangenomen door de Tweede Kamer, werd de gehelebeoordeling van de opleidingstaal bij de NVAO belegd, waardoor deTweede Kamer hier destijds over geinformeerd is. In die context was hetlogisch, en geen bijzonderheid, om de adviserende rol van de CDHO af tebouwen. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger in zijn brief d.d. 23 juni2023 uw Kamer geïnformeerd over de herziening van de regeling. In detoelichting bij deze regeling staan de gemaakte afspraken omtrentopleidingstaal vermeld. Vanaf de in werkingtreding van de WIB zal deadviestaak opnieuw belegd zijn bij de CDHO.De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is om de nieuweregeling macrodoelmatigheid tijdig naar de Tweede Kamer te sturen.De nieuwe Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijsis op 29 april 2023 in werking getreden. Zowel de Eerste als de TweedeKamer hebben de regeling ontvangen.16Uw Kamer is hier destijds over geïnformeerd: Kamerstuk 31 288, nr. 1062.17Kamerstuk 22 452, nr. 85Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121019 Inbreng van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie vragen of de Minister kan reflecteren op hetbeperkt aantal instellingen dat deelnam aan het experiment. Zij zijndaarnaast benieuwd hoe instellingen zijn geselecteerd en willen deMinister vragen of hij uitgebreid kan toelichten hoe deze selectie tot standis gekomen.Er hebben vier hogescholen deelgenomen aan het experiment ILO. Bij destart van het traject in 2015, was het voornemen van de toenmaligeMinister van OCW om het experiment open te stellen voor meerdeelnemers en was het ook de bedoeling om in het experiment ILO deopleidingsbeoordeling geheel onder de regie van de instelling te latenplaatsvinden. Als gevolg van bezwaren van uw Kamer is het aantaldeelnemende instellingen beperkt tot maximaal zes en is slechts voortwee van de vier NVAO-standaarden eigen regie toegestaan.18 Dezebeperking was voor universiteiten aanleiding om niet te willen deelnemenaan het experiment. De hogescholen die zich hebben aangemeld, haddende kans om mee te doen indien hun interne kwaliteitszorg goed functio-neerde, blijkend uit een geldige vrijwillige Instellingstoets Kwaliteitszorg(ITK) en indien alle opleidingen met een voldoende waren beoordeeld.19De NVAO heeft de aanvragen getoetst alvorens de instellingen kondendeelnemen.De leden lezen dat de betrokkenheid van de formele medezeggenschap bijkwaliteitszorg wisselend was, zowel bij deelnemende alsniet-deelnemende instellingen. Zij vragen de Minister of hij, evenals deleden van de SP-fractie vindt dat dit zorgelijk kan zijn voor de positie enwerkdruk van de medezeggenschap, wanneer instellingsaccreditatievolledig wordt geïmplementeerd.Aangezien ik besloten heb om niet over te gaan tot invoering vaninstellingsaccreditatie, is dit niet meer aan de orde. Ik vind het vanessentieel belang dat er binnen instellingen aandacht is en blijft voor hettijdig betrekken van de medezeggenschap. Hiervoor heeft mijn ambts-voorganger samen met de koepels van studenten en instellingen eenpakket aan afspraken vastgelegd met het oog op scholing, ondersteuningen communicatie en daarbij extra financiële middelen beschikbaargesteld.Inbreng van de leden van de PvdA-fractieDe evaluatie van het experiment instellingsaccreditatie door Berenschot isniet onverdeeld lovend, stellen de leden van de PvdA-fractie, namelijk:−deze leidt niet tot de conclusie dat de grotere betrokkenheid eneigenaarschap van de onderwijsgemeenschap, automatisch leiden toteen betere kwaliteitscultuur,−de knip tussen de standaarden voor de opleidingsbeoordeling tussentoetsing en examinering en de beoogde en gerealiseerde leerresulta-ten wordt door de deelnemende instellingen unaniem geëvalueerd alsweinig succesvol en−zowel deelnemende als niet-deelnemende instellingen en opleidingenzijn zeer kritisch over de bijdrage die het reguliere stelsel van cluster-gewijs visiteren kan leveren aan onderlinge vergelijking.Heeft de Minister bij de evaluatie wel serieus overwogen of hij op hetgoede spoor zat, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Zo ja, kan hij dan18Kamerstuk 31 288, nr. 52219Voor opleidingen die waren geaccrediteerd voordat de Wet accreditatie op maat in werkingtrad, gold dat zij het oordeel goed of excellent moesten hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121020 met voorbeelden illustreren dat hij de evaluatie van de instellingsaccredi-tatie onvooringenomen en kritisch tegen het licht heeft willen houden?De afgelopen jaren is grondig aan de route van doorontwikkeling van hetkwaliteitszorgstelsel gewerkt. Ik vind het belangrijk om alle signalennauwkeurig te wegen. Ik heb besloten niet door te gaan op het pad vaninvoering van een stelsel van instellingsaccreditatie, maar kies voor deaanpak van het huidige stelsel langs de lijnen van het rapport van deinspectie. Ik draag de komende tijd met een stapsgewijze aanpak van hethuidige stelsel bij aan de verdere realisatie van een stevige kwaliteit-scultuur in het hoger onderwijs. Ook de uitkomsten van het experimentworden hierin meegenomen.De LSVb20 noemt instellingsaccreditatie een grote stelselwijzigingwaarvoor nog te weinig aandacht bestaat vanuit de Tweede Kamer engeeft de voorkeur aan verbeteringen binnen het huidige stelsel. Wat is dereactie van de Minister op de fundamentele kritiek vanuit de studenten-bonden, zo vragen deze leden.Deze signalen zijn bekend en uitgebreid met de studentenorganisatiesbesproken. Ook bij een stapsgewijze aanpak van het huidige stelselworden zij betrokken.Het ISO21 is dan wel voorstander van instellingsaccreditatie, maar hetvindt dat er al ver vóór het stadium van ondermaatse onderwijskwaliteiteen duidelijke procedure moet bestaan voor de behandeling van signalendat de onderwijskwaliteit bij een opleiding afglijdt. Wat doet de Ministermet deze wens van het ISO? Komt er een systeem dat daartoe meldingenopvangt, zowel van binnen als van buiten de betrokken instelling?Ik deel de opvatting van het ISO dat er binnen ieder systeem vanaccreditatie voldoende aandacht moet zijn voor de behandeling enopvolging van signalen dat de onderwijskwaliteit aan een opleiding nietop orde is. Ik werk samen met de toezichthouders aan verduidelijking enverbetering van de rolverdeling en (samenwerkings)afspraken tussenNVAO en inspectie.Wat wil de Minister ondernemen om instellingen te stimuleren om ookaan de slag te gaan met de ontwikkeling van een instellingstoetskwaliteitszorg 3.0, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.Deelname aan de ITK is een aangelegenheid van de instellingen. De derdebeoordelingsronde voor de ITK is in het najaar van 2023 gestart. In totaalnemen 33 instellingen hieraan deel. Ik ben tevreden met het aantaldeelnemende instellingen aan de ITK 3.0.Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractieDe leden van de GroenLinks-fractie stellen dat het grootste deel van dekwaliteit van een opleiding niet op centraal niveau, maar op het niveauvan de opleiding wordt bepaald en vragen of de Minister van mening isdat hij voldoende heeft onderzocht of de onderwijskwaliteit van deopleidingen gewaarborgd blijft in het nieuwe stelsel.Ik ben het met de leden eens dat de kwaliteit van een opleiding groten-deels op het niveau van de opleiding wordt bepaald. Om die reden wordtin het huidige stelsel elke individuele opleiding eens per zes jaar beoor-20LSVb: Landelijke Studentenvakbond21ISO: Interstedelijk Studenten OverlegTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121021 deeld op de kwaliteit door onafhankelijke deskundigen. Ik streef naar hetversterken van de kwaliteitscultuur in het hoger onderwijs en hetvergroten van eigenaarschap voor de kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit,ook nu ik besloten heb niet op korte termijn over te gaan op invoering vaneen stelsel van instellingsaccreditatie.De Minister stelt dat de kwaliteit van de deelnemende opleidingengeborgd is, omdat in de aangepaste vorm van accreditatie – goedmogelijk is om opleidingen betekenisvol en conform de ESG22 tebeoordelen. Vindt de Minister het ook niet voorbarig om te stellen datwanneer iets goed te beoordelen valt, de kwaliteit ook geborgd is? Is er indit geval niet eerder sprake van dat de kwaliteitszorg is geborgd, zo willende leden weten. De vraag of met een stelselwijziging daadwerkelijk betergecontroleerd kan worden op dit punt, blijft, zo constateren deze leden,grotendeels onbeantwoord. Zo geeft de Minister zelf aan dat eenversterking van de kwaliteitscultuur bij instellingsaccreditatie nadrukkelijkgeen automatisme is.Zoals eerder aangegeven heb ik besloten niet over te gaan op spoedigeintroductie van instellingsaccreditatie, maar kies ik daarentegen voor deweg van aanpak van het huidige stelsel langs de lijnen van het rapportvan de inspectie. Vaststellen dat de opleidingskwaliteit goed en conformESG kan worden beoordeeld, is inderdaad niet hetzelfde als vaststellendat de kwaliteit zelf op orde is. Het experiment ILO was primair gericht opde kwaliteitszorg aan deelnemende instellingen, en de evaluatie heeft danook gekeken of middels de door de instellingen opgestelde kaders eengoede en voor de betrokkenen betekenisvolle beoordeling tot stand kankomen. Dit was het geval.De beoordeling van de kwaliteit zelf gebeurt bij alle deelnemendeopleidingen uit het experiment ILO door onafhankelijke externe deskun-digen, zoals de internationale en Nederlandse standaarden voorschrijven.Alle opleidingen hebben deze kwaliteitsbeoordeling doorlopen met eenpositief resultaat. De evaluatie kan geen rechtstreeks causaal verbandtrekken tussen deelname aan het experiment ILO en hogere kwaliteit,maar er zijn volgens de onderzoekers ook zeker geen aanwijzingen die ophet tegendeel zouden wijzen.Eigen regie op de opleidingsbeoordeling tijdens het experiment – en ookin veel landen om ons heen – heeft geleid tot een versterking van dekwaliteitscultuur, maar dit is geen automatisme voor alle instellingen dieermee te maken zullen krijgen. Vanuit hun verantwoordelijkheid voor dekwaliteit van het onderwijs is het aan de instelling en professionals op hetopleidingsniveau om de ruimte die er is te benutten en verantwoorde-lijkheid te nemen voor de kwaliteitsborging.In reactie op eerdere vragen van deze leden stelt de Minister dat in deverdere uitwerking van instellingsaccreditatie aanhoudend aandachtwordt besteed aan de vraag hoe het nieuwe stelsel op het niveau van deinstelling zo kan worden geïmplementeerd dat een te verre centraliseringvan de kwaliteitszorg wordt voorkomen. Kan de Minister nader toelich-tingen hoe deze implementatie eruit komt te zien en wat hij verstaat onder«te verre centralisering», zo vragen zij.Ik zal niet overgaan tot een spoedige invoering van een stelsel vaninstellingsaccreditatie maar zet in op een stapsgewijze aanpak van hethuidige accreditatiestelsel. Toch reflecteer ik graag op het risico van22ESG: European Standards and GuidelinesTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121022 centralisering rond kwaliteitszorg, omdat de administratieve belasting dievan de kwaliteitszorg uitgaat niet alleen vanuit overheidssturing komt.Direct betrokkenen bij de opleidingen hebben terecht een zeer grote rol bijde kwaliteitszorg van de opleiding. Tegelijkertijd is betrokkenheid vanuithet centrale niveau, het bestuur, nodig om een kwaliteitscultuur teonderhouden en te verankeren in de interne kwaliteitszorg.De aanpassing van interne processen en de tijd en de inspanningen diedaarmee gemoeid gaan behoeven besluitvorming van het bestuur, zodato.a. personeel en studenten de ruimte krijgen hierin een rol van betekeniste spelen via de medezeggenschap. Voor wat betreft de vormgeving vande kwaliteitscultuur, maken instellingen de keuze om meer decentraal, ofjuist meer centraal georganiseerd te zijn. Essentieel is dat er sprake is vaneen continue kwaliteitsdialoog met betrokkenheid op alle niveaus binnende instelling. Ik bezie hoe deze kan worden versterkt en het eigenaarschapvoor kwaliteitsborging kan worden vergroot, met tegelijkertijd oog voorde ervaren lasten.Evaluatie experiment instellingsaccreditatieDe leden van de fractie van GroenLinks lezen in de brief van de Ministerdat de betrokkenheid van de formele medezeggenschap bij de kwali-teitszorg wisselend was. Kan de Minister aangeven hoe de verschilleneruit zagen, en welke verklaring hij hiervoor heeft, zo vragen zij.De betrokkenheid van de medezeggenschap bij het accreditatieproces ende kwaliteitszorg was inderdaad wisselend, zowel bij deelnemende alsniet-deelnemende instellingen. Er zijn verschillen in zowel de frequentieals de diepgang waarmee de onderwerpen accreditatie en kwaliteitszorgaan bod komen in het overleg met de medezeggenschap. Bij deelne-mende instellingen gaat het dan bijvoorbeeld om de (verschillende) matewaarin medezeggenschapsleden in de interviews op de hoogte bleken vanhet experiment ILO en de voortgang ervan. Bij niet-deelnemendeinstellingen gaat het over de (verschillende) mate waarin men op dehoogte is van generiek kwaliteitsbeleid of accreditatietrajecten opopleidingsniveau. De deelnemende instellingen hebben voordat zedeelnamen aan het experiment wel intensief overlegd met de medezeg-genschap, zowel op centraal niveau als met betrokken opleidingscom-missies. Toen het experiment eenmaal liep, werd het op sommigeinstellingen «business as usual», waardoor men soms niet wist dat heteen experiment betrof.Verschillen tussen instellingen lijken daarbij vooral terug te voeren op hetbelang dat eraan wordt gehecht om dit structureel te agenderen, waarbijop sommige instellingen zowel instellingsbestuur als medezeggenschapvooral bij de start van het experiment veel betrokkenheid toonden.Studenten staan in algemene zin vaak wat verder af van het accreditatie-proces en kwaliteitszorg, en zijn vooral bekend met de onderwijsevalu-aties en studenttevredenheidsmetingen. Daarbij geeft een substantieeldeel van de studenten aan dat uitkomsten of aandachtspunten naaraanleiding van evaluaties onvoldoende worden teruggekoppeld. Debetrokkenheid van studenten kan blijkens het experiment ILO wordenvergroot door de inzet van studentpanels, waarin studenten periodiek metelkaar in gesprek gaan over een bepaald onderwerp, zoals kwaliteit. Ditblijkt niet alleen te gelden voor deelnemende opleidingen, maar ook voorniet-deelnemende opleidingen.In algemene zin lijkt de mate van feedback en de betrokkenheid vanstudenten en docenten toe te nemen door participatie in het experimentILO. Veel respondenten van deelnemende instellingen gaven aan dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121023 motivatie en het eigenaarschap rondom onderwijskwaliteit verhoogdwerd, en zij zich daardoor meer betrokken voelden bij kwaliteitszorg. Dezeinzichten neem ik mee in mijn stapsgewijze aanpak van het huidigeaccreditatiestelsel.De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de betrokkenheid van deformele medezeggenschap bij de kwaliteitszorg beter was verankerd bijde deelnemende of de niet-deelnemende instellingen.Dat hebben de onderzoekers niet kunnen concluderen binnen desteekproeven die ze hebben genomen.De leden van de GroenLinks-fractie lezen voorts dat er nauwelijksverschillen zijn tussen deelnemende en niet-deelnemende instellingen inhoe de interne kwaliteitszorg wordt ingericht. Bij de deelnemendeinstellingen zijn de reguliere kwaliteitsprocessen meer ingebed in deaccreditatie en beoordeling. Is deze verbetering niet toe te passen in hethuidige stelsel, zo vragen deze leden. Zo nee, waarom niet?Er is de afgelopen jaren al veel ondernomen om het huidige accreditatie-stelsel te verbeteren en om te stimuleren dat instellingen weten wat welen niet vastgelegd is in wet- en regelgeving op het gebied van accredi-tatie. Ik verken wat ik daaraan nog toe kan voegen, binnen het huidigestelsel of met een beperkte aanpassing daarvan.Over de zogenoemde knip bij de kwaliteitsaspecten geven deelnemersaan dat een logische samenhang wordt losgelaten. Deze leden lezenvoorst dat de Minister voornemens is om de regie over de opleidingsbe-oordeling in het beoogde nieuwe systeem volledig bij de instelling teliggen. De leden van de GroenLinks-fractie vinden het problematisch datde Minister bereid is tot deze uitbreiding, zonder dat is in het experimentis meegenomen dat instellingen ook verantwoordelijk zijn voor beoor-deling van Kwaliteitsaspecten I. Kan de Minister nader toelichten waaromhij hiertoe overgaat, zonder eerst te onderzoeken of dit verstandig is?Zoals eerder aangegeven ga ik niet meer over tot spoedige invoering vaneen stelsel van instellingsaccreditatie. In mijn aanpak van het huidigestelsel neem ik de opbrengsten, inzichten en geleerde lessen vanuit hetexperiment mee.Kan de Minister reflecteren op het beperkte aantal instellingen datdeelnam aan het experiment instellingsaccreditatie? Kan hij met nameingaan op de deelname van enkel hogescholen. In hoeverre is volgens deMinister dit experiment dan ook representatief voor universiteiten, zovragen de leden.In het experiment ILO en in de controlegroep zijn inderdaad alleenhogescholen betrokken: het was het voornemen van de toenmaligeMinister van OCW om een grotere groep instellingen toe te laten tot hetexperiment en om de deelnemende instellingen toe te staan om oplei-dingen geheel onder eigen regie te laten beoordelen. Als gevolg vanbezwaren van Uw Kamer is het aantal deelnemende instellingen beperkttot maximaal zes en is slechts voor twee van de vier NVAO-standaardeneigen regie toegestaan. Deze inperking was voor universiteiten reden omniet te willen deelnemen aan het experiment. Dit wil niet zeggen dat hetexperiment daarmee niet meer representatief kan zijn voor universiteiten.Zo zijn de opbrengsten die verschillende deelnemende instellingen enopleidingen beschrijven vergelijkbaar en in analysesessies die deonderzoekers organiseerden zijn ook universiteiten meegenomen. Daarwerd bevestigd dat de door het experiment ontstane ruimte docenten deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121024 kans geeft om zich te verantwoorden over de kwaliteit van onderwijs opeen zinvollere wijze dan zij ervaren in het huidige accreditatieproces.Advies OnderwijsraadDe leden van de fractie van GroenLinks vinden het vreemd dat de Ministeradvies heeft gevraagd aan de Onderwijsraad over extern toezicht, omvervolgens alle bezwaren en fundamentele kritiek naast zich neer teleggen. Hoe zit de Minister dat zelf? Kan de Minister aangeven met welkdoel hij het advies heeft ingewonnen?De Onderwijsraad is om advies gevraagd met het oog op de evaluatie vande Wet op het onderwijstoezicht, en de plannen rondom invoering vaninstellingsaccreditatie. Daarbij is de concrete vraag gesteld: met welktakenpakket kan de extern toezichthouder de kwaliteit van het Neder-landse onderwijs het best borgen en wat is daarvoor nodig?De aanbevelingen van de Onderwijsraad ervaar ik als zeer nuttig voor deaanpak van het kwaliteitszorgstelsel en ik ben dan ook geenszinsvoornemens om die opmerkingen en aanbevelingen naast mij neer teleggen. Nu ik heb besloten niet meer over te gaan op spoedige introductievan instellingsaccreditatie, focus ik daarbij vooral op wat ik uit het adviesvan de Onderwijsraad kan halen voor de aanpak van het huidige stelsel.Namelijk het behoud van voldoende zicht op de kwaliteit van de opleidingen een adequaat interventie-instrumentarium.In het rapport adviseert de Onderwijsraad juist: geef in het externetoezicht op onderwijs meer prioriteit aan de kwaliteitsbeoordelende taaken zorg voor direct zicht op de onderwijspraktijk. Deze prioritering is nodigomdat het extern toezicht, dus de onderwijsinspectie en de NVAO, alsenige de onderwijskwaliteit kan en mag beoordelen namens de overheid,zodat de overheid haar grondwettelijke zorg voor de kwaliteit van hetonderwijs kan waarmaken. Een objectief en onafhankelijk extern oordeeldat namens de overheid uitdrukt of het onderwijs voldoet aan dekwaliteitseisen in de onderwijswetten, is een belangrijke waarborg vooronderwijs van voldoende kwaliteit. Vindt de Minister dat hij met hetdoorvoeren van het accreditatiestelsel hier gehoor aan geeft? Zo ja,waarom? Zo nee, waarom niet?Zoals eerder aangegeven zal ik niet meer overgaan tot spoedige invoeringvan een stelsel van instellingsaccreditatie. Als onderdeel van mijn aanpakvan het huidige stelsel handhaaf ik voldoende zicht op de kwaliteit van deopleiding door de externe toezichthouders. Daarmee geef ik gehoor aande aanbeveling van de Onderwijsraad.In reactie op het advies van de Onderwijsraad stelt de Minister dat slechtsde wijze waarop de accreditatie voor bestaande opleidingen plaatsvindtwijzigt en suggereert dat het slechts gaat om een vormwijziging. Erkent deMinister dat het hier gaan om een ingrijpende wijziging en dat zo’n stapniet licht genomen mag worden, zo vragen de leden.Een stelselwijziging van deze omvang vergt goede doordenking enbetrokkenheid van alle spelers in het stelsel. Daaraan is onder mijnvoorgangers dan ook sinds 2014 gewerkt. Ik heb er inmiddels voorgekozen om niet op korte termijn te streven naar invoering van een stelselvan instellingsaccreditatie. In de toekomst is dit wellicht wenselijk, maar ikacht stapsgewijze aanpak van het huidige stelsel op dit momentpassender.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121025 De Onderwijsraad beveelt tevens aan om de uitkomsten van hetexperiment af te wachten, voordat er vervolgstappen worden gezet. Is deMinister het met de Onderwijsraad eens dat een experiment nietautomatisch een eerste stap is naar herziening, maar slechts een manierom een andere vorm van accreditatie uit te proberen, vragen de leden. Zonee, waarom niet, vragen zij voorts.Een experiment in de zin van artikel 1.7a van de WHW, waarvan in ditgeval sprake is, dient per definitie om een afwijking van de wet eersttijdelijk te onderzoeken alvorens eventueel besloten zou worden totwijziging van de wet. Dit experiment was daarmee niet automatisch eeneerste stap naar herziening. Evaluatie van een experiment is eenbelangrijke stap in de afweging of – en op welke manier – een vervolg tegeven.Kan de Minister toezeggen dat hij dit advies zal opvolgen en wacht methet nemen van vervolgstappen, in ieder geval tot de einddatum van hetexperiment oktober 2024? Zo nee, waarom niet, willen de leden weten.Het experiment is inmiddels afgerond. De bevindingen en aandachts-punten gedurende de looptijd van het experiment betrek ik waaropportuun in de toegezegde aanpak van het kwaliteitszorgstelsel.Voorts stelt de Onderwijsraad dat de WHW23 nauwelijks inhoudelijkekwaliteitsnormen bevat om het onderwijs te beoordelen. De wet gaatervan uit dat dit per opleiding bekeken wordt, en duidt daarvoor enkelkwaliteitsaspecten aan. Bij gebrek aan wettelijke normen komt kwaliteits-beoordeling voor een belangrijk deel aan op benchmarking en hetprofessionele oordeel van experts op het specifieke terrein. In het huidigeaccreditatiestelsel komt dat tot uiting in de clustergewijze accreditatie vansoortgelijke opleidingen en in de relatie tussen visitatie en accreditatie. Bijinstellingsaccreditatie zal hier op een of andere wijze in voorzien moetenworden. Kan de Minister reageren op dit advies van de Onderwijsraad.Hoe is hij voornemens om hier gehoor aan te geven, zo vragen de leden.Ik heb er inmiddels voor gekozen om niet op korte termijn te streven naarinvoering van een stelsel van instellingsaccreditatie. De inspectie beveeltin haar rapport aan om de mogelijkheid te verkennen of kleinere cluster-gewijze visitatie van opleidingen gevormd kunnen worden, zodat devergelijking voor betrokkenen als zinvoller kan worden ervaren. Ik neemdeze aanbeveling graag mee in mijn aanpak van het kwaliteitszorgstelsel.Een ander aandachtspunt is dat bij instellingsaccreditatie sprake moetblijven van een adequaat interventie-instrumentarium. Gelet op deconsequenties van een verlies van accreditatie voor de hele organisatie isdat bij instellingsaccreditatie slechts zelden een proportionele ingreep.Hoe ziet de Minister dit? Zo is het bij instellingen met een brede oplei-dingsportefeuille moeilijk voorstelbaar dat de accreditatie vervalt als dekwaliteit bij een of twee opleidingen langdurig onder de maat is, geven deleden aan.Aangezien ik niet op korte termijn zal streven naar de invoering vaninstellingsaccreditatie, is deze niet meer aan de orde.Momenteel is accreditatie op opleidingsniveau een effectief instrumentom gericht te kunnen interveniëren bij die ene opleiding waar de kwaliteitonder de maat is, zodat docenten en onderwijsleiders het onderwijskunnen verbeteren. Het heeft ook direct de functie van kritische, externe23WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121026 blik. Het is de vraag of en hoe instellingsaccreditatie zo georganiseerd kanworden dat een externe periodieke toets op de kwaliteit van de opleidinggewaarborgd blijft. Ziet de Minister net als de Onderwijsraad dit risicoook? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is hij voornemens dit te onder-vangen in het nieuwe stelsel?Ik hecht net als de Onderwijsraad aan een periodieke externe toets en wilik deze behouden. Ik bezie in nauwe samenspraak met de NVAO, inspectieen het veld wat mogelijkheden zijn om eigenaarschap binnen deinstellingen en vermindering van ervaren lasten verder te realiserenbinnen de bestaande principes van het accreditatiestelsel.Indien in het nieuwe stelsel de kwaliteit van een opleiding ondermaats isen er is geen opleidingscommissie, hoe komt dat in het nieuwe stelsel totuiting, zo vragen deze leden.Aangezien ik niet op korte termijn zal overgaan op de invoering vaninstellingsaccreditatie, is dit niet meer aan de orde.Inbreng van de leden van de SGP-fractieDe leden lezen dat de Minister de opleidingsbeoordelingen onder eigenregie hoe dan ook wil doorzetten. Deze leden vragen in hoeverre dezepraktijk binnen de huidige wettelijke kaders voortgezet kan worden, danwel dat hoe dan ook aanpassing van de wet nodig is.Om instellingsaccreditatie in te voeren is een wijziging van de wet nodig.Ik heb aangegeven dit voornemen voor de nabije toekomst los te laten.Mijn streven is om tot verbetering van het huidige stelsel te komen.De leden van deze fractie vragen hoe de Minister reflecteert op debeperkingen die Berenschot zelf formuleert ten aanzien van de onder-zoeksopzet in relatie tot de conclusie dat de daadwerkelijke administra-tieve lasten, een doelstelling van het experiment, niet afnemen met delichtere opleidingsaccreditatie. Is het risico niet behoorlijk dat dezebeperkte groep opleidingen en instellingen niet representatief is voor watzal gebeuren als het hele veld met het voorgestelde model moet werken?In de afgelopen jaren heeft mijn ministerie verschillende acties onder-nomen om de regeldruk samenhangend met het accreditatieproces inkaart te brengen met als doel te bekijken of deze kan worden verminderd,zoals het traject Accreditatie op maat in 2015 dat resulteerde in deinwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat in 2019.24 Eenbelangrijk inzicht dat het traject Accreditatie op maat opleverde is dat veelwinst te behalen valt in het verminderen van niet de feitelijke maar deervaren regeldruk die het accreditatieproces voor instellingen met zichmeebrengt. Het vergroten van het eigenaarschap is daarin een belangrijkefactor. Het onderzoek dat Andersson Elffers Felix daarna in 2019 uitvoerdein opdracht van OCW25 wees onder meer uit dat een afname van ervarenregeldruk vraagt om (zelf)vertrouwen in en bij instellingen om de ruimtete nemen om kwaliteitszorg te organiseren die niet te belastend is.24Deze acties heb ik uitgebreider beschreven in beantwoording van een schriftelijk overleg overinstellingsaccreditatie van mei 2022: Kamerstuk 31 288, nr. 960.25Ervaren regeldruk rond kwaliteitszorg in het hoger onderwijs, Andersson Elffers Felix, 2019.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121027 Kortom, mijn verwachting is niet dat het onderwijsveld in den brede alsgevolg van instellingsaccreditatie een noemenswaardige afname van defeitelijke, administratieve lasten zou hebben gezien. Mijn ambtsvoor-ganger heeft de Kamer daarover reeds in 2019 geïnformeerd.26De leden van de SGP-fractie vragen of de regering ook scenario’s verkentwaarin de eigen regie van opleidingen gecombineerd wordt met hetbehouden van de positie van de NVAO om besluiten te nemen overopleidingsaccreditatie. Waar zou het niet mogelijk en wenselijk zijn om deNVAO een rol te laten behouden om met een marginale toets vast testellen of het voorstel voor de opleidingsaccreditatie voldoendevertrouwen geeft om te verwachten dat sprake zal zijn van een deugde-lijke accreditatie?Net als de leden van de SGP-fractie hecht ik veel waarde aan de positievan de NVAO in ons stelsel. In mijn verkenning van mogelijkheden om hetkwaliteitszorgstelsel verder te ontwikkelen, zal ik deze suggestiemeenemen.Tot slot vragen de leden van deze fractie of de Minister bij de rapportageover het beoordelen van de opleidingstaal door de NVAO ook de criteriawil betrekken die door de CDHO zijn gebruikt. Deze leden zou graag eenvergelijking zien van de benadering door de CDHO en de NVAO.Mijn ambtsvoorganger heeft de NVAO gevraagd te rapporteren over watde visitatiepanels hebben beoordeeld. Die rapportage is met uw Kamergedeeld als bijlage bij de brief van 23 april 2023 over de beheersing vaninternationale studentenstromen. In zijn brief van 8 juni 2023 overuitvoering van de motie-Omtzigt c.s.27 heeft mijn ambtsvoorganger uwKamer geïnformeerd over de voorgenomen aanscherpingen van hetaccreditatiekader, zoals verzocht in de motie van de leden Van der Molenen Van der Woude.28 Met de inwerkingtreding van de WIB zal deadviestaak over de onderwijstaal weer bij de CDHO worden belegd. DeCDHO zal daarbij niet aan de NVAO adviseren, maar rechtstreeks aan deMinister van OCW.26Kamerstuk 31 288, nr. 777.27Kamerstuk 31 288, nr. 105628Kamerstuk 31 288, nr. 978Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 121028
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.