KamerkringInloggen
Kamerbrief

Wijziging basispakket Zorgverzekeringswet 2025

24 mei 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 30624d0c318d069f · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202429 689Herziening ZorgstelselNr. 1250 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 mei 2024In Nederland heeft iedereen, ongeacht leeftijd, inkomen of gezondheids-toestand, recht op dezelfde zorg uit het basispakket. Nederland heeft eenhoogwaardige gezondheidszorg. Maar we kijken altijd waar de zorg inNederland kan en moet worden verbeterd. Dat is nodig om de zorg vooriedereen goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. We zetten daarom inop de beweging naar passende zorg. Passende zorg is betere zorg. Het iszorg die waardegedreven is, samen met en rondom de patiënt tot standkomt, op de juiste plek plaats vindt en gaat over gezondheid in plaats vanziekte. Passende zorg is daarom ook leidend bij het pakketbeheer. In hetkader hiervan zet ik ook in op het verbeteren en verbreden van de toets ophet basispakket. Over de stand van zaken informeer ik u in een apartebrief.Met deze brief informeer ik uw Kamer over de volgende onderwerpen dieverband houden met het beoogde basispakket van de Zorgverzeke-ringswet (Zvw) in het jaar 2025.1.Wijzigingen in het Besluit zorgverzekering (Bzv) per 1 januari 2025:A.Het laten vervallen van een aantal voorwaarden voor de aanspraakop geriatrische revalidatiezorg.B.Het definitief toelaten tot het basispakket van langdurige geperso-naliseerde gesuperviseerde actieve oefentherapie bij reumatoïdeartritis met ernstige functionele beperkingen.C.Het verwijderen van de restricties voor gesuperviseerde oefenthe-rapie bij COPD.D.Het verduidelijken dat ook de kaakchirurg medediagnostiek ofmedebehandeling bij orthodontie kan leveren.E.Het uitzonderen van domein- en sectoroverstijgende samenwerking(BDSS) van het verplicht en vrijwillig eigen risico.2.Stand van zaken voorwaardelijke toelating paramedische herstelzorgna Covid-19.3.Het overhevelen van de counseling uit het basispakket naar derijksbegroting. kst-29689-1250ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12501 4.Stand van zaken van de motie «mogelijke varianten van mondzorg inhet basispakket».5.De voortgang van trajecten voorwaardelijke toelating en de Subsidie-regeling veelbelovende zorg.6.Het programma Zorgevaluatie & Gepast Gebruik.7.De stand van zaken van de toezegging over de toereikendheid van devergoeding van haarwerken.8.De stand van zaken opvolging van het advies van het Zorginstituutover de uitbreiding van het basispakket met eiceldonatie.9.Het afwegingskader voor noodzakelijk te verzekeren zorg.10.Stand van zaken toezegging financiële consequenties opname vankinderbrillen in het basispakket.1. Wijzigingen in het Besluit zorgverzekering per 1 januari 2025 A. Het laten vervallen van een aantal voorwaarden voor de aanspraak opgeriatrische revalidatiezorgSinds 1 januari 2013 is de geriatrische revalidatiezorg (grz) opgenomen inhet basispakket. Grz is in de huidige aanspraak omschreven als geïnte-greerde multidisciplinaire zorg onder regie van de specialist ouderenge-neeskunde en is gericht op verwacht herstel van functioneren enparticipatie bij laag belastbare (voornamelijk oudere) patiënten, na eenacute aandoening of functionele achteruitgang. In de pakketbrief van 2024heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekkingtot de grz.1 Zo zou er nader worden gekeken naar eventuele wijzigingen inde aanspraak en de toegang tot de zorg, mede vanwege het advies vanhet Zorginstituut2.Volgens het Zorginstituut is het inmiddels mogelijk om, via het geriatrischassessment door de specialist ouderengeneeskunde in de eerste lijn, tebepalen of een verzekerde redelijkerwijs is aangewezen op grz. Deze zorgvalt, sinds de specialist ouderengeneeskunde ook in de Zvw isopgenomen, onder artikel 2.4 van het Bzv (geneeskundige zorg) endaarom kan artikel 2.5c Bzv volgens het Zorginstituut vervallen. HetZorginstituut ging er daarbij vanuit dat deze zorg voor cliënten, die opgrond van de Wet langdurige zorg (Wlz), hetzij verblijf zonder behandelingontvangen of enigerlei vorm van langdurige zorg thuis krijgen,beschikbaar is vanuit de Wlz. Dat is op dit moment nog niet het geval.Daarom heb ik besloten art. 2.5c Bzv voor nu nog niet te schrappen.Daardoor blijft de toegang tot grz in het Bzv geborgd voor Wlz cliënten diehier op aangewezen zijn.Ik zie wel reden om de aanspraak grz in art. 2.5c Bzv aan te passen. In deaanspraak op de grz gelden beperkingen, zoals dat de zorg binnen eenweek aansluit op verblijf in verband met medisch specialistische zorg, dater sprake moet zijn van afgenomen leer-trainbaarheid en dat de zorg bijaanvang gepaard gaat met verblijf. Signalen uit het veld laten zien datdeze voorwaarden de doorontwikkeling van de grz belemmeren.Ik kies er daarom voor om de beperkende voorwaarden voor de aanspraakop grz te schrappen. Het wijzigen van de aanspraak op grz past in eenbrede beweging: het verschuiven van zorg binnen een klinische/intramurale setting naar het leveren van zorg thuis en het flexibel op- enafschalen van zorg voor kwetsbare patiënten. Ook wordt verder gewerktaan de verkenning naar het laten vervallen van deze aparte aanspraak1Kamerstukken II 2022/23, 29 689, nr. 1196.2Geriatrische revalidatiezorg in de Zorgverzekeringswet | Advies | Zorginstituut Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12502 binnen het Bzv als onderdeel van het onderzoeken van mogelijkheden ombeleid en regelgeving rondom kortdurend verblijf te vereenvoudigen.B. Het definitief toelaten tot het basispakket van langdurige gepersonali-seerde gesuperviseerde actieve oefentherapie bij reumatoïde artritis meternstige functionele beperkingenHet Zorginstituut stelt dat van de patiënten met reumatoïde artritis (RA)ongeveer vijf procent ernstige functionele beperkingen heeft, zoalsbeschadiging van gewrichten, aanhoudende hoge ziekteactiviteit,complicaties van de aandoening of behandeling, of comorbiditeit. Vaakzijn deze patiënten niet in staat tot of hebben hulp nodig bij het verrichtenvan dagelijkse activiteiten, zoals zelfverzorging, opstaan en binnen- enbuitenshuis verplaatsen. In Nederland gaat het om 3.750 tot 4.500 pa-tiënten per jaar.De inzet van langdurige gepersonaliseerde actieve oefentherapie ondersupervisie van een fysio- of oefentherapeut, voor de behandeling vanpatiënten van achttien jaar of ouder met RA met ernstige functionelebeperkingen, is per 1 oktober 2019 voorwaardelijk toegelaten tot hetbasispakket van de Zvw. Deze toelating eindigt per 1 januari 20253. Tijdensde periode van voorwaardelijke toelating is onderzoek gedaan naar deeffectiviteit en kosteneffectiviteit van de interventie. Op 1 juli 2023 is hetonderzoek, dat onder leiding van het Leids Universitair Medisch Centrum(LUMC) verricht is, afgerond.Op basis van dit onderzoek heeft het Zorginstituut geoordeeld datlangdurige gepersonaliseerde gesuperviseerde actieve oefentherapie voormensen van achttien jaar of ouder met RA met ernstige functionelebeperkingen voldoet aan het wettelijk criterium «stand van de wetenschapen praktijk» en de overige pakketcriteria (kosteneffectiviteit, noodzake-lijkheid en uitvoerbaarheid). Het Zorginstituut adviseert daarom deze zorgdefinitief op te nemen in het basispakket, met vergoeding vanaf de eerstebehandeling. Dit pakketadvies is als bijlage toegevoegd.Het Zorginstituut adviseert daarbij om geen maximum te stellen aan hetaantal behandelingen, gezien het beloop van de klachten bij patiënten metRA met ernstige functionele beperkingen. Periodes van veel klachten(exacerbaties) en minder klachten wisselen elkaar af, waardoor deklachten en de behoefte aan zorg per periode en per patiënt varieert. HetZorginstituut acht het risico op overbehandeling niet als groot en isvoornemens de zorgafname te monitoren, om na te gaan of het aantalpatiënten en aantal behandelingen conform verwachting zijn. Verderverwacht het Zorginstituut dat het aantal patiënten met RA met ernstigefunctionele beperkingen de komende decennia zal dalen, door verbeterdebehandelingen met geneesmiddelen.Ik ben voornemens het advies van het Zorginstituut op te volgen omlangdurige gepersonaliseerde gesuperviseerde actieve oefentherapie voorde behandeling van patiënten van achttien jaar of ouder met RA meternstige functionele beperkingen per 1 januari 2025 definitief alsaanspraak op te nemen in het basispakket. Daartoe zal het Bzv wordengewijzigd. De budgettaire impact van deze wijziging wordt geraamd op€ 4 miljoen in 2025 aflopend naar € 793.000 structureel vanaf 2028.3Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Rzv.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12503 C. Het verwijderen van de restricties voor gesuperviseerde oefentherapiebij COPDGesuperviseerde oefentherapie bij chronic obstructive pulmonary disease(COPD) is sinds 2019 basisverzekerde zorg vanaf de eerste behandeling,indien sprake is van stadium II of hoger van de GOLD Classificatie4 voorspirometrie. Het aantal fysio- en oefentherapeutische behandelingen is inde aanspraak gemaximaliseerd op basis van de ernst van de COPD5.Adviezen van het Zorginstituut liggen hier ten grondslag aan.6In een nieuw advies stelt het Zorginstituut dat de huidige restricties in deaanspraak het realiseren van passende zorg voor patiënten met COPD kanbelemmeren. Daarom adviseert het Zorginstituut het aantal behande-lingen niet meer te maximeren.7 Doordat de aanspraak op het aantalbehandelingen is gebaseerd op de ernst van de COPD, bestaat volgenshet Zorginstituut het risico dat patiënten niet goed worden ingedeeld endaardoor mogelijk over- of onderbehandeld worden. Zo blijkt uit hetadvies van het Zorginstituut dat 77 procent van de patiënten ingedeeldwordt in de drie zwaarste categorieën, terwijl dat op basis van de eerdereadviezen werd geschat op 39 procent. Door het aantal behandelingen nietmeer te maximeren, is er geen indeling op zwaarte voorafgaand aan hetbehandeltraject nodig. Daarmee verwacht het Zorginstituut dat passendefysio- en oefentherapeutische zorg voor alle COPD-patiënten gerealiseerdkan worden, en over- en onderbehandeling kan worden verminderd.Het Zorginstituut wijst daarbij nadrukkelijk op de KNGF-richtlijn COPD vanhet Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en deVereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck (VvOCM)8,waarin de randvoorwaarden voor doelmatige zorg geborgd zijn. Deontwikkeling van deze richtlijn heeft plaatsgevonden conform deKNGF-richtlijnenmethodiek.9 Hierdoor is het Zorginstituut overtuigd vande kwaliteit van deze richtlijn. Naar het idee van het Zorginstituut zal erdaarom, ook na het opheffen van beperkingen in de aanspraak, nauwelijksrisico zijn op overbehandeling bij naleving van de KNGF-richtlijn COPD.Na pakketwijziging wordt de zorgafname gemonitord, om na te gaan ofhet aantal behandelingen volgens verwachting is.Een positieve bijkomstigheid van het opheffen van de beperkingen is dathet voor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) mogelijk wordt om teonderzoeken of andere vormen van bekostiging de beweging naarpassende fysio- en oefentherapeutische zorg meer stimuleren. De NZaheeft hier al de eerste verkenning naar gedaan.10In lijn met het advies van het Zorginstituut ben ik voornemens debeperkingen in het maximumaantal behandelingen voor gesuperviseerdeoefentherapie bij patiënten met COPD per 1 januari 2025 te verwijderen uithet basispakket. Daartoe zal het Bzv worden gewijzigd. De budgettaire4De Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease (GOLD) Classificatie is een interna-tionale richtlijn voor de classificering van de ernst van de COPD.5Artikel 2.6, zesde lid, van het Bzv.6Stb. 2018, nr. 305 en Stb. 2020, nr. 337.7Kamerstukken II 2023/24, 29 689, nr. 1244.8https://www.kngf.nl/kennisplatform/richtlijnen/copd.9De KNGF-richtlijnenmethodiek, tweede editie, 2019. (https://www.kngf.nl/binaries/content/assets/kennisplatform/onbeveiligd/richtlijnen/richtlijnenmethodiek/kngf-richtlijnenmethodiek_2022.pdf) is opgesteld conform de AQUA-leidraad (AQUA; 2014), GRADE(GRADE Working Group; 2008), het AGREE II-instrument (AGREE Next Steps Consortium; 2010)en het Toetsingskader voor Kwaliteitsstandaarden (Zorginstituut Nederland; 2018).10https://puc.overheid.nl/nza/doc/PUC_755251_22/1/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12504 impact van deze wijziging wordt geraamd op € 173.000 in 2025 oplopendnaar € 347.000 structureel vanaf 2027.D. Het verduidelijken dat ook de kaakchirurg medediagnostiek ofmedebehandeling bij orthodontie kan leverenOrthodontische hulp is alleen basisverzekerde zorg als het ter behandelingis van een zeer ernstig ontwikkelings- of groeistoornis van het tand-kaak-mondstelsel. Hierbij is medediagnostiek of medebehandeling van anderedisciplines dan de tandheelkundige noodzakelijk. Dit is geregeld in artikel2.7, derde lid, van het Bzv. Uit de praktijk blijkt dat bij een zeer ernstigeontwikkelings- of groeistoornis van het tand-kaak-mondstelsel medediag-nostiek of medebehandeling van de kaakchirurg noodzakelijk kan zijn.Kaakchirurgie valt onder de tandheelkundige discipline.In bepaalde gevallen dient de kaakchirurg echter wél medebehandeling ofmedediagnostiek te verlenen. Om deze reden wordt het Bzv gewijzigd,zodat verduidelijkt wordt dat ook de kaakchirurg behoort tot de specia-lismen die orthodontische hulp kan verlenen bij een zeer ernstigontwikkelings- of groeistoornis van het tand-kaak-mondstelsel. Aan debepaling wordt toegevoegd dat medediagnostiek of medebehandelingvan chirurgisch tandheelkundige hulp van specialistische aard verleendmag worden.E. Het uitzonderen van domein- en sectoroverstijgende samenwerking(BDSS) van het verplicht en vrijwillig eigen risicoTer uitvoering van de opgaven in de regio, die op basis van regiobeeldenen regioplannen naar aanleiding van het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijnopgesteld, werken zorg- en welzijnsorganisaties en andere veldpartijensteeds vaker samen over de domeinen en zorgsectoren heen. Om totpassende zorg en ondersteuning voor specifieke groepen verzekerden tekomen, is een goede afstemming tussen zorgaanbieders uit zowelverschillende domeinen (Zvw, Wlz, aanbieders van jeugdhulp of onder-steuning als bedoeld in de Jeugdwet of de Wet maatschappelijkeondersteuning 2015), als sectoren binnen het medisch domein essentieel.De afstemming behelst een extra inspanning van zorgaanbieders. Omdeze zorg te kunnen declareren, heeft de NZa een nieuwe betaaltitel voorde prestatie «Domein- en sectoroverstijgende samenwerking binnen deZvw» vastgesteld.Het gaat hierbij om de bekostiging van de afstemming van zorg enondersteuning voor specifieke groepen verzekerden die voldoet aan devolgende voorwaarden:−Het gaat enkel om de afstemming over de zorg, niet om bekostigingvan het aanbod van zorg en ondersteuning.−Iedere sector en ieder domein blijft verantwoordelijk voor zijn eigenkosten. Er is geen afwenteling naar de Zvw mogelijk van kosten vansamenwerking door aanbieders van zorg en ondersteuning uit anderedomeinen.−Zorgverzekeraars en zorgaanbieders zullen gezamenlijk moetenvaststellen dat de activiteiten die zij wensen te bekostigen met denieuwe betaaltitel onder de Zvw kunnen worden vergoed.−Daarnaast is het gebruik van de betaaltitel afhankelijk gesteld van eenzogenoemd contractvereiste. Dat wil zeggen dat de prestatie «Domein-en sectoroverstijgende samenwerking binnen de Zvw» slechts inrekening kan worden gebracht indien de zorgaanbieder en dezorgverzekeraar hierover een schriftelijke afspraak hebben gemaakt.Omdat het nog te vroeg is om voor een definitieve vormgeving eninbedding van de betaaltitel te kiezen, wordt er gebruik gemaakt van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12505 experiment voor een periode van maximaal vijf jaar op grond van artikel58 van de Wet marktordening gezondheidszorg. Er zijn monitoring- enevaluatievoorwaarden verbonden aan de betaaltitel. De looptijd van hetexperiment kan worden benut om te achterhalen of de voorgenomenprestatie daadwerkelijk beantwoordt aan de behoeften in het veld en deknelpunten rondom de bekostiging van patiëntengroepsgebondenafstemming van zorg adequaat wegneemt. Daarnaast kunnen zowel detussentijdse als de eindevaluatie aanleiding zijn om de prestatie tewijzigen of beëindigen.Aangezien domein- en sectoroverstijgende samenwerking onder bepaaldevoorwaarden is aan te merken als verzekerde zorg in de zin van de Zvw,geldt als uitgangspunt dat hiervoor het eigen risico geldt. Voor deze vormvan zorg vind ik dat niet wenselijk om de volgende redenen. In de eersteplaats geldt dat de samenwerking niet specifiek is gericht op eenindividuele verzekerde, maar meer in algemene zin op groepen vanverzekerden. Dit bemoeilijkt de toerekening van zorgkosten aan eenindividuele verzekerde aanzienlijk. In de tweede plaats geldt dat desamenwerking plaatsvindt zonder dat een individuele verzekerde hiervoorkan kiezen. In die zin dat het voor een verzekerde niet mogelijk is eenafweging te maken om de desbetreffende zorg al dan niet te betrekken,terwijl dan wel het eigen risico zou gelden. Daarom ben ik voornemensom via een wijziging van het Bzv deze zorg uit te zonderen van hetverplicht en vrijwillig eigen risico.2. Stand van zaken voorwaardelijke toelating paramedischeherstelzorg na Covid-19 Een deel van de mensen met ernstige klachten of beperkingen naCovid-19 heeft extra zorg nodig om goed te herstellen. Om die reden is,op advies van het Zorginstituut, paramedische herstelzorg per 18 juli 2020tijdelijk voorwaardelijk toegelaten tot het basispakket. In deze periodewordt onderzocht of de zorg al dan niet definitief kan worden toegevoegdaan het basispakket. Volgens de huidige regeling loopt de voorwaardelijketoelating tot 1 januari 2025.Een belangrijke voorwaarde voor de voorwaardelijke (tijdelijke) toelatingis dat verzekerden meedoen aan wetenschappelijk onderzoek naar deeffectiviteit van de paramedische herstelzorg. Met de resultaten van ditonderzoek kan het Zorginstituut een definitief standpunt innemen over deeffectiviteit van de paramedische herstelzorg.Het Zorginstituut zou eind 2023 een conceptadvies opleveren over deeffectiviteit van de paramedische herstelzorg. Dit is eerder aan uw Kamergecommuniceerd via de pakketbrief van 2024.11 Het Zorginstituut heeftechter aangegeven dat er meer tijd nodig is om de interventie eerstelijnsparamedische herstelzorg ten opzichte van het natuurlijk beloop tekunnen vergelijken. Daarom is de eerder aangegeven deadline van eind2023 niet gehaald, maar zal het Zorginstituut het standpunt in hetderde kwartaal van dit jaar aanleveren.Als het kabinet bij een positief standpunt van het Zorginstituut deze zorgin het basispakket wil opnemen, kan dat pas per 2026. Omdat de huidigevoorwaardelijke toelating tot 1 januari 2025 loopt, zou de paramedischeherstelzorg na 1 januari 2025 niet meer vergoed kunnen worden uit debasisverzekering. Ik tref daarom voorbereidingen zodat ik de voorwaarde-lijke toelating bij een positief standpunt van het Zorginstituut in het 3ekwartaal van dit jaar, kan verlengen tot uiterlijk 1 januari 2026. Daarmee11Kamerstukken II 2022/23, 29 689, nr. 1196.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12506 wordt voorkomen dat mensen in het jaar 2025 mogelijk tussen wal enschip raken.3. Het overhevelen van de counseling uit de Zvw naar de rijksbe-groting Counseling is onderdeel van prenatale screening. Het doel van hetcounselingsgesprek is om de zwangere (en haar partner) te begeleidenom een weloverwogen geïnformeerde beslissing te nemen over het latenuitvoeren van prenatale screening. De counselor begeleidt een zwangereopdat deze de informatie, inclusief de mogelijke uitslagen van deprenatale screening, begrijpt en kan wegen. Momenteel wordt counselingvergoed vanuit het basispakket.In 2017 adviseerde het Zorginstituut dat prenatale screening zondermedische indicatie (waaronder counseling) niet binnen de Zvw past. Omaanspraak te maken op zorg binnen de Zvw dient iemand om medischeredenen behoefte te hebben aan zorg, maar voor de prenatale screeningis er geen medische indicatie. Daarop is gezocht naar een andere goedwerkende vorm van financiering, omdat ik het wel belangrijk vind dat dezezorg vergoed blijft worden voor de zwangere.Het grootste deel van de prenatale screening is al onder de rijksbegrotingkomen te vallen. De financiering van het eerste termijn structureelechoscopisch onderzoek (13 wekenecho) via de Regionale Centra voorPrenatale Screening loopt goed. Daarom is besloten de financiering vanhet tweede termijn structureel echoscopisch onderzoek (20 wekenecho) encounseling ook via de Regionale Centra te laten lopen.In juni 2023 heb ik uw Kamer geïnformeerd12 dat de 20 wekenecho per1 januari 2024 geen onderdeel meer uitmaakt van het basispakket. Decounseling zal per 1 januari 2025, als laatste onderdeel van de prenatalescreening, via de Regionale Centra (rijksbegroting) worden gefinancierden daarmee niet meer binnen het basispakket vallen. Hiermee is hetadvies van het Zorginstituut opgevolgd.4. Stand van zaken van de motie «mogelijke varianten vanmondzorg in het basispakket» De afgelopen jaren is er veel aandacht geweest voor ongewenste mijdingvan mondzorg om onder andere financiële redenen. Samen metbetrokken partijen zijn de problematiek en oplossingsrichtingen verkend.Uw Kamer heeft reeds twee voortgangsrapportages ontvangen enontvangt voor de zomer het eindverslag.Een van de oplossingsrichtingen is de aanspraak op mondzorg vanuit hetbasispakket. Ook is er vanuit de Kamer een motie aangenomen over eenuitgebreide kosten- en batenanalyse van mogelijke varianten vanmondzorg in het basispakket, ingediend door de leden Bushoff en Dijk13.In opvolging hiervan heb ik het Zorginstituut verzocht om verschillendescenario’s van opname van mondzorg voor volwassenen in het basis-pakket uit te werken.Ik heb het Zorginstituut gevraagd deze verkenning uit te voeren met hetoog op de ontwikkelingen van het Verbeteren en Verbreden van de Toetsop het Basispakket (VVTB) en de grotere beweging van een sterke,integrale eerste lijn en passende zorg, zoals onder meer vastgelegd in het12Kamerstukken II 2022/23, 29 689, nr. 1205.13Kamerstukken II 2022/23, 29 689, nr. 1211.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12507 IZA en het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen(WOZO). Ik neem uw Kamer gedurende het onderzoek mee in detussentijdse resultaten.5. Stand van zaken huidige trajecten in Voorwaardelijke Toelating(VT) en Subsidieregeling veelbelovende zorg (VeZo) Jaarlijks geef ik uw Kamer een update over de stand van zaken metbetrekking tot de voorwaardelijke toelating (VT) en de Subsidieregelingveelbelovende zorg (VeZo). Als bijlagen zijn de voortgangsrapportage vanVT en VeZo voor het kalenderjaar 2023 toegevoegd. Het Zorginstituutbeschrijft hierin de voortgang van de lopende VT-trajecten14 en deSubsidieregeling VeZo. Hieronder stel ik u op de hoogte van de belang-rijkste punten uit de voortgangsrapportage.Voortgang trajecten Voorwaardelijke ToelatingPer 1 januari 2012 is het Instrument VT geïntroduceerd om zorg die nogniet of niet meer bewezen effectief is toch tijdelijk toe te kunnen laten tothet basispakket. Als voorwaarde geldt dat in de periode van de tijdelijketoelating gegevens worden verzameld over de effectiviteit en eventueel dekosteneffectiviteit van de zorg. In de laatste 6 maanden van de periodevan tijdelijke toelating gebruikt het Zorginstituut die onderzoeksgegevensom vast te stellen of de vergoeding van de betreffende zorg uit hetbasispakket voortgezet kan worden.Op 1 februari 2019 is het beleid tot voorwaardelijke toelating tot hetbasispakket (gefaseerd) vervangen door de Subsidieregeling VeZo, metals doel het versnellen van de toegang van de patiënt tot potentieelveelbelovende en innovatieve zorg via het basispakket. De lopendeVT-trajecten worden nog afgerond.In 2023 liepen er 9 VT-trajecten. De Covid-19 pandemie heeft eennegatieve invloed gehad op de voortgang van meerdere VT-trajecten. Alsgevolg hiervan acht het Zorginstituut het noodzakelijk om de duur van hettrajectBlaasinstillatie met blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaaten/of hyaluronzuur- voor de behandeling van patiënten met blaaspijnsyn-droom met niet transurethraal behandelbare Hunnerse laesies teverlengen met 16 maanden tot 1 januari 2027.In 2023 is één traject15 afgerond:Standpunt antibacteriële verbandkleding bij constitutioneel eczeem (CE)In de periode van 1 oktober 2019 tot 1 januari 2024 was de behandelingmet verbandkleding met antibacteriële toevoeging met zilver of chitosanbij kinderen en volwassenen met matig tot ernstig constitutioneel eczeem(hierna: behandeling) voorwaardelijk toegelaten tot het basispakket vande zorgverzekering. De behandeling werd vergoed voor verzekerden diedeelnamen aan het onderzoek om vast te kunnen stellen of de behan-deling voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Op 24 oktober2023 heeft het Zorginstituut een standpunt uitgebracht over de effectiviteitvan de behandeling16. Op basis van het huidige wetenschappelijke bewijs,voortkomend uit de studie uit het VT-traject, is het Zorginstituut tot de14Per 1 februari 2019 is het instrument VT (grotendeels) vervangen door de SubsidieregelingVeZo. Alle lopende VT-trajecten zullen volgens het kader van VT worden afgerond.15Zorginstituut | Publicaties | Standpunt – Antibacteriële verbandkleding bij constitutioneeleczeem kan niet worden vergoed uit het basispakket (24 oktober 2023).16Standpunt – Antibacteriële verbandkleding bij constitutioneel eczeem kan niet wordenvergoed uit het basispakket | Standpunt | Zorginstituut Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12508 conclusie gekomen dat deze behandeling niet voldoet aan de stand van dewetenschap en praktijk, omdat geen meerwaarde aangetoond kon wordenten opzichte van verbandmiddelen zonder antibacteriële toevoeging. Dezebehandeling maakt daarmee geen deel meer uit van het basispakket.Voortgang Subsidieregeling VeZoAls gezegd is het beleid voor voorwaardelijke toelating tot het basispakketdeels (gefaseerd) vervangen door de Subsidieregeling VeZo. Met dezesubsidieregeling is het mogelijk een tijdelijke financiering te krijgen voorbehandelingen die veelbelovend lijken, maar nog niet uit het basispakketworden vergoed. Na afronding van een gesubsidieerd onderzoekprojectvolgt een duiding van het Zorginstituut over opname van de behandelingin het basispakket van de zorgverzekering.Sinds de lancering van VeZo zijn er tot 1 januari 2024 175 projectideeën en40 uitgewerkte aanvragen ingediend. In totaal zijn er tot 1 januari 202424 subsidies voor veelbelovende zorg verleend, waaronder 3 subsidies in2023:1.rTMS (hersenstimulatie) toegevoegd aan hand-arm revalidatietrainingbij volwassen patiënten met een parese van één arm als gevolg vaneen eerste herseninfarct of hersenbloeding (B-STARS 2).2.Focale therapie bij mannen van 40 jaar en ouder met een nieuwgediagnosticeerde prostaatkanker en een levensverwachting vanminstens 10 jaar (ENFORCE).3.Bronchiale thermoplastiek bij volwassen patiënten met ernstige astma(BOOSTER).Jaarlijks wordt er gemiddeld € 40 miljoen aan nieuwe subsidies verleend.De Subsidieregeling VeZo kende een looptijd tot 1 februari 2024. In hetkader van de investeringsreeks Passende Zorg, en in lijn met het IZA,wordt gewerkt aan meer synergie tussen de onderzoeksprogramma’s. Inafwachting hiervan is de werkingsduur van de regeling, na voorhang aanuw Kamer, verlengd tot 1 februari 2025.176. Update programma Zorgevaluatie & Gepast Gebruik (ZE&GG) In het programma Zorgevaluatie & Gepast Gebruik (ZE&GG) wordenstappen gezet om binnen de medisch specialistische zorg effectieve zorgte implementeren, als het bewijs daarover beschikbaar is. Ook wordt zorggeëvalueerd indien nog onvoldoende bekend is welke zorg, voor welkepatiënt op welk moment, het meest gepast is. Het hoofddoel van hetprogramma ZE&GG is dat zorgevaluatie integraal onderdeel is van hetreguliere zorgsysteem, zodat gepast gebruik bevorderd wordt.Omdat het programma ZE&GG afloopt per juli 2024, heeft het Ministerievan VWS eind 2023 een evaluatie van het programma uit laten voeren, dieals bijlage is toegevoegd. Hieruit is gebleken dat mijlpalen zijn bereikt eneen aantal subdoelstellingen zijn behaald, maar de hoofddoelstelling nogniet is behaald. Om die reden is besloten het programma ZE&GG met vierjaar te verlengen, tot juli 2028. Hierdoor kan de werkwijze die ZE&GGhanteert, worden geïmplementeerd en geborgd op de werkvloer binnende medisch specialistische zorg.17Stcrt. 2024, nr. 3410.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12509 7. De stand van zaken van de toezegging over de toereikendheidvan de vergoeding van haarwerken In mijn brief van 17 januari jl.18 heb ik uw Kamer geïnformeerd over deuitvoering van de toezegging over de toereikendheid van de vergoedingvan haarwerken. In het kader van deze toezegging is het Zorginstituutverzocht onderzoek te doen naar de huidige vergoeding van haarwerkenmet de onderliggende vraag of het huidige vergoedingssystematiekpassend is, en zo niet, hoe het vergoedingssystematiek dat wél kan zijn.Inmiddels heeft het Zorginstituut mij medegedeeld dat het onderzoek isgestart. Uiterlijk begin 2025 verwacht het Zorginstituut de eerste bevin-dingen te kunnen delen. Het definitieve rapport wordt naar verwachtinguiterlijk voor het zomerreces van 2025 opgeleverd. Ik neem uw Kamermee in de tussentijdse bevindingen en het eindrapport.8. De stand van zaken opvolging van het advies van het Zorgin-stituut over de uitbreiding van het basispakket met eiceldonatie Afgelopen jaar schreef ik uw Kamer over het advies van het Zorginstituutover de vergoeding van de medische kosten rondom eiceldonatie.19 HetZorginstituut heeft destijds geadviseerd om eiceldonatie als verzekerdezorg in het basispakket op te nemen en de kosten van de behandeling bijde eiceldonor ten laste van de zorgverzekering van de wensmoeder tebrengen. De ivf-behandeling van de wensmoeder, inclusief het deel vande behandeling dat nodig is bij de eiceldonor, kan dan, bij een medischeindicatie, volledig worden vergoed uit de zorgverzekering van dewensmoeder.In sommige landen wordt bij een fertiliteitsbehandeling gebruik gemaaktvan anonieme gameetdonoren. Door een fertiliteitsbehandeling teondergaan in een land waar gebruik wordt gemaakt van anoniemegameetdonoren wordt het kind, dat als gevolg van zo’n behandelingwordt geboren, de mogelijkheid ontnomen te weten van wie het afstamt.In de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) is het recht opafstammingsgegevens in Nederland juist geborgd. Anonieme en/ofcommerciële eiceldonatie is niet toegestaan in Nederland.Het Zorginstituut geeft in het advies over de vergoeding van de medischekosten over eiceldonatie ter overweging mee om een beperking in deregelgeving op te nemen die ertoe leidt dat eiceldonatie, in landen waaranonieme en/of commerciële eiceldonatie is toegestaan, niet voorvergoeding in aanmerking komt. Een beperking, zoals door het Zorgin-stituut geadviseerd, dient juridisch houdbaar te zijn en niet strijdig metEuropees recht. Het is op dit moment de vraag of een dergelijke beperkingmet het recht van de Europese Unie te verenigen is, aangezien in datgeval een onderscheid wordt gemaakt tussen lidstaten voor wat betreft devergoeding vanuit het basispakket. Het uitwerken van een eventuelebeperking vraagt meer tijd dan verwacht. Daarom kan nu nog geenuitspraak gedaan worden over de vraag of de vergoeding van eiceldonatievoor opname in het basispakket in aanmerking kan komen. Mocht devergoeding per 2025 zonder beperking in het basispakket wordenopgenomen, dan zou de onwenselijke situatie kunnen ontstaan dat,wanneer de eiceldonatie en de fertiliteitsbehandeling in het buitenlandplaatsvinden, het gebruikmaken van anonieme en/of commerciëleeiceldonoren wordt vergoed.18Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 35.19Kamerstukken II 2022/23, 29 689, nr. 1196.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 125010 9. Het afwegingskader noodzakelijk te verzekeren zorg De afgelopen jaren is er, naar aanleiding van adviezen van het Zorgin-stituut over de aanspraak op vitaminen, mineralen, paracetamol 1.000 mgen vitamine-D houdende geneesmiddelen20, discussie gevoerd over devraag wanneer zorg voldoet aan het criterium «noodzakelijk te verzekerenzorg». Het ging hierbij specifiek om geneesmiddelen die ook zonderrecept te koop zijn of waarvoor (nagenoeg) gelijkwaardige alternatievenzonder recept bestaan. Dit zijn zogenoemde zelfzorgmiddelen.Naar aanleiding van de discussie rondom deze zelfzorgmiddelen en tenbehoeve van het verbeteren en verbreden van de toets op het basispakket(VVTB), heb ik het Zorginstituut verzocht om voor het criterium «noodza-kelijk te verzekeren zorg» een kader te ontwikkelen. Binnenkort informeerik uw Kamer over de voortgang van VVTB en het resulterende afwegings-kader dat door het Zorginstituut is vastgesteld. Op mijn verzoek zal hetZorginstituut het afwegingskader gefaseerd gaan toepassen op dezelfzorgmiddelen die nog zijn opgenomen in het geneesmiddelenvergoe-dingssysteem. Het eerste middel dat door het Zorginstituut beoordeeldwordt, is codeïne.10. Stand van zaken toezegging financiële consequenties opnamevan kinderbrillen in het basispakket Tijdens het Verzamelwetdebat van 21 maart jl. heb ik uw Kamer toegezegdde financiële impact van opname van kinderbrillen in het basispakket inbeeld te brengen en hier in deze brief op terug te komen. In overleg methet Zorginstituut is geconstateerd dat het niet haalbaar is gebleken op ditkorte termijn de financiële impact in kaart te brengen; mede omdat hetniet om verzekerde zorg gaat zijn de cijfers hiervoor nog niet beschikbaar.Ik ben in gesprek met het Zorginstituut om zo snel mogelijk duidelijkheidte hebben over de cijfers en zal Kamer hierover op een later momentinformeren.De Minister voor Medische Zorg,P.A. Dijkstra20Zorginstituut Nederland (2016). Horen vitaminen, mineralen en paracetamol 1.000 mg (nog)thuis in het te verzekeren pakket? en Zorginstituut Nederland (2022). Aanvullend pakketadviesvitamine D.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 125011

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 7be02348199a4858

14 okt 2026 · a530e662583ee76a

13 okt 2026 · 4eafb74473425f69

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.