Reactie op verzoek commissie over het rapport ‘Ammoniak boven en op Nederland: een wetenschappelijk overzicht’ opgesteld door bureau Food4Innovations
Brontekst
Versie e9351a9a4b29cc83 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202535 334Problematiek rondom stikstof en PFAS33 576NatuurbeleidNr. 324 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSEL-ZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 december 2024De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft mij gevraagd te reageren op het rapport «Ammoniak boven en opNederland: een wetenschappelijk overzicht», opgesteld door bureauFood4Innovations1 (kenmerk: 2024Z17353/2024D43755, d.d. 14 november2024).Met deze brief geef ik invulling aan dit verzoek.Het rapport bevat een analyse van veel aspecten rondom het meten enberekenen van stikstofemissie, -concentratie, en -depositie. Het gaatdaarbij vooral over het meten en berekenen van de totale stikstofdepositiein de natuurgebieden. Het RIVM rapporteert die cijfers jaarlijks.2 Hetgebruik van de modellen voor toestemmingverlening is een onderwerpwaar dit rapport weinig over zegt. Daarop zal ik verderop in deze brief nogkort ingaan.Ik vind het mooi om te zien dat individuen en bureaus van buiten degevestigde (wetenschappelijke) orde de tijd nemen om zich zo uitgebreidte verdiepen in het dossier. Het rapport laat duidelijk zien dat er ruim detijd is genomen voor het onderzoeken van een scala aan aspecten van hetdossier.Het rapport bevat hoofdzakelijk veel vragen. Vragen over bijvoorbeeld dejuistheid van de cijfers en de precisie waarmee de modellen kunnenrekenen. Het stellen van (kritische) vragen is een vast en belangrijkonderdeel van de wetenschap. Het is vaak een startpunt voor kennisver-breding en doorontwikkeling van een methodiek. Het feit dat er kritischevragen zijn, betekent niet dat de huidige uitgangspunten fout zijn. Eenwetenschappelijke dialoog naar aanleiding van die vragen moet uitwijzenof en hoe de methodiek verbeterd kan worden.1Op verzoek van de commissie wordt de naam van de auteur niet genoemd. Hier ligt eenprivacyoverweging aan ten grondslag.2Kamerstuk II, 2024–2025, 35 334, nr. 317 kst-35334-324ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3241 De in het rapport aangehaalde onderwerpen zijn hoofdzakelijk zeertechnisch inhoudelijk. Een inhoudelijk (wetenschappelijke) discussie laat ikom die reden eerst binnen de wetenschap. Zodra er uit deze discussie eenbreder gedragen noodzaak voor aanpassing van de huidige methodiekwordt gezien, zal ik daarnaar handelen door het beleid passend aan tescherpen.Op basis van de eerste inhoudelijke reacties van onder andere het RIVM3lijkt er geen reden te zijn om de huidige methodiek van het bepalen vande totale depositie fundamenteel te herzien, voornamelijk omdat hetrapport onvoldoende de mogelijkheid biedt tot een goede wetenschappe-lijke dialoog.Een minder technisch inhoudelijk kritiekpunt dat in het rapport wordtgesteld, betreft de rol van de wetenschap in het natuur- en stikstofdossier.Specifiek wordt gerefereerd naar de rol van exacte cijfers en de verre-gaande conclusies die daaraan verbonden worden.Ik ben het met de auteur van het rapport eens dat er een zuiver onder-scheid moet blijven tussen beleid en wetenschap. Het beleid moetweliswaar gebouwd zijn op een stevige wetenschappelijke basis, maardient bij die toepassing rekening te houden met bijvoorbeeld de geldendeonzekerheden. Tegelijk dient de wetenschap transparant te communicerenover het toepassingsbereik en die geldende onzekerheden4.Waar het gaat over het verbinden van conclusies aan exacte cijfers, wateen duidelijk kritiekpunt is uit het rapport, springt de omgevingswaardevoor stikstof in het oog. In bepaalde jaren moet een exact percentage vande natuur onder de kritische depositiewaarde worden gebracht. Ik herkendie kritiek. Deze exacte waarde past niet bij de onzekerheden die geldenvoor deze cijfers. Het effect van die onzekerheden is ook al terug te zien inde monitoringscijfers, waar het percentage van jaar tot jaar kan schom-melen. Mede hierom wil dit kabinet de omgevingswaarde uit de wethalen, en zo meer recht te doen aan de toepasbaarheid van de cijfers.Ondanks dat het rapport niet direct aanleiding geeft tot een fundamenteleherziening van de methodiek die leidt tot de berekening van de totaledepositie, blijf ik inzetten op de doorontwikkeling van de huidigemethodiek. Het doel hiervan is onder meer het verkleinen van deonzekerheden, het steeds meer uitgaan van metingen, en het brederinzetten van innovaties. Hiervoor lopen verschillende onderzoekstrajectenbinnen het Nationaal Kennisprogramma Stikstof. Er wordt bijvoorbeeldonderzocht of satellietwaarnemingen een aanvulling kunnen zijn voormetingen op het land.Daarnaast zet dit kabinet – los van dit rapport dus – zich in om demodellen op een zorgvuldige manier in te zetten voor toestemmingver-lening. De huidige wijze van modellering kent op dat terrein beperkingenzoals ook wordt erkend. Daarom werk ik aan het ontwikkelen van eenalternatief voor AERIUS en hoop ik te kunnen komen tot het invoeren vaneen rekenkundige ondergrens. Voor de lange termijn werk ik aan deovergang van depositie- naar emissiesturing.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,F.M. Wiersma3RIVM-reactie op «Ammoniak boven en op Nederland: Een wetenschappelijk overzicht» | RIVM;«Logboek van een startende atmosferisch chemische wetenschapper» – Stikstofexpert Erismanziet kern alternatieve stikstofinzichten De Heij als beginnersfouten – Foodlog4In januari heeft mijn voorganger de Tweede Kamer geïnformeerd over het Statusrapport RIVMonzekerheidsmarges in depositieberekening (Kamerstuk 35 334, nr. 288)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3242
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.