Lijst van vragen en antwoorden over de selectie in het hbo en wo (Kamerstuk 31288-1103)
Brontekst
Versie cd8e450fbc3aff47 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1113 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 2 april 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap over de brief van 14 februari 2024 inzake selectie in het hboen wo (Kamerstuk 31 288, nr. 1103).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 april 2024.Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De fungerend voorzitter van de commissie,Michon-DerkzenDe griffier van de commissie,Morrin kst-31288-1113ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11131 Vraag 1Heeft u een overzicht van de opleidingen die gebruik maken van decen-trale loting?Antwoord 1Nee, ik heb geen volledig beeld van het aantal numerus fixus-opleidingendat gebruik maakt van loting. De inrichting van selectieprocedures endaarbij het eventueel gebruik van loting als instrument, wordt nu nietlandelijk geregistreerd. Instellingen geven in het systeem van decentraleselectie namelijk zelf vorm aan hun selectieprocedure. Vanaf 1 september2023 is het voor instellingen mogelijk om gebruik te maken van loting(gewogen of ongewogen) voor bacheloropleidingen. In het voorjaar van2024 werken instellingen, in afstemming met de medezeggenschap, aande selectieprocedures voor het volgende studiejaar 2024–2025. Een aantalopleidingen heeft bekend gemaakt gebruik te gaan maken van loting. Zokondigde de Rijksuniversiteit Groningen aan dat ongewogen loting destandaard wordt voor opleidingen met een numerus fixus vanaf studiejaar2025–2026. Er zijn ook opleidingen die voor het studiejaar 2024–2025overgaan op loting. Voorbeelden zijn de opleidingen Psychologie enGezondheid en Leven van de Vrije Universiteit en Psychologie van deUniversiteit Utrecht. Ik zal bezien hoe het gebruik van decentrale loting(gewogen en ongewogen) samen met de onderwijskoepels VerenigingHogescholen (VH) en UNL (Universiteiten van Nederland) kan wordengemonitord in de toekomst.Vraag 2Heeft u een overzicht van de opleidingen die gebruik maken van hetKlaas-Vissermodel?Antwoord 2Nee, zie het antwoord op vraag 1.Vraag 3Zijn er opleidingen / instellingen die de (culturele of sociaal economische)achtergrond van studenten gebruiken bij decentrale selectie?Antwoord 3Er zijn mij geen signalen bekend van opleidingen die selecteren op basisvan achtergrondkenmerken, zoals culturele of sociaaleconomischeachtergrond. Dit zou strijdig zijn met wet- en regelgeving. Het gebruikenvan achtergrondkenmerken in decentrale selectie is immers niet toege-staan. Decentrale selectie dient op grond van de Wet op het hogeronderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) uitsluitend plaats tevinden op basis van ten minste twee kwalitatieve criteria, een combinatievan twee kwalitatieve criteria en loting of ongewogen loting. Kwalitatievecriteria zeggen iets over de kwaliteiten van een aspirant-student, zoalscognitieve vaardigheden, cijfers, motivatie, visie en verwachting van deopleiding of vakkennis.Vraag 4Is er onderzoek gedaan naar de link tussen studiesucces en de keuze voorselectie of loting?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11132 Antwoord 4Ik ben bekend met onderzoek van de Universiteit Maastricht waaruit eenpositief effect bleek van een goed ontworpen selectieprocedure op hetstudiesucces ten opzichte van een lotingsprocedure.1 Studenten die in deonderzochte periode deelnamen aan decentrale selectie vielen minder uiten switchten minder van opleiding in vergelijking met een cohortstudenten dat eerder deelnam aan loting. In ander onderzoek wordt echtergeconcludeerd dat de verschillen in studieprestaties klein zijn bij eenvergelijking tussen studenten die in het verleden zijn toegelaten op basisvan loting en studenten die zijn toegelaten op basis van selectie.2 In detoekomst kan nader onderzocht worden welk effect het gebruik vandecentrale loting heeft op het studiesucces van studenten. Daarbij wil ikgraag benoemen dat alle kandidaten met de juiste vooropleiding (havo,vwo- of mbo-diploma) in principe in staat worden geacht om de opleidingsuccesvol te doorlopen.Vraag 5Welke stappen hebben onderwijsinstellingen zelf al gezet om selectiecri-teria beter wetenschappelijk te onderbouwen?Antwoord 5In mijn Kamerbrief over selectie in het hbo en wo heb ik beschreven datuniversiteiten actief zijn in een onderzoeksnetwerk selectie van UNL. Ditonderzoeksnetwerk heeft in 2023, samen met de Expertgroep Toeganke-lijkheid Hoger Onderwijs (ETHO), een bijdrage geleverd aan het HandboekSelectie Hoger Onderwijs (hierna: Handboek selectie) dat is gebaseerd opde meest recente wetenschappelijke inzichten over selectie. Universiteitenzijn verenigd in een leergang over decentrale selectie waarin ze kennisuitwisselen en onderling feedback organiseren gericht op betereonderbouwing van hun selectieprocedures. Universiteiten werkendaarnaast ook aan een kader voor selectie in de bachelor waarin ze metelkaar nadere afspraken maken over de onderbouwing, transparantie enevaluatie van selectieprocedures. Dit kader publiceren ze voor de zomer.In mei 2024 organiseert de Vereniging Hogescholen een symposium overselectie met daarin aandacht voor wetenschappelijke inzichten.Vraag 6Op welke manier kunnen instellingen tot een kwantitatief oordeel komenover de geschiktheid van een student in relatie tot de opleiding, als zij,zoals u voorstelt, gebruik maken van samenwerkingsopdrachten en dereflectie daarop in de selectie?Antwoord 6De beoordeling van een opdracht of toets kan op verschillende manierenworden ingevuld door opleidingen. Voor de beoordeling van eenzogenaamde situatie-beoordelingstest wordt bijvoorbeeld vaak eenexpert-gebaseerde score gehanteerd; een referentiegroep van experts uithet werkveld of docenten uit de opleiding beoordelen dan wat eenpassende reactie zou zijn. Bij de selectie voor de opleidingen van deAcademie Verloskunde in Amsterdam en Groningen wordt bijvoorbeeldeen capaciteitstoets gebruikt. Kandidaten wordt in die selectieprocedure1Schreurs, S. (2020). Selection for Medical School: the quest for validity. Universiteit Maastricht.2Schripsema, N. R. (2017). Medical student selection: Effects of different admissions processes.[Thesis fully internal (DIV), University of Groningen]. Rijksuniversiteit Groningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11133 gevraagd om feedback te geven aan een andere kandidaat. Daarnaastmoeten ze reflecteren op de feedback die ze zelf ontvangen. Hierbij staatde vaardigheid van het geven van feedback (en de cognitieve processendie daarbij horen, zoals evalueren) centraal.3 Dit sluit aan bij de vaardig-heden die worden gevraagd in de opleiding. Het is belangrijk om in debeoordeling aan te sluiten op de wijze waarop de beoordeling plaatsvindtbinnen de opleiding. In het Handboek selectie wordt ook benadrukt datopleidingen hun selectieprocedure dienen af te stemmen op de inhoudvan de opleiding, zoals leerdoelen, toetsing en eindtermen. Wanneer er ineen opleiding veel wordt gewerkt met samenwerkingsopdrachten waarinvaardigheden zoals communicatie en samenwerking belangrijk zijn, is hetrelevant om daar rekening mee te houden tijdens de selectieprocedure.Vraag 7Ziet u een mogelijke tegenstelling tussen het gebruik van decentrale lotingen het stimuleren van studiesucces en doelmatig opleiden?Antwoord 7Nee, deze tegenstelling zie ik niet. In het systeem van decentrale selectieis het aan de opleidingen zelf om de meest gepaste selectieprocedure tekiezen. Het is namelijk niet altijd mogelijk voor opleidingen om op basisvan twee kwalitatieve selectiecriteria vast te stellen welke kandidaat welen welke niet geschikt is voor een opleiding. In dat soort gevallen kan hetgebruik van loting (gewogen of ongewogen) rechtvaardiger zijn. Het isaan de opleiding om die afweging te maken, in samenspraak met demedezeggenschap. Aspirant-studenten die via loting zijn toegelatenhebben de juiste vooropleidingseisen en worden daarmee in staat geachtom de opleiding succesvol af te ronden.Vraag 8Bent u van mening dat decentrale selectie voor sommige opleidingenwenselijk kan zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?Vraag 9Bent u van mening dat decentrale loting voor sommige opleidingenonwenselijk kan zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?Antwoord 8 en 9Als het gaat om het hanteren van een numerus fixus ben ik van meningdat opleidingen hier zeer terughoudend mee moeten omgaan. Ditvanwege de impact van decentrale selectie op de toegankelijkheid van hethbo en wo. Sommige opleidingen hebben echter een beperkte capaciteiten dienen deze schaarse plekken uit noodzaak te verdelen via decentraleselectie. Het is vervolgens aan de opleidingen of ze kiezen voor decentraleselectie op basis van twee kwalitatieve criteria, ongewogen loting, of eencombinatie van loting en selectie. Daarin is het van belang dat rekeningwordt gehouden met kansengelijkheid. Het is aan opleidingen zelf, en nietaan mij, om te bepalen of het gebruik van loting wel of niet wenselijk is.Decentrale loting is toegevoegd aan het selectie-instrumentarium vaninstellingen zodat zij hier zelf een afgewogen keuze in kunnen maken. Inde praktijk constateer ik dat het instrument voorziet in een behoefte.3Schreurs et al. Handboek Selectie Hoger Onderwijs, 80.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11134 Vraag 10Kunt u schetsen hoe het BSA4, in de praktijk, in het mbo5 gebruikt wordt?Antwoord 10Het doel van het (bindend) studieadvies in het mbo is ervoor zorgen datstudenten met de juiste begeleiding een passende opleiding kunnenvoltooien. Het is de bedoeling dat studenten één of meer studievoort-gangsgesprekken krijgen, en vervolgens een studieadvies in het eerstejaar van de opleiding. Hierbij moet rekening worden gehouden met depersoonlijke omstandigheden van de student. Bij onvoldoende studie-voortgang en een dreigend negatief studieadvies moet de student al eenschriftelijke waarschuwing hebben gekregen, waarbij de studentvoldoende tijd moet hebben om zichzelf te verbeteren. Bij een positiefadvies kan de student de opleiding vervolgen. Een negatief advies kanvoor de student bindend of niet-bindend zijn. Bij een negatief bindendstudieadvies wordt de student meestal begeleid naar een alternatieveopleiding, binnen of buiten dezelfde school. Uit de monitor van de wetvroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht bleek dat de uitvoering vanhet bsa de afgelopen jaren niet altijd in lijn is met het doel van hetinstrument. Ik neem verschillende maatregelen om de uitvoering van hetbsa door scholen te verbeteren. Dit blijf ik de komende jaren monitoren. Inde zomer zal ik uw Kamer informeren over de nieuwe rapportage van demonitor vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht.Vraag 11Wat is het effect van het afschaffen van het BSA op universitaire oplei-dingen op studiesucces? Is hier onderzoek naar gedaan?Antwoord 11Er is voor zover bij mij bekend geen onderzoek gedaan naar het effect vanafschaffing van het bindend studieadvies (bsa). Alle universiteiten passen(een vorm van) het bsa toe. Er zijn slechts enkele universitaire opleidingenzonder bsa. Er is daarom bij universiteiten geen onderzoek gedaan naareffecten van het afschaffen van het bsa. Wel zijn er onderzoeken uitge-voerd naar effecten van het bsa op zaken als uitval, switch en studieren-dement. Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) heeft hiereen overzicht van opgesteld.6Vraag 12Wat is het effect van het afschaffen van het BSA op de betrokkenheid vanstudenten in hun eerste studiejaar bij de opleiding? Is hier onderzoek naargedaan?Antwoord 12Er is voor zover mij bekend geen onderzoek gedaan naar de effecten vaneen afschaffing van het bsa op de betrokkenheid van studenten in heteerste studiejaar bij hun opleiding.4BSA: bindend studieadvies5mbo: middelbaar beroepsonderwijs6Zie: https://www.onderwijskennis.nl/kennisbank/toegankelijkheid-goede-studievoortgang-voor-alle-studenten-in-het-hoger-onderwijs#bindend-studieadvies-bsa-en-het-effect-op-toegankelijkheidTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11135 Vraag 13Wat vindt u van het «Handboek Selectie Hoger Onderwijs» van universi-teiten en hogescholen? Komt de door onderwijsinstellingen ontwikkeldeleergang voor selectieprofessionals tegemoet aan uw ideeën bij hetbestrijden van kansenongelijkheid?Antwoord 13Zoals ik in mijn brief heb beschreven ben ik zeer positief over hetHandboek selectie. Dit handboek en de leergang van UNL kunnenbehulpzaam zijn bij het bestrijden van kansenongelijkheid in selectiepro-cedures. Beide initiatieven tonen aan dat er inmiddels veel beschikbarekennis is over decentrale selectie en over het bestrijden van kansenonge-lijkheid, bijvoorbeeld door het zorgvuldig vormgeven van selectieproce-dures en het voorkomen van onbedoelde bevoordeling (bias) in selectie-instrumenten. Het is goed om te zien dat professionals samenwerken omde kennis om te zetten in de praktijk en onderling hun selectieprocedurestegen het licht houden. Het streven naar meer kansengelijkheid is eenlerend proces waarbij er een grote opgave ligt voor selecterendeopleidingen in het hbo en wo.Vraag 14Bent u het eens met de stelling dat het bereiken van de best mogelijkegezondheidszorg een belangrijkere plek zou moeten krijgen in hetselectiebeleid dan momenteel het geval is? Zo ja, hoe gaat u dit bewerk-stelligen? Zo nee, waarom niet?Antwoord 14Het is aan instellingen zelf om, samen met het beroepenveld, een visie teontwikkelen op de gezondheidszorg van de toekomst, en de inhoud vande opleiding en eindtermen hier passend op in te richten. Vervolgens ishet belangrijk dat de selectieprocedure afgestemd is op de inhoud van deopleiding en dat de competenties die in de toekomst worden gevraagdvan zorgprofessionals voldoende aandacht krijgen in de opleiding enselectie. Het is aan opleidingen zelf om in selectieprocedures bepaaldekwaliteiten van aspirant-studenten te herkennen en te waarderen. Mijnindruk is dat geneeskundeopleidingen hier zelf reeds actief aan werken.Vraag 15Kunt u aangeven volgens welke wet- en regelgeving de huidige kansenon-gelijkheid blijkbaar legaal is en geen overtreding van bestaandewetgeving?Antwoord 15Onbedoeld worden bepaalde groepen studenten nu benadeeld in deselectieprocedures, bijvoorbeeld door bias in selectie-instrumenten.Hoewel dat onwenselijk is, betreft het nog geen overtreding vanwetgeving door instellingen. Decentrale selectie dient, conform de WHW,altijd plaats te vinden op basis van ten minste twee kwalitatieve criteria ofeen combinatie van twee kwalitatieve criteria en loting of ongewogenloting. Het is wel mogelijk dat bepaalde criteria en bijbehorende selectie-instrumenten een negatief effect hebben op kansengelijkheid. Het isbelangrijk dat opleidingen kansenongelijkheid zoveel mogelijk tegengaan;dat is een lerend proces. In het bestuursakkoord met de onderwijskoepelsVereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL) hebTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11136 ik daarom afgesproken dat opleidingen in selectieprocedures rekeninghouden met kansengelijkheid.7Vraag 16Wat is nodig om op korte termijn kansengelijkheid in de selectie in hethoger onderwijs te garanderen, in plaats dat dit te zeer als vrijblijvendeoptie wordt beschouwd?Antwoord 16Dat bepaalde groepen momenteel onbedoeld benadeeld worden inselectieprocedures vind ik zeer onwenselijk. Het compleet uitbannen vanongelijkheid kan ik echter niet garanderen. Met kansengelijkheid inselectie bedoel ik dat de kans op toegang tot het hbo en wo enkelafhankelijk is van de capaciteiten en inzet van aspirant-studenten en nietvan bijvoorbeeld hun (culturele) achtergrond of het inkomen of opleiding-sniveau van de ouders.8 Dit is niet volledig uit te bannen omdat naastformele drempels in de selectieprocedure, hier ook informele drempelsspelen, zoals zelfselectie en de invloed van schaduwonderwijs. In mijnbrief heb ik beschreven welke stappen instellingen dienen te zetten omrekening te houden met bias in selectie-instrumenten, hoe ze schaduwon-derwijs en zelfselectie bij studenten kunnen tegengaan. Opleidingenhebben bovendien de mogelijkheid om gebruik te maken van ongewogenloting in combinatie met een goede voorlichting. Ook dan kan het alsnogvoorkomen dat jongeren afzien van aanmelding voor een selecterendeopleiding omdat ze liever kiezen voor een opleiding met een drempellozeinstroom.Vraag 17Kent u het artikel9 in de Volkskrant van Charisma Hehakaya, oprichter vanhet Eerstegeneratiefonds? Zo ja, hoe verhoudt uw brief zich tot dit artikelover eerstegeneratiestudenten en de kansenongelijkheid in de selectievoor deze groep kandidaten?Antwoord 17Ja, ik ben bekend met het artikel. Ik onderschrijf de onderliggende doelenuit het artikel en vind de aandacht voor de positie van eerste generatiestu-denten zeer belangrijk. Mevrouw Hehakaya pleit in haar artikel ook voorhet, in haar woorden, voortrekken van eerstegeneratiestudenten inselectieprocedures. Het is momenteel echter niet toegestaan om in dedecentrale selectie achtergrondkenmerken, zoals het opleidingsniveau vanouders, mee te wegen. Voorkeursbeleid op basis van achtergrondken-merken zoals geslacht, woonplaats, afkomst of sociaal economischeachtergrond is evenmin toegestaan. Zoals beschreven in mijn brief is heteventueel mogelijk maken van voorkeursbeleid een afweging voor eenvolgend kabinet. In mijn brief heb ik hierbij eveneens gewezen op derisico’s die gepaard gaan met dit beleid. Uit onderzoek naar corrigerendeselectie in het Verenigd Koninkrijk blijkt bijvoorbeeld dat het in de praktijk7Kamerstukken II 2021/22, 31 288, nr. 9698Inspectie van het Onderwijs, Selectie in het hoger onderwijs: criteria instrumenten en borgingvan kansengelijkheid (2023)9de Volkskrant, 10 maart 2024, «Maak het voortrekken van eerstegeneratie-studenten wettelijkmogelijk»Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11137 voor instellingen lastig is om objectief vast te stellen welke kandidaten totde categorie eerstegeneratiestudent behoren.10In mijn brief heb ik daarnaast aangekondigd om, naar aanleiding van demotie Peters, te onderzoeken hoe meer aandacht kan worden besteed aaneerste generatiestudenten in het hbo en wo.11 Hierover voer ik overlegmet de instellingen en kijk ook naar wat er in de praktijk al wordtgeorganiseerd ter ondersteuning van eerste generatiestudenten. Ikverwacht het onderzoek na de zomer afgerond te hebben en het voor heteind van dit jaar met een beleidsreactie aan uw Kamer aan te bieden.Vraag 18Wat vindt u van de gesignaleerde dalende instroom van Caribischestudenten? Geldt voor Caribische studenten gelijke toegang tot het hogeronderwijs in het Koninkrijk? Onderschrijft u het belang van gelijketoegang tot het onderwijs en de arbeidsmarkt voor deze groep Neder-landse studenten? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om voordeze studenten gelijke toegang te waarborgen?Antwoord 18Voor aspirant-studenten uit het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt eengelijke toegang tot het hbo en wo. Opleidingen met selectie zijnmomenteel al wettelijk verplicht om rekening te houden met de belangenvan Caribische aspirant-studenten in de selectieprocedure. Opleidingenbieden bijvoorbeeld de mogelijkheid aan om online deel te nemen aan deselectieprocedure of organiseren een deel van de selectieprocedure opeen van de eilanden. Uit de Monitor beleidsmaatregelen 2022–2023 blijkteen lichte daling van de algehele instroom van aspirant-studenten instudiejaar 2022–2023 uit het Caribisch Gebied, ten opzichte van studiejaar2021–2022.12 Na een lichte stijging van de instroom, na de coronapan-demie, is de instroom ongeveer gelijk aan de jaren voor corona.Met de andere landen uit het Koninkrijk werk ik al een aantal jaar actiefaan het verbeteren van in- en doorstroom van Caribische studenten.Bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan studiekeuze en hetvoorkomen van uitval en switch. Vanuit het Ministerieel VierlandenoverlegOnderwijs, Cultuur en Wetenschap is er besloten door de Caribischeuniversiteiten, eventueel in samenwerking met Nederlandse hogescholenen universiteiten, een pre-academic year te laten (door-)ontwikkelen ineen gezamenlijk «Caribbean academic foundation year (CAFY)», zodat ervoor Caribische studenten een betere aansluiting is op een vervolgstudie.Op de langere termijn zullen elementen van het CAFY worden geïnte-greerd in het curriculum van het voortgezet onderwijs als het gaat om devoorbereiding op het vervolgonderwijs.Samen met de Staatssecretaris van VWS heb ik specifiek de aansluitingtussen onderwijs en arbeidsmarkt in het zorgdomein laten onderzoeken,mede vanwege zorgen over de instroom in selecterende opleidingen meteen numerus fixus. We hebben dit rapport op 8 februari 2024 aangebodenaan uw Kamer en sturen later in het voorjaar een beleidsreactie op ditonderzoek.1310Boliver, Vikki & Gorard, Stephen & Siddiqui, Nadia. (2022). Who counts as socioeconomicallydisadvantaged for the purposes of widening access to higher education?. British Journal ofSociology of Education. 43. 1–26.11Kamerstukken II 22/23 36 200 VIII, nr. 24812Researchned (2023), Monitor Beleidsmaatregelen hoger onderwijs 2022–2023, 36.13Kamerstukken II 2023/24, 29 282, nr. 556Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11138 Uiteraard onderschrijf ik het belang van de toegang tot het hbo en wo inEuropees Nederland voor studenten uit het Caribisch deel van hetKoninkrijk. Samen met de andere CASt landen werk ik aan het verbeterenvan de aansluiting tussen het Caribisch gebied en het hbo en wo inEuropees Nederland.Vraag 19Heeft u gesproken met vertegenwoordigers van groepen kandidaten diemomenteel lagere kansen hebben in de selectie, om hun feedback mee tenemen in de ontwikkeling van mogelijk beleid ten aanzien van kansenon-gelijkheid in de selectie? Zo ja, met welke vertegenwoordigers? Zo nee,waarom niet?Antwoord 19In de voorbereiding op deze brief heb ik gesproken met diverse vertegen-woordigers van studenten en experts op het gebied van selectie. Naast devertegenwoordigende studentenorganisaties ISO, LSVb, Stip Studenten-platform en de Geneeskundestudent heb ik gesproken met studenten uitde medezeggenschap over hun voorbereiding op decentrale selectie en deeffecten van selectie op de cultuur binnen de opleiding en de gevolgenervan op hun welzijn. Onder die vertegenwoordigers bevonden zich ookstudenten uit verschillende groepen die lagere kansen hebben in selectieop basis van verschillende onderzoeken. Tijdens mijn bezoek aan hetCaribisch gebied in januari 2023 heb ik voorts gesproken met scholierenen afgestudeerde studenten die hebben deelgenomen aan decentraleselectie.Vraag 20Bent u bekend met de Stichting Medician (Medician), die gratisbegeleiding biedt aan specifieke groepen kandidaten voor opleidingengeneeskunde en tandheelkunde die momenteel lagere kansen hebben omgeselecteerd te worden? Zo ja, wat doet u om dit soort grassrootsinitiatieven te ondersteunen?Antwoord 20Ik ben bekend met het werk van Stichting Medician. Hoewel ik de missievan de stichting van harte onderschrijf en het een mooi initiatief is stemthet mij tegelijkertijd enigszins droevig. Als opleidingen hun selectiepro-cedure zo inrichten dat extra training of voorbereiding naast het behalenvan je vo-of mbo-diploma overbodig is, dan zou het werk van StichtingMedician niet nodig moeten zijn. In de praktijk zie ik dat instellingen, zoalsgeneeskunde aan de VU en het Erasmus MC, zelf onbetaalde trainingenorganiseren voor aspirant-studenten. Het is aan onderwijsinstellingen zelfom rekening te houden met kansengelijkheid in selectieprocedures en indat kader initiatieven zoals Medician eventueel te ondersteunen.Vraag 21Wat gaat u concreet doen met de resultaten uit het onderzoek «Inequalityof opportunity in selection procedures limits diversity in higher education:An intersectional study of Dutch selective higher education programs», enhoe gaan deze resultaten gebruikt worden om de noodzakelijke verande-ringen in de huidige selectiepraktijk te bewerkstelligen? Wat gaat ubijvoorbeeld doen met selecterende opleidingen die hun huidigeselectiemethoden en procedures willen behouden, ondanks het feit dat zijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11139 niet kunnen garanderen dat deze methoden en procedures vrij zijn vankansenongelijkheid?Antwoord 21De uitkomsten van het aangehaalde onderzoek sluiten aan bij eerdereonderzoeksresultaten over decentrale selectie en kansenongelijkheid. Deresultaten tonen aan dat decentrale selectie kansenongelijkheid met zichmee kan brengen en dat dit niet altijd uit te sluiten is. In mijn brief heb ikbeschreven welke stappen instellingen dienen te zetten om kansenge-lijkheid in selectieprocedures te vergroten. Het is aan instellingen om debeschikbare kennis uit het Handboek selectie om te zetten in de praktijk.Dat is een lerend proces. Zoals aangekondigd in mijn brief laat ik eenverplichte onderbouwing en toetsing van selectieprocedures verderonderzoeken. Een onderbouwing en evaluatie van selectieproceduresdient om bias in selectie zoveel mogelijk te voorkomen. Instellingenkunnen daarnaast ook overgaan op ongewogen loting. Decentrale selectiebiedt echter soms juist ook kansen om de kwaliteiten van niet traditionelekandidaten te waarderen. Het is dan van belang om een combinatie vanselectie-instrumenten te hanteren die een breed palet aan vaardighedenmeten die belangrijk zijn voor de opleiding.Vraag 22Kunt u schetsen hoe universiteiten in de selectie van studenten gebruikmaken van de beschikbare wetenschappelijke kennis?Antwoord 22Zoals beschreven in mijn eerdere brief is er binnen de universiteiten aleen aantal jaar een onderzoeksnetwerk selectie actief dat heeft gewerktaan een Handboek selectie. Dit handboek bevat de meest recentewetenschappelijke inzichten op het gebied van decentrale selectie. Alleuniversiteiten nemen deel aan een leergang van UNL om de inzichten uithet handboek in de praktijk te vertalen. De universiteiten werkendaarnaast samen aan een kader voor selectie in de bachelor. In dit kadermaken ze afspraken over de vormgeving van de selectieprocedure en deevaluatie hiervan. UNL verwacht dit kader voor de zomer te publiceren. DeETHO werkt aan een digitale tool voor de evaluatie van selectieproce-dures. Instellingen kunnen deze tool gebruiken om, op basis vanwetenschappelijke inzichten, hun procedures te evalueren.Vraag 23Hoe kan kennis en inzicht in hoe kansenongelijkheid in selectie werktverder worden vergroot? Welke concrete acties en maatregelen neemt uzich voor om vertrouwen in en zelfregie van onderwijsinstellingen naderin te vullen?Antwoord 23In de afgelopen jaren is de kennisbasis over selectie en kansenonge-lijkheid sterk uitgebreid, bijvoorbeeld met de ontwikkeling van hetHandboek selectie. Ik blijf het gesprek over selectie en kansengelijkheidactief voeren met de onderwijskoepels en wijs daarbij op de afspraken diezijn gemaakt in het Bestuursakkoord Hoger Onderwijs.14 In aanvulling opdeze afspraak zal ik, zoals aangekondigd in de Kamerbrief, naderonderzoeken hoe invulling kan worden gegeven aan een verplichte14Kamerstukken II 2021/22, 31 288, nr. 969Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111310 onderbouwing van selectieprocedures en externe toetsing. Dit zal ik doenin afstemming met de onderwijskoepels UNL en VH om dit zo goed alsmogelijk te laten aansluiten bij bestaande activiteiten.Vraag 24Onderschrijft u de stelling dat kansenongelijkheid in de selectie niet wordtveroorzaakt door onderadvisering op de basisschool, maar door deongelijkheid in de selectie zelf? Zo ja, kan u verduidelijken wat u bedoeltmet «afwegingen rondom selectie in het hbo15 en wo16 dienen daarom insamenhang te worden bezien met selectiemomenten in het funderendonderwijs»?Antwoord 24Ja, deze stelling onderschrijf ik. Het is echter goed om te benoemen datongelijkheid in het onderwijs op meerdere momenten een rol speelt.Kansenongelijkheid in onze samenleving ontstaat al in de wieg.Ongelijkheid wordt beïnvloed door veel verschillende factoren, bijvoor-beeld door het opleidingsniveau van ouders of de wijk waarin je als kindopgroeit. Daar waar wordt geselecteerd, in het onderwijs of op dearbeidsmarkt bestaat een risico op kansenongelijkheid. In mijn brief heb ikdaarom benoemd dat er bij afwegingen om opleidingen in de toekomsteventueel meer ruimte te bieden om te selecteren, dat in samenhangmoet worden bezien met andere selectiemomenten in het geheleonderwijsstelsel.Vraag 25Kunt u aangeven welke instrumenten worden bedoeld met deze «andereinstrumenten»?Antwoord 25In mijn brief schets ik de mogelijkheid om in de toekomst voorkeursbeleidin selectie mogelijk te maken. Dit vereist een wijziging van de WHW. Het isaan een volgend kabinet om hierover een besluit te nemen. Bij hetwijzigen van de wet moet worden aangetoond dat er niet ook andere(minder ingrijpende) instrumenten zijn om hetzelfde doel, in dit geval hetverminderen van kansenongelijkheid, te bereiken. In mijn brief schets ikeen aantal andere maatregelen die door opleidingen genomen kunnenworden om gelijke kansen te bevorderen. Bijvoorbeeld het tegengaan vanbias en het evalueren van selectieprocedures hierop. Om zelfselectie tevoorkomen kunnen opleidingen bovendien transparanter zijn richtingkandidaten en er in hun voorlichting rekening mee houden zodatkandidaten zich niet onnodig laten afschrikken.Vraag 26Kunt u aangeven waarom het bevorderen van gelijke kansen in hetonderwijs «een zorgvuldige afweging en maatschappelijk debat» vergtover mogelijke andere instrumenten om dit doel te bereiken?Antwoord 26Hier wordt specifiek verwezen naar een passage in de Kamerbrief over hetwettelijk mogelijk maken van corrigerende selectie in de toekomst.15hbo: hoger beroepsonderwijs16wo: wetenschappelijk onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111311 Momenteel is het niet toegestaan om achtergrondkenmerken mee tewegen in de selectie om te corrigeren voor ongelijkheid die eerder isontstaan. Het geven van ruimte aan instellingen om achtergrondken-merken mee te wegen in selectie vergt een zorgvuldige afweging en eenmaatschappelijk debat. Bijvoorbeeld over de proportionaliteit van dezemaatregel en of er niet minder ingrijpende instrumenten zijn om hetzelfdedoel (kansengelijkheid) te bereiken. Zie hiervoor ook het antwoord opvraag 25. Daarnaast is het de vraag welke groepen en kenmerken inaanmerking komen. Het roept ook vragen op over wat dan objectiveerbareen transparante indicatoren (geslacht, sociaaleconomische achtergrond,opleidingsniveau van ouders) zijn om op te selecteren en over de wijzevan ontsluiting en registratie van deze kenmerken.Vraag 27Kunt u reflecteren op de vraag of de huidige significant hogere kansenvoor o.a. kandidaten zonder migratieachtergrond en een hogere sociaal-economische positie niet óók in feite een vorm van voorkeursbeleid zijn,maar dan voor de groep die nu de meerderheid van kandidaten enstudenten in het hoger onderwijs vormt?Antwoord 27Opleidingen dienen hun selectieprocedure vorm te geven op basis van tenminste twee kwalitatieve criteria. In de selectieprocedure is hetuitgangspunt dat aspirant-studenten worden getoetst op basis vankwaliteiten en niet op basis van achtergrondkenmerken. Momenteelkunnen, door de inrichting van de procedure bepaalde groepen, onbewusten onbedoeld worden benadeeld. Dat is zeer onwenselijk. Er zijn echtergeen opleidingen die kandidaten zonder migratieachtergrond of kandi-daten met een hogere sociaaleconomische positie bewust bevoordelen enhiervoor beleid hebben ontwikkeld. Het is ook niet toegestaan omachtergrondkenmerken mee te wegen. Het is daarom belangrijk datopleidingen zich bewust zijn van potentiële bias die kan ontstaan bij hetgebruik van bepaalde selectie-instrumenten en daar hun procedure opaanpassen.Vraag 28Zijn er experts in Nederland of het buitenland geconsulteerd metbetrekking tot de verschillende mogelijke vormen van corrigerendeselectie, zoals contextualized admissions? Zo ja: welke experts zijn dit enwat is er binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap methun kennis en aanbevelingen gedaan, in het bepalen van de huidigepositie («of we voorkeursbeleid in selectieprocedures in de toekomstwillen toestaan en in welke vorm eventueel, is aan een nieuw kabinet»).Zo nee: bent u van plan om met experts te praten over corrigerendeselectie, en zo ja, op welke termijn bent u van plan? En welke experts wiltu dan vragen om hun advies?Antwoord 28In de voorbereiding van deze brief zijn meerdere experts geraadpleegdmet expertise op het gebied van toegankelijkheid en selectie. In degesprekken met experts en met studenten is gewezen op corrigerendeselectie en de wijze waarop er in het buitenland, bijvoorbeeld hetVerenigd Koninkrijk, mee wordt gewerkt. Voor de zomer spreek ik opnieuwmet een aantal experts op het gebied van decentrale selectie, waarbij erook onderzoekers aanwezig zijn met expertise op dit gebied.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111312 Zoals ik in mijn brief schrijf kan ik me vinden in het achterliggende doelvan corrigerende selectie: het vergroten van gelijke kansen. Los van devraag of corrigerende selectie in bepaalde gevallen gerechtvaardigd is,zijn er ook andere afwegingen. Ten eerste werpt het de vraag op welkeachtergrondkenmerken moeten worden meegewogen in selectie en welkeachtergrondkenmerken niet. Ten tweede blijkt uit onderzoek naarcorrigerende selectie in het Verenigd Koninkrijk dat het niet eenvoudig isom indicatoren voor bepaalde achtergrondkenmerken vast te stellen. Zowordt in het Verenigd Koninkrijk gekeken naar postcode gebied om vast testellen of een kandidaat behoort tot een lagere sociaal- economischepositie en dienen kandidaten zichzelf te identificeren als eerste generatiestudent. Achtergrondkenmerken zijn zo lastig objectief vast te stellen voorinstellingen en het is niet eenvoudig om op basis van dit soort gegevensvoorkeursbeleid te rechtvaardigen.17Het mogelijk maken van voorkeursbeleid is ook een normatieve afwegingdie niet alleen gemaakt kan worden op basis van wetenschappelijkeinzichten en door middel van het raadplegen van experts. Bovendien is erweliswaar veel onderzoek gedaan naar selectie, maar is er geenconsensus over een onderwerp als corrigerende selectie. Het vraagstukkent een hoge mate van politieke gevoeligheid en het is om die reden aaneen volgend kabinet, om in samenspraak met uw Kamer, een beslissing tenemen over de vraag of voorkeursbeleid in de toekomst wel of nietmogelijk moet worden gemaakt.Vraag 29Wat is uw advies aan uw opvolger in een nieuw kabinet op het onderwerpvan contextualized admissions en andere vormen van corrigerendeselectie?Antwoord 29Het past niet bij mijn rol om een nieuw kabinet te adviseren over ditonderwerp. In mijn Kamerbrief, en in deze antwoorden op de vragen vanuw Kamer, heb ik de vraagstukken en afwegingen omtrent selectie vooruw Kamer en voor een nieuw kabinet uiteengezet.Vraag 30De diversiteit van de studentenpopulatie nam af sinds de invoering vandecentrale selectie in 2017, ziet u een toename van diversiteit sinds 2023,toen opleidingen de mogelijkheid kregen om te kiezen voor loting, al danniet in combinatie met kwalitatieve selectiecriteria?Antwoord 30Deze gegevens zijn nog niet bekend. De eerste opleidingen hebben nogmaar recent aangekondigd om over te gaan op decentrale loting. In dekomende jaren zal het door het gebruik van loting door bepaaldeopleidingen mogelijk worden om een vergelijking te maken.17Boliver, Vikki & Gorard, Stephen & Siddiqui, Nadia. (2022). Who counts as socioeconomicallydisadvantaged for the purposes of widening access to higher education?. British Journal ofSociology of Education. 43. 1–26.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111313 Vraag 31Is het voor alle opleidingen mogelijk om selectie-instrumenten tegebruiken die niet trainbaar zijn om zo studenten die zich geen betaaldetraining kunnen veroorloven niet te benadelen?Antwoord 31Opleidingen kunnen maatregelen nemen om de invloed tot een minimumte beperken. Het is echter niet helemaal uit te sluiten dat kandidaten zichtegen betaling kunnen voorbereiden en er zo ongelijkheid ontstaat. In hetHandboek selectie wordt per selectie-instrument uiteengezet in hoeverreinstrumenten gevoelig zijn voor training. Zoals beschreven in mijn brief ishet belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat selectie instrumentenvatbaar zijn voor training. Er zijn ook instellingen, zoals de ErasmusUniversiteit, die zelf kosteloos ondersteuning en voorbereiding aanbiedenaan kandidaten. Uit recent onderzoek blijkt ook dat gratis voorbereidings-activiteiten een positief verband houden met selectie-uitkomsten enmogelijk ook op diversiteit.18Vraag 32Er wordt gesteld dat door meer nadruk te leggen op vaardigheden alscommunicatie of samenwerking selectie minder trainbaar is, maar inhoeverre zijn deze competenties voor alle opleidingen relevant en looptmen niet het risico een verkeerd selectieprofiel te hanteren door eennadruk op deze vaardigheden?Antwoord 32Opleidingen dienen hun selectieprocedure af te stemmen op de inhoudvan de eigen specifieke opleiding en de beoogde leerdoelen. In oplei-dingen waarin communicatie en samenwerking belangrijke competentieszijn ligt het voor de hand om dit mee te nemen in de selectie. In andereopleidingen ligt de nadruk op andere leerdoelen en ligt het voor de handdie mee te nemen in de procedure. Bijna alle selectie-instrumentenhebben een risico in zich op bias, en sommige instrumenten zijn meervatbaar voor training dan andere. Het is voor opleidingen goed om daarbewust van te zijn van de mogelijke bias per selectie-instrument. HetHandboek selectie biedt per selectie-instrument inzicht in deze risico’s.Vraag 33Kun u verklaren waarom het aantal voltijdbacheloropleidingen in het hboen wo met een numerus fixus in de laatste jaren gestegen is?Antwoord 33Het aantal opleidingen met een numerus fixus fluctueert door de jarenheen. Van 2017 tot en met 2019 nam het aantal bacheloropleidingen meteen numerus fixus licht toe. Gevolgd door twee jaar (2020 en 2021) waarinhet aantal bacheloropleidingen met een numerus fixus afnam. In 2022nam het aantal weer toe. Een toename is te verklaren door toestroom totbepaalde opleidingen. Zo waren er vier hbo-bacheloropleidingenVastgoed en Makelaardij die in 2022 een fixus invoerden vanwegetoegenomen populariteit.18Fikrat-Wevers (2023) Selection and Student Diversity The impact of tools, preparatory activitiesand applicant acceptance in health professions educationTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111314 Vraag 34Welke opleidingen zijn in 2023–2024 gestart met loting? Welk percentagevan de opleidingen is dit? Over hoeveel studenten gaat dit?Antwoord 34Zie het antwoord op vraag 1.Vraag 35Welke achtergrondkenmerken van studenten kunnen een negatief effecthebben op kansen bij selectie?Antwoord 35Uit onderzoek blijkt dat bepaalde achtergrondkenmerken onbedoeld eennegatief effect kunnen hebben op de kansen bij selectie. Achtergrondken-merken die meespelen zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische achtergrond,opleidingsniveau van ouders en een migratieachtergrond van kandidaten.Vraag 36Kan de Minister expliciet toelichten wat de (mogelijke) effecten zijn van dekenmerken sociaaleconomische status en woonplaats?Antwoord 36Uit onderzoek blijkt dat bepaalde groepen aspirant-studenten minder kanshebben om toegelaten te worden tot een selectieve opleiding. Dat geldtbijvoorbeeld voor een achtergrondkenmerk zoals sociaaleconomischeachtergrond van de ouders van aspirant-studenten. Uit internationaalonderzoek blijkt dat ook woonplaats kan meespelen in de selectiepro-cedure.19 Bijvoorbeeld in het geval dat er in de selectieprocedure wordtgekeken naar extra-curriculaire activiteiten van kandidaten. In de stad ishet makkelijker voor kandidaten dan op het platteland om een cv op tebouwen. Uit recent onderzoek blijkt dit in de Nederlandse context nietaltijd opgaat en per cluster van opleidingen verschilt.20 Wel kanmeespelen dat het voor aspirant-studenten die verder weg wonen lastigeris om deel te nemen aan de selectieprocedure. Dat kan eventueel een rolspelen voor studenten om af te zien van deelname aan selectie. Vooraspirant-studenten uit het Caribisch deel van het Koninkrijk hebbeninstellingen een bijzondere verantwoordelijkheid en dienen hier rekeningte houden met factoren als afstand en het tijdsverschil.Vraag 37Welke mogelijkheden zijn er om een externe toets te organiseren op deselectiemethoden en -procedures van onderwijsinstellingen?19Raghavan M, Martin BD, Burnett M, Christensen H, MacKalski F, Young D, et al. Multiplemini-interviewscores of medical school applicants with and without rural attributes. Rural and RemoteHealth. 2013;13(2):1–9.20Mulder et al, Inequality of opportunity in selectionprocedures limits diversity in highereducation: An intersectional study of Dutch selective higher education programs (2023)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111315 Antwoord 37In mijn brief heb ik een aantal voorbeelden gegeven van hoe een externetoets georganiseerd kan worden. Instellingen kunnen hierin zelf al stappenzetten binnen de huidige wettelijke kaders, bijvoorbeeld door deelnameaan de leergang van UNL of binnen de instelling. Een andere optie is omeen wettelijke bepaling in te richten waarin instellingen worden verplichtom de selectieprocedure te onderbouwen en te laten toetsen. Dat kandoor een externe organisatie of als onderdeel van het accreditatieprocesvia de NVAO. In mijn brief na de zomer werk ik verder uit hoe instellingeneen externe toets kunnen organiseren.Vraag 38Kunt u voorbeelden geven van procesverplichtingen in de WHW zoalsverplicht beleid of een verplichte onderbouwing van keuzes, zoals u ookals mogelijkheid schetst voor selectiemethoden en -procedures?Antwoord 38De WHW kent verschillende bepalingen waarin instellingen wordenverplicht om bepaald beleid vast te stellen, keuzes te onderbouwen ofbepaalde procedures te volgen. Ik noem er hier een paar:–Instellingsbesturen moeten bijvoorbeeld verslag uitbrengen waarinonderbouwd is dat de ontvangen rijksbijdrage doelmatig is besteed(artikelen 2.9 WHW);–Instellingsbesturen moeten advies inwinnen bij medezeggenschapsor-ganen over o.a. de regelingen met betrekking tot selectie (artikelen6.7a, eerste lid, onder b, en artikelen 7.26, 7.26a, 7.53, derde lid en7.30b, tweede lid WHW);–De instelling moet motiveren waarom besloten is een inschrijving vaneen student te weigeren of in te trekken (art. 7.37, vierde en vijfde lidWHW).Vraag 39Kunt u een overzicht geven van de wettelijke inhoudelijke eisen aanselectiemethoden en -procedures die u hebt onderzocht?Antwoord 39Zoals ik in mijn brief heb beschreven is een eerste optie om in de WHWeen bepaling op te nemen waarin instellingen worden verplicht om hunselectieprocedure te onderbouwen en te publiceren. Er is volgens deinspectie geen eenduidigheid over de inhoud van een «wetenschappe-lijke» onderbouwing. Een verplichte onderbouwing kan dus alleenprocesmatig worden getoetst. Een tweede optie is om naast eenverplichte onderbouwing ook te sturen op een periodieke evaluatie enbijstelling van de procedure. Een mogelijkheid is om de selectieprocedureonderdeel van het accreditatieproces te maken. Er kunnen bovenop eenwettelijke bepaling ook bestuurlijke afspraken worden gemaakt overperiodieke toetsing van selectieprocedures door vakgenoten. In mijnaangekondigde brief van na de zomer werk ik verder uit hoe instellingeneen externe toets kunnen organiseren.17 WHW: Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111316 Vraag 40Kunt u een overzicht geven van internationale voorbeelden op het gebiedvan corrigerende selectie?Antwoord 40Hoewel ik geen uitputtend overzicht heb, ken ik een aantal landen die hierruimte voor bieden. In het Verenigd Koninkrijk heeft men ervaring met hetmeewegen van bijvoorbeeld sociaaleconomische achtergrond vankandidaten in selectie. De achtergrondkenmerken stellen instellingen vastop basis van het gebruik van gratis schoolmaaltijden, postcodegebied ofde school waar kandidaten hun diploma hebben gehaald.22In de Verenigde Staten heeft men al langer ervaring met het reserverenvan plaatsen voor bepaalde doelgroepen om zo een specifieke samen-telling van de studentenpopulatie te bereiken. Het Hooggerechtshof heeftzich in 2023 uitgesproken tegen het selectiebeleid van bepaalde universi-teiten, zoals Harvard. De rechters oordeelden dat selectie op basis vanetniciteit niet gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld omdat andere etnischegroepen daarmee benadeeld worden. In Noorwegen worden bonus-punten in de selectie toegekend aan kandidaten voor specifieke oplei-dingen omdat daarin groepen aspirant-studenten zijn ondervertegen-woordigd. Deze categorieën zijn in de wet geregeld. Een nadeel is dat hetsysteem als gevolg hiervan weinig flexibel is en instellingen moeilijkkunnen inspelen op verschuivingen in de samenstelling van destudentenpopulatie.Bovenstaande voorbeelden geven een breder beeld van de inzet vancorrigerende selectie. Relevant is echter wel dat er sprake is van funda-mentele verschillen tussen de onderwijssystemen. Niet alleen is onsonderwijs financieel meer toegankelijk dan in die landen. In Nederlandwordt op een relatief vroeg moment geselecteerd, bij de overgang vanprimair onderwijs naar voortgezet onderwijs. Hierdoor zijn niveauver-schillen vóór de poort van het hbo en wo, zoals in de VS en het VK,minder aan de orde. Er is bovendien, in vergelijking met deze landen, inNederland minder noodzaak om voor de poort van het hbo en wo teselecteren en daarbinnen te corrigeren.2322Boliver, Vikki & Gorard, Stephen & Siddiqui, Nadia. (2022). Who counts as socioeconomicallydisadvantaged for the purposes of widening access to higher education?. British Journal ofSociology of Education. 43. 1–26.23Anna Mountford-Zimdars, Joanne Moore & Janet Graham (2016) Is contextualised admissionthe answer to the access challenge?, Perspectives: Policy and Practice in Higher Education,20:4, 143–150Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 111317
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.