KamerkringInloggen
Kamerbrief

Nieuwe inzichten zoetwaterbeschikbaarheid

31 mei 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 7bdd9605e7c1ceb1 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202427 625WaterbeleidNr. 669 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 31 mei 2024Nederland is een waterland. De strijd tegen wateroverlast en hoog watervoeren we al eeuwen en daar zijn we in bedreven. We hebben voldoendezoetwater altijd ervaren als vanzelfsprekend. Sinds 2018 worden we vakergeconfronteerd met langere perioden van droogte en watertekort. Debeelden van gestrande schepen, droogvallende woonboten, droogge-vallen beken, bosbranden, verzakkingen van woningen en infrastructuur,drinkwaterbedrijven die levering onder druk zien komen, uitgedroogdelandbouwgewassen en natuur staan inmiddels in ons geheugen gegrift.Nieuwe wetenschappelijke inzichten en scenario’s van onder meer KNMI,PBL en Deltares drukken ons met de neus op de feiten: Nederland krijgtvaker te maken met te veel en te weinig water. In alle scenario’s wordende opgaven voor watertekort, wateroverlast en waterveiligheid groter. Opsteeds meer plaatsen ontstaan knelpunten en de wateropgaven stapelenzich meer en meer op. Zelfs in de meest optimistische scenario’s blijft hetklimaat veranderen, met grote gevolgen voor de hele samenleving. Desnelheid waarmee de opgaven toenemen verschilt per scenario en pergebied. In de nieuwe Deltascenario’s «Stoom» en «Warm» verandert hetklimaat sterker en groeit ook de bevolking en de economie sterker dan in«Vlug» en «Ruim». Op de hoge zandgronden (en andere gebieden zonderaanvoer) leidt droogte nu al tot problemen. In de kustgebieden zalverzilting verder toenemen door de zeespiegelstijging in combinatie metlagere rivierafvoeren in de zomer. In alle scenario’s worden de zomersdroger en de winters natter.In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samenom het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar temaken tegen droogte. Tot nu toe hebben we in de praktijk vooral ingezetop optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018 en2022 hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimali- kst-27625-669ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6691 satie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA)1,de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparendemaatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren vande waterverdeling over de Rijntakken en het aanpassen van gemalen voorhet regionale watersysteem. De inzet op optimalisatie van het water-systeem en zoveel mogelijk faciliteren van de watervraag wordt voort-gezet. Dit is echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van dezoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aande veranderende omstandigheden en kan daar niet langer mee wachten.Het aanpassen en transformeren van de ruimtelijke inrichting en hetrealiseren van meer ingrijpende systeemmaatregelen vergt veel tijd. Het iszaak om daarop niet te wachten en nu met extra energie aan de slag tegaan met de structurerende keuzes in de brief «Water en Bodemsturend»2, de Kamer op 25 november 2022 heeft ontvangen. Hierin wordtonder meer aangegeven hoe belangrijk het is om de waterbeschik-baarheid sturend te laten zijn in alles wat we doen, van publieke ruimte-lijke plannen en ingrijpen tot individuele keuzes, gedrag en maatregelenvan ondernemers en consumenten. Sindsdien is er een aantal belangrijkestappen gezet. De implementatie van de brief is uitgewerkt in de Lande-lijke Strategie en Interbestuurlijke Uitvoeringsagenda Water en Bodemsturend, die de Kamer op 27 november 2023 heeft ontvangen3. In de briefvan 5 oktober 2023 over buitendijks bouwen in het Markermeer enIJsselmeergebied4 is aangegeven dat buitendijkse plannen het water-bergend vermogen, de zoetwaterbuffer of de waterkwaliteit en natuur nietmogen aantasten. Het ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptievegebouwde omgeving brengt de risico’s vanuit het water- en bodem-systeem in kaart en helpt bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijkeontwikkelingen5. Voorts heeft de Kamer op 23 april 2024 een wetsvoorstelaangenomen om diverse onderdelen van de waterschapsbelastingen aante passen6. Indien de Eerste Kamer hiermee instemt zal dit naarverwachting op 1 januari 2026 in werking treden. Een van de onderdelenvan dit wetsvoorstel betreft de mogelijkheid voor waterschappen om dekosten van een (zoet)wateraanvoervoorziening alleen in rekening tebrengen bij specifiek diegenen die hier profijt van kunnen hebben. Dezekosten worden dan niet meer omgeslagen naar alle belastingbetalers inhet waterschap.In deze brief wordt aangegeven wat de KNMI»23-klimaatscenario’s7, detussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging8, de nieuweDeltascenario’s 20249 én een recent rapport over de waterbalans van laagNederland10 betekenen voor de zoetwaterbeschikbaarheid in Nederland.Deze inzichten laten zien dat de huidige zoetwaterstrategie11, vanfaciliteren en optimaliseren, minder lang houdbaar is dan tot nu toegedacht. De urgentie van het uitvoeren van de landelijke strategie eninterbestuurlijke uitvoeringsagenda om water en bodem sturend te latenzijn bij de ruimtelijke plannen van Rijk en regio, zoals de Nota Ruimte, het1De KWA is een voorziening om zoetwater naar West-Nederland, te leiden, indien de aanvoervan zoetwater vanuit de Rijn door droogte te beperkt is.2Kamerstukken 27 625, nr. 5923Bijlage bij Kamerstukken 27 625, nr. 6594Kamerstukken 27 625, nr. 6545Kamerstukken 27 625, nr. 6666Kamerstukken 36 412, nr. 27Kamerstukken 32 813, nr. 12998Kamerstukken 36 410 J, nr. 5 en nr. 99Kamerstukken 27 625, nr. 66710https://www.deltares.nl/expertise/publicaties/zoetwaterbalans-van-laag-nederland-in-een-warmer-klimaat11De huidige zoetwaterstrategie is opgenomen in het Nationaal Waterprogramma 2022–2027 enin het Deltaprogramma Zoetwater.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6692 programma NOVEX, het NPLG en de provinciale plannen voor hetlandelijk gebied wordt daarmee benadrukt. Deze brief geeft ook aan hoeRijk en regio samen met alle betrokken partijen, deze inzichten gebruikenvoor de herijking van de Deltabeslissing Zoetwater in 2026 en voor hetopstellen van ruimtelijke plannen, zoals de Nota Ruimte.De komende jaren werken we keuzes uit om de watervraag te beperken enhet aanbod te verhogen. De vraag kunnen we beperken door zuiniger omte gaan met water en minder water te gebruiken om verzilting tegen tegaan en door lokaal in verziltingsgevoelige gebieden hogere zoutgehalteste accepteren. Omdat er in de winter meer neerslag valt en de rivierenmeer water aanvoeren, kunnen we het wateraanbod verhogen door waterin de bodem en de ondergrond vast te houden en meer ruimte te makenvoor waterbergingen in bijvoorbeeld polders, stedelijk gebied, hetIJsselmeergebied en/of de Zuidwestelijke delta. Dat zal echter ookbetekenen dat we vaker wateroverlast moeten accepteren wat gevolgenheeft voor het landgebruik. De nieuwe inzichten vormen de basis voor deherijking van de Deltabeslissingen in 2026 en de besluitvorming daaroverin het Nationaal Waterprogramma 2028–2033.1. Huidige situatie in Nederland In Nederland hebben we in de herfst- en wintermaanden een overschotaan neerslag. Een deel wordt opgeslagen in de ondergrond, het grootstedeel wordt via het hoofdwatersysteem afgevoerd naar de zee omwateroverlast te voorkomen. Gebieden zonder wateraanvoer, zoals dehoge zandgronden, delen van Zeeland en de Waddeneilanden zijn voorhun zoetwater volledig afhankelijk van neerslag. In laag-Nederlandkunnen neerslagtekorten worden aangevuld met rivierwater en met wateruit de zoetwaterbuffers, zoals het IJsselmeer. Tegelijkertijd wordt in drogezomers 70% van de rivieraanvoer gebruikt om verzilting te bestrijden.In zeer droge jaren, zoals in 2018 en 2022, was er sprake van zoetwater-tekort. Dit leidde tot schade aan woningen, cultureel erfgoed, landbouw,natuur en scheepvaart en dit had negatieve effecten op de ecologie enwaterkwaliteit. In deze jaren is het wel gelukt om cruciale functies zoalsdrinkwater- en energievoorziening in stand te houden en was er relatiefweinig maatschappelijke schade door toepassing van de van de landelijkeverdringingsreeks12 en de regionale uitwerkingen daarvan.2. Nieuwe wetenschappelijke inzichten over zoetwaterbeschik-baarheid in Nederland In recent verschenen rapporten, zoals de KNMI»23-klimaatscenario’s, deRivierafvoerscenario’s13, de Deltascenario’s 2024, de tussenresultaten vanhet Kennisprogramma Zeespiegelstijging en een rapport over dezoetwaterbalans van laag Nederland, staan nieuwe inzichten in de impact12De verdringingsreeks geeft een rangorde voor de verdeling van de hoeveelheid water bijwaterschaarste. De verdringingsreeks bestaat uit 4 categorieën. De rangorde van belangenbinnen de categorieën 1 (veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade) en 2 (nutsvoor-zieningen in verband met leveringszekerheid) is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)vastgelegd. Dit staat in artikel 3.14. Binnen de categorieën 3 (kleinschalig hoogwaardiggebruik) en 4 (overige belangen) legt het Bkl geen rangorde vast. De provincie kan in deomgevingsverordening een rangschikking binnen categorie 3 en 4 vastleggen. Dit kan alleenbinnen deze categorieën, maar niet tussen de categorieën.13https://www.deltares.nl/expertise/publicaties/implications-of-the-knmi23-climate-scenarios-for-the-discharge-of-the-rhine-and-meuseTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6693 van klimaatverandering en sociaaleconomische ontwikkelingen op dezoetwaterbeschikbaarheid in Nederland in 2050 en 210014.De KNMI»23-klimaatscenario’s laten zien dat het in alle scenario’s warmeren in het zomerhalfjaar droger wordt in Nederland. De verwachting is dathet gemiddelde neerslagtekort in de zomer in Nederland sterk zaltoenemen (50% tot 80% meer dan nu), vooral in het zuiden van het land.In 2100 wordt in het droogste scenario, een gemiddelde zomer in detoekomst ongeveer even droog als een zeer droge zomer zoals in 2022.Naast dit «nieuwe normaal» worden dan de extreme zomers nog droger.De totale hoeveelheid neerslag over het hele jaar neemt toe, doordat er inhet winterhalfjaar meer neerslag valt. Het wordt dus natter én droger inNederland. In de zomer zullen de gemiddelde rivierafvoeren verder dalen,door gesmolten gletsjers, minder sneeuw in de Alpen, en minder neerslagen meer verdamping als gevolg van hogere temperaturen in het stroom-gebied van de Rijn. Ook de Maas heeft te maken met afnemendezomerafvoeren. De minimale zomerafvoeren van de Rijn en Maas zullen in2100 met 10% afnemen als de klimaatafspraken van Parijs wereldwijdworden nagekomen, en met 30% als dat niet lukt. In het winterhalfjaarvoeren de rivieren juist meer water aan. Door verdamping neemt dewatervraag voor peilbeheer overal toe. In het bijzonder neemt dewatervraag om verzilting tegen te gaan exponentieel toe7 in kustgebiedenen polders, uitgaande van het huidige regime om oplopende zoutconcen-traties tegen te gaan. Ook de zoetwaterdebieten die nodig zijn omzoutindringing bij open en gesloten zeearmen tegen te gaan, nemen doorzeespiegelstijging exponentieel toe. Al vóór 2050 zal er onvoldoendezoetwater beschikbaar zijn in droge zomers om (overal) zoutindringing tebestrijden.De nieuwe Deltascenario’s 202415 presenteren op basis van de nieuwstewetenschappelijke inzichten een totaalbeeld van ontwikkelingen dieinvloed hebben op het waterbeleid en het ruimtelijk beleid, zoalsklimaatverandering, zeespiegelstijging, rivierafvoeren en de sociaalecono-mische en ruimtelijke scenario’s van het PBL en Wageningen Universiteit& Research.In alle vier de Deltascenario’s nemen de opgaven voor zoetwaterbeschik-baarheid, wateroverlast en waterveiligheid in 2050 en 2100 substantieel14In de technische bijlage bij deze brief wordt meer uitgebreid ingegaan op deze nieuweinzichten.15Kamerstukken 27 625, nr. 667Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6694 toe. Dit raakt alle gebieden en watergebruikers. De opgaven van zoetwa-terbeschikbaarheid en wateroverlast zijn nu al urgent. In alle scenario’sraken het wateraanbod en de watervraag verder uit balans. Steeds vakeris er in de zomer niet genoeg water voor alle functies. Het aanbod vanzoetwater in de zomerperiode neemt af door toenemende verdamping,langere perioden van droogte, lagere rivierafvoeren en toenemendeverzilting. Deze veranderingen worden groter naarmate het klimaat verderverandert. De watervraag neemt in alle scenario’s sterk toe, onder meervoor doorspoeling van watersystemen (verziltingsbestrijding), beregeningvan landbouwgebieden, drinkwater en natuur. Vernatting van laagveen,om bodemdaling en de uitstoot van CO2 te verminderen, wordt eennieuwe grote watervrager. Er treden in alle nieuwe scenario’s vakerzoetwatertekorten op in het zomerhalfjaar. Hierdoor zal de maatschappe-lijke schade toenemen. Het beschikbare water heeft steeds vaker niet degewenste kwaliteit: door verzilting, door hogere temperaturen en doordatverontreinigingen minder verdund worden bij lage afvoeren.Deltares heeft in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat recent het rapport «De zoetwaterbalans voor laag Nederland ineen warmer klimaat»16 opgeleverd. Dit rapport is als bijlage bij deze briefgevoegd.De waterbalans geeft aan of de Rijn en Maas tijdens de zomerperiodevoldoende water aanvoeren om de toename van de watervraag17 inlaag-Nederland aan te kunnen. Het rapport laat zien hoe het watertekort(het verschil tussen watervraag en wateraanbod) tijdens extreme droogtein laag-Nederland zich ontwikkelt bij een combinatie van klimaatop-16https://publications.deltares.nl/11210362_000_0001.pdf17Uitgaande van het huidige beleid om verzilting zo veel mogelijk tegen te gaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6695 warming en versnelde zeespiegelstijging en wat de grootste compo-nenten hierin zijn. Hiervoor zijn inzichten uit de KnelpuntenanalyseZoetwater en het Kennisprogramma Zeespiegelstijging gecombineerd ineen waterbalans voor een extreem droge zomermaand. Uit de water-balans blijkt dat de watertekorten tijdens extreem droge zomers flinktoenemen als het klimaat verder opwarmt én de zeespiegel verder stijgt.Bij 1 meter zeespiegelstijging is de watervraag ongeveer twee keer zogroot als de beschikbare wateraanvoer via de Rijn. De toename van hettekort wordt veroorzaakt door een toename van de vraag om het waterzoet te houden bij vooral de Afsluitdijk, in de regio’s Noord en West en deNieuwe Waterweg in combinatie met een lagere Rijn- en Maasafvoer.Zelfs bij een gematigde klimaatverandering van +2 °C en 0,4 meterzeespiegelstijging, neemt het tekort aanzienlijk toe tot 400 m3/s, eerst doorafnemende rivieraanvoer en later door exponentiele groei van debehoefte aan zoetwater voor met name verziltingbestrijding. Er zal in dezomer onvoldoende zoetwater zijn om alle vraag in aanvoergebieden vanlaag-Nederland aan te kunnen. De tekorten kunnen in 2100 in een extreemdroge zomer, zoals in 2018 en 2022, tot circa 600 m3/s groeien. We zoudenna 2100 qua volume een tweede Rijn nodig hebben om alle gebiedentijdens een extreme droogte op het huidige niveau zoet te houden.Deze nieuwe inzichten maken duidelijk dat de huidige zoetwaterstrategieniet toereikend is om in toekomstige droge zomers maatschappelijkeschade door zoetwatertekorten te voorkomen. In een droge zomer zal nietaltijd voldoende zoetwater beschikbaar zijn om verzilting te bestrijden. Datbetekent dat alle watergebruikers en alle gebieden zich moeten aanpassenaan een situatie waarin voldoende zoetwater niet altijd en overalvanzelfsprekend is. Dat vergt soms ingrijpende bestuurlijke keuzes vooralle sectoren. Voorbeelden daarvan zijn: minder water gebruiken, meerruimte voor vasthouden en opslaan van water, verhoging van degrondwaterpeilen op de hoge zandgronden, het accepteren van meerverziltende condities in de kustgebieden en vaker schutbeperkingen voorde scheepvaart. De verzilting is overigens nu al gaande. Sommigewaterschappen communiceren nu al als het tegengaan van verzilting doorwatertekort tijdelijk niet meer mogelijk is, bijvoorbeeld het Hoogheem-raadschap Rijnland in de Haarlemmermeer.3. Gevolgen en handelingsperspectief per landsdeel De nieuwe Klimaat- en Deltascenario’s laten zien dat we in de zomerpe-riode vaker te maken gaan krijgen met watertekorten dan tot nu toeverwacht werd. Daarbij kunnen niet alle functies van voldoende zoetwaterworden voorzien en zal de verdringingsreeks vaker ingezet moetenworden.Vanuit het Deltaprogramma Zoetwater (DPZW) worden diverse maatre-gelen verkend om de watervoorziening vanuit het hoogwatersysteem teoptimaliseren (slimmer situationeel verdelen, aanpassing van deafvoerverdeling Rijntakken bij Pannerden, vergroten van de IJsselmeer-buffer, beperken van zoutintrusie bij spui- en schuitsluizen, realisatie vaneen tweede aanvoerroute naar het Markermeer en IJsselmeer via hetAmsterdam-Noordzeekanaal). Het doel van optimalisatie is om dewatervoorziening op korte termijn te verbeteren. Grootschalige systeem-keuzes en kostbare infrastructurele maatregelen kunnen daarmee zo langmogelijk worden uitgesteld. Deze strategie is gezien de nieuwste inzichtenminder lang houdbaar dan eerder werd gedacht. Daarom wordt er in 2024gestart met een verkenning naar haalbaarheid en wenselijkheid van meeringrijpende maatregelen («hoekpunten»), zoals het tegengaan vanverzilting in de Rijn-Maasmonding zodat het rivierwater efficiënter wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6696 benut. Daarbij wordt ook gekeken naar de effecten voor de ecologie,waterkwaliteit, scheepvaart en andere functies.Gebieden zonder wateraanvoer: hoge zandgronden, Wadden- en ZeeuwseeilandenOp delen van de hoge zandgronden, de Zeeuwse eilanden en de Wadden-eilanden is de droogteproblematiek nu al dermate urgent dat meermaatregelen moeten worden genomen in het ruimtelijk domein, gerichtop herstel van de waterbalans. In deze gebieden treden vaker waterte-korten op door toename van het neerslagtekort, door intensieve ontwa-tering, door toename van (grond)wateronttrekkingen en door eenstijgende watervraag in alle sectoren. Dit leidt tot verdroging van (deelsinternationaal beschermde) natuur, schade aan bebouwing en cultureelerfgoed zoals landgoederen, en tot onttrekkingsverboden, oogstverliezenen knelpunten bij de drinkwatervoorziening.Volgens de KNMI»23-klimaatscenario’s kan het neerslagtekort in hetdroogteseizoen in 2100 met 50% tot 80% toenemen. Daarmee wordt dehuidige droogteproblematiek versterkt en dat noodzaakt tot scherpebestuurlijke keuzes in de ruimtelijke inrichting en sturing op het landge-bruik. Herstel van het natuurlijk waterbergend vermogen van de bodem,het (grond)watersysteem en reductie van de watervraag zijn noodzakelijk.Dit heeft vooruitlopend op de publicatie van de klimaatscenario’s alinvulling gekregen in de brief van november 2022 met de structurerendekeuzes om:•de grondwaterstanden te verhogen en grondwateronttrekkingenverder te reguleren (onttrekkingsplafonds, voorkeursvolgorde,bufferzones);•intensieve drainage en watergebruik te verminderen;•in gebiedsprocessen te borgen dat water langer vastgehouden enminder snel afgevoerd wordt door de sponswerking van de bodem teherstellen en een robuust grondwatersysteem te bereiken.Het bovenstaande betekent dat het sturen op een nieuw evenwicht tussente veel en te weinig water noodzakelijk is. Dat heeft consequenties voorhet ruimtegebruik in het landelijk gebied (agrarisch gebruik, beperktereinzet van zwaar materieel) en het stedelijk gebied (grondwaterstandenzullen tijdens lange natte periodes vaker iets hoger zijn dan nu het gevalis). Het is noodzakelijk dat deze bestuurlijke keuzes door de provinciesverankerd worden in de ruimtelijke plannen. Dit regionale maatwerkwordt door het Rijk ondersteund met regie, regelgeving en met verdien-modellen die landbouw en het bodem- en watersysteem een duurzaamperspectief bieden.Voor de hoge zandgronden is het herstel van het grondwatersysteemnodig, terwijl sprake is van een toenemende (grond)watervraag van delandbouw en voor de drinkwatervoorziening. In verschillende gebiedenkunnen zakelijke klanten nu al niet altijd voorzien worden van water vandrinkwaterkwaliteit. Er bestaan ook zorgen over de toenemende drinkwa-tervraag als gevolg van nieuwe woningbouwlocaties. In de brief vannovember 2022 is daarom ook een aantal sturende uitspraken gedaan tenaanzien van de drinkwatervoorziening in deze gebieden. Zoals het inzettenvan andere soorten bronnen, keuze van vestigingslocatie van bedrijven enruimtelijke ontwikkeling gebaseerd op waterbeschikbaarheid en ook deinzet om 20% drinkwater te besparen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6697 Gebieden met wateraanvoer: laag-Nederland en de verziltende kustge-biedenLaag-Nederland is voor de zoetwatervoorziening in hoge mate afhankelijkvan de aanvoer vanuit de rivieren Rijn en Maas. Zoetwater wordt benutvoor diverse functies (landbouw, natuur, drinkwater, industrie, scheep-vaart, recreatie) en om verdroging van waterkeringen, bodemdaling enfunderingsschade te voorkomen. Dat kan overigens ten dele ook met brakwater dat in de kustgebieden voldoende beschikbaar is. Het grootste deelvan de rivierafvoer is nu nodig om de zoutindringing vanuit de openzeeverbindingen, sluizen en grondwater tegen te gaan. De huidigewaterverdeling tijdens lage rivierafvoeren loopt in droge jaren tegengrenzen aan. In 2018 en 2022 resulteerde dat in beperkingen voor descheepvaart, verminderde wateraanvoer naar verschillende locaties enknelpunten voor de drinkwaterwinning in verband met de verzilting vanhet IJsselmeer.Om bodemdaling en broeikasgasemissies in laagveengebieden teverminderen en funderingsschade zoveel mogelijk te voorkomen, moetende grondwaterstanden verhoogd worden tot 40 à 20 cm onder hetmaaiveld, zoals aangegeven in de Kamerbrief over Water en bodemsturend1. Dit geeft een extra watervraag waaraan niet in alle droge jarenoveral aan kan worden voldaan. De grootschalige grondwaterstandsver-hoging in de laagveengebieden zet de zoetwaterbeschikbaarheid voorWest- en Noord-Nederland onder druk en zal gevolgen hebben voorandere deelgebieden en andere functies. In de regionale ruimtelijkeplannen kan deze zoetwatervraag worden beperkt door lokaal water vastte houden, gebieden aan te geven waar incidentele peil uitzakkingacceptabel is en door brakker water in te laten. De beperkingen in deaanvoer en de gevolgen van de watervraag voor andere functies, vragenom afwegingen door de provincies tussen de omvang van remmen vanbodemdaling en de waterbeschikbaarheid voor andere functies, zoalsdoorspoelen of beregening.De watervraag voor drinkwaterbereiding en voor industrie lijkt zeker tot1 meter zeespiegelstijging voor de meeste gebieden beheersbaar. Bij dedrinkwaterwinningslocatie van drinkwaterbedrijf en natuurbeheerderPWN (Waterleidingbedrijf Noord-Holland) aan het IJsselmeer bij Andijk,worden nu al wel knelpunten geconstateerd en zijn er extra maatregelennodig om de zoutindringing bij de spui- en schutsluizen in de Afsluitdijktegen te gaan. Beschikbaarheid van oppervlaktewater voor leveringsze-kerheid van drinkwaterbereiding heeft al een van de hoogste prioriteitenbij watertekort. Nu de grondwatervoorraden deels ontoereikend blijken, isde beschikbaarheid van oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding nogbelangrijker. Daarnaast is het noodzakelijk dat drinkwaterbedrijven meeren langer kunnen bufferen, bronnen diversifiëren en serieus de mogelijk-heden onderzoeken voor winning van drinkwater uit alternatieve bronnen,zoals brakwater. Dit zal meer ruimte gaan vragen en gevolgen hebbenvoor andere gebruikers, waarbij samen met de medeoverheden, telkensgezocht zal worden naar een goede afweging van verschillende ruimte-lijke belangen.Zoetwater wordt door de energiesector en de industrie ook gebruikt alsproces-, productie- en koelwater. Toename van de watertemperatuur doorklimaatverandering zal vaker leiden tot innamebeperkingen voorkoelwatergebruik. Bron en locatie zijn hierbij bepalend. Er liggen kansenvoor ontzilting van brak- of zoutwater voor koelwaterdoeleinden. Dit kostwel meer ruimte, energie en geld en daarvoor dient dus een afgewogenkeuze te worden gemaakt. Hierbij moeten ruimtelijke effecten in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6698 breedste zin worden meegenomen omdat keuzes in een keteneffecthebben.Door de toenemende vraag en het afnemende aanbod in de zomerkunnen op termijn niet alle regio’s en niet alle functies op het huidigevoorzieningenniveau voor waterbeschikbaarheid blijven. Daarom wordtter voorbereiding op de herijking van het Deltaprogramma Zoetwater in2026 de toekomstige zoetwatervraag van alle zoetwaterregio’s in beeldgebracht en worden maatregelen in waterbeheer en landgebruikonderzocht om deze watervraag in balans te brengen met het water-aanbod. In het programma Integraal Rivier Management (IRM)18 wordtonderzocht hoe rivierbodemerosie van de Rijn en Maas en de daarmeesamenhangende verdroging kan worden tegengegaan. Tevens wordtonderzocht in hoeverre de afvoerverdeling van de Rijn tijdens laagwaterhersteld kan worden ten behoeve van de zoetwatervoorziening vanNoord-Nederland (afhankelijk van de IJssel en de zoetwaterbuffer in hetIJsselmeer) en Oost-Nederland (via de Twentekanalen). De resultaten vandeze en andere programma’s vormen de basis voor de herijking van deDeltabeslissingen in 2026 en de besluitvorming daarover in het NationaalWaterprogramma eind 2027.Toenemende verzilting in de kustgebiedenUit de Tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging blijktdat het effect van zeespiegelstijging bij zeesluizen op verzilting groter isdan eerder gedacht. Daarom is de inzet om verzilting bij de zeesluizenzoveel mogelijk te verminderen, door bij nieuwbouw, vervanging enrenovatie van kunstwerken rekening te houden met klimaatverandering enmaatregelen te nemen om zoutintrusie te minimaliseren. Een voorbeelddaarvan is de selectieve onttrekking (zoutdam) bij het sluizencomplex inIJmuiden, die nu in aanbouw is.De huidige optimalisatiemaatregelen kunnen echter niet voorkomen datverzilting in de kustgebieden zal toenemen. Dat zal leiden tot afwegingenin de tijd waar verzilting wel en niet kan worden bestreden. Dit procesverloopt geleidelijk, wat regio’s de mogelijkheid biedt gebruikers eenperspectief te schetsen waar zij zich op kunnen voorbereiden doorbijvoorbeeld andere bedrijfsvoering of andere teelten. In de brief «Wateren bodem sturend» van november 2022 is al aangegeven dat bij zoetwa-tertekorten de watervoorziening om bodemdaling tegen te gaan vóór gaatop de watervraag om verzilting te bestrijden.4. Gevolgen en handelingsperspectief per functie Natuur, landbouw en waterkwaliteitDe afnemende waterbeschikbaarheid heeft negatieve effecten op natuur,biodiversiteit en waterkwaliteit. Dat geldt vooral voor natuur op de hogezandgronden, die afhankelijk is van grondwater. Aanpassingen in hetwaterbeheer, verhoging van grondwaterstanden, hydrologisch herstel vanbeekdalen, water beter vasthouden en minder water onttrekken, zijnbelangrijke voorwaarden voor natuurherstel. Het feit dat er niet altijdvoldoende zoetwater beschikbaar zal zijn voor het tegengaan vanverzilting in bepaalde gebieden betekent niet dat in die gebieden geenlandbouw of natuur meer mogelijk is. Zo kunnen ondernemers door hetvasthouden en slim benutten van regenwater, en met een aangepastebedrijfsvoering en teeltkeuze landbouw blijvend mogelijk maken, mits zijtijdig op de hoogte worden gesteld van de veranderende condities. Bij de18Kamerstukken 31 710, nr. 84Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 6699 uitwerking van de provinciale plannen voor het landelijk gebied is hetbelangrijk om het perspectief te schetsen voor gebieden waar verziltingop termijn onvermijdelijk is. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de Actiepro-gramma’s Klimaatadaptatie Landbouw19 en Natuur van het Ministerie vanLandbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.Minder wateraanvoer in de zomer betekent ook minder verdunning vanlozingen in het oppervlaktewater met als gevolg een verslechtering van dewaterkwaliteit. Ook wordt bemesting minder goed opgenomen in drogeperiodes, wat leidt tot hogere nutriëntconcentraties in grond- en opper-vlaktewater. Daarnaast leidt stijging van watertemperatuur tot nadeligeecologische effecten in het water en tot minder ruimte voor lozing vankoelwater. Dat kan beperkt worden door het gebruik van geslotenkoelsystemen en het benutten van restwarmte.Industrie en energiesectorDe zoetwatervoorziening voor de industrie en de energiesector komttijdens droge zomers onder druk te staan. Bedrijven kunnen zich hieropvoorbereiden met behulp van het instrument «waterprofielen»20 dat isontwikkeld in opdracht van de Ministeries van Infrastructuur en Water-staat en Economische Zaken en Klimaat in samenwerking met deVereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW). Industriële waterpro-fielen verschaffen informatie over de watervoorziening van bedrijven enimpact van watertekorten op bedrijven. Daarbij gaat het onder meer omhet type water dat wordt gebruikt, het doel waarvoor het wordt gebruikt(bijvoorbeeld proces- of koelwater), de gevoeligheid voor en mogelijkeketeneffecten van onderbreking van de waterlevering. Waterprofielengeven ook handvatten voor de mogelijkheden voor waterbesparing,hergebruik van water en voor diversificatie van waterbronnen.Voor de transitie naar een klimaatneutrale samenleving in 2050 is hetcruciaal dat waterstoffabrieken in de toekomst naast voldoende energieook kunnen beschikken over voldoende water voor koeling en voor deproductie van waterstof. Landinwaarts kan deze beschikbaarheid nietgegarandeerd worden omdat tijdens warme, droge zomers zoetwaterte-korten kunnen ontstaan en er beperkingen kunnen gelden voor het lozenvan koelwater vanwege waterkwaliteit en -temperatuur. Het toekomstbe-stendige perspectief is dat waterstoffabrieken gevestigd worden oplocaties waar windenergie vanaf zee aan land komt en waar brak ofzoutwater het hele jaar beschikbaar is voor koeling. Op deze locaties kanmet de beschikbare energie zout of brak water ontzilt worden voorproductie en koeling. En kan de restwarmte gebruikt worden voorbijvoorbeeld woningen, industrie of energie. Een andere mogelijkheid isom op termijn op zee waterstof te produceren. In dit geval is de productieen koeling volledig afhankelijk van het ontzilten van zeewater. Voorgesloten koelsystemen gelden meer mogelijkheden voor alternatieveaanlandlocaties.ScheepvaartDe vaker optredende lage Rijnafvoeren leiden tot verminderde vaardieptevoor de scheepvaart. De Zwitserse overheid schat bij het droogsteklimaatscenario dat de zomer-Rijnafvoer bij Basel rond 2050–2080 met19Kamerstukken 35 300 XIV, nr. 7020https://www.deltaprogramma.nl/documenten/publicaties/2021/10/06/eindrapport-pilot-waterprofielen-industrieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 66910 50% zal afnemen21. Lagere rivierafvoeren hebben effecten op devaardiepte en breedte en dus op de betrouwbaarheid van het vaarwegen-netwerk en daarmee op de bereikbaarheid van het Nederlands enEuropees achterland22. Naast verminderde vaardiepte heeft de scheep-vaart bij lage afvoeren ook te maken met extra wachttijden als gevolg vanschutbeperkingen bij sluizen om zoetwater te besparen. Voorkomen moetworden dat deze ontwikkelingen leiden tot een omgekeerde modal shiftnaar vervoer van goederen over de weg en het spoor.5. Doorwerking inzichten in plannen en omgeving Deze brief bouwt voort op de landelijke strategie water en bodem sturenden schetst een aantal perspectieven om de zoetwateropgave beheersbaarte houden richting de besluitvorming over de lopende ruimtelijke plannen,de 2e Herijking van het Deltaprogramma en het Nationaal Waterpro-gramma in 2026 en 2027.Ten eerste is het duidelijk dat alle gebruikers en alle sectoren hetwatergebruik in droge periodes moeten verminderen. Daarvoor is het ishet noodzakelijk dat alle regio’s een zoetwaterbalans in beeld brengen,waarbij de toekomstige zoetwatervraag in evenwicht wordt gebracht methet wateraanbod. Het perspectief voor grote watergebruikers is dat er inde kustgebieden altijd voldoende brak oppervlaktewater en zoutwaterbeschikbaar is, ook tijdens zoetwatertekorten.Ten tweede moeten alle partijen en sectoren zich structureel aanpassenaan de veranderende omstandigheden en daar niet langer mee wachten.Het aanpassen en transformeren van de ruimtelijke inrichting en hetrealiseren van grote infrastructurele maatregelen vergt veel tijd en heeftsocio-economische gevolgen. Het is daarom zaak dat Rijk en regio nuwerk maken van de Landelijke Strategie en Interbestuurlijke Uitvoerings-agenda Water en Bodem Sturend van 27 november 2023. Dat vergtcommitment, inzet en sturing van alle bestuurslagen om de richtingge-vende keuzes te implementeren in ruimtelijk beleid van Rijk en regio, zoalsde Nota Ruimte, het Programma NOVEX, de nationale aanpak klimaat-adaptatie gebouwde omgeving, het Nationaal Programma Landelijkgebied en de daarop gebaseerde Provinciale plannen voor het landelijkgebied. In de contourennotitie Nota Ruimte is benoemd dat het water- enbodemsysteem, onder de noemer van water en bodem sturend,vertrekpunt vormt bij de ordening en inrichting van ruimtelijke functies.Om afwenteling naar toekomstige generaties te voorkomen moetenwater- en bodemsystemen hersteld worden en meer aansluiten bij hetnatuurlijke systeem. Dat noodzaakt om zo veel mogelijk water vast tehouden en te besparen. De betekenis hiervan voor ruimtelijke keuzes enlandgebruik worden nadrukkelijk meegenomen in de nieuwe Nota Ruimte.Actieve participatie van sectoren en inwoners is ook essentieel voor deacceptatie en werkelijke implementatie van maatregelen en gedragsaan-passing. Dit verdient de komende jaren meer aandacht.21Hydro-CH2018 scenario’s: «Forest, glacier and hydrology change in Switzerland», FederalOffice for the Environment et al., 2018–2020.22De fysieke ruimte op de Rijn(takken) (vaardiepte en -breedte) voor de scheepvaart is bijlaagwater beperkt, schepen kunnen beperkt afladen en moeten meer reizen maken omdezelfde hoeveelheid lading op bestemming te krijgen; in extreme situaties is het vervoerenvan de gewenste hoeveelheid lading binnen de gegeven tijd niet mogelijk. Dit heeft negatieveconsequenties. De schade door droogte op de rivieren in 2018 werd geschat op € 300 miljoenvoor Nederland en € 2,2 miljard voor de Duitse industrie. Als gevolg van droogte betaaldentransportbedrijven in 2018 30–40% meer voor vervoer. 80% bulk en 35% containervervoer gaatnu over water en kan grotendeels niet opgevangen worden door alternatieve modaliteiten ofroutering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 66911 In het Nationaal Waterprogramma 2028–2033 vindt besluitvorming plaatsover de mogelijke grotere systeemkeuzes. Dat betreft onder meer dewaterverdeling in het Hoofdwatersysteem, het vergroten van de zoetwa-terbuffer in het Markermeer/IJsselmeer, een mogelijke tweede aanvoer-route naar Markermeer/IJsselmeer via het Amsterdam-Rijnkanaal enmaatregelen om de verzilting tegen te gaan in de Rijn-Maasmonding. Datzijn grote, kostbare infrastructurele maatregelen, die een grote impacthebben en die een zorgvuldige voorbereiding vergen. Ter voorbereidingdaarop worden in 2024 en 2025 de hoekpunten van het speelveld verkend,vergelijkbaar met de oplossingsrichtingen van het KennisprogrammaZeespiegelstijging. Daarmee worden verschillende perspectieven enontwikkelpaden voor de lange termijn zichtbaar gemaakt. Bijvoorbeeldeen perspectief gericht op maximaal faciliteren, waarbij alle technischemogelijkheden uit de kast worden getrokken om met grote infrastructurelemaatregelen alle functies zo lang mogelijk van zoetwater te voorzien. Eenander perspectief is het aanpassen aan drogere en nattere condities enhet accepteren van meer verzilting. De Kamer wordt hierover eind 2024nader geïnformeerd.Internationale samenwerking in de stroomgebiedenDe waterbeschikbaarheid in Nederland is in grote mate afhankelijk van dewateraanvoer via de Rijn en Maas. Tegelijkertijd veroorzaakt de klimaat-verandering ook in de bovenstroomse landen grote uitdagingen. Daaromwerkt het Rijk intensief samen met de landen in deze internationalestroomgebieden via de internationale riviercommissies. In de Interna-tionale Commissie ter Bescherming van de Rijn (ICBR) is al afgesprokenom de gezamenlijke klimaatstrategie aan te passen. Als input hiervoorwordt in 2027 de gezamenlijke studie «Rheinblick» afgerond. Daarnaastwordt samengewerkt aan het in kaart brengen van het toekomstigwatergebruik en de waterallocatie in het gehele Rijnstroomgebied23. Ookvindt overleg met de buurlanden in samenwerkingsverband plaats overregionale grensoverschrijdende watersystemen, met het oog op gezamen-lijke analyse van de problematiek en oplossingsrichtingen.DrinkwatervoorzieningSamen met de drinkwaterbedrijven en het bevoegd gezag wordt gewerktaan het waarborgen van de drinkwatervoorziening, ook bij een afnemendezoetwaterbeschikbaarheid. Het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbe-sparing is in april door het Bestuurlijk Overleg Water vastgesteld en zal viaeen aparte brief aan de Kamer worden gestuurd. Voor de lange termijn enin het licht van de Motie Krul c.s.24 worden de Deltascenario’s gebruikt omeen analyse te maken over de wijze waarop binnen de verschillendescenario’s de drinkwatervoorziening gewaarborgd kan worden. Voor watbetreft de locatiekeuze voor nieuwe woningbouw en andere verstede-lijking hanteren we het ruimtelijk afwegingskader voor een klimaatadap-tieve gebouwde omgeving, waar drinkwaterbeschikbaarheid onderdeelvanuit maakt. Dat nemen we als uitgangspunt ook op in de Nota Ruimte.6. Vervolg In deze brief is duidelijk gemaakt dat de huidige zoetwaterstrategie – geletop de nieuwe inzichten over de omvang van de zoetwateropgave – niettoereikend is voor het doel om Nederland in 2050 weerbaar te laten zijntegen droogte en watertekorten. Deze inzichten worden in 2024 gebruikt23Beide studies vinden plaats in nauwe samenwerking van de Commissie voor de Hydrologievan de Rijn (CHR), de ICBR en de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR)24Kamerstukken 27 625, nr. 613Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 66912 om knelpunten per regio en per functie in detail en in de tijd beter tekwantificeren. Tevens worden in 2024 en 2025 perspectieven en ontwikkel-paden onderzocht en maatregelen uitgewerkt om Nederland beterweerbaar te maken tegen zoetwatertekorten. In 2027 vindt in het kadervan het Nationaal Waterprogramma 2028–2033 besluitvorming plaats overde herijking van het Deltaprogramma Zoetwater en Integraal Rivierma-nagement, inclusief de waterverdeling tijdens lage rivierafvoeren.TenslotteDe totale opgave om Nederland weerbaar te maken tegen zoetwaterte-korten in 2050 is groot en vergt een gezamenlijke aanpak van alleoverheden en alle watergebruikers. Naarmate we er beter in slagen om dewatervraag terug te dringen, het water beter vast te houden en het water-en bodemsysteem daadwerkelijk sturend te laten zijn voor ruimtelijkeinrichting zal de opgave beheersbaarder worden. Over de voortgang vandeze acties wordt u eind 2024 nader geïnformeerd.Verder werkt het kabinet aan de Nota Ruimte waarin de integrale visie opde ruimtelijke ordening van ons land wordt geschetst, inclusief richtingge-vende keuzes. Water en bodem zijn sturend voor ruimtelijke keuzes endaarmee ook voor keuzes in de Nota Ruimte. In de Nota Ruimte wordendaarom, in lijn met deze brief, keuzes gemaakt over wat er ruimtelijknodig is voor het aanpakken van de zoetwateropgave, in samenhang metandere ruimtelijke opgaven. Dit zijn complexe keuzes die zorgvuldigebesluitvorming en tijd vergen.Met het tijdig maken van belangrijke keuzes op basis van deze inzichtenkunnen we de juiste vervolgstappen zetten om Nederland leefbaar enaantrekkelijk te houden voor huidige en toekomstige generaties. Hetnieuwe kabinet is aan zet om deze keuzes te maken. Water en bodemsturend is geen keuze, maar een randvoorwaarde voor de duurzameleefbaarheid van Nederland.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,M.G.J. HarbersTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 27 625, nr. 66913

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · f5ec4c29d096760e

14 okt 2026 · fd3df3a0f8b2d066

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.