KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 29 januari 2025, over Discriminatie, racisme en mensenrechten

21 feb 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ed0846c394477a1f · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202530 950Racisme en DiscriminatieNr. 435 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 21 februari 2025 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 29 januari 2025overleg gevoerd met mevrouw Uitermark, Minister van BinnenlandseZaken en Koninkrijksrelaties, over:−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 17 januari 2025 inzake hoofdlijnennotitieversterking van het stelsel antidiscriminatievoorzieningen(ADV’s) (Kamerstuk 30 950, nr. 431);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 25 oktober 2024 inzake toezending evaluatie-rapport Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme(Kamerstuk 30 950, nr. 425);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 16 augustus 2024 inzake kabinetsreactie opde jaarlijkse rapportage van het College voor de Rechten vande Mens 2022 (Kamerstuk 33 826, nr. 54);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 25 juni 2024 inzake antwoorden op vragencommissie over voortgang aanpak van discriminatie (Kamer-stuk 30 950, nr. 365) (Kamerstuk 30 950, nr. 410);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 17 juni 2024 inzake evaluatie Wet gedeeltelijkverbod gezichtsbedekkende kleding (Kamerstuk 34 349,nr. 31);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 23 april 2024 inzake rapporten discriminatie-cijfers 2023 (Kamerstuk 30 950, nr. 366).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,De VreeDe griffier van de commissie,Honsbeek kst-30950-435ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4351 Voorzitter: RajkowskiGriffier: KlingAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van Baarle, Bamenga,Ceder, Deen, Koops, Van Meijeren, Van Nispen, Rajkowski en Tseggai,en mevrouw Uitermark, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties.Aanvang 16.04 uur.De voorzitter:Goedemiddag allemaal. U mag straks weer verder praten, want mijnmededeling is dat het debat wat later gaat beginnen. Dat heeft ermee temaken dat er in de plenaire zaal op dit moment ook een debat plaatsvindtvoor woordvoerders Binnenlandse Zaken. Dat debat loopt wat uit. Ze zijnwel begonnen aan de beantwoording in tweede termijn en de appreciatievan de moties. We wachten tot dat deel klaar is en dan nog vijf minuutjes,zodat de woordvoerders deze kant op kunnen lopen. Het gaat dus ietsuitlopen. We gaan niet eerder dan 16.15 uur beginnen, is mijn inschatting.Dus als mensen op de publieke tribune nog koffie of thee willen gaanhalen of even naar de wc willen: nu kan het nog. Tot straks.De vergadering wordt van 16.05 uur tot 16.16 uur geschorst.De voorzitter:Daar ben ik weer even. Het is nu 16.15 uur. Zoals de mensen in de zaal opde schermen kunnen zien, is de beantwoording in de plenaire zaal netbegonnen. Ik hoop niet dat die heel erg lang gaat duren. Zodra debeantwoording klaar is, schorsen we nog vijf minuten. Dus mijninschatting is dat we niet eerder dan 16.30 uur gaan beginnen. Dan weet udat vast.De vergadering wordt van 16.17 uur tot 16.30 uur geschorst.De voorzitter:U kon de bel net horen: wij beginnen over vijf minuten.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Geachte aanwezigen en mensen die meekijken met de livestream, dankvoor jullie geduld. We gaan nu toch echt beginnen met het lang beloofdedebat over discriminatie, racisme en mensenrechten. Zoals u kunt zien,zijn er een heel aantal sprekers vanuit de Kamer. Ook op de publieketribune zie ik veel betrokkenen. Ik wil als eerste de Minister voor ditonderwerp ook welkom heten. We gaan snel beginnen. Het kan zijn dat ugedurende het debat ook nog wat Kamerleden weg ziet lopen. Ik weet vanhen dat zij ook nog bij andere lopende debatten moeten zijn. Ik kan u vastvertellen dat dat dus geen desinteresse is. Ik begin met de ChristenUnie.Gaat uw gang.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Excuus. Ik ga nu weer veel te snel. Het is nog handig om te weten dat ueen spreektijd van vijf minuten heeft. Dat wisten de Kamerleden al. Ik geefu ruimte voor vier interrupties. Dat is inclusief de vervolgvragen. Dat heeftte maken met de tijd en de hoeveelheid Kamerleden. Ik wil de heerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4352 Van Nispen vragen om het debat even over te nemen als ik straks mijninbreng ga doen, want hij heeft de meeste anciënniteit. Dan gaan we nutoch naar de inbreng van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Ik wil ook allen die op de tribune zitten ofmeekijken van harte welkom heten.Voorzitter. Ik sprak gisteren een ChristenUnieraadslid dat mij over eenincident vertelde dat haar diep raakte. Haar zoon volgde rijlessen en deinstructeur vroeg hem waar hij vandaan kwam. Toen haar zoon aangaf dathij hier geboren was, zei de instructeur: wanneer ben je eindelijk klaar metlogeren hier en ga je terug naar je eigen land? Deze anekdote is voorsommigen misschien verrassend of een schok, maar voor anderen inNederland is het een realiteit die maar al te herkenbaar is. Racisme endiscriminatie zijn verschrikkelijke kwaden, of het nou op straat gebeurt,vanuit overheidsinstanties, op je werk of in de auto van een rijinstructeur.Het raakt iemand namelijk in zijn kern, in wie een persoon is. Voor deChristenUnie is dit een heel belangrijk onderwerp, omdat ieder mens eenonvervreemdbare waardigheid heeft en omdat wij geloven dat elk mensnaar het evenbeeld van God is geschapen. Ieder mens laat dus iets zienvan wie God is. Dat maakt ook dat ieder mens in zichzelf intrinsiekwaardevol is. Dit geloof vormt voor mij en voor alle christenen inNederland en daarbuiten een stevige basis en motivatie om ieder mensgelijk te behandelen en te zoeken naar een menswaardig bestaan vooriedereen.Voorzitter. Discriminatie maakt juist een inbreuk op deze waardigheid. Hetis ook verboden door de overheid. Omdat wij als mensen «geneigd zijn totalle kwaad» – om in de termen van de christelijke traditie te blijven – is hetook belangrijk dat de overheid wet- en regelgeving vaststelt. Toch hebbenwe de overheid de afgelopen jaren te vaak zelf de fout in zien gaan. Denkaan de kinderopvangtoeslag, die het bekendste voorbeeld is, maar denkook aan de indirecte discriminatie bij DUO of de LSI wijkgerichtefraudeaanpak, die ook gestopt is. Mijn vraag aan de aanwezige Minister is:hoe pakt zij haar coördinerende rol? Dit zijn thema’s op verschillendebeleidsterreinen, maar we zien deze Minister toch ook echt als deregisseur die hier het overzicht moet houden.Wat is haar reactie op de waarschuwing van mevrouw Sylvester, devoorzitter van de staatscommissie tegen discriminatie en racisme, die steltdat dit kabinet het risico vergroot op discriminatie door de overheid,omdat het zelf discriminerende uitingen doet?Voorzitter. In het recente briefadvies legt de staatscommissie tegendiscriminatie en racisme de vinger op de zere plek. Als publieke dienstver-lener moet je ervan uitgaan dat discriminatie ook in jouw organisatie kanvoorkomen en dat incidenten uitingen kunnen zijn van structurelepatronen. Deelt de Minister deze analyse?De commissie vraagt bijvoorbeeld om discriminatie onderdeel te makenvan de Staat van de Uitvoering en het programma Werk aan Uitvoering.Mijn vraag is: gaat de Minister dit doen? Is het niet nodig om demensbeelden, de impliciete, maar normatieve beelden en vooronderstel-lingen over wie burgers zijn en over wie er in aanraking komt met deoverheidsorganisaties, op te schrijven en in kaart te brengen? Op diemanier kunnen we daar ook een betere weging in maken. Kan dit aspectvan mensbeeld in uitvoeringstoetsen belegd worden?Voorzitter. Is de motie-Ceder/Azarkan inmiddels uitgevoerd? Die motievroeg om een discriminatietoets in het integraal afwegingskader van allewetten. Moet er niet een discriminatietoets komen in alle uitvoerings-toetsen? Zijn discriminerende factoren inmiddels ook uit de leefbaarheids-monitor, die gebruikt wordt om de leefbaarheid van wijken te duiden,verdwenen? Daarbij speelden in het verleden ook discriminerendefactoren een rol of konden een factor zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4353 Voorzitter. Het verhuren van gebouwen lijkt soms niet door te gaan omdatmen hoort dat het bijvoorbeeld om een geloofsgemeenschap gaat, zoalseen kerk. Daarbij gaat het veelal om niet-gevestigde kerkelijke gemeen-schappen zoals van migrantenchristenen. In onze fractie horen wegeregeld verhalen over gebouwen die niet gehuurd mogen worden. Watons betreft strookt dit niet met artikel 6 van de Grondwet. Zijn er bij deMinister signalen bekend van deze vorm van discriminatie op basis vanreligie, en hoe wil zij hier meer zicht op krijgen en dit aanpakken?Voorzitter. Al in maart 2024 heeft Amnesty een rapport uitgebracht overetnisch profileren, en er is nog steeds geen kabinetsreactie. Hoe zit dat? Ikwil graag van de Minister weten wanneer er een reactie komt. Gaanoverheidsorganisaties die burgers controleren voortaan nu ook bindendvastleggen dat hun werkwijze altijd getoetst moet worden aan hetdiscriminatieverbod? Dat lijkt me een redelijk voorstel. Word de inzet vanalgoritmes voor risicoprofilering vooraf en tijdens gebruik verplicht enbindend getoetst aan mensenrechten? Worden de aanbevelingen vanmensenrechtenorganen, zoals CERD en ECRI, opgevolgd?Voorzitter. Ik zou graag willen zien dat meldingen van discriminatie bijoverheidscontrole niet door de instanties zelf maar mogelijk door eenonafhankelijke instantie worden uitgezocht. Is de Minister dit met mij eensen wil ze dit ook in gang zetten?Voorzitter. Ik zou ook graag een lans willen breken voor de NationaalCoördinator tegen Discriminatie en Racisme, en ik zou hier ook voorcontinuering van deze functie willen pleiten. Deelt de Minister ditpleidooi?Voorzitter. Tot slot discriminatie in de zorg. Er zijn verschillende onder-zoeken die aantonen dat discriminatie in de zorg voorkomt. Het kan zelfsde ongelijkheid in zorgkwaliteit vergroten. Het komt voor op verschillendeniveaus, van patiënt naar zorgprofessionals, van zorgprofessional naarpatiënt, en tussen zorgprofessionals onderling. Maar het komt ook voorop institutioneel niveau, zoals in de manier waarop onderzoek wordtgedaan, onderwijs wordt gegeven of richtlijnen zijn vormgegeven.Wanneer komt de Minister met een plan van aanpak om dit niet alleen aante kaarten maar ook om met de zorgsector in gesprek te gaan om hierindien mogelijk bindende afspraken over te maken?Dank u wel.De voorzitter:Kunt u afronden?De heer Ceder (ChristenUnie):Voorzitter, ik ben bij het einde gekomen en ik wil het hierbij laten. Dank uwel.De voorzitter:U bent iets over de tijd. We gaan naar de volgende spreker. Gaat uw gang,mevrouw Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Voorzitter, de heer Bamenga moet naar een ander debat. Hij had dusgevraag of hij vóór mij mag. Die gelegenheid geef ik hem graag.De voorzitter:Ah, oké. Dan de heer Bamenga. Gaat uw gang.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, collega, en dank u wel, voorzitter. Er is geen communicatie-probleem maar een discriminatie- en racismeprobleem. Ondanks eenbrandbrief over racisme van 50 ambtenaren met een migratieachtergronden een brief van 175 ambtenaren van Infrastructuur en Waterstaat over deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4354 onveiligheid op de werkvloer, specifiek rondom Staatssecretaris Jansen,blijft concrete actie uit. Deze brieven zijn glashelder. Dagelijks wordenmedewerkers geconfronteerd met racisme. Er is een patroon vanuitsluiting en zelfs een plafond voor mensen met een migratieachter-grond. Mensen belanden op zwarte lijsten als zij discriminatie aankaarten.Sinds het aantreden van dit kabinet krijgen managers in feite carteblanche om alles wat met diversiteit en inclusie te maken heeft, eruit tewerken. Twee maanden heeft het geduurd voor ik antwoord kreeg op mijnKamervragen over deze twee noodkreten van rijksambtenaren. Tweemaanden, en dit kabinet is nog geen stap verder gekomen. Vindt deMinister nou echt dat de schrijvers van deze twee brandbrieven serieuszijn genomen? Zo ja, hoe dan?Ook de staatscommissie vraagt in haar briefadvies expliciet om meerregie van deze Minister. Waar zien we dat deze Minister regie pakt? Wat iser nu concreet veranderd sinds de brandbrief van de 50 ambtenaren? Hoekan het dat deze Minister toestaat dat racisme- en discriminatiebeleid juistwordt afgebroken? Hoe gaat de Minister de cultuur dat degene die klaagtals probleem wordt gezien, veranderen? Waar komt het vertrouwenvandaan in alle voorzieningen die er nu al zijn om discriminatie enracisme tegen te gaan en waarvan ambtenaren aangeven dat ze nietwerken? Specifiek over mijn Kamervragen over racisme en discriminatiebij IenW en rondom Staatssecretaris Jansen: klopt het dat er beleidsadvi-seurs ziek thuis zitten vanwege het werkklimaat bij IenW en vanwegeomstreden racistische uitspraken van de Staatssecretaris van IenW? Welkegaranties hebben medewerkers en melders gekregen om zich op hunwerk veilig te kunnen voelen?Voorzitter. Of het nou gaat om antisemitisme, moslimhaat, discriminatieop basis van seksuele geaardheid of op basis van genderidentiteit, weworden in Nederland steeds minder tolerant. Discriminatie, racisme enagressie richting deze groepen komt steeds vaker voor. De druk op deantidiscriminatievoorzieningen is daardoor enorm. Hoe gaat de Ministerde ADV’s extra faciliteren zodat zij hun werk goed kunnen doen? Ziet deMinister dat de afnemende tolerantie in onze samenleving en het racismeen de discriminatie die daaruit volgen, alleen in samenhang kunnenworden aangepakt? Hoe gaat zij dit doen?De voorzitter:Ik ga u hier onderbreken. Er is een interruptie. Gaat uw gang, meneerDeen.De heer Deen (PVV):Het is meer een beetje een punt van orde, naar ik aanneem. Ik hoor nunamelijk diverse keren de naam van de Staatssecretaris de heer Jansenvallen. Die is hier niet bij. Ik denk dat wij de gewoonte hebben dat we danook niet ...De voorzitter:Misschien is het wel goed om dit even te noemen. Ik kan wel begrijpendat dit debat om verschillende redenen emoties oproept. Dat begrijp ikoprecht. We moeten inderdaad niet buiten de microfoon reageren. Ik zegdat nu even in het algemeen. Gaat uw gang, ga verder.De heer Deen (PVV):Ik wil dus vragen hoe de voorzitter daartegen aankijkt. Kunnen we overanderen spreken, of hebben we met elkaar afgesproken dat we dat nietdoen?De voorzitter:Ik begrijp het. Mevrouw Tseggai, wilt u reageren op het punt van orde?Gaat uw gang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4355 Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Sorry, ik zei het net buiten de microfoon. Excuses daarvoor. Wij hebbenmet drie andere partijen vorige week bij een procedurevergadering hetverzoek gedaan om de betreffende bewindspersonen wel uit te nodigen.Toen hebben coalitiepartijen dat tegenhouden. Ik snap dus niet zo goedwaarom de heer Deen dan nu met dit punt komt.De voorzitter:Wilt u even kort reageren, meneer Van Baarle? Gaat uw gang.De heer Van Baarle (DENK):Het is terecht punt van mevrouw Tseggai. We hebben dat debatverzoekgedaan. Er is verwezen naar dit commissiedebat. Sinds wanneer maakt dePVV zich eigenlijk druk over het spreken over mensen die er niet bij zijn?De voorzitter:Hier ga ik ook even ingrijpen. We kunnen reageren op het ordedebat,maar we moeten daar dan niet weer een debat mee uitlokken. We hebbeninderdaad met elkaar afgesproken dat we het niet hebben over mensendie hier niet zijn. Maar over dit geval, het geval van de voorbeelden dieworden aangehaald, staan er wel brandbrieven op de agenda. Er wordtiemand in de rol van Staatssecretaris aangesproken. Het kabinet spreektmet één mond. Daarom kunnen hierover wat mij betreft wel vragengesteld worden. Als we die lijn aanhouden, dan moet het dus kunnen alshet iemand in zijn rol betreft. We gaan verder met het debat.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Hoe denkt de Minister dat dit kabinet, dat leunt opuitspraken van Wilders over het wokevirus als grootste bedreiging voorde mensheid, bijdraagt aan de veiligheid en acceptatie van mensen diebehoren tot de lhbtiq+-gemeenschap? Neemt de Minister afstand vandeze uitspraak?Voorzitter. Uit onderzoek van de kinderombudsman in Amsterdam blijktdat kinderen na discriminatie of racisme hun leven lang ...De voorzitter:Kunt u afronden?De heer Bamenga (D66):... kunnen rondlopen met een negatief zelfbeeld.De voorzitter:Kunt u tot een afronding komen? U zit op vijf minuten.De heer Bamenga (D66):Volgens mij niet, hoor.De voorzitter:O, sorry, nee, oké. Gaat uw gang. Excuus, er lopen twee dingetjes doorelkaar.De heer Bamenga (D66):Voorzitter, ik zat net in een vibe. Daar heeft u me nu uitgehaald. Mag ikdan helemaal overnieuw beginnen?De voorzitter:U mag straks die paar seconden opnieuw gebruiken. Ik gebruik ditmoment meteen voor een interruptie. Gaat uw gang, meneer Koops.De heer Koops (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4356 Ik vraag het lid Bamenga om een toelichting op de woorden «leunen opuitspraken van de heer Wilders» in de laatste zin die hij zojuist uitsprak.Kan de heer Bamenga uitleggen wat hij daarmee bedoelt?De voorzitter:Gaat uw gang, meneer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Eigenlijk precies zoals ik het zojuist gezegd heb. Er is door de heer Wilderseen uitspraak gedaan. Ik vraag me eigenlijk gewoon af of de Minister heteens is met deze uitspraak, juist ook omdat die uitspraken er extra voorzorgen dat mensen een gevoel van acceptatie missen en zich ook inalgemene zin gediscrimineerd voelen. Volgens mij moeten we daar watmee. Volgens mij heeft de staatscommissie in haar briefadvies heelduidelijk het belang ervan aangegeven dat de politiek in ieder geval nietbijdraagt aan dat soort uitsluitingsuitspraken.De heer Koops (NSC):Mevrouw de voorzitter, ik moet even uitkijken met het aantal interrupties.Dit is puur een vraag ter verduidelijking.De voorzitter:Dat is dan wel interruptie nummer twee.De heer Koops (NSC):Dan druk ik op mijn knopje en laat ik het hierbij.De voorzitter:Oké, helder. Meneer Deen.De heer Deen (PVV):Voorzitter, ik heb net van u begrepen dat we hier kunnen spreken overbewindspersonen omdat het kabinet met één mond spreekt. Kan ik hiernu uit concluderen dat we ook kunnen spreken over andere Kamerleden,die hier niet bij zijn?De voorzitter:Nee.De heer Deen (PVV):Maar dat gebeurt nu wel met de heer Wilders.De voorzitter:Oké, helder, goed punt. Dit had ik niet gehoord. Als u een vraag heeft aaneen persoon van een fractie, dan kunt u die inderdaad stellen; dat kanaltijd. Maar het wordt lastig als het Kamerleden betreft die zichzelf hierniet kunnen verdedigen. Die balans ga ik scherp proberen te bewaken.Gaat u verder, meneer Bamenga. U mag een paar seconden terug zoals ikhad toegezegd.De heer Bamenga (D66):Ik zal een paar seconden teruggaan, want het was namelijk wel een mooistukje, vond ik! Hier komt ie.Voorzitter. Uit onderzoek van de kinderombudsman in Amsterdam blijktdat kinderen na discriminatie of racisme hun leven lang kunnen rondlopenmet een negatief zelfbeeld. Verder blijkt uit onderzoek dat er onderjongere en oudere kinderen weinig vertrouwen is in de huidige inter-venties op discriminatie en racisme. Is het kabinet bereid om, in samen-werking met de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman, ditAmsterdamse onderzoek nationaal opvolging te geven? Wat neemt deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4357 Minister mee uit dit onderzoek? Wat doet zij specifiek om racisme endiscriminatie onder kinderen uit te bannen?Voorzitter. Nog een aantal losse vragen. Gisteren is het toetsingskadertegen discriminatie door risicoprofilering gepubliceerd door het Collegevoor de Rechten van de Mens. Hoe zal dit toetsingskader overheidsbreedworden geïmplementeerd? Kan de Minister toezeggen dat zij nog voor dezomer opvolging geeft aan mijn aangenomen motie die vraagt om hetactief tegengaan van racisme en discriminatie op te nemen in debeoordelingscycli van leidinggevende ambtenaren? Kan zij toezeggen datwe nog voor de zomer een escalatieladder hebben waarop aangegeven iswelke actie wordt ondernomen in het geval van racisme of discriminatie?Tot slot, voorzitter. 227 jaar geleden, op 4 mei 1798, is de Staatsregelingvoor het Bataafsche Volk opgesteld, te beschouwen als de eersteGrondwet van Nederland. De eerste drie woorden van de proclamatiewaren «gelijkheid, vrijheid en broederschap». Er stond ook: alle leden dermaatschappij hebben gelijke aanspraak op derzelver voordelen. De beloftevan gelijkheid en vrijheid voor iedereen in onze samenleving zullen weniet enkel met woorden moeten belijden, maar vooral met daden moetenwaarmaken. Minister, ga aan de slag.De voorzitter:Dank. Er zijn verder geen interrupties. Dan ga ik naar de volgende sprekervoor zijn inbreng. Dat is de heer Van Meijeren. Gaat uw gang. Nee, wegaan nog terug naar mevrouw Tseggai. Oké, u mag, gaat uw gang.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Discriminerende uitspraken van politici of uitspraken die naardiscriminatie neigen, staan de aanpak van institutioneel racisme enstructurele discriminatie in de samenleving in de weg. Ik denk dat hetbelangrijk is dat politici en bestuurders zich bewust zijn van de impact diehun uitspraken hebben op de samenleving. De eerste vraag aan deMinister, waarmee ik met de deur in huis wil vallen, is dus ook: hoe kijktde Minister hiernaar? Zij is verantwoordelijk voor de aanpak van discrimi-natie in dit kabinet. Het gaat dan met name om de eerder aangehaaldeuitspraken van collega-bewindspersonen. Die zijn door heel veel mensentoch als discriminerend ervaren. Welke rol ziet zij voor zichzelf om ervoorte zorgen dat het kabinet ook zijn verantwoordelijkheid gaat nemen in hettegengaan van discriminatie? Dat mag niet bij mooie woorden in hetregeerprogramma blijven; het gaat ook om daden, namelijk door zelf hetgoede voorbeeld te geven. Dat geldt voor iedere bewindspersoon. Dit isvolgens mij cruciaal voor het tegengaan van institutioneel racisme endiscriminatie binnen de overheid en daarbuiten.Voorzitter. Ik wil het ook graag hebben over de Nationaal Coördinatortegen Discriminatie en Racisme. Mijn fractie heeft de evaluatie van deNCDR namelijk met veel interesse gelezen, maar we hebben ook zorgenover een aantal punten dat daaruit voortkwam. Er bestaat, zo valt te lezen,te veel onduidelijkheid over de positie en het mandaat van de NCDR envanuit departementen lijkt er weerstand te zijn. Wat mij betreft krijgt deNCDR een structurele plaats in het bestel. We willen graag een preciezerbeeld van de gesignaleerde knelpunten in de evaluatie. Kan de Ministertoezeggen dat zij snel terugkomt op de positie van de NCDR? Hoe is deMinister van plan om die knelpunten weg te nemen?Voorzitter. Dan de staatscommissie tegen discriminatie en racisme. Vorigeweek kwam die met een advies over discriminatie in de publiekedienstverlening. De versnippering in politiek en ambtelijk Den Haag is eenoverkoepelend probleem in de aanpak van discriminatie en racisme. Erzijn namelijk veel verschillende ministeries en bewindspersonenbetrokken bij de aanpak van verschillende vormen van discriminatie. Maarhet gevaar dreigt dat als iedereen verantwoordelijk is, niemand zichverantwoordelijk voelt. De staatscommissie roept de rijksoverheid op omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4358 regie te pakken, niet alleen wat betreft discriminatie in de dienstverlening,maar ook in het algemeen. Mijn fractie wil zich daar graag bij aansluiten.Hoe kijkt de Minister daarnaar? Welke acties gaat zij ondernemen richtingandere departementen? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat de rijksoverheidregie en verantwoordelijkheid neemt op dit thema?Voorzitter. De staatscommissie heeft ook een discriminatietoetsontwikkeld voor de publieke dienstverlening. De overheidsorganisatieskunnen daarmee zelf achterhalen waar en hoe er risico’s op discriminatieontstaan in hun dienstverlening. Volgens mij is dit een heel mooi enconcreet middel om discriminerend overheidshandelen te bestrijden ofvoor te zijn. Op welke termijn komt de Minister met een plan waarinduidelijk wordt hoe en wanneer de discriminatietoets van de staatscom-missie door alle publieke dienstverleners gebruikt gaat worden? Gaat deMinister dat überhaupt doen? Op welke termijn kunnen wij als Kamer eenplan van aanpak verwachten per ministerie over hoe en wanneer dediscriminatietoets gebruikt gaat worden?Voorzitter. Het College voor de Rechten van de Mens – mijn collega hadhet er net ook al over – roept op om rapportages over de naleving vanmensenrechtenverdragen te coördineren. Het college constateert dataanbevelingen terughoudend worden opgevolgd. Ik denk dat wij onsallemaal kapot zouden moeten schrikken van de vaststelling van hetcollege dat de idealen uit de Universele Verklaring van de Rechten van deMens ook in Nederland niet voor iedereen worden gerealiseerd. Denkbijvoorbeeld aan de toeslagenaffaire, aan de wachtlijsten in de jeugdzorg,aan minderjarige asielzoekers in de noodopvang et cetera. Onderschrijftde Minister deze zienswijze? Hoe gaat zij hiermee aan de slag? Is zijbijvoorbeeld bereid om in ieder geval de Kamer jaarlijks te informerenover de verdragsnaleving en daarover ook periodiek met de Kamer ingesprek te gaan?Voorzitter. Ik wil graag afsluiten met een punt over Roma en Sinti inNederland. Er ligt al een wat ouder advies van de Raad van Europa om dejuridische positie van Roma en Sinti te versterken. Het gevoel vergeten teworden, leeft heel erg in deze groepen. Ik verbaas mij daar eigenlijk nietover. Afgelopen zondag was ik bij de Holocaustherdenking, de herdenkingvan 80 jaar bevrijding van Auschwitz. Mevrouw Lalla Weiss vroeg daar opindrukwekkende wijze ook aandacht voor de onderbelichting van het leedvan Roma en Sinti in de Tweede Wereldoorlog. Dat werkt door tot op dedag van vandaag. Het zou, denk ik, goed zijn als het belang van debescherming van de eigenheid van Roma en Sinti officieel wordtuitgesproken, door hen te herkennen als nationale minderheid. Dat geefteen goede basis voor vrije en gelijkwaardige ontwikkeling, versterking vanhun maatschappelijke positie en erkenning van de cultuur van Roma enSinti. Volgens mij zou het mooi zijn als we dat juist in dit jaar doen, waarinwe herdenken welke gruwelijkheden onder anderen Roma en Sinti 80 jaargeleden in de Holocaust hebben moeten doorstaan. Ik zou hier graag eenreactie van de Minister op willen krijgen.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:We gaan naar de volgende spreker van de zijde van de Kamer, de heerVan Meijeren.De heer Van Meijeren (FVD):Mevrouw de voorzitter. Gisteren berichtte De Telegraaf dat het huidigekabinet vele miljoenen euro’s aan belastinggeld uittrekt om het ambtena-renapparaat diverser en inclusiever te maken. Denk aan trainingen,coachingstrajecten, bewustwordingscampagnes, actieplannen en quota.Uiterlijk in 2025 zou 50% van de ambtelijke topfuncties bekleed moetenworden door een vrouw. In 2026 moet 35% van het politieapparaat eenniet-westerse migratieachtergrond hebben. Ook Defensie is tegenwoordigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 4359 niet meer op zoek naar de beste mannen en vrouwen om ons land teverdedigen, maar wil vooral een inclusieve strijdmacht zijn.Dit beleid wordt ook opgedrongen aan niet-overheidsorganisaties.Culturele instellingen die een subsidie aanvragen, kunnen die alleen nogkrijgen als zij de Code Diversiteit & Inclusie hebben geïmplementeerd.Ook het bedrijfsleven wordt steeds verder onder druk gezet om niet opbasis van geschiktheid, maar op basis van geslacht, huidskleur of seksuelegeaardheid personeel te selecteren. Het selecteren op basis van dit soortgroepskenmerken, kenmerken waar mensen niets aan kunnen doen, isdiscriminerend in de meest letterlijke zin van het woord. Dat roept devraag op hoe dit staande overheidsbeleid zich verhoudt tot artikel 1 vande Grondwet, waarin immers is bepaald dat discriminatie op grond vangroepskenmerken is verboden. Het antwoord op die vraag vinden we inartikel 2 van de Algemene wet gelijke behandeling: «Het verbod vanonderscheid geldt niet indien het onderscheid een specifieke maatregelbetreft die tot doel heeft om vrouwen of personen behorende tot eenbepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positietoe te kennen». Dus discriminatie mag niet, tenzij je bepaalde groependiscrimineert, want dan noemen we dat «positieve discriminatie». Het iszo krankzinnig. Het is alsof we in de wet zouden opnemen dat erweliswaar een martelverbod geldt, maar dat je in bepaalde gevallenbepaalde personen wel mag martelen, want dan noemen we dat«positieve marteling». Zo krankzinnig is het, want positieve discriminatieis ook discriminatie. Discriminatie ten gunste van de een betekentautomatisch ook een benadeling van de ander. Wat zegt deze Ministertegen de jonge, ambitieuze, talentvolle man of vrouw die hard gewerktheeft om zich klaar te stomen voor een uitdagende baan bij de politie,Defensie of de rijksoverheid, die beschikt over alle benodigde papieren enkwaliteiten, maar toch wordt afgewezen, puur en alleen vanwege zijn ofhaar blanke huidskleur? Het is de dagelijkse realiteit in Nederland. Overgeïnstitutionaliseerd racisme gesproken.De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Ik heb even nagedacht over het moment waarop ik deze interruptie zouplegen, omdat ik op het moment wachtte dat er een vraag zou wordengesteld aan de aanwezige Minister, dan wel op het moment dat dit lid vande Kamer in zou gaan op ook maar enig stuk dat vandaag op de agendastaat.De voorzitter:Dank voor uw toelichting. Kunt u naar uw vraag?De heer Koops (NSC):Ik constateer dat dat niet is gebeurd. Ik vraag dan aan de voorzitter het lidte vragen zich te richten op de stukken die ten grondslag liggen aan dezevergadering.De heer Van Meijeren (FVD):Het Reglement van Orde bepaalt dat een lid blijft bij het onderwerp van devergadering. Het onderwerp is racisme, discriminatie en mensenrechten.Ik heb het daarover. Ik hoef me niet te baseren op de stukken diegeagendeerd zijn. Ik ben hier niet om agenda’s te volgen, want dat zoubetekenen dat hier een meerderheid kan bepalen waar ik het over maghebben, terwijl wij juist ook zelf punten willen agenderen waar demeerderheid het misschien niet over wil hebben.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43510 Er is nog een interruptie van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Ik snap best wel dat ieder mens, ook een Kamerlid, vraagtekens kanplaatsen bij het nut, de noodzaak of de wenselijkheid van bepaalde quota.Ik ben het niet met de heer Van Meijeren eens, maar ik denk dat je devraag kunt stellen of dat nuttig en nodig is. Ik probeer hier echt even eengoed gesprek te voeren. We gaan het waarschijnlijk niet eens worden,want ik denk er anders over. Maar we hebben bijvoorbeeld in de enquêtena het toeslagenschandaal gezien dat er in bepaalde kringen vantopambtenaren en hoog in de ambtelijke top van de Belastingdienst zeereenzijdige, rijke, hoogopgeleide en veelal witte mensen zitten die zichnauwelijks kunnen voorstellen dat er ook mensen in de samenleving zijndie afhankelijk zijn van een uitkering in de sociale zekerheid of van eentoeslag. Dat soort eenzijdig samengestelde teams helpen niet om ookeens te begrijpen wat het met je doet als je afhankelijk bent van deoverheid en als je daar uiteindelijk ook zwaar door gedupeerd raakt. Daarkwam onder andere – en ik probeer dit echt als open gesprek uit te leggen– de aanbeveling vandaan: streef nou naar diverse teams. Dus nogmaals,we gaan het niet eens worden, maar ik hoop wel de heer Van Meijerenvoor te houden dat het ook heel nuttig kan zijn om divers samengesteldeteams te hebben, niet alleen op kleur maar zeker ook op sociaal-economische status, zodat soms het overheidsbeleid beter kan worden. Ikhoop iets van begrip te kweken bij de heer Van Meijeren voor deze vraag.De heer Van Meijeren (FVD):Iedere organisatie die een team samenstelt, is erbij gebaat om een zosterk mogelijk team samen te stellen. Naar mijn stellige overtuiging kies jedaarvoor de personen die het meest geschikt zijn om in zo’n team tepassen. En als daar in zo’n team bepaalde competenties of vaardighedenontbreken, ga je op zoek naar een persoon die die competenties ofvaardigheden bezit. Maar dat is nooit een reden om personen te gaanselecteren op basis van ras, geslacht of geaardheid, want dat veronder-stelt dat die bepaalde eigenschappen niet te vinden zouden kunnen zijn bijpersonen met een ander ras, een ander geslacht of een anderegeaardheid. Forum voor Democratie pleit voor een samenleving waarinmensen worden beoordeeld op basis van individuele kwaliteiten eneigenschappen, en wij zijn tegen discriminatie op grond van ras, geslacht,geaardheid of andere groepskenmerken.De voorzitter:U vervolgt uw betoog.De heer Van Meijeren (FVD):Voorzitter. Dit diversiteits- en inclusiebeleid is het directe gevolg van eenideologie die de samenleving niet ziet als een gemeenschap vanindividuen, maar als een verzameling van onderdrukkers en onderdrukten,van daders en slachtoffers. Het is identiteitspolitiek in haar puurste vorm,voortkomend uit een cultuurmarxistische stroming die overal desamenleving binnendringt; een denkwijze die mensen niet beoordeelt ophun daden en hun kwaliteiten, maar op hun huidskleur en groepsiden-titeit, mensen in hokjes plaatst en tegenover elkaar zet. Forum voorDemocratie verzet zich hier fel tegen. Wij kijken daarom ook hoopvol naarde verschuiving die momenteel plaatsvindt in de Verenigde Staten, waarpresident Trump op de eerste dag van zijn presidentschap in zijninaugurele speech, onder verwijzing naar de «I have a dream»-speech vanMartin Luther King, aankondigde dat de Amerikaanse overheid stopt methet discriminerende diversiteits- en inclusiebeleid, en personen weerkleurenblind gaat beoordelen op basis van individuele kwaliteiten. Hoereflecteert deze regering op die koerswijziging in de Verenigde Staten? EnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43511 is het niet veelzeggend dat ook steeds meer Amerikaanse bedrijven, diedoor de Biden-administratie nog onder druk werden gezet om diversiteits-beleid te voeren, geheel vrijwillig massaal afscheid nemen van dit beleid,nu er een andere politieke wind waait? Amazon, Meta, Walmart, Ford, stukvoor stuk moeten ze erkennen dat het discriminerende beleid niet heeftgebracht wat ze werd beloofd: geen eenheid, maar juist meer onderlingeverdeeldheid; geen betere samenwerking, maar juist meer spanningen;geen sterkere teams, maar juist inefficiëntie. Het ingezette pad naar eenzogenaamd diverse en inclusieve samenleving is destructief endoodlopend. Forum voor Democratie roept de regering dan ook op om innavolging van de Verenigde Staten te stoppen met dit discriminerendebeleid, om samen de droom van Martin Luther King te realiseren en eensamenleving te creëren «where they will not be judged by the color oftheir skin but by the content of their character.»Dank u wel.De voorzitter:Ja. Dan ga ik naar de volgende spreker van de Kamer: de heer Van Baarle,DENK. Ga uw gang.De heer Van Baarle (DENK):Voorzitter. «Het kabinet sluit niemand uit». Dat waren de woorden vanMinister-President Schoof. De bewindspersonen van dit kabinet laten ietstotaal anders zien, met uitspraken die diep verwerpelijk zijn. Zo gaatMinister Keijzer naar de rechter om te kunnen blijven zeggen datJodenhaat bijna onderdeel is van de islamitische cultuur. StaatssecretarisNobel gooide moslimjongeren voor de bus door te stellen dat islamitischejongeren voor een groot deel de Nederlandse waarden en normen nietonderschrijven. Staatssecretaris Jansen gaf live op tv aan nog altijd achterde racistische en strafbare «minder, minder»-uitspraken van Wilders testaan. Onversneden racisme. Hoe durft deze regering zichzelf nog een«regering voor iedereen» te noemen? Hoe durft deze regering te stellendat niemand wordt uitgesloten, als deze regering zelf bewindspersonen inde gelederen heeft die Nederlanders schofferen op basis van hun afkomsten hun geloof? Wat doet dat met al die ambtenaren bij de rijksoverheid?Voelen zij zich nog wel veilig met deze bewindspersonen? De betonrot zitdiep in dit kabinet, ook in de praktijk. Met discriminerende maatregelen,waaronder het afpakken van het Nederlanderschap en de moskeeschool-en Koranschoolpolitie, wordt de agenda van Wilders over Nederlanduitgerold. Ziet de Minister niet in dat deze regering met deze bewindsper-sonen en deze agenda discriminatie in de Nederlandse samenlevingnormaliseert? Is zij bereid om daarmee te stoppen?Voorzitter. Wat nodig is, is een regering die met stevige coördinatie hetprobleem van racisme en discriminatie echt gaat aanpakken. Daar is eenMinister van Binnenlandse Zaken voor nodig die echt doorpakt en nietalleen rapporten vraagt aan ministeries om te vragen wat ze doen.Waarom is de Minister niet bereid om daadwerkelijk een inhoudelijkcoördinerende rol op dit onderwerp te gaan vervullen?Het werk van de NCDR is ook van cruciaal belang. Uit de evaluatie blijktdat bijna iedereen, vrijwel iedereen, positief is over de rol van de NCDR.Er is een versterkte gecoördineerde aanpak gekomen en alle betrokkenenzeggen dat er meerwaarde is. De Minister laat de NCDR bungelen enhandelt in strijd met het instellingsbesluit. De NCDR zit hier op de tribune,dus misschien kan de Minister hem even aankijken. Daarnaast moeten wenog steeds wachten of deze NCDR het meerjarenprogramma kan gaanopstellen, want hij heeft geen mandaat. Hoe kan dat? Waarom handelt deMinister in strijd met het instellingsbesluit? Ligt er al een scenario? Is deMinister bereid om hier vandaag toe te zeggen dat dit belangrijke instituutverlengd wordt? Ik ben het een beetje zat dat we hierop moeten wachten.Hier moeten we gewoon mee aan de slag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43512 Voorzitter. DENK is tevreden dat er eindelijk een gecentraliseerd stelselvoor de ADV’s komt. Daar vragen we al lang om. We lezen dat overwogenwordt om preventiebeleid ook hierin mee te nemen en dat gemeentenwellicht verplicht worden om antidiscriminatiebeleid te voeren. Ook hiervragen we al heel lang om. Kan de Minister aangeven of wij voordat hetwetsvoorstel komt, dus voor medio 2025, geïnformeerd kunnen worden ofdeze verplichtstelling voor gemeenten er daadwerkelijk gaat komen? Kande Minister onderzoeken of in de nieuwe wet mogelijkheden kunnenworden doorgevoerd om organisaties te verplichten mee te werken meteen ADV als er een melding wordt gedaan? Ik hoor nu namelijk datorganisaties soms weigeren met de ADV-organisatie in gesprek te gaan.Graag een reactie daarop.Voorzitter. Dan de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding.Het is een pestwet voor vrouwen die een nikab dragen. Er is in de vijf jaartijd dat deze wet van kracht is geen enkele boete uitgeschreven en geenenkel proces-verbaal opgesteld. Betrokkenen geven aan dat de wet slechtseen beperkte meerwaarde heeft. We hebben het hier dus over eensymboolwet, een pestwet. Uit de evaluatie blijkt dat dus. Wat deze wet welheeft gedaan, is het aanwakkeren van agressie, sociale isolatie enuitsluiting van heel veel vrouwen die er bewust voor kiezen een nikab tedragen. Deze wet handelt daarmee eigenlijk op een manier die vrouwon-vriendelijkheid in de samenleving vergroot, die vrouwen in de samen-leving bedreigt. Daarom hoort deze islamofobe pestwet niet thuis in onzesamenleving. Is de Minister bereid om deze wet in te trekken? Is deMinister bereid om in plaats van islamofobe pestwetten te hebben, eenapart plan op te stellen voor het bestrijden van moslimdiscriminatie inonze samenleving? We zien namelijk dat dat een enorm probleem is, maarer is nog steeds geen concrete aanpak.Voorzitter. Afsluitend nog een aantal punten. Kan de Minister toezeggendat zij zo snel mogelijk een implementatieplan gaat opstellen voor alleoverheidsorganisaties om de Discriminatietoets Publieke Dienstverleningstructureel toe te passen, gezien de pilots in de gemeente Arnhem, bij deDouane en bij DUO en gezien het feit dat de motie-Azarkan al jaren, jaren,jaren geleden om een brede doorlichting van de hele overheid vroeg?Twee. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van mijnamendement om € 500.000 vrij te maken voor een landelijke publiekscam-pagne gericht op de meldingsbereidheid bij discriminatie? Is de Ministerbereid om dit budget in te zetten om een specifieke doelgroepencam-pagne te voeren, bijvoorbeeld in de richting van groepen waarvan weweten dat discriminatie heel hardnekkig is, zoals dames met eenhoofddoek die solliciteren op de arbeidsmarkt? Kan de Minister datbudget daarvoor inzetten?Voorzitter, tot slot. Hoe is het toch mogelijk dat er nog steeds geenrijksbrede klachtencommissie is voor rijksambtenaren om discriminatiedie ze ervaren in hun werk te melden? De motie die ik samen metmevrouw Rajkowski heb ingediend, verzocht om dit per 1 januari inwerking te laten treden. Nu moeten we in een brief lezen dat er weeruitstel is. Kan de Minister uitleggen waarom het inmiddels al bijna driejaar duurt om een rijksbrede klachtenregeling voor ambtenaren diediscriminatie ervaren op te stellen? Ik vind drie jaar schrikbarend lang.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank. Dan ga ik naar de heer Van Nispen, SP.De heer Van Nispen (SP):Discriminatie is een groot probleem. Dat is het al tientallen jaren. Neembijvoorbeeld de arbeidsmarkt. Voor mensen met een andere achtergrondis het moeilijker om een baan te vinden. Uitzendbureaus werktenbijvoorbeeld mee aan discriminerende verzoeken van opdrachtgevers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43513 Maak hier nou concreet werk van, zegt ook de FNV. Ook op de woning-markt wordt snoeihard gediscrimineerd. Makelaars en huisbazenselecteren ook op naam en achtergrond. Foute huisbazen en directeurenvan bedrijven worden echter niet aangepakt, maar in de watten gelegddoor dit kabinet. Mag ik een uitgebreide reactie ten aanzien van hoe dezeregering gaat zorgen voor een eerlijke kans op een baan of een woning,voor een gelijke behandeling voor iedereen? Wat doet dit kabinet omdiscriminatie door banken en in het uitgaansleven tegen te gaan? Graageen reactie daarop.Voorzitter. Discriminatie is ook in belangrijke mate een klassenvraagstuk.Ik heb in de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstver-lening gezien dat men in de sociale zekerheid bijvoorbeeld alleen maarnaar fraude ging zoeken in de wijken met veel sociaal-economischeachterstanden. Als je foutjes dan fraude noemt, lijkt het inderdaad netalsof er in die wijken vaker gefraudeerd wordt. Dat is ten onrechte. Dat ishartstikke fout. Dat soort aanpakken moeten compleet stoppen in alleverschijningsvormen.In het toeslagenschandaal zijn alleenstaande moeders, ouders met eenbuitenlandse achtergrond en ouders met de laagste inkomens vakergetroffen. Dat was geen toeval; dat volgde uit de modellen en de wijzewaarop risicoselectie werd toegepast. Dat is schandelijk. De kennis overalgoritmes en de gevaren van risicogericht toezicht moet beter, vanbeslismedewerker tot programmeur tot topambtenaar. Hoe staat hetdaarmee, vraag ik aan de Minister. Op welke wijze gaat het toetsingskaderrisicoprofilering van het College voor de Rechten van de Mens gebruiktworden? Gaan alle overheidsorganisaties dat toepassen en hun modellendaarmee doorlichten? Het is al zó fout dat vooral de nadruk is gelegd opfoutjes bij mensen die zo afhankelijk waren van de overheid. Toeslagen-aanvragers zijn mensen met socialezekerheidsuitkeringen. Waarom wordter niet veel grondiger gespoord naar bijvoorbeeld witteboordencrimina-liteit, belastingontduiking door villabezitters op de Zuidas of bezitters vanplezierjachten? Ik zei het al: het is ook een klassenvraagstuk.De SP heeft voorgesteld om sociaal-economische status als discriminatie-grond toe te voegen aan de Algemene wet gelijke behandeling en hetWetboek van Strafrecht. Het onderzoek dat ik net noemde, laat zien dat wedaar alle reden toe hebben. Ondanks alle onderzoeken en rapporten blijfthet een onderbelichte vorm van discriminatie, misschien juist omdat hetzich op zo veel verschillende manier uit. Niet alleen een laag inkomen,maar ook opleidingsniveau, beroepsstatus en zelfs geografische liggingdoen ertoe. Het College voor de Rechten van de Mens heeft eropaangedrongen om in ieder geval te onderzoeken of sociaaleconomischestatus als discriminatiegrond opgenomen kan worden, ook omdat dat inlijn zou zijn met de internationale verdragen. Ik wil de Minister vragen ditte onderzoeken en buitenlandse ervaringen hierin mee te nemen. Mochthet niet tot een toezegging leiden, dan overweeg ik een motie op dit punt.Ook de overheid moet natuurlijk aanspreekbaar zijn op discriminerendehandelingen. Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomenSP-motie om eenzijdig overheidshandelen onder de werking van deAlgemene wet gelijke behandeling te brengen? Alleen tegensputterendrechts was hier nog op tegen, dus laten we hier vooral voortgang opmaken.De staatscommissie tegen discriminatie en racisme legde de vinger op dezere plek. De Belastingdienst heeft in het toeslagenschandaal terecht veelover zich heen gekregen, maar het was natuurlijk lang niet de enigeorganisatie waar het misging. Ongerechtvaardigd onderscheid makentussen mensen gebeurt bewust en onderbewust. Het zou dus echt goedzijn als publieke dienstverleners en gemeenten preventief gaan toetsenom te analyseren waar de risico’s in hun organisatie zitten, niet met alsdoel om «jij bent racist; jouw organisatie deugt niet» te zeggen, maar omvooroordelen bij mensen of kwetsbaarheden in de processenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43514 bespreekbaar te maken en er echt iets aan te doen. Het probleem isnamelijk veel groter dan enkele foute individuen. Gaat de Minister eenvoortrekkersrol spelen en dit oppakken, zodat die discriminatietoets breedgebruikt gaat worden? Gaat de Minister hetzelfde doen met de discrimina-tietoets die nu in de maak is voor de departementen? Mijn vraag is vooralwelke regie de rijksoverheid, dus ook de Minister, hierin gaat nemen.Krijgt de aanpak van discriminatie een structurele plaats in bestaandeinitiatieven zoals Werk aan Uitvoering, en met welk budget? En hoekunnen we dit als Kamer volgen?De antidiscriminatievoorzieningen zijn al genoemd. Die zijn heel ergbelangrijk. Het is goed dat dit stelsel verbeterd wordt, omdat veel te veeldiscriminatie nog nergens gemeld wordt. Het is eigenlijk triest dat eenknelpunt was dat deze meldpunten onvoldoende gefinancierd werden.Dan vinden het we met elkaar dus kennelijk niet belangrijk genoeg. Desnoeiharde bezuinigingen op gemeentes helpen ook niet. Waarom mag deversterking van dit stelsel vooral niks kosten en moet het van de Ministerallemaal budgetneutraal plaatsvinden? Klopt het dat het geld voor wat wenu gaan doen voor de versterking van het stelsel wordt weggehaald bij degemeentes, die toch al afkoersen op een financieel ravijnjaar?Voorzitter. De strijd tegen discriminatie en racisme en de strijd voor gelijkebehandeling zijn nooit af. Politici moeten zelf het goede voorbeeld geven.De politiek van verdeel en heers maakt onze samenleving niet mooier.Dank u wel.De voorzitter:Dank. Dan ga ik naar de inbreng van de heer Koops, NSC.De heer Koops (NSC):Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dat de regering vastbesloten is om debestrijding van discriminatie te intensiveren, blijkt meteen al uit hetregeerakkoord, maar blijkt ook uit de reacties van de Minister op door deKamer aangenomen moties. Het blijkt vandaag ook met betrekking tot deleden van het parlement, omdat ik iedereen die tot nu toe het woord nam,in ieder geval de ernst heb horen benadrukken van het probleem datvandaag aan de orde wordt gesteld in dit debat, namelijk het probleemvan een kennelijk toegenomen mate van discriminatie in de samenleving,zowel op het gebied van het ervaren ervan als het daadwerkelijkvaststellen ervan. Dat is allebei doodernstig. De meest recente brief vande Minister, die van afgelopen 27 januari, laat geen misverstand bestaanover de plannen binnen de regering voor het bestrijden van discriminatie.Daarop kom ik zo meteen nog terug met een vraag. Laat ik hier eersthardop uitspreken dat de fractie van Nieuw Sociaal Contract alle initia-tieven op dit vlak van harte aanmoedigt, of het nu gaat om het vergemak-kelijken van het doen van meldingen, over het bevorderen van hetoppikken van dergelijke meldingen of over de handhaving en sanctio-nering van de gevallen waarin een gegrondbevinding plaatsgevondenheeft.Het probleem bij dit alles is dat Nederlandse minderheden meer dan ooithebben aangegeven met discriminatie te maken te hebben en dat het inbijna 50% van de gevallen lijkt te gaan om daadwerkelijk verbodenonderscheid op basis van ras. Ik vind het echt hartstikke verontrustend datdit zo’n groot percentage is. De implementatie van de aangekondigdeverbeteringen is dan ook urgenter dan ooit. Dat zal ook de strekking zijnvan mijn vragen; die gaan over die urgentie.Wij hebben onszelf als Nieuw Sociaal Contract hardgemaakt voor deinstelling van een commissie die ziet op een toetsing aan grondrechten,waaronder het discriminatieverbod. Wij hopen en verwachten dat daareen heilzame werking van uit zal gaan bij het vaststellen van de wetten,want de wetten uit het verleden hebben niet geleid tot het voorkomen vande discriminatie die we vandaag de dag moeten vaststellen. Dat is helaasTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43515 een feit. We hopen dus op een heilzame werking van die commissie. Datis voor ons ook een reden geweest om samen met anderen het initiatief-wetsvoorstel in te dienen dat etnisch profileren beoogt uit te bannen.Echt, ik hoor hoe hier door andere Kamerleden wordt opgeroepen omeerder aangenomen moties uit te voeren, maar volgens mij zitten webehoorlijk op één lijn. In de verhouding tussen overheid en burger mageenvoudigweg niet worden gediscrimineerd. Dat mag gewoon niet.Wij als Nieuw Sociaal Contract denken dus zelf dat we in de Algemenewet bestuursrecht een verbod moeten opnemen op enig onderscheid opbasis van ras of etnische afkomst. Het heilzame daarvan is dat elke burgerzich dan in elke procedure regelrecht kan beroepen op dat verbod. Danheeft de overheid maar gewoon uit te leggen dat er geen sprake was vaneen vorm van racisme – dat is een van de lelijkste woorden die we hebben– of discriminatie, dat het gewoon niet is gebeurd. Die plicht rust op deoverheid, en de burger moet die op een afdwingbare manier kunneninroepen.De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Dit is een interruptie uit interesse en om de heer Koops wat extratoelichting te gunnen op dit punt. Dit soort vormen van discriminatie enongelijke behandeling zonder gerechtvaardigd onderscheid, zijn natuurlijknu ook al niet toegestaan. We hebben de Algemene wet gelijke behan-deling en het Wetboek van Strafrecht. Ik vind de gedachte dus welsympathiek, maar ik daag de heer Koops uit om nader te onderbouwenwaarom het nodig is en iets toevoegt om dit ook in de Algemene wetbestuursrecht op te nemen. Heeft dat dan vooral met de bewijslast temaken? Wat is de motivering? Waarom zouden we hiervoor moetenstemmen? Laat ik het zo vragen, in het kort.De heer Koops (NSC):Wat een geweldige uitnodiging om een nadere toelichting te geven op datwetsvoorstel.De voorzitter:Het laatste zinnetje was «in het kort», hoorde ik de heer Van Nispenzeggen. Gaat uw gang.De heer Koops (NSC):Dat was mij ontgaan; neem me niet kwalijk! Het is knap lastig om je tebeperken als je echt heel enthousiast wordt over een bepaald idee, maarhet antwoord is simpel. Er is een lange juridische procedure geweest,waarbij de politie werd aangesproken op vormen van racisme. Datgebeurde simpelweg omdat ze mensen met een donkere huidskleureerder uit de rij plukten als zij in de rij stonden voor het vliegtuig. Dat kongewoon niet. Het bleek gewoon een vorm van instructie te zijn waardoormensen met een donkere huidskleur er eerder uit werden gepakt. Hetheeft de burgers die die kwestie aan de orde hebben gesteld ontzettendveel moeite gekost om hun rechten vastgesteld te doen krijgen, namelijkdát het was gebeurd en dat dat bovendien niet mocht. Er is daarvoorgeprocedeerd bij de rechtbank en bij het Hof. Het Hof heeft hierover zo’nconclusieve uitspraak gedaan dat het helemaal niet lastig is om te zien datje dit in de wet moet opnemen. Het is dus deels een codificatie van ietswat we eigenlijk allemaal al weten. Maar het is wel zo’n vorm vancodificatie dat het inderdaad als het ware de bewijslast omdraait invoorkomende gevallen, als het vermoeden ontstaat dat een vorm vanontoelaatbare discriminatie plaatsgevonden heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43516 Tot zover de toelichting daarop. Daarmee keer ik gauw terug naar datgenewaar wij hier ook voor zitten ...De voorzitter:Gaat uw gang.De heer Koops (NSC):... namelijk de Minister en de regering. Na mijn enthousiasme hierover ishet knap vervelend om weer terug te komen op iets wat wel vervelend isom te constateren. Ik heb het over de enorme kosten en het enormereputatieverlies als gevolg van de hersteloperaties. Waar je het opdetailniveau ook over oneens bent, zelfs indachtig de bijdrage, om het zote noemen, van Forum voor Democratie aan dit debat ... Zelfs als ikdaaraan denk, dan denk ik dat iedereen het erover eens is dat herstelope-raties voorkomen moeten worden. Ze zijn schaamtevol, ze zijn uiterstpijnlijk, ze zijn een herbeleving voor iedereen die erbij betrokken is, en zezijn uiterst kostbaar. Dat moet dus gewoon niet gebeuren. Prioriteit voorde regering moet dus zijn het voorkomen van een volgende affaire, inplaats van het verstoppen van een affaire zoals onder regeringen heeftplaatsgevonden, regeringen waarvoor de PVV overigens geen bewinds-lieden heeft gefourneerd. Het is essentieel dat beleidsverbeteringenworden doorgevoerd, specifiek over discriminatie. Nou, ik kom terecht bijeen van de hoofdpunten van vandaag en ik weet dat ik moet afronden.De voorzitter:Dan gaan we eerst naar een interruptie en dan kunt u straks uw helehoofdpunt in één keer noemen. Mevrouw Tseggai, gaat uw gang.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):De heer Koops heeft een mooi betoog gehouden en ging toen naar hetkabinet en de regering. Hij haast zich te zeggen dat de toeslagenaffaireniet is veroorzaakt door PVV-bewindspersonen. Dat klopt. Ik ben echterwel benieuwd hoe de heer Koops dan reflecteert op uitspraken vanhuidige bewindspersonen. Hoe denkt hij dat die bijdragen aan hetvoorkomen van een nieuwe affaire door discriminerend overheidshan-delen?De heer Koops (NSC):Ik kan u zeggen dat ik lang heb nagedacht over de uitspraken waar u nuop doelt. Op dit moment vind ik het niet mijn rol om daar enigcommentaar op te geven.De voorzitter:Geen interrupties buiten de microfoon. Gaat u verder.De heer Koops (NSC):Ik wil het kort houden, maar ik wil er ook geen misverstand over latenbestaan. Ik maakte zojuist die opmerking voornamelijk omdat ik bang bendat er in de toekomst nieuwe affaires ontstaan, juist omdat ze in hetverleden al zijn ontstaan. Dat moet worden voorkomen. Dat is volgens mijwaarvoor we met z’n allen hier zitten. Ik zit hier niet om enige persoonlijkemening te geven over enige uitlating die in het recente verleden doorbewindspersonen is gedaan. Daar ga ik me ook niet toe laten verleiden.Als ik nou de vraag heb gemist, dan hoop ik dat u mij verbetert.De voorzitter:Mevrouw Tseggai, gaat uw gang voor een interruptie.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43517 Het is gewoon meer een punt van orde. Ik vind dat als Kamerlid A eenvraag stelt aan Kamerlid B, Kamerlid A daar een antwoord op magverwachten. Een Kamerlid dat niet een persoonlijke mening wil gevenvind ik nogal een unicum in de Nederlandse parlementaire geschiedenis.Ik hoop dus dat de heer Koops er toch zijn mening over wil geven.De voorzitter:Ik begrijp de opmerking, maar nergens in het Reglement van Orde staatdat Kamerleden verplicht zijn om te antwoorden. Ik begrijp de opmerking,maar ik kan niemand ergens toe verplichten. Meneer Koops, wilt u daarnog kort op reageren?De heer Koops (NSC):Ik zal proberen zo min mogelijk te vervallen in gewoontes uit mijn vorigeberoep. Laat ik dat vooropstellen. Daarnaast hoop ik heel erg te blijvenfocussen op dat waar we hier vandaag voor zitten, namelijk de vraag hoeom te gaan met de berg aan informatie waar we doorheen moesten tervoorbereiding op deze vergadering. Buiten het verband van dit debat ga ikmeer dan graag met u het gesprek aan over uitlatingen die aan deregering zijn toe te schrijven. Ik kom terug op de vraag naar de rijksbredesturing.De voorzitter:Excuus. Toch nog een interruptie van de heer Van Baarle. Meneer VanBaarle, gaat uw gang.De heer Van Baarle (DENK):Zo makkelijk komt de heer Koops hier namelijk niet mee weg. De heerKoops kan een verhaal houden waardoor je denkt dat de fractie van NSChet heel erg belangrijk vindt om te normeren tegen discriminatie. Maaraan de andere kant – ik heb het net opgelezen – heb je bewindspersonenzoals mevrouw Keijzer die naar de rechter gaat om te kunnen zeggen datJodenhaat bijna onderdeel van de islamitische cultuur. Dat is eenverwerpelijke stigmatiserende uitspraak. Staatssecretaris Nobel zei:islamitische jongeren onderschrijven voor een heel groot deel onzenormen en waarden niet. Staatssecretaris Jansen bleef achter dieracistische «minder, minder»-uitspraak staan. Als de heer Koops namensNSC niet bereid is om hier iets van te vinden, om dit te normeren, danondergraaft hij zijn hele betoog. Spreek uzelf daar eens over uit, zeg iktegen de heer Koops.De voorzitter:Gaat uw gang.De heer Koops (NSC):Ik vind dat een gerechtvaardigde vraag. Mij erover uitspreken zal ikmisschien, al dan niet namens de fractie van Nieuw Sociaal Contract, openig moment doen, maar niet vandaag. Vandaag is echt gericht op hoe wijwillen dat op dit moment wordt omgegaan met de daadwerkelijk door deregering concreet aangeleverde voorstellen ter bestrijding van niet alleeninstitutionele discriminatie, maar ook van de gevoelens van discriminatiezoals die zijn vastgesteld in de rapporten die ons zijn toegestuurd. Met allerespect voor de vraag en ook met begrip voor de reden om die te stellen,schuif ik die vandaag voor me uit.De voorzitter:Een vervolginterruptie van de heer Van Baarle.De heer Van Baarle (DENK):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43518 «Niet vandaag» ... Ik stel die vraag vandaag! De Nederlandse Grondwet enonze rechtsstaat worden erdoor verzwakt als mensen zich niet uitsprekenop het moment dat de Nederlandse Grondwet en de Nederlandserechtsstaat met voeten getreden worden door dit soort uitspraken vanMinisters. NSC geeft hiermee al die Nederlandse islamitische jongeren diedoor die uitspraken geraakt worden, gewoon een klap in het gezicht. NSCgeeft hiermee al die Marokkaanse Nederlanders die geraakt zijn doordater een Staatssecretaris zegt dat hij achter de «minder, minder»-uitspraakstaat, een klap in het gezicht. Al die mensen in Nederland voelen zich inde steek gelaten doordat politici zich niet uitspreken tegen Ministers enStaatssecretarissen die discriminerende uitspraken doen. Ik zou tegen deheer Koops willen zeggen: spreek u uit tegen discriminatie in plaats vanmet mensen die discrimineren, te dansen.De voorzitter:Gaat uw gang, meneer Koops.De heer Koops (NSC):Ik heb het volste respect en het volste begrip voor de passie waarmeedeze interruptie werd gepleegd en voor de inhoud ervan. Ik blijf erbij datik vind dat er geen sprake is van een bystander-effect, waar DENK zojuistop doelde, op het moment dat ik mij blijf concentreren op de stukken dieten grondslag liggen aan dit debat. Ik heb er werkelijk waar heel erg overnagedacht, en heb bepaald een genuanceerd standpunt over wat er aanuitlatingen is gedaan door de bewindspersonen die thans in de regeringzitten. Ik denk ook dat er al een enorm aantal debatten, en hele felle, overzijn gevoerd. Tegelijk blijf ik zeggen dat ik fel blijf op antidiscriminatie. Ikhoor de regering zelfs zeggen dat er geen sprake is van discriminatie en/ofracisme binnen de regering. Dat is dan iets wat ik als uitgangspunt neembij het bespreken van al hetgeen wij vandaag aan de orde te stellenhebben.De voorzitter:Helder, dank. Dan heeft u nog een interruptie van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dit argument en de gedachtegang die daarachter zit, heeft er mede toegeleid dat er enorme schandalen hebben kunnen ontstaan. In dekinderopvangtoeslagaffaire, waarover we recent het rapport hebbenbesproken, heeft mede de Tweede Kamer een kwalijke rol gehad, omdatbepaalde mensbeelden, bepaalde normatieve en impliciete gedachtenonder het mom van fraudeaanpak in beleid terechtkwamen. Daarmee ishet leven van duizenden, wel tienduizenden mensen vermorzeld. Onzetaak als volksvertegenwoordiger maar ook als controleur van de regeringis het om hierop te reageren. Dus ik ben het niet eens met de notie dat weons hier alleen beperken tot de agenda. Ik denk dat het heel belangrijk isdat Nederland weet wat NSC vindt. U bent een grote partij en heeft veelverantwoordelijkheid gekregen. De vraag die ik aan de Minister stelde,maar die ik ook aan u wil stellen, is: mevrouw Sylvester, de voorzitter vande staatscommissie, heeft gesteld dat dit kabinet het risico op discrimi-natie door de overheid vergroot, omdat het zelf discriminerende uitla-tingen doet. Deelt u die overtuiging als controleur van de regering, ofniet? Als u die niet deelt, is dat ook prima, maar ik denk dat we elkaar alsKamerleden op z’n minst mogen bevragen op het standpunt van defractie.De voorzitter:Gaat uw gang.De heer Koops (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43519 Ik ben het volkomen eens met wat meneer Ceder hier zegt: iedereen magelkaar bevragen over de standpunten van de fractie. U heeft gezien dat defractie van NSC niet gestopt is om de regering te steunen op dit moment,maar waar ik het meest op aansla, is de combinatie van de commenta-toren van mevrouw Sylvester, hier aanwezig tot mijn zeer grote vreugde,met het korte briefadvies dat we toegestuurd hebben gekregen, met alstitel Het voorkomen van discriminatie in de publieke dienstverlening. Daarligt een compleet rapport aan ten grondslag, en ik kijk er ontzettend naaruit om daar kennis van te gaan nemen. Daarmee kom ik terug op detoeslagenaffaire, die reden voor mij is geweest om mij überhaupt depolitiek in te bewegen en die mij ontzettend aan het hart is gegaan, omdatik gezien heb hoe dit mensen kapot heeft gemaakt, en omdat zoiets nooitmeer mag voorkomen. Wat daar gebeurd is, is een vorm van institutionelediscriminatie, die als eindresultaat had dat mensen werden vermorzeld.Het hele punt is tegelijk ook dat bij zowel de parlementaire enquêteFraudebeleid als bij andere onderzoeken vastgesteld is dat het niet zozeerging om de gevallen waarin een individu zich intrinsiek schuldig maakteaan de strafbare feiten rond discriminatie, maar dat het een optelsom wasvan allerlei verschillende activiteiten, zoals de inzet van algoritmen, dienetto als resultaat hadden dat die mensen werden vermorzeld.De voorzitter:Zou de reactie op de interrupties iets korter kunnen?De heer Koops (NSC):Mevrouw, ik moet erin komen. Ik was al gewaarschuwd. Het klokje looptmee hier. Als meneer Ceder het goed vindt, dan vervolg ik mijn betoog endan zijn we vast nog niet klaar.De voorzitter:Meneer Ceder, gaat uw gang.De heer Ceder (ChristenUnie):Ja, voorzitter, ik vind het boeiend om met elkaar van gedachten tewisselen, maar u komt niet terug op mijn vraag. Ik zie namelijk niet inwaarom u als individu, dat het afgelopen jaar ook gezien heeft welkeuitspraken wel of niet zijn gedaan ... Nota bene NSC-Kamerleden, uwcollega’s dus, zijn opgestapt, om verschillende redenen, maar mede doorhoe dit kabinet zich heeft opgesteld in bepaalde situaties. Ik ga mijn vraagnog een keer stellen, en hoop daarop een antwoord te krijgen. Deelt u,vanuit uw eigen bevindingen, zowel in de Kamer als daarbuiten, deopvatting van de voorzitter van de commissie dat dit kabinet het risico opdiscriminatie vergroot? Ik zeg niet dat het gaat gebeuren, maar deelt u deopvatting dat het risico wel wordt vergroot, mede door de manier waarophet zelf bepaalde uitingen doet? Herkent u dat probleem? Of herkent u datals individu niet en zegt u: nee, dat idee heb ik niet.De heer Koops (NSC):We hebben het hier toch over de voorzitter van de staatscommissie? Ja. Ikben er simpelweg nog niet aan toe om definitieve conclusies te trekken endaarmee dus ook mijn mening te vormen, want die dingen hangen ergsamen in mijn geval, naar aanleiding van de opmerkingen van devoorzitter. Maar ik verzeker u allen dat ik alles wat de voorzitter heeftgezegd zal betrekken bij het uiteindelijk trekken van conclusies. Dat isdeel één.De voorzitter:Helder.De heer Koops (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43520 Het tweede is het standpunt van Nieuw Sociaal Contract over hetvertrouwen dat op dit moment in de regering kan worden gesteld, wantwe staan nog achter die regering. Dat is dus het standpunt van NieuwSociaal Contract.De voorzitter:Gaat u verder met uw betoog.De heer Koops (NSC):Ik zal alle volzinnen waar ik een tijdje over heb gedaan, overslaan en mijbeperken tot het stellen van de vragen. Daar gaat het mij nu namelijk om.Mij is opgevallen dat de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijdingniet valt onder de Minister van Binnenlandse Zaken maar onder deMinister van Justitie en Veiligheid. Dat betrek ik bij de vraag aan dezeMinister als het gaat over het rijksbreed aansturen en coördineren van allepogingen, alle inspanningen die worden verricht, om vormen vandiscriminatie en racisme tegen te gaan. Ik zie het namelijk als probleemdat er meer dan één probleemeigenaar lijkt te bestaan: de Minister vanVeiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken. Mijn vraagaan de Minister is dus om te reageren, te reflecteren op het probleem vancoördinatie van antidiscriminatie-inspanningen. Die vallen op dit momentonder meerdere ministeries en meerdere bewindspersonen. Dat is vraagéén.De tweede vraag zit mij persoonlijk het meest hoog.De voorzitter:Ik wil u vast aangeven dat u over uw tijd heen bent. Ik weet niet hoeveelvragen u heeft, maar ik zou u willen vragen om naar een afronding tegaan. Ik heb anderen ook iets meer ruimte gegeven, dus ik laat u nog heeleven de ruimte, maar als het tien vragen zijn, dan zult u toch echt moeteninkorten.De heer Koops (NSC):Nee, ik heb er nog drie. Kan de Minister antwoord geven op de vraaghoelang het nog duurt voordat de toegang van de burger, van de melder,tot de meldpunten wordt verbeterd waar je een vorm van discriminatiekan melden? Dat kan namelijk simpelweg niet lang wachten en is nu veelen veel te ingewikkeld. Dat moet worden gestroomlijnd en moet wordenverbeterd. De vraag is hoeveel tijd daarmee is gemoeid.In het algemeen wil ik hier opmerken dat wij de aanbevelingen van destaatscommissie tegen discriminatie en racisme, die nu al bekend zijn,gewoon steunen.De voorzitter:En uw vraag is?De heer Koops (NSC):De vraag is of de Minister nieuwe inzichten heeft gevonden in hetbriefadvies zoals dat nu voorligt.Dan mijn laatste vraag. Aan de ambtsvoorganger van de huidige Minister,aan de heer De Jonge, is al een toezegging ontlokt voor een onderzoeknaar risicoselectie en aselecte steekproeven, wat een duidelijke oorzaakvan discriminatie is. Daar zou een onderzoek naar komen. Dat is vorig jaarop 16 april toegezegd, maar dat hebben we nog steeds niet. Dat was nuheel behulpzaam geweest. Mede gelet op de inbreng van de SP, vraag ikdan ook: hoe staat het ervoor, wanneer gaat die toezegging gestandworden gedaan?Bij deze opmerkingen laat ik het.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43521 Helder, dank. Dan ga ik naar de collega naast u, de heer Deen van de PVV.De heer Deen (PVV):Voorzitter, dank u wel. Discriminatie kan overal plaatsvinden, binnen allelagen van de bevolking, op straat, op universiteiten, in het openbaarvervoer, tussen alle etniciteiten, overal. Echter, als ik googel op «aangiftedoen van discriminatie», zie ik gelijk wat het grote probleem is, namelijkeen wirwar aan instanties. We zien door de bomen het bos niet meer. Er istotaal geen overzicht en geen duidelijkheid. Ik heb hier al eerder iets overgezegd. We zien namelijk een papieren berg aan evaluaties, rapporten,brieven, handreikingen, aanbevelingen et cetera – en wie houden zichdaar onder anderen mee bezig? Een staatscommissie, een nationaalcoördinator, het College voor de Rechten van de Mens, gemeentelijkeADV’s, antidiscriminatievoorzieningen, diverse meldpunten, deOmbudsman, Slachtofferhulp et cetera. Daarnaast zijn er nog een grootaantal al dan niet gesubsidieerde belangenorganisaties en een grootaantal andere clubs en clubjes. Er is totaal geen structuur, maar eenwirwar aan instanties en versnippering van organisaties, waar hogekosten mee gepaard gaan. De Minister is van plan in te zetten opéén stevige centrale organisatie. Wij zullen dan ook zorgvuldig naar ditvoorstel kijken als de Minister daar straks mee komt.Voorzitter. Wat speelt er momenteel op dit punt in de praktijk? In deafgelopen vijf jaar heeft een op de drie 65-plussers bijvoorbeeld inNederland te maken gehad met discriminatie op basis van leeftijd. Datlazen we gisteren in De Telegraaf. Senioren kregen onder andere te makenmet uitsluiting op financieel vlak, in de zorg en op het werk. Onder-vraagden gaven aan dat ze geen auto konden huren, omdat ze te oudwaren of omdat de limiet van hun creditcard fors naar beneden wasbijgesteld omdat zij een bepaalde leeftijd hadden bereikt.Voorzitter. 12% van de 65-plussers heeft de ervaring dat dokters klachtendirect toeschrijven aan de leeftijd. Ook het stoppen van bevolkingsonder-zoeken na het 75ste levensjaar wordt onrechtvaardig gevoeld door dezedoelgroep. Er wordt op grote schaal getwijfeld over de inzetbaarheid opgrond van de leeftijd van ervaren werknemers. Vindt de Minister het ookzorgwekkend dat ouderen zo aan de kant worden gezet, temeer omdatdeze groep de komende jaren nog flink zal doorgroeien, en daarmee ookhet aantal gevallen van discriminatie en uitsluiting? Wat is de regering vanplan hiertegen te ondernemen?Voorzitter. De voorzitter van de staatscommissie tegen discriminatie enracisme geeft in de regel adviezen aan de Minister. Vorige week,21 januari, gaf ze ook een interview in NRC. Daarin wordt het kabinet ereigenlijk van beschuldigd het risico op discriminatie door de overheid tevergroten door discriminerende uitspraken te doen. Ze noemt daarbij eenaantal bewindspersonen bij naam. Deze staatscommissie heeft wat mijbetreft als wettelijke taak de regering te adviseren. Maar wat draagt ditsoort interviews nou bij aan het oplossen van problemen? Vindt deMinister ook dat deze voorzitter door op deze manier de publiciteit tezoeken en politiek gemotiveerde uitspraken te doen, haar boekje te buitenis gegaan? Zo nee, waarom niet?De voorzitter:Een interruptie van de heer Van Baarle.De heer Van Baarle (DENK):Dit is toch de wereld op zijn kop. In plaats van dat de PVV wijst naar deoorzaak van het probleem, namelijk dat er een PVV-Staatssecretaris is dielekker bij WNL gaat zitten en zegt: die «minder, minder, minderMarokkanen»-uitspraak van Wilders, daar sta ik achter, die vind ik prima.We hebben dus eigenlijk een racistische Staatssecretaris in Nederland.Laten we het gewoon benoemen zoals het is. In plaats van daarop teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43522 wijzen gaat de heer Deen de mensen die daartegen opstaan als schuldigeaanwijzen. Heeft de heer Deen enig besef van wat hij hiermee doet? Dedader maakt hij daarmee namelijk tot slachtoffer.De voorzitter:Gaat uw gang.De heer Deen (PVV):Wat het noemen van deze drie bewindspersonen betreft: tuurlijk, dat mag,en u heeft als Kamerlid ook enorm veel mogelijkheden gehad om dezebewindspersonen hierover te ondervragen. Dat is ook gebeurd. Zij hebbendaarover uitleg gegeven. Sterker nog, een van de bewindspersonen heefteen rechtszaak gestart, dus dat moet nog onder de rechter komen. Verderga ik over dit onderwerp niet oordelen, zeker niet over zaken die op ditmoment onder de rechter zijn. U heeft daar dus de mogelijkheden toegehad, en ik vind ook dat er uitgebreid op is gereflecteerd door debetrokken bewindspersonen. Mijn vraag aan de Minister is dan ook: waardraagt het toe bij om dat na een aantal maanden weer op te rakelen? Watlost dat op?De voorzitter:U kunt niet per se vragen stéllen, maar als de heer Van Baarle nog eeninterruptie wil plegen, dan kan dat. Dat is wel zijn laatste.De heer Van Baarle (DENK):Het is inderdaad mijn laatste, maar ik spendeer ’m graag aan de PVV.Waar dat toe bijdraagt, is de strijd tegen discriminatie en racisme. De PVVis in dit huis en binnen deze regering de grootste exponent van discrimi-natie en racisme. Want het is nogal wat dat iemand die gewoon «minder,minder, minder Marokkanen» zegt en «we willen minder van eenbevolkingsgroep hebben in Nederland», in de regering zit. Ik zou tegen dePVV willen zeggen: als dat de PVV is, als de PVV nog steeds «minder,minder, minder Marokkanen» in Nederland wil, dan zit de heer Deen bijeen racistische partij, een racistische club. Dat moet uit de regering. Datmoet bestreden worden in het parlement. Dat zullen wij doen op elkmogelijk moment. Dat is wat het oplevert, zeg ik tegen de heer Deen.De heer Deen (PVV):Ik hoor geen specifieke vraag, maar ik hoor natuurlijk wel weer hetbekende riedeltje van de heer Van Baarle van DENK. Dat is de partij diehet onderhand tot levenswerk heeft gemaakt om discriminatie tot kunst teverheffen. Kijk, altijd heel hard schreeuwen en wijzen naar anderen is eenbeetje de structuur die DENK zich heeft toegeëigend, terwijl met anderenbeschuldigen van discriminatie het echte probleem natuurlijk nietbenoemd wordt. Dat is namelijk wat de heer Van Baarle en zijn partij hierdagelijks in de Kamer laten zien, het aanjagen van Jodenhaat en-discriminatie, antisemitisme ...De voorzitter:Dit vind ik wel ver gaan.De heer Deen (PVV):Dat is wat er gebeurt momenteel.De voorzitter:Ik zou zeggen: vervolgt u uw betoog. Heeft u een interruptie, meneerKoops? Oké, gaat uw gang.De heer Koops (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43523 Ik heb even een vraag ter verheldering aan mijn collega van de PVV. Ikneem even als uitgangspunt dat er vormen van racisme en discriminatiezijn die vallen onder uitingsdelicten. Puur hoe je je uitdrukt, kan discrimi-nerend zijn en dat is strafbaar. Hetzelfde geldt voor ontzettend veel anderecommune delicten die je met een racistisch oogmerk kunt plegen. Dateven daargelaten en met alle respect voor de vrijheid van meningsuiting:is de heer Deen het met mij eens dat wij ons hoe dan ook depolariserendmoeten uitdrukken in dit kabinet, in dit parlement en in deze regering? Datis de vraag.De heer Deen (PVV):We hebben artikel 1 van de Grondwet. Daarin wordt discriminatiestrafbaar gemaakt. Daarin staat ook dat allen die zich in Nederlandbevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Vinden personen,organisaties of mensen dat dit niet gebeurt, dan hebben wij gelukkig eendemocratische rechtsstaat en daarin is gewoon een weg te bewandelen. Ikzou zeggen: doe aangifte en dan belanden we in een rechtspraak of ietsdergelijks. Daar ben ik een groot voorstander van. Dus ik vind dat dit opdeze manier eigenlijk heel goed georganiseerd is in Nederland.De voorzitter:Oké, helder. Meneer Koops, dat is dan uw laatste interruptie. Gaat uwgang.De heer Koops (NSC):Oké. Dat was geen antwoord op de vraag. De vraag was of meneer Deenhet eens is met de stelling dat wij depolariserend behoren op te treden indeze regering, dit kabinet en dit parlement.De heer Deen (PVV):Ja, dan zal de heer Koops echt duidelijk moeten uitleggen wat hij hiermeeprecies bedoelt. Wat zijn nou «depolariserende opmerkingen»? Daar kanik niet zo veel mee.De voorzitter:Oké, helder. Er is een interruptie van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Voorzitter. Ik vond het goed dat de heer Deen het had over leeftijdsdiscri-minatie. Dat had ik ook op mijn lijstje staan. Daar kwam ik niet aan toe.Dat is een hartstikke goed en belangrijk punt. Het had de heer Deen welgesierd om ook andere vormen van discriminatie, die voor zijn partijmisschien wat spannender zijn, te benoemen en daar ook vragen over testellen, maar daar gaat iedereen natuurlijk zelf over. Verder heeft de heerDeen wel veel aandacht besteed aan punten van orde over dat bepaaldeuitspraken van PVV-bewindspersonen niet genoemd mochten worden, datde heer Wilders hier niet genoemd mocht worden. Vervolgens geeft deheer Deen tot overmaat van ramp ook nog een sneer naar de voorzittervan de staatscommissie, die gewoon heel netjes heeft gezegd, inbriefadvies en ook in interviews, dat Kamerleden en bewindspersonen inwoord en daad verantwoordelijkheid moeten nemen voor een cultuurdie ... In ieder geval, dat ook Kamerleden en bewindslieden niet moetendiscrimineren, zich gewoon aan de wet moeten houden en zich inderdaaddepolariserend horen uit te spreken. Dus ik vind het hartstikke prettig datde PVV deelneemt aan dit debat, maar probeer dan ook echt met eenbijdrage te komen die ingaat op de kern van het probleem en die nietafleidt. Neem nou ook een beetje verantwoordelijkheid voor uitsprakenvan de heer Wilders en voor uitspraken van bewindspersonen en blijfalsjeblieft af van een instituut, een staatscommissie, die nota bene goedwerk doet voor ons allemaal. Mogen we daar ook een beetje respect voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43524 verwachten en een beetje minder polarisering? Want die politiek van dePVV van verdeel en heers maakt onze samenleving gewoon niet mooier.Dat hoeft niet.De heer Deen (PVV):Ja, ik heb naar aanleiding van een interruptie van de heer Ceder, volgensmij, die ook de naam noemde van deze voorzitter van de staatscommissieen waarop ik de voorzitter niet heb horen ingrijpen – ik heb er verder ookniemand over gehoord – gemeend ook te kunnen verwijzen naar devoorzitter van deze staatscommissie. Ik heb die niet bij naam genoemd,maar ik heb wel verwezen naar een interview dat heeft plaatsgevondenvoor een dagblad. In dat kader heb ik gemeend dat te moeten kunnendoen, zeg ik tegen de heer Van Nispen.De voorzitter:Helder. Meneer Van Nispen, dit is uw laatste interruptie.De heer Van Nispen (SP):Voorzitter. Ik vind het niet zo heel erg helder. Dit was namelijk precies mijnpunt niet. Mijn punt was niet een punt van orde, waarin ik zei dat de heerDeen niks mag vinden van een voorzitter van de staatscommissie. Al geefik toe aan de heer Deen dat het inderdaad wel wat hypocriet is dat hij hiereerst probeert om iedereen de mond snoeren met dat niemand iets magzeggen over iemand die niet deelneemt aan het debat en dat vervolgenszelf wel doet. Dat geef ik toe. Dat was inderdaad best hypocriet van deheer Deen. Maar mijn punt was: kom nou ook echt met een fatsoenlijkebijdrage aan dit debat. Benoem ook vormen van discriminatie die voor dePVV wat spannender zijn, en niet enkel leeftijdsdiscriminatie. Nogmaals,dat was inhoudelijk echt een goede vraag, maar kom ook met anderevoorbeelden. En probeer nou eens op de inhoud in te gaan, namelijk datde voorzitter van de staatscommissie gewoon een punt had door testellen dat Kamerleden en bewindspersonen ook een rol hebben tespelen, ook in het politieke debat, dat discriminatie benoemd moetworden en dat politici, Kamerleden en bewindspersonen horen bij tedragen aan depolarisatie. Dat is de oproep die ik doe aan de heer Deen.De heer Deen (PVV):Ik ga op heel veel punten in en ik bepaal natuurlijk zelf op welke punten ikinga. Ik kreeg zelfs een compliment van de heer Van Nispen. Overleeftijdsdiscriminatie heb ik een inbreng gedaan. Ik heb een inbrenggedaan over allerlei instanties die zich bemoeien met discriminatie enracisme, en die daarvoor in het leven zijn geroepen. Ik heb de wirwardaarin gemeld. Ik ben volgens mij de enige die is ingegaan op de brief vande Minister waarin zij aangeeft welk pad zij wil bewandelen. Dus, ja: ikdenk dat ik op diverse momenten en met diverse items echt heel erg ingaop de inhoud en ook op de agenda, om in de woorden van de heer Koopste spreken, die vandaag voorligt.De heer Ceder (ChristenUnie):In reactie op een van de interrupties gaf u aan dat als iemand zichgediscrimineerd voelt, die, ook bij ouderendiscriminatie, aangifte kandoen, er een uitspraak komt en er zo recht gedaan kan worden. Zobegreep ik dat tenminste. Maar het is toch juist de PVV geweest die datsoort uitspraken ten aanzien van uw partijleider naast zich neerlegde? Dusals u zegt tegen eenieder die zich gediscrimineerd voelt «ga naar derechter, want daar wordt recht gedaan en dat respecteren wij», terwijl dePVV dat als grootste partij van het land zelf niet doet, dan kan het tochgeen effectief middel zijn om recht te doen? Als iedereen het naast zichneer kan leggen, kan het toch geen effectief middel zijn? Dus ik vraag metoch af wat volgens de PVV het pad is dat bewandeld moet worden alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43525 iemand zich in Nederland gediscrimineerd voelt en als er recht gedaanmoet worden.De heer Deen (PVV):Dat pad heb ik net aangegeven. De heer Ceder weet volgens mij als geenander dat we artikel 1 van de Grondwet hebben en dat discriminatie opbasis daarvan strafbaar is. Daar hoort een te bewandelen weg bij. Ik snapbest dat u heel graag wilt praten over allerlei zaken die in het verledenmet mijn partijleider zijn gebeurd. U refereert waarschijnlijk ook aan deveroordeling voor groepsbelediging; ik zal het maar alvast voor zijn. Maardaar ga ik nu helemaal niet op in. Dat is helemaal niet aan de orde. Uvraagt naar de wijze, de manier waarop mensen als zij discriminatie ofracisme ervaren, daar iets mee kunnen doen. Dan wijs ik ze op de weg diewij nu hebben. Dat is de weg die wij in een democratische rechtsstaat alsdeze hebben ingesteld.De voorzitter:Oké, helder. Dank. Meneer Ceder, dit is uw laatste interruptie. Kort graag.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik snap dat dat de weg is, maar het is toch een doodlopende weg, want alshet u niet bevalt – dat geldt dan dus ook als het een ander niet bevalt –kunt u het toch naast u neerleggen? Of erkent u wel dat er gezag uitgaatvan een dergelijke uitspraak?De heer Deen (PVV):Ik weet niet wat de heer Ceder mij in de mond probeert te leggen, maar ikzie geen doodlopende weg. Ik zie een hele mooie brede wijde weg die wijmet z’n allen willen bewandelen. Ook vanuit het ministerie zie ik een grotewelwillendheid aangaande dit grote probleem van discriminatie enracisme binnen de samenleving. Ik zie dus eigenlijk alleen maar eenpositieve weg en ik weiger om elke keer terug te kijken op zaken diehoogstwaarschijnlijk bedoeld worden door de heer Ceder.De voorzitter:Oké, dan kunt u uw betoog vervolgen. O, de heer Bamenga heeft nog eeninterruptie. Gaat uw gang.De heer Bamenga (D66):Ik wilde in eerste instantie reageren op wat de heer Deen zojuist zei tegende collega van DENK, maar volgens mij heeft de heer Van Nispen datuitstekend gedaan, dus dat zal ik niet herhalen, behalve dat ik wil zeggendat ik het werkelijk walgelijk vond.Ik heb een andere vraag. De heer Deen noemt allerlei instanties, onderandere de antidiscriminatievoorzieningen, de staatscommissie, de NCDRen het College. Die instanties zijn er natuurlijk om onze democratischerechtsstaat nog extra te versterken, om artikel 1 van de Grondwetdaadwerkelijk goed te laten uitvoeren. Erkennen de heer Deen en de PVVde autoriteit van al deze instanties?De heer Deen (PVV):Ik zal u zeggen: het is op dit moment zo’n grote wirwar, dat ik niet eensalle instanties ken. Dat is nou juist waar ik voor pleit. Het gaat er niet omof ik iets erken. Het gaat mij om de vraag of iets op die manier duidelijk,toegankelijk en benaderbaar is. Dat kun je volgens mij bereiken door degrote wirwar aan organisaties die we op dit moment op dit punt hebben,te vereenvoudigen – dat is ook wat deze Minister wil – richting één stevigecentrale organisatie; zo heb ik het wel gelezen. Dat is wat ik hiermeeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43526 bedoel te zeggen. Het gaat helemaal niet om het feit of ik bepaaldeorganisaties erken of niet erken. Dat is wat mij betreft totaal niet aan deorde.De voorzitter:Dank. De heer Bamenga voor een tweede ronde. Gaat uw gang.De heer Bamenga (D66):Nou ja, dan concludeer ik dat dit niet het geval is. Volgens mij doet u nieteens moeite om te weten wat deze organisaties daadwerkelijk doen. Zezijn er namelijk al jaren en ze zijn er niet voor niks. Sommige van dezeorganisaties zijn zelfs internationaal bepaald. Dus er is een hele duidelijkereden – laat ik het zo zeggen – dat ze er zijn en bijdragen aan demaatschappij.De voorzitter:En uw vraag is?De heer Bamenga (D66):Dan de vraag. U noemt net artikel 1 van de Grondwet. Je kunt zeggen dathet moreel juist is of dat dit in ieder geval juridisch zo zou moeten zijn.Maar we zien ook dat juist dat artikel 1 ...De voorzitter:Wat is uw vraag?De heer Bamenga (D66):... door mensen in de politiek daadwerkelijk bestreden wordt. Dat zien weterug in de ADV’s. Die hebben te maken met een verdubbeling ...De voorzitter:Meneer Bamenga. Meneer Bamenga, ik interrumpeer u, want dat mag alsvoorzitter en dat doe ik dus nog een keer: wat is uw vraag?De heer Bamenga (D66):Ik was net toe aan het gaan naar mijn vraag.De voorzitter:Oké, gaat uw gang.De heer Bamenga (D66):De ADV’s hebben nu te maken met een verdubbeling van het aantalmeldingen en dat heeft onder andere te maken met uitspraken vanuit depolitiek.De voorzitter:Wat is uw vraag?De heer Bamenga (D66):Wat vindt de heer Deen hiervan?De heer Deen (PVV):Ik vond dat ook een heel ingewikkelde vraag, voorzitter. Maar ik hoor inieder geval een bepaalde conclusie van de heer Bamenga. Nou, dat mag.Maar vervolgens hoor ik, volgens mij, dat hij artikel 1 van de Grondwet wilafschaffen. Daarnaast wil hij een reflectie van mij op het feit dat er meeraangifte wordt gedaan van discriminatie en racisme. Dat is een teken datdit leeft in de samenleving en dat we daar met z’n allen wat aan moetendoen. Daar zitten we hier voor, volgens mij. Dus het zou fijn zijn als we datop een constructieve manier oppakken met z’n allen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43527 De heer Bamenga (D66):Ik concludeer ...De voorzitter:Uw derde interruptie, meneer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Ik concludeer dat de heer Deen op geen enkele manier van plan is om hierserieus antwoorden te geven op de vragen die collega’s hierover stellen.Dat vind ik toch wel opmerkelijk, zeker op het moment dat de heer Deenhier nu aangeeft dat hij artikel 1 serieus neemt. Maar volgens mij neemtde PVV artikel 1 niet serieus, en neemt zij alle organisaties en autoriteitendie wij hebben om onze democratische rechtsstaat sterker te maken nietserieus. Ik snap werkelijk waar niet waarom u hier zit en een bijdragelevert.De heer Deen (PVV):Deze conclusies laat ik natuurlijk geheel aan de heer Bamenga zelf. Ikbegrijp niet waar het vandaan komt, maar dat heb ik wel vaker met D66.Als laatste inbreng van mijn betoog wil ik het in het verlengde van devragen van de heer Bamenga graag nog even hebben over het verlengenvan de functie van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie enRacisme. Een aantal van mijn collega’s heeft daarover gesproken. Wijvragen ook aan de Minister om op korte termijn met een reactie te komenop het evaluatierapport, zodat er wat dat betreft snel een knoopdoorgehakt kan worden. Wij waren er al een poosje uit. Wij waren altegen het instellen van deze tijdelijke functie. Wat ons betreft wordt diedan ook niet verlengd.Dank u wel.De voorzitter:Ja, gaat uw gang voor een interruptie.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik vroeg me even af: gaat de PVV dan ook meteen de Nationaal Coördi-nator Antisemitismebestrijding afschaffen? Dat hoop ik overigens niet,maar daar ben ik toch even benieuwd naar.De heer Deen (PVV):Voorzitter ...De voorzitter:De microfoon is weer uit. Kunt u die weer even aanzetten?De heer Deen (PVV):O, sorry. Ik was al bang dat deze opmerking zou komen. Die vind ikeigenlijk wel heel schrijnend, want er is namelijk niets, maar dan ook nietste vergelijken met wat wij de afgelopen tijd in Nederland zien aangaandeJodenhaat en antisemitisme. Het is buitengewoon disproportioneel wat erop dat vlak gebeurt, zeg ik tegen mevrouw Tseggai. Dus uiteraard gaan wijniet iets zeggen over de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding,buiten het feit dat dat ook helemaal niet in deze commissie hoort plaats tevinden. De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding legt namelijkverantwoording af aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Aan de handvan wat er op dit moment gaande is in de samenleving wil ik er hierechter echt op wijzen dat ik die vergelijking volkomen maar dan ookvolkomen mank vind gaan. Er vindt een Jodenjacht plaats. Er doet zich opgrote schaal antisemitisme voor. Joodse studenten durven niet meer naarde universiteit en u vraagt dan of ik het er ook mee eens ben om iets tedoen met de coördinator antisemitisme of zo! Was dat niet de vraag? OokTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43528 prima! Dan heb ik in ieder geval aangegeven dat dat voor mijonbespreekbaar is.De voorzitter:Ja, helder. Ik denk dat ik kan stellen dat het ook niet zo bedoeld was. Hetwas meer een retorische vraag. Mevrouw Tseggai, wilt u daar nog eeninterruptie aan wijden of is het bij dezen rechtgezet? Ga uw gang.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Nee, ik wilde een vervolgvraag stellen. Ik ben het helemaal met u eens. DeJoodse gemeenschap, een ontzettend klein deel van de bevolking, krijgtdisproportioneel veel met haat en ook discriminatie te maken. Daarom isde Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding ingesteld als een soortverbijzondering van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie enRacisme. Waarom mag volgens de heer Deen de ene groep die te makenheeft met discriminatie wel een nationaal coördinator hebben, maar derest, de andere Nederlandse burgers die met discriminatie te makenhebben, niet?De heer Deen (PVV):Het gaat niet om een wedstrijdje coördinator hebben. Dat is totaal niet aande orde. Het gaat erom dat mensen met hun klachten en ervaringen vanracisme, discriminatie en antisemitisme op wat voor manier dan ookergens terecht kunnen. Ik zeg dat we, gezien de manier waarop het op ditmoment in Nederland geregeld is, volgens mij een goede weg inslaan alswe het eenvoudiger maken. Dat is wat ik zeg. Ik zeg helemaal niet dat deeen meer of minder recht heeft op iets. Dat is niet aan de orde.De voorzitter:Oké, helder. Heeft u nog een deel van uw betoog, of was u klaar?De heer Deen (PVV):Nee, hier laat ik het even bij voor de eerste termijn. Dank u.De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik bij dezen het voorzitterschap over aan de heerVan Nispen zodat ook ik mijn inbreng kan doen. Voorzitter, ik hoop dat ikdat mag doen.Voorzitter: Van NispenDe voorzitter:Zeker, dan geef ik nu het woord aan mevrouw Rajkowski, die zal sprekennamens de VVD.Mevrouw Rajkowski (VVD):Dank, voorzitter. Voor de VVD is de basis: iedereen in Nederland moet vrijen veilig zichzelf kunnen zijn. We beoordelen mensen op basis van wat zekunnen en niet op basis van afkomst, geslacht, kleur, ras, leeftijd, geloof,seksuele geaardheid of beperking. We treden dan ook daadkrachtig optegen mensen die zich hier schuldig aan maken, op straat maar ookonline. Wat op straat niet mag, mag online ook niet. De harde werkelijk isdat er steeds meer aandacht komt voor het bestrijden van discriminatie enracisme, maar dat het effect van het bestrijden helaas nog niet in de cijfersis terug te zien. Ik heb drie onderwerpen.Allereerst: overheidssubsidies aan organisaties die discrimineren. Wat deVVD betreft is er namelijk geen plek voor organisaties die haatzaaien ofdiscrimineren. Organisaties die dat wél doen, gericht tegen lhbti’ers,Joden en moslims, horen niet thuis in onze samenleving. Wat ons betreftstoppen we dan dus ook met overheidssubsidies voor organisaties dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43529 zich hier schuldig aan maken in binnen- en buitenland. Op dit momentverkent het kabinet of bij het verstrekken van subsidies ook getoetst kanworden of de ontvanger betrokken is bij strafbare feiten met eendiscriminatoir karakter. We ontvangen voor de zomer hierover nog eenbrief.Ik zou daar graag nog iets aan willen toevoegen. Soms hebben dezeorganisaties ook te maken met financiering vanuit onvrije landen, diegraag het vuurtje in Nederland willen opstoken en die er eenanti-emancipatie- of anti-lhbti-agenda op na houden. Mijn collega BenteBecker stelde hier al eerder vragen over en diende een motie in. Kan deMinister mij toezeggen om bij de aanpak van organisaties die discrimi-neren ook te onderzoeken in hoeverre er sprake is van financiering uitonvrije regimes of buitenlandse oerconservatieve organisaties?Voorzitter. Dan mijn tweede punt, de rijksoverheid. Ik heb opgeschreven:resultaten boeken. We moeten vooruit, want de afgelopen jaren zijn erallerlei clubs, trainingen, commissies, meldpunten en coördinatorenopgetuigd om racisme aan te pakken. Stuk voor stuk zijn die aan de slaggegaan en hebben ook waardevolle rapporten geleverd. Dat doel steunenwij dus ook. Alleen, racisme en discriminatie lijken niet af te nemen. Deoverheid dijt dus wel uit, maar we zien hier nog niet de effecten van terug.Kijk naar alle initiatieven: de staatscommissie, de nationaal coördinator,de klachtencommissie, Discriminatie.nl en zo nog heel veel anderewaardevolle initiatieven. Hoe kunnen we er nou voor zorgen dat al dieinitiatieven wellicht samen of op verschillende manieren elkaar ook echtkunnen gaan versterken?Het College voor de Rechten van de Mens beveelt dan ook aan: «Creëereen vaste infrastructuur binnen de rijksoverheid, waarmee een uniformeen structurele aanpak van de voorbereiding van verdragsrapportageswordt gewaarborgd en een nationale dialoog wordt gestimuleerd.» Deeltu met de VVD dat de aanpak versnipperd lijkt? Wie gaat nu precieswaarover? Is de Minister van plan om deze aanbeveling van het collegeover te nemen? En wat zou dit dan betekenen voor al deze initiatieven?Daarnaast zou ik graag willen dat de Kamer nog een kabinetsreactieontvangt op twee stukken: ten eerste het toetsingskader van het Collegevoor de Rechten van de Mens, dat recent is gelanceerd, en ten tweede deDiscriminatietoets Publieke Dienstverlening, waarover het rapport infebruari uit gaat komen.Dan mijn laatste punt, voorzitter. Het bestrijden van discriminatie enracisme in de fysieke wereld voelt soms als een achterhoedegevecht.Want wat heeft het voor zin om op de werkvloer te strijden voor gelijk-waardigheid als onze jeugd via sociale media ondertussen wordtoverspoeld door een giftige cocktail van achterhaalde rolpatronen enongelijkwaardigheid tussen man en vrouw? Online worden onze jongensklaargestoomd als mini-Andrew Tates, geïndoctrineerd met gevaarlijkedenkbeelden. Teksten als «een vrouw is het eigendom van een man» en«vrouwen zijn medeverantwoordelijk voor hun verkrachting» wordendagelijks in hun hoofd geprent. Dit is niet zomaar onlinerumoer; dit isondermijning van onze fundamentele waarden. De vraag is: blijft deoverheid toekijken terwijl deze digitale vergiftiging zich verspreidt? Watgaat de Minister doen om deze verspreiding van haat en illegale contentaan te pakken? En hoe zorgt de Minister ervoor dat socialemediage-bruikers, dus ook de jongeren in deze samenleving, weten waar zijschadelijke inhoud – racisme, discriminatie, het hele lijstje – kunnenmelden, ook als platforms zelf niet ingrijpen? Het is tijd voor actie.Als laatste punt wil ik toch nog vragen naar de onduidelijkheid over deADV’s. Als ik alle verschillende brieven naast elkaar leg, lees ik het zo datde ADV’s juist opgaan in Discriminatie.nl omdat gemeenten financieringkrijgen, maar die niet allemaal gebruiken voor het doel waarvoor zebedoeld is, namelijk het melden en bestrijden van discriminatie. Maar ikzie dat er in verschillende brieven en nu ook in het debat toch weer wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43530 gevraagd hoe het zit met het verplichten van het aansluiten van diegemeenten. Bij mijn weten wordt dat probleem dus opgelost door deaanpak die de Minister voorstelt in de hoofdlijnenbrief hierover. Zou zijhier nog even op kunnen reageren om onduidelijkheid daarover weg tenemen?Dat was ’m. Dank u wel.De voorzitter:Uw tijd zat er ook op. Er is nog een interruptie van de heer Bamenga. Datwordt zijn laatste, als mijn administratie juist is.De heer Bamenga (D66):Ik ben heel blij om te horen dat de VVD organisaties die discriminerengraag zou willen aanpakken. Nu hebben wij vanuit de staatscommissie,maar ook vanuit de ADV’s meegekregen dat de politiek daar geen mooiebijdrage aan levert en dat er juist sprake is van een verdubbeling, omdater vanuit onder andere de politiek en ook door acties vanuit de VVD heelveel meldingen zijn gedaan van discriminatie. Hoe rijmt de VVD enerzijdsde meldingen die komen vanuit de acties van de VVD en anderzijds de wilvan de VVD om organisaties die discrimineren aan te pakken?Mevrouw Rajkowski (VVD):Daar komt ons rechtssysteem bij kijken. Als de rechter oordeelt dat ietsdiscriminatie is, dan is dat het ook. Dat zullen we ook altijd serieus nemen.Als mensen zich gediscrimineerd voelen, door welke uitspraak van wiedan ook, moeten ze daar melding van maken en daar ook vooral aangiftevan doen. Ik heb de uitspraak niet zo geïnterpreteerd. Ik vond ’m watgenuanceerder. Er is ook een uitgebreid commissiedebat over geweest.Dit alles gezegd hebbende wil ik daarnaast nog zeggen dat wij als politiekinderdaad zeker een verantwoordelijkheid hebben om onze woordenzorgvuldig te wegen. Ik denk dat ik niet alleen voor mezelf spreek, maarvoor meerdere mensen van meerdere partijen, oppositie en coalitie, als ikzeg: het kan weleens gebeuren dat we in onze passie misschien iets te felnaar elkaar zijn. Dat raakt altijd, bij alle onderwerpen. Het enige wat ik kandoen, is kijken naar mijn eigen verantwoordelijkheid daarin. Dat zal ik danook naar eer en geweten blijven doen.De voorzitter:Dan de laatste interruptie van mevrouw Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik was even aan het wachten tot mevrouw Rajkowski klaar was met haarinbreng. Na het debat over integratie kon ik het woord «benoemen»eigenlijk niet meer horen, want de VVD wilde alles benoemen. Als hetging om Nederlanders met een migratieachtergrond moesten weproblemen benoemen, benoemen, benoemen. Maar nu hebben we eendebat over discriminatie. Een van de problemen die Nederlanders met eenmigratieachtergrond ervaren, is discriminatie. Ik heb mevrouw Rajkowskidaar niet echt over gehoord. Ik heb haar niet gehoord over moslimhaat enniet over antizwart racisme. Wat wil de VVD daarmee? Moeten we dat nietook benoemen?Mevrouw Rajkowski (VVD):Volgens mij heb ik mijn spreektekst bijna letterlijk opgelezen. Daar staatdit allemaal letterlijk in. Organisaties die discrimineren of haatzaaientegen lhbti’ers, Joden of moslims horen hier niet thuis. We beoordelenmensen op basis van wat ze kunnen en niet op basis van afkomst,geslacht, kleur, ras, leeftijd, geloof, seksuele geaardheid of beperking. Zokan ik volgens mij nog een heel lijstje opnoemen, ook met betrekking totTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43531 mijn stukje over het aanpakken van onlineracisme en -discriminatie.Volgens mij heb ik het dus wel gezegd. Als dat niet gehoord is: bij dezen.De voorzitter:Daarmee is er een einde gekomen aan de bijdrage van mevrouwRajkowski van de VVD. Ik geef graag het voorzitterschap weer terug.Voorzitter: RajkowskiDe voorzitter:Dank. Ik weet dat deze Minister een rekenmethode hanteert voor deschorsing. Hoeveel minuten heeft u hiervoor nodig?Minister Uitermark:We hebben 81 vragen genoteerd. Dat zou misschien iets te lang zijn, maarzullen we een uur doen?De voorzitter:Laten we het tot 19.00 uur doen. Dan hebben we ook de tijd om iets teeten.De vergadering wordt van 18.01 uur tot 19.02 uur geschorst.De voorzitter:Welkom terug, allemaal. Bij dezen heropen ik de vergadering. We hebbende eerste termijn van de Kamer gehad. We gaan nu luisteren naar debeantwoording van de Minister.Eerst heb ik nog een huishoudelijk punt. Dit debat duurt eigenlijk tot20.00 uur. We zijn wat later begonnen. Er zijn veel vragen gesteld. Wekunnen de ruimte nog tot 20.30 uur gebruiken. De Minister heeft aange-geven langer te kunnen blijven, dus dat is fijn. We hebben dus iets om terekken, maar ook niet heel erg veel. Ik zal vooral sturen op goed contact,goeie informatievoorziening en de antwoorden en vragen tussen deKamer en de Minister. Dan kunnen we het namelijk misschien tot eengoed einde brengen. Minister, gaat uw gang.Minister Uitermark:Dank u wel, voorzitter en leden van de commissie. Vanavond spreken weover een belangrijk onderwerp. We hebben eerder, begin september, ookal een keer over dit onderwerp gesproken, in een plenair debat, eendertigledendebat. Ook toen ben ik begonnen door te zeggen dat ik hetverschrikkelijk vind dat er nog steeds racisme en discriminatie voorkomtin Nederland. Dat meen ik uit de grond van mijn hart. Het is eenveelkoppig monster, zoals sommigen hebben gezegd. Het is in ieder gevaleen monster dat oud is, dat nooit doodgaat en dat vele gezichten enuitings- en verschijningsvormen kent. Of het nou gaat om discriminatietegen moslims of om discriminatie tegen joodse mensen, of het nou gaatom discriminatie tegen oudere mensen of om discriminatie tegen lhbtiqmensen: er zijn vele vormen. Niet voor niks noemt de wet dan ook eenaantal vormen, maar voegt hij er ook aan toe: «of op welke grond danook».Ik vind het ontzettend belangrijk. De hele regering vindt het belangrijk.Daarom staat ook met zoveel woorden in het regeerprogrammaopgenomen dat we daadkrachtig zullen optreden tegen discriminatie,racisme, antisemitisme en moslimhaat en dat we dat zullen bestrijden.Het is mijn vaste overtuiging dat niemand geconfronteerd zou moetenworden met haat, intimidatie, uitsluiting en geweld. Mensen moeten vrijen veilig zijn om zich te kunnen uiten. Daarom was een van de eerstewerkbezoeken die ik bracht ook aan Discriminatie.nl regio Rotterdam. Datheb ik gedaan om daarmee tot uiting te brengen hoe belangrijk ik hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43532 onderwerp vind. Ik heb er ook veel dingen gehoord en opnieuw geleerd. Ikheb bijvoorbeeld de schrijnende verhalen gehoord over de vaak onder-schatte gezondheidsschade die discriminatie teweegbrengt.Voorzitter. Vorige maand bracht het Centraal Bureau voor de Statistiek eenpublicatie uit over de ervaren discriminatie in Nederland. Die is gebaseerdop de Veiligheidsmonitor 2023. Uit die cijfers volgt dat als we het hebbenover de ervaren discriminatie, we het hebben over 1,6 miljoen mensen inNederland die zich gediscrimineerd hebben gevoeld in Nederland in hetjaar voorafgaand aan het onderzoek. Dan hebben we het dus over 2022.Dit onderzoek wordt elke twee jaar gedaan. Als we kijken naar hetonderzoek van daarvóór, van 2021, dan zien we dezelfde cijfers. Dus alswe kijken naar de mate waarin discriminatie wordt ervaren, dan zien we,terugkijkend naar de afgelopen vier jaar, geen stijgend cijfer. Maar hetcijfer is hoog: het gaat om een op de tien inwoners van Nederland van15 jaar of ouder. Dus ja, het is een heel ernstig probleem. Is dat probleemgegroeid? Dat laten deze cijfers niet zien.Wel zien we dat het aantal meldingen stijgt. Dat is misschien ook wel goednieuws, want het laat in ieder geval zien dat die ervaren discriminatievaker gemeld wordt. Daar moet ik wel bij zeggen: het gaat dan om deofficiële instanties. Het betreft dus de antidiscriminatievoorzieningen ende politie, maar ook Meld.Online Discriminatie, het College voor deRechten van de Mens en de Ombudsman. Alles wat daar gemeld wordt,kennen we. We zien dat dat groeit.Met het kabinet werk ik hard aan de uitvoering van het regeerprogramma.Dat ziet, zoals ik net al zei, toe op daadkrachtig optreden. Als coördinerendMinister voor de kabinetsbrede aanpak van discriminatie noem ik enkelebelangrijke acties die mijn collega-bewindspersonen en ik in gang hebbengezet om uitvoering te geven aan dit regeerprogramma. Ik zal daarbijingaan op de brede aanpak van discriminatie en racisme en hetvoorkomen daarvan, op de antisemitismestrategie, op moslimdiscrimi-natie en op mijn rol als rijkswerkgever.Als eerste de brede aanpak van discriminatie. Voor de aanpak van allevormen van discriminatie en racisme stelt het kabinet sinds 2022 hetNationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme op.De voorzitter:Excuus, Minister. Meneer Van Baarle, DENK, gaat uw gang.De heer Van Baarle (DENK):Voorzitter, hadden wij al medegedeeld gekregen hoeveel interrupties erwaren?De voorzitter:Nee. Vier.De heer Van Baarle (DENK):Dank, voorzitter, dan weet ik dat voor de innerlijke administratie, die ik inmijn hoofd heb. Ik wil niet flauw doen, maar de Minister gaf aan datdiscriminatie bestrijden in het regeerakkoord een belangrijke prioriteit is.Het hele kabinet zou dat vinden. Ik wijs deze Minister erop dat destigmatiserende uitspraken die gedaan zijn door bewindspersonen in ditkabinet – ik heb er in mijn eerste termijn aan gerefereerd – daar gewoongeen blijk van geven. Een bewindspersoon zegt dat islamitische jongerenin Nederland voor een heel groot deel de normen en waarden nietonderschrijven. Dat is een uitspraak waardoor Nederlandse jongerengestigmatiseerd en voor de bus gegooid worden. Een bewindspersoongaat naar de rechter om te kunnen blijven zeggen dat Jodenhaat bijnaonderdeel van de islamitische cultuur is. Dat is een stigmatiserendeuitspraak die de islamitische cultuur in verband brengt met antisemitisme.Ik zou de Minister willen vragen: als het echt waar is, kan dat toch nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43533 standhouden? Die uitspraken kunnen dan toch niet gedaan worden?Mevrouw Keijzer kan dan toch niet naar de rechter gaan om dat te kunnenblijven zeggen? Het is niet geloofwaardig.Minister Uitermark:Wat betreft de bewindspersonen: volgens mij hebben we net met elkaarafgesproken dat we hier alleen zullen praten over personen die hunuitlatingen in de hoedanigheid van bewindspersoon hebben gedaan. Dankunnen we het dus hebben over de uitlatingen van de heer Nobel en dievan de heer Jansen, maar niet over die van mevrouw Keijzer. Die heeft zenamelijk niet gedaan in haar hoedanigheid van Minister, maar nogvoordat zij Minister werd. Dat is één. Wat betreft de door meerdere van ugenoemde uitlatingen van de heer Jansen, wijs ik erop dat hij op dezelfdedag dat hem bij de regeling van werkzaamheden vragen werden gesteldover zijn uitlatingen in een televisieprogramma van de dag daarvoor, eenbrief heeft geschreven waarin hij afstand neemt van die uitspraken, omdatze niet de opvatting van het kabinet reflecteren. U noemde net ook deuitspraken van de heer Nobel. De heer Nobel is eerst door de NOS ietsanders geciteerd dan wat zijn letterlijke tekst was. U noemde net wel dejuiste, letterlijke tekst. De verwarring was eerst of het voor een groot deelvan de jongeren gold of dat het, zoals in de tekst die u net citeert, geldtvoor een deel van de islamitische jongeren die voor een groot deel denormen en waarden niet zouden onderschrijven. Daar zit dus echt wel eennuanceverschil in. Ik ben zelf altijd heel precies met woorden, dus ik kijkook naar wat er precies gezegd is. De heer Nobel heeft er ook eentoelichting op en een nadere duiding aan gegeven. Ik denk dat hetdaarmee voldoende is weerlegd.Ik kom terug op de besluiten en het beleid van dit kabinet. Ik zou nu graagmeer zeggen over waar dit kabinet mee bezig is.De heer Van Baarle (DENK):Nee. Ik vind het heel erg kwalijk dat de coördinerende bewindspersoonvoor het bestrijden van discriminatie eigenlijk achter alle bewindsper-sonen die deze uitspraken doen, gaat staan. Dat past een Minister diediscriminatie zegt te bestrijden niet. De heer Nobel heeft het namelijk weldegelijk gezegd. Het staat op beeld dat hij het had over een heel grootdeel van de islamitische jongeren in Nederland. Dat is stigmatiseren. Ikheb de heer Jansen zelf niet genoemd, maar het was echt geen slip of thetongue van hem toen hij zei dat hij achter die uitspraak staat. Dat erdaarna een pro-formabriefje komt, zo van: bij nader inzien, omdat erpolitieke druk op mij wordt uitgeoefend, vind ik dat toch niet ... Hij blijftdat echt wel vinden. Hetzelfde geldt voor mevrouw Keijzer. Ze heeft datweliswaar niet als bewindspersoon gezegd, maar ze gaat naar de rechteromdat ze vindt dat ze moet kunnen zeggen dat Jodenhaat onderdeel isvan de islamitische cultuur. Ik verwacht van deze Minister dat ze daarstelling tegen neemt. Ik verwacht dat ze zegt dat die uitspraken nietdeugen en dat ze zo niet uitgesproken hadden moeten worden. Andersconstateer ik dat dit kabinet twee gezichten heeft. Aan de ene kant staanbewindspersonen die zich stigmatiserend en discriminerend uiten en aande andere kant staat een Minister die zegt het probleem van discriminatieheel erg te vinden en er alles tegen te doen. Dat kan niet naast elkaarbestaan. Het is ongeloofwaardig.Minister Uitermark:U valt voor een deel in herhaling, meneer Van Baarle. Ik vind altijd datpraten voor een groot deel ook luisteren is. Volgens mij heb ik in wat iknet aangaf, duidelijk gezegd dat er een onderscheid is tussen uitlatingendie zijn gedaan door bewindspersonen in de hoedanigheid van bewinds-persoon en uitlatingen die niet in die hoedanigheid zijn gedaan. Dusnogmaals, wat mevrouw Keijzer heeft gezegd, was in de periodeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43534 daarvoor. Daar ga ik me nu dus niet verder over uitlaten. De heer Jansenheeft het de dag dat hij daarop werd aangesproken, meteen schriftelijkteruggenomen. Dat brengt ons alleen nog bij de uitspraak van de heerNobel. Daarover heb ik net gezegd wat ik heb gezegd. Hij heeft nietgezegd: «een groot deel van de islamitische jongeren». Hij heeft gezegd:«Ik zie ook dat bijvoorbeeld islamitische jongeren voor een heel groot deelde Nederlandse normen en waarden niet onderschrijven.» Nogmaals, hetzouden mijn woorden niet zijn, maar dit zijn de woorden geweest van deheer Nobel. Hij heeft die woorden wel genuanceerd en heeft daarbij ookduidelijk aangegeven dat het niet zijn bedoeling was om mensen overéén kam te scheren.Ik zou dan nu graag terug willen naar ...De voorzitter:Er is nog een interruptie van mevrouw Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik zit even na te denken. Ik heb namelijk met de heer Nobel een debatgevoerd over zijn uitspraken. Hij heeft er geen afstand van genomen. Hijheeft ze iets genuanceerd. Hij heeft er ook geen excuses voor aange-boden. Nu hoor ik het verhaal van deze Minister. Nu ben ik als Kamerlidgewoon een beetje in de war. Ik vraag me nu eigenlijk af wie hier hetverhaal vertelt waar het kabinet echt voor staat, want het kabinet zou tochmet één mond moeten spreken?Minister Uitermark:Het kabinet spreekt ook met één mond, zeker waar het gaat om besluit-vorming en beleidsuitgangspunten. Dat geldt niet voor elke uitlating dieeen bewindspersoon doet. De heer Nobel heeft dit gezegd naar aanleidingvan de beelden van de rellen. Hij heeft daar ook een duiding aan gegevenen een nuancering bij gegeven. Die is ook in uw Kamer besproken. Ik denkdat we het daar gewoon bij moeten laten. Ik heb daar nu niet nog iets aantoe te voegen wat naar mijn mening dienstig kan zijn aan waar we hetvanavond over moeten hebben.De voorzitter:Zijn er nog nieuwe vragen of interrupties?Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik heb een vervolgvraag. De Minister zei net: dit zouden mijn woorden nietzijn. Staat ze dan wel achter de strekking van de woorden? Ik vraag me datdan gewoon af. En zo niet, waarom heeft ze dan niet als coördinerendbewindspersoon voor discriminatie en racisme aan de heer Nobelgevraagd om daar afstand van te nemen of excuses voor aan te bieden?Minister Uitermark:Ik werd erover bevraagd toen ik uit de ministerraad kwam. Toen werd deheer Nobel geciteerd met de woorden die ik net aangaf. Zo stonden zeaanvankelijk op de website van de NOS. Zoals ik net zei, blijkt dus dat dewoorden iets anders waren. Hij had het namelijk niet over «een groot deelvan de islamitische jongeren», maar hij had het erover dat er een deel vande islamitische jongeren is dat voor een groot deel de normen enwaarden niet onderschrijven. Er zit echt een verschil in die woorden.Nogmaals, het zouden mijn woorden niet zijn geweest. Maar met dezeprecieze citering van zijn woorden en zijn uitleg daarbij, namelijk dat hetecht was gezegd naar aanleiding van de beelden en wat daarop te horenwas, dus met de duiding in die context – daarbij kwam ook nog deverduidelijkende nuancering dat het zeker niet zijn bedoeling was ommensen over één kam te scheren en er is in de Kamer ook een debat overgeweest – is het wat mij betreft op deze manier voldoende afgedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43535 Dan was ik gekomen bij het Nationaal Programma tegen Discriminatie enRacisme. Dat wordt sinds 2022 jaarlijks samen met de nationaal coördi-nator opgesteld. Dit voorjaar komt het volgende nationaal programma uit,met diverse nieuwe maatregelen. Het streven is om dit eind van ditkwartaal te doen, maar het zou ook kunnen dat we net over het kwartaalheen gaan. Deze keer komt er ook een meerjarenagenda bij die richtingkan geven aan de inzet van het kabinet in de komende jaren. De inzet isdus niet alleen gericht op het bestrijden van discriminatie, maar duidelijkook op het voorkomen daarvan. Ik kom zo nog verder te spreken over hetvoorkomen van discriminatie.Ik doe dat bijvoorbeeld door de negentien antidiscriminatievoorzieningenin het land te versterken en mensen er ook bewust van te maken dat hetmelden van discriminatie wel degelijk zin heeft, anders dan nu misschienvaak het gevoel is bij mensen. De hoofdlijnennotitie over hoe ik dat wilgaan doen, heeft uw Kamer onlangs van mij ontvangen. Daarin leest uwat ik ga doen om die negentien antidiscriminatievoorzieningen verder teversterken. Ik doe dat door toe te werken naar één centrale organisatievoor de aanpak van discriminatie. Het is belangrijk, vind ik, dat deinwoners van alle gemeenten in Nederland in gelijke mate toeganghebben en bijstand kunnen ontvangen van een antidiscriminatievoor-ziening. Het is ook belangrijk dat die antidiscriminatievoorzieningen aanpreventie van discriminatie kunnen werken. Dat is dus ook gericht op hetmeldproces. Ik vind zelf dat de zichtbaarheid en de vindbaarheid van deantidiscriminatievoorzieningen verder moeten worden verbeterd. Het iswel al te merken dat de vindbaarheid is verbeterd sinds alle antidiscrimi-natievoorzieningen onder Discriminatie.nl werken. Het lijkt er namelijk opdat het aantal meldingen mede hierdoor vorig jaar behoorlijk is toege-nomen. Er zou zelfs sprake zijn van een verdubbeling, heb ik begrepen.Verder is het ook de bedoeling dat de landelijke organisatie voortaanrechtstreeks gefinancierd wordt door het Rijk in plaats van via hetGemeentefonds. Het huidige budget zal daarbij ook opgehoogd wordenvoor de taken van preventie. Daar komt in totaal 5 miljoen voorbeschikbaar, waarvan 2,5 miljoen voor het omzetten van dedecentralisatie-uitkeringen, maar ik zal daar ook 2,5 miljoen vanuit mijneigen ministerie aan toevoegen. Ik denk dat ik daarmee goed laat zien datdit voor mij een belangrijk onderwerp is. Ik streef ernaar dat dit nieuwestelsel in januari 2027 is geïmplementeerd. We werken op dit moment aaneen conceptwetsvoorstel dat u medio dit jaar tegemoet kunt zien.Voor wat betreft de aanpak van moslimdiscriminatie gaat het kabinet opkorte termijn bezien welke aanvullende maatregelen er nodig zijn. Daarbijzal het kabinet zich ook baseren op de uitkomsten van het nationaalonderzoek naar moslimdiscriminatie, dat bijna is afgerond. De Staatsse-cretaris Participatie en Integratie zal dit onderzoek voorzien van eenkabinetsreactie in het eerste kwartaal en het mede namens mij aan uwKamer zenden.Voor de aanpak van antisemitisme heeft het kabinet samen met deNationaal Coördinator Antisemitismebestrijding een strategie opgezet,onder leiding van de Minister van Justitie en Veiligheid, met jaarlijks4,5 miljoen euro extra aan middelen. Vanuit mijn departement maakt deversterking van de antidiscriminatievoorzieningen daar deel van uit.Daarnaast gaan het CIDI en ook branchevereniging Discriminatie.nl meersamenwerken op dit onderwerp. Ik wil zelf ook dat de nazorg voorslachtoffers van discriminatie geborgd wordt in het nieuwe stelsel vanantidiscriminatievoorzieningen.Tot slot werk ik in mijn rol als rijkswerkgever toe naar een voortvarende,meer gestructureerde en integrale aanpak van racisme en discriminatie opde werkvloer van het Rijk. In het dertigledendebat van 12 september waarik het net ook over had, hebben we het gehad over het PER-onderzoek, hetPersoneelsenquête Rijk-onderzoek. Ik heb uw Kamer toen een aantaltoezeggingen gedaan. Er zijn ook enkele moties aangenomen. Over eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43536 deel van die maatregelen en toezeggingen heb ik u recent geïnformeerdper Kamerbrief, maar een paar acties wil ik daar nog even kort uitlichten.Eén. Per eind februari zal die rijksbrede klachtencommissie in werkingtreden, ter uitvoering van de motie-Rajkowski. Ook ontwikkelen we eenmodelaanpak discriminatie en racisme voor een departementale beleids-en effectrapportage. Dat betekent dat er op alle departementen gerappor-teerd gaat worden. De departementen hebben zich ook verplicht om dierapportage bij mijn ministerie aan te leveren. Ik streef ernaar dat dit modelna de zomer kan worden gebruikt. Tot slot onderzoek ik in hoeverre hetmogelijk is om rijksbreed stappen te zetten op het gebied van escalatie enom sanctiebeleid bij racisme en discriminatie vorm te geven en af tespreken. Er wordt nu een handreiking met daarin een escalatiemodelvoorbereid. Die zal leidinggevenden inzicht geven in de sanctiemogelijk-heden die er zijn in geval van discriminatie en racisme. Ik verwacht ookdeze handreiking voor de zomer uit te kunnen brengen.Voorzitter, ik rond mijn algemene deel af. Dit kabinet zet de aanpak vandiscriminatie echt voort met concrete acties. Ik heb een heleboel vragenvan uw Kamer gekregen. Het waren er meer dan 80. We hebben er eenaantal samengebundeld. Ik hoop dat we op die manier toch een beetjevoortvarend door de antwoorden heen kunnen gaan.Er zijn vragen gesteld over de uitspraken van bewindspersonen. Dit is netook al aan de orde gekomen. Belangrijk daarin was de vraag: ziet deMinister niet dat deze regering discriminatie normaliseert? Kijk, ik heb hetnet ook al aangegeven: het staat niet voor niks in het hoofdlijnenakkoorden in het regeerprogramma. Wij staan als kabinet echt voor een open envrije samenleving waarin iedereen zichzelf moet kunnen zijn. Dat isleidend voor iedereen die hier wil zijn, ook voor bewindspersonen. Ik sluitme aan bij het deel van het briefadvies van de staatscommissie waarinduidelijk wordt aangegeven dat wij als politici en bewindspersonen daarineen voorbeeldrol vervullen. Ik sluit me aan bij die woorden, maar ik heb zezelf eerder ook al meermalen uitgesproken. We moeten heel wijs zijn metonze woorden. We moeten ons bewust zijn van onze woorden. Dat geldtniet alleen voor bewindspersonen in dit kabinet, maar ook voor alle ledenin uw Kamer en van de Eerste Kamer. Ik ervaar zelf als Minister vanBinnenlandse Zaken ook hoe het neerslaat in de samenleving als wij datniet zijn, hoe het neerslaat in alle dorpen en steden, in gemeentehuizen.Ook daar verhardt de sfeer en neemt de polarisatie toe. Dat vind ik echtongelofelijk verdrietig. Ik zal me er dus elke keer voor inzetten om metelkaar te zorgen dat we niet polariserend bezig zijn. Het past ook helemaalniet om groepen mensen over één kam te scheren of in een hoek tezetten.Wat mij betreft raakt dit ook de kern van artikel 1 van de Grondwet. Dat isniet voor niks ons eerste artikel in de Grondwet: het artikel van gelijkebehandeling, de bepaling dat je als persoon niet wordt achtergesteld opgrond van een persoonskenmerk of slachtoffer wordt van vooroordelen,of dat nu je geslacht, je huidskleur, je leeftijd of je geloof is. Met hetingezette beleid tegen racisme en discriminatie en met de maatregelen dieik in gang heb gezet, en waarover ik u heb geschreven en waarover ik netook heb verteld, werken wij aan een rijksoverheid die dienstbaar enbetrouwbaar is richting de samenleving, maar ook integer, veilig eninclusief voor alle medewerkers. U kunt er echt van op aan dat ik me daarsterk voor maak.Dan heb ik een mapje met diverse vragen die eigenlijk zien op de rol vanhet Ministerie van Binnenlandse Zaken. Ten eerste de regierol. Gevraagdis of ik deel dat de aanpak versnipperd lijkt; en wie gaat er dan over? Ikvind inderdaad dat er veel organisaties zijn die zich bezighouden met deaanpak van discriminatie. Als fenomeen kent het vele gezichten, zoals iknet al zei. Het is heel divers. Het vraagt om bestudering. Het vraagt omactie. Het vraagt om klachtenbehandeling. En het vraagt om advies enbijstand aan slachtoffers. Daarom zijn er ook zo veel organisaties, iederTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43537 met hun eigen rol en taken. Maar sommige daarvan zijn op explicietverzoek van uw Kamer ingesteld, zoals de staatscommissie en denationaal coördinatoren.Niet al deze organisaties zijn overigens permanent ingesteld. Zo heeft destaatscommissie een einddatum, in 2026, na afronding van hunonderzoek. Het kabinet probeert al zo veel mogelijk te bundelen. Daaromis er bijvoorbeeld één Nationaal Coördinator tegen Discriminatie enRacisme die bij alle vormen van discriminatie, met uitzondering vanantisemitisme, de verbinding legt tussen maatschappij en overheid. Dierijksbrede aanpak is best ingewikkeld, maar die komt overzichtelijk samenin de nationale programma’s tegen discriminatie en racisme. Ik denk zelfook dat de versterking van de antidiscriminatievoorzieningen naar eenstelsel met een stevige en centrale organisatie die rechtstreeks wordtgefinancierd vanuit het Rijk, zal bijdragen aan een gestructureerde engecoördineerde aanpak van discriminatie.Er zijn veel vragen gesteld over de evaluatie en de verlenging van deNationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en wat ik daarvanvind. Het vorige kabinet heeft op 14 juni vorig jaar een brief gestuurdwaarin staat dat het mandaat van de NCDR verlengd is tot 1 januari 2026,zodat het huidige kabinet de tijd heeft om een gedegen besluit te nemenover de verlenging. We streven ernaar om dit besluit in het voorjaar tenemen. Op 25 oktober heeft u het evaluatierapport alvast ontvangen.Daaruit volgt dat deze nationaal coördinator een waardevolle aanvulling isop het stelsel voor de aanpak van discriminatie en dat zijn rollen, taken enverwachtingen zich op dit moment verder uitkristalliseren. Daarover ga ikde komende tijd ook het gesprek aan met de nationaal coördinator, methet oog op het besluit over de verlenging.Dan is er gevraagd wat mijn reactie is op de ...De voorzitter:Excuus. De heer Van Baarle.De heer Van Baarle (DENK):Was dit alles?De voorzitter:Ja, dit was alles, begrijp ik. Misschien voorkom ik nu een vraag. Wanneerkrijgt de Kamer meer informatie hierover?Minister Uitermark:Dat gaf ik net aan: in het voorjaar.De voorzitter:In het voorjaar, oké. De heer Van Baarle, ga uw gang.De heer Van Baarle (DENK):Ik vind het voorjaar voor een voor DENK zo belangwekkend instituut teveel onzekerheid. Het instellingsbesluit zei: drie jaar na instelling moet ereen besluit genomen zijn, even los van de verlenging van het mandaat.Dat is gewoon niet gebeurd. U houdt zich dus niet aan uw eigen instel-lingsbesluit, zeg ik via de voorzitter tegen de Minister. Nu hebben we eennationaal coördinator die aan de slag moet met een meerjarenpro-gramma. Deze nationaal coördinator moet dus in onzekerheid blijvenverkeren over de vraag of hij kan blijven voortbestaan tot een onzekeredatum. Mijn vraag aan de Minister is: ligt er op dit moment een scenariobij het ministerie waarin de NCDR te continueren valt? Zo ja, is de Ministerdan bereid om binnen twee weken – ik snap dat de aankomende minis-terraad iets te vroeg is – ervoor te zorgen dat dit in de ministerraad wordtbehandeld, zodat er een besluit wordt genomen? Ik vind het wachten zolangzamerhand te lang duren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43538 Minister Uitermark:Ik begrijp het ongeduld van de heer Van Baarle, maar het moet ookzorgvuldig gebeuren. Ik zei net dat het besluit vorig jaar is genomen endat het mandaat verlengd is, zodat wij als nieuw kabinet de tijd zoudenhebben om hierover een gedegen besluit te nemen. Dat vergt dat hetuiteindelijk in de ministerraad wordt besproken. Maar de weg daarnaartoeheeft ook zo zijn eigen vorm. Het komt bijvoorbeeld eerst in de onderraad.Daar gaat een ambtelijk traject aan vooraf. Maar we zijn er echt mee bezigen zoals ik net aangaf, komen we daar dit voorjaar mee, eind Q1 – het isnu eind januari – eind maart. Het kan zijn dat het net april wordt, maar wekomen er echt op korte termijn mee. Het heeft nog even iets aan zorgvul-digheid nodig.Dan vraagt u mij wat de reactie is op de voorzitter van de staatscom-missie, die stelt dat het kabinet het risico op discriminatie vergrootvanwege zijn handelen. Ik vind het allereerst belangrijk om te zeggen datde staatscommissie een onafhankelijke commissie is. Dat volgt ook uit deKaderwet adviescolleges. Ik versta het vooral zo dat zij haar zorgen heeftuitgesproken. Deze zorgen komen, zoals gezegd, ook terug in hetbriefadvies, waarin staat dat wij als bewindspersonen, maar ook alspolitici in het algemeen, hierin een belangrijke voorbeeldfunctie hebben.Daar sluit ik me volledig bij aan.Mevrouw Tseggai heeft gevraagd naar het doorlichtingsinstrument van destaatscommissie: wanneer en hoe wordt dat toegepast? Dat instrument isgetest in enkele pilots. Er wordt nu nog wat aan gesleuteld. Ik hebbegrepen dat het na de zomer klaar is voor gebruik in de publiekedienstverlening. De insteek is dat organisaties dat vooral zelf kunnendoen. Ik denk dat we even de tussenrapportage moeten afwachten. Dankan ik ook bezien of er wat meer centrale sturing vanuit mijn departementop gezet moet worden. Maar zover ben ik nu nog niet. Het doorlichtingsin-strument kan ook benut worden op de beleidsdepartementen. Daartoeworden ook pilots voorbereid.De heer Van Nispen (SP):Op zich veelbelovend, maar de Minister zegt: zover ben ik nog niet. Ikbegrijp ook wel, dit is het briefadvies en er komt nog een breder rapport,en het wordt doorontwikkeld. Maar het is toch eigenlijk niet goed voor testellen dat de Minister straks tot de conclusie komt «nou, centrale regielijkt me niet nodig; ik zie het wel» of dat van de uitvoeringsorganisaties ende kerndepartementen de een het wel gaat doen en de ander niet? Dat istoch nauwelijks voor te stellen? De Minister ziet toch hopelijk wel eenvorm van centrale regie om straks een doorlichting te maken waar alleorganisaties onder verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, inclusief dekerndepartementen, hun voordeel mee gaan doen? Nogmaals, niet alsdoel om te wijzen en te zeggen «dat is een racistische, foute club»,helemaal niet, maar juist om lering te trekken en om te voorkomen.Minister Uitermark:Zeker dat laatste, daar zegt u iets heel belangrijks. Dat zegt de commissiezelf ook. De nadruk moet niet liggen op alleen bestraffing, maar juist ookop het ervan leren, op bewustwording en op het doorbreken vanpatronen. Ik ben het ermee eens, ik kan me nauwelijks voorstellen dat ikhierop geen regie voer. Dus: ja, iets van sturing, maar of dat ook metdoorzettingsmacht is en hoe dan, daarvoor moet ik eerst meer weten. Hetis voor mij niet de vraag óf er centrale regie moet komen, maar wel inwelke bestaande programma’s die dan kan worden belegd. Daarvoor hebik echt de tussenrapportage nodig.Dan de vraag of de motie-Ceder/Azarkan inmiddels is uitgevoerd. Dezemotie vroeg om een discriminatietoets in het integraal afwegingskader enof er niet een discriminatietoets moet komen in alle uitvoeringsorgani-saties. Momenteel wordt er in de opvolger van het integraal afwegings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43539 kader, te weten het Beleidskompas, gewerkt aan een prominenterepositionering van de discriminatietoets. Daarbij is van belang dat ersamenhang is met andere specifieke toetsen die raken aan discriminatieen emancipatie. De veelheid aan toetsen – op zichzelf zijn het allemaalzeer relevante toetsen – maakt dat het ingewikkeld is om een effectieveoverkoepelende discriminatietoets vorm te geven, maar dat is nadrukkelijkwel mijn streven. Deze toetsen uit het Beleidskompas gelden natuurlijkvoor alle wet- en regelgeving van de rijksoverheid. Ten aanzien van deuitvoeringsorganisaties is het van belang te vermelden dat de staatscom-missie een doorlichtingsinstrument voorbereidt. Daar hebben we het netal voldoende over gehad, denk ik.De voorzitter:Ik zal u een interruptie besparen, meneer Ceder. De vraag van de heerCeder ging over het betrekken van de discriminatietoets bij uitvoerings-toetsen. Het gaat dus niet om de uitvoeringsorganisaties, zij het indirectwel.Minister Uitermark:Het antwoord is: dat gaan we doen.De voorzitter:Oké. Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?Minister Uitermark:We zijn er nu over in gesprek. Misschien kan ik er in tweede termijn watmeer over zeggen.Dan is er ook gevraagd naar het bindend vastleggen van een discrimina-tietoets voor overheidsorganisaties. Gaan overheidsorganisaties dieburgers controleren voortaan nu ook bindend vastleggen dat hunwerkwijze wordt getoetst aan een discriminatieverbod? Alle overheidsor-ganisaties zijn natuurlijk gewoon gebonden aan artikel 1 van deGrondwet, maar ik ben aan het onderzoeken hoe uitvoering kan wordengegeven aan de oproep van de parlementaire enquêtecommissie om deAlgemene wet gelijke behandeling uit te breiden met eenzijdig overheids-handelen. Dat is een groot onderzoek. Dat loopt nu en daar kan ik u laterover informeren.De voorzitter:Wanneer?Minister Uitermark:Daar kom ik in tweede termijn op terug.De voorzitter:Oké, dank u wel.Minister Uitermark:Dan heeft de heer Bamenga gevraagd: ziet de Minister de afnemendetolerantie in onze samenleving en het racisme en de discriminatie diedaaruit volgen? Hij vraagt of ik het ermee eens ben dat dit alleen insamenhang kan worden aangepakt en hoe ik dat ga doen. Samen met hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid laat mijn ministerie nueen verkennend onderzoek uitvoeren naar de manier waarop doorverschillende partijen meerjarig een sociale norm kan worden uitge-dragen in de samenleving, juist ook om racisme en discriminatie tevoorkomen. Die verkenning richt zich op een mogelijke aanpak enbetrokkenheid van partijen. Het benodigde budget is ook een vraag. Deuitkomsten van die verkenning verwacht ik in het najaar. Die zal ik dan ookaan uw Kamer doen toekomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43540 Dan heb ik nog een vraag: hoe gaat de Minister haar regierol invullen, hoeziet de Minister haar coördinerende rol, hoe gaat de Minister ervoorzorgen dat andere organisaties binnen het Rijk hun verantwoordelijkheidnemen? Ook die vraag is al meerdere keren aan de orde gekomen. Ik hebhem voor een deel ook al beantwoord in de brief die ik aan uw Kamer hebgeschreven. Ik zie het vanuit mijn coördinerende taak echt als mijnverantwoordelijkheid om heldere kaders te stellen en ook om daar goedop te coördineren. Ik baseer me daarbij op artikel 1 van de Grondwet ende gelijkebehandelingswetgeving. Ik ga voortvarend aan de slag met deversterking van de infrastructuur om discriminatie aan te pakken, zoals ikook heb aangegeven. Denk aan het versterken van voorzieningen en hetvergroten van de meldingstoegankelijkheid. Ik ga onder mijn verantwoor-delijkheid samen met de nationaal coördinator een nationaal plan en ookeen meerjarenagenda opstellen. Ik ben in gesprek met de staatscom-missie over hoe haar doorlichtingsinstrument bij overheidsorganisatiesonder de aandacht kan worden gebracht. Daarnaast moet het beleidsin-strument op een gelijke manier worden toegepast, zodat we de departe-menten goed kunnen doorlichten.Ik heb al eerder gezegd dat ik er in mijn eigen departement mee benbegonnen om in elk functioneringsgesprek, van iedere medewerker, devraag te laten stellen of men te maken heeft gehad met racisme ofdiscriminatie. Ik verwacht dat we op die manier goed zicht krijgen op hoehet nou echt zit. Ik ben ook aan het kijken hoe we dit kunnen verbredennaar de andere departementen. Maar nogmaals, de Grondwet zegtgewoon dat elke Minister zijn eigen ministerie inricht volgens eigeninzichten, dus uiteindelijk reikt de coördinerende taak zo ver als ie lang is.In eerste instantie moet ik dit doen in goed overleg met de anderebewindspersonen.De heer Koops (NSC):Ik sla aan op de tweede keer dat de vindbaarheid aan de orde komt. DeMinister gebruikte net het woord «meldingstoegankelijkheid», hetvergroten van de meldingstoegankelijkheid. Eerder zei de Minister dat devindbaarheid moet worden verbeterd, maar dat het aantal meldingenvorig jaar is toegenomen en bijna verdubbeld. Daar heb ik de volgendevraag bij. Is specifiek op dit, binnen het grote geheel, onderwerpje eentoezegging te doen over «zo snel mogelijk»? Ik vraag dit om te voorkomendat dit specifieke onderwerpje, dus de toegankelijkheid van het doen vaneen melding, het gemak waarmee je een melding doet ... Dat is detoegang. Verder moet er heel veel gebeuren. Kan de Minister zich eroveruitlaten wanneer die toegang wordt verbeterd en in één moeite doorverklaren of de verdubbeling van het aantal meldingen nu het gevolg isvan de vindbaarheid of van een toenemende mate van discriminatie inNederland? Dat laatste kan immers een tweede verklaring zijn.Minister Uitermark:Dank voor de vraag. Het vergroten van de vindbaarheid en toeganke-lijkheid zal juist ook worden bewerkstelligd door het centraal inrichten vanal die antidiscriminatievoorzieningen, zodat er meer uniformiteit in komt.Dat vergroot de vindbaarheid en de zichtbaarheid zeker. Daar verwacht ikecht veel effect van. Maar om tot dat stelsel te komen moet ik, zoalsgezegd, een aantal stappen zetten. Er is een wetswijziging voor nodig,maar er is ook een proces nodig om tot die centrale aansturing te komen.De ingangsdatum daarvan zal 1 januari 2027 zijn. Dat is het streven. Hetfeit dat Discriminatie.nl wordt gehanteerd, maakt wel dat het makkelijkervindbaar is. Dat vind ik zelf al een heel mooie ontwikkeling. En ja, als wekijken – ik heb dat net ook bedoeld aan te geven – naar hoeveel mensendiscriminatie ervaren, dan blijken dat 1,6 miljoen Nederlanders te zijn. Datis een trend die, als ik hem over vier jaar meet, niet is gestegen maargelijk is gebleven. Als binnen die gelijkblijvende ervaren discriminatie deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43541 meldingen omhooggaan, dan is dat op zichzelf weliswaar slecht nieuws,maar tegelijkertijd ook goed nieuws, want mensen weten dan dus gebruikte maken van de mogelijkheid om te melden.Dan vraagt de heer Van Baarle naar de stand van zaken met betrekking totzijn aangenomen amendement over € 500.000 extra voor publiekscom-municatie. Hij vraagt ook of ik bereid ben om dit uit te geven voorspecifieke doelgroepen, zoals dames met een hoofddoek. Ik vind het heelgoed dat er extra middelen komen waarmee extra kan worden ingezet oppubliekscommunicatie, maar het is wel van belang om te melden dat deEerste Kamer eerst nog moet instemmen met de begroting. Daar moetenwe dus echt nog even op wachten. Later zal ik dan bezien waar we dieextra middelen het beste voor kunnen inzetten, maar ik neem desuggestie van de heer Van Baarle graag mee. Ik vind het ook nog vanbelang om te melden dat ook op de BES-eilanden aan publiekscommuni-catie moet worden gedaan. Maar ik neem uw suggestie zeker mee.Dan nog een vraag van de heer Van Nispen: hoe kijkt de Minister aantegen het voorstel om de overheid aanspreekbaar te maken op discrimi-nerend handelen? De parlementaire enquêtecommissie roept het kabinetop om overheidshandelen te regelen in de Algemene wet gelijkebehandeling. Op dit moment wordt onderzocht hoe het kabinet daaraanuitvoering geeft. Dat is een groot onderzoek. We zijn nu natuurlijk algebonden aan artikel 1 van de Grondwet. Ook de Algemene wet gelijkebehandeling kent een toetsingskader. Dat is wel iets anders dan hettoetsingskader van artikel 1. Dit voorjaar zal ik uw Kamer verder infor-meren over de voortgang van dit onderzoek.De heer Van Nispen had ook nog een andere vraag, namelijk om desociaal-economische status toe te voegen, waar ook het College voor deRechten van de Mens op heeft aangedrongen. Hij vroeg of ik dat kanonderzoeken en buitenlandse ervaringen kan meenemen. Ik wil daaroverzeggen dat de vraag of discriminatie op grond van de SES, de sociaal-economische status, verboden zou moeten worden in de Algemene wetgelijke behandeling, al sinds het bestaan van die wet, sinds 1993, eenaantal keer is opgeworpen. In die zin is het geen nieuwe vraag. Dat heefter ook mee te maken dat deze discriminatiegrond expliciet wordtbeschermd door internationale verdragen zoals het EVRM en het Verdraginzake burgerrechten en politieke rechten. Maar tot nu toe is er geenuitgekristalliseerd beeld, ook niet op basis van die verdragen, van wat wenou precies moeten verstaan onder zo’n discriminatiegrond. Ik ben bereidom daar onderzoek naar te doen, maar ik moet er wel bij zeggen dat dateen groot onderwerp is en dat ik daar pas aan toe kan komen nadat hetonderzoek naar eenzijdig overheidshandelen is voltooid. Dan kan ikdaarna dit onderzoek oppakken.De heer Van Nispen (SP):Dank voor die toezegging. Een groot onderwerp, maar het is ook eengroot probleem, dus op zich rechtvaardigt dat dat grote onderzoek danook wel weer. Het is dus goed dat dat toegezegd is. Maar dan toch nogeven over de aangenomen motie maar ook de aanbeveling van deenquêtecommissie, en van het College voor de Rechten van de Mens, vande staatscommissie en van de nationaal coördinator, van iedereen, overeenzijdig overheidshandelen onder de Algemene wet gelijke behandelingbrengen. Ik begrijp dat het onderzoek loopt. Ik begrijp ook dat dit juridischvast heel complex is. Hoewel, als ik de wet lees, kan ik me dat nauwelijksvoorstellen, maar ik neem absoluut aan dat het ingewikkelder is dan ik zoop het eerste oog zou denken, dat die uitzondering voor de overheid nietgerechtvaardigd is, maar laat dat dan zo zijn. De kabinetsreactie had er alin kwartaal 4 moeten zijn. Dat was eerder beloofd. Dat is niet gebeurd. Nuis het weer vooruitgeschoven. Misschien weet de Minister inmiddels alwel wanneer we dat onderzoek dan kunnen verwachten, en niet intweede termijn, want het geduld begint bij mij – maar ik weet: ook bij veleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43542 anderen – op dit thema ook wel een klein beetje op te raken, eerbiediggezegd.Minister Uitermark:Ik krijg hier mee dat het onderzoek voor de zomer wordt gedeeld.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan had de heer Koops nog een vraag in verband met de toezegging aanmevrouw Palmen over een verkenning naar risicoselectie en aselectesteekproeven. Dat is een toezegging over een verkenning uit het debatvan april vorig jaar. Hij vroeg of die verkenning al is gedaan. Het isonderdeel van de opdracht van de staatscommissie om te verkennen watde mogelijkheden zijn om onderscheid op grond van ras en nationaliteit inrisicoprofielen alleen toe te passen ter bescherming dan wel ter onder-steuning van mensen. In dit onderzoek nemen zij de vraag mee of hetgebruik van risicoprofielen effectief is in vergelijking met het gebruik vanaselecte steekproeven. In de tussenrapportage zal daar nog niet overkunnen worden gerapporteerd, maar dat komt dus in de eindrapportageuiterlijk in mei 2026 met de resultaten van het onderzoek.Dan waren dit de vragen uit dit blokje. Dan kom ik op de vragen overetnisch profileren. Er is nog steeds geen reactie op het Amnesty-rapport.Dat heeft inderdaad lang geduurd, want dat is een rapport uit maart ’24.Maar het is een omvangrijk rapport met heel veel aanbevelingen, waarverschillende overheidsorganisaties bij betrokken zijn. Ook heel veelbewindspersonen zijn daarbij betrokken. Maar ik kan u zeggen dat ikverwacht dat we de reactie op dit rapport deze week of begin volgendeweek uit kunnen sturen. Het is net niet gelukt om dat op tijd voor dit debatte kunnen doen, maar die komt uiterlijk begin volgende week.Dan heb ik nog een vraag: hoe en wanneer ga ik het toetsingskaderrisicoprofilering van het College voor de Rechten van de Mens implemen-teren? Kan ik toezeggen dat ik voor de zomer opvolging geef aan hetkader? Het is natuurlijk gisteren pas gepubliceerd. Ik ben het College voorde Rechten van de Mens dankbaar voor het opstellen van dit kader. Maarhet is nu echt te vroeg om al een inhoudelijke reflectie op het document tegeven. Ik denk dat u dat kunt snappen. Maar ik zal het kader bestuderenen ook bezien hoe de stappen uit het toetsingskader geborgd kunnenworden. Ik zal ook de komende periode gesprekken voeren met verschil-lende overheidsorganisaties om het toetsingskader van het College tebespreken. Dus ja, ik ga voor de zomer in gesprek over de opvolging. Hoeen wanneer dat dan is geïmplementeerd, kan ik nu nog niet zeggen.De voorzitter:Wanneer kan de Kamer een reactie ontvangen?Minister Uitermark:In de zomer.De voorzitter:In de zomer van dit jaar. Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan heb ik hier een heel aantal vragen over de ADV’s. Maar daar ben ikeigenlijk al ...De voorzitter:De heer Bamenga. Gaat uw gang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43543 De heer Bamenga (D66):Ik ben blij dat de Minister heel zorgvuldig en degelijk aan de slag gaat methet aanpakken van discriminatie; zo oogt het in ieder geval. Het woord«onderzoek» is inmiddels heel erg veel gevallen. Ik weet ook wel: meten isweten, en noem maar op. Maar net als collega Van Nispen, en ik denk ookanderen, zijn wij inmiddels wel heel erg ongeduldig aan het worden overhet aanpakken van discriminatie en racisme. Als het bijvoorbeeld gaat omwat er net gezegd is over het toetsingskader van het College voor deRechten van de Mens ... Volgens mij stellen we hier al meer dan een jaarvragen over en zijn we met z’n allen daarop aan het wachten. Het kan tochniet zo zijn dat, nu het er is, er pas zes maanden later een gesprekplaatsvindt en dat we daarop moeten wachten voordat wij überhauptweten hoe dit verder wordt geïmplementeerd? Ik zou dus willen vragen ofdat gesprek toch eerder kan plaatsvinden, zodat we ook eerder weten opwelke manier dit overheidsbreed wordt geïmplementeerd.De voorzitter:De Minister. Volgens mij is hier verwarring over de tijdlijn, heb ik het idee.Gaat uw gang.Minister Uitermark:Ja, want ik ga zeker niet tot de zomer wachten met de gesprekken. Daargaan we mee aan de gang. Ik heb tot aan de zomer nodig om dan met eengefundeerde reactie en een planning te komen. Het is gisteren pasgepubliceerd.De voorzitter:Meneer Bamenga, u mag nog een interruptie plegen; dat is uw eigenafweging. Nee? Oké. Minister, gaat u verder.Minister Uitermark:Dan is er een vraag of ik kan onderzoeken – ja, er wordt nu meermaalsgevraagd om dingen te onderzoeken – of in de nieuwe wet organisatiesverplicht kunnen worden om mee te werken met antidiscriminatievoorzie-ningen bij de gesprekken die zij starten tussen partijen, dus tussen demelder en de dader, of «verdachte», moet ik zeggen. Dat heeft meneerVan Baarle gevraagd. Ik snap die vraag. Het antwoord is nee. Gesprekkenkun je nooit verplichten, want er zijn twee mensen nodig die dat gesprekwillen. Maar ik herken wel het punt en de zorg, denk ik, die daarachter zit,dus ik ben bereid om bij de verdere uitwerking van een conceptwets-voorstel te onderzoeken wat er op dit punt mogelijk is, maar dan dus inhet kader van bevorderen. We kunnen het niet verplichten.Dan nog een vraag van de heer Bamenga over de druk op de ADV’s. Diedruk is enorm. Hoe ga ik faciliteren dat de ADV’s hun werk beter kunnendoen? Discriminatie.nl heeft aan de Tweede Kamer op 16 januari een briefgestuurd waarin ze aangeven dat de dienstverlening van het meldpuntonder druk staat. Het is goed dat Discriminatie.nl dit bij uw Kameraangeeft. In het Gemeentefonds zijn middelen beschikbaar voor hetvoeren van de meldpunten. Het is aan gemeenten om die zo goedmogelijk in te zetten. Vanuit mijn ministerie maar ook vanuit de VNGwijzen we gemeenten op de beschikbare middelen in het Gemeentefonds.Daarnaast brengen we ook samen met de VNG de middelen van dedecentralisatie-uitkering voor preventie van discriminatie in gemeentenonder de aandacht. Maar tot slot: de grootste stappen kunnen we zettenmet de versterking van het stelsel, zoals ik al een paar keer heb gezegd.Daar ben ik dus ook verwachtingsvol over. Ik denk echt dat er in eencentrale organisatie nog effectiever kan worden gehandeld.Dan staat er nog een vraag open van de heer Van Nispen over onvol-doende financiering. Waarom moet het budgetneutraal plaatsvinden enklopt het dat financiën worden weggenomen bij gemeenten, is de vraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43544 Het klopt dat een van de uitgangspunten in de hoofdlijnennotitie overversterking van het stelsel is dat dit traject budgetneutraal zal wordenuitgevoerd. Voor wat betreft de huidige wettelijke taken gaat het, zoals iknet ook al zei, om de registratie en het verlenen van bijstand. We wetendat op dit moment niet alle beschikbare middelen ook daadwerkelijk bij deADV’s terechtkomen. Juist door de financiering anders in te richten,namelijk rechtstreeks vanuit het Rijk, kunnen die middelen in de toekomstgerichter en ook efficiënter worden ingezet. De taken die nu bij degemeenten liggen, zullen in de toekomst overgaan naar de nieuwecentrale organisatie. De gemeenten hoeven die taken dan niet meer uit tevoeren en de middelen zijn daarvoor dan ook niet langer nodig. Om diereden is een uitname uit het Gemeentefonds voorzien van ik meen12,9 miljoen. Ik noemde net ook dat er voor de preventietaak 5 miljoen bijgaat komen, waarvan 2,5 miljoen uit de decentralisatie-uitkering en2,5 miljoen die we er vanuit mijn ministerie zelf aan toevoegen. Dat is watik er nu over wil, kan zeggen. Is dat voldoende antwoord op uw vraag?De heer Van Nispen (SP):Ja, want het was een antwoord op de vraag. Ik houd wel staande dat diebezuinigingen op de gemeentes mij enorm dwarszitten, maar dat isinderdaad een ander debat.Ik ga een toch iets fundamentelere vraag stellen over de antidiscriminatie-voorzieningen, over de meldpunten. Ik weet niet zeker of het een goedidee is, maar ik stel de vraag nu, omdat nu naar het hele stelsel wordtgekeken. Er zijn natuurlijk ook Informatiepunten Digitale Overheid, deIDO’s. Die zijn ook ontzettend belangrijk en hebben een andere taak, maarstaan ook onder druk. Er moeten nog laagdrempelige voorzieningen in debuurten worden ingericht voor sociaal-juridische dienstverlening. Dat iseen motie van SP en NSC, en was overigens ook een aanbeveling van deparlementaire enquêtecommissie. Dat is ook een andere taak, maar die isook nog niet gerealiseerd. Nu vroeg ik me af – nogmaals, ik realiseer medat het een wat grotere vraag is – of er ook wordt nagedacht overeventuele bundeling van expertise en/of je die punten op een slimmeremanier kunt inrichten. Anders heb je in één buurt misschien drie verschil-lende punten, drie verschillende loketten, met alle drie een andere taak,die alle drie als laagdrempelige voorziening voor mensen moetenfunctioneren. Ik hoop niet dat de Minister nu meteen zegt: nee, slechtidee, gaan we niet doen. Laat dat alstublieft even bezinken en kijk of u metdeze gedachte uw voordeel kunt doen in die stelselherziening.De voorzitter:De Minister. Eén meldpunt.nl voor alle meldpunten.Minister Uitermark:Ik vind het een interessante en ook aansprekende gedachte, maartegelijkertijd kan ik er ook wel drie aarzelingen tegenover stellen. De IDO’szijn namelijk naar hun aard echt weer anders. Dat betekent dat ze voormensen goed vindbaar moeten zijn en dat ze daarom misschien op eenandere plek moeten zijn dan de ADV’s. Maar ik zal de gedachtemeenemen; dat kan ik in ieder geval toezeggen.De heer Koops (NSC):Dit gaat even over de uitname uit het Gemeentefonds. Ik begrijp dat het6,9 miljoen is, zo’n bedrag, plus 5 miljoen. Even puur voor mijn begrip,want ik begrijp het niet: is dat nou het totaal aan geld dat beschikbaar isvoor de stelselwijziging of voor het samennemen van dingen en voor hetoverdragen van alle taken die nu bij gemeentes liggen naar de centraleoverheid, of is er nog meer geld?Minister Uitermark:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43545 Het is nu zo dat de ADV’s gefinancierd zijn via het Gemeentefonds. Dat is12,9 miljoen. Er zit ook nog 2,5 miljoen voor een preventietaak, als ik hetgoed zeg, in de decentralisatie-uitkering. Die twee worden eruit genomen,zodat die dienen ter financiering van die centrale organisatie. Daarbij komtdan nog de 2,5 miljoen die ik toevoeg aan het bestaande budget. Dit teltbij elkaar op, 12,9 miljoen plus 5 miljoen, tot 17,9 miljoen euro voor dehele organisatie van al die nu negentien antidiscriminatievoorzieningen inhet land, die dan vallen onder één centrale organisatie.De voorzitter:Dank. Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan heb ik nog de vraag liggen van de heer Van Baarle of ik voordat hetwetsvoorstel naar de Kamer gaat, de Kamer kan laten weten ofgemeenten verplicht worden tot het opstellen en uitvoeren van een lokaalantidiscriminatiebeleid. Samen met de VNG zal de komende tijd eenUitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden doorlopen worden om tebepalen hoe de taak kan worden vormgegeven en met welke financiëlemiddelen deze uitvoerbaar is. Ik zal u daarna, maar wel voorafgaand aanhet indienen van het wetsvoorstel, informeren over mijn besluit omgemeenten deze nieuwe taak wel of niet toe te delen.Dan ligt er nog een vraag over de financiering, gesteld door de heerVan Nispen, die nu even verdwenen is. Hij vroeg hoelang het nog duurtvoordat de toegang van de burger tot discriminatiemeldpunten wordtverbeterd. Er wordt al langere tijd gewerkt aan de verbetering van devindbaarheid; ik had het er eerder al over. We hebben nu Discriminatie.nlen blijven werken aan verdere verbetering. Later dit jaar zullen we ookbredere publiekscommunicatie starten om het nog verder bekend temaken.Mevrouw Rajkowski had een vraag over de stelselherziening en deonduidelijkheid over de ADV. Ik zie nu aan haar dat deze vraag albeantwoord is. Oké. Er waren 84 vragen aan mij gesteld en als ze zien ophetzelfde onderwerp is het soms lastig om ze te bundelen.Ik heb nog twee blokjes. Een gaat over de rol van mijn ministerie alsrijkswerkgever. Gevraagd is of ik bereid ben om naar aanleiding van debrandbrief onafhankelijk onderzoek uit te voeren en effectieve maatre-gelen te nemen. De signalen over structureel racisme in de brandbriefneem ik zoals gezegd heel serieus. Ik heb dit punt ook direct aangekaartbij de desbetreffende rijksonderdelen. Ik heb O&P Rijk, die verantwoor-delijk is voor de bedrijfszorg, gewezen op de onafhankelijke rol vanbedrijfsartsen en hun zerotolerance voor wat betreft discriminatie enracisme. Ook de secretarissen-generaal hebben naar aanleiding van debrandbrief duidelijk stelling genomen en alle medewerkers opgeroepenom melding te maken van discriminatie als die zich voordoet. Zelf heb ikvoor het kerstreces in een bericht aan alle medewerkers mijn zorgen opdit punt uitgesproken en eveneens mijn inzet toegelicht om hier werk vante maken. Discriminatie is gewoon verboden. Het mag niet; we moetenhet niet doen en we moeten het ook niet tolereren. Ik wil inzetten op eenversterkte en meer gestructureerde aanpak van ervaren racisme, zoals ikdenk ik net ook al uitvoerig heb aangegeven.Dan de vraag van Forum voor Democratie, waarvan de woordvoerder ookeven niet aanwezig is. Kort en goed ging deze vraag over positievediscriminatie. De oproep was om daarmee te stoppen. Het is heelbelangrijk om te zeggen dat discrimineren niet mag. Dan gaat het over hetmaken van ongerechtvaardigd onderscheid. Dat is iets anders dan hetmaken van gerechtvaardigd onderscheid. Het maken van onderscheid omvoorkeursbeleid te voeren is gewoon iets wat mag. De wet biedt diemogelijkheid. We gaan daar ook niet mee stoppen. Het is aan werkgeverszelf om dat te doen of niet te doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43546 Tot slot de laatste vraag in dit blokje. Dat is de vraag van de heerVan Baarle waarom die rijksbrede klachtencommissie zo lang duurt. Het isecht een ingewikkeld proces gebleken, kan ik wel zeggen, en dan metname het goed borgen van de veiligheid van de persoonsgegevens. Datheeft heel veel voeten in de aarde gehad. Afgelopen maanden is er heelhard aan gewerkt; er wordt echt prioriteit aan gegeven. Ik vraag de Kamerdaarom om nog eventjes geduld te hebben, ook al besef ik dat dat geduldal behoorlijk op de proef is gesteld. Het is echt de bedoeling dat eindfebruari de klachtencommissie in werking treedt. Een maandje geduld dusnog, is het antwoord dat ik op deze vraag kan geven.Dan kom ik toe aan mijn laatste blokje.De heer Bamenga (D66):Ik probeer spaarzaam te zijn met mijn interrupties, maar ik wil welreageren op wat zojuist is gezegd door de Minister over de door ambte-naren ervaren discriminatie. De Minister zegt dat zij dat zeer serieusneemt en dat ze er alles aan doet opdat mensen daadwerkelijk meldingkunnen maken. Ik hoor heel duidelijk dat er heel veel wordt ingezet opcommunicatie en zie dat ook terug in de reactie op door mij gesteldeKamervragen. Ik zie ook terug dat de Minister wil dat mensen vrijuitkunnen melden. Maar wat ik nog weinig terugzie, is het voorkomen ervan.Ik zie weinig terug over het voorkomen dat ambtenaren zich onveiligvoelen in de omgeving en het voorkomen dat die discriminatiegevallendaadwerkelijk plaatsvinden. Ik zou graag meer willen horen over hoe deMinister er concreet voor wil zorgen dat die zorgen, de angst die bijambtenaren leeft, weggenomen worden.Minister Uitermark:Dat is een hele terechte vraag. Ik heb me verdiept in de rapportages vanafgelopen jaar, dus niet alleen de PER, maar ook het focusgroepenon-derzoek, dat nog een laagje dieper gaat en waarin de geïnterviewden heelduidelijk aangeven wat ze ervaren en hoe ze het ervaren. Mij is geblekendat het een moeilijk onderwerp is om bespreekbaar te maken. Er zijn ookmensen die ervoor kiezen om het niet bespreekbaar te maken. Daar zijneen heleboel redenen voor, die je ook kunt begrijpen. Toch zou mijnoproep zijn om hier niet van weg te kijken: als het gebeurt, ook als je hetals omstander ziet, moet je dat gewoon melden. Om daar beter zicht op tekrijgen, heb ik dit toegevoegd als vraag aan elke functionaris die bij mijnministerie werkt. Hoe kunnen we het dan voorkomen? Ik denk dat het heelbelangrijk is dat het uit de taboesfeer gaat, dat we erover kunnen praten,dat het zichtbaar is dat leidinggevenden hier aandacht aan besteden, elkeleidinggevende in elk gesprek, en dat we er vervolgens passend meeomgaan als het is gebeurd. Ik vind het heel terecht dat de nadruk nietalleen wordt gelegd op het bestraffen, maar ook op het leren ervan en hetleren van de patronen die daaraan ten grondslag liggen. Het is namelijkniet altijd bedoeld om discriminerend te zijn. Soms zijn mensen discrimi-nerend zonder dat ze zich realiseren dat ze aan het discrimineren zijn. Degeïnterviewden geven in het onderzoek ook heel duidelijk aan dat er heleexpliciete vormen van discriminatie zijn, maar ook hele impliciete vormen.Er is niet altijd sprake van opzet. Soms is het heel onbedoeld, maar datmaakt het niet minder ernstig. We moeten het dus uit de taboesfeer tillen,het bespreekbaar maken en ook zichtbaar maken dat het bespreekbaar is.Daar waar het gaat om terechte meldingen van discriminatie en racisme,moet dat effectief worden aangepakt. Daarom zijn we die handreiking aanhet maken voor alle leidinggevenden. Daarin zit ook een escalatieladder.Het gaat namelijk niet alleen om het voorkomen. We moeten ook zorgendat we er zicht op hebben. En als we er zicht op hebben, wat doen we erdan mee? Ja, we kunnen ervan leren, maar soms moet je ertegenoptreden en sanctioneren. Het is wat mij betreft de whole range.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43547 De heer Bamenga (D66):Ik snap heel goed dat het om de whole range gaat. Ik snap ook heel goeddat je niet alleen maar moet bestraffen, maar dat je ook moet kijken watmensen ervan kunnen leren. Wat ik zelf omschreven heb en wat ook in debrief heel duidelijk staat, is dat sommige medewerkers het idee hebbendat er een soort zwarte lijst bestaat en dat zij daadwerkelijk de conse-quenties ervaren op het moment dat zij discriminatie melden. Kan deMinister garanderen dat als een medewerker, een ambtenaar, discrimi-natie meldt in een gesprek of waar dan ook, diegene vervolgens nietontslagen, weggepest of weggekeken wordt? Kan zij garanderen datdiegene daar vervolgens niet de consequenties van ervaart?Minister Uitermark:Nou, een zwarte lijst ... Dat vind ik echt ... Dat kennen we niet. Ik begrijpdat u vanuit emotie vraagt of ik kan garanderen dat het nooit zo is. Ik woudat ik het kon garanderen. Het eerlijke antwoord is dat ik het niet kangaranderen. Maar we zouden moeten garanderen dat het zo is. We zoudenals norm moeten stellen dat als je meldt dat je gediscrimineerd wordt, jedaar geen nadelige effecten van hebt. Daar ben ik het helemaal mee eens.Kan ik garanderen dat het nooit gebeurt? Het zou zo moeten zijn. Als dataan de orde zou zijn, moeten we daartegen optreden.Dan ben ik nu toegekomen aan het laatste mapje. Dat is het kopje overig,want deze vragen zien heel erg op de terreinen van andere bewindsper-sonen. Ik loop de vragen even langs. Waarom is er een aparte functie vanNationaal Coördinator Antisemitismebestrijding en waarom is deze bij deMinister van Justitie en Veiligheid ondergebracht? Dat heeft ermee temaken dat dit in het verleden zo is geregeld vanuit een initiatiefnota vanuw Kamer. Daarmee is die functie ouder dan de functie van NationaalCoördinator tegen Discriminatie en Racisme, waartoe in 2021 besloten is.De reden dat die functie is ondergebracht bij de Minister van Justitie enVeiligheid vindt eveneens zijn oorsprong in diezelfde initiatiefnota, waarinde Minister van Justitie en Veiligheid verzocht werd om naar hetvoorbeeld van andere landen een nationaal coördinator antisemitismebe-strijding aan te stellen. Daar was ook een goed inhoudelijk argument voor,aangezien de NCAB een signaleringsfunctie voor de Joodse gemeenschapheeft, waarbij hij monitort welke maatregelen de beveiliging van Joodsegemeenschappen effectief borgen. Zoals ik de vraag van de heer Koopsbeluisterd heb, gaat het erom dat het versnipperd is in die zin dat het isverdeeld en is ondergebracht bij verschillende ministeries. Moslimdiscri-minatie zit bij de Staatssecretaris Participatie en Integratie, antisemitisme-bestrijding zit bij Justitie en Veiligheid, terwijl de Nationaal Coördinatortegen Discriminatie en Racisme bij BZK zit. Ik heb aangegeven dat ik mijncoördinerende rol serieus neem. De zaken zijn nu belegd zoals ze zijnbelegd, maar ik zal mij vanuit mijn coördinerende rol elke keer goed latenbetrekken bij de initiatieven die worden genomen. Het is inderdaad goeden heel belangrijk om daar regie op te houden en dat doe ik dus ookvanuit mijn coördinerende rol. Ik kan u toezeggen dat ik dat goed in degaten ga houden.De voorzitter:Voordat we naar de interruptie gaan, wil ik nog zeggen dat het nu20.10 uur is. Volgens mij gaan we er voortvarend doorheen. Ik voorziealleen dat we voor 20.30 uur wellicht niet de tweede termijn gaanbehandelen, maar we kijken even hoe het loopt. Mevrouw Tseggai, ga uwgang.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik ben even aan het nadenken over die versnippering. Het antwoord vande Minister roept bij mij de vraag op waarom moslimdiscriminatie danweer belegd is bij de Staatssecretaris Participatie en Integratie. KunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43548 we er niet mee beginnen om dat te centraliseren naar BZK? De Ministerzegt dat dingen zijn zoals ze zijn, maar gelukkig zitten we hier allemaal omde wereld een beetje beter te maken, dus misschien kunnen we daar ietsmee. Ik begrijp dat er argumenten zijn waarom antisemitisme bij JenV zit,maar ik snap niet waarom moslimdiscriminatie als een soort integratie-issue bij de Staatssecretaris Integratie wordt gezet.Minister Uitermark:Het is niet iets wat nu zo is belegd. Het is al langere tijd, al meerdere jaren,op deze manier belegd. Zoals gezegd loopt er een groot onderzoek,waarvan de resultaten binnenkort klaar zijn. Ik zal er in ieder geval voorzorgen dat de reactie van de Staatssecretaris mede namens mijzelf is. Ikbegrijp de achtergrond van uw vraag, maar dit is in het verleden zobelegd en dat kunnen we nu niet op een avond herschikken of andersmaken. We werken op dit punt wel goed samen.Ik ga er nu even iets sneller doorheen. Mevrouw Rajkowski en mevrouwTseggai hadden een vraag over de aanpak van verdragsrapportages. Zegaven aan dat die versnipperd is. In dat kader vroegen zij ook of ik deaanbeveling tot coördinatie of een vastere infrastructuur wil overnemen.Ja, ik onderstreep het belang van de verdragsrapportageprocedures. Diezijn heel belangrijk voor de effectuering. Daar is geen vaste infrastructuurvoor. In Nederland wordt dat voorbereid door het vakdepartement. Ookhet geven van opvolging aan aanbevelingen is een verantwoordelijkheidvan het departement. In de reactie op het jaarrapport is opgenomen dathet kabinet ruimte ziet om binnen het systeem tot een sterkere coördinatieen daarmee een vastere infrastructuur te komen. Daarom is er ondervoorzitterschap van mijn ministerie een interdepartementaal netwerk vanverdragscoördinatoren opgericht. Dit netwerk komt bijeen om teoverleggen over het rapportageproces in bredere zin, maar ook over meerspecifieke aspecten die aan de orde komen bij verschillende rapportage-procedures. Dit netwerk is ook gestart met het opstellen van eenhandreiking, waarin het proces met betrekking tot de voorbereiding vande verdragsrapportages wordt omschreven en praktische handvattenworden geboden voor ambtenaren die betrokken zijn bij dergelijkeprocessen. Dat zal helpen in een meer uniforme voorbereiding van dierapportages. Op deze manier worden belangrijke stappen gezet richtingeen verbeterde samenwerking en een sterkere coördinatie en daarmeeook richting een vastere infrastructuur en wordt dus opvolging gegevenaan de aanbeveling van het college.Mevrouw Tseggai vroeg of ik kan toezeggen om jaarlijks als kabinet deKamer te informeren over de voortgang van de opvolging en daaroverjaarlijks een debat te voeren met uw Kamer. Het is in ieder geval mijnvoornemen om jaarlijks een kabinetsbrief te sturen over de ontwikke-lingen op het gebied van verdragsrapportages. Die zal ook ingaan,afhankelijk van de rapportagecyclus van het betreffende jaar, op deopvolging door de departementen van de aanbevelingen van de verdrags-comités, maar we hebben daarbij geen collectieve monitoring van alleaanbevelingen voor ogen. Die vinden dus plaats door de betreffendeverdragscomités. Wel willen we een beeld geven van de voortgang rondmet name de in het oog springende aanbevelingen. Die brief kan welhelpen om een dialoog te voeren met het parlement over de opvolgingvan die aanbevelingen. Ik benadruk dat het natuurlijk aan het parlement isom te beslissen op welke manier, op welk moment en in welke vorm diedialoog dan wordt aangegaan, maar die brief kan daar wel dienstbaar bijzijn.Dan heb ik nog een vraag van de heer Van Baarle over de gezichtsbedek-kende kleding, namelijk of ik bereid ben om de wet in te trekken. Ik kandaarop antwoorden dat de conclusies uit het evaluatierapport mij bekendzijn en dat het kabinet nu bezig is met de reactie op het evaluatierapport.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43549 Op de inhoud daarvan kan ik nu niet vooruitlopen, maar die volgtbinnenkort.De voorzitter:Meneer Van Baarle, uw laatste.De heer Van Baarle (DENK):Ja, het is mijn laatste vraag. Als we de evaluatie van de Wet gedeeltelijkverbod gezichtsbedekkende kleding, in de volksmond het «boerkaverbod»genoemd, lezen, dan kunnen we gewoon constateren dat dit een draakvan een wet is. Door professionals wordt het dragen van dit soort kledingniet gezien als een probleem. Het heeft slechts een beperkte meerwaarde.Er is ook in vijf jaar tijd geen enkele boete geweest en geen enkelproces-verbaal. Belangrijker nog, het heeft gewoon een sterk negatiefeffect op de desbetreffende vrouwen. Die voelen zich bedreigd vanwegedie wet en die voelen zich geïntimideerd. Dus de Minister moet snelhandelen, in het belang van die vrouwen. Wanneer komt de reactie op dieevaluatie en kan de Minister ook aangeven wat zij in de tussentijd voordeze vrouwen gaat betekenen, die last hebben van de uitvoering van dewet?Minister Uitermark:Ik begrijp dat de heer Van Baarle dit een draak van een wet vindt. Datvindt hij al heel lang, volgens mij. Zoals gezegd kan ik niet vooruitlopenop de reactie, want die is nu in de maak. Het zou dus onzorgvuldig zijn alsik daar nu op vooruit zou lopen.De voorzitter:Weet u wanneer die reactie komt?Minister Uitermark:Voor de zomer.De voorzitter:Voor de zomer. Die noteren we.Minister Uitermark:Goed, dan nog een vraag over arbeidsmarktdiscriminatie. Hoe gaat hetkabinet zorgen voor eerlijke kansen op een baan? De Wet toezicht gelijkekansen bij werving en selectie zag toe op een verplichting tot het invoerenvan een objectieve methode bij in- en doorstroom van werknemers. Diewet is verworpen door de Eerste Kamer in maart vorig jaar, maar er wasin het kader van die wet wel heel veel energie ontstaan onder een grotegroep werkgevers om met objectieve werving en selectie aan de gang tegaan en met het creëren van gelijke kansen. Die werkgevers worden doorhet Ministerie van Sociale Zaken ondersteund via de Ontwikkelagendagelijke kansen, met als doel dus dat werkgevers grotere maatschappelijkebetrokkenheid en ambitie tonen richting gelijke kansen. Begin maart zal deMinister van Sociale Zaken u verder informeren over de voortgang van deaanpak van arbeidsmarktdiscriminatie in aanloop naar het commissie-debat van 19 maart, dat specifiek gaat over arbeidsmarktdiscriminatie.Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Tseggai over het versterken vande juridische positie van Roma en Sinti. Belangrijk, namelijk of ik erkendat het officieel erkennen als nationale minderheid belangrijk is. Ik begrijpdat de erkenning onder het kaderverdrag een belangrijke waarde is. HetMinisterie van VWS zet zich ervoor in om de aandacht voor de genocideop Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog levend te houden,onder andere via het Nationaal programma 80 jaar vervolging Sinti enRoma. Ik onderzoek op dit moment wat uitbreiding van het kaderverdragconcreet betekent en hoe daarmee de positie van Roma en Sinti en ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43550 aanverwante gemeenschappen in Nederland kan worden versterkt. Maarde uitbreiding van het kaderverdrag is uiteindelijk een keuze waar deKamers natuurlijk over moeten stemmen. Ik verwacht dit voorjaar eenstandpunt aan uw Kamer voor te leggen over mogelijke uitbreiding.De voorzitter:Gaat uw gang, mevrouw Tseggai. Dat is uw laatste, geloof ik. Nee, nogniet, het is uw een-na-laatste.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Kan ik hieruit concluderen dat het kabinet nog geen standpunt heeft overhet erkennen van Roma en Sinti als nationale minderheden? Dit isnamelijk al best wel lang geleden geadviseerd door de Raad van Europa.Het lijkt me toch gek dat het kabinet daar nu, na al die tijd, nog steedsgeen standpunt over heeft.Minister Uitermark:Ja, het is zoals het is. Er is nog geen standpunt over, maar ik zal u ditvoorjaar een standpunt voorleggen.De voorzitter:Dit voorjaar. Ja, helder. Dank. Dan ga ik nu iedereen strak houden, wantwe hebben nog tien minuten. Gaat u dus uw gang.Minister Uitermark:Ja, er is een vraag van weet-ik-niet-meer-wie. Maar de vraag is: hoe zietde Minister de relatie tussen de uitspraken over «het wokevirus» doorWilders in relatie tot de veiligheid van de lhbtiq+-gemeenschap? Ik ga nietover de woorden die Kamerleden kiezen. Maar ik kan wel zeggen dat hetgewoon onacceptabel is als lhbtiq+-personen in Nederland nog steedsworden gediscrimineerd en geïntimideerd. De Staatssecretaris vanEmancipatie heeft op 18 november een prioriteitenbrief naar de Kamergestuurd, waarin de veiligheid van deze lhbtiq+-personen en van vrouwenals prioriteit is aangemerkt. Zij werkt met de Minister van Justitie aan eenaanpak om de veiligheid te vergroten en zij zullen uw Kamer hieroverinformeren.Dan is er een verzoek om een actieplan moslimdiscriminatie. Daar heb ikook al het nodige over gezegd, denk ik. Het nationaal onderzoek komtvoor de zomer naar u toe.Ik vervolg met een vraag van de heer Van Nispen over discriminatie doorbanken. Wat doet de overheid aan discriminatie door banken? De Ministervan Financiën werkt samen met de banken en de toezichthouders aan eenaanpak door banken bij de aanpak van witwassen en sanctieregelgeving.Er lopen verschillende acties. Denk aan de juiste toepassing van deregelgeving, betere communicatie en juiste klachtenafhandeling. DeMinister van Financiën heeft uw Kamer in december een brief gestuurdover de stand van zaken van de acties.Dan vroeg de heer Ceder over discriminatie in de zorg. Ik kan u zeggen dathet Ministerie van VWS in ’22 is gestart met de aanpak van discriminatiein zorg en welzijn in de vorm van een brede aanpak discriminatie engelijke kansen. Maar het is niet aan VWS om hier bindende afspraken metde zorgsector over te maken. Die verantwoordelijkheid ligt bij het veldzelf. Maar met die brede aanpak van VWS worden wel thema’s rondomdiscriminatie aangekaart op verschillende manieren, zowel intern bij VWSals in het zorgveld. Het Ministerie van VWS verwacht in februari detweede voortgangsrapportage van die aanpak naar de Kamer te sturen.Daarin worden de acties en werkzaamheden van het ministerie toegelicht.De heer Ceder (ChristenUnie):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43551 Ik heb daar een korte vraag over. Ik ben blij dat er een voortgangsrap-portage komt. Het nadeel van versnippering is dat het bij de commissieVWS komt, waar ik vervangend lid van ben, maar eigenlijk niet aandeelneem. Ik denk dat velen van ons hier dat hebben. Is er een manierwaarop de Minister dat kan meenemen en ervoor kan zorgen dat ditonderwerp, discriminatie, ook bij de BiZa-commissie terechtkomt? Dithoort namelijk gewoon onder de portefeuille Discriminatie te vallen en deexpert-Kamerleden moeten zich daarover kunnen uiten.De voorzitter:Zou er nog een rol voor de Kamer weggelegd zijn door de pv van deVWS-commissie te vragen of BZK volgcommissie kan worden? Dan staathet ook op onze lijst. Ik kijk even naar de Minister.Minister Uitermark:Ik denk dat dat een makkelijke route is om het te organiseren.De voorzitter:Is dit nog een vraag op dit punt, meneer Koops? Want dit was eigenlijkeen vraag van de ChristenUnie. Het kan, maar gezien de tijd zou ik het welwillen beperken tot relevante vragen. Gaat uw gang.De heer Koops (NSC):Mevrouw de voorzitter, was de rest dan niet relevant? Wat ik te vragenheb, is heel simpel. Ik hoorde het antwoord van de Minister op de vraagover discriminatie binnen banken. Dit koppel ik aan het antwoord van destaatscommissie in haar rapport, waarbij zij ingaat op het gebruik vanrisicoprofielen en aselecte steekproeven en noem maar op. Kortom, datbetreft de toezegging die gedaan is vanwege Palmen. Nou is het punt datde staatscommissie ingaat op de rol van discriminatie bij publiekedienstverleners, maar banken zijn dat niet. De vraag is dus hoe zich dat totelkaar verhoudt. Houdt de staatscommissie zich nu ook bezig metrisicoprofilering binnen banken?Minister Uitermark:Ik zeg u graag toe het antwoord in tweede termijn te geven, want ik kandaar nu niet zo op antwoorden.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan kom ik nu bij discriminatie in het uitgangsleven. Wat doet het kabinetdaartegen? Het deurbeleid tijdens het uitgaan moet transparant enduidelijk zijn. Daarnaast moet de uitgaansgelegenheid dit deurbeleid ookduidelijk maken aan de bezoeker. Dat is echt in eerste instantie aan desector. Er zijn in de sector voorbeelden opgesteld van transparant enduidelijk deurbeleid. Die kunt u vinden op de website van de KoninklijkeHoreca. In verschillende uitgaanssteden zijn er vanuit de gemeenten ookzogenoemde panels deurbeleid. Die onderzoeken klachten van mensendie denken dat zij onterecht zijn geweigerd. Zij kunnen vervolgens ookvanuit die panels de horecaondernemers aanspreken. Bij structurelediscriminatie kan het in een uiterst geval zelfs gevolgen hebben voor devergunning van een horecazaak. Dat is wat ik er vanuit hier over kanzeggen.De heer Deen bracht het punt van leeftijdsdiscriminatie op. Vindt deMinister het zorgwekkend dat ouderen aan de kant worden gezet? Ja.Goed dat u dit punt nog een keer extra onder de aandacht brengt. Ik vinddat ook zorgwekkend. Ik vind het een heel ernstig verschijnsel. Ouderenzijn een heel belangrijk, essentieel, onderdeel van onze samenleving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43552 Soms zijn zij ook extra kwetsbaar. Natuurlijk kunnen zij ook meldingmaken bij Discriminatie.nl. De consulenten zullen zich echt voor honderdprocent inzetten om in deze gevallen te adviseren en te bemiddelen. Datzijn natuurlijk allemaal niet-juridische middelen, maar die kunnen welleiden tot een oplossing van het conflict.Juridisch gezien wil ik er nog over zeggen dat de Wet gelijke behandelingbij de arbeid discriminatie op grond van leeftijd bij arbeid verbiedt, zoalsde naam al zegt. Dat verbod ziet op werk, niet alleen op betaald werk,maar ook op vrijwilligerswerk. Het College voor de Rechten van de Menskan daar ook klachten over behandelen. Vrijwilligers van wie de overeen-komst wordt beëindigd, kunnen het college bijvoorbeeld om een oordeelvragen. Een antidiscriminatievoorziening kan ook hulp bieden bij deprocedure. Als het gaat om klachten over leeftijdsdiscriminatie doorbanken en verzekeraars, kunnen die worden voorgelegd aan het Klachten-instituut Financiële Dienstverlening, het Kifid.Maar ik vind het een punt dat misschien wel meer aandacht verdient. Ikvind het dus ook terecht dat u dat onder de aandacht brengt. Om goedinzicht te krijgen in welke vormen van discriminatie ouderen ervaren, benik graag bereid om met de ouderenbonden hierover in nader overleg tetreden.Ik ben bij de vraag van de heer Van Nispen over de witteboordencrimina-liteit. Dat is de laatste vraag die ik hier heb, denk ik. O nee, het is deeen-na-laatste ... Nee, ik heb nog drie vragen. Het is één setje, maar hetzijn drie vragen. Ik moet zeggen, de heer Van Nispen heeft hier onlangsnog schriftelijke vragen over gesteld aan de Minister van Justitie. Uit deantwoorden die daarop gegeven zijn, zal ik ook putten voor mijnantwoord. Ik denk dat wel duidelijk is dat voor mij iedere vorm vanongerechtvaardigde ongelijke behandeling ontoelaatbaar is en absoluutdient te worden bestreden binnen ons strafrecht. Binnen de rechtspraaken het OM is ook aandacht voor het tegengaan van ongelijke behandeling.Financieel-economische criminaliteit heeft voortdurend de aandacht vanhet kabinet. Zo zijn de aanpak van corruptie en witwassen als speerpuntenin het regeerprogramma opgenomen.Maar een gegeven is ook dat onderzoeken naar witteboordencriminaliteitvaak diepgaand onderzoek en specifieke expertise vergen. Die worden ookgekenmerkt door internationale structuren. Dat maakt de behandeling vandit soort zaken echt tijdsintensief en complex. Ook de schaarse capaciteitvan de strafrechtketen is een bekend gegeven. Daarom moeten er keuzesgemaakt worden over de inzet van het strafrecht. De complexiteit van diezaken en dus de schaarste in capaciteit zijn factoren die worden meege-wogen, maar dat is niet anders dan voor veel andere vormen vancriminaliteit, waar die weging ook plaatsvindt.Dan heb ik nog een vraag of ik kan toezeggen om bij de aanpak vanorganisaties die discrimineren, ook te onderzoeken in hoeverre daarsprake is van financiering vanuit onvrije regimes of buitenlandseoerconservatieve organisaties. Ik kan op uw vraag of ik kan toezeggen datik bij de aanpak kan onderzoeken in hoeverre er sprake is van financieringuit onvrije regimes ... In feite zijn het twee vragen waarvoor hele anderejuridische kaders gelden. Want aan de ene kant betreft dit subsidieaan-vragen en aan de andere kant gaat uw vraag over de financiering vanNederlandse organisaties vanuit onvrije regimes of buitenlandseorganisaties. Daarmee is het niet vanzelfsprekend dat we deze uitbreidingkunnen meenemen in de verkenning naar subsidieverstrekking. Er zijnhierover ook twee moties aangenomen bij andere bewindspersonen, vanOCW en JenV. Het is dus ook aan deze bewindspersonen om al dan nietsamen met mijn ministerie na te denken over hoe we uitvoering kunnengeven aan die moties.Dan tot slot de vraag, ook van mevrouw Rajkowski, over het melden vanonlinediscriminatie. Hoe weten jongeren waar ze schadelijke onlinediscri-minatie kunnen melden en wat ga ik doen om haat en illegale content aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43553 te pakken? Het eerste kwartaal zal ik een plan van aanpak tegen onlinedis-criminatie naar uw Kamer sturen dat het beleid intensiveert. In hetregeerprogramma zijn daar ook expliciet politieke steun én financieringvoor vastgelegd. Het zal zes beleidslijnen beschrijven: een meer gecoördi-neerde aanpak, een betere ondersteuning van slachtoffers, groterebewustwording, betere registratie, meer toezicht op en samenwerkingmet internetpartijen en vaker ook meer zichtbare consequenties voordaders. Ik raad echt iedereen die te maken heeft met onlinediscriminatieaan om dat te melden, bijvoorbeeld op meld.onlinediscriminatie.nl. Datwordt gesubsidieerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Als ersprake is van strafbare discriminatie, neemt dit meldpunt contact op methet platform waarop het is geplaatst, met het verzoek om dat bericht teverwijderen. Dus meld onlinediscriminatie bij meld.onlinediscriminatie.nl.Doe ook gewoon aangifte bij de politie als je discriminatie ervaart. HetOpenbaar Ministerie kan vervolging instellen, zoals bij groepsbeledigingof het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld.Dat was ’m.De voorzitter:Dank. Dan kijk ik naar de klok. Het is 20.30 uur. Met uw welnemen kunnenwe nog een kwartiertje doorgaan. Dan kunnen we een rondje gemistevragen doen óf iedereen krijgt een halve minuut voor de tweede termijn.Waar gaat uw voorkeur naar uit? Het is een van de twee, gezien de tijd.Meneer Bamenga wil interrumperen. Dat mag.De heer Bamenga (D66):Dank u wel. Ik tel negen vragen die nog niet beantwoord zijn. Ik hoop datze wel beantwoord kunnen worden. De Minister gaf eerder aan dat ze tochwel verdrietig wordt op het moment dat politici of bewindspersonenwoorden gebruiken die polariserend zijn. Ze gaf ook aan dat ze er allesaan zal doen om dat aan te pakken, als het ware. Ik vraag me alleen af hoede Minister dat daadwerkelijk gaat doen.Minister Uitermark:Dat is een hele goede vraag. Ik kan u zeggen hoe ik dat doe. Ik spreek meuit; dat ten eerste. En ik voer daar gesprekken over. Dat doe ik op demeest passende manier. Soms betekent «de meest passende manier» datje niet moet reageren; althans, op het moment dat er bijvoorbeeld eentweet uitgaat. Maar u kunt er wel van op aan dat ik me zal uitspreken endat ik iedereen ook oproep: wees wijs met je eigen woorden. In iedergeval probeer ik daar zelf een goed voorbeeld in te geven.De voorzitter:Oké, dank. Dan gaan we volgens mij naar een tweede termijn, met vooriedereen 30 seconden. Als u die niet nodig heeft, vraag ik u om die ookniet te gebruiken en niets te herhalen in de zin van «bedankt voor detoezegging» en dergelijke, maar om gewoon naar de inhoud te gaan.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Dank voor de antwoorden. Ik had ergens welgehoopt dat we verder waren. In een aantal antwoorden werd heel veel inde tijd geschoven. Dat vind ik jammer, ook in het licht van het meestrecente debat over de toeslagenaffaire.Ik wil graag een tweeminutendebat aanvragen, omdat ik denk dat hetgoed is om het kabinet bij te sturen. Dat gaat over een flink aantalonderdelen. Ik wil toch nog even vragen of de volgende vragen beant-woord zijn of dat ik die antwoorden gemist heb. Ik weet niet of ik hetantwoord heb gehoord op de vragen over de discriminerende factoren tenaanzien van de Leefbaarometer, over het niet willen verhuren vangebouwen aan bijvoorbeeld kerkgenootschappen en over hoe de MinisterTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43554 daarnaar kijkt. En worden de aanbevelingen in het Amnesty-rapport, zoalsover CERD en ECRI, opgevolgd?Ik vraag dus graag een tweeminutendebat aan. Ik zou wel willen vragenom dat pas in te plannen nadat de kabinetsreactie op het Amnesty-rapportis uitgekomen. Als het goed is, komt die kabinetsreactie volgende week.De voorzitter:Helder. U zit op een minuut. U hebt dus eigenlijk al dubbele tijd.De heer Ceder (ChristenUnie):Dan laat ik het hierbij, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Mevrouw Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Voorzitter, dank. De Minister zegt terecht dat iedereen de ruimte moethebben om zichzelf te zijn, maar op dit moment heb ik toch het gevoel datsommige leden van het kabinet dat niet helemaal naleven en daarmeediscriminatie en racisme normaliseren. Daarom had ik eigenlijk gehooptdat ik hier weg zou gaan met een gevoel van urgentie bij de Minister. Datmis ik echt. Terwijl ik echt wel geloof dat de Minister hier vol goedeintenties zit, mis ik nog de urgentie. Ik zou haar dan ook willen vragen ofzij misschien bereid is om gewoon iedere maand een briefje naar deKamer te sturen met alle dingen die ze nu in de tijd heeft beloofd:aankomend voorjaar, voor de zomer en na de zomer. Dat zou ons werk alsKamerleden makkelijker maken.De voorzitter:Dank. De heer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Zoals ik net zei, zijn volgens mij negen vragen van mij niet beantwoord.Sommige vragen heb ik volgens mij zelfs twee keer gesteld. Is het kabinetbereid om in samenwerking met de Nationale ombudsman en deKinderombudsman het Amsterdamse onderzoek naar discriminatie bijkinderen nationaal opvolging te geven? Wat neemt de Minister mee uit ditonderzoek? Wat doet zij om specifiek racisme en discriminatie onderkinderen uit te bannen? Kan de Minister toezeggen dat zij nog voor dezomer opvolging geeft aan mijn aangenomen motie die vraagt om hetactief tegengaan van racisme en discriminatie op te nemen in debeoordelingscycli van leidinggevende ambtenaren? En kan ze toezeggendat we nog voor de zomer een escalatieladder hebben met welke actiewordt ondernomen in het geval van racisme en discriminatie? Hoe kan hetzijn dat de Minister toestaat dat het discriminatiebeleid juist wordtafgebroken? Dat is immers wat ik terughoor in de brandbrief.De voorzitter:U zit op 50 seconden.De heer Bamenga (D66):Ik heb er nog twee. Hoe gaat de Minister de cultuur veranderen waarindegene die klaagt als een probleem wordt gezien? Ik heb begrepen dat zedaaromtrent geen garantie kan geven. En klopt het dat er beleidsadviseursziek thuis zitten vanwege het werkklimaat bij IenW en omstredenracistische uitspraken van de Staatssecretaris van IenW?De voorzitter:Dank. De heer Van Baarle.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43555 De heer Van Baarle (DENK):Voorzitter. Het begin van het debat vond ik echt stuitend voor een Ministerdie zegt discriminatie te bestrijden en die dan in een soort woordenspel-letje uitspraken van bewindspersonen vergoelijkt. Ik ben net even naarbuiten gelopen om het na te luisteren. De heer Nobel heeft op beeldgewoon letterlijk gezegd dat een heel groot deel van de Nederlandseislamitische jongeren de Nederlandse normen en waarden niet zouonderschrijven. Uitgerekend die man gaat straks een programma tegenmoslimdiscriminatie presenteren. Ik vind dat dit kabinet op dit gebied echtkrankjorum is. Het spijt me dat ik dat moet zeggen. Daarom ben ik blij methet tweeminutendebat, maar ik vind dit echt heel zorgwekkend. Mensendie dit zeggen, zitten in de Nederlandse regering en de Minister diedaarover gaat, kijkt daarvan weg. Ik schrik hier echt van.De voorzitter:De heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Voorzitter. Het is goed dat er een onderzoek komt naar de discriminatie-grond sociaal-economische status. Het stelt me wel teleur dat hetonderzoek naar het onder de Algemene wet gelijke behandeling brengenvan de overheid weer vooruit is geschoven. Ik heb me laten vertellen datdit al loopt sinds Ien Dales. Dat is dus vrij lang. Dat is zorgwekkend. Daarwillen we echt een reactie op.Ik overweeg twee moties. Dat zeg ik hier omdat de Minister die kanvoorkomen. Dat gaat ten eerste over de discriminatietoets van destaatscommissie en de centrale regie bij Binnenlandse Zaken bij publiekedienstverleners. Ik hoor graag voor het tweeminutendebat wat de plannenvan de Minister op dit punt precies zijn, want dan kan ik kiezen of ik daareen motie over indien. Het gaat ten tweede over de zeer recent uitge-brachte toets op risicoprofielen, het toetsingskader risicoprofilering vanhet College voor de Rechten van de Mens. Dat is inderdaad zeer recentuitgebracht, maar ook hierop hoor ik graag voor het tweeminutendebatvan de Minister hoe dat in de praktijk gebruikt gaat worden. Ik hoef daarnu omwille van de tijd en ook omdat ik het debat nu zal moeten verlatengeen antwoord op, maar wel graag voor het tweeminutendebat.De voorzitter:Dank. Op dat laatste punt wordt de Kamer voor de zomer geïnformeerd.Dat is toegezegd.De heer Van Nispen (SP):Dan zal ik daar een motie over in moeten dienen.De voorzitter:Oké, helder. De heer Koops.De heer Koops (NSC):Mevrouw de voorzitter. Ik heb heel vaak de woorden «voor de zomer»,«dit voorjaar» en «binnenkort» horen vallen. Ik heb van een heel aantalrapporten, rapportages en onderzoeken gehoord dat zij binnenkortworden gepresenteerd. Ik deel dus de algemene zorg dat er zo ontzettendveel op stapel staat dat ik door de bomen het bos niet meer zie en dat ikvooral niet zie wat er daadwerkelijk is gebeurd sinds het aantreden vandeze regering. Ik sluit me dus aan bij het verzoek om de Kamer maande-lijks op de hoogte te stellen van wat er is geïmplementeerd en wat er nugebeurt met het geld dat hiervoor is uitgetrokken.Ik verheug me op het tweeminutendebat.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43556 Helder. De heer Deen.De heer Deen (PVV):Voorzitter. Dank aan de Minister voor het in overleg gaan met deouderenbond.Dank u wel.De voorzitter:Dank. Ik heb geen tweede termijn nodig. Van mij is alles beantwoord.Ik kijk heel even naar de tijd. We kunnen een kort rondje doen, maar ik hebook een hele lijst van toezeggingen staan. We gaan naar de beant-woording. Dan weet ik niet of we het opnoemen van het lijstje toezeg-gingen gaan halen, maar we krijgen in ieder geval de beantwoording vande Minister. Gaat uw gang. Of wilt u even schorsen?Minister Uitermark:Nee hoor. Ik wil eigenlijk het volgende voorstellen. Er zijn inderdaad eenaantal vragen genoemd die nog gemist zijn. Ik zou er nu nog een paarkunnen beantwoorden, maar niet allemaal. U geeft aan dat er eentweeminutendebat komt en er is ook gevraagd om nadere informatie. Watik kan doen, is dat ik vragen die we gemist hebben, beantwoord in eenbrief en dat ik daarbij ook inga op de twee punten die de heer Van Nispenheeft genoemd. Meerderen van u hebben gevraagd om op de hoogtegehouden te worden, omdat zij als Kamer goed willen kunnen volgen water gebeurt. Dat begrijp ik heel goed en dat vind ik eigenlijk ook best eengoede manier om het tempo erin te houden, maar maandelijks is echt tesnel, want dan gaat de energie naar maandelijkse brieven. Ik kan daar duseen tweemaandelijkse brief van maken, zodat u elke twee maanden eenbrief van mij krijgt met de voortgang en de implementatie. Dan kunt u opdie manier goed de voortgang volgen. Ja?De voorzitter:Dat staat genoteerd.Minister Uitermark:Dan wil ik het daarbij houden.De voorzitter:Oké, dank. Dan dank ik alle aanwezigen op de publieke tribune, die hetnog zo lang met ons hebben volgehouden. Dank voor de inbreng en dankaan de Minister voor de beantwoording. Een fijne avond!Sluiting 20.40 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 950, nr. 43557

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · f8705d5e78112d90

14 okt 2026 · 80a35ae5b5fe93fb

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.