KamerkringInloggen
Kamerbrief

Reactie op verzoek commissie inzake tijdige toezending inhoudelijke reactie Rapport ‘Opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg’

18 apr 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 8109b1bb44203dbf · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202433 578EerstelijnszorgNr. 116 BRIEF VAN DE MINISTERS VOOR MEDISCHE ZORG EN VANVOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 april 2024Op 4 maart jl. heeft de Minister voor Medische Zorg het rapport «Opkomstvan bedrijfsketens in de huisartsenzorg» van de Nederlandse Zorgauto-riteit (NZa) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toegestuurd1. Indeze Kamerbrief geven wij een inhoudelijke reactie op het rapport enlichten we toe hoe het vervolgproces wordt vormgegeven.Allereerst willen wij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bedanken voor het onderzoek dat zijverricht hebben naar de opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorgen wat dit naar hun mening betekent voor hun toezicht. Kwaliteit entoegankelijkheid van zorg moeten bij het leveren van zorg voorop staan.Zorgaanbieders moeten altijd voldoen aan de eisen van beide aspectenvan kwaliteit en toegankelijkheid, zoals die ook zijn vastgesteld in wet- enregelgeving. Dat geldt ook voor de bedrijfsketens in de huisartsenzorg. DeIGJ en NZa zien hierop toe en handhaven waar nodig, zoals ook algebeurd is de afgelopen periode. Uit het verkennend onderzoek van detoezichthouders komt een aantal knelpunten naar voren met betrekkingtot het reguliere toezicht op deze ketens. De IGJ en NZa doen een aantalaanbevelingen om hun toezicht op deze ketens te verbeteren.Deze aanbevelingen zijn aan diverse partijen gericht die betrokken zijn bijde (huisartsen)zorg. Wij vinden het wenselijk dat alle partijen hun rolpakken om goede, toegankelijke huisartsenzorg te borgen. Zorgverzeke-raars hebben bijvoorbeeld de mogelijkheid om in hun inkoopbeleidvoorwaarden te stellen aan zorgaanbieders en te kiezen of zij wel of nieteen contract aangaan met een keten. Daarnaast vinden wij het belangrijkdat (voldoende) huisartsen zich zoveel mogelijk binden aan een vastepatiëntenpopulatie. Dit draagt bij aan het bevorderen van de toeganke-lijkheid en het borgen van de kernwaarden van de huisartsenzorg. Dit sluitook aan bij de acties die ingezet zijn zoals vermeld in de brief «stand van1Kamerstukken II, 2023–2024, 33 578, nr. 114 kst-33578-116ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1161 zaken versterking huisartsenzorg»2. Alle organisaties die huisartsenzorgleveren, zowel in bedrijfsketens als in individuele praktijken, zullen zichaan de gestelde kernwaarden van huisartsenzorg moeten houden.De toezichthouders schetsen in het rapport vijf thema’s waar zijknelpunten zien in hun toezicht op bedrijfsketens in de huisartsenzorg.Binnen die thema’s doen zij een aantal aanbevelingen. In de volgendeparagraaf gaan wij in op de aanbevelingen.AanbevelingenAanbeveling 1: Goed bestuur en professionele bedrijfsvoeringOm het toezicht beter te kunnen laten aansluiten bij zorgorganisaties vanaanzienlijke omvang, doen IGJ en NZa ons de onderstaande drieaanbevelingen voor het borgen van een goed bestuur en professionelebedrijfsvoering. De toezichthouders hebben aangegeven dat de aanbeve-lingen met betrekking tot goed bestuur en professionele bedrijfsvoeringgericht zijn op organisaties van aanzienlijke omvang. Zij geven aan dattoezicht op ketens, voornamelijk die verspreid zijn over meerdere regio’s,lastig uit te voeren is. Daar komt bij dat in het geval dat zo’n ketenbijvoorbeeld richting faillissement gaat, het risico dat daarmee decontinuïteit van zorg in gevaar komt groter is.Aanbeveling 1a: Deskundigheid van het bestuurDe toezichthouders adviseren om te onderzoeken of het wenselijk is ommeer eisen te stellen aan de deskundigheid van het bestuur van zorgorga-nisaties van aanzienlijke omvang.Op dit moment worden er middels de Wet kwaliteit, klachten en geschillenzorg (Wkkgz), Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en Wettoetreding zorgaanbieders (Wtza) wettelijke eisen gesteld aan de kwaliteit,bestuurbaarheid en bedrijfsvoering van zorginstellingen. Daarnaast heeftde Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) het Wetsvoorstelintegere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) in voorbe-reiding dat onder meer voorziet in een norm voor integere bedrijfsvoeringen extra handvatten voor het publieke toezicht op de integere bedrijfs-voering. De in dit wetsvoorstel opgenomen normen zijn een aanvulling opbestaande vormen van zelfregulering en controle door het internetoezicht. Dit wetsvoorstel is onlangs naar de Raad van State verstuurd teradvisering. De verdere invulling van goed bestuur in de zorg wordtovergelaten aan het veld via zelfregulering. Op deze manier is maatwerkmogelijk en worden bestuurders en toezichthouders aangesproken op hunintrinsieke motivatie. Dit heeft zich onder andere geuit in de Governan-cecode Zorg en verschillende programma’s en accreditatietrajecten. In2020 is de zelfregulering geëvalueerd en bleek deze op een positievemanier bij te dragen aan de ontwikkeling van goed bestuur in de zorg3.Daarnaast dragen de Governancecode Zorg, het programma «GoedToezicht» voor toezichthouders en het accreditatietraject voor bestuurdersbij aan de verdere professionalisering van bestuurders en toezicht-houders.Wij zijn bereid om samen met NZa en IGJ te kijken waar zij nog verderemogelijkheden zien om de deskundigheid van bestuurders van zorgorga-nisaties van aanzienlijke omvang te bevorderen, zonder dat dit leidt totonevenredige administratieve lastendruk. Daarbij moeten wij goed kijken2Kamerstukken II, 2023–2024, 33 578, nr. 1123Kamerstukken II 2021- 2022, 32 012, nr. 47Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1162 naar de mogelijkheden om objectieve eisen aan de deskundigheid vanbestuurders in wet- en regelgeving vast te leggen en naar wat de voor- ennadelen daar van zijn. Zoals de eerder genoemde evaluatie ook heeft latenzien is er ook wat te verwachten van het stimuleren van het lerendvermogen van bestuurders en het ontwikkelen van competenties middelsaccreditatieprogramma’s. Op dit moment zijn wij van mening dat dehuidige en voorgenomen wetgeving en zelfregulering vooralsnogvoldoende handvatten (gaan) bieden voor de NZa en IGJ om effectievertoezicht te houden en bestuurders aan te spreken indien er risico’s zijnvoor de continuïteit, veiligheid en kwaliteit van zorg.Aanbeveling 1b: werking van de financiële bedrijfsvoeringDe toezichthouders adviseren om ten aanzien van de financiële bedrijfs-voering in artikel 40a van de Wmg inhoudelijk toetsbare normen te stellenvoor de werking van de financiële bedrijfsvoering of de NZa beleidsruimtete geven dit in te vullen. Dit zou volgens de NZa en IGJ duidelijkheidmoeten scheppen voor bedrijfsketens, voor bestuurders en voor in- enexterne toezichthouders.Met de IGJ en NZa zijn ook wij van mening dat zorgaanbieders moeteninvesteren in een professionele bedrijfsvoering en mechanismen om teborgen dat de bedrijfsvoering transparant, integer en beheerst is. Dat is inde eerste plaats de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders zelf. In deafgelopen jaren waren er vanuit de zorgsector verschillende initiatievenom bestuur en toezicht in de zorg verder te professionaliseren. Zo hebbende gezamenlijke brancheorganisaties in de zorg, de eerder benoemdeGovernancecode zorg 2022 ontwikkeld waarin normen zijn benoemd overde werking van de financiële bedrijfsvoering, zoals het voorkomen vanbelangenverstrengeling. Daarmee is duidelijker omschreven wat op ditgebied van zorgaanbieders wordt verwacht. In aanvulling hierop wordtmet het wetsvoorstel Wibz een norm voor integere bedrijfsvoering in deWmg geïntroduceerd, waarmee de NZa ook toezicht kan houden en zonodig kan handhaven op onder andere de integriteit van de werking voorde financiële bedrijfsvoering. Indien het wetsvoorstel wordt aanvaard, zalhet mogelijk zijn voor de NZa om toezicht te houden op de integriteit vanfinanciële bedrijfsprocessen, waaronder de interne planning en controlecyclus en het risicomanagement. Daarmee komen we naar onze meningtegemoet aan het advies van de toezichthouders.Aanbeveling 1c: Financiële ratio’sDe toezichthouders adviseren om te inventariseren of wettelijkenormering van financiële ratio’s bij zorgorganisaties van aanzienlijkeomvang wenselijk is.Op dit moment bestaan er maatschappelijk al breed gedragen normenvoor financiële ratio’s waarop geacteerd wordt in geval de financiëlegezondheid van een zorgorganisatie in gevaar dreigt te komen. Zohanteren banken bijvoorbeeld een minimumeis voor de solvabiliteit van20–25% en monitoren zorgverzekeraars de financiële gezondheid vanzorgorganisaties. Zorgverzekeraars en zorgorganisaties leggen vaak ookvast onder welke omstandigheden zorgorganisaties moeten melden datde financiële gezondheid van de organisatie in gevaar komt. In het gevalzorgorganisaties niet meer kunnen voldoen aan de financiële afspraken,dan wordt er actie ondernomen vanuit zowel banken als zorgverzekeraars.De zorgverzekeraar zal hier vervolgens, in het kader van het Early WarningSystem, melding van maken bij de NZa. Tegen deze achtergrond zien wijgeen noodzaak voor een wettelijke normering van financiële ratio’s.Vanzelfsprekend is het wel mogelijk dat de IGJ en NZa intern normeringenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1163 aan financiële ratio’s toekennen ten behoeve van hun risico-gestuurdtoezicht, het EWS en de analyse van data rondom de jaarverantwoording.Aanbeveling 2: Zorgspecifieke concentratietoets/Zorgspecifieke fusietoets(Zft)De huidige Zorgspecifieke concentratietoets is vooral procedureel vanaard, de NZa toetst primair of het proces om tot een fusie of overname tekomen zorgvuldig is doorlopen. De NZa adviseert ons om te onderzoekenhoe er meer ruimte gecreëerd kan worden om bij de Zft ook op enkeleinhoudelijke aspecten te toetsen.Wij delen de mening van de NZa dat de huidige opzet van de Zftmomenteel zeer beperkt de mogelijkheid biedt om evident onwenselijkeconcentraties op inhoudelijke gronden tegen te houden. Wij zijn dan ookvoornemens om in lijn met het advies van de NZa de bevoegdheden voorde NZa op dit punt uit te breiden. Dit proces is samen met de NZa deafgelopen maanden verkend. Uw Kamer zal op korte termijn uitgebreidergeïnformeerd worden over de voorgenomen aanpassingen van hetzorgspecifiek markttoezicht. Denkbaar zijn aanpassingen gericht op hettegenhouden van een concentratie of het niet in behandeling nemen vaneen concentratievoornemen als de kwaliteit of continuïteit van zorg daaraanleiding toe geven of wanneer er sprake is van onrechtmatig gedragmet betrekking tot de Wmg.Aanbeveling 3: DeclaratiesDe NZa verkent of het mogelijk is om het gebruik van de AGB-code doorde uitvoerende zorgaanbieder (zoals een vestiging) wettelijk te veran-keren, en zo nodig ons daarbij te betrekken. Daar kunnen wij ons invinden. Wij stellen ons wel voor dat de NZa de eerdere verkenning goedbetrekt die in 2019, ten tijde van de voorbereiding van de inwerking-treding van de Wet toetreding zorgaanbieders, samen met Zorgverzeke-raars Nederland (ZN) en de NZa heeft plaatsgevonden. Het vraagstuk wattoentertijd voorlag was of er een (wettelijke) verplichting kon komen voorde AGB-code van de uitvoerende partij op de factuur. Conclusie was toendat dat niet haalbaar was. Onder andere omdat een AGB-code alsdeclaratievoorschrift zou betekenen dat een beslissing over het al dan nietafgeven van een AGB-code een besluit wordt in de zin van de Algemenewet bestuursrecht. De gezamenlijke zorgverzekeraars/Vektis zoudendaarmee een privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan voor de afgiftevan de AGB-code worden. Dit zou een fundamentele stelselwijzigingimpliceren.Aanbeveling 4: Kwaliteit van huisartsenzorgDe toezichthouders adviseren de beroepsgroep en patiëntvertegenwoor-digers om de kernwaarden «continuïteit van zorg» en «persoonsgericht»voor de huisartsenzorg te vertalen naar uitgangspunten (en waar mogelijkin normen) voor het toezicht van de IGJ. De toezichthouders vragen onseen coördinerende rol te nemen en alle relevante partijen te betrekken bijde uitwerking.In de Kamerbrief «Stand van zaken versterking huisartsenzorg»4 heeft devorige Minister van VWS benadrukt dat er maatschappelijk, bij patiënten,in de politiek en binnen de beroepsgroep bezorgdheid is over de wijzewaarop sommige (bedrijfs)ketens binnen de huisartsenzorg zichverhouden tot de kernwaarden en kerntaken van de huisartsenzorg. Met4Kamerstukken II, 2022/2023 33 578, nr. 112Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1164 name als het gaat om de kernwaarden «continu», «persoonsgericht» en«gezamenlijk». Het recente onderzoek van de toezichthouders laat zien datdeze kernwaarden bij (sommige) (bedrijfs)ketens onder druk staan. Detoezichthouders stellen in hun rapport vast dat de invulling van dezekernwaarden ruimte laat voor interpretatie omdat ze tamelijk abstract zijnomschreven. Het rapport maakt duidelijk dat een scherpere uitspraak vande beroepsgroep zelf nodig is om te komen tot een kwalitatieve enconsistente invulling van de kernwaarden door alle aanbieders vanhuisartsenzorg.Daartoe zijn in het najaar van 2023 de eerste verkennende gesprekkengevoerd met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), InEen (organi-satie voor geïntegreerde eerstelijnszorg) en Zorgverzekeraars Nederland(ZN). Samen met hen willen wij inzetten op huisartsenzorg volgens dekernwaarden, in het belang van de burger en patiënt. Wij zullen de IGJvragen om aan veldpartijen verdere toelichting te geven over dezeaanbeveling, zodat de veldpartijen samen kunnen verkennen of debeschrijving van de kernwaarden voldoende handvatten biedt voor desector, voor zorgverzekeraars bij de inkoop van zorg en voor toezicht-houders bij het toezicht op de huisartsenzorg. Wij zullen de gesprekkenorganiseren en waar nodig zullen wij de beroepsgroep vragen dekernwaarden verder te concretiseren, bijvoorbeeld in de vorm van eenveldnorm. Wij vinden het daarbij van groot belang dat de aanscherpingniet leidt tot extra administratieve lasten voor huisartsenpraktijken. Wijinformeren uw Kamer in het derde kwartaal 2024 over de uitkomsten vandeze gesprekken.Aanbeveling 5 en 6: Digitaal zorgaanbodDe toezichthouders adviseren ons om de mogelijke consequenties voor dehuisartsenzorg van de introductie van specifieke vormen van digitale zorggeleverd door derden (niet zijnde de eigen huisarts) te onderzoeken en ofer aanvullende randvoorwaarden nodig zijn om de kwaliteit van zorg teborgen (aanbeveling vijf). Daarnaast adviseren de toezichthouders deberoepsgroep (het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), LandelijkeHuisartsen Vereniging (LHV) en de Koninklijke NederlandscheMaatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG)) om huisartsen-praktijken te ondersteunen bij het maken van de afweging of fysiek danwel digitale zorg passend is, en hierbij ook de patiëntvertegenwoordigersbij te betrekken (aanbeveling zes).Wij vinden het belangrijk dat in de eerste lijn digitale hulpmiddeleningezet worden waar dit van meerwaarde is. Dit is ook in lijn met deafspraken in de visie eerstelijnszorg 2030 en in het IZA (en het programmaWOZO). Passende inzet van digitalisering kan de dienstverlening richtingpatiënten verbeteren en vergemakkelijken, maar ook de druk op dehuisarts verlichten, zeker bij laagcomplexe zorgvragen. Ook dezogenaamde hybride zorgvormen (fysiek geboden zorg gecombineerdmet digitale zorg) kunnen bijdragen aan de efficiëntie zodat de huisarts ofhulpverlener meer tijd kan besteden aan het geven van fysieke zorg aanpatiënten die dat wensen of nodig hebben. De ontwikkelingen op ditgebied zijn volop in beweging: van mogelijkheden om digitaal eenafspraak te maken of een zorgvraag te stellen tot het aanvragen van eenherhaalrecept of een digitale triage.Tegelijkertijd vinden wij de mogelijkheden van fysieke consulten en hettelefonisch kunnen benaderen van een huisartsenpraktijk in de huisart-senzorg een groot goed dat altijd gewaarborgd moet blijven voor mensendie daar behoefte aan hebben. Dit is ook belangrijk voor toegankelijkheidvan zorg aan patiënten en/of hun familie/mantelzorgers die niet digitaalTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1165 vaardig zijn of onvoldoende taalbeheersing hebben. Maar simpelweg ookomdat een fysiek consult noodzakelijk kan zijn: niet elke zorgbehoefte ofelke patiënt is immers geholpen met een digitale oplossing. Een recentonderzoek, in opdracht van het Ministerie van VWS, naar de effectiviteitvan digitale zorgtoepassingen in de huisartsenzorg laat zien dat bije-consult, videoconsult en telemonitoring een bestaandearts-patiëntrelatie in veel gevallen belangrijk is, mede omdat er nogonvoldoende handvatten zijn wanneer, waarvoor en met welke mogelijkegevolgen een digitale zorgtoepassing wel of niet kwalitatief in hetzorgproces in te zetten5. Afhankelijk van de voorkeuren en mogelijkhedenvan de patiënt, de hulpvraag, de context en professionele afwegingen vande huisarts moet de keuze gezamenlijk gemaakt worden welkecontactvorm of combinatie daarvan op welk moment het meest geschiktis voor goede zorgverlening.Het rapport van de toezichthouders laat zien dat de (fysieke) toeganke-lijkheid van de zorg bij sommige (bedrijfs)ketens niet altijd goed geborgdis. De toezichthouders zien grote verschillen in digitaal zorgaanbod door(bedrijfs)ketens en hebben moeite de kwaliteit van het zorgaanbod goedte beoordelen in het kader van hun toezicht. De kernwaarde continuïteit enpersoonsgerichtheid komen onder druk te staan als fysieke zorg onvol-doende toegankelijk is.Wij zijn het met de toezichthouders eens dat digitale zorg in de huisartsen-praktijk zodanig moeten worden ingezet dat de kwaliteit en dekernwaarden geborgd zijn. Daarvoor is het belangrijk dat er voldoendekennis is van de juiste inzet van digitale zorgtoepassingen en aanpassingvan de zorgprocessen en bedrijfsvoering.Hiervoor lopen al verschillende acties, waaronder een ZonMw programma«zorg op afstand» waarin onderzocht wordt hoe zorg op afstand goed kanworden ingezet in de zorgpraktijk. Doel is dat de opgedane kennis wordtgebruikt bij opschaling van goede voorbeelden van hybride zorg/digitalezorgvernieuwing en handreikingen/leidraden en indien noodzakelijkaanpassing van (multidisciplinaire) richtlijnen6.In het kader van aanbeveling vijf zullen wij in gesprek gaan met deberoepsgroepen, de vertegenwoordigers van patiënten, zorgverzekeraars,het Zorginstituut, de IGJ, de NZa en ZonMw om te verkennen welkekennislacunes er zijn als het gaat om digitale huisartsenzorg die geleverdwordt door een andere partij dan de eigen huisarts. In sommige gevallenverwachten wij dat dit een goede oplossing kan zijn, bijvoorbeeld alsmensen (tijdelijk) geen eigen huisarts hebben. Zo heeft Zorginstituutbeoordeeld dat mensen die geen huisarts kunnen vinden, zich (tijdelijk)kunnen wenden tot een beschikbaar digitaal alternatief. Maar wij willenook scherper in beeld krijgen welke kansen en risico’s er zijn en aan welkevoorwaarden dit type zorg moet voldoen om daadwerkelijk (goede)huisartsenzorg te zijn.Ook aanbeveling 6 ondersteunen wij. Wij zullen de betreffende partijenvragen – in samenspraak met de Patiëntenfederatie – te reageren op dezeaanbeveling en waar nodig en aanvullend op de handvatten van digizo.nuen de zogenoemde vliegwiel coalitie aanvullende stappen te zetten om tekomen tot een handreiking of leidraden.5Bijlage bij Kamerstuk 33 578, nr. 956Zorg op afstand opnemen in richtlijnen: 7 projecten van start | ZonMwTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1166 Aanbeveling 7: Regionale samenwerkingDe IGJ en NZa adviseren om vanuit een brede vertegenwoordiging van dezorg (zorgaanbieders, brancheorganisaties, zorgverzekeraars engemeenten) normen voor regionale samenwerking op te stellen. Zijvragen ons om dit gesprek aan te jagen en duidelijke richtlijnen teontwikkelen rondom de rollen en verantwoordelijkheden van de betrokkenpartijen.De toezichthouders merken op dat het ontbreken van aansluiting bijregionale samenwerkingsverbanden of problemen in de samenwerkingeen risico vormt voor de kwaliteit en toegankelijkheid van de huisart-senzorg. Wij herkennen het signaal dat de samenwerking tussen regionalehuisartsenorganisaties (RHO’s) en sommige nieuwe spelers een uitdagingblijft.Om goede huisartsenzorg in elke regio toegankelijk te houden, isregionale samenwerking van groot belang. Het is essentieel dat alleaanbieders van huisartsenzorg zich conformeren aan de afspraken diebinnen een regio zijn gemaakt en aan de kernwaarden zoals opgestelddoor de beroepsgroep. Vanuit de visie eerstelijnszorg7 zetten we samenmet het veld in op het versterken van de regionale samenwerking. In devisie is beschreven welke minimale taken de regionale samenwerkingsver-banden moeten gaan uitvoeren. De komende periode werken we samenmet de partijen van de visie eerstelijnszorg verder uit hoe de taken enverantwoordelijkheden in de regio moeten worden ingevuld. Daarbij is hetbelangrijk dat er duidelijkere kaders komen rondom regionale samen-werking en de rollen en verantwoordelijkheden van de betrokken partijenin de regio. Hiervoor werkt de Minister van VWS ook aan een wijzigingvan de Wkkgz, waarin wordt verduidelijkt dat samenwerking onderdeelkan zijn van goede zorg. Op dit moment wordt samenwerking alsonderdeel van goede zorg niet expliciet in de Wkkgz benoemd.Ook nu al kunnen zorgverzekeraars en RHO’s hun rol nemen in de regio.Het is belangrijk dat zij tijdig zicht hebben op (toekomstige) knelpunten inde regio om discontinuïteit in toegankelijkheid te voorkomen. Dit kanonder andere door te zorgen voor gezamenlijk en eenduidig beleidrondom praktijkopvolging en -overnames binnen hun regio. Daarnaastverwachten wij van zorgverzekeraars dat wanneer zij een contractaangaan met een (bedrijfs)keten een concreet plan opstellen voor hetgeval deze keten (acuut) geen (goede) huisartsenzorg meer kan leveren.Wanneer deze situatie zich voordoet zonder dat de betreffende zorgverze-keraar hierop goed is voorbereid, zal de NZa indien nodig handhavendoptreden. De uitkomsten van de opvolging van aanbevelingen 4, 5 en 6kunnen zorgverzekeraars helpen om via de contractering te sturen op deborging van de kernwaarden van de huisartsenzorg.Ten slotte willen wij samen met zorgverzekeraars ook andere mogelijk-heden verkennen waarmee zij kunnen sturen op continuïteit van huisart-senzorg in de regio. Een mogelijke optie die het verkennen waard isbetreft het stimuleren van het starten van nieuwe praktijken of het door dezorgverzekeraar oprichten van stichtingen met huisartsen in loondienst.Wij verwachten dat deze vormen bij kunnen dragen aan de continuïteitvan zorg binnen een regio. Ook ontstaat hierbij niet het risico van ketensdie «too big to fail» worden. De Minister voor Medische Zorg zal ingesprek gaan met zorgverzekeraars om te onderzoeken wat er nodig is omdeze alternatieve aanpak in verschillende regio’s te verkennen. Over deuitkomsten informeren wij uw Kamer in het derde kwartaal van dit jaar.7Kamerstukken II 2022/2023 33 578, nr. 113Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1167 Tot slotMet deze brief komen wij tegemoet aan het verzoek van de commissievoor een tijdige reactie op het rapport «De opkomst van bedrijfsketens inde huisartsenzorg» van de IGJ en NZa. Hierboven hebben wij aangegevenwat de vervolgstappen zijn die wij gaan nemen in het licht van deaanbevelingen van de IGJ en NZa inzake dit rapport. Door deze stappen tezetten kunnen bedrijfsketens een bijdrage leveren om de publiekebelangen in de (huisartsen)zorg te waarborgen.Daarnaast zijn onlangs de resultaten gedeeld van het private equityonderzoek dat uitgevoerd is door EY onder meer naar aanleiding van demotie van de leden Van Den Berg en Dijk8. Hoewel bedrijfsketens niet perse gefinancierd zijn door private equity, leveren beide onderwerpengelijksoortige vragen op.De Minister voor Medische Zorg,P.A. DijkstraDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,C. Helder8Kamerstukken II, 2022–2023, 36 360 XVI, nr. 17Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 578, nr. 1168

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6fd3817e62f89536

14 okt 2026 · 56915ed6191702c1

Documentversies en bestanden

Officiële documentversies staan los van de versie van de brontekst die je in Kamerkring citeert.

  • Reactie op verzoek commissie inzake tijdige toezending inhoudelijke reactie Rapport ‘Opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg’Actuele officiële versie

    Versie 3 · 24 apr 2024

Bijlagen

Bij dit hoofddocument

Geen gekoppeld hoofddocument gevonden.

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Verder bij de Tweede Kamer

Externe officiële informatie