Verslag van een schriftelijk overleg over de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs (Kamerstuk 31293-869)
Brontekst
Versie fb7683df337004fb · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 293Primair Onderwijs31 497Passend onderwijsNr. 881 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 2 juli 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 18 februari 2026inzake de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in hetfunderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs (Kamerstuk31 293, nr. 869).De vragen en opmerkingen zijn op 11 maart 2026 aan de Staatssecretarisvan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 3 juli2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,KoorevaarAdjunct-griffier van de commissie,Van Thiel kst-31293-881ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8811 InhoudIVragen en opmerkingen uit de fracties2•Inbreng van de leden van de D66-fractie2•Inbreng van de leden van de VVD-fractie3•Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie4•Inbreng van de leden van de PVV-fractie5•Inbreng van de leden van de CDA-fractie7•Inbreng van de leden van de JA21-fractie9•Inbreng van de leden van de BBB-fractie10IIReactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap12 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de Evaluatie wet Meer ruimte voor nieuwe scholen (hierna: wetMRvNS). Deze leden hechten aan een onderwijsstelsel dat ruimte biedtvoor innovatie en nieuwe initiatieven. Tegelijkertijd is het van belang datnieuwe initiatieven daadwerkelijk bijdragen aan goed onderwijs en nietleiden tot ongewenste effecten op de kwaliteit of tot verdere segregatie.De leden van de D66-fractie achten het van belang dat de bevindingen uitde evaluatie van de wet zorgvuldig worden betrokken bij de verdereontwikkeling van het beleid rondom nieuwe scholen. Deze leden hebbendaarom de volgende vragen.De leden van de D66-fractie merken op dat door de wet MRvNSgemeenten minder invloed en zodoende ook minder tijd hebben omhuisvesting te organiseren. Het vinden van huisvesting moet plaatsvindenbinnen veertien maanden vanaf het moment dat de Minister een positiefbesluit heeft genomen over de aanvraag tot de start van het eersteschooljaar, met mogelijkheid van uitstel van maximaal één jaar. Dezetermijn is korter dan vóór de wet MRvNS. In de evaluatie geven zowelgemeenten als initiatiefnemers aan dat het organiseren van huisvestingeen uitdaging is. De leden van de D66-fractie vragen het kabinet hoe zijdeze signalen beoordeelt en of zij mogelijkheden ziet om de huisvestings-problematiek te verminderen. Tevens vragen deze leden of het kabinet hetwenselijk acht om gemeenten meer ruimte te geven bij het organiserenvan huisvesting, bijvoorbeeld door de termijn voor het realiseren vanhuisvesting te verlengen.De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat aanvragen voornieuwe scholen vaak worden ingediend gedurende de periode van deuitvoering van het integraal huisvestingsplan (IHP). Dit huisvestingsplanwordt eens per vier jaar opgesteld door de gemeente en schoolbesturenen bevat afspraken over onderwijshuisvesting, zoals verbouw ennieuwbouw. De komst van nieuwe scholen kan gevolgen hebben voor deuitvoering van deze plannen, bijvoorbeeld voor de mate waaringemeenten initiatiefnemers kunnen faciliteren of voor de huisvestings-plannen van bestaande scholen. De druk wordt groter naarmate in eengemeente meer aanvragen worden toegekend. Gemeenten kunnen hieringeen regiefunctie uitoefenen en bijvoorbeeld het aantal aanvragenlimiteren of wanneer aanvragen erg op elkaar lijken een keuze maken. Zietde Staatssecretaris mogelijkheden voor de gemeente om in bepaaldegevallen meer regie uit te oefenen over de aanvragen van de nieuwescholen? En hoe beoordeelt de Staatssecretaris de potentiële positieve ennegatieve effecten van een dergelijke maatregel?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8812 De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat het onderwijsstelselbijdraagt aan ontmoeting tussen leerlingen met verschillende achter-gronden. Deze leden willen voorkomen dat nieuwe scholen onbedoeldbijdragen aan verdere segregatie in het onderwijs. Uit de evaluatie vanOberon blijkt dat er voorzichtig kan worden aangenomen dat de segre-gatie na invoering van de wet MRvNS toeneemt, met name in hetvoortgezet onderwijs. Zo stijgt de dissimilariteit naar inkomen en neemtde kans op interactie voor inkomen en voor herkomst af. Deze ontwikke-lingen achten de leden van de D66-fractie zorgelijk. Deze leden vragen hetkabinet hoe zij deze bevindingen beoordeelt en of zij aanleiding ziet omaanvullende maatregelen te overwegen om ongewenste effecten opsegregatie te voorkomen.De leden van de D66-fractie merken tevens op dat in de evaluatie vanOberon een aantal conclusies nog niet met zekerheid getrokken kunnenworden om dat vooral in het middelbaar onderwijs het aantal nieuwescholen te beperkt is. Naarmate meer nieuwe scholen opgericht wordenen er een stabielere leerlingenpopulatie ontstaat, kan beter wordenbeoordeeld wat de effecten zijn van de wet op het onderwijsstelsel en inwelke mate de oprichting van nieuwe scholen samenhangt met bijvoor-beeld veranderingen in onder andere segregatie. De leden van deD66-fractie vragen zich derhalve af of de regering van plan is om de wet teblijven evalueren en de Tweede Kamer op de hoogte te blijven stellen vande uitkomsten.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de brief van het kabinet en de bijbehorende rapporten over hetstichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs. Deze ledenhebben daarbij nog enkele opmerkingen en vragen.De leden van de VVD-fractie staan pal voor de vrijheid van onderwijs eneen divers onderwijsaanbod. Zij zijn blij dat het in Nederland mogelijk isom een school op te richten die het beste past bij de eigen levensover-tuiging. Deze leden weten dat de wet MRvNS is ingevoerd om heteenvoudiger te maken nieuwe scholen te stichten en bovenal om hetonderwijsaanbod beter te laten aansluiten bij de wensen van ouders (enleerlingen). Daarbij is onder meer de systematiek van de belangstellings-meting aangepast en is het relatief eenvoudiger geworden een nieuweschool op te richten. De waarborgen van een kwaliteitstoets door deInspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) bieden daar enigedemping, zo weten deze leden, maar toch is het aantal nieuwe scholenfors toegenomen.De leden van de VVD-fractie maken zich daarbij zorgen over de onvoor-ziene neveneffecten van de wet MRvNS. Er is onder andere druk ontstaanop onderwijshuisvesting en het aantal beschikbare leerkrachten, maar dewet brengt ook risico’s op segregatie mee. Deze leden vragen deStaatssecretaris of zij die zorgen deelt. Hoe beoordeelt zij de uitvoeringvan de wet en in hoeverre worden de oorspronkelijke doelstellingen vande wet gerealiseerd, zo vragen deze leden. Leidt de wet concreet tot eenonderwijsaanbod dat beter aansluit bij de wensen van ouders? En is datvolgens de Staatssecretaris in balans met de neveneffecten, zo vragen deleden van de VVD-fractie.De leden van de VVD-fractie zijn tevreden over de ambitie in het regeerak-koord om de bestaande wetgeving te herzien teneinde de negatieveeffecten daarvan weg te nemen. Deze leden vragen de Staatssecretaris opwelke termijn zij de daarvoor benodigde wetswijziging naar de Kamer zalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8813 sturen. Voorts vragen deze leden of de Staatssecretaris al enige contourenkan schetsen over de voorgenomen herziening van de wet. Zij zijnbenieuwd of het kabinet daarbij de stichtingsprocedure in zijn totaliteitgaat wijzigen of slechts scherpere randvoorwaarden gaat stellen,bijvoorbeeld rondom de medezeggenschap van de gemeenteraad. Is, enzo ja, hoe, de Staatssecretaris voornemens om de bevindingen uit devoorliggende evaluaties mee te nemen in de herziening, vragen de ledenvan de VVD-fractie zich tot slot af.De leden van de VVD-fractie hebben ook kennisgenomen van hetonderzoek naar zogenaamde dislocaties in het primair onderwijs. Uit ditonderzoek blijkt dat er honderden niet-erkende onderwijslocaties bestaanwaar onderwijs wordt gegeven waarbij deze locaties geen formeleerkenning hebben. Deze leden snappen dat dislocaties voordelen kunnenhebben bij ruimtegebrek of bij een snelle groei van het aantal leerlingen.Tegelijkertijd constateren zij dat dislocaties soms een meer zelfstandigkarakter hebben gekregen dan oorspronkelijk was bedoeld. De leden vande VVD-fractie vragen hoe de Staatssecretaris deze ontwikkeling beoor-deelt. Acht zij het wenselijk dat dislocaties soms langdurig functionerenzonder formele status, zo willen deze leden weten.Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie in hoeverre dislocatieskunnen worden gebruikt dan wel misbruikt om de stichtingsprocedurevoor nieuwe scholen te omzeilen. Ziet de Staatssecretaris naar aanleidingvan het onderhavige rapport een reden om nader te kijken naar het(juridisch) kader rond dislocaties?Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van derapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderendonderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs. Deze leden vragenzich af wanneer de Staatssecretaris gaat starten met de herziening van dewet MRvNS, gezien in het coalitieakkoord «Aan de Slag!» is opgenomendat de wet zorgt voor «onvoorziene problemen» en daarom «zo snelmogelijk» moet worden herzien.1 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen over knelpunten die zij constateren in dewet.Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben al vaker hun zorgengeuit over de beperkte inspraak van gemeenten en het ontbreken van delokale context bij het bekostigingsbesluit, wat wordt onderbouwd doorbevindingen in de evaluatie van de wet. Hoe gaat de Staatssecretariservoor zorgen dat gemeenten, en daarmee de lokale context, voldoendeworden meegenomen bij een bekostigingsbesluit? Daarnaast maken dezeleden zich zorgen over de segregatie in het onderwijs als gevolg van destichting van nieuwe scholen. Een van de grootste problemen in onsonderwijs zijn de enorme verschillen in kwaliteit tussen scholen. Dezeleden vinden dat de Staatssecretaris zich moet inzetten om dezeverschillen juist te verkleinen. Kan de Staatssecretaris reflecteren op hoezij verschillen in onderwijskwaliteit probeert te verminderen en hoe zichdat verhoudt tot de wet MRvNS?1Kamerstuk 2026D04554.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8814 Startbekostiging nieuwe scholenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de kosten voor hetstarten van een nieuwe school veel hoger zijn dan de startbekostiging diezij daarvoor krijgen, in het bijzonder voor scholen in het primair onderwijs(po). Deze leden lezen dat po-scholen een startbekostiging van € 19.000ontvangen, terwijl de werkelijke kosten naar schatting rond de € 42.000liggen. Hoe rechtvaardigt de Staatssecretaris dit verschil tussen deverstrekte bekostiging en de reële opstartkosten? Klopt het beeld van dezeleden dat de huidige systematiek een barrière opwerpt voor minderkapitaalkrachtige initiatiefnemers, waardoor het feitelijk enkel voorvermogende initiatiefnemers of grote besturen mogelijk is om een nieuweschool te stichten? Neemt de Staatssecretaris dit gegeven mee in deaanpassing van de wet MRvNS? Hoe gaat de Staatssecretaris ervoorzorgen dat het stichten van scholen niet per se makkelijker wordt, maar inieder geval wel toegankelijk voor iedereen in plaats van alleen voorkapitaalkrachtigen?Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat een derdevan de scholen die startbekostiging ontvingen, feitelijk geen nieuweschool startten, maar dat het een verzelfstandiging van een bestaandenevenvestiging betrof. Deze scholen hebben formeel recht op startbekos-tiging, maar maken in de praktijk nauwelijks extra kosten. Deze ledenvinden dit een allesbehalve doelmatige besteding van publiek onder-wijsgeld en vragen de Staatssecretaris hierop de wet aan te passen. Dezeleden willen graag weten hoeveel financiële middelen er naar scholen zijngegaan die dit eigenlijk niet nodig hadden.Dislocaties gelokaliseerdDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met zorg kennisge-nomen van het onderzoek naar zogenoemde dislocaties. Hoe reflecteertde Staatssecretaris op de «aanzienlijke knelpunten» van het systeem vandislocaties, zoals het ondermijnen van de stichtings- en opheffingssyste-matiek op landelijk niveau, het niet ontvangen van een vaste voet, het nietgoed terechtkomen van achterstandsmiddelen en subsidies, de beperkteinformatievoorziening vanuit DUO en het Nationaal KennisinstituutOnderwijs (NKO) en de inefficiënte verdeling van leerlingen en onderwijs-personeel? Hoe en op welke termijn gaat de Staatssecretaris dezeknelpunten aanpakken?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien wel dat dislocaties eenoplossing kunnen zijn voor het bieden van onderwijs aan nieuwkomers,waarbij het leerlingenaantal vaak fluctueert. Anderzijds hebben deze ledenook signalen ontvangen dat locaties die nieuwkomersonderwijs gevengraag een eigen BRIN-nummer zouden willen ontvangen. Op dit momentvallen scholen die nieuwkomersonderwijs geven vaak onder hetBRIN-nummer van een reguliere school met een hele andere populatie,wat er ook voor kan zorgen dat zij bepaalde financiële middelen (zoalsachterstandsgelden) mislopen. Kan de Staatssecretaris reflecteren op dezesuggestie van het verstrekken van een BRIN-nummer aan scholen dievoorzien in nieuwkomersonderwijs?Inbreng van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de rapportenover het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en overdislocaties in het basisonderwijs. Deze leden hebben hierover enkelevragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8815 Allereerst vragen de leden van de PVV-fractie aan de Staatssecretariswelke conclusies zij uit deze rapporten haalt en in hoeverre zijvoornemens is de daarin opgenomen bevindingen en aanbevelingen tebetrekken bij eventuele aanpassingen van het huidige beleid.Rapport Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen (Oberon)De leden van de PVV-fractie lezen dat het aantal nieuw gestichte basis-scholen sinds de invoering van de wet MRvNS aanzienlijk is toegenomen.Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel nieuwe scholen er jaarlijks zijngestart vóór en na invoering van deze wet? Deze leden lezen dat sommigeschoolbesturen in de omgeving waar nieuwe scholen vestigen zich zorgenmaken over het voortbestaan van hun scholen. Deelt de Staatssecretarisdeze zorg?De leden van de PVV-fractie constateren dat binnen de nieuw gestichtebasisscholen het aandeel islamitische scholen relatief groot is. Deze ledenvragen de Staatssecretaris om een totaaloverzicht van het aantalislamitische scholen in Nederland, uitgesplitst per jaar. Daarnaastverzoeken deze leden aan te geven hoeveel aanvragen voor islamitischescholen momenteel nog in behandeling zijn. Tevens vragen zij om inzichtte geven in het aantal leerlingen dat onderwijs volgt op islamitischescholen.Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie de Staatssecretaris teonderzoeken in hoeverre islamitische scholen bijdragen aan segregatie inhet onderwijs. Ook willen deze leden weten of de Staatssecretaris de zorgdeelt dat het oprichten van religieuze scholen, en met name islamitischescholen, kan leiden tot verdere scheiding van kinderen op basis vanafkomst en religie, en hoe dit zich verhoudt tot het streven naar integratieen gedeelde Nederlandse waarden. Bovendien vragen zij of strengereeisen nodig zijn voor de oprichting van islamitische scholen.Verder vragen de leden van de PVV-fractie de Staatssecretaris toe telichten hoe wordt gecontroleerd dat op deze scholen onderwijs wordtgegeven dat in lijn is met de Nederlandse rechtsstaat en democratischewaarden en hoe de uitvoering van burgerschapsonderwijs wordtgewaarborgd.Rapport Startbekostiging Nieuwe Scholen (SEO)De leden van de PVV-fractie concluderen dat uit de evaluatie blijkt datgemeenten vaak slechts ongeveer veertien maanden hebben om dehuisvesting voor nieuwe scholen te regelen. Deze leden vragen deStaatssecretaris hoe realistisch deze termijn in de praktijk is. Daarnaastvragen zij of het klopt dat bij een groot deel van de nieuwe scholen dehuisvesting bij de start afwijkt van de afspraken met de gemeente. Zo ja,wat betekent dit volgens de Staatssecretaris voor de uitvoerbaarheid vanhet gemeentelijk huisvestingsbeleid voor scholen?Rapport Dislocaties Gelokaliseerd (Oberon)De leden van de PVV-fractie lezen dat er honderden dislocaties bestaanwaar onderwijs wordt gegeven zonder dat deze locaties wettelijk zijnvastgelegd. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe het komt dat hetministerie jarenlang geen volledig overzicht heeft gehad van deze locaties.Ook vragen zij de Staatssecretaris om aan te geven hoeveel van dezedislocaties feitelijk functioneren als zelfstandige school.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8816 De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris om te bevestigendat dislocaties soms worden gebruikt om de stichtingsprocedure voornieuwe scholen te omzeilen. Zo ja, deelt de Staatssecretaris de meningdat hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat tussen nieuwe en bestaandeschoolbesturen en is de Staatssecretaris bereid om de regelgeving ronddislocaties aan te scherpen zodat duidelijk is waar onderwijs wordtgegeven en onder welke voorwaarden?Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheidenkele aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over deevaluatierapporten naar aanleiding van de wet MRvNS.De wet MRvNS is in 2020 ingegaan voor het voortgezet onderwijs en in2021 voor het basisonderwijs. De belangrijkste aanpassingen zijn demanier waarop gekeken wordt of er voldoende belangstelling is voor eennieuwe school en het feit dat vooraf wordt bezien of de nieuwe schoolvoldoende kwaliteit kan bieden. Een wijziging in de wet was medegewenst omdat de pluriformiteit van het scholenaanbod onder drukstond. Vindt het kabinet dat je nu kunt concluderen dat er een meerpluriform aanbod van scholen is? Waarom wel of waarom niet?Het doel van de wet is om de randvoorwaarden te creëren voor eentoekomstbestendig, kwalitatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod dataansluit bij de wensen van ouders en leerlingen. Kan het kabinetaangeven of zij vindt dat de doelstelling gehaald is?Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen. Eindrapportage 2026De leden van de CDA-fractie begrijpen – onder andere uit de eindrap-portage 2026 – dat gemeenten vinden dat hun zienswijze en lokale contextniet voldoende wordt meegenomen in bekostigingsbesluit. Kan hetkabinet toelichten of er hierbij sprake is van een verschil tussen grotere enkleinere gemeenten? Zijn er verschillen tussen gemeenten in de randstaden in de regio? Wordt hier met «de lokale context» vooral het tijdigorganiseren van huisvesting bedoeld of speelt er meer? Zo ja, kan deregering dit toelichten? Wat zijn de belangrijkste knelpunten voorgemeenten bij de uitvoering van het integraal huisvestingsplan als gevolgvan deze nieuwe procedure om een school te stichten?De leden van de CDA-fractie lezen dat ruim een op de tien initiatiefnemersvoor nieuwe scholen een afwijzing op basis van een negatief advies vande inspectie naar aanleiding van de kwaliteitstoets ontvangt. De meesteafwijzingen op grond van onderwijskwaliteit komen door tekortkomingenin de uitwerking van het burgerschapsonderwijs. Kan het kabinettoelichten waarom dit juist op dit specifieke punt het geval is?Verzelfstandigingen en splitsingen ervaren het aanvraagproces doorgaansnegatiever dan initiatiefnemers voor nieuwe scholen. Het aanleveren vande benodigde documenten wordt als onnodige administratieve lastervaren omdat de scholen vanuit een bestaande situatie werken. Wat iseen veelvoorkomende reden dat scholen willen verzelfstandigen ofafsplitsen? Kan het kabinet wat meer achtergrond schetsen.De kwaliteitsonderzoeken in het eerste schooljaar laten een overwegendpositief beeld zien, waarbij zes van de zeven nieuwe vo-scholen in 2023 en2024 een voldoende kregen en het merendeel van de basisscholen haaldeook een voldoende. Is bekend hoe gemeenten en basis-en vo-scholenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8817 elkaar na het startjaar waarderen? Of blijven huisvestingsproblemendoorlopend een probleem tussen schoolbesturen en de gemeente?In de memorie van toelichting bij deze wet wordt benadrukt dat het onderde oude procedure vrijwel onmogelijk was om een nieuwe school op terichten. Met de invoering van de nieuwe wet zijn er aanzienlijk meernieuwe basisscholen gesticht dan voorheen. Kan het kabinet schetsen ofer achterliggende motieven zijn om een eigen basisschool op te richtennaast een religieuze of levensbeschouwelijke motivatie? En, zo vragendeze leden zich af, of de oprichting van nieuwe basisscholen eenlandelijke trend is of dat dit zich slechts in bepaalde delen van Nederlandvoordoet.Sommige schoolbesturen in de omgeving van nieuwe scholen maken zichzorgen over de continuïteit. Is er een risico dat bestaande scholen moetensluiten door veranderende leerlingenstromen als gevolg van de komst vannieuwe scholen? Of is dit niet bekend? Is er sprake van een toename vande concurrentie tussen scholen door de wet MRvNS?De positie van het openbaar basisonderwijs lijkt sinds de wet MRvNS nietdirect verzwakt, maar een oordeel is prematuur zolang bijvoorbeeldonduidelijk is of er ook bestaande (openbare) scholen gaan sluiten alsgevolg van de nieuwe stichtingen. Wanneer komt hier meer duidelijkheidover en zijn er signalen bekend?Een stijging van onderwijssegregatie in het basisonderwijs die samen-hangt met de komst van nieuwe scholen is zeer beperkt en op een lokaalschaalniveau zichtbaar. Kan het kabinet uitleggen van wordt bedoeld met«beperkt zichtbaar»? Wat levert dit in praktijk voor problemen op? Kan hetkabinet dit toelichten?In het voorgezet onderwijs zien we dat de segregatie toeneemt naopening van de nieuwe scholen onder de wet MRvNS. De dissimilariteitnaar inkomen stijgt en de kans op interactie neemt af voor inkomen envoor herkomst. De leden van de CDA-fractie lezen dat dit slechts om tweenieuwe scholen gaat in het voortgezet onderwijs in twee middelgroottesteden. Welke andere ontwikkelingen in deze steden kunnen dezeresultaten hebben beïnvloed? Zijn er bij de betreffende gemeenten«afgeleide» problemen bekend?Startbekostiging Nieuwe Scholen. Eindrapport SEOKan het kabinet toelichten waarom de startbekostiging twee maandenvoor de opening wordt uitgekeerd? Wat is de achterliggende redenatiehiervoor te kiezen? Uit het onderzoek bleek dat een aanzienlijk deel van descholen die startbekostiging ontvingen, feitelijk geen volledig nieuweschool startte maar dat het een verzelfstandiging van een bestaandenevenvestiging/dislocatie betrof. Het ging het om ongeveer een derde vande scholen. Waarom is ervoor gekozen nieuw te starten scholen enverzelfstandigingen qua startsubsidie gelijk te trekken?Dislocaties gelokaliseerd. Onderzoek naar de spreiding, kenmerken enredenen van dislocaties in het primair onderwijsIn totaal heeft bovenstaand onderzoek 711 dislocaties in beeld gebracht.De leden van de CDA-fractie vragen zich af of dit bepaalde regio’s (delen)in Nederland betreft waar dit vaker voorkomt dan in andere regio’s? En isbekend hoeveel dislocaties er vijf jaar geleden waren? Kortom is hetaantal dislocaties in Nederland gestegen of gedaald?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8818 Inbreng van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de drie rapporten over de effecten van de wet MRvNS en hebben nogenkele vragen en opmerkingen.De evaluatie wet MRvNS van o.a. het Oberon instituut stelt dat van deingediende aanvragen ongeveer de helft doorzet naar fase twee en deandere helft niet, omdat onvoldoende belangstelling kan wordenaangetoond. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dat? Hoe beoordeelt deStaatssecretaris de resultaten vanuit het perspectief van de doelstellingenvan de wet dat alleen levensvatbare scholen van start zouden kunnengaan?Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de huidige regels omtrent hetvaststellen van een voedingsgebied? Is zij het met de leden van deJA21-fractie eens dat sommige scholen een relatief groot voedingsgebiedzouden moeten mogen aanhouden, als de doelgroep daar om vraagt?In het eerste cohort van 2021 werden de aanvragen van een aantalinitiatieven afgewezen na een negatief advies van de inspectie op dekwaliteit van het burgerschapsonderwijs. Op welke manier en volgenswelke criteria werd vastgesteld dat die kwaliteit van het burgerschapson-derwijs tekortschoot? Hoe verklaart de Staatssecretaris dat specifiek ditaspect daarbij als negatief naar voren kwam? Betekent dit dat de anderekwaliteitscriteria waarop werd getoetst wel voldoende werden geacht?Het rapport stelt dat van de 53 basisscholen die na de inwerkingtredingvan de wet per 1 februari 2021 daadwerkelijk van start zijn gegaan inaugustus 2023 er 22 van islamitische signatuur zijn. Hoe beoordeelt deStaatssecretaris dit in het licht van de zorgen die ook worden geuit overeen toename van segregatie? Dit mede gezien het feit dat bij islamitischescholen daar vaak sprake van is, ook omdat de meeste islamitischeleerlingen ook een migratieachtergrond hebben.Het rapport stelt dat voor basisonderwijs in gemeenten met nieuwescholen onder de wet MRvNS geen duidelijke trendbreuken in segregatienaar herkomst of inkomen is vast te stellen. Is daarbij ook gekeken naarsegregatie, niet alleen op opleidingsniveau of inkomen, maar op basis vanmigratieachtergrond? Denkt de Staatssecretaris dat segregatie op etnischegronden en/of gronden waarbij zowel sprake is van een andere religie alsmigratieachtergrond, een hoger risico van onwenselijke segregatie metzich meebrengt? Graag een toelichting.Ruim de helft van de initiatiefnemers voor nieuwe scholen geeft aan hetinitiatief te zijn gestart om een nieuw pedagogisch of didactisch conceptaan te bieden, volgens het rapport, waarbij juist veel initiatieven werdengestart specifiek om gebruik te maken van een traditioneel onderwijs-model waarbij de leraar klassieke instructie geeft en gebruik wordtgemaakt van fysieke boeken. Waarom denkt de Staatssecretaris dat diebehoefte aan dit traditionele onderwijs bestaat, en hoe beoordeelt zij die?In hoeverre wordt aan de initiatiefnemers gevraagd waarom zij debestaande scholen te kort vinden schieten?In de evaluatie van de wet MRvNS wordt gesteld dat het nog te vroeg omvragen over de onderwijskwaliteit van de nieuwe scholen goed te kunnenbeantwoorden. Deelt de Staatssecretaris die conclusie? Wat wijzen eersteonderzoeken uit? Wanneer kan daar wel meer over worden gezegd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8819 Heeft de oprichting van nieuwe scholen bijgedragen aan meer ouderbe-trokkenheid? Hoe weegt de Staatssecretaris de voordelen van het biedenvan vrijheid aan ouders om een school naar hun eigen inzichten enovertuigingen te kunnen starten tegen de mogelijke nadelen van extraopdracht voor huisvesting?Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de effecten op het lerarentekort? Denktde Staatssecretaris dat nieuwe scholen ook nieuwe leerkrachtenaantrekken die anders een andere baan zouden hebben, of geen? Zijn daaronderbouwingen of analyses van?In de evaluatie van de wet MRvNS wordt geconcludeerd dat gemeentenvaak aangeven dat zij buitenspel staan bij een bekostigingsbesluit.Vervolgens worden zij bijvoorbeeld geconfronteerd met nieuwe scholenop plekken waar al veel scholen zijn. Wat gaat de Staatssecretaris doenom gemeenten beter te betrekken en/of ondersteunen bij het stichtings-proces?De auteurs van evaluatie kregen signalen van gemeenten die niet altijd opde hoogte zijn van nieuwe initiatieven voor scholen. Hoe gaat deStaatssecretaris dit in de toekomst voorkomen?De startbekostiging voor nieuwe scholen van € 19.000 blijkt volgens hetonderzoek Startbekostiging Nieuwe Scholen van SEO niet toereikend. Deinitiële kosten bedragen voor nieuwe basisscholen gemiddeld ruim€ 42.000. Bovendien blijken scholen het bedrag kort voor de opening tekrijgen, terwijl zij de kosten maanden eerder maken. Is de Staatssecretarisvan plan het bedrag te verhogen en rekening te houden met het momentvan uitkeren?In het onderzoek Dislocaties gelokaliseerd wordt gewezen op hetfenomeen van dislocaties (nevenvestigingen). Hoe meent de Staatssecre-taris dat deze dislocaties nu worden ingezet? Is zij tevreden over hoe ditwerkt?Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de rapportenover het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en overdislocaties in het basisonderwijs. Deze leden hebben de volgende vragenaan de Staatssecretaris.De leden van de BBB-fractie constateren dat uit de onderzoeken blijkt datthuisnabij onderwijs onder druk staat, terwijl dislocaties, verzelfstandi-gingen en nieuwe schoolinitiatieven vaak juist ontstaan om lokaalonderwijs bereikbaar te houden. Deze leden wijzen hierbij op de casusDriessenschool in Grootschermer, waar dankzij de inzet van ouders endorpsgemeenschap sluiting kon worden voorkomen. Dit toont het belangaan van onderwijsvoorzieningen voor de leefbaarheid van kleine kernen.De leden van de BBB-fractie hebben een aantal fracties. Waarom wordt inde beleidsreactie nog onvoldoende expliciet erkend dat het verdwijnenvan scholen in kleine dorpen (zoals Grootschermer) direct bijdraagt aandemografische krimp, vertrek van gezinnen en afname van leefbaarheid?Is de Staatssecretaris bereid om bij alle toekomstige beslissingen overstichtingen, fusies en opheffingen een verplicht criterium «regionaleleefbaarheid & dorpsfunctie» toe te voegen? Hoe gaat de Staatssecretariswaarborgen dat gemeenten en schoolbesturen niet uitsluitend sturen opdoelmatigheid, maar ook op «nabijheid» als maatschappelijk belang?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88110 Daarnaast blijkt volgens de leden van de BBB-fractie uit het SEO-rapportdat de huidige startbekostiging (vooral in het primair onderwijs) struc-tureel ontoereikend is: waar scholen gemiddeld ruim € 42.000 aan kostenmaken, bedraagt de bekostiging slechts ca. € 19.000. Daarnaast wordt debekostiging pas twee maanden voor opening uitgekeerd, terwijlcirca 45 procent van de totale kosten veel eerder ontstaat. Waarom is destartbekostiging nooit geïndexeerd naar de werkelijke kosten, terwijl deonderzoeken laten zien dat nieuwe scholen, en zeker nieuwe besturen,deze middelen niet rond kunnen krijgen zonder leningen, privégeld ofvrijwilligerswerk? Is de Staatssecretaris bereid de startbekostiging teverhogen én eerder in het proces uit te keren, zodat scholen hunpersoneel tijdig kunnen werven? Erkent de Staatssecretaris dat ontoerei-kende startbekostiging vooral nadelig uitpakt voor kleine kernen waarnieuwe initiatieven meestal niet vanuit een groot bestuur starten?Ook toont volgens de leden van de BBB-fractie het rapport Dislocatiesgelokaliseerd dat er 711 dislocaties bestaan, waarvan een substantieeldeel als zelfstandig functionerende school opereert, zonder wettelijkeerkenning en zonder vaste voet in bekostiging. Tegelijk zijn dislocatiesjuist van groot belang om kleine kernen onderwijs te bieden, óók wanneerzij onder de opheffingsnorm dreigen te komen. Hoe beoordeelt deStaatssecretaris het risico dat dislocaties, hoewel nuttig voor kleinedorpen, het gelijke speelveld voor nieuwe initiatieven ondermijnen? Is deStaatssecretaris bereid dislocaties die feitelijk als zelfstandige schoolfunctioneren alsnog een wettelijke status te geven, inclusief vaste voet ensubsidierechten? Kan worden onderzocht hoe dislocaties gerichter kunnenworden ingezet voor het behoud van onderwijs in kleine kernen?Verder zien de leden van de BBB-fractie dat de evaluatie laat zien dat denieuwe stichtingsprocedure leidt tot meer nieuwe scholen per jaar en datde kwaliteitstoets werkt. Tegelijk ontstaan risico’s van versnippering,hogere druk op huisvesting en mogelijke toename van segregatie inspecifieke stedelijke gebieden. Voor dorpen en kleine kernen biedt de wetkansen, mits de procedures niet te bureaucratisch worden. Waarom wordtin de evaluatie weinig aandacht besteed aan het belang van regionalespreiding terwijl juist plattelandsgemeenten vaak de meeste moeitehebben met het behouden van een basisvoorziening als een basisschool?Kan de Staatssecretaris toelichten hoe zij gaat voorkomen dat nieuweinitiatieven in stedelijke gebieden de woningbouwdruk activeren zonderdat dit aansluit bij bredere regionale opgaven? Is het mogelijk de wetMRvNS aan te vullen met een regionale behoefteanalyse, zodat dorpenwaar een school dreigt te verdwijnen automatisch in aanmerking komenvoor versoepeling of versnelling van de procedure?Daarnaast benadrukken de leden van de BBB-fractie dat het streven naardoelmatigheid niet mag leiden tot het verdwijnen van kleine scholen,omdat die essentieel zijn voor gemeenschapszin, sociale cohesie enleefbaarheid. De casus Grootschermer toont dat een dorpsschoolbestaansrecht heeft, zelfs bij beperkte leerlingenaantallen, wanneergemeenschap en bestuur samenwerken. Kan de Staatssecretarisbevestigen dat de Rijksoverheid voortaan expliciet meeneemt wat sluitingbetekent voor de gemeenschap, in plaats van louter te kijken naaropheffingsnormen? Is de Staatssecretaris bereid om, samen metgemeenten, een handreiking op te stellen voor lokale initiatieven die eenschool willen behouden of verzelfstandigen? Waarom wordt in derapportages onvoldoende benadrukt dat «bestaansrecht» van een schoolmeer is dan een rekensom, namelijk vooral een sociale en maatschappe-lijke functie in de kern?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88111 De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de onderzoeken blijkt datgemeenten vaak moeite hebben om tijdig huisvesting te regelen voornieuwe scholen. Bijna driekwart van de nieuwe scholen start in tijdelijkehuisvesting, vaak buiten het beoogde postcodegebied, wat de groeibelemmert. Welke verplichtingen kunnen gemeenten worden opgelegdom huisvesting tijdig en binnen de regio te realiseren, zodat scholen nietgedwongen elders beginnen? Hoe voorkomt de Staatssecretaris datgemeenten vooral stedelijke uitbreidingslocaties faciliteren, terwijl kleinekernen moeite hebben om huisvesting voor hun school op orde tekrijgen?Tot slot zien de leden van de BBB-fractie in alle rapporten één duidelijkelijn: kleinschalig, regionaal verankerd onderwijs staat onder druk doorfinancieringstekorten, huisvestingsproblematiek en een stelsel dat vooralis ingericht op doelmatigheid en schaalvergroting. Terwijl juist kleinescholen, zoals de Driessenschool in Grootschermer, laten zien hoebelangrijk zij zijn voor leefbaarheid, gemeenschapszin en toekomst vandorpen.II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap Het kabinet dankt de leden van de vaste commissie voor Onderwijs,Cultuur en Wetenschap voor hun inbreng en de gestelde vragen. Debeantwoording van de vragen volgt de volgorde van het verslag.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie vragen naar mogelijkheden om de huisves-tingsproblematiek voor gemeenten te verminderen. Het kabinet kent deuitdagingen waar gemeenten voor staan als het gaat om onderwijshuis-vesting. Niet in elke gemeente is er zomaar een leeg onderwijsgebouwbeschikbaar en om die reden maken veel gemeenten de begrijpelijkekeuze om nieuwe scholen laten starten in medegebruik bij een andereschool. Gemeenten en schoolbesturen vragen regelmatig een jaar uitstelaan voor de start van de school, vaak omdat er nog geen passendehuisvesting gevonden is. In overleg met de gemeenten bevat hetwetsvoorstel Praktische verbetering stichtingsprocedure scholen (hierna:wetsvoorstel PVS) de mogelijkheid voor een extra (tweede) jaar uitstelvoor de start van de school. Ook bevat dit wetsvoorstel het voorstel om destichtingsprocedure vier maanden eerder te laten starten. De stichtings-procedure sluit dan beter aan op de gemeentelijke plannings- enbegrotingscyclus en geeft gemeenten vier maanden extra tijd om inhuisvesting te voorzien. Uw Kamer is in de afgelopen jaren tweejaarlijksgeïnformeerd over het wetsvoorstel PVS. Het kabinet bekijkt de komendemaanden of het wetsvoorstel nog moet worden uitgebreid naaraanleiding van de evaluatie. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomenhebben gemeenten maximaal drie jaar en zes maanden te tijd om eenschool te huisvesten (ten opzichte van de huidige twee jaar en tweemaanden).Vervolgens vragen de leden van deze fractie of de Staatssecretarismogelijkheden ziet om de gemeente meer regie te geven bij aanvragenvoor nieuwe scholen, waarmee gemeenten het aantal aanvragen kunnenlimiteren of keuzes kunnen maken tussen aanvragen.Een regierol voor gemeenten is niet verenigbaar met de in artikel 23Grondwet verankerde vrijheid van stichting. Deze grondwettelijke vrijheidkan alleen door de rijksoverheid, bij wet, worden begrensd met uniformebekostigingscriteria. Een voorbeeld van een objectief en uniform criteriumTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88112 is voldoende belangstelling om zo aannemelijk te maken dat de nieuweschool de stichtingsnorm kan halen. De vraag of een overheid de nieuweschool wenselijk vindt, is geen uniform criterium. Het geven van eenregierol aan gemeenten, inhoudende dat gemeentelijke besluitvormingmede bepaalt of een school bekostiging krijgt en gesticht kan worden, isdus niet mogelijk en vraagt om een wijziging van de Grondwet. Teraanvulling: ook vóór de inwerkingtreding van de wet Meer ruimte voornieuwe scholen (hierna: MRvNS) hadden gemeenten geen ruimte om eeninhoudelijke afweging te maken over de komst van een school. Boven-staande neemt echter niet weg dat het kabinet, als gezegd, met hetwetsvoorstel PVS beoogt meer flexibiliteit en tijd te creëren voorgemeenten ten aanzien van onderwijshuisvesting.De D66-fractie vraagt het kabinet vervolgens hoe zij de bevindingen vande onderzoekers over segregatie van nieuwe scholen beoordeelt en of zijaanvullende maatregelen wil nemen om segregatie te voorkomen. Deeerste nieuwe scholen, die zijn gestart onder de stichtingsprocedureMRvNS, waren pas een ruim jaar open ten tijde van analyses opsegregatie-effecten. Om deze reden stellen de onderzoekers dat hunbevindingen slechts eerste indicaties zijn en dat de effecten in hetbasisonderwijs over het geheel genomen beperkt zijn.2 In het vo zijn degevonden segregatie-effecten gebaseerd op slechts twee nieuwe scholen,en de onderzoekers stellen daarom dat de resultaten met voorzichtigheidmoeten worden geïnterpreteerd. Het is van belang dat we de segregatiedoor nieuwe scholen blijven volgen. Dat gebeurt ook tijdens de tweedeevaluatieperiode van de stichtingsprocedure (2026 tot en met 2030).Tegelijkertijd leidt de vrijheid die ouders in Nederland hebben, om eenschool te kiezen (en te stichten) die aansluit bij hun levensovertuiging, toteen zekere mate van onderwijssegregatie. De andere grote oorzaak vanonderwijssegregatie is woonsegregatie. Het substantieel verminderen vanonderwijssegregatie is mogelijk door het inperken of afschaffen van dekeuzevrijheid van ouders en leerlingen, wat om een wijziging vanartikel 23 van de Grondwet vraagt. Segregatie kan worden verminderddoor brede scholengemeenschappen in het vo of centraal aanmeldbeleidin gemeenten met populaire scholen. Ook kennen we voorbeelden vaninitiatieven van ouders uit een nieuwbouwwijk die gezamenlijk besluitennaar de buurtschool te gaan in plaats van die voorbij te fietsen. Eenlaatste voorbeeld zijn vo-scholen die vakken, zoals lichamelijke opvoedingof beeldende vorming, aanbieden aan gemengde groepen met leerlingenvan verschillende niveaus. Niettemin geldt dat een school met eenleerlingenpopulatie die bestaat uit een zeer homogene groep, bijvoor-beeld door de richting van de school, een bijzondere verantwoordelijkheidheeft om leerlingen om de school toch in aanraking te laten komen metmensen van buiten deze groep. Dat volgt uit de wettelijke burgerschaps-opdracht. De school bepaalt zelf hoe zij dit doet.Tot slot vragen de leden van de D66-fractie naar het vervolg van deevaluatie van de stichtingsprocedure. Zoals gezegd, waren de eerstenieuwe scholen (gestart onder de MRvNS-procedure) ten tijde van hetopleveren van de evaluatie pas één jaar open. Het kabinet zal de wet ookde komende tien jaar evalueren, en de Tweede Kamer op de hoogteblijven stellen van de uitkomsten. De tweede evaluatie beslaat opnieuween periode van vijf jaar (2026–2030), waarna een derde evaluatie zal2De evaluatie laat zien dat de dissimilariteit naar opleiding op gemeentelijk niveau licht stijgt tenopzichte van de trend die samenhangt met de stichting van nieuwe scholen. De onderzoekersstellen dat deze stijging in segregatie onder de wet MRvNS niet direct is toe te schrijven aan destart van nieuwe scholen, omdat trendlijnen schommelen onder invloed van allerlei (demogra-fische) ontwikkelen. Voor herkomst en inkomen zien de onderzoekers geen trendbreuk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88113 starten. De uitkomsten zullen zorgvuldig worden betrokken bij de verdereontwikkelingen van het beleid rondom nieuwe scholen.Inbreng van de leden van de VVD-fractieAllereerst willen de leden van de VVD-fractie weten hoe de Staatssecre-taris kijkt naar de gevolgen van nieuwe scholen op onderwijshuisvesting,op het lerarentekort en op segregatie. In de beantwoording van de vragenvan de D66-fractie is het kabinet ingegaan op de zorgen omtrent onder-wijshuisvesting en de segregatie. Ten aanzien van het lerarentekortherkent het kabinet de grote uitdagingen rondom het aantrekken enbehouden van voldoende en gekwalificeerd onderwijspersoneel. Dekomst van een nieuwe school kan zorgen voor toenemende druk op dezetekorten. De prognoses van deze tekorten laten, ondanks een lichteafname in 2025, vanaf 2029 (weer) een flinke stijging zien. Overigens blijktuit de eerste evaluatie van de wet MRvNS dat nieuwe scholen een mixaantrekken van ervaren en nieuwe leraren. Een deel van de leraren diegaat werken op nieuw gestichte scholen is dus niet afkomstig vanbestaande scholen uit de omgeving. In de tweede evaluatieperiode zullende personeelsstromen nauwgezet gemonitord blijven worden, maarondertussen wil het kabinet het stelsel van opheffen en instandhouden inhet basisonderwijs herzien. In het huidige stelsel wordt een groot aantal tekleine scholen in stand gehouden. «Te klein» wil zeggen dat deze schoolzich onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Het is dus eenrelatief begrip: in Den Haag is een school te klein als het minder dan200 leerlingen heeft, en in de gemeente Opsterland moet een schoolminimaal 38 leerlingen hebben. Deze te kleine scholen hebben elk eeneigen gebouw en personeel nodig en daarmee leggen ze extra druk op deoplopende personeels- en huisvestingstekorten. Tegelijkertijd staan er insommige regio’s te kleine scholen die cruciaal zijn voor de bereikbaarheidvan het onderwijs en de leefbaarheid van een gebied. Daarom werkt hetkabinet aan een herziening van de regels omtrent de instandhouding vanbasisscholen, om het scholenaanbod toekomstbestendig te maken. Om dedruk op de kwaliteit van onderwijs te kunnen verminderen, ook in tijdenvan forse leraren- en onderwijshuisvestingstekorten, wil het kabinet hetaantal kleine scholen terugbrengen zonder de (te kleine) scholen teverliezen die essentieel zijn voor bereikbaar en toegankelijk onderwijs. Ditwil het kabinet onder andere doen door het vervangen van de uitzonde-ringsgrond gemiddelde schoolgrootte, die momenteel veel kleine scholenin stand houdt die niet nodig zijn voor bereikbaar onderwijs en dieonnodig drukken op het lerarentekort. Hiervoor in de plaats wil het kabineteen afstandscriterium invoeren op basis waarvan kleine scholen indunbevolkte gebieden in stand kunnen worden gehouden.De leden van de VVD-fractie vragen vervolgens hoe de Staatssecretariskijkt naar de balans tussen de doelstellingen van de wet en de nevenef-fecten in de praktijk.Het kabinet beziet deze balans in het licht van de huidige evaluatieperiode.Doelstelling van de wet is onder meer bij te dragen aan een toekomstbe-stendig, kwalitatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod dat aansluit bijde wensen van ouders en leerlingen. Dat laatste gebeurt in de huidigeprocedure: waar voorheen werd uitgegaan van indirecte en veronder-stelde belangstelling voor een nieuwe school, is nu sprake van een directemeting van de belangstelling onder de ouders in het voedingsgebied. Ookde eerste resultaten van de kwaliteit van de nieuwe scholen laten eenpositief beeld zien. Het kabinet volgt de effecten van de stichtingspro-cedure nog minstens tien jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88114 Hierna vragen de leden van de VVD-fractie naar de inhoud en het procesvan de beoogde wetswijziging.Het kabinet kent de zorgen van verschillende fracties over de stichtings-procedure. Het kabinet acht het niet wenselijk om de gehele stichtingspro-cedure te herzien, maar kijkt wel naar mogelijkheden tot verbetering vanhet gehele stelsel van scholenplanning (het stichten, fuseren, verplaatsenen opheffen van scholen).Verbeteringen aan de stichtingsprocedure (de voorkant van het stelsel)zijn onder te verdelen in twee lijnen:1.In de eerste plaats bereid het kabinet het wetsvoorstel Praktischeverbetering stichtingsprocedure (wetsvoorstel PVS) voor. Ditwetsvoorstel bevat praktische en (uitvoerings-) technische wijzigin-gen gericht op het verbeteren van de uitvoerbaarheid van deprocedure (wetsvoorstel PVS). Hiermee krijgen gemeenten bijvoor-beeld meer tijd om een nieuwe school te huisvesten. En andervoorbeeld is het schrappen van onnodige dubbelingen in deaanlevering van documentatie aan de inspectie.2.Ten tweede wil het kabinet het gesprek tussen nieuwe initiatiefne-mers (nieuwe of bestaande schoolbesturen) en de lokale onderwijs-partijen tegen het licht houden. Het gaat dan om zowel de positione-ring van dit gesprek in de stichtingsprocedure als de inhoudelijkeinvulling ervan. Hiervoor is geen wetswijziging nodig. Elk bevoegdgezag dat nu een school wil stichten, is verplicht om de andereschoolbesturen in de regio, de gemeente en het samenwerkingsver-band passend onderwijs uit te nodigen voor een gesprek. Dit gesprekis gericht op het faciliteren van vroegtijdige afstemming en hetbevorderen van de samenwerking, en kan er bijvoorbeeld toe leidendat het stichten van een nieuwe school niet nodig blijkt. In de praktijken uit de evaluatie blijkt echter dat initiatiefnemers, gemeenten enschoolbesturen wisselende ervaringen hebben met dit gesprek en datde samenwerking niet altijd wordt gevonden.Het kabinet verwacht nog meer winst te halen uit de hierboven genoemdeherziening van het stelsel van opheffen en instandhouden (de achterkantvan het stelsel).De leden van de VVD-fractie constateren dat dislocaties soms een meerzelfstandig karakter hebben dan oorspronkelijk bedoeld, en vragen hoe deStaatssecretaris deze ontwikkeling beoordeelt. Ze vragen daarnaast inhoeverre dislocaties kunnen worden gebruikt om de stichtingsprocedurete omzeilen en of de Staatssecretaris reden ziet om nader te kijken naarhet (juridische) kader rond dislocaties.De constatering van de leden van de VVD-fractie klopt. Oorspronkelijkwaren dislocaties bedoeld als tijdelijke oplossing om ruimtegebrek op eenhoofdlocatie op te vangen. Inmiddels worden dislocaties voor meerdoeleinden ingezet, en functioneren ze regelmatig als schijnbaarzelfstandige school. Dat vindt het kabinet niet wenselijk, omdat dislocatiesniet-erkende onderwijslocaties zijn die niet systematisch wordengeregistreerd door DUO. Ook hebben dislocaties geen wettelijkegrondslag en kunnen ze dus niet zelfstandig aan de wet- en regelgevingworden gehouden zoals erkende onderwijslocaties. Het kabinet vindt hetook niet wenselijk dat dislocaties soms worden gestart om de stichtings-procedure niet te hoeven doorlopen, zoals blijkt uit het onderzoek vanOberon3.3Oberon, Dislocaties gelokaliseerd, 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88115 Ik verken samen met gemeenten en het onderwijsveld hoe we dislocatiesvan een wettelijke verankering en afbakening kunnen voorzien. Hiermeeworden de regels transparanter en duidelijker, ook voor onderwijsveld.Uw Kamer zal voor de zomer per brief worden geïnformeerd over hetgehele traject waarin zowel de instandhoudingsregels als de wettelijkeafbakening en registratie van onderwijsvestigingen worden uitgewerkt.Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de start van deherziening van de procedure.In de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie is het kabinetingegaan op zowel het proces als de inhoud van de herziening van de wet.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen vervolgens hoegemeenten en de lokale context voldoende kunnen worden meegenomenbij het bekostigingsbesluit.In de beantwoording van de vragen van de D66-fractie heeft het kabinetuiteengezet dat een gemeentelijke toets of afweging bij nieuwe scholenstuit op grondwettelijke bezwaren. In die beantwoording heeft het kabinetook aangegeven dat het kabinet het lokale gesprek over nieuwe schoolini-tiatieven opnieuw tegen het licht wil houden. Gemeenten worden met hetIntegraal Huisvestingsplan (IHP) straks verplicht om onderwijshuisvestingop de middellange termijn te plannen. Gemeenten doen er verstandig aanom, met de bestaande schoolbesturen, te anticiperen op de mogelijkheiddat een bestaand of nieuw bestuur een nieuwe school start. Gemeentenbepalen waar zo’n nieuwe school komt. Hiermee kan een gemeente eenbepaalde school plaatsen in een bepaalde wijk, maar ook wijken ontzienvan de komst van een nieuwe school.Vervolgens vragen de leden naar het verminderen van kwaliteitsver-schillen en de verhouding met MRvNS.Het kabinet wil de kwaliteit van alle scholen verbeteren omdat alleleerlingen goed onderwijs verdienen. Op verschillende manieren wordtervoor gezorgd dat scholen waar de onderwijskwaliteit achterblijft zichverbeteren. In het kader van het Masterplan basisvaardigheden is eenafzonderlijke subsidieregeling ingericht voor prioriteitsscholen, scholenmet het oordeel onvoldoende en scholen met het oordeel zeer zwak.Vanuit de programma’s Goed Worden, Goed Blijven en Leren Verbeterenkan deze groep scholen ondersteuning vinden om de basiskwaliteit zosnel mogelijk weer op peil te brengen. Ook het stimulerende toezicht vande inspectie is bedoeld om hieraan bij te dragen.Sinds de komst van de nieuwe stichtingsprocedure wordt scherper danonder de vorige procedure toegezien op de onderwijskwaliteit van nieuwescholen: het gaat dan zowel om de kwaliteitstoets die de Inspectie van hetOnderwijs (hierna: inspectie) uitvoert in de aanvraagfase als om dekwaliteitsonderzoeken die plaatsvinden direct in het eerste jaar na de startvan de nieuwe school. Uit de eerste data van de kwaliteitsonderzoeken opde scholen die in augustus 2023 en 2024 hun deuren openden, komt eenvoorzichtig positief beeld naar voren: de scholen die in 2023 starttenhebben allen het oordeel voldoende (vijf van de 29 scholen kregen hunvoldoende pas na een hersteltermijn). Acht van 30 scholen die in 2024startten werken momenteel aan hun herstel richting voldoende onderwijs-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88116 kwaliteit.4 Zoals aangegeven in de antwoorden aan de D66-fractie blijft hetkabinet de stichtingsprocedure de komende 10 jaar monitoren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen overde startbekostiging voor nieuwe scholen en de relatie met minderkapitaalkrachtige initiatiefnemers en verzelfstandigingen.Uit recent onderzoek is gebleken dat de startbekostiging in het basison-derwijs niet toereikend is, vooral voor basisscholen van nieuwe schoolbe-sturen. Nieuwe besturen beschikken namelijk niet over de reserves en demiddelen waar een bestaand bestuur doorgaans wel over beschikt. Hetkabinet wil dat schoolbesturen de start van een nieuwe school goed voorkunnen bereiden om vanaf de eerste dag te kunnen starten met kwalitatiefgoed onderwijs. Overigens is de startbekostiging voor nieuwe scholenniet gewijzigd met de introductie van MRvNS. Het kabinet neemt deaanbeveling om de startbekostiging in het basisonderwijs te verhogenmee in de integrale afweging van beleidswensen tijdens de voorjaarsnota.Het kabinet is verder van plan om de startbekostiging in geval vanverzelfstandiging te schrappen. Bij een verzelfstandiging wordt eenvestiging van een school (een dislocatie of nevenvestiging) omgezet ineen zelfstandige school. Uit het onderzoek blijkt dat in dergelijke gevallennauwelijks extra kosten worden gemaakt door het schoolbestuur.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretarisreflecteert op de knelpunten die kleven aan dislocaties en hoe deStaatssecretaris deze knelpunten gaat aanpakken.In de beantwoording van de VVD-vragen geeft het kabinet aan dat het metgemeenten en het onderwijsveld verkent hoe dislocaties wettelijk kunnenworden verankerd, wat zal bijdragen aan het oplossen van de genoemdeknelpunten. Voor de zomer ontvangt uw Kamer een beleidsreactie waarinnader op deze genoemde verankering wordt ingegaan.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren verder dat dislo-caties ook worden ingezet om nieuwkomersonderwijs te kunnen geven envragen de Staatssecretaris te reflecteren op de wens van deze dislocatiesom een eigen BRIN-nummer te ontvangen.We zien inderdaad dat dislocaties ook worden gebruikt om nieuwkomers-onderwijs te huisvesten. In onze verkenning naar een nieuwe afbakeningvan dislocaties heeft het kabinet ook aandacht voor de positie van hetnieuwkomersonderwijs. Op dit moment werkt het kabinet aan eenwetsvoorstel om het onderwijs aan nieuwkomers wettelijk te borgen. Indat wetsvoorstel bekijkt het kabinet of onderwijs aan nieuwkomers eenduidelijke grondslag kan krijgen. Het geven van een eigen BRIN-nummeraan voorzieningen voor nieuwkomersonderwijs is complex. Het kabinetzoekt daarbij naar een balans tussen de voordelen van zelfstandigevoorzieningen en die van het zijn van een onderdeel van een bestaandeschool. Een zelfstandige voorziening maakt het bijvoorbeeld mogelijk eenspecifieke expertise opbouwen, terwijl een voorziening binnen eenbestaande school kansen biedt voor een doorlopende leerlijn.Inbreng van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie vragen welke conclusies de Staatssecretarisuit de rapporten haalt en in hoeverre deze worden betrokken bij eventueleaanpassingen van het huidige beleid.4Zie: Kamerbrief over stand van zaken 5e ronde stichtingsaanvragen en ouderverklaringenNieuwe Scholen | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88117 Het kabinet bekijkt de drie rapporten in samenhang en neemt de bevin-dingen mee bij de verdere beleidsontwikkeling. Zoals aangegeven in debeantwoording van de vragen van de VVD-fractie, richt wetsvoorstel PVSzich zowel op praktische en uitvoeringstechnische verbeteringen en wilhet kabinet ook inzetten op meer gewicht en een betere positionering vanhet gesprek in de regio. Uit het onderzoek naar de hoogte van destartbekostiging, zoals genoemd in de beantwoording van de vragen vande GroenLinks/PvdA-fractie, blijkt dat deze in het basisonderwijs ontoe-reikend is. Het kabinet neemt de aanbeveling om de startbekostiging inhet basisonderwijs te verhogen mee in de integrale afweging vanbeleidswensen tijdens de voorjaarsnota. En tot slot: om de in hetonderzoek genoemde knelpunten bij dislocaties te mitigeren, wil hetkabinet de wetgeving rondom onderwijslocaties duidelijker en consis-tenter maken. Voor de zomer ontvangt uw Kamer een beleidsreactie opalle drie de rapporten.Vervolgens vragen de leden van de PVV-fractie naar een overzicht van hetaantal nieuwe basisscholen dat jaarlijks wordt gesticht, zowel vóór als nade invoering van de nieuwe procedure.Hieronder is een overzicht opgenomen van de aantallen goedgekeurdestichtingsaanvragen vanaf schooljaar 2017/2018 t/m 2024–2025.5 Hetschooljaar 2021/2022 is het eerste jaar na invoering van de wet MRvNS:Nieuwe po-scholen2017/201872018/2019152019/2020222020/202192021/2022322022/2023252023/2024262024/202518 In het primair onderwijs is, zoals de leden van de fractie ook signaleren,een stijging te zien van het aantal nieuw gestichte basisscholen, vangemiddeld 14 naar 26 per jaar, beide inclusief verzelfstandigingen vanbestaande vestigingen.6 Zonder deze verzelfstandigingen gaat hetmomenteel om gemiddeld 18 nieuwe basisscholen per jaar. Nogonbekend is of deze stijging in het po een verschijnsel is van tijdelijke aardals gevolg van de nieuwe procedure, of zich langer zal voortzetten. In ditlicht is de eerder genoemde monitoring van belang.De leden van de PVV-fractie bevragen de Staatssecretaris over de zorgenvan bestaande scholen over hun voortbestaan.Het kabinet kan zich dergelijke zorgen voorstellen. De komst van eennieuwe school kan ervoor zorgen dat bestaande scholen minder instroomvan leerlingen krijgen. Het kabinet wijst erop dat een nieuwe school alleenkan starten als zij, als onderdeel van de stichtingsprocedure, eenaanzienlijke belangstelling heeft aangetoond. Met andere woorden: eennieuwe school heeft alleen kans van slagen als zij daadwerkelijk ietstoevoegt aan het bestaande scholenaanbod. Dit zou uiteindelijk kunnen5Er zijn enkele gevallen van aanvragers die uiteindelijk definitief niet van start gaan.6Het bevoegd gezag kan een aanvraag indienen om een nevenvestiging, die zich op een anderelocatie bevindt dan de hoofdvestiging van die school, te verzelfstandigen. De nevenvestigingwordt als school voor bekostiging in aanmerking gebracht. Op de te verzelfstandigen onder-wijslocatie wordt weliswaar al onderwijs verzorgd, maar feitelijk betekent dit de start van eennieuwe school.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88118 leiden tot de sluiting van een school in de omgeving waaraan minderbehoefte blijkt te zijn.Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie naar een totaaloverzicht vanhet aantal islamitische basisscholen in Nederland en het aantal leerlingendat onderwijs volgt op deze scholen, uitgesplitst per jaar.In onderstaande tabel is het aantal islamitische scholen, vestigingen enleerlingen weergegeven. Het gaat hier om leerlingen en scholen in hetreguliere basis- en voortgezet onderwijs. In het speciaal (basis)onderwijszijn er geen scholen met een islamitische grondslag. In 2025 is 1,4% vande scholenaanbod en 1,5% van de schoolvestigingen islamitisch. 1,6% vande leerlingen in ons land volgt onderwijs op een islamitische school.20212022202320242025Scholen5560677483Vestigingen6166738089Leerlingen16.89817.56819.19820.79422.190 Daarna vragen de leden van de PVV-fractie hoeveel aanvragen voorislamitische scholen er in de huidige ronde stichtingsaanvragen inbehandeling zijn. In totaal zijn er in de huidige ronde 52 aanvragen diemomenteel worden beoordeeld door DUO en de inspectie. In deze fasevan het aanvraagproces kan DUO voor po-scholen niet met zekerheid dedenominatie vaststellen, voor voortgezet onderwijs registreert DUO geendenominatie. OCW stelt op basis van de beschrijvingen van de initiatievenvast dat er acht aanvragen zijn gedaan voor een nieuwe islamitischebasisschool, vier aanvragen voor een nieuwe school of scholengemeen-schap voor voortgezet onderwijs, drie aanvragen voor de uitbreiding vanhet bestaande vo-school (met een ander onderwijsniveau) en éénaanvraag voor de splitsing van een vo-school.De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de invloed vanislamitische scholen op segregatie- en integratievraagstukken en zijvragen de Staatssecretaris of er strengere eisen nodig zijn voor deoprichting van islamitische scholen.De onderzoekers hebben gekeken naar de invloed van verschillende typenscholen (zoals algemeen bijzonder, protestants-christelijk, islamitisch,enz.) op de onderwijssegregatie in een gemeente. Mede vanwege geziende lage aantallen en het feit dat de eerste scholen nog maar kort geledenhun deuren hebben geopend, zijn momenteel nauwelijks effecten te zien.Zoals in de beantwoording van de vragen van de D66-fractie al aange-geven leidt het Nederlandse onderwijssysteem tot een zekere mate vansegregatie. In Nederland hebben ouders en leerlingen namelijk vrijheid inde keuze voor een school. Heeft een school een leerlingenpopulatie diebestaat uit een zeer homogene groep, bijvoorbeeld door de richting vande school, dan heeft de school een bijzondere verantwoordelijkheid omleerlingen op de school toch in aanraking te laten komen met mensen vanbuiten deze groep. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Deschool bepaalt zelf hoe zij dit doet. Het kabinet ziet geen aanleiding omstrengere eisen te verbinden aan de stichting van islamitische scholenomdat uit artikel 23 Grondwet volgt dat voor alle scholen dezelfdeobjectieve bekostigingsvoorwaarden gelden.De leden van de PVV-fractie vragen vervolgens naar het toezicht opislamitische scholen en de uitvoering van de burgerschapsopdracht.Elk nieuw initiatief wordt vooraf door de inspectie getoetst op verschil-lende deugdelijkheidseisen, waaronder de invulling van de wettelijkeburgerschapsopdracht. Scholen moeten duidelijk maken dat het onder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88119 wijsaanbod zich herkenbaar zal richten op de bevordering van debasiswaarden van de democratische rechtsstaat en de ontwikkeling vande sociale en maatschappelijke competenties die daarbij van belang zijn.Er zijn geen aanwijzingen dat islamitische scholen dit minder goed doendan andere initiatieven. Daarnaast worden alle nieuwe scholen in heteerste jaar na de start getoetst door de inspectie met een kwaliteitson-derzoek om te bekijken of de vooraf ingediende plannen ook in de praktijkin uitvoering zijn gebracht. De inspectie ziet hier actief op toe en heeft debevoegdheid op te treden als zij constateert dat scholen niet voldoen aande wettelijke burgerschapsopdracht.De leden van de PVV-fractie vragen of de termijn waarin gemeentennieuwe scholen moeten huisvesten realistisch is of de afspraken tussengemeenten en schoolbesturen vaak afwijken van de gemaakte afspraken.Gemeenten hebben momenteel een jaar en twee maanden om een schoolte huisvesten, met de mogelijkheid tot een jaar uitstel (maximaal twee jaaren twee maanden). In de meeste gevallen blijkt het hierin mogelijk omhuisvesting te organiseren. Er zijn echter situaties waarin de gesteldetermijnen niet realistisch blijken en daarom stelt het kabinet voor (in hetwetsvoorstel PVS) om gemeenten en schoolbesturen de mogelijkheid tegeven voor een extra jaar uitstel. Het is voor het kabinet lastig om teachterhalen of gemaakte afspraken tussen gemeenten en schoolbesturenworden nagekomen.De leden van de PVV-fractie vragen hoe het komt dat het ministerie geenvolledig overzicht heeft van dislocaties en vragen de Staatssecretaris omaan te geven hoeveel van deze dislocaties feitelijk functioneren alszelfstandige school.Dislocaties zijn ooit ontstaan om tijdelijk ruimtegebrek in de hoofdves-tiging op te vangen. Het uitgangspunt was dat dislocaties zoudenfunctioneren als tijdelijk bijgebouw, waarvoor het niet nodig of praktischwerkbaar werd geacht om ze systematisch te registreren. Die registratie-praktijk is niet veranderd, waardoor de Rijksoverheid nog steeds geencentraal overzicht heeft van alle dislocaties. In de Kamerbrief van juli 2025constateerde voormalig Staatssecretaris Paul dat dislocaties ook voorandere doeleinden worden ingezet. Zicht op dislocaties is van waarde omhet juiste beleid ten aanzien van dislocaties in de toekomst te kunnenbepalen.7 Daarom heeft OCW Oberon de opdracht gegeven om hetlandschap van dislocaties nader in beeld te brengen. Op basis van hetonderzoek van Oberon is niet met zekerheid te zeggen hoeveel dislocatiesfeitelijk als zelfstandige school functioneren. De onderzoekers hebbendaar wel uitvraag naar gedaan, maar kregen vaak geen of geen eenduidigantwoord. Bovendien is «zelfstandige school» iets subjectiefs dat nietobjectief te definiëren is. In het figuur dat op pagina 22 van het onder-zoeksrapport getoond wordt, is te zien dat in ieder geval 128 van dedislocaties alle leerjaren aanbiedt.De leden van de PVV-fractie vragen tot slot of de Staatssecretaris kanbevestigen dat dislocaties soms worden gebruikt om de stichtingspro-cedure voor nieuwe scholen te omzeilen. Zij vragen ook of de Staatssecre-taris de mening deelt dat hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat tussennieuwe en bestaande schoolbesturen en of de Staatssecretaris bereid isom de regelgeving rond dislocaties aan te scherpen. Zoals aangegeven inmijn antwoord aan de VVD-fractie, worden dislocaties inderdaad somsingezet om de stichtingsprocedure te omzeilen. Het kabinet verkent hoehet dislocaties wettelijk kan verankeren, onder andere om omzeiling vande stichtingsprocedure te voorkomen.7Kamerstukken II, 2024/2025, 31 293, nr. 832.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88120 Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet kijkt naar depluriformiteit van het scholenaanbod en de doelstellingen van de wet.Initiatieven die binnen de oude stichtingsprocedure geen ruimte kregen,kunnen nu wel een stichtingsprocedure starten. Als dit initiatief aan allevoorwaarden voldoet, kan een nieuwe school ontstaan die een verrijkingis voor het bestaande aanbod. Het onderwijsaanbod is daarmee pluri-former dan voor de inwerkingtreding van de wet. Het doel van de wet ishet creëren van randvoorwaarden voor een toekomstbestendig, kwali-tatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod dat aansluit bij de wensen vanouders en leerlingen. Deze behoeften kunnen veranderen over de jaren enhet scholenaanbod moet hierin mee kunnen bewegen.Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie naar de positie vanverschillende soorten gemeenten, naar de lokale context en naarknelpunten in de uitvoering van het integraal huisvestingplan (IHP).Uit de evaluatie blijkt dat veel gemeenten vinden dat hun zienswijze en delokale context niet voldoende worden meegenomen in het bekostigings-besluit. Er is niet onderzocht of daarin verschillen bestaan tussen grote ofkleine gemeenten of tussen de randstad en de regio. Met de lokale contextbedoelen gemeenten het meenemen van hun standpunt over dewenselijkheid of noodzaak van de nieuwe school in hun gemeente.Gemeenten vragen zich bijvoorbeeld af of de school iets toevoegt aan hunbestaande aanbod, of de school leidt tot segregatie, of ze wel ruimtehebben voor de nieuwe school en of ze mogen wachten tot een anderschoolbestuur een bekostigingsaanvraag doet. Van gemeenten wordtverwacht dat zij vooruit kijken om hun huisvestingsbeleid te plannen, methet Integraal Huisvestingsplan (IHP) als instrument. Met het wetsvoorstelplanmatige aanpak onderwijshuisvesting dat 15 april 2026 is aangenomenin de Tweede Kamer, wordt het gebruik van een IHP verplicht gesteld.Hierin staan de geraamde investeringsbedragen per schoolgebouw8 in debetreffende gemeenten opgenomen, voor een periode van vier jaar. Methet wetsvoorstel wordt betere samenwerking en afstemming tussenschoolbesturen en gemeenten op onderwijshuisvesting beoogd. Alsgemeenten geen rekening houden met de mogelijke komst van eennieuwe school, kunnen zij in de knel komen met hun IHP. Dat kanbetekenen dat een gemeente de gemaakte afspraken met de bestaandeschoolbesturen moet herzien. Binnen het programma Onderwijshuis-vesting is een landelijke richtlijn Integraal Huisvestingsplan ontwikkeld. Entot slot wil het kabinet met het wetsvoorstel PVS gemeenten meer tijdgeven om in huisvesting te voorzien. In dat wetsvoorstel zit ook eenverschuiving van de termijnen binnen de stichtingsprocedure, zodat dezebeter in lijn zijn met de gemeentelijke plannings- en controlcyclus.De leden van de CDA-fractie vragen naar de achtergrond van de afwij-zingen op de kwaliteitstoets op grond van tekortkomingen in deuitwerking van het burgerschapsonderwijs. Een mogelijke verklaring isdat de wetgeving rondom de burgerschapsopdracht ten tijde van de startvan de procedure recent verduidelijkt was.9 Ook de kwaliteitstoets zelfwas op dat moment nieuw. Inmiddels weten initiatiefnemers van nieuwescholen steeds beter wat er ten aanzien van de kwaliteitstoets van hunwordt gevraagd, ook ten aanzien van het burgerschapsonderwijs.8Voor de voorzieningen in de huisvesting, niet voor beheer en onderhoud. Dit laatste isondergebracht in het Meerjarig Onderhoudsplan (MJOP), dit ligt bij schoolbesturen.9In dit kader wordt bedoeld: Wet verduidelijking burgerschapsopdracht onderwijs | Overheid.nl |Wetgevingskalender.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88121 Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie naar de redenen voorscholen om te verzelfstandigen of te splitsen. Schoolbesturen verzelfstan-digen (in het po) of splitsen (in het vo) een bestaande vestiging van eenschool. Er ontstaat dan een (tweede) nieuwe school. Uit gesprekken diehet Ministerie van OCW voert met gemeenten en schoolbesturen blijkt datschoolbesturen doorgaans verzelfstandigen vanuit financiële overwe-gingen. Een nieuwe school krijgt namelijk een eigen vaste voet quabekostiging.De leden van de CDA-fractie willen weten of het bekend is hoe gemeentenen scholen elkaar na het startjaar waarderen. Hier is geen onderzoek naargedaan.De leden van de CDA-fractie vragen naar de motieven voor het oprichtenvan een eigen basisschool naast religieuze of levensbeschouwelijkeoverwegingen. Naast deze overwegingen zijn het introduceren van eennieuw onderwijskundig concept of het starten van onderwijs in eennieuwbouwgebied veel voorkomende motieven. Daarna vragen de ledenof het oprichten van nieuwe scholen een landelijke trend is, of zich slechtsin bepaalde delen van het land voordoet. De helft van de initiatiefnemersvan nieuwe basisscholen wil scholen oprichten in sterk stedelijkegebieden, vaak in de Randstad, maar ook in Noord-Brabant en Gelderland.Voor vo-initiatiefnemers is de concentratie nog sterker: ruim twee derdewil een school oprichten in (zeer) sterk stedelijke gebieden. Dit valt teverklaren door het feit dat in deze gebieden het grootste leerlingpotentieelaanwezig is.Net als de leden van de PVV-fractie, vragen ook de leden van deCDA-fractie naar de zorgen van bestaande scholen als een nieuwe schoolin de omgeving opent.Het kabinet kan zich deze zorgen voorstellen. De komst van een nieuweschool kan ervoor zorgen dat bestaande scholen minder instroom vanleerlingen krijgen. Het kabinet wijst erop dat een nieuwe school alleen kanstarten als zij, als onderdeel van de stichtingsprocedure, een aanzienlijkebelangstelling heeft aangetoond. Met andere woorden: een nieuwe schoolheeft alleen kans van slagen als zij volgens de ouders in de omgevingdaadwerkelijk iets toevoegt aan het bestaande scholenaanbod.Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie naar de positie van hetopenbaar onderwijs. Uit de evaluatie blijkt dat de positie van het openbaaronderwijs op dit moment niet verzwakt is, maar dat dat oordeel mogelijkprematuur is. Met andere woorden: er is meer tijd nodig om te bezien ofop termijn openbare scholen verdwijnen door de komst van nieuwescholen. De volgende twee evaluatieperiodes (2026–2030 en 2031–2035)moeten hier nieuwe informatie over opleveren. De overheid heeft deverantwoordelijkheid om te zorgen voor voldoende openbaar onderwijs.Er zijn daarom aanvullende bepalingen waardoor de laatste openbareschool in een gebied langer bekostigd blijft.Net als de leden van verschillende andere fracties, vragen ook de ledenvan de CDA-fractie naar onderwijssegregatie. Zij willen weten wat deonderzoekers bedoelen met «beperkt zichtbare effecten» en welkeontwikkelingen ook invloed kunnen hebben op de mate van segregatie ineen gemeente.Met beperkt zichtbaar bedoelen de onderzoekers twee zaken. Allereerst isde periode waarin data over segregatie is verzameld nog te kort om meerdan eerste indicaties op te maken. Ten tweede is het aantal nieuwescholen per gemeente te beperkt om eventuele segregatie-effecten directTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88122 toe te schrijven aan de komst van een school. Andere verklarendevariabelen kunnen demografische ontwikkelingen binnen een gemeentezijn, bijvoorbeeld de komst van een nieuwe woonwijk.Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie waarom de startbekos-tiging twee maanden voor de opening van een nieuwe school wordtuitgekeerd en waarom besturen ook voor verzelfstandigingen startbekos-tiging ontvangen. De startbekostiging in het basisonderwijs is gebaseerdop twee maandsalarissen van een directeur en wordt om die reden ooktwee maanden voor de start van de school uitgekeerd. Schoolbesturenontvangen ook bij verzelfstandiging van een dislocatie of nevenvestigingstartbekostiging omdat er, juridisch gezien, een nieuwe school ontstaat.Uit het recente onderzoek van SEO blijkt dat er bij verzelfstandigingennauwelijks extra kosten worden gemaakt en daarom verkent het kabinet ofhet de startbekostiging bij verzelfstandiging afschaft. Het kabinet neemtde aanbeveling om de startbekostiging in het basisonderwijs te verhogenmee in de integrale afweging van beleidswensen tijdens de voorjaarsnota.Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of dislocaties in bepaalderegio’s in Nederland vaker voorkomen dan in andere regio’s en of bekendis of het aantal dislocaties sinds vijf jaar geleden is gestegen of gedaald.Dislocaties zijn niet-erkende onderwijslocaties zonder wettelijke grond, dieniet systematisch door DUO worden geregistreerd. Hierdoor heeft deRijksoverheid geen centraal overzicht van alle dislocaties. Oberon heeftgekeken naar het huidige landschap van dislocaties en niet naar hetlandschap van dislocaties in het verleden. Daarom is moeilijk te zeggen ofhet aantal dislocaties gestegen of gedaald is. Oberon heeft wel gekekennaar het aantal dislocaties per gemeente en heeft een kaart gemaaktwaarop zichtbaar is hoe per gemeente het percentage dislocaties zich tothet percentage hoofd- en nevenvestigingen verhoudt, zie pagina 11 vanhet onderzoeksrapport. Op de kaart is te zien dat er in de Randstadverhoudingsgewijs meer dislocaties zijn dan in andere delen van het land.Inbreng van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie stellen allereerst vragen over de belangstel-lingsmeting en het voedingsgebied waarbinnen initiatieven ouderverkla-ringen mogen verzamelen.Uit de evaluatie blijkt dat ongeveer de helft van de initiatieven nietvoldoende belangstelling kan aantonen. De stichtingsprocedure beoogtalleen levensvatbare initiatieven door te laten naar de aanvraagfase. Debelangstellingsmeting is daarvoor de lat en het is doelmatig dat niet iederinitiatief die lat haalt. Het voedingsgebied (straal van 6 kilometer in hetbasisonderwijs en 15 kilometer in het voortgezet onderwijs) is gekozenomdat 95,5% van de basisscholen 90% van hun leerlingen uit dit gebiedhaalt. Uit een straal van 15 km trekt in het voortgezet onderwijs 89,5% vande scholen 90% van hun leerlingen. Deze percentages stijgen bij eengroter voedingsgebied niet voldoende om een groter voedingsgebied terechtvaardigen. De belangstelling voor een initiatief door een ouder meteen kind buiten het huidige voedingsgebied, geeft daarom een minderbetrouwbare voorspelling van de uiteindelijke belangstelling van oudersin de toekomst. Om de uitvoeringslast voor DUO te beperken, kiest hetkabinet er niet voor om initiatiefnemers zelf het voedingsgebied voor eennieuwe school te laten bepalen.De leden van de JA-21 fractie vragen hoe inspectieadviezen wordenvastgesteld en of er een verklaring is voor de negatieve adviezen overburgerschapsonderwijs in 2021.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88123 De inspectie baseert haar adviezen op een wettelijk advieskader voornieuwe scholen met zes deugdelijkheidseisen, waaronder de invulling vanhet burgerschapsonderwijs. Alleen wanneer de inspectie positief is overalle zes10 de deugdelijkheidseisen, volgt een positief advies richting deMinister. Voor burgerschapsonderwijs moet onder meer blijken dat hetaanbod zich herkenbaar richt op de bevordering van de basiswaarden vande democratische rechtsstaat, op de ontwikkeling van de sociale enmaatschappelijke competenties die daarbij van belang zijn en op eenschoolcultuur die in overeenstemming is met die basiswaarden. Ook moetde beschrijving duidelijk maken dat het burgerschapsonderwijs doelge-richt en samenhangend vorm zal krijgen.11 Voor de verklaring van denegatieve adviezen in 2021 verwijst het kabinet naar de beantwoordingvan de vragen van de CDA-fractie. Daarbij geldt dat bij ongeveer de helftvan de initiatieven die een negatief advies ontvingen ook niet werdvoldaan aan (minimaal) één van de andere deugdelijkheidseisen.Vervolgens vragen de leden van de JA21-fractie, net als die van dePVV-fractie, naar de nieuwe islamitische scholen in relatie tot de zorgenomtrent segregatie.Voor deze vraag verwijst het kabinet graag naar de tabel op pagina 20. Teraanvulling: in de evaluatie is gekeken naar de invloed van het opleidings-niveau, inkomen en herkomst van de ouders op segregatie in hetonderwijs.De leden van de JA21-fractie vervolgen hun betoog met de vraag waaromde Staatssecretaris denkt dat er behoefte aan traditioneel onderwijsbestaat en of aan initiatiefnemers wordt gevraagd waarom zij debestaande scholen tekort vinden schieten.Het is niet aan het kabinet om de onderwijswensen van ouders enkinderen te beoordelen. In de stichtingsprocedure is bewust gekozen omde wenselijkheid van een nieuwe school te peilen onder ouders. Aaninitiatiefnemers wordt niet gevraagd waarom zij bestaande scholen tekortvinden schieten, omdat het antwoord op een dergelijke vraag geeninvloed heeft op het bekostigingsbesluit.De leden van de JA21-fractie vragen vervolgens naar de onderwijskwa-liteit op nieuwe scholen.Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen van deGroenLinks-PvdA fractie, wordt er sinds de komst van de nieuweprocedure scherper toegezien op de onderwijskwaliteit: het gaat danzowel om de kwaliteitstoets die de inspectie uitvoert in de aanvraagfaseals om de kwaliteitsonderzoeken die plaatsvinden direct in het eerste jaarna de start van de nieuwe school. De eerste data van de kwaliteitsonder-zoeken op de scholen die in augustus 2023 en 2024 hun deuren openden,laten een overwegend positief beeld zien van de onderwijskwaliteit opnieuwe scholen. De kwaliteit wordt nauwgezet gemonitord. De Kamerwordt hier met de halfjaarlijkse Kamerbrieven van op de hoogtegehouden.De leden van de JA21-fractie vragen of de oprichting van nieuwe scholenbijdraagt aan meer ouderbetrokkenheid.101. Aanbod, 2. Burgerschapsonderwijs, 3. Zicht op ontwikkeling en begeleiding, 4. Extraondersteuning, 5. Onderwijstijd en 6. Bestuur en intern toezicht11Advieskader nieuwe scholen | Inspectie van het onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88124 De afgelopen jaren hebben laten zien dat er behoefte blijkt te zijn aannieuwe scholen. Er kwamen namelijk substantieel meer scholen bij, danvoor de wet MRvNS. Sommige nieuwe scholen ontstonden soms vanuiteen ouderinitiatief. Ouders zijn ook meer betrokken bij nieuwe scholenomdat zij hun ouderverklaring kunnen afgeven om hun belangstellingvoor een nieuwe school kenbaar te maken. Voor de wet MRvNS werd destem van ouders niet meegewogen. Het is niet bekend hoe de ouderbe-trokkenheid op nieuw gestarte scholen is.Vervolgens vragen deze leden hoe de Staatssecretaris de stichtings-vrijheid weegt ten opzichte van de druk op de huisvesting.Uit de evaluatie blijkt dat 78% van de gemeenten de nieuwe scholen zietals aanvulling op het bestaande aanbod. Maar er zijn ook gemeentenwaarbij de extra huisvestingsopdracht tot problemen leidt (financieel enqua beschikbaarheid). Het kabinet constateert dat een grondwettelijkerecht (vrijheid van stichting) in zulke gevallen op gespannen voet kanstaan met een feitelijk gebrek aan huisvestingsmogelijkheden binnen eengemeente en als zodanig met de op de gemeente rustende wettelijkeverplichtingen. Mede daarom wordt in het wetsvoorstel PVS voorzien inaanpassingen aan de stichtingsprocedure waarmee de uitvoerbaarheidvan de huisvestingstaak voor de gemeente wordt verbeterd, onder anderedoor de gemeente meer tijd te geven om invulling te geven aan deze taak.Vervolgens vragen de leden van de JA-21 fractie naar de relatie tussen dekomst van nieuwe scholen en de eventuele effecten hiervan op hetlerarentekort.Het kabinet verwijst hiervoor naar zijn beantwoording van de vragen deleden van de VVD-fractie. Daarin stelt het kabinet dat de komst vannieuwe scholen kan zorgen voor toenemende druk op het lerarentekort,maar dat de meeste winst te behalen is aan de «achterkant» van hetstelsel, waar een herziening wordt voorbereid. Door het verminderen vanhet aantal te kleine basisscholen, dat zijn basisscholen die onder degemeentelijke opheffingsnorm zitten, kan de druk op het lerarentekortworden verlaagd. Het terugbrengen van het aantal te kleine scholendraagt daarnaast bij aan het verlagen van de druk op de huisvesting, waarde leden van de JA-21-fractie tevens hun zorgen over uiten. Zoals eerderaangegeven, zal uw Kamer voor de zomer per brief worden geïnformeerdover deze herziening.Ook de leden van de JA21-fractie vragen de Staatssecretaris omgemeenten beter te betrekken bij het stichtingsproces.In de beantwoording van de vragen van de leden van de D66-fractie is hetkabinet ingegaan op de mogelijkheden en onmogelijkheden omgemeenten een sterkere rol te geven in de stichtingsprocedure. Teraanvulling bekijkt het kabinet momenteel of het mogelijk is omgemeenten, naast de informatie op de DUO-website, actief te informerenover een positief bekostigingsbesluit in hun gemeente en over bezwaar-en beroepsprocedures. Dit zou een nuttige aanvulling zijn op de wettelijkeplicht die initiatiefnemers hebben om gemeenten vóór het indienen vaneen bekostigingsaanvraag uit te nodigen voor een gesprek.Net als de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook deze ledennaar het verhogen en het eerder uitkeren van de startbekostiging voornieuwe scholen. In de beantwoording van de vragen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie heeft het kabinet aangeven dat het de aanbe-veling om de startbekostiging in het basisonderwijs te verhogenmeeneemt in de integrale afweging van beleidswensen tijdens deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88125 voorjaarsnota. Daarnaast is het kabinet bezig met het aanpassen van deregelgeving, zodat de startbekostiging voortaan niet twee maanden voorde start van de school wordt uitgekeerd, maar eerder, bijvoorbeeld zesmaanden.De leden van de JA21-fractie vragen hoe dislocaties nu worden ingezet,en of de Staatssecretaris tevreden is over hoe dit werkt. In het onderzoekvan Oberon wordt beschreven hoe dislocaties nu worden ingezet. Oppagina 22 van het onderzoeksrapport wordt een figuur getoond die laatzien hoe schoolbesturen dislocaties inzetten. In de beantwoording van devragen van de leden van de VVD-fractie heeft het kabinet uiteengezet dathet niet wenselijk is dat dislocaties als zelfstandige school functioneren.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe BBB-fractie stelt, met verwijzing naar het dorp Grootschermer,verschillende vragen die gaan over het waarborgen van regionaleleefbaarheid in kleine dorpen, specifiek de vraag wat het verdwijnen vankleine scholen in dorpen doet met de leefbaarheid, en het sturen op«nabijheid» als maatschappelijk behang. Daarbij vragen de leden hoe deStaatssecretaris gaat waarborgen dat gemeenten en schoolbesturen nietuitsluitend sturen op doelmatigheid, maar ook op «nabijheid», en vragenzij of de Staatssecretaris bereid is om bij toekomstige beslissingen overstichten, fusies en opheffen een verplicht criterium «regionaleleefbaarheid en dorpsfunctie» toe te voegen.Het sturen op doelmatigheid en het waarborgen van een bereikbaarscholenaanbod is een taak van de overheid, en nadrukkelijk onderdeel vande eerder genoemde voorgenomen stelselherziening in het primaironderwijs. Als onderdeel van die wijziging is het kabinet voornemens deuitzonderingsgrond «gemiddelde schoolgrootte» te vervangen. Dezeuitzonderingsgrond houdt momenteel een groot aantal te kleine scholenin stand die niet noodzakelijk zijn voor een dekkend aanbod, en wordtdaarom vervangen door een uitzonderingsgrond op basis van eenafstandscriterium. In het huidige stelsel kan namelijk niet op bereik-baarheid worden gestuurd. Met de voorgenomen aanpassing kan eenschool die op basis van de opheffingsnormen te klein is, opengehoudenworden wanneer er geen andere school in de directe omgeving is. Zonderdeze uitzonderingsgrond zouden deze te kleine scholen moeten sluiten,wat een probleem zou vormen voor leerlingen en de leefbaarheid van eengebied zou kunnen schaden. Met de invoering van een afstandscriteriumzal straks ook de bereikbaarheid van het scholenaanbod een belangrijkerol in nemen met het scholenstelsel.Daarnaast wordt naar aanleiding van twee moties van uw Kamer, bijnieuwe wet- en regelgeving een krimpcheck uitgevoerd. Bij wijziging vanbekostigingswetgeving wordt daarom altijd gekeken naar de effectendaarvan op scholen, waaronder ook scholen in krimpregio’s. Dit gebeurtdaarmee ook bij de omvorming van de kleinescholentoeslag naar eendunbevolktheidstoeslag en de herziening van het po-stelsel voorinstandhouding van scholen. De keuze om een school te stichten, tefuseren of op te heffen ligt bij het schoolbestuur. Het past daarom niet omeen verplicht criterium «regionale leefbaarheid & dorpsfunctie» tehanteren.Ook de leden van de BBB-fractie hebben enkele vragen over de startbe-kostiging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88126 Op de verkenning naar de verhoging van de startbekostiging en heteerder uitkeren van de startbekostiging is het kabinet ingegaan in debeantwoording van de vragen van de leden van de fracties vanGroenLinks-PvdA en JA21. Ter aanvulling: de startbekostiging wordtjaarlijks geïndexeerd, maar uit het onderzoek van SEO bleek dat ditbedrag alsnog niet toereikend was om nieuwe scholen een goede start telaten maken. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat de (telage) startbekostiging vooral nadelig uitpakt voor kleine kernen, zoals deBBB-fractie veronderstelt. Nieuwe besturen starten scholen in het heleland, maar het meeste in de randstad.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het risicobeoordeelt dat dislocaties het gelijke speelveld voor nieuwe initiatievenondermijnen, of de Staatssecretaris bereid is om dislocaties die feitelijkals zelfstandige school functioneren alsnog een wettelijke status te gevenen of kan worden onderzocht hoe dislocaties gerichter kunnen wordeningezet voor het behoud van onderwijs in kleine kernen.Samen met gemeenten en het onderwijsveld wordt verkend of en hoedislocaties van een wettelijke verankering en afbakening moeten wordenvoorzien.Om onderwijs in kleine kernen te kunnen behouden als de bereikbaarheidvan het onderwijs in het geding komt, wordt (zoals omschreven in eeneerder antwoord aan de BBB-fractie) een afstandscriterium geïntrodu-ceerd op basis waarvan te kleine scholen bekostigd kunnen blijven. Zowordt voorkomen dat er door de opheffingssystematiek gaten vallen inhet onderwijsaanbod, en blijft thuisnabij onderwijs behouden voor alleleerlingen. Ook de omvorming van de kleinescholentoeslag naar eendunbevolktheidstoeslag draagt hieraan bij en zorgt ervoor dat kleinescholen in dunbevolkte gebieden meer bekostiging krijgen.De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor het belang vanregionale spreiding van scholen, mede met het oog op de uitdagingen dieplattelandsgemeenten tegenkomen bij het instandhouden van basis-scholen.Regionale spreiding van nieuwe scholen is geen doel van de stichtings-procedure en krijgt om die reden weinig aandacht in de evaluatie. Uit deevaluatie blijkt dat scholen worden opgericht in alle delen van Nederland.Er is een aanzienlijke mate van differentiatie als het gaat om zowel destichtings- als de instandhoudingsnormen tussen gemeenten. Dezenormen worden per gemeente vastgesteld op basis van de leerling-dichtheid. Ter illustratie: een basisschool in Amsterdam moet minimaal194 leerlingen hebben om in stand gehouden te kunnen worden, terwijldit aantal in De Fryske Marren 40 leerlingen bedraagt. Zo wordt rechtgedaan aan de verschillen tussen plattelands- en stedelijke gemeenten.Vervolgens vragen deze leden hoe de Staatssecretaris gaat voorkomendat nieuwe initiatieven in stedelijke gebieden de woningbouwdrukactiveren zonder dat dit aansluit bij bredere regionale opgaven.Het kabinet wijst er in dezen op dat niet het Rijk, maar de gemeenten gaanover het huisvesten van nieuwe scholen en dat de Staatssecretaris hierdus niet op kan sturen. Ook vragen de BBB-leden of de wet MRvNS kanworden uitgebreid met een regionale behoefteanalyse. Het kabinet is vanmening van de huidige belangstellingsmeting onder ouders in hetvoedingsgebied een lokale behoefteanalyse is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88127 De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om,samen met gemeenten, een handreiking op te stellen voor lokaleinitiatieven die een school willen behouden.Een dergelijke handreiking12 is eerder aan uw Kamer toegezegd en volgtin de tweede helft van 2026.Deze leden vragen ook naar het opleggen van verplichtingen aangemeenten om tijdig huisvesting te realiseren, zodat scholen niet eldersbeginnen. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om nieuwe scholen 14maanden na het positieve bekostigingsbesluit, te huisvesten binnen haargemeentegrenzen. Het is mogelijk om de school in bijzondere situatiespas een jaar later te huisvesten. Omdat blijkt dat de huidige termijn insommige situaties niet toereikend is, is het kabinet voornemens omgemeenten en schoolbesturen meer tijd te geven in het huisvesten vaneen nieuwe school.Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Staatssecretarisvoorkomt dat gemeenten alleen stedelijke uitbreidingslocaties faciliteren.Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting stelt eenverplichting voor het hebben van een Integraal Huisvestingplan voorgemeenten voor, waarin de ambities op het gebied van onderwijshuis-vesting moeten aansluiten op de prognose van het aantal leerlingen in degemeente. Op deze manieren dienen gemeenten aandacht te bestedenaan zowel stedelijk gebied als kleine kernen. Daarnaast bevat de in hetwetsvoorstel voorgestelde procedure een verplicht overleg tussengemeente en schoolbesturen waarin voornemens direct wordenafgestemd met alle schoolbesturen in een gemeente. Zo kunnen school-besturen en gemeenten over en weer anticiperen op elkaars ambities.12Kamerstukken II. 2024/2025, 31 293, nr. 832Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 88128
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.