KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 9 maart 2026, over Integratie en maatschappelijke samenhang

20 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 75bfc7e1958cfd53 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XVVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026Nr. 111 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 20 april 2026 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op9 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Aartsen, Minister van Werk enParticipatie, over:–het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voorhet jaar 2026 (Kamerstuk 36 800 XV);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 24 juni 2024 inzake uitvoeringsbrief inburgering(Kamerstuk 32 824, nr. 438);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.18 november 2024 inzake stand van zaken over ongewenstetweede nationaliteit en kabinetsreactie verkenning juridischedilemma’s bij meervoudige nationaliteiten (Kamerstuk 35 475,nr. 18);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.26 november 2024 inzake voortgang Agenda Veerkrachtige enWeerbare Samenleving (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 32);–de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d.26 november 2024 inzake uitkomsten onderzoeken Wetinburgering 2021 (Kamerstuk 32 824, nr. 446);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.7 februari 2025 inzake Actieagenda Integratie en Open en VrijeSamenleving (Kamerstuk 32 824, nr. 448);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.26 maart 2025 inzake beantwoording vragen commissie overde Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving(Kamerstuk 32 824, nr. 448 ) (Kamerstuk 32 824, nr. 449);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.8 april 2025 inzake beantwoording vragen commissie inzakeActieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving (Kamer-stuk 32 824, nr. 448 ) (Kamerstuk 32 824, nr. 451);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.12 mei 2025 inzake evaluatie van het Kennisplatform InclusiefSamenleven (KIS) (Kamerstuk 32 824, nr. 453); kst-36800-XV-111ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1111 –de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.21 mei 2025 inzake kabinetsreactie op de SCP-rapportenSamenleven in de toekomst en Samen verschillend (Kamerstuk36 600 XV, nr. 111);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.26 mei 2025 inzake kabinetsreactie op KIS-onderzoek naarervaringen met het hebben van een dubbele nationaliteit(Kamerstuk 35 475, nr. 19);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 29 mei 2024 inzake onderzoek naar de voor- ennadelen van een publiek bekostigde onderwijsroute (Kamer-stuk 32 824, nr. 416);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.10 juni 2025 inzake Werkagenda VIA (Kamerstuk 32 824,nr. 454);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.11 juni 2025 inzake hersteltraject onrechtmatig verwerktepersoonsgegevens (Kamerstuk 32 761, nr. 326);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.2 juli 2025 inzake appreciatie van de motie van het lid Podtover verplichte Nederlandse taallessen tijdens de asielproce-dure (Kamerstuk 36 704, nr. 57 ) (Kamerstuk 36 704, nr. 77);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.4 juli 2025 inzake voortgang Actieagenda Integratie en Openen Vrije Samenleving (Kamerstuk 32 824, nr. 456);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.9 juli 2025 inzake voortgang inburgering (Kamerstuk 32 824,nr. 457);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.30 september 2025 inzake reactie op de motie van het lidBamenga c.s. over structurele middelen voor de dialoog,verbinding en ontmoeting tussen mensen van verschillendeculturele en religieuze achtergronden (Kamerstuk 30 950,nr. 486) (Kamerstuk 30 950, nr. 490);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.16 oktober 2025 inzake verzamelbrief inburgering (Kamerstuk32 824, nr. 475);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.10 december 2025 inzake verzamelbrief inburgering december2025 (Kamerstuk 32 824, nr. 476);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.12 december 2025 inzake kabinetsreactie op het rapport«Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» en versterkingaanpak moslimdiscriminatie (Kamerstuk 30 950, nr. 505);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.28 januari 2026 inzake kabinetsreactie op tussenevaluatie Wetinburgering 2021 (Wi2021) (Kamerstuk 32 824, nr. 478);–de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 2 maart2026 inzake voortgang Actieagenda Integratie en Open enVrije Samenleving Q1 2026 (Kamerstuk 32 824, nr. 479);–de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 2 maart2026 inzake rapport betreffende verklarende factoren voorverbondenheid (Kamerstuk 32 824, nr. 480);–de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 5 maart2026 inzake Trouwartikel Potentiële belangenverstrengelingbij onderzoek naar moslimdiscriminatie (Kamerstuk 28 844,nr. 302);–de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 9 maart2026 inzake openbaarmaking beschikbare correspondentieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1112 over versterkte gebedsoproepen (Kamerstuk 36 800 XV,nr. 19).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,Van der LeeDe griffier van de commissie,PostTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1113 Voorzitter: BamengaGriffier: MorrinAanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bamenga, Boon, Tijs vanden Brink, Ergin, Lahlah, Michon-Derkzen en Nanninga,en de heer Aartsen, Minister van Werk en Participatie.Aanvang 16.32 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Het is halfvijf geweest, dus ik stel voor om te gaanbeginnen. Welkom aan alle leden. Welkom ook aan de Minister, aan demensen op de publieke tribune en ook aan de mensen die digitaalmeekijken.Aan de orde is vandaag het WGO Integratie en maatschappelijkesamenhang. We zitten krap in de tijd gezien de aangevraagde spreektijd. Ikstel daarom vier interrupties voor. We houden de volgorde van debegroting aan. Dat betekent dat wij mevrouw Lahlah als allereerstespreker hebben. Ik zie een ordevoorstel van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Het is net halfvijf geweest. Zoals u weet, is het over krap twee uurtjesiftartijd. Volgens mij schorsen we altijd tussen de eerste en de tweedetermijn. Hierbij doe ik het ordevoorstel om de schorsing die al gaatplaatsvinden exact om 18.40 uur te houden.De voorzitter:Dank u wel daarvoor. Wat mij betreft is dat akkoord. Laten we dan aan deslag gaan. Een nieuw ordevoorstel, meneer Boon?De heer Boon (PVV):Nee, geen ordevoorstel. Ook voor de notulen wil ik even aangeven dat wijdaaraan geen steun verlenen.De voorzitter:Dank. Dan wil ik graag mevrouw Lahlah het woord geven.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken we in dit wetgevingsoverleg overintegratie en inburgering, een deel van de begroting van Sociale Zakenwaarin het gaat over hoe nieuwkomers hun plek vinden in de Nederlandsesamenleving.Voorzitter. Als je opnieuw moet beginnen in een nieuw land, wil jehouvast, met een plek waar je mensen ontmoet, de taal leert en oefent, ende weg leert kennen. Een plek waar je niet eerst maanden of zelfs jaren ophoeft te wachten voordat je iets van je leven kunt opbouwen. Voor mijgaat integratie daarover: niet mensen in een systeem parkeren, maarervoor zorgen dat ze zo snel mogelijk mee kunnen doen. Dat past bij hetpositieve mensbeeld van GroenLinks-PvdA: vertrouwen als startpunt, meteen overheid die drempels wegneemt in plaats van opwerpt. Eerlijkgezegd past dit ook prima bij de nieuwe vibe van de coalitie: aan de slag.Maar dan moet je het wel regelen.Daarom zet ik vandaag drie dingen neer. Ten eerste wat er misgaat doorpolitieke keuzes en ketenfalen. Ten tweede wat er in onze ogen nodig isom het wél te laten werken. Ten derde welke concrete besluiten wevandaag kunnen meegeven aan de Minister. Dat doe ik eigenlijk met ééncentrale les uit het rapport Onbenut potentieel van de AlgemeneRekenkamer. Want zolang we niet kiezen, zegt de Algemene Rekenkamer,blijft beleid wensdenken en betalen mensen en de samenleving de prijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1114 Veel nieuwkomers willen dolgraag onderdeel worden van ons land. Zewillen Nederlands leren, werken, hun kinderen naar school brengen enhun leven opbouwen. Maar in de praktijk lopen ze vast in wachttijden,verhuizingen en regels die elkaar tegenwerken. Ook de AlgemeneRekenkamer is daar best helder over. Het probleem is niet dat mensen nietwillen, maar dat wij hun potentieel niet benutten. Mensen komen te laatop gang, taal en werk sluiten slecht op elkaar aan en de overheid weetvaak niet goed wat iemand al kan, omdat opleiding en werkervaring tevaak niet goed geregistreerd worden. Dat is pijnlijk voor de mensen zelf,maar ook voor een land met enorme personeelstekorten.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik ben het totaal eens met deze analyse van mevrouw Lahlah. Zij zegteigenlijk: taal en werk sluiten niet goed op elkaar aan. Degene diegeholpen zou moeten zijn, wordt niet geholpen. De gemeenten zijnhiervoor verantwoordelijk, zo hebben we allemaal kunnen lezen. Wat zijnde voorstellen van mevrouw Lahlah? Hoe wil zij richting de gemeentenoptrekken, wellicht ook in breder verband met de Kamer, om het wel telaten werken?Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Daar kom ik zo op. Ik wilde net naar de eerste vraag aan de Minister. Inieder geval zou ik de Minister willen vragen of hij verantwoordelijkheid wilnemen voor de keten. We zien nu dat een heleboel belegd wordt bijSociale Zaken, terwijl vanaf het moment dat je voor asiel het landbinnenkomt de wachttijd van huisvesting naar aan het werk gaan veel telang is. Dan zou het goed zijn om de inburgering niet pas structureel natwee jaar te laten beginnen, en om te komen met een ketenoverzicht metdoorlooptijden van status tot huisvesting, van intake tot PIP, inclusief alleverantwoordelijkheden. Ik denk dat dat alvast zou helpen.De Rekenkamer laat zien dat een gemiddelde procedure in theorieongeveer 48 weken duurt, maar in de praktijk 111 weken. Ik hoor – waarschijnlijk u ook – heel veel verhalen van mensen die in de fase vanaanvraag soms geen maanden, maar jaren wachten en dat zij in dieperiode dat ze wachten geen mogelijkheden hebben om de taal te leren.Daardoor kunnen ze pas op het moment dat ze een status krijgen,toegewezen zijn aan een gemeente en de huisvesting geregeld is gaanbeginnen met de Nederlandse taal leren. Al die tijd moeten ze wachten.Heel veel van deze mensen verlaten een azc zonder de mogelijkheid omop B1 of B2, of in ieder geval A1 of A2 de taal te beheersen. Daar zoudenwe al een heleboel kunnen doen.Daarnaast horen we ook van gemeenten dat ze veel te weinig geld hebbenom dit goed op te pakken, terwijl wij dat heel belangrijk vinden. Dat geldtniet alleen voor het eerste deel van de keten, maar ook zeker daarna. DeG4 en andere gemeenten hebben regelmatig brandbrieven gestuurd naarons, waarin staat dat het budget veel te weinig is om de uitvoering goedop gang te krijgen. Want ook na een status duurt de fase vaak veel te lang,als je het hebt over de intake, de kwaliteiten en competenties in kaartbrengen, bekijken wat mensen kunnen en waar ze het beste terechtkunnen. Ook dat duurt heel erg lang. Dus we willen graag heel snel, maarwe organiseren eigenlijk achterstand.De voorzitter:Oké. Een tweede interruptie.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank voor het uitgebreide antwoord, maar wat ik vreemd vind aan hetantwoord is dat mevrouw Lahlah twee dingen zegt. De Minister moetmeer regie nemen op de keten, terwijl we juist de gemeenten verantwoor-delijk hebben gesteld voor het hele inburgeringstraject. Mijn conclusie zouTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1115 dan zijn dat we blijkbaar vinden dat de gemeenten het niet goed genoegdoen en dat de Minister zich er dus mee moet bemoeien. Tegelijkertijdhoor ik mevrouw Lahlah zeggen dat de gemeenten meer geld moetenkrijgen. Ja, het kan niet allebei waar zijn, denk ik. Of we vinden dat dit eentaak is van de gemeenten, die ze gewoon goed moeten uitvoeren; eenwettelijke taak die ze uit te voeren hebben. Dan heb je een gesprek overde voorwaarden waaronder dat moet gebeuren en met welk geld. Daarmoeten we het dan allemaal over hebben. Volgens mij hebben we datsysteem ook met elkaar neergezet.Ik hoop dat mevrouw Lahlah het met mij eens is dat we tegen degemeenten moeten zeggen: voer die taak gewoon op een goede manieruit; doe dat sneller dan nu. Kijk in welke gemeenten het wel voortvarendgaat. Wat zijn daar de best practices? Ik vind het eerlijk gezegd iets tegemakkelijk om te zeggen dat de Minister ketenregie moet nemen en degemeenten meer geld moeten krijgen. Dat kan niet allebei waar zijn en ikzou er zeker niet naartoe willen om er op die manier zeker van te zijn datalle problemen die mevrouw Lahlah noemt wél worden opgelost. Graagnog geen reflectie van mevrouw Lahlah daarop.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Mevrouw Michon-Derkzen veronderstelt dat integratie en inburgering pasbegint op het moment dat mensen toegewezen zijn aan een gemeente.Maar we hebben natuurlijk een heel traject dat daaraan voorafgaat. Dieperiode zou je heel goed kunnen benutten om te werken aan een eersteworteling in de samenleving. Als we blijven zeggen dat integratie zo snelmogelijk moet en het liefst al tijdens de procedure, dan kun je niet alleenmaar kijken naar werk, taal en participatie: zaken die bij de gemeentenliggen. Je zult ook moeten kijken naar het proces dat eraan voorafgaat.Die beide kunnen waar zijn. Gemeenten zijn niet verantwoordelijk vanafhet moment dat een nieuwkomer naar Nederland komt, omdat hij isgevlucht of wordt vervolgd. Het lijkt me goed als de Minister van SZW insamenspraak met de Ministers van Asiel en Migratie en van VRO bekijkthoe je die verantwoordelijkheid gezamenlijk kunt nemen. Als we hethebben over iemand een voortvarende, snelle start te geven, dan begintdat niet structureel pas na twee jaar, maar ook tijdens de periode datmensen nog niet toegekend zijn aan een gemeente. Het is dus en, en.Als we hoge ambities vragen van nieuwkomers en hoge verwachtingenhebben van gemeenten dat zij de uitvoering goed oppakken en beslagenten ijs komen, dan hebben zij ook gewoon voldoende middelen nodig. Wezien het vaak, helaas niet alleen op dit dossier maar bij een heleboeltaken, dat we heel veel verantwoordelijkheden bij gemeenten neerleggen.Inhoudelijk is dat goed te volgen, omdat gemeenten ook veel dichter bijhun inwoners staan. Maar als je wel de verantwoordelijkheden geeft,maar niet voldoende financiële middelen, dan klopt dat natuurlijk niet.De voorzitter:Dank u wel voor de reactie. Het was wel heel erg uitgebreid. Ik wil uvragen om uw betoog te vervolgen.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Het helpt dat een deel van de beantwoording ook zat in hetstukje dat nog moest komen, dus ik zal proberen daar wat snellerdoorheen te gaan.Ik beschreef net al hoe de Rekenkamer laat zien hoe het nu scheef loopt. Intheorie zou de periode van asielaanvraag tot vestiging ongeveer 48 wekenmoeten duren. Dat is tot vestiging in een gemeente, dus dat laat al zienwat een periode hieraan voorafgaat. In de praktijk duurt het gemiddeld111 weken. En dan begint iemand vaak nog niet meteen, omdat ook hetpersoonlijk plan voor inburgering lang op zich laat wachten. Slechts eenheel klein deel, zo’n 22%, kan in de opvang al een taalcursus afronden. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1116 zou wat mij betreft veel meer moeten zijn. Dat heeft ermee te maken datmensen meerdere keren verhuizen, waardoor rust, taal en contact steedsweer worden onderbroken. Nogmaals, wij zeggen dat mensen snellermoeten meedoen. Wat wij organiseren, is wachten.Mijn eerste vraag aan de Minister was al: wanneer neemt hij, samen metde Ministers van Asiel en Migratie en van VRO, verantwoordelijkheid voorde hele keten, zodat inburgering niet pas structureel na twee jaar kanbeginnen? Komt er dan ook zo’n integraal ketenoverzicht met doorloop-tijden van status tot aan huisvesting en van intake tot PIP, inclusief eentijdpad richting de Kamer?Ik sprak net al over de G4 en ik zei dat het wachten wordt versterktdoordat het Rijk gemeenten in de steek laat en in de kou laat staan. De G4heeft al de noodklok geluid over het gebrek aan geld om inburgering goedte regelen. In de tussentijd is er eigenlijk nauwelijks iets veranderd. Recentbleek zelfs uit onderzoek dat gemeenten ongeveer zo’n 47 miljoentekortkomen, onder meer voor het begeleiden van de statushouders naareen plek in de samenleving. Daardoor kunnen ze feitelijk niet voldoen aanalle wettelijke taken die ze vanuit Den Haag opgelegd krijgen. Daar had ikhet zojuist over. Daarmee zetten we niet alleen gemeenten maar ooknieuwkomers in de kou, die hierdoor weer worden belemmerd in hunintegratie. Ik dien daarom een amendement in waarmee er voorgemeenten meer middelen worden vrijgemaakt voor de inburge-ringstaken. Ook overweeg ik een motie over het toetsen van de huidigebekostigingssystematiek van de Wet inburgering voor gemeenten aan deactualiteit, zodat duidelijk wordt wat de plussen en minnen zijn van dehuidige methode.Ook op vroege integratie en participatie wordt telkens weer gekort. Dankan de nieuwe coalitie wel hele mooie woorden over Meedoenbalies envroeg participeren in het coalitieakkoord zetten, maar als ik vervolgensdaarvoor geen structurele middelen kan terugvinden in de financiëlebijlagen, blijft het wel heel erg bij lege woorden. Daarom mijn vraag: is deMinister bereid gemeenten financieel in staat te stellen om hun takengoed uit te voeren? Want met alleen grote woorden over integratie reddenzij het niet.Voorzitter. Tegelijkertijd weten we dat het ook anders kan. In Deventerbijvoorbeeld staat de wereldhuiskamer. Daar zie je dat, als je het werk heeldicht bij mensen organiseert, in de wijk, in contact met anderen, opplekken waar taal en meedoen vanzelf samenkomen, integratie iets vanhet dagelijks leven wordt, in plaats van loketten en formulieren. BijHeijmans zie je dat taal en werk goed gecombineerd kunnen worden.Mensen leren daar niet alleen eerst de theorie om pas veel later te mogenbeginnen. Nee, ze leren al op de werkvloer, met begeleiding in eenomgeving waar taal meteen betekenis krijgt. Een leerwerktraject van tienweken, twee dagen school, tegelijk werken, met coaching en drieinstroommomenten per jaar. Dat is precies wat mensen vragen: lerenterwijl ik werk, iemand die me wegwijs maakt en taal op de werkvloer.In de zorg zien we hetzelfde, bijvoorbeeld bij het UMCG. Statushoudersmet een zorgachtergrond leren het Nederlandse zorgsysteem goedkennen terwijl ze aan de slag zijn, terwijl ze werken met begeleiding. Eenvan de deelnemers behaalde inmiddels haar BIG-registratie en werkt nuals verpleegkundige. Dat is heel verstandig arbeidsmarktbeleid.Uit deze voorbeelden blijkt dat mensen niet willen wachten, maar juist aande slag willen. Niet voor niets zien we sinds 2023, toen de 24-wekeneiswerd losgelaten, dat veel meer mensen daadwerkelijk zijn gaan werken.Geen wachtkamer, maar een startkamer. Daarom vraag ik: waarom blijvendit soort initiatieven afhankelijk van goede wil en lokale uitzonderingen?Waarom schalen we niet veel steviger op? Kan de Minister samen metVWS en andere departementen landelijke opschaling van dit typevakroutes organiseren, waarbij taal, begeleiding en erkenning hand inhand gaan? Als bedrijven en ziekenhuizen dit kunnen, kan de overheid ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1117 toch ook randvoorwaardelijk maken? Ook op dit punt kom ik mogelijk meteen motie.Voorzitter. Een ander groot probleem is dat nieuwkomers vaak klemkomen te zitten tussen verschillende systemen. Daarmee doel ik onderandere op de Wet inburgering en de Participatiewet, die in de praktijk vaakbotsen. Aan de ene kant moet iemand zo snel mogelijk aan het werk enaan de andere kant moet diezelfde persoon de taal leren, een diplomahalen en duurzaam meedoen. In de praktijk botst dat soms, blijkt ook uithet rapport van de Rekenkamer. Want wie te snel en tijdelijk in laagbetaaldwerk terechtkomt, heeft vaak veel minder ruimte om de taal te leren endoor te groeien. Op papier lijkt iemand dan misschien heel snel uitge-stroomd, maar in werkelijkheid blijft diegene vaak hangen in onzeker werkzonder perspectief. De Rekenkamer waarschuwt daarvoor.Statushouders komen nog te weinig terecht in sectoren met personeelste-korten en veel te weinig op het niveau dat bij hen past. Wie snel laagbe-taald flexwerk accepteert, leert niet automatisch beter Nederlands. Enzonder taalniveau volgt geen doorstroom naar tekortsectoren. De logicavan «pak het eerste beste werk» kan op korte termijn de bijstandinderdaad verlagen, maar op lange termijn leiden tot geen tijd voortaalles, geen B1 of B2, geen diploma-erkenning en dus ook geenduurzame baan. Daarom lopen mensen vroeg of laat vast of kunnen zeniet eens beginnen. Dat zijn geen uitzonderingen. Ik hoor het van veelnieuwkomers die ik spreek.Daarom is mijn vraag aan de Minister: wat vindt hij nu uiteindelijkbelangrijker, een snelle uitstroom in de cijfers of duurzame participatie inhet echte leven? Wat krijgt voorrang als doelen botsen? Een snelleuitstroom of duurzame participatie? Gaat u met gemeenten vastleggendat taal en opleiding onderdeel zijn van passend werk? Bent u bereid taalop de werkvloer en praktijkleren structureel te erkennen als onderdeel vanhet inburgeringsresultaat?Bovendien zie ik in het inburgeringsbeleid eenzelfde soort reflex terug-komen als in de Participatiewet: wantrouwen als rode draad; niet uitgaanvan motivatie of goede wil, maar van onwil en tegenwerking, waarbijincidenten worden aangegrepen om beleid strenger te maken. De politieklegt vaker nadruk op incidenten in plaats van op de grote groep die heelgraag aan de slag wil.Ook in het akkoord van de nieuwe coalitie zie ik dat eenrichtingsverkeer.Er wordt aan voorbijgegaan dat nieuwkomers niet alleen plichten, maarook rechten hebben. Terwijl zij vaak veel te lang moeten wachten om meete kunnen doen, omdat de uitvoering niet altijd op orde is, wil het nieuwekabinet de mogelijkheid onderzoeken om via de uitkering een prikkel tegeven om startbanen te accepteren. En wil het onderzoeken of bijweigering van vrouwen om te solliciteren een korting op de uitkeringmogelijk is. Het wantrouwen is ook weer het vertrekpunt binnen kabinet-Jetten.Als ik de plannen van de nieuwe coalitie zie, vraag ik me af of we noubezig zijn mensen te helpen een plek te vinden en te laten wortelen in desamenleving waar zij toe gaan behoren of ze aan het straffen zijn. Is heteerlijk om mensen te straffen als zij steeds tegen drempels aanlopen diewij zelf vanuit Den Haag hebben georganiseerd? Natuurlijk zien ook wijdat zo snel mogelijk participeren het beste werkt. En natuurlijk vinden ookwij dat alle vrouwen economische zelfstandigheid verdienen. En willenook wij dat vrouwen uit statushoudersgezinnen worden aangemoedigdom te solliciteren. Maar dan moeten we dat ook mogelijk maken en datgebeurt nu niet.Het huidige beleid werpt allerlei drempels op of werkt het zelfs tegen. Datzit ’m in de wachttijden om überhaupt in te burgeren – daar heb ik het netal over gehad – maar het speelt nog veel breder. Denk aan gebrek aankinderopvang voor werk of taallessen, de combinatie met zorgtaken waarmet name vrouwen tegen aanlopen, en het gebrek aan maatwerk. Ook deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1118 Rekenkamer wees hierop. Maar in plaats van het eerst goed regelen vande randvoorwaarden, legt de nieuwe coalitie de focus vooral op onwil enworden nieuwkomers individueel verantwoordelijk gehouden of somszelfs gestraft voor de gevolgen van ondoordacht beleid. Is dat eerlijk,vraag ik via de voorzitter aan de Minister. Is het kabinet bereid om metondersteunend beleid te komen dat meedoen ook daadwerkelijk mogelijkmaakt?Voor mijn fractie is het helder. Duurzame participatie moet vooropstaan.Als je dat echt meent, moet je ook kijken naar de groepen voor wiemeedoen nog lastiger wordt gemaakt. Dat geldt in het bijzonder voor veelvrouwelijke statushouders. Zij lopen vaak tegen een stapeling vandrempels aan: zorgtaken, gebrek aan kinderopvang en te weinigmaatwerk. Alleen zeggen dat iedereen mee moet doen, is niet voldoende.Je moet ook zorgen dat het daadwerkelijk mogelijk is. Daarom dien ik opdit punt een motie in die vraagt beter in beeld te brengen wat vrouwelijkestatushouders nodig hebben om echt te kunnen participeren en welkondersteunend beleid daarbij hoort.Voorzitter. Soms zit de blokkade ook in iets heel basaals. Er zijn signalendat duizenden mensen niet kunnen werken, omdat zij lang op een bsnmoeten wachten. Je kan roepen dat mensen sneller moeten participeren,maar dan moet de basis wel op orde zijn. Vorig jaar zijn hier vragen overgesteld door mijn collega Van Nispen. De Staatssecretaris gaf aan medio2025 het grootste gedeelte van de achterstand te hebben weggewerkt,want ook hij wees op de noodzaak van een verhoging van een structureleinschrijfcapaciteit. Mijn vraag is daarom welke concrete afspraken er sindsvorig jaar zijn gemaakt om die bsn-wachttijden terug te dringen. Hoe staathet nu met de wachttijden? Is de Minister bereid om die structureleinschrijfcapaciteit te verhogen?Dan het rijbewijs. Mensen met een W-document – voor de mensen thuis:een W-document is een vreemdelingenidentiteitsbewijs voor asielzoe-kende personen die in Nederland zijn en die wachten op een nieuweverblijfsvergunning – mogen wel rijlessen volgen en examen doen, maarze kunnen geen rijbewijs aanvragen. Mensen steken daar dus tijd en geldin, maar lopen daarna alsnog vast. Dat is moeilijk uit te leggen, zeker als jetegelijkertijd zegt dat je het liefst wil dat mensen sneller zelfstandigmoeten worden en mee moeten doen. Een rijbewijs kan voor iemand hetverschil maken tussen thuiszitten of werk kunnen aannemen, tussenafhankelijk blijven of zelf ergens kunnen komen. Hoe kijkt de Ministerhiernaar? Ziet hij ook hoe krom dit beleid is en hoe hier onnodig drempelsworden opgeworpen? Ook op dit punt kom ik met een motie, zodatmensen met een W-document sneller zelfstandig kunnen worden endaadwerkelijk kunnen participeren.Voorzitter. Goed beleid begint met mensen echt zien. Dat betekent dus ookdat je weet wat iemand kan en welke opleiding, werkervaring en ambitieiemand heeft. De Rekenkamer laat zien dat dat nu veel te vaak ontbreekt.Van een groot deel van de statushouders is het opleidingsniveauonbekend. Meedoen naar vermogen wordt dan al snel een hele mooie zinzonder inhoud. Ik vraag daarom aan de Minister hoe hij ervoor zorgt datde kennis, de ervaring en het potentieel veel beter worden meegenomenin de begeleiding van nieuwkomers. Hoe voorkomt hij dat mensen te laagworden ingeschaald of op een route terechtkomen zonder echtperspectief? De Rekenkamer is helder: het Rijk wil sturen, maar miststreefwaarden, indicatoren en samenhangende informatie. Ik heb daaromdrie laatste vragen. Komen er streefwaarden voor doorlooptijden,taalniveau en duurzame uitstroom? Welke drie knelpunten lost de Ministerdit jaar aantoonbaar op, en met welk tijdspad? En hoe maakt hij finan-ciering en resultaten inzichtelijker voor de Kamer?Voorzitter. De Rekenkamer zegt: benut het potentieel. De praktijk in debouw en in de zorg laat zien hoe dat moet, namelijk door middel van taal,werk, begeleiding én perspectief. Maak hiervan beleid. Maak daarbij éénTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 1119 keuze expliciet: als snelle uitstroom botst met duurzame integratie, kiesdan voor duurzaamheid boven schijnsnelheid. Dat is beter voor nieuw-komers, beter voor gemeenten en beter voor Nederland.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Lahlah. Dat was uw bijdrage. Ik ben de volgende opde lijst. Ik zou daarom graag aan meneer Ergin willen vragen of hij hetvoorzitterschap wil overnemen. Mevrouw Lahlah, als u misschien nogeven uw microfoon uit wil zetten.Voorzitter: ErginDe voorzitter:Het woord is aan het lid Bamenga.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Allereerst een hartelijk welkom aan de kersverseMinister van Werk en Participatie, Minister Aartsen, bij zijn eerstewetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang. Ik wens deMinister heel veel plezier en succes in zijn nieuwe functie. Ik zie ooknieuwe woordvoerders integratie vanuit verschillende partijen. Ook henwil ik heel veel succes wensen. Ik kijk uit naar een constructieve samen-werking.Voorzitter. Afgelopen vrijdag was ik bij een iftar, georganiseerd doorStichting Prisma in Eindhoven. Aan het einde van de avond werd aan eenkunstenaar de vraag gesteld wat hij beschouwde als de hoogste kunst.Deze kunstenaar zei: de kunst van het samenleven. Over deze kunstmogen wij het vandaag hebben met elkaar; de kunst van het samenleven.Voorzitter. Bij het voorbereiden van dit debat moest ik terugdenken aan deperiode dat ik nog coördinator was bij het Wereldhuis in Den Haag. HetWereldhuis was een ontmoetingsplek waar mensen langskwamen vooreen gesprek, voor advies of gewoon voor een kop koffie of thee of eenlunch. Het was een plek waar iedereen welkom was, ongeacht wie zijwaren of waar zij vandaan kwamen. Ik herinner met één man nog goed,Tenson. Tenson was een vaste bezoeker. Hij kwam. Hij dronk koffie of theeen lunchte vaak met ons mee. Hij oogde rustig, maar ook wat passief enafwachtend.Op een dag ging ik bij hem zitten en vroeg hem: Tenson, vertel eens watjouw verhaal is; wie ben jij? Hij woonde al een paar jaar in Nederland ensprak een beetje Nederlands, maar zijn Engels was uitstekend. Hij verteldemij dat hij uit Ghana was en daar heeft gewoond en dat hij daar bij eenbank heeft gewerkt. Ik vroeg hem: wat hield je werk bij de bank precies in;kun je bijvoorbeeld ook boekhouden? Hij zei: ja, dat kan ik. Ik liet hem dusons boeksysteem zien en vroeg hem of hij snapte wat daar stond. Hijmoest lachen en zei: ja, natuurlijk. Ik vroeg hem om uit te leggen wat erstond. Vervolgens legde hij mij niet alleen uit hoe het systeem werkte,maar vertelde mij ook hoe het beter kon. Ik vroeg Tenson of hij voortaanonze boekhouding wilde oppakken en dat deed hij. Ik zag vanaf datmoment iets bijzonders gebeuren bij Tenson. Hij bloeide helemaal op. Hijstond letterlijk weer rechtop. Hij was trots dat hij kon bijdragen enmeebouwen aan het succes van onze ontmoetingsplek. Hij nam verant-woordelijkheid, want hij nam de leiding over iets wat belangrijk was voorons allemaal.Voorzitter. Wat ik van Tenson heb geleerd, is hoe belangrijk het is omverhalen van mensen te kennen, om ze te vragen: wie ben je, wat wil je,wat kun je? Voor mij begint integratie bij het stellen van deze vragen.Zoals ik vaker heb gezegd bij integratiedebatten: integratie begint bij hetzien en benutten van talent, kansen bieden, obstakels wegnemen en hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11110 creëren van plekken waar mensen hun talent kunnen inzetten en zichverder kunnen ontwikkelen.Maar dit gebeurt natuurlijk niet altijd. In de praktijk zien we te vaak dattalenten niet gezien worden, niet benut worden, dat er allerlei obstakelsworden opgeworpen voor mensen om mee te kunnen doen. Of het nougaat om administratieve rompslomp of omdat mensen heel lang moetenwachten totdat ze de taal kunnen leren, op hun eigen niveau kunnenwerken of erkenning krijgen van hun diploma, we werpen onnodigeobstakels op die meedoen vanaf dag één belemmeren.Neem nou het voorbeeld van Rami Alfaouri. Rami zat in het derde jaar vanzijn specialisatie tot cardioloog toen hij met zijn gezin vluchtte voor deSyrische burgeroorlog. Hij kwam in 2015 aan in Nederland en kreeg eenjaar later zijn verblijfsvergunning. Vervolgens ging hij hard aan de slag omgoed Nederlands te leren en zijn Syrische artsendiploma erkend te krijgen.Pas na zes jaar – na zes jaar! – kon hij in Nederland beginnen aan deopleiding cardiologie. Bureaucratie en wachten waren zijn grootste vijand,allemaal verloren jaren.Het probleem is: dit verhaal van Rami staat niet op zichzelf. Gevluchteartsen die in Nederland weer willen werken als arts, moeten zo’n twee jaarwachten op de beroepsinhoudelijke toets. Deze toets biedt toegang tot deBIG-registratie en daarmee de arbeidsmarkt. Dit geldt behalve voorgevluchte artsen ook voor niet gevluchte artsen van buiten de EU die inNederland willen werken. De wachttijd is een enorm obstakel. Wat D66betreft pakken we die wachttijden aan, zodat mensen niet twee jaar of inhet geval van Rami zes jaar hoeven te wachten maar meteen mee kunnendoen. Hoe kan de Minister ervoor zorgen dat die wachttijden en andereonnodige belemmeringen worden geminimaliseerd?Voorzitter. Volgens VluchtelingenWerk start het inburgeringstraject voormensen die moeten inburgeren structureel later dan in theorie het gevalzou moeten zijn. De huisvesting duurt langer, niet iedereen start metvoorinburgering, veel mensen die gestart zijn stoppen tussentijds, hetvaststellen van het persoonlijk inburgeringsplan duurt langer danvoorzien en taallessen starten later dan bedoeld. Mijn vraag aan deMinister: heeft de Minister inzicht in de oorzaken van deze vertragingen enkan hij die aanpakken?Voorzitter. In het regeerakkoord staan mooie plannen in het kader vanmeedoen vanaf dag één. We nemen onnodige drempels zo veel mogelijkweg, zoals tewerkstellingsvergunningen. Asielzoekers met een goede kansop een verblijfsvergunning mogen sneller aan het werk en we kiezenervoor om ze daarbij te ondersteunen. Bij alle grote opvanglocatieskomen er Meedoenbalies, waar mensen worden geholpen bij hunzoektocht naar vrijwilligerswerk, een opleiding of betaald werk. Wanneerverwacht de Minister de Meedoenbalies gerealiseerd te hebben? Hoezorgt de Minister ervoor dat de onderwijsaanbieders en werkgeversworden aangehaakt? Heeft de Minister al contact met hen gezocht over ditvoornemen?Voorzitter. Meedoen vanaf dag één is belangrijk, net zoals meedoen op heteigen niveau, zowel in taal en werk als in onderwijs. Daarom is taalontwik-keling na B1-niveau ook belangrijk voor mensen die dat aankunnen. Datwordt nu te weinig gestimuleerd in de inburgeringswet. D66 is vanmening dat mensen die een hoger taalniveau aankunnen gestimuleerdzouden moeten worden om een hoger taalniveau te halen. Mijn vraag aande Minister: kan de Minister kijken welke mogelijkheden er zijn omtaalontwikkeling na B1-niveau nog meer te stimuleren?Volgens het recent uitgebrachte rapport Onbenut potentieel van deAlgemene Rekenkamer is het voor gemeenten vrijwel onmogelijk om alledoelen van de Wet inburgering en de Participatiewet uit te voeren. Zou deMinister iets kunnen vertellen over wat, wat hem betreft, het belangrijkstedoel is van inburgering? Is dat snel uit de bijstand komen, taal op hethoogste niveau, meedoen op het eigen niveau, het behalen van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11111 inburgeringsdiploma of inzet op tekortsectoren? Volgens de AlgemeneRekenkamer wordt momenteel niet geregistreerd wat de werkervaring vanstatushouders is. Ook weten we van driekwart van de statushouders nietwat hun opleidingsniveau is. Dit lijkt me wezenlijke informatie ommaatwerk te kunnen bieden, maar ook om te kijken hoe inburgerings-beleid beter aan kan sluiten bij de ambities om mee te doen op het eigenniveau. Vraag aan de Minister: kan de Minister ervoor zorgen dat weinzicht krijgen in de werkervaring en het opleidingsniveau van status-houders, zodat inburgeringsbeleid bijdraagt aan meedoen op het eigenniveau?Voorzitter. Sommige lokale inburgerings- en integratieprogramma’s zijnenorm succesvol gebleken, maar worden niet structureel gefinancierd.Kan de Minister ervoor zorgen dat succesvolle lokale projecten waarinstatushouders duurzaam naar werk worden begeleid, wordenopgeschaald? Open Hiring is een voorbeeld van een project waarover deMinister zelf in zijn brief heeft aangegeven dat het werkt. Kan de Ministertoezeggen dat ook bij Meedoenbalies aandacht wordt besteed aan OpenHiring? Kan de Minister ervoor zorgen dat deze projecten een structureelkarakter en ook de benodigde financiering krijgen?Volgens de Algemene Rekenkamer zijn de aantallen jongeren in dezelfredzaamheidsroute veel groter dan verwacht. Hoe verklaart deMinister dit? Is de Minister het eens met D66 dat het onwenselijk is dat zoveel jongeren in de Z-route deelnemen? Is de Minister bereid om te sturenop meer onderwijsmogelijkheden?Voorzitter. Ook ondernemende vluchtelingen hebben te maken metobstakels om mee te kunnen doen op niveau. Neem het voorbeeld vanSuliman uit Syrië, die daar jarenlang als schilder heeft gewerkt. Hier inNederland wil Suliman zijn eigen schildersbedrijf opzetten, maar daarvoormoet hij een lening afsluiten om een werkbus en andere benodigdhedenaan te kunnen schaffen. Helaas lukt dat niet, want geen enkele kredietver-strekker wil hem krediet verstrekken zolang hij een tijdelijke verblijfs-vergunning heeft.Dit moeten we niet willen. Deze man heeft een verblijfsvergunning en kanvanwege de tijdelijkheid van zijn verblijfsvergunning niet ondernemen. Hijloopt tegen belemmeringen aan, waardoor hij niet vanaf dag één en opzijn eigen niveau kan meedoen. Vraag aan de Minister: hoe kan deMinister ervoor zorgen dat ondernemende statushouders zoals Suliman inaanmerking komen voor krediet zodat ze een onderneming kunnenbeginnen?Voorzitter. Discriminatie is een ander obstakel dat mensen belet om huntalenten te benutten in de samenleving, om mee te doen vanaf dag één,ook op het eigen niveau. In november 2024 is een motie aangenomenwaarin ik de regering verzoek om uit te werken hoe zij arbeidsdiscrimi-natie wil bestrijden en hieraan heldere doelen te koppelen. Hieroverzouden we uiterlijk in het tweede kwartaal van 2025 worden geïnfor-meerd. Vraag: hoe gaat de Minister verder uitvoering geven aan dezemotie? Ook ben ik erg benieuwd op welke manier de Minister specifiekeaandacht voor discriminatie van moslims en mensen met een handicapkan opnemen in deze plannen. Dat bijna een derde van de moslimsdiscriminatie ervaart en mensen met een handicap bijna twee keer zo vaakwerkloos zijn, laat zien dat onze arbeidsmarkt nog steeds niet vooriedereen gelijk toegankelijk is. Ik vind het goed dat het KIS is gevraagd omeen werkgroep te starten met verschillende stakeholders waarmee actie...De voorzitter:Er is een interruptie van mevrouw Nanninga.Mevrouw Nanninga (JA21):Aangezien D66 een heel nummer maakt in dit coalitieakkoord, net als inhaar campagne, van een open en vrije samenleving, waar wij natuurlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11112 alleen maar achter kunnen staan, ben ik wel benieuwd hoe de vertegen-woordiger van D66 dan kijkt naar discriminatie door moslims. Is devertegenwoordiger van D66 het met mij eens dat bijvoorbeeld discrimi-natie van homoseksuelen vanuit de islamitische gemeenschap toch eenwat groter probleem is dan discriminatie van homoseksuelen vanuit dealgehele populatie?De heer Bamenga (D66):Ik ga niet mee in dit soort frames van mensen met een moslimachter-grond. Discriminatie moet, ongeacht waar die vandaan komt, wordenaangepakt.De voorzitter:Dat geeft mevrouw Nanninga aanleiding tot een tweede interruptie.Mevrouw Nanninga (JA21):Wás het maar een frame! Ik heb ook cijfers hoor, als meneer Bamenga mijbeschuldigt van framing. 53% van de Nederlandse moslims vindthomoseksualiteit verkeerd. 75% wijst het af als zijn of haar kind met eenhomoseksuele partner zou thuiskomen. Dat is natuurlijk een groot gebrekin de integratie van deze mensen. 70% van de moslims vindt dat deislamitische wet boven de Nederlandse wet gaat. Nogmaals, als we dieopen en vrije samenleving als doel hebben – nogmaals, dat deel ikecht – wat gaat D66 daar dan aan doen?De heer Bamenga (D66):Wat ik bedoel met frames is: als bepaalde minderheden worden ingezetom andere minderheden mee te slaan. Dat is precies wat mevrouwNanninga doet en daar ga ik gewoon niet in mee. Discriminatie moetaangepakt worden, ongeacht waar die vandaan komt. Daar staan wij voor.De voorzitter:Mevrouw Nanninga voor haar derde interruptie.Mevrouw Nanninga (JA21):Dit is natuurlijk een beetje raar theater dat hier wordt gemaakt door deheer Bamenga van D66. Ik sla helemaal niemand. Ik kom op voor devrijheid van mensen om zichzelf te mogen zijn, waar een grote groep inonze samenleving, namelijk Nederlandse moslims, blijkens gewoon hardecijfers grote moeite mee heeft. Ik hoor meneer Bamenga zeggen dat datontzettend vervelend is en dat we iedere vorm van discriminatie aanmoeten pakken. Mijn vraag is dus heel concreet – hij kan ’m zoinkoppen – wat we dan gaan doen aan deze vorm van discriminatie. Danalleen maar mij beschuldigen van dingen, terwijl ik geen vlieg kwaad doe,is natuurlijk een beetje gek.De voorzitter:De heer Bamenga voor zijn reactie.De heer Bamenga (D66):Mevrouw Nanninga vraagt mij: wat gaan we doen aan discriminatie?Volgens mij staan er pagina’s vol in het regeerakkoord over op welkemanier wij discriminatie gaan aanpakken. Daarin maken we geenonderscheid naar waar het vandaan komt, of het nou vanuit het extreem-rechtse komt – die gaan we zeker aanpakken – of ongeacht waar anders,daar hebben we gewoon maatregelen voor. Die staan gewoon genoemdin het regeerakkoord. Zo gaan we ervoor zorgen dat de NCDR, deNationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, in de wet wordtopgenomen en versterkt wordt. Zo zetten we ook in op versterking van deNCAB, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, en opnameTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11113 daarvan in de wet. Zo zorgen we ervoor dat etnisch profileren wordtaangepakt. Er zijn tal van maatregelen op basis waarvan wij allerleivormen van discriminatie gaan aanpakken. Wat we absoluut niet doen, isgaan wijzen naar bepaalde bevolkingsgroepen hier en zeggen: zijdiscrimineren meer dan anderen en daarom moet daar iets extra’s gaangebeuren. Dat gaan we absoluut niet doen.De voorzitter:Uw punt is duidelijk. U vervolgt uw betoog.De heer Bamenga (D66):Voorzitter. Ik vind het goed dat het KIS is gevraagd om een werkgroep testarten met verschillende stakeholders om daarmee actiegerichteinterventies om moslimdiscriminatie te bestrijden in kaart te brengen.Tegelijkertijd voelen dergelijke onderzoeken of verkenningen toch als:uitstel, uitstel, uitstel. Wanneer kunnen we van de Minister resultatenverwachten om moslimdiscriminatie aan te pakken en niet alleen om tewerken aan verkenningen naar mogelijke oplossingen?Voorzitter. Gezien het onrecht dat mensen wordt aangedaan en hetenorme verlies van talent doordat mensen op de arbeidsmarkt wordengediscrimineerd, vind ik dat we er alles aan moeten doen om dit tebestrijden. In het kader hiervan spreek ik graag mijn waardering uit naarmijn collega van DENK de heer Ergin voor zijn initiatiefwetsvoorstel omarbeidsmarktdiscriminatie tegen te gaan. Ik kijk uit naar de behandelingvan dit voorstel.Voorzitter. Op 4 november 2025 was ik aanwezig bij de aftrap van denationale dialoog. Het was een bijzondere middag waar mensen elkaarontmoetten en waar het gesprek werd geopend over spannende onder-werpen die gemeenschappen verschillend kunnen raken. Via de dialoogwordt er ook een relevanter netwerk gebouwd van sleutelpersonen, diedraagvlak hebben binnen hun eigen gemeenschap. Zeker op momentendat er spanningen zijn, is het belangrijk dat dit netwerk bij elkaar kankomen, visies kan delen en verbinding in de samenleving kan bevorderen.Kan de Minister wat delen over de eerste bevindingen van de nationaledialoog? Is de Minister het met mij eens dat dit soort initiatieven echt hetverschil kunnen maken wanneer ze ook ingezet worden als er spanningenin de samenleving komen? Zo ja, wordt dit dan regelmatig georganiseerden wordt het als structureel onderdeel van het beleid ingezet, zoals eeneerdere motie van mij heeft verzocht?Voorzitter, tot slot. De kern van mijn verhaal is dat integratie begint bij hetzien en benutten van talent. Dat is kansen bieden, obstakels wegnemen enhet bieden van een platform aan mensen om zich verder te ontwikkelen.Daar hebben we iedereen bij nodig, want integratie vraagt om inzet vanons allemaal. Ik wil graag afronden met de woorden van Gürkan Çelik:«Mijn Nederland van de toekomst is een land waar verschillen tussenmensen geen grenzen vormen maar bruggen slaan en bronnen zijn omvan elkaar te leren en samen te groeien. Een land waarin iedereenmeetelt, iedereen meedoet en iedereen als volwaardig burger wordtgezien.»Dank u wel.De voorzitter:Dan is er nog een interruptie van mevrouw Lahlah.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Ik dank de heer Bamenga voor zijn bijdrage, in het bijzonder voor deverhalen van de mensen die hij spreekt. Het had zo een bijdrage van mijkunnen zijn. Daarom zou ik graag aan de heer Bamenga willen vragen ofhij vindt dat de nieuwe coalitie wat hem betreft voldoende doet ommeedoen mogelijk te maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11114 De heer Bamenga (D66):Ik heb zojuist ook aangegeven dat wij heel erg blij zijn met de passages inhet regeerakkoord die daarover gaan en met de plannen die er zijn ommeedoen mogelijk te maken. Maar u heeft ook mijn vragen gehoord. Datbetekent dat er nog echt wel wat werk te doen is om dat daadwerkelijkmogelijk te maken.De voorzitter:Mevrouw Lahlah voor haar tweede interruptie.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Dat was een matige reflectie, maar goed, ik de vraag, u het antwoord. Deheer Bamenga heeft natuurlijk een paar keer aangegeven dat hij taal enwerk belangrijk vindt. Dat delen wij. Is hij het dan ook eens metGroenLinks-PvdA dat bezuinigen op vroege integratie en participatieprecies het tegenovergestelde doet van wat hij eigenlijk lijkt te zeggen ofvan wat de politiek zegt te willen? Ik heb hier namelijk geen geld voorgevonden in de begroting, ondanks die hele mooie woorden. Misschienkan de heer Bamenga daarop reflecteren.De heer Bamenga (D66):Jammer dat mevrouw Lahlah het matig vond. Ik had de indruk dat ik eenantwoord gaf op de vraag die gesteld werd en dat we wat dat betreft juistop één lijn staan. Ik denk dat het juist als het gaat om taal ontzettendbelangrijk is dat we ervoor zorgen dat mensen vanaf dag één op het juistetaalniveau onderwezen worden. Ik bedoel: ik heb het zelf meegemaakt.Toen ik hier als asielzoeker kwam, zoveel jaren geleden, heb ik in iedergeval de kans gekregen om vanaf dag één die taal te leren. Binnen eenjaar mocht ik naar een reguliere basisschool gaan. Dat heeft mijontzettend geholpen voor de rest van mijn carrière. Ik gun iedereen dat zedaadwerkelijk vanaf het eerste moment dat ze in Nederland zijn ookmeteen die taal kunnen leren. Dat is op dit moment gewoon nog niet hetgeval. Daarom komen wij dus ook met al dat soort maatregelen, met deMeedoenbalie en noem het maar op. Ook als het gaat om werk, is het,denk ik, heel erg belangrijk dat we heel goed gaan kijken naar wat mensenkunnen. Daarom kwam ik ook met mijn verhaal. Ik wil dat we ook dievraag durven stellen: wie ben jij, wat wil je en wat kun je? Ik wil dat wedaadwerkelijk inzicht krijgen in de competenties die mensen hebben. Dathoorde ik ook in mevrouw Lahlahs eigen verhaal. Ik denk dat hetontzettend belangrijk is. Ik heb die vragen ook gesteld, zodat dit soortinitiatieven geen tijdelijk karakter krijgen, maar juist een structureelkarakter, en dat ze ook de goede financiering krijgen. Volgens mij sta ikdus juist aan uw zijde om ervoor te zorgen dat dat ook daadwerkelijk gaatgebeuren. Ik denk namelijk dat op het moment dat we dat niet doen enhun talenten onvoldoende ingezet worden en niet benut worden, het demensen zelf heel veel gaat kosten, maar het ook de samenleving heel veelgaat kosten. Misschien is dat een iets uitgebreider antwoord en hopelijkniet zo matig als dat u het net vond.De voorzitter:Kennelijk niet, want mevrouw Lahlah heeft nog een derde interruptie.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Nog een laatste vraag. Ik ga het toch nog een keer proberen, hoewel dereflectie aardig tegemoetkwam. Hoe geloofwaardig is dat verhaal alsgemeenten tekorten hebben, de inburgering vertraagt, mensen nietfatsoenlijk kunnen beginnen en er geen geld is voor vroege integratie enparticipatie? Nogmaals, ik heb het niet kunnen vinden in de begroting.Hoe reflecteert de heer Bamenga daarop?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11115 De heer Bamenga (D66):Ik probeer voorbij al deze uitdagingen te kijken. Als er uitdagingenzijn – die formuleerde ik ook in mijn eigen bijdrage – dan wil ik juist opzoek gaan naar mogelijkheden om zaken wel mogelijk te maken. Het ismeer mijn houding om daar op een positieve manier in te staan en devraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat de doelstellingen die we hebbenom mensen mee te laten doen vanaf dag één, te zien als een uitdaging. Ikvind het dus wel geloofwaardig. De plannen staan er, maar dat betekentniet dat er geen obstakels zijn om die plannen daadwerkelijk te realiseren.Van die obstakels zeg ik: wij willen die aanpakken; laten we dat samendoen.De voorzitter:U vervolgt uw betoog. U was klaar? Dan krijgt u van mij het voorzitter-schap per direct terug.Voorzitter: BamengaDe voorzitter:Dank u wel, meneer Ergin, voor het overnemen van het voorzitterschap.Dan ga ik over naar de volgende spreker. Dat is de heer Boon.De heer Boon (PVV):Dank u wel, voorzitter. We raken ons land steeds verder kwijt. Weverliezen stap voor stap onze Nederlandse identiteit, onze normen en onzemanier van leven. Nederlanders herkennen hun eigen wijken niet meer.Wat ooit normaal was, is dat niet meer. Wat ooit veilig was, is dat nietmeer. Dit is een direct gevolg van jarenlange massa-immigratie enislamisering, bewust doorgedrukt door links en liberaal Nederland, tegende wil van de Nederlandse bevolking in. In plaats van samenleven zijn erparallelle samenlevingen ontstaan, wijken waar Nederlandse normen nietmeer gelden, waar het gezag ontbreekt en waar intimidatie en agressie detoon zetten. De overheid faalt, laat de gewone Nederlanders in de steek,kijkt weg, tolereert wanorde en durft vaak niet hard op te treden uit angstom voor racist uitgemaakt te worden. Handhaving maakt plaats voorexcuses.Het resultaat is zichtbaar: wijken waar wij, Nederlanders, ons niet meerthuis voelen. Toch werd ons jarenlang hetzelfde sprookje verteld:integratie zou vanzelf komen. Linkse politici hielden ons voor datdiversiteit onze kracht zou zijn. Dit zijn leugens die hebben geleid totsegregatie, verloedering en een verscheurde samenleving. TerwijlNederland zichtbaar veranderde, kregen Nederlanders steeds hetzelfdeantwoord: nog een actieplan, nog een commissie, nog een rapport, nogmeer belastinggeld. En telkens weer werd beloofd dat het nu echt zougaan werken, terwijl iedereen ziet dat dit integratiebeleid niet werkt.Nu, na decennia van dit beleid, kunnen we de balans opmaken: deintegratie is mislukt. Iedereen weet het, iedereen ziet het, iedereen voelthet. Ja, zelfs de politieke elite kon het na de Jodenjacht in Amsterdam nietlanger ontkennen en moest erkennen dat Nederland een groot integratie-probleem heeft, dat een groot deel van de islamitische jongeren deNederlandse normen en waarden niet onderschrijft, dat er sprake is vaneen fundamentele afwijzing van onze samenleving. Maar die eerlijkheidvan de politieke elite hield minder dan een week stand. Al snel begon hetterugkrabbelen. De waarheid werd opnieuw verzwegen. Harde conclusieswerden teruggedraaid en opnieuw durfde men de islam niet als oorzaak tebenoemen. Wat daarna gebeurde, was voorspelbaar en een inmiddelsbekend politiek correct patroon: daders werden tot slachtoffers verklaard,bestuurders en politici belegden Catshuissessies waar krokodillentranenwerden gehuild over polarisatie en gekwetste gevoelens, terwijl de echteslachtoffers, Joden en de Nederlanders, werden genegeerd. Ook de mediaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11116 deden gretig mee. Wie de waarheid bleef benoemen, werd weggezet alsracist, als extremist, als het probleem zelf. Niet de daders maar wij kregende schuld.Zolang de oorzaak onbespreekbaar blijft, verandert er niets. Daaromzwijgt de PVV niet en benoemen wij de roze olifant in deze Kamer wél. Deislam vormt de grootste, existentiële bedreiging voor onze vrijheid, onzecultuur, onze waarden en onze rechtsstaat. De islam is de grootstebedreiging voor de veiligheid van vrouwen, van joden, van christenen,van ongelovigen, van afvalligen, van homoseksuelen, van alleniet-moslims. Die bedreiging groeit, dag na dag, jaar na jaar, niet vanzelfmaar door beleid dat doorgaat, door grenzen die openblijven, door eenpolitieke elite die weigert in te grijpen.Voorzitter. Inmiddels wordt de islamisering niet eens meer ontkend; zijwordt openlijk gepromoot. De Amsterdamse lijsttrekker van DENK,Sheher Khan, verklaarde onlangs dat Nederland volgens hem wel watislamisering kan gebruiken. Laat dat even tot u doordringen: een politicusin Nederland pleit openlijk voor de islamisering van ons land. Dus minderNederland, minder vrijheden, meer islamitische invloed en uiteindelijk deinvoering van de sharia. Ze willen geen integratie, maar islamisering. Endat past precies bij de ontwikkeling die we al jaren zien: de islam groeithard, Nederland vormt daarop geen uitzondering. Volgens Jan Latten zalNederland rond 2050 bij ongewijzigd migratiebeleid 3 tot 4 miljoenislamitische inwoners hebben. Deze demografische verandering is albegonnen. Onder jongeren tot 25 jaar is de islam inmiddels de grootstereligie van Nederland. Daarnaast voorspellen prognoses van onderanderen de heer Jan van de Beek dat de islam binnen ongeveer 25 jaar degrootste religie in Nederland zal worden. Daarom vraag ik de Minister:wilt u, of willen uw kinderen, in een Nederland wonen waar de islam degrootste religie is, ja of nee?Met de groei van de islam groeit ook de sharia. Uit onderzoek blijkt dat70% van de moslims in Nederland de religieuze wetten, dus de sharia,belangrijker vindt dan onze wetten. Dat betekent dat de meerderheid onzevrijheden wil afpakken en onze democratie wil afschaffen. En dat isprecies wat je ziet: overal waar de islam verschijnt, verdwijnt vrijheid. Deislam laat zich niet integreren, omdat hij geen gelijkwaardigheid kent. Wiegeen moslim is, is minderwaardig. Het gaat niet om samenleven, maarom onderwerping. Die onderwerping geldt niet alleen voor gelovigen,maar voor iedereen, ook voor niet-moslims. De sharia is daarbij hétinstrument.Deze islamitische wetten beperken zich niet tot het religieuze privéleven,maar nemen de hele samenleving, het recht en het bestuur als geheelover. Daarmee staat de islam lijnrecht tegenover onze vrijheden, want hijis gericht op de afschaffing van onze democratie. Ook het Europees Hofvan de Rechten van de Mens heeft dit vastgesteld. Het hof oordeelde datshariawetgeving onverenigbaar is met de fundamentele waarden van dedemocratische rechtsstaat. Luister goed, voorzitter, zélfs het Europees Hofvoor de Rechten van de Mens zegt: sharia en democratie gaan niet samen.Integratie is dus onmogelijk, omdat de islam onze democratischerechtsorde afwijst. En de gevolgen daarvan zien we wereldwijd op groteschaal: homoseksuelen, andersgelovigen, ongelovigen en afvalligenworden opgejaagd, mishandeld of vermoord; vrijheid van meningsuitingbestaat niet, wie kritiek levert op de islam wordt bedreigd, geïntimideerdof erger. Wereldwijd vormt de islam dé voedingsbodem voor extremisme,onderdrukking en terreur.Die verschrikkelijke gevolgen zien we ook in Nederland. Kijk naar deexplosieve toename van antisemitisme in Nederland. Joden wordenbedreigd, geïntimideerd en belaagd. Dat zagen we recent nog bij deJodenjacht in Amsterdam, waar Joden doelbewust werden opgezocht enaangevallen. Deze Jodenhaat blijft niet beperkt tot de straat, die dringt ookdiep door tot in onze scholen. Er zijn situaties gemeld waarin JoodseTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11117 gastsprekers een klas binnenlopen en door leerlingen met «Allahoeakbar!» worden ontvangen. In andere gevallen werd openlijk geroependat alle Joden dood moeten. Antisemitische complottheorieën circulerenvrijuit. De Holocaust wordt gebagatelliseerd of zelfs goedgepraat.Docenten geven aan dat zij steeds terughoudender worden om hetonderwerp te behandelen, uit angst voor reacties van leerlingen enouders. Daarom vraag ik aan de Minister: erkent hij dat antisemitisme inNederland mogelijk mede wordt gevoed door de islamitische bronnen enopvattingen, en dat dit integratie onmogelijk maakt? Welke concretemaatregelen neemt hij om antisemitisme als integratieprobleem aan tepakken?Voorzitter. Dit geweld beperkt zich niet alleen tot joden. Het is gerichttegen iedereen die de islam durft te bekritiseren. Het meest zichtbarevoorbeeld daarvan is de permanente bedreiging van Geert Wilders. Almeer dan twintig jaar leeft mijn fractievoorzitter onder zware bewaking.Sinds 2004 wordt hij geconfronteerd met duizenden doodsbedreigingenen meerdere fatwa’s. Zijn vrijheid is hem afgenomen, omdat hij de islamopenblijk bekritiseert.Ik noem ook Theo van Gogh. Hij werd op klaarlichte dag in Amsterdamvermoord uit naam van de islam. Hij werd publiekelijk afgeslacht doorMohammed Bouyeri om één boodschap duidelijk te maken: wie de islambekritiseert en wie zijn mond opendoet, wordt het zwijgen opgelegd. Datis wat deze ideologie doet met de vrijheid van meningsuiting.Maar de dwang gaat verder. De islam is een ideologie waar je niet uit kanstappen. Je kán er niet mee stoppen. Afvalligheid wordt bestraft met dedood. Uittreden is geen optie. Zo zien we ook in Nederland wat ditbetekent. De 18-jarige Ryan uit Joure werd door haar vader en tweebroers vermoord. De rechtbank oordeelde dat er sprake was vaneerwraak. Haar te westerse levensstijl was het motief. Ze droeg geenhoofddoek, gebruikte make-up en was actief op TikTok. Ze werd vermoordomdat ze haar eigen leven wilde leiden. Dit is islamitische eerwraak. Dit isde sharia in de praktijk.Het is geen uitzondering. Afgelopen januari bedreigde in Meppel een51-jarige Syrische statushouder zijn minderjarige dochter met de dood,omdat zij volgens hem te westers was. Zij weigerde onderwerping aan deislamitische regels. Het gevolg is dat zij nu ondergedoken moet leven. Ditzijn geen misverstanden. Dit zijn geen incidenten. Dit is de sharia in depraktijk. Dit is islamisering.Dan kom ik tot mijn vraag aan de Minister. Blijft hij wegkijken of durft hijeindelijk te erkennen dat de islam niet bij Nederland hoort? Erkent hij datintegratie een illusie is zolang de islam buiten schot blijft? Durft hijde-islamisering eindelijk onderdeel te maken van het integratiebeleid inplaats van vast te houden aan het mislukte wensdenken dat ons tot hierheeft gebracht? De PVV vindt dat de tijd van praten voorbij is. De tijd vanverandering is aangebroken. Woorden, plannen en goeie bedoelingenhebben ons decennialang niets opgeleverd. Het is tijd voor hardemaatregelen. Daarom legt de PVV zes concrete voorstellen op tafel.Het eerste voorstel is: sluit alle islamitische scholen. Op islamitischescholen wordt de sharia al op jonge leeftijd in de hoofden van kinderengeplant. Daar leren kinderen dat vrouwen, joden, homoseksuelen enniet-gelovigen minderwaardig zijn. Daar leren zij zich af te keren van onzesamenleving en geen vriendschappen te sluiten met christenen en joden.Wie wil zien wat dit in de praktijk betekent, hoeft alleen te kijken naar hetCornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Tijdens schoolpauzes verandert deomgeving rond deze school in een islamitische no-goarea. Buurtbewonersworden geïntimideerd, bespuugd en met stenen bekogeld. Bewonersdurven hun straat niet meer normaal te gebruiken, en sommigen zijn zelfsverhuisd. Zij beschrijven het gevoel dat er een eigen staat wordtopgebouwd, los van de Nederlandse samenleving. Dat is geen incident,dat is geen toeval; dat is aangeleerd. In de sharia worden niet-gelovigenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11118 als minderwaardig gezien. Dat wordt op islamitische scholen aan kinderendoorgegeven.Voorzitter. Dit gaat alleen maar erger worden. Het islamitisch onderwijsgroeit explosief. In 2026 is bijna twee derde van alle nieuwe basisscholenislamitisch. Nederland telt inmiddels bijna 100 islamitische scholen. Datbetekent meer segregatie, meer parallelle samenlevingen en geenintegratie. Dit moet en ja, dit kan gestopt worden. De vrijheid vangodsdienst en de vrijheid van onderwijs zijn niet onbeperkt. Zij eindigenwaar antidemocratische ideeën aan kinderen worden overgedragen. Alszelfs het Europese Hof vaststelt dat de sharia onverenigbaar is met dekern van de democratische rechtsstaat, dan is het onacceptabel omsharia-ideeën via het onderwijs aan kinderen door te geven. Islamitischonderwijs verdient daarom geen bescherming maar moet wordenverboden. De vraag aan de Minister is: is hij bereid om islamitischeonderwijs te verbieden, ja of nee?Voorzitter. Islamisering stopt niet bij islamitische scholen. Die dringtinmiddels ook door in het openbaar onderwijs. Beroepsmoslims voereneen juridische jihad om het inrichten van islamitische gebedsruimtes af tedwingen op openbare scholen. Rechters gaan daarin mee. Zo wordtneutraliteit niet beschermd maar juist afgebroken. Dat wordt gepresen-teerd als integratie, maar is in werkelijkheid capitulatie. Daarom tweevragen aan de Minister. Erkend hij dat deze rechterlijke lijn de neutraliteitvan het openbaar onderwijs ondermijnt en integratie juist bemoeilijkt? Ishij bereid om ondubbelzinnig vast te leggen dat openbare scholen geenislamitische gebedsruimtes hoeven toe te staan, ja of nee?Beroepsmoslims beperken zich niet tot de rechtszaal. Ook via rapportenen zogenaamd onderzoek proberen zij het beeld te creëren dat Nederlandeen groot moslimdiscriminatieprobleem heeft. Neem het rapportOpgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving, medegefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken. Dat onderzoek werdóók gefinancierd door de Islamitische Stichting Nederland, onderdeel vanDiyanet, het religieuze staatsorgaan van Erdogan. Minister, waarom staanwe dit toe? Dit is toch ongewenste buitenlandse beïnvloeding?Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. Kijk naar het zogenaamdeNationaal onderzoek moslimdiscriminatie. Daarvoor werden 44 beroeps-moslims geselecteerd. Een flutonderzoek. Geen wetenschap, maaractivisme. Dat, terwijl een groot deel van die zogenaamde moslimdiscri-minatie in werkelijkheid niets anders is dan het groeiende verzet vanNederlanders tegen de islamisering van onze scholen, bedrijven eninstellingen. Denk aan hoofddoeken, gebedsruimtes, ramadanaanpas-singen en alle andere shariaeisen waarmee onze samenleving stukje bijbeetje wordt overgenomen. Ziet de Minister dit ook, of blijft hij dit verzettegen islamisering framen als discriminatie?Het tweede voorstel is een wettelijk verbod op het dragen van islamitischehoofdbedekking door minderjarige meisjes in het onderwijs, eenmaatregel die ook in Oostenrijk bestaat. De islamitische hoofddoek isgeen onschuldig kledingstuk, maar een islamitisch symbool van deminderwaardigheid van de vrouw.Voorzitter. Laat ik duidelijk zijn. Het verschil tussen de hoofddoek, de nikaben de boerka zit ’m niet in de betekenis, maar uitsluitend in dehoeveelheid textiel. In alle gevallen staat de islamitische sluier symboolvoor dezelfde onderdrukking. Meisjes worden al op jonge leeftijd in hetkeurslijf van de islam geduwd. Wie zich bedekt, hoort erbij. Wie datweigert, wordt onder druk gezet, geïntimideerd en buitengesloten. Zoverdwijnen vrijheid en gelijkwaardigheid van onze schoolpleinen enontstaan gesegregeerde zones.Dit is geen theorie, maar keiharde realiteit. Dat bleek onder andere inBelgië: op het Antwerpse atheneum nam de islamitische groepsdruk deschool over. Meisjes werden structureel gedwongen een hoofddoek tedragen. Wie weigerde, werd geïntimideerd. Van keuzevrijheid was geenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11119 sprake meer. De schoolleiding moest erkennen dat meisjes hun vrijheidkwijt waren en zag zich genoodzaakt een verbod in te stellen om de ordeen veiligheid te herstellen.Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dit beeld. Socioloog RuudKoopmans laat zien dat het dragen van de islamitische hoofddoeksamenhangt met sterkere fundamentalistische opvattingen, vijandigheidtegen de westerse samenleving en antisemitisme. Waarom beschermt deoverheid kinderen wel tegen alcohol en sigaretten, maar niet tegen deonderdrukking van de islamitische hoofddoek? De PVV is hier glashelderover: islamitische onderdrukking hoort niet thuis op Nederlandse scholen.Is de Minister bereid een wettelijk verbod te steunen op islamitischehoofdbedekking voor minderjarige meisjes in het onderwijs, vergelijkbaarmet de maatregel die eerder in Oostenrijk is ingevoerd? Ja of nee?Het derde voorstel: het verbieden van de Moslimbroederschap inNederland. Deze internationale islamitische beweging werkt niet aanintegratie, maar aan machtsopbouw en islamisering van binnenuit. Viascholen, moskeeën, maatschappelijke organisaties en politiekebeïnvloeding wordt toegewerkt naar één doel: de invoering van de sharia.Veiligheidsdiensten waarschuwen er al langer voor dat dit gebeurt via eennetwerk van gelieerde organisaties, bewust onder de radar. Frankrijk heeftdie dreiging inmiddels onderkend en het parlement heeft een resolutieaangenomen om de Moslimbroederschap op de EU-terrorismelijst tezetten. Maar ook buiten Europa worden stappen gezet. In de VerenigdeStaten hebben deelstaten als Florida en Texas maatregelen genomen enverboden ingesteld tegen organisaties die gelieerd zijn aan de Moslim-broederschap.Daarom mijn vragen aan de Minister. Erkent hij dat de Moslimbroeder-schap en aan haar gelieerde organisaties onverenigbaar zijn met onzedemocratische rechtsstaat? Is hij bereid de Moslimbroederschap en aanhaar gelieerde organisaties in Nederland te verbieden, ja of nee? Hetvierde voorstel: een verplichte remigratiemaatregel. Personen met eendubbele nationaliteit, die onherroepelijk zijn veroordeeld voor één ernstigmisdrijf worden na het uitzitten van een straf gedenaturaliseerd en zonderpardon Nederland uitgezet. De PVV vindt dat wie zich met een dubbelenationaliteit schuldig maakt aan één ernstig misdrijf, zijn recht om inNederland te blijven definitief heeft verspeeld. Kijk alleen maar naar decijfers over seksuele uitbuiting. Bijna 90% van de daders heeft eenmigratieachtergrond en valt na het uitzitten van de straf terug in oudgedrag. De slachtoffers zijn vaak kinderen; onze kinderen. Het zijn meisjesvan veertien jaar of jonger, die onherstelbaar worden beschadigd. Ook bijseksuele misdrijven zien we een schokkend patroon. Mannen uitasiel-herkomstlanden zijn zéér sterk vertegenwoordigd als verdachte.De voorzitter:Volgens mij is er een interruptie van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Ik heb echt met veel moeite geluisterd naar dit vreselijke verhaal. Ik hadeerst gedacht dat ik het einde van het verhaal van de heer Boon zouafwachten, maar hij heeft het nu over «onze meisjes», alsof mensen meteen migratieachtergrond lelijke dingen doen met meisjes uit Nederland. Ikheb echter een lijst bij me met allemaal criminele akkefietjes van PVV’ers.Dat zijn uw partijgenoten. Het is een lijst met meer dan honderdincidenten. Er is bijvoorbeeld sprake van oplichting via een Hongaarsepornosite, van drugshandel aan minderjarigen, van een PVV’er die seksheeft gezocht met drie minderjarige meisjes vanaf veertien jaar tegen gelden cocaïne. Als we een probleem hebben in Nederland, waarbij groepenzich misdragen en waarbij groepen een probleem vormen richting meisjesmet strafbaar, seksueel grensoverschrijdend gedrag, zijn dat PVV-politiciwel! Het zijn niet de mensen met een migratieachtergrond die iedere dagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11120 opnieuw keihard hun best doen om het beste van hun leven te maken inNederland. Ziet de heer Boon dat niet in?De heer Boon (PVV):De PVV is heel duidelijk: iedereen die seksueel overschrijdend gedragveroorzaakt en daarvoor wordt veroordeeld, moet kei- en keihard wordenaangepakt. Of die man uit Amsterdam komt en al honderd jaar inNederland woont, dat interesseert mij helemaal niets. Keihard aanpakken!In het PVV-partijprogramma staat dat wij dit soort mensen chemischwillen castreren. Het kan ons niet hard genoeg zijn. Wie het ook is: keihardaanpakken.De heer Ergin (DENK):Ik betrap de heer Boon voor het eerst op een genuanceerde mening in ditdebat. Waar het hierom gaat, is dat de PVV continu wijst naar moslims alséén groep. De PVV wijst continu naar mensen met een migratieachter-grond, alsof ze erop uit zijn om Nederland kapot te maken. Alsof diemensen erop uit zijn om Nederland te beschadigen, of om ons Neder-landse staatsbestel omver te werpen. Als we het hebben over hetintegratieprobleem, dan is de PVV het probleem. In het betoog dat u nethebt afgevuurd, dat u hebt staan voorlezen, gooit u de halve Grondwetweg. U bent haat aan het zaaien. U bent een handelaar in angst. U zetmensen tegen elkaar op. In alles wat u hier doet met uw gedrag, bent uon-Nederlands bezig. Als we in dit land een integratieprobleem hebben,dan hebben we geen probleem met de islam, maar met de PVV’ers dieweigeren om Nederlandse normen en waarden te accepteren.De heer Boon (PVV):Ik laat me niet zeggen dat ik de Grondwet in de prullenbak gooi. Ik benjuist degene die keihard aan het vechten is om de Grondwet te behouden.U zegt: ze willen Nederland niet omverwerpen. Nou, u heeft de missie vande Moslimbroederschap waarschijnlijk niet gelezen, of u doet nu net of udie niet kent. Het is juist de missie van de Moslimbroederschap,waartegen ik aan het strijden ben. Alles wat u zegt, sorry, maar datverwerp ik. De Grondwet is juist in veilige handen in Nederland. Wijbeschermen de Grondwet, maar de Grondwet is niet oneindig. Als je haatplant in de hoofden van kleine kinderen, dan kun je niet zeggen dat hetbeschermd wordt door de Grondwet. Nee, de Grondwet kent uitzonde-ringen en daar willen wij gebruik van maken om die kinderen tebeschermen.De voorzitter:Nog een interruptie van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Wat hier aan de hand is, is dat we in Nederland meer dan een miljoenNederlandse moslims hebben. Zij eisen hun plek in de samenleving op. Zeorganiseren iftars, ze eisen hun levensrechten op in dit land. En dan komtde PVV met een tirade, eigenlijk met een scheldkanonnade op moslims,omdat ze hun rechten opeisen. Tuurlijk gaan ze dat doen. Tuurlijk makenmensen die in dit land wonen gebruik van hun rechten. Ik ben trots op aldie mensen die opstaan en die de iftars organiseren, die bijdragen aan deNederlandse samenleving, die arts worden, die in de bouw werken, diebijdragen aan Nederland. Als we het over problemen hebben, hebben wehier een PVV die de realiteit totaal is kwijtgeraakt, die allerlei voorstellendoet en bijdragen heeft die totaal on-Nederlands zijn, terwijl we allemaalweten dat de toekomst van Nederland superdivers is. Al die moslims waarde heer Boon nu op afgeeft, zijn trots op Nederland. Zij eisen hun plek op.Sterker nog, zij zijn de toekomst van Nederland. De heer Boon kan er maarbeter aan wennen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11121 De heer Boon (PVV):Wij gaan er zeker niet aan wennen. Als we naar de feiten gaan kijken, wilik ook echt met u naar de feiten kijken. Uit onderzoek van de heerKoopmans blijkt dat 70% van de moslims zegt: wij vinden religieuzewetten belangrijker dan nationale wetten. U zegt dat we het over 1 miljoenmensen hebben. Laten we er 70% van pakken. Dat zijn 700.000 mensen. Uzegt dat die mensen rechten hebben. Zij hebben geen recht om Nederlandte onderwerpen. Zij hebben geen recht om onze vrijheden af te schaffen.Zij hebben geen recht om de sharia in te voeren. En dan kunt u zeggen«wen er maar aan». Nee, daar zal de PVV nooit aan wennen. Al zou ik delaatste zijn die ertegen moet strijden, ik zal eeuwig blijven strijden tegende invoering van de sharia. Ik zal eeuwig blijven strijden tegen deonderwerping van onze vrijheden. Daar kunt u van op aan. Dat zal de PVValtijd blijven doen. Daar wennen wij nooit aan.De voorzitter:Dank u wel voor uw reactie. U vervolgt uw betoog.De heer Boon (PVV):Ik ga terug naar dit prachtige verhaal. Mannen uit asielherkomstlandenzijn sterk oververtegenwoordigd als verdachte bij seksuele misdrijven.Tussen 2014 en 2023 werden Syrische mannen bijna 4,5 keer vaker,Eritrese mannen 7,5 keer vaker, Iraakse mannen 8,5 keer vaker – het gaatnog verder hoor, mensen – Afghaanse mannen 11 keer vaker enSomalische mannen zelfs 20 keer vaker verdacht dan Nederlanders. 20keer vaker! En het blijft niet beperkt tot één type delict. Zij zijn disproporti-oneel oververtegenwoordigd in bijna alle categorieën, van seksuelemisdrijven en mishandeling tot drugscriminaliteit en vuurwapendelicten.Deze feiten laten zien dat onze samenleving onvoldoende wordtbeschermd en dat het huidige beleid tekortschiet. Daarom kiest de PVVvoor zero tolerance. Nederland is geen vrijplaats voor geweld en misbruik.Wie hier te gast is, houdt zich aan onze wetten. Wie een ernstig misdrijfpleegt, vertrekt. Is de Minister bereid een verplichte remigratiemaatregelin te voeren en indien nodig internationale verdragen op te zeggen, zodatcriminelen met een dubbele nationaliteit, die onherroepelijk zijn veroor-deeld voor een ernstig misdrijf, na het uitzitten van hun straf hunNederlandse nationaliteit verliezen en worden uitgezet? Ja of nee?Het vijfde voorstel is een vrijwillige remigratiemaatregel voor mensen meteen dubbele nationaliteit. Wie de sharia boven onze samenleving stelt enweigert te integreren, helpen wij Nederland te verlaten. De voorwaardenzijn helder: afstand doen van het Nederlandse staatsburgerschap,Nederland definitief verlaten, vrijwillig maar onomkeerbaar. Is de Ministerbereid deze vrijwillige remigratiemaatregel in te voeren? Ja of nee?De PVV wil keiharde eisen stellen aan inburgering. Inburgering is geenrecht. Het is geen cadeau, maar een plicht. Wie in Nederland wil wonen,leert onze taal, respecteert onze regels en past zich aan. Is de Ministerbereid om in het inburgeringsexamen inzake kennis van de Nederlandsemaatschappij expliciet op te nemen dat er in Nederland geen plaats isvoor de sharia? Ja of nee?Om onze regels en waarden te begrijpen, is één ding onmisbaar: deNederlandse taal. Vindt de Minister dat iemand pas als ingeburgerd kanworden beschouwd als hij of zij aantoonbaar Nederlands beheerst opminimaal B1-niveau? Ja of nee? Integratie begint met communicatie. Wiezijn gezicht verbergt, weigert te integreren. Is de Minister bereid vast teleggen dat deelname aan inburgering uitsluitend mogelijk is met eenzichtbaar gezicht en dat gezichtsbedekkende kleding en middelen, zoalsboerka’s en nikabs, onverenigbaar zijn met inburgering? Ja of nee? Hoegaat de Minister optreden tegen gemeentes, scholen en ziekenhuizen dieweigeren het huidige boerkaverbod te handhaven? Is hij bereid in tegrijpen wanneer deze instellingen deze wet simpelweg naast zichTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11122 neerleggen? Ja of nee? Daarnaast wordt er door inburgeraars enstatushouders massaal en structureel gespijbeld bij taallessen. Dat wordtdoor de overheid gedoogd. Afwezigheid wordt goedgepraat met excusesals vakantie, ziekte, andere afspraken of religieuze verplichtingen zoalsramadan. Dat is geen onmacht. Dat is onwil. Is hij bereid de Wet inbur-gering zodanig toe te passen en zo nodig te wijzigen dat herhaald enverwijtbaar verzuim niet langer vrijblijvend blijft, maar automatisch leidttot sancties, inclusief intrekking van de verblijfsvergunning behoudensaantoonbare overmacht? Ja of nee?Voorzitter. Ik ga afsluiten. We zien hoe Nederland stap voor stap wordtovergenomen. Steeds meer Nederlanders vragen zich af of hun toekomstnog wel hier ligt. Tienduizenden verlaten onze steden. Tienduizendenverlaten ons land. Niet omdat zij Nederland niet meer liefhebben, maaromdat zij zich hier niet meer veilig en thuis voelen. In steeds meer wijkenverschuiven de normen en wordt de Nederlandse cultuur verdrongen,straat na straat, wijk na wijk en school na school. Door de jarenlangemassa-immigratie en voortgaande islamisering kraakt ons land in zijnvoegen. Dat zien we ook in het straatbeeld: hoofddoekjes, boerka’s,mannen in djaballa’s, gebedsruimtes en gebedskleedjes. Excuus,djellaba’s. Dank u wel, meneer Ergin. Het aantal islamitische scholen stijgtexplosief. Er zijn straten, wijken, zelfs hele steden waar je je niet langer inNederland waant, maar in een willekeurig Arabisch land. Nederlanders dieuit een geïslamiseerde wijk kunnen verhuizen, doen dat, maar heel veelmensen kunnen dat niet. Zij zitten vast en zijn de klos. Hun Nederlandbestaat niet meer. Zij voelen zich niet langer thuis in hun eigen buurt. Enals ze er iets van zeggen, worden ze weggezet als racist.Velen denken dat Nederland al verloren is, maar dat is het niet. Onzegeneratie kan de islamisering nog stoppen. Onze generatie kan ervoorzorgen dat onze kinderen nog opgroeien in vrijheid, onder onze wetten enonze waarden en niet onder de sharia. Vandaag heeft de PVV zes concretevoorstellen gedaan. Geen woorden, geen uitstel, geen doekjes voor hetbloeden, maar harde keuzes, die nodig zijn om Nederland te redden en demassa-immigratie te stoppen: kiezen voor de-islamisering, het sluiten vanislamitische scholen, een hoofddoekverbod voor minderjarige meisjes opschool, een verbod op de Moslimbroederschap, verplichte remigratie énvrijwillige remigratie voor wie niet wil integreren, en een inburgering metechte eisen in plaats van vrijblijvende praatjes. De vraag aan dezeregering is simpel en onontkoombaar: kiest u voor Nederland en stopt ude islamisering of blijft u wegkijken? Ja of nee?Voorzitter, tot zover.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van meneer Van den Brink.De heer Tijs van den Brink (CDA):Het was tot nu toe niet duidelijk of de vrieskist van de PVV met ongrond-wettelijke voorstellen weer open zou gaan. Ik denk dat we kunnenvaststellen dat die weer open is. Ik heb geprobeerd om te luisteren met deoren van een gewone moslim hier in Nederland, een moslim die werkt,die z’n kinderen probeert op te voeden, die goed leeft, die niet discrimi-neert en die doet wat er van een goede burger verwacht wordt. Stel ik benzo’n moslim: wat moet ik dan met uw verhaal?De heer Boon (PVV):Staat u mij toe om te citeren uit het prachtige boek van Sam van Rooygenaamd Voor vrijheid dus tegen islamisering. Het is een citaat vanYasmine Mohammed, een ex-moslim. Zij is nu mensenrechtenactivist. Zijzei: «Soms heb ik medelijden met de aardige en fatsoenlijke moslims diehun religie niet kennen. Wanneer zij erachter komen wat de Koran en deHadith eigenlijk zeggen, zijn ze echt geschokt. Onwetendheid is echterTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11123 geen excuus. Lees je heilige boek. Dat is het minste wat je kunt doen,voordat je je leven wijdt aan de gevolgen ervan». Ik denk dat dit citaatalles zegt. Ik heb ook cijfers genoemd. Er is onderzoek in Nederlandgedaan, waarin 70% van de moslims zegt de religieuze wetten, de sharia,boven onze wetten te plaatsen. Dat is pas echt ongrondwettelijk. Ik hoopdat het CDA ook een keer onderzoek wil doen naar wat de sharia en deMoslimbroederschap nou eigenlijk zijn. Iedere keer wanneer we gaanstemmen, stemt u namelijk al onze voorstellen weg. Ik denk dat wij allebeide Grondwet willen verdedigen, maar u wedt op het verkeerde paard. Uwedt op het paard dat onze Grondwet wil afschaffen. U kunt beter op onswedden, want wij willen de Grondwet wel verdedigen.De heer Tijs van den Brink (CDA):Zou het zo kunnen zijn dat, zoals in elk geloof, er een heleboel verschil-lende interpretaties van de islam zijn en dat er dus ook heel veel mensenzijn die wel gewoon willen meedoen in deze samenleving? Sluit u dat uit?De heer Boon (PVV):Ik sluit helemaal niks uit; wonderen gebeuren. Maar ik heb u gezegd dat70% van de moslims de sharia boven de Grondwet plaatst; 70%! MeneerErgin noemt 1 miljoen. Dat zijn dus 700.000 mensen. Dat is zeven keerzoveel als het aantal mensen bij Defensie tot nu toe. Dat is geen kleinegroep. Dat is echt een megagroep, dus dat is ook een megaprobleem. Wekunnen dan kijken of er misschien ook lichtpuntjes zijn, maar ik wil eerstdit probleem opgelost hebben. Het gaat om 700.000 mensen die deGrondwet willen afschaffen. Zij willen u, als christen, uw vrijhedenafpakken. Ze willen de vrijheden van homoseksuelen, van vrouwen, vanniet-gelovigen afpakken. Ik denk dat we ons daar echt druk over moetenmaken. Het huis staat in brand en u bent bezig met wat voor behang er opde muur moet komen. Laten we eerst de brand blussen. Dat behang komtlater wel.De heer Tijs van den Brink (CDA):Nog één keer mijn vraag. Stel ik hoor bij die 30%, als die cijfers kloppen,wat moet ik dan met dit verhaal?De heer Boon (PVV):Mijn fractieleider heeft meerdere keren gezegd: verwerp die verschrikke-lijke regels. Verwerp die sharia. Sluit je bij ons aan. Kies voor vrijheid. Iknodig iedereen uit om die regels te verwerpen. Kies voor vrijheid. Er zijngenoeg mensen die het gedaan hebben. Het kan. Het is niet makkelijk. Wezien ook de gevolgen bij bijvoorbeeld Lale Gül of Ayaan Hirsi Ali. Zijhebben de regels verbroken. Zij hebben wel voor vrijheid, voor onzewaarden en onze normen gekozen. Het kan. Het is mogelijk, dus doe dat.Dat is wat ik tegen al die mensen wil zeggen.De voorzitter:Oké, dank u wel. Als er verder geen interrupties zijn, gaan we naar devolgende spreker. Dat is mevrouw Michon-Derkzen van de VVD.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank u wel, voorzitter. U ziet hier de kersverse woordvoerder Integratievan de VVD. Het werd allemaal met enthousiasme ontvangen. Ik kijkernaar uit om de aankomende periode met elkaar in gesprek te gaan, wantdit is een belangrijk onderwerp. Ik vind het ook heel goed dat we hier eenapart wetgevingsoverleg over hebben. Ik hoop dat we dat ook met elkaarblijven doen.Voorzitter. Voor mij gaat integratie over meedoen, meedoen aan onzesamenleving. Integratie gaat ook over vrijheid en om in vrijheid allekeuzes te kunnen maken die je wilt maken. Eerlijk gezegd hoop ik dat dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11124 kersverse nieuwe Minister net zo trots is als ik om hieraan in de komendeperiode te mogen bijdragen. Het vorige kabinet heeft een actieagendagepresenteerd. Die is in het najaar besproken. Wat mij betreft rollen wedie verder uit. Ik hoop dat de Minister daarop ingaat. Daarnaast ligt ertegelijkertijd een stevige en realistische inzet van de drie coalitiepartijen inhet regeerakkoord. Kortom, aan de slag, zeg ik met een knipoog.Voorzitter. Vandaag focus ik op taal en werk. Het spreken van de Neder-landse taal is cruciaal om vol mee te doen in onze samenleving. Sterkernog, wie in Nederland woont, spreekt wat de VVD betreft de Nederlandsetaal. Het is dan ook een logische eis in de inburgeringswet. De lat ligt nieterg hoog; dat moet gezegd worden. B1 kan worden afgeschaald naar A2en dan is er ook nog de Z-route, waarbij het puur volgen van 800 uurtaalles al voldoende is. Aan de hand van de leerbaarheidstoets wordtingeschat op welk niveau de kandidaat kan landen na drie jaar.Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het inburgeringstraject, zoals aleerder gezegd, en dus ook voor het aanbieden van taalles.Voorzitter. Ik wil graag van de Minister horen hoe dat in verschillendegemeenten verloopt, ook in financiële zin. Is er bijvoorbeeld eenbenchmark voor de kosten van taalles bij de verschillende Nederlandsegemeenten? Ik lees namelijk ook – mijn buurvrouw, mevrouw Lahlah, zeidat eerder ook – dat gemeenten vragen om meer financiering voor dezetaallessen. Ik vind het nodig dat we daar meer van weten. Hoe worden detaallessen gefinancierd? Zijn er goede of juist minder goede voorbeeldenvan het aanbieden van taallessen en de kosten daarvan? Voor mijn fractieis het onbestaanbaar dat deze verplichting, dus de taal, onvoldoendewordt ingevuld door gemeenten. Ik wil dan ook bij de evaluatie van deinburgeringswet terugzien hoe de verschillende gemeenten hiermeeomgaan. Wat mij betreft is het echt een essentieel onderdeel. Graag krijgik een toezegging van de Minister daarop.Het regeerakkoord – ik zeg dit ook richting mevrouw Lahlah, die daaroverbegon – stelt dat kansrijke asielzoekers al direct bij aankomst, bij de startvan een asielprocedure en dus in het azc bij de zogenaamde Meedoen-balie, aan de gang gaan met taal. Dat bestaat al. Een aantal groteopvanglocaties heeft zo’n Meedoenbalie. Ik denk dat het goed is, ookgezien de eerdere discussie in dit debat, dat de Minister erop ingaat hoedat nou gaat. Hoe ziet dat er nou uit en wie is daarop aanspreekbaar?Mevrouw Lahlah sprak daar deze Minister op aan. Ik vraag me af of dat zois, maar ik denk dat het goed is om dat vandaag met elkaar te delen.Dan door op taal. Het is terecht dat de voorgenomen afschaffing van detaaleis in de Participatiewet door het vorige kabinet is teruggedraaid metbrede steun. Ook daarbij geldt dus: geen Nederlands, geen bijstand. Wanthoe kan je meedoen als je de taal niet spreekt? De taal spreken is in mijnogen de absolute minimumtegenprestatie die je mag vragen voor diebijstandsuitkering. Maar ik ben raadslid geweest in deze mooie stad endaar ook een paar illusies armer geworden. Ik vraag de Minister vandaag:hoe ziet de handhaving op die taaleis in de Participatiewet eruit? Is er zichtop de inzet van handhaving?Ik heb dat artikel uit NRC van vorig jaar nog op mijn netvlies. Er was eenonderzoek gedaan naar een hele aantal gemeenten, en een aantalgemeenten zeiden expliciet: wij handhaven niet op die taaleis. Dat vind ikop zijn zachtst gezegd vreemd, wil ik via de voorzitter richting de Ministerzeggen. Ze zeggen dan dat ze werken vanuit vertrouwen. Ik vind het heelprettig om vanuit vertrouwen te werken. Maar als er in een wet een taaleisstaat, dan moet die ook gehandhaafd worden. We krijgen in april een planom de taaleis te verbeteren per 2027, zo heb ik in de stukken gelezen. Kandan ook de handhaving door gemeenten daarin worden meegenomen?Staan daar dan concrete doelstellingen in voor gemeenten of blijft het bijeen inspanningsverplichting? Ik wil dat de Minister met concrete enafdwingbare plannen komt waardoor de gemeenten moeten handhaven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11125 Ook daarvan vind ik dat niet meedoen geen optie is, ook niet wat betreftde handhaving van wettelijke eisen.Voor naturalisatie is nu ook expliciet in het regeerakkoord de opdracht aanhet kabinet gegeven om hier een taaleis op een hoger niveau aan tekoppelen. Even voor de fijnproever: dat wordt dus B1 in plaats van A2. Datis ook eerder in de motie-Becker gevraagd en die is weer herhaald in demotie-Rajkowski. Het is heel goed dat dit nu in het regeerakkoord staat. DeRijkswet op het Nederlanderschap – dat weet ik natuurlijk nog vanuit eenrecent verleden – valt onder JenV. Maar het verhogen van de taaleisvraagt alleen maar een wijziging van het Besluit naturalisatietoets, datonder die wetgeving hangt. Dat is dus eigenlijk vrij eenvoudig uitvoerbaar,wil ik maar zeggen richting de Minister. Is de Minister dat met de VVDeens? Wanneer kunnen we ook een aanpassing van het besluittegemoetzien?Dan naast taal werk, het tweede deel van mijn bijdrage. De werkvloer iswat mijn fractie betreft de perfecte plek om te integreren. Werk geeftinkomen en dat is niet onbelangrijk. Het geeft ritme, het geeft socialecontacten en via werk ga je natuurlijk ook steeds taalvaardiger worden.Voor iedereen in Nederland dus werk. En wie in Nederland woont, is enmag blijven, doet mee. Het is ontzettend zorgelijk – ik haal het gewoon uitde cijfers – dat bijna 50% van de statushouders na vijf jaar nog in deParticipatiewet, in de bijstand zit. Bijna 60% van alle mensen in de bijstandheeft een herkomst buiten de EU. Dat mogen we simpelweg nietaccepteren. Het houdt mensen gevangen.Los van werk, los van inkomen, los van taal moet de participatiegraadomhoog. Er is een groot tekort op de arbeidsmarkt. We hebbensimpelweg iedereen nodig die kan werken. Dus ik zou ook hier zeggen, netals bij taal: direct beginnen. Ook hier krijgen kansrijke asielzoekers – eenwetsvoorstel van de vorige Minister, Minister Paul – nu de kans om nadrie maanden al te starten met werk. Ik begrijp dat deze wet nu inconsultatie is. Dat wachten we af.De VVD wil ook dat elke statushouder direct bij het krijgen van huisvestingaan het werk kan. Door de vorige bewindspersoon is in een klein aantalgemeenten een pilot gestart met zogenoemde startbanen, waarmee werken taal worden gecombineerd. Ik hoor hier hele goede verhalen over. Ikhoor ook graag de Minister hierover. Als hij het met mij eens is, wil ik eenuitbreiding van deze startbanen. Met een relatief kleine bijdrage vanuit hetministerie worden hiermee meer mensen aan het werk gezet. Ik heb eenamendement voorbereid dat vlak voor dit debat is rondgestuurd. Ik hoopdat de collega’s het hebben kunnen zien. Daarin maak ik extra geldvrij – dat is vrijstaand geld op de begroting – voor die startbanen.Voorzitter. Zo’n baan moet natuurlijk ook worden geaccepteerd. Kan deMinister de Kamer informeren of dit altijd het geval is? Als dat niet hetgeval is, volgt er dan ook een sanctie? Ik wijs maar weer op dat goedevoorbeeld uit Rotterdam, het Rotterdamse model waarin alleen al de inzetop handhaving leidt tot een daadwerkelijke acceptatie van banen.Voorzitter. Ik vind het heel mooi om te lezen dat er in het voorjaar tiengemeenten starten met het begeleiden van vrouwelijke statushoudersnaar werk, maar ik alle eerlijkheid vind ik het best zot dat we een aparttraject moeten starten om vrouwelijke statushouders aan het werk tekrijgen. Ik zou zeggen, vrouwelijke statushouders zijn ook statushoudersen wij begeleiden alle statushouders naar werk.Zoals eerder gezegd, de arbeidsmarkt is gunstig. In tekortsectoren zoalsde bouw, de techniek en de zorg staat men te springen om mensen. Wat isde rol van het Ministerie van deze Minister bij het toewijzen van status-houders aan deze tekortsectoren? Wat is hierbij de rol van de regionalewerkcentra? Zijn er landelijke programma’s om een goede match temaken tussen de groep statushouders en de tekortsectoren? Of zitiedereen – daar ben ik een beetje beducht voor – per regio het wielopnieuw uit te vinden? Wederom de vraag of de Rotterdamse aanpakTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11126 handvatten biedt om daadwerkelijk mensen uit het granieten bestand naarwerk te begeleiden.Voorzitter. Gelet op de actualiteit twee punten, ten eerste de buitenlandseinmenging. Door de onrust in het Midden-Oosten – we kunnen er nietomheen – na de aanval op Iran is het absoluut essentieel om hetmeldpunt ongewenste buitenlandse inmenging van de grond te trekken.Hierom heeft een meerderheid van de Kamer gevraagd. Het staat ook inhet regeerakkoord. De meest recente brief op dit punt is van JenV, vandecember vorig jaar. JenV laat weten dat het meldpunt in de zomer van2026 operationeel zou moeten zijn. Dat vind ik wat voorzichtig. Ik zouzeggen tegen deze Minister dat de actualiteit ons noopt tot meer snelheid.Mensen met zorgen, klachten of vragen moeten ergens terechtkunnen.Slachtoffers moeten zich kunnen melden. Wat mij betreft moet dat ookanoniem kunnen.Dan mijn laatste punt, voorzitter, ook actueel: de imams. We hebben in hetregeerakkoord gelezen dat Europa imams met een inreisverbod vanwegeuitspraken die onder het strafrecht vallen op een lijst gaat zetten. DeEuropese Unie gaat dus een lijst opstellen van imams met een inreis-verbod in de EU. Zo’n Europese lijst gaat echter nog lang duren; wekennen Europa langer dan vandaag. Ik ben er voorstander van, want wemoeten die haatimams weren. In de tussentijd, voordat er zo’n lijst is, wilik graag een nationale lijst. Dat staat overigens ook in het coalitieakkoord.Wanneer gaat de Minister hiermee aan de slag? En vooral: wanneerkunnen wij de voortgang bespreken?Voorzitter, dat was mijn bijdrage. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel voor uw bijdrage. Ik kijk even rond: zijn er interrupties? Die zijner niet. Dan ga ik naar de volgende spreker: mevrouw Nanninga.Mevrouw Nanninga (JA21):Voorzitter, dank u wel. We zitten weer eens een hele avond met elkaarhetzelfde gesprek te voeren dat we in deze samenleving al 40 jaar langtamelijk vruchteloos met elkaar voeren, namelijk over de integratie van demassaal geïmmigreerde niet-westerse allochtonen. Laat ik het maarmeteen duidelijk zeggen: de integratie is mislukt. Nee, laat ik dit terug-nemen en het wat preciezer zeggen: de integratie is volkomen mislukt.Daar hebben ook, of misschien wel vooral, de niet-westerse allochtonendie wel normaal meedraaien in ons land, heel veel last van. Omdat ditdebat stilstaand water is, kan ik de interruptie al voorspellen. Ik ga ’mmeteen zelf maken en ik ga ’m ook meteen zelf beantwoorden: ja maarJA21, als er goed geïntegreerde nieuwkomers bestaan, is de integratietoch juist niet mislukt? Dat wordt meestal gevolgd door de erbarmelijkluie stroman van de casuïstiek: «Kijkt u toch eens naar deze Marokkaanseburgemeester en naar deze allochtone bewindspersonen. Ik heb eengeweldige kapper of kleuterjuf of automonteur van buitenlandse komaf. Ustuurt deze mensen weg. Foei, schande. Huilie, huilie, huilie.»Welnu, het bestaan van succesvol geïntegreerde mensen bewijst tweedingen. Ten eerste dat integratie een keuze is, die sommige mensengelukkig maken. Maar laten we dat nou niet gaan prijzen en belonen, wantdat zou gewoon de norm moeten zijn, de fabrieksinstelling van nieuw-komers. Dat is niet iets waarom zij moeten worden geprezen en alsrolmodel moeten worden neergezet, zoals het racisme van de lageverwachtingen nu maar al te vaak doet. Het bewijst ten tweede dat hetbeeld van Nederland als inherent racistisch, koloniaal en islamofoob landde prullenbak in kan.Maar het probleem van de mislukte integratie blijft. Dat uit zich op drieterreinen in het bijzonder: cultureel, met betrekking tot onze veiligheid enten aanzien van onze verzorgingsstaat. Om met dat laatste te beginnen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11127 onze verzorgingsstaat is niet gebouwd op zo veel afhankelijkheid van hetsysteem van niet-Westerse massa-immigranten.Kijk alleen al naar de bijstand. Het totaal aantal mensen in de bijstand inNederland betreft 405.000 personen. Als we het uitsplitsen naar geboor-teland is 44% geboren in Nederland. Mind you, die zijn geboren inNederland, maar daar zitten wel degelijk ook mensen van allochtonekomaf in. 4% is geboren in Europa en 51% is geboren buiten Europa. Inabsolute aantallen per herkomstland gaat het dan om 50.000 Syriërs,27.000 Marokkanen, 22.000 Turken, 12.000 Irakezen en 11.000 Surinamers.Dat is de top vijf. De bijstand onder niet-Europese migranten stijgt alzeven kwartalen op rij, terwijl de bijstand onder mensen van Nederlandseherkomst al dertien kwartalen op rij daalt, een afname.Onze verzorgingsstaat wordt daarmee een soort binnenlandse ontwikke-lingshulp waarin hardwerkende Nederlanders geld overmaken naargroepen die van origine van buiten Europa komen en daarmee eenbuitensporige aanspraak doen op onze sociale voorzieningen. Dat isonhoudbaar. Werken draagt bij aan integratie, maar men werkt veel teweinig. Waarom faalt economische integratie? Opleidingsniveau.Nederland is een kenniseconomie. Laaggeschoold werk verdwijnt, ondermeer door automatisering. Er is simpelweg minder behoefte aan.Asielmigranten zijn disproportioneel laaggeschoold. Dan hebben we ooknog eens boterzachte taaleisen. Voorzitter, staat u mij een afleiding toe.Het woord «taaleis» is al een gotspe. Onze mooie taal mogen leren, desleutel tot onze nog mooiere arbeidsmarkt en prachtige samenleving, iseen recht, een privilege. Dat is een privilege dat maar mondjesmaat enmet hangen en wurgen wordt aanvaard door nieuwkomers.Integratie op het gebied van openbare orde en veiligheid kent sterkeoverlap met culturele integratie. Onze straten en pleinen zijn er sinds deongebreidelde niet-Westerse immigratie niet veiliger op geworden. Datgeldt in het bijzonder voor drie groepen: vrouwen, Joden en lhbti’ers. Derode draad in deze mislukte culturele integratie is natuurlijk de islam. Demotie-Eerdmans/Flach verzoekt het kabinet om in de actieagenda specifiekin te gaan op de rol die de islam speelt in de integratieproblematiek. Deafdoening van die motie, die aangenomen is: «Dit wordt onder anderegedaan door in te zetten op zelfbeschikking en het voorkomen vanradicalisering en extremisme. Daarnaast draagt de actieagenda bij aan deweerbaarheid van de samenleving tegen deze gedragingen door in tezetten op burgerschap en het bevorderen van onderlinge dialoog.Hiermee beschouw ik de motie-Eerdmans/Flach als afgegaan.» Ga noueens in op die islam zelf, Minister. Het woord komt niet eens voor in diehele actieagenda. Welke problemen zien we in die religie die haaks staatop onze normen en waarden en niet strookt met integratie en een open,vrije samenleving zoals wij die ons voorstellen? Als we 25 jaar na Fortuynnog steeds niet met elkaar benoemen wat het probleem is, is de oplossingverder weg dan ooit.Voorzitter. Er moet mij nog wat van het hart over de grenzeloze naïviteitvan veel Nederlanders over de islam. Ja, het is ook gewoon een geloof. Indit land, in tegenstelling tot de meeste islamitische landen, hebben wijgeloofsvrijheid en mogen mensen geloven wat ze willen. Het groteprobleem is echter de usurpatie door de politieke islam in ons land, watmensen er ook actief van weerhoudt om hier fatsoenlijk te integreren.Allerlei nare langearmclubjes – denk aan de Moslimbroederschap,FEMYSO, Diyanet, Milli Görüs enzovoorts en zo verder – zijn buiten-gewoon behendig in keiharde islamisering vermommen als inclusie enzichzelf vermommen als slachtoffers van allerlei discriminatie en van hetzelfgebreide onzinconcept islamofobie. Deze cocktail van geveinsdediversiteit en agressief slachtofferschap gaat er bij veel goedbedoelendemaar naïeve Nederlanders goed in.De heer Ergin (DENK):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11128 Ik heb nauw geluisterd naar de minachting van mevrouw Nanninga voorNederlanders met een migratieachtergrond. Mevrouw Nanninga heeft neteigenlijk een soort van meetlat laten zien waaraan ze bij mensen afmeet ofhun integratie wel of niet geslaagd zou zijn. Ik heb een vraag aanmevrouw Nanninga. Mevrouw Nanninga bepaalt kennelijk wie wel of wieniet is geïntegreerd, maar ik wil wel graag een aantal uitspraken van haarin herinnering brengen. Ze had het over «dobbernegers». In een columnhad ze het over «klaagnegers». Ze schreef zelfs op Twitter dat ze na hetlezen van zes bladzijden van Mein Kampf zin kreeg om Joden tevergassen. Ik zou aan mevrouw Nanninga willen vragen: is dit haarmaatstaf en is het toppunt van integratie dat je dit soort verschrikkelijkeuitspraken kunt doen, dit soort lelijke dingen kunt zeggen over groepenmensen en dan hier in de Kamer even kan duiden of de integratie wel ofniet is mislukt? Vindt mevrouw Nanninga dat ze hier geloofwaardig kanstellen dat de integratie is mislukt?Mevrouw Nanninga (JA21):Het is zo prachtig dat meneer Ergin van DENK hiermee komt. Dit is watmensen doen als de argumenten op zijn. Het toont inderdaad een totaalmislukte integratie van meneer Ergin aan. De islam is een cultuur waarinhumor, spot, vlijmend sarcasme en vooral zelfspot niet aan de orde enverboden zijn. Grappen maken over de islam heb ik wel gedaan, hoor,maar dat kwam mij altijd op bedreigingen te staan; dat kwam mij altijd opbeveiliging te staan. Dat kan niet in dit land. Ik vind het toonbeeld vanintegratie dat je over alles en iedereen grappen kan maken en incasseren,ook over jezelf. Laat ik nou ook dat soort dingen hebben gezegd overallerlei andere groepen mensen. De enige hoek, meneer Ergin, waaruit ikben bedreigd, is de islamitische hoek. Joden in Nederland zijn niet bangvoor Annabel Nanninga; die zijn niet bang voor JA21. Sterker nog, zestemmen op ons. Die snappen namelijk wat de traditie is van satire, vanhumor en van spot. De enigen die daarvan te vrezen hebben, zijn mensendie dat doen over de islam. Theo van Gogh kan het niet navertellen.Meneer Wilders moet ervoor worden beveiligd. Ik heb daar ook zo mijnervaringen mee. Dus ja, het is een toonbeeld van integratie en vanNederlanderschap dat we deze opmerkingen begrijpen zoals die zijn. Datdoet meneer Ergin niet, omdat kennelijk ... Daar heb je dus weer dieislamitische kijk op dit soort onderwerpen. Dit past daar niet bij. Maar hetis wel de Nederlandse traditie.De voorzitter:U kunt uw betoog vervolgen.De heer Ergin (DENK):Heb ik geen interrupties meer?De voorzitter:Nee, u heeft geen interrupties meer.Mevrouw Nanninga (JA21):Voorzitter. Islamisering – de heer Ergin illustreerde het net – gaat nietgewapenderhand. De gruwelijke islamitische aanslagen die Europateisteren, op redacties, op cartoonisten, op synagoges, op drukkeplaatsen, op concerten, op openbaar vervoer en op kerstmarkten zullen,hoe afschuwelijk ook, niet onze ondergang betekenen. Ik heb weinig hoopdat extremen zoals DENK of GroenLinks het ooit zullen gaan snappen.Maar als ik dan kijk naar redelijke partijen, zoals het CDA, de VVD en – ikben in een goede bui, voorzitter – zelfs D66, die ik daar vandaag maareens toe zal rekenen, die uit een gebrek aan kennis maar met de besteintentie meebuigen met waanzin als Nederlandse imamopleidingen,gebedsruimtes, iftars met hoogwaardigheidsbekleders en gescheidenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11129 sporten, dan wordt het mij zwaar te moede. Onder het mom van inclusieen integratie geven zij toe aan geveinsd slachtofferschap, buigen ze meemet griezelige agenda’s en werken ze de integratie van islamitischeimmigranten juist keihard tégen. Rabat, Ankara en allerlei bedenkelijkegolfstaatjes lachen in hun vuistje. Suicidal empathy.Vergeet niet dat veel migranten hier juist ook onder lijden. Denk aanTurkse en Marokkaanse dissidenten – deze commissie heeft vanmorgennog een brief gekregen van Marokkanen, waarin stond hoeveel last zijhebben van die lange arm uit Rabat – Koerden, seculieren en mensen diede regimes van hun thuisland juist zijn ontvlucht.Voorzitter. Dan is er nog de misdaad. De oververtegenwoordiging vanmigranten hierin mag bekend worden verondersteld; die heeft de collegavan de PVV ook benoemd. Daar heb ik wat vragen over. Erkent de Ministerdat de oververtegenwoordiging van deze groep een structureel probleemis van immigranten, dat niet wegverklaard kan worden? Waarom wordenculturele factoren, zoals eercultuur, normbesef en gezagsacceptatie nietmeegenomen in preventiebeleid? Waarom faalt uitzetting van criminelevreemdelingen structureel en welke maatregelen worden getroffen ommensen die zich tijdens hun procedure al misdragen, harder aan tepakken? Hoeveel jihadistische jongeren zijn er exact in Nederland en watdoet de Minister om online afkeer van het Westen en radicalisering testoppen? Waarom wordt salafistische overname van moskeeën toege-staan? Hoe beoordeelt de Minister het integratieve effect van hetwildbidden op straat, terwijl er gewoon genoeg gebedsplekken zijn in degebedshuizen die we hier hebben? Waarom mogen buitenlandsemogendheden wier idealen haaks staan op onze samenleving zich zobemoeien met Nederlandse moskeeën? Wat doet de Minister aan debuitenlandse financiering en dus beïnvloeding van extremistischepredikers? Erkent de Minister dat falende integratie de directe oorzaak isvan veel criminaliteit en radicalisering?Voorzitter. Er is nog zoveel te bespreken, maar laat ik als nieuwbakkenwoordvoerder op dit onderwerp mijn eerste visitekaartje afgeven op ditdossier en laat ik, zoals het een JA21’er betaamt, met oplossingen komen.Is de Minister bereid om te verkennen of we naar Deens modelvoorwaarden zoals langdurige verblijfsduur en minimaal tweeënhalf jaarfulltime werkervaring kunnen koppelen aan het recht op volledige bijstandvoor nieuwkomers met een niet-Europese achtergrond in plaats van desemi-verplichte cursussen en een boterzachte inspanningsverplichting?Kunnen we voorinburgering in azc’s verplicht stellen? Kunnen we op hetniet binnen een termijn slagen voor integratietrajecten stevige sanctiesstellen? Kunnen we de B1-norm handhaven en dus niet naar A2afschalen? Kunnen we ontheffingen en vrijstellingen van allerlei integra-tietrajecten afschaffen of moeilijker maken? En kunnen we bij eerwraakonmiddellijk de verblijfsvergunning intrekken conform de aangenomenmotie-Eerdmans?Tot slot, voorzitter. De kennisproductie rondom dit onderwerp is al jarenzwaar gepolitiseerd. Allerlei gesubsidieerde klaaglijnen die voor hunvoortbestaan afhankelijk zijn van het constateren van discriminatie enracisme vinden dus overal discriminatie en racisme, niet zelden zonderenig bewijs; verrassing! Niet zelden zijn er dan weer andere, gerelateerdeclubjes die voor heel veel belastinggeld in de vorm van cursussen entrainingen de «remedie» kunnen leveren tegen al dit zogenaamdgeconstateerde racisme.Het dieptepunt is natuurlijk het meest recente «onderzoek» van het bureauKennisplatform Inclusief Samenleven, dat wegens ondeugdelijkheid enbelangenverstrengeling is teruggetrokken. De opdrachtgever bleekgetrouwd te zijn met de uitvoerder. Ook methodologisch bleek niets ervanstand te houden. Het is pure wetenschapsfraude. Meneer Bamenga vanD66 zat deze charlatans net nota bene nog toe te juichen. Het Kennis-platform Inclusief Samenleven heette eerder, tot 2022, het KennisplatformTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11130 Integratie en Samenleving, maar «Integratie» moest er volgens het bureauzelf uit, «want de tweede, derde en nu al vierde generatie van mensen meteen migratieachtergrond zijn hier geboren en getogen. Integreren is dushelemaal niet meer aan de orde.» Als deze Minister hecht aan integratie,waarvan uit cijfers duidelijk is dat die per generatie helemaal niet beterwordt, dan kapt hij dus met dat bureau KIS en al die flutonderzoeken. Kanhij dat toezeggen?Voorzitter. Integratie begint met weten wie wij zijn, dat verdedigen en vannieuwkomers niets minder eisen dan aanpassing. Laten we daar nu eensmee beginnen, want anders zitten onze opvolgers over 40 jaar nog steedsin dit moeras van pappen en nathouden, tenzij we gewoon allemaalgeïntegreerd zijn, naar het model van een islamitische samenleving,welteverstaan.Dank u wel.De voorzitter:Dank. Ik kijk even rond om te zien of er een interruptie is. Nee, die is erniet. Dan ga ik naar de heer Van den Brink voor zijn bijdrage.De heer Tijs van den Brink (CDA):Dank u wel, voorzitter. Op de agenda staat het begrotingsonderdeelIntegratie en maatschappelijke samenhang. Ik ga het vandaag nadrukkelijkover beide aspecten hebben, te beginnen met maatschappelijkesamenhang. De afgelopen jaren is de maatschappelijke samenhang nietper se verbeterd. De verdraagzaamheid in de samenleving staat onderdruk. We hebben de afgelopen anderhalf jaar een kabinet gehad dat bijeen deel van de samenleving geen warme gevoelens opriep, een kabinetdat er volgens velen te weinig voor heel Nederland was. Daarnaast heeftde oorlog in Gaza geleid tot diepe maatschappelijke verdeeldheid en eengrotere kloof tussen allerlei al dan niet religieuze groeperingen in onsland.Een paar weken geleden is een nieuw kabinet aangetreden. Ik wil hetkabinet aanmoedigen om gemeenschappen en de samenleving testimuleren om echt het gesprek met elkaar aan te gaan. Wat kan hetkabinet doen om dat gesprek te stimuleren? Bent u bereid om debudgetten op de begroting zo te gebruiken dat maatschappelijkescheidslijnen worden overbrugd? Neem bijvoorbeeld de kloof opuniversiteiten, waar joodse studenten zich onveilig voelen en islamitischestudenten zich te weinig gehoord. Wat doet de regering om daar demaatschappelijke samenhang te bevorderen, juist ook tussen dezegroepen?Overigens is het CDA ervan overtuigd dat we voor zulke initiatieven niet ineerste instantie naar de overheid moeten kijken. Wij willen aan de kantstaan van mensen, groeperingen en initiatieven die zelf naar verbindingen gemeenschap zoeken. Voor plannen die leiden tot echte gesprekken enechte ontmoetingen zullen wij ons hier uiteraard uitspreken, maar hetmoet gebeuren in de buurthuizen, op de marktpleinen, op de universi-teiten, in de woonkamers en in de wijken. De politiek heeft daar eenvoorbeeldfunctie in, daar ben ik van overtuigd, maar we moeten vooraldie maatschappelijke initiatieven faciliteren en hier niet verdeeldheidverder aanwakkeren.De heer Boon (PVV):Ik sloeg er even op aan dat het CDA graag samenwerkt met organisatiesdie willen verbinden, die inclusie... Het hele verhaal, we kennen het. Maarwat verbaast me nou? Ik kom weer terug op de Moslimbroederschap. Datis gewoon een hele enge club die de sharia hier wil invoeren. In Frankrijkzijn ze wakker geworden: daar zijn resoluties met een grote meerderheidaangenomen. Maar iedere keer als hier in dit huis iets ter stemming komt,bijvoorbeeld een motie van mij om de Moslimbroederschap te verbieden,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11131 heb je pro-islamitische partijen als DENK, PvdA-GroenLinks, Forum voorDemocratie of de Partij voor de Dieren, maar ook het CDA, die er iederekeer voor staan om die Moslimbroederschap te behouden. Kunt u noueens uitleggen waarom het CDA zo verstrengeld is met de Moslimbroe-derschap om daar hier continu voor op te komen, continu om die engeclub te behouden?De heer Tijs van den Brink (CDA):Wij zijn niet verstrengeld met de Moslimbroederschap, zoals u suggereert.Waar ik hier voor pleit, is om het gesprek aan te gaan, tussen mensen, inde samenleving, op allerlei manieren en allerlei plekken. Daar zullen wijons elke dag voor inzetten. Ik denk echt dat we met elkaar in gesprekzullen moeten als we verder willen komen in dit land. We kunnen hier welin dit debat elkaar grote verwijten maken en elkaar op grond van geloof ofanderszins wegzetten, maar ik geloof dat we daar geen sikkepit verdermee komen.De voorzitter:Nog een interruptie van de heer Boon.De heer Boon (PVV):U heeft het over in gesprek gaan met groeperingen. Dan denk ik: als ik uzou vragen om in gesprek te gaan met Al Qaida, dan zegt u nee; of u ingesprek zou gaan met IS, dan zegt u ook nee. Maar die Moslimbroeder-schap is net zo’n enge club. Die willen precies hetzelfde, alleen in eenander tempo en op een andere manier. Maar de uitkomst is hetzelfde:allemaal willen ze de sharia en de onderwerping van ons. Dus waaromdurft het CDA dan niet op te staan tegen de Moslimbroederschap? Ikhoorde een hoop zoete woorden, maar zegt u ook dat die enge club niet inNederland hoort en dat we die, net als Frankrijk, net als Florida, net alsTexas, net als heel veel andere staten in Amerika die daarmee bezig zijn,verbieden?De heer Tijs van den Brink (CDA):Als de Moslimbroederschap zich hier in Nederland niet houdt aan onzeregels en wetten, dan is het de taak van het OM om daartegen op tetreden. Zo simpel is het volgens mij.De voorzitter:Nog één interruptie.De heer Boon (PVV):Dus als de Moslimbroederschap via onze wetten en regels het mogelijkmaakt om de sharia in te voeren, vindt het CDA dat geen probleem. Tja, ikheb de heer Hirsch Ballin weleens horen zeggen: als de sharia met eenmeerderheid wordt ingevoerd, dan accepteer ik dat. Maar dan denk ik: datis heel raar; wij moeten toch onze samenleving beschermen tegen desharia en niet zeggen dat, als ze zich aan onze wetten en regels houden,we dan... Nee, we moeten gewoon een keiharde streep durven zetten,onze Grondwet beschermen, onze vrijheden beschermen. En dan moetenwe gewoon zeggen: deze club is niet welkom. Dus ik vraag nog één keeraan het CDA: wees niet zo naïef, open je ogen. De Moslimbroederschap iseen doodenge club. Er zijn rapporten volgeschreven. De Franse overheidheeft een megarapport geschreven. Ga dat lezen en kijk hoe ze juist metgebruikmaking van de regels en met van die slappe wetten die we hierhebben, bezig zijn om stap voor stap de sharia in te voeren.De heer Tijs van den Brink (CDA):Uw suggestie dat wij voor de sharia zouden zijn, verwerp ik. Wij zijn voorde democratische rechtsstaat, wij zijn voor de democratische instituties enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11132 wij zullen alles doen om die te beschermen tegen wie dan ook. DeGrondwet staat bij ons op één en dat moet zo blijven.De voorzitter:Er is nog een interruptie van de heer Boon.De heer Boon (PVV):U geeft nul antwoord op mijn vraag. Ik heb ook niet gezegd dat het CDAvoor de sharia is. Dat hoop ik in ieder geval niet en ik ben blij om te horendat dat niet zo is. Maar ik stel gewoon een heel concrete vraag met eenja-of-nee-antwoord. Als de Moslimbroederschap via de regels, via dewetten die in ons land geldig zijn, werkt aan de invoering van de sharia,vindt het CDA dat dan een probleem, ja of nee? Gaat het CDA dan deMoslimbroederschap, als het die een probleem vindt, die dan tegen-houden en onze Grondwet beschermen, ja of nee? Het is heel eenvoudig.Draai er niet omheen, geef antwoord!De heer Tijs van den Brink (CDA):Ik begrijp de vraag gewoon niet zo goed. Ik begrijp niet wat u bedoelt met«als de Moslimbroederschap via onze regels de sharia gaat invoeren».De voorzitter:Volgens mij zijn er geen interrupties meer om die vraag nog te verhel-deren. Dan ga ik nu naar mevrouw Nanninga.Mevrouw Nanninga (JA21):Ik hoop dat de heer Van den Brink oprecht niet begrijpt wat er wordtbedoeld. Ik deed dus net in mijn betoog een beroep op het CDA en deVVD om deze kwestie te snappen. Is meneer Van den Brink bereid om zichdaar eens in te verdiepen? Meneer Boon heeft namelijk wel gelijk als hijzegt dat waar hij het over heeft, is wat er gebeurt; je moet het alleensnappen. De Moslimbroederschap doet het niet met bommen en dreiginget cetera; dat is precies wat er aan de hand is. Dat is misschien ook wat totde frustratie leidt bij de PVV, maar ook bij ons: als je niet ziet waar deMoslimbroederschap mee bezig is, denk je dus «o, ja, goed, ze overtredende wet niet». Is meneer Van den Brink op z’n minst bereid zich daarnamens het CDA eens in te verdiepen, daarover eens wat van mij of vaniemand anders die het misschien beter weet dan ik aan te nemen? Het isnamelijk een hele enge, verkeerde club. De frustratie zit ’m in het nietsnappen of, in sommige gevallen, het bewust niet willen snappen.De heer Tijs van den Brink (CDA):Ik ben altijd bereid om te proberen te snappen wat ik niet begrijp, dus alsdat uw vraag is, dan is mijn antwoord ja.Mevrouw Nanninga (JA21):Dat is dan winst.De voorzitter:U kunt uw betoog vervolgen.De heer Tijs van den Brink (CDA):Dan kom ik bij integratie. Als je puur afgaat op de statistieken die we ookin deze begroting zien, dan gaat het best goed. Dan zie je dat het met detweede generatie vaak beter gaat dan met hun ouders. Ze hebben vakereen baan en weten ook de weg in het onderwijs beter te vinden. Tochlijken velen in de samenleving te vinden dat het niet goed gaat; wehebben daar eerder al stemmen over gehoord. Cijfers geven slechts eenbeperkt beeld van integratie. Ze geven trends weer, maar integratie zitdieper dan of je een baan hebt of welke opleiding je volgt. Het gaat overTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11133 echt onderdeel zijn van de samenleving. In de begroting worden drieindicatoren meegenomen voor «dezelfde maatschappelijke positieinnemen als groepen zonder migratieachtergrond». Die indicatoren zijnbelangrijk maar zeggen niet alles. Dat zijn: arbeidsparticipatie,werkloosheid en het aantal leerlingen dat in het voortgezet onderwijshavo of vwo volgt.In het CBS-rapport Integratie en samenleving 2024 zien we indicatoren diemisschien wel net zo veel zeggen: contact met buren, deelname aanverenigingsleven, vrijwilligerswerk. In die statistieken zien wij dat mensenmet een migratieachtergrond de weg naar bijvoorbeeld vrijwilligerswerkminder vaak weten te vinden dan mensen zonder een migratieachter-grond. Is de Staatssecretaris het met de CDA-fractie eens dat dergelijkegegevens ook een belangrijke indicator zijn van integratie? Kan deStaatssecretaris aangeven of, en zo ja, hoe zijn departement op dezeindicatoren stuurt en die indicatoren stimuleert? Welke concrete maatre-gelen neemt het kabinet om in het kader van integratie ontmoeting enburencontact in wijken te versterken?Het CDA ziet dat er werk aan de winkel is ten aanzien van integratie en datwaarden als tolerantie tegenover andersdenkenden, de vrijheid vanmeningsuiting en het recht op zelfbeschikking niet voor iedereenvanzelfsprekend zijn. Wij staan aan de kant van iedereen die voor dievrijheden vecht.Voorzitter. Ik heb het Rekenkamerrapport over de Wet inburgering 2021met belangstelling gelezen. Ik dank ook de mensen van de AlgemeneRekenkamer voor de briefing die zij hierover hebben verzorgd. In 2020werd deze wet in de Tweede Kamer behandeld. Mijn CDA-voorgangerRené Peters beschreef toen het personalistische mensbeeld waarmee ikook naar deze wet wil kijken: zien dat de mens uniek en relationeel is endat we een individuele waardigheid hebben maar dat we ons pas echtkunnen ontplooien in een leven met en voor anderen en met het idee datwe er als persoon voor anderen toe doen.De Rekenkamer kaart een aantal punten aan waarvan de regering al heeftaangegeven dat ze daarmee aan de slag wil gaan. Ook voor het CDA zijndeze punten belangrijk: snel en zo goed mogelijk de Nederlandse taalleren als basis voor een geslaagde integratie, en werk als opstap naar eenwaardevolle deelname aan de Nederlandse maatschappij. Rond werkraakt de Rekenkamer aan een punt waar de regering in haar reactie aanvoorbijgaat. Dat is dat mensen zo snel mogelijk naar werk helpen er ooktoe kan leiden dat we aan het echte potentieel van mensen voorbijgaan.Een verpleegkundige als pizzakoerier aan de slag laten gaan is misschienniet zo slim. Als we iets meer tijd nemen, kan de verpleegkundigemisschien als verpleegkundige aan de slag. Mijn oproep aan de regeringis om hier toch mee aan de slag te gaan en dit advies niet links te latenliggen. Mijn fractie denkt dat de koppeling met niet alleen sociaalontwikkelbedrijven, maar juist met het werkcentrum hierin een verschilkan maken. Hoe ziet de regering dat? In hoeverre is al in deze routevoorzien?Nog één opmerking, meneer de voorzitter. Integratie en inburgeringbeperken zich niet tot statushouders en asielzoekers. Ook expats,arbeidsmigranten en internationale studenten die zich in Nederlandvestigen, moeten hier integreren. Mijn vraag aan de regering is welkbeleid zij hierop voert. In de begroting lees ik dat namelijk niet goed terug.Ik sluit af met een element van wederkerigheid. Wij vragen nieuwkomersom hun best te doen om te integreren, en terecht. Dat betekent dat wij ookklaar moeten staan om mensen echt op te nemen.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel, meneer Van den Brink. Zoals we eerder hebben afgesproken,zouden we nu schorsen. Ik stel voor om dat te gaan doen. We kunnen datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11134 voor een uur doen. De Minister heeft een uur nodig. We kunnen dat dancombineren met de dinerpauze. Vervolgens zullen we de termijn van deheer Ergin en de termijn van de Minister doen.Minister Aartsen:Voorzitter, ik ken de vragen van de heer Ergin nog niet. Dat uur moet watmij betreft na de termijn van de Kamer vallen.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, volgens mij heb ik aan het begin van dit debat een ordevoorstelgedaan. Het ordevoorstel was om rond 18.40 uur te schorsen. Het is nurond 18.40 uur. Daar heeft iedereen mee ingestemd. Ik stel dus voor datwe gewoon gaan schorsen, al is het maar voor tien of vijftien minuten.Dan kunnen de mensen die daar behoefte aan hebben even een soepje eneen dadeltje eten. Dan kunnen we doorgaan met het debat. Ik heb hetnetjes aan het begin van het debat gevraagd. Laten we die schorsinggewoon nu inlassen.De voorzitter:Oké, dan wil ik het volgende voorstellen. We schorsen nu een kwartier,zoals dat eerder is voorgesteld. Daarna komen we terug voor de bijdragevan de heer Ergin en daarna schorsen we drie kwartier voorafgaand aande termijn van de Minister.De heer Boon (PVV):De heer Ergin zegt dat iedereen heeft ingestemd met de ramadan-schorsing. De PVV heeft duidelijk gemaakt dat ze daar niet mee instemde.Dat nogmaals voor de notulen.De voorzitter:Ja, dat was al helder.Mevrouw Nanninga (JA21):Een punt van orde. Ik vind het ook echt bezopen dat we hier in Nederlandonze vergadering met Nederlandse volksvertegenwoordigers en eenNederlandse Minister gaan schorsen voor een iftar.De voorzitter:Oké, dank u wel. Dan gaan we het zo doen. We schorsen voor eenkwartier. We zijn zo direct terug. Volgens mij is dat dan om 18.50 uur.De vergadering wordt van 18.35 uur tot 18.50 uur geschorst.De voorzitter:Yes, laten we weer van start gaan. Ik geef de heer Ergin het woord.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dank u wel. Nogmaals dank aan de commissie voor decoulance.De stofwolken van het rampzalige integratiebeleid van Schoof zijn nogniet neergedaald, maar één ding is duidelijk: het politieke debat overzogenaamde integratie is de afgelopen jaren feller geworden. Het isvolledig ontspoord. Steeds vaker worden mensen met een migratieachter-grond neergezet als probleem. We hebben het vandaag nog in het debatkunnen zien. Zelfs het idee om paspoorten van Nederlanders af te pakken,is opeens onderdeel geworden van het debat over integratie.Nog nooit zijn groepen Nederlanders zo massaal gedemoniseerd. Deschade die het vorige kabinet heeft aangericht, het wantrouwen, hetstigmatiseren en demoniseren, is enorm. Moslimjongeren en Neder-landers met een migratieachtergrond zijn door de PVV en de VVDTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11135 gereduceerd tot een zogenaamd integratieprobleem. Daarom begin ik meteen eenvoudige vraag aan de Minister. Heeft Nederland volgens hethuidige kabinet een integratiecrisis?Gelukkig gaat het niet lang meer duren voordat de politiek tot eenbelangrijk inzicht gaat komen, namelijk dat de term «integratie» niet meervan deze tijd is. Dat het een oeroude discussie is, iets van de jarennegentig. Want wat gebeurt er als we blijven praten over integratie? Danblijven we groepen Nederlanders apart zetten. Dan blijven we groepenmensen langs een meetlat leggen. Alsof sommige Nederlanders eerstmoeten bewijzen dat ze erbij horen. Dat is politiek van wantrouwen.Helaas lezen we in het coalitieakkoord dat wantrouwen ook terug.Integratie wordt steeds maar weer vernauwd tot veiligheidsthema’s, metsteeds weer hetzelfde uitgangspunt: mensen met een migratieachter-grond worden bekeken als een probleem dat opgelost moet worden.De samenleving is echter allang verder. Nederland is super divers en diediversiteit groeit alleen maar. Voor sommige partijen is dat reden omangstverhalen en complottheorieën te verspreiden. Maar of deze partijennu hoog of laag springen, de toekomst van Nederland is een toekomstzonder hokjesdenken, een toekomst waarin mensen niet meer door eenintegratiehoepel hoeven te springen. Dat is namelijk wat de politiek erjarenlang van heeft gemaakt: integratie als een hoepel. Mensen moestenerdoorheen springen om te bewijzen dat ze deugen, dat ze er mogen zijnen dat ze Nederlander kunnen zijn.Elke keer als ze erdoorheen sprongen, verzon de politiek weer een nieuwehoepel. Eerst zei men dat mensen met een migratieachtergrond nietwillen studeren. Ik zou zeggen: ga eens langs de mbo’s, de hogescholenen de universiteiten. Het barst er van de diversiteit. Daarna zei men datdeze mensen niet willen werken. Inmiddels weten we dat ondernemersmet een migratieachtergrond jaarlijks 90 miljard euro bijdragen aan onzeNederlandse economie. 90 miljard euro! Toen was het verwijt datNederlanders met een migratieachtergrond leven in parallelle samenle-vingen. Wat bleek uit onderzoek in 2024? Dat het juist Nederlanderszonder migratieachtergrond zijn, die vaak het minste contact hebben metandere groepen.Dan is er nog de racistische theorie dat mensen met een migratieachter-grond crimineler zouden zijn. Ook dat klopt simpelweg niet. Criminaliteitheeft niets, maar dan ook niets te maken met religie, afkomst of huids-kleur. Het heeft te maken met persoonlijke omstandigheden en met desociaal-economische positie van iemand.Nederlanders met een migratieachtergrond doorbreken iedere hoepel. Zeblinken uit in ondernemerschap, ze vertegenwoordigen Nederland ininternationale topsport, ze staan voor de klas, ze werken in de bouw en zezorgen voor mensen die zorg nodig hebben. Hun boodschap is duidelijk:wij zijn hier, wij blijven hier en Nederland is van ons allemaal.Maar er is wel degelijk een probleem in Nederland. Dat probleem heet«integratieparadox». Het betekent simpelweg: hoe beter mensenmeedoen en een bijdrage leveren, hoe hoger ze bijvoorbeeld in hetbedrijfsleven opklimmen, hoe vaker ze merken dat anderen hen nogsteeds als buitenstaander zien. Stel je voor, je studeert, je werkt en jebetaalt belasting. Toch krijg je steeds de vraag: waar kom je eigenlijk echtvandaan? Het probleem is dus niet de integratie, maar het probleem is deacceptatie. Daarom heeft mijn fractie vorige week een initiatiefwets-voorstel aangekondigd om ervoor te zorgen dat mensen bij het zoeken enhet solliciteren naar een baan gelijke kansen krijgen, dat werkgeversverantwoordelijk worden voor een eerlijke sollicitatieprocedure en dat deArbeidsinspectie ook kan meekijken.Voorzitter. Dan kom ik bij de actieagenda. Die is door het vorige kabinetopgesteld. Het onderwerp «integratieparadox» werd daarin vollediggenegeerd. Daarom vraag ik deze Minister: erkent hij de integratieparadoxTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11136 en gaat hij die meenemen in het herijken van zijn agenda? Dit onderwerpis door het vorige kabinet eigenlijk vakkundig weggepoetst.Dan weer terug naar het acceptatieprobleem. Dat is het echte probleem inNederland. Het bereikt een toppunt tijdens de maand ramadan. Ookvandaag horen we weer: Nederland islamiseert. Weer anderen zeggen: descheiding tussen kerk en staat verdwijnt, als er opeens ramadanver-lichting ergens in een winkelstraat hangt. Als gemeenten, maatschappe-lijke organisaties maar ook overheidsorganisaties een iftar organiseren, isNederland opeens te klein. O wee als er een politieagent aanschuift omkennis te maken met mensen, om ervaringen op te doen, om te luisterennaar welke signalen er zijn. Dan is Nederland te klein. Bij alle anderefeestdagen, of die nou christelijk zijn of joods of geen religieuze grondslaghebben, zien we dit niet gebeuren. Die dubbele standaard waar wetegenaan lopen, is het echte probleem van dit land.We zagen het vorige week nog. Helaas deed de Minister daar ook eenbeetje aan mee. We zagen het zoveelste onderzoek naar moslimdiscrimi-natie. We kunnen deze zaal vullen met onderzoeken naar moslimdiscrimi-natie. In plaats van dat het debat in de Tweede Kamer gaat over de vraagwat we met de conclusies gaan doen, wat we gaan veranderen en wat weconcreet gaan doen om te zorgen dat moslimdiscriminatie wordtverbannen, hebben we hier altijd discussies over de boodschapper. Bij hetnationale moslimonderzoek ging het opeens over de onderzoeksmethode,over hoeveel mensen er werden ondervraagd. Vorige week ging het eromdat een islamitische stichting had meebetaald aan het onderzoek. Het istoch logisch dat je als islamitische organisatie die zich zorgen maakt overmoslimdiscriminatie, juist op zoek gaat naar een gerenommeerdonderzoeksinstituut, zoals het KIS, en samen onderzoek uitvoert?Van sommige partijen in dit huis begrijp ik het, want zij willen het nietover moslimdiscriminatie hebben. Sterker nog, zij vinden het prima alsmoslimdiscriminatie plaatsvindt. Het is hun verdienmodel. De haatagendadie de PVV en inmiddels ook JA21 uitrollen, is een verdienmodelgeworden. Maar wat ik niet begrijp, is dat de Minister niet gewoon zei: ja,moslimdiscriminatie is een serieus probleem en we gaan daar werk vanmaken; dit kabinet gaat daarmee aan de slag. In plaats daarvan zagen wein alle kranten en in alle communicatie dat de Minister vraagtekens zettebij de procedure, bij hoe het allemaal is gegaan. Er moest weer eenaccountant naar kijken en er moest gekeken worden naar de integriteits-regels. Waarom is het nou zo moeilijk om te zeggen: dit onderzoek bewijstdat we een probleem hebben met moslimdiscriminatie en we gaan hierserieus werk van maken? Graag een reactie van de Minister hierop. Mijbekruipt het gevoel dat opnieuw een onderzoek over moslimdiscriminatiein een la gaat verdwijnen.Dan over het coalitieakkoord. Ik zei al eerder dat we in de integratiepara-graaf met name zien dat integratie wordt gekoppeld aan veiligheidsvraag-stukken. Het gaat over buitenlandse inmenging, over financiering vanmoskeeën, toezicht op informeel onderwijs, radicalisering, spanningenbinnen gemeenschappen. Het beleid lijkt primair gericht te zijn op hetplaatsen van mensen met een migratieachtergrond in het verdachten-bankje. Ik ben echt benieuwd hoe de nieuwe Minister hier in zijn eerstedebat naar kijkt. Kijkt hij veel breder naar het vraagstuk dat hij integratienoemt? Als het aan mij ligt, is de integratie voorbij. Het is mooi geweest.We hebben het al 50 jaar over integratie. Mensen die hier geboren engetogen zijn, hoeven niet meer te integreren. Ik ben benieuwd hoe deMinister kijkt naar het beleid waarbij continu integratie wordt geplaatst inde hoek van wantrouwen richting mensen met een migratieachtergrond.Dan heb ik gelijk een vraag over staatstoezicht bij weekendscholen, wantook dat wordt gepresenteerd als een activiteit die de integratie zoubevorderen, namelijk het wetsvoorstel Toezicht informeel onderwijs. Ikben benieuwd wat de Minister gaat doen met het wetsvoorstel datinmiddels al langs de internetconsultatie is geweest en klaarligt. Wordt ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11137 wetsvoorstel ingediend of gaat de Minister dat wetsvoorstel in samen-spraak met OCW wijzigen?Het volgende punt gaat over de versterkte gebedsoproepen. «Versterktegebedsoproepen» klinkt zo technisch, alsof het een discussie is over welkmerk speakers we moeten gebruiken, maar we weten allemaal dat dit overde islamitische gebedsoproep gaat, de azan. Het vorige kabinet heeft daareen onderzoek naar uitgevoerd. Er is een nulmeting uitgevoerd. Ik heb ersnel naar gekeken en die nulmeting zegt eigenlijk dat de meestegemeenten – volgens mij meer dan 90% – helemaal geen knelpuntenervaren. Sterker nog, in de nulmeting hebben gemeenten aangegevenhelemaal geen behoefte te hebben aan extra regels. In mijn woorden zegthet kabinet dat de islamitische gebedsoproep aan banden moet wordengelegd. Het vorige kabinet formuleerde dat als «extra nadere regels tenaanzien van versterkte gebedsoproepen». Ik ben benieuwd wat dit kabinetdaarmee gaat doen. Gaat dit kabinet verder waar het vorige kabinet isgebleven door extra maatregelen in te voeren en de gebedsoproepen aanbanden te leggen? Of accepteert de Minister op basis van deze nulmetingdat het probleem dat in dit huis en door het vorige kabinet werd gesugge-reerd, gewoonweg niet bestaat?Voorzitter. Ik kom op de motie-Becker. Opvallend genoeg reageert deMinister in zijn brief op bijna alle moties die wij in het vorige WGO, en inde debatten daarna, hebben ingediend. Over één specifieke motie, die totveel zorgen en commotie in het land leidt, wordt echter helemaal niksgezegd. Dat is de motie-Becker waarin de VVD vroeg om de religieuze enculturele opvattingen van Nederlanders met een migratieachtergrond tevolgen, te registreren en daar onderzoek naar te doen. Ik typeerde ditdestijds als een soort VVD-gedachtenpolitie. Ik heb een vraag aan dezekersverse Minister, die aan de slag wil gaan met maatschappelijkesamenhang en de samenleving in dit land. Gaat hij die motie daadwer-kelijk uitvoeren? Of zegt hij: we blijven natuurlijk SIM-onderzoeken doen,maar gaan niet specifiek registreren wat mensen met een migratieachter-grond vinden van weet ik veel welk onderwerp dan ook?Ik sluit af. Ik zeg tegen alle collega’s hier in de zaal die de afgelopen twee,drie uur de islam hebben geproblematiseerd en hebben gedaan alsofNederland islamiseert, alsof Nederland uit onze handen glipt: kijk naar deKanaalstraat in Utrecht, kijk naar de Zwart Janstraat in Rotterdam, kijknaar de Schilderswijk in Den Haag, kijk naar Plein ’40-’45 in Amsterdam.Daar zie je de echte verandering in Nederland. Je ziet niet dat Nederlandislamiseert, maar dat onze samenleving verandert. Je ziet dat moslims enniet-moslims, dat mensen met en zonder migratieachtergrond elkaaropzoeken. Daar zie je dat mensen met elkaar samenleven, samenwerkenen samen bouwen aan een wijk, en samen bouwen aan een toekomst. Datis de toekomst van Nederland. En dat Nederland zegt heel duidelijk: wezijn hier, we blijven hier en Nederland is van ons allemaal.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, meneer Ergin. Ik zie een interruptie van mevrouwMichon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik zit natuurlijk in dubio om een interruptie te plegen, want dit is zo’ndebat – dit is ook al eerder gezegd – waarin iedereen weer zijn totempaalneerzet, inclusief als extra profilering een schorsing om even iets te gaaneten, wat ik niet eerder heb meegemaakt. Toch zou ik de heer Ergin willenvragen of hij het met de VVD eens is, want hij zegt nogal wat over hoe wijde moslimgemeenschap neerzetten. Daar neem ik absoluut afstand van. Ikhoor de heer Ergin de cijfers over bijvoorbeeld de bijstand, die collega’sook hebben genoemd, ontkennen. Je ziet dat een heel grote groepstatushouders – laat ik het bij dat feit houden – na vijf jaar nog steeds inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11138 de bijstand zit. Van meneer Ergin mogen we het niet hebben overintegratie, voorzitter. Vindt meneer Ergin dat hij met zijn inbreng nou eenpositieve bijdrage levert aan dit debat, dat gevoerd moet kunnen worden?Ik hoor hem ook zeggen dat de integratie eigenlijk af is en dat we het ermaar niet meer over moeten hebben. Helpt het om het niet meer over ditonderwerp te hebben, vraag ik collega Ergin, hoe onwelgevallig allemeningen ook kunnen zijn. Niet elke mening die ik hier hoor, is mijnmening. Dat zal voor de heer Ergin ook gelden. Maar helpt zijn voorstelom het er niet meer over te hebben, vraag ik de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Dat helpt zeer zeker, omdat we eigenlijk een hele rare discussie voeren indit huis. Wij hebben in Nederland wetten en regels. Iedereen die inNederland woont, moet zich daaraan houden. Het maakt niet uit welkekleur je hebt of in welke religie je gelooft. We hebben dus integratiebeleid,waarbij we tegen geboren en getogen Nederlanders ... Dat staat nog losvan het feit dat je niet geboren en getogen in Nederland hoeft te zijn omlater het Nederlandse paspoort te kunnen krijgen. Wij voeren eendiscussie, waarbij we bepaalde groepen mensen langs een bepaaldemeetlat leggen. Dat is het rare aan dit integratiedebat. We moeten kijkennaar het gedrag van mensen. Als er in dit land mensen zijn die problema-tisch gedrag vertonen, dan pakken we die mensen aan op basis vangedrag. Ik kan er echt niet tegen, en alles in mij verzet zich daar ook tegen,dat we op basis van complexe uitdagingen – dat zeg ik er ook heel eerlijkbij – het hele debat eigenlijk gewoon cultureel platslaan. We slaan het platnaar migratieachtergronden en naar religie, terwijl we weten dat desociaal-economische positie van iemand heel belangrijk is.Dat wordt gelukkig steeds minder. Dat is positief. Dat komt niet door hetintegratiedebat dat we hier voeren, maar door de positieve verandering inNederland dat steeds meer mensen die sociale ladder opklimmen. Datheeft niks te maken met hun cultuur. Dat heeft niks te maken met hunreligie. Dat heeft ermee te maken dat ze hun stinkende best doen en dat zeeen bijdrage leveren aan Nederland. We moeten stoppen met mensen indit debat, in dit huis, te reduceren tot één identiteit. Mensen hebbenmeerdere identiteiten. Ik heb meerdere identiteiten, en mevrouwMichon-Derkzen heeft dat ook.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Voorzitter, dit is mijn laatste interruptie.De voorzitter:Ja.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ja, die ga ik gebruiken. Ik ben het met de heer Ergin eens dat het overgedrag moet gaan. Dat ben ik totaal met hem eens. Het gaat niet om deafkomst. Het gaat al zeker niet om religie, want daar hebben we ookvrijheid van in dit land. Maar het gaat wel over gedrag. Dit debat zoomt inop problematisch gedrag dat voortkomt uit het feit dat iemand hier vanuiteen ander land of een andere cultuur naartoe is gekomen. Zij hebbendaarom bijvoorbeeld lagere startkwalificaties vergeleken met de Neder-landse beroepsbevolking. Er zitten daarom feitelijk meer mensen in debijstand vergeleken met de Nederlandse beroepsbevolking. We hebbendaarom een Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld. Zo kan iknog wel even doorgaan. Dat zijn problemen die we ook met elkaar moetenbenoemen. Iedereen gebruikt daar zijn eigen woorden voor. Heel veelwoorden die ik hier vandaag hoor, zijn niet mijn woorden. Ik heb mijnwoorden ook zorgvuldig gekozen. Maar, meneer Ergin, wat mij dan weerecht steekt, is dat u zegt: benoem dit niet, want daarmee reduceer jemensen. Nee, je reduceert mensen, als je de problemen niet meerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11139 benoemt. En er zijn wel degelijk problemen. Die benoemen we hier en wevragen de Minister om daarop in te zetten. Vorig jaar hebben we geziendat dit werd gedaan met de actieagenda. Ik heb ingezoomd op taal enwerk. Ik hoop dat de heer Ergin het met mij eens is dat we problemenzoals vrouwelijke statushouders aan het werk krijgen hier met elkaarmoeten aanpakken. We moeten die bekijken en aanpakken. Ik hoop dat deheer Ergin dat met mij eens is.De heer Ergin (DENK):Mevrouw Michon zegt dat we mensen meer aan het werk moeten zettenen aan een baan moeten helpen. Ik heb daarover nota bene vorige weeknog een initiatiefwetsvoorstel ingediend. Ik hoop overigens dat de VVDdat wetsvoorstel gaat steunen, net zoals de vorige keer. Ik ben het echterniet eens met de VVD en zie het als een vorm van problematisch gedragals je obsessiepolitiek bedrijft en in dit huis voorstellen indient, waarbij jeletterlijk aan de Minister – toen was het de Staatssecretaris – vraagt omonderzoek te doen naar de opvattingen van mensen met een migratieach-tergrond. Als moet worden geregistreerd – dat staat letterlijk in demotie – wat hun culturele en religieuze opvattingen zijn, dan ben je nietbezig met mensen helpen, maar met obsessiepolitiek waarbij je tegen eenhele groep mensen eigenlijk zegt: u deugt niet of u deugt, omdat de VVDdat zegt. De samenleving is veel verder dan dat. We moeten in dit huisdaarom ook stoppen met het debat over integratie. We moeten hethebben over wederzijdse acceptatie waarbij we alles in brede zin metelkaar kunnen bespreken.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik wil een persoonlijk feit maken.De voorzitter:Een persoonlijk feit.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):De heer Ergin ridiculiseert de motie van mijn collega Bente Becker. Datweet hij donders goed. Wie die motie goed leest, weet dat daar niet staatwat nu door de heer Ergin naar voren wordt gebracht. Hij zal daar geenafstand van nemen, maar ik wil dat hier gezegd hebben.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk even rond of er nog interrupties zijn. Die zijn er niet. Ikstel voor om te schorsen, zodat de Minister zich kan voorbereiden op debeantwoording van alle vragen. Ik stel voor om om 19.55 uur terug tekomen. Is dat voldoende tijd? Ja, dat is zo.De vergadering wordt van 19.11 uur tot 19.55 uur geschorst.De voorzitter:Goedenavond. We gaan beginnen met de eerste termijn van de Minister.Ik stel voor om vier interrupties toe te laten aan de leden van de Kamer endat iedere keer te doen aan het einde van een blok. Zullen we dat doen? Ikstel ook voor dat de Minister van tevoren aangeeft welke blokjes er zijn,en dan kunnen we starten. Ik geef de Minister het woord.Minister Aartsen:U wilt eerst de blokken, meneer de voorzitter. Ik heb eerst een algemeneintro van een uurtje of drie, denk ik. Daarna ga ik iets algemeens zeggenover het inburgeringsstelsel. Er zijn wat vragen gesteld over taal – dathangt daarmee samen – en over integratie. Daar zitten een aantal kleinereblokjes bij. Ik moet even kijken of dat aparte blokken worden of niet, maarlaten we het even op integratie houden. Daarin zitten dialoog, ongewensteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11140 buitenlandse beïnvloeding, radicalisering en moslimdiscriminatie, en danis er het kopje varia. Ik ben hier vrij nieuw vandaag. Het is mijn eerstedebat, dus ik heb meerdere blokjes gedaan. Maar dat is natuurlijkuitlokking tot interrupties in uw systeem, dus we moeten even kijken hoewe het gaan doen.Voorzitter. Nogmaals, het is inderdaad fijn om hier vandaag te zijn. Het ismijn eerste debat als Minister van Werk en Participatie. Ik heb veel zin ommet dit onderwerp aan de gang te gaan. Laat ik gewoon beginnen met destelling dat Nederland eigenlijk een fantastisch mooi land is. Waarom isNederland nou zo’n fantastisch mooi land? Ik denk dat de meesten vanons nergens anders zouden willen wonen. Dat heeft ermee te maken datwij in Nederland een ongekende welvaart en een ongekende vrijheidkennen. Vooral die combinatie is vrij uniek in de wereld, kunnen we welstellen.In de kern is dat wat mij betreft waar integratie en inburgering om gaan.We hebben die welvaart namelijk met elkaar, omdat iedereen die inNederland is, of hij nou nieuw is of hier al 100 jaar woont, een bijdragelevert aan ons land, omdat hij meedoet in ons land door te werken, doorte ondernemen, door vrijwilligerswerk te doen, door te zorgen voor eenander. Dat is uiteindelijk in de kern waar die ongekende welvaart vandaankomt: bijdragen aan het werk en meedoen.Daarnaast – ik zei het al – zijn wij een van de meest open en vrijesamenlevingen ter wereld. Mensen die hier wonen, kunnen hier zijn wieze zijn, kunnen hier zeggen wat ze willen zeggen, kunnen hier doen wat zewillen doen, kunnen worden wat ze willen worden, kunnen geloven wat zegeloven, kunnen samen zijn met degene waarop ze verliefd zijngeworden. Die ongekende vrijheid moeten we wat mij betreft niet alleenkoesteren, maar ook beschermen. Dat moeten we met elkaar doen. Wevragen dan ook aan iedereen die hier welkom is in Nederland niet zozeerdat ze die vrije samenleving willen respecteren en uitdragen, maar ook datze samen met ons die vrijheden tegen onvrijheid en onverdraagzaamheidwillen beschermen, om op te staan tegen onverdraagzaamheid endiscriminatie, op welke grond dan ook.Het coalitieakkoord van dit kabinet heet Aan de slag. Dat is wat mij betrefteen goed uitgangspunt, ook voor deze twee belangrijke onderwerpen. Inhet akkoord staan grote ambities om ervoor te zorgen dat iedereen die inNederland is, dus ook statushouders en nieuwkomers, zijn of haar steentjebijdraagt, aan het werk gaat en meedoet. Wat mij betreft is betaald werkdaarbij wel het uitgangspunt. Daar staat dan tegenover dat we vol inzettenop een goede integratie in onze open vrije samenleving. We beschermenmensen die hier zijn tegen ongewenste buitenlandse inmenging en wezorgen ervoor dat iedereen die dat wil, kan meedoen en zich welkomvoelt. Dat betekent ook dat we discriminatie, specifiek op de arbeidsmarkt,zullen tegengaan.Dit kabinet gaat dus aan de slag met deze ambities. Het voordeel van eenminderheidskabinet is dat we dat doen samen met andere partijen in dezeKamer en samen met maatschappelijke partners. Dat betekent ook dat ikde komende tijd mij zal gaan beraden op de koers van het kabinet als hetgaat om de onderwerpen inburgering en integratie. Ik heb u dat ook latenweten in een aantal brieven die ik de afgelopen week al naar u heb mogensturen, maar ik kan u toezeggen dat het kabinet, in ieder geval de beideMinisters van Sociale Zaken, met een 100 dagenbrief komt zoals we datnoemen. Meedoen, werk, integratie en inburgering zullen daar zeker eenbelangrijke rol in spelen.Dit kabinet zit er op dit moment exact veertien dagen. Er zijn heel veelvragen gesteld over van alles en nog wat. Ik ga die zo goed mogelijkbeantwoorden, maar ik ga wel al aan de voorkant excuses aanbieden datik nog niet op alles antwoord kan geven, ook vanwege het simpele feit datik het verstandig vind bij een onderwerp als dit om mij even te bezinnenop een koers, om mij even te beraden op wat verstandig is. Waar leggenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11141 we nou de focus? Hoe doen we dat financieel? Wat geven we prioriteit?Wat willen we als eerste aanpakken? Ik beloof uw Kamer dat ik daar zekerop terug zal komen in de 100 dagenbrief. Wat mij betreft is de nieuwekoers er een van pragmatisme, nuchterheid en oplossingsgerichtheid. Ikdenk dat dat in de kern belangrijk is voor dit onderwerp.Voorzitter. Dat was mijn algemene intro. Ik wil nu beginnen met het kopjeinburgering. Er zijn veel vragen gesteld over de doelen die dit kabinet tenaanzien van inburgering heeft, en dan specifiek het inburgeringsstelsel. Ikzei het al, voor mij begint inburgering met meedoen. Meedoen begint bijwerk en werk begint bij taal. Werk is uiteindelijk wel de snelste eneffectiefste route naar volwaardig meedoen in onze samenleving. Op dewerkvloer leer je namelijk Nederlands en ontmoet je mensen die jekunnen helpen bij problemen die je tegenkomt. Uiteindelijk is debedrijfskantine niet alleen een plek waar je je boterhammetje eet, maarook een plek waar je samen met je collega’s dingen viert als het meezit enlief en leed deelt als het tegenzit. Dat is in de kern waarom het zobelangrijk is om te werken en mee te doen. Als je werkt, bouw je immersaan de toekomst en kun je ook bijdragen aan dit land. Ik geloof datniemand een beter mens wordt door jaren thuis te zitten. De cijfers overhet inburgeringsstelsel doen mij dan ook pijn. Iedereen beschikt immersover talenten, over dromen, over passies. Iedereen kan wat. Als wemensen langs de kant laten staan, laten we mensen niet alleen niet totbloei komen, maar laten we ook ongekend veel talent en waarde onbenut.Heel eerlijk, een sterk en mooi land als Nederland kan zich dat simpelwegniet permitteren. Als wij de welvaart die we hebben willen behouden, danzullen wij ook een beroep moeten doen op iedereen om mee te doen.Dat betekent ook dat we een andere koers moeten gaan varen als het gaatom het verbeteren van ons inburgeringsstelsel. Ik denk – dat blijkt ook uitalle evaluaties – dat de verandering van het inburgeringsstelsel op zichzelfpositief is geweest. We zien dat met name taal, namelijk de mogelijkheidom deel te nemen aan taallessen en de kwaliteit van de taallessen, inbelangrijke mate heeft bijgedragen aan de verandering van het stelsel.Tegelijkertijd zien we ook dat er echt nog wel een aantal verbeteringenmogelijk zijn. Dat blijkt ook uit het Algemene Rekenkamerrapport. Daar wilik de komende periode de focus op leggen. Werken en meedoen moetenwat mij betreft de norm gaan worden en niet de uitzondering. Werken enmeedoen zijn de basis. Je wilt zo snel mogelijk meedoen. Een aantalonnodige belemmeringen, die ook in verschillende bijdragen terug-kwamen, moeten uit de weg worden geruimd.De conclusies van de Algemene Rekenkamer over het inburgeringsstelselraken de kern. De tijdigheid is een probleem. Dat heeft te maken met dehuidige context, de doorstroming, de vertraging in huisvesting. In de kernklikt het bedachte stelsel niet helemaal lekker op het stelsel in de praktijk.We hebben mensen als asielzoeker in een azc zitten. Daarnaast hebben wemensen die als statushouder nog steeds in een azc zitten. Formeel gezienzouden ze moeten starten met hun PIP en hun inburgering. Dat is heelingewikkeld als je in een azc zit. Pas als je qua huisvesting gelinkt bent aaneen gemeente, ga je de stap maken naar je PIP en je inburgering. Dat kliktniet helemaal lekker op elkaar. Dat is een van de punten waarmee ik aande slag wil. Hoe zorgen we ervoor dat we de juiste dienstverleningaanbieden aan asielzoekers, aan mensen die nog geen status hebben?Hoe kun je hen zo veel mogelijk laten meedoen? Meedoenbalies zijn eenmooi voorbeeld. Het kabinet heeft een taskforce ingericht. Daarin ga iksamen met de Minister van AenM kijken hoe we die Meedoenbalies goedkunnen inzetten om mensen niet alleen mee te laten doen, maar ook telaten werken, om ze de juiste vaktaal te laten leren. Daar kan al een kiemworden gelegd voor meedoen, voor werken. We gaan kijken wat we noudoen in die fase waarin iemand formeel wel een status heeft en formeelgezien inburgeringsplichtig is, maar nog niet uit de huisvesting is. Dat isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11142 iets wat we met die tijdigheid willen doen. In het verlengde daarvan ligtde dualiteit. Ik vind in de kern dat werk de basis is van inburgering.Er werd hier een aantal keer een soort van schijntegenstelling neergezet,zo van: als mensen nou een baan nemen als tomatenplukker of wat danook, de pizzakoerier van de heer Tijs van den Brink, die misschien niethelemaal matcht omdat die in het thuisland in de zorg heeft gewerkt,belemmert dat misschien wel duurzaam werk, dus is dat nou verstandig?Mijn antwoord daarop is eigenlijk tweeledig: ja en nee. Ik denk namelijkdat het echt wel verstandig is, want je kunt beter pizzakoerier zijn dan datje thuis op de bank zit. Ik vind dat dus een stap vooruit. Tegelijkertijd, alsje in het thuisland inderdaad een medische opleiding hebt gedaan, is hetmisschien ook wel heel erg zonde als je je hele leven lang pizza’s blijftrondbrengen. Als je dat leuk vindt, moet je dat vooral doen.Daarom denk ik dat we moeten kijken naar verschillende fases. Dit laatzich natuurlijk niet in een exact hokje uittekenen. Ik denk dat we moetenzeggen: we beginnen met een startbaan; iedereen die binnenkomt gaatergens aan de slag in een startbaan. Daar moeten natuurlijk wel eenaantal voorwaarden aan worden gesteld. Aan een startbaan waarbij je opde werkvloer Pools of Roemeens spreekt, heb je niet zo veel als je doel isom mee te doen in het Nederlandse inburgeringsstelsel.Ik wil daar ook afspraken over gaan maken met werkgevers. Een. Laten wezorgen dat dan ook de begeleiding goed is, dat je Nederlands leert op dewerkvloer en dat je ook de juiste cursussen krijgt om aan die startbaan tekunnen voldoen: vaktaal, veiligheidstaal et cetera. Maar er moeten ookafspraken worden gemaakt over doorstroming, dus dat je ook zegt: oké,als iemand echt wat meer kan, dan gaan we die doorbegeleiden naar eenvolgende baan, een tweede fase. De laatste is natuurlijk een volwaardigecarrière. Hier zeg ik alleen wel weer het volgende bij. Ik hoorde een aantalkeer het voorbeeld van cardiologie voorbijkomen. Laten we ook proberende banen uit te kiezen die misschien het eenvoudigst zijn. Om iemand dieuit een ander land is gevlucht, hier gelijk cardioloog te maken is welmoeilijkheidsfactor 13, zeg maar. Laten we dus ook praktisch kijken watwerkt. Dat wil ik graag gaan doen, ook in die stappen.Daar hoort vervolgens wel bij dat je ook iets mag vragen van mensen zelf.Ik vind dat ook mensen zelf hun verantwoordelijkheid hebben. Je komtnaar Nederland toe en je hebt een eigen verantwoordelijkheid om bij tedragen. Dan vind ik ook dat als je kunt werken, je ook moet werken.Mevrouw Michon vroeg of we mensen dan ook gaan korten. Als mensensystematisch blijven weigeren om een baan te accepteren terwijl ze datwel zouden kunnen, hoort daar ook wel een sanctie bij. Dat is nietuitgangspunt één van het beleid, maar het is uiteindelijk wel het sluitstukvan het beleid. Dat vind ik er ook bij horen. Die balans zou ik de komendetijd graag gaan vinden.Dat wil ik graag samen met gemeenten doen. We hebben op dit momenteen bekostigingsonderzoek lopen. Nee, sorry, dat is inmiddels afgerond.Daaruit blijkt dat er gewoon spanning staat op het budget. Dat weten we.Maar ik heb ook gezegd dat ik eerst met gemeentes in gesprek wil. Ik wilmeer dan alleen maar het gesprek «Den Haag kunt u meer geldovermaken?» voeren. Ik wil ook het gesprek voeren over de vraag: zijn wenou tevreden met de uitkomsten van dit stelsel? Ik denk dat we hier metelkaar kunnen zeggen dat dat voor 50% zo is. We mogen, denk ik, trots zijnop de taaldoelen die zijn gesteld, maar er zijn echt wel een aantalverbeteringen mogelijk als het gaat om werk, om meedoen, om onnodigebelemmeringen eruit halen en om sneller meedoen.In antwoord op mevrouw Lahlah zeg ik daarom: ja, ik zie het probleemoprecht en denk ook na over hoe ik dat financieel kan oplossen, maar ikwil dat wel echt even in samenspraak met gemeenten zelf doen. Daarbijkijk ik ook naar gemeenten en zeg: oké, ik zie jullie financiële probleem,maar zien we dan ook het probleem dat we hebben met de uitkomstenvan het stelsel? Als we namelijk zien dat na drie jaar nog geen 25%Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11143 uitgestroomd is naar werk, is dat gewoon te weinig. Drie jaar is lang!Moet je zelf eens terugdenken aan wat je drie jaar geleden deed. Dat jedrie jaar lang niet meedoet in onze samenleving, in ieder geval nietbetaald, terwijl je dat wel zou kunnen, is lang. Ik vind dus dat we daarinecht wel een verantwoordelijkheid hebben. Daarom ga ik daarmee aan deslag.Voorzitter. Ik behandel misschien nog een paar korte vragen en dan zal ikdit puntje afronden. Er zijn een aantal vragen gesteld over het uitwerkenvan de streefwaarden. Dat is inderdaad ook iets wat ik de komende tijd wilgaan doen, want ik herken wel de vragen van de heer Van den Brink of ditnou de enige punten zijn waaraan we succes afmeten. Nee, zeker niet. Ikdenk dat het goed is dat we in dit gesprek als het gaat om prestatiebekos-tiging en targets ook met gemeentes bespreken wat dan vervolgens destreefcijfers zouden moeten zijn.Als het gaat om de vragen naar de oorzaken van de vertraging, heb ikvolgens mij al het een en ander gezegd. Dat zit met name op dedoorstroom vanuit de opvang naar gemeenten. Uiteindelijk klikt datstelsel niet helemaal lekker op hoe het op dit moment in de praktijk isgeregeld.Om de Meedoenbalies wat structureler in te bedden ga ik dus in gesprekmet mijn collega van AenM. Dat geldt eigenlijk ook voor de vragen vanmevrouw Michon-Derkzen over de startbanen. Die wil ik echt structurelergaan inbedden in ons stelsel, op een juiste plek en op een juiste manier,zodat we uiteindelijk het doel hebben om zo snel als mogelijk aan de gangte gaan.De heer Van den Brink vroeg of het een idee is om de arbeidsmarktinfra-structuur, de Werkcentra, daarbij te betrekken. Mijn antwoord daarop is ja.Ik denk dat dat verstandig is. Ik hoop op zeer korte termijn iets meerbekend te kunnen maken over de Werkcentra. Die vormen natuurlijk eenmooi instrument om ook voor dit soort zaken in te zetten.Ik kreeg nog de vraag of het mogelijk is om een verplichting aan te gaan.Nee, sorry, dat is een andere.Volgens mij heb ik alle belangrijkste vragen in dit blokje beantwoord.De voorzitter:Ik kijk eventjes naar de Kamer. Ik zie in ieder geval een vraag vanmevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Even voor mijn begrip: dit was toch het blokje inburgering met werk entaal erin?Minister Aartsen:Ik heb nog een paar hele specifieke taalvragen gekregen, maar die zal ikstraks beantwoorden.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik ga het dan over werk hebben, want ik hoor de Minister over diestartbanen zeggen dat hij de startbanen ook als een succes kwalificeert;daar ben ik zeer blij mee. Hij wil ze namelijk structureel inbedden; dat doeje als je iets succesvol vindt. Daar zijn we het dus over eens. Is het nu ookzo dat er veel meer vraag is en dat dus juist de financiering maakt dat erminder, of eigenlijk maar een maximum aan de startbanen is en eenmaximum aan het aantal gemeenten dat hiermee aan het werk gaat?Kortom, klopt het dus ook dat als wij een amendement, ik noem hetamendement-Michon-Derkzen, aannemen dat geld vrijmaakt voor meerstartbanen, dat dan een-op-een wordt benut om ervoor te zorgen dat ditsuccesvolle traject voor startbanen daadwerkelijk bij meer gemeentenneerslaat?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11144 Minister Aartsen:De appreciatie van het amendement-Michon-Derkzen doe ik bij debegroting, zoals te doen gebruikelijk, dus daar mag ik me niet toe latenverleiden. Maar het antwoord is ja. Op het moment dat we meer geldhebben, kunnen we dit ook doen. Dat heeft er dus ook mee te maken datdie startbanen echt een instrument zijn waarbij je niet alleen maar zegt datmensen bij deze baan beginnen, maar waarbij je ook wil dat die mensendoorstromen, de juiste begeleiding krijgen en de juiste taal leren. Datmaakt dat instrument zo interessant. Als er meer geld komt, kunnen wedat meer doen. Tegelijkertijd wil ik dat echt structureel inbedden.Overigens wil ik ook samen met werkgevers om de tafel en bespreken hoezij veel meer van dit soort startbanen kunnen gaan aanbieden, want daaris, denk ik, ook nog een enorme winst te halen.De voorzitter:Ik zie een vraag van de heer Van den Brink.De heer Tijs van den Brink (CDA):U zei: ik wil ook met de werkgevers in gesprek als het gaat over taal. Uithet rapport van de Rekenkamer maak ik nou juist op dat daar eenprobleem zit. Werkgevers zeggen: wij willen wel een eigen taalaanbodbieden, maar dat mag nu niet. Mag dat wat u betreft wel?Minister Aartsen:Dit is precies wat ik bedoel met onnodige belemmeringen. We zien nu datwe een stelsel hebben bedacht waarin dat bij de B1-route zo is. Als jegeen taalles conform die route geeft, dan telt die niet mee. Ik wil bekijkenhoe je werk wat meer kunt combineren. Afgelopen woensdag ben ik bijeen mooi werkbezoek in Rotterdam en Barendrecht geweest, waar heelveel werkgevers actief inzetten op taalles. Dat wil je natuurlijk stimuleren.Dat kan via zo’n B1-route of dat kan via een aparte werkroute; daar ben iknog niet over uit. Daarom beroep ik me even op de veertien dagen die ikpas in dit ambt zit. Daar wil je wel echt naar kijken, omdat je dat in destartbanen, maar eigenlijk ook in het reguliere werk wil hebben zitten.Uiteindelijk is dat namelijk wel de manier om mensen zo snel als mogelijkaan het werk te krijgen, maar ook om ze duurzaam aan het werk te krijgenen Nederlands te laten leren. Ik kan toezeggen dat ik bereid ben om dieoptie ook te verkennen bij de verbeteringen die we gaan aanbrengen inhet stelsel.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Ik had exact dezelfde vraag als de heer Van den Brink, dus dat scheelt. Ikpak dan even een andere vraag. Ik hoorde de Minister net al zeggen: driejaar is lang als je niet in de gelegenheid bent gesteld om de taal te lerenen mee te doen. Ik hoorde net al een aantal obstakels – ik ben blij dat deMinister deze erkent – die het moeilijk maken om direct vanaf de start meete doen, onder andere vanwege het feit dat statushouders in de azc’s nogwachten op huisvesting en dat asielzoekers die nog willen beginnen,onder een ander regime vallen. Ik ben heel benieuwd hoe de Ministerhiernaar kijkt: wie is nou bestuurlijk aanspreekbaar als mensen vastlopentussen die procedures voor opvang, huisvesting, taal en werk en is hij hetmet mij eens dat juist de Minister van Werk en Participatie bij uitstek depersoon is om de regie daarop te nemen?Minister Aartsen:Ook dit zie ik maar gewoon als uitlokking van mevrouw Lahlah. Hoe wijals kabinet aankijken tegen deze situatie is onder andere natuurlijk ook dereden waarom mijn functie bestaat. Ja, ik heb hier een ketenverantwoor-delijkheid. Ik wil hier ook ketenregie op gaan voeren. Ik zeg daar alleenbij – nu komen alle nuanceringen – dat wat er gebeurt in een azc, inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11145 Nederland onder de Wet COA valt; dat zeg ik uit mijn hoofd. Die wet valtweer onder de Minister van AenM. De uitvoering van het inburgerings-stelsel hebben we bij de gemeenten neergelegd. Ik heb daar dus nieteen-op-een een verantwoordelijkheid voor waarmee ik dat allemaal kanafdwingen en regelen, maar ik vind wel dat ik een ketenverantwoorde-lijkheid heb voor werk en participatie en dus ook voor hoe we nieuw-komers mee gaan laten doen en gaan laten werken. U heeft allemaal debrieven kunnen lezen van de taskforces die dit kabinet is gestart. Dit is ereen van: hoe zorgen we ervoor dat meedoen zo snel mogelijk en op eengoede manier kan? Wat mij betreft ga ik daar volle bak mee aan de slag.De voorzitter:Ik zie nog een vraag van de heer Van den Brink.De heer Tijs van den Brink (CDA):Ja, nog even over mijn pizzakoerier. Moet de Syrische verpleegkundigewat u betreft nou wel of niet onmiddellijk pizza’s gaan bezorgen als zij hieraankomt en als dat kan? Of mag zij even de tijd nemen om te kijken of zein de zorg aan de slag kan?Minister Aartsen:Iemand die hier aankomt, is in principe asielzoeker. Dan is het sowieso 24weken niet toegestaan om te werken. Daarna vind ik wel dat iemand directaan de slag moet; dat is wel het uitgangspunt van mijn beleid. De vraag isdan of het handig is om dat als pizzakoerier te doen of dat je misschienkan helpen in het verzorgingstehuis of in een andere zorggerelateerdesituatie. Maar wat ik eigenlijk nog daarvóór zou willen, is dat wij ingesprek gaan met de zorgsector, die allerlei leer-werktrajecten heeft enallerlei investeringen doet om mensen in die tekortsectoren te trekken:wat voor aanbod kunt u regelen voor deze mevrouw, die affiniteit heeftmet zorg en die in haar land van herkomst al dat niet geregistreerd in dezorg heeft gewerkt, en wat voor passends kunnen we daar nou voorbedenken? Maar op de bank zitten is wat mij betreft nooit passend. Dat isdus het andere uiterste. Daartussen zit heel veel meer. Je probeert daarineen passend aanbod te vinden. Als ik moet kiezen tussen pizzakoerier enthuiszitten, kies ik echt voor pizzakoerier. Dat is volgens mij ook een mooivak. Onze ambtenaren hebben net heerlijke pizza’s zitten eten. Veel dankdus aan de pizzakoerier die die pizza’s gebracht heeft; daar zijn we zeerdankbaar voor, namens de voltallige ambtenarenkamer.De heer Tijs van den Brink (CDA):Daar sluit ik me graag bij aan.De voorzitter:Oké. Ik kijk even rond: zijn er nog interrupties? Nee, die zijn er niet. DeMinister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Ik kreeg nog een paar kleine vraagjes over taal en inburgering. MevrouwNanninga vroeg mij om niet af te schalen van de B1-norm naar deA2-norm. Daar hebben we stevige afspraken over gemaakt in het stelsel.Het streven, het uitgangspunt, is B1, maar dat is voor een aantal mensensoms echt niet haalbaar. Dat weten we ook. De heer Koolmees gebruiktedaar volgens mij altijd het voorbeeld voor van de analfabeet uit Ethiopië.Daar is B1 misschien echt heel pittig voor. Dan bestaat er eenmogelijkheid om af te schalen, maar daar zit echt een aanzienlijkeinspanning van 600 gevolgde taallesuren in als vereiste. We zien ook in deeerste cijfers dat die afschaling in zeer geringe mate voorkomt. We ziendaar geen forse stijging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11146 Kan de Minister kijken welke mogelijkheden er zijn om taalontwikkelingvoorbij B1 nog te stimuleren? Dat was een vraag van de heer Bamenga. Inde Wet inburgering 2021 is taalniveau B1 het uitgangspunt, maar hier iszeker nog ruimte voor maatwerk. Het is aan gemeenten, ook vanuit dierol, om hierover dingen op te nemen in de inburgeringsverplichting,bijvoorbeeld in zo’n PIP. Sommige gemeentes bieden bijvoorbeeld ookB2-trajecten aan voor snelle leerders. Daarnaast is er natuurlijk ook deonderwijsroute waarin het een en ander mogelijk is.Is de Minister het met D66 eens dat het onmenselijk is om jongeren aande Z-route deel te laten nemen? Ben ik bereid om meer te sturen op deonderwijsmogelijkheden? Dit vind ik echt wel een afweging voor deprofessionals uit de betreffende gemeenten zelf, voor in het gesprek metde inburgeraar. We zien inderdaad een toename van de Z-route. Het zounatuurlijk mooi zijn als mensen meer gebruik konden maken van dieonderwijsroute, maar het is dan toch eigenlijk echt wel aan gemeentenzelf om daar een afweging over te maken, afhankelijk van het gesprek datzij hebben.Dat voor dit onderdeeltje, voorzitter.De voorzitter:Oké. Ik zag de hand van mevrouw Nanninga.Mevrouw Nanninga (JA21):«B1», «B2»... Het lijkt wel een aflevering van Bassie en Adriaan. Voor deoudere of jongere kijkers onder ons: dat waren de boeven, die heetten zo.Maar dit gaat over een serieus onderwerp, over details. Dat zogenaamdeZ-project is juist heel erg geëxplodeerd, als ik de media mag geloven. Datis nu zo’n 30%. We kunnen ons ook afvragen wat de sancties zijn als datniveau niet wordt behaald. Want na 600 uur taalles mogen we natuurlijkook wel wat terugverwachten. En als dat niveau niet wordt gehaald, dan iser misschien ook gewoon geen plaats voor iemand hier in Nederland. Dusik vind het allemaal erg vrijblijvend. Ik vind 30% ook niet heel weinig.Minister Aartsen:Er gaan nu twee dingen door elkaar lopen. Het een gaat over deafschaling naar A2 vanuit een B1-route, het andere gaat over de Z-route.Dat zijn wel twee verschillende dingen. We zien in de B1-route dat deafschaling naar A2 reuze meevalt. Wat we wel zien, is dat de Z-routeinderdaad fors is toegenomen. Het is lastig om daar nog een vinger achterte krijgen. Je kunt dat pessimistisch bekijken. Je kunt het ook optimistischbekijken: dat mensen zeggen dat ze juist willen werken. Het lijkt mij dusverstandig dat we eerst even kijken of we wat meer informatie over dieZ-route hebben, die wij u dan eventueel later kunnen doen toekomen. Ja,we gaan die u later doen toekomen. In de tussentijd was ik hier naar diehele Z-route aan het zoeken, maar als u het goedvindt, kom ik daar op eenlater moment op terug.Mevrouw Nanninga (JA21):Graag. Het verschil is mij duidelijk. Maar ik bedoelde te zeggen dat deZ-route inderdaad iets anders is, maar bijna wel een ontsnappingsrouteom niet aan B1 te hoeven komen. Dat is natuurlijk superonwenselijk. Ik wilhet niet positief of negatief bekijken, maar gewoon realistisch. En datmensen nou zo graag aan het werk willen, zou ik dan ook weleensbevestigd willen zien; dus dat die mensen vaker in de Z-route zitten endan ook aantoonbaar vaker werkzaam zijn. Als ze én niet werkzaam zijn énin die Z-route zitten, tja, dan moeten we toch echt even ingrijpen met z’nallen.Minister Aartsen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11147 Daar zijn mevrouw Nanninga en ik het met elkaar over eens. Wat ik zouwillen voorstellen, is dat ik op een later moment nog even schriftelijk watverder uiteenzet hoe de situatie nu is als het gaat om de Z-route en detaaleis daaromtrent. Dan hebben we dat op een rijtje staan en kunnen wedaar later verder het debat over voeren.De voorzitter:Ik kijk even rond. Ik zie geen vragen, dus de Minister kan zijn verhaalvervolgen.Minister Aartsen:Dan gaan we met gezwinde spoed door naar het kopje integratie.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Voorzitter...De voorzitter:O, ik zie alsnog een vraag vanuit GroenLinks-PvdA.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Het is meer een ordevoorstel. Kan de Minister wellicht aangeven welkekopjes er allemaal zijn? Het gaat soms een beetje van de hak op de tak, enals we dan pas aan het einde van een blok pas de vragen kunnen stellen,houd ik het overzicht niet meer.De voorzitter:Maar volgens mij heeft de Minister dat aangegeven. De vraag is dus of udat nog een keer kunt herhalen.Minister Aartsen:Ik heb nu een algemene lijn over integratie. Daarna zal ik iets zeggen overde interreligieuze en de nationale dialoog. Dan zal ik iets zeggen over deongewenste buitenlandse beïnvloeding. Ik zal iets zeggen over de radicaleislam en alles wat daaromheen is gezegd. Ik zal daarna iets zeggen overmoslimdiscriminatie, ook in combinatie met de onderzoeken van het KIS.En dan heb ik het kopje varia.De voorzitter:Volgens mij is het helder nu. De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Er zijn wel honderd vragen gesteld, dus een excuus als straks niet allescompleet beantwoord is. Daar hebben we dan hopelijk nog een tweedetermijn voor. Dus als de Kamerleden aangeven dat er nog een specifiekebehoefte is en ik iets ben vergeten, dan gaan we dat doen. Voorzitter. Er isveel gezegd over integratie en uiteindelijk denk ik dat het belangrijk is omintegratie echt te zien als een sleutel voor een sterk Nederland. Ik had hetnet al over die welvaart en over die vrijheid. Nieuwkomers versterkenNederland uiteindelijk op het moment dat ze echt daadwerkelijkvolwaardig onderdeel zijn van onze samenleving. Dat vraagt wat mijbetreft dat iedereen die hier mag blijven de taal leert, werkt, meedoet enonze vrije democratische waarden omarmt. Alleen dan kunnen mensenhun toekomst opbouwen en draagt iedereen die in Nederland aanwezig isook bij aan de kracht van ons land.Tegelijkertijd is integratie ook een wederkerige opdracht. We verwachtenvan mensen dat ze meedoen in Nederland, de taal leren, onze waardenrespecteren. Anderzijds mogen mensen ook van de overheid verwachtendat ze worden beschermd tegen discriminatie, racisme en tegen buiten-landse onderdrukking of ongewenste inmenging. Nederland is een vrijland en die vrijheid moeten we wat mij betreft verdedigen. Je mag hierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11148 zeggen wat je denkt, geloven wat je wil, liefhebben wie je wil, of je numan of vrouw bent, homo of hetero, gelovig of niet. Uiteindelijk zijn het,in mijn ogen, die vrijheden die Nederland zo mooi maken. Die moeten wewat mij betreft dan ook beschermen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik wilde het betoog niet verstoren, maar ik probeerde even uw aandacht tekrijgen, voorzitter. Ik zou aan de Minister willen vragen of dit ook een landis waarin we gewoon de eisen die de wet stelt handhaven.Minister Aartsen:U maakt wel heel snel een stapje naar het handhaven van, waarschijnlijk,de taaleisen. Ja, dat is wel waar we van uitgaan. Dat is ook hoe dedemocratische rechtsorde werkt. Als we een wet maken, moet die wet ookworden gehandhaafd. Daar mogen mensen volgens mij op kunnenrekenen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dit is het enige juiste antwoord op mijn vraag, maar hoe beoordeelt deMinister ... We zijn dus bij het kopje integratie, maar op het gebied vantaal heb ik het in mijn bijdrage gehad over gemeenten die gewoonexpliciet zeggen: «ik handhaaf niet op die taaleisen, ik vind dat niet nodigen ik ga uit van vertrouwen» – whatever, wat dat dan ook is. Hoe kijkt deMinister naar deze gemeenten en wat kan hij ook nog doen, is dannatuurlijk eigenlijk de vraag, om ervoor te zorgen dat we in dit landinderdaad de wetten handhaven en dat gemeenten dat dus ook gaandoen?Minister Aartsen:We hebben met de gemeenten natuurlijk continu een gesprek over deuitvoering van, in dit geval, de Participatiewet. Ik verwacht wel vangemeentes dat zij de instrumenten die het Rijk aanreikt ook inzetten; dat isonder andere de taaleis, maar dat is bijvoorbeeld ook de tegenprestatie.Iedere gemeente heeft daarin natuurlijk haar eigen beleidsvrijheid; aan deandere kant hebben we ook het feit dat je op alle plekken toch met enigevorm van gelijkheid moet worden behandeld. Dan kan het niet zo zijn dater in een gemeente totaal geen handhaving plaatsvindt. Ik spreekgemeenten er natuurlijk ook op aan als zij actief besluiten om een wet niette handhaven. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Dat is niet hoewe het in dit land met elkaar hebben georganiseerd, dus daar moeten weelkaar ook op aanspreken.De voorzitter:Ik zie een vraag van de heer Boon.De heer Boon (PVV):Dit geldt niet alleen voor de taaleis, maar natuurlijk ook voor het boerka-verbod. De Minister zegt «ik spreek ze aan», maar er zijn gewoon linkseburgemeesters die zeggen: u kunt me aanspreken wat u wil, maar ik gahet gewoon niet uitvoeren. Dan is de vraag van de PVV: «Wat dan? Watgaat u nu doen met die linkse burgemeesters?» Er zijn bekendevoorbeelden van dat men gewoon permanent weigert om het boerka-verbod uit te voeren.Minister Aartsen:Het boerkaverbod en de handhaving ervan lopen via boa’s. Dat zit echt bijmijn collega van JenV; de Participatiewet valt onder de verantwoorde-lijkheid van deze Minister, van mij. Ik kan hier dus simpelweg geenantwoord op geven. Die vraag zult u echt moeten stellen aan mijn collegavan JenV. Ik verwijs wel naar een brief die door mijn collega’s van JenVTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11149 en BZK is gestuurd. Dat was, uit mijn hoofd, afgelopen december. Diebrief ging over de uitvoering en handhaving van het boerkaverbod.De voorzitter:Ik zie nog een vervolgvraag van de heer Boon.De heer Boon (PVV):Dan ga ik ’m anders stellen. Ik ga ’m trekken naar de inburgeringscursus.Ik had er vragen over gesteld of mensen deel kunnen nemen metgezichtsbedekking of gezichtsmiddelen, zoals mondkapjes en hoofd-doekjes. Daarmee creëer je in feite een nieuwe boerka, en daar wordt ookniet op gehandhaafd. De inburgering valt wel onder integratie. Wat gaat udus doen naar de burgemeester en onderwijsinstellingen die de wet op degezichtsbedekkende kleding niet willen handhaven bij de inburgering?Minister Aartsen:Hier hoort wel een genuanceerd verhaal bij. Aan de ene kant: inderdaad,gezichtsbedekkende kleding gaat niet bijdragen aan deelname aan deopen, vrije samenleving. Dat kunnen we zo stellen. Er is een redenwaarom de regering en het parlement dat verbod hebben ingesteld. Er ziteen bepaalde reden achter. Tegelijkertijd hebben we met elkaar eendemocratische rechtsorde. Wij hebben niet de bevoegdheid om iederklaslokaal – in het geval van het inburgeringsstelsel zijn dat privaatgefinancierde klaslokalen – te betreden. Dat is echt een balanceeract: watmag je doen, en waar mag dat? Allebei zijn dus waar. Aan de ene kant ishet waar dat er een verbod op gezichtsbedekkende kleding geldt inopenbare, publieke gebouwen. Aan de andere kant is het waar dat je alsoverheid niet zomaar overal in mag treden. Die balans moeten we, denkik, wel goed met elkaar bewaken.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Het leren van de Nederlandse taal is ontzettend belangrijk, zeker als je hierin een nieuwe samenleving wilt wortelen. Laat daar geen misverstandover bestaan. In mijn inbreng heb ik al eerder de obstakels genoemd diegepaard gaan met het zo snel mogelijk kunnen leren van de taal, onderandere het gebrek aan docenten en kwalitatief goede cursussen in zowelazc’s als daarna.Nu ben ik vanuit een andere rol nauw betrokken geweest bij dehervorming van de Participatiewet. Een van de geluiden vanuitgemeenten was dat een taaladvies dat uitgaat van wantrouwen eigenlijkhelemaal niet werkt, en al helemaal niet als je vervolgens ook nogbezuinigt op het leren van de taal. Mijn vraag is hoe de Minister reflecteertop het feit dat in gesprekken met de gemeenten de taaleis eigenlijk uit deParticipatiewet zou verdwijnen, omdat het gaat om een inspanningsver-plichting en niet een resultaatsverplichting. Om een voorbeeld te geven:als mijn dochter thuiskomt met een cijfer kan ik zeggen: je hebt geenvoldoende gehaald en daarmee is het slecht. Ik beloon dan niet de inzetdie ze heeft gepleegd. Een inspanningsverplichting is dus veel belang-rijker dan een resultaatsverplichting. Hoe reflecteert de Minister dan ophet feit dat naar aanleiding van de Maccabi-rellen in Amsterdam, die overeen heleboel dingen gingen maar niet per se over de Nederlandse taal,deze taaleis er weer in is gefietst, ondanks het feit dat de VNG aangeeftdat de taaleis niet effectief is?Minister Aartsen:Ik mis even de link tussen Maccabi-rellen en de taaleis in de Participa-tiewet.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11150 Die kan ik wel noemen: de taaleis zou verdwijnen uit de Participatiewet. Ineen motie die tijdens de Maccabi-rellen in de Kamer is ingediend, isvoorgesteld om de eis opnieuw in te voeren. Ik vraag om een reflectie vande Minister. Hoe reken je inwoners af op een resultaatsverplichting en nietop een inspanningsverplichting, ondanks geluiden van de gemeenten datzij taal ontzettend belangrijk vinden en graag ook meer middelen willenvoor kwalitatief goed taalaanbod?Minister Aartsen:Daar kan ik kort over zijn. Je hebt een ongelofelijk voorrecht als je inNederland bent. Daar hoort ook een verantwoordelijkheid bij. Wij levenniet in een samenleving waarin je alleen maar rechten hebt. Je hebt ookplichten. Die heb je helemaal als je gebruikmaakt van ons laatste socialevangnet. Ik vind dat je, als je in Nederland gebruikmaakt van de bijstand,een enorme verplichting hebt – misschien niet eens wettelijk, maargewoon moreel – om er alles aan te doen om volledig te kunnenmeedraaien in de samenleving en de Nederlandse taal te leren. Hetautomatisme waarmee we zeggen dat de overheid verantwoordelijk isvoor je taallessen als je in de bijstand zit, vind ik een omgekeerdevolgorde. Ik vind dat mensen primair zelf verantwoordelijk zijn. Wijhebben een verantwoordelijkheid om mensen te helpen, te begeleiden enom ons best te doen, maar ik vind dat je mensen ook een eigen verant-woordelijkheid mag toedichten op het moment dat ze in Nederland zijn.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Dan zou ik willen vragen of de Minister signalen ter ore zijn gekomenwaardoor hij twijfelt aan de welwillendheid van nieuwkomers om deNederlandse taal te leren. U zegt: het is een voorrecht om in Nederland tezijn en we verwachten een eigen verantwoordelijkheid. Heeft u cijfers of iser onderzoek waaruit die welwillendheid van nieuwkomers niet blijkt,zodat u aan de voorkant al een stok, een eis, een resultaatsverplichtingvraagt in plaats van dat u de inspanningsverplichting beloont?Minister Aartsen:Ik vind het een heel gezond iets als je een aantal basisspelregels afspreektop het moment dat je een stelsel maakt. Dat geldt ook voor de Participa-tiewet. Ik vind het heel gezond dat we daaraan een aantal voorwaardenstellen. Een van die voorwaarden is dat je beschikbaar bent voor werk.Om goed beschikbaar te kunnen zijn voor werk moet je ook de Neder-landse taal leren. Ik vind dat bij een sociaal stelsel ook een prikkel hoortvoor mensen die ervan gebruikmaken om uiteindelijk Nederlands te gaanleren. Dat vind ik sociaal, want als je volwaardig mee wilt doen in ons landzul je de Nederlandse taal moeten leren. Dat is echt de basis. Ik vind datmensen daarin een eigen verantwoordelijkheid mogen hebben en dat eruiteindelijk een stok achter de deur moet zijn. Dat vind ik erbij horen.De voorzitter:Ik zie verder geen interrupties meer, dus de Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Voorzitter. Ik kijk ook even naar de klok. Misschien is het verstandig omeen aantal algemene punten gewoon over te slaan en op een aantalvragen specifiek in te gaan. Ik verwees er net al naar dat ik hierop noguitgebreid zal terugkomen in een 100 dagenbrief over de algemene koersvan dit kabinet als het gaat om integratie en inburgering. Laat ik daar dandoen. Laat ik beginnen bij de nationale dialoog en de interreligieuzedialoog. Daar zijn een aantal vragen over gesteld.De nationale dialoog is het gevolg van het uitvoeren van de motie-Cederc.s. Op het moment dat er spanningen zijn, worden er gesprekken opgang gebracht met een aantal voormannen en vrouwen, mensen die eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11151 sleutelpositie bekleden in hun gemeenschap. Wij kijken succesvol terugop de nationale dialoog op 4 november jongstleden. Op dit moment zijnwe aan het kijken hoe we dit kunnen voortzetten.Dat brengt mij op de vraag van de heer Van den Brink over de interreli-gieuze dialoog. Dat is weer iets anders. Die gaat om de vraag hoe je dekloof op bijvoorbeeld een universiteit tussen joodse en islamitischestudenten kunt verkleinen. Ook daar loopt dus een traject voor. Ik wil dekomende tijd bezien of het verstandig is om die twee dialogen los vanelkaar te laten bestaan of dat het verstandiger is om die samen te voegen.Ik denk namelijk dat daar nog wel veel winst te behalen is.Dan ga ik over op het kopje «ongewenste buitenlandse inmenging».De voorzitter:Ik zie een vraag van de heer Boon.De heer Boon (PVV):U trekt nu dingen uit elkaar en daar ben ik wel even benieuwd naar. Hetgaat om antisemitisme en de Joden. De Joden die ik spreek in Nederlandvragen om veiligheid. Die zeggen niet tegen mij dat ze een interreligieuzedialoog willen. Nee, ze willen gewoon veilig naar school kunnen. Waarkomt het vandaan dat dit kabinet vindt dat Joden zich in een dialoogmoeten verantwoorden om veilig naar school te kunnen gaan? Dat is tocheigenlijk absurd?Minister Aartsen:Dat is ook niet wat dit kabinet zegt. Het klopt niet wat de heer Boon zegt.Als het gaat om het antisemitisme en de veiligheid van Joodse inwoners,dan staat het kabinet daar vol voor. Mijn collega van Justitie en Veiligheiddoet daar ook enorm veel aan. Hij is separaat verantwoordelijk voor hettegengaan van antisemitisme en het beschermen van Joodse Neder-landers. Daar wordt enorm hard aan gewerkt. Maar dat onderwerp zit ookbij mijn collega van Justitie en Veiligheid. Zoals de heer Boon de vraagstelde, kan ik me er absoluut niet in vinden. Dat is een verkeerdevoorstelling van zaken.De voorzitter:Oké, voordat we naar de heer Van den Brink gaan, gaan we nog eventerug naar de heer Boon.De heer Boon (PVV):Ik hoor het kabinet nu dus zeggen dat een interreligieuze dialoog niks temaken heeft met het tegengaan van antisemitisme? Dat is wat u gezegdheeft. Volgens mij is het een onderdeel van de aanpak van antisemitisme.Daar zit die interreligieuze dialoog bij. Kunt u mij uitleggen waarom Jodenin dialoog moeten om antisemitisme tegen te gaan?Minister Aartsen:Ik ben niet in Latijn afgestudeerd, maar volgens mij is het concept van eendialoog dat je met elkaar in gesprek gaat. Het is best lastig om in je eentjein dialoog te gaan. Dat lijkt me sowieso ingewikkeld. En ik vind dat er eentegenstelling wordt gezocht die er volgens mij niet is. Als JoodseNederlanders zich onveilig voelen, dan staat het kabinet volledig achterhen om hen te beschermen tot zover als dat noodzakelijk is. Dat doet mijncollega van JenV. De vraag ten aanzien van de heer Van den Brink en devragen die eerder zijn gesteld over zowel de nationale dialoog als deinterreligieuze dialoog zien juist op de vraag hoe je kunt voorkomen datspanningen uit oorlogen aan de andere kant van de wereld wordengereflecteerd op de Nederlandse samenleving. Daar zit uiteindelijk dekern: aan de andere kant van de wereld vindt een conflict plaats enmensen die hier met hart en ziel en zaligheid hun geloof aanhangen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11152 voelen zich onveilig op de plekken waar ze zijn. Daar zit uiteindelijk dediscrepantie. Een dialoog is een van de aanpakken daarin, net zo goed alshet beveiligen van Joodse musea en Joodse scholen. Ik vind het echterniet netjes om die twee dingen tegenover elkaar te zetten. Dat lijkt meonverstandig.De heer Tijs van den Brink (CDA):Ik heb de term «interreligieuze dialoog» volgens mij niet gebruikt, maardat geeft niet. Ik begrijp van u dat u zegt dat er op de universiteiten al eensoort traject loopt, waarbij gepoogd wordt om groepen met elkaar ingesprek te krijgen. Dat is een verhelderende vraag, die ik nu stel.Misschien sluit die wel aan bij wat de heer Boon zei.Minister Aartsen:Het zijn inderdaad twee verschillende dingen. We hebben de nationaledialoog en de interreligieuze dialoog. Ik begrijp net dat de collega vanOCW ook een aantal trajecten heeft ten aanzien van de universiteiten.Misschien is het verstandig dat ik hier nog even op een later moment opterugkom, ook omdat wij op dit moment nadenken over de vraag hoe deinterreligieuze dialoog zich verhoudt tot de nationale dialoog. Dat was eenvraag van de heer Bamenga. Misschien is het goed als we dat even alséén onderwerp pakken, want volgens mij praten we nu langs elkaar heen.We zijn het niet met elkaar oneens, maar we zullen er op die manier opterugkomen.De voorzitter:Verder zijn er geen interrupties meer. De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Voorzitter. Dan over buitenlandse inmenging. Laat ik duidelijk zijn:ongewenste buitenlandse inmenging is iets wat we met elkaar moetenzien te voorkomen, ongeacht waar het vandaan komt. Of het nu uit China,Rusland, Turkije of Saudi-Arabië komt, je moet dat willen voorkomen. Datis ook waar het kabinet op ziet. We hebben daarvoor een brede aanpak.We hebben een aanpak als het gaat om het strafrecht. Daar is mijn collegavan JenV verantwoordelijk voor. We hebben een aanpak als het gaat omdiplomatie. Mijn collega van Buitenlandse Zaken spreekt andere landenerop aan als hun diasporabeleid verder gaat dan wij prettig vinden. Alshet gaat om weerbaarheid en preventie is het Ministerie van SZWverantwoordelijk.We zetten flinke stappen op het gebied van weerbaarheid. Je ziet dat ersteeds meer spanningen van buitenaf onze samenleving in komen. Iknoemde net al een voorbeeld, maar zo zijn er nog meer. Dat is wat je wiltvoorkomen. Als er aan de andere kant van de wereld iets gebeurt – wezien het nu weer in Iran – wil je voorkomen dat hier in de Nederlandsestraten en universiteiten de spanningen oplopen en dat mensen niet meernormaal met elkaar door één deur kunnen. Dat wil je uiteindelijk van jeafhouden. Dat is het fundament van de open en vrije samenleving. En ja,dan moeten we ook iets doen aan het tegengaan van ongewenstebuitenlandse inmenging. Primair zijn daar de AIVD en de NCTV verant-woordelijk voor. Ik heb beide directeuren uitgenodigd voor een kennisma-kingskoffie om bij mij op het ministerie te praten over wat je aan depreventiekant kunt doen, hoe je kunt voorkomen dat mensen daarmee inaanraking komen en wat je, als het toch gebeurt, kunt doen.Dat brengt mij tot het meldpunt voor ongewenste buitenlandseinmenging. Dat was toegezegd in de zomer 2026. Mevrouw Michon-Derkzen vroeg mij of dat niet sneller kan. De planning is nog steeds om ditvoor de zomer operationeel te maken. Ik proefde bij mevrouw Michon-Derkzen het gevoel: schiet nou eens op, waarom duurt dit zo lang? Ik ziehaar knikken. Je wilt echter dat zo’n meldpunt veilig is. Als mensen daarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11153 gebruik van maken, moeten zij zich ook veilig kunnen wanen. We hebbenvandaag de melding gezien van een Russische hackpoging op whatsapp-berichten en Signalberichten van overheidsmedewerkers. Het laatste watje wilt, is dat van mensen die de stap nemen en het lef hebben om zich temelden bij zo’n OBI-meldpunt, de gegevens op straat komen te liggen ofin verkeerde handen terechtkomen. Ik deel het ongeduld van mevrouwMichon-Derkzen, maar heb tegelijkertijd begrip voor het feit dat dit goedmoet worden geregeld, want het laatste wat je wilt, is dat dat gebeurt. Datvoor nu als het gaat over ongewenste buitenlandse inmenging.De voorzitter:Ik zie geen vragen vanuit de Kamer. Meneer Boon, volgens mij heeft u alvier vragen gesteld. Dat gaat helaas dus niet meer. We hadden gezegd:vier interrupties. Ik kijk even verder. Ik zie geen interrupties. De Ministervervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Voorzitter. Er zijn door een aantal partijen vragen gesteld over radicali-sering en de islam. In Nederland hebben wij vrijheid van godsdienst, vanmeningsuiting en van onderwijs. Dat is een groot goed en dat moeten wevooral zo houden. Dat maakt dat wij zo’n fijne vrije en open samenlevingzijn. Tegelijkertijd staat in datzelfde artikel van de Grondwet: behoudensde beperking die de wet oplegt. Volgens mij zit daar precies de kern vanhet beleid dat we zouden moeten voeren. Er is een onderscheid tussenmensen die een geloof aanhangen omdat ze daar persoonlijk blij vanworden, steun uit putten, troost uit halen, die dat om privéredenen doen,en situaties waarin geloof, ongeacht waar dat vandaan komt, zorgt voorzaken die buiten de wet plaatsvinden. Daar leg ik in ons beleid de grens.Je hebt geloofsvrijheid, maar die geloofsvrijheid ligt wel binnen degrenzen van de democratische rechtsorde en democratische rechtsstaat.Als jij een beroep doet op je geloof door dingen te doen die in hetWetboek van Strafrecht staan, moeten we daartegen optreden. Dat is ookeen algemene reactie op het betoog van de heer Boon over de positie vande islam in Nederland. Ik ga geen onderscheid maken tussen religies. Ikberoep me daarbij echt op de grenzen die onze Grondwet kent en diegaan twee kanten op. Aan de ene kant hebben mensen de vrijheid tegeloven wat ze willen geloven. Tegelijk hebben mensen nooit de vrijheidom de grenzen van onze rechtsstaat en onze democratische rechtsordeover te gaan. Dat is precies de grens die we met elkaar moeten bewaken.Er is een aantal vragen gesteld over hoofddoekjes op scholen. Volgens mijzit daar de crux: je gaat niemand dwingen om een hoofddoek af te doen ofom te doen. Dit is dwang die je niet wil opleggen, bijvoorbeeld opscholen.Er zijn vragen gesteld over gebedsruimtes in scholen. Het College voor deRechten van de Mens heeft hierover geadviseerd. Dat advies hoeft niet teworden opgevolgd; het is niet verplicht, want het is een advies. En in dienuance moet ernaar worden gekeken.Er zijn ook vragen gesteld over de positie van de Moslimbroederschap.We zien dat de Moslimbroederschap en de uitingen van zo’n organisatieniet pluis zijn. Dat is fout en dat willen we niet. Dat is ook de redenwaarom de AIVD daarop scant en dit soort organisaties goed in de gatenhoudt. In het jaarverslag over 2023 schrijft de AIVD dat zij dat terecht goedin de gaten houden. Tegelijkertijd is de omvang ervan zeer beperkt endaarom vormen zij nauwelijks een bedreiging voor de democratischerechtsorde in Nederland. Dat is ook iets wat we serieus moeten nemen.Wat we ook serieus moeten nemen, is de online afkeer van het Westen ende radicalisering. Daarom houdt de AIVD daar actief toezicht op en zijn zedaar volop mee bezig. De focus van het Ministerie van Sociale Zaken zitvooral op preventie. Er zijn zeker grote zorgen over snelle online radicali-sering. Ik moet erbij zeggen dat dit echt in den breedte is. We zien het bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11154 het jihadisme, maar ook bij rechts-extremisme. Met name jongeren zijnvatbaar voor alle vormen van radicalisering en dat is een zorgelijke trend.En daarom zetten wij in op digitale weerbaarheid en preventie tenopzichte van radicalisering en extremisme.Er zijn vragen gesteld over de buitenlandse financiering van moskeeën ende invloed van extremistische predikers. Mijn voorganger heeft daaroveral het een en ander gezegd. De AIVD houdt hier toezicht op en houdt in degaten of er ongewenste financiering en beïnvloeding plaatsvindt vanuithet buitenland.Er zijn vragen gesteld over het inreisverbod. In Europees verband isinderdaad een dergelijk voorstel aangekondigd. Wij volgen dat metbelangstelling. Ik wijs er wel op dat het besluit tot het weren van predikersin individuele casussen moet worden besloten. Uiteindelijk is het deMinister van Asiel en Migratie die besluit om iemand wel of niet inNederland binnen te laten. Het Ministerie van Sociale Zaken heeft hiergeen grondslag, ook niet om persoonsgegevens te verzamelen overbepaalde imams.Dan de vraag van de heer Ergin over de versterkte gebedsoproepen. Wehebben zojuist een tussenrapportage aan uw Kamer doen toekomen opuw verzoek. De nulmeting is slechts een van de vier fasen uit dit traject.Het traject bevindt zich op dit moment in de voorlaatste fase en ikverwacht dat het in juni 2026 zal zijn afgerond. Dan krijgen we eeneindrapportage, die we naar de Kamer zullen toesturen. Ik zal me beradenop wat dan de eventuele vervolgstap vanuit het kabinet zal zijn. Dit washet kopje islam.De voorzitter:Ik zag in ieder geval de hand van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik ben even in verwarring, want het coalitieakkoord heeft het over denationale lijst van haatimams. Als u een netter woord heeft, vind ik hetook prima, maar we weten allemaal waar het over gaat. Om de zoveel tijdhebben we daar discussie over. Het gaat nu elke keer via het vragenuurtjeen dan moet IND met JenV in allerijl aan de gang. Er is een initiatiefbinnen Europa gaande en in het coalitieakkoord gaat het over de nationalelijst. Als ik de Minister zo begrijp dat hij zegt dat JenV daarvoor aan de latstaat, hebben we het gesprek daar. Maar ik hoop ook dat deze Ministeralles in het coalitieakkoord graag tot een goed einde wil brengen. Daaropgraag een bevestiging van deze Minister.Minister Aartsen:Vanzelfsprekend. Ik zeg dit niet om het af te schuiven op de Minister vanJenV. In 2020 hebben we natuurlijk een casus gehad, waarin het ministeriete horen heeft gekregen dat er simpelweg vanuit SZW geen grondslag isom conform de AVG persoonsgegevens te verwerken. Als wij dat zoudengaan doen, ontbreekt daaraan dus de grondslag. Je ondergraaft dan juistde effectiviteit van een dergelijke lijst. Al zouden we het willen, dan is hetvoor de effectiviteit van die lijst heel onverstandig als we het zoudendoen. Je haalt die effectiviteit dan namelijk onderuit. Het is dus verstandigdat dat gedaan wordt door de partijen die dat kunnen, zoals JenV. Ik denkook dat dat de NCTV zal zijn, of iets dergelijks. Dat zijn uiteindelijk degeëigende personen om dat goed te kunnen doen, zodat zo’n lijst ookeffectief is.De voorzitter:Oké. Ik zie een interruptie van mevrouw Nanninga.Mevrouw Nanninga (JA21):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11155 We kunnen hier een hele theologische discussie gaan voeren over deislam, maar dat gaan we niet doen. Ik wil het even terugbrengen naarintegratie en naar statelijke actoren, die op heel veel niveaus opereren.Dat gebeurt deels door het salaficeren van moskeeën, maar ook doordatDiyanet, van de AK-partij van Erdogan, hier preekt en imams naartoestuurt. Het gebeurt ook op het gebied van sport. Mensen melden ons datde Marokkaanse lange arm van Rabat hier bijvoorbeeld voetbaltalent laattrainen, om hen vervolgens tegen de Nederlandse samenleving te kerenen voor een Marokkaanse club te laten kiezen. Ik geloof dat ze in Iran nueven druk zijn met wat anders, maar zij doen het ook. Kortom, hoe ziet deMinister die tentakels, die lange arm in het licht van integratie? En hoe kanhij die aanpakken? Wat ze doen, is namelijk niet altijd tegen de wet. Het isnatuurlijk heel glibberig. Kan de Minister daar eens een analyse vangeven? Het keert mensen namelijk wel af van de samenleving.Minister Aartsen:Dat is wat mij betreft een gebalanceerd standpunt. Aan de ene kant wil jeinderdaad proberen om dit soort activiteiten tegen te gaan. Je wil mensendie in Nederland zijn, beschermen tegen ongewenste buitenlandseinmenging. Ik noemde net al de drieslag die we maken in de uitvoering.Enerzijds doen we dat via het strafrecht, als wel de grens wordtovergegaan. Anderzijds doen we dat via diplomatie, waarbij we landendie dit soort praktijken uitvoeren, aanspreken. En anderzijds doen we datvia weerbaarheid, waarbij we mensen beschermen, weerbaar maken,handelingsperspectief geven en hen daarmee beschermen tegen dit soortpraktijken. Dat betekent dat je goed moet nadenken met welke partijen jewel en met welke partijen je niet samenwerkt. Je moet daar goed overnadenken.Ik heb vanmorgen in antwoord op de Kamervragen van JA21 ookaangekondigd dat ik me de komende tijd ga beraden op wat eenverstandig beleid is. Het kan aan de ene kant namelijk ook nuttig zijn omsamen te werken met partijen. Het kan helpen om bepaalde signalen op tevangen en juist radicalisering tegen te gaan. Bij sommige situaties – ikkom zo nog terug op specifiek de ISN/KIS-situatie – is dat in die contextgeen verstandige keuze. Volgens mij moet je dus ook per context goedkijken naar wat verstandig is om te doen. Ik kom op een later momentgraag wat breder terug op hoe dat ook past binnen de ambities van ditcoalitieakkoord om buitenlandse inmenging tegen te gaan.De voorzitter:Oké. Ik zie verder geen vragen meer. De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Dank, voorzitter. Ik moet even de administratie doen. Ik ben bij het kopjemoslimdiscriminatie. Laat ik beginnen bij de onderzoeken. De heer Erginvroeg terecht waarom we al die onderzoeken doen. Het flauwe grapje alsantwoord daarop is: omdat uw collega daarom heeft gevraagd en wij datnetjes hebben uitgevoerd. Het gaat dan specifiek over het Nationaalonderzoek moslimdiscriminatie. Dat is uitgevoerd naar aanleiding van eenamendement van een collega van u. Ik geloof dat het de heer Van Baarlewas, die daarom heeft gevraagd. Dat hebben we netjes uitgevoerd. Maarik snap wel dat de heer Ergin zegt. Het is een flinke stapel aan onder-zoeken. Daar is ook steeds wat mee of ze worden steeds in twijfelgetrokken.Aan het begin van mijn betoog benoemde ik niet voor niets dat ik vooraleen pragmatisch, oplossingsgericht beleid zal voorstaan. Daar wil ik dekomende tijd mee aan de slag. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat wediscriminatie in het algemeen en ook arbeidsmarktdiscriminatie echttegengaan? We kunnen hier inderdaad een heel theologisch debat voeren,maar uiteindelijk willen we dat iedereen die in Nederland is, van school afTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11156 komt en er het beste van wil maken, iedereen die aan de slag wil,beoordeeld wordt op zijn motivatie, dus of hij er een beetje goed voorgemotiveerd is en er zin in heeft, en niet op zijn achternaam of zijnhuidskleur. Dat zal in ieder geval het beleid zijn dat ik wil gaan voeren. Opdit moment is er een aanpak voor moslimdiscriminatie. Er is ook watgeneriek beleid, bijvoorbeeld in verband met objectieve werving enselectie en het versterken van lokale aanpakken daarin. Daar ga ik nogverder naar kijken.Dan zijn er vragen gesteld over KIS en de samenwerking met ISN. Hetonderzoek is gedaan door KIS. Ik heb daar vandaag ook uitgebreidKamervragen over beantwoord. Het werd mede gefinancierd door ISN. Ikbenadruk dat KIS een onafhankelijke partij is. We geven daar instellings-subsidie aan. Het idee van die subsidie is dat zij zelf kunnen bepalen welkeonderzoeken zij wel en niet uitvoeren. Dat is het hele idee achter demanier waarop we dat hebben ingericht.Wat dat betreft hebben zich een paar dingen voorgedaan, allereerst deKamervragen van onder anderen mevrouw Nanninga. Ik heb daarvandaag over gezegd: onderzoek doe je om nuttige dingen mee te kunnendoen. Onderzoek doe je dus om aan de hand van de uitkomsten beleid temaken. Dat betekent dat al die onderzoeken boven enige vorm van twijfelzijn verheven, want anders heb je er simpelweg niks aan. Dat betekent datde onderzoeken onafhankelijk en transparant moeten zijn. Juist om dat tewaarborgen vind ik het in deze context niet verstandig om met een partijals ISN samen te werken. Nogmaals, het is een onafhankelijke afwegingvan KIS geweest om dat te doen, maar ik vind dat in deze context geenverstandige keuze.Voorzitter. Ik weet niet of het in de Kamervragen van vanmorgen was of inde Kamerbrief die ik afgelopen donderdag heb verstuurd, maar ik hebaangegeven dat ik aan KIS heb gevraagd wat de betrokkenheid van ISN is.KIS heeft aangegeven dat ISN niet inhoudelijk betrokken is bij ditonderzoek. Ik ben vandaag geïnformeerd dat dat onjuiste informatie is.Daarmee heb ik uw Kamer ook onjuist geïnformeerd; dat ga ik hier ookmaar gewoon hardop zeggen. Ik heb me gebaseerd op de informatie dieonjuist is doorgegeven vanuit KIS. KIS heeft zelf zojuist aangegeven dat zijdat onderzoek terugtrekken, dat ISN betrokken is geweest bij een aantalreflectiesessies en dat er dus wel sprake is van betrokkenheid. Met uwgoedvinden vraag ik om clementie. Ik probeer nu mondeling recht tezetten wat ik u vanmorgen heb gestuurd. Wij moesten ons baseren op deinformatie daarover.Dan hebben we het signaal dat de mensen van Sociale Zaken vorige weekzelf hebben ontdekt. Dat ging over de huwelijksrelatie tussen de betref-fende uitvoerder en de onderzoeker. Dat is niet goed. Nogmaals, je wilniet dat een dergelijk onderzoek in verband wordt gebracht met integri-teitszaken. Dat betekent niet dat wij dat gelijk in de prullenbak gooien. Zowerkt het ook niet. Je moet eerst rustig en kalm even onderzoeken wat eraan de hand is. Daarom heb ik gezegd dat het verstandig is om tweedingen te doen. Stap één is een onderzoek van een onafhankelijkeaccountant. Ik heb aan KIS gevraagd: laat nou even de accountant kijkenof hier sprake is van financiële vermenging of dingen die niet juist zijngeweest. Daar hoop ik snel een antwoord op te krijgen. En ik denk dat hetgoed is dat er een wetenschappelijke review plaatsvindt. Ook dat heb ikgevraagd. Met beide stukken kun je afwegen of je vervolgens deuitkomsten nog wel of niet onafhankelijk kan gebruiken. Dat even over deKIS-situatie.De voorzitter:Dan geef ik het woord aan de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11157 Ik meen mij te herinneren dat ik in een persbericht heb gelezen dat het KISheeft aangegeven dat ze achter de conclusies en resultaten van hetonderzoek staan. Zegt de Minister nu dat dat niet meer het geval is?Minister Aartsen:Dat klopt. KIS heeft mij vandaag twee dingen laten weten – dat staat ookop de website zelf – namelijk dat zij gedurende het onderzoek hetonderzoek terugtrekken. En het heeft kenbaar gemaakt dat er wel degelijksprake is geweest van betrokkenheid van ISN bij reflectiesessies. Datbetekent dat de informatie die ik vanmorgen heb doorgeleid naar uwKamer niet juist is geweest. Dit wil ik bij dezen rechtzetten.De voorzitter:Ik zie een ordevoorstel van de heer Boon.De heer Boon (PVV):Ik wil wel een beetje pieteromtzigten. Zou u ons een tijdlijn willentoesturen met wanneer welke informatie beschikbaar was?Minister Aartsen:Daar hoef ik geen tijdlijn voor te geven. Ik meen dat in de week van dekabinetsbeëdiging een van mijn medewerkers erachter is gekomen dat ersprake was van een huwelijksrelatie. Dat was naar aanleiding van devoorbereidingen op dit debat. KIS is daarop aangesproken door mijndirecteur en ik ben daarover geïnformeerd. Wij hebben ons beraden opeen aantal acties. Die acties hebben we uitgezet: het onafhankelijkonderzoek van de accountant en de wetenschappelijke review. Dat is voormij belangrijk geweest om uiteindelijk te bepalen of je het onderzoek vanKIS nog wel of niet betrouwbaar acht. Afgelopen donderdag heb ik u deKamerbrief daarover gestuurd. KIS heeft op basis daarvan aangegevendat er geen betrokkenheid is geweest van ISN bij het onderzoek en dat zijdaarom nog steeds achter het onderzoek staan. Ze hebben vandaagaangegeven dat zij tijdens het lopende onderzoek het rapport intrekken,dat de informatie die ze eerder hebben verstrekt niet correct was en dat erdus wel sprake is geweest van betrokkenheid van ISN bij de reflectie-sessies. Ik heb uw Kamer vanmorgen daar anders over geïnformeerd, dusdat corrigeer ik bij dezen. Dat is de tijdslijn zoals die is.De voorzitter:Dank voor uw reactie. Ik kijk even de heer Boon aan, die met eenordevoorstel kwam. Maar dat was geen ordevoorstel, maar gewoon eenvraag. Er is straks een tweede termijn, mocht u nog vragen hebben,enzovoorts. Ik wil daar even naar verwijzen voor een volgende keer. Ik kijkeven rond. Ja, ik zie mevrouw Nanninga.Mevrouw Nanninga (JA21):De Minister heeft het vertrouwen in hem niet verspeeld met deze fout, diehij op basis van aan hem bekende informatie heeft gemaakt. Dat lijkt meevident; ik zie hoe opgelucht hij nu is. Je kunt iets pas zeggen als je hetweet, dus het lijkt me heel evident niet de schuld of het probleem vandeze Minister. Het lijkt me wel een aaneenschakeling van een verzwegenhuwelijksrelatie en een verzwegen inmenging van Diyanet, een actor vande regering-Erdogan, in dit onderzoek. Het was eerst niet en dan welbetrokken. Dan is er de methodiek van het onderzoek: een paar gesprekjesmet mensen, niet objectiveerbaar. Enfin, het is een lang verhaal. Er deugthelemaal niks van, van alle kanten: procedureel niet, wetenschappelijkniet, qua informatievoorziening niet. Ik heb nog maar één interruptie, dusik hoop dat de Minister daar geen misbruik van maakt maar gewoon ja ofnee wil zeggen. Ik kan niet doorvragen. Gaan we stoppen met zakendoenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11158 met dat KIS? Dit kan natuurlijk niet meer. Graag een ja of een nee, want ikkan niet doorzeuren.Minister Aartsen:Daar ga ik toch nee op antwoorden. De mildheid die mevrouw Nanninganaar mij als Minister uitstraalt, is sowieso verstandig in de politiek. Ja,hier zijn fouten gemaakt, laten we daar gewoon duidelijk over zijn. Ik moethet kennismakingsgesprek met KIS nog hebben. Ik zal u zeggen, dat zaleen pittig gesprek worden. Ik bedoel, ik ben ook niet blij met deze situatie.U kunt ervan op aan dat dat een pittig gesprek gaat worden. Betekent datdat we gelijk op een achternamiddag besluiten om de subsidie stop tezetten en een aantal mensen hun baan te laten verliezen? Dat lijkt me ookeen vrij ruige conclusie op basis van fouten. Mensen mogen foutenmaken, kunnen fouten maken. Ik heb twee onderzoeken ingesteld. Ik gadat gesprek aan. Nogmaals, we moeten ervoor zorgen dat het niet meergebeurt en daar mogen we elkaar als volwassen mensen op aanspreken.De voorzitter:Ik zag net de heer Ergin gebaren.De heer Ergin (DENK):Ik wil eigenlijk ruimte geven aan de Minister voor wat hij een herijking vanzijn contouren noemt. Alleen, er zijn wel een aantal open deuren als hetom integratiebeleid gaat. We hebben de inburgeringswet. We hebben neteen hele discussie gehad over welke dingen beter kunnen en wat wekunnen stroomlijnen. De scheidslijn tussen inburgering en integratie isnatuurlijk flinterdun. Kan de Minister aangeven wat zijn visie is: wat is nouinburgering en wat is nou integratie?Minister Aartsen:Maar dat is volgens mij wel de kern waarom ik zeg: laat me evenverstandig nadenken over wat wijsheid is. Ik neem aan dat evident is datals mensen hier nu naartoe komen, er sprake is van integratie. Mensenmoeten leren hoe de Nederlandse samenleving werkt, moeten zichschikken naar de open en vrije samenleving en de normen die daargelden. Waar discussie ontstaat over wat we nou onder integratie latenvallen... Stopt dat na één generatie of na twee of drie? Kun je datüberhaupt vastklikken? Wat doe je met mensen die na drie generaties nogsteeds anders kijken naar de Nederlandse vrije waarden, de gelijkheid vanman en vrouw, de gelijkheid van homo en hetero? Vallen die ook nogonder integratiebeleid? Of zeggen we «nou, dat is dan zo, pech»? Daarmoet je even serieus over nadenken. Ik denk dat het verstandig is om datte doen.De heer Ergin begon over een integratieparadox, maar volgens mij zie jehier ook een paradox. Aan de ene kant zijn er nog steeds mensen, ookmensen die hier zijn geboren en die hier van generatie op generatie zijn,waarvan je zegt dat er echt nog wel een uitdaging ligt wat de genoemdevrije Nederlandse waarden betreft. Tegelijkertijd kun je mensen niet tothet einde der tijden blijven aanspreken met «u bent nieuwkomer en losvan het feit dat uw opa en oma of uw over-, over-, overgrootopa en -omahier zijn binnengekomen, moet u nog steeds integreren». Daar zit ergensspanning op. Dat was vandaag ook zichtbaar in het debat.Ik denk dat het verstandig is om rustig en gedegen na te gaan denkenvanuit het concept van de open en vrije samenleving. Dat wil je namelijkborgen. Aan de ene kant wil je mensen die daar negatief tegenover staanbeetpakken en laten weten «dit is leidend en daarvan moet je onderdeeluitmaken» en aan de andere kant wil je ook weer niet tegen mensenzeggen «het feit dat uw opa en oma hiernaartoe zijn gekomen maakt dat unog steeds nieuwkomer bent, niet welkom bent en moet integreren». Voormijn beleid wil ik ergens daartussen de balans zoeken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11159 De voorzitter:Ik zie dat de heer Ergin nog een vervolgvraag heeft.De heer Ergin (DENK):Ik vraag meer naar het volgende. Neem het huidige beleid dat we deafgelopen decennia in dit huis hebben gevoerd ten aanzien van opvat-tingen over bijvoorbeeld gemengde huwelijken. Integratiebeleid gaataltijd over mensen met een migratieachtergrond. De Minister zegt echterdat het over de vrije en open Nederlandse normen en waarden gaat. Erzijn ook mensen zonder migratieachtergrond die in een voetbalstadionlelijke dingen over Joodse Nederlanders roepen. Of neem een jonge damezonder migratieachtergrond die thuiskomt met iemand die een migratie-achtergrond heeft en vervolgens door haar familie wordt uitgesloten en ineen hele lastige positie wordt gebracht. Dat is ook een inbreuk op deNederlandse normen en waarden. Eigenlijk is de vraag die ik aan deMinister wil stellen de volgende. Ik begrijp het als hij die nu niet kanbeantwoorden, maar ik zou daar heel graag een debat over willen met deMinister. Valt dit dan ook onder integratiebeleid? Wat is nou dus dereikwijdte? Dat bedoel ik niet in de zin van generaties. Natuurlijk, daar zijnwe eigenlijk al. Dat probeer ik in mijn verhaal te vertellen. Ik bedoel ook:geldt dit nou voor alle Nederlanders of geldt dit alleen voor Nederlandersmet een migratieachtergrond?Minister Aartsen:Dit is precies de spijker op de kop. Daarvan zeg ik: geef mij iets meer danveertien dagen de tijd om daar eens mijn hoofd over te breken. Ik denk datdat verstandig is, maar ook dat het nodig is. Uiteindelijk is dat namelijkhetgeen mensen het meest steekt, namelijk dat we een aantal waardenhebben die we delen met elkaar in dit land en dat daarin botsingenplaatsvinden, ongeacht vanuit wie die botsingen komen. Dan kunnen wede nadruk leggen op vanuit welke groepen die komen en wat we van diegroepen vinden of we gaan kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat wedie waarden die ons land zo verschrikkelijk mooi maken – daar begon ikmijn verhaal mee – wat prominenter neerzetten in het beleid. Met uwgoedvinden kom ik daar dus zeker op een later moment nog op terug. Ditis namelijk geen makkelijke vraag om te beantwoorden.De voorzitter:Ja. De laatste van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Die ruimte wil ik zeker aan de Minister geven. Tegelijkertijd trek ikdaarmee ook de volgende conclusie, aangezien de Minister zegt: geef mijnou even de tijd, zodat ik goed kan nadenken. Ik concludeer dat we inNederland dus ook geen integratiecrisis hebben, want als er een crisis zouzijn, zou de Minister heel snel moeten handelen. Ik vind het dus goed datde Minister zegt: er is geen crisis; ik ga gewoon rustig herijken ennadenken en ik kom met een gebalanceerd verhaal. Ik wens hem daarbijheel veel succes.Minister Aartsen:Ik ga me niet aan dat soort termen wagen. Ik ga mijn eigen koers bepalen.Ik ga niet reflecteren op het verleden en ik wil vooral aan de slag met detoekomst. Daar ga ik mijn best voor doen. Volgens mij is het, ongeacht ofer een crisis is of niet, altijd verstandig om even rustig na te denken overwat je doet. Dat is wat dit kabinet ook zal doen. Ik denk dat dat ookverstandig is bij een beleidsonderwerp als dit, dat toch heel snel in deemotie en polarisatie getrokken kan worden – dat zeg ik er toch maar evenbij – en waar stevige woorden vallen. Ik heb als Kamerlid ook een aantalkeer in deze commissiezaal mogen zitten op dit onderwerp. Dat gaat tochTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11160 heel snel een bepaalde hoek in. Daarom denk ik dat het verstandig is omals kabinet te zeggen: laat ons nou rustig, gedegen, pragmatisch, nuchteren oplossingsgericht het beleid formuleren.De voorzitter:Ik zie verder geen vragen. De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Er zijn een aantal vragen gesteld over arbeidsmigratie en de integratie vanarbeidsmigranten en expats. Het is natuurlijk zo dat deze mensen nietinburgeringsplichtig zijn. Er is dus weinig wettelijk instrumentarium omdeze mensen in de inburgering, de Nederlandse taal en de Nederlandsesamenleving te kunnen trekken. Het is natuurlijk wel zo dat de Neder-landse taal en kennis van de Nederlandse samenleving enorm belangrijkzijn. Dit kabinet vindt het ook een verantwoordelijkheid van werkgeversdie mensen uitnodigen om hier te komen werken om hen die verantwoor-delijkheid te laten nemen. We zien ook dat de cao’s die worden afgesloteneen goede plek zijn om afspraken te maken over taalonderwijs. Als hetgaat om de bekostiging van taalonderwijs zijn er overigens ook taalsub-sidies voor werkgevers mogelijk, zoals ESF+. We hebben ook hetprogramma Work in NL waarin we rondom taalonderwijs werkgevers- enwerknemerspartijen, huisvesters en andere private organisaties in eenpubliek-private samenwerking verenigen om dit voor elkaar te krijgen.Dan is er nog een vraag gesteld over arbeidsmarktdiscriminatie, over eenmotie uit 2024 van de heer Bamenga om uit te zoeken hoe we arbeids-marktdiscriminatie willen bestrijden en daar heldere doelen aan willenkoppelen. Op 12 maart 2025 heeft de toenmalige Minister van SZW ugeïnformeerd over het Offensief Gelijke kansen, het vervolg van deaanpak arbeidsmarktdiscriminatie. Hiermee is dus ook invulling gegevenaan de motie van de heer Bamenga. We werken hierin samen metwerkgeversorganisaties, met SER Diversiteit in Bedrijf en met branche- ensectororganisaties. Het doel is blijvende verandering van de sociale normvan professionele ontwikkeling voor inclusief werken, als vanzelfspre-kendheid voor goed werkgeverschap.Tot slot de motie-Becker. Daarover zijn nog een aantal vragen gesteld. Inhet wetgevingsoverleg van ’25 is er inderdaad een motie aangenomendoor uw Kamer over onderzoek doen naar de normen en waarden vanNederlanders met een migratieachtergrond. Daar zijn we ook mee aan deslag gegaan. Elke vijf jaar doet het SCP door middel van een grote surveyonderzoek naar integratie en inburgering in verschillende herkomst-groepen. Ook in ’25/’26 wordt er een nieuwe survey onder 9.000 personenuitgezet. Deze survey geeft een representatief beeld voor Nederland. Wijverwachten dat we die survey in 2027 beschikbaar zullen hebben. Met ditonderzoek voorzien we dus ook in breed kwantitatief onderzoek naarwaardenoriëntaties onder verschillende groepen in de Nederlandsebevolking. Dat liep al en dat hebben we ook al gedaan, dus misschienkunnen we met terugwerkende kracht ook wel spreken over een storm ineen glas water.Voorzitter. Ik heb geprobeerd alle vragen zo goed als mogelijk te beant-woorden. Het waren er meer dan 100, dus het zal ongetwijfeld voor zijngekomen dat ik er een aantal heb gemist of dat er in de samenvoegingvan vragen zijn weggevallen. Bij voorbaat excuses daarvoor. Die ga ikproberen in de tweede termijn zo goed als mogelijk te beantwoorden.Dank u wel.De voorzitter:Oké. Ik kijk even naar de Kamer. Ik zie verder geen vragen. Ik zou toch weleventjes vijf minuten willen schorsen. Daarna gaan we door naar detweede termijn van de zijde van de Kamer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11161 De vergadering wordt van 21.18 uur tot 21.25 uur geschorst.De voorzitter:Ik stel voor om weer aan de slag te gaan en te beginnen met de tweedetermijn van de Kamer. De eerste spreker is mevrouw Lahlah.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording vanalle vragen.Toch heb ik in de veelheid van vragen een antwoord gemist; dat heb iknog niet gekregen. In mijn eerste termijn vroeg ik hoe we beter zichtzouden kunnen krijgen op de kennis, de ervaring en het potentieel vanstatushouders. Zoals ik toen al stelde, begint goed beleid met mensenecht zien en weten wat iemand kan, welke opleiding iemand heeftgevolgd, welke ervaring iemand heeft en waar iemands ambities liggen. Ikzou dus nog een antwoord willen hebben op de vraag of de Ministererover na heeft gedacht of we dit toch meer kunnen registeren en hoe hijervoor kan zorgen dat die kennis en dat potentieel veel beter wordtmeegenomen in de begeleiding van nieuwkomers.Dit gezegd hebbende, ga ik maar meteen naar de vier moties die ik al hebaangekondigd in de eerste inbreng. Ik begin met de eerste.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat gemeenten sinds 2022 verantwoordelijk zijn voor deuitvoering van de Wet inburgering 2021 (Wi2021);constaterende dat met het Rijk bestuurlijke afspraken zijn gemaakt overpassende financiering;constaterende dat gemeenten bij invoering van de wet nog onvoldoendezicht hadden op de feitelijke uitvoeringskosten en het aantal inburgeraarssinds 2023 fors hoger uitvalt dan is begroot;verzoekt de regering de huidige bekostigingssystematiek van de Wi2021te evalueren en te toetsen aan de actualiteit en de Kamer hierover teinformeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.Zij krijgt nr. 481 (32 824).Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):De tweede motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11162 constaterende dat Nederland er volgens de Algemene Rekenkamernauwelijks in slaagt om erkende vluchtelingen aan het werk te krijgen insectoren met grote personeelstekorten;overwegende dat daardoor veel arbeidspotentieel onbenut blijft, terwijlnieuwkomers juist aangeven te willen en kunnen werken;constaterende dat een aantal bedrijven succesvolle vakroutes enleerwerktrajecten hebben opgezet voor statushouders waarbij taal, werken begeleiding gecombineerd worden, zoals bouwbedrijf Heijmans en hetUMC Groningen;overwegende dat zowel bedrijven en nieuwkomers als de samenleving alsgeheel hier baat bij hebben;verzoekt de regering om in samenwerking met SZW en VWS landelijkeopschaling van vakroutes en leerwerktrajecten voor statushouders teorganiseren, waarbij werk, taal en begeleiding hand in hand gaan,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.Zij krijgt nr. 482 (32 824).Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):De derde motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat alle statushouders de kans moeten krijgen om teparticiperen middels werk, vrijwilligerswerk, scholing of anderszins;constaterende dat met name vrouwelijke statushouders hierbij tegenverschillende drempels aan lopen, waaronder een gebrek aan kinder-opvang voor werk of taallessen, de combinatie met zorgtaken en eengebrek aan maatwerk;constaterende dat het daardoor voor vrouwelijke statushouders vaaklastiger is om te participeren in onze samenleving en economischzelfstandig te worden;verzoekt de regering om onderzoek te doen naar de randvoorwaarden dienodig zijn voor vrouwelijke statushouders om beter te kunnen partici-peren en het ondersteunende beleid dat daarvoor nodig is en de Kamerhierover te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.Zij krijgt nr. 483 (32 824).Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11163 En tot slot, voorzitter.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat het van groot belang is dat nieuwkomers zo snelmogelijk kunnen participeren, bijvoorbeeld in de vorm van (vrijwilli-gers)werk of door naar school te gaan;overwegende dat het hebben van een rijbewijs de kansen op vrijwilli-gerswerk en werk en andere mogelijkheden vergroot;constaterende dat asielzoekers met een W-document wel theorie- enpraktijkexamen kunnen doen bij het CBR, maar vervolgens geen Neder-lands rijbewijs kunnen aanvragen;verzoekt de regering deze drempels weg te nemen zodat ook asielzoekersmet een W-document een rijbewijs kunnen aanvragen en sneller kunnenparticiperen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.Zij krijgt nr. 484 (32 824).Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk even rond. Er zijn verder geen interrupties. Dan wil ik deheer Ergin graag vragen om het voorzitterschap over te nemen, zodat ikmijn tweede termijn kan doen.Voorzitter: ErginDe voorzitter:Uiteraard. Ik geef het woord aan de heer Bamenga voor zijn tweedetermijn.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording vande vragen. Ik denk dat we elkaar vaker zullen tegenkomen in dezecommissie om het te hebben over integratie, die ik aan het begin van mijnbetoog al «de kunst van het samenleven» noemde. Mooier kan het bijnaniet zijn.Ik heb zelf drie moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11164 constaterende dat het omzetten van diploma’s, het verkrijgen vanregistraties en andere obstakels ertoe leiden dat nieuwkomers van buitende Europese Unie soms met een jarenlange wachttijd kampen voordat zijop hun eigen niveau kunnen werken;overwegende dat er daarmee een groot onbenut potentieel in crucialesectoren als de zorg blijft liggen;verzoekt de regering obstakels in kaart te brengen die meedoen op eigenniveau belemmeren en/of vertragen en beleid te formuleren dat meedoenop het eigen niveau bevordert,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Bamenga.Zij krijgt nr. 485 (32 824).De heer Bamenga (D66):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat statushouders met verblijfsvergunningen voorbepaalde tijd moeite ervaren met in aanmerking komen voor kredietver-strekkingen voor ondernemingen;overwegende dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in lijn methet Europese Migratiepact verdwijnt;overwegende dat ondernemerschap van statushouders een positievewerking kan hebben op zowel hun integratie als de Nederlandseeconomie;verzoekt de regering met een plan van aanpak te komen om ondernemer-schap van statushouders te stimuleren en drempels bij kredietverstrekkingweg te nemen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Bamenga.Zij krijgt nr. 486 (32 824).De heer Bamenga (D66):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11165 constaterende dat de Algemene Rekenkamer heeft vastgesteld dat deregering de werkervaring en het opleidingsniveau van statushouders nietof in beperkte mate registreert;overwegende dat deze gegevens belangrijke indicatoren zijn voor deeffectiviteit van integratiebeleid;overwegende dat het registreren van deze gegevens het leveren vanmaatwerk voor individuele statushouders mogelijk maakt;verzoekt de regering de werkervaring en het opleidingsniveau vanstatushouders structureel te registreren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Bamenga.Zij krijgt nr. 487 (32 824).De heer Bamenga (D66):Dank u wel.De voorzitter:Dan draag ik het voorzitterschap weer over aan de heer Bamenga.Voorzitter: BamengaDe voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Boon.De heer Boon (PVV):Dank u, voorzitter. Vandaag is Nederland weer een stukje verder geïslami-seerd. Met steun van de VVD en het CDA is voor het eerst in het Neder-landse parlement een ramadanschorsing gehouden. Daarmee past hetNederlandse parlement zich aan de eisen van de islam aan. Stap voor stapwandelen we zo verder richting een Nederland dat steeds verderislamiseert. En dat gebeurt, opnieuw, met steun van VVD en CDA.De PVV is en blijft hier fel tegen. In plaats van ons aan te passen aan deislam, moeten we de-islamiseren. De PVV is teleurgesteld door debeantwoording van de Minister. We hebben er geen antwoord opgekregen of hij zou willen leven in een land waarin de islam de grootstereligie is. Het woord «remigratie» hebben wij ook niet gehoord. En verderdoet dit kabinet niets. Men blijft doen alsof de islam een club onschuldigepadvinders is. Wat moet er nog gebeuren voordat de politiek correcteogen eindelijk opengaan?Na dit debat en na de beantwoording van de Minister moet ik zeggen datJ.D. Vance gelijk had toen hij zei: «De grootste bedreiging van Europakomt niet van buitenaf; niet van Rusland en ook niet van China. Degrootste bedreiging komt van binnenuit, van de interne culturele enpolitieke koers die de Europese landen zelf hebben gekozen.» Naar mijnmening doelde hij op het pad van de islamisering dat Europa, maar vooralNederland, is ingeslagen; het pad van de sharia. Maar de sharia en onzeGrondwet zijn als olie en water. Ze kunnen niet gemengd worden. De oliezal altijd boven komen drijven. Maar onze generatie kan dat nog tegen-houden. Er moet een nieuwe D-day komen, en dit keer staat die D voor«De-islamisering». Als we ons land willen behouden, dan moet onzegeneratie inzetten op remigratie. De PVV strijdt wel voor ons land. Wijwillen ons land behouden. Daarom dienen wij vandaag de volgendemoties in.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11166 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,spreekt uit dat de islam niet bij Nederland hoort,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.Zij krijgt nr. 488 (32 824).De heer Boon (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat de islam niet bij Nederland hoort;overwegende dat op islamitische scholen de sharia al op jonge leeftijd inde hoofden van kinderen wordt geplant;verzoekt de regering alle islamitische scholen te sluiten,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.Zij krijgt nr. 489 (32 824).De heer Boon (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat Oostenrijk een wettelijk verbod heeft ingevoerd opislamitische hoofdbedekking voor meisjes in het onderwijs;overwegende dat islamitische hoofdbedekking een islamitisch symbool isvan vrouwenonderdrukking;verzoekt de regering een wettelijk verbod in te voeren op het dragen vanislamitische hoofdbedekking door minderjarige meisjes in het primair envoortgezet onderwijs,en gaat over tot de orde van de dag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11167 De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.Zij krijgt nr. 490 (32 824).De heer Boon (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat een Frans overheidsrapport waarschuwt voor desubtiele, langetermijninfiltratie van de Moslimbroederschap, met alseinddoel een islamitisch rijk gebaseerd op de sharia;constaterende dat het Franse parlement op 22 januari 2026 een resolutieheeft aangenomen om de Moslimbroederschap te verbieden;verzoekt de regering om de Moslimbroederschap en de daaraan gelieerdeorganisaties in Nederland te verbieden,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.Zij krijgt nr. 491 (32 824).De heer Boon (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,verzoekt de regering om personen met een dubbele nationaliteit dieonherroepelijk zijn veroordeeld voor één enkel ernstig misdrijf, na hetuitzitten van de straf te denaturaliseren en te onderwerpen aangedwongen remigratie naar het land van hun andere nationaliteit,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.Zij krijgt nr. 492 (32 824).De heer Boon (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11168 overwegende dat er momenteel geen remigratieregeling bestaat voorniet-westerse allochtonen met de Nederlandse nationaliteit die niet willenintegreren;verzoekt de regering een vrijwillige remigratieregeling in te stellen zondervertrekpremie of financiële compensatie, waarbij uitsluitend wordtvoorzien in een vliegticket enkele reis, bagagehulp en een snelle adminis-tratieve afhandeling,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.Zij krijgt nr. 493 (32 824).De heer Boon (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat inburgering een wettelijke verplichting is voor vreemde-lingen met een verblijfsvergunning in Nederland;overwegende dat herhaald en verwijtbaar verzuim bij inburgering duidtop onwil om te integreren;verzoekt de regering om de Wet inburgering 2021 zodanig aan te scherpendat inburgering een daadwerkelijk afdwingbare verplichting wordt en datbij herhaald en verwijtbaar verzuim wordt overgegaan tot intrekking vande verblijfsvergunning,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.Zij krijgt nr. 494 (32 824).De heer Boon (PVV):Voorzitter, tot zover.De heer Ergin (DENK):Gezien de moties die de heer Boon indient, verwacht ik niet meer dat hijzich schaamt voor wat hij doet, maar ik wil er echt wel op wijzen dat defractie van de PVV het hier over een D-day heeft. D-day was een militaireoperatie waarbij 150.000 soldaten Europa kwamen bevrijden. Het was eenmilitaire operatie, waarbij heel veel wapens zijn gebruikt. Eigenlijk zegt dePVV: we moeten Nederland de-islamiseren door middel van een D-day.Kennelijk moet dat met een militaire operatie. Ik vind dat echt benedenalle peil en ik vind dat echt verschrikkelijk. Als er iets is wat on-Nederlandsis, dan zijn het dit soort uitspraken over groepen Nederlanders. Het iswalgelijk en ik wil graag dat dit opgenomen wordt in de Handelingen.De heer Boon (PVV):Ik wil even rechtzetten dat wij absoluut geen militaire interventie willen.We hopen dat die niet nodig is. Daarom dien ik deze motie ook in. D-dayTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11169 staat voor «decision day». Het is spreekwoordelijk. Het is een vergelijking.Het wil zeggen: we staan voor een beslissing. Kiezen wij voor het padrichting vrijheid of kiezen wij het pad van de sharia? Die D-day, diedecision day, die beslissing, die moeten wij hier nemen. Daar doelden weop. Wij willen geen militaire ingrepen. De PVV is altijd wars van geweld.We nemen ook sterk afstand van alle vormen van geweld. Voor deduidelijkheid: we willen geen geweld, maar we willen wel een decisionday. We willen een beslissing nemen: kiezen we voor vrijheid en laten weonze kinderen opgroeien zoals we willen of kiezen we voor de sharia?De voorzitter:Oké, verder zie ik geen interrupties. Dan ga ik naar de volgende spreker.Dat is mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik begon mijn eerste termijn door te zeggen dat ik een trotse, kersversewoordvoerder integratie ben. Nu, aan het begin van mijn tweede termijn,heb ik een wat ander gevoel. Ik vind dit een ingewikkeld debat in de zindat een partij, de PVV, die zegt voor de grondrechten te staan, tegelij-kertijd in de bijdrage en in de moties die de partij indient gewoon straktegen de bestaande grondrechten ingaat. Ik vind het ook ingewikkeld dater dan een partij is, DENK, met meneer Ergin, die zegt: «Waarom hebbenwe het over integratie. Integratie bestaat niet. Er is geen probleem.» Ikconcludeer nu, na één termijn in het eerste debat over dit onderwerp, datje dit onderwerp eigenlijk niet op een inhoudelijke, normale manier kanvoeren, maar dat het allemaal in de gekkigheid – zo wil ik het bijnanoemen – wordt getrokken.Ik wil ook gezegd hebben dat hetzelfde geldt voor de zogenaamderamadanschorsing die nu voor het eerst in het parlement zou hebbenplaatsgevonden. We hebben aan het begin van dit debat, op verzoek vande heer Ergin, gezegd dat we dit debat om 18.40 uur schorsen. Dathebben we met z’n allen gezegd, behalve de heer Boon, zoals hij terechtzegt. We zouden schorsen omdat – dat hebben we erbij gezegd – we ervanuitgingen dat de eerste termijn dan afgerond zou zijn. Vervolgens werdhet 18.40 uur en hebben we geschorst. Inderdaad, de heer Ergin moesttoen nog spreken in de eerste termijn. Daar wordt dus nu een grootnummertje van gemaakt met de woorden «we hebben de eerste ramadan-schorsing». Laat ik helder zijn: iedereen mag er ook zijn eigen stickers opplakken en hier alles zeggen, alle onzin die je maar langs hoort komen. DeVVD is niet voor een ramadanschorsing en dat zullen we ook niet zijn. Diehebben we niet in dit huis. We debatteren volgens een orde en die ordebepalen we aan het begin van een debat.Voorzitter. Dit allemaal gezegd hebbende wil ik de Minister zeer bedankenvoor zijn inhoudelijke antwoorden. Ik heb nog een aantal open vragen eneen paar moties. Ik zie dat de heer Boon wil reageren.De heer Boon (PVV):Ik wil even reageren op die ramadanschorsing, want dit is nou echttypisch de VVD. Ze zeggen «we zijn er niet voor», maar ze laten het welgebeuren. Dat is weer hoe de VVD stap voor stap voor stap iedere keermeegaat op het pad van de islamisering. Nu spreken ze grote woorden:«we willen het niet» en «het was al afgesproken». Nee, het was toen albekend. Meneer Ergin heeft op zijn manier netjes aangegeven dat hijvanwege de ramadan graag wil eten, dat hij wil schorsen. De PVV heeftals enige partij gezegd: dat willen wij niet; wij gaan hier niet aanmeedoen. De VVD wilde er wel aan meedoen en heeft er mee ingestemd.Dan moet je dus ook de consequenties trekken en niet zeggen: we warenerop tegen, maar we hebben het laten gebeuren.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11170 Ik ga niet herhalen wat ik net heb gezet. We hebben aan het begin van hetdebat gezegd: we schorsen om 18.40 uur. Dat was in de veronderstellingdat de eerste termijn van de Kamer dan zou zijn afgerond en we sowiesoeen schorsing zouden hebben. Dat is anders gelopen. Dat is natuurlijk hetgrote cadeau voor meneer Boon, want die kan er nu het stickertje«ramadanschorsing» op plakken. Hij kan zichzelf met allerlei grove taal,moties die al drie keer zijn ingediend en allerlei grondrechtenschendingenneerzetten als de grote redder van de de-islamisering. Dat mag meneerBoon doen, want dat is allemaal toegestaan. Hier mag je van alles zeggen,maar ik mag dan ook zeggen hoe ik dit heb ervaren, en dat heb ik dus bijdezen gedaan.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dank u wel.De voorzitter:Nee, nog niet voor de tweede termijn. Ik dacht dat u een vraag had, omdatu uw opstak. Maar u had geen vraag?De heer Ergin (DENK):Nee. Ik wil best een vraag aan mevrouw Michon stellen, maar laten we hetlaten voor wat het is.De voorzitter:Helemaal goed. Dan ga ik door met mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik wilde eigenlijk aan mijn tweede termijn gaan beginnen, nadat ik deMinister heb bedankt voor zijn antwoord.Voorzitter. Een zwaar punt voor mijn fractie is meedoen. Dat hoor ikoverigens ook de Minister zeggen, met «aan de slag». In die zin heeft hijdat al helemaal verinnerlijkt. Wat mijn fractie betreft gaat meedoen heelerg over taal en werk. Daar richten dus ook mijn moties zich op. Datbegint met een motie waarin ik de Minister wil aansporen om bijgemeenten af te dwingen dat zij op de taaleis handhaven. We hebbenwettelijk vastgelegd dat je om bijstand te krijgen de Nederlandse taalmoet spreken. Dan moet dat ook gebeuren. Dat is niet vrijblijvend.Vandaar de volgende motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de Participatiewet van bijstandsgerechtigden eist deNederlandse taal te beheersen of leren;overwegende dat het spreken van de Nederlandse taal cruciaal is om deelte nemen op de arbeidsmarkt;overwegende dat onvoldoende helder is of handhaving op deze taaleisplaatsvindt;overwegende dat het coalitieakkoord Aan de slag het voornemen heeftom op de taaleis effectief te handhaven;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11171 verzoekt de regering wetgeving voor te bereiden om handhaving op detaaleis effectief vorm te geven in alle gemeenten,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en De Beer.Zij krijgt nr. 495 (32 824).Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Voorzitter. We hebben het ook over werk gehad, en over werk voorstatushouders. Daar heb ik twee moties over, ook omdat ik er een beetjeeen onrustig gevoel over heb of we goed genoeg weten of de eisen uit deinburgeringswet voldoende worden nageleefd en of dat ook in allegemeenten op een voldoende niveau is. Vandaar de volgende motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat uit de tussenevaluatie van de Wet inburgering 2021blijkt dat nog beperkt inzicht bestaat in de effectiviteit van de verschillendeinburgeringsroutes;overwegende dat inburgering een verplichting is en dat effectievehandhaving van de verplichting essentieel is voor het functioneren vanhet stelsel;verzoekt de regering om bij een verdere evaluatie van de inburgeringswetde Kamer te informeren over:–de percentages in de verschillende routes;–de slagingspercentages, doorlooptijden en uitstroom naar werk perroute;–de mate waarin gemeenten in de praktijk handhaven op inburgerings-verplichtingen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.Zij krijgt nr. 496 (32 824).Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Voorzitter, tot slot mijn derde motie. Die gaat ook over werk. Dit heb ikoverigens gevraagd in de eerste termijn, maar ik meen dat ik daar geenantwoord van de Minister op heb gekregen. De motie gaat over toege-leiding van statushouders naar de tekortsectoren. Er is werk genoeg. Watkan SZW doen om ervoor te zorgen dat niet in elke regio het wiel wordtuitgevonden, maar dat SZW helpt met, naar ik hoop, landelijke trajectenom het makkelijker te maken om statushouders naar tekortsectoren teleiden? Vandaar de volgende motie.Motie De Kamer,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11172 gehoord de beraadslaging,constaterende dat de arbeidsparticipatie van statushouders onvoldoendeis;overwegende dat deelname aan het arbeidsproces van statushouders vannationaal belang is;overwegende dat er grote tekorten zijn in bepaalde sectoren op dearbeidsmarkt;verzoekt de regering om regie te nemen in een landelijke aanpak omstatushouders naar werk te begeleiden in tekortsectoren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en Bamenga.Zij krijgt nr. 497 (32 824).Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de volgende spreker. Dat is mevrouwNanninga.Mevrouw Nanninga (JA21):Dank, voorzitter. Omwille van de spreektijd wil ik het houden bij eenbedankje aan de Minister voor de beantwoording en aan de ambtsge-noten voor dit debat. Ik ga naar de moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat in de huidige Actieagenda Integratie en Open en VrijeSamenleving de term «islam» niet wordt genoemd, terwijl de invloed vanbuitenlandse financiering, salafistische netwerken en politieke organi-saties op integratievraagstukken onmiskenbaar is;overwegende dat goed geïntegreerde moslims in Nederland er juistbelang bij hebben dat deze invloeden helder in beeld worden gebracht enworden bestreden;verzoekt de regering bij de eerstvolgende actualisering van de Actie-agenda Integratie expliciet de rol van de politieke islam, buitenlandsefinanciering van moskeeën en salafistische invloeden te betrekken,hiervoor concrete beleidsdoelen en maatregelen te formuleren, en deKamer daarover periodiek separaat te rapporteren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.Zij krijgt nr. 498 (32 824).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11173 Mevrouw Nanninga (JA21):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat kennis- en meldpunten op het gebied van discriminatieen inclusie in belangrijke mate door het Rijk worden gefinancierd;overwegende dat de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit vanonderzoek op dit terrein essentieel zijn voor het maatschappelijk enpolitiek draagvlak;verzoekt de regering een integrale inventarisatie te maken van alle doorhet Rijk gefinancierde kennis- en meldpunten op het gebied van discrimi-natie en inclusie, daarbij eventuele belangenverstrengeling en afhanke-lijkheid van probleembevestiging in kaart te brengen en indien aange-troffen de samenwerking te beëindigen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.Zij krijgt nr. 499 (32 824).Mevrouw Nanninga (JA21):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat beheersing van de Nederlandse taal op ten minsteniveau B1 een noodzakelijke voorwaarde is voor volwaardige deelnameaan onderwijs, arbeid en samenleving;constaterende dat de huidige inburgeringspraktijk taal veelal benadert alsinspanningsverplichting, met beperkte consequenties als de taaleis nietwordt gehaald;overwegende dat het draagvlak voor de verzorgingsstaat onder druk komtte staan wanneer nieuwkomers langdurig op uitkeringen aangewezenblijven zonder de taal voldoende te beheersen om uit te stromen naarwerk;verzoekt de regering het behalen van minimaal taalniveau B1 binnen dewettelijke inburgeringstermijn voor nieuwkomers vast te leggen alsresultaatsverplichting en het uitblijven daarvan, behoudens aantoonbare,zwaarwegende medische of verstandelijke beperkingen, automatisch telaten leiden tot stevige, structurele sancties in de bijstand indien vantoepassing,en gaat over tot de orde van de dag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11174 De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.Zij krijgt nr. 500 (32 824).Mevrouw Nanninga (JA21):Voorzitter, dank u wel. U ook voor het voorzitten. Tot zover mijn tweedetermijn.De voorzitter:Dank u wel. Dan ga ik naar de heer Van den Brink.De heer Tijs van den Brink (CDA):Dank u wel, voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording. Demeeste van mijn vragen zijn beantwoord. Ik heb een hekel aan heel veelmoties indienen, dus ik ben niet van plan om een motie in te dienen. Ik wilnog wel verhelderende vraag stellen, om te weten of ik de Minister goedheb begrepen. Het gaat nog steeds over die Syrische verpleegkundige, diehier komt en waarvan de Rekenkamer zegt: als je die meteen pizza’s laatrondbrengen, dan is dat onbenut potentieel. Mijn vraag is of u die analysedeelt en of u bereid bent om te kijken wat daartegen te doen is. Dat is dekern van mijn vraag en daar heb ik nog geen helder antwoord opgekregen. U zei: als het gaat om pizza’s rondbrengen of thuiszitten, danben ik voor pizza’s rondbrengen. Dat ben ik met u eens, maar dat is nietde tegenstelling.De voorzitter:Dank u wel voor uw inbreng in tweede termijn. Dan ga ik door naar deheer Ergin.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dank je wel. Ik ga vier moties indienen.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,van mening dat het integratiebeleid eenzijdig is, omdat het primair gerichtis op aanpassing van groepen Nederlanders en voorbijgaat aan weder-zijdse acceptatie als voorwaarde voor volwaardige deelname aan desamenleving;constaterende dat uit talloze onderzoeken blijkt dat er in de arbeidsmarkt,zorg, onderwijs en op andere plekken in de samenleving aantoonbaargebrek is aan acceptatie van groepen Nederlanders;constaterende dat de commissie-Blok al in 2004 constateerde dat deintegratie «geheel of gedeeltelijk geslaagd» is en dat het «een prestatievan formaat» is;verzoekt de regering het begrip «integratie» af te schaffen en zich terichten op acceptatie en gelijke kansen voor alle Nederlanders,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11175 Zij krijgt nr. 501 (32 824).De heer Ergin (DENK):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laatzien dat mensen met een migratieachtergrond die actief participeren inonderwijs en arbeid juist vaker discriminatie en uitsluiting ervaren;constaterende dat dit fenomeen bekendstaat als de integratieparadox,waarbij meer maatschappelijke participatie gepaard kan gaan met eensterker bewustzijn van en blootstelling aan discriminatie;verzoekt de regering de integratieparadox expliciet te erkennen in beleidrond integratie en maatschappelijke samenhang en beleid nadrukkelijk terichten op het wegnemen van discriminatie en structurele ongelijkhedenvoor jongeren met een migratieachtergrond,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.Zij krijgt nr. 502 (32 824).De heer Ergin (DENK):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het kabinet onderzoek heeft uitgevoerd naar hetreguleren van versterkte gebedsoproepen en dat 145 gemeenten hebbendeelgenomen;constaterende dat uit de landelijke nulmeting blijkt dat slechts een kleinaantal gemeenten structurele versterkte gebedsoproepen kent en dat 92%van de gemeenten geen knelpunten ervaart rond versterkte gebedsop-roepen;verzoekt de regering af te zien van extra regelgeving voor versterktegebedsoproepen zoals de adhaan, kerkklokken en evangelisatieactivi-teiten,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.Zij krijgt nr. 503 (32 824).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11176 De heer Ergin (DENK):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat beleid over integratie en samenleven vaak directbetrekking heeft op moslimgemeenschappen in Nederland;overwegende dat duurzame oplossingen voor maatschappelijke vraag-stukken gebaat zijn bij samenwerking tussen overheid en maatschappe-lijke organisaties;overwegende dat vertegenwoordigers van moslimorganisaties pleitenvoor structureel overleg en cocreatie met de overheid bij beleid dat hungemeenschappen raakt;verzoekt de regering te bevorderen dat bij de ontwikkeling van beleid ophet gebied van integratie, discriminatiebestrijding en samenlevenstructureel overleg en cocreatie plaatsvindt met vertegenwoordigers vanmoslimgemeenschappen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.Zij krijgt nr. 504 (32 824).Dank u wel voor uw inbreng. Ik zie een interruptie van mevrouwMichon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Eén punt over de commissie-Blok die zou stellen dat de integratie isgelukt. Niets is minder waar. De commissie-Blok zegt: de rol die deoverheid in integratie heeft, is totaal niet gelukt. Als iemand goedintegreert, komt dat doordat hij dat zelf doet. Juist de overheid moet beterhaar best doen voor de integratie. Dat doen we volgens mij nu met denieuwe inburgeringswet, de taaleis en wat we allemaal doen.Ik begrijp dat de heer Ergin dit naar voren brengt, omdat hij heel graag willaten zien dat integratie niet nodig is en dat die klaar is, maar hettegendeel is waar. Ik zeg hier maar weer dat iedereen over zijn eigenwoorden gaat. Die zijn in dit debat bij een paar partijen nogal anders dandie van mij, maar ik vind wel dat we de feiten moeten nemen zoals ze zijn.De resultaten van de commissie-Blok worden door de heer Ergin op eenonjuiste manier naar voren gehaald.De heer Ergin (DENK):Ik heb de commissie letterlijk geciteerd. In dat rapport staat dat deintegratie geheel of gedeeltelijk is geslaagd en dat dit, ondanks deoverheid, een prestatie van formaat is. Tegelijkertijd heeft Minister Blok,toevallig een VVD-Minister, in het debat aangegeven niet blij te zijn metdeze conclusies en aangekondigd dat hier nog een keer onderzoek naarwordt uitgevoerd. Dat zijn twee verschillende dingen die naast elkaarbestaan. Je hebt een staatscommissie die onderzoek heeft uitgevoerd endie onafhankelijk tot een oordeel is gekomen, en we hadden toen eenregering die heel graag hijgerig aan obsessiepolitiek wilde doen overintegratie. Daarom heeft de regering uiteindelijk een ander standpuntTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11177 ingenomen. Maar objectief gezien was de conclusie dat de integratiegeheel of gedeeltelijk geslaagd was, en dat ondanks de overheid. Ik heb inde motie letterlijk overgenomen wat in het rapport van de commissiestaat.De voorzitter:Nog een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Meneer Ergin stelt hier: ik heb het letterlijk overgenomen. Hij heeft in zijnbijdrage ook gezegd dat er geen probleem is. Hij gaat voorbij aan hetpercentage statushouders die in de Participatiewet zitten, hij gaat voorbijaan alle slachtoffers van eergerelateerd geweld en dat soort zaken. Nuciteert hij dit zinnetje uit het rapport om te zeggen: zie je wel, anderepartijen maken hier symboolpolitiek van, maar ik heb gelijk en decommissie-Blok zei het ook al. Dat is onjuist. Daar sla ik op aan. Ik vind datgewoon niet oké. Meneer Ergin heeft een zinnetje om zijn eigen betoogkracht bij te zetten, maar dat is niet op de feiten gebaseerd. Dat wil ik nogeen keer gezegd hebben.De heer Ergin (DENK):Ik wil echt wel ... Mevrouw Michon-Derkzen mag mijn bijdrage, mijnmanier van politiek bedrijven duiden op haar eigen manier. Maar ik zouhet wel fijn vinden als ze mij juist zou citeren. In mijn spreektekst ben ik opgeen enkele manier voorbijgegaan aan of heb ik gebagatelliseerd dat ermet vrouwen die slachtoffer worden van eergerelateerd geweld, iets aande hand is. Sterker nog, wij steunen alle voorstellen in de Kamer overeergerelateerd geweld. Waar wij een punt van maken, is de verwarringwaar mevrouw Michon-Derkzen net mee komt. Zij heeft het overinburgering. Mensen die nieuw naar Nederland komen, vallen onder deinburgeringswet.DENK zegt niet dat de inburgering moet stoppen. Wij zeggen dat deintegratie moet stoppen. Dat zijn twee verschillende dingen en zelfs deMinister heeft geen antwoord op de vraag wat nu precies de scheidslijn is.Ik constateer dat hier in de Kamer ... Ik merk dat de VVD daar nu gebalan-ceerder mee omgaat. Ik weet niet of ik dat zo hardop moet zeggen, maarwe hebben gezien wat de VVD in het vorige kabinet heeft gedaan. De VVDdeed er alles aan om de PVV rechts in te halen en heeft toen verschrikke-lijke politiek bedreven als het gaat om het integratiebeleid. Precies op datpunt zeggen wij: we moeten daarmee stoppen. Daar moeten we meekappen. Inburgering is prima, mensen in nood helpen is prima, maar wegaan niet generaties lang mensen doelbewust in een integratiemarathonduwen, waarbij de VVD in een commissiedebat later even kan bepalenwanneer die integratie wel of niet is geslaagd. Dat is in essentie wat ikvandaag heb geprobeerd te vertellen.De voorzitter:Dank u wel. Dit was de tweede termijn van de Kamer. De Minister heeftaangegeven een kwartier tijd nodig te hebben. Ik stel voor om tot 22.10uur te schorsen en zo direct terug te komen voor de tweede termijn vande Minister.De vergadering wordt van 21.56 uur tot 22.10 uur geschorst.De voorzitter:De Minister is al klaar en ik zie dat iedereen aanwezig is, dus laten we vanstart gaan. Ik geef de Minister het woord voor zijn tweede termijn.Minister Aartsen:Dank aan de Kamerleden voor hun vragen en de moties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11178 De heer Van den Brink van het CDA vroeg of ik het onbenut arbeidspoten-tieel vind. Het antwoord daarop is natuurlijk ja, zeker. Tegelijkertijd blijf ikzeggen dat dit niet zwart-wit is. Het begint bij überhaupt een baan in deNederlandse context vinden. Dat zijn die startbanen wat mij betreft. Daarkun je natuurlijk een stuk slimmer over nadenken. Als iemand affiniteitmet de zorg heeft en in de schoonmaak gaat werken, is het verstandig datdie dat dan in een zorginstelling doet. Daar begint al het slim nadenkenover potentieel. Het is eerst vooral belangrijk dat mensen iets doen en aanhet werk gaan. Vervolgens wil je inzetten op de volgende stap, dedoorontwikkeling in het werk. De derde stap is wat mij betreft een carrièrewaarin wordt uitgegaan van iemands volledige potentieel. In die drietrapwillen we het gaan integreren in het nieuwe stelsel en in de verbeteringdie we willen aanbrengen in het inburgeringsstelsel.De heer Tijs van den Brink (CDA):Ik wil het meteen proberen af te ronden. U zegt: wat ik wil doen, ligt in lijnmet wat de Rekenkamer hierover zegt. Mag ik het zo interpreteren?Minister Aartsen:Ja, dat mag u zo interpreteren. Er kan heel makkelijk gezegd worden «alsu verpleegkundige was in land X, gaat u hier automatisch deBIG-registratie in», maar daar zitten heel veel haken en ogen aan. Ja, datis wel het streven, maar dat is stap drie. Laten we eerst slim die eerstetwee stappen inrichten. Stap een en twee moeten ingericht zijn opdoorstroming om uiteindelijk wel bij stap drie te komen. Ik denk dat deheer Van den Brink en ik elkaar daar vinden. Je moet niet in stap eenblijven hangen.De voorzitter:De Minister vervolgt.Minister Aartsen:Mevrouw Lahlah vroeg mij om beter zicht te krijgen op wat er in de PIP’swordt opgeschreven ten aanzien van wat we weten. Daar is ook een motieover ingediend. Ik zeg maar even heel eerlijk: uw Kamer heeft hetafgelopen jaar tot twee keer de ambitie voor regeldrukverminderinguitgesproken, zowel als het gaat om «500 regels» als om vereenvoudi-gingswetten et cetera. Als ik hier nu ja op zeg, en dat geldt ook voor diemotie, gaan we tegen gemeenten zeggen dat ze bij ieder PIP verplicht eenformulier moeten invullen, dat eens per maand naar ons moet wordenopgestuurd, waarna er bij ons weer mensen mee aan het werk moeten. Erligt ook nog een ambtelijke taakstelling aan onze kant. Ik wil het met liefdeen plezier doen, en dit geldt voor meer moties zo meteen, maar het zal totbehoorlijke ambtelijke druk en regeldruk leiden. In het kader hiervan zou umisschien ook zeggen een beetje terughoudend te zijn. We weten dat ookbij gemeenten – en dat hoef ik mevrouw Lahlah niet te vertellen – helegoede professionals werken.Laat ik anders toezeggen dat ik in mijn gesprekken met de gemeentenover de verbetering van het inburgeringsstelsel ook nog zal benadrukkendat bij de PIP-uitvraag niet alleen het lijstje moet worden afgelopen, maardat echt het gesprek wordt gevoerd met de betreffende persoon om teachterhalen wat die in het verleden heeft gedaan, wat die kan en waar dekansen en talenten voor die persoon liggen. Ik wil een beetje terug-houdend zijn om alles weer vast te leggen in registraties en monitoring,want dan gaan we weer een hele hoop regeldruk toevoegen. Ik leg hetdilemma maar gewoon even neer.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Als we het hebben over meedoen naar vermogen, is het belangrijk om teweten wie er voor je zit. Ik snap het dilemma van registratie en registratieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11179 op zich is niet het doel. Als u toe kunt zeggen dat u in gesprek gaat metgemeenten om te bespreken dat ze daar expliciet een uitvraag naar doenen die meenemen in het vervolg, neem ik daar genoegen mee.Minister Aartsen:Laten we dat zo afspreken.Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 481 van mevrouw Lahlah iseen goede vraag, maar we hebben dit al gedaan. We hebben eenbekostigingsonderzoek afgerond en rond de jaarwisseling naar de Kamergestuurd. Daarin hebben we naar de huidige bekostigingssystematiekgekeken, inclusief de punten die in de motie worden genoemd. Ik zoeknaar wat er dan extra nodig zou zijn, want anders is die wat mij betreftecht overbodig. Dit onderzoek is gedaan en afgerond. Op basis daarvan issamen met de VNG een werkgroep gestart. Ik moet deze motie«overbodig» geven.De voorzitter:De motie op stuk nr. 481 is overbodig. Mevrouw Lahlah heeft hier eenvraag over.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Ik hoor de Minister zeggen dat er al een werkgroep loopt of dat dieonlangs is gestart. Ik ben blij om dat te horen. Tegelijkertijd hoor ik ooknog heel veel geluiden van gemeenten en uit de praktijk dat er nog steedsgrote financiële tekorten zijn bij de uitvoering.Minister Aartsen:Dat was ook de uitkomst van het onderzoek.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Precies. Ik ga de motie nog niet aanhouden. Misschien dat ik dat nog weldoe, maar ik wil me nog daar even over beraden. Het lijkt me namelijk ookgoed dat de Kamer zich hier expliciet over uitspreekt. Ik zal ook nog evenbij een aantal gemeenten navraag doen. Dus vooralsnog dien ik ’mgewoon in, maar mogelijk houd ik ’m later in de week nog aan.De voorzitter:Oké. De motie op stuk nr. 481: overbodig.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 482: oordeel Kamer. Dank voor de steun. Dat zounamelijk ook mijn ingezette lijn zijn: zo veel mogelijk opschaling vanvakroutes, leer-werktrajecten et cetera et cetera. Daar sluit ik me volledigbij aan.De voorzitter:De motie op stuk nr. 482: oordeel Kamer.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 483 wil ik ook oordeel Kamer geven, omdat het eenbijzondere aandachtsgroep is wat dat betreft. Ik denk dat het daarbij ookgoed is om niet alleen naar de randvoorwaarden te kijken, maar ook naarde belemmeringen die er zijn. De eerlijkheid gebiedt natuurlijk ook tezeggen dat de man-vrouwverdeling en de culturele verschillen die er zijnhier natuurlijk ook een belangrijke rol in spelen. Ik zou daarom diebelemmeringen daar ook in mee willen nemen.De voorzitter:De motie op stuk nr. 483: oordeel Kamer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11180 Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 484 is echt een aangelegenheid van de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat; die gaat in Nederland over de rijbewijzen. DeMinister van AenM gaat over de W-documenten. Deze motie moet ik in ditcommissiedebat dus ontraden.De voorzitter:De motie op stuk nr. 484: ontraden. Ik zie een vraag van mevrouw Lahlah.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Ik vind het een beetje een flauwe appreciatie, want de motie verzoekt deregering hier een uitspraak over te doen. We hebben net in het debatgeconcludeerd dat de Minister de ketenverantwoordelijkheid draagt. Eenrijbewijs kan het verschil maken tussen thuiszitten, wat de Minister echtniet wil, en werk of vrijwilligerswerk vinden. Het is echt een absurde regeldat je wel lessen kunt volgen, praktijkexamen kunt doen en kunt slagen,maar niet je rijbewijs kunt aanvragen. Dit raakt ook direct aan werk enparticipatie. Ik zou daarom toch willen vragen of de Minister zich dan metzijn collega’s kan beraden. Tot die tijd blijf ik de motie gewoon indienen. Ikhoud ’m dus niet aan, maar dien ’m in. Ik hoop ook dat hij dit met zijncollega’s, vanuit zijn rol als ketenverantwoordelijke, toch kan toezeggen.Minister Aartsen:Ik kan aan de Minister van IenW vragen of hij hier voorafgaand aan destemming een reactie op kan sturen. Dat is wat ik kan doen. Maar ik kanniet zomaar in de verantwoordelijkheid treden van de Minister van IenW,die verantwoordelijk is voor het rijbewijsregister. Ik ken die wereld sindsde afgelopen maanden toevallig vrij goed. Daar gaat echt een hele wereldachter schuil. Ik ga dat hier dus gewoon niet toezeggen. Dat hoort er ookbij, een beetje politesse als het gaat om wat er waar wordt opgepakt. Ikben het helemaal eens met de probleemanalyse. Ik zal vragen aan deMinister van IenW of en hoe hij hierover een brief aan u zou willen sturen.De voorzitter:Oké. Er wordt dus om een appreciatie vanuit de Minister van IenWgevraagd. Deze Minister ontraadt de motie dus, als ik het zo hoor.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 485 van de heer Bamenga verzoekt om obstakels wegte nemen. Ik ben bereid om dat te doen. Ik denk dat dat een heelverstandig punt is. Ik geef deze motie dus oordeel Kamer.De voorzitter:De motie op stuk nr. 485: oordeel Kamer.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 486 wil ik ook oordeel Kamer geven, met dienverstande dat ik niet weer een heel plan van aanpak ga schrijven, maardat we hierover met banken in gesprek gaan. Dit nemen we dan ook meein het hele werktraject dat we hebben lopen ten aanzien van werkendestatushouders.De voorzitter:De motie op stuk nr. 486: oordeel Kamer.Minister Aartsen:Dan de motie op stuk nr. 487. Zoals ik net ook al zei, wil ik deze motie echtontraden in het kader van de regeldruk. Ten eerste gaan we namelijk allegemeenten verplichten om het structureel te registreren en moeten ze dusmet regeldruk aan de gang gaan. Vervolgens is het de vraag wat we, alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11181 we de informatie hebben, daarmee doen, omdat uiteindelijk de profes-sional aan de balie zelf bepaalt hoe de PIP eruit komt te zien. Daaromontraad ik deze motie.De voorzitter:De motie op stuk nr. 487 is ontraden. Ik zou graag de heer Ergin willenvragen of hij even het voorzitterschap wil overnemen.Voorzitter: ErginDe voorzitter:Uiteraard. Dan geef ik het woord aan de heer Bamenga voor zijn vraag.De heer Bamenga (D66):Dit is volgens mij bijna hetzelfde als wat mevrouw Lahlah zojuist heeftingebracht. Dit komt uit een analyse van de Algemene Rekenkamer. Als jewilt dat mensen zo veel mogelijk op hun eigen niveau gaan meedoen,want dat is manier waarop je ervoor zorgt dat mensen duurzaammeedoen in de samenleving, dan is het wel belangrijk om te weten wat zekunnen, wat hun werkervaring is en wat hun opleidingsniveau is. Los vanwat de Algemene Rekenkamer aangeeft, zeggen ook de mensen die ikgesproken heb, dat in het hele traject niet aan hen is gevraagd wat zekunnen. Dat is heel erg frappant. Ik heb het voorbeeld gegeven van eencardioloog. Ik heb een ander voorbeeld gegeven van iemand die bankierwas. Noem maar op! Dat zijn allemaal mensen die ontzettend veelkunnen, maar niemand vraagt daarnaar. Het gaat me niet om extraregeldruk of om het per se registreren hiervan. Volgens mij gaat het erjuist om dat we mensen leren zien en dat we mensen daadwerkelijk lereninzetten op de juiste manier, zodat ze duurzaam mogen meedoen. Wellichtkan de Minister het in dat licht bekijken en kan hij de motie op een anderemanier interpreteren en uitvoeren.Minister Aartsen:Dan vraag ik aan de heer Bamenga toch om dezelfde coulance diemevrouw Lahlah mij ook gaf. Ik bespreek dit met gemeenten. Ik wil datgemeenten in hun gesprek met een inburgeraar deze vraag stellen. Daarzijn we het 100% over eens. Ik ga het alleen niet laten registreren om hetvervolgens weer landelijk te kunnen rapporteren, want dan wordt het echtingewikkeld en voegen we regeldruk toe. Maar er is geen verschil vaninzicht over dat het belangrijk is dat op het moment dat er een PIP wordtafgenomen de vraag wordt gesteld zoals de heer Bamenga ’m formuleert,namelijk «wat kan u?» en misschien nog wel meer. «Waar droomt u van?Wat zijn uw passies? Wat zijn uw talenten? Waar heeft u zin in? Lijkt het uleuk om eens een keer in de zorg mee te lopen? Wilt u nog eens een keerervaring opdoen in de techniek? We hebben nog een mooi bbl-traject ofeen leerwerktraject ergens voor u; wilt u dat een keer gaan doen?» Dat iswat ik uiteindelijk wil. Daarom ga ik in gesprek over de financieringssi-tuatie van gemeenten. Ik ga in gesprek met de gemeenten over definanciering, maar ik ga over veel meer dan alleen maar financiering ingesprek. Want ik wil het stelsel verbeteren, veel meer gericht op: iedereendoet mee, iedereen werkt mee, ook uitgaande van wat mensen kunnen.De voorzitter:Dan draag ik het voorzitterschap wederom over aan de heer Bamenga.Voorzitter: BamengaDe voorzitter:Dank u wel, meneer Ergin. Dan komen we volgens mij bij de motie op stuknr. 488.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11182 Minister Aartsen:Dit is een spreekt-uitmotie, dus volgens mij hoor ik hier geen oordeel overte geven, toch?De voorzitter:Ja.Minister Aartsen:Mooi, klopt.Dan de motie op stuk nr. 489. Die is ongrondwettelijk en daarom ontraadik «m.De voorzitter:De motie op stuk nr. 489: ontraden.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 490 ontraad ik ook.De voorzitter:De motie op stuk nr. 490: ontraden.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 491 schuurt ook tegen onze democratische rechts-staat aan, dus daarom ontraad ik ’m ook.De voorzitter:De motie op stuk nr. 491: ontraden.Minister Aartsen:Dezelfde redenering over onze democratische rechtsstaat geldt voor demotie op stuk nr. 492, dus ook die moet ik ontraden.De voorzitter:De motie op stuk nr. 492: ontraden.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 493 ontraad ik ook. We hebben op dit moment al eenRemigratiewet. Overigens is de instroom daarvoor door het vorige kabinetstopgezet. Vandaar dat ik de motie ontraad.De voorzitter:De motie op stuk nr. 493: ontraden.Minister Aartsen:Ook de motie op stuk nr. 494 ontraad ik, omdat de intrekking van deverblijfsvergunning hier geen onderdeel van het stelsel uitmaakt.De voorzitter:De motie op stuk nr. 494: ontraden.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 495 kan ik oordeel Kamer geven. Ik ga met degemeenten in gesprek over de handhaving van de taaleis en hoe we dieeffectief vorm kunnen geven. Ik deel het punt dat als we een wet hebbenvastgelegd, die ook dient te worden gehandhaafd.De voorzitter:De motie op stuk nr. 495: oordeel Kamer.Minister Aartsen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11183 De motie op stuk nr. 496 kan ik oordeel Kamer geven, maar met dezelfdeargumentatie vraag ik om ’m voorlopig aan te houden omdat ik nog eenbrief ga sturen, naar onder anderen mevrouw Nanninga, over de aantallenen de situatie in de Z-routes. Laat me even kijken hoeveel van de puntendie mevrouw Michon-Derkzen noemt ik daarin mee kan nemen. Datscheelt mogelijk weer. Sowieso start er een evaluatie in 2027. Daarkunnen we dit ook in meenemen. In principe is ze oordeel Kamer. Deafwegingen om ’m in te dienen laat ik bij de Kamer.De voorzitter:De motie op stuk nr. 496: oordeel Kamer.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 497 kan ook oordeel Kamer krijgen. Die sluit aan bijde ambitie van dit kabinet om de regie te nemen in de landelijke aanpak,specifiek op de tekortsectoren.De voorzitter:De motie op stuk nr. 497: oordeel Kamer.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 498 wil ik «ontijdig» geven. Ik ben op dit moment nogaan het nadenken over wat het toekomstige beleid van dit kabinetspecifiek gaat worden en hoe we dat gaan uitwerken. In het regeerakkoordis buitenlandse beïnvloeding een belangrijk onderdeel; vandaar dat ik hiernu «ontijdig» op geef.De voorzitter:De motie op stuk nr. 498: ontijdig.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 499 kan ik oordeel Kamer geven, met dien verstandedat als daar sprake van is we ook even moeten kijken wat passend is opdat moment. Die disclaimer moet ik even maken. Het kan soms verstandigzijn om wel samen te werken, omdat het doel soms de middelen heiligt.Die slag om de arm wil ik even maken. Met die connotatie kan ik dezemotie oordeel Kamer geven.De voorzitter:De motie op stuk nr. 499: oordeel Kamer. Ik zie een vraag van de heerErgin.De heer Ergin (DENK):Wat ik niet begrijp aan de motie op stuk nr. 499, is dat dit tot heel veeladministratie leidt. Volgens mij is de Minister een warm pleitbezorger vanzo min mogelijk administratie. Ik begrijp dus niet waarom dit argument bijdeze motie opeens heel klein is, terwijl hij bij een motie van mevrouwLahlah het argument van administratiedruk enorm groot maakt. DeMinister geeft nu oordeel Kamer aan een motie die een integraleinventarisatie vraagt, terwijl hij in zijn disclaimer eigenlijk toelicht dat dezemotie niet nodig is.Minister Aartsen:Dat is heel verstandig om te doen. We hebben vandaag namelijk gezienhoe een onderzoek waaraan veel geld is uitgegeven en waarin uitkomstenzitten waar je vervolgens iets mee zou willen, onderuit wordt gehaaldomdat de partij waarmee je samenwerkt in die context bepaalde belan-genverstrengelingen heeft of een bepaalde samenwerking heeft die in diecontext niet verstandig is. Dan ben je dus geld aan het weggooien en datvind ik onverstandig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11184 In mijn Kamerbrief van vanmorgen heb ik ook aangegeven dat ik breed gakijken: wat wordt het beleid voor de toekomst en met wie ga je samen-werken? Ik vind het logisch om deze inventarisatie daarin mee te nemen,want dat was ik sowieso al van plan. Als u een soort goudengidsachtigevariant verwacht op basis van deze motie: die verwachting ga iktemperen, want dat gaat niet gebeuren. Maakt u zich daar geen zorgenover.De heer Ergin (DENK):Maar het is handig om daar scherp op te zijn. Bij andere moties zie jenamelijk een totaal andere benadering. Ik hoorde de Minister net zeggendat er sprake zou zijn van belangenverstrengeling. Volgens mij is het tochde schijn van belangenverstrengeling? Of heeft de Minister zijn conclusiesal getrokken?Minister Aartsen:Ik denk dat de heer Ergin hier een terecht punt heeft, dat ik hier het woord«schijn» voor had moeten zetten. Ik blijf er overigens bij dat geld gevenaan je huwelijkspartner niet heel verstandig is in het kader van betrouw-baarheid van onderzoek. Vorige week heb ik ook aangegeven in de briefdat ik dit onverstandig vind om te doen.Mevrouw Nanninga (JA21):Dank aan de Minister voor het zich niet laten ompraten. En dat opandermans motie hè, meneer Ergin? Zou het helpen als ik de motie nogwat aanpas? Dan zou, de opmerking van de Minister in acht nemend,achter «indien aangetroffen» volgen «passende maatregelen te nemen»,in plaats van «de samenwerking te beëindigen». Dan kan ik de motie nogeven aanpassen.Minister Aartsen:Dat zou zeer fijn zijn. We gaan breed kijken met wie we samenwerken, inwelke context we dat doen en of dat verstandig is.De voorzitter:Oké. De motie op stuk nr. 499: oordeel Kamer.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 500. Ik snap de redenering. Je wilt namelijk zo veelmogelijk inzetten op B1. Die zorgen over de Z-route zie ik ook. Ik wil dezemotie «ontijdig» geven. Ik wil dit meenemen in de brief die ik nog gasturen over de Z-route. Daarnaast wil ik dit meenemen in de evaluatie diewe richting 2027 gaan starten. Op dit moment wil ik de motie dus«ontijdig» geven.De voorzitter:De motie op stuk nr. 500: ontijdig.Minister Aartsen:De motie op stuk nr. 501 moet ik ontraden. Ik vind deze te scherpgeformuleerd in het dictum. Ook met een aantal constateringen ben ik hetoneens.De voorzitter:De motie op stuk nr. 501: ontraden.Minister Aartsen:Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 502. Die is eigenlijk overbodig. Wehebben gewoon onderzoek van instituten. Een daarvan is het Sociaal enCultureel Planbureau. Dat constateert de integratieparadox als eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11185 verschijnsel. Als een onafhankelijk instituut dat constateert, dan is het heelgek om dat vervolgens te erkennen of te ontkennen. Het gevaar van dezemotie is ook dat als ze wordt weggestemd, de Kamer dat niet erkent,hoewel het wel de uitkomst is van een onderzoek van een gerenom-meerde partij, namelijk het Sociaal en Cultureel Planbureau. Misschien deoproep om ’m in te trekken, want uiteindelijk is de motie ook overbodig.Het is gewoon de vaststelling van een verschijnsel dat er is, zoals heelveel dingen in de samenleving worden vastgesteld door het planbureau.De voorzitter:De motie op stuk nr. 502: overbodig. De heer Ergin heeft een vraag.De heer Ergin (DENK):Ik begrijp waar de Minister op doelt. Het dictum bestaat uit twee onder-delen: het erkennen en het vervolgens opnemen in beleid. Kan ik uit dezebeantwoording van de Minister opmaken dat hij in principe zegt weinig tekunnen met erkenning omdat onderzoeksbureaus daarover gaan, maardat hij in de algehele herijking die hij heeft aangekondigd best wilnadenken over hoe hij de integratieparadox in ieder geval een grotereplek kan geven in het beleid? Kan ik de Minister zo samenvatten?Minister Aartsen:Ja, maar dan wordt het «ontijdig». Ik wil me er echt even op beraden.De heer Ergin (DENK):Ik ga me dan beraden over het dictum van de motie. Ik zal ’m in iedergeval aanpassen, waarbij ik maximaal rekening houd met wat de Ministerzegt en met de ruimte die hij hiervoor nodig heeft. Ik denk dat het tochbelangrijk is dat we het echt een plek gaan geven in de actieagenda, wantje kunt niet alleen maar aan de ene kant negatieve veiligheidsvraag-stukken in een container stoppen en als er dan iets is zoals de integratie-paradox, daarvan zeggen: weet je wat, dat laten we bij de onderzoeksin-stanties. Ik zal me daar dus over beraden.Minister Aartsen:Helder. Nogmaals, ik beraad mij op de koers. Het staat uw Kamernatuurlijk vrij om mij signalen mee te geven, dus dat zie ik bij destemmingen dan wel.De voorzitter:Oké. Dan is de motie nog steeds overbodig.Minister Aartsen:Ja, dan wordt die ontijdig. Nu is die overbodig en afhankelijk van deaanpassing kunnen we de appreciatie aanpassen.De motie op stuk nr. 503. Ook die is ontijdig. Ik kom daar nog op terug ophet moment dat de nulmeting is afgerond, in de 100 dagenbrief.Tot slot de ...De voorzitter:Sorry, even terug. De motie op stuk nr. 503.Minister Aartsen:Ontijdig.De voorzitter:Ontijdig.Minister Aartsen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11186 Ook de motie op stuk nr. 504 krijgt ontijdig, omdat ik me er inderdaad opberaad of het verstandig is om dit op deze manier te doen.De voorzitter:De motie op stuk nr. 504 is ook ontijdig.Ik kijk eventjes richting de Kamer. Er zijn verder geen vragen meer.Dan kunnen wij richting de afronding gaan. Volgens mij zijn er weltoezeggingen gedaan. Die zal ik er even bij pakken. Er zijn twee toezeg-gingen gedaan, als het goed is.–Allereerst aan het lid Nanninga. De Minister stuurt een brief over deZ-route en de taaleis.De vraag is even wanneer de brief zal komen.Minister Aartsen:Het voordeel van als je in maart bent, is dat je gewoon kan roepen: voorde zomer. Voor de zomer!De voorzitter:Oké, voor de zomer.Dan de tweede toezegging.–De Minister gaat naar aanleiding van de motie-Lahlah aangaande hetaanvragen van een rijbewijs de Minister van IenW verzoeken schrifte-lijk te reageren op de motie, voorafgaand aan de stemmingen.Dat was het. Dan wil ik graag iedereen bedanken voor de inbreng en deMinister voor de reactie in dit debat, het wetgevingsoverleg Integratie enmaatschappelijke samenhang. Dan sluit ik bij dezen het overleg.Sluiting 22.28 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 11187

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · d914bc05a70cae71

14 okt 2026 · 9a9a0e6e10aed42a

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.