Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de Milieuraad van 25 juni 2026 (Kamerstuk 21501-08-1033)
Brontekst
Versie 9799c7adf0fdbee0 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-08MilieuraadNr. 1035 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 23 juni 2026 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris en Ministervan Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 11 juni 2026 over degeannoteerde agenda van de Milieuraad van 25 juni 2026 (Kamerstuk 21501–08, nr. 1033).De vragen en opmerkingen zijn op 16 juni 2026 aan de Staatssecretaris enMinister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 23 juni 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,HuizengaAdjunct-griffier van de commissie,Van der Graaf kst-21501-08-1035ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10351 Vraag 1De leden van de VVD-fractie lezen dat er nog discussie bestaat over ondermeer de definitie van zero-emissievoertuigen en de aanscherping van de«utility»-factor voor plug-in hybride voertuigen. Tevens constateren dezeleden dat Nederland samen met zes andere lidstaten een non-paper heeftondertekend waarin wordt gepleit voor het behoud van een duidelijkeprikkel richting elektrificatie.Kan de Staatssecretaris nader ingaan op het huidige krachtenveld rondomdeze discussiepunten? Welke lidstaten zetten in op het verruimen van dedefinitie van zero-emissievoertuigen en het niet aanscherpen van de«utility»-factor, en hoe schat de Staatssecretaris de kans in dat dezevoorstellen uiteindelijk onderdeel worden van de Raadspositie?AntwoordBinnen de onderhandelingen over de verschillende onderdelen van hetAutomotive Package, waaronder de CO2-emissienormen, is er telkenssprake van een verdeling in twee groepen: een groep lidstaten die pleitvoor behoud van de prikkel tot elektrificatie en een groep lidstaten diepleit voor technologische neutraliteit. Er is zicht op een blokkerendeminderheid aan weerszijden.De groep lidstaten die het behoud van de prikkel tot elektrificatie voor deEU auto-industrie bepleit, benadrukt het belang van het behoud vaninvesteringszekerheid en het niet verder afzwakken van het Commissie-voorstel. Deze lidstaten verzetten zich tegen het aanpassen van dedefinitie van zero-emissievoertuigen en tegen een grotere rol voorbiobrandstoffen ten koste van elektrificatie in de nieuwverkoop vanvoertuigen. Daarnaast onderstrepen zij het belang van een realistischeweergave van de praktijkuitstoot en het praktijkverbruik van plug-inhybride elektrische voertuigen (PHEVs). Het door Nederland medeonder-tekende non-paper is opgesteld door een deel van de lidstaten uit hetelektrificatiekamp. De groep lidstaten die pleit voor technologischeneutraliteit zetten in op een nog grotere rol voor de verbrandingsmotorten opzichte van het Commissievoorstel. Zij zetten daarom in op verdereafzwakking van de doelstellingen en op uitbreiding van de flexibiliteit voorvoertuigproducenten. Ze pleiten voor onvoorwaardelijke flexibiliteit eneen grotere rol voor hernieuwbare brandstoffen (met name biobrand-stoffen). Deze groep bepleit zowel de verruiming van de definitie vanzero-emissievoertuigen en het bevriezen of afzwakken van de utilityfactor.1Het kabinet gaat niet in op de individuele standpunten van lidstaten in deRaad vooruitlopend op de Milieuraad. Voorts is het in deze fase van deonderhandelingen niet in te schatten welke standpunten onderdeelworden van de Raadspositie. Aan weerszijden van de onderhandelingen iser immers sprake van zicht op een blokkerende minderheid. Zoalsgenoemd in de Geannoteerde Agenda voor de Milieuraad van 25 juni2 zijnde belangrijkste uitgangspunten voor het kabinet het behoud van detransitie naar elektrificatie van de EU auto-industrie en het ervoor zorgendat duurzame mobiliteit betaalbaar en toegankelijk is voor burgers. Hetkabinet wil daarom zorgen voor uitvoerbare normen, daadwerkelijkeinnovatie op het gebied van personen- en bestelauto’s en het verder1De correctiefactor die de bij typegoedkeuring aangenomen uitstoot van plug-in hybrideelektrische voertuigen corrigeert op basis van data over het praktijkverbruik van dezevoertuigen.2Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501–08, nr. 1033.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10352 verminderen van afhankelijkheden van Nederland en de EU van fossielebrandstoffen.Aanpassing van de definitie van zero-emissievoertuigen en afzwakkingvan de utility factor leiden naar verwachting tot administratieve lastenver-zwaring, vermindering van investeringszekerheid en meerkosten voorburgers en bedrijven. Het kabinet zet zich er daarom voor in dat degenoemde punten niet overgenomen worden in de Raadspositie. Hetverzonden non-paper, dat deze punten ook benoemt, is daarmeevoordelig voor de Nederlandse positie in de onderhandelingen en vormtdaarom een belangrijk onderdeel van de kabinetsinzet.WaterweerbaarheidsstrategieVraag 2De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een toekomst-bestendige Europese aanpak van waterbeschikbaarheid en watervei-ligheid. Tegelijkertijd lezen deze leden dat Nederland zich inzet voor eenefficiënte uitwerking van de strategie met aandacht voor het beperken vanregeldruk. Kan de Minister aangeven of binnen de verdere uitwerking vande Europese Waterweerbaarheidsstrategie voorstellen in voorbereidingzijn die kunnen leiden tot aanvullende rapportage-, monitorings- ofverantwoordingsverplichtingen voor lidstaten, bedrijven of waterbe-heerders? Zo ja, hoe beoordeelt de Minister deze voorstellen?AntwoordDe Europese Waterweerbaarheidsstrategie voorziet in beginsel niet innieuwe regelgeving. Daarom zijn aanvullende verplichtingen niet snel teverwachten. Wel kondigt de strategie een aantal plannen aan voor detoekomst, die bij verschijnen worden beoordeeld, ook als die extraverplichtingen bevatten. Zo wordt binnen de Europese Waterweerbaar-heidsstrategie ook een voorstel gedaan voor een «EU-wide Action Plan onthe digitalisation of the water sector». Onderdeel hiervan is het delen vandata via nationale data portals. Hoewel de Nederlandse overheid veel databeschikbaar heeft en ontsluit via verschillende kanalen, kan dit plan leidentot aanvullende rapportage-, monitorings- of verantwoordingsverplich-tingen voor lidstaten, bedrijven of waterbeheerders. Het kabinet wil desamenwerking tussen landen versterken en binnen die samenwerkingdata delen die al beschikbaar zijn. Aanvullende verplichtingen werkendrempelverhogend voor lidstaten om mee te gaan in de gewenstesamenwerking. Aanvullende verplichtingen verminderen bovendien deflexibiliteit om in te spelen op veranderende data-behoeften. Het kabinetwacht eerst af hoe het actieplan wordt uitgewerkt.Vraag 3De leden van de PRO-fractie hechten net als het kabinet veel waarde aaneen goede waterweerbaarheidsstrategie. Deze leden hebben metinteresse de kabinetsinzet gelezen. Graag ontvangen deze leden eennadere toelichting van de Minister wat de inzet in Europees verbandconcreet heeft opgeleverd tot nu toe. Wat hebben de gesprekken binnende riviercommissies concreet opgeleverd? En wat heeft de nationalecampagne voor drinkwaterbesparing tot nu toe opgeleverd? Is de Ministerhier tevreden over of is extra inzet hierin gewenst? Wat betekent hetadresseren van PFAS precies voor de verdere implementatie van deKaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Prioritaire stoffen en de Grondwa-terrichtlijn? En welke afspraken heeft Nederland precies met buurlandenover de aanpak van PFAS in het grensoverschrijdende water?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10353 AntwoordBinnen de Rijn- en Maascommissies (ICBR en IMC) werken de oeverstatensteeds gerichter samen bij laagwater. Naast het delen van meetgegevens,ontwikkelt de ICBR nu een gezamenlijke methode om droogte in hetstroomgebied te beoordelen. Dit helpt de landen om beter op elkaarafgestemd maatregelen te nemen en zo de schade van laag water tebeperken, in lijn met de doelen van de Rijnministerconferentie uit 2020 diezijn opgenomen in het Rijn 2040 programma. Daar is ook afgesproken omhet overstromingsrisico in het Rijnstroomgebied in 2040 met 15% teverminderen ten opzichte van 2020. Mede door deze afspraak wordenbovenstrooms retentiemaatregelen genomen, waardoor de hoogwa-terpiek die Nederland bereikt, wordt verlaagd. Daarnaast werken zowel deIMC als de ICBR aan betere vroegtijdige waarschuwing en informatie-uitwisseling, zodat bij dreigend hoogwater sneller kan worden gehandeld.Om ook op de langere termijn voorbereid te zijn, wordt binnen de ICBRsamengewerkt met de EU en de Rijnscheepvaartcommissie (CCR). Zo isrecent gezamenlijk berekend hoe klimaatverandering de toekomstigewaterafvoer van de Rijn beïnvloedt. Met deze nieuwe inzichten werkt deICBR haar klimaatadaptatiestrategie bij. Dit geeft de landen een beterbeeld van het toekomstige wateraanbod en van de mogelijke oplossingentegen droogte. Binnen de CCR wordt gewerkt aan klimaatadaptatie van devaarwegen. Een onderdeel daarvan is om tot een gezamenlijk MasterplanRijn te komen met als doel een gedragen visie om de Rijn ook in detoekomst robuust te houden voor vervoer over water, met inachtnemingvan klimaatverandering. Voor de Maas (IMC) is inmiddels afgesproken omnet als in de ICBR een vergelijkbare, gezamenlijke klimaatstudie te startenals basis voor nieuwe afspraken.De nationale campagne voor drinkwaterbesparing is op 12 juni 2026begonnen, en richt zich op een duurzame gedragsverandering. Daaromwordt ingezet op een meerjarige campagne. De campagne is nog te kortvan start om te beoordelen hoe deze doorwerkt in het drinkwatergebruik.Nederland bespreekt de aanpak van PFAS zowel bilateraal met Vlaanderenen Duitsland als in de internationale riviercommissies. In de internationaleriviercommissies is al eerder afgesproken om monitoringsgegevens eninformatie over bronnen uit te wisselen. Op basis hiervan zullen verdereafspraken worden gemaakt over de aanpak. De herziene richtlijn priori-taire stoffen gaat hierbij helpen. Ook in het kader van de herziene richtlijnprioritaire stoffen zullen de landen emissies van PFAS terug moetendringen. In de richtlijn prioritaire stoffen is een somnorm3 voor 25 PFAS(inclusief TFA) voor oppervlaktewater opgenomen. Oppervlaktewaterli-chamen moeten uiterlijk 2039 voldoen aan de norm. In de stroomgebied-beheerplannen worden de monitoringsplannen opgenomen. Vanaf begin2028 moeten waterbeheerders daadwerkelijk monitoren en resultatenrapporteren. Binnen de riviercommissies wordt hierover afgestemd.Vraag 4De leden van de PRO-fractie lezen verder dat vrijwel alle lidstaten depublicatie van de strategie verwelkomden en dat er eensgezindheid wasover de aandacht voor waterbeschikbaarheid. Daarover past uiteraardtevredenheid. De vraag die dit bij de aan het woord zijnde leden oproept,is wat de inwoners van de EU en meer in het bijzonder Nederland hierconcreet van gaan merken de komende tijd. En wat gaat, zo vragen deze3Een somnorm is een norm voor die geldt voor de totale opgetelde concentratie van een groepgelijksoortige stoffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10354 leden, de Minister doen met de resolutie van het Europees parlementwaaruit meer ambitie spreekt dan uit de uiteindelijk door de EuropeseCommissie gepresenteerde strategie? Gaat hij in lijn met deze resolutiezich ook inzetten voor steviger waterweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?En tot slot ontvangen deze leden graag een verwachte planning vanrelevante toekomstige momenten op het Europees waterweerbaarheids-beleid.AntwoordHet kabinet wil met de strategie internationale samenwerking verbeterenen regeldruk verminderen. Daarmee kunnen we sneller en effectieverinspelen op wateropgaven zoals waterkwaliteit van rivieren, waterbeschik-baarheid en bevaarbaarheid van rivieren. In de meeste gevallen zulleninwoners niet veel merken, maar zouden ze zonder deze strategie meermerken van problemen met waterkwaliteit, -beschikbaarheid of -overlast.Het kabinet gaat kijken hoe de resolutie zich verhoudt tot de ambities vanNederland en hoe in overleg met andere lidstaten de doelen van deresolutie bereikt moeten worden. Wellicht kan lagere regeldruk engrensoverschrijdende samenwerking al voldoende bijdragen aan deambities. Waterweerbaarheid is een breed begrip en het zal beoordeeldmoeten worden welke aspecten in de resolutie verstevigd worden. Zoalsgezegd kijkt het kabinet eerst wat de resolutie in de praktijk betekent. Deambities van Nederland voor waterweerbaarheid zijn vooralsnog nietgewijzigd. De Europese Commissie en het Europees Parlement gaan overhun eigen agenda. Het kabinet zal u blijven informeren over relevanteontwikkelingen.Kaderrichtlijn WaterVraag 5De leden van de PRO-fractie hebben ook nog enkele specifieke vragenover de KRW. Allereerst de vraag of de Minister de conclusie deelt dat bijeen verlaging van het beschermingsniveau van de KRW de maatschappe-lijke kosten, zoals hogere drinkwaterzuiveringskosten, biodiversiteits-verlies en gezondheidsschade, uiteindelijk bij burgers en belastingbetalersterechtkomen. Deze leden constateren dat uit de call for evidence, uitsignalen vanuit het Europees Parlement en uit de standpunten van ondermeer Frankrijk, Zweden en Nederland zelf brede weerstand tegenherziening van de KRW blijkt. Welke noodzaak ziet het kabinet nog om aandit traject mee te werken? Deelt de Minister de mening dat een gebrek aanuitvoering en kwalitatief goede milieubeoordelingen van de KRW, niethetzelfde is als een probleem met de wetgeving zelf? Zo nee, waaromniet? En onderschrijft de Minister het belang van behoud van het«one-out, all-out»-principe, de resultaatsverplichting van de richtlijn, dedeadline van 2027 en het het «non-deterioration»-principe? Zo nee,waarom niet?AntwoordUiteindelijk komen alle maatschappelijke kosten direct of indirect bijburgers en belastingbetalers terecht. Het kabinet blijft altijd in gesprekmet de Commissie, want zonder gesprek geen invloed. En als er mogelijk-heden zijn om bij een herziening voor Nederland belangrijke punten in tebrengen zet het kabinet zich daarvoor in. Voor elke wet geldt dat hetbelangrijk is om de wet goed uit te voeren en pas als dat niet goed werktde wet aan te passen. Het kabinet onderschrijft de uitgangspunten van deKRW, waarbij dit kabinet het belangrijk vindt altijd goed te kijken naar demogelijkheden voor simplificatie en verbetering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10355 Vraag 6De leden van de PRO-fractie vragen voorts of de Minister dezelfde lijnhanteert bij de KRW als bij de Food & Feed Safety Omnibus, waarbij deKamer heeft aangegeven dat voorstellen die het beschermingsniveauverlagen niet zonder meer gesteund mogen worden. En kan de Ministertoezeggen dat Nederland niet instemt met een Commissievoorstel, zolangonvoldoende in kaart is gebracht wat de gevolgen zijn voor milieu-,natuur- en gezondheidsbescherming? Kan hij toezeggen dat de Kamervoorafgaand aan een definitief beslismoment over een KRW-herzieningwordt geïnformeerd en dat tot die tijd geen onomkeerbare stappenworden gezet? Zo nee, waarom niet? En kan hij tot slot op dit puntuitleggen waarom er een proces is opgestart om een wet open te brekenwaarvan de Europese Commissie zelf zegt dat die voldoende flexibel is,terwijl vrijwel niemand om die herziening vraagt, behalve een deel van demijnbouwsector?AntwoordHet kabinet steunt vereenvoudiging van regelgeving. Het voortouw bij deFood & Feed Safety Omnibus ligt bij de Minister van LVVN. Als dewaterkwaliteit in het geding is blijft voor het kabinet gelden dat Nederlandals benedenstrooms gelegen land geen baat heeft bij afzwakking van deambitie. Het kabinet beoordeelt ieder voorstel van de Commissie op zijnmerites. Daar wordt niet op vooruit gelopen. In de brief aan de Kamer van1 juni is reeds toegezegd dat u wordt geïnformeerd hierover.4 Bekend isalleen hetgeen officieel is gecommuniceerd in het ResourceEU actionplan, waarin de Commissie aangegeven heeft de KRW in Q2 van 2026 tewillen evalueren en herzien op basis van de input en ervaringen vanbelanghebbenden in de lidstaten. Hierbij is bijzondere aandacht voorvereenvoudiging en de noodzaak om potentiële knelpunten aan te pakken,teneinde circulariteit en toegang tot kritieke grondstoffen in de EU tebevorderen en tegelijkertijd het milieu en de menselijke gezondheid tebeschermen. Er is geen andere formele mededeling gedaan.ChemicaliënVraag 7De leden van de D66-fractie lezen over de beslissing van de EuropeseCommissie om de herziening van de wettekst van REACH niet door tezetten en in plaats daarvan uitsluitend wijzigingen via comitologie na testreven. Deze leden vragen hoe deze beslissing zich verhoudt tot hetaangekondigde PFAS-verbod. Wanneer wordt dit verbod uiterlijkverwacht? Deze leden vragen tevens of de Staatssecretaris dezeMilieuraad zal benutten om wederom snelheid te betogen voor hetEuropese PFAS-verbod. En hoe borgt de Staatssecretaris dat vereenvou-diging van REACH niet leidt tot een verlaging van het beschermings-niveau voor mens en milieu? Kan de Staatssecretaris concreet makenwelke verbeteringen zij nastreeft in het gesprek met de Commissie engelijkgestemde lidstaten, en welke minimumwaarborgen zij daarbijhanteert? Deze leden wijzen erop dat bescherming tegen gevaarlijkestoffen, waaronder PFAS en zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), juistversterking behoeft en dat vereenvoudiging in dit licht met grotezorgvuldigheid moet worden benaderd.4Kamerstukken II, 2025–2026, 27 625, nr. 740.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10356 AntwoordDe PFAS-restrictie wordt opgesteld op basis van de huidige REACHverordening. Het wel of niet herzien van deze verordening heeft geenenkele invloed op de voortgang van deze restrictie. De verwachting is datde Europese Commissie medio 2027 een voorstel zal publiceren terdiscussie en stemming, waarna er hopelijk eind 2027 overeenstemmingwordt bereikt. De restrictie zal vervolgens 18 maanden daarna van krachtworden. Zoals hiervoor gemeld, zijn we inmiddels dicht bij de besluitvor-mingsfase. Nederland zal ook in deze Milieuraad ervoor pleiten dat derestrictie zo snel mogelijk wordt vastgesteld. De inzet van het kabinet blijftgericht op verbetering, versnelling en vereenvoudiging van REACHwaarbij het niveau van bescherming van gezondheid en milieu minimaalwordt gehandhaafd en zo mogelijk verbetert. Het gaat daarbij omwijzigingen die zorgen voor een snellere en eenvoudigere uitvoering vanREACH en een versterking van het concurrentievermogen van dechemische industrie.Veel verbeteringen, waaronder ook ideeën uit het non-paper over deREACH herziening dat afgelopen jaar met de Kamer is gedeeld5, zijn ookte realiseren zonder een herziening van de wettekst van REACH. Denk aanhet actualiseren van informatievereisten om nieuwe eigenschappen beteraan te pakken (zoals hormoonontregelende stoffen en persistente stoffen)en het verbeteren van de beschikbaarheid van informatie over stoffen enmengsels voor de gehele toeleveringsketen.Geharmoniseerde digitale formats en verbetering van de (digitale)toegang tot informatie zorgen ervoor dat de werknemer beter wordtbeschermd en de kosten voor bedrijven verlagen. Daarnaast blijft hetbelangrijk dat er meer, betere en snellere testmethoden komen die, indienmogelijk, dierproefvrij zijn.Tevens is het van belang dat handhaving en toezicht wordt verbetert zodater een beter gelijk speelveld wordt gecreëerd voor Nederlandse enEuropese bedrijven en non-conforme producten van buiten de EuropeseUnie effectiever kunnen worden geweerd.Vraag 8De leden van de VVD-fractie constateren dat de Europese Commissieheeft aangegeven geen herziening van de REACH-verordening zelf voor testellen, maar uitsluitend te kijken naar aanpassingen van de bijlagen viacomitologie. Kan de Staatssecretaris aangeven welke verbeteringen dieNederland eerder heeft bepleit, hierdoor niet langer realiseerbaar lijken?Welke belangrijke knelpunten in de huidige uitvoering van REACH kunnenvolgens de Staatssecretaris uitsluitend worden opgelost door wijzigingenvan de verordening zelf? Daarnaast lezen deze leden dat de Staatssecre-taris mogelijkheden verkent om handhaving en toezicht op REACH teverbeteren, eventueel via andere wetgevingsinitiatieven. Kan zij nadertoelichten aan welke mogelijkheden hierbij wordt gedacht, in hetbijzonder ten aanzien van geïmporteerde producten van buiten deEuropese Unie? Deze leden vragen voorts hoe de Staatssecretaris zichervoor inzet dat vereenvoudiging van REACH daadwerkelijk leidt totminder administratieve lasten en snellere procedures voor bedrijven.AntwoordEen aantal van de verbeteringen die Nederland eerder heeft bepleit, zijnenkel te realiseren via een herziening van de wettekst. Twee voorbeelden5Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501–08, nr. 1011Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10357 zijn het toevoegen van de Kandidatenlijst met stoffen van zeer hoge zorg(substances of very high concern, SVHC) als nieuwe bijlage en hetvoorstel om altijd een Risk Management Option Analysis (RMOA) op testellen om het beste wetgevingsinstrument te kiezen. Deze wijzigingenvereisen een wijziging van de wettekst. Daarnaast is de uitbreiding van degenerieke risicobeheersaanpak naar andere categorieën van gevaarlijkestoffen, niet mogelijk via een wijziging van de bijlagen. Het gaat hierbijom de mogelijkheid versneld stoffen met bepaalde gevaareigenschappente verbieden in producten. Ook hervorming van de autorisatie- enrestrictieprocedures, een eerder geuite wens van de Europese Commissie,kan uitsluitend worden opgelost door wijzigingen van de verordening zelf.Dat betekent echter niet dat een verandering van de praktijk niet kanplaatsvinden, bijvoorbeeld door het strenger toezien op doorlooptijdenom de rechtszekerheid voor stakeholders te bevorderen en het verbeterenvan richtsnoeren voor betere informatie en toelichting aan bedrijven enstakeholders.Zoals ook beschreven in het non-paper over de REACH herziening, kanhandhaving en toezicht van REACH worden verbeterd door de samen-werking tussen handhavingsinstanties van de lidstaten te versterken.Strengere controles op geïmporteerde producten van buiten de EuropeseUnie is vereist om mens en milieu beter te beschermen en het speelveldgelijker te maken. De inzet van het kabinet ziet op een proportioneleaanpak die moet leiden tot een verbetering van de bescherming van mensen milieu en een vereenvoudiging van procedures en voorschriften.Vraag 9De leden van de PRO-fractie zijn teleurgesteld dat het ambitieniveau omde REACH-verordening te moderniseren en aan te scherpen zo laag wasdat het inmiddels is gedegradeerd tot een comitologieproces.Deze leden vragen om meer toelichting hoe hier desondanks democra-tisch gelegitimeerde participatie op mogelijk is. Wat is nu wél de inzet? Ofis het de bedoeling om vooral de chemische industrie te ontzien in plaatsvan mens en milieu?AntwoordDe democratisch tot stand gekomen tekst van REACH, vastgesteld doorEuropees Parlement en de Raad, heeft de Europese Commissie debevoegdheid toegekend om de bijlagen van REACH aan te passen aanvoortgang in de wetenschap. Via comitologie kunnen geen structurelewijzigingen aan teksten worden doorgevoerd. Daarmee is het geensluipweg om democratische participatie buiten de deur te houden.De Nederlandse inzet is aangegeven in de beantwoording op vragen 7 en8 en ziet op een bescherming van mens en milieu als ook een verbeteringvan de concurrentiepositie van de chemische industrie.Vraag 10De leden van de PRO-fractie vragen de Staatssecretaris om nationaal enEuropees in te zetten op een generiek productieverbod van PFAS. Omdatdit persistente stoffen zijn, is dat de enige optie. Deze leden erkennen dater handige toepassingen zijn, maar de mensheid heeft het millennia langzonder gedaan. De zeer beperkte toepassingen voor bijvoorbeeldlevensreddende geneesmiddelen waar nog geen alternatieven voor zijn,kunnen desnoods een tijdelijke uitzondering krijgen.Voor alle andere toepassingen zijn dezelfde alternatieven beschikbaar diewe hadden voor de uitvinding van PFAS. Dus wachten tot de chemischeindustrie een alternatief product gevonden heeft dat ze met evenveelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10358 winst kan verkopen, is onnodig voor een verbod. Bovendien verwachtendeze leden dat juist een verbod de industrie zal stimuleren om alterna-tieven te vinden. De aankondiging van de Commissie om vooral hetgebruik in consumentenproducten te beperken is wat deze leden betreftdan ook de verkeerde insteek. Deelt de Staatssecretaris dit uitgangspunt?Het is de PFAS-productie, niet de verwerking tot consumentenproducten,die moet worden verboden. Juist ook de toepassing in industrie enlandbouw moet worden aangepakt. Alleen een productieverbod voorkomtverdere ophoping in het milieu en dus blootstelling van mensen aan PFASvia water en voedsel.AntwoordHet kabinet deelt het uitgangspunt dat PFAS in het milieu zoveel mogelijkmoet worden beperkt. Het probleem van PFAS is dat als het in het milieuterechtkomt, het vrijwel niet meer weg te krijgen is. Bij voortgaandeemissies naar het milieu nemen risico’s op schade voor de gezondheidtoe. Het is daarom belangrijk dat die emissies naar het milieu zo vermogelijk worden teruggedrongen.In het oorspronkelijke restrictievoorstel is uitgegaan van een verbod opalle toepassingen – behalve de paar categorieën die zijn uitgezonderd(gewasbeschermingsmiddelen, biociden en (dier)geneesmiddelen) – metwel overgangstermijnen die opliepen naarmate het belang van detoepassing en de verwachting ten aanzien van het beschikbaar komen vanalternatieven. Het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA)heeft op basis van inbreng in de openbare raadpleging ook een alternatiefscenario bekeken, om voor bepaalde industriële toepassingen in plaatsvan een verbod, strenge eisen te stellen aan emissies tijdens productie,gebruik en in de afvalfase.Het uiteindelijke voorstel van de Europese Commissie zal wordenbeoordeeld op basis van de effectiviteit van de voorgenomen restrictiesom emissies van PFAS naar het milieu te reduceren.Vraag 11De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretariskan toezeggen dat zij tijdens het informele «REACH-up»-overleg dat zijgaat initiëren, ook het onderwerp PFAS in pesticiden zal bespreken, enuitvraagt of en, zo ja, hoe collega’s deze giftige stoffen in hun voedselnationaal gaan verminderen en uitbannen. En kan ze toezeggen dat ze zalverkennen of er interesse is om een Europese kopgroep te starten om inEuropa te gaan pleiten voor een Europees verbod op PFAS in pesticiden?Is de Staatssecretaris daarnaast bereid om tijdens het «REACHup»-overleg een (online of fysieke) afspraak te maken tussen de Staatsse-cretaris, de Minister van LVVN, en de Deense Ministers verantwoordelijkvoor milieu en pesticiden, om te leren van het Deense PFAS-verbod?Specifiek om te leren hoe lang het heeft geduurd om van idee totinvoering te gaan en of en, zo ja, welke positieve effecten al merkbaarzijn? Zo ja, kan de Staatssecretaris de lessen daarna met de TweedeKamer delen? Zo nee, waarom is de Staatssecretaris hiertoe niet bereid?Kan de Staatssecretaris na de Milieuraad een overzicht sturen van landendie nationaal aanvullende maatregelen treffen om PFAS in hun leefom-geving te verminderen en, zo ja, welke landen dit zijn en welke maatre-gelen zij overwegen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10359 AntwoordHet kabinet hanteert ten aanzien van biociden de lijn dat Nederland tegende toelating van PFAS bevattende werkzame stoffen zijn. Als in hetbetreffende EU-comité wordt gestemd, stemt Nederland standaard tegen.Deze lijn zal de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat delenmet de REACH-UP in collega’s in Luxemburg en hier steun voor vragen.Daarbij is het belangrijk te vermelden dat voor enkele plagen geenalternatief beschikbaar is. Zo is het enige middel tegen termieten eenmiddel op basis van PFAS. Termieten niet meer bestrijden zal leiden totschade aan bossen en woningen. Ten aanzien van gewasbeschermings-middelen heeft de daartoe verantwoordelijke Staatssecretaris van LVVNde Kamer op 19 januari 2026 schriftelijk geïnformeerd (Kamerstuk 27 858,nr. 739) dat, op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie uitDenemarken, 46 gewasbeschermingsmiddelen worden her beoordeeld.Het kabinet heeft vertrouwen in het Ctgb die deze herbeoordeling alsonafhankelijke beoordelingsautoriteit uitvoert. De Staatssecretaris vanInfrastructuur en Waterstaat zal in REACH-UP vragen welke strategieënandere landen erop na houden om het gebruik van deze middelen tebeperken en indien daar nuttige informatie uit volgt te delen met dekamer.Er zijn twee landen die nationale maatregelen hebben om het op de marktbrengen van producten te beperken. In Frankrijk geldt een verbod voorPFAS in skiwas, cosmetica en een deel van textiel (schoenen en kleding).In Denemarken geldt eveneens een verbod op PFAS in schoenen enkleding, maar alleen indien een bepaald gehalte aan PFAS wordtoverschreden. Door het hanteren van die gewichtsgrens is niet duidelijkhoeveel producten onder dit verbod vallen. De Europese regelgevinginzake organische voedselcontactmaterialen kent een procedure waarbijop nationaal niveau maatregelen mogelijk zijn tegen aanwezigheid vanstoffen. Denemarken maakt daar sinds 2020 gebruik van voor PFAS,Nederland heeft sinds 2022 de toelating van vier veelgebruiktePFAS-stoffen in dergelijke materialen ingetrokken.Vraag 12De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretarisinmiddels meer inzicht kan geven in het comitologieproces van REACH:wanneer gaat dit van start en welke onderwerpen zullen wordengewijzigd? Heeft de Staatssecretaris daarnaast al duidelijkheid wanneerde Europese PFAS-restrictie daadwerkelijk in zal gaan? Hoe schat deStaatssecretaris het krachtenveld in tussen de lidstaten bij de behandelingvan de PFAS-restrictie in het REACH-comité? Voorziet zij hierbij nogproblemen? Wat vindt de Staatssecretaris van de aankondiging van debetrokken Eurocommissarissen dat de restrictie voornamelijk betrekkingzal hebben op consumentenproducten, en hoe vat zij het begrip «essentialuse» in dit verband op?AntwoordDe Europese Commissie heeft nog geen planning bekendgemaakt enheeft ook niet aangegeven welke onderwerpen zullen worden gewijzigd.Hierop is dus nog geen zicht. Zoals ook aangegeven in de brief van5 februari jl.,6 zal het kabinet de Kamer op de hoogte houden over nieuweontwikkelingen. Zie de beantwoording van vraag 7 voor het tijdspad vande restrictie (naar verwachting medio 2027 een voorstel, waarna erhopelijk eind 2027 overeenstemming wordt bereikt). Veel lidstaten6Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4256Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103510 kampen met problemen door PFAS-vervuiling. Al in 2019 zijn Raadscon-clusie van deze strekking unaniem door de Milieuraad aangenomen7.Daarmee is de verwachting dat de bereidheid tot actie groot is. Gelijktijdigkunnen bepaalde nationale belangen ook een rol gaan spelen. Daarom ishet belangrijk dat het voorstel voor een restrictie een degelijke weten-schappelijke basis heeft. Nederland heeft daar zowel bij het indienen vanhet restrictievoorstel als bij het verwerken van inbreng daarop in deopenbare raadpleging, hard aan meegewerkt en gaat ook door met hetverlenen van wetenschappelijke ondersteuning van de Commissie. Hetdoel van de restrictie is niet om te komen tot een verbod maar om tezorgen dat de emissies van PFAS naar het milieu zo ver mogelijk wordengereduceerd. Daar zal het kabinet het Commissievoorstel straks opbeoordelen.De REACH-verordening vereist daarbij een onderbouwing van risico eneen weging daarvan met sociaaleconomische gevolgen. Op gronddaarvan wordt bepaald of een maatregel nodig en proportioneel is.Daarop zal het kabinet zijn positie bepalen.Vraag 13De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de Staatsse-cretaris wil inbrengen dat Nederland zich inzet om het aantal chemicaliënin drinkwater te verminderen. Kan de Staatssecretaris, naast verkenningenen onderzoeken, toelichten welke concrete maatregelen ze hier bedoelt?Kan de Staatssecretaris toezeggen dat zij zich tijdens de Milieuraaduitspreekt voor aansluiting bij de lidstaten die bezwaar maken tegenwijzigingen van REACH wanneer deze het huidige beschermingsniveauverminderen?AntwoordHet kabinet blijft inzetten op het voldoen aan de eisen van de KaderRichtlijn Water en het verbeteren van de kwaliteit van het grond- enoppervlakte water dat wordt gebruikt als bron voor drinkwater.Daarnaast investeren de drinkwaterbedrijven in geavanceerde zuiveringom schoon en veilig drinkwater te kunnen blijven leveren.Voor wat betreft het beschermen van het huidige beschermingsniveau; ziehet antwoord op vraag 7.Biodiversiteit, bedrijfsleven en concurrentievermogenVraag 14De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een ambitieuzeaanpak van biodiversiteitsverlies en de koppeling die in de agenda wordtgemaakt met economische en financiële risico’s. Deze leden zijn vanmening dat een systeem op basis van natuurkredieten kan bijdragen aanmarktgestuurd natuurherstel, zoals het Emissions Trading System (ETS),dat succesvol is geweest voor CO2-uitstoot. Kan de Minister van LVVNtoelichten wat de concrete bijdrage van Nederland zal zijn op dit punt?Wanneer wordt hier een concreet voorstel op verwacht?AntwoordHet kabinet onderzoekt momenteel op wat voor manier natuurkredietenbij kunnen dragen aan natuurherstel in de Nederlandse context. Eerstebevindingen tonen aan dat er in Nederland goede aanknopingspunten zijn7Raadsconclusies van juni 2019 https://www.consilium.Europa.eu/nl/press/press-releases/2019/06/26/council-conclusions-on-chemicals/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103511 voor de ontwikkeling van een natuurkredietenmarkt, maar ook dat er nogverschillende aandachtspunten geadresseerd moeten worden. Voordatbeoordeeld kan worden of natuurkredieten beleidsmatig een waardevolinstrument is hebben we onder andere meer inzicht nodig in factoren dievraag en aanbod bepalen, waarvoor de kredieten gebruikt mogen worden,en wat de meest geschikte methodiek voor Nederland zou zijn. Dit zullenwe ook verder onder de aandacht brengen via actieve deelname aan dedoor de Europese Commissie georganiseerde expertgroep over natuur-kredieten, bestaande uit verschillende stakeholders zoals kennisinstel-lingen, natuurorganisaties en vertegenwoordigers van sectoren enlidstaten.Het traject van bovengenoemde expertgroep loopt tot en met 2027. DeEuropese Commissie zal op basis van de resultaten van de discussies uitde expertgroep beoordelen of er een voorstel gedaan zal worden op ditonderwerp en wat voor vorm dat zal hebben.Vraag 15De leden van de VVD-fractie lezen over de ontwikkeling van natuurkre-dieten als mogelijk instrument om private investeringen in natuurherstelte stimuleren. Kan de Minister van LVVN nader uiteenzetten hoe wordtvoorkomen dat dergelijke systemen leiden tot extra administratieve lastenvoor ondernemers, grondeigenaren en financiële instellingen?AntwoordHet doel van een goed natuurkredietensysteem is om effectief en efficiëntnatuurherstel te realiseren via private investeringen. Het systeem moetdaarom een balans vinden tussen robuuste monitoring voor ecologischeintegriteit en werkbaarheid voor de uitvoerders en ontwikkelaars van dekredieten.Er zijn vele vormen denkbaar van een dergelijk systeem, van vrijwillig totverplicht en van kleinschalig tot grootschalig. Om een geschikte balans tevinden zullen verschillende stakeholders meegenomen worden bij decreatie van een dergelijk systeem.Vraag 16De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat een gedachte-wisseling over natuur, bedrijfsleven en concurrentievermogen op deagenda staat. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen. Is deMinister bereid om tijdens de vergadering te pleiten voor het verbeterenvan de instandhouding van bijen en bestuivers, ten behoeve van onzevoedselzekerheid? Beaamt de Minister met de leden van de Partij voor deDieren-fractie dat natuur veel meer waarde heeft dan enkel economischewaarde? Is de Minister het eens met deze leden dat natuur waarde heeft inzichzelf en daarom alleen al het waard is om te beschermen en teversterken? Is het kabinet zich ervan bewust dat er grenzen zijn aan onzeeconomische groei, zoals onder andere Paul Schenderling beschrijft in zijnboek «Er is leven na de groei?» Is het kabinet bereid om ook scenario’s tebespreken op Europees niveau waarbij schadelijke sectoren voor hetmilieu en de gezondheid economisch krimpen?AntwoordHet kabinet hecht belang aan het versterken van bestuiverpopulaties. Deinstandhouding van bijen en andere bestuivers maakt echter geenonderdeel uit van de gedachtewisseling over natuur, bedrijfsleven enconcurrentievermogen tijdens de Milieuraad van juni. In het kader van deimplementatie van de Natuurherstelverordening wordt via het Ontwerp-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103512 Natuurplan toegewerkt naar de opgenomen doelen voor bestuivers uit deNatuurherstelverordening, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan hetbelang van bestuiving als ecosysteemdienst aan de voedselzekerheid.Het kabinet onderschrijft dat de natuur verschillende waarden vertegen-woordigt, zoals omschreven in het Values Assessment van het Intergou-vernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten(IPBES). Naast economische of instrumentele waarde heeft zij ook waardein zichzelf (intrinsieke waarde) en is er waarde in de interactie tussenmens en natuur (relationele waarde). Deze verschillende typen waarden– en specifiek de intrinsieke waarde – zijn een belangrijke basis voor hetnatuurbeleid, welke primair gericht is op het beschermen en herstel vanbiodiversiteit, habitats en soorten. Tegelijkertijd kan de economische enmaatschappelijke waarde van natuur de relatie tussen natuur, eengezonde leefomgeving en de economie zichtbaar maken. Het explicietmaken van de economische waarde van natuur kan daarbij helpen omnatuurbelangen beter mee te laten wegen in besluitvorming en investe-ringsbeslissingen. Er zijn verschillende methoden en tools om de waardevan natuur (monetair) te waarden, voor zowel de publieke als privatesector. Het kabinet ondersteunt de doorontwikkeling en toepassinghiervan.Het kabinet is zich ervan bewust dat economische ontwikkeling plaatsmoet vinden binnen ecologische randvoorwaarden en dat het adresserenvan klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, vervuiling en het duurzaamgebruik van natuurlijke hulpbronnen nodig is voor het realiseren van eentoekomstbestendige en weerbare economie. Daarom zet het kabinet in opde transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie in 2050, in lijnmet nationale, Europese en internationale afspraken. Ook zet het kabinetin op natuurinclusief als kans en oplossing voor maatschappelijkeopgaven met betrekking tot fysieke, sociale en economische ontwikke-lingen.8 Echter, het kabinet acht economische groei van het bbp alsnoodzakelijk om de brede welvaart in Nederland te behouden en teversterken.9 Daarnaast spelen ook afwegingen in het kader van (Europese)strategische autonomie een belangrijke rol bij beleid in deze context.Hierbij erkent het kabinet dat noodzakelijke verduurzaming kan leiden tottransformatie van sectoren en neemt actief deel aan Europese discussieshierover.10Milieuschade, klimaatadaptatie en economische groeiVraag 17De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretarisin kaart kan brengen wat de kosten zijn voor de Europese samenlevingvan het repareren van milieuschade en het adapteren aan nieuweklimaatomstandigheden als we door blijven gaan met economische groei?Tot slot, is de Staatssecretaris bereid om ervoor te pleiten dat in deEuropese besluitvorming nadrukkelijk het perspectief van het mondialeZuiden mee wordt genomen, in het bijzonder wat betreft de gevolgen vangroei, zoals klimaatverandering, uitbuiting, uitputting, vervuiling ennatuur- en milieuschade?8Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 4819Kamerstukken II, 2025–2026, 34 298, nr. 4210Kamerstukken II, 2025–2026, 29 826, 32 813, nr. 307Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103513 AntwoordDe kosten van milieuschade kunnen steeds beter worden berekend. In2025 berekende het Planbureau voor de Leefomgeving dat de jaarlijksekosten van de schade die wordt veroorzaakt door de uitstoot vanmilieuverontreinigende stoffen aan mens en natuur in 2022 46 miljardeuro bedroegen. Dat is circa 4,6% van het bruto binnenlands product. OpEuropees niveau is vergelijkbare informatie bekend. Het EuropeesMilieuagentschap liet bijvoorbeeld in 2024 zien dat de kosten vanluchtvervuiling door de grootste industriële installaties van Europagemiddeld tussen 268 en 428 miljard euro per jaar zijn. Tegelijk meldt hetEEA dat de externe kosten door luchtvervuiling vanuit de industrie hetafgelopen decennium met bijna 35% zijn gedaald. Weersextremen enklimaat gerelateerde impact hebben de EU tussen 1980–2024 naarschatting 822 miljard euro aan economische schade berokkend, waarvanruim 208 miljard euro (ca. 25%) alleen al in de jaren 2021 tot en met 2024.De Environmental Implementation Review van 2025 berekende datvolledige implementatie van de EU-milieuwetgeving de Europesemaatschappij jaarlijks ongeveer 180 miljard euro zou kunnen besparenaan gezondheidskosten en directe kosten voor het milieu. Het kabinet zetzich daarom in om milieuschade verder te beperken en tegelijk te werkenaan economische groei met oog voor een gelijk speelveld en hetconcurrentievermogen, zowel op Europees als nationaal niveau. Eeninnovatieve economie en aandacht voor verbetering van de milieukwa-liteit moeten hand in hand gaan.De impact van Europees beleid op derde landen wordt standaard getoetstbij nieuwe Europese regelgeving. Hierbij vinden onder andere consul-taties met stakeholders van landen uit het mondiale zuiden plaats. Hetkabinet onderschrijft deze praktijk en ziet er op toe dat dit zorgvuldigwordt gedaan.MilieuomnibusVraag 18De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de EU-Milieuomnibusaan de Staatssecretaris wanneer de toegezegde nationale quickscan naarde Kamer wordt gestuurd en of deze tijdig beschikbaar is om serieusmeegenomen te worden in de Raadsonderhandelingen. Zij benadrukkendat de quickscan niet slechts een inventarisatie van administratieve lastenmag zijn, maar dat ook de effecten op milieu en volksgezondheidvolwaardig moeten worden beoordeeld. Kan de Staatssecretaris beves-tigen dat dit in de opdrachtverlening is geborgd? Deze leden zijn voortsbezorgd over de signalen dat een groep lidstaten de reikwijdte van deMilieuomnibus wil verbreden. Zij vragen de Staatssecretaris hoe zij zichverhoudt tot deze druk en of zij bereid is actief weerstand te bieden alsverbreding ten koste gaat van de bestaande milieubescherming.AntwoordHet streven is onverkort om de quickscan vlak na het zomerreces aan deKamer te doen toekomen. Het Cypriotisch voorzitterschap heeft reedsechter aangegeven het Brusselse onderhandelingstraject in een stroom-versnelling te brengen en is voornemens eind deze maand tot eenRaadspositie te komen. Verdere toelichting hierover en het Nederlandsestandpunt vindt u in de bijlage.Dit vraagt met betrekking tot de quickscan dat we kritisch nadenken overhoe en wanneer we de resultaten van de quickscan kunnen benutten in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103514 onderhandelingen. Bevestigd kan worden dat een evenwichtige beoor-deling van de effecten op milieu en volksgezondheid is geborgd in deopdrachtverlening van de quickscan. Het onderzoek richt zich specifiek opde drie kernthema’s, zoals ook door de Kamer gevraagd: milieu,gezondheid en het bedrijfsleven. Deze thema’s worden in relatie gebrachtmet de Richtlijn industriële emissies (RIE), de Batterijenverordening, deUitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV), de INSPIRE-richtlijnen de Verordening versnellen milieubeoordelingen (VVMB). Juist om tevoorkomen dat dit een eenzijdige exercitie in regeldrukverminderingwordt, brengt de quickscan de effecten op de gezondheid, het milieu enhet bedrijfsleven gezamenlijk in kaart. Mocht de formele Raadspositieinderdaad vastgesteld worden vóór de definitieve oplevering van hetrapport, dan zullen de resultaten uit de quickscan meegenomen worden inde onderhandelingen met het Europees Parlement.Ten aanzien van de reikwijdte van de Milieuomnibus ligt de nadruk in dehuidige onderhandelingen niet op een verbreding van de scope. Hetvoorzitterschap heeft waar mogelijk getracht om gerichte verwijzingen opte nemen naar sectorale wetgeving in de tekst van de Milieuomnibus. Hetvoorzitterschap heeft vastgesteld dat de Verordening versnellen milieube-oordelingen een hoge mate van complexiteit kent. Zoals eerder gecom-municeerd11 pleiten diverse lidstaten tijdens de besprekingen voor eenmeer overkoepelende en brede hervorming van vergunningsprocedures,omdat de huidige regelgeving volgens deze lidstaten te veel versnipperdis over een groot aantal verschillende wetgevende instrumenten. Hetkabinet blijft deze discussie over een meer horizontale verbreding metbetrekking tot vergunningverlening volgen. Gezien de snelheid vanbehandeling door het voorzitterschap lijkt het echter aannemelijker datdeze discussie niet meer binnen de Milieuomnibus zal worden gevoerd. Inalgemene zin staat het kabinet positief tegenover verdere versimpeling envereenvoudiging, waar behoud van bescherming van mens en milieuvoorop staat.Vraag 19De leden van de PRO-fractie hebben verder enkele vragen over deMilieuomnibus en de verdere afzwakking van het beschermingsniveau ende democratische controle. Gaat de Staatssecretaris zich inzetten dat hetproces en de uitkomst niet strijdig zijn met het verdrag van Aarhus? Dattransparantie en democratische controle gegarandeerd zijn? En wat gaatNederland doen, als blijkt dat het beschermingsniveau zoals gevreesddaalt, in plaats van stijgt? Wordt de uitkomst aan de Kamer voorgelegd?AntwoordHet waarborgen van internationale en grondwettelijke verplichtingenvormt een fundamenteel uitgangspunt in de Nederlandse onderhande-lingsinzet, zoals vastgelegd in het BNC-fiche. Het kabinet zal zich er danook onverkort voor inzetten dat zowel het proces als de uiteindelijkeuitkomst van de Milieuomnibus niet strijdig zijn met het Verdrag vanAarhus. Nederland heeft in Brussel reeds kritische vragen en aandachts-punten gesteld bij specifieke voorstellen, zoals de introductie van dezogeheten «grondentrechter»12 in de Verordening inzake het versnellenvan milieubeoordelingen. Hoewel de Europese Commissie naar11Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 436212Dit houdt in dit geval in dat lidstaten in een juridische procedure beroepsgronden mogenuitsluiten die niet al in de administratieve fase zijn ingebracht. In het Nederlandse bestuurs-recht kennen we alleen een gronden-/onderdelentrechter die inhoudt dat in hoger beroep geenberoepsgrond mag worden aangevoerd die niet al in de beroepsfase naar voren is gebracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103515 aanleiding van deze Nederlandse vragen inmiddels heeft aangegeven dathet voorstel in lijn is met het Verdrag van Aarhus, blijft het kabinet in delopende onderhandelingen scherp hierop toezien.Hoewel de behandeling in de Raad onder het Cypriotisch voorzitterschapin een stroomversnelling is geraakt, zoals is toegelicht in de bijlage,verloopt de wetgevingsprocedure via de reguliere Europese kanalen. Ditbetekent dat zowel de Raad van de EU als het Europees Parlement eenformele positie moeten innemen alvorens de triloogonderhandelingenvan start gaan. De democratische controle is hiermee op Europees niveauverankerd via het medebeslissingsrecht van het Europees Parlement. Opnationaal niveau blijft het kabinet de Kamer informeren, onder andere viade bijlage.De Europese Commissie heeft de voorstellen voor de Milieuomnibusgebaseerd op een brede publieke consultatie en diverse dialogen metwetenschappelijke en maatschappelijke stakeholders. De inzet van hetkabinet is er onverminderd op gericht te voorkomen dat vereenvoudi-gingen ten koste gaan van het beschermingsniveau.Middels de bijlage ontvangt u de meest recente stand van zaken metbetrekking tot voortgang van de onderhandelingen over de Milieuom-nibus en het Nederlandse standpunt. Zoals toegezegd ontvangt u vlak nahet zomerreces eerst de resultaten van de nationale quickscan. HetCypriotisch voorzitterschap heeft reeds echter aangegeven het Brusselseonderhandelingstraject in een stroomversnelling te brengen en isvoornemens eind deze maand tot een Raadspositie te komen. Hierdoorkan de besluitvorming zich snel voltrekken, met of zonder Nederlandsesteun.Vraag 20De leden van de CDA-fractie lezen in de brief over de onderhandelingeninzake de EU-Milieuomnibus en de geplande nationale quickscan dat erslechts een korte periode zit tussen de oplevering van deze quickscan eneen mogelijke afronding van de onderhandelingen in het najaar. Daarmeezou er nog wel voldoende tijd zijn om de uitkomsten van de quickscanmee te nemen. Deze leden vragen de Staatssecretaris waar zij dezeinschatting op baseert. Kan de Staatssecretaris concreet uiteenzetten hoehet verdere tijdpad eruitziet en op welke momenten de uitkomsten van dequickscan nog kunnen doorwerken in de Nederlandse inzet en deonderhandelingen? Deze leden vragen de Staatssecretaris om tebevestigen dat de Nederlandse inzet gericht zal zijn op vereenvoudigingvan regelgeving, zonder afbreuk te doen aan het niveau van milieube-scherming en de bestaande duurzaamheidsambities.AntwoordDe inschatting was gebaseerd op de eerdere Brusselse planning ensnelheid van onderhandeling dat de Raad pas in het najaar van 2026 eenpositie zou innemen. De actualiteit lijkt dit tijdpad echter te hebbeningehaald, zoals in de bijlage vermeld. Het Cypriotisch voorzitterschapstuurt er nu op aan om eind deze maand (juni 2026) al tot een Raads-mandaat te komen. Dit betekent dat de Raadspositie mogelijk zal wordenvastgesteld vóórdat de nationale quickscan gereed is, waardoor hetkabinet tijdens de komende Raadsbijeenkomst zal sturen op de priori-teiten uit het reeds vastgestelde BNC-fiche.De quickscan wordt zoals toegezegd vlak na het zomerreces aan de Kamergezonden. Omdat de stemming in het Europees Parlement in het najaarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103516 plaatsvindt en de triloogonderhandelingen over de definitieve wettekstenpas daarna starten. Het kabinet zal de concrete uitkomsten van dequickscan dan ook waar mogelijk benutten in de triloogfase.Zoals beschreven in het BNC-fiche verwelkomt het kabinet de milieuom-nibus. Het kabinet onderschrijft de noodzaak om wet- en regelgeving tevereenvoudigingen om zodoende zowel de concurrentiekracht tevergroten als de transitie naar een schone toekomstbestendige economiete versnellen. De voorgenomen vereenvoudigingen in Europese wet- enregelgeving mogen daarbij niet leiden tot extra schade aan gezondheid,natuur en milieu.Vraag 21De leden van de CDA-fractie constateren ten aanzien van de uitgebreideproducentenverantwoordelijkheid (UPV) dat dit instrument in de praktijkgoed functioneert. Deze leden vragen welke (compromis)voorstellenmomenteel op tafel liggen op dit punt. Hoe zet de Minister zich ervoor indat de UPV wordt behouden, versterkt en waar mogelijk uitgebreid naaraanvullende productgroepen?AntwoordHet Cypriotisch voorzitterschap heeft laten weten dat de voorstellen vooreen verordening en richtlijn om bepaalde regels voor gemachtigdevertegenwoordigers bij de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid(UPV) op te schorten en het aantal rapportageverplichtingen te vermin-deren tot maximaal éénmaal per jaar, negatief zijn beoordeeld door delidstaten. Dit is mede met het oog op de komende Circular Economy Act.Het voorzitterschap heeft de werkzaamheden aan deze voorstellendaarom gestaakt en dit inmiddels aan de lidstaten gecommuniceerd.Het kabinet deelt de constatering dat UPV in de praktijk goed functioneerten zet zich daarom in voor het verder versterken en harmoniseren van deUPV-verplichtingen op Europees niveau, zoals ook uiteengezet in deNederlandse inzet voor de Circular Economy Act.13 Nederland is hieractief over in gesprek met de Commissie en EU-lidstaten in aanloop naarhet voorstel, dat later dit jaar wordt verwacht.Vraag 22De leden van de CDA-fractie merken op dat goede inzameling enhergebruik van batterijen belangrijk is voor het toewerken naar eencirculaire economie. Deze leden vragen de Minister in dit kader of zijmogelijkheden ziet om op Europees niveau een heffing op nieuwe,niet-herbruikbare batterijen te agenderen. Kan zij daarbij aangeven inhoeverre een dergelijke maatregel volgens haar kan bijdragen aan hetstimuleren van hergebruik, reparatie en hoogwaardige inzameling vanbatterijen?AntwoordGezien de bestaande vereisten en doelstellingen uit deEU-Batterijenverordening, ziet het kabinet geen meerwaarde in hetagenderen van een nieuwe heffing. De Batterijenverordening (2023/1542)is op 17 augustus 2023 in werking getreden en is sinds 18 februari 2024van toepassing op alle batterijen die op de EU-markt, en daarmee ook opde Nederlandse markt, worden aangeboden. Dit betreft zowel oplaadbare13https://open.overheid.nl/documenten/7c656f9d-d43f-4533-8732-6d57a0f36b1c/fileTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103517 als niet-oplaadbare batterijen. In deze bestaande verordening staatcirculariteit centraal. De verordening bevat regels voor de gehelelevenscyclus en stimuleert hergebruik, reparatie en hoogwaardigeinzameling van batterijen door strenge eisen te stellen aan duurzaamheid,vervangbaarheid en verwijderbaarheid, inzameling en recycling. Deverordening is erop gericht dat batterijen in de toekomst een lageCO2-voetafdruk hebben, zo min mogelijk schadelijke stoffen gebruiken,minder grondstoffen nodig hebben uit landen buiten de EU en in hogemate binnen de EU worden ingezameld, hergebruikt en gerecycled.Vraag 23De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben eerder aangegevendat zij zich grote zorgen maken om de Milieuomnibus waarin milieuregelsworden afgezwakt. De onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrap-portage (Commissie mer) heeft op verzoek van de Tweede Kamer eenposition paper geschreven over de Milieuomnibus waarin ze concludeertdat de Milieuomnibus grote risico’s voor de bescherming van ons milieumet zich meebrengt. De Commissie mer beschrijft expliciet dat «beperktermilieuonderzoek bij «wijzigingen en uitbreidingen van bestaandeprojecten» leidt tot een lager milieubeschermingsniveau: voor het milieuin brede zin, maar specifiek ook voor Natura 2000-gebieden.» Ookbetwijfelt de Commissie mer sterk of de besluitvorming en het milieu-belang met de voorstellen gediend zijn, omdat juist wanneer je aan devoorkant knelpunten signaleert, je achteraf problemen voorkomt. Kan deStaatssecretaris op alle risico’s die de Commissie mer aanhaalt reflec-teren? En kan zij toelichten hoe zij gaat borgen dat deze risico’s geenwerkelijkheid worden? Kan de Staatssecretaris daarnaast toezeggen deresultaten van het onderzoek van de Commissie mer te delen met haarEuropese collega’s tijdens de volgende Milieuraad?AntwoordEr is toegezegd direct na de zomer te komen met een reactie op hetposition paper van de Commissie mer over de Milieuomnibus. Daarnaastwordt er ook nog gewerkt aan de quickscan van de Milieuomnibus.Hier kan niet op vooruit worden gelopen.Zoals vastgelegd in het BNC-fiche, acht het kabinet het van belang om inhet kader van versnellen te blijven benadrukken dat de kwaliteit van demilieubeoordeling gewaarborgd blijft. De voorgenomen vereenvoudi-gingen in Europese wet- en regelgeving mogen niet leiden tot extraschade aan gezondheid, natuur en milieu.14 Voor het kabinet is het eengezamenlijk doel om dat te borgen. De Kamer is op 29 mei jl. geïnfor-meerd over de Milieuomnibus onderhandelingen.15 Middels de bijlagetoegevoegd aan de beantwoording van dit Schriftelijk Overleg, vindt u demeest recente stand van zaken.De Milieuomnibus staat momenteel niet als discussiepunt geagendeerdvoor de komende Milieuraad. De Staatssecretaris van Infrastructuur enWaterstaat zal de resultaten van de Commissie mer echter waar mogelijkdelen met de Commissie en counterparts.14Motie-Kostic´, Kamerstuk 21501–08, nr. 1019.15Kamerbrief over stand van zaken onderhandelingen EU-Milieuomnibus en geplande nationalequickscan, 2026D26086Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103518 Vraag 24De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretariskan toezeggen dat zij niet vóór de Milieuomnibus stemt, als blijkt dat dezeinderdaad leidt tot een lager beschermingsniveau? Zo nee, hoe rijmt destaatsecretaris dit met het uitvoeren van de aangenomen motie-Kostic´(Kamerstuk 22 112, nr. 4328)? Is de Staatssecretaris van mening dat(onderdelen van) de Milieuomnibus in strijd is of zou kunnen zijn met hetVerdrag van Aarhus? Zo ja, op welke onderdelen?AntwoordMiddels de bijlage wordt u geïnformeerd over het Nederlandse standpuntinzake de Milieuomnibus. Het kabinet deelt de randvoorwaarde van deleden van de Partij voor de Dieren-fractie dat administratieve vereenvou-diging niet ten koste mag gaan van het beschermingsniveau van mens,gezondheid en milieu. Hoewel het kabinet de intentie van de Milieuom-nibus om de regeldruk te verminderen verwelkomt, stelt Nederland zich inde lopende onderhandelingen juist kritisch op bij onderdelen waar risico’sontstaan. In lijn met de aangenomen motie-Kostic´ zet het kabinet zich inBrussel actief in voor het behoud van een hoog milieubeschermings-niveau en dringt erop aan dat toekomstige vereenvoudigingsvoorstellenvergezeld gaan van een gedegen impact assessment. Het kabinet zal dezeinzet en de motie blijven uitvoeren tijdens de komende onderhandelingen.Zoals uiteengezet in het BNC-fiche is het kabinet kritisch op de introductievan een zogenaamde «grondentrechter»16, aangezien dit de rechtsbe-scherming beperkt en afwijkt van het Nederlandse systeem dat uitgaatvan een onderdelentrechter tussen de administratieve- en de rechterlijkefase. Voor het kabinet staat voorop dat de versnelling van rechtspraak nietten koste mag gaan van de rechtsbescherming en dat de grondwettelijkescheiding der machten gewaarborgd blijft. In lijn met dit BNC-fiche zal hetkabinet daarom in Brussel duidelijkheid blijven vragen aan de Commissieover hoe een dergelijke grondentrechter zich verhoudt tot de bepalingenover toegang tot de rechter uit het Verdrag van Aarhus.Vraag 25De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen ook waarom deStaatssecretaris ervoor heeft gekozen om in de nationale quickscan hetbedrijfsleven expliciet mee te nemen, gezien de zorgen voor afzwakkingduidelijk liggen bij bescherming van ons milieu, en juist niet bij debescherming van de kortetermijnwinsten van bedrijven. Ook vragen dezeleden of de Staatssecretaris kan toezeggen dat, net als bij de «food & feedsecurity»-omnibus, de Milieuomnibus aan de Kamer wordt voorgelegdvoorafgaand aan een definitief beslismoment, en dat zij voor die tijd geenonomkeerbare stappen neemt.AntwoordDe keuze om de effecten op het bedrijfsleven expliciet mee te nemen in denationale quickscan is rechtstreeks voortgevloeid uit het tweeminuten-debat Milieuraad van 17 maart jl. Tijdens dit debat is van de zijde van deVVD-fractie expliciet verzocht om, naast de effecten op het milieu, ook deconsequenties voor het bedrijfsleven mee te wegen. Dit is destijds16Dit houdt in dit geval in dat lidstaten in een juridische procedure beroepsgronden mogenuitsluiten die niet al in de administratieve fase zijn ingebracht. In het Nederlandse bestuurs-recht kennen we alleen een gronden-/onderdelentrechter die inhoudt dat in hoger beroep geenberoepsgrond mag worden aangevoerd die niet al in de beroepsfase naar voren is gebracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103519 toegezegd omdat wegen van de verschillende belangen noodzakelijk isom tot een verantwoord en volledig beeld van het pakket te komen.Middels de bijlage ontvangt u de meest recente stand van zaken en hetNederlandse standpunt met betrekking tot de Milieuomnibus. Het huidigeCypriotische voorzitterschap streeft naar een spoedig Raadsmandaat aanhet einde van deze maand, waardoor de besluitvorming zich snel kanvoltrekken, met of zonder Nederlandse steun.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 103520
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.