Kabinetsreactie op het adviesrapport STOER
Brontekst
Versie 53730bd722318b80 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 847Integrale visie op de woningmarktNr. 1383 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 oktober 20251. Inleiding In Nederland is de behoefte aan nieuwe, betaalbare woningen urgenterdan ooit. Starters hebben veel moeite met het vinden van een plek op dewoningmarkt, gezinnen kunnen hun woonwensen niet realiseren en voorkwetsbare groepen is passende huisvesting steeds moeilijker te vinden.Tegelijkertijd lopen woningbouwprojecten onnodige vertragingen op,stijgen de kosten en worden procedures steeds complexer.Ook de opeenstapeling van regelgeving leidt tot extra complexiteit.Hoewel elke regel een legitiem publiek belang dient, zorgt de veelheidervan voor een ondoorzichtig en moeilijk voorspelbaar proces. Voorinitiatiefnemers en overheden is daardoor vaak onduidelijk welke eisen enstappen nodig zijn om projecten te realiseren. Dit leidt tot vertragingen,hogere kosten en grote onzekerheid. Projecten worden aangepast,uitgesteld of zelfs afgeblazen – juist op het moment dat snelheid enbetaalbaarheid cruciaal zijn.Het is daarom essentieel om woningbouwopgaven een centralere plek tegeven in besluitvorming. Door regelgeving slimmer toe te passen en waarmogelijk te vereenvoudigen, wordt bijgedragen aan de realisatie van tenminste 100.000 woningen. Vanuit deze insteek is in 2024 het programmaSTOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving)gestart. Dit programma richt zich niet alleen op het opsporen enschrappen van onnodige of tegenstrijdige regels, maar ook op het beterbenutten van bestaande wettelijke ruimte en het versterken van samen-werking tussen overheden en marktpartijen. Deze aanpak sluit aan bij hetActieprogramma Minder Druk Met Regels zoals dat in de brief kst-32847-1383ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13831 5 september jl.1 over Ondernemingsklimaat door de Minister vanEconomische Zaken is geschetst.Een externe adviesgroep onder leiding van de heer Friso de Zeeuw heeftop 10 juli 2025 een eindrapport opgeleverd waarvan de strekking is, dat destapeling, versnippering en het gebrek aan een samenhangendetoepassing van regels tot vertraging, hogere kosten en onzekerheid leidt.Daarbij komt dat het belang van woningbouw en van de woningzoekendevaak minder expliciet wordt meegewogen in de bestuurlijke en juridischeafwegingen.Met deze brief informeer ik namens het kabinet uw Kamer over dekabinetsreactie op het eindrapport van de adviesgroep STOER. Dit is eenvoortzetting van mijn eerder aan uw Kamer toegezonden brief naaraanleiding van het eerste rapport2. Het kabinet onderschrijft de noodzaakvan een verandering in de wijze waarop regelgeving rond woningbouwwordt vormgegeven en toegepast. Het kabinet doet dit niet lichtzinnig.Bestaande regels en werkwijzen dienen vaak een doel. In praktijk draagtdit echter niet altijd bij aan het realiseren van de benodigde woningen.Gezien de woningnood maakt het kabinet op sommige thema’s daaromde keuze om het realiseren van woningbouw centraler te stellen.Het realiseren van ten minste 100.000 woningen per jaar is geen vrijblij-vende ambitie, maar een dringende maatschappelijke opdracht die omdaadkracht vraagt. Dit traject STOER is onderdeel van een brederebeweging om de woningbouw daadwerkelijk te versnellen. Hierbij isnauwe samenwerking met medeoverheden, marktpartijen, woningcorpo-raties en een goede afstemming met uw Kamer onmisbaar. Hoewel hetkabinet demissionair is, maken de ernst van het woningtekort en deaanhoudende woningnood het noodzakelijk om ook in deze demissionairefase door te pakken.Het kabinet gaat aan de slag met het merendeel van de adviezen uit hetadviesrapport. Voor adviezen die gericht zijn aan medeoverheden enbouwpartijen doet het kabinet nadrukkelijk de oproep om deze voort-varend op te pakken.1.1. Afwegingskader STOER De adviesgroep STOER hanteert een afwegingskader dat richting geeftaan voorstellen voor het verminderen van regeldruk en het versnellen vande woningbouw. Het doel is: meer woningen, sneller en tegen lagerekosten. Dit vraagt om het schrappen, aanpassen of juist toevoegen vanregels, instrumenten of handreikingen die bijdragen aan tijd- en kostenbe-sparing. De adviesgroep waarschuwt voor het stapelen van voorschriftenen ambities. Wat afzonderlijk beperkt lijkt, leidt in samenhang vaak totvertraging en hogere kosten. Bij elke voorgestelde wijziging van regel-geving is zorgvuldig gekeken naar de balans tussen woningbouw enandere maatschappelijke belangen. Woningbouw krijgt daarbij eencentrale, maar geen absolute prioriteit. Gezondheid, veiligheid enleefomgevingskwaliteit blijven randvoorwaarden.Voor locatie- en ontwerpkeuzes blijft de decentrale autonomie vangemeenten, provincies en waterschappen leidend, tenzij lokale regelswoningbouw onevenredig belemmeren. Europese kaders zijn richting-gevend; extra nationale regels («koppen») wil STOER vermijden. Devoorstellen sluiten aan bij bestaande bestuurlijke en juridische structuren1Kamerstukken II 2024/25, 32 637, nr. 706.2Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1352.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13832 en richten zich op eenvoud en kostenbeheersing. Waar mogelijk wordtingezet op standaardisering, industrialisatie en digitalisering. De daarmeebehaalde tijd- en kostenwinst moet ten goede komen aan betaalbarewoningbouw, zoals beoogd in het wetsvoorstel Versterking regievolkshuisvesting.Het kabinet onderschrijft de hoofdlijnen van dit afwegingskader en ziet hetals waardevolle leidraad voor beleid en besluitvorming rond woning-bouwversnelling en -betaalbaarheid.1.2. Agenda kabinet bij de uitvoering adviezen STOER In onderstaand overzicht zijn de acties waarmee het kabinet de komendetijd aan de slag gaat opgenomen:Snellere woningbouw•Besluitvorming bezwaarschriften binnen de wettelijke termijn.•Versnelling beroepsprocedures bij de bestuursrechter (opgenomen inde Wet versterking regie op de volkshuisvesting) en voorrang voorwoningbouwzaken.•Vergroten van de uitvoeringskracht van medeoverheden.•Inzet van AI bij standaard bezwaar- en beroepszaken.Meer woningbouw•Ontwikkelen en toetsen van een alternatieve methode voor cumulatievan geluid.•Aanpassen geluidsproductieplafonds bij spoorwegen.•Gebruik van een landelijk netwerk van soortenmanagementplannen(SMP’s) stimuleren.•Convenant tussen waterschappen en gemeenten over water enbodem, inclusief landelijke norm tegen wateroverlast bij extremeregenval.•Gebruik van bodemkwaliteitskaarten en stimuleren van hergebruik vangrond en bagger.•Het kabinet gaat praktische handvatten bieden voor gebiedsontwikke-ling nabij spuitzones.•Verbeteren besluitvorming archeologie, stimuleren van het maken engebruiken van archeologische verwachtings- en beleidskaarten doorgemeenten.•Europese inzet voor versoepeling van natuurcompensatie en flora-faunaprocedures.•Ondersteuning van decentrale overheden bij maatwerk bodemsane-ring.•Digitalisering en standaardisering van gegevensuitwisseling (DSO,DSGO, DSFL).•Uitvoering van het Actieprogramma Beschikbaarheid Drinkwaterbron-nen samen met drinkwaterbedrijven en provincies.Goedkopere woningbouw•Aanpassing van technische eisen in het Besluit bouwwerken leefomge-ving (trappen, plafondhoogte, geluid tussen ruimten, terugdraaien vande daglichtnorm en beperking van de checklistplicht).•Vanaf 17 november 2025 het inzicht in NEN-normen gratis digitaalbeschikbaar maken.•Fabrieksmatige woningen met erkende kwaliteitsverklaring vrijstellenvan vergunning- of meldingsplicht.•Verruiming van de bouwmogelijkheden langs spoor door verlagingvan geluidplafonds.•Opschorting besluit over verlaging standaardwaarde geluid doorspoorwegen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13833 2. Inhoudelijke reactie op advies STOER Het adviesrapport van de adviesgroep STOER richt zich op het vermin-deren van regeldruk en het versnellen van de woningbouw, en bestrijktalle fasen van het bouwproces – van de planvorming tot en met bezwaaren beroep. Het kabinet geeft in dit hoofdstuk per thema een inhoudelijkereactie op de aanbevelingen uit het rapport. Per onderdeel wordt eerstkort de kern van het advies weergegeven (cursief), gevolgd door dekabinetsreactie.2.1. Technische kwaliteit woningen (hoofdstuk 3 adviesrapport) De adviesgroep stelt voor om diverse bouwtechnische eisen in het Besluitbouwwerken leefomgeving (verder: Bbl) te versoepelen om woningbouwgoedkoper, efficiënter en duurzamer te maken. De voorgestelde versoepe-lingen vereisen een zorgvuldige afweging van kwaliteit versus kostenre-ductie. Volgens de adviesgroep is dit mogelijk zonder in te boeten opveiligheid of gezondheid, mits slim ontworpen en uitgevoerd.In de eerste reactie op het STOER advies ben ik ingegaan op de meestevoorstellen van de adviesgroep over de technische kwaliteit vanwoningen.3 Het eindrapport van de adviesgroep is op deze voorstellenongewijzigd. De kabinetsreactie op dit hoofdstuk is beperkt tot een kortestand van zaken.De voorgestelde4 aanpassingen van het Bbl (trappen, plafondhoogte engeluid tussen ruimten binnen een woning) worden dit najaar teradvisering aan het Overlegplatform Bouwregelgeving voorgelegd. In dezewijziging wordt ook de voorgenomen aanwijzing van de nieuwedaglichtnorm teruggedraaid. Verder is in overleg tussen VRO, SZW en deArbeidsinspectie afgesproken om de plicht tot het toepassen en aanle-veren van de checklist veilig gebouwonderhoud bij de aanvraag om eenomgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te beperken tot diegevallen waarbij mogelijk aanvullende (bouwkundige) maatregelen nodigzijn. Bij woningen en woongebouwen die niet hoger zijn dan 13,5 meter isdat niet het geval en deze zullen dan ook van de plicht worden uitge-zonderd. Deze wijzigingen van het Bbl worden in het voorjaar van 2026aan uw Kamer ter voorhang aangeboden. Ook ben ik voornemens om,mede op advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), vanaf17 november 2025 de inzage in de in het Bbl aangewezen NEN-normengratis digitaal beschikbaar te maken.De door de adviesgroep STOER voorgestelde aanpassing van dezogenoemde 55%-eis in relatie tot de regels voor daglicht en ventilatiewordt op dit moment nader onderzocht. Hetzelfde geldt voor hetvoorstellen van de adviesgroep STOER over spuien vianiet-geluidgevoelige gevels en geluidwering bij tijdelijke bouw, waarbijhet kostenaspect, naast het gezondheidsbelang, een belangrijkaandachtspunt is. Mocht het onderzoek leiden tot een voorstel vooraanpassing in de regelgeving dan zal dit in de tweede helft 2026 wordenmeegenomen in een wijziging van het Bbl.In navolging van het advies over typegoedkeuring en Woontopafspraak 15ga ik (fabrieksmatige) woningen die voorzien zijn van een erkendekwaliteitsverklaring voor zowel de productie en de assemblage op debouwplaats vrijstellen van de vergunning- of meldingsplicht voor detechnische bouwactiviteit. Met een erkende kwaliteitsverklaring is immers3Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1352.4Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1352.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13834 al aangetoond dat aan de bouwtechnische regels van het Bbl is voldaanen kan worden volstaan met het informeren van het bevoegd gezag overde start en beëindiging van de bouwwerkzaamheden. Ik zal dit nog ditjaar, in samenwerking met de VNG en andere betrokken partijen, verderuitwerken.Tot slot wil ik aandacht vragen voor de constatering van de adviesgroepdat er, met name in het kader van energiezuinigheid, te weinig gebruikgemaakt wordt van gelijkwaardigheid. Het uitgangspunt dat ook op eenandere manier dan via de aangewezen norm, in dit geval de NTA 8800,kan worden aangetoond dat een gebouw aan de regels voldoet is op alleonderdelen van de bouwregelgeving toepasbaar. Dit maakt het mogelijkom installatiearme concepten toe te passen, wat aanzienlijk kan schelen inkosten, onderhoud en uitvoeringscomplexiteit, zolang maar sprake is vaneen «bijna energieneutraal» gebouw. De komende tijd zal ik met eenaantal aanbieders van dat soort concepten in gesprek gaan omgezamenlijk te bezien hoe de gelijkwaardigheid beter kan wordenaangetoond. Ik roep ook adviseurs en opdrachtgevers op om hiermee aande slag te gaan en maximaal gebruik te maken van de ruimte die deregelgeving biedt.2.2. Landelijke normering omgevingskwaliteit (hoofdstuk 4adviesrapport) 2.2.1. Geluidproductieplafonds hoofdspoorwegen De adviesgroep stelt voor om snel over te gaan tot verlaging van degeluidproductieplafonds voor spoorwegen om zo meer en goedkoperwoningbouw nabij spoorwegen mogelijk te maken. Met dit voorstelborduurt de adviesgroep voort op de eerdere bestuurlijke afspraak tussende Staatssecretaris van IenW en de VNG uit december 2023 om de vrijegeluidruimte bij het spoor transparant te maken en waar mogelijk locatiespecifiek beschikbaar te stellen voor woningbouw.De verlaging van de geluidproductieplafonds leidt tot een kostenreductievoor woningbouw op de betreffende locaties, doordat in veel gevallenmet minder geluidwering volstaan kan worden dan voor de verlaging enook minder vaak speciale geluidwerende gevelconstructies metbouwkundige maatregelen nodig zullen zijn (voorheen «dove gevels»genoemd). In de uitvoering van deze bestuurlijke afspraak is inmiddelsgoede voortgang geboekt, waarbij met betrokken partijen een evenwichtis gevonden tussen vervoersbelangen en woningbouwbelangen. DeStaatssecretaris van IenW zal naar verwachting nog dit jaar een definitiefbesluit tot grootschalige verlaging van de geluidproductieplafondskunnen nemen. Onderdeel van die procedure is de publicatie van hetontwerpbesluit, waarover zienswijzen kunnen worden ingediend. Voor deperiode tot aan het besluit heeft het Ministerie van IenW aan de VNGinformatie en handvatten voor gemeenten aangereikt hoe omgegaan kanworden met, en hoe mogelijk geanticipeerd kan worden op de definitieveverlaging van de geluidproductieplafonds.Naast snel overgaan tot verlaging van de geluidproductieplafondsadviseert de adviesgroep ook om af te zien van het voornemen om destandaardwaarde voor het geluid door spoorwegen op de gevel vangeluidgevoelige gebouwen te verlagen van 55 naar 52 dB Lden. Ditvoornemen, dat is vastgelegd in eerdere kamerbrieven5 vindt zijn5Zie de Kamerbrief van 5 juni 2020, Kamerstukken II 2019/20, 29 383, nr. 343 en met name bijlage937867 bij die brief, en de Kamerbrief van 21 maart 2023, Kamerstukken II 2022/23, 29 383nr. 404.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13835 oorsprong in de WHO-richtlijnen6, waarin onder andere werd aanbevolenom de bescherming tegen slaapverstoring door nachtelijk geluid vanspoorwegen te verbeteren.Een mogelijke verlaging van 55 dB naar 52 dB kan voor extra onzekerheidzorgen voor de woningbouwopgave. Daarom zal het kabinet hier niet overbesluiten.2.2.2 Cumulatie vliegtuiglawaai De adviesgroep heeft voorgesteld luchtvaartgeluid uit te zonderen in deregelgeving over cumulatie van geluid en daarnaast in die regelgeving tevoorzien in een limitatieve in plaats van indicatieve opsomming vanbronnen die bij cumulatie betrokken moeten worden. Onderdeel van hetvoorstel is ook om in deze limitatieve opsomming wel andere activiteitenmet een geluidniveau boven de standaardwaarden uit artikel 5.65 van hetBesluit kwaliteit leefomgeving op te nemen. Verder wordt voorgesteld omgemeenten te steunen bij de inzet van innovatieve methoden omgeluidadaptief te bouwen.In februari 2024 heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenW met deVNG, het IPO, de Bestuurlijke Regie Schiphol (BRS) en de Minister voorVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bestuurlijk afgesproken omgezamenlijk stevig in te zetten op onderzoek naar een alternatievemethode om de samenloop van geluid van meerdere bronnen te bepalenen de aanvaardbaarheid daarvan (kwalitatief) te beoordelen. Dat trajectloopt nu goed en alle inzet is gericht op een methode die recht doet aande hinder van verschillende geluidbronnen en tegelijk in de uitvoerings-praktijk beter toepasbaar is. Onderdeel van dit proces is een «botsproef»om een goed beeld te krijgen van de werking en van de voor- en nadelenvan mogelijke alternatieven in de uitvoeringspraktijk. Dit sluit eveneensaan bij één van de voorstellen van de adviesgroep om ook op de langeretermijn de regeldruk te beheersen (advies 12.3). Deze «botsproef» is op14 oktober gepland en daarin wordt het voorstel van de adviesgroepworden betrokken. Waar relevant wordt een relatie gelegd met anderelopende trajecten, zoals de Woondeals, de NOVEX Schipholregio en deWoontop. Onderdeel van deze trajecten is ook het stimuleren vangeluidadaptief bouwen in de Schipholregio. Het kabinet ziet het als eengezamenlijk belang om het lopende proces daadkrachtig voort te zetten enop basis van de «botsproef» zo spoedig mogelijk een gedragen besluit tenemen.De Staatssecretaris van IenW zal in overleg met alle betrokken partijennog dit jaar een besluit nemen over een mogelijke alternatieve methodevoor cumulatie, waarna deze keuze in de regelgeving wordt geïmplemen-teerd.2.2.3 Basisnet gevaarlijke stoffen/omgevingsveiligheid Het advies van de adviesgroep op het gebied van omgevingsveiligheidfocust op drie punten: 1) het schrappen van de verplichting om binneneen aandachtsgebied een voorschriftengebied aan te wijzen voor zeerkwetsbare gebouwen, in gevallen waarin risico’s verwaarloosbaar kleinzijn, 2) het gelijk stellen van zeer kwetsbare gebouwen aan kwetsbaregebouwen, waarmee af wordt gezien van de verplichte voorschriften voorzeer kwetsbare gebouwen, en 3) het inzichtelijker maken van hettoepassen van gelijkwaardigheid in het Bbl.6Zie de WHO-publicatie «Environmental noise guidelines for the European Region» en deKamerbrief hierover van 19 december 2018, Kamerstukken II 2018/19, 29 383, nr. 311.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13836 Onlangs hebben het Rijk en decentrale overheden afspraken gemaakt overeen bestuurlijk overleg over het basisnet dat nog dit jaar tussen dezepartijen plaats zal vinden. In dat bestuurlijk overleg zullen de maatschap-pelijke en economische noodzaak van het vervoer van gevaarlijke stoffen,de veiligheid van de leefomgeving en de effecten en de consequentiesvan Basisnet op de urgente verstedelijkingsopgave in samenhang wordenbeschouwd.In lijn met het voorstel van de adviesgroep om «de verplichte voorschrif-tengebieden [te] schrappen voor Basisnetroutes waar de risico’s lagerzijn» gaat het kabinet in gesprek met decentrale overheden over deprecieze invulling hiervan. Dit wordt gedaan via het ontwikkelen van eenzogeheten «kernnet spoor». Daarbij zullen omleidingsroutes uit hetBasisnet spoor komen te vervallen, zodat voor die routes zonder struc-tureel vervoer geen aandachtsgebieden meer van toepassing zijn. De inzetvan het kabinet is om in 2026 tot besluitvorming te komen binnen debestuurlijke gesprekken over het Basisnet.Het kabinet gaat ook in lijn met het advies aan de slag om handreikingenen standaarden te ontwikkelen om toepassingsmogelijkheden voor hettreffen van gelijkwaardige maatregelen inzichtelijk te maken. Zo wordtmomenteel al de laatste hand gelegd aan een handreiking gelijkwaar-digheid in voorschriftengebieden. Ook zijn er al bestaande praktijkvoor-beelden en andere handreikingen te vinden op de Maatregelenwiki, die inopdracht van het Ministerie van IenW door het RIVM gemaakt is.Het kabinet voelt ook de urgentie om het omgevingsveiligheidsbeleid openkele punten door te ontwikkelen en neemt actief maatregelen omruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen te vergroten. Zo vervallende rechtstreeks geldende aanvullende bouweisen bij nieuwbouw in devoormalige plasbrandaandachtsgebieden langs enkele Basisnet-routes.Ook werkt het kabinet aan het voorwaardelijk aanwijzen van eenvoorschriftengebied in het omgevingsplan, waardoor een locatie pas diestatus krijgt als daar daadwerkelijk een zeer kwetsbaar gebouw wordtgebouwd.Het kabinet beziet samen met VNG en IPO hoe om te gaan met het adviesom de categorie zeer kwetsbare gebouwen gelijk te stellen met decategorie kwetsbare gebouwen. Het uitgangspunt van het Rijk hierbij isdat het schrappen van de categorie zeer kwetsbare gebouwen debescherming van niet-zelfredzame personen tegen incidenten metgevaarlijke stoffen wegnemen, wat onwenselijke gevolgen heeft voor hetbredere omgevingsveiligheidsbeleid. Daarnaast vallen woningen nietonder de categorie «zeer kwetsbaar gebouw» en de bouw hiervan binnenaandachtsgebieden is al toegestaan zonder aanvullende bouwmaatre-gelen, mits vooraf een bestuurlijke veiligheidsafweging wordt gemaakt.Aandachtsgebieden dienen juist om het gesprek te faciliteren overruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot vervoer van gevaarlijke stoffen.2.2.4. Bodemonderzoek en sanering De adviesgroep pleit voor het onder voorwaarden versoepelen vanbodemsanering, het ruimte geven aan gemeenten voor specifiek beleid envoor het stimuleren van het gebruik van licht verontreinigde grond. Testrakke regels kunnen volgens de adviesgroep leiden tot vertragingen,hogere kosten en zelfs het stilvallen van bouwprojecten.Bodemonderzoek en -sanering zijn nodig om een veilige en schoneomgeving voor burgers te garanderen. Met de Omgevingswet zijnaanwijzingen en bevoegdheden aan decentrale overheden gegeven voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13837 het definiëren van een schone omgeving voor bijvoorbeeld woningbouw.De bodemregelgeving geeft verschillende mogelijkheden voor regionaalmaatwerk. Het kabinet herkent de wens om projecten te versnellen doorde complexiteit van bodemonderzoek en -sanering te verminderen. Deadviezen worden nauw betrokken bij het lopende project «Herijkingbodemregelgeving», waar de bodemregelgeving tegen het licht wordtgehouden en aangepast wordt naar de eisen van de tijd. Ook signalenover onduidelijkheden omtrent Aanvullingswet bodem Omgevingswet enhet overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb) worden daarbijbetrokken. Dit vindt plaats in overleg met betrokken stakeholders en metde koepels binnen de samenwerkingsagenda bodem en ondergrond. Zomaakt bijvoorbeeld het stimuleren van hergebruik van grond en baggeronderdeel uit van dit traject.BodemsaneringIn lijn met het advies gaat de Minister van IenW in het kader van desamenwerkingsagenda bodem en ondergrond samen met de koepelsverkennen hoe decentrale overheden ondersteund kunnen worden om opbasis van de lokale specifieke situatie andere grenswaarden te hanterenbij saneringen (indien geen risico’s voor de mens optreden). Dit kan hetmakkelijker maken om op specifieke locaties woningen te ontwikkelenzoals in binnensteden met veel historische verontreiniging. De wet kent alde mogelijkheid om eisen voor bodemsanering voor woningbouw in diesituaties te versoepelen. Het in zijn algemeenheid beperken van hetovergangsrecht is niet wenselijk; het biedt namelijk de mogelijkheid omde aanpak van verontreinigingen onder de Wbb ordentelijk af te ronden.De adviesgroep stelt dat er veel verschil van interpretatie is over deAanvullingswet Bodem en het overgangsrecht Wet bodembescherming(Wbb). Het kabinet acht onduidelijkheid hierover onwenselijk. Daaromheeft het kabinet reeds voorzien in uitleg op de website van IPLO en ineen toelichtende brief naar bevoegde overheden.Bestaande subsidies zoals de Woningbouwimpuls kunnen worden benutals financiële ondersteuning voor bodemsanering ten behoeve vanwoningbouw. De adviesgroep stelt voor om deze subsidiemogelijkhedenuit te breiden, bijvoorbeeld door de Woningbouwimpuls ook voor kleinereprojecten mogelijk te maken. Met de aanstaande realisatiestimulanskunnen ook kleinere projecten financiële ondersteuning vanuit het Rijkbenutten voor bodemsanering. Het advies om de Woningbouwimpuls ookbeschikbaar te stellen voor kleinere projecten (onder 200 woningen) wordtniet overgenomen, omdat deze subsidie juist is gericht op grotereprojecten. Verlaging van de grens van 200 heeft negatieve gevolgen voorde doelmatigheid en effectiviteit van de Woningbouwimpuls.Het advies om voor licht verontreinigde grond terug te gaan naar devoorlaatste versie CROW4007 neemt het kabinet niet over Het kabinet gaatdaar niet over, omdat CROW 400 is opgesteld door een breed samenge-stelde groep partijen vanuit opdrachtgevers, de markt en de overheid.Bovendien zou de voorgestelde wijziging niet leiden tot minder regels. Dewettelijke verplichting blijft bestaan om waar nodig maatregelen te nemenom een te hoge blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen tevoorkomen. Die maatregelen kunnen ook nodig zijn bij het werken metlicht verontreinigde grond.7CROW-publicatie 400 «Werken in en met verontreinigde bodem».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13838 Toepassen en hergebruikHet kabinet deelt het standpunt van de adviesgroep dat het gebruik vanbodemkwaliteitskaarten in plaats van individuele bodemonderzoeken hetontwikkelproces kan versnellen. Gemeenten hebben de mogelijkheid eenbodemkwaliteitskaart voor hun beheergebied op te stellen. Vrijwel allegemeenten hebben die ook al. Het Ministerie van IenW gaat met de VNGin gesprek hoe dit advies in de praktijk gebracht kan worden.Hergebruik van grond en bagger op gebiedsniveau wordt gestimuleerddoor het Rijk, omdat er dan minder materiaal aangevoerd hoeft teworden. Hoogwaardig hergebruik van grond komt ten goede aan diversemaatschappelijke opgaven, zoals de woningbouw. Bodemkwaliteits-klassen zijn gebaseerd op risico’s, onder andere op het gebied vangezondheid, voor het specifieke gebruik van de locatie.De adviesgroep stelt voor om de klassen «wonen» en «industrie» samente voegen. Het kabinet neemt dit advies niet over. De bepaling van debodemkwaliteitsklassen is gebaseerd op risico’s, onder andere op hetgebied van gezondheid. Bij de functies wonen en industrie past eenandere kwaliteit. Samenvoegen van de twee kwaliteitsklassen kanondermijnend werken voor het maatschappelijk draagvlak voor hethergebruik van grond, omdat dan niet gegarandeerd kan worden dat ergeen risico’s voor mens en milieu optreden. Daarnaast zorgt samen-voegen van deze twee kwaliteitsklassen tot het verder diffuus verontrei-nigen van de klasse wonen door samenvoegen met klasse industrie.Verminderd draagvlak voor afzet van grond kan voor extra kosten envertraging bij woningbouw zorgen. Als de grond niet meer wordtgeaccepteerd, moet deze worden afgevoerd naar elders of een stortplaats.PFASPFAS behoren tot de categorie zeer zorgwekkende stoffen en daarom iszorgvuldigheid geboden. Op dit moment zijn er geen normen voor PFAS(Per- en polyfluoralkylstoffen) vastgelegd in wet- en regelgeving8 en geldtvoor het toepassen van grond en baggerspecie de zorgplicht. HetHandelingskader PFAS bevat advies voor invulling van die zorgplicht engeeft daarmee handvatten aan de uitvoeringspraktijk. Met een goedeonderbouwing kan afgeweken worden van dit advies. Dit is altijd terbeoordeling aan het bevoegd gezag; gemeente of provincie.Voor de afzet van grond is het noodzakelijk dat er duidelijkheid is overmogelijke verontreiniging. PFAS komt op zeer veel locaties voor. WanneerPFAS-houdende grond zonder dat te weten elders wordt hergebruikt kandat leiden tot zeer hoge herstelkosten. Overigens kan voor veelgemeenten gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart vooronverdachte locaties. Het advies om PFAS-analyses bij depotkeuringen teschrappen wordt daarom niet overgenomen.2.2.5. Milieueffectrapportage (MER) De adviesgroep doet een aantal voorstellen gericht op het zo pragmatischmogelijk inrichten van de mer. Zo roept de adviesgroep op bij demer-plicht expliciet te toetsen op wat wettelijk verplicht is en te kiezenvoor een pragmatische vorm van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau(NRD) en de project-mer, of de NRD zo nodig over te slaan. Daarnaastadviseert de adviesgroep om niet alle alternatieven in het onderzoek van8Kamerstukken II 2023/24, 30 015, nr. 120.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 13839 het MER mee te laten lopen tot de eindfase en de afweging van dealternatieven.Notitie Reikwijdte en DetailniveauHet kabinet erkent dat een goede afbakening overbodig onderzoek kanvoorkomen en tot tijdswinst kan leiden en onderschrijft dit advies.Aansluiting bij de wetgeving is voor het kabinet het uitgangspunt. Hetkabinet is echter geen voorstander van het overslaan van de NRD wantdeze NRD-fase is juist geschikt om alternatieven vroegtijdig te latenafvallen (conform het advies). Dat is de plek om die keuze te motiveren.Dit juist ter voorkoming van onnodig onderzoek en bezwaren achteraf datbepaalde alternatieven ten onrechte niet zouden zijn meegenomen.Ter ondersteuning van de adviezen op dit terrein biedt de website van hetInformatiepunt Leefomgeving (IPLO) aan de praktijk al veel relevanteinformatie. Aanvullend zal in bestaand overleg worden besproken ofvanuit de praktijk aanvullende ondersteuning gewenst is.Woningbouwprojecten en milieueffectrapportageDe adviesgroep stelt voor de woningbouwopgave al op omgevingsvisie-niveau in een omgevingseffectrapportage (OER) te toetsen, zodatproject-mer’s grotendeels overbodig worden. Het kabinet erkent enondersteunt het belang van vroege afstemming van de woningbouw-opgave met andere ruimtelijke opgaven in de omgevingsvisie. Demer-richtlijn staat het overslaan van project-mer’s echter niet toe. Deachtergrond daarvan is dat het abstractie- en detailniveau van eenomgevingsvisie en een omgevingsplan of -vergunning verschillen. Maarin lijn met het advies kan eerder onderzoek de latere onderzoekslast opprojectniveau verlichten. De Omgevingswet biedt namelijk expliciet demogelijkheid om bestaande rapportages te hergebruiken. Voor kleinewoningbouwprojecten volstaat vaak een mer-beoordeling, als aanzienlijkemilieueffecten kunnen worden uitgesloten. Bij grotere projecten ismeestal een project-mer verplicht, omdat die effecten niet kunnen wordenuitgesloten. Vaak wordt dan direct een project-mer uitgevoerd, zonderdubbele procedures. Advies van de Commissie mer is daarbij nietverplicht.Voor de vaststelling van het omgevingsplan is voor woningbouwprojectensoms ook een plan-mer nodig. Dit is afhankelijk van keuzes van degemeente. Wordt het woningbouwproject dan later concreet uitgewerktmet een vergunning, dan is nog een project-mer-beoordeling nodig, waareen project-mer-plicht uit kan volgen als er aanzienlijke milieueffectenkunnen zijn. Ook daarbij kunnen eerdere onderzoeken opnieuw wordengebruikt. Zo wordt dubbel werk zoveel mogelijk voorkomen.De Staatssecretaris van IenW werkt aan een wijziging van het Omgevings-besluit (Verzamelbesluit Ow 2027) om de mer-richtlijn beter te implemen-teren. Voorgesteld wordt de project-mer beoordeling voor onder anderewoningbouwprojecten voortaan aan het omgevingsplan te koppelen enniet aan een latere omgevingsvergunning. Daarmee vervalt voor diewoningbouwprojecten de eventuele plan-mer-verplichting voor hetomgevingsplan. Voor woningbouwprojecten die via een buitenplanseprocedure (BOPA) lopen verandert niets.Thema gezondheidTot slot adviseert de adviesgroep om het thema «gezondheid» in dehandreiking Milieueffectrapportage te definiëren als de optelsom van debestaande «milieunormen» (geluid, geur, bodem etc.). De adviesgroepvindt dat alleen als een nieuw gezondheidsrisico onomstotelijk weten-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138310 schappelijk is onderbouwd, en het vooruitzicht is dat een bestaande normwordt aangepast of een nieuwe norm wordt vastgesteld, dit (nieuwe)gezondheidsrisico moet worden meegenomen in de MER. Het kabinet kandit advies niet onderschrijven. Het realiseren van een gezonde leefom-geving is ook een belangrijk onderdeel bij nieuwe woningbouw.Gezondheid moet worden meegenomen als er sprake is van aanzienlijkeeffecten, ook beneden eventuele wettelijke normen en ook bezien incumulatie met andere effecten. Dit ontwerp sluit ook aan bij het boven-staande advies om vroegtijdig helder af te bakenen welke gezondheidsef-fecten in het milieueffectrapport worden meegenomen en met welkemotivatie. Hiervoor is volgens het kabinet de fase van de NRD uiterstgeschikt.Het kabinet zal op de geëigende manier op Europees niveau aandachtvragen voor vereenvoudiging van de uitvoering van de mer-richtlijn doorhet terugdringen van overlap met andere Europese regels.2.2.6. Archeologie De adviesgroep benadrukt het belang van archeologisch onderzoek voorhet behoud van erfgoed, maar doet enkele voorstellen om het planproceste versnellen en daarmee onderzoekslasten te versoepelen. Gemeentenwordt aangeraden archeologie proactief te benaderen met verwachtings-en beleidskaarten en vroegtijdig onderzoek te stimuleren.Zoals de adviesgroep aangeeft is het van groot belang dat initiatiefnemers– in een vroegtijdig stadium van hun planproces – zo veel mogelijkduidelijkheid hebben over de (mogelijke) aanwezigheid van archeolo-gische resten en hoe hiermee kan of moet worden omgegaan. Het kabinetdeelt het standpunt van de adviesgroep dat gemeenten hierin eenbelangrijke rol kunnen spelen, door proactief archeologischeverwachtings- en beleidskaarten te laten maken en (digitaal) te latenontsluiten en door vroegtijdig onderzoek, archeologievriendelijk bouwenen behoud van archeologische resten in de bodem te bevorderen.Daarnaast beveelt de adviesgroep het Ministerie van OCW aan om eenRijksprogramma te starten dat zich richt op besluitvorming met betrekkingtot archeologische waarden door gemeenten (het zogenaamde selectiebe-sluit) en de goedkeuring van archeologische Programma’s van Eisen(PvE’s). Het kabinet werkt reeds aan deze thema’s, echter niet in het kadervan een Rijksprogramma, maar in het kader van het traject WijzigingErfgoedwet.Met het programma Erfgoed & Overheid zet de Minister van OCW, samenmet het IPO en de VNG, stappen om archeologie beter te incorporeren inde Omgevingswetinstrumenten die gemeenten tot hun beschikkinghebben. De Minister van OCW betrekt het STOER-advies bij ditprogramma.Het kabinet deelt de mening dat het goed zou zijn als de implicaties vooronderzoeksbudgetten inzichtelijk worden gemaakt bij wijzingen vanonderzoeksprotocollen en leidraden van de Kwaliteitsnorm NederlandseArcheologie (KNA). De Minister van OCW gaat in gesprek met vertegen-woordigers van initiatiefnemers en het archeologisch werkveld over demogelijkheden die er zijn om dit te doen. Wel moet daarbij wordenopgemerkt dat, op basis van het internationale verdrag van Valletta, hetborgen van de archeologische processen ten behoeve van het belang vanhet behoud van archeologische monumenten (in of ex situ) altijd leidendis voor de inhoud van de KNA. De onderzoeksprotocollen en leidradenvan de KNA zijn gericht op eenduidigheid in de uitvoering van archeolo-gisch onderzoek. Dit draagt eraan bij dat bij de voorbereiding vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138311 woningbouw duidelijk is wat men kan verwachten qua archeologischonderzoek, zodat men hier rekening mee kan houden en onnodigevertraging kan voorkomen.2.2.7. Flora en Fauna De adviesgroep doet verschillende voorstellen om de vereisten rondomflora en fauna te versoepelen, zoals het inzetten van Soorten ManagementPlannen (SMP’s), standaardisering van maatregelen, het verruimen vancompensatiemogelijkheden en het Europees agenderen van het versoe-pelen van procedures.Het kabinet is positief over het advies om stevig in te zetten op landelijkdekkende soortenmanagementplannen (SMP’s) voor woningbouw enwoningrenovatie zoals bijvoorbeeld de na-isolatie van spouwmuren. Opbasis van een SMP kunnen provincies omgevingsvergunningen voorflora-en fauna-activiteiten verlenen voor een bepaald gebied. Ten behoevevan na-isolatie zijn vanuit het Rijk middelen uitgekeerd aan de provinciesom samen met gemeenten te komen tot SMP’s voor na-isolatie. Enkeleprovincies, zoals Zuid-Holland en Utrecht, werken al met bredertoepasbare SMP’s ook voor de woningbouwopgave. De Tweede Kamerheeft op 5 december 2024 een motie aangenomen om de procedure voorhet verkrijgen van een omgevingsvergunning aan de hand van een SMPte versnellen. Een SMP in combinatie met innovatieve onderzoeksme-thoden en maatregelen voor natuur kan een versnelling geven aan dewoningbouwopgave. Samen met de Staatssecretaris van LVVN wil ik eerstin gesprek met provincies over hun ervaringen met de huidige SMP’s. Opbasis daarvan bepaal ik of een landelijk dekkend netwerk van SMP’s hetjuiste instrument is om de woningbouwopgave te versnellen, welkemogelijke alternatieven er zijn en wat er nodig is om tot een landelijkdekkend netwerk van SMP’s te komen. Daarmee geef ik tevens uitvoeringaan de motie Van Campen/Bromet9 die de regering verzoekt eenhandreiking op te stellen waarmee provincies en gemeenten via eengefundeerde beoordelingsmethodiek natuurinclusieve en klimaatadap-tieve woningbouwprojecten sneller te kunnen vergunnen.De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is waardevol en onder-steunend voor de inschatting of beschermde soorten aanwezig zijn, maarbevat alleen waarnemingen en geen context van de waarneming (zoalsfunctie van de plek voor de soort). Dit maakt de NDFF niet geschikt om alsenige basis te dienen voor een SMP. Er is meer informatie nodig om ookverblijfplaatsen te kunnen bepalen. Vanaf 11 februari 2025 zijn denatuurdata in de NDFF kosteloos te raadplegen en in 2026 wordt de NDFFals natuurregister opgenomen in de Omgevingswet. IPO/BIJ12 isverantwoordelijk voor het beheer van de databank, waarbij continugeïnvesteerd wordt in uitbreiding en kwaliteit van de data.De regels voor natuurcompensatie en het beschermingsniveau voorsoorten van nationaal belang zijn gebaseerd op Europese wet- enregelgeving en internationale verdragen. In lijn met het advies zal hetkabinet op Europees niveau in gesprek gaan over de vereenvoudiging vandeze regels, met oog voor de (gunstige) staat van instandhouding vansoorten en habitattypen, én met als doel waar mogelijk bij te dragen aaneen snellere realisatie van woningbouw.9Kamerstukken II 2024/25, 35 334, nr. 304.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138312 2.2.8. Spuitzones Het advies stelt dat spuitzones voor gewasbescherming in toenemendemate een ruimtelijke belemmering vormen voor woningbouw. Deadviesgroep beveelt aan om een landelijk model te ontwikkelen voor hetbeoordelen van spuitzones, agrarisch gebruik van spuitzones te verbiedenindien het gebruik gedurende een periode van 2 jaar is gestaakt,vertraging te verminderen en een lijst maatregelen te publiceren waarmeede afstand tot spuitzones kan worden verkleind.Op initiatief van de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw en deRijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is een handreiking10opgesteld met oplossingsrichtingen om spuitvrije zones te realiseren.Deze handreiking wordt meegenomen in het onderzoek dat in devolgende paragraaf wordt toegelicht. Het kabinet geeft hiermee invullingaan het advies om te komen met een lijst aan concrete maatregelen. Dithelpt bij het mogelijk maken van woningbouw op locaties gelegen nabijagrarische gronden.Het advies om tot een landelijk model te komen voor beoordeling entoetsing van spuitzones gaat het kabinet onderzoeken. Een objectieveonderbouwing van de door jurisprudentie ontstane «standaardafstand»van 50 meter voor nieuwe functies in omgevingsplannen als buffer tussenagrarisch grondgebruik met open teelten waar gebruik van gewasbescher-mingsmiddelen is toegestaan en bebouwing, heeft al langer de aandacht.Momenteel geven RIVM en de WUR uitvoering aan een verkennendonderzoek om tot een wetenschappelijk onderbouwd rekenmodel tekomen ter onderbouwing van spuitzonering.11 Beide instanties bekijken indit onderzoek ook of een afstand van 50 meter tussen agrarische percelenmet open teelten en woningbouw waarbinnen niet gespoten mag worden,verminderd kan worden met mitigerende maatregelen. Naar verwachtingzal uw kamer in 2026 geïnformeerd worden over de uitkomsten.Het kabinet deelt het standpunt van de adviesgroep dat het in algemenezin wenselijk is om vanaf het begin van een bouwproject een minnelijktraject te starten met agrariërs over functiewijzigingen en, indien nodig,nadeelcompensatie mocht een dergelijke functiewijziging noodzakelijk zijnvoor de realisering van een woningbouwproject. Het advies dat, indienhet agrarisch gebruik van de spuitzone gedurende een periode van tweejaar niet heeft plaatsgevonden, gemeenten het betreffende agrarischegebruik kan verbieden zonder aanspraak op nadeelcompensatie is teverstrekkend. Er zijn argumenten denkbaar waarom het agrarischgrondgebruik niet heeft kúnnen plaatsvinden. De voorgestelde maatregelvraagt nader onderzoek naar de impact en bevoegdheden en inbreuk opeigendomsrecht.2.2.9. Milieuzonering De adviesgroep stelt dat de milieuzonering in de praktijk nog kan leidentot onduidelijkheid, met vertraging als gevolg. De adviesgroep doetdaarom een aantal aanbevelingen om tot meer duidelijkheid te komen ende VNG-handreiking «Activiteiten en milieuzonering» aan te vullen mettekst over geluidgezoneerde industrieterreinen.10Handreiking aanpak spuitvrije zones bij nieuwbouwprojecten | RVO.nl11Zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024/25, nr. 2008, in het bijzonder vraag/antwoord 16.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138313 De aanbevelingen van de adviesgroep richten zich vooral op provincies,gemeenten en omgevingsdiensten, waarvan ik ze stimuleer deze integraalover te nemen. De VNG heeft in de Handreiking Activiteiten en Milieuzo-nering een nieuwe zoneringssystematiek ontwikkeld en biedt onder-steuning aan gemeenten om deze te gebruiken en toe te passen. Ook devragen die hierover komen, pakt de VNG op. Wat betreft de geluidgezo-neerde industrieterreinen is de VNG voornemens om met een handreikingte komen waarin deze systematiek ook wordt gehanteerd.2.3. Water en bodem (hoofdstuk 5 eindrapport) De adviesgroep adviseert landelijke eenduidige normeringen voor klimaatadaptieve bouw waarbij vroegtijdig in het proces water en bodem kennisbetrokken wordt om snellere woningbouw mogelijk te maken. Deadviesgroep adviseert vereenvoudiging van categorieën voor locaties,beperkte bodemdaling in kwetsbare gebieden, alleen bouwen in 5–10%van de diepst gelegen polders indien in noodzakelijk waterberging isvoorzien en bouw die anticipeert op extreme regenval. Voor KRW wordtaanbevolen om juridische maatwerkoplossingen te gebruiken en opEU-niveau te lobbyen zodat woningbouw als «dwingend algemeenbelang» wordt erkend en KRW-eisen minder beperkend zijn.Net als de adviesgroep, vindt het kabinet een landelijkenormstelling voor het beperken van wateroverlast bij extreme regenval ofeen stortbui gewenst en nodig. Dit creëert duidelijkheid voor onder meerontwikkelaars en bouwers en versnelt de woningbouw. Tijdens deWoontop van 2024 is afgesproken om voortvarend aan de slag te gaan omduidelijkheid en handelingsperspectief te bieden aan woningbouwlocatiesdie een opgave hebben op het vlak van water en bodem. Hiervoor werkthet kabinet, samen met de medeoverheden, aan een uniform kader meteen landelijke norm voor wateroverlast, een landelijke norm voorbodemdaling en een convenant over een geüniformeerde werkwijzetussen gemeenten en waterschappen. Hiervoor is de landelijke maatlat alsbasis genomen. Het doel is om voor het eind van dit jaar een (principe)be-sluit te nemen over borging van deze landelijke norm.Het ruimtelijk afwegingskader is bedoeld om overheden snel inzicht tegeven welke gebieden meer of minder geschikt zijn om in te bouwen,waarna vervolgens altijd in samenspraak door de overheden besluitengenomen moeten worden. Deze categorieën sluiten aan bij kaarten diedoor provincies en waterschappen al zijn ontwikkeld. De verschillende«ja-mits» categorieën laten daarbij zien dat er ook locaties zijn met eenkleinere opgave voor water en bodem, wat helpt in de woningbouw-opgave. Het advies om deze categorieën samen te voegen wordt dan ookniet overgenomen. Zowel het ruimtelijk afwegingskader als de overigethema’s uit de landelijke maatlat zijn hulpmiddelen en zijn in hun opzet alinstrumenten die een uniform kader bieden. Zo dragen ze bij aanvereenvoudiging en versnelling van de woningbouwopgave, evenals aanbesparing van capaciteit bij gemeenten. Niet iedere gemeente hoeft zoimmers opnieuw het wiel uit te vinden.In het kader van de Woontop wordt ook gewerkt aan een convenanttussen waterschappen en gemeenten voor water en bodem. Met ditconvenant worden afspraken gemaakt over de expertise en betrokkenheidvan waterschappen en gemeenten bij woningbouwprojecten. Dit verbetertde onderlinge samenwerking in deze projecten. Op basis van ervaring uitde bestaande praktijkvoorbeelden wordt het convenant verbeterd. In deafzonderlijke woningbouwprojecten wordt vervolgens gezamenlijkuitgewerkt hoe aan de randvoorwaarden voor water en bodem wordtvoldaan. Niet bij elke ontwikkeling is dezelfde maatregel nodig ofTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138314 wenselijk. De benodigde wateropvang in de 5–10% diepste delen van depolders en het verhogen van het bouwpeil met 20 centimeter zijnmogelijke maatregelen. Een landelijke uniforme toepassing van hetbouwpeil is niet doelmatig.De adviesgroep adviseert ook een andere omgang met woningbouw aande randen van het Markermeer, Gouwzee, IJmeer, Gooimeer en Eemmeer,alsmede voor drijvend wonen in de uiterwaarden. In het kader van deNota Ruimte heeft het kabinet besloten dat het van belang is terug-houdend te zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen in hetIJsselmeergebied: binnendijks bouwen wat binnendijks kan. Tegelijkertijdzijn woningbouwinitiatieven langs de randen van de meren mogelijk. Dehuidige regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving blijven hiervoor dekaders bieden.12 De eerder beoogde aanscherping van de regels voorbuitendijks bouwen in het IJsselmeergebied zet het kabinet niet door.In de uiterwaarden is de Beleidslijn grote rivieren leidend.De adviesgroep roept tot slot ten aanzien van de Kaderrichtlijn Water opom preventief actie te ondernemen om negatieve gevolgen voor dewoningbouwopgave te voorkomen. De regering heeft zich in Brussel alhard gemaakt voor enkele uitzonderingen op de KRW.13 Dit is momenteelin onderhandeling. Met deze beoogde uitzonderingen zou het risico opeventuele vertraging voor woningbouwprojecten aanzienlijk wordenbeperkt.2.4. Stikstof (hoofdstuk 6 eindrapport) De adviesgroep stelt dat woningbouwprojecten moeten kunnen doorgaanondanks stikstofregels, mits ecologisch verantwoord.In de eerste reactie op het STOER advies ben ik ingegaan op devoorstellen van de adviesgroep over stikstof. Het eindrapport van deadviesgroep is op deze voorstellen zo goed als ongewijzigd. Een aanvul-lende reactie namens het kabinet is op dit hoofdstuk niet noodzakelijk.2.5. Geldigheidsduur en kosten onderzoeken (hoofdstuk 7eindrapport) De adviesgroep stelt dat bij de ontwikkeling van woningbouwprojectendiverse onderzoekverplichtingen van toepassing zijn. In het adviesrapportdoet de adviesgroep diverse voorstellen om deze te vereenvoudigen. Zostelt de adviesgroep onder meer voor om een standaard geldigheidsduurin te stellen van 5 jaar voor onderzoeken, zoveel mogelijk gebruik temaken van open data en het Omgevingsloket te koppelen aan openbareGIS-data.Het kabinet onderschrijft de oproep van de adviesgroep van het belangvan een meer datagedreven werkwijze. Dit sluit aan bij de meerjarenvisie«Zicht op Nederland», om samen datagedreven te werken aan maatschap-pelijk vraagstukken in de fysieke leefomgeving, waarvan de aanpak vanhet woningtekort een prominent voorbeeld is.14De houdbaarheid van onderzoeksgegevens hangt samen met de aard vanhet onderzoek. Sommige onderzoeken kunnen oudere gegevens bevatten,zoals een bodem- en archeologisch onderzoek, terwijl andere onder-zoeken sneller geactualiseerd moeten worden om een betrouwbaar beeld12Kamerstukken II 2024/25, 27 625, nr. 717.13Kamerstukken II 2023/24, 27 625, nr. 672.14Kamerstukken II 2023/24, 29 435/26 643, nr. 266, bijlage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138315 te behouden, zoals een ecologisch onderzoek. In de Omgevingswet isbepaald dat in principe gegevens kunnen worden gebruikt die niet ouderzijn dan twee jaar, ook als er inmiddels meer actuele gegevensbeschikbaar zijn. Gegevens die ouder zijn dan twee jaar kunnen ook nu alworden gebruikt, mits het bestuursorgaan beoordeelt dat deze nogvoldoende actueel zijn om zorgvuldig een besluit te kunnen nemen. Hetkabinet neemt het advies van de adviesgroep over om voor bepaaldeonderzoeken of besluiten uit te gaan van een termijn van vijf jaar. Datbetekent dat in die gevallen zonder nadere onderbouwing ouderegegevens mogen worden gebruikt. Wel wil het kabinet daarbij expliciterendat de termijn – net als de huidige termijn van twee jaar – niet legitimeertdat verouderde, niet representatieve gegevens kunnen worden gebruikt,mits deze voldoende actualiteitswaarde hebben om het besluit daarop tebaseren.15 De rechter kan uiteindelijk toetsen op deze actualiteit enrepresentativiteit.Het kabinet ondersteunt dat het wel wenselijk is om zo efficiënt mogelijkonderzoeken te doen, die nodig zijn voor woningbouwrealisatie. Een vande nieuwe elementen van de Omgevingswet is de beoordeling van deuitvoerbaarheid van nieuwe functies bij planvorming. Hierdoor kunnen deonderzoekslasten in het omgevingsplan beperkt worden en bestaat ergeen noodzaak meerdere uitvoeringsvarianten te onderzoeken. Ook wordter volop gewerkt aan het standaardiseren van onderzoeken. Eenvoorbeeld is de «mer-basis», een handreiking die bevoegde gezagen helpteerdere milieueffectinformatie efficiënt te hergebruiken, zodat voor elkenieuwe ontwikkeling niet opnieuw uitgebreid onderzoek nodig is.Het kabinet onderschrijft ook de noodzaak dat het DSO/Omgevingsloketgelinkt moet worden aan openbare GIS-informatie. De visie Zicht opNederland voorziet in een federatief georganiseerde dataspace fysiekeleefomgeving (DSFL) die een belangrijke bijdrage zal leveren aan deoplossing van dit probleem. Ik zie deze oproep dan ook als een drijfveerom deze ambitie zo snel als mogelijk te realiseren. Door aanvullend goedeafspraken te maken over interoperabiliteit tussen de DSFL, het DigitaalStelsel Gebouwde Omgeving (DSGO) en het DSO zorgen we datgebruikers geo-, vastgoed-, planinformatie en wet- en regelgeving op eeneenvoudige manier kunnen combineren. Dit kan de vergunningsproce-dures rondom de woningbouw echt versnellen.2.6. Lokale planvorming en omgevingsbeleid (hoofdstuk 8eindrapport) De adviesgroep geeft praktische adviezen aan gemeenten en woning-bouwpartners om planprocedures te versnellen en vereenvoudigen.In de eerste reactie op het STOER advies is de Minister van VRO ingegaanop een aantal voorstellen van de adviesgroep (voorfase planvorming,bouw in bestaand stedelijk gebied en welstand) over lokale planvorming.Het eindrapport van de adviesgroep is op deze voorstellen ongewijzigd.De meeste adviezen in dit hoofdstuk bevatten praktische adviezen aangemeenten en woningbouwpartners om planprocedures te versnellen envereenvoudigen. Het kabinet gaat hiermee aan de slag via het programmaUitvoeringskracht Woningbouw dat we samen met IPO en VNG starten.15Kamerstukken 2011/12, 33 135, nr. 3, pp. 5 en 29; Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 210.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138316 2.6.1. Mengpaneel De adviesgroep stelt voor om het zogenaamde mengpaneel beter tegebruiken. Aanbevolen wordt om de afwegingsruimte die deOmgevingswet biedt zo nodig maximaal te benutten met het zwaarwe-gende maatschappelijke belang van de woningbouw als motivering omvaker op de grenswaarde te zitten.Het kabinet onderschrijft dat de omvangrijke woningbouwopgave vergtdat optimaal gebruik wordt gemaakt van de afwegingsruimte van deOmgevingswet. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt decentraleoverheden bestuurlijke afwegingsruimte via standaard- en grenswaarden,waarbij het mengpaneel als hulpmiddel dient om in complexe situatieseen verantwoorde afweging te maken. De standaardwaarden in het Bklzijn gebaseerd op eerdere regelgeving en worden maatschappelijk alsacceptabel beschouwd, terwijl de grenswaarden aanzienlijk meer hindertoelaten. Het kabinet onderkent dat de druk op de woningmarkt en hetontbreken van alternatieve locaties in veel gemeenten het nodig makenom dichter tegen grenswaarden aan te bewegen. Maar een locatie waarmeerdere grenswaarden worden benaderd kan onleefbaar zijn.16 Hetzonder locatie-specifieke afweging opvullen van de ruimte onder degrenswaarden voldoet dan ook niet aan de wettelijke eis van eenevenwichtige toedeling van functies aan locaties en de in deOmgevingswet verankerde verplichting om daarbij rekening te houdenmet de gezondheid.17In het eerste reflectierapport «In werking, maar onderbenut» van deEvaluatiecommissie Omgevingswet kwam naar voren dat het instrumen-tarium van de Omgevingswet nog niet ten volle benut wordt.18 Zebeschrijft ook dat de afwegingsruimte nog maar beperkt benut wordt. Deevaluatiecommissie doet daarom een oproep aan alle gebruikers(bevoegde instanties) van de Omgevingswet om die kansen te benutten.Deze oproep onderschrijf ik van harte en blijf ik onder de aandachtbrengen, ook bij de toepassing van het mengpaneel in het licht van dewoningbouwopgave. Daartoe wordt ingezet op uitwisselen van goedevoorbeelden, training en informatievoorziening. De VNG heeft in haarHandboek opstellen omgevingsplan19 een toelichting op het mengpaneelopgenomen. Op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO)is al veel informatie beschikbaar over de bestuurlijke afwegingsruimte.20Bij vragen kunnen gemeenten ook terecht bij het IPLO. IPLO beantwoordtenkele honderden vragen per jaar over afwegingsruimte binnen thema’s,zoals geur en geluid en evenwichtige toedeling van functies aan locaties.2.6.2. DSO-omgevingsplannen Het kabinet onderkent het belang van harmonisatie van regelgeving in deomgevingsplannen van gemeenten. Tegelijkertijd bevinden de gemeentenzich, in lijn met de conclusies uit het rapport, nu in een overgangsfase.Gemeenten hebben in deze fase de tijd om te werken aan het harmoni-seren van hun regels en vanuit de uitvoeringsondersteuning is hier ookaandacht voor. Daarbij onderstreep ik tegelijkertijd de oproep van deadviesgroep dat gemeenten eerst zelf met een stofkam door hun eigen16Zie Stb. 2018, 292, blz. 319 en Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 41, antwoord op vraag 78.17Artikel 2.1, vierde lid, van de Omgevingswet. Zie ook Stb. 2018, 292, pp. 246–248.18Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 292, bijlage.19https://vng.nl/publicaties/handboek-opstellen-omgevingsplan20https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/omgevingsplan/nieuwe-regels-opstellen-omgevingsplan/bestuurlijke-afwegingsruimte-omgevingsplan/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138317 beleid heen gaan, wat kan helpen bij prioritering en de overgang naar eengebiedsdekkend omgevingsplan.Daarnaast kunnen voorbeeldregels mogelijk voordelen hebben voorgemeenten. Het is hierbij ook belangrijk om oog te hebben voor de lokalebeleidsvrijheid van gemeenten, zoals opgenomen in de Omgevingswet.Op veel plekken in het land lopen ook al trajecten die de samenwerking enhet komen tot goede voorbeelden stimuleren en bevorderen. Een mooivoorbeeld hiervan is SPRONG in Noord-Brabant.21 Ook kunnengemeenten in het Omgevingsloket andere omgevingsplannen (regels)raadplegen ter inspiratie. Ik blijf mij dan ook inzetten op het onderlinguitwisselen van kennis, ervaringen en (praktijk)voorbeelden.Ook erkent het kabinet dat de vind- en raadpleegbaarheid van alle regelsin het DSO/Omgevingsloket inderdaad nog beter kan. Er lopen alverschillende trajecten om de vind- en raadpleegbaarheid van regels teverbeteren. Allereerst wordt het DSO en in het bijzonder de viewer dekomende periode verder doorontwikkeld. Ook is er vanuit de partijen in deuitvoeringsondersteuning extra aandacht voor het goed annoteren vanomgevingsdocumenten, waarvoor ook een annotatierichtlijn isopgesteld22 en wordt, in het kader van de uitwerking van de motieMoonen c.s.23 gewerkt om de kennisgevingen van wijzigingen van hetomgevingsplan ook via het DSO raadpleegbaar te maken.2.6.3. Parkeernormen De adviesgroep stelt voor om gebruik te maken van realistische, datagedreven parkeernormen en om maximale parkeernormen vast te stellenbij (H)ov-knooppunten.Gemeenten spelen een centrale rol bij het bepalen van parkeernormen enhet blijft aan het lokaal bestuur om hier keuzes in te maken. De parkeerbe-hoefte en mogelijkheden voor het realiseren van extra parkeerplekkenverschilt namelijk per wijk en per project. Gemeenten zijn daarom ookprimair verantwoordelijk voor het vaststellen van parkeernormen. Op23 juli is er door het CROW een notitie gepubliceerd die de stappenbeschrijft voor gemeenten om met de laatste kencijfers te komen totpassende parkeernormen die duurzame gebiedsontwikkeling faciliteert.24Ik ga in gesprek met de Minister van IenW om flexibeler parkeerbeleid testimuleren.Een landelijke minimum- of maximumnorm sluit niet aan bij de lokaleverantwoordelijkheid en het gewenste maatwerk. Hoewel de adviesgroeppleit voor het invoeren van landelijk geldende maximale parkeernormenin invloedgebieden rondom (hoogwaardig) openbaar vervoer, heeft uwKamer inmiddels de motie van de leden Mooiman en Heutink25 aange-nomen die opriep om het voorstel voor een landelijke parkeernorm vanmaximaal 0,7 niet over te nemen. In die lijn met deze motie zal het kabinetdan ook geen landelijke maximale parkeernormen vaststellen.2.6.4. Doorstroming De adviesgroep stelt voor om duidelijke grenswaarden op te stellen vooracceptabele verkeerdoorstroming.21Https://vng.nl/artikelen/sprong-regionaal-samenwerken-aan-omgevingsplannen22Annotatierichtlijn | Wegwijzer TPOD23Kamerstukken I 2023/24, 33 118, FB.24https://www.crow.nl/kennisproducten/parkeernormen-en-duurzame-gebiedsontwikkeling/25Kamerstukken II 2024/25, 28 325, nr. 287.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138318 De doorstroming op het wegennet maakt deel uit van een groter geheelvan ruimtelijke ordening, voorzieningen- en mobiliteitsbeleid. Samenzorgen deze voor een goede bereikbaarheid van banen en voorzieningen.Het kabinet heeft dit opgepakt met het standpunt Bereikbaarheid op Peil,waarin het nationaal bereikbaarheidspeil is geïntroduceerd. Samen metmedeoverheden wordt dit verder uitgewerkt in regionale bereikbaarheids-analyses en -profielen. De referentiewaarden die hieruit voortkomen zijnbedoeld als nuttige informatie bij locatiekeuzes en woningbouwopgaven,niet als beperkende factoren. Ze bieden inzicht in kansrijke locaties metgoede bereikbaarheid. Het Rijk zorgt daarmee voor een uniforme basis,terwijl regio’s ruimte hebben voor maatwerk. Door woningbouw vanaf hetbegin te verbinden met infrastructuur en mobiliteit worden vertragingenvoorkomen en ontstaat kwalitatief goed wonen op goed bereikbareplekken.2.7. Grondbeleid (hoofdstuk 9 eindrapport) De adviesgroep vindt het wettelijk instrumentarium en de daaruitvoortvloeiende regelingen voor het (gemeentelijk) grondbeleid behoorlijkadequate om woningbouw tijdig en tegen maatschappelijk aanvaardbarekosten te faciliteren. De adviesgroep heeft een aantal voorstellen gedaanom het grondbeleid te verbeteren en aan te vullen.In de eerste reactie op het STOER-advies ben ik ingegaan op de meestevoorstellen van de adviesgroep over grondbeleid. Het eindrapport van deadviesgroep is op deze voorstellen ongewijzigd. Het verlengen van determijnen van het voorkeursrecht naar 5 jaar is middels amendementverwerkt in het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting. Volledig-heidshalve verwijs ik u naar mijn brief hierover van 26 augustus jl.26 Dezekabinetsreactie is daarom beperkt tot de voorstellen omtrent deresponstijd van RVB en ProRail bij een verzoek om medewerking eenwoningbouwontwikkeling en de besluitvorming van verenigingen vaneigenaars bij optoppen.Medewerking ProRailProRail is de beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur inNederland. Dit Europees vastgestelde netwerk is van nationaal belang. Debehoefte van gemeenten en ontwikkelaars om naast of boven hetspoor/station te bouwen wordt herkend en het is begrijpelijk dat ontwikke-lende partijen snel uitsluitsel willen hebben over de medewerking vanProRail. Mits goed ontsloten, kan woningbouw in de buurt vanstations maatschappelijk een grote meerwaarde hebben en daar wilProrail ook aan bijdragen.Het is bij dergelijke ontwikkelingen van belang dat partijen elkaarvroegtijdig betrekken en van goede en volledige informatie voorzien. In depraktijk kan niet altijd medewerking worden verleend omdat plannen tedicht op het spoor of bijbehorende gronden zijn geprojecteerd. Hierdoorkomt de veiligheid, het functioneren én uitbreiding van het hoofdspoor-wegnet in het geding. Het moet altijd mogelijk blijven om het spoor tekunnen beheren, onderhouden en gebruiken en bijbehorende voorzie-ningen te kunnen bereiken.Daarnaast moet ProRail gronden voor verkoop eerst aanbieden aan NS ofIenW voor tot verkoop over kan worden gegaan.26Kamerstukken I 2024/25, 36 512, DTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138319 Medewerking RVBHet kabinet hecht eraan dat uitvoeringsorganisaties van het Rijk adequaaten tijdig reageren op goed onderbouwde initiatieven van publieke enprivate partijen, zeker ook als die woningbouw betreffen. Een reactie-termijn van twee maanden acht het kabinet daarbij voor het RVBrealistisch. Indien een vastgoedtransactie op basis van het initiatiefdaadwerkelijk mogelijk blijkt, dient het RVB wel in alle gevallen te zorgendat deze transactie via een openbare en marktconforme procedure totstand komt. Deze procedure kent uiteraard zijn eigen doorlooptijd.Wel een vergunning, niet bouwenDe adviesgroep geeft aan geen reden te hebben om aan te nemen dat opgrote schaal om zuiver speculatieve redenen wordt gewacht met de bouwna vergunningverlening. Ik heb geen aanleiding om dit anders te zien. Welmoedig ik gemeenten aan om met gedegen grondbeleid te voorkomendat dit probleem zich voor doet. Daarvoor verwijs ik graag naar dehandreiking «vertraging voorkomen met grondbeleid».27OptoppenIk heb een onderzoek uitgezet naar de knelpunten rondom het wijzigenvan de splitsingsakte bij optoppen. De uitkomsten van dit onderzoekworden na de zomer verwacht. Over mogelijke oplossingen n.a.v. ditonderzoek wordt in nauwe samenwerking met de Staatssecretaris vanJenV gesproken.2.8. Netcongestie en drinkwater (hoofdstuk 10 eindrapport) De adviesgroep heeft een aantal voorstellen gedaan over de nutsvoorzie-ningen (voorzieningen elektriciteit en water) die essentieel zijn voor dewoningbouw.2.8.1. Netcongestie In de eerste reactie op het STOER advies is de Minister van VRO ingegaanop de concrete voorstellen van de adviesgroep over netcongestie. Heteindrapport van de adviesgroep, en daarmee ook de reactie van hetkabinet, is op deze voorstellen ongewijzigd.In het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) werkt het kabinetsamen met medeoverheden, netbeheerders en marktpartijen aan deaanpak van netcongestie en het toekomstbestendig maken van hetelektriciteitsnet. In het LAN wordt gewerkt langs drie actielijnen: snellerbouwen, beter benutten en slimmer inzicht. Begin oktober wordt deKamer per brief geïnformeerd over de aanpak van netcongestie en devoortgang van het LAN.Op 25 april heeft het kabinet zijn aanpak aangekondigd voor het snelleruitbreiden van het elektriciteitsnet28. Met deze aanpak neemt het kabinetmeer regie op de doorlooptijd van elektriciteitsprojecten en het beperkenvan de risico’s op vertraging. Hiervoor is onder andere een wetgevings-programma en een set aan beleidsmaatregelen aangekondigd. Later ditjaar wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang en de planning vande in te zetten maatregelen.27https://www.volkshuisvestingnederland.nl/documenten/publicaties/2022/04/01/handreiking_vertraging_voorkomen_met_grondbeleid28Kamerstukken II 2024/25, 29 023, nr. 566Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138320 2.8.2. Drinkwater Het kabinet gaat samen met drinkwaterbedrijven en provincies bij deuitvoering van de regionale actieplannen uit het ActieprogrammaDrinkwater aan de slag om projecten te versnellen. Dan zal concreterworden om welke soort projecten dit zou kunnen gaan en kan dit verderworden uitgewerkt. Dit doet het kabinet op basis van het Actieprogrammabeschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 dat op 13 januari jl. doorde Minister van IenW aan de Kamer is gestuurd.29 Daarin hebbendrinkwaterbedrijven, provincies en Rijk afgesproken te kijken naar demogelijkheden die het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvestingbiedt voor een grondslag voor de aanwijzing van projecten en besluitenwaarop procedurele versnellingen van toepassing zijn.Dit wetsvoorstel voorziet in een algemene grondslag om bij algemenemaatregel van bestuur tijdelijk besluiten voor categorieën projecten tekunnen aanwijzen, waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk isvanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Op deze projecten isdan een aantal procedurele versnellingen van toepassing. Deze proce-durele versnellingen zijn op grond van de Omgevingswet al vantoepassing op projectbesluiten. Provincies kunnen er al voor kiezen omeen projectbesluit op te stellen ten behoeve van de drinkwatervoor-ziening. Daarom is het niet nodig om drinkwater in het kader van dewetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting aan te wijzen alscategorie projecten met zwaarwegende maatschappelijke belangen.Daarmee is ook invulling gegeven aan de Motie Grinwis c.s.30De publieke drinkwatervoorziening is verder in artikel 2, tweede lid, van deDrinkwaterwet benoemd als dwingende reden van groot openbaarbelang. Daarmee zijn projecten die zijn gericht op de openbare drinkwater-voorziening dat dus ook.Artikel 8 van de Drinkwaterwet beschrijft de plicht die drinkwaterbedrijvenhebben om te voorzien in aansluitingen op het leidingnetwerk. Hetwaarborgen van de drinkwatervoorziening, mede door het nemen vanbesluiten is dan ook al een opdracht die de provincies hebben, waarmeevoldaan wordt aan de intentie van het advies van de commissie.Wanneer een drinkwaterbedrijf vanwege uitbreiding van de productieca-paciteit een initiatief heeft dat een grote impact heeft op een Natura2000-gebied kan het bevoegd gezag een ADC toets uitvoeren. Dit vraagtvan het bevoegd gezag een gerichte onderbouwing voor het betreffendeproject. Een generiek beroep op de ADC staat de Habitatrichtlijn niet toe.2.9. Beschikbaarheid bouwgrondstoffen (hoofdstuk 11eindrapport) De adviesgroep stelt dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrond-stoffen (zoals zand, grind, klei) onder druk staat door lange en moeizamevergunningprocedures op provinciaal niveau.Het kabinet onderschrijft het essentiële belang van het borgen van decontinuïteit van bouwgrondstoffenvoorziening. De resultaten van de in hetadvies genoemde landelijke integrale afweging bouwgrondstoffenworden eind 2025 verwacht. De daarbij betrokken partijen nemen ditadvies van de adviesgroep mee in de afweging richting het opstellen vanhandelingsperspectieven.29Kamerstukken II 2024/25, 27 625, nr. 69730Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 68.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138321 2.10 Digitalisering (hoofdstuk 12 eindrapport) De adviesgroep adviseert in te zetten op digitalisering om het woning-bouwproces te versnellen, kosten te verlagen en transparantie tevergroten.Het huidige gebrek aan wetgeving leidt tot onduidelijkheid en versnip-pering, terwijl stabiliteit, helderheid en eenduidigheid gewenst zijn. Hetkabinet neemt daarom een groot deel van de adviezen van de advies-groep over.Met betrekking tot het scheppen van mogelijkheden zet kabinet actief inop het benutten van digitalisering. Er is reeds een project gestart om dewetgeving aan te passen, zodat naast tweedimensionale tekeningen entekstuele beschrijvingen ook driedimensionale weergaven van gebouwenen percelen kunnen worden vastgelegd. Het kabinet zal tevens demogelijkheden onderzoeken om omgevingsrechtelijke regelgevingverplicht machine-leesbaar te publiceren, zodat deze breed inzetbaar is indigitale processen. Daarnaast wordt gewerkt aan een wettelijk enorganisatorisch kader dat het hergebruiken van omgevingsonderzoeken –bijvoorbeeld bodem- of geluidsonderzoeken – beter mogelijk maakt.Daarmee wordt voorkomen dat gemeenten, ontwikkelaars en burgerstelkens opnieuw kosten moeten maken voor identieke onderzoeken.Op het vlak van het creëren van helderheid werkt het kabinet aan eenlandelijk geldende definitie van gebouwgegevens, inclusief een duidelijkeafbakening van verantwoordelijkheden en rechthebbenden, en met oogvoor de balans tussen noodzakelijke datadeling en de bescherming vanpersoonsgegevens. Het kabinet zal daarnaast de toepassing van digitalestandaarden voor gegevensuitwisseling en toegankelijkheid binnen deomgevings- en bouwregelgeving verplicht stellen. Ook heeft het kabinetbesloten om bepaalde collectieve digitale bouwstenen en oplossingenverplicht in te voeren, zodat sectorbreed interoperabiliteit ontstaat. Verderwordt de transparantie bij overheidsorganisaties vergroot door hetverplicht ontsluiten van gegevens via onder meer GIS en door te borgendat systemen als DSFL, DSGO en DSO goed op elkaar aansluiten.Ten aanzien van samenwerking benadrukt het kabinet dat wetgevingalleen niet voldoende is om de woningbouwopgave te versnellen. Hetkabinet zal daarom zorgen voor centrale ontsluiting en interoperabiliteitvan gegevens over de fysieke leefomgeving, zodat gemeenten, provincies,bouwbedrijven en andere partijen kunnen werken vanuit dezelfdebroninformatie. Specifiek voor de woningbouwopgave wordt via hetprogramma Innovatie en Opschaling Woningbouw ingezet op het actiefverzamelen, testen en breed verspreiden van innovaties en digitaletoepassingen richting gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen.Dit kan de vergunningsprocedures rondom de woningbouw echtversnellen. Daarnaast stimuleert het kabinet de sector om kennis, data eninzichten onderling te delen, zodat innovaties sneller kunnen wordenopgeschaald. Tot slot roept het kabinet de sector op om te investeren inde digitale vaardigheden van medewerkers. Het kabinet zal deze ontwik-keling faciliteren en ondersteunen, omdat de maatschappelijke opgaven inde woningbouw te groot zijn om niet efficiënt en gezamenlijk te werken.2.11. Betaalbaarheidseisen (hoofdstuk 13 eindrapport) De adviesgroep gaat in dit hoofdstuk in op de uitwerking van de betaal-baarheidseisen die via het Besluit versterking regie volkshuisvesting (deuitvoerings-AMvB) worden ingevoegd in het Besluit kwaliteit leefom-geving (Bkl). Dit besluit zal nog bij uw Kamer worden voorgehangen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138322 De adviesgroep adviseert om de betaalbaarheidseisen te hanteren alsonder- en als bovengrens op de programmering (niet meer en nietminder). Dit betekent dat een derde deel behouden blijft voor de vrijesector. Dit met oog op het financieel haalbaar houden van de woning-bouwplannen. Dit advies sluit aan bij de doelstellingen voor betaalbaarbouwen van het kabinet en het ontwerpbesluit. Daarin is geregeld dat opregionaal niveau 2/3 van de te realiseren woningen betaalbaar moet zijnwaarvan 30% sociaal. De doelstelling geldt niet op het niveau van eenproject, wijk of gemeente. Het is belangrijk dat gemeenten, met het oogop de financiële uitvoerbaarheid, niet meer dan 2/3 betaalbare woningenprogrammeren. Om deze reden zal ook een koppeling worden gemaaktmet de financiële regelingen voor de woningbouw om bovenmatigebetaalbaarheid in de programmering te ontmoedigen.De adviesgroep benadrukt daarnaast dat het belangrijk is om tijdig totafspraken te komen over de verdeling van de betaalbaarheids-segmentenin de regio tussen de gemeenten. Het kabinet onderschrijft dit advies.Daarom zal in het besluit de termijn waarbinnen afspraken moeten zijngemaakt, expliciet worden gemaakt. Hiermee wordt uitvoering geven aande motie Vijlbrief c.s.31. De provincie is vervolgens bevoegd te besluitenover de uiteindelijke programmering per gemeente, binnen het kader vande provinciale en regionale doelen. Mocht het voorkomen dat eenprovincie het lastig vindt om een knoop door te hakken, dan zal ik nietaarzelen om gebruik te maken van mijn bevoegdheid daartoe.Tot slot benadrukt de adviesgroep dat gemeenten oog moeten houdenvoor de financiële haalbaarheid wanneer zij aanvullende betaalbaar-heidseisen opnemen en waar nodig flankerende maatregelen nemen. Hetkabinet sluit zich ook aan bij dit advies en erkent dat de specifieke situatieop de lokale woningmarkt kan vragen om aanvullende gemeentelijkebetaalbaarheidseisen, maar gemeenten moeten hier terughoudend in zijn.Essentieel bij het stellen van aanvullende eisen is dat de combinatie vanregels financieel uitvoerbaar is. Dat is een gezamenlijke verantwoorde-lijkheid van gemeenten en marktpartijen. Dit betekent bijvoorbeeld dat degemeente, indien nodig, in overleg met de marktpartijen flankerendemaatregelen treft, zoals een lagere grondprijs of meer verdichting, om definanciële haalbaarheid te waarborgen.Conform het advies van de adviesgroep verbreedt het kabinet het(bestuurlijk) meldpunt dat is ingericht voor bovenlokale technische eisenmet melden van bovenmatige betaalbaarheidseisen. Zoals in de Kamer-brief STOER van 23 juni 2025 beschreven worden signalen over boven-wettelijke eisen verzameld via de regionale en landelijke versnellingstafel.Daarnaast zullen ook de financiële regelingen ingericht worden ombovenmatige betaalbaarheidseisen tegen te kunnen gaan conform de Wetversterking regie op de volkshuisvesting. Hierbij wordt rekeninggehouden met de impact op de uitvoering. Naast de realisatiestimulansgaat het daarbij ook om de gebiedsgerichte financiële regelingen zoals deWoningbouwimpuls.2.12. Bezwaar en beroep (hoofdstuk 14 eindrapport) De voorstellen van de adviesgroep richten zich op versnelling envereenvoudiging van vergunning- en rechtsprocedures. Kernpunten vanhet advies vormen: herinvoering van Lex silencio positivo (vergunningautomatisch verleend bij termijnoverschrijding), strikte naleving vanbeslistermijnen en voorrang bij bezwaren voor woningbouwprojecten.Daarnaast wordt voorgesteld een voorlopige voorziening te vragen voorvergunninghouders, hogere griffierechten toe te passen, de eisen van31Kamerstukken 2024/25, 36 512, nr. 74.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138323 banken ten aanzien van onherroepelijke vergunningen ter verruimen en inte zetten op AI bij standaard bezwaar- en beroepsgronden.Lex silencio positivoHet kabinet is geen voorstander van het herinvoeren van het herinvoerenvan de lex silencio positivo voor omgevingsvergunningen voor (woning)-bouwprojecten, die met de reguliere procedure worden voorbereid. De lexsilencio positivo kan op dit moment namelijk niet gelden voor een aantalactiviteiten, onder meer vanwege verplichtingen voorvloeiend uitinternationaal recht, zoals de mer-richtlijn en het Verdrag van Aarhus.Deze vereisen een voorafgaande inhoudelijke beoordeling. In de praktijkkomt dit erop neer dat de lex silencio positivo alleen zou kunnen geldenvoor een losstaande «technische» bouwactiviteit. De «technische»bouwactiviteit voor woningbouw is in veel gevallen echter al uitgezonderdvan de vergunningplicht door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.Voor onder meer complexe projecten is er nog wel een omgevingsver-gunning nodig, denk daarbij aan niet grondgebonden woningen, zoalsappartementencomplexen. Voor deze projecten is een vergunning vanrechtswege zonder voorafgaande toetsing aan de technische eisen vanhet Besluit bouwwerken leefomgeving risicovol. Bovendien brengt eenvan rechtswege verleende vergunning de aanvrager lang niet altijd degewenste zekerheid. Ook tegen een van rechtswege verleende vergunningstaan bezwaar en beroep open. Gezien de bovenstaande kanttekeningenziet het kabinet de lex silencio positivo in deze vorm op dit moment nietals een effectief instrument om de vergunningverlening in dewoningbouw te versnellen.Versnellen van de bezwaarprocedureIn aanvulling hierop doet de adviesgroep de aanbeveling om voorbezwaarprocedures inzake omgevingsvergunningen voor woningbouw-projecten strak de hand te houden aan de 12-wekentermijn, bijvoorbeelddoor voorrang te geven aan omgevingsvergunningen voor woningbouw-projecten. Daarbij behoren overheden wettelijke termijnen te respecteren.Om decentrale overheden te faciliteren om besluitvorming te bespoe-digen zet het kabinet zich in om de uitvoeringskracht van medeoverhedendoor middel van bijvoorbeeld de flexpoolregeling en de landelijkecapaciteitspool te vergroten. Hierover zijn eind 2024 op de Woontopafspraken gemaakt met de desbetreffende medeoverheden. Ik zal inzettenop het tijdig afhandelen van bezwaarschriften over woningbouw door ditonderwerp ook op te nemen in het programma UitvoeringskrachtWoningbouw.Beroep in enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraakDe adviesgroep adviseert in het eindrapport om beroep tegen omgevings-vergunningen voor woningbouwprojecten in eerste en enige aanleg onderte brengen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ditis in lijn met het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting dat bij deEerste Kamer ligt, en de daarbij behorende onderliggende regelgeving.Versnelling beroepsprocedureBij de behandeling van de Wet versterking regie op de volkshuisvestingzijn er meerdere amendementen aangenomen die zien op de versnellingvan de beroepsprocedures, zoals de mogelijkheid om hoger beroepzakenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138324 over woningbouwprojecten met een verkorte afspraak af te doen32.Daarnaast heeft de adviesgroep een aantal aanbevelingen geformuleerdom de beroepsprocedure voor woningbouwprojecten die zien opbestaande mogelijkheden in de werkwijze van de bestuursrechter verderte versnellen. Deze aanbevelingen vragen niet om aanpassingen vanwetgeving maar zal ik onder de aandacht van de rechtspraak brengen.Een goed reeds lopend voorbeeld hiervan is dat de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State vanaf de zomer van 2024 voorranggeeft aan woningbouwzaken (beroepen en hoger beroepen betreffendetwaalf woningen en meer) en dat deze aanpak succesvol is. De Afdelingbestuursrechtspraak heeft in mei jl. medegedeeld dat deze voorrang zalworden verlengd.33 Het kabinet is verheugd met de inspanning van deAfdeling bestuursrechtspraak om de doorlooptijd van woningbouwzakenterug te dringen.Voorlopige voorzieningDe adviesgroep stelt verder voor om de vergunninghouder (of een anderederde-belanghebbende) de mogelijkheid te bieden om een voorlopigevoorziening te vragen op basis van het spoedeisende (financiële) belangbij de start van de bouw van het desbetreffende woningbouwproject. Ditadvies neemt het kabinet niet over omdat het, naar haar oordeel nietbijdraagt aan versnelling. Op basis van een nog niet onherroepelijkevergunning kan er namelijk al worden gestart met de bouw. Het instellenvan bezwaar en beroep heeft immers geen schorsende werking. Eenvergunninghouder, die beschikt over een in werking getreden vergunningheeft op dit punt geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.Wanneer een andere partij om een voorlopige voorziening verzoekt, heeftook een vergunninghouder, als direct betrokken partij (derde-belanghebbende) in een bezwaar- of beroepsprocedure een rechtsingangbij de voorzieningenrechter. Het kabinet zet zoals eerder aangegevenvooral in op versnellen van deze procedures. Zodat er ingeval vanbezwaar of beroep zo snel mogelijk duidelijkheid komt van de rechter ofhet project door kan gaan.Eisen financiële sectorHet kabinet begrijpt dat het nog niet onherroepelijk zijn van eenvergunning een probleem kan zijn bij het financieren van een project. Ditheeft te maken met de voorwaarden van de geldverstrekker zowel voorinvesteerders als voor particulieren. De adviesgroep doet de aanbevelingom met de bankensector te bezien of deze eis vaker kan worden genuan-ceerd en de zogeheten bruikbare omgevingsvergunning het uitgangspuntkan zijn. Het kabinet erkent dit probleem en is in gesprek met een aantalgrote banken/hypotheekvertrekkers om te kijken onder welke voorwaardetoch financiering kan worden verstrekt wanneer nog geen sprake is vaneen onherroepelijke vergunning.Om genoemd probleem te ondervangen zou gebruik kunnen wordengemaakt van een bestaand verzekeringsproduct dat in de markt wordtaangeboden. Met dit verzekeringsproduct, onder andere aangebodendoor Marsh, kunnen ontwikkelaars een project verzekeren tegen definanciële gevolgen van annulering door beroepen en negatieve rechter-lijke uitspraken bij de Rechtbank dan wel de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State. Voorwaarde is dat er voorafgaand een risico-analyse worden uitgevoerd. Bij groen licht kan het risico wordenverzekerd. Het kabinet wil het verzekeren de komende tijd extra onder de32Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 99, Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 100,33https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/mei/ook-komend-jaar-voorrang-woningbouwzakenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138325 aandacht brengen bij ontwikkelaars en stimuleren onder meer door eenhandreiking die hierover wordt opgesteld door de landelijke versnellings-tafel.GriffierechtenDe adviesgroep stelt voor om het griffierecht voor omgevingsrechtszakenvoor particulieren en rechtspersonen te verhogen. De Tweede Kamer heeftbij de behandeling van het wetsvoorstel versterking regie volkshuis-vesting een amendement aangenomen dat voorziet in een substantiëleverhoging van griffierechten voor besluiten over woningbouwprojecten.34Inzet AIOok de inzet van AI wordt door de adviesgroep gezien als grote kans voorde versnelling van verwerking van bezwaar- en beroepszaken. Het kabinetondersteunt de oproep om AI als hulpmiddel in te zetten voor zover datop verantwoorde wijze en vanzelfsprekend binnen de grenzen van hetrecht kan geschieden.2.13. Borging vermindering regeldruk (hoofdstuk 15 eindrapport) De adviesgroep pleit voor structurele borging van de regeldrukvermin-dering, zodat deze inspanningen niet tijdelijk zijn.In de eerste reactie op het STOER-advies ben ik ingegaan op devoorstellen van de adviesgroep over de borging vermindering regeldruk.Het eindrapport van de adviesgroep is op deze voorstellen ongewijzigd.Een aanvullende reactie namens het kabinet is op dit hoofdstuk nietnoodzakelijk.2.14. Financiële gevolgen De voorstellen in deze kamerbrief zijn er vooral op gericht op hetversnellen van de woningbouw en om kostenbesparingen voor bouwersen ontwikkelaars te realiseren om zo snellere betaalbare woningen voorde woningzoekende te realiseren. Hiervoor zullen geen aanvullendemiddelen beschikbaar komen. De nalevingskosten van de verschillendewijzigingen in regelgeving worden in kaart gebracht bij de betreffendewijzigingsbesluiten en wetswijzigingen. De verwachting is dat deuitvoering van de adviezen waarmee het kabinet aan de slag gaat geenbudgettaire gevolgen heeft. Mocht blijken dat hier toch kosten voor hetRijk uit voortkomen, dan moeten deze worden gedekt via bestaandemiddelen op de departementale begroting(en).3. Vervolgstappen De kracht van het STOER-rapport zit in de concrete en praktijkgerichteaanbevelingen, maar ook in de breedte ervan: de voorstellen variëren vantechnische bouweisen tot milieuregels, en van archeologie tot digitaletoegankelijkheid van het omgevingsplan. Juist deze verscheidenheidmaakt duidelijk dat een integrale aanpak vereist is. De aanbevelingenraken de verschillende departementen, bestuurslagen en sectoren. Dezeverscheidenheid vereist niet alleen een beleidsmatige actie, maar ook juistoog voor samenwerking en ondersteuning in de uitvoering. Per indivi-dueel advies de impact op de woningbouwopgave duiden doet daarmeegeen recht aan het totaal. De kracht van STOER zit juist in de optelling van34Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 96. (Wijziging art. 8:41, tweede lid, Algemene wetbestuursrecht).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138326 verschillende versoepelingen en vereenvoudigingen. Samen moet ditbijdragen aan sneller, goedkoper en meer woningen kunnen bouwen.Met de STOER-aanpak leggen we de basis voor structurele verbetering inhet stelsel, die een volgend kabinet direct verder kan brengen. De urgentievraagt continuïteit in de uitvoering, juist in het belang van de honderddui-zenden woningzoekenden. Daarom zal het kabinet in het kader vanWoontop 2025 werken aan een voorstel voor uitwerking en vervolg vanhet programma STOER. Dit voorstel wordt in nauwe samenspraak metdepartementen, medeoverheden, marktpartijen en andere betrokkenopgesteld.In dit voorstel wordt inzichtelijk gemaakt welke stappen er per voorstelworden gezet om de woningbouw te versnellen, op welke wijze debenodigde wetswijzigingen worden voorbereid en waar mogelijkgebundeld en hoe de ondersteuning voor medeoverheden, uitvoeringsin-stanties en marktpartijen worden vormgegeven. In lijn met het advies zalhet kabinet op Europees niveau in gesprek gaan over de vereenvoudigingvan de Europese regels. Mocht er naar aanleiding van deze gesprekkenmeer ruimte in Europese regelgeving komen of wanneer andere ontwikke-lingen op Europees niveau daar aanleiding toe geven kunnen adviezenopnieuw worden bezien, zoals bijvoorbeeld de lex silencio positivo.Hiermee worden de uitkomsten van het programma STOER geborgd omzo ook tot een integrale versnelling van de woningbouw te komen.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138327 REACTIE OP RAPPORT REGELDRUK BIJ WONINGBOUWDe vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO)van uw Kamer heeft in het kader van haar kennisagenda het rapportRegeldruk bij woningbouw opgesteld35. Tijdens het commissiedebatRuimtelijke Ordening heeft uw Kamer verzocht om een reactie op ditrapport. Met deze brief geef ik daaraan invulling.Bij vergelijking van het rapport van uw Kamer (februari 2025) met heteindrapport van STOER, zijn zowel overeenkomsten als verschillenzichtbaar in de analyse van knelpunten en de aangedragen oplossingen.Beide rapporten delen de centrale ambitie om woningbouw in Nederlandte versnellen en belemmeringen weg te nemen. Daarbij wordt erkend datregeldruk slechts één van de oorzaken van vertraging is, naast onderandere capaciteitsgebrek, bestuurlijke traagheid, conflicterende belangenen ruimtelijke concurrentie. Ook onderstrepen beide rapporten dat eenzekere mate van complexe regelgeving onvermijdelijk is, vanwege hetsamenspel van maatschappelijke belangen zoals gezondheid, milieu,veiligheid en leefkwaliteit. Zowel het Kamerstuk als het STOER-rapportpleiten voor meer bestuurlijke prioritering, betere samenwerking tussenoverheden en marktpartijen, en een slimmere inzet van bestaandeinstrumenten onder de Omgevingswet.Het rapport van de Tweede Kamer benadert de problematiek vooral vanuitde verschillende fases van het bouwproces: locatiekeuze, planontwik-keling en juridische procedures. De nadruk ligt op belemmerenderegelgeving, zoals de ladder voor duurzame verstedelijking, sectoraleregelgeving (o.a. natuurbescherming en archeologie), en langdurigebezwaar- en beroepsprocedures. De analyse is voornamelijk beschrijvenden procesmatig. Op enkele punten zijn reeds stappen gezet, zoals devoorgenomen afschaffing van de ladder voor duurzame verstedelijkingvoor woningbouw via het Besluit versterking regie volkshuisvesting en deaanpassing van beroepsprocedures via het Wetsvoorstel versterking regievolkshuisvesting.36Het STOER-rapport kiest voor een systemisch perspectief en legt denadruk op de stapeling en versnippering van regels, normen en ambitiesop alle niveaus. STOER introduceert het concept van «het drama vangoede bedoelingen», waarbij goedbedoelde regels bij elkaar opgesteldaverechts uitpakken. De analyse gaat verder dan juridische kaders enomvat ook technische bouweisen, bestuurlijke organisatie, digitalisering,grondbeleid en infrastructuur.Waar het Kamerstuk zich vooral richt op het aanpassen of schrappen vanspecifieke regels en het verbeteren van gemeentelijke werkwijzen(procesoptimalisatie binnen het bestaande systeem), bevat STOER eenbreed scala aan concrete voorstellen voor vereenvoudiging, standaardi-sering en kostenreductie. Voorbeelden zijn aanpassingen van technischeeisen in het Bbl, landelijke soortenmanagementplannen en digitalisering.Deze voorstellen zijn ingrijpender en gericht op een structurele herzieningvan het stelsel.Beide rapporten benadrukken het belang van het verminderen vanregeldruk om de woningbouw te versnellen. In het vervolg van deze briefkomen verschillende thema’s uit het rapport van uw Kamer aan de orde.35Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1290.36Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 11.BIJLAGE 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138328 REACTIE OP DE MOTIE WELZIJN C.S. OVER DE EFFECTEN VANHET PROGRAMMA STOERIn reactie op de motie van het lid Welzijn c.s.37 en in vervolg op debeantwoording van Kamervragen van het lid Welzijn38 geef ik u hierbijeen inhoudelijke terugkoppeling over de verwachte effecten van hetprogramma STOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen enRegelgeving) uit het adviesrapport. De voorstellen van de adviesgroepSTOER zijn gericht op het sneller, meer en goedkoper realiseren vanwoningbouw. De maatregelen zijn breed van aard en raken aanwetgeving, beleidsregels, processen en informatievoorziening.De adviesgroep heeft een inschatting gemaakt van de impact indien allemaatregelen uit het adviesrapport volledig zouden worden opgevolgd.Deze inschatting is hieronder weergegeven. Omdat het kabinet niet allevoorstellen overneemt en de overgenomen maatregelen nog verdermoeten worden uitgewerkt, kan op dit moment nog geen aanvullendoverzicht worden gegeven van de verwachte effecten daarvan. In deverdere uitwerking van het vervolg op STOER zal worden meegenomenwelke effecten de overgenomen voorstellen naar verwachting zullenhebben.Bij de verdere uitwerking van de voorstellen in wet- en regelgeving zullende uitgangspunten en stappen van het Beleidskompas39 in acht wordengenomen, waaronder een zorgvuldige onderbouwing van verwachteeffecten en de gevolgen voor regeldruk. Ook zal – conform artikel 3.1 vande Comptabiliteitswet 2016 – de Tweede Kamer in een vroeg stadiumworden geïnformeerd over de financiële, juridische en beleidsmatigeimplicaties van concrete beleidsvoornemens.Tot slot wijs ik erop dat de inzet op vereenvoudiging en verbetering vanwetgevingskwaliteit is ingebed in het bredere traject dat recent met deKamer is gedeeld via de Agenda wetgevingskwaliteit40, waarin structurelemaatregelen worden aangekondigd voor betere wetgeving, mindercomplexiteit en meer uitvoerbaarheid, waaronder bij woningbouwregel-geving.Effecten maatregelen STOER uit het adviesrapport met door de advies-groep geschatte effectenSnellere woningbouwDe adviesgroep doet voorstellen om planprocedures, vergunningver-lening en bezwaar en beroep aanzienlijk te versnellen. Belangrijke effectenzijn:•Halvering van de tijdsduur in de planvoorbereidingsfase: vangemiddeld 7 jaar naar circa 3,5 jaar;•Versnelling bezwaar- en beroepsprocedures, o.a. door beroep bij deAfdeling bestuursrechtspraak in eerste en enige aanleg, structurelevoorrang bij bezwaarprocedures, en toepassing van de lex silenciopositivo (vergunning automatisch verleend bij overschrijding termijn);•Snellere besluitvorming bij complexe knelpunten via interventiepuntenen escalatiemogelijkheden op lokaal niveau;•Eenduidige toetsing MER-plicht en archeologie: minder, inzet opbestaande kennis, en beperken van variantenstudies.37Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1249.38Kamerstukken II 2024/25, aanhangsel 2724.39https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas40Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VI, nr. 151.BIJLAGE 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138329 Meer woningbouwDe adviesgroep doet voorstellen die erbij dragen dat op meer locaties enin grotere aantallen woningen gebouwd kunnen worden. Enkele belang-rijke elementen zijn:•Ruimere toepassing van de mogelijkheden die de milieuregels bieden;•Uniformering en vereenvoudiging bodembeleid en PFAS-aanpak,waardoor meer locaties beschikbaar komen;•Aanpak van netcongestie en drinkwatervoorziening, via o.a. inzet vanmicrogrids, prioritering in vergunningverlening, en bestuurlijkeafspraken over aansluiting;•Soortenmanagementplannen voor flora en fauna, waarmee duizendenprojecten sneller en vergunningstechnisch eenvoudiger kunnendoorgaan;•Ruimere benutting van bestaand stedelijk gebied, zoals splitsen,optoppen en transformatie, ondersteund door een gemeentelijkstippenplan en aangepaste parkeernormen.Hoewel een exacte inschatting van het aantal extra woningen per jaar nietzonder verdere uitwerking mogelijk is, is het oordeel van de adviesgroepen het kabinet dat deze voorstellen in potentie bijdragen aan eenstructurele toename van het bouwvolume.Goedkopere woningbouwDe adviesgroep rekent voor dat de voorstellen bij volledige implementatiekunnen leiden tot een gemiddelde kostenbesparing van circa € 30.000 perwoning (exclusief btw)41. Deze besparing is opgebouwd uit:•€ 10.000 per woning door aanpassing van technische bouweisen inhet Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waaronder verlaging vanplafond- en deurhoogtes, en verlichting van daglichteisen•€ 20.000 per woning door standaardisatie en het tegengaan van lokalebovenwettelijke kwaliteitseisen, die kostenverhogend werken enschaalvoordelen in de weg staan.Daarnaast wordt een aanvullende besparing van € 900 tot € 1.200 perwoning verwacht op onderzoekskosten, onder meer door het gebruik vanopen data, standaardwaarden en betere digitale informatievoorziening.Een meer samenvattend overzicht van de voorgestelde maatregelen enhun verwachte effecten is opgenomen in hoofdstuk 16 van het advies-rapport: Sneller, Meer en Goedkoper – kwantitatieve indicaties.Onderzoek verlofstelselMede naar aanleiding van het rapport 1e fase van de adviesgroep en demotie Grinwis/Meulenkamp42 is in opdracht van het Ministerie van VROonderzoek uitgevoerd naar de voor- en nadelen van de introductie van eenverlofstelsel. De adviesgroep had daarin de aanbeveling opgenomen omde rechtbanken in eerste en enige aanleg te laten oordelen overomgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten met eenmogelijkheid voor de bestuursrechter om prejudiciële vragen te stellen. Inhet eindrapport is deze aanbeveling niet meer in die vorm opgenomen.41Adviesrapport «STOER – Woningbouw: Sneller, Meer, Goedkoper», juli 2025, hoofdstuk 16.42Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XXII, nr. 50.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138330 In het genoemde onderzoek zijn ook andere mogelijkheden om het hogerberoep te beperken, betrokken.43 Nu in het wetsvoorstel versterking regievolkshuisvesting is voorzien in beroep in één instantie bij de Afdelingbestuursrechtspraak voor woningbouwprojecten van ten minste éénwoning, is het op dit moment niet opportuun een verlofstelsel voorwoningbouw nader te beschouwen omdat dit geen verdere versnelling inde woningbouwprocedures zal opleveren.43Rijkuniversiteit Groningen, Voor- en nadelen van het beperken van het bestuursrechtelijkehoger beroep in omgevingsrechtelijke zaken door invoering van een verlofstelsel, 5 juni 2025,bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 297.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 138331
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris zegt toe de aanbevelingen van het concept-rapport STOER te overwegen en de Kamer hiervoor het tweeminutendebat te infomeren.
De staatssecretaris zegt toe de aanbevelingen van het concept-rapport STOER te overwegen en de Kamer hiervoor het tweeminutendebat te infomeren.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.