Verslag van een schriftelijk overleg inzake CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen (Kamerstuk 31765-973)
Brontekst
Versie 6b9a6ee29bb50809 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 765Kwaliteit van zorg31 865Verbetering verantwoording en begrotingNr. 984 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 9 juni 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 10 maart 2026 inzake CW3.1kaders voor AZWA-onderdelen (Kamerstuk 31 765, nr. 973).De vragen en opmerkingen zijn op 20 april 2026 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 9 juni 2026zijn de vragen door de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sporten van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Sjerp kst-31765-984ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9841 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de GroepMarkuszower8II.Reactie van de Minister8 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deCW3.1 kaders voor de AZWA-onderdelen. Daartoe hebben deze leden eenaantal vragen.In het Aanvullend Zorg- en Welzijnakkoord (AZWA) is het transforma-tiedoel geformuleerd om (gelijkwaardige) toegang tot de zorg te bevor-deren. Een van de meest dringende opgaven daarbij is de toeganke-lijkheid van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) verbeteren, onderandere door het schrappen van de exclusiecriteria bij GGZ-aanbieders. Deleden van de D66-fractie achten dit van groot belang, om ervoor te zorgendat passende zorg ook beschikbaar wordt voor de mensen die daar nutussen wal en schip vallen. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie deMinister hoe het hier nu mee staat, en of zij de Kamer kan informeren overde voortgang.Daarnaast, in het kader van gelijkwaardige toegang tot zorg bevorderen,hebben deze leden verdere vragen over de opschoning van en inzicht inde wachtlijsten. Het streven was om het schonen van de huidigewachtlijsten en meer inzicht in de wachtlijsten in Q1 van 2026 af teronden. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hier de huidigestand van zaken van is. Is er daadwerkelijk beter zicht in de wachtlijsten?Zijn de zorgverzekeraars hierdoor momenteel al beter in staat om zorggerichter in te kopen? Zijn er hierdoor al minderingen in de wachtlijsten tezien, specifiek voor de mensen die wachten op complexe GGZ?De leden van de D66-fractie hebben ook kennisgenomen van het kader opdoorbraakmiddelen. Deze leden vragen op welke manier wordt samenge-werkt met de staatsecretaris voor Digitale Economie en Soevereiniteit omeffectiviteit, soevereiniteit en veiligheid van deze initiatieven tewaarborgen. In het bijzonder vragen deze leden om een reflectie op hoeafhankelijkheid van specifieke aanbieders wordt meegenomen in dezebeleidsontwikkeling.In het kader over regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s)lezen de leden van de D66-fractie het doel over het ondersteunen vanhechte wijkverbanden. Hoe verhoudt dit doel zich tot de doelen uit hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9842 coalitieakkoord op het versterken van wijken en buurten? Op welkemanier kan het kader over de RESV’s ook aan deze doelstelling uit hetcoalitieakkoord bijdragen?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen en hebben geen verderevragen of opmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de brief van de Minister CW3.1 kaders voorAZWA-onderdelen. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingenover.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er oplopend tot € 50miljoen beschikbaar wordt gesteld voor het voorkomen van fraude in dezorg. Kan nader worden toegelicht waar dit voor wordt ingezet? Hoeveelfinanciële middelen zijn er naar verwachting nodig om het volledigebedrag van € 10 miljard fraude in de zorg tegen te gaan? Kan in een tabelworden weergegeven wat er naar verwachting per jaar aan fraude kanworden voorkomen of teruggevorderd?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag een toelichting vande Minister hoe de twee afspraken D5 en D6 er in de praktijk uit gaan zien.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er € 35 miljoen wordtvrijgemaakt voor het opschalen van het aantal IC-bedden. Hoe groot is hettekort van het aantal IC-bedden? Hoever zit het aantal bedden verwijderdvan het streven van 1.150 bedden? Hoeveel kost het beschikbaar stellenvan een gemiddeld IC-bed? Hoeveel geld is er dan nodig om het strevenvan 1.150 bedden te halen?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister over de CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Naar aanleidinghiervan hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.Naar aanleiding van het kader Medische preventie. De leden van dePVV-fractie hebben kennisgenomen van het CW3.1 kader voorAZWA-onderdelen. Zij constateren dat voor 2027 en 2028 telkens € 45miljoen uit het Zvw-kader wordt gereserveerd voor maatregelen op hetgebied van medische preventie, maar dat nog niet duidelijk is welkeconcrete maatregelen daaruit zullen worden bekostigd, welke beleidsin-strumenten worden ingezet en op basis van welke harde criteria keuzesworden gemaakt.Deze leden lezen dat potentiële maatregelen nog nader moeten wordenonderbouwd voordat deze structureel met Zvw-middelen kunnen wordenbekostigd. Ook staat vermeld dat de financiële gevolgen voor maatschap-pelijke sectoren nog onbekend zijn en dat er nog geen evaluaties bekendzijn. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister daarom welkeconcrete maatregelen thans op de ontwikkelagenda staan, op basis vanwelke criteria deze zijn geselecteerd en wanneer de Kamer daar inhou-delijk over wordt geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9843 Voorts vragen deze leden de Minister hoe wordt voorkomen dat geld voormedische preventie wordt gereserveerd zonder dat vooraf voldoendeduidelijk is wat de daadwerkelijke gezondheidswinst, de besparing in hetZvw-kader en de uitvoerbaarheid zijn. Deze leden vragen de Minister pervoorgenomen maatregel inzichtelijk te maken welke verwachte gezond-heidswinst, welke kosten en welke terugverdieneffecten worden voorzien.Ook vragen de leden van de PVV-fractie waarom al middelen wordengereserveerd terwijl de evaluatieparagraaf expliciet vermeldt dat er noggeen evaluaties bekend zijn. Deze leden vragen hoe de Kamer in staatwordt gesteld haar controlerende taak uit te oefenen zolang concreteuitwerking, financiële effecten voor sectoren en toetsbare evaluatie-indicatoren nog ontbreken.Naar aanleiding van het kader Aanpak zorgfraude. De leden van dePVV-fractie steunen een stevige aanpak van zorgfraude. Zorggeld isbedoeld voor zorg en niet voor fraudeurs, tussenpersonen of malafideaanbieders. Deze leden lezen dat er vanaf 2027 oplopend structureel extrageld beschikbaar komt voor de aanpak van zorgfraude. Kan de Ministerconcreet uiteenzetten hoe deze middelen per jaar zullen worden ingezet?Welk deel gaat naar toezicht, welk deel naar opsporing, welk deel naarhandhaving en welk deel naar eventuele aanscherping van wet- enregelgeving? Kan de Minister daarnaast per maatregelen een tijdspadschetsen?Deze leden lezen daarnaast dat wordt ingezet op meer eenduidig beleid,basiseisen aan vergunningen en mogelijk een verbreding van devergunningplicht. Kan de Minister concreet maken wat zij hier preciesonder verstaat? Welke maatregelen wil zij nemen om zorgfraude eerder tesignaleren en sneller aan te pakken? Wordt daarbij ook gekeken naarstrengere toelating aan de voorkant, zodat malafide zorgaanbieders nieteerst kunnen starten en pas veel later worden aangepakt?De leden van de PVV-fractie vragen verder hoe straks wordt vastgesteld ofdeze extra investering ook echt effect heeft. Op welke manier wordtgemeten of sprake is van meer opgespoorde fraude, meer terugvorde-ringen, meer interventies en minder weglekkend zorggeld? Wanneer kande Kamer de eerste concrete resultaten verwachten?Naar aanleiding van het kader Basisfunctionaliteiten en basisinfra-structuur. De leden van de PVV-fractie lezen dat voor basisfunctionaliteitenen basisinfrastructuur zeer grote bedragen naar gemeenten gaan. Dezeleden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat dit geld vooral opgaataan gemeentelijke processen, coördinatie, overlegtafels en extrabeleidslagen, in plaats van aan concrete verbetering voor mensen die zorgof ondersteuning nodig hebben.Kan de Minister helder maken wat inwoners, zorgverleners en mantel-zorgers hier straks in de praktijk van moeten merken? Wanneer is ditvolgens de Minister geslaagd? Wanneer moeten de eerste resultatenworden behaald? En hoe wordt vastgesteld of deze investeringeninderdaad leiden tot minder druk op de Zorgverzekeringswet, beteresamenwerking en snellere toegang tot passende ondersteuning?Deze leden lezen dat de financieringsvorm nog wordt uitgewerkt inoverleg tussen VNG, fondsbeheerders en VWS. Waarom is daar nog geenduidelijkheid over, terwijl het wel om forse bedragen gaat? Kan deMinister toezeggen dat de Kamer vooraf inzicht krijgt in de gekozenfinancieringsvorm, de verdeelsleutel en de voorwaarden waarondergemeenten deze middelen ontvangen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9844 De leden van de PVV-fractie vragen bovendien hoe wordt voorkomen datopnieuw grote verschillen ontstaan tussen gemeenten en regio’s,waardoor inwoners afhankelijk van hun woonplaats met anderewerkwijzen, toegangseisen of kwaliteitsniveaus te maken krijgen.Naar aanleiding van het kader Intensive Care-basiscapaciteit. De leden vande PVV-fractie vinden het van groot belang dat Nederland bij crises,pandemieën of andere calamiteiten beschikt over voldoende IC-capaciteit.Deze leden lezen echter dat nog altijd onduidelijk is met welk beleidsin-strument wordt toegewerkt naar een basiscapaciteit van ten minste 1.150IC-bedden. Waarom is daar nog steeds geen duidelijkheid over?De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat inmiddels de standvan zaken is van de aangekondigde verkenning naar wet- en regelgeving.Wanneer verwacht de Minister de Kamer hierover concreet te informeren?Is zij het met deze leden eens dat wettelijke borging steeds logischerwordt, nu het de betrokken partijen al jaren niet lukt om hier onderlingsluitende afspraken over te maken?Deze leden lezen dat jaarlijks middelen zijn gereserveerd voorIC-opschaling. Waarop is dat bedrag precies gebaseerd? Is dit bedragvolgens de Minister voldoende om de gewenste basiscapaciteit daadwer-kelijk te realiseren en in stand te houden? Zo nee, welk tekort verwacht zijdan?Ook vragen deze leden hoe de Minister straks wil toetsen of die basiscapa-citeit in de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald en behouden, en nietalleen op papier bestaat.Naar aanleiding van het kader Opleiden en ontwikkelen als vanzelfspre-kendheid. De leden van de PVV-fractie lezen dat fors wordt ingezet opstrategisch opleiden, vervolgopleidingen, instroom, doorstroom en bij- ennascholing. Deze leden delen de opvatting dat het personeelstekort in dezorg een van de grootste problemen van dit moment is. Tegelijkertijdvragen zij hoe wordt voorkomen dat deze middelen te veel blijven hangenin subsidieregelingen, procesafspraken en algemene ontwikkeltrajecten,zonder dat dit voldoende merkbaar wordt op de werkvloer.Kan de Minister concreet aangeven wat deze investering volgens haarmoet opleveren? Hoeveel extra instroom, hoeveel extra opleidingscapa-citeit en hoeveel minder uitval of uitstroom verwacht zij hiermee terealiseren? Kan zij dit ook uitsplitsen naar sectoren of tekortberoepen?De leden van de PVV-fractie lezen dat in 2026 uitvoering wordt gegevenvia de subsidie Strategisch Opleiden Zorg en Welzijn. Welke partijenkunnen van deze regeling gebruikmaken? Op basis van welkevoorwaarden gebeurt dat? En hoe wordt gewaarborgd dat middelendaadwerkelijk terechtkomen op plekken waar de personeelstekorten hetgrootst zijn?Deze leden vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat geld vooralterechtkomt bij brede scholingstrajecten, plannen of organisatieontwik-keling, terwijl het grootste probleem juist zit in het tekort aan mensen opde werkvloer. Welke concrete resultaatsafspraken worden gemaakt om teborgen dat deze middelen ook echt bijdragen aan meer inzetbaarpersoneel, minder uitstroom en meer capaciteit in tekortsectoren? Ookvragen deze leden wanneer de Kamer de eerste concrete resultaten vandeze investering kan verwachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9845 Naar aanleiding van het kader Doorbraakmiddelen. De leden van dePVV-fractie lezen dat in 2027 en 2028 jaarlijks € 400 miljoen beschikbaarkomt voor doorbraakmiddelen, onder meer voor AI, medische technologieen hulpmiddelen. Deze leden vinden dat innovatie alleen zin heeft als diedaadwerkelijk leidt tot minder werkdruk, meer tijd voor de patiënt enbetere toegankelijkheid van zorg. Kan de Minister daarom concreetaangeven aan welke voorwaarden projecten moeten voldoen om voordeze middelen in aanmerking te komen?Genoemde leden lezen dat het kabinet wil voorkomen dat opnieuw hetprincipe geldt van wie het eerst komt, die het eerst maalt. Welke gover-nance wordt hiervoor precies uitgewerkt? Wie beslist straks over detoekenning, op basis van welke criteria en hoe wordt voorkomen datvooral grote partijen of instellingen met de sterkste lobby er met hetgrootste deel van de middelen vandoor gaan?De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe de Minister voorkomtdat deze middelen terechtkomen bij tijdelijke pilots, adviestrajecten oftechnologische projecten die na afloop niet worden opgeschaald ofuiteindelijk onvoldoende opleveren. Welke eisen worden gesteld aanaantoonbare arbeidsbesparing, opschaalbaarheid en structureleinbedding?Ook vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat technologie juist leidttot extra registratielast, extra scholingsdruk of nieuwe afhankelijkhedenvan commerciële leveranciers, in plaats van tot verlichting op dewerkvloer.Naar aanleiding van het kader Regionale eerstelijnssamenwerkingsver-banden (RESV’s). De leden van de PVV-fractie lezen dat structureel extramiddelen worden toegevoegd voor regionale eerstelijnssamenwerkings-verbanden. Deze leden begrijpen dat samenwerking belangrijk is, maarzijn ook kritisch op nieuwe structuren waarvan het risico bestaat datopnieuw geld verdwijnt in organisatie, overleg en vertegenwoordiging, inplaats van in directe zorg voor de patiënt. Kan de Minister daaromconcreet uiteenzetten hoeveel van deze middelen naar verwachtingterechtkomt bij bestuur, coördinatie, ondersteuning en organisatie, enhoeveel daadwerkelijk ten goede komt aan betere zorgverlening in dewijk?De leden van de PVV-fractie lezen dat een RESV vijf hoofdtaken krijgt. Kande Minister per hoofdtaak toelichten waarom deze niet binnen bestaandesamenwerkingsstructuren of bestaande organisaties kan wordenondergebracht? Waarom is hiervoor een nieuwe regionale laag nodig?Deze leden vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat eerstelijnszorg-aanbieders juist meer tijd kwijt zijn aan afstemming, vertegenwoordigingen regionale processen. Hoe wordt gemeten of deze RESV’s daadwerkelijkbijdragen aan minder druk op de werkvloer en betere toegankelijkheid vanzorg?Deze leden lezen verder dat sprake is van een experimentbekostiging toten met 2032. Waarom is gekozen voor zo’n lange looptijd? Wanneer wordttussentijds geëvalueerd? En op welk moment kan worden besloten om bijtegenvallende resultaten te stoppen of bij te sturen?Naar aanleiding van onderdeel Algemeen. De leden van de PVV-fractiemerken op dat in meerdere kaders wordt verwezen naar monitoring viabrede AZWA-voortgangsrapportages. Deze leden vragen de Minister of zijbereid is de Kamer per onderdeel ook afzonderlijk en concreet teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9846 informeren over de besteding van middelen, de voortgang, de uitvoe-ringsproblemen en de meetbare resultaten, zodat de Kamer niet alleen ophoofdlijnen maar ook echt inhoudelijk en financieel kan controleren.Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister over de volle breedte wilvoorkomen dat AZWA-middelen vooral neerslaan in bestuurlijke drukte,regionale overlegstructuren, experimenten en proceskosten, terwijl deproblemen op de werkvloer en de druk op de toegankelijkheid van zorgonverminderd groot blijven.Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om per onderdeelzo concreet mogelijk inzichtelijk te maken welk effect zij in 2027, 2028 endaarna verwacht op de toegankelijkheid van zorg, de arbeidsmarktte-korten, de wachttijden en de doelmatige inzet van zorggeld.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Minister over de CW3.1 kaders van het Aanvullend Zorg- enWelzijnsakkoord (AZWA) en hebben op dit moment geen aanvullendevragen of opmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakede CW3.1 kaders voor verschillende onderdelen uit het Aanvullend Zorg-en Welzijnsakkoord (AZWA). Deze leden hebben daarover nog enkelevragen.De leden van de BBB-fractie lezen dat met de subsidie StrategischOpleiden Zorg en Welzijn wordt ingezet op het versterken van de lerendeomgeving, onder meer door extra opleidingsplekken te realiseren voorberoepen waar de tekorten het grootst zijn. Deze leden onderschrijven hetbelang daarvan, zeker gezien de groeiende personeelstekorten in de zorg.Zij vragen in dit verband hoe de Minister de adviezen van het Capaciteits-orgaan betrekt bij de invulling van deze opleidingsinspanningen. Kan deMinister bevestigen dat het kabinet bij de verdeling van opleidings-plaatsen blijft uitgaan van de onafhankelijke adviezen van het Capaciteits-orgaan? Zo nee, waarom niet, en welke alternatieve afwegingen wordendan gemaakt?De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat er momenteel in sommigemedische specialismen een groot aantal vacatures bestaat, terwijl ertegelijkertijd voldoende belangstelling is voor de opleiding. Zo staan ervolgens signalen uit het veld ruim honderd vacatures open voor spoedei-sende hulpartsen, terwijl het aantal sollicitanten voor de opleiding groot isen de opleidingscapaciteit aanwezig zou zijn. Deze leden vragen hoe deMinister deze discrepantie verklaart en wat er wordt gedaan om ervoor tezorgen dat beschikbare opleidingscapaciteit daadwerkelijk wordt benutvoor beroepen waar de tekorten het grootst zijn.Daarnaast vragen deze leden hoe bij het vergroten van de instroom ookrekening wordt gehouden met de regionale spreiding van zorgprofessi-onals. Zij wijzen erop dat personeelstekorten zich niet alleen per beroeps-groep voordoen, maar ook sterk regionaal verschillen. Wordt bij het beleidrondom opleidingsplaatsen en instroom ook expliciet gekeken naar deregionale verdeling van zorgprofessionals?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9847 De leden van de BBB-fractie wijzen in dit verband op onderzoek van hetUMC Utrecht waaruit blijkt dat het huidige toelatingsbeleid van degeneeskundeopleiding regionale huisartsentekorten in stand kan houden,doordat studenten vaak afkomstig zijn uit regio’s waar al relatief veelartsen zijn en daar later ook terugkeren. In verschillende landen bestaandaarom selectieregelingen waarbij studenten uit regio’s met tekortenextra kans krijgen op een opleidingsplek, mits zij zich later voor eenbepaalde periode aan die regio verbinden. Deze leden vragen hoe deMinister naar dergelijke modellen kijkt. Worden de inzichten uit ditonderzoek betrokken bij het beleid rond de instroom in medischeopleidingen? Ziet de Minister mogelijkheden om, bijvoorbeeld via selectie,regionale opleidingsplaatsen of andere instrumenten, meer studenten uit(en binnen) regio’s met tekorten op te leiden, zodat zij later ook in dieregio’s aan het werk gaan?De leden van de BBB-fractie lezen dat vanaf 2027 € 70 miljoen structureelwordt toegevoegd aan het budgettair kader multidisciplinaire zorg om deregionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s) te financieren.Deze leden onderschrijven het belang van goede regionale samenwerkingin de eerstelijnszorg. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de tekortenin de eerstelijnszorg in sommige regio’s zeer groot zijn. In verschillendedelen van het land staan huisartsenpraktijken onder zware druk ofverdwijnen zelfs uit regio’s, waardoor inwoners steeds verder moetenreizen voor basiszorg. De leden van de BBB-fractie vragen daarom hoe deMinister heeft bepaald dat het beschikbare budget toereikend zal zijn voorde uitvoering van de taken van de RESV’s. Op welke aannames is ditbedrag gebaseerd, en is daarbij rekening gehouden met de groteregionale verschillen in zorgvraag en personeelsbeschikbaarheid?Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister wil voorkomen datverschillen tussen regio’s verder toenemen. Is de Minister het met dezeleden eens dat het in een land als Nederland onwenselijk is dat detoegang tot eerstelijnszorg sterk afhankelijk wordt van de postcode vaneen patiënt? Op welke manier dragen de RESV’s concreet bij aan hetverkleinen van regionale verschillen in toegankelijkheid van zorg?Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractieDe leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden vande brief en bijlagen inzake CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Zijwillen hierover nog enkele vragen stellen.Met betrekking tot het doel aanpak van zorgfraude: op basis waarvan zijndeze bedragen vastgesteld? En op basis waarvan verwacht de Minister datdit genoeg is? Zijn er als dit nodig blijkt, mogelijkheden om dit teintensiveren?Ten aanzien van de IC-Basiscapaciteit: op welke termijn wil de Ministermeer duidelijkheid hebben? Gezien de urgentie is een open einde immersniet gewenst.Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van devoorliggende stukken en wachten de reactie van de Minister metbelangstelling af.Reactie van de MinisterDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deCW3.1 kaders voor de AZWA-onderdelen. Daartoe hebben deze leden eenaantal vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9848 In het Aanvullend Zorg- en Welzijnakkoord (AZWA) is het transforma-tiedoel geformuleerd om (gelijkwaardige) toegang tot de zorg te bevor-deren. Een van de meest dringende opgaven daarbij is de toeganke-lijkheid van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) verbeteren, onderandere door het schrappen van de exclusiecriteria bij GGZ-aanbieders. Deleden van de D66-fractie achten dit van groot belang, om ervoor te zorgendat passende zorg ook beschikbaar wordt voor de mensen die daar nutussen wal en schip vallen. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie deMinister hoe het hier nu mee staat, en of zij de Kamer kan informeren overde voortgang.In het AZWA is afgesproken dat zorgaanbieders vanaf 2026 stoppen methet hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit zorginhoudelijkstrikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderings-gevallen. Alleen voor een aantal «laag volume, hoog complexezorgvragen» kunnen exclusiecriteria gelden, op basis waarvan vanuit eenregio kan worden doorverwezen naar een landelijke (hoogspecialistische)voorziening. Het uitgangspunt is dat er in elke regio voldoende kwalitatiefgoed aanbod gecontracteerd wordt.Betrokken partijen en het Ministerie van VWS erkennen breed dat mensenmet complexe en/of meervoudige problematiek niet tussen wal en schipmogen vallen. Zorgverzekeraars hebben het inperken van exclusiecriteriaopgenomen in het inkoopbeleid voor de ggz vanaf 2027. Omdat op ditmoment nog geen landelijk kader aanwezig is, wordt de AZWA-afspraakdoor de verschillende verzekeraars op dit moment verschillend ingevuld.Enkele landelijke ggz-partijen (Meerggz, NIP, LVvP) werken nu een nadereduiding van de afspraak uit, in het bijzonder van het criterium «wanneerdit zorginhoudelijk strikt noodzakelijk is». Op basis daarvan voeren zijgesprekken met ZN over de ontwikkeling van een gemeenschappelijkkader. Daarbij wordt gezocht naar werkbare, generiek toepasbareafspraken rondom het afschaffen van exclusiecriteria die in de praktijkkunnen worden toegepast. Het streven is om voor 1 juli 2026 tot eengemeenschappelijk kader te komen. Dit zal ervoor zorgen dat exclusiecri-teria consistent niet meer worden toegepast, waardoor naar verwachtingminder mensen tussen wal en schip zullen vallen.Daarnaast, in het kader van gelijkwaardige toegang tot zorg bevorderen,hebben deze leden verdere vragen over de opschoning van en inzicht inde wachtlijsten. Het streven was om het schonen van de huidigewachtlijsten en meer inzicht in de wachtlijsten in Q1 van 2026 af teronden. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hier de huidigestand van zaken van is. Is er daadwerkelijk beter zicht in de wachtlijsten?Zijn de zorgverzekeraars hierdoor momenteel al beter in staat om zorggerichter in te kopen? Zijn er hierdoor al minderingen in de wachtlijsten tezien, specifiek voor de mensen die wachten op complexe GGZ?Er is nog geen beter zicht op de wachtlijsten omdat er op dit moment nogonvoldoende declaratiedata beschikbaar is. Per 1 januari 2026 is eennieuwe werkwijze ingegaan voor het inzichtelijk maken van wachttijden inde geestelijke gezondheidszorg. Wachttijdinformatie wordt door zorgaan-bieders met één vestiging sindsdien niet langer handmatig door zorgaan-bieders aangeleverd bij de NZa, maar retrospectief afgeleid uit declara-tiedata. Het streven is dat vanaf 2027 hetzelfde geldt voor zorgaanbiedersmet meerdere vestigingen. Deze wijziging is doorgevoerd omdat dezewerkwijze administratieve lastendruk verlicht en omdat de eerderegegevens onvoldoende betrouwbaar bleken, onder meer door dubbelre-gistraties, variatie in registratiewijze en het meerekenen van cliënten diebewust op een wachtlijst bleven staan vanwege een voorkeur voor eenspecifieke aanbieder. De eerste cijfers worden in de loop van 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9849 verwacht, nadat voldoende declaratiedata is verzameld om deze tekunnen analyseren.Het is daarom ook nog te vroeg om te zeggen wat de impact is op dezorginkoop aangezien de zorgverzekeraars de komende tijd pas de eerstebruikbare inzichten krijgen uit de binnenkomende declaratiedata. Sinds1 januari 2026 ontvangen de individuele verzekeraars op basis van deverplichting van de NZa steeds meer informatie over de wachttijden voorhun eigen verzekerden. De inzichten die hiermee ontstaan worden doorverzekeraars gebruikt in de zorgbemiddeling (die zorgverzekeraars sindsapril proactief toepassen) en de zorginkoop. Dit wordt verder versterktwanneer vanaf 1 januari 2027 ook informatie over de behandellocatiewordt toegevoegd aan de declaratieberichten.Het is op dit moment daarmee nog te vroeg om conclusies te trekken overde landelijke ontwikkelingen in wachttijden, inclusief de wachttijdenbinnen de complexe ggz en het terugdringen van wachtlijsten. Omdat demeetmethode is gewijzigd, zijn de nieuwe cijfers niet één-op-éénvergelijkbaar met eerdere gegevens. Pas na een langere periode vandataverzameling via declaratiedata kan dit wel worden gedaan.De leden van de D66-fractie hebben ook kennisgenomen van het kader opdoorbraakmiddelen. Deze leden vragen op welke manier wordt samenge-werkt met de staatsecretaris voor Digitale Economie en Soevereiniteit omeffectiviteit, soevereiniteit en veiligheid van deze initiatieven tewaarborgen. In het bijzonder vragen deze leden om een reflectie op hoeafhankelijkheid van specifieke aanbieders wordt meegenomen in dezebeleidsontwikkeling.Voor de doorbraakmiddelen zal worden gewerkt met landelijke, gestan-daardiseerde modelplannen die per gekozen toepassingsgebied alsformat dienen voor uitwerking en opschaling. Bij de uitwerking van demodelplannen voor de doorbraakmiddelen is als basiseis opgenomen datdeze in lijn moeten zijn met geldende wet- en regelgeving, landelijkeafspraken en standaarden, en dat relevante expertise wordt betrokken inde uitwerking. Daarmee wordt, wanneer van toepassing, ook aandachtbesteed aan aspecten als veiligheid en digitale autonomie. Ten aanzienvan deze specifieke aspecten wordt aangesloten bij de Agenda DigitaleOpen Strategische Autonomie (2023) en de daarin opgenomen acties.Daarnaast is met het Ministerie van Economische Zaken afgesproken datwaar nodig wordt samengewerkt bij de toetsing van deze randvoor-waarden, zodat expertise op het gebied van digitale economie ensoevereiniteit structureel wordt meegenomen in het proces. Ten aanzienvan de afhankelijkheid van specifieke leveranciers geldt dat als basiseisvoor de modelplannen is opgenomen dat wordt toegelicht hoeongewenste marktverstorende effecten worden voorkomen. Daarbij geldtdat toepassingsgebieden in de modelplannen functioneel wordenomschreven, in plaats van leveranciersspecifiek. Op die manier wordtgeborgd dat verschillende aanbieders kunnen aansluiten en datvoldoende ruimte blijft bestaan voor concurrentie tussen verschillendeaanbieders, softwareleveranciers en bedrijven die producten ontwikkelen.In het kader over regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s)lezen de leden van de D66-fractie het doel over het ondersteunen vanhechte wijkverbanden. Hoe verhoudt dit doel zich tot de doelen uit hetcoalitieakkoord op het versterken van wijken en buurten? Op welkemanier kan het kader over de RESV’s ook aan deze doelstelling uit hetcoalitieakkoord bijdragen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98410 Door betere samenwerking tussen zorg- en welzijnsprofessionals opwijkniveau, versterken we de wijk of buurt zelf. De ondersteuning vanRESV’s aan hechte wijkverbanden betekent dat de professionals in de wijkworden gefaciliteerd om steviger samen te werken. Naast betere cohesietussen zorgaanbieders binnen de eerste lijn, is ook de verbinding metwelzijn een belangrijk speerpunt. Dat is relevant voor mensen diebijvoorbeeld bij de huisarts komen met klachten waarvan de oorzaak nietzozeer ligt in het medische domein.Voor het versterken van wijken en buurten is nog meer nodig. Daarominvesteert het kabinet in samenhang hiermee ook in de basisinfra-structuur. In het AZWA zijn afspraken gemaakt over de beschikbaarheidvan basisvoorzieningen op het gebied van gezondheid, ondersteuning,welzijn en zorg (afspraak D6). Met deze afspraak wordt ontmoeting enverbinding gestimuleerd en wordt o.a. ingezet op het versterken van delokale kracht van inwoners en van de netwerksamenwerking in wijken enbuurten. Sterke lokale gemeenschappen waarin inwoners, informelenetwerken en formele zorg- en welzijnsorganisaties samenwerken omelkaar te ondersteunen bij hulpvragen zijn nodig omdat professionals nietalle hulpvragen alleen kunnen opvangen. Daarom investeert dit kabinetnaast de AZWA-middelen aanvullend in gemeenschapsontwikkeling enzorgzame buurten waar ontmoeting en de opbouw van sterke netwerkencentraal staat. Het kabinet heeft van 2027 tot en met 2029 jaarlijks 40miljoen gereserveerd om de sociale cohesie in wijken en buurten verderte versterken.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen en hebben geen verderevragen of opmerkingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de brief van de Minister CW3.1 kaders voorAZWA-onderdelen. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingenover.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er oplopend tot € 50miljoen beschikbaar wordt gesteld voor het voorkomen van fraude in dezorg. Kan nader worden toegelicht waar dit voor wordt ingezet? Hoeveelfinanciële middelen zijn er naar verwachting nodig om het volledigebedrag van € 10 miljard fraude in de zorg tegen te gaan? Kan in een tabelworden weergegeven wat er naar verwachting per jaar aan fraude kanworden voorkomen of teruggevorderd?Met de beschikbare middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord(AZWA) wordt ingezet op een substantiële versterking van de aanpak vanzorgfraude. Deze middelen worden in samenhang ingezet op de volgendeprioriteiten:•het versterken van de integrale en multidisciplinaire samenwerkingtussen ketenpartners, aangezien geen enkele partij zorgfraudezelfstandig effectief kan bestrijden;•het aanscherpen van toetsing aan de poort, om te voorkomen datmalafide zorgaanbieders toetreden tot het zorgstelsel;•het uitbreiden van operationele capaciteit bij betrokken organisaties;•het verbeteren van gegevensuitwisseling tussen ketenpartners, binnende geldende juridische kaders;•het vergroten van de slagkracht in de uitvoering door optimaal gebruikte maken van bestaande bevoegdheden;•het versterken van de maatschappelijke verantwoording over deresultaten van de aanpak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98411 Het is niet mogelijk om eenduidig vast te stellen hoeveel financiëlemiddelen nodig zijn om de genoemde € 10 miljard aan zorgfraude tegente gaan. Dit bedrag betreft een brede schatting met aanzienlijke onzeker-heidsmarges, terwijl de effectiviteit van maatregelen afhankelijk is vandiverse factoren, zoals gedragseffecten, opsporingsmogelijkheden enpreventieve werking.Om diezelfde redenen kan ook niet betrouwbaar in een tabel wordenweergegeven hoeveel fraude jaarlijks kan worden voorkomen of terugge-vorderd. Wel is de inzet van het kabinet erop gericht om zowel preventieals opsporing en handhaving te versterken, zodat fraude zoveel mogelijkwordt voorkomen en onterecht bestede middelen worden teruggehaald.In de Kamerbrief over zorgfraude die juni 2026 aan de Kamer wordtverzonden, zal het kabinet nader ingaan op de concrete uitwerking vandeze versterkte en samenhangende aanpak, inclusief de beoogde inzetvan middelen en de wijze waarop de voortgang inzichtelijk wordtgemaakt.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag een toelichting vande Minister hoe de twee afspraken D5 en D6 er in de praktijk uit gaan zien.De afspraken D5 en D6 uit het AZWA zijn bedoeld om de samenwerkingtussen het zorgdomein en het sociaal domein structureel te versterken.Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de zogenoemdebasisfunctionaliteiten (D5) en anderzijds de daarvoor benodigde basisin-frastructuur (D6).Voor D5 betekent dit concreet dat gemeenten, zorgverzekeraars enaanbieders van zorg en ondersteuning per leefgebied afspraken makenover een gecombineerde inzet vanuit zorg en sociaal domein metonderbouwde interventies. Gemeenten committeren zich aan hetaanbieden van interventies en een aanbod in het sociaal domein engezondheidsdomein. Het gaat om een concreet aanbod waar inwonersgebruik van kunnen maken: laagdrempelige steunpunten, sociaalverwijzen, valpreventie, ketenaanpak overgewicht volwassenen, enkansrijke start: integrale gezinspoli en nu niet zwanger. De afgelopen jarenzijn hier al de nodige stappen op gezet. Met het AZWA moeten dezebasisfunctionaliteiten uiteindelijk in alle regio’s beschikbaar zijn enworden opgenomen in regionale plannen. Een aantal aanpakken op deontwikkelagenda deel 1 wordt de komende periode nog uitgewerkt omaan de criteria van basisfunctionaliteiten te voldoen, zoals voldoendebewijs over de verwachte besparing in Zvw of Wlz. Voorbeelden hiervanzijn de ketenaanpak dementie, rookvrije start of mentale gezondheidsnet-werken.Voor de uitvoering van de basisfunctionaliteiten is een goede structuur enbasis vereist (D6). Partijen hebben onder meer afgesproken dat hiertoebasisvoorzieningen in wijken en buurten op het gebied van gezondheid,ondersteuning, welzijn en zorg beschikbaar zijn. Daarbij gaat het ondermeer om herkenbare inloopvoorzieningen in wijken, verbinding tusseneerstelijnszorg en sociaal domein, (mentaal) gezonde school enversterking van verbinding tussen lokale teams en de jeugdgezond-heidszorg. In de praktijk krijgen gemeenten middelen om hierin teinvesteren. Hiervoor wordt onder meer een handreiking voor inloopvoor-zieningen ontwikkeld, deze is voor de zomer afgerond. Ook wordt ingezetop versterking van de sociale basis in buurten en ondersteuning vanburgerinitiatieven en stevige lokale teams met een verbinding met dehechte wijkverbanden van de eerstelijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98412 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er € 35 miljoen wordtvrijgemaakt voor het opschalen van het aantal IC-bedden. Hoe groot is hettekort van het aantal IC-bedden? Hoever zit het aantal bedden verwijderdvan het streven van 1150 bedden?Binnen het kader msz is sinds 2022 € 35 miljoen beschikbaar voor deIntensive Care (IC)-opschaling. Hiermee is ruimte geboden om eventuelemeerkosten van IC opschalen tot 1150 bedden te bekostigen. Vanaf 2023waren deze middelen onderdeel van het afgesproken msz kader in hetIntegraal Zorgakkoord. In de VWS begroting 2026 is deze € 35 miljoenbuiten het msz kader gereserveerd omdat nog niet duidelijk is hoeveelmiddelen er precies nodig zijn.Het aantal beschikbare IC-bedden in Nederland komt tot stand op basisvan de zorgvraag. Binnen het stelsel kopen zorgverzekeraars de zorg indie nodig is voor hun verzekerden. Zorgverzekeraars kopen in op basisvan de reguliere zorgvraag en de geldende afspraken over kwaliteit,waaronder de huidige kwaliteitstandaard.1 Hierin is ook opgenomen dater sprake moet zijn van overcapaciteit omdat de IC zorgvraag fluctueertgedurende het jaar. De precieze landelijke IC bezetting wordt momenteelniet gemonitord. Tijdens de Covid-19 pandemie werd de IC bezetting wellandelijk gemonitord maar ziekenhuizen hebben in juni 2024 besloten datdit niet langer noodzakelijk is. De Nederlandse Vereniging voor IntensiveCare geeft bij navraag aan dat de huidige operationele capaciteit op850–900 bedden ligt. Er zijn in het de afgelopen periode geen structurelebeddentekorten geweest, ook niet gedurende de griepseizoenen.Veldpartijen doorlopen momenteel een traject om te bepalen hoe deIC-zorg zo goed mogelijk kan worden ingericht en welke basiscapaciteitdaarbij wenselijk is. Daarnaast verkent het Ministerie van VWS demogelijkheid om een basiscapaciteit wettelijk vast te leggen.2 Het kabinetzal u voor de zomer informeren over de tussentijdse uitkomsten van beidesporen.Hoeveel kost het beschikbaar stellen van een gemiddeld IC-bed?Een eerder uitgevoerd kostprijsonderzoek3 laat zien dat de kosten,inclusief personeelsinzet, voor het beschikbaar stellen van een IC-bedtussen de € 242.500 (voor ziekenhuizen met meer dan 20 IC-bedden) en€ 442.500 (voor ziekenhuizen met minder dan 20 IC-bedden) per jaarliggen.De organisatie en kosten van de IC zorg zijn onderdeel van de medischspecialistische zorg. Zorgaanbieders moeten zorgen voor onder anderepersoneel, materialen en apparatuur wanneer zij een IC-bed beschikbaarstellen. Ongeveer 75% procent van de kosten voor IC-zorg zijn voorpersoneelsinzet.4 De kosten van een IC-bed hangen daarmee sterk af vande personeelsbezetting. Het is aan zorgaanbieders om te bepalen hoe zijpersoneel inzetten, waarbij rekening gehouden dient te worden metlandelijke afspraken vanuit o.a. de beroepsgroepen. Extra inzet vanpersoneel op de IC betekent dat personele capaciteit wordt weggehaald inde overige medisch specialistische zorg waar reeds schaarste bestaat.1Kwaliteitstandaard Organisatie van Intensive Care-zorg (IC-zorg), Zorginstituut Nederland,19 juli 20162Kamerstukken II, 2025/2026, 29 247, nr.4643Kostprijsonderzoek naar beschikbaar houden schaalbare IC-capaciteit in Nederland, VanberkelProfessionals, 8 juli 20244Uitvoeringsadvies budgetbekostiging intensive care, Nederlandse Zorgautoriteit, Uitvoerings-advies budgetbekostiging intensive care (ic) | Rapport | rijksoverheid.nl, 11 november 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98413 Hoeveel geld is er dan nodig om het streven van 1.150 bedden te halen?De kosten zijn eerder geraamd op 35 miljoen euro. Dit bedrag is destijdsgebaseerd op de beschikbaarheidsvergoeding die zorgverzekeraars in2021 aan ziekenhuizen hebben verstrekt voor de opschaling tot 1.150IC-bedden in fase 1 van het Opschalingsplan COVID-19. Daarmee isfinanciële ruimte gecreëerd om eventuele meerkosten van het realiserenvan een hogere basiscapaciteit op te kunnen vangen. Een meer gespecifi-ceerde of geactualiseerde raming is op dit moment niet beschikbaar. Inpraktijk zullen de kosten afhankelijk zijn van afspraken die wordengemaakt tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders.De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister over de CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Naar aanleidinghiervan hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.Naar aanleiding van het kader Medische preventie. De leden van dePVV-fractie hebben kennisgenomen van het CW3.1 kader voorAZWA-onderdelen. Zij constateren dat voor 2027 en 2028 telkens € 45miljoen uit het Zvw-kader wordt gereserveerd voor maatregelen op hetgebied van medische preventie, maar dat nog niet duidelijk is welkeconcrete maatregelen daaruit zullen worden bekostigd, welke beleidsin-strumenten worden ingezet en op basis van welke harde criteria keuzesworden gemaakt.Deze leden lezen dat potentiële maatregelen nog nader moeten wordenonderbouwd voordat deze structureel met Zvw-middelen kunnen wordenbekostigd. Ook staat vermeld dat de financiële gevolgen voor maatschap-pelijke sectoren nog onbekend zijn en dat er nog geen evaluaties bekendzijn. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister daarom welkeconcrete maatregelen thans op de ontwikkelagenda staan, op basis vanwelke criteria deze zijn geselecteerd en wanneer de Kamer daar inhou-delijk over wordt geïnformeerd.De acht maatregelen op de ontwikkelagenda omvatten drie maatregelengericht op seksuele gezondheid, mpox-vaccinatie, huidkankerpreventie,coeliakie-screening door de Jeugdgezondheidszorg (JGZ), belonen vanstoppen met roken van toekomstige ouders en mondzorg voor minima.De maatregelen op de ontwikkelagenda zijn geselecteerd op basis van demate waarin er reeds wetenschappelijk bewijs beschikbaar is van deeffectiviteit en/of op basis van beschikbare kennis redelijkerwijs kanworden verwacht dat er een positief gezondheidseffect is. Hierbij is inbelangrijke mate gebruik gemaakt van eerdere adviezen van de Gezond-heidsraad en de kennis van onder andere het RIVM. Daarbij is ookmeegewogen welke vermindering van de zorgvraag wordt verwacht.Voorts vragen deze leden de Minister hoe wordt voorkomen dat geld voormedische preventie wordt gereserveerd zonder dat vooraf voldoendeduidelijk is wat de daadwerkelijke gezondheidswinst, de besparing in hetZvw-kader en de uitvoerbaarheid zijn. Deze leden vragen de Minister pervoorgenomen maatregel inzichtelijk te maken welke verwachte gezond-heidswinst, welke kosten en welke terugverdieneffecten worden voorzien.Met de Voorjaarsnota 2026 zijn de financiële middelen voor de ontwikkel-agenda van AZWA onderdeel B4 overgeheveld naar de begroting van hetMinisterie van VWS.5 In 2027 en 2028 wordt jaarlijks € 27,5 miljoenbesteed aan drie maatregelen gericht op seksuele gezondheid,mpox-vaccinatie, huidkankerpreventie, coeliakie-screening door de5Voorjaarsnota 2026. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 915, nr. 1, bladzijde 204Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98414 Jeugdgezondheidszorg (JGZ), belonen van stoppen met roken vantoekomstige ouders en mondzorg voor minima. Met de overige € 35miljoen (de jaarlijks resterende € 17,5 miljoen in 2027 en 2028 van deontwikkelagenda) wordt de vaccinatiecampagne in 2027 tegen Covid-19mede mogelijk gemaakt.6Voor het genoemde pakket aan maatregelen is nu voor twee jaar, te wetenin 2027 en 2028, geld beschikbaar voor implementatie. Dit is gericht ophet nader onderbouwen van de gezondheidswinst en kostenbesparing inhet Zvw-kader. Over de eventuele structurele voortzetting van dezemaatregelen is nog budgettaire besluitvorming nodig binnen de regulierebegrotingsprocessen. Hiervoor dient eerst voldoende bewijs verzameld teworden over de effecten van de maatregelen conform de richtlijn passendbewijs voor preventie.Ook vragen de leden van de PVV-fractie waarom al middelen wordengereserveerd terwijl de evaluatieparagraaf expliciet vermeldt dat er noggeen evaluaties bekend zijn. Deze leden vragen hoe de Kamer in staatwordt gesteld haar controlerende taak uit te oefenen zolang concreteuitwerking, financiële effecten voor sectoren en toetsbare evaluatie-indicatoren nog ontbreken.De Tweede Kamer wordt hierbij betrokken via de reguliere begrotingspro-cessen. Gedurende het gehele traject, zowel tot nu toe als in de komendeperiode, vindt nauwe afstemming plaats met de andere AZWA-partijen.Naar aanleiding van het kader Aanpak zorgfraude. De leden van dePVV-fractie steunen een stevige aanpak van zorgfraude. Zorggeld isbedoeld voor zorg en niet voor fraudeurs, tussenpersonen of malafideaanbieders. Deze leden lezen dat er vanaf 2027 oplopend structureel extrageld beschikbaar komt voor de aanpak van zorgfraude. Kan de Ministerconcreet uiteenzetten hoe deze middelen per jaar zullen worden ingezet?Welk deel gaat naar toezicht, welk deel naar opsporing, welk deel naarhandhaving en welk deel naar eventuele aanscherping van wet- enregelgeving? Kan de Minister daarnaast per maatregelen een tijdspadschetsen?Met de beschikbare middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord(AZWA) wordt ingezet op een substantiële versterking van de aanpak vanzorgfraude. Deze middelen worden in samenhang ingezet op de volgendeprioriteiten:•het versterken van de integrale en multidisciplinaire samenwerkingtussen ketenpartners, aangezien geen enkele partij zorgfraudezelfstandig effectief kan bestrijden;•het aanscherpen van toetsing aan de poort, om te voorkomen datmalafide zorgaanbieders toetreden tot het zorgstelsel;•het uitbreiden van operationele capaciteit bij betrokken organisaties;•het verbeteren van gegevensuitwisseling tussen ketenpartners, binnende geldende juridische kaders;•het vergroten van de slagkracht in de uitvoering door optimaal gebruikte maken van bestaande bevoegdheden;•het versterken van de maatschappelijke verantwoording over deresultaten van de aanpak.In de Kamerbrief over zorgfraude die juni 2026 aan de Kamer wordtverzonden, zal het kabinet nader ingaan op de concrete uitwerking vandeze versterkte en samenhangende aanpak, inclusief de beoogde inzetvan middelen en de wijze waarop de voortgang inzichtelijk wordtgemaakt.6Voorjaarsnota 2026. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 915, nr. 1, bladzijde 218Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98415 Deze leden lezen daarnaast dat wordt ingezet op meer eenduidig beleid,basiseisen aan vergunningen en mogelijk een verbreding van devergunningplicht. Kan de Minister concreet maken wat zij hier preciesonder verstaat? Welke maatregelen wil zij nemen om zorgfraude eerder tesignaleren en sneller aan te pakken? Wordt daarbij ook gekeken naarstrengere toelating aan de voorkant, zodat malafide zorgaanbieders nieteerst kunnen starten en pas veel later worden aangepakt?Een belangrijk onderdeel van de versterkte aanpak is het voorkomen vantoetreding van malafide zorgaanbieders. Daarom zet het kabinet in op hetaanscherpen van toetsing aan de voorkant. Vanuit de verantwoorde-lijkheid binnen de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) verkent hetkabinet onder andere een bredere vergunningplicht, het verplicht stellenvan een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor bestuurders enbetrokkenen, en periodieke toetsing aan de vergunningseisen. Ook wordtde vergunningplicht uitgebreid naar jeugdhulpaanbieders en wordtverkend of dit voor het Wmo-domein passend is.Aanvullend gaat het kabinet, voorafgaand aan vergunningverlening, meerinzetten op gerichte fysieke controles bij risicovolle (nieuwe en herstar-tende) aanbieders. Door samenwerking tussen betrokken partijen enselectie op basis van risicoanalyses kunnen signalen eerder wordenopgepakt en kan ongewenste toetreding effectiever worden voorkomen.De leden van de PVV-fractie vragen verder hoe straks wordt vastgesteld ofdeze extra investering ook echt effect heeft. Op welke manier wordtgemeten of sprake is van meer opgespoorde fraude, meer terugvorde-ringen, meer interventies en minder weglekkend zorggeld? Wanneer kande Kamer de eerste concrete resultaten verwachten?De inzet van het kabinet is erop gericht om zowel preventie als opsporingen handhaving te versterken, zodat fraude zoveel mogelijk wordtvoorkomen en onterecht bestede middelen worden teruggehaald. In deKamerbrief over zorgfraude die in juni 2026 aan de Kamer wordtverzonden, zal het kabinet nader ingaan op de concrete uitwerking vandeze versterkte en samenhangende aanpak, inclusief de beoogde inzetvan middelen en de wijze waarop de voortgang inzichtelijk wordtgemaakt.Naar aanleiding van het kader Basisfunctionaliteiten en basisinfra-structuur. De leden van de PVV-fractie lezen dat voor basisfunctionaliteitenen basisinfrastructuur zeer grote bedragen naar gemeenten gaan. Dezeleden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat dit geld vooral opgaataan gemeentelijke processen, coördinatie, overlegtafels en extrabeleidslagen, in plaats van aan concrete verbetering voor mensen die zorgof ondersteuning nodig hebben.Het uitgangspunt is dat middelen zoveel mogelijk terechtkomen in depraktijk en zichtbaar bijdragen aan betere ondersteuning voor inwoners.Daarom worden afspraken gemaakt over concrete resultaten, dievervolgens worden gemonitord. Daarbij geldt dat zoveel mogelijk wordtvoortgebouwd op bestaande structuren en samenwerkingsverbanden.Gemeenten en regio’s moeten inzichtelijk maken, bijvoorbeeld in hetregioplan, hoe ze op de afspraken D5 en D6 in gaan zetten en watdaarmee wordt gerealiseerd voor inwoners, professionals en mantel-zorgers. Inwoners moeten gaan merken dat ze sneller op de juiste plekworden geholpen en dat er bijvoorbeeld goede laagdrempelige inloop-voorzieningen gerealiseerd zijn in de wijk die bijdragen aan preventie vanzwaardere zorg, ondersteuning, en sociale samenhang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98416 Kan de Minister helder maken wat inwoners, zorgverleners en mantel-zorgers hier straks in de praktijk van moeten merken? Wanneer is ditvolgens de Minister geslaagd? Wanneer moeten de eerste resultatenworden behaald? En hoe wordt vastgesteld of deze investeringeninderdaad leiden tot minder druk op de Zorgverzekeringswet, beteresamenwerking en snellere toegang tot passende ondersteuning?Het uiteindelijke doel is dat inwoners sneller passend ondersteundworden in het zorgdomein en het sociaal domein. Ondersteuning is dansneller toegankelijk, mensen worden minder vaak tussen verschillendeloketten doorverwezen en hulp sluit beter aan op de situatie van deinwoner. Zorgverleners en mantelzorgers moeten profiteren van beteresamenwerking tussen organisaties en duidelijkere aanspreekpunten. Ookmoet vroegsignalering verbeteren, zodat problemen eerder kunnenworden aangepakt en zwaardere zorg kan worden voorkomen. Doormiddel van data en monitoring worden de eerste resultaten zichtbaar,jaarlijks wordt de recente regioscan herhaald bijvoorbeeld. Ook zullen alleregio’s gaan werken met sociaal verwijzen, waarbij inwoners gemakkelijkdoorverwezen worden vanuit de huisarts naar het sociaal domein.Uiteindelijk moet dit in 2030 breed beschikbaar zijn. In de monitoringworden ook indicatoren opgenomen om te meten welke invloed dezeafspraken hebben op de druk op de Zvw.Deze leden lezen dat de financieringsvorm nog wordt uitgewerkt inoverleg tussen VNG, fondsbeheerders en VWS. Waarom is daar nog geenduidelijkheid over, terwijl het wel om forse bedragen gaat? Kan deMinister toezeggen dat de Kamer vooraf inzicht krijgt in de gekozenfinancieringsvorm, de verdeelsleutel en de voorwaarden waarondergemeenten deze middelen ontvangen?Inmiddels is hier meer duidelijkheid over. In een zorgvuldig proces zijn defondsbeheerders, het Ministerie van VWS en de Vereniging NederlandseGemeenten (VNG), als belangenbehartiger van gemeenten, tot enkeleuitgangspunten voor de inrichting van een financieringsinstrumentgekomen. Over de uitkomsten van dit proces zijn de gemeenten daarbij op22 april 2026 via de VNG geïnformeerd. Ter inzage vindt de Kamer dezebrief toegevoegd bij de beantwoording van deze vraag.7De leden van de PVV-fractie vragen bovendien hoe wordt voorkomen datopnieuw grote verschillen ontstaan tussen gemeenten en regio’s,waardoor inwoners afhankelijk van hun woonplaats met anderewerkwijzen, toegangseisen of kwaliteitsniveaus te maken krijgen.Juist door het werken met landelijke kaders, basisfunctionaliteiten engezamenlijke afspraken over kwaliteit en toegankelijkheid wordt in desamenwerking tussen sociaal domein en zorgdomein een landelijke basisgelegd. Gemeenten krijgen ruimte voor maatwerk, maar het uitgangspuntblijft dat inwoners in iedere regio kunnen rekenen op een herkenbaarniveau van voorzieningen gericht op ondersteuning en samenwerking.Naar aanleiding van het kader Intensive Care-basiscapaciteit. De leden vande PVV-fractie vinden het van groot belang dat Nederland bij crises,pandemieën of andere calamiteiten beschikt over voldoende IC-capaciteit.Deze leden lezen echter dat nog altijd onduidelijk is met welk beleidsin-strument wordt toegewerkt naar een basiscapaciteit van ten minste 1.150IC-bedden. Waarom is daar nog steeds geen duidelijkheid over? De leden7Brief van het Ministerie van VWS aan de VNG over AZWA-afspraken D5 en D6 en financierings-instrument, brief-vws-aan-vng-over-azwa-afspraken-d5-en-d6-en-financieringsinstrument.pdf,22 april 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98417 van de PVV-fractie vragen de Minister wat inmiddels de stand van zaken isvan de aangekondigde verkenning naar wet- en regelgeving. Wanneerverwacht de Minister de Kamer hierover concreet te informeren? Is zij hetmet deze leden eens dat wettelijke borging steeds logischer wordt, nu hetde betrokken partijen al jaren niet lukt om hier onderling sluitendeafspraken over te maken?Het kabinet spant zich in om uitvoering te geven aan de moties die in deTweede Kamer zijn aangenomen om te streven naar IC-zorg die ook intijden van crises zo goed mogelijk beschikbaar is. Daarom is het kabinetgestart met een verkenning naar wet- en regelgeving voor het vastleggenvan een basiscapaciteit van het aantal beschikbare IC-bedden.8Ook zijn vertegenwoordigers van ziekenhuizen, intensivisten,IC-verpleegkundigen, verzekeraars en patiënten vorige jaar gestart meteen intensief traject om samen landelijke kaders voor een toekomstbe-stendig IC-landschap op te stellen. Een onderdeel van dit traject is het zogoed mogelijk borgen van IC-beschikbaarheid in situaties met een hogerezorgvraag zoals een pandemie. Voor de zomer zullen zij het ministerieinformeren over de voorlopige uitkomsten. Het kabinet vindt hetbelangrijk om de uitkomsten van dit traject mee te wegen alvorens wet-en regelgeving op te stellen. Het kabinet zal u in Q2 informeren over deuitkomsten van dit traject en de verkenning naar wet- en regelgeving.Deze leden lezen dat jaarlijks middelen zijn gereserveerd voorIC-opschaling. Waarop is dat bedrag precies gebaseerd?Het Ministerie van VWS heeft het gereserveerde bedrag van € 35 miljoendestijds gebaseerd op de beschikbaarheidsvergoeding die zorgverzeke-raars in 2021 aan ziekenhuizen hebben verstrekt voor de opschaling tot1.150 bedden (fase 1 van het Opschalingsplan COVID-19). Hiermee isfinanciële ruimte om op te kunnen schalen.Is dit bedrag volgens de Minister voldoende om de gewenste basiscapa-citeit daadwerkelijk te realiseren en in stand te houden? Zo nee, welktekort verwacht zij dan?Zorgverzekeraars hebben de zorgplicht om voldoende medisch-specialistische zorg in te kopen voor hun verzekerden. Onderdeel daarvanis het inkopen van voldoende IC-zorg. De totale uitgaven aan medischspecialistische zorg inclusief IC zorg zijn onderdeel van het macrokadermsz.Binnen het kader msz is sinds 2022 € 35 miljoen beschikbaar voor deIntensive Care (IC)-opschaling. Hiermee is ruimte geboden om eventuelemeerkosten van IC opschalen tot 1150 bedden te bekostigen. Vanaf 2023waren deze middelen onderdeel van het afgesproken msz kader in hetIntegraal Zorgakkoord. In de VWS begroting 2026 is deze € 35 miljoenbuiten het msz kader gereserveerd omdat nog niet duidelijk is hoeveelmiddelen er precies nodig zijn.Ook vragen deze leden hoe de Minister straks wil toetsen of die basiscapa-citeit in de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald en behouden, en nietalleen op papier bestaat.Het kabinet wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze trajecten.Verdere uitwerking is nodig alvorens er uitspraken over de haalbaarheiden toezicht kunnen worden gedaan.8Kamerstukken II, 2025–2026, 29 247, nr.464Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98418 Naar aanleiding van het kader Opleiden en ontwikkelen als vanzelfspre-kendheid. De leden van de PVV-fractie lezen dat fors wordt ingezet opstrategisch opleiden, vervolgopleidingen, instroom, doorstroom en bij- ennascholing. Deze leden delen de opvatting dat het personeelstekort in dezorg een van de grootste problemen van dit moment is. Tegelijkertijdvragen zij hoe wordt voorkomen dat deze middelen te veel blijven hangenin subsidieregelingen, procesafspraken en algemene ontwikkeltrajecten,zonder dat dit voldoende merkbaar wordt op de werkvloer. Kan deMinister concreet aangeven wat deze investering volgens haar moetopleveren? Hoeveel extra instroom, hoeveel extra opleidingscapaciteit enhoeveel minder uitval of uitstroom verwacht zij hiermee te realiseren? Kanzij dit ook uitsplitsen naar sectoren of tekortberoepen?Het opleiden en ontwikkelen van professionals in zorg en welzijn is eenrandvoorwaarde om de transitiedoelen in het AZWA te halen. Partijen inhet AZWA hebben zich onder meer het doel gesteld om tot en met 2028het stijgende arbeidsmarkttekort met 40.000 personen lager uit te latenkomen, dan anders het geval zou zijn geweest. De investering die ditkabinet doet met de AZWA middelen voor het opleiden, draagt hier optwee manieren aan bij. Ten eerste door professionals met de juiste bij- ennascholing in staat te stellen de benodigde transities te kunnen makenzoals de beweging naar de voorkant, inzet van passende zorg en gebruikvan technologische innovatie en AI. Ten tweede wordt beoogd dat deinvestering bijdraagt aan het verhogen van de instroom en het verlagenvan de uitstroom van personeel. Met de beschikbare AZWA-middelenvoor 2026 is de subsidie Strategisch Opleiden in Zorg en Welzijn(SO-Z&W) opgezet, waarmee een impuls wordt gegeven aan de in- endoorstroom en bij- en nascholing van medewerkers in zorg en welzijn insectoren buiten het ziekenhuis. Momenteel worden gesprekken gevoerdmet de AZWA-partijen over de wijze van besteding van de middelen per2027 en verder. Om een concrete inschatting te maken van de langetermijn effecten op instroom en behoud van personeel is echter eerst eenverdere uitwerking van de afspraken op het gebied van opleiding enscholing nodig. Daarbij stelt het Ministerie van VWS de middelenbeschikbaar en worden de doelen en monitoring samen met de betrokkenAZWA-partijen verder uitgewerkt. In een eerdere brief is toegezegd dat deKamer in de tweede helft van dit jaar nader geïnformeerd wordt over deopzet van de geïntegreerde IZA/AZWA monitor.9 Daarin zal de Kamertevens op de hoogte worden gebracht van de voortgang op de inrichtingvan de doelen en monitoring voor de investering in opleiden en ontwik-kelen zoals afgesproken in het AZWA.De leden van de PVV-fractie lezen dat in 2026 uitvoering wordt gegevenvia de subsidie Strategisch Opleiden Zorg en Welzijn. Welke partijenkunnen van deze regeling gebruikmaken? Op basis van welkevoorwaarden gebeurt dat? En hoe wordt gewaarborgd dat middelendaadwerkelijk terechtkomen op plekken waar de personeelstekorten hetgrootst zijn?De subsidie SO-Z&W is bedoeld voor alle werkgevers uit de sector zorg enwelzijn buiten de msz. In het AZWA zijn middelen beschikbaar gesteldvoor opleiding en bij- en nascholing buiten het ziekenhuis (en dus buitende medisch-specialistische zorg). Organisaties die medisch-specialistischezorg verlenen kunnen daarom geen aanspraak maken op deze middelenen dus geen gebruik maken van deze subsidie (er is voor hen overigenswel een andere subsidie beschikbaar). Werkgevers in zorg en welzijnkunnen door deelname een financiële bijdrage ontvangen voor oplei-dingsactiviteiten met als doel het versterken van de instroom en9Kamerstukken II, 31 765, nr. 976Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98419 doorstroom (activiteit 1) én het versterken van de kennis en vaardighedenop de thema’s genoemd in het AZWA (activiteit 2). Onder activiteit 1 wordtop basis van een vooraf vastgestelde lijst bepaalde mbo- (BBL of derdeleerweg) en hbo- (duaal of deeltijd) beroepsopleidingen gesubsidieerd.Het gaat hierbij alleen om opleidingen voor beroepen waar de tekortengroot zijn en/of die bijdragen aan de beweging naar voorkant. Onderactiviteit 2 gaat het enkel om bij- en nascholingen die passen in debeweging van het AZWA. RegioPlus is de uitvoerder van deze subsidie enheeft op basis van de afspraken uit het AZWA een beoordelingskaderopgenomen in het programma van eisen van het project.Deze leden vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat geld vooralterechtkomt bij brede scholingstrajecten, plannen of organisatieontwik-keling, terwijl het grootste probleem juist zit in het tekort aan mensen opde werkvloer. Welke concrete resultaatsafspraken worden gemaakt om teborgen dat deze middelen ook echt bijdragen aan meer inzetbaarpersoneel, minder uitstroom en meer capaciteit in tekortsectoren? Ookvragen deze leden wanneer de Kamer de eerste concrete resultaten vandeze investering kan verwachten.Zoals op de vraag hierboven toegelicht wordt alleen subsidie verstrektvoor twee typen activiteiten, waarbij de aanvragen worden getoetst aande hand van een beoordelingskader. Deze activiteiten zijn zo vastgesteld,omdat ze bijdragen aan het creëren van meer capaciteit in tekortsectoren.In het najaar van 2026 en in het voorjaar van 2027 deelt RegioPlus devoorlopig cijfers van de realisatie van de subsidie met het Ministerie vanVWS. Het gaat hier om de realisatie van de subsidieactiviteiten, dus nietom effecten op instroom en behoud. Dit voorlopige beeld van de realisatiezal voor de zomer van 2027 gedeeld worden met de Kamer. Het is nietmogelijk om deze realisatiecijfers direct te relateren aan de instroom enhet behoud van personeel. Bij de concretisering van de overige afsprakenuit het AZWA rond opleiden en ontwikkelen, is het streven om hier weleen uitspraak over te kunnen doen. Zie hiervoor ook het antwoord op devragen hierboven die gaan over wat de investering in opleiden enontwikkelen uit het AZWA moet opleveren en wanneer de Kamer daarovereen update ontvangt.Naar aanleiding van het kader Doorbraakmiddelen. De leden van dePVV-fractie lezen dat in 2027 en 2028 jaarlijks € 400 miljoen beschikbaarkomt voor doorbraakmiddelen, onder meer voor AI, medische technologieen hulpmiddelen. Deze leden vinden dat innovatie alleen zin heeft als diedaadwerkelijk leidt tot minder werkdruk, meer tijd voor de patiënt enbetere toegankelijkheid van zorg. Kan de Minister daarom concreetaangeven aan welke voorwaarden projecten moeten voldoen om voordeze middelen in aanmerking te komen?Het kabinet deelt deze opvatting. Een belangrijke voorwaarde voor deinzet van de doorbraakmiddelen is dat de impact op fte (arbeidsbesparing)leidend is om zo de zorg ook toegankelijk te houden. Daarom is gekekennaar de impact op de arbeidsinzet van initiatieven die er nu al zijn en dievoor een deel tot stand zijn gekomen met de IZA-transformatiemiddelen.De initiatieven/toepassingsgebieden met de meeste potentie voor impactworden opgeschaald. Het gaat dus om toepassingsgebieden die daadwer-kelijk leiden tot minder werkdruk, meer tijd voor de patiënt en een beteretoegankelijkheid. Voor een nadere toelichting, de onderliggende onder-zoeksrapportage en de opbouw van de modelplannen verwijst het kabinetde Kamer naar de recent toegezonden Kamerbrief over de doorbraakmid-delen.10 Daarnaast deelt het kabinet de opvatting van deze leden datstructurele inbedding essentieel is. Daarom geldt als basiseis dat de inzet10Kamerstukken II, 2025/2026, 31 765, nr. 981Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98420 van doorbraakmiddelen moet leiden tot duurzame effecten in dezorgpraktijk. Hiervoor is van belang dat er breed draagvlak bestaat bijzowel aanbieders als financiers. Dit draagvlak wordt via het bestuurlijkeproces geborgd en waar relevant expliciet uitgewerkt in de modelplannen.Genoemde leden lezen dat het kabinet wil voorkomen dat opnieuw hetprincipe geldt van wie het eerst komt, die het eerst maalt. Welke gover-nance wordt hiervoor precies uitgewerkt? Wie beslist straks over detoekenning, op basis van welke criteria en hoe wordt voorkomen datvooral grote partijen of instellingen met de sterkste lobby er met hetgrootste deel van de middelen vandoor gaan?Er wordt expliciet afgeweken van het «wie het eerst komt, wie het eerstmaalt»-principe door te werken met vooraf uitgewerkte modelplannen enéén gelijktijdig beoordelingsmoment voor alle aanvragen. Plannenworden dus niet op volgorde van indiening beoordeeld. Zorgaanbiederskunnen een aanvraag doen die gebaseerd is op deze modelplannen.Doordat uitgegaan wordt van modelplannen is de beoordeling veelbeperkter en uniformer. Deze modelplannen bevatten zoveel mogelijknormerende elementen, waaronder een onderbouwde businesscase, eenbeschrijving van randvoorwaarden, concrete mijlpalen en inhoudelijke enfinanciële kaders. Hiermee wordt beoogd de beoordelingslast te beperkenen de uitvoerbaarheid en uniformiteit te vergroten.Alleen in gevallen waarin regionale of lokale nadere invulling nodig is, ofwanneer wordt afgeweken van het normatieve kader, vindt een aanvul-lende inhoudelijke beoordeling plaats. Voordat de daadwerkelijkeaanvragen een beschikking krijgen geven de zorgverzekeraars eenoverzicht van het totaal aan aanvragen, zodat er door de AZWA partijenkan worden bijgestuurd als er onvoorzien sprake is van een over- ofonderschrijding.De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe de Minister voorkomtdat deze middelen terechtkomen bij tijdelijke pilots, adviestrajecten oftechnologische projecten die na afloop niet worden opgeschaald ofuiteindelijk onvoldoende opleveren. Welke eisen worden gesteld aanaantoonbare arbeidsbesparing, opschaalbaarheid en structureleinbedding?Zoals eerder toegelicht worden de doorbraakmiddelen ingezet omtoepassingsgebieden waarvan verwacht wordt dat deze de meeste impacthebben op de arbeidsinzet. De selectie van toepassingsgebieden is voorafzorgvuldig uitgevoerd op basis van het leidende criterium arbeidsbe-sparing (fte) en de daarmee samenhangende structurele impact op dezorgcapaciteit. Het betreft uitsluitend concreet uitgewerkte toepassingendie landelijk opschaalbaar zijn en aantoonbaar bijdragen aan hetverminderen van personeelstekorten. In sommige gevallen gaat het ombestaande initiatieven die eerder met IZA-transformatiemiddelen zijnontwikkeld, maar nog niet landelijk zijn opgeschaald.Daarnaast deelt het kabinet de opvatting van deze leden van de Kamer datstructurele inbedding essentieel is. Daarom geldt als basiseis dat de inzetvan doorbraakmiddelen moet leiden tot duurzame effecten in dezorgpraktijk. Hiervoor is van belang dat er breed draagvlak bestaat bijzowel aanbieders als financiers. Dit draagvlak wordt via het bestuurlijkeproces geborgd en waar relevant expliciet uitgewerkt in de modelplannen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98421 Ook vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat technologie juist leidttot extra registratielast, extra scholingsdruk of nieuwe afhankelijkhedenvan commerciële leveranciers, in plaats van tot verlichting op dewerkvloer.De inzichten en lessen vanuit de IZA-transformatiemiddelen zijn gebruiktvoor de inzet en governance van de doorbraakmiddelen. In plaats vanbottom-up plannen te laten ontwikkelen is met de doorbraakmiddelengekozen voor focus: een aantal impactvolle en bestaande toepassingsge-bieden, soms ontstaan met de inzet van IZA-transformatiemiddelen,worden landelijk opgeschaald. Door te werken met landelijke, generiekemodelplannen blijven de administratieve lasten beperkter en verloopt hetbeoordelingsproces eenvoudiger. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat deinzet van de middelen wel degelijk enige registratie en verantwoordingvereist bovenop de reguliere bedrijfsvoering. Ook de inzet van een anderemanier van werken brengt met zich mee dat zorgpersoneel hiervooropgeleid moet worden.Het kabinet is echter gezamenlijk met partijen van oordeel dat met degekozen aanpak een goede balans is gevonden tussen noodzakelijkeverantwoording en het beperken van administratieve lasten.Ten aanzien van de afhankelijkheid van specifieke leveranciers is alsbasiseis voor de modelplannen opgenomen dat wordt beschreven hoewordt voorkomen dat er ongewenste marktverstorende effecten optreden.Daarbij geldt dat toepassingsgebieden functioneel worden omschreven, inplaats van leverancierspecifiek. Op die manier wordt geborgd datverschillende aanbieders kunnen aansluiten en dat voldoende ruimte blijftbestaan voor concurrentie, innovatie en toekomstige overstapmogelijk-heden.Naar aanleiding van het kader Regionale eerstelijnssamenwerkingsver-banden (RESV’s). De leden van de PVV-fractie lezen dat structureel extramiddelen worden toegevoegd voor regionale eerstelijnssamenwerkings-verbanden. Deze leden begrijpen dat samenwerking belangrijk is, maarzijn ook kritisch op nieuwe structuren waarvan het risico bestaat datopnieuw geld verdwijnt in organisatie, overleg en vertegenwoordiging, inplaats van in directe zorg voor de patiënt. Kan de Minister daaromconcreet uiteenzetten hoeveel van deze middelen naar verwachtingterechtkomt bij bestuur, coördinatie, ondersteuning en organisatie, enhoeveel daadwerkelijk ten goede komt aan betere zorgverlening in dewijk?Deze middelen zijn bedoeld om te worden ingezet voor het goedsamenwerken in hechte wijkverbanden en voor regionale coördinatie enafstemming daarvan. Deze regionale ondersteuning wordt niet geleverddoor de zorgprofessionals zelf, maar door bijvoorbeeld regio- of wijkcoör-dinatoren. Daardoor kunnen de zorgverleners zich beter richten op – entijd vrijhouden voor – hun kerntaak: passende zorg leveren in goedesamenhang met andere aanbieders in de eerste lijn en het sociaal domein.Daarmee komen de middelen dus allemaal ten goede aan betere en meersamenhangende zorgverlening in de wijk.De leden van de PVV-fractie lezen dat een RESV vijf hoofdtaken krijgt. Kande Minister per hoofdtaak toelichten waarom deze niet binnen bestaandesamenwerkingsstructuren of bestaande organisaties kan wordenondergebracht? Waarom is hiervoor een nieuwe regionale laag nodig?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98422 De eerstelijnszorg is nu niet samenhangend georganiseerd. Er zijnbestaande structuren, maar die zijn per beroepsgroep ingericht en langniet alle beroepsgroepen in de eerste lijn hebben dit al (goed) staan. HetRESV is dus de verbindende factor waar in plaats van per beroepsgroepecht multidisciplinair gewerkt wordt, dit geldt voor alle vijf de hoofdtaken.Voor de inrichting van RESV’s wordt het advies meegegeven aan regio’som gebruik te maken van bestaande structuren en afspraken en dit verderuit te bouwen. Hierdoor hoeft vaak niet iets nieuws ingericht te wordenmaar worden bestaande structuren verstevigd en verrijkt.Deze leden vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat eerstelijnszorg-aanbieders juist meer tijd kwijt zijn aan afstemming, vertegenwoordigingen regionale processen. Hoe wordt gemeten of deze RESV’s daadwerkelijkbijdragen aan minder druk op de werkvloer en betere toegankelijkheid vanzorg?RESV’s ontlasten zorgaanbieders door ze taken uit handen te nemen en dezorg meer in samenhang te organiseren. Ten aanzien van het «meten»,wordt de gehele inzet op de versterking eerstelijnszorg gemonitord. Ditheeft het kabinet ook aan de NZa meegegeven in de aanwijzing voorfinanciering van RESV’s. Er is daarom expliciet gekozen voor eenexperimentbekostiging, waarin monitoring meeloopt en waar nodig kanworden bijgestuurd. Daarnaast financiert het kabinet, via ZonMw, eenonderzoeksconsortium (MOVE11) dat onderzoek doet naar de werkendemechanismen in het anders organiseren van de eerstelijnszorg. Deonderzoeksresultaten daarvan worden verwacht in 2028/2029.Deze leden lezen verder dat sprake is van een experimentbekostiging toten met 2032. Waarom is gekozen voor zo’n lange looptijd? Wanneer wordttussentijds geëvalueerd? En op welk moment kan worden besloten om bijtegenvallende resultaten te stoppen of bij te sturen?De genoemde experimentfase kent een standaard looptijd van maximaalvijf jaar, deze start per 2027 en loopt tot en met 2031. Dit is een logischtijdspad omdat met alle betrokken partijen in de eerstelijnszorg bij deopstart een fasering is afgesproken. De ingezette verandering heeft tijdnodig om regionaal en in de wijken gerealiseerd te worden. RESV’sondergaan een ontwikkeling met een looptijd tot 2030, waarin uiteindelijkalle hoofdtaken worden uitgevoerd. Pas na 2030 zal een volledigeevaluatie over de voortang van de RESV ontwikkeling in relatie tot debeleidsregel plaats kunnen vinden. Vervolgens is er tijd nodig om debekostiging structureel in te regelen en op te nemen in het inkoopbeleidvan verzekeraars. Daarom moet uiterlijk medio 2030 duidelijk zijn hoe debekostiging per 2032 verder gaat.Het kabinet heeft de NZa daarnaast meegegeven dat minimaal jaarlijks devoortgang zal worden gemonitord en met de betrokken partijen in deeerstelijnszorg wordt geëvalueerd. Indien gewenst, kan er zodoende altijdens de looptijd van het experiment op bepaalde punten wordenbijgestuurd.Naar aanleiding van onderdeel Algemeen. De leden van de PVV-fractiemerken op dat in meerdere kaders wordt verwezen naar monitoring viabrede AZWA-voortgangsrapportages. Deze leden vragen de Minister of zijbereid is de Kamer per onderdeel ook afzonderlijk en concreet teinformeren over de besteding van middelen, de voortgang, de uitvoe-ringsproblemen en de meetbare resultaten, zodat de Kamer niet alleen ophoofdlijnen maar ook echt inhoudelijk en financieel kan controleren.11Mechanismen voor Ondersteuning van de Versterking EerstelijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98423 In de Kamerbrief van 9 april jl. is toegelicht dat met de totstandkomingvan het AZWA de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerdeIZA/AZWA-monitor te komen.12 Met deze geïntegreerde monitor wil hetkabinet effectiever kunnen sturen op de voortgang. De Kamer wordt in detweede helft van 2026 over de opzet van deze geïntegreerde monitorgeïnformeerd. Tegelijkertijd ontvangt de Kamer dan de resultaten van dejaarlijkse reeds bestaande landelijke IZA-monitoring.Daarnaast zijn er voor financiële verantwoording, inclusief doelmatigebesteding, reguliere processen ingericht om de Kamer te informeren. Ditgebeurt bij de verschillende begrotingsstukken. Zo bevat de ontwerpbe-groting een subsidieoverzicht en wordt in het jaarverslag gereflecteerd opde effectiviteit van de begrotingsgefinancierde uitgaven.Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister over de volle breedte wilvoorkomen dat AZWA-middelen vooral neerslaan in bestuurlijke drukte,regionale overlegstructuren, experimenten en proceskosten, terwijl deproblemen op de werkvloer en de druk op de toegankelijkheid van zorgonverminderd groot blijven.Vooropgesteld staat dat zowel iedereen werkzaam in zorg en welzijn,alsmede het kabinet, wil dat middelen nuttig besteed worden aan goedezorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft. Het is een gezamenlijkeinspanning om middelen zoveel mogelijk op de juiste plek te laten landen.Daarom is onder andere afgesproken bij de verdere uitwerking van deAZWA-afspraken expliciet aandacht te besteden aan de regeldrukeffecten,bijvoorbeeld door het doen van praktijkchecks met zorgprofessionals enuitvoeringstoetsen. Ook worden de inzichten en lessen vanuit deIZA-transformatiemiddelen gebruikt voor de inzet en governance van dedoorbraakmiddelen. In plaats van bottom-up plannen te laten ontwikkelenis met de doorbraakmiddelen gekozen voor focus: een aantal impactvolleen bestaande toepassingsgebieden, vaak ontstaan met de inzet vantransformatiemiddelen, worden landelijk opgeschaald. Door te werkenmet landelijke, generieke modelplannen blijven de administratieve lastenbeperkt en verloopt het beoordelingsproces eenvoudiger. Modelplannenzijn landelijke, gestandaardiseerde plannen die per gekozen toepassings-gebied als format dienen voor de uitwerking en opschaling, zodatadministratieve lasten beperkt blijven en beoordeling eenvoudiger wordt.Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om per onderdeelzo concreet mogelijk inzichtelijk te maken welk effect zij in 2027, 2028 endaarna verwacht op de toegankelijkheid van zorg, de arbeidsmarktte-korten, de wachttijden en de doelmatige inzet van zorggeld.Met het AZWA hebben het Ministerie van VWS en de betrokken partijentwee transitiedoelen toegevoegd rondom toegankelijkheid en hetarbeidsmarkttekort. Daarnaast is aan het AZWA een financiële opgavegekoppeld, namelijk het doortrekken van de groeipercentages van hetlaatste IZA-jaar (2026). Deze doelstellingen worden behaald door hetsamenhangende geheel van de AZWA-afspraken. Het is niet mogelijk omdit uit te splitsen naar verschillende afspraken.In de Kamerbrief van 9 april jl. is toegelicht dat met de totstandkomingvan het AZWA de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerdeIZA/AZWA-monitor te komen.13 Met deze geïntegreerde monitor wil hetkabinet effectiever kunnen sturen op de voortgang. De Kamer wordt in de12Kamerstukken II, 2025/2026, 31 765, nr. 97613Kamerstukken II, 2025/2026, 31 765, nr. 976Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98424 tweede helft van 2026 over de opzet van deze geïntegreerde monitorgeïnformeerd. Tegelijkertijd ontvangt de Kamer dan de resultaten van dejaarlijkse reeds bestaande landelijke IZA-monitoring.De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Minister over de CW3.1 kaders van het Aanvullend Zorg- enWelzijnsakkoord (AZWA) en hebben op dit moment geen aanvullendevragen of opmerkingen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakede CW3.1 kaders voor verschillende onderdelen uit het Aanvullend Zorg-en Welzijnsakkoord (AZWA). Deze leden hebben daarover nog enkelevragen.De leden van de BBB-fractie lezen dat met de subsidie StrategischOpleiden Zorg en Welzijn wordt ingezet op het versterken van de lerendeomgeving, onder meer door extra opleidingsplekken te realiseren voorberoepen waar de tekorten het grootst zijn. Deze leden onderschrijven hetbelang daarvan, zeker gezien de groeiende personeelstekorten in de zorg.Zij vragen in dit verband hoe de Minister de adviezen van het Capaciteits-orgaan betrekt bij de invulling van deze opleidingsinspanningen. Kan deMinister bevestigen dat het kabinet bij de verdeling van opleidings-plaatsen blijft uitgaan van de onafhankelijke adviezen van het Capaciteits-orgaan? Zo nee, waarom niet, en welke alternatieve afwegingen wordendan gemaakt?De subsidie SO-Z&W en de ramingen van het Capaciteitsorgaan staan losvan elkaar. Met de subsidie SO-Z&W worden de werkgeverskosten voorzowel kwalificerende beroepsopleidingen op MBO/HBO als de kosten voorbij- en nascholing binnen AZWA-thema’s gesubsidieerd. Binnen ditinstrument wordt geen subsidie verstrekt voor de medische vervolgoplei-dingen die onderdeel zijn van de instroomadviezen van het Capaciteits-orgaan.De ramingen voor (medische) (vervolg)opleidingen worden wél gebruiktbij het beschikbaar stellen van opleidingsplekken via de beschikbaarheids-bijdrage en/of via de begroting van het Ministerie van VWS. Het kabinetzal bij de beschikbaarstelling van opleidingsplaatsen voor (medische)(vervolg)opleidingen blijven uitgaan van de onafhankelijke adviezen vanhet Capaciteitsorgaan. Hoewel de adviezen in de basis zoveel mogelijkworden gevolgd kunnen er inhoudelijke en/of budgettaire reden zijn om afte wijken van een advies.De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat er momenteel in sommigemedische specialismen een groot aantal vacatures bestaat, terwijl ertegelijkertijd voldoende belangstelling is voor de opleiding. Zo staan ervolgens signalen uit het veld ruim honderd vacatures open voor spoedei-sende hulpartsen, terwijl het aantal sollicitanten voor de opleiding groot isen de opleidingscapaciteit aanwezig zou zijn. Deze leden vragen hoe deMinister deze discrepantie verklaart en wat er wordt gedaan om ervoor tezorgen dat beschikbare opleidingscapaciteit daadwerkelijk wordt benutvoor beroepen waar de tekorten het grootst zijn.De bekostiging van deze opleiding loopt via de beschikbaarheidbijdrageen staat los van de middelen die met het AZWA beschikbaar zijn gekomenvoor opleiden en bij- en nascholing buiten het ziekenhuis.Volgens de raming van het Capaciteitsorgaan (2025) is er bij de spoedei-sende geneeskunde inderdaad een groot tekort. Tevens is er voor de SEHsprake van een toenemende en complexere acute zorgvraag. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98425 Capaciteitsorgaan adviseert mede daarom om de instroom voor SEH forsop te hogen van 42 naar 61 opleidingsplaatsen. Voor veel (andere)(medische) vervolgopleidingen adviseert het Capaciteitsorgaan in 2025overigens een lichte stijging van opleidingsaantallen, mede door devervangingsvraag, de bestaande tekorten en de groeiende zorgvraag.Tegelijk blijven in sommige perifere regio’s vacatures moeilijk te vervullenwaardoor de werkdruk en het werkplezier afnemen en het risico opvroegtijdige uitval toeneemt. Er kan een regionale mismatch zijn, hoeweler voldoende belangstelling voor de opleiding bestaat.De Tweede Kamer is recent geïnformeerd over de ophoging van het aantalopleidingsplaatsen voor SEH artsen voor 2027 door middel van dekabinetsreactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor deperiode 2027–2030.14Daarnaast vragen deze leden hoe bij het vergroten van de instroom ookrekening wordt gehouden met de regionale spreiding van zorgprofessi-onals. Zij wijzen erop dat personeelstekorten zich niet alleen per beroeps-groep voordoen, maar ook sterk regionaal verschillen. Wordt bij het beleidrondom opleidingsplaatsen en instroom ook expliciet gekeken naar deregionale verdeling van zorgprofessionals?Voor de (medische) vervolgopleidingen die worden bekostigd via debeschikbaarheidbijdrage worden, naast de totale aantallen per specia-lisme, verdeelcriteria vastgelegd in een aanwijzing aan de NederlandseZorgautoriteit (NZa). Over de verdeling van de opleidingsplaatsenbrengen de Stichting BOLS en TOP Opleidingsplaatsen advies uit. Voor demedisch-specialistische opleidingsplaatsen is in 2024 het verdeelcriterium100% adherentie voor alle instellingen geïntroduceerd. Hiermee wordtuitvoering gegeven aan de motie Paulusma, die vraagt om een verdelingvan opleidingsplaatsen voor medisch specialisten die aansluit bij debevolkingsomvang naar regio (Kamerstuk 29 247, nr. 369). Met ditcriterium is een eerste stap gezet om een evenwichtige spreiding vanmedisch specialisten over de regio’s te bewerkstelligen. Met StichtingBOLS vinden op dit moment gesprekken plaats over de uitwerking vaneen nieuw verdeelcriterium dat uitgaat van de toekomstige regionalezorgvraag. Daarnaast gaan opleiders in ggz steeds meer in regionalesamenwerkingsverbanden werken. In het toewijzingsproces van TOPOpleidingsplaatsen wordt dit gestimuleerd met een beperkt aantalplaatsen.De leden van de BBB-fractie wijzen in dit verband op onderzoek van hetUMC Utrecht waaruit blijkt dat het huidige toelatingsbeleid van degeneeskundeopleiding regionale huisartsentekorten in stand kan houden,doordat studenten vaak afkomstig zijn uit regio’s waar al relatief veelartsen zijn en daar later ook terugkeren. In verschillende landen bestaandaarom selectieregelingen waarbij studenten uit regio’s met tekortenextra kans krijgen op een opleidingsplek, mits zij zich later voor eenbepaalde periode aan die regio verbinden. Deze leden vragen hoe deMinister naar dergelijke modellen kijkt. Worden de inzichten uit ditonderzoek betrokken bij het beleid rond de instroom in medischeopleidingen? Ziet de Minister mogelijkheden om, bijvoorbeeld via selectie,regionale opleidingsplaatsen of andere instrumenten, meer studenten uit(en binnen) regio’s met tekorten op te leiden, zodat zij later ook in dieregio’s aan het werk gaan?14Kamerstukken II, 2025/2026, 29 282, nr. 630Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98426 Om meer zicht op het vraagstuk van regionale tekorten aan huisart-sen(zorg) en mogelijke beleidsopties te krijgen wordt momenteel, insamenwerking met het veld en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (OCW), een verkenning uitgevoerd naar kansrijke interventiesom de spreiding van huisartsen over het land te verbeteren. Dit gebeurtnaar aanleiding van een afspraak in het aanvullend zorg- en welzijnsak-koord (afspraak D3) en is in lijn met de aangenomen motie van het lidWiersma.15 De Kamer is hierover reeds geïnformeerd.16In deze verkenning wordt naast kennis over de instroom in de initiëleopleiding geneeskunde ook de door de leden genoemde inzichten enbuitenlandse voorbeelden betrokken, waaronder de relatie tussenherkomst van studenten en latere vestigingsplaats, evenals ervaringenmet selectie- en opleidingsmodellen gericht op regionale binding. Daarbijwordt onder meer gekeken hoe de inzet op regionaal opleiden in dehuisartsenopleiding kan worden versterkt.Tegelijkertijd geldt dat de toelating tot de geneeskundeopleiding decen-traal is belegd bij onderwijsinstellingen, binnen de kaders van de Wet ophet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Dit betekentdat de sturingsmogelijkheden van het kabinet op selectiecriteria begrensdzijn. Hierover is de Tweede Kamer eerder geïnformeerd middels eenKamerbrief en in de beantwoording van een eerder schriftelijk overleg.17In de verkenning zal het kabinet naast het werving- en selectiebeleid ookbreder kijken naar maatregelen die het vestigingsgedrag van (toekomstig)huisartsen beïnvloeden. Ook het vestigingsklimaat in de regio’s mettekorten speelt bijvoorbeeld mee bij de afweging of een student daar lateraan de slag wil gaan als huisarts. Het kabinet onderzoekt met deverkenning welke maatregelen het meest kansrijk zijn om de tekorten indeze regio’s tegen te gaan.De uitkomsten van de verkenning worden in het derde kwartaal van 2026met de Kamer gedeeld. Op basis hiervan zal het kabinet eenvervolgaanpak aan de Kamer voorleggen.De leden van de BBB-fractie lezen dat vanaf 2027 € 70 miljoen structureelwordt toegevoegd aan het budgettair kader multidisciplinaire zorg om deregionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s) te financieren.Deze leden onderschrijven het belang van goede regionale samenwerkingin de eerstelijnszorg. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de tekortenin de eerstelijnszorg in sommige regio’s zeer groot zijn. In verschillendedelen van het land staan huisartsenpraktijken onder zware druk ofverdwijnen zelfs uit regio’s, waardoor inwoners steeds verder moetenreizen voor basiszorg. De leden van de BBB-fractie vragen daarom hoe deMinister heeft bepaald dat het beschikbare budget toereikend zal zijn voorde uitvoering van de taken van de RESV’s. Op welke aannames is ditbedrag gebaseerd, en is daarbij rekening gehouden met de groteregionale verschillen in zorgvraag en personeelsbeschikbaarheid?Dit bedrag is gebaseerd op de subsidies die regio’s op dit momentontvangen via ZonMw om onder meer RESV’s op te zetten en hechtewijkverbanden te versterken. Per regio bestaat de hoogte van het bedraguit een vast deel en een deel wat is bepaald op basis van inwonersaan-tallen. Gedurende het bekostigingsexperiment moet in de komende jarenblijken of dit bedrag toereikend zal zijn voor de benodigde doorontwik-keling die de regio’s beogen. Het kabinet heeft de NZa in de aanwijzing15Kamerstukken II, 2025/2026, 33 578, nr. 17516Kamerstukken II, 2025/2026, 33 578, nr. 17917Kamerstukken II, 2025/26, 33 578, nr. 171Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98427 meegegeven, dat minimaal jaarlijks de voortgang zal worden gemonitorden met de betrokken partijen in de eerstelijnszorg wordt geëvalueerd.Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister wil voorkomen datverschillen tussen regio’s verder toenemen. Is de Minister het met dezeleden eens dat het in een land als Nederland onwenselijk is dat detoegang tot eerstelijnszorg sterk afhankelijk wordt van de postcode vaneen patiënt? Op welke manier dragen de RESV’s concreet bij aan hetverkleinen van regionale verschillen in toegankelijkheid van zorg?De toegang tot zorg mag niet afhankelijk zijn van waar je woont, maarregionale verschillen komen op dit moment wel voor. Doel van deversterking van de eerstelijnszorg is juist om de toegankelijkheid overal teverbeteren en zo de verschillen tussen regio’s te verkleinen. Daarom iséén van de vijf hoofdtaken van een RESV het regionaal organiseren vancapaciteit en toegankelijkheid in de eerstelijnszorg. Dat vraagt voor iedereregio een verschillende inzet, die zich passend verhoudt tot de betreffendezorgvraag en het beschikbare aanbod. Afhankelijk van de uitdagingen inde regio zal een RESV in de regio meer of minder inzet leveren op dezehoofdtaak. Deze vrijheid wordt aan regio’s geboden, gebaseerd opregiobeelden en regioplannen die iedere regio heeft opgesteld.De leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden vande brief en bijlagen inzake CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Zijwillen hierover nog enkele vragen stellen.Met betrekking tot het doel aanpak van zorgfraude: op basis waarvan zijndeze bedragen vastgesteld? En op basis waarvan verwacht de Minister datdit genoeg is? Zijn er als dit nodig blijkt, mogelijkheden om dit teintensiveren?De middelen voor de aanpak van zorgfraude vanuit het AZWA zijngebaseerd op de beleidskeuzes, zoals uitgewerkt in het CW3.1-kader. In ditkader wordt per maatregel inzicht gegeven in de doelen, de beoogde inzetvan instrumenten, de financiële gevolgen en de verwachte doeltref-fendheid en doelmatigheid. De beschikbare middelen dragen bij om dehuidige aanpak substantieel te versterken. Het betreft een samenhangendpakket van maatregelen, waaronder versterking van toezicht, beteregegevensuitwisseling, uitbreiding van capaciteit en met name eenstevigere inzet op preventie, zoals het aanscherpen van toetsing aan devoorkant.Het kabinet investeert in maatregelen gericht op het voorkomen,signaleren en bestrijden van zorgfraude, maar zet ook in op een bredereset aan hervormingen binnen het zorgstelsel die bijdragen aan hetvergroten van de weerbaarheid tegen fraude en oneigenlijk gebruik vanzorggeld. In het coalitieakkoord en de beleidsbrief van het Ministerie vanVWS zijn verschillende maatregelen aangekondigd die primair gericht zijnop het toegankelijk, betaalbaar en houdbaar houden van de zorg. Al dezezaken dragen bij aan het verkleinen van frauderisico’s. Tegelijkertijd geldtdat fraude in de zorg nooit volledig kan worden voorkomen. In juniaanstaande volgt een uitgebreide Kamerbrief waarin wordt ingegaan opdeze zaken.De aard van zorgfraude is complex en veranderlijk, en de effectiviteit vanmaatregelen is afhankelijk van diverse gedragseffecten en samenwerkingin de keten. Monitoring en evaluatie van de ingezette maatregelen zijndaarbij relevant, zodat tijdig kan worden bijgestuurd. Indien hieruit blijktdat aanvullende inzet nodig en effectief is, bestaan er mogelijkheden omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98428 de aanpak verder te intensiveren. Dit kan bijvoorbeeld via herprioriteringbinnen de bestaande middelen.Ten aanzien van de IC-Basiscapaciteit: op welke termijn wil de Ministermeer duidelijkheid hebben? Gezien de urgentie is een open einde immersniet gewenst.Het kabinet is gestart met een verkenning naar wet- en regelgeving voorhet vastleggen van een basiscapaciteit van het aantal beschikbareIC-bedden.18 Om een zorgvuldige afweging te maken, wil het kabinet eerstmet de veldpartijen in gesprek over hoe zij het toekomstbestendigIC-landschap voor zich zien. Vertegenwoordigers van ziekenhuizen,intensivisten, IC-verpleegkundigen, verzekeraars en patiënten zijn vorigejaar gestart met een intensief traject om samen om landelijke kaders vooreen toekomstbestendig IC-landschap op te stellen. Een onderdeel van dittraject is het zo goed mogelijk borgen van IC-beschikbaarheid in situatiesmet een hogere zorgvraag zoals een pandemie.Voor de zomer zullen zij het ministerie informeren over de voorlopigeuitkomsten. Het kabinet vindt het belangrijk om de uitkomsten van dittraject mee te wegen alvorens wet- en regelgeving op te stellen. Hetkabinet zal u voor de zomer informeren over de uitkomsten van dit trajecten de verkenning naar wet- en regelgeving.De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van devoorliggende stukken en wachten de reactie van de Minister metbelangstelling af.18Kamerstukken II, 2025/2026, 29 247, nr.464Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 98429
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.