Stand van zaken belastingheffing over de Bijzondere Invaliditeitsverhoging (BIV)
Brontekst
Versie 1e23b588c2815389 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 066BelastingdienstNr. 1513 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN DEFENSIE EN VANFINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 6 oktober 2025Op 16 juni 2025 vond het Notaoverleg veteranen plaats. Het lid Nordkamp(GroenLinks-PvdA) verzocht tijdens dit overleg om de meest actueleinformatie te delen over de belastingheffing over de Bijzondere Invalidi-teitsverhoging (BIV) en daarbij in te gaan op het onderzoek in opvolgingvan de motie van het lid Van Oostenbruggen c.s.1 en de over ditonderwerp lopende rechtszaken.2 De Minister van Defensie zegde toe datde betrokken bewindspersonen van de departementen de Kamer hieroverzouden informeren. Ook is er nog de motie van het lid Van Eijk c.s.3 dievraagt om meer inzicht te geven in de effecten op andere regelingenindien de belastbaarheid van de BIV zou wijzigen. Met deze brief doen wijde toezegging gestand en reageren wij nader op de motie.Alvorens op deze punten in te gaan, willen wij onze blijvende waarderinguitspreken aan militairen die vaak onder moeilijke omstandigheden eenbijdrage hebben geleverd aan vrede en veiligheid, waar ook ter wereld.Daarbij willen wij benadrukken dat het vanzelfsprekend is dat daarbijhoort dat op voorhand duidelijk is dat schade die een militair in het kadervan de militaire dienst lijdt, op passende wijze zal worden vergoed. Datbeginsel kan nooit ter discussie staan.In deze brief komt eerst het onderzoek aan bod, daarna gaan wij in op deeffecten van het wijzigen van het belastingstelsel en ten slotte bestedenwij aandacht aan de rechtszaken.1Kamerstukken II 2023–2024, 31 066, nr. 1408.2Kamerstukken II 2024–2025, 30 139, nr. 289.3Kamerstukken II 2023–2024, 31 066, nr. 1409. kst-31066-1513ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15131 Stand van zaken belastingheffing over de BIVOnderzoek in opvolging van de motie van lid Van Oostenbruggen c.s.Sinds 2023 zijn wij met uw Kamer in gesprek over belastingheffing overde BIV. In 2024 zijn twee moties aangenomen. De motie van het lid VanOostenbruggen c.s. verzoekt een onafhankelijke juridische en fiscaleanalyse te laten verrichten naar de fiscale positie van de BIV. De motie vanhet lid Van Eijk c.s. verzoekt om de voor- en nadelen van de drie in deKamerbrief van 7 juni 20244 beschreven alternatieven verder uit te werkenen uitgebreider te toetsen op precedentwerking, doorwerking op andereregelingen, gelijke behandeling, draagkracht, budgettaire consequentiesen uitvoerbaarheid. Om daar invulling aan te geven is door ons gevraagdaan professor dr. A.O. Lubbers en professor mr. G. Boot, een onafhanke-lijke juridische en fiscale analyse naar de fiscale positie van de BIV uit tevoeren en de voor- en nadelen van de drie varianten5 die in de brief van7 juni 2024 zijn beschreven, verder uit te werken en uitgebreider tetoetsen.In de rapportage die de experts naar aanleiding daarvan hebbenopgesteld en die op 22 april 20256 met uw Kamer is gedeeld, bevestigenzij de conclusies in de brief van 7 juni 2024 en onderschrijven zij de fiscalebehandeling van de BIV zoals beschreven in de brief van 26 oktober 20237.De BIV-uitkering wordt voor de heffing van inkomstenbelasting terechtaangemerkt als belaste periodieke uitkering. Ook heeft het volgens deexperts een goede reden dat ook na het Brandweermanarrest8 door hetABP loonheffing moet worden ingehouden op BIV-uitkeringen.Daarnaast zijn de experts in hun rapportage ingegaan op de voor- ennadelen van de drie varianten die in de Kamerbrief van 7 juni 2024 zijnbeschreven. Omdat de consequentie van alle drie de varianten is dat denetto-uitkering wordt verhoogd, hebben zij eerst onderzocht of de BIV alseen adequate voorziening kan worden beschouwd. De uitkomst daarvan isdat zij geen enkele reden zagen te veronderstellen dat de BIV in hetalgemeen lager uitkomt dan de bandbreedte aan civielrechtelijk teverwachten bedragen. Wel constateren zij dat de BIV in – wellicht zeeruitzonderlijke – individuele gevallen tot een te laag bedrag kan leiden.Maar ook dat in dergelijke gevallen op basis van de hardheidsclausule aleen hogere (extra) smartengeldvergoeding dan op grond van de BIVwordt toegekend. De experts concluderen daarom, alles overziend, dat hetniet voor de hand ligt één van de drie alternatieve varianten te omarmendie zijn voorgesteld in de brief van 7 juni 2024.Wel werd door de experts de suggestie gedaan een specifieke juridischegrondslag te creëren voor de zeldzame gevallen waarin een (aanvullende)smartengeldvergoeding kan worden vergoed indien de netto BIV onder decivielrechtelijke bandbreedte komt.In onze brief van 22 april 2025 is vermeld dat wij ons kunnen vinden in deconclusies van de experts. Daarnaast wordt door Defensie de suggestievan de experts voor een specifieke juridische grondslag voor vergoedingvan immateriële schade opgepakt en zal dit worden besproken met de4Kamerstukken II 2023–2024, 31 066, nr. 1392.5Volledige vrijstelling van belastingheffing, loonbelasting in de vorm van eindheffing enbrutering.6Kamerstukken II 2024–2025, 31 066, nr. 1499.7Kamerstukken II 2023–24, 31 066, nr. 1315.8Hoge Raad 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:444.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15132 centrales voor overheidspersoneel. Defensie verwacht het wijzigings-voorstel nog dit jaar aan hen voor te kunnen leggen.Effecten van aanpassingen van het huidige stelselOp verzoek van het lid Van Eijk gaan wij hieronder nog verder in op de inde Kamerbrief van 7 juni 2024 beschreven (fiscale) alternatieven voor hethuidige systeem. Daarbij gaat het om volledige vrijstelling van belasting-heffing en loonbelasting in de vorm van eindheffing (dit zijn beide vormenvan defiscalisering) en brutering. Wij informeerden uw kamer uitgebreidover de effecten in onze brief van 7 juni 2024. In voorliggende brief gaanwe nog eens kernachtig in op de effecten die, los van tijdpad entechnische uitvoerbaarheid, verbonden zijn aan een wijziging. Er wordenin deze brief geen nieuwe effecten genoemd, wel wordt het effect datBIV-gerechtigden meer ontvangen bij volledige vrijstelling en bruteringverder uitgediept.Zowel bij defiscalisering als bij brutering ontvangen BIV-gerechtigden eenhogere smartengeldvergoeding. Daarmee wordt hun draagkrachtverhoogd. Zij ontvangen dan dus (veel) meer smartengeld dan waarop zijvolgens de civielrechtelijke normen recht zouden hebben. Zoweldefiscalisering als brutering zorgen ervoor dat militairen meer zoudenkrijgen dan civiele slachtoffers (binnen en buiten Defensie) met eensmartengeldregeling en ook in vergelijking met militairen die eeneenmalige onbelaste smartengelduitkering ontvangen zonder recht tehebben op BIV. Dat zou leiden tot ongelijkheid en is moeilijk uitlegbaar.Een vervolgeffect daarvan zou kunnen zijn dat anderen via een gang naarde rechter ook een verhoging van hun netto smartengeld afdwingen,waardoor dat het verschil met de civielrechtelijke bandbreedte weervergroot.Tot slot het effect van het omzetten van de BIV in een eenmalige smarten-gelduitkering. Dit zou het karakter van de BIV, die nu een levenslangeuitkering vormt, ingrijpend veranderen. Hiermee zou het afbreuk doen aande levenslange verzorgingsgedachte binnen het rechtspositionele stelsel.Dit werd door de experts niet overgenomen.Zowel bij defiscalisering als brutering spelen nog enkele andere nadelenen budgettaire derving. Deze worden hieronder op hoofdlijnenbeschreven en wij verwijzen hiervoor ook naar de brief van 7 juni 2024.DefiscaliseringDefiscalisering, zowel volledige vrijstelling van belastingheffing alsloonbelasting in de vorm van eindheffing, leidt tot mogelijke precedent-werking zowel binnen als buiten Defensie. Binnen Defensie is er bijvoor-beeld het Militair Invaliditeitspensioen (MIP) dat maandelijks wordtuitgekeerd in verband met de opgelopen invaliditeit. De BIV is eenverhoging van dit MIP en deze worden in één bedrag overgemaakt aan deoud-militair. Over het MIP wordt op exact dezelfde wijze als over de BIV,loonheffing geheven. Als ook het MIP gedefiscaliseerd zou worden, zoudit tot forse ongelijkheid leiden tussen de oud-militairen die al wel eenvaststellingsovereenkomst hebben ondertekend op grond van de RegelingVolledige Schadevergoeding en de oud-militairen waarvan de zaak nogniet is gesloten. Er wordt bij het bepalen van de hoogte van de schade(onder de RVS) namelijk rekening gehouden met het MIP. Hoe hoger het(netto) MIP is, hoe lager de restschadevergoeding. Als er gedefiscaliseerdzou worden, dan zou de oud-militair die nog geen vaststellingsovereen-komst heeft ondertekend, beduidend minder krijgen dan de oud-militairTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15133 die al wel een vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. Dit verschil isniet uitlegbaar.Wat betreft de precedentwerking buiten Defensie het volgende. Defiscali-sering van de BIV zou een uitzondering zijn op de regel dat alle periodiekeuitkeringen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijkeregeling, belast zijn en past daardoor niet in het fiscale stelsel. Bijdefiscalisering van de BIV in de inkomstenbelasting is een risico dat(reguliere) arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, zoals een WGA- ofIVA-uitkering, vergelijkbare situaties betreffen en daarmee gedefiscali-seerd zouden moeten worden.De budgettaire totaaleffecten hiervan zijn niet eenvoudig te berekenen.Voor alleen de BIV is dat wel in te schatten. Het financiële effect daarvanbedraagt enkele miljoenen bij een volledige vrijstelling. Eindheffing leidttot een extra uitgave van enkele tot tientallen miljoenen voor Defensie. Inbeide situaties dient er dekking te worden gevonden.Daarnaast heeft defiscalisering effect op inkomensafhankelijke regelingenen daarmee op de draagkracht van de BIV-gerechtigden. Doordat de BIVniet meer tot het belastbaar inkomen hoort – en daarmee ook niet tot hettoetsingsinkomen voor inkomensafhankelijke regelingen – ontstaat erbijvoorbeeld hogere aanspraak op toeslagen. De ontvangers van de BIVhebben dan een hogere aanspraak op inkomensafhankelijke regelingendan personen die een ander (niet vrijgesteld) inkomen genieten dat evenhoog is als de vrijgestelde uitkering. Dit leidt derhalve tot een ongelijkebehandeling van gelijke gevallen.Wat niet eerder bij uw Kamer onder de aandacht is gebracht, is datvolledige vrijstelling en brutering ertoe leiden dat het deel van deBIV-uitkering dat boven de civielrechtelijke norm valt, volgens hetBrandweermanarrest alsnog belast zou worden als loon. Dat kan opnieuwals onrechtvaardig worden ervaren. Indien daarvoor ook een vrijstellingzou worden ingevoerd, leidt dat tot verstrekkende uitstralingseffecten naaral het loon.Tot slot zou, als door defiscalisering de BIV-gerechtigde meer ontvangtdan de civielrechtelijke norm, de kans bestaan dat met de centrales vooroverheidspersoneel in overleg wordt getreden om de BIV naar benedenbij te stellen. De Minister van Defensie noemde dit al tijdens hetNotaoverleg veteranen. Dit lijkt een erg omslachtige manier om gelijkheidte borgen.BruteringBij brutering geldt als een ander zwaarwegend bezwaar dat het ervarengevoel van onterechte belastingheffing niet wordt weggenomen. Er blijftimmers belasting worden geheven over de BIV. De huidige discussie komtdan in de toekomst onherroepelijk weer op. Ook is een punt van aandachtdat een dergelijke verhoging doorwerkt naar inkomensafhankelijkeregelingen, met als mogelijk gevolg (in tegenstelling tot defiscaliseren)het verlies van toeslagen en daarmee met gevolgen voor de draagkrachtvan de BIV-gerechtigden. Om brutering te kunnen toepassen, moet derechtspositionele regeling waar de BIV in is geregeld, worden aangepast.Dit dient te worden afgestemd met de centrales voor overheidspersoneel.RechtszakenEnkele oud-militairen hebben de belastingheffing over de BIV ter discussiegesteld bij de rechter. Inmiddels heeft rechtbank Zeeland-West-Brabant opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15134 23 juli 2025 uitspraak gedaan in één van de zaken. De rechtbank oordeeltdat de BIV terecht in de belastingheffing wordt betrokken9. Dit is in lijnmet de uitkomsten van het hiervoor genoemde onderzoek door deonafhankelijke experts en de uitleg die al eerder via de in deze briefgenoemde Kamerbrieven is gegeven. In deze zaak is ingestemd metsprongcassatie waardoor deze zaak direct aan de Hoge Raad kan wordenvoorgelegd. In de overige zaken is nog geen uitspraak gedaan.Tot slotDe BIV kan in zijn huidige vorm en fiscale behandeling als een adequatevoorziening worden beschouwd. Alleen al daarom ligt het niet voor dehand één van de drie alternatieve varianten te omarmen die zijnbeschreven in de Kamerbrief van 7 juni 2024. Maar ook gezien depotentieel verstrekkende gevolgen, is aanpassing van de fiscale behan-deling niet aan te raden. Dit leidt tot ongelijkheid en heeft naarverwachting forse budgettaire gevolgen door de uitstralende werking.Wel wordt gewerkt aan een specifieke juridische grondslag voor in deRegeling Volledige Schadevergoeding, zoals is voorgesteld door deexperts zodat een hogere smartengeldvergoeding kan worden toegekendindien de BIV onder de civielrechtelijke norm uitkomt. Hoewel hier in depraktijk al uitvoering aan wordt gegeven op basis van de hardheids-clausule, geeft het meer zekerheid als het expliciet in de regeling staat.Wanneer een arrest van de Hoge Raad aanleiding geeft tot heroverwegingvan ons standpunt, informeren wij uw Kamer daar uiteraard over.De Staatssecretaris van Defensie,G.P. TuinmanDe Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. Heijnen9Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2025, nr. BRE 24/2569, ECLI:NL:RBZWB:2025:4708.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15135
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.