Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026
Brontekst
Versie 70ba3ad28a863a64 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 043Toekomst pensioenstelselNr. 711 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 26 mei 2026Met deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal pensioenonder-werpen. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) de motie overde financiering van het Nederlandse pensioenstelsel1, (2) de motie overindexatie bij buitenlandse pensioeninstellingen2, 3, (3) de motie overinzicht in kosten aan de hand van kengetallen4, (4) de toezegging omjongeren te betrekken bij wijzigingen in de AOW5, (5) de motie overgovernance in het nieuwe pensioenstelsel6, (6) de publieksmonitorpensioenen van het eerste kwartaal van 2026 en (7) de evaluatie van deexperimenteerbepaling voor zelfstandigen. Tot slot wordt de stand vanzaken gegeven over (8) het Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding(WPS)7 en (9) de wijziging Pensioenwet voor stichtingsvereistebedrijfstakpensioenfondsen.1. De financiering van het Nederlandse pensioenstelsel De motie Van Brenk vraagt naar de financiering van het Nederlandsepensioenstelsel in vergelijking met andere landen.8 Het Nederlandsepensioenstelsel is gebouwd op drie pijlers, waarvan de eerste twee pijlersvoor de meeste Nederlanders de belangrijkste basis vormen voor hetinkomen tijdens pensionering.1Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XV, nr. 88.2Kamerstukken II, 2025/26, 32 043, nr. 703.3Kamerstukken II, 2025/26, 32 043, nr. 700.4Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XV, nr. 86.5Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XV.6Kamerstukken II, 2025/26, 32 043, nr. 700.7Kamerstukken II, 2025/26, 32 043, nr. 706.8Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XV, nr. 88. kst-32043-711ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7111 Eerste pijlerDe eerste pijler, de AOW, wordt aan elke inwonende in Nederlandgeboden zodra diegene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dehoogte is afhankelijk van de verzekerde jaren. De financiering van ditstelsel gebeurt aan de hand van het omslagstelsel waarbij werkendenpremie betalen en de overheid het tekort aanvult uit belastinginkomsten.Dit betekent dat gepensioneerden in belangrijke mate afhankelijk zijn vanhet aantal werkenden dat belast wordt om de pensioenen te kunnenfinancieren.Deze verhouding van gepensioneerden ten opzichte van werkendenverschuift steeds meer door de vergrijzing, waardoor een steeds kleineregroep werkenden het pensioen van steeds meer gepensioneerden moetenopbrengen, wat de druk op werkenden en ook de begroting verhoogt. DeWetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) waarschuwt in haarrapport «Europese vergrijzing in het vizier» gepubliceerd voor het hogetempo waarin Europa vergrijst.9 De AOW levert een belangrijke bijdragein het voorkomen van armoede onder ouderen en dat willen we graag zohouden. Tegelijkertijd is het belangrijk dat we gegeven de veranderdesituatie in de wereld en demografische ontwikkelingen kijken naar detoekomstbestendigheid van de AOW. Het kabinet heeft daarbij kennisgenomen van het ultimatum van de vakbonden, onder meer ten aanzienvan de AOW. Ik kom binnenkort met een voorstel om weer in gesprek tekomen met de sociale partners.Tweede pijlerHet tweedepijlerpensioen wordt gefinancierd door middel van eenkapitaaldekkingsstelsel. Werkenden dragen premies af om zodra zij depensioengerechtigde leeftijd bereiken een levenslange uitkering aan tekunnen kopen. Het voordeel van dit stelsel is dat het minder gevoelig isvoor demografische ontwikkelingen, omdat het door de ontvanger van hetpensioen zelf gefinancierd wordt. Echter, het nadeel van dit stelsel is dathet niet altijd mee kan groeien met de inflatie, omdat de uitkomstenafhankelijk zijn van de rendementen die behaald worden op de financiëlemarkten. Ook waarschuwt de WRR dat de Europese vergrijzing tot eenopwaartse (loon)inflatiedruk leidt door de toenemende krapte die op dearbeidsmarkt zal ontstaan.De motie Van Brenk vraagt het kabinet te bevestigen dat Nederland hetbest gefinancierde stelsel heeft binnen de eurozone op basis vanEurostat-gegevens. Eurostat publiceert gegevens over de mate vankapitaaldekking, de omvang van de kapitaaldekking en de hoogte van deuitgekeerde pensioenen in Nederland ten opzichte van andere landen inde eurozone en Europa. Ik zal hieronder kort de belangrijkste cijferstoelichten.In grafiek 1 op basis van Eurostat-data is te zien dat in Nederland depensioenaanspraken voor een groot deel kapitaalgefinancierd zijn. AlleenIJsland en Denemarken kennen een hoger aandeel kapitaalfinanciering inhun nationale pensioenstelsels. Dit laat zien dat het Nederlandsepensioenstelsel niet te afhankelijk is van één bepaalde financieringsme-thodiek.Uit een rapport van de OECD uit 2024 valt op te maken dat Nederlandbinnen de eurozone het hoogste pensioenvermogen heeft ten opzichtevan het BBP, circa 150% BBP. Enkel Denemarken en IJsland kenden eind9https://www.wrr.nl/documenten/2024/09/25/Europese-vergrijzing-in-het-vizier.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7112 2024 een hoger vermogen als percentage van BBP van respectievelijk206% en 191%.10Verder ontvangen de Nederlandse pensioengerechtigden gemiddeldgenomen één van de hoogste pensioenuitkeringen in de eurozone enEuropa, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen inkoopkracht tussen de landen zoals blijkt in grafiek 2. Gepensioneerden uitOostenrijk en Luxemburg ontvangen in totaal een hoger pensioen dangepensioneerden in Nederland.De gevraagde cijfers laten een positief beeld zien over de mate waarin hetNederlandse pensioenstelsel op dit moment gefinancierd is. Zoals ookdoor de regering bij het Pensioenakkoord geconstateerd, is een gebalan-ceerde mix van omslag- en kapitaaldekking in het pensioenstelsel vanbelang. Daarbij is het ook raadzaam om oog te blijven houden voor delange termijn houdbaarheid. Het Nederlandse pensioenstelsel biedtnamelijk een goed pensioen en dat moeten we ook zo houden. Het kabinetheeft hier oog voor en zal daarom maatregelen onderzoeken om ook in detoekomst de kwaliteit en houdbaarheid van de AOW te behouden. Voor deAOW worden in het Interdepartementale beleidsonderzoek (IBO)Inkomensvoorziening ouderen mogelijke aanpassingen in kaart gebrachtom de inkomensvoorzieningen voor ouderen (na de AOW-leeftijd) teverbeteren met het oog op de betaalbaarheid, de uitvoerbaarheid en deeffecten op het functioneren van de arbeidsmarkt en de woningmarkt. Hetaanvullend pensioen valt buiten de scope van dit rapport. Wat betreft detweede pijler zorgt de invoering van de Wet toekomst pensioenen voor delange termijn houdbaarheid van de tweede pijler.Grafiek 1 – Pensioenaanspraken van huishoudens eind 2021 in percentagevan het BBPGrafiek 2 – Pensioenuitkeringen per ontvanger in 2022 uit eerste- entweedepijlerpensioen.10OECD (2024), Pensions at a glance, p. 235 Table 9.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7113 Definitie: De gegevens hebben betrekking op verschillende soortenpensioen, waaronder diverse (vervroegde) ouderdomspensioenen, hetnabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen.2. Indexatie bij buitenlandse pensioeninstelling Tijdens het tweeminutendebat op 31 maart jl. heeft het lid Van Brenk(50PLUS) een motie ingediend met betrekking tot indexatie-afsprakenvoor pensioendeelnemers met werkgevers die hun pensioen in Belgiëhebben ondergebracht.11 Tijdens het debat heb ik aangegeven met DeNederlandsche Bank (DNB) in overleg te treden. Met deze brief informeerik uw Kamer over de uitkomsten van dat overleg.Een pensioeninstelling gevestigd in een andere EU-lidstaat staat onderprudentieel toezicht in de lidstaat waar de pensioeninstelling gevestigd is.In het geval van pensioenfonds Johnson & Johnson (J&J Pension FundOFP) is dat België. De IORP-II richtlijn stelt daarbij minimumeisen aanonder meer de technische voorzieningen, governance en beleggings-beheer. Daarmee wordt beoogd dat ook bij de grensoverschrijdendeuitvoering een passend niveau van deelnemersbescherming wordtgeborgd. Op een Nederlandse pensioenregeling die wordt uitgevoerddoor een pensioeninstelling gevestigd in een andere lidstaat, is hetNederlandse arbeids- en sociaal recht van toepassing. Voor de nalevingvan het Nederlandse arbeids- en sociaal recht is de pensioeninstellingonderworpen aan toezicht door DNB en de Autoriteit Financiële Markten(AFM).Bij de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel dient de werkgever degewijzigde pensioenovereenkomst en een transitieplan aan het pensioen-fonds te zenden. Het voorschrift om een implementatieplan en communi-catieplan in te dienen bij de toezichthouder geldt niet voor een pensioen-instelling gevestigd in een andere lidstaat. De inhoud van depensioenregeling, waaronder de toeslagverlening, is arbeidsvoorwaar-11Kamerstukken II, 2025/26, 32 043, nr. 703.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7114 delijk en komt tot stand tussen werkgever en werknemersvertegenwoor-diging. Binnen het wettelijk kader is het aan partijen om de pensioenre-geling in te vullen. De regering of toezichthouders hebben geen rol bij dieinvulling.DNB houdt zoals gezegd wel toezicht op naleving van het Nederlandsearbeids- en sociaal recht, waaronder het voorschrift voor gelijke behan-deling bij toeslagen (artikel 58 Pensioenwet). Het is toegestaan dat bij eentoeslagverlening aan deelnemers, de pensioenen van gewezendeelnemers en gepensioneerden niet in gelijke mate worden verhoogd.Het maakt daarbij geen verschil of het pensioenfonds in Nederland of ineen andere lidstaat is gevestigd.De pensioenregeling van pensioenfonds Johnson en Johnson kent zo’nwettelijk toegestaan onderscheid. Bij Johnson & Johnson worden depensioenaanspraken van actieve deelnemers jaarlijks verhoogd met deontwikkeling van de prijsindex. De pensioenregeling kent echter geentoeslagambitie voor de verhoging van de pensioenen van gewezendeelnemers en pensioengerechtigden.Tot slot merk ik op dat op grond van de huidige wetgeving bij eencollectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling in een anderelidstaat onder andere vereist is dat een tweederdemeerderheid van dedeelnemers en gewezen deelnemers en een tweederdemeerderheid vande pensioengerechtigden die hebben gereageerd op een daartoestrekkend schriftelijk verzoek het voorgenomen besluit met betrekking totde collectieve waardeoverdracht hebben goedgekeurd. Die huidigeinstemmingssystematiek was nog niet van toepassing bij de overgangvan pensioenfonds Johnson & Johnson naar België in 2015.12Gelet op bovenstaande moet ik concluderen dat DNB geen rol speelt bijde inhoudelijke afspraken die sociale partners maken over de toeslagver-lening.Hoewel ik goed kan voorstellen dat gewezen deelnemers en gepensio-neerden van Johnson & Johnson teleurgesteld zijn over hun indexatieper-spectief, hebben mij geen signalen bereikt dat de arbeidsvoorwaardelijkeafspraken niet binnen de (toen) geldende wettelijke kaders zijn gemaakt.Het staat de vertegenwoordigende partijen en Johnson & Johnson alswerkgever vrij om hierover nieuwe afspraken te maken.3. Inzicht in kosten aan de hand van kengetallen De motie Van Brenk vraagt de regering in samenspraak met de pensioen-sector enkele verantwoord samengestelde (uniforme) kengetallen teontwikkelen die het mogelijk maken voor deelnemers om pensioenuit-voerders te beoordelen op de kosten van uitvoering.13Transparantie over uitvoeringskosten is belangrijk, zeker met de overstapnaar premieregelingen waarbij ambitie, zekerheid en kosten directer aanelkaar gekoppeld zijn. Kostentransparantie leidt er toe dat discussies opde juiste manier gevoerd kunnen worden, niet alleen over de hoogte vande kosten, maar juist ook over de hoogte in relatie tot wat de deelnemerhiervoor terugkrijgt. Daarnaast stelt heldere, meer persoonlijke informatiedeelnemers in staat om meer inzicht te krijgen in rendementen en kostenvoor hun pensioenregeling, en om, indien er keuzemogelijkheden zijn,weloverwogen keuzes te maken.12Kamerstukken II, 2025/26, aanhangsel van de handelingen, 1207. Beantwoording vanKamervragen van het lid Van Brenk (50PLUS) over «De casus Pensioenfonds Johnson &Johnson» (2026Z03092).13Kamerstukken II, vergaderjaar 2025/26, 36 800 XV, nr. 86.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7115 In de pensioenwet is daarom een aantal waarborgen opgenomen om dekosten voor deelnemers inzichtelijk te maken. Zo moet het pensioenfondsin het bestuursverslag en op de website14 verantwoording afleggen overde uitvoeringskosten en moeten de kosten op het uniform pensioenover-zicht (UPO) van de deelnemer worden getoond. Het is van belang dat dezeinformatie voor de deelnemer transparant is. Indien een deelnemervragen heeft over deze kosten kan hij deze voorleggen aan zijn pensioen-fonds of aan het verantwoordings-/ belanghebbendenorgaan van hetpensioenfonds.15 Deze organen beoordelen namelijk de verantwoordingvan het bestuur over de gemaakte kosten en het uitgevoerde beleid,evenals over de beleidskeuzes voor de toekomst waaronder de keuzes dievan invloed zijn op de uitvoeringskosten en kunnen hier indien nodig ookhet bestuur op aanspreken.Het pensioenfonds moet de gemaakte kosten evalueren en kijken naarmogelijke verbeteringen met betrekking tot de beheersing van dezekosten. Dit vergroot de druk om de kosten effectief te beheersen.Toezichthouders DNB en AFM houden ook ieder vanuit de eigen verant-woordelijkheid toezicht op de kosten van het pensioenfonds. DNB houdttoezicht op de kosten van pensioenfondsen in het kader van het pruden-tiële toezicht op de beheerste en integere bedrijfsvoering en de gover-nance van pensioenfondsen. De AFM houdt toezicht op de transparantieen informatievoorziening ten aanzien van deze kosten aan deelnemers.Het Ministerie van SZW heeft met de pensioensector gesproken over de inde motie gevraagde kengetallen en geconcludeerd dat er passendekengetallen beschikbaar zijn aan de hand waarvan deelnemers en anderestakeholders hun pensioenuitvoerder(s) kunnen beoordelen op de kostenvan uitvoering. Er zijn drie uniforme, vergelijkbare en wettelijk voorge-schreven kengetallen ten aanzien van de kosten van pensioenfondsen.16Als bijlage bij deze brief wordt een overzicht gegeven van deze kenge-tallen voor pensioenfondsen.17 Dit overzicht biedt inzicht in:1.Pensioenbeheerkosten; deze kosten omvatten onder meer de kostenvoor de uitvoering van de pensioenregeling, zoals administratie,communicatie, gegevensbeheer, premie-inning en uitbetaling vanpensioenen. De pensioenbeheerkosten worden uitgedrukt in eentotaalbedrag en in een bedrag per deelnemer of pensioengerech-tigde.182.Vermogensbeheerkosten; kosten die gemaakt worden voor hetbeheren van de beleggingen, zoals voor de administratie en beheervan de beleggingen (incl. eventuele prestatievergoedingen) enadvieskosten.14Artikel 45a van de Pensioenwet en artikel 46a lid 1 sub c schrijft voor dat een pensioenfonds inzijn bestuursverslag én op de website informatie opneemt over de uitvoeringskosten. Hierbijmoet door het pensioenfonds onderscheid worden gemaakt in de pensioenbeheerkosten,vermogensbeheerkosten en transactiekosten.15In het verantwoordings-/ belanghebbendenorgaan zijn de actieve deelnemers, de pensioenge-rechtigden en (indien gewenst) de betrokken werkgever(s) vertegenwoordigd. Gewezendeelnemers kunnen ook in het verantwoordingsorgaan vertegenwoordigd zijn.16DNB publiceert sinds 2014 ook ieder jaar een overzicht met enkele belangrijke kengetallen vanalle Nederlandse pensioenfondsen, inclusief deze drie kostenkengetallen. De meest recenteversie hiervan dateert van 18 september 2025 en is te vinden op de site van DNB ( Gegevensindividuele pensioenfondsen (Jaar) – DNB).17Voor de volledigheid is een overzicht met de kengetallen rondom de uitvoeringskosten vanpensioenfondsen uit dit overzicht als bijlage bij de brief toegevoegd.18De totale pensioenbeheerkosten worden gedeeld door het totale aantal actieve deelnemers enpensioengerechtigden. De pensioenbeheerkosten voor de gewezen deelnemers zijn relatieflaag, daarom tellen die niet mee in de noemer van dit kengetal.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7116 3.Transactiekosten; kosten die samenhangen met het kopen enverkopen van beleggingen, en die dus losstaan van de vermogensbe-heerkosten.De vermogensbeheerkosten en de transactiekosten worden uitgedrukt ineen totaalbedrag en in een percentage van het in het verslagjaargemiddeld belegde vermogen.De kosten verschillen tussen pensioenfondsen en hangen onder meersamen met de karakteristieken en beleidskeuzes van het fonds en socialepartners, zoals de grootte van het fonds, de kenmerken van deelnemers,de keuzes die zijn gemaakt voor de uitvoering en communicatie, derisicohouding en het gevoerde beleggingsbeleid. Deze verschillen in achtnemend, geven de kengetallen een goed beeld van de uitvoeringskosten.Ten aanzien van de uitvoeringskosten zijn er door pensioenfondsen ookafspraken gemaakt hoe de uitvoeringskosten dienen te wordenvastgesteld.194. Toezegging begrotingsbehandeling om jongeren te betrekkenbij wijzigingen in de AOW Ik heb tijdens de begrotingsbehandeling SZW toegezegd om uw kamer teinformeren over hoe jongeren worden betrokken bij wijzigingen in deAOW. Ik vind het belangrijk dat ook jongeren zich kunnen uitspreken overonze AOW. Ik benader daarom onder meer het SER jongerenplatform ofzij bereid zijn hierover het gesprek aan te gaan.5. Governance in het nieuwe pensioenstelsel Pensioen is een arbeidsvoorwaarde, overeengekomen tussen socialepartners of tussen werkgever en werknemers en is daarmee meer dan eenfinancieel product. Dit komt ook tot uiting in de wijze waarop pensioen-fondsen de governance hebben ingericht. De belanghebbenden –deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden en werkgevers –vervullen daarbij een belangrijke rol. Welke rol dat precies is, hangt af vanhet gekozen bestuursmodel.De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is een goed moment om, inlijn met de motie Palland, te inventariseren hoe de governance binnenpensioenfondsen nu is vormgegeven en op welke wijze ingespeeld wordtop actuele ontwikkelingen.20 Vervolgens wordt bezien in hoeverre devertegenwoordiging door de belanghebbenden in het pensioenfonds nogsteeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming. Hiermee geef iktevens invulling aan de motie Vermeer.21Een onderzoeksbureau wordt daartoe gevraagd om eerst in kaart tebrengen hoe de governance binnen pensioenfondsen is vormgegeven enop welke wijze momenteel invulling wordt gegeven aan evenwichtigebesluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen.Daarbij wordt onder andere in kaart gebracht hoe pensioenfondseninspelen op ontwikkelingen in het deelnemersbestand. Vervolgens wordt,mede aan de hand van de resultaten uit het eerste deel van het onderzoek,onderzocht in hoeverre de vertegenwoordiging door de belanghebbendenin het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor evenwichtige besluit-vorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen. Naarverwachting start het onderzoeksbureau deze zomer met de opdracht en19Zie: Aanbevelingen-uitvoeringskosten, https://pensioenfederatie.nl/aanbevelingen-uitvoeringskosten/.20Conform Motie Palland c.s.; TK, 2022–2023, 36 067, nr. 149.21Kamerstukken II, 2025/26, 32 043, nr. 700.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7117 wordt uw Kamer in de eerste helft van 2027 geïnformeerd over debevindingen.6. Publieksmonitor pensioenen SZW voert sinds 2022 de publieksmonitor pensioenen uit. Dit kwantitatiefonderzoek wordt elk kwartaal uitgevoerd onder een representatievesteekproef van Nederlanders. De publieksmonitor pensioenen kijkt naarvertrouwen, kennis, houding en gedrag van Nederlanders ten aanzien vanhet pensioenstelsel. Doel is om de publiekscommunicatie omtrent destelselwijziging te verbeteren op basis van de uitkomsten.Het onderzoek is opnieuw aanbesteed vanwege het verstrijken van decontractperiode en wordt sinds 2026 uitgevoerd door Motivaction. Ditonderzoeksbureau maakt gebruik van een ander panel. Als gevolg van deovergang naar het nieuwe onderzoeksbureau en wijzigingen aan demeetmethode en vragenlijst, zijn de resultaten van Q1 2026 niet meer tevergelijken met voorgaande metingen. Q1 2026 dient als nieuw startpuntgezien te worden (zie bijlage 2).Belangrijkste uitkomsten meest recente metingHet vertrouwen van Nederlanders in het pensioenstelsel is neutraal. Descore bedraagt 5,7 (score op een schaal 1–10, daarbij is: <4 = weinigvertrouwen; 4–7 = neutraal; >7 = veel vertrouwen). Het meetmoment wasde eerste week van februari dit jaar. Het vertrouwen in pensioenen isstabiel. Het pensioenvertrouwen ligt hoger onder de groep die al metpensioen is en financieel hoog geletterden.7. Evaluatie experimenteerbepaling voor zelfstandigen Het kabinet wil dat iedereen een adequaat pensioen kan opbouwen. Omde pensioenopbouw van zelfstandigen te bevorderen, zijn er in de Wettoekomst pensioenen (Wtp) verschillende maatregelen genomen. Een vandeze maatregelen is de zogenaamde experimenteerbepaling die tot doelheeft om te onderzoeken of pensioenopbouw in de tweede pijler ook voorzelfstandigen een aantrekkelijke optie kan zijn. Op basis van dezewetgeving kunnen pensioenuitvoerders bij wijze van experiment, naastvrijwillige voortzetting, tweede-pijlerpensioenregelingen aanbiedenwaarbij zelfstandigen zich vrijwillig kunnen aansluiten. Op die manierkunnen zelfstandigen profiteren van het collectieve karakter van tweede-pijlerregelingen en de (solidariteits)voordelen die daarbij horen.Eind 2025 was er door pensioenuitvoerders echter nog geen gebruikgemaakt van de experimenteerbepaling. Tijdens het commissiedebat van21 november 2024 is toegezegd om in gesprek te gaan met belangheb-benden wanneer er in 2025 nog geen gebruik is gemaakt van de experi-menteerbepaling.22 Daarnaast is er ook uitvoering gegeven aan de motieStoffer-Smals waarin gevraagd wordt om aanvullende mogelijkheden teonderzoeken om de pensioenopbouw voor zelfstandigen te verbeteren.23Naar aanleiding van de toezegging en de wettelijke verplichting24 tot eenevaluatie van de experimenteerbepaling heeft SEO EconomischOnderzoek (hierna: SEO) in opdracht van het Ministerie van Sociale Zakenen Werkgelegenheid (SZW) onderzocht waarom er tot eind 2025 nog geengebruik is gemaakt van de experimenteerbepaling. Hierbij informeer ik uw22TZ202411-097.23Kamerstukken II, vergaderjaar 2022/23, 36 067, nr. 162.24Artikel 10 Besluit experiment pensioenregeling zelfstandigen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7118 Kamer over de strekking van het rapport. Het rapport ontvangt u alsbijlage bij deze brief (zie bijlage 3).Conclusies uit het rapportVoor deze evaluatie heeft SEO een enquête uitgezet onder pensioen-fondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen (PPI’s). Daarnaastzijn er gesprekken gevoerd met de Pensioenfederatie, het Verbond vanVerzekeraars en een aantal pensioenuitvoerders om een breder beeld tekrijgen van de redenen waarom er geen gebruik wordt gemaakt van deexperimenteerbepaling.Uit het onderzoekt blijkt dat de meeste pensioenuitvoerders overwegendpositief staan tegenover het bieden van experimenteerruimte ompensioenopbouw in de tweede pijler onder zelfstandigen te stimuleren.Een kwart van de pensioenfondsen geeft aan niet bekend te zijn met deregeling. Dit betekent niet dat de fondsen in het geheel niet van deregeling hebben gehoord, maar dat de respondenten mogelijk relatiefnieuw zijn, of dat de kennis bij de uitvoeringsorganisatie is belegd, en nietbij het bestuur. Ook kan een verklaring zijn dat de experimenteerbepalingis ingevoerd met de Wtp. In het kader van de Wtp kan de aandacht van defondsen elders hebben gelegen. Voor verzekeraars en PPI’s geldt dat zijwel allen bekend waren met de mogelijkheden van de experimenteerbe-paling.Naast de overwegend positieve houding van pensioenuitvoerders, zijnpensioenfondsen van mening dat de wijze waarop de experimenteerbe-paling is vormgegeven, onvoldoende ruimte biedt. Zij geven aan dat dekaders onvoldoende aansluiten bij hun uitvoeringspraktijk, waardoor hetontwikkelen van een aantrekkelijk product lastig is. Overigens was dit albekend, aangezien de pensioensector ook betrokken was bij de totstand-koming van de experimenteerbepaling. Bij de vormgeving van deexperimenteerbepaling is al onderzocht of de kaders verder kondenworden opgerekt om beter aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk, maardit bleek juridisch niet haalbaar en stuit nog steeds op juridischebelemmeringen. Verzekeraars en PPI’s ervaren de huidige wettelijkeruimte als minder beperkend, doordat zij niet sectorgebonden zijn endaardoor gemakkelijker producten aan een brede groep zelfstandigenkunnen aanbieden. Pensioenfondsen zijn daarentegen gebonden aan huneigen sector en kunnen daardoor slechts een beperkte groep zelfstandigenaanschrijven, wat het potentiële bereik beperkt. Ook vormen administra-tieve lasten en de verwachte lage deelname belangrijke belemmeringen.Sommige fondsen opereren in sectoren met relatief weinig zelfstandigen,waardoor het potentiële bereik klein is. Daarnaast wordt aangegeven datdeze doelgroep moeilijk te bereiken is.Behalve naar uitvoerbaarheid is ook gevraagd of de verwachting is datgedurende de looptijd van het experiment (tot 30 juni 2028) meerexperimenten op basis van deze experimenteerruimte zullen wordengestart. Pensioenuitvoerders geven aan druk bezig te zijn met deimplementatie van de Wtp en hierdoor te weinig capaciteit te hebben omaanvullende experimenten te starten. Binnen de huidige looptijd van debepaling worden dan ook nauwelijks initiatieven verwacht. Bij eenstructurele verankering van de experimenteerbepaling verwachtensommige verzekeraars en PPI’s een pensioenproduct voor zelfstandigenaan te bieden. Pensioenfondsen zijn hierin terughoudender. Ik zal dekomende periode met pensioenuitvoerders en sociale partners besprekenin hoeverre het structureel maken van deze experimenteerbepalingopportuun is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7119 In dit onderzoek zijn tevens de modaliteiten betrokken die de Stichting vande Arbeid (StvdA) in haar rapport van maart 2024 heeft aanbevolen ompensioenopbouw in de tweede pijler aantrekkelijker en toegankelijker temaken voor zelfstandigen.25 Dit advies vloeit voort uit de afspraak in hetPensioenakkoord om de mogelijkheden voor pensioenopbouw voorzelfstandigen binnen de tweede pijler nader te verkennen. De StvdA heeftdaarbij vier opties onderzocht en een aantal aanbevelingen gedaan. Eenvan de door de StvdA onderzochte modaliteiten sluit sterk aan bij dehuidige experimenteerbepaling. Zoals hierboven aangegeven zal hetMinisterie van SZW het gesprek aangaan met pensioenuitvoerders en desociale partners, daarbij zullen ook de aanbevelingen van de StvdAworden betrakken. Overigens blijkt uit het SEO-rapport blijkt dat deaanbevolen modaliteiten geen duidelijke of sterke voorkeur oproepen bijpensioenuitvoerders.VervolgIn het licht van de motie is bekeken hoe de pensioenopbouw onderzelfstandigen verder kan worden gestimuleerd.26 Het InterdepartementaalBeleidsonderzoek Pensioenopbouw in balans (IBO) laat zien dat een grootdeel van de huishoudens na pensionering de levensstandaard kanbehouden. Voor zelfstandigen geldt dat dit afhankelijk is van hetaanspreken van veelal illiquide vermogen in de vierde pijler, zoals deeigen woning of onderneming.Conform de kabinetsreactie op het IBO wordt de pensioenopbouw vanzelfstandigen in de tweede en derde pijler structureel gemonitord.27 Deeerste resultaten zijn november 2025 met uw Kamer gedeeld. Dit najaarvolgt een tweede meting, waarmee beter kan worden gemonitord inhoeverre zelfstandigen in toenemende mate pensioen opbouwen. In dezecijfers wordt naar verwachting ook het effect zichtbaar van de fiscaleverruiming in de derde pijler. Daarbij zijn er signalen uit de praktijk dat intoenemende mate gebruik wordt gemaakt van derde-pijlerproducten alsoudedagsvoorziening.28 Vooralsnog geeft de ontwikkeling van depensioenopbouw onder zelfstandigen geen aanleiding tot aanvullendemaatregelen op dit terrein.Wel zal ik, conform de eerdere toezegging, de ontwikkeling van depensioenopbouw onder zelfstandigen blijven monitoren. Daarbij heeft hetkabinet in de verdere uitwerking van de aankomende zzp-wetgeving ookoog voor de positie van zelfstandigen, waaronder het aspect vanpensioenopbouw.8. Stand van zaken derde nota van wijziging bij Wetsvoorstelpensioenverdeling bij scheiding (WPS) Tijdens het Tweeminutendebat Pensioenonderwerpen op 31 maart jl. heefthet lid Michon-Derkzen (VVD) een motie ingediend over het tijdpad voorhet wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding (WPS).29 Hierbijinformeer ik uw Kamer over het voorgenomen tijdpad voor ditwetsvoorstel.25https://www.stvda.nl/-/media/stvda/downloads/publicaties/2024/advies-pensioen-zelfstandigen-tweede-pijler.pdf26Kamerstukken II, 2022/23, 36 067, nr. 162.27Kamerstukken II, 2024/25, 32 043, nr. 667.28Thomas van Ossenbruggen, 3 mei 2025, Eigen pensioenen in de lift, De Telegraaf.29Kamerstukken II, 2025/26, 32 043, nr. 706.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71110 Het wetsvoorstel WPS is in september 2019 aan de Tweede Kameraangeboden.30 Met dit wetsvoorstel wordt de opzet van de wettelijkeregels voor pensioenverdeling bij scheiding verbeterd. Bovendien wordtde wet vernieuwd om te kunnen voldoen aan de eisen van de huidige tijd.De standaard voor verdeling van pensioenaanspraken wordt «conversie»,wat inhoudt dat het deel van het pensioen dat toekomt aan de ex-partnerwordt omgezet in een eigen ouderdomspensioen. Hierdoor wordt deafhankelijkheid tussen ex-partners op pensioengebied verbroken enontstaat er voor beide partners meer inzicht in en handelingsperspectiefbij het pensioen. Vanwege de samenloop met de uitvoering van de Wettoekomst pensioen (Wtp) heeft de regering eerder in samenspraak met depensioensector aangegeven de beoogde inwerkingtredingsdatum van hetwetsvoorstel op te schuiven naar het einde van de transitie.31, 32 Debeoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2028.In dat kader is uw Kamer de toezegging gedaan om in 2026 een derdenota van wijziging bij WPS open te stellen voor internetconsultatie.33 Dezenota van wijziging ziet op drie onderdelen: wetstechnische aanpassingenvanwege de Wtp, overige aanpassingen vanwege de Wtp en overbrug-gingsmaatregelen voor echtscheidingen onder bestaande wetgeving (Wetverevening pensioenrechten bij scheiding), zoals het inzichtelijk makenvan pensioenbedragen van gescheiden partners op mijnpensioenover-zicht.nl (MPO). Daarbij is aangegeven dat de voorgestelde nota vanwijziging zo omvangrijk is dat deze aan de Raad van State zal wordenvoorgelegd voor advisering.Overige aanpassingen vanwege de WtpEen van de aanpassingen voor de nota van wijziging die vanwege de Wtpwordt onderzocht ziet op samenwoners. Onder het nieuwe pensioen-stelsel is het partnerpensioen vóór pensioendatum op risicobasis en hetpartnerpensioen vanaf pensioendatum op opbouwbasis. Als samen-woners uit elkaar gaan, ontstaat van rechtswege een bijzonder partner-pensioen vanaf pensioendatum.34 Voor het partnerpensioen op risicobasisontstaat bij beëindiging van de relatie geen recht op bijzonder partnerpen-sioen.De Wtp voorziet wel in overgangsrecht voor partnerpensioen dat isopgebouwd voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Alssamenwoners uit elkaar gaan, kan er in dat geval eventueel ook eenbijzonder partnerpensioen voor pensioendatum ontstaan. Als samen-woners uit elkaar gaan is er geen wettelijk recht op het verdelen vanouderdomspensioen.De pensioensector heeft voorgesteld om het verdelen van het ouderdoms-pensioen en partnerpensioen vanaf pensioendatum voorex-samenwoners op grond van het wetsvoorstel WPS mogelijk te maken.Indien zij daarvoor kiezen wordt «conversie» het uitgangspunt van deverdeling, net zoals dat in het wetsvoorstel het geval is voor echtschei-dingen. Dit betekent dat het ouderdomspensioen en partnerpensioen datis opgebouwd tijdens de samenwoonperiode wordt omgezet in een eigenouderdomspensioen voor de ex-partner dat niet meer afhankelijk is vande ex-partner. De regering is voornemens om te onderzoeken of dezewens kan worden opgenomen in de derde nota van wijziging. Dit komtimmers tegemoet aan de veranderde samenlevingsvormen in de huidige30Kamerstukken II, 2018/19, 35 287, nr. 1.31Kamerstukken II, 2024/25, 32 043, nr. 666.32Kamerstukken II, 2023/24, 36 067, nr. 19633Kamerstukken II, 2024/25, 32 043, nr. 666.34Artikel 57 Pensioenwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71111 maatschappij. Dit vergt echter zorgvuldige afweging en vormgevingwaarbij voor- en nadelen in kaart worden gebracht. In dat kader zal er ookeen Data protection impact assessment (DPIA) worden uitgevoerd en zalop grond van artikel 36, vierde lid, van de Algemene verordeninggegevensbescherming, de Autoriteit Persoonsgegevens om een adviesworden verzocht.TijdpadDe nadere uitwerking van de drie onderdelen voor de derde nota vanwijziging vergt meer ambtelijke capaciteit dan eerder verwacht. Om diereden zal de derde nota van wijziging naar verwachting begin 2027 terinternetconsultatie worden aangeboden. Na afronding van de internetcon-sultatie en de toezichttoetsen zal deze nota worden voorgelegd teradvisering aan de Raad van State. Vervolgens zal de derde nota vanwijziging bij uw Kamer worden ingediend. Wellicht ten overvloede, debestaande Wet verevening pensioenrechten bij scheiding is vantoepassing op scheidingen die hebben plaatsgevonden voordat de WPS inwerking zal zijn getreden.9. Wijziging Pensioenwet stichtingsvereiste bedrijfstakpensioen-fondsen In 2022 is de Europese Commissie een EU Pilot (informelepre-infractiefase) gestart naar aanleiding van een individuele klacht uitNederland.35 De EU Pilot had betrekking op de vraag waarom eenverplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de rechtsvorm van eenstichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben («stichtingsver-eiste»). Door dit stichtingsvereiste kan een bedrijfstakpensioenfondsgevestigd in een andere lidstaat niet als verplichtgesteld bedrijfstakpensi-oenfonds actief zijn op de Nederlandse markt, zonder een stichting naarNederlands recht te worden.In het kader van de EU Pilot heeft een aantal informele gesprekkenplaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de EuropeseCommissie en is de informatie over de Nederlandse pensioenwet- enregelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling is de EuropeseCommissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland eenongerechtvaardigde belemmering heeft geïntroduceerd voor het recht vanvrijheid van vestiging.36De regering en de Europese Commissie delen daarbij het uitgangspuntdat de verplichtstelling als zodanig niet strijdig is met EU-recht. Om dezebelemmering weg te nemen is een wetsvoorstel in voorbereiding, zodanigdat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit eenandere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijnop de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel eenrechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringenaan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandsestichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke bescherming van depensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winstenten goede komen aan deelnemers- geborgd.Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaatwaarborgen waaronder een governancesysteem te hebben, dat deafbakening van taken en de controle van werkgevers, werknemers enpensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de35https://ecer.minbuza.nl/ecer/eu-essentieel/inbreukprocedures en Kamerstukken I 2022/23,36 067, nr. H, p. 65–66 en p. 126.36Artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71112 governance die van toepassing is op een in Nederland gevestigdepensioenuitvoerder. In overleg met de Europese Commissie en denationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe deze op resultatengebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd,rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene)IORP II-richtlijn en het in Nederland gehechte belang aan de adequatebescherming van de belangen van deelnemers bij een verplichtstelling.De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementa-tiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn. Ik zal uwKamer in het tijdpad van die implementatiewetgeving ook meenemen inde nadere uitwerking van dit voornemen.Ik hecht eraan te benoemen dat hiermee invulling wordt gegeven aan dezienswijze van de Europese Commissie. Het is en blijft ook na aanpassingvan de wet aan sociale partners om een pensioenregeling af te spreken enkeuzes te maken over de onderbrenging van de pensioenregeling bij eenbedrijfstakpensioenfonds. Sociale partners zullen dus altijd met inacht-neming van de belangen van de (potentiële) deelnemers en gepensio-neerden en met instemming van deelnemers en gepensioneerden zelfmoeten kiezen óf ze de pensioenregeling bij een buitenlandse instellingwillen onderbrengen en beoordelen welke consequenties dit kan hebbenvoor de deelnemers.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A. VijlbriefTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71113
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.