KamerkringInloggen
Kamerstuk

Tweede nota van wijziging

8 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ae3a7f5ac55660c4 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202635 501Wijziging van de Wet terugkeer envreemdelingenbewaring met het oog op hethandhaven van de mogelijkheden ommaatregelen te nemen ten aanzien vanoverlastgevende vreemdelingenNr. 14 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 12 mei 2026 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:AHet opschrift komt te luiden:Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enigeandere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden ommaatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen,het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en hetverhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek vanStrafrecht (novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring)BDe considerans komt te luiden:Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wetterugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten te wijzigenmet het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen tenemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimenvan de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van hetstrafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht;CArtikel I wordt als volgt gewijzigd:1.Onderdeel E, onder 2, komt als volgt te luiden:2. Onderdeel B komt als volgt te luiden: kst-35501-14ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 141 BArtikel 6 wordt als volgt gewijzigd:1. Het vierde en vijfde lid vervallen, onder vernummering van het zesdeen zevende lid tot vierde en vijfde lid.2. Het vierde lid (nieuw) komt als volgt te luiden:4. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid,opleggen aan de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, indien hetbelang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert. Demaatregel wordt uitsluitend opgelegd indien zicht op uitzetting binnenredelijke termijn bestaat, voor een zo kort mogelijke periode. Deartikelen 58, tweede en derde lid, 58a en 59, tweede en derde lid, zijn vanovereenkomstige toepassing.3. In het vijfde lid (nieuw) wordt «het zesde lid» vervangen door: «vierdelid».2.Na onderdeel L wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:LaNa artikel 99, onderdeel T, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:TaIn artikel 96a, vierde lid, wordt «artikel 59, zesde lid,» vervangen door«artikel 59, derde lid,» en «artikel 59, vijfde lid» door «artikel 59, tweedelid,».DOnder vernummering van artikel II tot V worden drie artikeleningevoegd, luidende:ARTIKEL IIDe Vreemdelingenwet 2000 wordt als volgt gewijzigd:AIn artikel 27, vierde lid, wordt na «inreisverbod» ingevoegd «of eenongewenstverklaring».BIn artikel 45, achtste lid, wordt na «inreisverbod» ingevoegd «of eenongewenstverklaring».CIn artikel 62a, tweede lid, wordt na «inreisverbod» ingevoegd «of eenongewenstverklaring».DArtikel 67 wordt als volgt gewijzigd:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 142 1. In het eerste lid, aanhef, wordt «Tenzij afdeling 3 van toepassing is,»vervangen door «Onverminderd artikel 66a, eerste en tweede lid,».2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «drie jaren» vervangen door«twee jaren».3. In het derde lid wordt «In afwijking van artikel 8» vervangen door «Inafwijking van artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf vande vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfs-vergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op dieaanvraag nog niet is beslist en de behandeling van deze aanvraag opgrond van deze wet in Nederland mag worden afgewacht,».EArtikel 68, eerste lid, komt te luiden:1. Onze Minister kan ambtshalve wegens gewijzigde omstandighedendan wel op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing oftijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.ARTIKEL IIIIn bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt de zinsnede metbetrekking tot de Vreemdelingenwet 2000 als volgt gewijzigd:1. Onder verlettering van onderdelen e en f tot f en g wordt eenonderdeel ingevoegd, luidende:e. een ongewenstverklaring als bedoeld in artikel 67, eerste lid, waartoeis besloten door middel van een zelfstandige beschikking jegens eenvreemdeling voor wie ook een terugkeerbesluit geldt of wiens aanvraagals bedoeld in artikel 28 niet is ingewilligd dan wel wiens vergunning alsbedoeld in artikel 28 is ingetrokken of niet is verlengd2. Aan onderdeel f (nieuw) wordt toegevoegd «of van een ongewenst-verklaring van een vreemdeling jegens wie ook een terugkeerbesluit geldtof wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 niet is ingewilligd dan welwiens vergunning als bedoeld in artikel 28 is ingetrokken of niet isverlengd».ARTIKEL IVIn artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht wordt «zes maanden»vervangen door «een jaar».Toelichting Onderdeel A en BIn verband met de in onderdeel D voorgestelde wijzigingen worden hetopschrift en de considerans van het wetsvoorstel gewijzigd.Onderdeel CZoals werd aangestipt bij de eerste nota van wijziging heeft het grotetijdsverloop dat de wetsbehandeling inmiddels in beslag neemt, ertoegeleid dat bepaalde onderdelen van het wetsvoorstel inzake regels metbetrekking tot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 143 waring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring)1 verouderd zijn en dater onmisbare voorzieningen ontbreken. De eerste nota van wijziging vande novelle (het wetsvoorstel tot wijziging van Wet terugkeer en vreemde-lingenbewaring met het oog op het handhaven van de mogelijkheden ommaatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen2)die de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring wijzigt, beoogde ondermeer het wetsvoorstel in overeenstemming te brengen met het bij deTweede Kamer aanhangige wetsvoorstel betreffende de wijziging van deVreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met deuitvoering en implementatie van het EU-Asiel-en migratiepact 2026(Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026).3 Daarbijzijn echter twee technische wijzigingen over het hoofd gezien. Dezeworden nu alsnog toegevoegd.Artikel 6 Vw 2000 omvat de regeling voor grensbewaring. Deze regelingziet op de groep van personen aan wie de toegang tot Nederland isgeweigerd omdat niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland ofhet Schengengebied is voldaan. Voor grensbewaring geldt – net als voorde territoriale bewaring – een maximale duur, zoals thans is geregeld inartikel 59, vierde en vijfde lid, Vw 2000 en na de inwerkingtreding van deWet terugkeer en vreemdelingenbewaring geregeld zal zijn in artikel 59,tweede en derde lid, Vw 2000 (nieuw). Bij de voorziene aanpassing vanartikel 6 Vw 2000 is per abuis over het hoofd gezien dat verduidelijktdiende te worden dat de maximale duur voor grensbewaring (overeen-komstig artikel 59, tweede en derde lid, Wv 2000) altijd geldt en dus ookwanneer personen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd geenasielaanvraag hebben gedaan. Om die reden wordt in de eerste zin vanartikel 6, vierde lid, Vw 2000 (nieuw) geschrapt «en op wie voorafgaandaan de toegangsweigering het derde lid van toepassing was». Voor deleesbaarheid wordt daarbij onderdeel E, onder 2, van de novelle (hetwetsvoorstel tot wijziging van Wet terugkeer en vreemdelingenbewaringmet het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen tenemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen4) die de Wetterugkeer en vreemdelingenbewaring wijzigt, helemaal vervangen. Alleende wijziging van artikel 6 onder sub 1 is nieuw.In artikel I, onderdeel BT, van het wetsvoorstel betreffende deUitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 wordtvoorzien in een nieuw artikel 96a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000). In het vierde lid van dat artikel wordt verwezen naar het huidigeartikel 59, vijfde en zesde lid, Vw 2000. Na de inwerkingtreding vanartikel 99, onderdeel M, van het wetsvoorstel inzake regels met betrekkingtot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wetterugkeer en vreemdelingenbewaring) zullen de bepalingen die zijnopgenomen in artikel 59, vijfde en zesde lid, Vw 2000 echter verplaatst zijnnaar artikel 59, tweede en derde lid, Vw 2000. Om ervoor te zorgen dat deverwijzing in het nieuwe artikel 96a Vw 2000 na de inwerkingtreding vande Wtvb nog steeds kloppend is, wordt in deze nota van wijziging eenwijzigingsbepaling aan de Wtvb toegevoegd.1Kamerstukken II 2017–2019, 34 309, A.2Kamerstukken II 2019–2020, 35 501, nr. 2.3Kamerstukken II 2025–2026, 36 871, nr. 2.4Kamerstukken II 2019–2020, 35 501, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 144 Onderdeel DWijziging van de Vreemdelingenwet 2000Artikel II herneemt de verruiming van de mogelijkheden tot ongewenst-verklaring, een maatregel die oorspronkelijk was opgenomen in deAsielnoodmaatregelenwet (Kamerstukken 36 704). Over dit wetsvoorstelen deze specifieke maatregel heeft de Afdeling advisering van de Raadvan State eerder al advies uitgebracht.5 Hierna volgt een korte samen-vatting van de hoofdlijnen van de maatregel, gevolgd door een wetstech-nische toelichting op de voorgestelde wijzigingen.In de kern wordt met de onderhavige maatregel beoogd het opnieuwmogelijk te maken om een ongewenstverklaring op te leggen aanpersonen die onder de Terugkeerrichtlijn vallen, met name in Nederlandverblijvende derdelanders. De ongewenstverklaring heeft thans alleenbetrekking op andere categorieën vreemdelingen, zoals burgers van deEU en hun gezinsleden, en onderdanen van derde landen die zich buitenNederland bevinden. De mogelijkheid om een ongewenstverklaring op teleggen aan personen die onder de Terugkeerrichtlijn vallen bestondvoorheen altijd al, maar is in 2011 met de implementatie van de Terug-keerrichtlijn afgeschaft. De veronderstelling destijds was dat het Europeseinreisverbod in vergelijkbare gevallen zou kunnen worden uitgevaardigdals een nationale ongewenstverklaring en dezelfde rechtsgevolgen zousorteren, doordat de gronden grotendeels gelijk zijn getrokken.6 Eensamenloop van beide instrumenten werd daarom niet nodig bevonden.Naderhand is echter gebleken dat, anders dan bij de implementatie werdverondersteld, het inreisverbod pas rechtsgevolgen sorteert wanneer devreemdeling het grondgebied van de EU heeft verlaten en niet daarvooral.7 Bovendien is uit latere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State gebleken dat niet aan alle vreemdelingen uitde doelgroep die onder de Terugkeerrichtlijn vallen, een inreisverbod kanworden opgelegd. De eis uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie vande EU dat dan aangetoond moet worden dat sprake is van een ernstigebedreiging van de openbare orde, blijkt vaak een te hoge drempel vooroplegging van een inreisverbod te zijn. Er moet namelijk wordenaangetoond dat het persoonlijke gedrag van de betrokken vreemdelingeen werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die eenfundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit heeft als gevolg datook in gevallen waarin wel degelijk sprake is van ernstige vormen vanoverlast en crimineel gedrag met nadelige maatschappelijke gevolgen, hetnauwelijks haalbaar is om aan dit criterium te voldoen.8Artikel II maakt de hiervoor beschreven onbedoelde effecten van debeperking ongedaan betreffende de doelgroep aan wie een ongewenst-verklaring opgelegd kan worden. Onderdeel D van artikel II wijzigtartikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 op een aantal punten. Onder 1schrapt het onderdeel dat de ongewenstverklaring uitsluitend kan wordenopgelegd in de gevallen waarin geen inreisverbod wordt opgelegd.Samenloop van beide instrumenten wordt daardoor mogelijk. Door inartikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 «Tenzij afdeling 3 vantoepassing is» – de woorden die de samenloop voorkwamen – uitdruk-kelijk te vervangen door «Onverminderd artikel 66a, eerste en tweede lid»wordt ook geëxpliciteerd dat de regeling van het EU-rechtelijk, uit de(implementatie van de) Terugkeerrichtlijn verplicht voortvloeiend5Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 4.6Kamerstukken II 2009/10 en 2010/11, 32 420, nr. 2, nr. 3, p. 9–10, nr. 4, p. 5 en 6, en nr. 9.7HvJ EU 17 september 2020, C-806/18, ECLI:EU:C:2020:724 (JZ).8Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 145 inreisverbod onverkort van toepassing blijft. Het huidige eerste lid zal degrondslag blijven voor oplegging van de ongewenstverklaring ter zakevan niet onder de Terugkeerrichtlijn vallende vreemdelingen. De wijzigingbetekent dat in beginsel aan alle vreemdelingen een ongewenstverklaringkan worden opgelegd, zoals oorspronkelijk – vóór de implementatie vande Terugkeerrichtlijn – ook het geval was. De ongewenstverklaring betrefteen nationaalrechtelijke bevoegdheid, die niet een implementatie is vanEU-regelgeving, zoals artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 inzakehet inreisverbod dat wel is. Voor zover wordt overwogen door devreemdeling gepleegde strafbare feiten aan ongewenstverklaring tengrondslag te leggen, moeten deze ook in de nationale context wordenbeoordeeld. Het is dus de uitdrukkelijke bedoeling dat aan de jurispru-dentie rondom de uitleg van het begrip ernstige bedreiging van deopenbare orde als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeer-richtlijn geen betekenis toekomt bij de interpretatie van de begrippen inartikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000. Wel is aannemelijk dat indien inrechte reeds vaststaat dat er sprake is van een dergelijke ernstigebedreiging, in elk geval is voldaan aan de voorwaarde van gevaar voor deopenbare orde of nationale veiligheid, bedoeld in artikel 67, eerste lid,onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel kan echter ook andereomstandigheden omvatten.Om een ongewenstverklaring eventueel met een meeromvattendebeschikking te kunnen opleggen, bevatten de onderdelen A, B, en Cwijzigingen van de artikelen 27, 45 en 62a van de Vreemdelingenwet 2000.Zoals hiervoor bleek, wordt hiermee niet bepaald dat een ongewenstver-klaring alleen kan worden opgelegd als ook een terugkeerbesluit wordtgenomen. Er zijn immers situaties denkbaar waarin een terugkeerbesluitniet mogelijk is en de vreemdeling desondanks ongewenst verklaard kanworden. Bijvoorbeeld in het geval de vreemdeling een verblijfsvergunningheeft in een andere lidstaat. Geëxpliciteerd wordt slechts dat niet alleeneen inreisverbod, maar ook een ongewenstverklaring – al dan niet naasteen inreisverbod – in één beschikking samen kan gaan met een beslissingover een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 27 of 45 van deVreemdelingenwet 2000 of een kennisgeving van de verplichtingNederland uit eigen beweging te verlaten als bedoeld in artikel 62a van deVreemdelingenwet 2000.Onder 3 wijzigt onderdeel D het derde lid van artikel 67. Dit lid bepaaltdat de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van deVreemdelingenwet 2000 geen rechtmatig verblijf kan hebben. De wijzigingbevat een uitzondering die voorkomt dat de vreemdeling die eenaanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeftingediend, geen rechtmatig verblijf heeft, terwijl op die aanvraag nog nietis beslist en terwijl hij de behandeling van deze aanvraag op grond van deVreemdelingenwet 2000 in Nederland mag afwachten.Artikel 68 van de Vreemdelingenwet 2000 betreft de opheffing van deongewenstverklaring. De IND kan dit nu alleen doen op aanvraag van devreemdeling. Onderdeel E – de wijziging van artikel 68, eerste lid, van deVreemdelingenwet 2000 – maakt het mogelijk dat de IND hiervan nietlanger afhankelijk is en de ongewenstverklaring ook ambtshalve kanopheffen. Dit geldt in algemene zin, maar aangezien de opheffing van hetinreisverbod (artikel 66b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000) welambtshalve kan plaatsvinden en wordt voorgesteld beide instrumenten tekunnen laten samengaan, is van belang dat de regels hierover gelijkworden getrokken. Als de IND ambtshalve iemands inreisverbod kanopheffen, dan moet de IND ook zelf kunnen overwegen al dan niet diensongewenstverklaring op te heffen. De formulering is gemodelleerd naarde bestaande bewoordingen voor de opheffing van het inreisverbodTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 146 (artikel 66b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Bij de totstand-brenging hiervan was reeds beoogd dat de bepalingen elkaars equivalentwaren en dat de IND ambtshalve, wegens gewijzigde omstandigheden ofop aanvraag van de vreemdeling kan besluiten tot opheffing of tijdelijkeopheffing. De betekenis van de bewoordingen is hetzelfde.9 Concreetgeldt ten slotte dat artikel 68, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000een basis biedt om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellenover de duur van de ongewenstverklaring na vertrek uit Nederland,waarbij aandacht zal zijn voor de verhouding met het Unierechtelijkeinstrument van het inreisverbod en de geharmoniseerde termijnen die indat kader door de Uniewetgever zijn gesteld.Onderdeel D, onder 2, herneemt het door de Tweede Kamer tijdens debehandeling van het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwetaangenomen amendement van de leden Rajkowski en Van Zanten,10 datstrekte tot verlaging van de drempel voor het kunnen opleggen van eenongewenstverklaring. Voor een toelichting op de voorgestelde wijzigingwordt verwezen naar de toelichting bij het amendement.Voor een uitgebreide toelichting op de verruiming van de mogelijk-heden tot ongewenstverklaring wordt voorts verwezen naar de memorievan toelichting bij het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet.11Voor een beschrijving van de uitvoeringsgevolgen van de maatregelwordt verwezen naar de Uitvoeringstoets uitbreiding ongewenstver-klaring.12 Daarin is uitgegaan van een bandbreedte van circa 800 tot 1200extra ongewenstverklaringen per jaar, afhankelijk van instroom enafdoeningspraktijk. Hieruit volgt dat de wijziging voor de Immigratie- enNaturalisatiedienst (IND), politie (AVIM), Centraal Orgaan opvangasielzoekers (COA), Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV), KoninklijkeMarechaussee (KMar), Openbaar Ministerie (OM) en Raad voor derechtspraak (Rvdr) uitvoerbaar is, mits wordt voldaan aan randvoor-waarden zoals voldoende personele en financiële capaciteit en tijdigeaanpassing van IV-systemen. Voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)geldt dat uitvoerbaarheid afhankelijk is van tijdige beschikbaarheid vanvoldoende personele en detentiecapaciteit. Deze randvoorwaarden zullenworden betrokken bij de verdere implementatie.Wijziging van de Algemene wet bestuursrechtArtikel III bevat noodzakelijke wijzigingen over rechtsbescherming inverband met de uitbreiding van de ongewenstverklaring. De rechtsbe-scherming volgt het bestaande regime van rechtsmiddelen, afhankelijkvan het aan de orde zijnde geval.De vreemdeling (gemeenschapsonderdaan) ten aanzien van wie naarhuidig recht wordt besloten tot een ongewenstverklaring, kan en moethiertegen eerst bezwaar maken alvorens in beroep te kunnen gaan bij derechtbank. Dit geldt ook voor de vreemdeling tegen wie nu een inreis-verbod wordt uitgevaardigd, indien dit onderdeel is van een meeromvat-tende beschikking waarbij een verblijfsvergunning regulier wordtafgewezen en die geldt als terugkeerbesluit (artikel 27 van de Vreemdelin-genwet 2000). Een en ander blijft zo en zal tevens gelden indien een9Kamerstukken II 2009/10, 32 420, nr. 3, p. 19.10Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 52.11Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 3. Zie de paragrafen 2.2.3, 3.2.3 en 4.1.3 van het algemeendeel van de memorie van toelichting en de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onder-delen E, V, onder 3, BB, CC en DD en artikel II.12Bijlage bij Kamerstukken I 2024/25, 36 703, B.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 147 ongewenstverklaring onderdeel is van een beschikking die ook eenafwijzing omvat van een verblijfsvergunning regulier. Ook in geval zalworden besloten tot ongewenstverklaring van een vreemdeling bij wie ditnu niet kan omdat afdeling 3 van hoofdstuk 6 van de Vreemdelingenwet2000 van toepassing is, wordt bezwaar opengesteld in geval geenterugkeerbesluit geldt of, kort gezegd, negatieve beslissing over deasielvergunning is genomen, zoals derdelanders die niet in de EuropeseUnie zijn.Op grond van de Regeling rechtstreeks beroep (bijlage 1 bij de Awb) kannu geen bezwaar worden gemaakt en moet rechtstreeks beroep wordeningesteld tegen een inreisverbod dat wordt uitgevaardigd als onderdeelvan een meeromvattende beschikking waarbij een verblijfsvergunningasiel wordt afgewezen en die geldt als terugkeerbesluit (artikel 45 van deVreemdelingenwet 2000) of waarbij de vreemdeling kennis wordt gegevenvan een vertrekverplichting, hetgeen geldt als terugkeerbesluit (artikel 62avan de Vreemdelingenwet 2000). Ook dit blijft zo en geldt tevens als eenongewenstverklaring onderdeel wordt van een beschikking waarbij eenverblijfsvergunning asiel wordt afgewezen of waarbij kennisgeving vaneen vertrekverplichting plaatsvindt. Artikel III, onder 1, introduceert eennieuw onderdeel e. Geldt jegens de vreemdeling een terugkeerbesluit, isdiens aanvraag tot een vergunning asiel afgewezen, niet in behandelinggenomen, niet-ontvankelijk verklaard of buiten behandeling gesteld of isdie vergunning ingetrokken of niet verlengd, dan geldt rechtstreeksberoep ook voor de ongewenstverklaring waartoe ingevolge hetwetsvoorstel in een zelfstandige beschikking kan worden besloten, kortgezegd bij derdelanders die in een andere lidstaat zijn en derdelanders diethans geen ongewenstverklaring kunnen krijgen vanwege de uiteenlo-pende invulling van de gronden die in de rechtspraak is ontstaan.Ten slotte blijft bezwaar in de regel openstaan als eerste rechtsmiddelvoor de (tijdelijke) opheffing van een ongewenstverklaring. In hetverlengde van het bovenstaande geldt echter rechtstreeks beroep, indienhet de (tijdelijke) opheffing van een ongewenstverklaring betreft van eenvreemdeling jegens wie ook een terugkeerbesluit geldt dan wel die temaken heeft met de daar verwoorde negatieve beslissingen over deasielvergunning. Vergelijkenderwijs is ook de (tijdelijke) opheffing van hetinreisverbod immers aan de bezwaarfase onttrokken. Hiertoe strektartikel III, onder 2.Wijziging van het Wetboek van StrafrechtArtikel IV herneemt het door de Tweede Kamer tijdens de behandelingvan het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet aangenomenamendement van de leden Van Zanten en Rajkowski,13 dat strekte totverhoging van de maximumstraf voor het begaan van het misdrijf,omschreven in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (onrechtmatigverblijf in weerwil van een «zwaar» inreisverbod of ongewenstverklaring).Voor een toelichting op de voorgestelde verhoging wordt verwezen naarde toelichting op het amendement.Artikel V (nieuw)Artikel V (nieuw) van de wet is inhoudelijk ongewijzigd. Het artikel regeltdat deze wet op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking kantreedt, dat voor de verschillende artikelen van de wet of onderdelen13Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 47.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 148 daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Dit maakt dat de artikelen Ien II, III en IV (nieuw) op verschillende momenten in werking kunnentreden.De Minister van Asiel en Migratie,G. van den BrinkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 501, nr. 149

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 127863e5338c953a

14 okt 2026 · afb0da933b68346e

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.