Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 3 februari 2025, over Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering) (Boek 2)
Brontekst
Versie 3055f9a0bcf770ef · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 327Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering)Nr. 55 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 14 maart 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 3 februari 2025overleg gevoerd met de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, en de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid, over:–het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering) (Kamerstuk 36327);–de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 29 janu-ari 2025 inzake instellen commissie strafvorderlijke gegevens-verwerking (Kamerstuk 29 279, nr. 923).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,PoolDe griffier van de commissie,Brood kst-36327-55ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 551 Voorzitter: Van NispenGriffier: PaauweAanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Aardema, Ellian, Helder,Koops, Mutluer, Van Nispen en Sneller,en de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming, en de heerVan Weel, Minister van Justitie en Veiligheid,alsmede de heer Knigge, regeringscommissaris.Aanvang 13.01 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Ik open dit wetgevingsoverleg van de vaste Kamercom-missie voor Justitie en Veiligheid. Allereerst heet ik de Minister vanJustitie en Veiligheid, de Staatssecretaris Rechtsbescherming en alleondersteuning van harte welkom. Ik heet ook de mensen op de tribune ende mensen die dit op andere wijze volgen van harte welkom. Vanzelf-sprekend heet ik ook de Kamerleden van harte welkom.Het wetgevingsoverleg gaat over het Wetboek van Strafvordering.Vandaag is Boek 2 aan de orde. Dat gaat over opsporingsonderzoek.Vorige week hebben we Boek 1 en de algemene thema’s behandeld.Volgende week gaan we verder met Boek 3, 4, 5 en 6, maar vandaaghebben we dus aandacht voor Boek 2. Er zijn indicatieve spreektijdendoorgegeven. U bent niet verplicht zich daaraan te houden, maar hetwordt wel op prijs gesteld. Ik was ook niet van plan om op voorhand hetaantal interrupties te maximeren, maar dat kan alleen als u mij belooft datwe de interrupties kort en bondig houden. Dan heb ik er liever wat meerdie korter zijn, dan dat ik zeg dat u er maar drie mag plegen, of ietsdergelijks. Dat gezegd hebbende ... Ik vergeet de regeringscommissarisvan harte welkom te heten. Dat spijt mij zeer. Van harte welkom. Goed datu hier bent. Het gaat net als vorige week. Dezelfde afspraken gelden diewij daar vorige week over hebben gemaakt. Volgens mij ging dat erggoed.Dan ga ik het woord geven aan de eerste spreker van de zijde van deKamer, en dat is de heer Ellian van de VVD.De heer Ellian (VVD):Dank, voorzitter. Mooi dat we dit wetgevingsoverleg kunnen voortzetten.Ik had indicatief twintig minuten spreektijd opgegeven, maar zo veelverwacht ik helemaal niet nodig te hebben, ook in het licht van hetprettige gesprek dat we vorige week als Kamer onderling en met deregering hadden, zou ik bijna willen zeggen. Ik ga snel van start, voorzitter.Boek 2 bevat allerlei opsporingsbevoegdheden, dus het zal niet gek zijndat ik over een specifieke bevoegdheid een opmerking heb. Ik wil ietszeggen over de voorlopige hechtenis aan de hand van de amendementenvan collega Sneller. Dat is wat uitzonderlijk, of misschien helemaal niet.De voorlopige hechtenis is natuurlijk een belangrijk onderwerp. Ik heb zelftwee amendementen, die ik zal toelichten. Dat zal mijn bijdrage zijn. Daarheb ik geen twintig minuten voor nodig.Voorzitter. Het geheel van de opsporingsbevoegdheden, het geheel vanBoek 2, steekt wat ons betreft goed in elkaar. Dat blijkt ook uit de reactiesvan het Openbaar Ministerie en de politie, die goed uit de voeten kunnenmet Boek 2. Althans, dat zeggen zij nu op voorhand, dus dat is mooi. Opéén punt is onze indruk dat het Openbaar Ministerie en de politiegeholpen zouden zijn met een amendement dat wij hebben ingediend.Daar kom ik zo meteen op.Om te beginnen heb ik een vraag die wat ons betreft tamelijk actueel,maar ook wel urgent is, betreffende een bevoegdheid die je bijna nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 552 meer kan wegdenken uit de dagelijkse opsporingspraktijk: het doorzoekenvan telefoons. Sinds het Landeck-arrest en de conclusie van advocaat-generaal Harteveld – volgens mij heeft de Hoge Raad inmiddels arrestgewezen in die zaken – tekende zich al af dat de rechter-commissaris eengrotere rol zou moeten hebben bij de doorzoeking van telefoons. Sindshalf januari is de nieuwe werkwijze bij het Openbaar Ministerie ook vankracht gegaan. Voor bijna elke zoeking is een schriftelijke machtigingnodig van de rechter-commissaris. Dat leidt tot een enorme papierwinkel.Sinds het Keskin-arrest, dat ziet op het horen van getuigen, heeft derechter-commissaris het al niet bepaald rustiger gekregen. Het nieuwewetboek voorziet niet in een nieuwe regeling die dit eventueel zou kunnenoplossen of normeren. Uit artikel 2.7.38 volgt dat stelselmatig onderzoekin een gegevensdrager alleen op bevel van de officier van justitie kan.Voor ingrijpend stelselmatig onderzoek is een machtiging van derechter-commissaris noodzakelijk.Het probleem is echter dat de voorvraag beantwoord moet worden,namelijk of er voorzien is dat er een compleet beeld kan worden gekregenvan bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker,hetgeen bij een reguliere smartphone natuurlijk al snel aan de orde is.Advocaat-generaal Harteveld schrijft in zijn conclusie, randnummer 4.36:«Als naar redelijke verwachting is te voorzien dat het onderzoek een meerdan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, dan isonderzoek door de rechter-commissaris vereist.»Voorzitter. In beslag genomen telefoons en de doorzoeking daarvan zijnniet meer weg te denken uit de opsporingspraktijk. De vraag is eigenlijksimpel: wat nu? Daarbij merk ik op dat er namens de Minister van Justitiein november antwoord is gegeven op de vragen van de leden Kathmannen Mutluer. Volgens mij waren dat vragen van 8 oktober. Die antwoordenverwonderden mij wel enigszins. De Minister schrijft daarin namelijk: «Derechtspraktijk in Nederland zal moeten uitwijzen wat de precieze betekenisvan deze uitspraak is.» Daarmee wordt gedoeld op het Landeck-arrest. Diebetekenis is: de machtiging van de rechter-commissaris is bijna altijdnodig bij onderzoek naar een gegevensdrager. Hoe gaan we dit nuoplossen met elkaar? Als iets aangepast moet worden in de strafvor-dering, dan moeten we dat nu doen. Hoe kunnen we dat zo doen dat eenmachtiging van de rechter-commissaris niet altijd nodig is? Is daar nogiets op te bedenken? Want dan zouden we dat nu nog kunnen veranderenin de strafvordering. Maar als dit wel de realiteit is, dan roept dit natuurlijkde vraag op, ook in het licht van vorige week: hoe groot wordt debelasting bij de kabinetten van de rc? Die wordt op deze manier echtimmens. Maar het liefst heb ik een oplossing voor deze situatie, want voorde opsporing is het essentieel dat je snel een volledig beeld kunt maken,uiteraard zonder grove inbreuk op iemands privacy. Dat weet de Ministerbeter dan ik. Je moet snel kunnen kijken of er in de telefoon iets relevantsaanwezig is.Voorzitter. Als het gaat om de rechter-commissaris, viel ons een omissieop. De rol van de rechter-commissaris wordt groter. Dat is evident. Daarhebben we het vorige week ook over gehad. Zijn taak wordt het bewakenvan de regie in de zogeheten vlucht naar voren, maar hij kan die regie nietafdwingen. In artikel 2.10.66 staat dat de rechter-commissaris eenregiebijeenkomst kan beleggen. Dat is fantastisch. Hij kan dan devoortgang bespreken. In de wet staat ook letterlijk: de rechter-commissarisbewaakt de voortgang. Maar wat doet hij als de voortgang onvoldoendeis? Welk instrumentarium heeft hij dan? Als wij vinden dat de voortgangvoortvarend bewaakt moet worden, dan moeten we de rechter-commissaris wel een instrument of een sanctioneringsmogelijkheid gevenom te zeggen: Openbaar Ministerie of raadsman van de verdachte, u gaatbinnen zoveel weken met deze verzoeken over de brug komen. Hoe kijktde Minister hiertegen aan? Zouden we die regiebewakingsfunctie niet watmeer handen en voeten moeten geven, zodat het niet alleen een papierenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 553 functie is, maar een functie waar ook echt gevolg aan gegeven kanworden?Voorzitter. Ik kom op de voorlopige hechtenis. Mijn gewaardeerde collegavan D66 heeft volgens mij vier amendementen over hetzelfde onderwerpingediend. Volgens mij zijn die amendementen allemaal gebaseerd op deveronderstelling dat de voorlopige hechtenis minder vaak zou moetenworden opgelegd of dat die in ieder geval minder vaak bevolen zoumoeten worden. De gedachte daarachter is dat er, onder verwijzing naarde literatuur en onderzoeken, geconstateerd wordt dat het bevelen van devoorlopige hechtenis een beetje een automatisme is geworden. Ik hebnog eens gekeken naar artikel 67a in het Wetboek van Strafvordering. Desituatie is nu ook dat de motivering van de voorlopige hechtenis toege-spitst moet zijn op de omstandigheden van de verdachte en deverdenking. Het is niet zo dat de rechter nu met een pennenstreek kanzeggen: hup, bij u verleng ik de voorlopige hechtenis. Dat moet welonderbouwd worden. Het kan zijn dat de praktijk en de theorie, in dit gevalde wet, wat uiteen zijn gaan lopen, maar dat betekent nog niet dat de wetzo grondig verbouwd moet worden als collega Sneller nu voorstelt.Voorzitter. Daar staat tegenover dat de doelgroep die in voorlopigehechtenis zit, steeds langer zit en steeds vaker verdacht wordt vanzwaardere strafbare feiten. Het is dus helemaal niet gek dat de voorlopigehechtenis vaker en langer aan de orde is. Ik ben uiteraard benieuwd naarde appreciatie van de amendementen-Sneller. Ik ben met name benieuwdof ze allemaal nodig zijn. Mijn indruk is dat dat niet het geval is. Daarmeegeef ik alvast een klein beetje een voorschot op het mogelijke stemadviesvan mij aan mijn fractie, maar ik snap wel het punt van collega Sneller,namelijk dat de motivering op orde moet zijn. Ik vind het helemaal nietgek wat collega Sneller zegt, namelijk dat het logisch is dat de rechter devolgende zaken moet langslopen: zijn er andere alternatieven voorhandenen is dit middel daadwerkelijk proportioneel en noodzakelijk? Maar als iknaar de wet kijk, zou ik denken dat dit al uit de wetstekst volgt. De rechtermoet eigenlijk al op deze vragen ingaan. Maar misschien zie ik hetverkeerd. Misschien is er een middenweg tussen de amendementen-Sneller en de huidige wetstekst. Ik ben heel benieuwd hoe de Ministerdaarnaar kijkt. Ik wil de andere kant namelijk wel benoemen: we moetenniet doen alsof Nederland veiliger wordt als iedereen die in voorlopigehechtenis zit, niet in voorlopige hechtenis zit. Ik heb bijna alle huizen vanbewaring bezocht. Daar zitten wel hele serieuze gevallen, die daar wat mijbetreft ook moeten zitten totdat de rechter uiteindelijk gevonnist heeft.De heer Sneller (D66):Ik ben blij dat de heer Ellian de zoektocht en het gesprek van de vorigekeer voortzet. In de literatuur gaat het vaak over de praktijk van voorlopigehechtenis. Ik denk dat dat deels is wat de heer Ellian benoemt. Als je naardie wet kijkt, denk je: dat klinkt op zich logisch. Maar in de praktijk blijktdat die behoorlijk vaak onterecht en nogal makkelijk wordt opgelegd. Mijnvraag is dus eigenlijk: wat vindt de heer Ellian nou van de praktijk zoalsdie in Nederland is gegroeid met betrekking tot voorlopige hechtenis?De heer Ellian (VVD):Ik weet van de bezoeken die ik aan de huizen van bewaring heb gebracht –voor de liefhebber: daar zitten dus mensen in voorlopige hechtenis – datook vanuit het gevangeniswezen al enige tijd het signaal komt dat het welopmerkelijk is dat deze huizen van bewaring altijd vol zitten en ook volblijven. Dat is wel gek, want dat was voorheen niet zo. Dat is dus evenmijn eigen empirische waarneming. Zo noem ik het maar even. Ik maaktenet al de opmerking dat daarbij natuurlijk wel speelt dat de doelgroep diedaar zit, steeds zwaardere feiten heeft gepleegd. Dat is in ieder geval mijnindruk. Daarbij speelt natuurlijk ook wel dat we in de afgelopen jaren echtwel hele lelijke gevallen hebben gezien van verdachten die gewoon deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 554 benen hebben genomen, van wie achteraf werd gezegd: hoe kan het noudat die niet voorlopig gehecht waren?Dat blijft natuurlijk een ingewikkeld spanningsveld. Ik zoek dus naar hetvolgende. Als de praktijk wat verder verwijderd is geraakt van debedoeling van de wetgever, hoe zorg je dan dat praktijk en bedoeling weerdichter bij elkaar komen? Is daar een andere formulering van de wetstekstvoor nodig of zit dat ’m toch meer in de wijze waarop uitvoering,toepassing, wordt gegeven aan het wetsartikel? En een goede motiveringis van belang. Ik denk dat dat misschien nog wel het essentieelste is. Hetmoet geen automatisme zijn.De voorzitter:Er is een vervolgvraag van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Ik zal er zo meteen uiteraard wat meer over zeggen. De Raad van Statezegt eigenlijk: het kabinet heeft ook die doelstelling; de regering wil hetaantal voorlopige hechtenissen verminderen, maar zonder flankerendemaatregelen is het niet waarschijnlijk dat dat doel ook bereikt zal worden.Kan de heer Ellian nog andere flankerende maatregelen dan het wijzigenvan de wet die dat doel wel dichterbij zouden brengen, bedenken ofvoorstellen? Want ik heb ze tot nu toe niet gezien.De heer Ellian (VVD):Ik denk dat dat ook wel lastig is, omdat het in die zin wel een beetje ...Recht is uiteraard nooit zwart-wit, in ieder geval zelden. Alleen, de vraagvan voorlopige hechtenis heeft uiteindelijke een binaire uitkomst:voorlopige hechtenis is aan de orde of niet. Hoe je tot die conclusie komt,daarvoor geeft de wet natuurlijk een aantal vereisten. En uit de jurispru-dentie volgt natuurlijk ook enige invulling, bijvoorbeeld als het gaat om deernstig geschokte rechtsorde, zodat je dat niet in algemene zin zomaarkunt aannemen. Dat moet natuurlijk ergens uit voortvloeien. Ik snap in diezin eigenlijk best dat flankerend beleid nog niet echt benoemd is in dememorie. Als het doorlopen van die vragen van, op dit moment, 67 en 67a– straks is het geloof ik in de afdeling 2.10 – leidt tot de conclusie datvoorlopige hechtenis is geboden, dan is dat ook de conclusie. Daar heb jedan niet per se flankerend beleid voor nodig.Ik denk wel dat je scherper kunt maken in welk geval voorlopige hechtenisgeboden is en in welk geval niet. De voorgestelde wetstekst wijkt namelijkweinig af van de huidige. Daar zou je misschien nog iets scherper naarkunnen kijken. Ik blijf terugkomen op die motiveringsplicht. Ik kan megoed voorstellen dat er bijvoorbeeld vaak sprake is van vluchtgevaar,maar je moet dat natuurlijk wel kunnen substantiëren. Je moet wel inenige mate aannemelijk kunnen maken dat dat aan de orde is. Ik denk dathet aantal gevallen misschien ook wel iets afneemt als je daar watscherper naar kijkt. Ik denk dat het uiteindelijk zoeken is naar de balanstussen doorslaan in «we leggen het minder op, waardoor gevaarlijkeverdachten vrijuit gaan» en doorslaan in «we willen honderd procentveiligheid, dus we zetten de huizen van bewaring vol». Honderd procentveiligheid bestaat niet, dus dat is ook niet goed. Je moet ergens daartus-senin zitten.De heer Sneller (D66):Die zoektocht lijkt me reëel. Misschien komen we dan ergens anders ophet spectrum uit, maar dat is volgens mij de gedeelde zoektocht. Ik hebnog wel even een opmerking over dat binaire. Het is wat mij betreft geenkeuze tussen «voorlopige hechtenis» en «loop maar vrij en doe wat jewil». Het is kiezen voor voorlopige hechtenis. Je kan ook kiezen voor«helemaal vrij», maar daartussen zitten dan een contactverbod, eenlocatieverbod en allerlei andere mogelijkheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 555 De voorzitter:Een reactie van de heer Ellian en dan vervolgt hij zijn betoog.De heer Ellian (VVD):Dat is een mooie vraag. Dat is wel een weerbarstige praktijk, want diebijzondere voorwaarden zijn superrisicovol, bijvoorbeeld bij stalking. Datis nou het type delict waarbij je zegt: wanneer voorlopige hechtenisgeboden is, moet je dat meteen doen, want je moet de samenleving enhet slachtoffer beschermen. Dus ja, ik zie dat die andere mogelijkheden erzijn. Het is ook goed dat die er zijn. In voorkomend geval kan je die ookgebruiken. Maar uiteindelijk kom je er toch al vrij snel op uit dat dezeverdachte gehecht zal moeten worden, zeker bij delicten in de sfeer vangeorganiseerde criminaliteit. Bij een andere categorie zou je er misschienanders naar kunnen kijken. Maar laten we even afwachten hoe de Ministerhierover denkt, want dit vraagstuk ligt vast ook op zijn bord. Laten wewachten op zijn appreciatie en dan eens kijken hoever we met elkaarkomen.Voorzitter. Ik ben al een heel eind. Ik heb één amendementmede-ingediend met collega Sneller. Dat ziet op de aanwezigheid van deverdachte indien de getuige gehoord wordt door de rechter-commissaris.Dat spreekt volgens mij vrij voor zich. Daar wil ik niet te veel woorden aanwijden.Dan heb ik een amendement over de analoge toepassing van de rechter-commissaris. Op dit moment kent ons wetboek in artikel 181 devoorziening dat de officier van justitie de rechter-commissaris kanvorderen om onderzoekshandelingen te verrichten met het oog op deopsporing van een strafbaar feit. Dat is een soort kapstokbepaling. Het lijktmijn fractie bijzonder zinnig om zo’n vangnet, een kapstokbepaling, ook inhet nieuwe wetboek te hebben. Je zult namelijk nooit precies weten welktype onderzoekshandelingen in de toekomst bestaat. Het is jammer als jehet helemaal dichttimmert en je er later achter komt dat dit type onder-zoekshandeling eigenlijk best handig is en prima voldoet aan dewaarborgen die je eraan moet stellen, als je wilt voorkomen dat er allerleipleisters geplakt moeten worden en je allerlei dakpannen op het huismoet leggen. Dat geldt zeker voor ontwikkelingen die vrij snel gaan. Jezou zo’n kapstokbepaling dan moeten opnemen. Ik hoop dus dat deMinister daar welwillend naar wil kijken. Het huidige recht kent diebepaling ook.De heer Koops (NSC):Ik heb kennisgenomen van dit amendement en sta daar eigenlijkhartstikke welwillend tegenover. Mijn vraag is dus ter verheldering. Op hetmoment dat je inbreuk maakt op de privacyrechten van een verdachte –daar komt het heel vaak op neer bij onderzoek door het OpenbaarMinisterie – dan moet dat tot op zekere hoogte bij wet voorzienbaar zijn.Juist bij zo’n kapstokbepaling bestaat het risico dat het een soort vanBlanketwet wordt, waarbij je kan zeggen: het is niet langer bij wetvoorzienbaar, ook al heb je die bepaling. Zou het lid Ellian daarop kunnenreflecteren?De heer Ellian (VVD):Zeker. Dat is een hele mooie vraag. Het amendement beoogt de huidigepraktijk en de huidige wettelijke voorziening over te nemen in het nieuwewetboek. Ook in de huidige praktijk – ik ben geen expert op het gebied vanartikel 181, maar ik heb er uiteraard goed naar gekeken, want anders zouik het amendement niet indienen – kan het niet zo zijn dat een onderzoeks-handeling helemaal nergens gedefinieerd is en de officier op grond vanartikel 181 zegt: maar het is een goed idee, dus we doen het toch. Het gaatmet name om de digitale sfeer, waarin je ziet dat bij wet wel een bepaaldehandeling voorzien is en een andere handeling daaruit voortvloeit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 556 Bijvoorbeeld: kun je wel of niet ergens in een account, in een cloud of ineen onderdeel van een telefoon? Als je dat helemaal dichtzet, loop je welhet risico dat later de ontwikkelingen zo snel gaan. Dan de vraag, die ikheel goed snap. Dit amendement beoogt niet om een open deur tecreëren om uiteindelijk daarmee ervoor te zorgen dat onderzoekshande-lingen niet meer bij wet voorzien zijn. Het moet natuurlijk wel terug tevoeren zijn op een handeling die al in enige mate ergens omschrevenstaat, zoals eigenlijk nu ook het geval is.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Ellian (VVD):Het was echt een hele mooie vraag, voorzitter. Dat geeft de kans om goeduit te leggen wat je intentie als indiener is.Dan over de aanwezigheid van de verdachte. Vorige week hebben we daarvolgens mij ook al wat over gezegd. Heel kort. Het is niet verstandig omals uitgangspunt te nemen dat de verdachte altijd aanwezig moet zijn alsde getuige gehoord wordt. Dat is een enorme belasting van de rechter-commissaris. Wij vinden het inhoudelijk ook helemaal niet te prefereren,want het is helemaal niet prettig voor slachtoffer of getuige. Dat isvolgens mij een amendement dat de boel vooruithelpt.Dan ben ik er, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de tweede spreker. Dat is mevrouw Helder,die spreekt namens BBB.Mevrouw Helder (BBB):Dank u wel, voorzitter. Ik was er vorige week niet bij, dus ik begin ook nogwel even met een dankwoordje. Normaal gesproken bedank je altijd eerstde rapporteurs voor hun werk. Dat zou nu wel wat arrogant zijn natuurlijk,want ik ben er een van! Dus mijn dank aan collega Ellian voor desamenwerking als rapporteur, en natuurlijk ook aan de staf, die ons zogeweldig heeft geholpen, en aan het projectteam van een aantal universi-teiten. Die bijstand was natuurlijk ook onmisbaar. Van mijn kant ook dankvoor de hulp van de politie bij het amendement dat ik heb ingediend. Diehele uitgebreide toelichting had ik in mijn eentje niet zo goed kunnenverwoorden. Ik kom daar dadelijk nog wel een keer op terug. Ik vond envind het een hele eer om bij dit hele lange wetstraject betrokken te zijngeweest. Aan het einde van mijn betoog zal ik daar ook nog een paarwoorden aan wijden, voorzitter.De modernisering van de gereedschapskist – dat is oneerbiedig gezegd;we zeiden dat tijdens colleges – van het strafrecht of van het Wetboek vanStrafvordering is een traject dat meer dan tien jaar geleden is ingezet. Ikwas er ook al bij toen de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie –dat was het toen nog – het hele wetstraject aankondigde. Toen klonk hetals een ver-van-mijn-bedshow, maar vandaag zitten we hier dan toch aande mondelinge behandeling van de diverse onderdelen. Vandaagbehandelen we Boek 2, dat de regels bevat voor het opsporingson-derzoek. Er is al veel besproken en uitgewisseld in de diverse stadia in deafgelopen periode. Ik ben het helemaal eens met de ketenpartners in hetstrafrecht dat het nieuwe Boek 2 echt noodzakelijk is om aan te sluiten bijde huidige tijd en alle opsporingsmogelijkheden en technische mogelijk-heden die we anno nu kennen en die er zeker ook nog zullen gaan komen.Voorzitter. Dat leidt tot een algemene vraag. Er is flexibiliteit ingebouwdvoor onderwerpen, met name op technisch gebied, die nu nog nietbekend zijn en ook toekomstbestendigheid door de keuze van openformulering waar dat mogelijk is. Dat wordt ondervangen door bepaaldeonderwerpen te kunnen regelen bij algemene maatregel van bestuur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 557 Maar dat is niet het geval bij het nieuwe artikel 2.10.1. Dat is het huidigeartikel 181 Wetboek van Strafvordering. Collega Ellian had het hier ook alover. De officier van justitie kan op basis van dat artikel vorderen dat derechter-commissaris met het oog op de opsporing van een strafbaar feitonderzoekshandelingen verricht – niks meer, maar vooral niks mínder. Inhet nieuwe wetsartikel is sprake van een limitatieve opsomming – althans,zo heb ik het gelezen – van bevoegdheden van een rechter-commissarisop dat onderwerp. Dus dan is mijn vraag: waarom? Dit is immers nietflexibel en ook helemaal niet toekomstbestendig. Het antwoord zal toch alkomen mede naar aanleiding van het amendement van collega Ellian,maar ik krijg daar toch ook graag een reactie op van de Minister.Dan een tweede algemene vraag. In 2022 is de pilot gestart met demogelijkheid van een verkort proces-verbaal als daar audiovisueleregistratie aan wordt gekoppeld. Die pilot is inmiddels geëvalueerd doorhet WODC. De Minister heeft het rapport naar de Kamer gestuurd. Deuitkomst van de evaluatie is dat het veel extra werk is voor de rechtspraaken maar beperkt werk scheelt voor de politie. Het concept verkort pv enmultimedia met zelfstandige bewijswaarde blijft – naar mijn mening –gelukkig wel in de verlengde Innovatiewet en in het nieuwe Wetboek vanStrafvordering staan. Daarom kunnen pilots dan wel ontwikkelingen op ditonderwerp de komende jaren wel doorgaan. Mijn vraag aan de Minister ishoe hij denkt over het testen of het gebruik van speech-to-texttechnologiein dat kader.Voorzitter. Verder zal ik me beperken tot vragen die ik nog heb op driespecifieke onderdelen. Ten eerste is dat de aanhouding na heterdaad, hethuidige artikel 53. Ten tweede is dat het recht van de verdachte omaanwezig te zijn bij het verhoor van een getuige door de rechter-commissaris. Daarvoor geldt nu «nee, tenzij» en dat wordt dus «ja, tenzij».Ten derde ga ik in op infiltratie.Voorzitter. Ten eerste dus de aanhouding na heterdaad. Ik heb daar ookeen amendement op ingediend. De politie is na een aanhouding opheterdaad verplicht om de aangehouden verdachte zo spoedig mogelijknaar een plaats van verhoor te brengen – in de regel is dat een politie-bureau – ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie of de officiervan justitie. Oftewel, de aangehouden verdachte gaat de strafrechtketenin. Er is geen keuzemogelijkheid in het huidige artikel, waarin ook sprakeis van een aanhouding door een burger, die de opsporingsambtenaarmoet overnemen. In het nieuwe artikel 2.5.4 is die keuzemogelijkheid erook niet, en dat vind ik een gemiste kans. De strafrechtketen zit verstopten er zijn in veel gevallen betere afdoeningsmogelijkheden, bijvoorbeeldvia publiek-private samenwerking. De politieagenten in kwestie zijn danook niet uren bezig met een verdachte die vaak vervolgens toch wordtheengezonden.Er zijn op dit punt twee problemen die opgelost moeten worden, en ikdenk ook kúnnen worden. Het eerste is de huidige plicht om een aange-houden verdachte naar een plaats van verhoor over te brengen. Hettweede is het ontbreken van een mandaat voor de opsporingsambtenaar.Het eerste, dus het overbrengen naar een plaats van verhoor, speelt bijalle aanhoudingen op heterdaad. Het tweede is alleen een probleem alsde verdachte niet door een opsporingsambtenaar maar door een burger isaangehouden. Denk aan winkeldiefstal bij een zelfscankassa. Dat is ook dereden voor het amendement, dat deze twee dingen regelt. Ten eerstewordt de verplichting geschrapt om de aangehouden verdachte over tebrengen naar een bureau. In plaats daarvan zou je de voorgeleiding aande hulpofficier van justitie kunnen laten plaatsvinden via een videover-binding. Het tweede punt is het niet langer verplichten van de opsporings-ambtenaar om een burgeraanhouding over te nemen, maar de ambtenaarzelf een afweging te laten maken over hoe de zaak af te handelen. Vooreen verdere toelichting verwijs ik naar het amendement, dat ik echt heelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 558 uitgebreid heb toegelicht, meer dan ik normaal doe. Ik denk dus dat datwel voldoende is.Voorzitter. Dan mijn tweede punt.De voorzitter:Er is eerst nog een interruptie op dit punt, van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Het is een buitengewoon gaaf en goed amendement. Sorry voor mijn taal,want die is niet parlementair. Maar ik sla heel erg aan op de winkeldief.We hebben het hier simpelweg over het geval waarin iemand in de AlbertHeijn een broodje of een biertje in zijn binnenzak steekt en dan wordtaangehouden. Dat is een bagateldelict. Ik begrijp dat het met ditamendement mogelijk wordt gemaakt dat die persoon in de Albert Heijneventjes vast wordt gezet in zo’n semi-cel en dan per videoconferentiewordt voorgeleid. Is dat de situatie die u voor ogen heeft?Mevrouw Helder (BBB):Dat zou kunnen. Ik ben niet zo ver gegaan om daar echt praktijkvoor-beelden bij te zoeken. Dit is mij aangedragen als mogelijkheid, ja.De heer Koops (NSC):Waar het mij namelijk om gaat, is de rechtshulp in zo’n geval. Datbegrijpen we hier met z’n allen. Dit soort bagateldelicten valt in depiketregeling van advocaten die klaarstaan voor eerste hulp in dit soortgevallen. Moeten die dan voor het consult afreizen naar zo’n Albert Heijn?Daarmee zou het aantal locaties waar advocaten opeens kunnen wordenverwacht, namelijk gigantisch toenemen. Want deze dingen gebeurengewoon elke dag. Daar zie ik even een puur praktisch, lastig ding, dat zouworden opgelost door die overbrenging, al betreft het een bagateldelict. Ikzie het probleem voor de politie, hè. Dat zie ik echt. Maar hoe ga je danom met het daadwerkelijk bieden van rechtshulp aan die personen dieniet worden overgebracht?Mevrouw Helder (BBB):Dat lost zich in de praktijk op doordat met dit amendement het opportuni-teitsbeginsel aan de opsporingsambtenaar wordt verleend. Dat is voor mijhet belangrijkst in dit amendement. Die ambtenaar kan zeggen: nou, diegaan we echt niet voorgeleiden. Het is een bagatelfeit en dan moet je inhet kader van het algemeen belang ook de opsporingsambtenaar latenbeslissen of er wordt voorgeleid en of dus de strafrechtketen ingegaanwordt. Dat zal zich dus in de praktijk op die manier oplossen.De heer Koops (NSC):Vanwege die burgeraanhouding is dit echt een groot onderwerp. Hoe zithet dan met het verhoor? Dat verhoor is namelijk nagenoeg altijd vanbelang bij het vaststellen of er een verdenking is, of een reden om iemandal dan niet heen te zenden. Heel vaak kan een Albert Heijn zelf een boeteof een winkelverbod opleggen, maar er zijn ook heel veel twijfelgevallen.Dan blijft mijn vraag wie het verhoor doet, want er is dan geen agentaanwezig bij de locatie van de verdachte.Mevrouw Helder (BBB):Ik denk dat ik dan toch beter kan verwijzen naar de toelichting op hetamendement, en dan vooral naar de laatste alinea. Daar wordt ingegaanop bagateldelicten. Daarbij wordt helemaal niet gekozen voor voorge-leiding. Dat verhoor en dergelijke is ook niet nodig en rechtsbijstanddaarbij ook niet. Kijk, als het zo’n klein delict is, moet je je afvragen of jedaar politiecapaciteit voor moet inzetten. Wij vragen ons dat af alswetgever, maar als deze mogelijkheid er is, kan de politieagent zelf terTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 559 plekke beslissen om dit te laten voor wat het is. De winkel kan zelfbesluiten om het via publiek-private afdoening te doen, met een winkel-verbod of iets dergelijks. Het is dus niet zo dat het onbestraft blijft. Jemoet je afvragen of zo’n zaak de strafrechtketen in moet.De voorzitter:De heer Koops nog één keer.De heer Koops (NSC):Ja, met excuses, maar ik vind dit echt belangrijk. Ik ben het hier volstrektmee eens, maar het zit ’m in het fenomeen verhoor. Als dat gebeurt doorde winkeldetective wordt er een cautie gegeven en wordt er gezegd datiemand recht heeft op consultering van een raadsman. Die dingengebeuren in de praktijk daadwerkelijk voorafgaand aan de beslissing omiemand al dan niet te hechten. Kunt u daar nog even specifiek op ingaan?Mevrouw Helder (BBB):Ik weet niet hoe ik daar nog helderder in kan zijn dan ik net ben geweest.De agent zal helemaal niet tot verhoor overgaan. Ik denk niet dat het zover gaat komen. Het opportuniteitsbeginsel bij het Openbaar Ministerie isdat het niet tot vervolging overgaat. Het opportuniteitsbeginsel van depolitieagent zoals ik dat voor ogen heb, zal zo zijn dat het helemaal niet tothet verder overnemen van de aangehouden persoon – ik moet diegeneniet «verdachte» noemen, want dan zitten we al in deze spelregels – zalkomen. Zo ver zal het dus niet komen. Er komt dus geen verhoor, er is ookgeen rechtsbijstand nodig en er is al helemaal geen voorgeleiding nodig.Het was inderdaad een beetje onhandig dat ik begon met de «plaats vanvoorgeleiding» in plaats van de «plaats van overnemen». Het is echt debedoeling dat de opsporingsambtenaar, als die ter plekke zou komen, kankiezen voor geen aanhouding en geen verdachte, waardoor dat heletraject dus niet hoeft.De voorzitter:Er is ook nog een interruptie van de heer Aardema.De heer Aardema (PVV):Ik heb een beetje een verduidelijkende vraag. De beide collega’s haddenhet over een winkeldiefstal bij de Albert Heijn. Dat is dan een heterdaadsi-tuatie waarbij de politie wordt gebeld ter overname van de verdachte.Maar het is toch al staande praktijk dat de politieagent die daar ter plaatsekomt ook meteen gaat toetsen of er sprake is van een strafbaar feit? Hetzou best kunnen dat die meneer of mevrouw is aangehouden voordat hijof zij de kassa is gepasseerd of iets dergelijks. Er is altijd al een afwegings-moment van de opsporingsambtenaar. Hoe je het ook wendt of keert, diezal ook aan de verdachte vragen wat die heeft gedaan of wat die ervanvindt. Dan is er al sprake van een kort verhoor om in te schatten of ersprake is van een strafbaar feit. Bovendien is er altijd nog de voorge-leiding bij de hulpofficier van justitie, die de juridische toetsing doet of hetwel of niet voortgezet wordt. Ik begrijp het dus niet helemaal.Mevrouw Helder (BBB):Ik wil niet flauw doen, maar dit staat heel duidelijk in de toelichting bij hetamendement. Het is nu gewoon verplicht als iemand is aangehoudendoor een derde, waarna de agent wordt gebeld. De agent is nu verplichtde aangehouden persoon over te nemen. Daarmee is diegene verdachteen gaat die het hele traject in. Het kan wel zijn dat het in de praktijk niethelemaal zo gebeurt, maar het is wel verplicht. Daarom staat er in delaatste alinea dat er tegen deze achtergrond wordt voorgesteld om dieverplichting eraf te halen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5510 De voorzitter:Gaat u verder.Mevrouw Helder (BBB):Dan het tweede onderwerp waarover ik vragen heb, namelijk het rechtvan de verdachte om zelf aanwezig te zijn bij het verhoor van een getuigedoor de rechter-commissaris in het verkennend onderzoek, het nieuweartikel 2.10.29. De hoofdregel is nu «nee, tenzij» en die gaat dus 180graden draaien naar «ja, tenzij». Deze volgens de regering principiëlekeuze is volgens de onderbouwing op pagina 774 van de memorie vantoelichting ingegeven door de wens om aan te sluiten bij de versterkingvan de regeling van het vooronderzoek in verband met de beweging naarvoren. En dat terwijl deze omkering grote gevolgen kan hebben – althans,dat vind ik – voor de veiligheid van getuigen, maar ook voor die vananderen. De verdachte zal in de regel bij deze situaties in voorlopigehechtenis zitten. Vervoer naar de plaats van verhoor is dus noodzakelijk.Dat is ook weer een aanslag op de capaciteit van de dienst vervoer vanhet gevangeniswezen.Het belangrijkste is echter dat er getuigen zullen zijn die zich niet meer vrijvoelen om een verklaring af te leggen. Gaan mensen in de politiefase alsgetuige nog wel verklaringen afleggen als zij weten dat zij daarmee hetrisico lopen dat ze later door de rechter-commissaris opgeroepen wordenen dan geconfronteerd worden met een verdachte? Nu is het verhoordoor de rechter-commissaris voor de getuige toch wel een veiligeomgeving, maar straks is het dat niet meer. Dat heeft naar mijn meningeen onacceptabele weerslag op de waarheidsvinding. Waarom is nietgekozen voor een tussenweg, voor een aantal gronden op basis waarvaneen uitzondering wordt gemaakt op het «nee, tenzij», in plaats van het zo180 graden om te draaien? Of waarom is er niet voor gekozen om alleende raadsman van een verdachte aanwezig te laten zijn? Ik filosofeer maareven wat in het wilde weg. En voor de volledigheid: hoe gaat dit in zijnwerk in een zaak met meer verdachten? Moeten die dan allemaalaanwezig zijn als ze hebben aangegeven dat te willen? Dat is geenondenkbaar scenario in de huidige maatschappelijke situatie, waarin ineen en dezelfde zaak tegen de georganiseerde drugscriminaliteit of degeorganiseerde criminaliteit of over liquidaties vaak vele verdachten kent.Voorzitter, tot slot op dit punt. Hou verhoudt zich dit met de mogelijkheidvan verklaring onder nummer, zoals vastgelegd in het nieuwe artikel2.3.4? Is dit een van de «tenzij»-gronden op basis waarvan de verdachtehet recht wordt ontzegd om het verhoor bij te wonen? Ik kan hierover niksterugvinden in de memorie van toelichting.Helemaal tot slot op dit punt. Hetzelfde geldt dan ook nog voor het nieuweartikel 2.10.42, dat gaat over het verhoor van een bedreigde getuige. Ofvallen deze situaties binnen het bereik van lid 2 van dat genoemde artikel,de gezondheid of het welzijn van de getuige? Graag een reactie op ditpunt.Als derde had ik genoemd: infiltratie als opsporingsmiddel. De inzethiervan is mogelijk bij een voorlopige-hechtenismisdrijf dat een ernstigeinbreuk op de rechtsorde oplevert. Infiltratie is ook bekend als «werkenonder dekmantel». Daarom sla ik er ook op aan. Nog niet zo lang geledenwas er een indrukwekkend rapport van de commissie-Sorgdrager naaraanleiding van de zelfmoord van een undercoveragent. Daar is een debatover geweest, waarin iedereen het met elkaar eens was: dit mocht echtnooit meer gebeuren. In dat kader heb ik dan ook een vraag. Op ditmoment wordt de inzet van dit opsporingsmiddel getoetst door deCentrale Toetsingscommissie, het intern adviesorgaan van het OpenbaarMinisterie, dat het College van procureurs-generaal adviseert. In denieuwe situatie is ingevolge artikel 2.8.12 ook nog een machtiging van derechter-commissaris nodig. Op pagina 696 van de memorie vantoelichting staat dat infiltratie niet alleen ingrijpend is, maar ook «eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5511 gevaarlijke methode, waarop krachtig toezicht moet worden uitgeoefend».De gebeurtenis die ik aanhaalde, was ontstaan doordat de desbetreffendeundercoveragent – tegen alle regels in – veel te lang als zodanigwerkzaam was. Mijn vraag is dan: wordt dit voortaan voorkomen doordeze aanvullende eis van machtiging door de rechter-commissaris? En zonee, wat is dan de meerwaarde van deze nieuwe eis?O, ik dacht dat er een interruptie kwam, dus ik keek even.Afrondend, voorzitter, kom ik tot het laatste deel: de belofte die ik in hetbegin van mijn betoog heb gedaan. In juni 2010 – dat is alweer bijnavijftien jaar geleden – kwam ik in de Tweede Kamer. Vroeger was echt nietalles beter, maar er werd wel veel meer inhoudelijk gedebatteerd overwetsvoorstellen, net zoals vandaag. Dat vond ik wel mooi. Dat is eigenlijkwel een leuk bruggetje, want dat is wat het werk van volksvertegenwoor-diger naar mijn mening zo mooi en bijzonder maakt: als medewetgeverproberen een verandering teweeg te brengen die ertoe doet voor degenendie je via de verkiezingen in deze zetel hebben geplaatst.Voorzitter. Daar komt voor mij binnenkort een einde aan, want dit isvrijwel zeker mijn laatste debat. Ik ga namelijk afscheid nemen zodraduidelijk is wie de zetel inneemt. Ik hoor allerlei geluiden van verbazing.Dat vind ik dan ook wel weer lief. Ik ben dus blij dat dit een debat isgeweest over wetgeving en met collega’s waar ik al geruime tijd zeerprettig mee heb samengewerkt in de naar mijn mening mooistecommissie.Dank u wel.(Geroffel op de bankjes)De voorzitter:Daar overvalt mevrouw Helder vele collega’s mee, zie ik, inclusief devoorzitter van dienst. Ik ga daar nu dus niet al te veel op reageren. Datkomt op een gepast moment. Maar dank ... Nou, nee. Dank voor uwbijdrage. En op het overige van wat u heeft gezegd, komen we zeker nogterug. Dank u wel.We gaan luisteren naar de heer Sneller. Hij spreekt namens D66. Hij magnog even bijkomen of een slok water nemen.De heer Sneller (D66):Wederzijds, collega Helder. Uw inbreng was in stijl: zeer doorwrocht, zeerinhoudelijk en met de klapper. We gaan het daar inderdaad een anderekeer verder over hebben, voorzitter.Na het goede debat van vorige week behandelen we vandaag Boek 2.Toegespitst op dit Boek denk ik dat de verschillende belangen die metelkaar kunnen botsen – denk aan het verdedigingsbelang en het opspo-ringsbelang – hier ook goed met elkaar in evenwicht zijn gebracht en dater over het algemeen een geslaagde regeling uit is gekomen. Ik denk ookdat de structuur en de overzichtelijkheid zijn teruggebracht in hetwetboek.Ik heb één punt hierbij. Het verlagen van de administratieve lasten voorhet Openbaar Ministerie en de politie is een doel dat een paar keer naarvoren komt. Mijn vraag is: hoe is nou ook in dit Boek geborgd dat dat nietleidt tot meer werklast ergens anders in de keten? Komt het niet perongeluk bijvoorbeeld bij de Raad voor de rechtspraak of bij de gerechtenop het bordje?Voorzitter. Ik wilde mij vandaag inderdaad met name richten op hetslimmer omgaan met detenties, specifiek de voorlopige hechtenis. Weweten dat er veel kritiek is op de huidige voorlopigehechtenispraktijk. Ikga proberen daar tien punten over te maken.Ten eerste. We weten uit al het onderzoek dat mensen die korte tijdgedetineerd zijn geweest een veel hogere kans hebben op het plegen van«herhaalcriminaliteit» dan mensen die gestraft zijn met bijvoorbeeld eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5512 enkelband of een taakstraf. Dat geldt ook voor mensen die helemaal geenstraf hebben uitgezeten, maar in voorlopige hechtenis hebben gezeten.Dus volgens mij kan juist ook het opleggen van voorlopige hechtenis indie zin tot meer criminaliteit leiden vanwege de detentieschade diedaardoor optreedt.Mijn tweede punt. Het gaat in Nederland helaas juridisch relatief vaak mis.Het EHRM heeft Nederland ook een aantal keer veroordeeld vanwege hethandelen in strijd met het recht op vrijheid, zoals beschreven staat inartikel 5 EVRM.Dan kom ik bij punt drie. Voorlopige hechtenis wordt in de praktijk te vaaken te gemakkelijk toegepast. In 2013 schreven drie senior strafrechters uitRotterdam al over «de efficiënte koekjesfabriek»; daarmee probeerden zijde voorlopigehechtenispraktijk te karakteriseren. Zij schreven daarspecifiek over: «De huidige stand van zaken is dat wij rechters vooral devoorwaarden voor voorlopige hechtenis afvinken, maar genoemdeafweging niet altijd meer in voldoende mate maken.» Dat is de pennen-streek waar collega Ellian het over had. Voor wie denkt dat deze kritiek vanalle tijden is: nou, inderdaad. Ik heb nog één citaat van oud-minister vanJustitie Modderman uit 1871. Hij is ook onlangs in NJB geciteerd. Hij zei:«Zijn eerste misdrijf is nog niet bewezen, ook het tweede wordt nogslechts vermoed, en op grond van die twee vermoedens zal men hemkerkeren. Dat gaat te ver. Om consequent te zijn zou men dan allegevaarlijke sujetten – wat zeg ik – alle vermoedelijk gevaarlijke sujetten inde gevangenis op moeten sluiten.» Oftewel, how do you like that voor eenonschuldpresumptie, artikel 1.1.3, waar we het vorige week ook overgehad hebben. Vaak zijn er ook minder verstrekkende alternatievenvoorradig die hetzelfde doel bereiken. Maar tot nu toe blijven die vaakonbenut. Het gaat dan bijvoorbeeld over het contactverbod, de borgsom,elektronisch toezicht et cetera.Dan blijkt ook nog eens dat de gevangenispopulatie in Nederland vooreen groot deel bestaat uit mensen die in voorarrest wachten op hunberechting. Het CBS kijkt daar twee keer per jaar naar. Het gaat omongeveer 40% van de gedetineerden. Ik hoor graag ook of die doelgroepinderdaad zwaarder is; de heer Ellian had interessante observaties op datpunt. Maar het zijn er natuurlijk best wel veel.Vierde punt. Het is niet doorslaggevend, maar we weten dat het € 438 perdag per gedetineerde kost. Dat is niet goedkoop, terwijl er goedkoperealternatieven beschikbaar zijn.Vijfde punt. Regelmatig blijkt achteraf dat de voorlopige hechtenisonterecht was. Dat is niet alleen tragisch voor de mensen die onterechthebben vastgezeten, maar dat kost ook – dat is mijn zesde punt – eenbehoorlijk bedrag aan schadevergoeding die wordt uitgekeerd aan dezemensen. Dat is zo’n 7 miljoen per jaar. Er zijn pieken en dalen. Ik hoorgraag of er meer recente cijfers zijn. In 2012 was het bijvoorbeeld 11,1miljoen. Dat is nog exclusief de extra kosten voor sociale advocatuur, diedirect samenhangen met opgelegde voorlopige hechtenis. Al met al is heteen forse kostenpost. Ik ben ook realistisch: die post gaat natuurlijk nooithelemaal naar nul. Maar volgens mij zijn er wel mogelijkheden om dieverder omlaag te brengen.Ik denk dat dit zeker nodig is – dat is mijn zevende punt – omdat we wetendat die plekken in detentie schaars en kostbaar zijn. Ze worden nu somsonnodig bezet gehouden. In 2012 zaten een kleine 5.000 mensenbijvoorbeeld onterecht vast, in voorlopige hechtenis. Wederom, voor deduidelijkheid: dat is in deze gevallen pas achteraf vast te stellen, omdat derechter uiteindelijk heeft gezegd het wel op te leggen. Drie rechters uitRotterdam – Janssen, De Lange en Westhof – schreven in oktober vorigjaar dat sinds het artikel uit 2013 alle inspanningen «niet hebben geleid toteen bestendige verandering van de voorlopigehechtenispraktijk. Vandaadwerkelijke vermindering van toepassing van voorlopige hechtenis isnaar ons inzicht géén sprake.» Ook hierover de vraag aan de Staatssecre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5513 taris of hij actuelere cijfers heeft die dit kunnen bevestigen of juistontkrachten. Al met al denk ik dat het wel echt slimmer moet kunnen.Dat is ook zo omdat – dat is mijn achtste punt – het een fors beslag legt opde beschikbare zittingstijd. In het artikel van Janssen, De Lange enWesthof uit het NJB, dat ik bij het vorige punt ook noemde, is voor eenjaar berekend dat van de beschikbare zittingstijd voor commune straf-zaken in de meervoudige kamer maar liefst 26,3% besteed werd aanpro-formazittingen, dus niet aan de inhoudelijke behandeling vanrechtszaken. Er wordt nu natuurlijk een nieuwe constructie voorgesteldmet de openbare raadkamer. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is: gaathet percentage van 26,3 nou significant worden teruggebracht door dieopenbareraadkamerconstructie? Het kan plaatsvinden in de raadkamer,maar zal toch ook vaak in de gewone zittingszaal moeten plaatsvinden. Ikhoor graag of ik dat goed of verkeerd begrepen heb.Voorzitter. Meer dan een kwart van de beschikbare tijd gaat niet naar deinhoudelijke behandeling van strafzaken. Sterker nog, de auteurs van hetartikel schrijven: «Door de verloren zittingscapaciteit worden zaken vanvrijevoeters bijna niet gepland.» Zonder voorlopige hechtenis, en duszonder pro forma, zouden in Nederland duizenden extra strafzakenkunnen worden afgedaan door de rechter, extrapoleren zij. Ik realiseer mewederom dat dit natuurlijk onrealistisch is, maar ik vind het wel een heelinteressante manier om te kijken naar de status quo en die ter discussie testellen. Minder voorlopige hechtenis betekent dan ook: minder plank-zaken. Zij zeggen eigenlijk dat er een systemische verklaring voor hetgebruik van voorlopige hechtenis in de Nederlandse praktijk is, namelijkhet prioriteren van die strafzaken, en dat rechters voorlopige hechtenisook opleggen omdat ze weten dat deze daarmee niet uit het zichtverdwijnen, want ze moeten elke drie maanden terugkomen. Oftewel, er iseen schaduwdoel bij het opleggen van voorlopige hechtenis. Dat gaat dusniet om de wettelijke doelen, maar om een schaduwdoel. Zo is het nietalleen een gevolg van het vastgelopen systeem, maar is het er ook eenoorzaak van. Dat vraagt toch ook iets aan ons als wetgever, namelijk omdaarbovenuit te stijgen en te bekijken of we er iets aan kunnen doen.Punt negen. Het doet natuurlijk ook iets, zeg ik richting de Staatssecre-taris, met het werkplezier van rechters. Hier iets aan doen is in het kadervan cao-onderhandelingen en tekorten wellicht een bijkomend voordeel.Ten slotte nummer tien. Het is wel goed om ons te realiseren dat achterafterecht opgelegde voorlopige hechtenis gewoon een-op-een af gaat vande duur van een op te leggen gevangenisstraf. Dat is op zich heel logisch,maar het is wel goed om dat te beseffen. Vaak worden de beschermingvan de samenleving of het gevaar van recidive natuurlijk als argumentgebruikt. Maar dan werpen deze auteurs de volgende interessante vraagop: is het risico op recidive nou het grootst vlak na de arrestatie, als zezich bespied wanen door de politie et cetera, of aan het einde van dedetentie, waar die straf dan vanaf gaat? Ik denk dat het risico op recidiveerna op zich groter is. Omdat het voorarrest er ook van wordt afgetrokken,denk ik ook dat het minder ruimte geeft aan de rechter om met voorwaar-delijke straf aan het eind nog iets te kunnen doen.Voorzitter. De regering heeft dus zelf ook het doel om voorlopigehechtenissen terug te dringen. Maar de Raad van State betwijfelt – en ikdeel die scepsis – of het huidige voorstel wel voldoende is om die doelente bereiken. De Raad van State betwijfelt ook – mijn collega Ellian vroeg erook al naar – of flankerende maatregelen niet behulpzaam kunnen zijn. Ikhoor graag wat het antwoord van het kabinet daarop is. Ook hoor ik graagwat nou precies de reden was voor de ommezwaai ten opzichte van deversie van de consultatie. Daarbij werd er toch een behoorlijk significantewijziging voorgesteld, die we nu niet meer terugzien in het wetsvoorstel.Voor mijn gevoel hebben we daar ook niet een soort middenvorm voorteruggevonden en zijn we terug bij de status quo ex ante, terwijl er welwijzigingen mogelijk zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5514 Voorzitter. Dan de vier amendementen. Ik heb ze vorige week genoemd,dus ik zal er niet al te lang bij stilstaan. Wat mij betreft zijn ze comple-mentair, maar ik snap ook heel goed wat de heer Ellian zegt. Ik sta er ookmet een open houding in. Het eerste amendement op stuk nr. 12 gaatmeer om het beter vastleggen van het ultimum-remediumkarakter,namelijk door te kijken naar minder ingrijpende alternatieven. Ik realiseerme dat ik in hoe het amendement nu luidt, wat modaliteiten heb genoemddie niet in de wet staan en dus niet direct kunnen worden opgelegd. Devormgeving in de wetstechniek zal dus wat anders moeten. In deappreciatie hoor ik dus graag zowel de principiële als de praktische kantterug.Het amendement op stuk nr. 13 gaat er meer over dat het ook duidelijkgemotiveerd moet zijn en toegespitst moet zijn op het individuele geval. Ikdenk dat dat kan bijdragen aan een weloverwogen toepassing.Omdat het nieuwe wetboek al wel een opdracht bevat aan de rechter omsteeds te bedenken of het kan worden geschorst, wil ik die opdracht methet amendement op stuk nr. 14 ook aan de OvJ, de officier van justitie,geven, omdat die er natuurlijk ook een rol in te spelen heeft om dateventueel te eisen.Het laatste amendement gaat over de gronden waarop dat kan gebeuren.Daarbij baseer ik me met name ook weer op een artikel uit het NJB, vanprofessor Uit Beijerse en strafrechtadvocaat Maan. Zij schrijven dat diegronden toch wat achterhaald zijn en onduidelijk geformuleerd zijn. Ikneem kortheidshalve hun suggesties grosso modo over om dat verder teverduidelijken en meer in lijn te brengen met de EHRM-jurisprudentie, alshet bijvoorbeeld gaat om de recidivegrond.De voorzitter:Dan nu graag de interruptie van de heer Koops.De heer Koops (NSC):De fractie van Nieuw Sociaal Contract heeft met zeer grote waarderingkennisgenomen van alle amendementen die zien op voorlopige hechtenisen zijn voorgesteld door het lid Sneller. Dat zeg ik met nadruk, want ikkom nu met een kritische vraag. Die moet niet worden opgevat als eenalgehele kritiek of iets dergelijks. Ik wijs hier heel specifiek op hetamendement op stuk nr. 14. In dat amendement stelt het lid Sneller voorom eigenlijk meteen als iemand wordt gearresteerd, in verzekering wordtgesteld, te kijken of er een alternatief is voor de hechtenis. Ik zal meteenmaar zeggen dat ik helemaal voor het tweede deel van dit amendementben, namelijk het onderzoeken of er alternatieven zijn voor hechtenis bijde voorlopige hechtenis. Ik ben helemaal niet voor het deel dat ziet op deinverzekeringstelling. De reden is dat inverzekeringstelling heel snelgebeurt; nadat iemand is aangehouden, moet dat in feite binnen een paaruur gebeuren. Het is een beslissing waarbij inderdaad de officier vanjustitie betrokken is, maar dat is in buitengewoon veel gevallen iemanddie op afstand een soort van marginale toets doet van wat de politievoorstelt. Er is geen alternatief. Het is een heel digitale keus. Je kan nietde inverzekeringstelling schorsen. Een enkelbandje, een borgsom, noemmaar op: dat kan allemaal niet. Ik wil voorkomen dat er stante pedeverkeerde beslissingen worden gemaakt in dat allerprilste stadium vanonderzoek na aanhouding. Ik zou hier dus de suggestie willen opwerpenom dat amendement te splitsen in twee delen, maar ik ben voornamelijkbenieuwd naar de reactie van het lid Sneller op deze kritiek op dit punt.De voorzitter:Daar gaan we nu naar luisteren.De heer Sneller (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5515 Ik denk dat de heer Koops helemaal gelijk heeft. Ik heb hier ook dehulpofficier een paar bevoegdheden toegedicht die hij niet heeft. Ik moetdit amendement dus niet alleen splitsen, maar ook inhoudelijk hier endaar wijzigen. Ik dank ook de ketenpartners die mij daarop gewezenhebben. Ik zal het amendement dus in ieder geval inhoudelijk aanpassenen daarbij de opmerkingen van de heer Koops ook inhoudelijkmeenemen.De voorzitter:Noemt u nou de heer Koops een ketenpartner?De heer Sneller (D66):Nee, laat ik het expliciteren. De politie had mij ook al gezegd: dit kanhelemaal niet, meneer Sneller.De voorzitter:Duidelijk, dank u wel. Daarvoor is ook dit debat. Was u aan het eindegekomen van uw betoog, meneer Sneller? Anders mag u vervolgen.De heer Sneller (D66):De heer Ellian heeft ons gezamenlijke amendement al toegelicht en bij een«oordeel Kamer» moet je nooit verder praten, vind ik.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Mutluer, die spreektnamens GroenLinks-PvdA.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ik begin alleen niet voordat ik heb gezegd dat ik eenbeetje in shock ben naar aanleiding van het berichtje van collega Helder.Ik wil vanuit hier ook mijn eigen waardering richting haar uitspreken. Ikheb het afgelopen jaar heel nauw, heel intensief met haar gewerkt. Ze iseen pitbull, maar zo eerlijk als de neten. Daar moet je van houden en ikwaardeer dat enorm in haar. Ik moet zeggen: ik ga haar heel erg missenen met name haar inhoudelijke bijdragen. Misschien klinkt het alsafscheid, maar ik heb behoefte om dit via u te zeggen, voorzitter, omdat ikjuist de afgelopen maanden heel fijn met haar heb mogen samenwerkenom dingen voor elkaar te krijgen. Ik vind het gewoon erg jammer dat zegaat.Dan ga ik, heel gek, naar Boek 2. Dat is ook niet onbelangrijk, omdat hetbetrekking heeft op het opsporingsonderzoek en de fase waarinverdachten al in hechtenis kunnen worden genomen, ze afgeluisterdkunnen worden, ze DNA-materiaal moeten afstaan en huizen wordendoorzocht. De keuzes die in het opsporingsonderzoek worden gemaakt,zijn dus des te belangrijker omdat die gevolgen kunnen hebben voor delatere fase, als de verdachte voor de rechter komt te staan. De regels inBoek 2 moeten er dus voor zorgen dat de opsporing de ruimte krijgt omhaar werk te kunnen doen, terwijl tegelijkertijd de rechten van deverdachten niet onnodig en onrechtmatig geschonden worden. In dieafweging van belangen kan het gaan schuren. Ik zal daar in mijn bijdragenader op ingaan middels een aantal concrete vragen.Maar ik wil beginnen met voorlopige hechtenis. Daar hebben we nu heteen en ander over gezien, ook qua amendementen. Er is inderdaad aljaren kritiek op Nederland als het gaat om het toepassen van voorlopigehechtenis. Ook al is het misschien EVRM-proof, wij doen dat te vaak en telang, terwijl er alternatieven zijn, zoals elektronisch toezicht. Er wordt aljaren beterschap beloofd. Ik zie ook wel dat het nieuwe wetboekhandvatten biedt voor verbetering. Zo krijgt de rechter de wettelijkeopdracht om, als hij een voorlopige hechtenis wil opleggen, na te gaan ofschorsing van de voorlopige hechtenis onmiddellijk of op termijn mogelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5516 is. Dat is natuurlijk prima, maar hoe wordt ervoor gezorgd dat rechtersdaarmee daadwerkelijk serieuzer naar alternatieven voor voorlopigehechtenis gaan kijken?Ik wil niet op de stoel van de rechter zitten; dat misverstand wil ikwegnemen. Ik ga ook geen streefcijfers opleggen, want dat lijkt mij zeeronverstandig. Maar ik denk dat de vier universiteiten ons terecht hebbengewezen op het vaker inzetten van alternatieven voor voorlopigehechtenis. Je kunt bijvoorbeeld altijd een reclasseringsrapportageaanvragen, waarin mogelijkheden voor alternatieven zijn onderzocht. Derechter kan die informatie nodig hebben. Er worden al pilots voorbereidom de advisering door de reclassering te intensiveren. De reclasseringbrengt dan vaker advies uit over de vraag of de verdacht in vrijheid kanworden gesteld en zo ja, onder welke voorwaarden. Ik ben van mening dater, als er vanuit de reclassering meer informatie over de verdachtebeschikbaar komt, misschien minder gebruik van voorlopige hechtenishoeft te worden gemaakt. Ik wil dan ook graag dat het de praktijk wordtdat er bij iedere overweging om voorlopige hechtenis op te leggen eenrapport van de reclassering komt. Ik weet dat dat iets betekent voor depraktijk, maar ik stel deze vraag even heel concreet, omdat ik denk, innavolging van wat het lid Sneller aangaf, dat het ons kan helpen om destrafrechtketen te ontlasten. Ik zou hier dus heel stevig over nadenken:geld stoppen in die rapportages kan wellicht de kosten voor demaatschappij op een later moment verminderen.Dan de mogelijkheid om mensen die hun boete niet betalen, een taakstrafop te leggen. Dat heeft de nodige aandacht gehad de afgelopen paardagen. Wij omarmen elk voorstel dat ervoor zorgt dat de gevangenissenniet overvol raken of dat recidive vermindert of voorkomen wordt.Straffen is goed, maar ook ik geloof heel erg in de effectiviteit vanstraffen. Een individu in hechtenis nemen na het niet betalen van eengeldboete, waarna zo iemand zijn baan kwijtraakt en schulden opbouwt,lijkt mij in deze tijd weinig effectief. Ook ik omarm dus het idee om derechters een extra mogelijkheid te geven om een alternatieve straf op teleggen en het liefst dus ook te kijken naar de reclasseringsrapportages.Ik heb er nog even over nagedacht of ik wilde ingaan op het fenomeen «inhechtenis» en een link wilde leggen met de kunstroof die recent heeftplaatsgevonden. Beelden van de verdachten, die in hechtenis waren,werden gedeeld in de media. Dat gebeurde «om goede redenen», werd ergezegd, namelijk om in ieder geval de buit terug te krijgen. Ergens snap ikdat heel goed en ik heb ook geen medelijden met hen – laat ik datvooropstellen – maar aan de andere kant begrijp ik ook de kritiek diehierop kwam: zien we hier een glijdende schaal en wat betekent dit voorde toekomst? We zien dat er vaker beelden van verdachten wordengetoond. Sommigen van die verdachten blijken uiteindelijk onschuldig tezijn en dan komt er weer een hele rechtszaak voor compensatie, want datdoet wat met mensen. Ik wil heel oprecht, in alle nieuwsgierigheid, aan deMinister vragen hoe hij de afweging die gemaakt wordt, in de praktijk ziet.Een van de suggesties die, volgens mij door professoren, in de mediawerd gedaan, was: moet de rechter daar geen oordeel over vellen? Ik benbenieuwd hoe de Minister de huidige procedure ziet. Ziet hij, in het lichtvan Boek 2, dat we nu behandelen, mogelijkheden om de procedure teheroverwegen en zo ja, hoe zou die er dan uit moeten zien? De actualiteitis hiertoe de aanleiding, maar het heeft me wel aan het denken gezet,zeker naar aanleiding van de kritiek van de buitenwereld. Ik wil gewoonvan de Minister weten hoe hij daarnaar kijkt.Dan ga ik weer naar de slachtoffers, voorzitter. In de schriftelijke rondehebben wij al vragen gesteld over de mogelijkheid om slachtoffers tijdenshet vooronderzoek het recht te geven om de officier van justitie teverzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te laten verrichten. In deantwoorden lees ik – ik druk het misschien wat kort door de bocht uit – datdat het strafproces te veel op zijn kop zou zetten omdat het slachtoffer danTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5517 een procespartij in plaats van een procesdeelnemer zou worden. Ik begrijpergens wel dat dit een hele grote stap is, maar dat neemt niet weg datslachtoffers mogelijk wel relevante informatie of wensen voor hetopsporingsonderzoek kunnen hebben. Dan is het, mede in het kader vande beweging naar voren, wel van belang dat het slachtoffergesprek nietpas voor de zitting plaatsvindt. Mijn vraag is: hoe kan ervoor wordengezorgd dat het slachtoffergesprek in een zo vroeg mogelijk stadiumplaats kan vinden en wat is daarvoor nodig? Misschien eenOM-aanwijzing? Dat kan. Ik hoor het graag.Dan nog twee punten, voorzitter.De voorzitter:Maar voor u daarnaartoe gaat, is er een interruptie van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Ik heb een vraag over de rol van het slachtoffer bij het vragen vanonderzoek aan de officier van justitie. Vorige week is opnieuw benadrukthoezeer het slachtoffer wel procesdeelnemer, maar geen procespartij is.Dat is de achtergrond van mijn vraag aan het lid Mutluer. Wat voor soortonderzoek heeft zij op het oog? Denkt u hierbij echt aan opsporingshande-lingen of denkt u aan het nader uitwerken van de omstandighedenwaaronder schade is ontstaan? Begrijpt u wat ik bedoel? Dat is de vraag.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Niet helemaal. Het gaat mij er met name om om slachtoffers tijdens hetvooronderzoek in ieder geval het recht te geven om eventuele relevanteinformatie of wensen voor het onderzoek zelf te delen. Dat oordeel zal hetOM moeten geven. Misschien is het dus handig om de vraag iets tespecificeren, zodat we elkaar een beetje snappen.De heer Koops (NSC):Ik neem een willekeurig voorbeeld. Iemand wordt in elkaar geslagen. Hijkrijgt vervolgens een dossier toegestuurd en ziet daarin dat meneer Xdaarin uitgebreid, met verkeersgegevens en alles, onder de loep is komente liggen. Maar het slachtoffer weet dat er ook nog een meneer Y is, dieeigenlijk net zo hard had moeten worden onderzocht. Is het idee dat hetslachtoffer kan zeggen dat meneer Y op dezelfde manier moet wordenonderzocht en opgespoord als meneer X? Heeft u dat op het oog?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dat zou kunnen. Als dat het opsporingsonderzoek dient, zou dat inderdaadmeegenomen kunnen worden.De heer Koops (NSC):Mij gaat het om het volgende. Hoezeer de rechten en de rol van eenslachtoffer ook moeten worden gerespecteerd, het gaat wel één stapverder als hij op zo’n serieuze, fundamentele manier invloed krijgt op debeslissingen die het Openbaar Ministerie in alle magistratelijkheid zelfhoort te nemen, met onder zijn verantwoordelijkheid de hele politie. Ik zieals beer op de weg, als probleem, dat de rol van het slachtoffer té actiefkan worden, zonder dat ik iets af wil doen aan het slachtofferschap zelf.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik snap die zorg. Uiteindelijk is het aan het OM om die beslissing tenemen. Maar in het licht van slachtofferrechten kan ik mij heel goedvoorstellen dat zij veel eerder het gevoel hebben dat ze serieus zijngenomen en dat ook naar hun wensen en ideeën wordt geluisterd, nietpas voor de zitting. Dat laat onverlet dat ik de zorgen wel snap. Uitein-delijk is het aan het OM om die beslissing te nemen. Het is een grijsgebied, dus ik voel ’m wel. Daarom stel ik dus ook de vraag hoe dit danTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5518 kan, eventueel via een OM-aanwijzing. Maar helemaal hieraanvoorbijgaan vind ik ook lastig.De voorzitter:Er is ook nog een vraag van mevrouw Helder op dit punt.Mevrouw Helder (BBB):Ik begrijp de spanning ook, hoor. Het volgende is weer een beetje uit deoude doos; dat wordt me wel vergeven vandaag, denk ik. Voorheen heb ikaan de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming, de heer Dekker,gevraagd of we niet eens moeten gaan denken aan een driepartijenstelsel,omdat een slachtoffer steeds meer rechten krijgt en ik vind dat daar ookplichten bij horen. Een verdachte is namelijk een verdachte totdat hettegendeel is bewezen. Dat is één. Je zal maar de advocaat van hetslachtoffer zijn of de advocaat van de verdachte. Dat is onderzocht en hetzou echt totaal uit de klauwen lopen qua tijdsbesteding. Het opknippenvan het proces kan ook niet. Maar ik vind dat we vandaag ook weermoeten markeren dat dit wel naar een driepartijenstelsel neigt. Dan vindik dat het slachtoffer rechten en plichten heeft, en dan met voldoendewaarborgen. Ik vind alles voor het slachtoffer ook sympathiek, maar ikdenk dat we hier vandaag tegen de grenzen van de wet op lopen. Ik denkdat we dan echt een driepartijenstelsel zouden moeten onderzoeken, wantmet een OM-aanwijzing gaat dit niet lukken. Zo wordt een slachtoffer tocheigenlijk verantwoordelijk voor de eigen opsporing. Is collega Mutluer datniet met mij oneens?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Vandaag ben ik het eens met alles wat mevrouw Helder zegt! Nee hoor,grapje. Nee, ik voel ’m. Ik voel ’m. Ik stel deze vragen omdat ik ergens welbehoefte heb om te kijken hoe we de slachtofferrechten nog beter kunnenborgen, maar dat moet wel met de juiste waarborgen. Ik heb deze vraaggewoon gesteld. Laat de Minister even ingaan op mijn suggestie of eenOM-richtlijn dan handig is of dat we nog verder moeten gaan. Het gaatwel ver hoor, daar niet van. Zover als een driepartijenstelsel was iknamelijk nog niet. Het gaat met name om de kernvraag hoe we slacht-offers nog eerder en nog meer serieus kunnen nemen in hun wensen ofsuggesties.Mevrouw Helder (BBB):Ik vind het voorbeeld dat de heer Koops aanhaalde zo goed, want in datvoorbeeld maak je het slachtoffer bijna medeverantwoordelijk voor deopsporing. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Ik denk niet dat je het kuntregelen via een OM-aanwijzing. Mijn voorkeur zou zijn om demogelijkheid van een driepartijenstelsel te laten onderzoeken. Maar hetkan toch niet zo zijn dat de slachtofferrechten zo ruim worden, zelfs als hetvia een OM-aanwijzing zou kunnen, dat slachtoffers zelf voorbeeldenaandragen, die dan onderzocht moeten worden. Dan maak je hetslachtoffer wel bijna verantwoordelijk voor het eigen deel van de zaak.De voorzitter:Een korte reactie nog van mevrouw Mutluer en dan kan zij haar betoogvervolgen.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dat begrijp ik. Volgens mij zit het ’m met name in het woordje «moet».Volgens mij is het nog steeds de bevoegdheid van het OM om daar ietsmee te doen. Want anders ga je het slachtoffer daadwerkelijk een te groterol geven. Dat lijkt mij ook niet verstandig en het lijkt mij heel ergbelastend. Dus ik wacht gewoon het antwoord van de Minister af en vraagTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5519 hem of wij ergens een tussenweg kunnen vinden zonder in disbalans teraken, en hoe dat dan kan.Dan heb ik nog twee onderwerpen, voorzitter, met uw permissie. In deeerste plaats: het nieuwe wetboek moet toekomstbestendiger entechniekonafhankelijk worden. Dit betekent dat sommige opsporings-bevoegdheden meer open worden geformuleerd en niet meer als hetware tot achter de komma worden dichtgetimmerd. Het doel daarvan isflexibiliteit in de wetgeving inbouwen om, ingeval zich nieuwe opspo-ringsmethoden aandienen, die eenvoudiger in te kunnen passen en in depraktijk eenvoudiger mogelijk te maken. Ik begrijp die behoefte. Ik snapdat niet iedere kleine technische vernieuwing die niet extra ingrijpt in derechten van verdachten meteen in de wetgeving moet worden vastgelegd.Enige flexibiliteit is nodig. Maar als we het hebben over onderzoeksbe-voegdheden met betrekking tot het lichaam die wij nu nog niet kennen,kan toch wel snel de vraag ontstaan of die zomaar toegepast kunnenworden zonder dat de wet daarvoor aangepast dient te worden. Soms ishet niet zo eenvoudig om vast te stellen wat wel en niet mag. Ik herhaalwat het lid Ellian net ook aangaf, te weten het voorbeeld van het landelijkarrest over de voorwaarden waaraan de politie moet voldoen om toegangte krijgen tot gegevens op een mobiele telefoon.Deze week promoveerde nog iemand die in zijn proefschrift kantteke-ningen plaatste bij de juridische onderbouwing van het gebruik vancommerciële DNA-databanken voor de opsporing. Wat ik wil zeggen, is:ook al kun je denken dat je iets techniekneutraal en toekomstbestendig inde strafvordering kunt opschrijven, dan kan het alsnog anders blijken tezijn. Dus mijn vraag is: hoe verhoudt de behoefte aan flexibiliteit zich tothet legaliteitsbeginsel? Hoe wordt ervoor gezorgd dat nieuwe opsporings-methoden die inbreuk maken op de grondrechten van burgers door dewetgever democratisch gelegitimeerd worden en niet vanwege een meeropen formulering in de wet gewoon worden ingevoerd? Hoe wordt dieafweging gemaakt en hoe worden wij als Kamer daarin meegenomen omdaar iets van te vinden?Tot slot de verwerking van de gegevens. Computers, netwerken enopslagmedia worden in beslag genomen, binnengedrongen en doorzocht.De opsporing vergaart daarmee steeds meer gegevens. Om er iets aan tehebben voor de opsporing, moeten die gegevens geanalyseerd en aanelkaar geknoopt worden. De verwerking is dan nodig. Nu wordt in hetWetboek van Strafvordering weliswaar het een en ander geregeld over hetvergaren van die gegevens, met name aangepast aan het digitale tijdperk,maar de wetgeving ten aanzien van de verwerking van die gegevenswordt nauwelijks aangepast. Ik was zelf bezig om over dit punt na tedenken. Er verscheen woensdag volgens mij van de Staatssecretaris eenbrief waarin toch wordt erkend dat er een toekomstbestendige regelingmoet komen voor het verder verwerken van grote hoeveelhedenpersoonsgegevens. Daarvoor wordt er een commissie in het levengeroepen. Dat is volgens mij een mooi begin. Nu moet die commissie welmet aanbevelingen komen die tot wetgeving gaan leiden. Mijn vraag is devolgende. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering treedt pas in april 2029in werking. Je zou dus zeggen dat er in ieder geval wel tijd is om ook deregels over de verwerking voor die tijd aan te passen. Hoe zien debewindspersonen dit en zijn er tegen die tijd dan wel financiële middelen,waarvan de bewindspersonen in de nota naar aanleiding van het verslagnog schreven dat die er niet waren? Graag daar ook een reactie op.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:U bedankt. Dan geef ik het woord aan de heer Aardema namens de PVV.De heer Aardema (PVV):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5520 Dank u wel, voorzitter. Het is niet geheel onlogisch dat ik hier vandaagnamens de PVV mag zitten om Boek 2 over de opsporing te bespreken. Inmijn vorige leven bij de politie was het Wetboek van Strafvorderingimmers mijn gereedschapskist. Ik zie het dan ook als een bijzondervoorrecht om daarover nu vanaf deze plek mee te mogen praten.Toen ik 40 jaar geleden voor het eerst met het Wetboek van Strafvorderingde studie begon, vroeg een docent eens aan onze klas wie nu debelangrijkste persoon in dit wetboek was. Het draaide volgens hem vooralom de verdachte. Met welke feiten of omstandigheden wordt iemandverdachte en wat mag je dan allemaal doen in je opsporingsonderzoek?Wat zijn de rechten van de verdachte, waar moet je rekening meehouden? Alles rondom het begrip «verdachte» is nog steeds belangrijk,ook in het vernieuwde wetboek. Maar ook de rol van bijvoorbeeld hetslachtoffer wordt belangrijk en dat vinden wij een goede ontwikkeling.Strafvordering is gedurende mijn loopbaan steeds gegroeid. Er kwamBOB-wetgeving, de 126 artikelen waardoor er meer sturing en controlekwam, doordat de rol van de officier van justitie en de rc nadrukkelijkerwerd. Het maakte de praktische opsporing weleens wat trager, want eerstmoest je een vordering regelen en dus de officier laten mee-oordelen ofdatgene wat je wilde, wel kon. Ik weet ook nog dat de Salduz-regeling,waardoor de verdachte bij ieder verhoor recht had op bijstand van eenraadsman, bij veel collega’s en ook bij mij in het begin op grote weerstandstuitte. Zo’n advocaat er steeds bij, dat is alleen maar lastig. Maar ik moeteerlijk bekennen dat tijdens de vele verhoren die ik heb mogen doen, deaanwezigheid van een raadsman juist vaak bijgedragen heeft aan eengoed verloop. Het maakte je scherp in de voorbereiding en uitvoering vanzo’n verhoor.Nu komt er geen fundamentele herziening maar vooral een moderniseringvan het Wetboek van Strafvordering, beter opgelijnd in een beterevolgorde. Je zit dus niet meer met tien vingers in het boek om bevoegd-heden op te zoeken. Ik vraag mij echter wel af of we de doorlooptijden ookkunnen verkorten. Ik zit nu ongeveer 14 maanden in deze Kamer en lees inde krant dat nu zaken ter terechtzitting komen waaraan ik in mijn vorigeleven nog een bijdrage heb mogen leveren. We hebben nog steeds temaken met metersdikke dossiers, en voordat we de hele keten hebbengedigitaliseerd en kunnen doorschuiven in de keten van politie en justitienaar de rechtbank, zijn we nog wel een generatie verder, vrees ik. Het zaleen andere mindset vragen, maar ook voldoende mensen in die heleketen.Ik spreek mijn waardering uit aan alle mensen die jarenlang hebbengewerkt aan de totstandkoming van dit wetboek. In tegenstelling tot deuiterst geleerde professionals die dit hebben gedaan, kan ik slechts meteen praktische blauwe bril naar deze materie kijken. Maar wellicht kanzo’n blik vanuit de praktijk ook verfrissend zijn. Ik hoop het. Een van deopvallende dingen die ik dan tegenkom, is de ambitie om de administra-tieve lasten van de politie te verminderen. Daar ben ik onmiddellijkvoorstander van, want ieder uur op straat is immers ook een uur achterhet toetsenbord.Het nieuwe uitgangspunt gaat worden dat bevelen, vorderingen enmachtigingen nu ook mondeling kunnen worden gegeven, tenzij de wetbepaalt dat het schriftelijk moet. Dat lijkt op het eerste gezicht wel handig,zo’n telefoontje voor een vordering naar de officier van justitie, maar hoeverhoudt zich dat straks in de praktijk? Nu gaan dergelijke verzoeken viaeen filter, meestal de BOB-kamer, en moet er steeds precies gedefinieerdworden wat de verdenking is, wat je precies wil, voor hoelang, op wie enwaarom. Als dat straks wordt vervangen door een mondelinge vorderingkan dat veel ruis op de lijn veroorzaken. Laat ik voorzichtig zeggen dat«we hebben elkaar niet goed begrepen» op de loer kan liggen, en danmoet een en ander nog steeds achteraf worden vastgelegd. De vraag rijstdan waar de winst zit in de administratieve afhandeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5521 Op dit moment worden verhoren in zwaardere zaken audiovisueel of zelfsin beeld én geluid vastgelegd, maar moet het gesprokene ook woord voorwoord worden uitgewerkt in een proces-verbaal. Dat leest voor eenofficier en een rechter later lekker makkelijk. Hij of zij kan passages uit hetverhoor accentueren of er opmerkingen bij schrijven, die dan later weergebruikt kunnen worden in het proces. In de vernieuwing gaat men uitvan audiovisuele vastlegging van het verhoor, gevolgd door een kortproces-verbaal. Dat brengt praktische problemen met zich mee. Zomoeten in alle cellencomplexen veel meer studioruimtes worden gemaakten alles moet goed worden opgeslagen en later weer opvraagbaar zijnvoor officieren, rechters en advocaten. Bovendien heb ik niet het beeldvoor me dat de rechter op zondagmiddag thuis achter zijn computer zitom urenlange verhoren af te spelen. Ik vraag me dus af of dit streven welecht efficiënter gaat werken. Graag een reactie.De heer Koops (NSC):Een heel korte interruptie aan de heer Aardema. Is het lid Aardema nu welof niet ook principieel tegen de opnames die in het voorstel zijnopgenomen? Of zijn het alleen maar de praktische bezwaren die hierworden benoemd?De heer Aardema (PVV):Nee, ik ben er zeker principieel niet op tegen. Die opnames kunnen juistook gaan helpen om later te verhelderen wat er precies is gezegd. Ik bener dus zeker niet tegen.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Aardema (PVV):Ik kwam ook nog tegen dat er geen consensus is over de toetsing van destukken wanneer ze van de politie naar justitie gaan. Met andere woorden:moet een dossier worden nagekeken door een hulpofficier van justitie ofjuist door de leider van het onderzoek? In de praktijk is dit niet altijddezelfde persoon. Een hulpofficier van justitie, ook een politiefunctionaris,kan het dossier weliswaar toetsen op de juridische kwaliteiten, maar weetvaak niet exact hoe het onderzoek is verlopen. De leider van hetonderzoek weet dat wel, als het goed is, maar hoeft niet altijd hulpofficiervan justitie te zijn. Of gaan we een bepaling invoeren dat hij dat juist welof niet is? Graag ook daarop een reactie.Ten slotte het vraagstuk omtrent het huidige artikel 140a. Hierbij rijst devraag of voorgenomen beslissingen van het College van procureurs-generaal wel of niet, en in welke gevallen, moeten worden voorgelegdaan de Minister. En aan welke Minister moeten die dan wordenvoorgelegd? Er wordt namelijk gesproken over de Minister van rechtsbe-scherming, maar daar hebben we nu een Staatssecretaris. Ik ken dehuidige Minister, en ook de Staatssecretaris, als iemand die dag en nachtdruk is. Moet je hem dan voortdurend lastigvallen met criminelecasussen? Hij zal het vast interessant vinden en, hem kennende, ooknieuwsgierig zijn, doch de vraag blijft of je de politieke leider moetbelasten met vragen over uitvoering en opsporing. Of moet je wellichtstellen dat een College van procureurs-generaal mans genoeg is om allemitsen en maren van een casus te wegen?Voorzitter. Dit was een korte bloemlezing. Er zijn nog wel meer dingen,zoals de aanwezigheid van de verdachte bij het verhoor door de rc van hetslachtoffer. Dit is al eerder genoemd. Ik kan er ook nog wel wat overzeggen, maar er is volgens mij al genoeg over gezegd. Ik steun dit wel.De amendementen ga ik natuurlijk bestuderen. Ik zeg er nu nog niets over,want ik wacht eerst af wat de bewindslieden erover zeggen.Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5522 De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Koops. Hij spreekt namensNSC.De heer Koops (NSC):Dank u wel, meneer de voorzitter. Het heerlijke van het als laatste hetwoord krijgen ...De heer Sneller (D66):Een-na-laatste.De heer Koops (NSC):Pardon. Een-na-laatste? Neem me niet kwalijk. Het heerlijke van bijna alslaatste aan het woord zijn is dat je doorkrijgt welke thema’s werkelijkKamerbreed belangrijk worden geacht. Het bespaart mij ook het voorlezenvan bepaalde volzinnen die ik had uitgeschreven voor het geval ze nogniet aan de orde zouden zijn gesteld. Dit eventjes als aftrap. Ik hou het zoconcreet mogelijk en verwijs naar mijn complimenten van vorige week. Ikbeschouw het als een eer om hier te mogen zitten, in dit gezelschap envooral ook bij dit onderwerp; dat spreekt voor zich. Het is knap heerlijk omdirect na de heer Aardema te komen, want in de jaren dat de heerAardema bij de politie zat, was ik zo’n advocaat die met Salduz uiteindelijktoch moest worden toegelaten. Ik werd er niet langer aan mijn reversweer uitgehoepeld. We zijn het volkomen eens over het werken van dieSalduz-regeling.Mijn eerste opmerking betreft het DNA-onderzoek dat in meer gevallenmogelijk wordt gemaakt bij een verdenking. Daarbij heb ik één heelsimpele vraag aan de meest gerede Minister dan wel Staatssecretaris. Watgebeurt er met dat DNA op het moment dat de oorspronkelijk geformu-leerde verdenking niet eindigt in een veroordeling? Heel in het bijzonder:wordt er op dat moment van de gewezen verdachte een actie gevergd omdat DNA weer verwijderd te krijgen? Of wordt hem bericht dat zijn DNAvernietigd is en is weggehaald uit welke databank waarin het ook maaropgenomen was? Dat is mijn vraag ten aanzien van het DNA.Dan kom ik direct bij het punt over het onderzoek door de rechter-commissaris waar we het met z’n allen over hebben gehad, de restbe-paling zoals voorgesteld bij amendement van het lid Ellian. Ik wilde bijna«Blanketwet» zeggen, maar dat doe ik dus nadrukkelijk niet. Ik benbenieuwd naar de Landeck-uitspraak. Die is al genoemd tijdens een eerderoverleg hier, de technische briefing die plaatsgevonden heeft. Daarin werdnadrukkelijk opgemerkt dat de Landeck-uitspraak wordt meegenomen inde Innovatiewet die als het ware parallel aan het hele wetsvoorstel ook inontwikkeling is. Die Innovatiewet is bedoeld om ook tijdens dit helewetgevingstraject ontwikkelingen te kunnen adresseren. Mijn vraag is ofeen uitspraak zoals die Landeck-uitspraak in de visie van de regeringgeacht wordt te vallen onder de restbepaling zoals voorgesteld bij hetamendement-Ellian. Of is het in alle gevallen nodig, dus ook als ditamendement onderdeel van de wet is, om zo’n Landeck-uitspraak, om bijhet voorbeeld te blijven, apart te voorzien van een wetgevingstraject ophet moment dat die eenmaal gewezen is? Kortom: blijft er een codificatie-plicht, naast het bestaan van die rechtsbepaling zoals die is voorgestelddoor het lid Ellian?Dan kom ik bij een onderwerp dat mij persoonlijk heel erg aan het hartgaat, door persoonlijke ervaringen gedreven, want zo loopt dat. Ik heb hetover artikel 187a van het Wetboek van Strafvordering. Het lijkt me evidentdat dit terecht hoort bij de Staatssecretaris Rechtsbescherming. Daarinstaat namelijk het volgende. Op het moment dat er getuigen wordengehoord bij de rechter-commissaris in de zaak tegen een verdachte, en dieverdachte op dat moment geen raadsman heeft, dan wordt er eenraadsman toegewezen door de rechter-commissaris. Daarmee kom ik,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5523 precies zoals mijn gewaardeerde buurman Aardema, bij een voorbeeld uitde praktijk. In het verleden heb ik de rechter-commissaris heel vaakgewezen op het bestaan van artikel 187a. Dan zei ik bijvoorbeeld: «Mijncliënt is op de vlucht. Hij bevindt zich niet in Nederland. Hij kan geentoevoeging aanvragen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Het OpenbaarMinisterie vermoedt dat hij heel bemiddeld is. Wilt u mij alstubliefttoevoegen als raadsman, zodat ik de getuigenverhoren namens hem kandoen en hij dus wel een eerlijk proces krijgt?» Dat deed ik dan. Derechter-commissaris, bij wisselend beleid, gaf mij daar soms gelijk in envoegde mij dan toe, maar soms ook niet. Naar ik begrepen heb, zijn dekabinetten van Nederland op dit moment in het geheel niet genegen omop basis van het huidige artikel 187a een raadsman toe te wijzen. Dat stelik gewoon vast in de praktijk.Dat was een lange inleiding om te komen bij artikel 2.10.12. Daarin wordtdit feitelijk ongewijzigd overgenomen. Dit hangt samen – daarom begin ikhierover – met de vraag waarom er een raadsman toegewezen moestworden. Dat was juist omdat de verdachte niet in het kabinet aanwezigzou zijn bij het verhoor van de getuigen. Bij dit wetsvoorstel wordt deaanwezigheid van de verdachte bij het verhoor als uitgaanspunt geïntro-duceerd. Daar kunnen uitzonderingen op worden gemaakt, bijvoorbeeldals het gaat om het verhoor van een zedenslachtoffer of als het gaat omgeorganiseerde misdaad. U heeft ook wel door dat de Kamer op ditmoment nogal op de wip zit. Moeten we nou wel overgaan op dit nieuwesysteem of niet? We weten nog niet wat eruit gaat komen. Heeft het rechtvan de verdachte om aanwezig te zijn in het kabinet, invloed op detoepassing van artikel 2.10.12 zoals dat nu is voorgesteld? Is de regeringhet met mij eens dat er door de rechters-commissaris ruimhartig invullingmoet worden gegeven aan deze bevoegdheid? Immers, het hele proceswordt gediend bij het überhaupt aanwezig zijn van een raadsman. Als ergeen raadsman is, omdat de verdachte op de vlucht is of om wat voorreden dan ook, dan lijkt het mij dat daarin onmiddellijk moet wordenvoorzien, zonder een toets van inkomen of wat dan ook. De raadsmanmoet daar gewoon zijn werk kunnen doen. De vraag is hoe de regeringaankijkt tegen dit onderwerp.Daarmee kom ik op de voorlopige hechtenis. Daarover hebben wijallemaal – allemaal! – hetzelfde gezegd, hier in deze Kamer: dit wordtduidelijk te vaak toegepast naar huidig inzicht van de mensen aan dezekant van de tafel. Dat is een probleem dat enerzijds wettelijk kan wordengeadresseerd en anderzijds puur in de praktijk. Ik hecht eraan op temerken hoe belangrijk het is dat die beslissingen over voorlopigehechtenis goed worden gemotiveerd. Ik raak totaal gefrustreerd als ik mijnbest doe bij een raadkamer, of dat nou in eerste aanleg is of in hogerberoep, en ik dan een briefje terugkrijg, een soort afvinkformulier, waarinstaat dat de rechtbank vindt dat er ernstige bezwaren aanwezig zijn en dater ook sprake is van gronden, dus: ajuus, u krijgt 90 dagen. Dat kan ikgewoon niet uitleggen aan een cliënt. Die cliënt raakt even gefrustreerdals ik, en moet bovendien die 90 dagen zitten. Ik vind dat een onuit-staanbaar probleem. Dat alleen al is een reden om zeer volmondig toe tejuichen dat de heer Sneller zijn amendementen heeft ingediend.Ik wil daar ook iets anders aan toevoegen. Kijk, de beslissing wordtgenomen. De eerste vordering van 90 dagen is een behoorlijk voorlopigebeslissing, de meest voorlopige van allemaal. Het onderzoek is nog involle gang. De politie is zo terughoudend als ze mogen zijn bij hetverstrekken van informatie aan de verdachte, want ze zijn nog opsporings-onderzoek aan het doen. Dan ga je natuurlijk niet vrijwillig zo veelmogelijk geven; dan geef je zo weinig mogelijk. Wat krijg je in het huidigesysteem bij de pro forma? De formele plicht om alle stukken te geven dieer zijn, rust op het Openbaar Ministerie. Hierop is het huidige wetsvoorstelook ingegaan, bij het voorstellen van de afschaffing van depro-formazitting en het vervangen daarvan door een raadkamer. In deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5524 memorie van toelichting staat dat alle stukken die beschikbaar zijn enverstrekt kunnen worden, alsnog moeten worden gegeven aan de eersteraadkamer, dus tijdens de eerste pro forma.Als er mensen naar huis gestuurd zullen worden tijdens hun voorlopigehechtenis, dan zal dat bij de meesten bij de pro forma zijn. Na die 90dagen die zij hebben gezeten, na die drie maanden, raakt hun leven buitende strafzaak om verwoest, bijvoorbeeld omdat ze hun hypotheek nietkunnen betalen, omdat hun echtgenoot wegloopt, omdat de omgang metde kinderen niet meer in orde is of omdat ze worden ontslagen. Datgebeurt allemaal in die drie maanden. De raadsman heeft in diezelfde driemaanden de tijd om orde op zaken te stellen en om met een goedalternatief te komen voor de voorlopige hechtenis. Feit is dat de meestenna die drie maanden naar huis zullen gaan. Dat is wat mij betreft debelangrijkste oorzaak van het grote aantal voorlopige hechtenissen en hetgrote aantal kortlopende gevangenisstraffen dat wordt opgelegd door delater oordelende rechter. Die denkt: iemand heeft al drie maandengezeten; laten we het daarbij of moet hij nog een keertje terug? Dat is devraag.Ik beschouw die eerste pro forma dus als een cruciaal moment. Tegen dieachtergrond vraag ik de regering: hoe ziet zij de verplichting om allestukken die verstrekt kunnen worden bij wat de pro forma was en wat nuals raadkamer wordt geïntroduceerd, te verstrekken, in het licht van demogelijkheid om stukken op datzelfde moment te onthouden? Over hetonthouden van stukken zegt de wet op dit moment formeel: als eenproces-verbaal, bijvoorbeeld een getuigenverhoor, echt niet in de handenvan de verdachte mag komen, dan moet dat worden gerespecteerd. Datbegrijp ik, maar dan moet je wel verplicht mededelen dat er een stukbestaat dat nog niet verstrekt wordt omdat dat nog niet kan. De verdachtemoet er dus wel van op de hoogte worden gesteld dat hij niet het heledossier heeft. Mijn vraag aan de regering is: hoe verhoudt de verplichtingom mede te delen welke stukken nog niet verstrekt kunnen worden zichtot de verplichting om alle stukken die er zijn, te verstrekken tijdens wat deeerste pro forma was? Dit vraag ik in het licht van het enorme belang vande eerste pro forma voor de kortlopende gevangenisstraffen en devoorlopige hechtenis.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik moet altijd goed luisteren. Ik moet u eerlijk bekennen dat met name hetlaatste onderdeel lastig te volgen was, maar ik heb wel een vraag. Ikhoorde het lid Koops van NSC nadrukkelijk de amendementen van collegaSneller benoemen. Daarmee wil hij naar alternatieven zoeken voor hetopleggen van een voorlopige hechtenis, wat in onze beleving heel vaakgebeurt. Dat willen we een beetje voorkomen of verminderen. Een van desuggesties die ik tijdens mijn bijdrage deed, ook naar aanleiding van watde vier universiteiten hebben gezegd en waar zij ons op hebben gewezen,is om altijd een reclasseringsrapportage voor te leggen aan de rechter,waarin de mogelijkheden voor alternatieven voor voorlopige hechteniszijn onderzocht. Ik kan me heel goed voorstellen dat een rechter dat nodigheeft. Hoe kijkt mijn collega naar het idee om dat altijd in te zetten?De heer Koops (NSC):Ik ben het ermee eens dat de reclassering een onderzoek moet kunnenverrichten, zo vaak als mogelijk en nodig is. Het is inderdaad waar dat erop dit moment grote gaten zitten in de complete lading aan voorlopigehechtenissen, waarbij de reclassering helemaal niet zo veel doet.Tegelijkertijd heeft dat in heel veel gevallen ook amper meerwaarde,omdat de reclassering zich in hoge mate baseert op datgene wat deverdachte tegen de reclassering zegt. Die toetst als het ware wat door deverdachte aan de reclassering wordt verteld. Die meerwaarde is er dusTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5525 niet altijd. Dat weet de reclassering net zo goed als iedereen. Dat is mijneerste antwoord.Meer in het algemeen ben ik het volkomen eens met het lid Mutluer datook de reclassering een grote rol kan spelen bij het terugbrengen van dehoeveelheid gevallen van voorlopige hechtenis. Het drama is dat dit metname allemaal gaat om maatregelen in de praktijk. Het gaat bijvoorbeeldom de budgetten die beschikbaar zijn voor de reclassering om een rapportop te kunnen maken. Dat zijn budgetten waar we het vandaag niet overhebben. We hebben het nu alleen over het inregelen. Maar ik kan hier welde volgende vraag aan koppelen, in het verlengde van wat mevrouwMutluer net opmerkte. Is de regering het eens met de stelling dat zo veelmogelijk gebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheden tot hetstorten van een waarborgsom – dat is gewoon bail, zoals we die kennenuit de Amerikaanse films – en de mogelijkheid van enkelbanden? Kortom,dat gaat over alle alternatieven die er zijn voor het daadwerkelijk in eenhuis van bewaring hechten van een verdachte.De voorzitter:Is dat voor nu voldoende voor u, mevrouw Mutluer, of heeft u nog eenkorte vervolgvraag? Ja? Gaat uw gang.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik ben het met de collega eens dat als het meerwaarde heeft ... Ik ben vanmening dat de toepassing ervan echt wel meerwaarde kan hebben voordie reclasseringsrapportages. Investeren in de reclassering aan devoorkant betekent ook geld besparen aan de achterkant. Ziet mijn collegadat ook zo? Dat zou namelijk een extra argument zijn voor dit kabinet omdit te stimuleren en daarvoor eventueel ook middelen ter beschikking testellen te zijner tijd, omdat je daarmee dus aan de achterkant kosten kuntbesparen.De heer Koops (NSC):Het lid Mutluer weet heel goed dat ik er precies zo over denk als zij, maardat ik misschien net een ander gewicht hecht aan de beschikbarebudgetten en aan de manier waarop je de begroting moet gaan inrichten.Daarom durf ik nog niet meteen te zeggen dat de investering aan devoorkant even groot is als wat je bespaart aan de achterkant. Niettemin zalik daar met het lid Mutluer maximaal onderzoek naar verrichten, om tekomen tot afgewogen beslissingen over budgetten.De voorzitter:Er is ook nog een interruptie van de heer Aardema, zag ik.De heer Aardema (PVV):Ja, maar het is een hele korte, denk ik. Het is mooi dat er iemand naast mijzit uit de praktijk. Het is ook mooi dat hij een uiteenzetting heeft gegevenover de praktische gang van zaken bij de pro-formatoetsing. Ik wil tocheven opmerken dat de meeste verdachten daar niet zitten voor zweet-voeten en dat je dat dus serieus moet bekijken. Maar ik zie ook wel demankementen die er soms in zitten. Hij schetste ook een beeld over hetverstrekken van de processtukken, maar het zal toch niet zo zijn dat er eenhoop wantrouwen is bij mijn gewaardeerde collega ten aanzien van hetverstrekken van alle stukken door de politie. Want gedurende hetonderzoek kunnen ook nieuwe dingen blijken. Graag een kleine reactie.De heer Koops (NSC):Ik heb het grootst mogelijke respect voor de manier waarop de politieonderzoeken draait, zowel als het gaat om kleintjes die aandacht vergenomdat ze hele mensenlevens hebben verwoest als bij de grote, complexewaarbij maatschappelijke fenomenen worden aangepakt. Zeker bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5526 laatste soort zaken zit er gewoon een soort van sport-en-spelelement – datmeen ik echt – tussen de verschillende procespartijen bij het verkrijgenvan een dossier en het verstrekken daarvan. Aan beide kanten zal ik altijdom zo veel mogelijk en zo snel mogelijk vragen en de politie is daarbijaltijd terughoudend om het achterste van de tong te laten zien. Dat doenwij op een uitermate goedgehumeurde manier en zonder enige vorm vanwantrouwen. Het is juist omdat die spanning bestaat tussen de procespar-tijen dat ik zo’n waarde hecht aan het opsommen van hetgeen onthoudenwordt en of er stukken onthouden worden. Dat maakt de zaak namelijkgewoon transparant. Dan zeg je: oké, dan moet ik dus wachten.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Koops (NSC):Ik kom bij mijn laatste onderwerp. Dat is het enige onderwerp waar...De voorzitter:Maar voor u dat doet, heeft de heer Sneller nog een vraag over devoorlopige hechtenis, denk ik.De heer Sneller (D66):Ja. Ik dacht dat de heer Koops daar nog uitgebreider op zou ingaan. Hijzegt namelijk in algemene zin: ik waardeer de amendementen, maar ikheb nog één specifieke vraag – die is terecht, overigens – over deverplichting. Maar ik probeer even de onderlinge verhouding tussen dietwee opmerkingen te zien. Denkt de heer Koops dat als hij die verplichtingbeter geregeld heeft, de praktijk dusdanig zal worden dat het oké is en denoodzaak van andere wetswijzigingen vervalt? Of zijn dat twee losstaandedingen die ook weer in aanvulling op elkaar kunnen plaatsvinden?De heer Koops (NSC):Hebben we het hier over de motiveringsverplichtingen of over hetonderzoeken van alternatieven?De heer Sneller (D66):Eigenlijk beide, inderdaad. Aan de ene kant betreft het de amendementenzoals ik die heb ingediend en aan de andere kant de terechte vraag die deheer Koops zelf stelt, en de suggesties van collega Mutluer. Wat is er nou,naar het oordeel van de heer Koops, nodig om te zorgen dat die praktijkdaadwerkelijk gaat veranderen? Of zegt hij: ik heb daarvoor nog watinformatie nodig van de overkant? Of was het te subtiel voor ondergete-kende om de conclusie mee te krijgen?De heer Koops (NSC):Het is fijn om uitgenodigd te worden om het heel duidelijk te stellen. Ikheb maar tot op zekere hoogte vertrouwen in de manier waaropidealismen, ideologieën en goede voornemens uiteindelijk transponerennaar een voortreffelijk wetboek. Mijn vertrouwen wordt simpelwegbegrensd door budgetten. Ik kan niet anders dan zeggen dat ik wat betrefthet terugdringen van voorlopige hechtenis vermoed en verwacht dat heteen niet zonder het ander kan. Op enig moment zal je moeten investerenin alternatieven voor voorlopige hechtenis. Dat is noodzakelijk. Tegelij-kertijd moet je, naar mijn overtuiging, rechters op de een of anderemanier dwingen om zo precies mogelijk vast te stellen in welke gevallenvoorlopige hechtenis wel of niet wordt toegepast. Voor mij persoonlijk ishet gewoon uitermate frustrerend als ik geen inzage heb in waarom mijnbetoog heeft gefaald, waarom de argumenten die door de verdachte naarvoren zijn gebracht, onvoldoende waren, en hoe het kan dat de afwegingin het nadeel van de verdachte is uitgevallen. Dat gaat ook ten koste vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5527 een zeker aanzien van de rechtspleging onder de voorlopig gehechte. Ikben gewoon heel benieuwd naar de reactie van de regering, specifiek ophet onderwerp van voorlopige hechtenis. Net als het lid Sneller denk ikdat de input die de regering nu geeft, heel waardevol kan zijn, omdathetgeen de regering hierover zegt nagelezen zal worden en deargumenten die naar voren worden gebracht, vooruitlopend op hetnieuwe wetboek, gebruikt zullen worden in de rechtspleging.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Koops (NSC):Mijn laatste onderwerp gaat over de aanvang van de bevoegdheden totverdediging. Op dit moment is er in het voorstel van het wetboekaansluiting gezocht bij het eerste verhoor van de verdachte. Dat vind ikeen uitstekend uitgangspunt. Iemand wordt uitgenodigd voor eenverhoor, waarna de politie hem vertelt waarvan hij wordt verdacht. Vanafdat moment weet die persoon dat hij in de problemen zit en iets moetgaan doen. Maar er is één specifiek geval waarbij we moeten voorkomendat er als het ware een gat valt in de uitoefening van die verdedigings-rechten, namelijk als iemand niet wordt verhoord.Dit gebeurt. Een uitstekend voorbeeld hiervan is het volgende. Er heefteen grote corruptiezaak gespeeld in Den Haag, naar aanleiding van eenwethouder die van van alles werd verdacht. Er waren meerdereverdachten in diezelfde zaak. Een van de verdachten werd bijgestaan doormeester De Boer. Ik vind het leuk om haar naam te noemen, want zij heeftdat voortreffelijk gedaan. De zitting begon en haar cliënt was noghelemaal niet gehoord in het hele voortraject. Gewoon niet. Dat was hetgeval omdat het verhoor van die verdachte kennelijk niet nodig was omhet opsporingsonderzoek rond te krijgen. De vraag is hoe iemand die alsverdachte is aangemerkt in een grote zaak maar niet is verhoord, danalsnog gebruik kan maken van zijn verdedigingsrecht, dus van hetopgeven van onderzoekswensen. Kort samengevat is het wel debedoeling dat hij op dat moment dergelijke rechten heeft. Dat is dusvooral het geval wanneer iemand wel als verdacht is aangemerkt, maar erformeel nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen.Een tweede voorbeeld, dat ook regelrecht uit de praktijk komt, betreft deverdachte rechtspersoon. Gelukkig worden er ook verdachte rechtsper-sonen vervolgd. Maar een rechtspersoon verhoren is ook weer niet zosimpel. Dat gaat via een vertegenwoordiger. In de praktijk gebeurt datgewoon heel vaak niet. Dan wordt eerst het hele onderzoek gedraaid enwordt er aan het eind gevraagd om een reactie op dat onderzoek. Ookverdachte rechtspersonen worden dus niet snel of niet in een vroegstadium gehoord.Is het nu de bedoeling dat die verdachte rechtspersoon of de persoon dieniet gehoord is, pas nadat hij of zij is gehoord voor het eerst gebruik kanmaken van enig verdedigingsrecht? Want dat zou wel in strijd zijn met degedachte dat we hier met z’n allen proberen om de gang naar voren tekrijgen. Dat is de vraag. Ik zie in ieder geval bij het lid Ellian een lichtefrons. Heb ik mij voldoende duidelijk uitgedrukt?De voorzitter:Mensen melden zich wel als ze willen interrumperen. Gaat u dus vooralverder.De heer Koops (NSC):Ik hoop vooral dat ik helder genoeg ben in het stellen van mijn vraag. Datis mijn enige zorg. Dat was overigens inderdaad mijn laatste opmerking.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5528 Ik dank u zeer. Dan ga ik nu aan de heer Ellian vragen om tijdelijk hetvoorzitterschap over te nemen, zodat hij de woordvoerder van de SP hetwoord kan geven.Voorzitter: EllianDe voorzitter:Dat doe ik met plezier. Ik geef het woord aan de woordvoerder van de SP:de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel, voorzitter. We hebben vorige week al uitgebreid gedebatteerdover Boek 1, inclusief de algemene thema’s. We hebben daar ook al decomplimenten gegeven aan beide rapporteurs: de heer Ellian en mevrouwHelder. Ook ik stond net al even met de mond vol tanden als fungerendvoorzitter toen mevrouw Helder haar vertrek aankondigde. Inmiddelshoop ik er al enkele woorden aan te kunnen geven. We zijn erg overvallen.We hebben altijd met veel waardering en heel veel respect samengewerkt.Ik denk daarbij aan de uitgebreide dossierkennis en de juridische precisie.We zien hier weer een uitgebreide, indrukwekkende map liggen. Zokennen we mevrouw Helder inderdaad. Soms botsten we heel hard op deinhoud, maar dat was nooit op de persoon. Het was altijd op een eerlijkewijze, zoals Mutluer al zei. Ik dank u hartelijk. We gaan elkaar nog treffen.Vandaag gaat het dus specifiek over het opsporingsonderzoek. Ik denk datik mevrouw Helder geen groter plezier doe dan me gewoon weer op deinhoud te richten, in plaats van dat ik hier nog veel meer woorden aanwijd. We spreken over Boek 2. Dit betreft een fase in het strafproceswaarin verschillende belangen spelen die kunnen botsen: het opsporings-belang versus de belangen van de verdediging en ook het belang van hetslachtoffer. Het is een fase waarin behoorlijke inbreuken kunnen wordengemaakt op rechten van verdachten. Die hebben voldoende rechtsbe-scherming nodig, maar het wetboek moet personen die met dit wetboekmoeten werken zowel voldoende houvast als flexibiliteit bieden. Dat zijnbehoorlijke uitdagingen.We lopen wel het risico dat we bepaalde onderwerpen vorige week albesproken hebben, zoals de aanwezigheid van de verdachte bij hetgetuigenverhoor. Het amendement op stuk nr. 21 kreeg al oordeel Kamer,maar hoort volgens mij eigenlijk thuis in dit wetboek. Maar dekan-bepaling gaat mijn fractie ook steunen. Ik denk dat de praktijk heeftaangegeven daar goed mee uit de voeten te kunnen. Ik denk dat hetverstandig is om mijn fractie te adviseren om dat ook te gaan steunen.Ik wil ook nog wel mijn reserves uitspreken bij het amendement van hetlid Ellian op stuk nr. 20. Ik begrijp zijn intentie. In zijn amendement schrijfthij op dat artikel 2.10.1, eerste lid komt te luiden dat de officier van justitiekan vorderen dat de rechter-commissaris onderzoek verricht. Dat klinkt vrijsimpel. Maar als je kijkt wat er vervalt uit het voorstel van de regeringvoor 2.10.1, staat daar inderdaad dat de officier van justitie kan vorderendat de rechter-commissaris onderzoek verricht door ... En dan worden debevoegdheden specifiek opgesomd. Mijn zorg is een beetje, in navolgingvan wat de heer Koops daarover vroeg aan de heer Ellian, wat je dan mist.Hoe ruim geef je dan ruim baan aan de officier van justitie en de rechter-commissaris om dat type onderzoek te verrichten? In hoeverre strookt datnog wel met het legaliteitsbeginsel, dat mensen mogen verwachten datwat in de wet staat, door de wetgever democratisch is gelegitimeerd? Aande ene kant wil je niet te star zijn in het wetboek – ik begrijp de bedoelingvan de heer Ellian dus wel degelijk – maar aan de andere kant wil je ookgeen blanco cheque afgeven. Ik vind dat dus nog lastig te wegen. Ik hoopdat straks met een wijze appreciatie voor mij ook duidelijker gaat wordenwat we daarvan moeten vinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5529 De voorzitter:Een interruptie van collega Helder.Mevrouw Helder (BBB):Nee, van jou, dacht ik even.De voorzitter:Nee hoor, o, nee hoor. Gaat u verder.De heer Van Nispen (SP):Ja, dat risico loop ik inderdaad als ik het voorzitterschap overdraag aaniemand die ik dan met naam ga noemen. Dat is geheel mijn eigen schuld.Ik kom te spreken over de opsporingsmethodes. Er worden nieuwebevoegdheden toegevoegd aan het wetboek, zoals het stelselmatigovernemen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen opgeautomatiseerde wijze. Kan de Minister toelichten hoe dit in de praktijkin zijn werk zal gaan? Ik heb het over artikel 2.8.8. Dit is iets wat nukennelijk nog niet gebeurt en een nieuwe bevoegdheid wordt. Wat isprecies het doel hiervan? Hoe gaat dat dan in de praktijk?Dan artikel 2.8.11. Dat regelt een meer indringende vorm van stelsel-matige inwinning van informatie, de zogenoemde Mr. Big-methode. Dat iszeker een spannend middel te noemen omdat de opsporingsambtenaarde verdachte activiteiten laat verrichten als het ware, met als doel ominformatie te verzamelen. Kan de Minister ook dit middel nader duiden?Gaat het hier ook om strafbare feiten, waar de opsporing dan wel weetvan heeft? Hoe voorkom je dan medeplichtigheid en hoe voorkom jeuitlokking? Hoe bescherm je de integriteit, maar ook de psychischegevolgen bij de betrokken opsporingsambtenaren? Mevrouw Heldervroeg hier ook naar. Wat wordt er precies gewijzigd aan infiltratie, artikel2.8.12, ten opzichte van de huidige praktijk? Dat is mij nog niet geheelduidelijk. Na dit debat wel, hoop ik.Dan over de voorlopige hechtenis. Ik zeg het maar meteen: hierover zijngoede amendementen ingediend door D66, in ieder geval qua strekkingen bedoeling en volgens mij grotendeels ook technisch. Ook de SP heeftin de schriftelijke voorbereiding gevraagd hoe we daadwerkelijk tot eenpraktijk zouden kunnen gaan komen waarin alternatieven voor voorlopigehechtenis breder en beter worden toegepast. Ik noem bijvoorbeeld eeninspanningsverplichting voor het OM of het altijd of vaker verplicht makenvan een reclasseringsreportage, met mogelijke alternatieven. De vraagblijft toch een beetje wat we hier nou mee willen. Vinden we bijvoorbeeldelektronisch toezicht zinvol en wenselijk of niet? En durven we het aan?De regering stelt: «Er is in de wet niet gekozen voor een inspanningsver-plichting voor het OM. In plaats daarvan wordt op een andere maniergestimuleerd dat voorlopige hechtenis vaker en eerder wordt geschorstals dit in het desbetreffende geval passend is.» Maar hoe dan? Dat zie ikeigenlijk niet terug.Daarom heb ik waardering voor bijvoorbeeld het amendement op stuk nr.12, de poging van de heer Sneller om voorlopige hechtenis terug tedringen door uit te drukken dat dit een ultimum remedium is, en ook voorhet amendement op stuk nr. 13, dat regelt dat een bevel tot voorlopigehechtenis beter gemotiveerd moet worden. Daar lijkt dan nog het meestedraagvlak voor te bestaan. Ik noem ook het amendement op stuk nr. 14,dat erin voorziet dat vóór inverzekeringstelling of voorlopige hechtenisonderzocht moet worden of er geen alternatieven mogelijk zijn. Dat zijnvolgens mij op hoofdlijnen goede voorstellen. Dat geldt ook voor hetamendement op stuk nr. 30, dat wat later binnenkwam. Ik ben ergbenieuwd hoe de Minister of de Staatssecretaris deze voorstellen gaatwaarderen.Vorige week heb ik al uitgebreid stilgestaan bij het grote belang dat mijnfractie, net als meerdere partijen in de Kamer, hecht aan rechtsbijstand.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5530 We kunnen dat eigenlijk niet vaak genoeg herhalen, juist ook bij dit Boek,Boek 2, over de opsporingsfase. Juist in deze fase wordt meer van deverdediging verwacht. En terwijl met de mond beleden wordt hoebelangrijk het is, heb ik toch ernstige twijfels of het voldoende gewaar-deerd wordt door deze regering. Dan heb ik het niet alleen over de juistewoorden, maar ook over daden. De problemen in de sociale advocatuurzijn namelijk al heel groot, al heel lang, en die worden eigenlijk steedserger. Als je dat weet maar er vooralsnog, kennelijk doelbewust enweloverwogen, geen extra geld voor uittrekt, is dat ook een keuze. Kan deStaatssecretaris nog eens heel helder uiteenzetten hoe hij er nou voorgaat zorgen dat adequate rechtsbijstand gewaarborgd is en dat ervoldoende sociale advocaten zijn, nu en in de toekomst, die een redelijkevergoeding per uur betaald krijgen voor voldoende uren, juist ook in dezefase van de opsporing maar eigenlijk natuurlijk in het hele strafproces?Ik dank u wel.Voorzitter: Van NispenDe voorzitter:Dan neem ik het voorzitterschap weer over. Ik ga kijken hoelang debewindspersonen nodig hebben voor de beantwoording. Drie kwartier,hoor ik. Laten we dan schorsen tot 15.30 uur.De vergadering wordt van 14.48 uur tot 15.33 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen dit wetgevingsoverleg. Welkom terug, allemaal. Wij zijn toeaan de beantwoording van de gestelde vragen door de regering. Wehebben het nog steeds over Boek 2 van het Wetboek van Strafvordering.Ik ga het woord geven aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Wellichtis het behulpzaam als hij ons een soort inhoudsopgave of taakverdelingkan meedelen. Het woord is aan de Minister.Minister Van Weel:Dank, voorzitter. Dat zal ik doen, maar niet dan nadat ik gememoreerd hebdat mevrouw Helder gemist zal worden in deze debatten vanwege haarinhoudelijke inbreng. We hebben, zeker kort na het aantreden van hetkabinet, een aantal debatten gezien waarbij we ons afvroegen waar deinhoud was. Maar ik moet zeggen dat ik mede dankzij u in deze commissiealtijd het idee heb gehad dat we scherp op de inhoud hebben kunnendiscussiëren. Dat is zeker van heel grote toegevoegde waarde geweestvoor de wetgeving en de debatten die we hier hebben gehad. Dus heelveel dank daarvoor.Daarnaast dacht ik niet dat wij nieuws zouden maken met de behandelingvan het Wetboek van Strafvordering, maar u heeft ervoor gezorgd dat ertoch een hele schare aan journalisten op de tribune zat. Ik hoop dat zenaast terechte aandacht voor u ook aandacht hebben voor de belangrijkebehandeling die we hier vandaag voortzetten na de eerste sessie vanvorige week.Ik zal beginnen met een algemene spreektekst. Daarna doe ik hethoofdstuksgewijs. Ik begin met Boek 2 hoofdstuk 1, dan hoofdstuk 5,hoofdstuk 6, hoofdstuk 7, hoofdstuk 8 en hoofdstuk 10. Dat is de volgordewaarin ik de onderwerpen zal aflopen. Maar zoals gezegd begin ik met eenalgemene spreektekst.Voorzitter. Vandaag staat Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering, het opsporingsonderzoek, centraal. Het is om deze reden dat deStaatssecretaris en ik, ten opzichte van vorige week, van plek zijngewisseld. Vandaag zal ik dus beginnen met antwoorden. Anders danvorige week, toen ik ergens tegen het einde van het debat aan het woordkwam, voel ik mij nu, omdat ik begin met de beantwoording, gerechtigdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5531 om heel kort een paar inleidende woorden tot u te spreken in aansluitingop het betoog van de Staatssecretaris van vorige week.Ook ik ben de vaste commissie en de rapporteurs Ellian en Helderdankbaar voor hun inzet. Het verheugt me dan ook dat u er vandaag zelfin persoon bij bent. Ik kom uiteraard nog terug op uw amendement, maardat doe ik op de geëigende plek in mijn betoog. Ook wil ik alle organi-saties in de strafrechtketen bedanken. Zij spelen een belangrijke rol in devoorbereiding van het nieuwe wetboek. De Staatssecretaris en ik zetten bijde behandeling van dit grote wetgevingsproject samen de schouderseronder. We weten ons daarbij gesteund door onze regeringscommissaris;dat hebben we vorige week ook gezien. Hij is ook vandaag weer aanwezig.U zult mij vandaag verschillende malen opzij zien kijken, soms vertwijfeld,soms hoopgevend, om hem de gelegenheid te bieden om zijn visie tegeven vanuit de wetssystematiek.Voorzitter. Onze democratische rechtsstaat kan niet bestaan zonder goedeopsporing en vervolging van criminaliteit. Denk aan de aanpak van highimpact crimes, geweld, waaronder het gebruik van explosieven, onder-mijning, drugscriminaliteit, mensenhandel en de toenemende cybercrimi-naliteit. Voor de strafrechtelijke aanpak van criminaliteit heb je ook eenrobuust juridisch kader nodig. Wat betreft de opsporingsbevoegdhedenwordt dit kader geboden in Boek 2 van het Wetboek van Strafvordering. Indat boek zijn de opsporingsbevoegdheden vernieuwd, zodat we bijvoor-beeld beter om kunnen gaan met digitale informatie. In het Wetgevings-traject nieuw Wetboek van Strafvordering werken we in aanvulling op deeerste twee vaststellingswetten, die we deze maanden hier behandelen,ook met aanvullingswetten. Dat biedt de mogelijkheid om ook de regelingvan het opsporingsonderzoek waar nodig verder aan te vullen. Dat doenwe in een eerste aanvullingswet met de bevoegdheid om met inlogcodesdie de politie al heeft, in te loggen op bijvoorbeeld een e-mailaccount. Devoorbereidingen voor een wettelijke regeling voor deze opsporingsme-thoden kwamen later op gang. Daarom is in de eerste vaststellingswetvolstaan met het reserveren van een plekje voor deze regeling. De inhoudwordt ingevuld in de eerste aanvullingswet. Daarmee wil ik zeggen dat deaanvullingswetten de mogelijkheid bieden om ook de regeling van deopsporingsbevoegdheden waar nodig nog van een enkele update tevoorzien.Voorzitter. Met het nieuwe Wetboek van Strafvordering zorgen we ervoordat het onder de juridische motorkap van de opsporing en vervolginggoed in elkaar zit en dat dit ook in de toekomst is gegarandeerd. Datbrengt mij bij de behandeling van de vragen. Ik begin bij hoofdstuk 1,algemeen.Ik begin met de vraag van mevrouw Mutluer die raakt aan de actualiteit.Zij vroeg hoe de Minister de afweging ziet die in de praktijk moet wordengemaakt bij het tonen van de beelden, zoals bij de kunstroof, en hoe deMinister de huidige procedure ziet in het licht van Boek 2. In het kader vandit debat ga ik niet verder in op de actuele situatie, maar ik zal u wel watvertellen over hoe dit proces verloopt en hoe zich dat verhoudt tot hetnieuwe Boek 2.Het is uiteraard aan het Openbaar Ministerie om in een concrete strafzaakte beslissen of een foto of de naam van een verdachte wordt gepubli-ceerd. Dat was in dit geval ook zo. Die afweging moet het OpenbaarMinisterie kunnen maken en dat doet het dan ook zonder enige politiekeinmenging. In het nieuwe wetboek moeten opsporingsbevoegdhedenworden opgenomen die een meer dan beperkte inbreuk opleveren op degrondrechten van de betrokkene. Onderzoekshandelingen die eenbeperkte inbreuk opleveren, kunnen worden toegepast op grond van dealgemene bevoegdheidsbepaling van artikel 2.1.9. Deze systematiek isovergenomen uit het huidige wetboek en is in overeenstemming met derechtspraak van de Hoge Raad en van het Europees Hof voor de Rechtenvan de Mens. In de rechtspraktijk wordt aangenomen dat de publicatieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5532 van een foto of de naam van een verdachte een beperkte inbreuk oplevertop de grondrechten van de betrokkene. Tegen die achtergrond is erdaarom geen aanleiding om de publicatie van een foto of de naam vaneen verdachte als een afzonderlijke bevoegdheid op te nemen in hetnieuwe wetboek. Ik wijs op de Aanwijzing opsporingsberichtgeving vanhet OM, waarin een afwegingskader voor de publicatie van persoonsge-gevens is opgenomen. Op basis daarvan zal door het Openbaar Ministeriein elk individueel geval een zorgvuldige afweging worden gemaakt.De voorzitter:Ik had nog niet gezegd dat we ook in deze ronde niet op voorhand hetaantal interrupties maximeren. Als we uit de tijd gaan lopen, dan ontkomik er niet aan, maar ik verzoek u allen wel om bij het stellen van uw vraagkort en bondig te zijn.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Volgens mij zegt de Aanwijzing opsporingsberichtgeving van het OM dathet herkenbaar in beeld brengen van verdachten alleen is toegestaan alsdat noodzakelijk is voor de opsporing en er geen minder ingrijpendemiddelen beschikbaar zijn. Een van de veelgehoorde kritieken van deafgelopen dagen was: waarom zou de rechter daar dan niet een besluitover moeten nemen? Dat staat nog even los van deze casus, hè, want iksnap ’m. Ik vraag het meer voor de toekomst. Ik hoop dat de Minister daarook even een antwoord op geeft.Minister Van Weel:Ik ga inderdaad niet in op het concrete geval, en dat maakt het zo moeilijkom u een eerlijk antwoord te geven. Want de vragen die u opwerpt, zijngebaseerd op dit concrete geval. Deze zaak zal zijn beloop kennen. Die zalook voor de rechter komen. En ongetwijfeld zal ook dit specifieke aspectdaarin worden gewogen, al dan niet met betrekking tot de vraag over destrafmaat voor de eventuele verdachten, als het zover komt. Ik vind hetdus moeilijk. Gelet op de rechtspraktijk zoals die er is en het feit dat heteen beperkte inbreuk is, zie ik geen noodzaak om dit naar een hoger dek,oftewel tot een normtoetsing door de rechter, te brengen. Daarom zettenwe de huidige manier van werken voort in het nieuwe Wetboek vanStrafvordering.De voorzitter:Heel kort nog, mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank. Het zit ’m met name in die glijdende schaal. Ik hoor het antwoordvan de Minister. Ik ga even nadenken over wat ik ermee doe.De voorzitter:De Minister kan vervolgen.Minister Van Weel:Overigens, de woorden «glijdende schaal» zouden niet de woorden zijndie ik daarbij hanteer. Ik denk dat het OM echt in elk geval een afwegingmaakt met betrekking tot het belang van de opsporing en dat dat ook indit geval is gebeurd. Dat zal ook te zijner tijd getoetst worden.Mevrouw Mutluer had ook een vraag over de verwerking van gegevens.Zij zei dat de wetgeving eigenlijk nauwelijks wordt aangepast, dat hetnieuwe Wetboek van Strafvordering pas in 2029 in werking treedt en dater dus tijd is om regels aan te passen. Zij vraagt hoe de Minister dit ziet.Bij gelegenheid van de eerste aanvullingswet – dus niet de vaststel-lingswet, maar de aanvullingswet – wordt de bepaling uit het huidigewetboek over de verdere verwerking van gegevens uit het huidigeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5533 Wetboek van Strafvordering alsnog overgenomen in het nieuwe Wetboekvan Strafvordering. Met het overnemen van die bepalingen is een begingemaakt met de normering van de strafrechtelijke gegevensverwerking.Sommige onderwerpen behoeven nog een nadere normering, en dandenk ik vooral aan de normering van het onderzoeken van zogenaamdebulkgegevens. Op dit terrein is de rechtspraak van het Hof van Justitie vande EU van belang. Vanmiddag kwam de uitspraak in de zaak Landeck aleen aantal malen ter sprake. Hij komt ook in mijn beantwoording opverschillende momenten terug. Die uitspraak is natuurlijk van grotebetekenis voor de rechtsontwikkeling, ook op dit terrein. Daarom wordt ditjaar een commissie ingesteld – u refereerde daar al aan – om te adviserenover een nadere regeling van de strafvorderlijke gegevensverwerking.Daarover hebben wij u per brief geïnformeerd.De nadere regeling wordt ter hand genomen buiten het bestek van hetnieuwe wetboek. De ketenpartners hebben verzocht om een beleidsluweperiode om zich te kunnen richten op de implementatie van het nieuwewetboek. Die ruimte wil ik de ketenorganisaties graag geven. Welkekosten er gepaard zullen gaan met de implementatie is erg afhankelijk vande aanbeveling die de commissie zal gaan doen. Die kan ik op dit momentnog niet voorzien. Zodra die wel bekend wordt, zal worden bezien hoe wede kosten gaan dekken. Uw Kamer zal daarover worden geïnformeerd.Er was een vraag over de interne toestemming van het College vanprocureurs-generaal op basis van het huidige artikel 140a. In welkegevallen moet dit nog worden voorgelegd aan de Minister? Ik moet daarmeteen bij erkennen dat het in de praktijk eigenlijk de Staatssecretaris is.Artikel 140a wordt in het nieuwe wetboek opgevolgd door artikel 2.1.6.Uiteindelijk volgt daarbij wel dezelfde systematiek en wordt het dus ookdoorgezet in het nieuwe geval. Dit artikel regelt het vereisen van deinstemming van het College van procureurs-generaal bij de inzet vanbepaalde, alleen ingrijpende opsporingsbevoegdheden waarbij deintegriteit van de opsporing ook aan de orde kan zijn. In het reglement vanorde van het College van procureurs-generaal is geregeld dat het collegede Minister op de hoogte houdt van beslissingen, zoals bedoeld in artikel140a van het Wetboek van Strafvordering. Dat vloeit weer voort uit deministeriële verantwoordelijkheid voor het Openbaar Ministerie. Hetcollege stelt de Minister op de hoogte van voornemens tot het doorlatenvan wapens en drugs en tot het inzetten van burgerinfiltranten. Bij decriminele burgerinfiltrant is toestemming van de Minister wel explicietvereist. Dat komt door de motie-Recourt uit 2014. Ik kan u het nummernog doen toekomen, maar daar vloeit dit uit voort.De heer Aardema vroeg wat er gebeurt als er geen consensus is over destukken wanneer ze overgaan van politie naar justitie. Wordt er eenbepaling ingevoerd dat dit wel of juist niet het geval is? De rol van dehulpofficier van justitie als kwaliteitsbewaker van processen-verbaal isongewijzigd overgenomen uit het huidige wetboek. In het hele proces isgeen aanleiding gebleken om dat te heroverwegen. De tussenkomst is eenkwaliteitswaarborg. Dat laat onverlet dat de politie natuurlijk welaanvullende kwaliteitsborging kan inrichten, ook op de inhoud. Denkbijvoorbeeld aan een extra toets door de leider van het onderzoek. Datopperde de heer Aardema zelf ook al.De heer Aardema vroeg ook naar de administratieve lasten van de politieen hoe die verminderd kunnen worden, bijvoorbeeld door mondelingbevelen te geven, tenzij het schriftelijk moet. Hoe verhoudt zich dat tot dehuidige praktijk? Waar zit de winst als dat achteraf allemaal alsnog moetworden vastgelegd? Het nieuwe Wetboek van Strafvordering maakt hetmogelijk dat in bepaalde gevallen een mondeling bevel kan wordengegeven. Dat bevel hoeft niet meer schriftelijk te worden vastgelegd, zoalsdat nu wel vereist is, maar er kan in een proces-verbaal simpel met eenmededeling naar worden verwezen. Dat heeft specifiek tot doel om deadministratieve lasten die gepaard gaan met bevoegdheden te verlagen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5534 Dat zal naar verwachting voornamelijk zo zijn voor het OpenbaarMinisterie. Voor de politie levert het waarschijnlijk weinig of geenadministratieve werklastenverlichting op. Er moet namelijk nu al achterafworden vastgelegd, in plaats van vooraf. De winst voor de praktijk zitvoornamelijk in de snelheid waarmee bevelen aangevraagd en gegevenkunnen worden.Dat brengt mij aan het einde van Boek 1, het algemene hoofdstuk. Ik gaover naar hoofdstuk 5. Daar verwacht ik iets meer discussie over. Dat gaatnamelijk over de vrijheidsbeneming. In dit hoofdstuk zitten ook een aantalamendementen. Ik wil beginnen met het appreciëren van de amende-menten. Ik zal zelf een korte appreciatie geven. Ik geef per amendementdaarna graag de regeringscommissaris het woord voor nadere juridischetoelichting daarvan.Het amendement op stuk nr. 12 over het beperken van de toepassing vande voorlopige hechtenis moet ik in deze vorm ontraden. Ik zal dattoelichten. Met dit amendement beoogt de heer Sneller de toepassing vanvoorlopige hechtenis terug te dringen en het gebruik van alternatievenvoor voorlopige hechtenis te stimuleren door te vereisen dat voorlopigehechtenis alleen kan worden bevolen indien geen minder ingrijpendealternatieven voorhanden zijn, het bevel strikt noodzakelijk is en rekeningis gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval. Dewijziging die nu is voorgesteld, is niet in lijn met de systematiek van devoorlopige hechtenis en is daarom niet uitvoerbaar. Ik snap wel de wensdat terughoudendheid wordt betracht bij de toepassing van voorlopigehechtenis en dat gebruik van alternatieven nog verder wordt gestimu-leerd. Daarom zou ik het amendement oordeel Kamer kunnen gevenindien het zo zou worden gewijzigd dat ermee volstaan wordt dat het totuitdrukking brengt dat voorlopige hechtenis alleen kan worden bevolenindien dit noodzakelijk is gelet op de gedragingen, feiten en omstandig-heden, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.Daarbij bied ik natuurlijk ook graag ambtelijke bijstand aan, zodat ervoorkan worden gezorgd dat die wijzigingen technisch helemaal kloppen. In dehuidige vorm kan ik het amendement geen oordeel Kamer geven, omdatde vooronderstelling achter de voorgestelde wijziging lijkt te zijn dat er inplaats van een bevel tot voorlopige hechtenis zou moeten wordengekozen voor een alternatief voor voorlopige hechtenis. De alternatievendie wij in Nederland kennen, die ook worden opgesomd in de toelichtingbij de amendementen, bestaan echt uit bijzondere voorwaarden die alleenkunnen worden opgelegd bij het schorsen van de voorlopige hechtenis.Dat is ook logisch, want het bevel «voorlopige hechtenis» vormt behalvevoor de vrijheidsbeneming ook de rechtvaardiging voor het opleggen vanbijzondere voorwaarden als alternatief voor de vrijheidsbeneming.Als u het mij toestaat, voorzitter, zou ik de regeringscommissaris graagverzoeken om een toelichting te geven.De heer Knigge:Ja, dank u wel. Ik zou met name graag iets willen uitleggen over de vraagwaarom wij eigenlijk geen alternatieven voor de voorlopige hechtenishebben in het Nederlands recht. Wij spreken altijd wel over alternatievenvoor de voorlopige hechtenis, maar de juridische constructie daarvan iswat wonderlijk. Dat leidt ook makkelijk tot misverstanden. Eigenlijkkennen wij, strikt juridisch gezien, geen alternatieven voor de voorlopigehechtenis, maar wel voor de tenuitvoerlegging van de voorlopigehechtenis. De juridische constructie is dat er eerst gekeken moet wordenof er een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven. Devervolgvraag is of, zo nodig onmiddellijk, de tenuitvoerlegging van dievoorlopige hechtenis moet worden geschorst onder bepaaldevoorwaarden. Dat is dus een kwestie van juridische vormgeving waarbij jevraagtekens kunt zetten, want het leidt gemakkelijk tot verwarring. Dat isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5535 heel begrijpelijk, want je denkt inderdaad dat het gaat om een alternatiefvoor de voorlopige hechtenis, maar juridisch gezien is dat niet het geval.Er is ook gevraagd of het niet anders kan, of we het niet op een anderemanier kunnen vormgeven. Er is ook op gewezen dat daar eerder in dithele wetgevingstraject voorstellen voor zijn ontwikkeld. Door hetministerie is namelijk een regeling voor de voorlopige vrijheidsbeperkingaan de ketenpartners voorgelegd, waarbij de voorlopige vrijheidsbe-perking dan bestond uit de voorwaarden die nu bij de schorsing van devoorlopige hechtenis kunnen worden opgelegd. Daarin was bepaald datde rechter eerst moest onderzoeken of het beoogde doel bereikt kanworden door middel van een bevel tot voorlopige vrijheidsbeperking enpas als dat niet mogelijk is, kun je voorlopige hechtenis opleggen.Dat voorstel stuitte op breed verzet bij de ketenpartners, zowel bij dezittende magistratuur als bij het Openbaar Ministerie en ook bij de NOvA.Dat zal u misschien verbazen, want je zou zeggen dat het juist bedoeld isom voorlopige hechtenis binnen de perken te houden. De NOvA wasechter bang dat het een aanzuigende werking zou hebben. Als je alsrechter namelijk eerst moet kijken of het misschien plezierig is om devrijheid van de verdachte te beperken, stap je makkelijk over devoorwaarden van de voorlopige hechtenis heen. Als een verdachtebijvoorbeeld eigenlijk geholpen zou moeten worden met reclasseringstoe-zicht of eigenlijk opgenomen zou moeten worden in een inrichting, leg jedan een bevel tot vrijheidsbeperking op, terwijl je nu eerst moet toetsenaan bepaalde voorwaarden: is er vluchtgevaar of serieus recidivegevaar?Nu moet je dat als rechter eerst beantwoorden voordat je aan dealternatieven toekomt. De angst van de NOvA was – terecht of niet – datde rechter die stap zou overslaan en direct zou zeggen: het is wenselijk datde vrijheid van deze verdachte wordt beperkt; laten we dat maar doen.Dus dat was de angst van de NOvA. Dat bij elkaar heeft geleid tot deconstatering dat er eigenlijk geen draagvlak voor is. Daarom is van dezevoorstellen afgestapt.We moeten het dus doen met een juridische vormgeving die misver-standen kan wekken en waarvan in ieder geval het Openbaar Ministerie ende zittende magistratuur hebben gezegd: het is eigenlijk alleen maar eenandere vormgeving; inhoudelijk verandert er niets. Waarom zou je dan dehele wet opschudden als toch de facto alles op hetzelfde neerkomt? Hetamendement in deze zin strookt gewoon niet met de juridische syste-matiek. Daar komt nog bij dat het een beetje overbodig is. In plaats vandat bevel tot voorlopige vrijheidsbeperking is in het voorliggendewetsvoorstel namelijk artikel 2.5.31 opgenomen, dat de rechter die devoorlopige hechtenis beveelt, opdraagt om bij het opleggen van devoorlopige hechtenis direct na te gaan of schorsing van de voorlopigehechtenis mogelijk is, hetzij direct, hetzij op termijn. De wet brengt derechter uitdrukkelijk onder de aandacht dat die niet zomaar een voorlopigehechtenis kan opleggen, maar direct moet nagaan of er alternatieven zijn.Dat ter verduidelijking.De voorzitter:Ik kijk even naar de Minister of dit het was met betrekking tot hetamendement op stuk nr. 12. Als dat zo is, kunnen er nu vragen gesteldworden aan de Minister.De heer Sneller (D66):Ik buig het hoofd meteen voor alle technische opmerkingen. Ik neemgraag de ambtelijke bijstand aan om dat om te vormen.Dan naar de inhoud. De Minister kiest zijn eigen woorden om te zeggenwat de strekking is van het amendement. Maar wat is nu zijn inhoudelijkeappreciatie van wat daar staat, in de zin van hoe ik het heb vormgegevenom dat ultimum-remediumkarakter te benadrukken? De regeringscommis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5536 saris zegt dat het een beetje overbodig is, maar ik begrijp van de Ministerdat het wel op zijn steun kan rekenen.Minister Van Weel:We zijn het helemaal niet oneens met de strekking van het amendement.Het gaat erom of het er op deze wijze in past. Dat is niet het geval. Ik benbereid dit aspect mee te geven voor de technische bijstand. Dank voor hetaanvaarden daarvan.De heer Koops (NSC):Een vraag naar aanleiding van de technische opmerkingen. Begrijp ik nougoed dat het amendement wel de appreciatie «oordeel Kamer» krijgt alshet erop gericht zou zijn dat de tenuitvoerlegging van de voorlopigehechtenis als ultimum remedium moet worden gezien en dat daar allealternatieven voor moeten worden nagegaan, in het verlengde van hetberaden over schorsing? Zie ik dat goed?Minister Van Weel:Ja. Dat was overigens niet de enige technische reden, maar dat is dehoofdmoot van het technische commentaar hierbij. De strekking daarvanis dus: ja. Maar ik wil ook niet het overige technische commentaartekortdoen. Er waren nog meer punten van overweging, maar daar komenwe in de technische bijstand wel uit.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Weel:Dat brengt mij bij het amendement op stuk nr. 13, ook van de heer Sneller,over de wettelijke verplichting om concreter te formuleren waaromvoorlopige hechtenis nodig is. Met dit amendement beoogt de heerSneller de toepassing van voorlopige hechtenis terug te dringen en demotivering van de voorlopige hechtenis te verbeteren door te vereisen dater bij een bevel tot voorlopige hechtenis in het bijzonder aandacht wordtgegeven aan de specifieke omstandigheden van de verdachte ofbeklaagde die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. In de huidige vormmoet ik dit amendement ontraden, omdat de voorgestelde wijziging quabewoordingen niet goed past in de regeling van voorlopige hechtenis. Hetis bijvoorbeeld niet duidelijk waarom er in het amendement wordtgesproken over een verdachte of een beklaagde, terwijl in het Wetboekvan Strafvordering het begrip «beklaagde» niet bestaat of niet voorkomt.Maar ik onderschrijf wel de gedachte achter het amendement, namelijkdat de motivering van de voorlopige hechtenis beter op de specifiekeverdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zou moeten wordentoegesneden. Ook de heer Koops en de heer Ellian vroegen hier aandachtvoor. Ik zou het amendement dan ook oordeel Kamer kunnen geven als ernog eens goed technisch kan worden gekeken naar het amendement enhet voorgestelde een andere plek zou kunnen worden gegeven. Daarbijbied ik ook weer graag de ambtelijke bijstand van mijn ministerie aan.Dan het amendement op stuk nr. 14...De heer Sneller (D66):Een andere plek? Is dat de ophanging? Is dat uitsluitend wetstechnisch, ofheeft dat materiële consequenties?De voorzitter:De regeringscommissaris.De heer Knigge:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5537 Nee, dit is uitsluitend wetstechnisch. Het is de vraag of je het niet kaninvlechten in het eerste lid van hetzelfde artikel, zeg ik even uit mijn hoofd.Maar de strekking blijft daardoor volledig overeind.De voorzitter:Wordt vervolgd, want ik zie de heer Sneller daarop reageren. De Ministergaat verder.Minister Van Weel:Het amendement op stuk nr. 14, wederom van de heer Sneller, over deinspanningsverplichting van de officier van justitie voor het overwegenvan de alternatieven voor inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis.Hij refereerde daar al kort aan in zijn eerste termijn, ook na interrupties. Ikzal dat verwerken in mijn appreciatie. Met dit amendement beoogt deheer Sneller de toepassing van inverzekeringstelling en voorlopigehechtenis terug te dringen door te vereisen dat de officier van justitiealternatieven overweegt alvorens hij inverzekeringstelling beveelt dan welvoorlopige hechtenis vordert. Omdat ik de gedachte achter hetamendement deels ondersteun, namelijk voor zover het amendement deofficier van justitie wil aansporen om mee te denken over alternatievenvoor voorlopige hechtenis, zou ik het oordeel Kamer kunnen geven indienhet op twee onderdelen zou worden aangepast. Eén. De heer Snellerrefereerde er zelf al aan in de eerste termijn. De inverzekeringstelling zoueruit moeten worden gehaald. Twee. Met betrekking tot de voorlopigehechtenis zou het amendement de eis moeten introduceren dat de officiervan justitie bij het vorderen van voorlopige hechtenis zo mogelijk directna de schorsing daarvan vordert met een advies aan de rechter voormogelijk bijzondere voorwaarden. Ik zal dat kort toelichten.Een alternatief voor de inverzekeringstelling is moeilijk denkbaar nu deinverzekeringstelling alleen kan worden bevolen indien die in het belangvan het onderzoek is. Je zou kunnen zeggen dat de inverzekeringstellingwel of niet noodzakelijk is. Er zijn daarvoor geen alternatieven. Daarom isdat onderdeel van het amendement voor ons problematisch.Met de tweede wijziging in het amendement wil de heer Sneller de officiervan justitie ertoe aanzetten om voorafgaand aan het vorderen van devoorlopige hechtenis na te denken over alternatieven daarvoor. Het gaatbij die alternatieven, neem ik aan, om maatregelen die in de nu voorge-stelde regeling als bijzondere voorwaarden na de schorsing van devoorlopige hechtenis kunnen worden opgelegd. Voor die schorsing geldtdat daarvoor eerst steeds een bevel van voorlopige hechtenis moetworden gegeven. Daarom zal de officier van justitie, ondanks de aanwe-zigheid van een alternatief voor de voorlopige hechtenis, toch eerst devoorlopige hechtenis en dan de schorsing daarvan moeten vorderen. Datwerd al kort toegelicht door de regeringscommissaris. Dat is logisch, wanthet bevel tot voorlopige hechtenis vormt behalve voor de vrijheidsbe-neming ook de rechtvaardiging voor het opleggen van bijzonderevoorwaarden als alternatief voor de vrijheidsbeneming. Het is immers zodat ook voor deze alternatieven, die net als vrijheidsbeneming stevigkunnen ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van de verdachte – denkaan een enkelband of een locatieverbod – steeds een stevige verdenkingvereist is. Het amendement gaat dus op het punt van de voorlopigehechtenis uit van de ook door mij gedeelde gedachte dat goed moetworden nagedacht over alternatieven voor de vrijheidsbeneming, maardie alternatieven moeten bij het bevel tot voorlopige hechtenis wordenbetrokken, omdat dat bevel de titel is voor diezelfde maatregelen. Als deheer Sneller bereid is om zijn amendement op deze onderdelen aan tepassen, zou ik het ook oordeel Kamer kunnen geven. Ik denk dat detoelichting van de regeringscommissaris op het amendement op stuk nr.12 ook de inhoud hiervan dekt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5538 Dan hebben we nog het amendement op stuk nr. 30 van de heer Sneller,over de verduidelijking van de gronden voor voorlopige hechtenis. Met ditamendement beoogt de heer Sneller onder meer de gronden voorvoorlopige hechtenis te verduidelijken. Daarom voegt hij onder andereeen overkoepelende eis toe, te weten «een direct gevaar dat van deverdachte uitgaat», en wijzigt hij de recidivegrond. Ook stelt de heerSneller voor om het criterium «ernstige bezwaren tegen de verdachte» tevervangen door het criterium dat aannemelijk is «dat de verdachte zichschuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit». Dit amendement ontraadik, omdat het in de voorgestelde bewoordingen geen verduidelijking in degronden brengt. De recidivegrond wordt door de wijziging verruimd,waardoor voorlopige hechtenis juist in meer gevallen zou kunnen wordentoegepast. Het criterium dat het aannemelijk is dat de verdachte zichschuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit staat weer op gespannenvoet met de onschuldpresumptie. Ik ben niet tegen een verduidelijkingvan de bestaande gronden voor voorlopige hechtenis. Als u bereid bentom het amendement te beperken tot alleen een verduidelijking van degronden – ik zeg daarvoor graag ambtelijke bijstand toe – dan zou ik mijnappreciatie van dit amendement kunnen heroverwegen.Ik kijk even naar de regeringscommissaris. Wil hij ook op dit punt nog watzeggen?De heer Knigge:Ja, ik denk dat ik hier nog wel enige technische toelichting op kan geven.Inderdaad kan het idee om de tekst te verduidelijken worden toegejuicht.Laat ik ermee beginnen dat bepaalde punten in het voorstel duidelijkpositief kunnen worden genoemd, met name als het gaat om onderdeel cvan het eerste lid. Dat gaat om de grond die nu nog «de geschokterechtsorde» heet, bij feiten waarop twaalf jaar gevangenisstraf of meer isgesteld. Er is inmiddels jurisprudentie van het Europese Hof waaruit blijktdat het bij die geschokte rechtsorde moet gaan om acuut gevaar voor eenschending van de openbare orde. Dat brengt uw amendement heelduidelijk tot uitdrukking. In dat opzicht is het duidelijk een verbetering.Onderdeel b gaat over de onderzoeksgrond. Dat is nu een wat wonderlijkeformulering, wamt het zegt vooral wat het niet is, namelijk dat het niet hetondervragen van de verdachte mag zijn. Dat mag geen reden meer zijnom de vrijheidsbeneming te verlengen. Wat het wel is, staat er eigenlijkniet. U zegt in uw amendement dat de onderzoeksgrond alleen aanwezigis als het gevaar dreigt dat de verdachte, als hij in vrijheid wordt gesteld,het onderzoek frustreert, bijvoorbeeld door getuigen onder druk te zettenof anderszins te gaan bewerken. Op zichzelf is dat een verheldering, denkik, van de bestaande wettekst. Ik moet daar wel de kanttekening bij makendat het ook enige beperking inhoudt, in ieder geval als je afgaat op detekst van de huidige wet, want daar wordt alle onderzoek onder geschaarddat niet het verhoren van de verdachte is. Daarbij zou je kunnen denkenaan de noodzaak om nog een line-up te organiseren, dus een soortOsloconfrontatie tussen een aantal verdachten en andere personenwaarbij de getuige wordt gevraagd om de verdachte eruit te kiezen. Datzou nu in ieder geval, afgaande op de tekst van de wet, een grond zijn omvoorlopige hechtenis te verlenen. Je kunt je wel afvragen, als je het hebtover de proportionaliteit van een en ander – maar dat is iets waarnaar wemisschien nog nader moeten kijken – of je niet moet zeggen dat de politiedat toch maar in een eerder stadium moet kunnen organiseren. Dat zou ikme kunnen voorstellen. Maar ik wijs er gewoon op dat dit wel eenbeperking is ten opzichte van de huidige wettekst.Dat waren positieve punten, maar er zijn ook negatieve punten. Hetgrootste minpunt is, zoals de Minister al even noemde, de onschuldpre-sumptie. U heeft daar zelf een beroep op gedaan, nota bene nog met eencitaat van Minister Modderman van bijna twee eeuwen eerder, vananderhalve eeuw geleden. Het gaat erom dat u het begrip «ernstigeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5539 bezwaren» wilt vervangen door dat sprake moet zijn van feiten enomstandigheden die het aannemelijk maken dat de verdachte zichschuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit. Van de rechter wordt dus albij het opleggen van de voorlopige hechtenis gevraagd te oordelen dathet aannemelijk is dat de verdachte schuldig is. Nou, dat gaat veel te ver,zeker als je kijkt naar de jurisprudentie van het Europese Hof. Ik noem dezaak Böhmer tegen Duitsland, een arrest van het Hof uit 2002, waarin hetEuropese Hof heel uitdrukkelijk stelde dat de choice of words, dewoordkeuze, uitermate belangrijk is. Ieder rechterlijk oordeel waarinsprake is van «some reasoning, suggesting that a court regards theaccused as guilty», zegt het Europese Hof, levert een schending van artikel6 EVRM en de daarin neerlegde onschuldpresumptie op. Als de rechterzou zeggen dat aannemelijk is dat de verdachte schuldig is, dan is daarinderdaad some reasoning dat sterk suggereert dat de rechter van oordeelis dat de verdachte het feit heeft begaan. Dus ik denk dat dat echt niet zoumoeten.Die onschuldpresumptie komt nog op een tweede punt in het gedrang,namelijk door het voorstel om de beide recidivegronden, d en e, samen tevoegen en het woordje «opnieuw» in te voegen: «dat er een sterkeaanwijzing is dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan». Datsuggereert dat de rechter vindt dat de verdachte het strafbare feitwaarvoor de voorlopige hechtenis wordt bevolen al heeft begaan. Hetwoordje «opnieuw» staat er niet voor niets in. Wij noemen in de wandel-gangen deze gronden wel de recidivegronden, maar omdat wij op onzewoorden moeten letten, zegt de wet dat niet en mag de rechter dat ookniet zeggen. Het gaat niet om recidive, maar het gaat er gewoon om datje, als deze verdenking er is, voorlopige hechtenis mag bevelen als hetgevaar bestaat dat de verdachte een strafbaar feit zal begaan. Dat is daneen strafbaar feit dat in het huidige wetboek en ook in het voorgesteldewetsvoorstel beperkt is tot bepaalde strafbare feiten. De hoofdregel is: hetmoet gaan om strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van zes jaar ofmeer is gesteld. Dan is er nog een tweede grond. Die betreft wat lichterestrafbare feiten. Onder andere winkeldiefstallen vallen daaronder. Daarbijis gedacht aan veelplegers, die wel onvriendelijk draaideurcriminelenworden genoemd. Het is een grote ergernis van winkelbedrijven dat eenverdachte die wegens winkeldiefstal aan de politie is overgedragen, drieuur later weer in de winkel verschijnt. Dus toen heeft men gezegd: als hetom dat type verdachten gaat, moeten we toch ook als justitie laten ziendat we er werkelijk wat aan doen.De heer Sneller laat alle beperkingen vallen. U zegt: het enige wat nodigis, is dat een misdrijf is begaan, of in ieder geval dat er de vrees voorbestaat dat de verdachte zo’n misdrijf zal begaan, zonder dat dat eengekwalificeerd misdrijf hoeft te zijn. Dat lijkt in ieder geval op het eerstegezicht een enorme verruiming te zijn van de gronden waarop voorlopigehechtenis bevolen kan worden. Ik denk niet dat dat uw bedoeling is. Ik beneen beetje aan het hineininterpretieren, maar ik vermoed dat u datverbindt met de aanvullende eis die u in de aanhef van het artikel wilopnemen, namelijk dat er van de verdachte een direct gevaar moetuitgaan. U zegt eigenlijk: die recidivegrond moet beperkt worden totgevallen waarin er een direct gevaar voor recidive is. Maar ja, dat roeptwel allerlei vragen op. Wat is dan een direct gevaar? Is dat er alleen maarals gevreesd moet worden dat de verdachte, zodra die op de stoep vanhet politiebureau staat, opnieuw een strafbaar feit zal begaan? Is het nogdirect als je moet vrezen dat hij binnen een week zijn vrouw opnieuw zalmishandelen? Wat bedoelt u met «een direct gevaar voor recidive»? Datroept de nodige vragen op die verduidelijking behoeven. De vraag is ookof daar de oplossing in gezocht kan worden en of het een duidelijke grensoplevert van wat nog wel als recidive kan worden aangenomen en watniet. Ik gebruik het woord «recidive»: in deze zaal mag ik het zeggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5540 Tot slot dan die aanvullende eis die u vooropstelt. Die roept ook in andereopzichten vragen op, want hoe verhoudt dat zich bijvoorbeeld tot hetvluchtgevaar als grond voor het opleggen van voorlopige hechtenis? Hetlijkt alsof u twee cumulatieve voorwaarden stelt: er moet direct gevaarvan de verdachte uitgaan en er moet vluchtgevaar zijn. Dat zou betekenendat, als er groot vluchtgevaar is en de verdachte linea recta naar Dubaivertrekt, ik noem maar een plaats, er helemaal geen gevaar meer is voorrecidive. Dan zou er geen gevaar meer van hem uitgaan, want hij isimmers ver buiten Nederland verdwenen. De idee is dus juist dat je hetvluchtgevaar niet moet koppelen aan de gevaarlijkheid van de verdachtein andere opzichten. Dus ook in dat opzicht denk ik dat het amendementbijstelling behoeft. Maar nogmaals, de idee om het helderder te formu-leren kan onderschreven worden.De voorzitter:Heeft de Minister een aanvulling, of is er nu al behoefte aan een inter-ruptie? Ja? De heer Sneller.De heer Sneller (D66):Dat laatst kan ik niet helemaal volgen, maar de andere koekjes van eigendeeg zijn goed aangekomen en goed uitgeserveerd ook. Nog even over derecidivegrond. Ik snap de bezwaren tegen deze formulering. Tegelijkertijdhoor ik de regeringscommissaris in bredere zin ook zeggen «dat zou ookduidelijker kunnen worden geformuleerd». Ziet de regeringscommissariszelf aanleiding om te denken dat een andere formulering voor dierecidivegrond passender zou zijn, tegen de achtergrond van de ontwikke-lingen? Of zegt hij: mijn advies zou uiteindelijk toch zijn om het zo te laten,en als het te politiek is, dan moeten jullie het zeggen?De heer Knigge:Ik denk zelf dat het verstandiger is om wel vast te houden aan categorieënstrafbare feiten. Dat zijn harde grenzen waar iedere rechter aan vastzit,waar die niet omheen kan. Een begrip als «direct gevaar voor recidive»geeft juist zo veel speelruimte, dat ik vrees dat de toepassing vanvoorlopige hechtenis daardoor alleen maar zou worden verruimd. Ik ziezelf niet... Wat u aandraagt is natuurlijk wel een aspect dat een rechtermoet meewegen. Als er vrees is dat de verdachte pas over drie jaar nogeens de fout ingaat, kan dat geen reden zijn om hem op dit moment tehechten. Het gaat natuurlijk om voorafgaand aan de zitting; in ieder gevaldan moet de vrees bestaan dat die opnieuw – ik zeg hetzelfde woord ookzelf – de fout in zou gaan. Daar moet het in ieder geval toe beperktworden. Ik denk dat bij de ernst van het gevaar inderdaad ook de termijnwaarop overwogen moet worden. Maar het punt is natuurlijk: zolang derechter geen vonnis heeft gewezen waarin die passende maatregelenheeft kunnen nemen – in de vorm van voorwaarden bij een voorwaarde-lijke veroordeling bijvoorbeeld of een maatregel op grond van artikel 38vWetboek van Strafrecht, zeg ik uit mijn hoofd, waarbij ook veiligheids-maatregelen kunnen worden bevolen – zal je in die tussentijd in veelgevallen toch wat moeten. Hoe je dat in een harde wettelijke formuleringvertaalt... Ik denk dat je hierin toch moet vertrouwen op het oordeel vande rechter, waarbij die ook de proportionaliteit van het bevel voorlopigehechtenis meeweegt, als algemeen uitgangspunt. Ik denk dat je niet veelverder komt in harde wettelijke voorwaarden.De voorzitter:Een interruptie nog van de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Een vraag aan de Minister. Het gaat uiteraard niet om mijn amende-menten, maar ik volg het nauwgezet en luister met gespitste oren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5541 Begrijpt de Minister mijn aarzeling bij het volledig verbouwen – want daarkomen die amendementen eerlijk gezegd wel op neer, vind ik – van devoorlopigehechtenisregeling? Kan hij daar inkomen dat er enige aarzelingis?Minister Van Weel:Ja, voorzitter, dat kan ik. Ik wil heel graag ambtelijke bijstand verlenen omdaar waar we kunnen verduidelijken, dat ook te doen. Ik denk dat deregeling daar ook bij gebaat is. Maar inderdaad, ik zie geen noodzaak vooreen volledige verbouwing van het construct. Verder heb ik heelnauwkeurig per onderwerp aangegeven, denk ik, waar ik mogelijkhedenzie en waar ik ze niet zie.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Weel:Met die kleine kanttekeningen... De heer Sneller vroeg ook nog of erflankerende maatregelen nodig zijn voor het terugdringen van detoepassing van voorlopige hechtenis. De toepassing vindt plaats naafweging van de rechter in elk individueel geval. Maar dat neemtnatuurlijk niet weg dat het in voorlopige hechtenis zetten van eenverdachte een zwaar dwangmiddel is. Ik deel dan ook de mening vandiverse Kamerleden die hierover spraken dat daar terughoudend meemoet worden omgegaan. Het mag alleen worden bevolen indien aanstrenge vereisten is voldaan.In het nieuwe wetboek worden zo de bestaande, streng geformuleerdemotiveringsvoorschriften voor toepassing gehandhaafd. Nieuw is dat derechter de wettelijke opdracht krijgt om bij alle verdachten ten aanzien vanwie de rechter voorlopige hechtenis beveelt, na te gaan of schorsingonmiddellijk of op termijn mogelijk is. Ook dat zal de rechter ertoeaanzetten om de beslissing om een verdachte in voorlopige hechtenis tezetten of te houden, beter te overwegen. De rechtspraak en het OM zullenhet beoordelen van alternatieven voor voorlopige hechtenis stimulerendoor ervoor te zorgen dat officieren van justitie en rechters op de hoogtezijn van de praktische mogelijkheden die relevant zijn voor de schorsings-voorwaarden. Dat is ook nu al onderdeel van de beleidsregels van hetOM. Met enige regelmaat wordt als voorwaarde voor schorsing van devoorlopige hechtenis elektronisch toezicht opgelegd. In die zin kanworden gezegd dat elektronisch toezicht inderdaad zinvol en wenselijk kanzijn. Maar de rechter en de officier van justitie zullen in elke individuelestrafzaak moeten afwegen of een enkelband of een andere schorsings-voorwaarde in die situatie passend is.Alle professionals die met het nieuwe wetboek zullen moeten gaanwerken, zullen voor de inwerkingtreding een opleiding volgen waarin hetnieuwe strafprocesrecht wordt onderwezen. Uiteraard zullen de nieuweregels omtrent voorlopige hechtenis voor de desbetreffende functiona-rissen onderdeel van deze opleiding zijn.Mevrouw Mutluer vroeg of we nog meer kunnen doen. Er is al jaren kritiekop Nederland vanwege de toepassing van voorlopige hechtenis. Zij vroegnaar de rol van de reclassering en naar de pilot. Ik vind het in algemenezin niet gewenst om vast te leggen dat in alle zaken reclasseringsadviesmoet worden gegeven, maar dat was ook niet de strekking van watmevrouw Mutluer zei. Het blijft een individuele afweging per zaak of eendergelijk advies meerwaarde heeft, gelet op de omstandigheden van hetgeval en de persoon van de verdachte. Je kunt niet op wettelijk niveaubepalen of zo’n advies zinvol is of niet, dat zal een functionaris echt in hetindividuele geval moeten doen. Maar er is inderdaad een pilot gestart omde advisering door de reclassering te intensiveren. De reclassering brengtdan in meer gevallen ten behoeve van de voorgeleiding aan de rechter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5542 commissaris advies uit over de vraag of de verdachte in vrijheid kanworden gesteld in afwachting van de inhoudelijke behandeling van dezaak, en zo ja, onder welke voorwaarden. Hierbij wordt onderzocht bijwelke doelgroepen het uitbrengen van advies van meerwaarde kan zijn. Uzult in de evaluatie van de pilot dus terugzien of daar lessen uit te lerenzijn, meer algemene handvatten voor de toepassing van dit middel.Dat brengt mij bij ... Nog niet?De voorzitter:Nee, want eerst komt er een interruptie van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Goed om te horen. In theorie hoef ik een pilot niet af te wachten om tebedenken dat dit van nut kan zijn. Daarom geloof ik in het stimuleren vandit soort acties, dus dat die reclasseringsrapportage er komt. Ik ben hetmet de Minister eens dat je het per geval zult moeten bekijken, maar hetmag meer dan nu. Dat is één. Mijn vraag daaromtrent is wanneer we deuitkomsten kunnen verwachten en of die te zijner tijd ook tot eenwetsaanpassing kunnen leiden.Minister Van Weel:Op het eerste punt kom ik in tweede termijn terug; ik heb de informatiewanneer de pilot is voltooid en u de evaluatie krijgt niet paraat. Wat hettweede punt betreft: dat denk ik niet. Zoals ik al zei, denk ik niet dat eenwettelijke verankering uiteindelijk nodig zal zijn; het zal toch maatwerkblijven. Ik wil niet vooruitlopen op de vorm waarin je die pilot dan vertaalt,in een handreiking of een richtlijn of anderszins, maar ik denk niet dat eenaanpassing van het wetboek hiervoor noodzakelijk is.Dat brengt mij bij het amendement op stuk nr. 35 van mevrouw Helder: dewijziging van twee bepalingen over de aanhouding van de verdachte.Dank aan mevrouw Helder voor haar amendement, dat betrekking heeftop de procedure die volgt nadat een verdachte is aangehouden. Ik steundit amendement en laat het oordeel erover dan ook aan de Kamer.Het amendement bevat twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft devoorgeleidingsplicht. Deze plicht houdt in dat een verdachte die isaangehouden, moet worden overgebracht naar het politiebureau om daarvoor een hulpofficier te worden geleid. De voorgeleiding kan in onzegedigitaliseerde maatschappij ook plaatsvinden per videoconferentie; datligt natuurlijk ten grondslag aan het amendement. Het is daardoor nietlanger vereist dat de aangehouden verdachte wordt overgebracht naar hetpolitiebureau. Het overbrengvereiste kan dus worden geschrapt. Ditbespaart naar verwachting de hulpofficier van justitie tijd en is daarmeeeen belangrijke taakverlichting voor de politie. Dat is absoluut winst indeze tijden van krapte.Het tweede onderdeel van het amendement betreft de burgeraanhouding.Een verdachte die door een burger op heterdaad wordt aangehouden,moet aan een opsporingsambtenaar worden overgedragen. Dieopsporingsambtenaar is vervolgens altijd verplicht om de verdachte voorte geleiden. Het amendement regelt voor de burgeraanhouding eenuitzondering op de voorgeleidingsplicht. Dat gebeurt in het geval dat deopsporingsambtenaar aan wie de aangehouden verdachte wordtovergedragen, afziet van de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid totopsporing. De voorgeleidingsplicht betreft een waarborg tegen wille-keurige vrijheidsbeneming door de opsporingsambtenaar. Bij devoorgeleiding worden de rechtmatigheid en de opportuniteit van deaanhouding beoordeeld.In dit verband bestaat er een belangrijk verschil tussen de aanhouding opheterdaad door de opsporingsambtenaar en die door de burger. Bijaanhouding door een burger gaat het initiatief namelijk niet uit van deopsporingsambtenaar. De kans op willekeurige vrijheidsbeneming doorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5543 de opsporingsambtenaar is daarmee gering. Indien het opportuniteitsbe-ginsel vervolgens meebrengt dat de strafrechtelijke vervolging voor hetdesbetreffende strafbare feit niet-opportuun moet worden geacht, kanzonder bezwaar worden afgeweken van de voorgeleidingsplicht en kan deverdachte dus direct in vrijheid worden gesteld. Anders zou de proce-durele waarborg namelijk tegen de verdachte werken; dan wordt die invrijheid gesteld, maar zou die om louter procedurele redenen alsnogworden voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Ik ben dus metmevrouw Helder van oordeel dat er in dit specifieke geval, als burgeraan-houding en strafrechtelijke vervolging niet-opportuun zijn, een uitzon-dering op de voorgeleidingsplicht kan worden gemaakt. Dit onderdeelleidt naar verwachting tot een belangrijke taakverlichting voor de politie.Ook dat is, uiteraard, winst.Zoals mevrouw Helder al opmerkte, moet de beperkte capaciteit van depolitie niet worden ingezet voor de opsporing van bagateldelicten, maarwel voor de opsporing van delicten waarbij het algemene belang noopttot strafrechtelijke vervolging.De voorzitter:Dan ga ik zelf een inhoudelijke vraag stellen over het eerste onderdeel.Voortaan is er dus verhoor via videoconferentie mogelijk, en is het nietmeer nodig om een verdachte over te brengen naar een plaats voorverhoor. Betekent dat nog iets voor de rechtsbescherming van deverdachte? Dat vraag ik, indachtig het interruptiedebat dat de heer Koopsmet mevrouw Helder had.De heer Knigge:Dat is inderdaad een interessante gedachtewisseling geweest aan deandere kant van deze tafel. Er moeten natuurlijk twee onderdelen van hetamendement goed uit elkaar worden gehouden. Het eerste onderdeel isde vraag of de voorgeleiding ook via videoconferentie kan geschieden. Deheer Koops vroeg of dit betekent dat die ook bij de Albert Heijn kanplaatsvinden. Dat denk ik niet; er moeten natuurlijk wel voorzieningen zijnom een videoconferentie te houden. Ik dacht dat de gedachte vanmevrouw Helder vooral was dat de verdachte dan wel naar een politie-bureau wordt gebracht, maar dat dat geen politiebureau hoeft te zijn waarop dat moment een hulpofficier van justitie aanwezig is. Die kan duselders zijn, maar op het politiebureau zijn wel de voorzieningen die eenvideoconferentie mogelijk maken. Op die manier kunnen de lasten verlichtworden. Dat was de gedachte.Het andere voorstel gaat om afwikkeling van de zaak bij de supermarkt.Daar vindt dus juist geen voorgeleiding plaats. Daar speelt het elementvan de videoconferentie dan ook niet. Het is dan wel de vraag hoe dat zitals er op zo’n moment toch iets van een verhoor plaatsvindt. Dat lijktnamelijk in heel veel gevallen bijna onvermijdelijk. U noemde al dat ertoch wel vragen worden gesteld over de betrokkenheid van de verdachtebij het strafbare feit dat hij volgens de supermarkteigenaar begaan zouhebben. Dat is een verhoor. Daarvan zegt de Hoge Raad: zo gauw datvragen zijn die betrekking hebben op dat vermoedelijk begane strafbarefeit, moet je de verdachte de cautie geven. Dat zou dus zeker moetengebeuren. Ik denk niet dat je moet zeggen dat de verdachte dan ook rechtheeft op rechtsbijstand, op consultatiebijstand. We kennen ook hetverhoor op straat van verdachten die niet zijn aangehouden; daar is ookniet voorzien in consultatiebijstand. Bovendien is het een beetje eentheoretische vraag. Het gaat immers om gevallen waarin de opsporings-ambtenaar afziet van verdere actie. De vraag of je de eventueel afgelegdeverklaringen zonder rechtsbijstand als bewijs kunt gebruiken, speelt duseigenlijk niet. Tenminste, die speelt in de meeste gevallen niet, omdat dezaak immers wordt geseponeerd. In theorie is het denkbaar dat de officiervan justitie erop terugkomt, bijvoorbeeld omdat er beklag wordt gedaanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5544 over het niet vervolgen van het strafbare feit. Dan staat de vraag opscherp of je die verklaring als bewijs mag gebruiken. Dat zou je heel goedmoeten onderzoeken. Als de cautie niet gegeven is, dan mag hetvanzelfsprekend niet. Maar wat als er geen consultatiebijstand is geweest?Dat is een vraag voor de jurisprudentie. Aangezien de verdachte in deverleiding kan worden gebracht om meer te zeggen dan wanneer hijanders zou hebben gedaan omdat daarmee een sepot kan wordenverdiend, zou de jurisprudentie wellicht de gevolgtrekking kunnenhanteren dat je die verklaring überhaupt niet als bewijs mag gebruiken.Maar goed, ik beantwoord nu vragen die eigenlijk door mevrouw Helderworden gecreëerd. Dit is in ieder geval hoe ik het me kan voorstellen alshet gaat om de rechtsbescherming.De voorzitter:Dank u wel. De Minister kan zijn betoog hervatten.Minister Van Weel:Ik ga over naar hoofdstuk 6. Dat gaat over de bevoegdheden metbetrekking tot het lichaam. Mevrouw Mutluer vroeg hoe de behoefte aanflexibiliteit in het nieuwe wetboek zich verhoudt tot het legaliteitsbeginsel.Ze refereerde daarbij specifiek aan een promotieonderzoek over hetgebruik van commerciële genealogische databanken door de opsporing.Het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel, zoals verwoord in artikel 1.1.1 vanhet nieuwe wetboek, houdt in dat de grondslag voor de uitoefening vanbevoegdheden in de wet moet worden neergelegd. De wet moet ook dehoofdelementen van die bevoegdheden bepalen. Denk daarbij aan dereikwijdte en de toepassingscriteria voor die bevoegdheden. De wettelijkeregeling voor de bevoegdheden in het opsporingsonderzoek is in hetnieuwe wetboek zo veel mogelijk techniekonafhankelijk geformuleerd. Zois de methode waarmee een deskundige DNA-onderzoek moet uitvoerenbijvoorbeeld niet wettelijk vastgelegd.De mogelijkheid om bevoegdheden techniekonafhankelijk vorm te gevenis echter niet onbegrensd. Het is denkbaar dat er in de toekomst nieuweonderzoeksmethoden worden ontwikkeld die een veel ingrijpenderinbreuk op de persoonlijke levenssfeer van burgers tot gevolg hebben dande in het nieuwe wetboek voorziene onderzoeken. Dat kan zich in hetbijzonder voordoen als het onderzochte lichaamsmateriaal en deonderzoeksresultaten in een nieuw te vormen databank wordenopgeslagen en door raadpleging daarvan ook voor andere strafrechtelijkeonderzoeken kunnen worden gebruikt. Voor die onderzoeken zal dan inhet wetboek in een meer precieze wettelijke regeling moeten wordenvoorzien. Iets vergelijkbaars is gebeurd voor ingrijpend en stelselmatigonderzoek van smartphones. Dat onderzoek werd aanvankelijk verricht opgrond van de bepalingen voor het leggen van beslag op voorwerpen,maar dat wordt nu in het wetboek van een specifieke wettelijke grondslagvoorzien, in artikel 2.7.38.In het onderzoek waaraan mevrouw Mutluer in dit kader refereert, zet deheer Taner Kuru van de Universiteit Tilburg vraagtekens bij de deugde-lijkheid van de juridische grondslag voor de opsporing omDNA-verwantschapsonderzoek uit te voeren met behulp vanDNA-profielen van niet-verdachte mensen die in commerciële genealo-gische databanken zijn opgeslagen. Hij pleit voor een duidelijke engeschikte juridische basis voor het gebruik van genetische genealogie. Deregeling voor DNA-onderzoek in het huidige en nieuwe wetboek houdt opdit moment geen rekening met het gebruik van commerciële genealo-gische databanken voor het verrichten van DNA-verwantschapsonderzoekten behoeve van de opsporing.Niettemin is het OM, zoals eerder aan uw Kamer kenbaar is gemaakt, vanoordeel dat het gebruik van genealogische databanken voor de opsporingwél juridisch toelaatbaar is. Er mag worden aangenomen dat de rechter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5545 commissaris dat standpunt steunt, gezien het feit dat de rechter-commissaris in het kader van een pilot in twee ernstige zaken, waarinsprake is van een verdenking van moord of doodslag, een machtigingheeft verleend voor het gebruik van die databanken. Daarvoor verwijs iknaar de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 december 2023. Afhan-kelijk van de uitkomsten van die pilot is het voornemen om advies vandeskundigen in te winnen, zoals deskundigen uit de rechtspraktijk endeskundigen op het gebied van ethiek en privacy, over de proportionaliteitvan de inzet van commerciële genealogische databanken voor deopsporing. Het is mijn bedoeling in dat verband om ook de deugdelijkheidvan de juridische grondslag nog eens tegen het licht te houden. Deuitkomsten van het onderzoek van de heer Kuru, waaraan mevrouwMutluer refereerde, zullen we daarbij betrekken.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank in ieder geval dat deze zorgen serieus worden genomen. Volgensmij kennen we zat mensen die hun DNA hebben afgestaan om te checkenvan wie ze afstammen. Het moet niet zo zijn dat die commerciëleDNA-banken voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor zezijn bedoeld. Ik hoor de Minister aangeven dat hij ernaar gaat kijken en dejuridische grondslag gaat checken. Ik vraag me het volgende af. Ik neemaan dat dat op korte termijn onze kant opkomt. Ik ben sowieso benieuwdhoe we daarbij betrokken worden en ik ga ervanuit dat het voor 2029geregeld is, maar ik wil daar wel wat toezeggingen op.Minister Van Weel:Ook bij deze pilot heb ik de data even niet paraat, dus ik kom in tweedetermijn terug op de vraag wanneer u dat kunt verwachten. Overigens kanik mevrouw Mutluer vanuit een vorige hoedanigheid zeggen dat dit soortcommerciële databanken soms ook betekenen dat u uw DNA-gegevensaan een andere statelijke actor hebt overgedragen. Dat valt buiten de ordevan dit debat, maar ik zou iedereen dus toch via deze route willenoproepen om ook bij commerciële partijen terughoudend te zijn met hetdelen van DNA, hoe leuk het ook kan zijn om te zien waar je vandaankomt.Mevrouw Helder (BBB):Ik heb eigenlijk niet zozeer een vraag. Voor de Handelingen wil ik wel deopmerking maken dat DNA uit een commerciële databank niet zomaargebruikt kan worden. Het is nog altijd de wettelijke regel op basis waarvangebruik uiteindelijk is toegestaan. De manier van werven kan door eenopsporingsambtenaar zijn of kan uit een commerciële databank zijn, maarde regels zijn voor beide hetzelfde.Minister Van Weel:Zeker. Daarom is het zo interessant om te bekijken wat er met de pilotgebeurt, omdat dat ons wel iets gaat zeggen over de herkomst en debruikbaarheid daarvan. Dat staat los van de wettelijke grondslag, waarvanhet OM dus ook stelt dat die bestaat op basis van de huidige wet- enregelgeving, zoals ik al zei.De heer Koops vroeg nog wat er gebeurt met het DNA op het moment datde oorspronkelijke verdenking niet eindigt in een veroordeling. Moet deverdachte dan zelf actie ondernemen of krijgt hij bericht dat zijn DNA isvernietigd en verwijderd? Het huidige Besluit DNA-onderzoek in straf-zaken regelt dat het lichaamsmateriaal van de verdachte waaruit zijnDNA-profiel is verkregen en dat is verwerkt in de DNA-databank voorstrafzaken, wordt vernietigd zolang hij niet langer als verdachte van eenstrafbaar feit kan worden aangemerkt. Dat geldt ook voor zijn opgeslagenDNA-profiel. Daarvoor verwijs ik naar artikel 16, eerste en tweede lid, vandit besluit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5546 Op de regel bestaat een uitzondering indien betrokkene in een anderezaak als verdachte van een voorlopigehechtenismisdrijf is aangemerkt ofin een andere zaak is veroordeeld. In die gevallen blijven zijn DNA-profielen lichaamsmateriaal wel bewaard. Dat is artikel 16, derde lid. Het is debedoeling dat deze regeling onverkort in het Uitvoeringsbesluit bevoegd-heden met betrekking tot het lichaam wordt overgenomen. Ik merk daarbijnog wel aan dat daarover niet actief bericht wordt verstrekt. Het is dus aande voormalig verdachte zelf om navraag te doen over de vernietiging.Maar dat wordt dus automatisch in gang gezet.De heer Koops (NSC):Hoe kijkt de Minister ertegen aan om die verplichting te creëren? Datbetekent dus de burger die niet langer verdachte is, wel proactiefbenaderen om te zeggen: geachte heer of mevrouw X, uw DNA isinmiddels vernietigd.Minister Van Weel:Ik kom daarop terug in tweede termijn. Ik sta er sympathiek tegenover ophet moment dat het makkelijk kan worden meegenomen in de adminis-tratie die sowieso al volgt op het einde van het traject waarbij niet wordtgekomen tot een veroordeling. Als dat een aparte administratieve stroomop gang brengt, wil ik dat ook wel even afwegen tegen de capaciteitsin-spanningen die ermee gemoeid zijn, voordat ik een oordeel vel.Dan kom ik bij hoofdstuk 7, de bevoegdheden met betrekking totvoorwerpen en gegevens. Ook daarover waren een hoop vragen, onderandere van de heer Ellian. Hij vroeg: hoe zit het met het Landeck-arrest?Krijgt de rechter-commissaris een grotere rol en is daar geen normeringover in artikel 2.7.38? Hoe gaan wij dit met elkaar oplossen, vroeg hij.Smartphones worden terecht een goudmijn voor de politie genoemd.Toegang tot gegevens in de smartphone levert namelijk heel veelinformatie op over de handel en wandel van een gebruiker. Het is voor deopsporing heel nuttig dat toegang tot gegevens in een smartphoneiemands privéleven kan blootleggen, maar die toegang vormt tegelij-kertijd een ernstige beperking van het grondrecht op bescherming vanprivéleven. Een grondrecht kan worden ingeperkt met inachtneming vanhet evenredigheidsbeginsel. In het arrest Landeck geeft het Hof vanJustitie van de Europese Unie in dit verband uitleg van het evenredig-heidsbeginsel. Een van de voorwaarden is de voorafgaande toestemmingvan een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit.Het lijkt erop dat de officier van justitie voor de uitoefening van meerbevoegdheden een machtiging van de rechter-commissaris nodig heeft.Maar de precieze betekenis en reikwijdte van deze rechtspraak is nogonzeker en zal zich moeten uitkristalliseren in de rechtspraktijk.Ik geef een voorbeeld. Voor Landeck was het veelal de officier van justitiedie beslist over de toegang tot gegevens in een smartphone. Na Landeckzal de beslissing veelal door de rechter-commissaris moeten wordengenomen. Hiermee wordt ook geworsteld in de rechtspraktijk in anderelidstaten van de EU, heb ik van mijn collega-ministers uit andere lidstatenbegrepen tijdens de JBZ-Raad afgelopen week. De rechtspraak zal moetenuitwijzen of er ruimte is voor een uitzondering op de machtigingsver-plichting. Op dit moment zijn twee zaken aanhangig bij de Hoge Raad,waarin juist deze vraag aan de orde is. Ik ga de rechter daarbij niet voor devoeten lopen door op de uitkomst te speculeren. Maar zodra de recht-spraak van het Hof van Justitie voldoende is uitgekristalliseerd, zal er voorons een voorstel tot codificatie worden gedaan. De tweede aanvullingswetbij het nieuwe wetboek biedt daartoe de gelegenheid.De heer Ellian (VVD):Meestal vind ik de Minister heel kort en duidelijk, maar nu hij is enigszinscryptisch. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het opsporen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5547 verdachten kan ik me indenken dat de Minister – ik ga dat niet voor heminvullen, dus ik vraag het aan hem – niet per se blij is met wat ik net deenorme papierwinkel noemde die dit vereist. Dat bedoelde ik nietoneerbiedig, want de opsporing moet voldoen aan de eisen van de wet;die moet proportioneel zijn en er moet geen onnodige inbreuk gemaaktworden, tenzij dat noodzakelijk is. Maar het doorzoeken van telefoons isecht een fundament geworden van het opsporingsonderzoek. Maakt deMinister zich, los van het feit dat er gecodificeerd gaat worden, zorgenover de werklast en de vertraging in opsporingsonderzoek die dit met zichmee zal brengen?Minister Van Weel:Het hele korte antwoord is ja. Het wat langere antwoord heb ik netgegeven. We zullen ons daarbij natuurlijk wel rekenschap geven van hetarrest als zodanig. Dat geldt niet alleen voor ons, maar ook voor alleandere EU-lidstaten. We zijn nu dus gezamenlijk bezig met een zoektochtom die nieuwe balans te vinden. Hopelijk kan de uitspraak van de HogeRaad ons helpen om die te vinden op een manier die zowel de privacy-belangen als de opsporingsbelangen in evenwicht houdt.Dan was er nog een vraag van de heer Koops, die hier ook aan raakte:«Wordt de Landeck-uitspraak meegenomen in de Innovatiewet? Wordt diegeacht te vallen onder «restbepaling», zoals voorgesteld bij hetamendement-Ellian? Blijft er nog steeds een kwalificatieplicht ontstaan,ook als dat amendement wordt aangenomen?» Ik wil hier graag tweedingen bij onderscheiden. Ik ben net ingegaan op het gevolg van deLandeck-uitspraak. Het is nog te vroeg om te zeggen wat daarvan deconsequenties zullen zijn. Dat zal dus tegen de tijd van een tweedeaanvullingswet komen. Het amendement van de heer Ellian ziet op eenandere situatie, namelijk op een situatie waarin er door technologischeontwikkelingen een nieuwe opsporingsmethode mogelijk wordt die nogniet expliciet in de wet is neergelegd maar lijkt op een bevoegdheid diewel in de wet is geregeld. Volgens de heer Ellian zou het dan mogelijkmoeten zijn dat opsporingsdiensten die opsporingsmethode onderbepaalde voorwaarden wel kunnen inzetten, ook als die methode eenmeer dan beperkte inbreuk op de privacy maakt. Het amendement beoogtdat te bereiken door artikel 2.10.1 zo te wijzigen dat de rechter-commissaris zijn bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek maguitoefenen. Het zijn dus wel twee verschillende situaties. De ene gaat overhet Landeck-arrest, de tweede over nieuwe opsporingsmethodes, waarbijeen rol voor de rechter-commissaris zou zijn weggelegd. Ik kom zo nogterug op de appreciatie van het amendement van de heer Ellian hierover.Dat brengt mij bij hoofdstuk 8: de heimelijke bevoegdheden. Hetamendement op stuk nr. 20 komt in hoofdstuk 10 terug; laat ik dat voor dehelderheid nu alvast zeggen. Dat is het laatste blokje.Er was een vraag van mevrouw Helder. Zij zei: «Op dit moment wordt deinzet van een opsporingsmiddel intern bij het OM getoetst. In artikel 2.8.12is er ook nog een machtiging van de rechter-commissaris nodig. Er is eenaanvullende eis van de machtiging van de rechter-commissaris bij de inzetvan infiltratie.» De vraag van mevrouw Helder was wat de meerwaardevan deze nieuwe eis is en of die een positieve bijdrage levert aan deveiligheid van infiltratieagenten. Zoals mevrouw Helder terecht aangeeft,zal in het nieuwe wetboek voor de uitoefening van de bevoegdheid totinfiltratie een voorafgaande rechterlijke machtiging vereist zijn. Omdat hetgaat om een ingrijpende bevoegdheid, moet de inzet daarvan dringendnoodzakelijk zijn. Dit betekent dat de rechter-commissaris de uitoefeningvan de bevoegdheid in het concrete geval in te zetten vol moet toetsen.Hij kan niet volstaan met het oordeel dat de officier van justitie inredelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat de dringendenoodzaak tot de inzet van de bevoegdheid aanwezig is. Dit is nadrukkelijkde rol van de rechter-commissaris. Maar, zeg ik er meteen bij, dit betekentTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5548 niet dat de rechter-commissaris het beleid van het Openbaar Ministeriemet betrekking tot de inzet als zodanig toetst. Opsporingstactischeaspecten voor de inzet van de bevoegdheid worden door het OpenbaarMinisterie zelf, waaronder het College van procureurs-generaal, beoor-deeld. Hetzelfde geldt voor het beleid rond de begeleiding van underco-veragenten bij een concrete inzet van de bevoegdheid.U noemde het al: de zorg voor psychisch welzijn voor undercoverambte-naren en waarborgen op het gebied van ethiek hebben de afgelopen jarenterecht veel aandacht gekregen binnen de politie en het OpenbaarMinisterie. Na de zelfmoord van een politie-infiltrant in april 2021 heeft deexterne commissie, de commissie-Brouwer, geconcludeerd dat deprofessionaliteit van de organisatie van het team Werken OnderDekmantel ernstig te wensen overliet en dat de organisatorische enethische waarborgen voor de inzet van heimelijke bevoegdhedenonvoldoende waren. Dat heeft geleid tot een externe commissie die isingesteld door mijn ambtsvoorganger, de commissie-Waarborgen WerkenOnder Dekmantel, die heeft geadviseerd tot een sluitend stelsel vanwaarborgen op het gebied van ethiek en personeelswelzijn.Veel van die waarborgen zijn inmiddels door de politie doorgevoerd. Zo iser een betere administratie en registratie en is de kwaliteit verbeterd vande plannen van aanpak voorafgaand aan de operationele inzet. Ookworden er evaluaties uitgevoerd en zijn er professionele standaarden.Daarnaast is er door de politie een ethische commissie ingesteld, die elkeundercoverinzet toetst op ethische waarden en wenselijkheid. Ook is hetRegiepunt Heimelijke Operaties ingericht. Het Regiepunt HeimelijkeOperaties heeft als doel onafhankelijke regie te voeren en overzicht tehebben over heimelijke operaties. Daarnaast staat het regiepunt aan de latvoor kwalitatieve, professionele standaarden, ethische vraagstukken enhet stimuleren van samenwerking binnen het heimelijke domein. Inaugustus 2023 liet de commissie-Waarborgen Werken Onder Denkmantelzich in haar eindrapport positief uit over de inspanningen die de politie enhet OM hebben verricht voor het doorvoeren van verbeteringen binnenhet heimelijke domein. Ook schrijft de commissie dat binnen hetheimelijke domein meer aandacht is gekomen voor mentaal welzijn enethische afwegingen. De commissie ziet dit als een belangrijke en zelfsrandvoorwaardelijke ontwikkeling. Dit was een heel lang antwoord omnee te zeggen met betrekking tot de rol van de rechter-commissaris.Dat raakt ook aan de vraag van de heer Van Nispen over wat er precieswordt gewijzigd aan de bevoegdheid tot infiltratie ten opzichte van hethuidige wetboek. Er zijn twee wijzigingen in de bevoegdheid tot infiltratieten opzichte van hoe het nu is geregeld. Ten eerste wordt aan debevoegdheid een nieuwe variant toegevoegd. Op dit moment kan alleenworden geïnfiltreerd in een groep personen. In een nieuw wetboek wordthet ook mogelijk om samen te werken met of medewerking te verlenenaan één persoon. Het gaat dan om een persoon ten aanzien van wie opgrond van een verdenking van een misdrijf kennis is verkregen dat hij eenof meerdere misdaden heeft beraamd, pleegt of heeft gepleegd. Dat diemogelijkheid op dit moment niet bestaat, wordt in de praktijk als eengemis ervaren. Dat komt omdat de undercoveragent alleen in het kadervan infiltratie zelf verboden voorwerpen aan een verdachte magaanbieden. Maar dat wil men soms ook doen als er sprake is van maaréén persoon die misdrijven beraamt, bijvoorbeeld bij de zogenoemdelone wolves, dus de terroristen die niet in een groep samenwerken maarwaarover wel informatie tot de opsporingsdiensten komt. De uitoefeningvan de bevoegdheid tot infiltratie kan dan bijvoorbeeld concreet bestaanuit het aanbieden van een wapen aan deze lone wolf, om voldoendebewijs te hebben om uiteindelijk een vervolging te starten.De tweede wijziging is dat de infiltratiebevoegdheid zo wordt gewijzigddat voor de uitoefening ervan de door mij eerder genoemde machtigingvan de rechter-commissaris is vereist. Op dit moment is dat niet zo, en isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5549 alleen de toestemming vereist van het College van procureurs-generaal.Maar infiltratie is een bevoegdheid die een zeer ingrijpende inbreuk maaktop de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Dat geldt niet alleenvoor de verdachte maar ook voor niet-verdachte personen uit kringenrondom de verdachte. Daarom is er, mede naar aanleiding van het adviesvan de Raad van State, een machtiging van de rechter-commissarisvoorgeschreven.Voorzitter, in uw rol als Kamerlid vroeg u ook naar de Mr. Big-methode.Hoe daarmee om te gaan? De Mr. Big-methode is een vorm van wat we inhet nieuwe wetboek de ingrijpende variant van het stelselmatig inwinnenvan informatie noemen. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid kan deinformant, zoals de heer Van Nispen zelf ook aangaf, de verdachteactiviteiten laten verrichten, al dan niet in samenwerking met deinformant. De informant is de initiator van deze activiteit. Het kan dangaan om activiteiten op maatschappelijk of op zakelijk vlak. Zo kan eenverdachte in opdracht van de fictieve criminele onderneming van deinformant hand-en-spandiensten verrichten. Er wordt zo een vertrou-wensband opgebouwd met de verdachte en de verdachte kandoorgroeien in de fictieve organisatie. Dit alles heeft tot doel dat deverdachte zijn geheimen zal prijsgeven, waaronder eerder door hembegane strafbare feiten. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid zelfworden geen strafbare feiten gepleegd. Ik noemde het zonet al. Decriminele organisatie waarin de verdachte denkt te werken is fictief, enalle handelingen die binnen die organisatie plaatsvinden, zijn ook in scènegezet. De verdachte denkt dus misschien dat zijn hand-en-spandienstenstrafbare feiten zijn, maar feitelijk is dat niet het geval. Undercoveragentenzelf mogen ook geen strafbare feiten plegen bij de uitoefening van dezebevoegdheid. Dat mag alleen bij de eerdergenoemde infiltratie.Het is wellicht goed om te melden dat de Hoge Raad enkele casussenheeft beoordeeld waarin deze methode is toegepast. Een van devoorwaarden die de Hoge Raad daarbij stelt, is dat de gesprekken tussende verdachte en de informant zo veel mogelijk moeten wordenopgenomen, zodat achteraf duidelijk is wat er is besproken enafgesproken. Want uitlokking is uiteraard niet toegestaan, ook niet bij dezebevoegdheid. Undercoveragenten worden hier tijdens hun opleiding alertop gemaakt, en ze trainen hierop. Eventuele twijfels over uitlokkingkunnen met de hiervoor genoemde opnames worden weggenomen, ofuiteraard juist bevestigd.Dan het verschil tussen enerzijds deze vorm van stelselmatige inwinningvan informatie en anderzijds infiltratie. Bij infiltratie maakt de undercover-agent dus daadwerkelijk deel uit van een groep waarbinnen wél strafbarefeiten worden gepleegd, en mag hij zelf ook strafbare feiten plegen. Dat isdus bij het stelselmatig inwinnen van informatie zoals in de Mr.Big-methode niet toegestaan.Op de integriteit en de psychische gevolgen ben ik, denk ik, ingegaan inantwoord op de vragen van mevrouw Helder.Dat brengt mij bij de vraag van de heer Van Nispen over nieuwe bevoegd-heden. Kan ik toelichten hoe 2.8.8 in de praktijk vorm gaat krijgen? En watis het doel hiervan? Daarbij vraagt hij naar de nieuwe bevoegdheid ompersoonsgegevens over te nemen uit publiek toegankelijke bronnen. Opgrond van deze nieuwe bevoegdheid in artikel 2.8.8 kan de officier vanjustitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig, al dan niet opgeautomatiseerde wijze, persoonsgegevens overneemt uit publiektoegankelijke bronnen. Bij die publiek toegankelijke bronnen moet jedenken aan bronnen die voor iedereen toegankelijk zijn via het internet,dus aan sociale media als Facebook of Instagram. De gegevens uit diebronnen worden dan als het ware gekopieerd naar de systemen van deopsporing. Dit is een voorbeeld van een nieuwe bevoegdheid, die totstand is gekomen na een wens daartoe vanuit de opsporingspraktijk. Deopsporing gaf tijdens de voorbereiding op dit wetsvoorstel aan dat zij metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5550 behulp van bepaalde software in relatief korte tijd veel van dit soortopenbare informatie kan verwerken.Hoewel het gaat om openbare informatie, wordt bij het verzamelen van aldeze informatie wel een inbreuk gemaakt op de privacy van burgers. Denieuwe bevoegdheid dient er daarbij toe om daar een wettelijk kader voorte creëren voor de gevallen waarin de opsporing zo veel informatie uitpubliek toegankelijke bronnen haalt dat de inbreuk op de privacy groot is.Er is dan sprake van stelselmatigheid. Met «stelselmatig» bedoelen we datdoor de uitoefening van de bevoegdheid een min of meer volledig beeldvan bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van betrokkenen kanworden verkregen. De opsporing is bekend met deze term, die ook bijandere bevoegdheden voorkomt. Het op geautomatiseerde wijzeovernemen van persoonsgegevens houdt in dat voor het overnemen eencomputerprogramma, zoals een zogenoemde webcrawler, wordt gebruikt.Met zo’n computerprogramma kunnen op systematische wijze gegevensover personen worden overgenomen. Zo kunnen heel snel en gerichtgegevens op bepaalde websites worden gescand op trefwoorden die deopsporing daarbij heeft opgegeven. Het is van belang dat een dergelijkcomputerprogramma voldoet aan vereisten op het gebied van controleer-baarheid en integriteit. Zodoende kan de geautomatiseerde wijze achterafworden getoetst. Dit wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld.Dat is eigenlijk vrij gebruikelijk voor hoofdstuk 8 van Boek 2.Ik kan een voorbeeld hiervan geven; dat is wellicht voor de Handelingenook relevant. De politie mag nu al geautomatiseerd persoonsgegevens opinternet verzamelen als daarbij een geringe inbreuk op de privacy wordtgemaakt. Dat doet de politie bijvoorbeeld door gericht bepaalde seksad-vertenties te monitoren op aanwijzingen van mensenhandel. Met dezenieuwe bevoegdheid kan de politie geautomatiseerd verder zoeken metde namen, telefoonnummers en adressen uit deze advertenties omslachtoffers en daders te kunnen identificeren.Ik zal u nog een voorbeeld noemen. Bij een onderzoek naar plofkrakenwaarover berichten in verschillende publiek toegankelijke Facebook-groepen staan, kan de politie geautomatiseerd de berichten overnemenom daaruit aanwijzingen over de identiteit van de daders te verkrijgen.De voorzitter:Ik heb zelf een korte vraag over infiltratie. We kennen allemaal infiltratie ineen organisatie, maar nu gaat het om infiltratie bij een persoon. Dat isnieuw. Het begrip «infiltratie» verandert daardoor iets. De Minister gaf hetvoorbeeld van de eenzame, mogelijk gevaarlijke, persoon aan wie dan eenwapen kan worden aangeboden. En inderdaad, in artikel 2.8.12 lid 3 staatdat de persoon die de bevoegdheid uitoefent, bepaalde strafbarehandelingen mag verrichten. Dat wordt dan bepaald door dat bevel. Dat isallemaal gereguleerd. Maar mijn korte vraag is of dat nu dus ook al zo is.Is dat geen inhoudelijke verruiming ten opzichte van de bevoegdheid dienu in het Wetboek van Strafvordering geldt?Minister Van Weel:Dat klopt. Dat mag nu ook al. Die bevoegdheden zijn dus gelijk gebleven.Het enige wat gewijzigd is, is dat het nu ook bij een persoon kan en nietmeer op een groep van toepassing hoeft te zijn.Dat brengt mij bij hoofdstuk 10, de bevoegdheden van de rechter-commissaris. Daarmee kom ik ook op het amendement van de heer Ellianop stuk nr. 20. Het amendement van de heer Ellian wil mogelijk maken datde officier van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris opspo-ringsonderzoek verricht waarvoor geen wettelijke bevoegdheidsbepalingbestaat. Dat gaat dan specifiek om situaties waarin opsporingshande-lingen niet passen in bestaande wettelijke bevoegdheidsbepalingenomdat in die bepaling is uitgegaan van een bepaalde stand van detechniek of werkwijze en op een later moment een andere techniek ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5551 werkwijze is ontstaan. Zoals blijkt uit de toelichting op het amendementwordt een soortgelijke route door de rechter-commissaris op dit momentin de praktijk bewandeld. Het voorbeeld dat daarbij wordt gegeven, is deopsporingshandeling waarbij de politie met rechtmatig verkregengegevens inlogt in een e-mail- of cloudomgeving. Daarvoor bestaat geenspecifieke wettelijke grondslag, maar het is wel een opsporingshandelingdie de opsporingspraktijk wil verrichten. De officier van justitie vordertdan dat de rechter-commissaris dit onderzoek beveelt.Hoewel ik heel veel sympathie heb voor de strekking van het amendementdat de heer Ellian heeft ingediend, moet ik het in deze vorm ontraden. Dekans is namelijk heel groot dat het amendement juridisch niet houdbaaris, om meerdere redenen. Allereerst vereist het strafvorderlijke legaliteits-beginsel, artikel 1.1.1, dat onderzoekshandelingen die een meer danbeperkte inbreuk maken op grondrechten, van een specifieke wettelijkebasis worden voorzien. In de wet moet dus duidelijk zijn omschrevenonder welke voorwaarden zo’n opsporingshandeling kan worden verricht.De omschrijving dat de rechter-commissaris op vordering van de officiervan justitie onderzoek verricht, is té algemeen om aan dit vereiste van eenvoldoende specifieke omschrijving te voldoen.Ook de Grondwet en het EVRM werpen een juridische drempel op. Bij hetverrichten van opsporingshandelingen is al snel sprake van een inbreukop het recht op privacy. De Grondwet vereist dat zulke inbreuken in de wetzijn geregeld. Het Europees Hof van de Rechten van Mens vereist dat eeninbreuk op het recht van privacy toegankelijk, accessible, en voorzienbaar,foreseeable, is. Een ernstige inbreuk op het recht op privacy moet dus zijngebaseerd op een wet die particularly precise is. De algemene formuleringin het amendement voldoet niet aan deze vereisten. Voor het inloggenmet rechtmatig verkregen gegevens in bijvoorbeeld een e-mailaccount ofcloudomgeving – de opsporingshandeling die in de toelichting op hetamendement wordt genoemd en die nu nog wordt gebaseerd op eenbevel van de rechter-commissaris – wordt daarom een specifiekewettelijke grondslag gerealiseerd. Dat gebeurt in de eerste aanvul-lingswet.Nogmaals, hoewel ik het amendement ontraad, snap ik wel wat de heerEllian wil bereiken. Want stel nu dat als gevolg van technologischeontwikkelingen een nieuwe opsporingsmethode mogelijk wordt die nogniet in de wet is neergelegd, maar dat de desbetreffende bevoegdheid lijktop een bevoegdheid die wel in de wet is geregeld, dan zou het tochmogelijk moeten zijn dat opsporingsdiensten die methode, onderbepaalde voorwaarden uiteraard, inzetten, ook als die methode een meerdan beperkte inbreuk op de privacy maakt? Daarom zou ik de heer Ellianwillen aanbieden om zonder het huidige voorstel te schrappen te kijkennaar een vangnetformulering. Die kunnen we dan of in de eersteaanvullingswet opnemen, of we kunnen kijken of dat op een eenvoudigemanier hierin zou kunnen worden meegenomen. Ik wil het huidigevoorstel niet schrappen, omdat ik denk dat het echt toegevoegde waardeheeft, maar daar wil ik de regeringscommissaris ook graag nog zijn blik oplaten schijnen. Ik maak er wel een klein voorbehoud bij, omdat het bestnauw luistert op welke wijze we dit aan de vork prikken. Kort en goed zoumijn voorstel zijn: het huidige artikel handhaven omdat dat echt toege-voegde waarde biedt en meer wettelijke grondslag geeft dan het oudeartikel. Maar laten we kijken naar een vangnetconstructie die ondervangtwat ik heb omschreven.Voorzitter, met uw welnemen zou ik de regeringscommissaris nog eenkorte toelichting willen laten geven.De heer Knigge:Ik wil inderdaad een toelichting geven, vooral omdat ik denk dat er watonhelderheid bestaat in de discussie die er geweest is. Ik heb van de heerEllian begrepen dat hij onderschrijft dat het eigenlijk geen blanco bepalingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5552 moet zijn. Hij sprak over het naar analogie toepassen van bestaandebevoegdheden. Ik heb het woord «vangnetbepaling» gehoord. In depraktijk vonden enkele rechter-commissarissen – niet allemaal, maar ikdacht alleen bij de rechtbanken Rotterdam en Den Haag – dat ook goed.De Minister heeft dat ook al gezegd. Maar dat ging om een methode diegebaseerd was op een vergelijking met bestaande bevoegdheden uit hetWetboek van Strafvordering. Daarbij was het idee grofweg: dit lijkt er welerg sterk op, dus we mogen aannemen dat de wetgever dit zou legali-seren als hij van deze technologische ontwikkelingen op de hoogte wasgeweest. Het gaat dan om een tijdelijke leemte in de wettelijke regelingdie is ontstaan door technologische ontwikkelingen. Je zou kunnenzeggen dat die misschien ook tijdelijk opgelost kan worden door eenvangnetbepaling. Daarbij zou er dan misschien een soort codificatieplichtvoor de wetgever kunnen zijn om dat vervolgens ook weer netjes in dewet te regelen.Ik zeg erbij dat het de vraag is of de praktijk waar de heer Ellian zich opberoept rechtmatig is. Er is nog nooit aan de Hoge Raad voorgelegd of hetop deze manier kan. Het is in mijn ogen ook zeer de vraag of dat kan, geletop het legaliteitsbeginsel. Het is nog maar zeer de vraag of de uitoefeningvan bevoegdheden die meer dan beperkte inbreuk maken op de privacyop een vergelijking met andere bevoegdheden kan worden gebaseerd.Het neemt niet weg dat het inderdaad, zoals de Minister zei, de moeitewaard is om te onderzoeken of je voor dat type beslissingen wel eenwettelijke grondslag kan vinden die houdbaar is, ook in het licht van degrondwettelijke eis dat inbreuk op grondrechten een wettelijkevoorziening behoeft en ook gelet op de eisen die het Europees Hof steltaan verregaande inbreuken op grondrechten. Het is een spannende weg.Het is nog maar de vraag of dat te verenigen is met de Grondwet. Wellichtwel, maar dat zal nauwkeurig onderzocht moeten worden. Ik vind het heelgevaarlijk om dat op een achternamiddag in te voeren. Later zou hetconstitutionele hof dat deze coalitie voorstaat dan tot de conclusie kunnenkomen dat het zo toch echt niet kan. Dus ik zou zeggen dat het alleszins demoeite waard is om het te onderzoeken, maar het moet inderdaad heelzorgvuldig.Volgens mij stelt de heer Ellian nu niet zo’n vangnetbepaling voor, maargaat hij veel verder dan dat. Hij stelt nu eigenlijk iets voor wat helemaal instrijd is met de wettelijke systematiek. De wettelijke systematiek gaatnamelijk wel uit van een bepaalde uitleg van het stelsel van de Grondwetover wanneer beperkingen toelaatbaar zijn. Het berust ook op hetlegaliteitsbeginsel, op de gedachte dat inbreuk op grondrechten bij de wetin formele zin voorzien moeten zijn. De Kamer heeft zich daar ook overmoeten kunnen uitspreken.Dat is het democratiebeginsel. Ik zal dat kort toelichten. Als we kijken naarwat opsporingsambtenaren mogen, dan kennen we een algemeneonderzoeksbevoegdheid van de politie, neergelegd in artikel 2.1.9 van hetnieuwe wetboek. Die bevoegdheid is al even ter sprake gekomen. Hetartikel geeft de politie de bevoegdheid om onderzoek te doen naarstrafbare feiten, mits dat onderzoek niet meer dan een beperkte inbreukop grondrechten maakt. Ook daarvan kun je je afvragen of die bepalingwel in overeenstemming is te brengen met de Grondwet. Het gaat tochom een inbreuk op grondrechten, zij het een beperkte. Is dit een beperkingdie bij wet voorzien is, zoals de Grondwet eist? Wij denken van wel.Tegelijkertijd zijn we ervan overtuigd dat er specifieke bevoegdheden pergeval nodig zijn, gekoppeld aan voorwaarden, restricties en waarborgentegen misbruik als het gaat om verdergaande inbreuken op grondrechten.Die kan je dus niet op zo’n algemene bepaling baseren.Wat de heer Ellian nu voorstelt voor de rechter-commissaris, is eigenlijknet zo’n algemene onderzoeksbevoegdheid, dus om al het onderzoek tedoen dat nodig is om de waarheid aan de dag te brengen. Dan zouden alleandere, specifieke bevoegdheden die de rechter-commissaris heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5553 gekregen, en die wel gebonden zijn aan verdenkingsvoorwaarden enandere beperkende voorwaarden, allemaal overbodig zijn. De rechter-commissaris mag immers op basis van deze bepaling al het onderzoekverrichten dat hem goeddunkt. Dat is in strijd met de Grondwet, maar hetis ook helemaal in strijd met het systeem dat in dit wetsvoorstel isneergelegd, namelijk dat ook voor de rechter-commissaris geldt dat hijgeen onderzoek mag verrichten dat een verregaande inbreuk maakt opgrondrechten zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke grondslag isaan te wijzen.Misschien ten overvloede wijs ik nog op de rechtspraak van het EuropeseHof voor de Rechten van de Mens. Bekende arresten zijn de arresten vanhet Europese Hof uit 1990 in de zaken van Kruslin en Huvig tegenFrankrijk. In het Franse wetboek van strafvordering van destijds gaf artikel81 de onderzoeksrechter, de rechter-commissaris, de bevoegdheid om alleonderzoeksmaatregelen te nemen die hij nodig achtte om de waarheidvast te stellen. Dat was een hele algemene formulering: je mag alles watnodig is; het doel heiligt alle middelen. Alleen maar op deze ruimebepaling baseerde de Franse onderzoeksrechter met de zegen van deFranse Hoge Raad bijvoorbeeld het tappen van de telefoon. Nu kent hetEuropese Hof niet de eis dat alle bevoegdheden op grondrechten in eenwet in formele zin moeten zijn vastgelegd. Vanuit het Europeseperspectief kan «law» ook «common law» zijn; het kan ook ongeschrevenrecht zijn. Het Europese Hof was dus nog wel bereid om te accepteren datde Franse jurisprudentie aanvullende eisen kon stellen, maar desondanksvond het Europese Hof dat hoe dit in Frankrijk geregeld was, veel te ruimwas en veel te veel ruimte gaf voor misbruik. Daardoor kwam hetEuropese Hof op die eis dat dit soort inbreuken op grondrechten bijzonderprecies moeten zijn. Ik zoek even naar de term: «particularly precise».Vertaald naar het Nederlandse recht geldt dan dat die preciezevoorwaarden in een wet in formele zin moeten zijn vastgelegd. Als u zo’nvoorstel dat een rechter-commissaris alles mag doen wat hem goeddunkt,serieus zou nemen – dat lijkt toch gelezen te moeten worden in hetamendement dat de heer Ellian heeft ingediend – brengt dat ons dusonherroepelijk in strijd met de Europese rechtspraak.De heer Ellian (VVD):Het was uiteraard niet de intentie om een amendement in te dienen datdaarmee in strijd is. Ik zie collega’s al lachen, maar soms mag je de grensopzoeken. Laten we het debat over de Penitentiaire beginselenwet nietoverdoen. Het is juist aan ons en aan deze gedachtewisseling om te kijkenhoe ver je met elkaar kunt gaan. Daarom vind ik het ook prettig dat deMinister van Justitie hier zit. Criminelen zijn ook elke dag bezig om tekijken hoe ze onze rechtstaat kunnen ondermijnen. Het is aan ons aan deandere kant om binnen de rechtsstatelijke grenzen te kijken hoe je het hunmoeilijk kan maken en hoe je de politie, uiteindelijk onder gezag van deofficier van justitie, de instrumenten geeft om hen op te sporen. Dat istoch de wedstrijd waar we, denk ik, al meer dan 100 jaar in zitten.Ik dank de regeringscommissaris en de Minister voor hun uitleg. Ik snaphet bezwaar. Ik had zelf misschien ook iets preciezer moeten kijken, wantik snap heel goed dat het voorgestelde artikel 2.10.1, lid 1 sub a en b,hartstikke nodig zal zijn, en dat dat een verbetering is ten opzichte van dehuidige systematiek. Maar vergeef mij, de huidige systematiek in hethuidige wetboek heeft mij misschien ook op het verkeerde been gezet,omdat artikel 181 Wetboek van Strafvordering wel bestaat en ik me nietkan indenken dat de toepassing daarvan zo stellig al in strijd zou zijn methet legaliteitsbeginsel. Ik snap wel dat de Hoge Raad daar geen oordeelover heeft gegeven, maar laten we ook niet met elkaar concluderen dat detoepassing nu in strijd zou zijn met het recht, want dan voorzie ik ook weleen paar andere problemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5554 Lang verhaal kort. Ik hoor wat er gezegd is. Waar het mij om gaat, is dathet voorgestelde artikel 2.10.1 een limitatieve opsomming is. Een helekorte, maar die is wel limitatief. En juist deze Minister weet als geen anderhoe snel de techniek gaat. Mijn zorg is dat we de boel onnodig dicht-zetten. Het gaat mij om – dit zeg ik ook tegen de collega’s – de toepassingnaar analogie, waarbij je inderdaad zou kunnen zeggen: «Dit lijkt er zó op,maar was niet voorzien. Je zou kunnen denken dat...» En uiteraard, als deHoge Raad in een dergelijk geval overigens nog steeds tot de conclusiekomt van «dit heeft de wetgever nooit op die manier bedacht kunnenhebben, en als de wetgever dat wel zou hebben bedacht, had hij datmoeten opschrijven»... Oké, die situaties houd je altijd. Ik ga evennadenken over wat we gaan doen, maar het amendement in deze vormzal ik sowieso aanpassen, want het was niet mijn bedoeling om deomschrijving teniet te doen. Dus dat doe ik sowieso, en dan kijken weeven of we dat met ambtelijke bijstand doen of dat we het op een anderemanier vormgeven.De voorzitter:Wij zullen een mogelijk gewijzigd amendement, of de intrekking daarvan,of waar uw besluitvorming ook toe leidt, tegemoetzien. Of excuus, deaanpassing van het amendement zien wij dan tegemoet. En dat kan t.z.t.ook leiden tot een eventuele schriftelijke appreciatie vanuit de regering. Often tijde van de plenaire behandeling; dat zullen we dan zien. Goed. Deheer Koops nog op dit punt?]De heer Koops (NSC):Ja. Aan de ene kant is er het aanbod van de Minister om behulpzaam tezijn met ambtelijke ondersteuning. Aan de andere kant is er de funda-mentele, principiële verwijzing naar Kruslin en Huvig. Dat is een beetje hetkrachtenveld waar we hier in zitten. Ik vraag me af of de Minister iets kanzeggen, al dan niet in tweede termijn, over het in afwachting treffen vantijdelijke maatregelen door een rechter-commissaris. Dan doe je tweedingen tegelijk. In de opsporing heb je een nieuw middel nodig, dat erglijkt op een oud middel, en dan geef je als het ware een seintje aan dewetgever, maar doet alvast wel wat, in de praktijk, vooruitlopend op eennader oordeel door de wetgever. Is dat een factor van belang, dietijdelijkheid waarmee een rechter-commissaris optreedt en onderzoekdoet in afwachting van een ingrijpen door de wetgever?Minister Van Weel:Ik wil niet vooruitlopen op de hele discussie die we nog gaan voeren,maar dat zou een van de uitkomsten kunnen zijn die tegemoetkomt aanhet probleem dat de heer Ellian terecht schetst. De technologie gaat snel.Ik kan me zomaar voorstellen dat we over vijf jaar de mogelijkheid hebbenom opsporingsmethodes van Neuralink uit te voeren. Als je dan nog tienjaar bezig bent om dat te codificeren, loop je wellicht hele cruciale zakenmis.Tegelijkertijd moet je bij al die nieuwe opsporingsmethoden ook wel ietsvan een toets inbouwen, om te zien of je je wel houdt aan het evenredig-heidsbeginsel in dezen. Ik kan me dus zoiets voorstellen. Daarom zou mijnadvies toch wel het volgende zijn. Ik had het net over de eerste aanvul-lingswet, maar dat zal de tweede moeten worden, want de eerste ligt albijna bij de Raad van State. Maar we moeten in die gedachte samen gaanzitten met de heer Ellian om te kijken hoe we daar handen en voeten aankunnen geven. Dat stelt ons dan ook in de gelegenheid om daar nogadvies over te vragen aan de Raad van State. Nogmaals, als de heer Ellianzijn amendement aanpast, zullen we dat natuurlijk appreciëren – datspreekt voor zich – maar dit is wel een alternatief dat ik zou willen wegen.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5555 Dat is helder. Wordt vervolgd. Mevrouw Helder nog op dit punt.Mevrouw Helder (BBB):Op het gevaar af dat ik iets vraag wat net gezegd is toen ik even weg was:waarom is er dan niet voor gekozen om het over te nemen zoals het in hethuidige artikel 181 staat? Waarom is er gekozen voor deze limitatieveopsomming?Minister Van Weel:Ja, dat was een redelijk lang betoog van de regeringscommissaris, maarwellicht kan hij het nog even samenvatten.De heer Knigge:Ja, nogmaals, mijn stelling is dat je artikel 181 niet zo kan lezen dat het nueen blanco machtiging geeft aan de rechter-commissaris om alles te doenwat hem goeddunkt. Het is wel degelijk gebonden aan de bevoegdhedendie hem zijn toegekend. Als u er goed naar kijkt, ziet u dat er eensystematisch verband zit tussen wat de officier kan vorderen op grond vanartikel 2.10.1, zo zeg ik uit mijn hoofd, en wat de verdachte kan vragen. Diekan precies hetzelfde, dus dan zou je ook nog krijgen dat de verdachte zoukunnen vorderen dat de officier van justitie alles gaat doen wat God nietverboden heeft. Dat kan dus niet de uitleg zijn. Wij hebben, in mijn ogen,duidelijker gemaakt wat nu al geldend recht is. Daarom zeg ik ook: het isde vraag of de weg die nu al in de praktijk bewandeld wordt, genade zoukunnen vinden in de ogen van de Hoge Raad. Dat weet ik niet. Ik wil erook niet op vooruitlopen, maar die onzekerheid bestaat. Als we zoietswillen, is er denk ik hoe dan ook reden om te kijken of we daar niet eenhelderder wettelijke regeling voor zouden kunnen treffen. Een elementdaarvoor kan inderdaad zijn dat het van tijdelijke aard is en dat aan dewetgever wordt gevraagd om dat alsnog te codificeren. Dat zou eenelement zijn.Een ander element zou kunnen zijn ... Nu wordt het gebaseerd op eenuitleg van artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering die in mijn ogenniet juist is. De vraag is ook: moet je kiezen voor een oplossing waarin derechter-commissaris het onderzoek verricht? Zou je er ook niet voorkunnen kiezen – dat is eigenlijk meer in lijn met de uitgangspunten vanhet huidige wetboek – dat opsporingsonderzoek wordt verricht door depolitie onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie? Zou je datniet ook in een machtigingsconstructie kunnen gieten, waarbij de officiervan justitie dus bij de rechter-commissaris een machtiging kan vorderenom bepaalde onderzoeken te verrichten? In de huidige systematiek zijnwat we nu nog «BOB-bevoegdheden» noemen geen bevoegdheden vande rechter-commissaris, dus dan zou je ineens krijgen dat de rechter-commissaris allerlei BOB-achtige onderzoeksmethoden kan gaantoepassen, zoals infiltreren en personen schaduwen. Ik denk dat we dateigenlijk allemaal niet willen, omdat we zeggen: dat is nou specifiekopsporingswerk. Maar we hebben wel een rechterlijke toets nodig in ditsoort gevallen.De voorzitter:Dank aan de regeringscommissaris voor deze toelichting en dank aan deMinister, die aan het einde van zijn antwoord in eerste termijn isgekomen. Dan gaan we luisteren naar de Staatssecretaris Rechtsbe-scherming. Gaat uw gang.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Er zijn diverse vragen gesteld die tot mijn domein behoren,meer dan verwacht, eerlijk gezegd. Het is opportuun, mede naaraanleiding van de woorden van mevrouw Helder, om nog aandacht tebesteden aan een onderwerp dat we vorige keer uitvoerig besprokenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5556 hebben, namelijk het ondervragingsrecht van de verdachte wanneer eengetuige wordt verhoord door de rechter-commissaris. Daarna zal ikaandacht besteden aan de regie die de rechter-commissaris voert, eenbeetje in het verlengde van wat we net bespraken. Ik zal aandachtbesteden aan de positie van het slachtoffer, aan de verdedigingsrechtenen aan het recht op processtukken in dat verband, aan de doorlooptijden,aan audiovisuele registratie en, ten slotte, last but not least, aan derechtsbijstand.De voorzitter:Dank u wel. Dat is inderdaad ietsje meer dan verwacht, misschien voor deStaatssecretaris en misschien ook wel voor de voorzitter, die ook de taakhad om de tijd in de gaten te houden. Ik doe dus een beroep op eenieder –dat zeg ik tegen mezelf maar ook tegen de leden – om als er interruptieszijn, die alstublieft kort te doen. Laten we ook voorkomen om in herhalingte vallen over zaken die vorige week al zijn gezegd, maar dat is deStaatssecretaris wel toevertrouwd. Aan u het woord.Staatssecretaris Struycken:Als eerste het ondervragingsrecht. Dat betreft het artikel 2.10.29 inhoofdstuk 10, de regelingen inzake het recht van de verdachte om zelf eengetuige te ondervragen wanneer die getuige wordt gehoord bij derechter-commissaris. Op dit punt vroeg de regeringscommissaris omruimte om daar zelf nog iets over te zeggen. Met het advies om het kort tehouden, nodig ik hem daartoe uit, als u mij dat toestaat.De heer Knigge:De aanmaning om het kort te houden is wel nodig, denk ik, want dit is eenonderwerp waar ik makkelijk helemaal over leeg kan lopen. Ik denk dat hettoch goed is om onder de aandacht te brengen dat het wetsvoorstel zoalshet er nu ligt, in onze ogen goede redenen heeft en dat er een heelserieuze achtergrond is. Het is een belangrijk element in de hele bewegingnaar voren. Die hele beweging naar voren is erop gericht om getuigen zomogelijk niet op de zitting te horen maar al in het vooronderzoek. Dan isde logische gedachte eigenlijk dat, wil je dat bevorderen, het horen in hetvooronderzoek ook wel een volwaardig alternatief moet zijn voor horenop de terechtzitting. Horen op de terechtzitting impliceert dat de verdachtebij de ondervraging van de getuige aanwezig is en, geconfronteerd met degetuige, die getuige ook hoogstpersoonlijk vragen kan stellen.Ik wijs er daarbij op dat wij in Nederland een procescultuur hebbenontwikkeld die eigenlijk haaks staat op de manier waarop het EuropeseHof tegen het ondervragingsrecht aankijkt. In Nederland zijn we gewendom op de stukken recht te doen, op het dossier dat is samengesteld doorde officier van justitie en dat voornamelijk bestaat uit processen-verbaaldie door de politie zijn opgemaakt van al het onderzoek dat zij heeftverricht. Dan vinden we het eigenlijk alleen maar lastig en eerlijk gezegdoverbodig, een formaliteit, dat de getuigen ook nog eens moeten kunnenworden ondervraagd door de verdachte. Wat zou zo’n verdachte noukunnen toevoegen aan al datgeen wat de politie al heeft gevraagd?Tegelijkertijd staat eenvoudigweg in het EVRM dat de verdachte het rechtheeft om witnesses against him, dus getuigen à charge, te ondervragen.In de logica van het Europees Verdrag volgt dan dat tegenover dat rechtaltijd de plicht staat van de overheid – de overheid is degene die aan datEuropese verdrag is gebonden – om te zorgen dat de verdachte dat rechtook kan realiseren. Het uitgangspunt is dus eigenlijk dat de officier vanjustitie er gewoon voor moet zorgen dat de getuigen op de zitting zijnzodat de verdachte die kan ondervragen. Het zou eigenlijk helemaal nietnodig moeten zijn om daar een verzoek voor te doen. Het uitgangspunt is:hij heeft dat recht, dus wij moeten zorgen dat hij dat recht kan uitoefenen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5557 Dat is dus de bril waardoor het Europese Hof kijkt. Het is misschien weltekenend hoe het Europese Hof getuigenverklaringen betitelt, waarbij hetondervragingsrecht niet uitgeoefend is kunnen worden. Dat noemt hetEuropese Hof «untested evidence». Daar zit al heel duidelijk de smaakaan: je moet wel van heel goeden huize komen als je untested evidencevoor het bewijs gaat gebruiken. Dat is de bril waardoor het Europese Hofkijkt. Er zit dus een enorme spanning tussen onze procescultuur en demanier waarop het Europese Hof naar het ondervragingsrecht kijkt. Datheeft Nederland al in ieder geval zes keer, zoals ik heb geteld, totveroordelingen in Straatsburg gebracht: zes keer waarin het ondervra-gingsrecht volgens het Europese Hof niet is gerespecteerd.Het Europese Hof zegt niet dat het een heel ingewikkelde jurisprudentie isof dat altijd alle getuigen op de zitting moeten worden ondervraagd. Zo ishet niet. Als de verdachte afstand doet van zijn ondervragingsrecht, is ernatuurlijk geen enkel probleem. Het is ook geen probleem als erovermachtsituaties zijn: als de getuige inmiddels is overleden, of als degetuige recht heeft op een verschoningsrecht, of als de getuigeonvindbaar is. Dan is er een good reason, zegt het Europese Hof, waaromde ondervraging niet kan plaatsvinden. Dat wil niet zeggen dat je dan dieverklaring niet kan gebruiken. Het is nog steeds untested evidence. Dehoofdregel van het Europese Hof is: als het bewijs in beslissende mate ofzelfs geheel op untested evidence berust, is er geen fair hearing geweest.Maar de eerste vraag is: is er een good reason? Stel dat er een soortondervragingsrecht bij de rechter-commissaris is geweest, waarvan deverdachte geen gebruik heeft kunnen maken. Als de verdachte dan terzitting alsnog verzoekt om de getuige opnieuw op de zitting te horen, is devraag of de afwijzing van het verzoek met als argument dat het ondervra-gingsrecht al bij de rechter-commissaris is uitgeoefend, genade zoukunnen vinden in de rechtspraak van het Europese Hof. Dat is sterk devraag. We weten het natuurlijk niet, want dit geval heeft zich nog nooitvoorgedaan. Dan is het makkelijk om te zeggen: nou ja, dan zal hetEuropese Hof het wel goedvinden. De laatste veroordeling die we gehadhebben, is van 2021 in de zaak Keskin. In die zaak beoordeelde hetEuropese Hof de Nederlandse jurisprudentie volgens welke je het moetmotiveren als je een verzoek doet om ook getuigen à charge te horen.Daarin klinkt onze procescultuur helemaal door. Het Europese Hof haaldedaar gewoon een streep door. Wat motiveren? Je hebt daar gewoon rechtop. Met de bril op waarmee het Europese Hof naar onze praktijk kijkt, ishet eigenlijk belachelijk om die eis te stellen. Misschien moeten we er tochecht rekening mee houden dat het zich niet verdraagt met het EuropeseVerdrag om een verdachte zijn daadwerkelijke participatie bij hetondervragingsrecht te onthouden met als argument dat de raadsman bijde rechter-commissaris vragen heeft kunnen stellen. Op zichzelf dwingenhet Europese Hof en het EVRM er niet toe dat de verdachte bij het verhoorvan de rechter-commissaris aanwezig moet zijn, maar als hij dat nietgeweest is, kan de consequentie wel zijn dat je zijn verklaring niet voor hetbewijs kan gebruiken.De voorzitter:De heer Aardema heeft hier een vraag over. Ik kijk echter nog even naarde Staatssecretaris of hij op dit punt nog een aanvulling heeft, of dat hijzegt dat dit het was op dit onderdeel. In dat geval gaan we naar de heerAardema.Staatssecretaris Struycken:Ik zou inderdaad wat aanvullende verduidelijkende opmerkingen willenmaken. Dan is het daarna misschien het moment om de heer Aardemaook het woord te geven. Het betoog van de regeringscommissaris is vanbelang, omdat het duidelijk maakt dat zowel de door de regeringvoorgestelde regeling als het amendement van de heren Sneller en EllianTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5558 in het licht van deze jurisprudentie moeten worden beoordeeld. Datbetreft niet alleen de tekst die de regering uiteindelijk vaststelt, tezamenmet het parlement, maar ook de toepassing daarvan. Uiteindelijk zijn wijmede afhankelijk van deze jurisprudentie. Met name de wijze waarop debevoegdheden worden uitgeoefend, zal mede bepalend zijn voor dehoudbaarheid van de regeling.Mevrouw Helder stelde een aantal vragen en ik maak daar een aantalverduidelijkende opmerkingen bij. De regeling berust ook op de gedachtedat juist bij verhoor van de getuige in de raadkamer in aanwezigheid vande verdachte het mogelijk is om aangepaste en beschermende omstan-digheden te creëren, die er niet zijn bij de openbare terechtzitting. Deondervraging van de getuige door de verdachte op een openbareterechtzitting is dus wellicht meer belastend dan die in de raadkamer,waar er rekening wordt gehouden met bijzondere kwetsbaarheden.Daarbij geldt dat in het voorstel de verdachte het verzoek moet doen omaanwezig te zijn bij het getuigenverhoor. Betrokkene moet in degelegenheid worden gesteld te verzoeken aanwezig te zijn. Dan kan derechter-commissaris ook in het voorstel van de wetgever afwegen of ditvanwege de kwetsbaarheid van de getuige gewenst is. Ik refereer dan aande weigeringsgronden die deel uitmaken van artikel 2.10.29, lid 2 van hetvoorstel van de regering.Als de verdachte wel aanwezig is bij het verhoor door de rechter-commissaris, bestaan er diverse mogelijkheden om daarmee rekening tehouden. Ik noemde ze al even. De maatregelen moeten erop gericht zijnom de zogenaamde secundaire victimisatie waar mogelijk te voorkomen.Mevrouw Helder noemde ook de vervoersbewegingen waartoe deregeling zou noodzaken. Voor zover de regeling inderdaad leidt tot meerfrequente aanwezigheid van de verdachte bij het verhoor door derechter-commissaris kan de vervoersbeweging een complicerende factorzijn, maar ik wijs erop dat het wetsvoorstel ook verruimde mogelijkheidbevat om gebruik te maken van een videoconferentie. Ik weet dat daar ookin de uitvoering in toenemende mate in wordt voorzien. Dat zou dustegemoet kunnen komen aan dat onderdeel van het bezwaar.Ik wijs er ook op dat zowel volgens de in het wetsvoorstel opgenomenregeling alsook de regeling die ten grondslag ligt aan het amendement opstuk nr. 21 de rechter-commissaris in beide gevallen gehouden kan zijnom de verdachte uit te nodigen, als te verwachten is dat het slachtoffervanwege zijn kwetsbaarheid niet als getuige voor de openbare terecht-zitting wordt opgeroepen. Die kwetsbaarheid valt onder de omstandig-heden die de rechter-commissaris ertoe kunnen nopen zich in het licht vande jurisprudentie verplicht te voelen om de aanwezigheid van deverdachte juist wel mogelijk te maken.Dan nog de situatie van meerdere verdachten. Dan is het inderdaad inbeginsel zo dat elk van die verdachten het recht moet hebben omaanwezig te zijn bij het verhoor van de verdachten. Dat kan bij groteaantallen complicerend zijn. Dan zal dus een extra grote ruimte moetenworden gevonden voor het verhoor door de rechter-commissaris. Inbuitengewone omstandigheden kan ook altijd worden teruggevallen ophet verhoor ter openbare terechtzitting, waar alle verdachten aanwezigzullen zijn. Dan wordt er dus voor gekozen om dat verhoor juist niet in devoorfase te laten plaatsvinden. Maar het is een bijzondere situatie, diesoms tot bijzondere stappen kan nopen. Ik wijs ook nog op de bijzondereweigeringsgrond van de goede rechtspleging, die in uitzonderlijkesituaties tot uitzonderlijke stappen kan nopen. Nogmaals, alles in het lichtvan het fundamentele recht op ondervraging door de verdachte van elkegetuige.Mevrouw Helder stelde in relatie hiertoe ook een paar vragen over hetverklaren onder nummer. Uitgangspunt is dat het afleggen van eenverklaring door een getuige zo veel mogelijk op naam gebeurt, want deverdachte moet de betrouwbaarheid van de getuige en ook hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5559 waarheidsgehalte van de verklaring kunnen toetsen en weerspreken. Derechter kan op de terechtzitting het stellen van vragen over de identiteitvan een getuige achterwege laten, als er een gegrond vermoeden bestaatdat de getuige overlast zou ondervinden of in de uitoefening van zijnberoep zal worden belemmerd. De rechter kan dus de maatregelen nemendie nodig zijn om de onthulling van identiteitsgegevens te voorkomen,zoals geregeld in de beoogde regeling van artikel 4.2.37, tweede lid.Het is op grond van artikel 2.3.4 ook mogelijk dat een getuige ondernummer verklaart. De identiteitsgegevens van de getuige worden danvervangen door een unieke numerieke code. Dan is de identiteit wel bij depolitie bekend maar niet vindbaar in het proces-verbaal. Ook de rechter-commissaris kan op grond van artikel 2.10.32, eerste lid, bij het verhorenvan een opsporingsambtenaar voorkomen dat gegevens rondompersoonsgegevens bekend worden bij de verdachte, als een dergelijkvermoeden bestaat.Tot slot kan een opsporingsambtenaar of een ander die zich, met het oogop de verklaring, zodanig bedreigd acht dat naar redelijkheid moetworden aangenomen dat moet worden gevreesd voor zijn leven, zijngezondheid of veiligheid dan wel ontwrichting van zijn gezinsleven ofsociaaleconomische bestaan – een hele litanie aan omstandigheden – alsbedreigde getuige worden gehoord, artikel 2.10.39 en verder.De rechter-commissaris verhoort de bedreigde getuige op zodanige wijzedat zijn identiteit verborgen blijft, zoals geregeld in artikel 2.10.41, derdelid. Artikel 2.10.42 bevat dan de mogelijkheid voor de rechter-commissarisom te bepalen dat de verdachte of zijn raadsman, of zelfs beiden, hetverhoor van de bedreigde getuige niet mag bijwonen, indien het belangvan het verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige ditvereist. Het moet dan uiteraard gaan om zeer buitengewone omstandig-heden; dat is evident.Kortom, artikel 2.10.29 bevat de hoofdregel voor aanwezigheid van deverdachte bij het getuigenverhoor, maar voor bijzondere situaties, waarmevrouw Helder op doelde, is op allerlei wijzen voorzien in aanvullenderegels.Hiermee kom ik tot het einde van mijn opmerkingen, maar niet dan nadatik eerst nog heb verduidelijkt dat de appreciatie van het amendement opstuk nr. 21, zoals vorige week gegeven, onveranderd blijft. Op de vorigeweek genoemde gronden blijft de appreciatie oordeel Kamer.De voorzitter:Helder. Dank dat u dat nog expliciteert. Meneer Aardema, u heeft al heellang geleden gevraagd om een interruptie. Excuus daarvoor.De heer Aardema (PVV):Omwille van de tijd zal ik het kort houden, maar dit is toch wel een heelbelangrijk onderwerp voor het verhoor van de getuigen, maar ook voor deslachtoffers. Ik vraag me af of het niet een beetje de wereld op z’n kop is.Gaat het niet veel te ver? Ik zie de meest verschrikkelijke beelden nu inmijn hoofd, waarbij getuigen en slachtoffers misschien wel verbaal ofniet-verbaal helemaal worden geïntimideerd door verdachten. Ik snap deargumenten en ik bedank de Staatssecretaris en de regeringscommissarisvoor hun uitgebreide uitleg, maar er is nu toch al de mogelijkheid dat deraadsman dat doet namens de verdachte. Ik zie de noodzaak dus niet zo.Staatssecretaris Struycken:Wij onderkennen natuurlijk de mogelijke bezwaren vanuit de uitvoering. Ikzeg er nog bij dat in de uitvoering gezocht zal moeten worden naar elkemogelijkheid om dat risico te vermijden. De waarheidsvinding kannamelijk geschaad worden als er een bedreigende omstandigheidontstaat. Dat kan overigens ook het geval zijn als de getuige op deopenbare terechtzitting wordt ondervraagd. Het risico is dus niet helemaalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5560 weg te nemen. Ik begrijp dat het gevoelen bestaat dat het ver gaat, maarik kan niet anders dan terugverwijzen naar hetgeen de regeringscommis-saris tot uiting heeft gebracht, namelijk dat het nu eenmaal een heelfundamenteel recht is in de jurisprudentie van het Europees Hof. Maar hetis inderdaad zo dat we allemaal onderkennen dat het onzeker is hoe hetprecies uitpakt in de regeling en de procescultuur zoals we die inNederland kennen.De heer Ellian (VVD):Ik kan het niet laten... Collega’s zeggen «hou je mond, want we hebbenoordeel Kamer», maar ik moet toch één opmerking maken, omdat deStaatssecretaris zegt «de uitvoering». Diezelfde uitvoering zegt wel: is ernagedacht over hoe wij die verhoren dan moeten doen? Hoe moeten wedat doen? Met de beveiliging die er niet is? Met de ruimte die er niet is? Iksla daar een beetje op aan, want de uitvoering zegt toch wel heel duidelijk:we hebben ook een praktisch probleem.Staatssecretaris Struycken:De praktische problemen bij de uitvoering en de grote bezwaren die erbestaan, met name bij het Openbaar Ministerie en de rechtspraak, vormende belangrijkste reden waarom ik vorige week uiteindelijk oordeel Kamerheb gegeven.De voorzitter:Gaat u verder en laten we allemaal proberen het tempo hoog te houden.Staatssecretaris Struycken:De heer Koops vroeg naar de voortvluchtige: heeft dat invloed op desituatie? Artikel 2.10.12 verschilt niet van het huidige artikel 187a en ook isniet bedoeld dat de toepassing verandert. Het artikel houdt in dat als deraadsman aanwezig mag zijn bij een verhoor en de verdachte nog geenraadsman heeft, een raadsman wordt aangewezen. De rechtsbijstand voorde aangewezen raadsman is voor de verdachte kosteloos en er is dus ookgeen inkomenstoets. Dat betekent dat het gesignaleerde probleem vaneen voortvluchtige verdachte niet in de weg staat aan de aanwijzing vaneen raadsman. Dat geldt ook en juist voor verdachten die zich in vrijheidbevinden. Een verdachte in voorlopige hechtenis heeft immers al eenkosteloze raadsman. Dus daar doet het probleem zich niet voor. De Raadvoor Rechtsbijstand wijst in deze gevallen dus een raadsman aan inopdracht van de rechter-commissaris. Dat betreft dus gevallen zoals vande voortvluchtige verdachte. Dat is onder het huidige recht zo en datverandert niet met het wetsvoorstel.De heer Ellian vroeg aan het begin van zijn interventies naar de regie. Inzaken waarin de rechter-commissaris bemoeienis heeft, kan hij de regievoeren. Dat vloeit voort uit de artikelen 2.10.65 tot en met 2.10.67. Daarstaat vermeld dat kan worden gedacht aan het stellen van een termijnvoor het indienen van onderzoekswensen of het inplannen van eenregiebijeenkomst. Ook kan de rechter-commissaris de voortgang van hetopsporingsonderzoek beoordelen. Dan kan de rechter-commissarisomwille van de voortgang van het opsporingsonderzoek de officier eentermijn stellen voor het nemen van een vervolgingsbeslissing. Daarnaastkan de rechter-commissaris de zaak voorleggen aan de rechtbank met hetoog op een verklaring dat de zaak is beëindigd zoals geregeld in artikel3.1.3, maar dat is uiteraard een zeer verstrekkende en ook uitzonderlijkesituatie.Wat ik hierbij wil vooropstellen, is dat de officier van justitie verantwoor-delijk is en blijft voor een spoedige afdoening van het opsporingson-derzoek. Het is niet de rechter-commissaris waar die taak of rol ligt. Deregierol van een rechter-commissaris in deze situatie wordt soms geduidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5561 als de rol van een oliemannetje, en niet als een bewaker van het procesmet de daarbij wellicht benodigde instrumenten en sanctiemogelijkheden.De heer Ellian (VVD):Excuseer. Gaat u verder, Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:Wat het slachtoffer betreft. Mevrouw Mutluer vroeg erin te voorzien dateen slachtoffer spreekt met de officier van justitie, opdat het slachtoffer alvroegtijdig opsporingswensen kenbaar kan maken. Onze inschatting is dathet slachtoffer voldoende gelegenheid heeft om relevante informatie enook wensen naar voren te brengen ten aanzien van het opsporingson-derzoek. Het slachtoffer kan bewijsstukken aandragen bij de officier vanjustitie om die te voegen bij de processtukken. Dat kan op basis van artikel1.5.5, eerste lid. Het slachtoffer kan uiteraard bij de politie of bij hetOpenbaar Ministerie kenbaar maken dat hij voor de opsporing relevanteaanwijzingen heeft of dat bepaalde aanwijzingen zouden moeten wordenonderzocht. Daarvoor is een slachtoffergesprek niet nodig. Een slachtof-fergesprek heeft een meer voorlichtende functie vlak voor de berechtingvan een spreekwaardig delict. Het houdt dan ook vooral daarmeeverband. In het wettelijk regelen van een slachtoffergesprek met eenander soort karakter en in eerder stadium van het onderzoek zie ik dus ookniet echt meerwaarde. Ik zie daarvoor ook geen ruimte.Ik ga verder met de verdedigingsrechten, een vraag van de heer Koops, endan met name de problematiek van de verdachte die maar niet wordtgehoord of pas heel laat wordt gehoord. Naar zijn zeggen is dat veelvuldighet geval bij rechtspersonen die verdachte zijn. Er kan op verschillendemanieren worden voorkomen dat iemand die nog geen aanspraak kanmaken op de genoemde verdedigingsrechten, noodgedwongen lange tijdin het ongewisse zou blijven over de inhoud en het vervolg van destrafzaak. Zo kan de verdachte bevorderen dat hij wordt verhoord.Wanneer dat verhoor heeft plaatsgevonden, kan de verdachte dan alsnogalle aan dat verhoor gekoppelde verdedigingsrechten uitoefenen. Deverdachte kan dat bevorderen door zich te wenden tot de officier vanjustitie met het verzoek om te worden gehoord. Daarbij geldt dat zodra hetbelang van het onderzoek dat toelaat, en in ieder geval voordat vervolgingvoor een misdrijf wordt ingesteld, de verdachte in de gelegenheid wordtgesteld om te worden verhoord op basis van artikel 3.1.1, derde lid. Ookals de verdachte pas laat in het opsporingsonderzoek wordt verhoord,bestaat zelfs na indiening van de procesinleiding nog voldoendegelegenheid om van de processtukken kennis te nemen en eventueleonderzoekswensen in te dienen. Ik merk ten slotte op dat ook voor dezesituaties uiteindelijk geldt dat de beginselen van een goede procesorde inacht moeten worden genomen. Aan die beginselen zou wellicht nogsturing kunnen worden ontleend in de bijzondere situaties waarin nog nietis voorzien.Dan kom ik op een volgende vraag, ook van de heer Koops, inzakeprocesstukken in verband met de 90 dagentermijn. Volgens de nieuweregeling stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk en uiterlijk driemaanden nadat de gevangenhouding is bevolen de verdachte in kennisvan de stand van zaken in het opsporingsonderzoek. Daarbij zorgt hijervoor dat de verdachte kan kennisnemen van de beschikbare proces-stukken op grond van artikel 2.10.64, tweede lid. Indien hij de verdachte inhet belang van het onderzoek de kennisneming van bepaalde stukkenonthoudt, dan stelt hij, dat wil zeggen de officier van justitie, de verdachtehiervan in kennis volgens datzelfde artikel. Dit betreft dus het momentwaarop naar huidig recht de eerste pro-formazitting plaatsvindt. Op datmoment is het opsporingsonderzoek nog niet afgerond. Zolang hetonderzoek nog niet is afgerond, kan er in het belang van het onderzoekreden zijn om kennisneming van bepaalde stukken te onthouden. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5562 uitgangspunt blijft echter dat processtukken zo snel mogelijk terbeschikking moeten komen van de verdediging. Dat is zeker het geval ophet moment dat de procesinleiding wordt ingediend. Dan komen allestukken ter beschikking van de verdachte op grond van artikel 1.8.10. Ikben er niet zeker van of ik hiermee de vraag van de heer Koops volledigheb beantwoord, maar wellicht kunnen we daar een andere keer overdoorspreken.Dat brengt mij op de doorlooptijden en de verkorting daarvan; daaroverstelde de heer Aardema een vraag. Het kan zijn dat het nieuwe wetboekgaat bijdragen aan kortere looptijden, in de eerste plaats door opheffingvan de zogenaamde pro-formazittingen, want de analyse is dat juist dehuidige praktijk van pro-formazittingen onnodige wachttijden veroorzaakt.In de tweede plaats krijgt de rechter meer mogelijkheden om te sturen ophet procesverloop en om zo te bevorderen dat strafzaken beter voorbereidbij de zittingsrechter komen en ook dat het benodigde onderzoek zo veelmogelijk is afgerond voordat de zaak op de rechtszetting komt. De nieuwepraktijk zal naar verwachting leiden tot minder onnodige aanhoudingenvan strafzaken. Zo schept het nieuwe wetboek inderdaad de voorwaardenvoor kortere doorlooptijden. Of dat ook geschiedt, is uiteraard afhankelijkvan veel factoren, zoals onder andere de vraag hoe ingewikkeld hetonderzoek in een zaak is. De doorlooptijden kunnen uiteraard ook temaken hebben met schaarste bij diverse organisaties en de te nemenpraktische maatregelen. Ik noem in dit kader specifiek de bepalingen diemoeten faciliteren dat het strafproces zo veel mogelijk digitaal wordtvoorbereid.Dit alles kan bijdragen aan vlottere afdoening van strafzaken, maar ikmerk ten slotte nog wel op dat het verkorten van de doorlooptijden niethet kerndoel is van de nieuwe regeling. Dat is meer een gevolg van allemaatregelen die in het nieuwe model worden genomen.Dit brengt mij op de administratieve lasten voor het OM en de politie,waar de heer Sneller een vraag over heeft gesteld: leidt het waterbed-effect, zoals ik dat maar even noem, elders niet tot druk in de keten? Datkan zijn, maar dat wordt in z’n totaliteit bezien. De uitvoeringsconse-quenties betreffen de werklastverlichting voor alle organisaties in deketen. Het gaat uiteindelijk dus om de nettowerklast. Als blijkt dat de drukelders in de keten vergroot wordt, wordt daar bij de analyse van deuitvoeringsconsequenties rekening mee gehouden en wordt daarinvoorzien. Ik merk nog op dat werklastverlichting voor de betrokkenorganisaties wordt verwacht, onder andere door het kunnen geven vaneen generiek bevel tot vordering van gegevens en door het feit dat in denieuwe wet de geldigheidsduur van een bevel tot het vastleggen vantelecommunicatie wordt verlengd. Dit betekent dat er minder machti-gingen worden afgegeven. Dat zou een werkverlichting voor zowel depolitie en het Openbaar Ministerie als de rechtspraak moeten behelzen.Dit zijn concrete stappen die tot werklastverlichting kunnen leiden.Ik wijs ook graag op de werklasteffecten van de pilot AVR voor het OM.Dat brengt mij op het volgende blokje, betreffende AVR. Mevrouw Heldervroeg daarnaar. Zij wees met name op speech-to-text technology. Een vande onderdelen van de Innovatiewet Strafvordering betreft audiovisueleregistratie. In de praktijk is daarmee nu ervaring opgedaan. Daarbij werdeen auditieve of audiovisuele opname van bijvoorbeeld een verhoorgecombineerd met een verkort proces-verbaal in plaats van een volledigproces-verbaal. Maar er is gebleken dat het uitkijken of bekijken van eenverhoor een tijdrovende bezigheid is en dat de instanties daar meer tijdaan kwijt zijn dan aan het lezen van een proces-verbaal, zoals mevrouwHelder al stelde. Toekomstige technologische ontwikkelingen zouden weltot vermindering van de werklastverzwaring kunnen leiden als er gebruikwordt gemaakt van AVR.In de zogenaamde innovatielast van de politie wordt dit onderzocht. Dangaat het inderdaad ook om gebruik van speech-to-text software voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5563 omzetten van de tekst. Het is evident dat we rekening moeten houden mettechnologische ontwikkelingen. Dat is ook een van de doelstellingen bijhet herzien van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden zet ik in opverlenging van de Innovatiewet Strafvordering, om de bepalingen uit deinnovatiewet te continueren tot aan de inwerkingtreding van het nieuwewetboek.Ik merk daarbij wel op dat audiovisuele registraties met een verkortproces-verbaal niet efficiënt zijn gebleken. De conclusies van deWODC-evaluatie zijn besproken met de betrokken ketenpartners. Derechtspraak en het Openbaar Ministerie zien op dit moment geenmeerwaarde in de nieuwe werkwijze bij verdachtenverhoren, medevanwege de genoemde werklastverzwaring.Ten aanzien van de pilot AVR op zitting nemen rechtspraak en OM eeneensluidend standpunt in en doen zij het verzoek om in lijn met deaanbeveling deze bepalingen niet te verlengen. De politie en de bijzondereopsporingsdiensten daarentegen hebben hun zorg geuit dat het latenvervallen van deze mogelijkheden wellicht toekomstige technischeontwikkelingen remt, omdat de wet dan daarvoor niet langer eengrondslag biedt. Dit standpunt sluit aan bij de aanbevelingen van deverzoekers om in een beperkt aantal zaken te onderzoeken of met behulpvan de Generieke Dienst Automatische Spraakverwerking, die bij depolitie in ontwikkeling is, oftewel GDAS, bruikbare processen-verbaalkunnen worden opgesteld. De bepalingen uit de Innovatiewet die zien opaudiovisuele registratie bij verdachtenverhoren worden daarom welgecontinueerd tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering. Ik verwijs verder naar de beleidsreactie die ik op13 december 2024 aan uw Kamer heb gezonden.Voorzitter. Dat brengt mij bij een onderwerp waar u terecht elke weekopnieuw aandacht voor vraagt, en dat kan niet vaak genoeg. Dat is hetbelang van de rechtsbijstand. We hebben daar vorige week uitvoerig overgesproken. Ik heb ook aangegeven dat dit logischerwijs onderdeeluitmaakt van het nieuwe Strafvordering, als complement op de bewegingnaar voren voor gehechte verdachten, maar ook voor verdachten die opvrije voeten zijn.Om de effecten van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voor derechtsbijstand in kaart te brengen is in 2021 een impactanalyse opgesteld.Gekeken is naar de te verwachten extra tijdsbesteding naar aanleiding vande nieuwe maatregelen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Uit dedestijds gemaakte inschatting bleek dat te verwachten valt dat het gevolgvan het nieuwe wetboek de advocatuur gemiddeld in een strafzaak meteen voorlopig gehechte verdachte 75 minuten extra kost. Het gaat dan omde zwaardere strafzaken. In een zaak zonder een voorlopig gehechteverdachte is er 50 minuten extra werklast.In het nieuwe wetboek zal naar aanleiding van de beweging naar voren deadvocatuur na het eerste politieverhoor en voor de procesinleiding almeer kunnen worden betrokken in een strafzaak. De verwachting is datdaardoor meer verzoeken tot onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris zullen worden ingediend dan thans wordt gedaan. Datbetekent dat ook in zaken waarin dat nu niet gebeurt, de advocaat tijd zalbesteden aan het bestuderen van het dossier en het voorbereiden van dezaak, om tijdig onderzoekshandelingen aan de rechter-commissaris tekunnen verzoeken. Als gevolg daarvan, en omdat de pro-formazittingenworden afgeschaft, zullen er naar verwachting in een groter aantal zakenregiebijeenkomsten gaan plaatsvinden.Voor een minderjarige of een kwetsbare meerderjarige verdachte wordtnu in een eerder stadium een toevoeging mogelijk onder het nieuweWetboek van Strafvordering. Ook dat zou kunnen leiden tot eerdereverzoeken aan de rechter-commissaris.De voorlopige bevindingen uit 2021 zullen in de komende tijd wordengeactualiseerd en besproken met de ketenorganisaties. Ik ben van planTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5564 om de externe onderzoekers die het rapport van 2021 hebben opgesteld,te vragen hun eerdere onderzoek te actualiseren. Mijn inzet is om ditonderzoek in het derde kwartaal van dit jaar gereed te hebben, en dan zalik uw Kamer daarvan deelgenoot maken.Een eerste gesprek met de Nederlandse orde van advocaten en de Raadvoor Rechtsbijstand heeft op 20 januari jongstleden plaatsgevonden en erstaat deze maand nog een tweede gesprek gepland. Uiteraard zullen er opbasis van de externe impactanalyse gesprekken worden voortgezet. Totzover een nadere duiding van de werkzaamheden die worden gedaan omde eventuele vergrote behoefte aan gesubsidieerde rechtsbijstand onderhet nieuwe Wetboek van Strafvordering in kaart te brengen.En dat brengt mij tot het eind van mijn opmerkingen.De voorzitter:Ik dank ook de Staatssecretaris hartelijk voor zijn beantwoording in eerstetermijn. Ik kijk naar de collega’s, maar ik kijk ook naar de klok. Als erbehoefte is aan een tweede termijn, dan ga ik u uiteraard die gelegenheidbieden, maar ik doe wel een verzoek aan u om het zo beknopt als mogelijkte houden. Het is niet voor het eerst dat we het over dit Wetboek vanStrafvordering hebben, maar ook niet voor het laatst. Er komen nog meerboeken en er komt nog een plenaire afronding. Maar als ook de bewinds-personen de mogelijkheid hebben van een uitloop van enkele minuten,dan proberen wij het met elkaar niet te bont te maken.Dat gezegd hebbende ga ik naar de heer Ellian kijken, voor zijn tweedetermijn.De heer Ellian (VVD):Dat doe ik heel kort, voorzitter, want we hebben nog een plenaireafronding waar we kunnen terugkomen op een paar punten. Ik maak mezorgen over de snelheid die geboden is bij zoekingen in een telefoon,waar volgens de huidige praktijk, een nieuw ontstane praktijk, eenmachtiging van de rechter-commissaris voor nodig is. Plenair zullen wedaar misschien nog even wat woorden aan wijden. Ik wil voor deHandelingen opgemerkt hebben dat ik wel een groot voorstander ben vande genealogische databanken, maar daar zullen we nog wel overdebatteren. En ik neem de opmerkingen ter harte over artikel 181 Wetboekvan Strafvordering en het legaliteitsbeginsel. We gaan even kijken hoe wedaar uitkomen. Ik dank de Staatssecretaris voor het oordeel Kamer op hetamendement over de aanwezigheid.De voorzitter:Ik dank u wel. Mevrouw Helder.Mevrouw Helder (BBB):Nou voorzitter, ik ga zo mogelijk nog korter zijn. Ik dank voor alleuitgebreide antwoorden. Ik heb goed mee kunnen schrijven. Ook dankvoor het oordeel Kamer op het ingediende amendement. Daar laat ik hetbij.De voorzitter:Dank u wel. De heer Sneller.De heer Sneller (D66):Ik dank de bewindspersonen ook voor de beantwoording en het huiswerkdat ik heb meegekregen.De voorzitter:Mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5565 Ik dank mevrouw Helder voor alle media-aandacht voor wat betreft hetWetboek van Strafvordering. Ik zal alle voorstellen ten aanzien vanvoorlopige hechtenis die in gewijzigde vorm worden ingediend, met heelveel interesse afwachten. Maar collega Sneller kan erop rekenen dat wijdie zo veel als mogelijk gaan steunen, want daar geloven we in.Voor wat betreft slachtofferrechten heb ik de bewindspersoon, deStaatssecretaris, duidelijk gehoord over wat er nu mogelijk is. In depraktijk wordt dat toch anders ervaren, is mijn beleving, dus ik ga evenkijken wat ik eventueel bij het plenaire debat nog kan doen, eventueel viaeen motie of een ander voorstel. Dus die parkeer ik even voor mezelf.Ik heb wel een motie. Die gaat onder andere over de digitalisering en detechnologische ontwikkelingen waar we het over hebben gehad. Die luidtals volgt.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat de opsporing door digitalisering en technologischeontwikkelingen steeds meer hoeveelheden gegevens vergaart, waar ookgegevens bij kunnen zitten van burgers die niets met criminaliteit temaken hebben;overwegende dat het Wetboek van Strafvordering toekomstbestendigmoet worden;overwegende dat het vergaren van gegevens en het verwerken daarvanniet los van elkaar kunnen worden gezien;overwegende dat er toekomstbestendige wet- en regelgeving moetkomen voor het verwerken van uit opsporing verkregen gegevens;overwegende dat de regering daartoe een commissie gaat instellen diemet adviezen over die toekomstbestendige wet- en regelgeving moetgaan komen;verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat de aangepaste wet- enregelgeving voor het verwerken van opsporingsgegevens uiterlijkgelijktijdig met het nieuwe Wetboek van Strafvordering in werking treedt,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.Zij krijgt nr. 36 (36 327).Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik vind deze wel van belang, omdat de Minister ook in zijn bijdrage zegtdat bulkgegevens belangrijker worden, en dus de verwerking van diegegevens beter moet worden. Er wordt een commissie in het levengeroepen. Ik vind het niet meer dan logisch dat je aan de commissievraagt om, voor mijn part, begin 2028 met acties en aanbevelingen tekomen die vervolgens meegenomen kunnen worden met de implemen-tatie van het Wetboek van Strafvordering, omdat de technologie zich ookweer ontwikkelt. Dus ik hoop dat dat wel een positieve appreciatie van deMinister kan krijgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5566 De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan de heer Aardema.De heer Aardema (PVV):Dank u wel, voorzitter. Ik doe vooralsnog alleen Boek 2, dus ik grijp hiernog even mijn kans. Ik had net een interruptie, maar de Minister was menet even te snel af, want hij zat al in het volgende blokje. Het ging over deuitbreiding van de bevoegdheden voor infiltratie. Hij noemde toen hetvoorbeeld van wapenverstrekking aan personen, en dat dat nu ook aanéén persoon kan. Mijn vraag is nog even: kan dit ook gebeuren bij eenrechtspersoon? Ik kan mij zoiets voorstellen als een motorclub of eenfictief bedrijf of zo. Dus graag nog even een reactie van de Minister.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. De heer Koops.De heer Koops (NSC):Dank, heer voorzitter. Ik kom nog even terug op het moment van heteerste verhoor als aangrijppunt voor onderzoekswensen voor deverdachte. Ik heb de Staatssecretaris drie opmerkingen horen makenhierover, namelijk dat de verdachte kan bevorderen dat hij zal wordengehoord en daarmee de ingang kan creëren. Er wordt op gewezen dat dieprocesinleiding er ook komt wanneer hij in een heel laat stadium isgehoord. Ten derde, en daar kom ik nu op terug, werd er verwezen naarde beginselen van een goede procesorde. Er kan sturing worden gedaanin een proces op basis van die beginselen van een goede procesorde.Mag ik daaruit afleiden dat een verdachte zich tot een rechter-commissariskan wenden met onderzoekswensen? Kan hij zeggen «het zou in strijd zijnmet de beginselen van een goede procesorde indien deze «niet-ontvankelijk» verklaart, nu ik nog niet gehoord ben»? Kan de verdachtezich beroepen op de beginselen van een goede procesorde, rechtstreeksbij het indienen van onderzoekswensen als reden om die onderzoeks-wensen op te geven, zelfs als hij niet gehoord is? Dat is mijn vraag.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie zelf af van een tweede termijn, maar er heeft zichiemand bij mij gemeld die één hele korte vraag vergeten is te stellen. Ikbied mevrouw Mutluer de gelegenheid om dat alsnog te doen.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Excuses, voorzitter. Ik had een motie klaarliggen over het rapport van dereclassering en de overweging om voorlopige hechtenis op te leggen. Diemotie ga ik niet indienen, maar ik heb wel een concrete vraag. Het is mijnu onduidelijk of de uitkomsten van de pilot op tijd komen om in depraktijk meegenomen te worden. Als ik daarop een antwoord krijg, zie ikaf van mijn motie. Tenminste, dat heb ik nu eigenlijk al gedaan!De voorzitter:Dat heeft u gedaan, maar er komt ooit nog een plenaire afronding. Danzou het wellicht nog kunnen.Er zijn enkele vragen gesteld en er is een motie ingediend. De bewindsper-sonen vragen om drie minuten schorsing en die tijd gaan we hun bieden.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de Minister.Minister Van Weel:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5567 Dank, voorzitter, en dank aan de leden voor hun inbreng in tweedetermijn. De leden hebben van mij nog een aantal antwoorden tegoed opvragen uit de eerste termijn. Daar zal ik mee beginnen. Daarna zal ik denieuwe vraag beantwoorden en ten slotte zal ik de motie appreciëren.De heer Koops vroeg of we een bericht kunnen sturen op het moment datDNA wordt verwijderd uit de databank. Ik heb gevraagd of dat totzwaardere administratieve lasten zou leiden. Het antwoord daarop is ja endaarom ben ik niet genegen om daar nu proactief voor te gaan.Er is gevraagd naar de twee pilots, de eerste met betrekking tot dereclassering en de tweede met betrekking tot de DNA-databank. Over deeerste kan ik vrij specifiek zijn: die pilot loopt tot 1 februari 2026. Datbetekent dat ik u kan informeren over de evaluatie in de tweede helft van2026 en dat zou op tijd moeten zijn om het te kunnen betrekken bij deinwerkingtrekking van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Over devraag over DNA moet ik iets minder specifiek zijn. In de loop van 2026wordt u daarover geïnformeerd.De heer Aardema vroeg in tweede termijn of de bevoegdheid tot infiltratieook voor infiltratie in een rechtspersoon geldt. Ja, deze bevoegdheid kanook worden toegepast bij een rechtspersoon in de zin van een groep vanpersonen. Dat wil zeggen dat een rechtspersoon onder de infiltratiebe-voegdheid valt.Dan is er nog de motie van mevrouw Mutluer over het verwerken van deaangepaste wet- en regelgeving. Ik begrijp dat de motie betrekking heeftop de nadere normering van de strafvorderlijke gegevensverwerking ende commissie die ik daartoe wil stellen. Daarom moet ik de motieontraden. Het is om twee redenen niet opportuun om de aanbevelingenvan de commissie via een wetsvoorstel gelijktijdig met het nieuwewetboek in werking te laten treden. De eerste reden is dat de keten-partners hebben verzocht om een beleidsluwe periode om zich zodoendete kunnen richten op de implementatie van het nieuwe wetboek. Dieruimte wil ik ze ook geven. De tweede reden is dat zo’n deadline ook teveel druk zou leggen op de commissie en de uitwerking van haaraanbevelingen. Dan zouden concessies kunnen worden gedaan aan dekwaliteit en daarvoor vind ik strafvorderlijke gegevensverwerking een tebelangrijk onderwerp.Omwille van de volledigheid merk ik nog op dat bij gelegenheid van deeerste aanvullingswet de bepalingen uit het huidige wetboek over destrafvorderlijke gegevensverwerking alsnog worden overgenomen in hetnieuwe wetboek. Daarmee komt in het nieuwe wetboek een regeling vande strafvorderlijke gegevensverwerking van hetzelfde niveau als in hethuidige wetboek. De eerste aanvullingswet zal gelijktijdig met de eerstevaststellingswet – dat is het wetsvoorstel waarover we vandaag spreken –in werking treden. Er ontstaat dus geen lacune. Maar de update, om het zote zeggen, kan ik u niet binnen die termijn garanderen.De voorzitter:Nog een interruptie van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Om te zeggen dat ik dit wel een heel ingewikkeld antwoord vind. Datbetekent dus dat we vier jaar moeten wachten en misschien zelfs langervoordat de aanbevelingen in welke vorm dan ook een plekje krijgen. Hetargument dat we een druk leggen op de commissie, volg ik ook niet. In dekomende jaren hebben ze in mijn beleving alle ruimte om een en ander uitte werken. Ik vind ’m dus ingewikkeld. Ik hoor het. We weten dat dedigitalisering en de technologische ontwikkelingen ervoor zorgen dat wemeer informatie vergaren, met alle consequenties van dien. We hebbenregelmatige mondelinge vragen daarover. Ik hoor hem. Ik hoop dat deMinister alsnog een en ander wil heroverwegen of in ieder geval eentoezegging kan doen ten aanzien van het verstrekken van informatie overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5568 de voortgang van de commissie met betrekking tot de uitwerking, zodatwe iets in handen hebben en daarop kunnen acteren indien nodig.Minister Van Weel:Ik apprecieer de motie maar één keer, en dat is nu. Ik moet ’m echtontraden. Ik wil er nog wel op wijzen dat tussen het opleveren van eenadvies en het daadwerkelijk in een wet geïmplementeerd krijgen engereed voor uitvoering hebben, het tijdstraject tussen nu en de invoeringvan de wet ook weer niet zo heel erg lang is. U wekt de suggestie alsof wevier jaar lang niks gaan doen, maar dat is natuurlijk niet waar. Als we deaanbevelingen van de commissie krijgen, moeten we gaan nadenken hoewe ze in wetgeving zouden willen implementeren. Dan moeten we hethele wetgevingstraject weer vervolgen en is het ineens wel heel krap.Vandaar dat ik blijf bij mijn oordeel «ontraden».De voorzitter:Dank u wel. Dan is er een eind ... Nee, er is nog helemaal geen eindgekomen. Ik geef het woord aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:De heer Koops stelde nog een vraag naar aanleiding van mijn uiteen-zetting inzake de verdachte die niet gehoord wordt. Ik vermeldde debeginselen van een goede procesorde. Dat is geen zelfstandige basis. Hetis niet beoogd dat dat een zelfstandige basis is voor het doen vanonderzoekswensen. Die zijn met name relevant daar waar de verdachteheeft verzocht te worden gehoord, maar niet wordt gehoord. Dat soortbeslissingen staan in de sleutel van de beginselen van een goedeprocesorde. Tot zover deze verduidelijking.De voorzitter:Dank u wel. Dan is er een einde gekomen aan de tweede termijn van dekant van de regering. Ik ga nog enkele toezeggingen met u doornemen diezijn gedaan.–De Minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer toe de resultatenvan de pilot inzake reclasseringsonderzoek bij de toepassing vanvoorlopige hechtenis in de tweede helft van 2026 aan de TweedeKamer te zenden.–De Minister zegt de Kamer toe de Kamer in de loop van 2026 teinformeren over de pilot met het gebruik van commerciële genealogi-sche databanken voor DNA-onderzoek in strafzaken.–De Staatssecretaris Rechtsbescherming zegt de Kamer toe in het derdekwartaal van 2025 de Kamer te informeren over een geactualiseerdoverzicht betreffende de effecten van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering op de gesubsidieerde rechtsbijstand.Iedereen akkoord? Dan hebben we ze goed gehoord en genoteerd. Dan gaik de Minister, de Staatssecretaris, hun ondersteuning en in het bijzonderde regeringscommissaris weer bedanken voor de beantwoording van devragen over Boek 2, het onderwerp van dit wetgevingsoverleg. Ik bedankde collega’s en ik sluit dit wetgevingsoverleg. We zien elkaar in ieder gevaldeze week en ook volgende week weer terug. Dan gaan we de Boeken 3tot en met 6 behandelen. Ik dank u wel. Met dank aan alle ondersteuning.Dank voor de belangstelling. Ik wens u allen een fijne avond.Sluiting 18.05 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 5569
Gerelateerde bronnen
- Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 3 februari 2025, over Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering) (Boek 2)
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.