KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kamerbrief bij de tweede nota van wijziging inzake Wet versterking regie volkshuisvesting (Kamerstuk 36512)

13 feb 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 5853381372ce1a22 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 512Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht,de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 11 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 13 februari 2025Nederland kampt met grote woningnood. Op dit moment hebben we eentekort van meer dan 400.000 woningen, en dat is voor iedereen merkbaar.Om dit op te lossen moet er meer gebouwd worden en zolang erwoningnood is moet de bestaande voorraad eerlijk verdeeld worden. Hetis de grondwettelijke taak van de overheid, en de Rijksoverheid voorop,om zorg te dragen voor voldoende woongelegenheid. De mogelijkhedendie het Rijk op dit moment heeft om deze taak waar te maken zijnonvoldoende. Het is nodig dat de Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening (VRO) weer daadwerkelijk regie kan voeren over devolkshuisvesting en de wettelijke mogelijkheden krijgt om samen metmedeoverheden, corporaties en marktpartijen de woningbouw teversnellen. Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting geeft deMinister van VRO de benodigde instrumenten om met alle betrokkenpartners beter en sneller te sturen op hoeveel, waar en voor wie we gaanbouwen. Met doorzettingsmacht als dat nodig is. Alleen zo kan degrondwettelijke taak voor de volkshuisvesting waargemaakt worden.Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting is in maart 2024ingediend. Ik heb de afgelopen maanden gewerkt aan het verbeteren vandit voorstel op basis van de afspraken uit het regeerprogramma. Inantwoord op de brief van 11 december 2024 (2024Z20749/2024D49109)van uw vaste commissie Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zend iku hierbij de tweede nota van wijziging inzake het wetsvoorstel Versterkingregie volkshuisvesting toe. In deze brief ga ik ook in op een aantalonderwerpen die ik mede naar aanleiding van het regeerprogrammaaanvullend op en in afwijking van, het eerder ter informatie aan uw Kamer(d.d. 7 maart 2024) gezonden ontwerpbesluit Versterking regie volkshuis-vesting, voornemens ben te regelen. kst-36512-11ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 111 De tweede nota van wijziging voorziet voornamelijk in een aantal beperktewijzigingen van het wetsvoorstel, waaronder actualisering van termino-logie, uniformering van beroepsmogelijkheden en (actualisatie) vansamenloopbepalingen. Voor de toelichting daarop verwijs ik naar de notavan wijziging. De voorgestelde wijziging van de experimenteerbepalingvan de Omgevingswet (onderdeel C, vijfde onderdeel) licht ik hier kort toe.Op basis van de experimenteerbepaling kan bij wijze van experimentworden afgeweken van de wet- en regelgeving (zoals onder andere van deOmgevingswet en Huisvestingswet). Daarbij moet ook worden bepaaldvoor welke gemeenten het experiment geldt. Deze wijziging voorziet erindat aan een bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aangewezenexperiment, bij ministeriële regeling nieuwe gebieden kunnen wordentoegevoegd; het zogenaamde uitbreiden van een toepassingsbereik vaneen experiment. Deze aanpassing levert een versnelling van ten minstezeven maanden op ten opzichte van de huidige procedure, omdat er geenAMvB wijziging meer nodig is. Door deze wijziging kunnen anderegemeenten makkelijker en sneller gebruik maken van deze experimenten.De Crisis- en herstelwet kende eenzelfde mogelijkheid waarvan veelvuldiggebruik is gemaakt.1 Ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet blijkter behoefte te zijn aan het sneller kunnen uitbreiden van het toepassings-bereik van experimenten. Voor nadere toelichting verwijs ik naar detoelichting bij dit artikel van de nota van wijziging.De aanpassingen die ik door wil voeren in het ontwerpbesluit versterkingregie volkshuisvesting (de AMvB die onder het wetsvoorstel hangt) gaanom de uitwerking van het regeerprogramma ten aanzien van hetrealiseren van betaalbare woningen, het afschaffen van de ladder voorduurzame verstedelijking voor woningbouwlocaties en het mogelijkmaken van vergunningsvrije mantelzorgwoningen en familiewoningen.Deze wijzigingen en aanvullingen staan ten dienste van het vereenvou-digen en versnellen van procedures om te komen tot een versnelling vande woningbouw.Tot slot wil ik hierbij de gelegenheid te baat nemen om uiteen te zettenwaarom ik ervoor gekozen heb het wetsvoorstel Versterking regievolkshuisvesting voor een belangrijk deel in de Omgevingswet in tebedden, en daarmee de instrumenten en mogelijkheden die deOmgevingswet te bieden heeft ook voor de regie op de volkshuisvestingen de versnelling van de woningbouw in te kunnen zetten.2Uitwerking regeerprogramma realiseren van betaalbare woningenDe woningbouwopgave waar we voor staan is niet slechts een kwestievan volume. Het is niet alleen belangrijk dát er gebouwd wordt, maarvooral ook voor wie en wat er gebouwd wordt. Mensen met sleutelbe-roepen, zoals politieagenten, verplegers en leraren, komen er vaak niettussen bij de zoektocht naar een woning. Ook voor hen is het tekort aanwoningen groot. Daarom dient het aanbod van woningen beter aan tesluiten bij de behoefte van deze mensen en moet twee derde van allenieuwbouw bestaan uit betaalbare woningen. Het gaat dan om betaalbarekoopwoningen, woningen voor de middenhuur en sociale huur.In het hoofdlijnenakkoord, nader uitgewerkt in het regeerprogramma, zijndaarover de volgende doelstellingen geformuleerd:1Zie artikel 2.4, vijfde lid, van de Crisis- en herstelwet.2Daarmee geef ik invulling aan de motie van het lid Welzijn (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 37) omin te gaan op hoe het instrumentarium van de Omgevingswet ingezet kan worden ten gunstevan de versnelling van de woningbouw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 112 «Twee derde van de te realiseren woningen moet betaalbaar zijn, van dete realiseren woningen is tenminste 30% sociale huur. Deze 30% geldt nietper project, er moet ruimte zijn voor gebiedsdifferentiatie. Hetuitgangspunt is een goede balans in de regionale en provinciale woning-voorraad zodat zowel middeninkomens als lage inkomens in de hele regiokans op een passende en betaalbare woning hebben. Er moet balans zijnin de woonvoorraad zodat middeninkomens en lage inkomens overalevenveel kans maken op een woning.»Om deze doelstelling te realiseren is het nodig om te sturen op dewoningbouwprogrammering van het Rijk, provincies en gemeenten. Hetontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting bevat instructieregelsvoor het volkshuisvestingsprogramma van provincie en Rijk ten behoevevan de programmering van ten minste twee derde betaalbare woningen3(middenhuur én betaalbare koop) en 30% sociale huurwoningen opnationaal niveau, provinciaal niveau en regionaal niveau. Daarmee wordtde nationale woningbouwopgave doorvertaald naar provincies en regio’s,en wordt gemeenten een kader geboden voor de gemeentelijkewoningbouwprogrammering.Ten aanzien van de gemeentelijke woningbouwprogrammering vindt hetkabinet het belangrijk dat mensen met een middeninkomen en met eenlaag inkomen in alle gemeenten kans hebben op een betaalbare woning.Daarom krijgen gemeenten een verplichting (via een instructieregel op hetgemeentelijk volkshuisvestingsprogramma) om ofwel verplicht 40% vande te realiseren woningen te programmeren in het middensegment, danwel 30% sociale huur te programmeren. Bij deze uitwerking geldt alsinstructieregel voor het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma; eengemeente met meer sociale huur in de bestaande voorraad dan hetlandelijk gemiddelde sociale huur moet ten minste 40% van de terealiseren woningen richten op middeninkomens (betaalbare koop enmiddenhuur). Een gemeente met een voorraad sociale huur van minder ofgelijk dan het landelijk gemiddelde moet ten minste 30% sociale huur inde nieuwbouwopgave programmeren.De gemeente heeft zelf de ruimte om aan de hand van de lokale enregionale behoefte de concrete samenstelling van de woningen in hetmiddensegment te programmeren: betaalbare koop en middenhuur,grondgebonden of juist gestapeld. De genoemde percentages geldenbovendien niet op project of wijkniveau. Op die manier is er voorgemeenten ruimte om zelf te bepalen in welke wijken of projecten debetaalbare woningen worden gerealiseerd. De percentages gaan over alletoevoegingen van woningen: dus via nieuwbouw maar ook via bijvoor-beeld splitsing, optoppen, transformatie.Een gemeente krijgt op grond van de instructieregel slechts één opdracht:ofwel 40% middensegment, danwel 30% sociale huur. Gemeenten meteen sociale voorraad van minder dan het landelijk gemiddelde mogen inafwijking van de instructieregel een lager percentage dan 30% socialehuurwoningen programmeren als dat niet passend is én niet nodig is omop regionaal en provinciaal niveau twee derde betaalbaar en 30% socialehuurwoningen te realiseren. Daar hoort wel een onderbouwing enafstemming bij. Het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvestingvoorziet hiervoor in een bevoegdheid van de provincie (en Rijk), om eenontheffing te verlenen van de rijksinstructieregels of afwijkende provin-ciale regels te stellen. Gemeenten die van mening zijn dat dit voor hen3Betaalbare woningen zijn: betaalbare koopwoningen (tot € 390.000, deze bovengrens wordtperiodiek aangepast aan de hand van de cpi-index), middenhuur (tot 186 WWS-punten), ensociale huur (tot 144 WWS-punten).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 113 geldt overleggen daarover eerst met andere gemeenten in de regio. Bijhet overwegen van afwijkingen van de instructies geldt dat de totalegemeentelijke programmering in een woningbouwregio te allen tijdemoet leiden tot twee derde betaalbare woningen en 30% sociaal huur.De provincie krijgt in het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuis-vesting geen bevoegdheid om voor gemeenten hogere betaalbaarheids-percentages te stellen. Daardoor zou namelijk de financiële uitvoer-baarheid van projecten in het gedrang komen.Voorgenomen wijzigingen t.o.v. het geconsulteerde besluit:Het realiseren van 30% sociale huur op regionaal, provinciaal en nationaalniveau wordt expliciet geborgd. Dat gebeurt door toevoeging in hetontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting van een instructieregelop dezelfde wijze als de doelstelling van twee derde betaalbare woningen.Daarmee wordt de doelstelling rond de nieuwbouw van sociale huurwo-ningen aangescherpt ten opzichte van het eerder geconsulteerde besluit.Gemeenten krijgen één instructieregel mee ten aanzien van de betaalbaar-heidsprogrammering. Dit geeft gemeenten de ruimte om bij de verdelingvan de twee derde betaalbare woningen te kijken naar wat nodig is enpassend bij iedere afzonderlijke gemeente. Het voordeel van dezeuitwerking is dat het startpunt voor de betaalbaarheidsprogrammeringhelder is en de ruimte geeft aan gemeenten om te differentiëren als datbeter past. De mogelijkheid voor een gemeente om een lager percentagesociale huur te realiseren wordt in het voorgenomenbesluit Versterkingregie volkshuisvesting verruimd, zodat er meer mogelijkheden zijn om inoverleg tussen gemeenten tot gebiedsdifferentiatie te komen, die past bijde woningmarkt in verschillende gemeenten en past bij de specifiekelocaties.Uitzetten ladder voor duurzame verstedelijkingIn het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel over deLadder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) opgenomen. Degrote woningbouwopgave maakt het noodzakelijk om het benutten vanzowel binnen- als buitenstedelijke locaties voor woningbouw te versnellendoor onnodige belemmeringen en knelpunten weg te nemen. De Ladderbrengt extra onderzoekslasten, tijd en kosten met zich mee en kandaardoor uitvoering van woningbouwprojecten onnodig vertragen enbemoeilijken. Daarom wil ik via het Besluit versterking regie volkshuis-vesting de Ladder voor het onderdeel «woningbouw» uitzetten. Ditvermindert de onderzoekslasten wanneer woningbouw wordt voorzien.Hiermee kom ik ook tegemoet aan de motie Mooiman (PVV)4 en de motieMeulenkamp (VVD) c.s.5 Anders dan in het geconsulteerde ontwerpbesluitVersterking regie volkshuisvesting opgenomen, ben ik voornemens deLadder volledig buiten toepassing te verklaren voor het onderdeel«woningbouw» en niet enkel voor projecten tot 50 woningen.Gezien de aanleiding om de Ladder voor woningbouwprojecten uit tezetten, is het niet doelmatig als de Ladder op decentraal niveau op eenvergelijkbare wijze opnieuw wordt ingevoerd. Ik bekijk daarom nog opwelke wijze dit kan worden voorkomen.4Motie van lid Mooiman (PVV), Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 199.5Motie van lid Meulenkamp (VVD) cs. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII,nr. 33.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 114 Vergunningsvrije mantelzorgwoningen en familiewoningenIk vind het belangrijk dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig in huneigen leefomgeving kunnen blijven wonen als zij dat willen. Hetbijbouwen van een mantelzorgwoning op bestaande kavels kan hier eenoplossing voor bieden. Ik wil dan ook dat het mogelijk wordt om – binnenuit te werken voorwaarden – vergunningsvrij een mantelzorgwoning opeen achtererf bij een woning te bouwen. In aanvulling op het geconsul-teerde ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting wil ik dezeregeling ook van toepassing laten zijn op familieleden in de eerste graad.Op dit moment ben ik bezig met de uitwerking van de betreffenderegeling. Dit doe ik in afstemming met betrokken bewindslieden enstakeholders, onder wie de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, deStaatssecretaris van Openbaar Vervoer en Milieu en de Vereniging vanNederlandse Gemeenten. Deze instructieregel wil ik via het Besluitversterking regie volkshuisvesting opnemen in het Besluit kwaliteitleefomgeving.Instrumenten en kansen OmgevingswetDe Omgevingswet staat voor een goede balans tussen benutten enbeschermen van de fysieke leefomgeving. Vanuit de ambitie van de wetom ruimte voor ontwikkeling te geven in combinatie met waarborgen vankwaliteit, draagt de Omgevingswet bij aan enerzijds een snellere realisatievan maatschappelijke en economische opgaven die in Nederland nodigzijn en anderzijds aan het behoud of de verbetering van kwaliteit van defysieke leefomgeving van ons land. De woningbouwopgave is één van diebelangrijke maatschappelijke opgaven. Die opgaven zijn steeds meer metelkaar verbonden, zo is de woningbouwopgave verbonden met deenergietransitie (bijv. netcongestie en klimaataanpak gebouwdeomgeving), de bereikbaarheid, de natuurdoelen (bijv. stikstof), dewateropgaven en de milieubescherming (bijv. geluid). Omdat de opgavenzo nauw samenhangen en het werken vanuit een sectorale benaderingsteeds complexer werd is met de Omgevingswet voor een integralebenadering gekozen.De mogelijkheden van de Crisis- en herstelwet zijn grotendeels in deOmgevingswet opgegaan. Zo kent ook de Omgevingswet een experimen-teerbepaling, die het mogelijk maakt via een AMvB tijdelijk van de regelsaf te wijken om zo te leren van het experiment. De bestuursrechtelijkeversnellingen uit de Crisis- en herstelwet zijn overgenomen in deOmgevingswet voor de projectprocedure. Veel van de categorieënprojecten die in de Crisis- en herstelwet vielen onder de bestuursrechte-lijke versnellingen, vallen onder de Omgevingswet, onder de projectpro-cedure. Op die projecten zijn de bestuursrechtelijke versnellingen dus nogsteeds van toepassing. Zoals toegelicht aan het begin van deze brief zal –met de voorgestelde wijziging van de Omgevingswet als opgenomen inde nota van wijziging – het gemakkelijker worden om het toepassings-bereik van bestaande experimenten uit te breiden.Daarnaast zijn de regels over grondeigendom en kostenverhaal in de wetopgenomen, die van groot belang zijn bij de ontwikkeling van de fysiekeleefomgeving. Ook bevat de wet procedurebepalingen en is daarmee debesluitvorming over vergunningen voor projecten in de fysieke leefom-geving verbeterd en versneld. Voor omgevingsvergunningen is de korte(reguliere) procedure met een beslistermijn van maximaal acht weken hetuitgangspunt, tenzij dit niet mogelijk is op grond van internationaleverplichtingen of de uitgebreide voorbereidingsprocedure doelmatigerwordt geacht. Met de reguliere procedure kan in bepaalde gevallen snelen flexibel worden afgeweken van het omgevingsplan. Om hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 115 omgevingsrecht eenvoudiger te maken bevat de Omgevingswet eenbeperkt aantal kerninstrumenten om doelen in de fysieke leefomgeving terealiseren. Deze instrumenten hebben elk een duidelijke beleidsmatige ofjuridische functie. Doordat met het wetsvoorstel Versterking regievolkshuisvesting, de evenwichtige samenstelling van de woningvoorraadeen expliciet onderwerp in de Omgevingswet wordt, kunnen de instru-menten van de Omgevingswet ook ingezet worden voor de regie op devolkshuisvesting.KerninstrumentenDe kerninstrumenten zijn: de omgevingsvisie, het programma, decentraleregels (waaronder het omgevingsplan), (algemene) rijksregels, deomgevingsvergunning en het projectbesluit. Voor de verschillendeopgaven in de fysieke leefomgeving wordt dus steeds uit dezelfdeinstrumentenkist geput.De omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan met het beleidover de gehele fysieke leefomgeving. De visie houdt rekening met alleontwikkelingen in een gebied. Het Rijk, de provincie en de gemeentestellen elk een omgevingsvisie vast voor hun hele grondgebied. Alvooruitlopend op de Omgevingswet heeft het Rijk een eerste nationaleomgevingsvisie vastgesteld. Het kabinet werkt aan de opvolger daarvan,de Nota Ruimte. De omgevingsvisies van Rijk, provincie en gemeentezullen ook ingaan op woningbouw en volkshuisvesting als één van debelangrijke maatschappelijke opgaven waar we voor staan.Het programma kunnen overheden inzetten voor uitwerking, doorwerkingof uitvoering van beleid en bevat maatregelen om de leefomgeving tebeschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. Het programmakan zich op een onderwerp richten maar ook op een bepaalde bedrijfs-sector of een gebied. Verschillende overheden kunnen ook samen eenprogramma opstellen. Voor sommige onderwerpen verplicht deOmgevingswet de overheid een programma op te stellen. Dat gebeurtvooral ter uitvoering van Europese verplichtingen, maar het wetsvoorstelVersterking regie volkshuisvesting stelt ook het volkshuisvestingspro-gramma verplicht voor de gemeenten, de provincies en het Rijk. Over deinhoud van deze programma’s worden door middel van rijksregels, in ditgeval instructieregels, in het Bkl, eisen gesteld.Decentrale overheden hebben één regeling voor de fysieke leefomgevingvoor hun hele grondgebied. Dit zijn: het gemeentelijk omgevingsplan, deprovinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Hierinstaan verschillende soorten regels.Het omgevingsplan vervangt onder meer het geldende bestemmingsplan.Voorheen hadden gemeenten meerdere bestemmingsplannen voor hungrondgebied. Onder de Omgevingswet moet iedere gemeente éénomgevingsplan voor haar hele grondgebied vaststellen. Hetomgevingsplan heeft een bredere reikwijdte dan de oude bestemmings-plannen, omdat het over de hele fysieke leefomgeving gaat. Gemeentenkrijgen de ruimte om omgevingsplannen als het nodig is globaler enflexibeler in te richten dan het bestemmingsplan. Zo kan hetomgevingsplan ook ruimte bieden voor initiatieven die nog niet helemaaluitgewerkt zijn.Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerkenleefomgeving (Bbl) bevatten de algemene rijksregels voor activiteiten inde leefomgeving. Hierdoor hoeven burgers en bedrijven voor activiteitenniet steeds toestemming te vragen aan de overheid. Omdat algemeneTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 116 regels niet altijd goed passen bij een specifieke situatie geven het Bal enhet Bbl de mogelijkheid om onder voorwaarden van de algemene regelsaf te wijken met maatwerkvoorschriften of maatwerkregels. In het Bbl zijndie voorwaarden overigens streng omwille van de landelijke uniformiteitin de bouwregelgeving, en is het voor gemeenten niet toegestaan omaanvullende eisen te stellen.Het projectbesluit ten slotte is een uniforme procedure voor besluit-vorming over complexe projecten van het Rijk, een provincie of eenwaterschap. Ook kan het projectbesluit ingezet worden voor privateinitiatieven die samenvallen met het bereiken van publieke doelen.Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, waterkering of hoogspanningsver-binding. Een projectbesluit regelt in dezelfde procedure de afwijking vanhet omgevingsplan en kan ook gelden als een omgevingsvergunning. Hetprojectbesluit kent een vaste procedure die uit verschillende stappenbestaat.Naast de kerninstrumenten bevat het wettelijk stelsel regels die deuitoefening van taken en bevoegdheden van overheden inkaderen. DeOmgevingswet zelf en het Omgevingsbesluit bevatten de procedureleregels waaraan overheden zich moeten houden bij het uitoefenen vanbevoegdheden. Zo bevat het Omgevingsbesluit de verantwoordingsplichtover participatie, die het belang van vroegtijdige betrokkenheid vanbelanghebbenden bij de besluitvorming over projecten tot uitdrukkingbrengt. Dit vergroot het draagvlak voor het te nemen besluit en kan leidentot tijdwinst omdat onnodige procedures worden voorkomen.Met het voorgenomen besluit Versterking regie volkshuisvesting wordenin het Omgevingsbesluit tijdelijk – voor een periode van 10 jaar – besluitenvoor categorieën van projecten aangewezen waarop de procedureleversnellingen uit het wetsvoorstel van toepassing zijn. Voor deze besluitengeldt:•vervanging van huidige beroep in twee instanties door beroep in ééninstantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;•uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statebinnen zes maanden;•versnelde behandeling van beroep door de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State;•geen mogelijkheid om beroepsgronden aan te vullen na afloop van deberoepstermijn.Veel van deze versnellingen gelden op dit moment al voor projectbe-sluiten en voor besluiten ter uitvoering hiervan, net zoals voor dieprojecten al het geval was onder bijvoorbeeld de Crisis- en herstelwet ende Tracéwet.Het Bkl bevat normen voor de kwaliteit van de leefomgeving die gerichtzijn tot de overheden. Dit gebeurt deels in de vorm van omgevings-waarden waarmee doelstellingen wettelijk worden vastgelegd enoverheden zelf de keuze hebben hoe deze worden bereikt. Daarnaastbevat dit besluit regels van het Rijk die direct ingrijpen op het beleid en debesluitvorming van overheden. Bijvoorbeeld de instructieregels waarmeehet Rijk kan sturen op de uitoefening van bevoegdheden van overhedenom de doorwerking van nationale belangen te verzekeren. Het ontwerpbe-sluit Versterking regie volkshuisvesting bevat diverse nieuwe instructie-regels over de volkshuisvestingprogramma’s en de omgevingsverorde-ningen. In het ontwerpbesluit wordt ook maatwerk geboden. Zo mogengemeenten met een sociale voorraad van minder dan het landelijkgemiddelde een lager percentage dan 30% sociale huurwoningenprogrammeren als dat niet passend is én niet nodig is om op regionaal enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 117 provinciaal niveau twee derde betaalbaar en 30% sociale huurwoningen terealiseren.KansenMet de instrumenten van de Omgevingswet kunnen de verschillendebestuurslagen adequaat zorg dragen voor een gezonde en veiligeleefomgeving en ontwikkelingen mogelijk maken om in maatschappelijkebehoeften te voorzien, zoals woningbouw. De instrumenten uit de wetgeven – in combinatie met de vereenvoudiging van regels en deversnelling van procedures – gemeenten, waterschappen, provincies enhet Rijk de mogelijkheid om snel en flexibel in te spelen op ontwikke-lingen als dat nodig is. Denk aan een omgevingsplan met globalebepalingen voor een gebiedsontwikkeling die nader ingevuld wordt of eenvergunning voor een activiteit als woningbouw om snel en flexibel af tewijken van het omgevingsplan. Verder heeft de stelselherziening van hetomgevingsrecht een impuls gegeven aan de bestuurlijke cultuur enambtelijke samenwerking op het gebied van het omgevingsrecht.Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting ziet op nieuwnationaal beleid. Het wetsvoorstel maakt gebruik van het systeem en deinstrumenten van de Omgevingswet. Daarmee ontstaat de mogelijkheidvoor het Rijk en provincies om instructieregels te stellen of instructies tegeven over hoeveel, waar en voor wie er gebouwd wordt. Het Rijk kanhier ook de provincies toe opdragen via een getrapte instructie. Rijk en deprovincie hebben de bevoegdheid om een knoop door te hakken over eenwoningbouwlocatie als dit op lokaal niveau onvoldoende lukt. Alsmedeoverheden er onderling niet uitkomen, kan de Minister in het uiterstegeval locaties aanwijzen. Daar waar overheden achterblijven met hetrealiseren van voldoende betaalbare woningen op provinciaal en lokaalniveau, kan de Minister een wettelijk opdracht geven om hetomgevingsplan aan te passen, dan wel in een uiterst geval, zelf hetomgevingsplan aanpassen.Ook bevat het wetsvoorstel een algemene wettelijke grondslag voor deaanwijzing van besluiten voor categorieën projecten waarvan deversnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschap-pelijke belangen waarop procedurele versnellingen van toepassing zijn.Deze grondslag zal behalve voor woningbouwprojecten, van 12 of meerwoningen, ook worden gebruikt door de Minister van Klimaat en GroeneGroei voor een selecte groep van energieprojecten. Overheden krijgenhiermee de wettelijke instrumenten om sneller tot besluitvorming tekomen. Met de inbedding van het wetsvoorstel Versterking regievolkshuisvesting in de Omgevingswet kunnen het Rijk, provincies engemeenten de regie hernemen op de volkshuisvesting en op de woning-bouwopgave in het bijzonder.In de motie van het lid Welzijn (NSC)6 wordt opgeroepen het wettelijkinstrumentarium optimaal te benutten om tot versnelling van woning-bouwprojecten te komen, lerend van de Crisis- en herstelwet. Hetwetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting zal, zoals hierboven isgeschetst, bijdragen aan een optimale benutting van het wettelijkeinstrumentarium. Daarnaast beziet het kabinet, zoals aangegeven in hetregeerakkoord, andere mogelijkheden voor het versnellen van dewoningbouw met efficiëntere processen en procedures. In de motie vanhet lid De Groot (VVD) wordt verzocht om te komen tot versnelling engebundelde aanpak van buitenstedelijke locaties en aan te geven welkinstrumentarium in de Omgevingswet daarvoor kan worden ingezet. Met6Motie van het lid Welzijn (NCS) cs. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025,36 600 XXII, nr. 37.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 118 bovenstaande beschrijving van het instrumentarium in de Omgevingswetvoor versnelling van de woningbouw wordt deze motie uitgevoerd7.Spoedige behandeling wetsvoorstelGelet op de omvang van de volkshuisvestelijke opgave, is de maatschap-pelijke urgentie van dit wetsvoorstel groot. Spoedige inwerkingtredingvan het wetsvoorstel is daarom gewenst. Ik zie dan ook uit naar eenspoedig vervolg van de behandeling van het wetsvoorstel. Dit is ook vanbelang in het licht van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).8Eén van de mijlpalen in het HVP is de inwerkingtreding van de wetVersterking regie volkshuisvesting om te zorgen voor versnelling van dewoningbouw. De deadline voor inwerkingtreding die met de EuropeseCommissie is afgesproken is 1 juli 2025. Als mijlpalen en doelstellingen uithet HVP niet (tijdig) worden gehaald, kan dit leiden tot kortingen op detotale voor Nederland beschikbare middelen uit de Herstel- en Veerkracht-faciliteit (HVF) en dit kan tevens afbreuk doen aan het HVP op nationaal enEuropees niveau.9 Ik zie, mede met deze urgentie in mijn achterhoofd, uitnaar een spoedige behandeling.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. Keijzer7Motie van het lid De Groot (VVD) cs. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII,nr. 31.8In de EU zijn tijdens de coronapandemie afspraken gemaakt om een herstelfonds op te zettenom economische herstel, vergroening, digitalisering en veerkracht in de lidstaten financieel teondersteunen. De Herstel- en Veerkrachtfaciliteit bevat € 385,8 mld. aan leningen en € 338 mld.aan subsidies voor de lidstaten.9Indien een mijlpaal of doelstelling niet is behaald, stelt de Europese Commissie vast hoeveel ergekort zal worden op de middelen. Hiervoor hanteert de Europese Commissie een methodo-logie die eerder met uw Kamer is gedeeld Kamerbrief 21501-07-1970. De korting op deuitbetaling van de HVF-middelen, die uit deze methodologie van de Commissie volgt, kanoplopen tot € 600 miljoen per mijlpaal of doelstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 119

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · c659e255f53fd016

14 okt 2026 · 17103eb574c4e166

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.