KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over programma-aanpak Small Modular Reactors (Kamerstuk 32645-123)

10 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie d003eba5c2ccdc54 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 645KernenergieNr. 130 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 10 juni 2024 De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Klimaat enEnergie over de brief van 22 maart 2024 over de Programma-aanpakSmall Modular Reactors (Kamerstuk 32 645, nr. 123).De vragen en opmerkingen zijn op 26 april 2024 aan de Minister voorKlimaat en Energie voorgelegd. Bij brief van 10 juni 2024 zijn de vragenbeantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,StofferAdjunct-griffier van de commissie,Reinders kst-32645-130ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1301 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deMinisterVragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie danken de Minister voor de brief over deProgramma-aanpak Small Modular Reactors. Deze leden juichen deontwikkeling van small modular reactors (SMR’s) toe. Zij hebben devolgende vragen.1De leden van de PVV-fractie vragen op welke manier, in welke mate en opwelke termijn er in deze en andere landen essentiële praktijkervaringworden opgedaan ten behoeve van programmalijnen 1 en 2.AntwoordIk volg internationale ontwikkelingen met grote interesse. Leren vanlessen uit het buitenland voorkomt mogelijk first-of-a-kind problematieken is essentieel in de kennisopbouw over SMR’s. Daarvoor is regelmatigcontact over nucleaire ontwikkelingen met de overheden van onder meerCanada, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Zuid-Korea, de VerenigdeStaten, Zweden, Slovenië, Tsjechië en Polen. Veel van dit contact is eropgericht om relevante kennis op te doen over de SMR-ontwikkelingen.Verder worden, zoals benoemd in mijn brief over de voortgang ontwikke-lingen nucleaire kennis- en innovatiestructuur van 20 december jl.,samenwerkingsverbanden afgesloten met Zuid-Korea, Frankrijk en deVerenigde Staten. Hierbij wordt ook verkend wat de mogelijkheden zijnom samen te werken op het gebied van SMR’s.Wat betreft multilaterale samenwerking volgt Nederland onder meer tweeverschillende gremia op de voet, om zo uit eerste hand relevante kennis-en praktijkervaring vanuit andere landen op te doen. Nederland neemtbijvoorbeeld deel aan het nieuwe initiatief van het Nucleaire EnergieAgentschap (NEA) van de Organisatie voor Economische Samenwerkingen Ontwikkeling (OESO): Accelerating SMR’s for Net Zero. Ook volg ik dezogenoemde Industriële Alliantie voor SMR’s met grote interesse. DeAlliantie is in februari gelanceerd door de Europese Commissie (EC) en zetzich onder meer in om de uitrol van SMR’s in Europa te versnellen en deEuropese nucleaire industrie voor te bereiden op de SMR-ontwikkelingen.Ik sta positief tegenover de oprichting van deze Alliantie en zet mij actiefin om Nederlandse marktpartijen te koppelen aan dit initiatief. Dit initiatiefkan mogelijk bijdragen aan het versterken van de positie van de Neder-landse maakindustrie, zowel op de lokale als op de internationale markt.Tijdens een startevenement eind maart in Brussel bleek dat een aantalNederlandse partijen lid zijn geworden van de Alliantie. De kennis enervaringen die worden gedeeld binnen deze internationale gremia kunnenbijdragen aan het versnellen van de SMR-ontwikkelingen in Nederland.Verder zoekt de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming(ANVS) actief internationale samenwerking op om essentiële voorberei-dende kennis op te doen. Ter voorbereiding op een mogelijk vergunnings-traject van SMR’s onderzoeken toezichthouders uit verschillende landenhoe (een gedeelte van) elkaars veiligheidsbeoordeling kan wordengebruikt. De vergunningverlening kan mogelijk worden versneld wanneerdelen van de veiligheidsbeoordeling uit andere landen door de ANVSkunnen worden gebruikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1302 2De leden van de PVV-fractie vragen hoe groot en concreet de belang-stelling voor (de toepassing van) SMR’s in het bedrijfsleven, onderzoek enlokaal bestuur momenteel is.AntwoordEen aantal provincies en gemeenten heeft concrete belangstelling voor(de toepassing van) SMR’s in hun provincie of gemeente (zie ook hetantwoord op vraag 4). Deze interesse varieert van het doen van onderzoeknaar de mogelijkheden van SMR’s tot concrete doelstellingen voor hetrealiseren van één of meerdere SMR’s. Ook is er belangstelling voorSMR’s vanuit potentiële (industriële) afnemers die willen voorzien in hunbehoefte aan CO2-vrije energie. Verder zijn er verschillende bedrijven enkennisinstellingen uit de nucleaire sector en daarbuiten met belangstellingvoor SMR’s, zowel in de onderzoeksfase als in de bouwfase. De ontwikke-lingen rondom SMR’s bieden mogelijk kansen voor de Nederlandsemaakindustrie zowel in Nederland als daarbuiten. Eén van de doelstel-lingen van de programma-aanpak is dan ook om de mogelijke kansenvoor Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen te concretiseren,afhankelijk van de vorderingen en financieringsmogelijkheden inNederland en het buitenland. Met het oog op bedrijfsgevoelige informatiewordt hier niet ingegaan op individuele partijen of kennisinstellingen.3Op welke schaal en op welke termijn verwacht de Minister simulaties(programmalijn 1) met stakeholders?AntwoordNaar verwachting starten de simulaties in het vierde kwartaal van dit jaaren lopen deze in ieder geval door tot medio 2025. Op dit moment wordende simulaties verder uitgewerkt, waarbij actief de samenwerking wordtopgezocht met medeoverheden. Naar verwachting zullen er vijf verschil-lende simulaties plaatsvinden die aansluiten bij de vijf thema’s vanprogrammalijn 2 van de programma-aanpak. Het gaat dan bijvoorbeeldom vraagstukken rondom ruimtelijke en energetische inpassing, vergun-ningverlening en bouw en waardeketen. Een simulatie duurt naarverwachting een aantal dagen. De thematische insteek geeft stakeholders,waaronder provincies, de mogelijkheid om aan te sluiten bij de simulatiesop thema’s die voor hen relevant zijn.4Welke lokale besturen zien welke mogelijkheden ten aanzien van SMR’s?AntwoordEen aantal provincies heeft zich in de provinciale coalitieakkoordenexpliciet uitgesproken over (het realiseren van) kernenergie, mogelijk viaSMR’s. Het gaat dan om de provincies Zeeland, Gelderland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-Brabant, Flevoland, Limburg en Utrecht. Demogelijkheden die worden gezien verschillen per provincie en de inzetfocust zich in de meeste provincies tot nu toe op het doen van onderzoek,bijvoorbeeld naar de mogelijke rol van SMR’s in lokale energiesystemenof geschikte locaties voor de realisatie van SMR’s. Een aantal provincies,waaronder Limburg, Overijssel en Drenthe heeft interesse in het reali-seren van één of meerdere SMR’s. Verder zijn er in de afgelopen periodein verschillende provincies moties aangenomen over SMR’s, waarinbijvoorbeeld wordt opgeroepen tot het doen van locatie-onderzoek. Ookin een aantal gemeenten is concrete interesse in de (realisatie van) SMR’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1303 5De leden van de PVV-fractie vragen welke lokale vraagstukken momenteelspelen bij de provincies die een belemmering voor de gesimuleerdescenario’s kunnen zijn.AntwoordDe simulaties zijn nog niet gestart (zie ook het antwoord op vraag 3). Desimulaties hebben onder andere tot doel om op een laagdrempeligemanier mogelijke knelpunten bij de ontwikkeling van SMR’s in Nederlandin kaart te brengen, waaronder bij de provincies. De thematische insteekgeeft stakeholders, waaronder provincies, de mogelijkheid om aan tesluiten bij simulaties op thema’s die voor hen relevant zijn. Het gaat danbijvoorbeeld om vraagstukken rondom ruimtelijke en energetischeinpassing, vergunningverlening en bouw, en de waardeketen.6De leden van de PVV-fractie vragen waarom de rol van SMR’s niet eerder– ook vóór 2030 – verkend, zeker vanwege ruimtelijke vraagstukken.AntwoordMet de programma-aanpak wordt de mogelijke potentie voor en de rolvan SMR’s in het Nederlandse energiesysteem verkend. Ruimtelijkevraagstukken maken daar deel vanuit. Deze verkenning vindt nu plaatszodat er, mochten er op commerciële schaal SMR’s beschikbaar komen,tijdig op realisatie kan worden ingezet. Bij de uitwerking van de ruimtelijkevraagstukken zal worden aangesloten bij de richtingen uit de nieuwe NotaRuimte, waar momenteel aan wordt gewerkt. De realisatie van een SMR inNederland vóór 2030 lijkt op dit moment niet realistisch met oog op dedoorlooptijden van vergunningverlening en bouw.1 De programma-aanpak levert naar verwachting een scherper beeld op van de doorloop-tijden van de verschillende aspecten van realisatie.7De leden van de PVV-fractie vragen welke noodzakelijke randvoorwaardenaangaande ruimtelijk beleid de Minister thans voor ogen heeft.AntwoordEr is vanuit verschillende stakeholders behoefte aan duidelijkheid over desturing op ruimtelijke inpassing, met name wat betreft het bevoegd gezagen daarbij behorende verantwoordelijkheidsverdeling, participatie, en dewijze waarop er wordt toegewerkt naar een locatiekeuze. Om degeschiktheid van potentiële locaties te kunnen beoordelen moet er inieder geval worden gekeken naar vraagstukken rondom veiligheid, de(lokale) elektriciteit- of warmtevraag en het aanbod vanuit een mogelijkgeselecteerd type SMR, de technische vereisten van het type SMR,specifieke karakteristieken van de locatie en de effecten op leefomgevingen milieu (door middel van de Milieueffectenrapportage).8.1Welke ruimtelijke belemmeringen voorziet de Minister voor SMR’s doorde huidige uitrol van de Regionale energiestrategieën (RES), waarinSMR’s immers niet worden verkend?AntwoordOp dit moment bevat de opdracht aan de Regionale Energie Strategieën(RES’en) geen expliciete verkenning van SMR’s. Het staat de regio’suiteraard vrij om de rol van SMR’s in regionale energiesystemen teverkennen voor de periode na 2030. Om te komen tot een visie op1Kamerstuk 32 645, nr. 123Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1304 inpassing in het lokale en regionale energiesysteem bouwt deprogramma-aanpak voort op de Cluster Energiestrategie 3.0 (CES 3.0) ende provinciale Cluster Energiestrategieën (pCES’sen). Hierdoor wordtspecifieke kennis opgehaald die nodig is voor de inpassing van SMR’s inregionale energiesystemen. Wanneer inzichten uit het SMR-programmaleiden tot een ander beeld ten aanzien van doorlooptijden voor realisatie,kan dit mogelijk leiden tot herziening van de manier waarop SMR’skunnen worden meegenomen in de RES’en.8.2De leden van de PVV-fractie vragen hoe de aangenomen motie-Kops(Kamerstuk 36 200 XIII, nr. 33) over het uitbreiden van de capaciteit van deAutoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming uitgevoerd.AntwoordZoals toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 22 maart is het mogelijkdat andere toetsingskaders nodig kunnen zijn voor geavanceerde typenSMR’s.2 Dit vraagt om investeringen in de capaciteit van de ANVS, naastde benodigde extra capaciteit voor de nieuwbouw van conventionelekerncentrales. De invulling van beide capaciteitsvraagstukken wordt op ditmoment uitgewerkt, in samenspraak met de Minister van Infrastructuur enWaterstaat. De verwachting is dat de ANVS op korte termijn de eerstemensen kan werven. In een eerder stadium zijn ook financiële middelentoegekend aan de extra capaciteitsopbouw van de ANVS om te antici-peren op de bedrijfsduurverlenging en de nieuwbouw.9Welke versnelling in de ontwikkeling van SMR’s zou hier mogelijk zijn?AntwoordDe vergunningverlening bepaalt voor een deel de tijd die nodig is om tekomen van een concept tot realisatie (bouw) van een kerncentrale. Op hetmoment dat er in andere landen een SMR wordt vergund, zou datmogelijk de realisatie in Nederland kunnen versnellen. Zoals aangegevenbij het antwoord op vraag 1, zoekt de ANVS actief internationale samen-werking op om essentiële voorbereidende kennis op te doen. Devergunningverlening kan mogelijk worden versneld wanneer delen van deveiligheidsbeoordeling uit andere landen door de ANVS kunnen wordengebruikt.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen de brief over de Programma-aanpak Small Modular Reactors.10Deze leden vragen tegelijkertijd of de verwachtingen van SMR’s niet tehoog oplopen, gezien de grote risico’s en onzekerheden omtrent detechnische en financiële haalbaarheid ervan.AntwoordSMR’s kunnen mogelijk een belangrijke rol spelen in een stabiel,CO2-neutraal en divers energiesysteem. Tegelijkertijd zijn er op ditmoment in gelijkgezinde landen nog geen SMR’s gerealiseerd. Om diereden kan er nog geen volledige zekerheid worden gegeven over detechnische en financiële haalbaarheid van SMR’s. Gelet op hetvoorgaande, is de programma-aanpak gericht op het anticiperen op2Kamerstuk 32 645, nr. 123Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1305 mogelijke realisatie in Nederland en het beantwoorden van urgentevragen van stakeholders. Het doel is om de mogelijke potentie envoorwaarden voor ontwikkeling en bouw van SMR’s verder te concreti-seren en om stakeholders in een geïnformeerde positie te brengen. Op diemanier kan in gezamenlijkheid de vooruitgang op het gebied van SMR’sworden gevolgd en kan er adequaat op die ontwikkelingen wordeningespeeld. Met de stapsgewijze aanpak die volgt uit de programma-aanpak zal meer inzicht worden verkregen over de mogelijke potentie vanSMR’s in het Nederlandse energiesysteem.11De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat SMR’s nog in hunkinderschoenen staan. Klopt het dat er nog geen SMR’s, naast een enkeleproefreactor, operationeel zijn?Antwoord 11Nee, dat klopt niet. In zowel Rusland (twee KLT-40S reactors met eenelektrisch vermogen van 2x35 MW) als in China (een HTR-PM reactor meteen elektrisch vermogen van 210 MW) zijn er SMR’s operationeel.12Kan er desondanks een inschatting worden gemaakt van de ontwikkel-termijn en kosten van SMR’s en de kosten per kWh in vergelijking totbijvoorbeeld wind- en zonne-energie en waarop baseert de Minister zichhierbij?AntwoordDe marktanalyse die NRG begin 2023 in opdracht van het Ministerie vanEconomische Zaken en Klimaat (EZK) heeft uitgevoerd, geeft een overzichtvan de verschillende ontwikkeltermijnen en kosten voor diverse typenSMR’s.3 In deze marktanalyse wordt de minimale doorlooptijd voorvergunningverlening en bouw van een SMR op circa zeven jaar geschat,mits deze is gebaseerd op conventionele technieken en het een ontwerpbetreft dat al eens is gebouwd.De marktanalyse geeft ook een nadere duiding voor wat betreft kostenra-mingen. Deze ramingen lopen sterk uiteen. Een indicatieve waarde die kanworden genoemd is de levelized-cost-of-electricity (LCOE), die voor SMR’sgrofweg tussen de 42 €/MWh en 102 €/MWh ligt. Kosten voor eenfirst-of-a-kind (FOAK) liggen hoger dan voor een zogenoemde n’th-of-a-kind (NOAK). Volgens de marktanalyse is een 25% kostenreductie teverwachten bij een NOAK t.o.v. een FOAK. De LCOE ligt daarmee hoger invergelijking met wind en zonne-energie. Het is echter belangrijk om deprijs van elektriciteit uit kerncentrales ook te bezien vanuit het perspectiefvan systeemkosten, waarbij eveneens gekeken wordt naar de benodigdeinvesteringen in aspecten als de opslagcapaciteit en transmissie bijverschillende vormen van elektriciteitsproductie. Kerncentrales kunneneen zeer stabiele basislast aan elektriciteit leveren en zijn daarmee binnenhet energiesysteem complementair aan hernieuwbare energiebronnenzoals wind- of zonne-energie, die meer fluctueren op basis van deweersomstandigheden.De scenariostudie kernenergie van 2022, uitgevoerd door Witteveen+Bos,biedt inzichten met betrekking tot de mogelijke kosten van SMR’s en hoedeze op basis van hun kostenprofiel passen in het Nederlandse energie-systeem. De conclusie van deze scenariostudie is dat, mits SMR’s hun3NRG, Small Modular Reactors 2023, Marktanalyse. Mei 2023. nrg-marktanalyse-small-modular-reactors-2023-rapport-mei-2023-1.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1306 voorziene kostenontwikkeling kunnen waarmaken, er een belangrijke rolkan zijn voor SMR’s in een toekomstig energiesysteem.413Zijn er reeds plekken vastgesteld waar een SMR moet komen?AntwoordNee, er zijn nog geen locaties vastgesteld waar een SMR kan komen. Omte kunnen komen tot locatiekeuzes voor SMR’s, is het belangrijk om inkaart te brengen wat de potentiële rol van SMR’s kan zijn voor hettoekomstige Nederlandse energiesysteem. Verder is het van belang omruimtelijke randvoorwaarden te concretiseren. Gekozen wordt om testarten vanuit een visie op inpassing in het lokale/regionale energie-systeem door voort te bouwen op de Cluster Energiestrategie 3.0 (CES3.0) en de provinciale Cluster Energiestrategieën (pCES’sen). Na hetuitkomen van de CES 3.0 (september 2024) wordt een eerste analyse vande lokale energievraag gemaakt.Verder wordt gestart met een beleidsanalyse om de ruimtelijke randvoor-waarden te kunnen verhelderen. Voor de ruimtelijke randvoorwaardenmoet in ieder geval worden gekeken naar vraagstukken rondomveiligheid, de (lokale) elektriciteit- of warmtevraag en het aanbod vanuiteen mogelijk geselecteerd type SMR, de technische vereisten van het typeSMR en locatiekarakteristieken en de effecten op leefomgeving en milieu(door middel van de Milieueffectenrapportage). Ook is het van belang omte kijken naar in hoeverre locaties geschikt zijn voor het realiseren vanbeschermingsmaatregelen, mocht zich onverhoopt een ongevalvoordoen. Op basis van de energetische en ruimtelijke analyse kan eruiteindelijk worden toegewerkt naar mogelijke locatiekeuzes. Bij hetuitwerken van ruimtelijke voorwaarden wordt aansluiting gezocht bij deNota Ruimte, waarin (integrale) ruimtelijke keuzes worden gemaakt overde toekomstige inrichting van Nederland.14De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat enkeleprovincies de mogelijkheden voor SMR’s onderzoeken. De provincieGelderland hoopt binnen acht jaar een draaiende SMR te hebben tenkoste van nieuwe windenergieprojecten. Acht de Minister dit haalbaar?AntwoordIn de marktanalyse van NRG wordt de minimale doorlooptijd voorvergunningverlening en bouw van een SMR op circa zeven jaar geschat,mits deze is gebaseerd op conventionele technieken en het een ontwerpbetreft dat al eens is gebouwd.5 Op basis van deze overwegingen lijkt hetop dit moment niet haalbaar om binnen acht jaar een SMR te realiseren inNederland. Eventuele ontwikkelingen die mogelijk van invloed zijn op degenoemde doorlooptijden van vergunningverlening tot bouw worden metinteresse gevolgd.15Wanneer denkt de Minister dat er een beredeneerde knoop kan wordendoorgehakt over het al dan niet bouwen van een SMR?4Witteveen+Bos, eRisk Group, HCSS, Rethink Zero, Scenariostudie Kernenergie, september2022. Scenariostudie kernenergie | Rapport | Rijksoverheid.nl5iNRG, Small Modular Reactors 2023, Marktanalyse. Mei 2023. nrg-marktanalyse-small-modular-reactors-2023-rapport-mei-2023-1.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1307 AntwoordDe programma-aanpak bestaat uit drie programmalijnen en wordt langseen aantal stappen volgordelijk uitgewerkt. De twee eerste programma-lijnen zorgen voor de beschikbaarheid van de noodzakelijke informatie omop een concrete en gedetailleerde manier beslissingen te kunnen nemenover de mogelijke rol van SMR’s in Nederland. Nadat deze programma-lijnen zijn gestart en onderweg zijn kunnen de keuzes en doelen verderworden geconcretiseerd. De opgedane inzichten bieden daarmee eenbasis voor het formuleren van een visie op SMR’s in Nederland enbepalen van de rol van de overheid binnen programmalijn 3. De activi-teiten uit programmalijnen 1 en 2 starten medio 2024 en lopen in iedergeval door tot medio 2025. Vanaf medio 2025 wordt toegewerkt naar eennationale visie op SMR’s waarin ook wordt ingegaan op de mogelijkhedenvoor inpassing in het energiesysteem en de verschillende toepassingsmo-gelijkheden van een SMR in Nederland. De verwachting is dat op basisvan deze nationale visie onderbouwde beslissingen kunnen wordengemaakt over de eventuele realisatie van SMR’s in Nederland.16Acht de Minister het een wensbare ontwikkeling dat niet bestaandekernenergie projecten de ambities voor schone energie afremmen?AntwoordDe inzet van het kabinet is dat kernenergie complementair is aanhernieuwbare energiebronnen. Dat geldt ook voor de mogelijke realisatievan SMR’s in Nederland. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het Nationaal PlanEnergiesysteem, waar het potentieel aan kernenergie (7 GW) naast dedoelen voor hernieuwbare energie komt.17De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vernomen dat wordtafgezien van de bouw van een SMR bij Chemelot. Wat waren hiervoor deredenen?18Welke lessen zijn hieruit getrokken?Antwoord 17 en 18De Limburgse SMR alliantie heeft zich gericht op het in kaart brengen vanlocatiefactoren om de (on)geschiktheid van locaties te kunnen beoordelen.De alliantie heeft samen met Chemelot de veiligheid- en technischemogelijkheden verkend indien een concreet initiatief zich op Chemelot zoupresenteren. Chemelot constateert dat vanwege de onderlinge risico’s vanchemische installaties, gecombineerd met de veiligheidseisen rondomeen SMR, de locatie Chemelot ongewenst is. De conclusie die uit hetalgehele proces volgde, is dat voorlopig de mate van geschiktheid vanlocaties sterk zal afhangen van het type SMR, de aanwezige infrastructuuren de nabijheid van de vraag.6De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat veelvuldig naarde ontwikkelingen in de Verenigde Staten wordt verwezen door partijendie enthousiast zijn over SMR’s. In 2015 werd gestart met de ontwikkelingvan een SMR in Idaho die operationeel had moeten zijn in 2023.19Is dat inmiddels het geval?6Mededeling portefeuillehouder inzake uitvoering motie 2947 «Tot de (kleine) kern komen», briefgedeputeerde van Caldenberg van 19-3-2024 (GS DOC-00634831)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1308 AntwoordNee, dat is niet het geval.20Hoe heeft het kostenplaatje zich tijdens het project ontwikkeld?21Hoeveel subsidie is daarvoor toegezegd en eraan uitgegeven?Antwoord 20 en 21Het project van NuScale in Idaho (Verenigde Staten) had een omvang van462 MW, met in totaal 6 units, van elk 77 MW. Het project werd aange-kondigd in 2015, met units van 50 MW. Naarmate het project vorderdewerden de reactorconcepten verbeterd tot 77 MW. Dit leverde voordelenop voor wat betreft de te verwachten kosten van de SMR. In oktober 2020is door het Department of Energy een subsidie toegezegd voor tien jaar,ter grootte van USD 1.3 miljard. In 2023 is het project in zwaar weergekomen toen, onder meer door inflatie, de kosten wereldwijd omhoogschoten. In november 2023 is het project stopgezet omdat er niet genoegzekerheid van afname kon worden geboden. Het toegekende subsidie-bedrag lijkt ten minste USD 200 miljoen te zijn.22De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dat er te veelongegronde hoop wordt gevestigd op SMR’s. Deelt de Minister de meningdat provincies en Rijk in het maken van hun klimaatplannen geen rekeningzouden moeten houden met SMR’s zolang de onzekerheden daaromtrentzo groot blijven?AntwoordVoor de twee nieuw te bouwen centrales heeft het kabinet gekozen voorconventionele kerncentrales (generatie III+) omdat dit type kernreactorgebruikmaakt van bewezen techniek.7 Daarmee is dit de snelste route naareen significante bijdrage van kernenergie aan een stabiel, CO2-neutraal endivers energiesysteem. SMR’s kunnen daar mogelijk een aanvulling opzijn. Om in 2050 ruim verviervoudiging van het totale elektriciteitsaanbodten opzichte van het huidige gebruik mogelijk te maken wordt via hetNationaal Plan Energiesysteem 2050 (NPE) ingezet op snelle opschalingvan wind-, zon- en kernenergie. In het Nationaal Plan Energiesysteem2050 wordt daarbij uitgegaan van de voorbereiding op de mogelijkeontwikkeling en inpassing tot 7GW kernenergie, inclusief de bouw van detwee voorgenomen conventionele centrales en mogelijk ook SMR’s.SMR’s bieden potentieel oplossingen voor (deel)problemen van deenergietransitie (netcongestie, ruimteproblematiek). Het SMR-programmais erop gericht om de mogelijke potentie en voorwaarden voor ontwik-keling en bouw van SMR’s verder te concretiseren en om stakeholders ineen geïnformeerde positie te brengen. Met de antwoorden en informatiedie voortkomen uit deze aanpak, worden – in een fase waarin de techniekzich verder ontwikkelt – de kansen en bijbehorende noodzakelijkerandvoorwaarden in kaart gebracht. Op die manier kunnen onderbouwdebeslissingen worden gemaakt over de eventuele realisatie van SMR’s inNederland.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief over deProgramma-aanpak Small Modular Reactors. Deze leden hebben enkelevragen en opmerkingen. De leden van de VVD-fractie merken op dat een7Kamerstuk 32 645, nr. 116.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 1309 stabiele energiemix voor een klimaatneutraal Nederland bestaat uitmeerdere vormen van energie, waarvan SMR’s een belangrijkecomponent kunnen worden in de toekomst. Deze leden zijn dan ook ergpositief dat er opvolging wordt gegeven aan de motie-Erkens /Bontenbalover het opstellen van een SMR programma-aanpak (Kamerstuk 32 813,nr. 1255). De leden van de VVD-fractie achten tijdig beleid op SMR’scruciaal voor het realiseren van toekomstige reactoren die met name bijde verduurzaming van onze industrie een belangrijke rol kunnen spelen.23De leden van de VVD-fractie lezen dat er bij verschillende provincialecoalitieakkoorden animo blijkt voor realisatie van SMR’s. Zij vinden dit eenpositief signaal. Deze leden vragen om een overzicht van provincies dieinteresse hebben in SMR’s en welke stappen reeds zijn gezet door en metdeze provincies.AntwoordVoor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.24Deze leden vragen welke acties volgen naar aanleiding van de plannenvoor SMR’s in de provinciale coalitieakkoorden.AntwoordAfgelopen jaar heb ik meer zicht gekregen op de impact van de coalitieak-koorden van de provincies. Uit verschillende provinciale coalitieakkoordenblijkt animo voor (de realisatie van) SMR’s. Ik heb hierover ook gesprokenmet de betreffende gedeputeerden. Om beter inzicht te krijgen in deverschillende vraagstukken en behoeftes die spelen bij de ontwikkelingenrondom SMR’s in Nederland, en in het bijzonder in de provincies, heb ikeen uitgebreide stakeholderanalyse laten uitvoeren. Op basis van dezegesprekken en die analyse die daaruit volgde, heb ik de programma-aanpak opgesteld. Verdere concretisering van de benodigde acties volgenuit de eerste twee programmalijnen van programma-aanpak. Hiervoorwordt nadrukkelijk de samenwerking met medeoverheden opgezocht.25Zij vragen hoe de Minister deze provincies ondersteunt in zowelonderzoek als realisatie.AntwoordDe programma-aanpak ondersteunt, onder andere via de simulaties onderprogrammalijn 1, op een actieve manier medeoverheden en anderestakeholders in de opbouw van kennis en ervaring met SMR’s. Via desimulaties onder programmalijn 1 en gerichte onderzoeken onderprogrammalijn 2 worden de benodigde onderzoeksvragen en mogelijkekansen en knelpunten in aanloop naar realisatie geïnventariseerd. Deprogramma-aanpak is er dus in essentie op gericht om op een gestructu-reerde wijze de kennis- en ervaring met SMR’s bij medeoverheden tevergroten en het ondersteunen van provincies in het doen van onderzoekin aanloop naar mogelijke realisatie.26Deze leden vragen of er al voorbereidende maatregelen kunnen wordengenomen met deze provincies, zoals zoekgebieden, kennisdeling enversnelling van vergunningverlening.AntwoordDe programma-aanpak is bedoeld als gestructureerde aanpak voor alleprovincies die geïnteresseerd zijn in SMR-ontwikkelingen. Het doel is omTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13010 met die gestructureerde, stapsgewijze aanpak in gezamenlijkheid devooruitgang op het gebied van SMR’s te volgen zodat er adequaat op dieontwikkelingen kan worden ingespeeld. De eerste twee programmalijnenzorgen voor de beschikbaarheid van de noodzakelijke informatie (bijv. ophet gebied van locaties en kennisdeling) om op een concrete manierbeslissingen te kunnen nemen over de volgende stappen in deSMR-ontwikkelingen in Nederland. Provincies kunnen de uitkomsten vanen inzichten uit de programma-aanpak uiteraard gebruiken om zelfvoorbereidende maatregelen te treffen.27Is er ruimte voor maatwerk per provincie?AntwoordJa, er is tot op een bepaalde hoogte ruimte voor maatwerk per provincie,bijvoorbeeld binnen de simulaties onder programmalijn 1. Het doel vande simulaties is om te voorzien in de informatiebehoefte van relevantestakeholders. De invulling van de simulaties zal daarom wordenafgestemd op de belangrijkste vragen vanuit de provincies en andererelevante stakeholders.28Wordt er door provincies samengewerkt op dit gebied?29Hoe wordt dit gefaciliteerd door de Minister?Antwoord 28 en 29Om keuzes onder de programma-aanpak goed te kunnen maken, isgedeelde en breed gedragen besluitvorming met medeoverheden enandere stakeholders van groot belang. Dit gaat zowel over keuzes in deuitvoering van de eerste twee programmalijnen, als de uiteindelijkekeuzes die kunnen worden geformuleerd onder programmalijn 3. Deprovincies werken samen in een SMR-werkgroep via het InterprovinciaalOverleg (IPO). Het Ministerie van EZK neemt op ambtelijk niveau deel aandeze werkgroep. Op bestuurlijk niveau vindt afstemming en voorbereidingvan politieke besluitvorming plaats in het Bestuurlijk Overleg Klimaat &Energie, waarin ook medeoverheden zijn vertegenwoordigd.30Deze leden vragen hoe lang het vergunningstraject voor een SMR zalduren.AntwoordDe ANVS geeft aan dat voor een vergunningverleningstraject, inclusiefinhoudelijk vooroverleg, drie jaar nodig is van het begin van hetvooroverleg tot het verlenen van de definitieve vergunning, het beoorde-lingswerk en de formele procedure. Dit is vanaf het moment dat er eenlocatie gekozen is en de relevante omgevingsaspecten in beeld zijngebracht, en het ontwerp en de bijbehorende veiligheidsdocumentatiebeschikbaar zijn, ervan uitgaande dat de beschikbare veiligheidsanalysevolledig en voldoende gedetailleerd is. Daarnaast moet er een organisatiezijn ingericht met voldoende kennis en kunde om het inhoudelijkvooroverleg met de ANVS te kunnen voeren. De drie jaar zijn nodig om deuitgebreide, technisch inhoudelijke veiligheidsdocumentatie goed tekunnen beoordelen en de wettelijke vergunningverleningsprocedureinclusief inspraak te doorlopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13011 31Verder lezen zij dat er simulaties zullen worden uitgevoerd. Deze ledenvragen wanneer de eerste resultaten van deze simulaties beoogd zijn enwaarom er pas eind 2024 wordt begonnen aan de simulatie.AntwoordIk wil de simulaties ordentelijk voorbereiden – en in die voorbereidingrelevante stakeholders meenemen – zodat stakeholders hun kennis van enervaring met SMR’s ook daadwerkelijk kunnen vergroten. Voor debegeleiding van de simulaties wordt een externe partij ingeschakeld. Hetgaat in dit geval om een Europese aanbesteding met reguliere doorloop-tijden. Na afronding van de aanbesteding in het derde kwartaal van ditjaar, is er nog enige tijd nodig voor de opdrachtnemer om de preciezedetails in te vullen. Hierdoor lijkt een startdatum in het vierde kwartaal vandit jaar realistisch. De resultaten die volgen uit de simulaties wordenmedio 2025 verwacht.32Ook vragen zij welke stakeholders en kennis- en onderzoeksinstellingenhierbij betrokken zijn.AntwoordStakeholders die in ieder geval bij één of meerdere simulaties zullenworden betrokken, zijn de medeoverheden, de toezichthouder, netbe-heerders, cluster- en brancheorganisatie, en kennis- en onderzoeksinstel-lingen. Op dit moment worden de simulaties verder uitgewerkt, waarbijook de rol van de hiervoor genoemde partijen zal worden concretiseren.33Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of er meerdere simulaties perprovincie worden uitgevoerd.AntwoordNaar verwachting zullen er vijf verschillende simulaties plaatsvinden dieaansluiten bij de vijf thema’s van programmalijn 2 van de programma-aanpak. Het gaat dan bijvoorbeeld om vraagstukken rondom ruimtelijkeen energetische inpassing, vergunningverlening en bouw en waarde-keten. Een simulatie duurt naar verwachting een aantal dagen. Binnendeze opzet krijgen provincies de ruimte om binnen deze thema’s de voorhen meest belangrijke vragen op het gebied van SMR’s aan te leveren. Dievragen kunnen specifiek betrekking hebben op locatie-onderzoek ofinpassingsvraagstukken. De thematische insteek geeft stakeholders,waaronder provincies, de mogelijkheid om aan te sluiten bij de simulatiesop thema’s die voor hen relevant zijn. Er worden dus geen afzonderlijkesimulaties per provincie uitgevoerd.34Hoe worden daarnaast de wensen van provincies en industrieclustersmeegenomen in de simulaties?AntwoordDe doelstelling van de simulaties is om te voldoen aan de informatiebe-hoefte van stakeholders. Op dit moment worden de simulaties verderuitgewerkt. De eerste stap is om helder te krijgen wat de concreteinformatiebehoefte vanuit de stakeholders is en welke vragen er preciesleven. Om gezamenlijk tot een beeld te komen welke concrete informatie-behoefte leeft bij lokale/regionale stakeholders zoals industrieclusterswordt actief de samenwerking opgezocht. Op deze manier wordt bij deverdere invulling van de simulaties zo veel mogelijk rekening gehoudenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13012 met de wensen van de provincies en andere stakeholders, waaronderindustrieclusters.De leden van de VVD-fractie merken op dat de motie-Erkens de regeringverzoekt om als onderdeel aan de SMR-programma-aanpak toe te voegendat het Rijk pilotprojecten voor SMR’s faciliteert en koerst op hetrealiseren van minimaal één pilotproject voor 2030 (Kamerstuk 32 813,nr. 1380).35Deze leden vragen hoe de Minister van plan is deze pilotprojecten aan deprogramma-aanpak toe te voegen.36Deze leden vragen wat er concreet wordt gedaan om deze pilotprojectenop te starten.37Zij vragen tevens of er gesprekken zullen worden gevoerd met provinciesvoor de opzet van een dergelijk pilotproject en/of er al locaties zijn die eenvoorkeur hebben voor een eerste pilotproject.38Deze leden vragen hoe een pilotproject eruit zal zien.42Wie allemaal beoogt de Minister te betrekken bij realisatie van eenpilotproject?Antwoord 35, 36, 37, 38, 42In reactie op de motie Erkens8 over het faciliteren van pilotprojecten in deprogramma-aanpak en het realiseren van minimaal één pilotproject voor2030, heb ik destijds in het Tweeminutendebat een aantal overwegingenbenoemd.9 De doelstelling van de programma-aanpak is het voorbereidenvan en het anticiperen op de realisatie van SMR’s in Nederland. Ik vind hetvan belang om eerst de noodzakelijke randvoorwaarden voor realisatie inbeeld te krijgen, zowel op het gebied van ruimtelijk beleid als energetischbeleid. De simulaties die dit jaar starten, bereiden stakeholders voor ophun mogelijke rol in dit proces. Deze stappen zijn sowieso noodzakelijkvoor de realisatie van pilotprojecten en SMR’s in Nederland. Binnenprogrammalijn 3 van de programma-aanpak is ruimte voor het formulerenvan verdere doelstellingen en het bepalen van de mogelijke rol van deRijksoverheid bij realisatie van een SMR. Het ligt voor de hand dat na desimulaties pilots in beeld gaan komen. Op dit moment zijn er nog geenconcrete verzoeken voor pilots die al zo rijp zijn dat je kan spreken van eenpilot; niet van bedrijven, en ook niet van provincies. Doordat met desimulaties een scherper beeld wordt verkregen over tegen welkeknelpunten stakeholders aanlopen en welke behoeften daarbij leven,kunnen die verzoeken van bedrijven of provincies tijdens de uitvoeringvan de simulaties wel concreter worden. Uiteraard staat het regio’s,industrieclusters en ontwikkelaars in de tussentijd vrij om aan de slag tegaan met een pilotproject.39Ook vragen deze leden of er dergelijke pilotprojecten al worden uitge-voerd in andere (Europese) landen.8Kamerstuk 32 813, nr. 1380 (motie van het lid Erkens (VVD))9Tweeminutendebat Klimaat en Energie (algemeen), 18 april 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13013 40Kan de Minister hier een overzicht van geven?Antwoord 39 en 40In enkele landen zijn er pilotstudies gestart naar (rand)voorwaarden voorrealisatie van SMR’s. Pilotstudies die op dit moment bij mij bekend zijn,zijn een pilotstudie uit 2022 in Zweden, uitgevoerd door Vattenfall, en eenpilotstudie door Fermi Energia (met samenwerking van Vattenfall) inEstland. De inzet van deze studies is om de voorwaarden voor realisatie inbeeld te brengen en is daarmee vergelijkbaar met de faciliterende aanpakdie Nederland heeft opgezet onder de programma-aanpak SMR’s. Eenaantal landen, waaronder Tsjechië, Polen, Roemenië, Frankrijk, hetVerenigd Koninkrijk en Zweden lijken expliciet in te zetten op realisatievan een first-of-a-kind-SMR in de eerste helft van de jaren 2030. Dit vraagtom naar verwachting om een grotere rol en financiële bijdrage vanuit deoverheid. Dit wordt verder toelicht in de antwoorden op de vragen 52 en53.41De leden van de VVD-fractie vragen ook of daar al lessen uit kunnenworden getrokken en of er kan worden samengewerkt met deze landenom de Nederlandse pilots sneller tot een succes te maken.AntwoordHiervoor verwijs ik naar het antwoord op vragen 1 en 40.43De leden van de VVD-fractie achten een tijdige voorbereiding op de komstvan SMR’s belangrijk voor het slagen van de energietransitie en hetzorgen voor leveringszekerheid op de lange duur.44Deze leden vragen welke voorbereidingen al worden getroffen op hetgebied van energie-infrastructuur. Deze leden vragen of er al plannenworden gemaakt voor mogelijke inpassing in het energiesysteem.Antwoord 43 en 44Onder programmalijn 2 van de programma-aanpak wordt gestart metverschillende onderzoeken naar de mogelijke toepassing en inpassing vanSMR’s voor de Nederlandse industrie. Vertrekpunt daarbij is een analysevan de regionale vraag, beginnend bij de (provinciale) Cluster EnergieStrategieën voor wat betreft de industriële kant. Ook wordt gekeken of hetmeerwaarde heeft om een aanvullende studie op te zetten – in aansluitingop het Programma Energiehoofdstructuur – naar de impact van SMR’s opde energie-infrastructuur. Een dergelijke studie kan gebaseerd worden opde inzichten die in de programma-aanpak worden opgedaan. Daarnaastwordt – mits er voldoende interesse is vanuit de clusters – de energetischevraagarticulatie in de CES 3.0 gebruikt als input voor een detailstudie naarde potentiële toepassing/inpassing van SMR’s voor de industrie. Dit geefteen startpunt voor de berekening van waar SMR’s potentieel kunnenvoorzien in aanbod van energie op basis van lokale vraag, ook alseventuele aanvulling of vervanging van bestaand aanbod. Het is eveneensvan belang dat SMR’s worden meegenomen in de scenario’s vannetbeheerders. Hierover worden gesprekken met de netbeheerdersgevoerd om dit in samenwerking op te pakken.45Ook vragen zij of er voorkeurslocaties worden aangewezen voor hetplaatsen van SMR’s bij energie-intensieve bedrijven, zoals bijindustrieclusters.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13014 46Deze leden vragen in hoeverre SMR’s worden meegenomen in de plannenvoor de verduurzaming van de industrie.47Ziet de Minister ook dat de mogelijke netkosten fors lager kunnen zijn mitseen SMR dicht bij energie-intensieve industrie geplaatst wordt?48Hoe wordt de industrie betrokken in de verschillende programmalijnen?49Heeft er al overleg plaatsgevonden met de brancheorganisaties?Antwoord 45 t/m 49Er is tot nu toe nog geen gedetailleerde studie naar de effecten die SMR’s,ingepast dicht bij energie-intensieve industrie, kunnen hebben op hetNederlandse elektriciteitsnet. De programma-aanpak zet allereerst in ophet verkennen van de mogelijke vraag vanuit industrieclusters voorSMR’s. Aansluitend op de vraagarticulatie vanuit de Cluster EnergieStrategieën (CES) zal nader onderzoek worden gedaan naar de effectenvan SMR’s op het elektriciteitsnet.Binnen de programma-aanpak SMR’s wordt op verschillende maniereningezet op het in kaart brengen en benutten van de kansen en mogelijk-heden voor potentiële afnemers in industriële clusters. Grote potentiëleafnemers worden op verschillende momenten betrokken. Om interessevoor SMR’s vanuit de verschillende Nederlandse industriële clusters tepeilen, wordt in het derde kwartaal van dit jaar een evenement voorclusterorganisaties en de provincies georganiseerd. Hierbij kunnen ookvertegenwoordigers van cluster 6 bedrijven aansluiten. Na het uitkomenvan de CES 3.0 zal een eerste analyse worden opgezet van de lokaleenergievraag vanuit de clusters. Mits er voldoende interesse is vanuit declusters, wordt de energetische vraagarticulatie in de CES 3.0 gebruikt alsinput voor een detailstudie naar de potentiële toepassing/inpassing vanSMR’s voor de industrie. Door deze aanpak met de industrieclustersontstaat begin 2025 een goed beeld van de mogelijke rol van SMR’s in deNederlandse industrieclusters.50Deze leden vragen of er vooral wordt ingezet zal worden op directelevering van elektriciteit of voor de productie van waterstof.51Deze leden vragen hoe SMR’s kunnen worden ingepast in de waterstof-backbone.Antwoord 50 en 51Een uitgangspunt van programmalijn 2 is om op basis van een analysevan lokale en regionale energievraag, de potentie van SMR’s in kaart tebrengen. Hierbij zal aandacht worden besteed aan de verschillendetoepassingsmogelijkheden van SMR’s en de energetische inpassing. Opbasis daarvan kan ook worden gekeken op welke wijze SMR’s kunnenworden ingezet en ingepast voor de productie van waterstof.52De leden van de VVD-fractie benadrukken nogmaals het belang van eengoede voorbereiding voor de komst van SMR’s. Zij verzoeken zo snelmogelijk aan de slag te gaan met onderzoek en realisatie van SMR’s. Dezeleden vragen dan ook of er mogelijkheden zijn om de realisatie van SMR’sTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13015 te versnellen. Zij vinden de ambitie om de eerste SMR’s rond 2040 terealiseren nogal mager, deze leden denken dat dit sneller kan.53Kan de Minister ingaan op de tijdslijnen die andere Europese landen voorzich zien rondom de realisatie van SMR’s?Antwoord 52 en 53Volgens Ontario Power Generation (Canada) kan – na jarenlangevoorbereidingen – de eerste SMR in 2029 operationeel worden in Canada.In het VK wordt ingezet op een definitieve investeringsbeslissing in 2029,wat naar verwachting resulteert in de eerste SMR’s in de eerste helft vande jaren 2030. Het is op dit moment onzeker op welk moment en tegenwelke kosten SMR’s zouden kunnen worden gerealiseerd in Nederland.Op basis van de uitgebreide stakeholderanalyse in het najaar van 2023ben ik tot de conclusie gekomen dat het op dit moment belangrijk is omeerst de mogelijke potentie van SMR’s in kaart te brengen, door zicht tekrijgen op de mogelijke toepassing en inpassing van SMR’s in hetenergiesysteem en transportnetwerk. Verder is het van belang omhelderheid te creëren over noodzakelijke randvoorwaarden (zoalsruimtelijk beleid) en om stakeholders – waaronder medeoverheden – teondersteunen in het opbouwen van kennis over en ervaring met SMR’s.Zo bereiden we ons stapsgewijs voor op de komst van SMR’s inNederland, terwijl de techniek zich verder ontwikkelt. Met of zonderdoelstellingen op realisatie blijft het in mijn optiek nodig om de stappenuit de programma-aanpak te doorlopen.Een studie van NRG (begin 2023) schat de minimale doorlooptijd voorvergunningverlening en bouw van een SMR in op circa zeven jaar, mitsdeze is gebaseerd op conventionele technieken en het een ontwerp betreftdat al eens is gebouwd. De publicaties van de IAEA en OECD-NEA, die opdit moment laten zien dat de inzet van een first-of-a-kind SMR realistischkan zijn in de eerste helft van de jaren 2030, worden hierbij nauw gevolgd.Leren van lessen uit het buitenland voorkomt mogelijk first-of-a-kindproblematiek in Nederland. Op basis van deze verwachtingen lijkt derealisatie van SMR’s tegen 2040 in Nederland mogelijk. Indien de lessenuit first-of-a-kind problematiek niet worden afgewacht en de realisatie vaneen SMR eerder wordt gestart in Nederland zullen naar verwachting derisico’s (veel) groter zijn en zal een grotere rol en financiële bijdrage vanuitde overheid nodig zijn. De verwachting over wanneer een SMR inNederland gebouwd kan zijn, kan uiteraard worden bijgesteld bij nieuweinzichten. Internationale (markt)ontwikkelingen worden met groteinteresse gevolgd.Andere Europese landen met ambities op kernenergie zijn onder andereTsjechië, Polen, Roemenië, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.Deze landen lijken in te zetten op realisatie van een SMR in de eerste helftvan de jaren 2030, waarbij het beleid in Roemenië is gericht op hetbouwen van een eerste SMR tegen 2029. Deze landen zetten daarmeeexpliciet in op de realisatie van een first-of-a-kind SMR, waarbij bijbeho-rende risico’s en leergeld worden geaccepteerd.54Welke doelen uit de programmalijnen moeten op welk moment wordengehaald om realisatie van SMR’s in 2035 mogelijk te maken?55Welke aanpassingen zou dit vergen in het tempo van de huidigeprogrammalijnen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13016 Antwoord 54 en 55In de programma-aanpak wordt ingezet op het voorbereiden vanNederland op de komst van SMR’s, door stakeholders in een geïnfor-meerde positie te brengen en de nodige kennis en kunde op te halen.Hiervoor zijn verschillende doelen geïdentificeerd: i) de potentiëletoepassing van SMR’s en bijdrage aan het voorkomen van netcongestieidentificeren, ii) duidelijkheid creëren over de sturing op ruimtelijkeinpassing, met name wat betreft het bevoegd gezag en daarbij behorendeverantwoordelijkheidsverdeling, participatie, en de wijze waarop er wordttoegewerkt naar een locatiekeuze, iii) het inrichten van een passendegovernance structuur, waarbinnen stakeholders op verschillende niveauskennis en informatie kunnen uitwisselen, om zo bij te dragen aan eengedegen besluitvormingsproces, iv) het (door)ontwikkelen en verspreidenvan relevante kennis onder stakeholders, v) kansen voor de Nederlandsemaakindustrie in de SMR waardeketen identificeren, en vi) ondersteunenvan de toezichthouder. Deze doelen moeten met afronding van de eerstetwee programmalijnen medio 2025 zijn behaald. Inzetten op eerdererealisatie van een SMR vergt geen aanpassingen in het tempo van dehuidige programmalijnen. Met of zonder doelstellingen op realisatie blijfthet in mijn optiek nodig om de stappen uit de programma-aanpak tedoorlopen.56Deze leden vragen ook om een tijdslijn op de volgende punten. Ten eerstevragen zij om een tijdslijn van onderzoek naar pilotprojecten. Wanneerwordt beoogd om te starten met het eerste pilotproject? Wanneer wordtbeoogd om de eerste SMR te realiseren?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 35, 36, 37, 38, 42.57Deze leden verzoeken tevens tot tijdslijnen van de verschillende program-malijnen, met name de tijdslijn voor programmalijn 3 «Toekomstige visieen doelen» is onduidelijk.AntwoordDe activiteiten uit programmalijnen 1 en 2 starten medio 2024 en lopen –afhankelijk van de precieze invulling – in ieder geval door tot medio 2025.Programmalijn 3 wordt gebaseerd op de eerdere twee programmalijnen.Een nationale visie en bijbehorende tijdlijn volgt uit het onderzoek naar depotentie en inpassing van SMR’s in het energiesysteem en het articulerenvan belangrijke randvoorwaarden.Voor een specifiekere tijdlijn van programmalijn 1 verwijs ik naar hetantwoord op vraag 31.Er is reeds gestart met het verder uitwerken en opzetten van de verschil-lende thema’s en acties onder programmalijn 2. Onder andere zijn ereerste stappen gezet om een governance structuur in te richten en zijn ervoorbereidende stappen getroffen voor de SMR-module van de NuclearAcademy. Over de verdere uitwerking van de verschillende onderdelenvan programmalijn 2 vinden gesprekken plaats met verschillendestakeholders.58Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie een overzicht van budget enfinanciën die beoogd zijn en welke nodig zijn voor de realisatie van SMR’sde komende jaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13017 59Daarbij vragen zij ook hoeveel additionele investeringen hiervoor nodigzijn bovenop het bestaande programmabudget.Antwoord 58 en 59Bij de Voorjaarsbesluitvorming 2023 is een bedrag van € 65 miljoengereserveerd voor het SMR programma tot en met 2030. Bij deEZK-begrotingsbehandeling voor 2024 is per amendement dit bedragtoegekend. Het uitgavenbudget voor 2024 is verhoogd naar € 10 miljoenen het verplichtingenbudget voor 2024 is verhoogd naar de volledige€ 65 miljoen. Bij de Voorjaarsbesluitvorming 2024 zijn de toegekendemiddelen verdeeld over de jaren 2024 t/m 2030. Ik vind het belangrijk omvia de programma-aanpak tot een visie op SMR’s in Nederland te komenen de financiële middelen in te zetten bij de uitrol van deze visie. Hetbeschikbare budget voor 2024 en 2025 (€ 10 miljoen respectievelijk€ 4,5 miljoen) wordt daarom voor nu vooral ingezet voor onderzoek enbegeleiding van de eerste twee lijnen van de programma-aanpak, waarbijhet in ieder geval de verwachting is dat het uitgavenbedrag van€ 10 miljoen voor 2024 niet volledig benut gaat worden.Voor dit jaar worden in ieder geval de volgende uitgaven vanuit deprogramma-aanpak voorzien: inhuren externe partij voor de voorbe-reiding van en begeleiding bij de verschillende simulaties en voor externeondersteuning bij de uitvoering van de diverse onderzoeken, middelenvoor de versterking van de kennisinfrastructuur met het oog op debenodigde kennisopbouw bij stakeholders, mogelijk additionele middelenvoor de onderwerpen Generatie-III en Generatie-IV SMR’s binnen hetMMIP Kernenergie en de versterking van de toezichthouder. Tot slot zijn ermiddelen gereserveerd voor de uitvoering en verdere ontwikkeling vanhet SMR-programma door het Ministerie van EZK.De uitkomsten uit de eerste twee programmalijnen en de visie diegeformuleerd zal worden onder programmalijn 3, zullen de onderbouwinggeven om te komen tot een doelmatige allocatie van de resterendemiddelen van € 55 miljoen. Over de invulling van de plannen met de intotaal € 55 miljoen (voor de jaren 2025 tot en met 2030) wordt dus in eenlatere fase besloten.Voor het overige verwijs ik naar de antwoorden op vragen 52 en 53.60De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat het bedrijfslevenmee wordt genomen in de voorbereiding en realisatie van SMR’s. Dezeleden vragen of er een industriële waardeketen wordt opgezet. Deze ledenconstateren dat er de komende jaren nog veel centrales nodig zijn endaarmee onderdelen en componenten. Zij zien hier een groot potentieelvoor Nederlandse bedrijven op deze potentieel grote Europese markt.61De leden van de VVD-fractie vragen hoe Nederland zich zal positionerenten opzichte van deze nieuwe markt.62Hoe zal worden gestimuleerd dat deze waardeketen in Nederland wordtopgezet?63Deze leden vragen of er een industriële strategie wordt opgesteld om dezewaardeketen voor te bereiden en later te realiseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13018 64Zij vragen hoe de Nederlandse maakindustrie worden betrokken bij deopzet van een waardeketen.Antwoord op 60 t/m 64Voor het stimuleren van de Nederlandse maakindustrie en het stimulerenvan een industriële waardeketen wordt ingezet op verschillende initia-tieven. Hiervoor worden gesprekken gevoerd met vertegenwoordigersvan de Nederlandse maakindustrie, waaronder VNO-NCW en FME, endeze partijen worden ook betrokken bij verdere uitwerking van deprogrammaonderdelen die betrekking hebben op de rol van de Neder-landse maakindustrie in de SMR-ontwikkelingen. Het ligt voor de hand omeerst duidelijk te krijgen welke bedrijven vanuit de Nederlandse maakin-dustrie mogelijk interesse hebben om in te stappen op de nucleaireontwikkelingen, nationaal en internationaal, voordat kan wordenovergegaan tot de vormgeving van een industriële strategie.Zoals uiteengezet in de programma-aanpak wordt, voor het stimulerenvan de rol van de maakindustrie bij de ontwikkeling van SMR’s, ingezetop:1.De Industriële Alliantie voor SMR’s. Dit is een initiatief opgezet door deEuropese Commissie in februari 2024. De alliantie zet zich in om deuitrol van SMR’s in Europa te versnellen, en partijen uit de (nucleaire)industrie te koppelen aan SMR-ontwikkelingen. VerschillendeNederlandse partijen hebben zich hier al bij aangesloten. Dit initiatiefkan mogelijk bijdragen aan het versterken van de positie van deNederlandse maakindustrie, zowel op de lokale als op de interna-tionale markt.2.Inventarisatie van de kansen voor de Nederlandse maakindustrie. Opbasis van de bevindingen van de technische haalbaarheidsstudies voorde grootschalige centrales die de drie technologieleveranciers op ditmoment uitvoeren, wordt gestart met de inventarisatie naar de kansenvoor de maakindustrie in de ontwikkelingen rondom kernenergie(zowel conventioneel, als SMR’s). De FME analyse over de kansen voorde maakindustrie in de ontwikkeling van elektrolysers kan hierbij alsvoorbeeld dienen.3.Aansluiting bij het Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma(MMIP) Kernenergie. Het voornemen is om het onderwerp SMR’s op tenemen in het Wetenschappelijk Onderzoeksprogramma (gericht opfundamenteel onderzoek) en in het Technologie Ontwikkelingspro-gramma (gericht op het stimuleren van innovatie bij met name hetbedrijfsleven). In de tweede helft van dit jaar worden inventarisatiestu-dies uitgevoerd om de kennis- en onderzoeksvragen over achtprioriteitsthema’s van het MMIP, waaronder reactor- en splijtstoftech-nologie en radioactief afval, op te halen. Het onderwerp SMRs – meteen focus op de techniekontwikkeling van zowel Gen III- als GenIV-kernreactoren – wordt als afzonderlijk thema opgenomen in dezeinventarisatiestudies. Met de resultaten van deze studies zal deconcrete invulling van het onderwerp SMR’s in het MMIP Kernenergieen een eventuele (aanvullende) bijdrage vanuit de SMR-middelenworden bepaald.65De leden van de VVD-fractie hebben vernomen dat Frankrijk heeftgeïnvesteerd in de Nederlandse nucleaire start-up Thorizon. Deze ledenzien dit als een gemiste kans voor Nederland om te investeren in onzekennisinfrastructuur en in de nucleaire markt in Nederland. Deze ledenvragen hoe het heeft kunnen gebeuren dat Nederland hier zelf geen rolinspeelt en of de Minister het risico ziet dat we hier de boot missen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13019 66Ook vragen zij hoe Nederland in de toekomst dit soort investeringen welzal doen.67De leden vragen of er ruimte wordt gemaakt dat dergelijke toekomstigestart-ups ook in Nederland financiering kunnen krijgen.Antwoord 65, 66 en 67De Nederlandse overheid draagt al vele jaren financieel bij aan onder-zoeken naar nieuwe vormen van CO2-vrije nucleaire energie opwekking,zoals ook SMR’s en gesmolten-zout-technieken (een voorbeeld van eenzogenoemde generatie-IV-reactor). Dit wordt voortgezet en via demiddelen die beschikbaar zijn voor de uitvoering van het MMIPkernenergie, versterkt. Onderzoeken naar nieuwe vormen van CO2-vrijenucleaire energie opwekking worden bijvoorbeeld uitgevoerd door NRGin Petten – waar Thorizon een spin-off van is – en de Technische Univer-siteit Delft. In 2022 heeft Thorizon met succes aanspraak gemaakt op eenbijdrage van € 1.5 miljoen van Invest-NL.Vanuit het MMIP Kernenergie worden er dit jaar inventarisatiestudiesuitgevoerd om de kennis- en onderzoeksvragen binnen de thema’s uit hetMMIP te concretiseren, waaronder reactor- en splijtstoftechnologie enradioactief afval. Het voornemen is om het thema SMR’s op te nemen inhet Wetenschappelijk Onderzoeksprogramma (WO, gericht op funda-menteel onderzoek) en het Technologie Ontwikkelingsprogramma (TO,gericht op het stimuleren van innovatie bij met name het bedrijfsleven).Het onderwerp SMR’s, met een focus op de techniekontwikkeling vanzowel generatie-III als generatie-IV-reactoren, is als afzonderlijk themaopgenomen in de inventarisatiestudies. Met de uitkomsten van dezeinventarisatiestudie kan meer concreet invulling worden gegeven aan hetkennis- en innovatieprogramma van het MMIP Kernenergie, inclusief hetonderwerp SMR’s. Met de inzichten uit de inventarisatiestudie wordt insamenwerking met RVO het Technologie Ontwikkelingsprogramma verderingericht. Voor beide programma’s zijn financiële middelen gereserveerdin het MMIP Kernenergie. Voor het WO is ruim € 13 miljoen beschikbaartot en met 2030. Voor het TO is in totaal € 16 miljoen beschikbaar vanaf2025 tot en met 2030. Ik ben voornemens om binnen het TechnologieOntwikkelingsprogramma volgend jaar de eerste ronde van subsidieaan-vragen open te stellen. Vanuit het budget van de programma-aanpakSMR’s kan eventueel nog een additionele financiële bijdrage wordengeleverd aan beide programma’s; dit wordt bepaald na het afronden vande genoemde inventarisatiestudies.68Deze leden vragen tevens hoe Nederland zich zal inzetten voor interna-tionale samenwerking.AntwoordHiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief over deProgramma-aanpak Small Modular Reactors. Deze leden hebben enkelevragen en opmerkingen.69De leden van de BBB-fractie lezen dat ontwikkelaars en initiatiefnemersvan SMR’s in Europa ook naar Nederland kijken als mogelijkheid voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13020 verwezenlijking van ontwerpen en plannen. Deze leden zijn benieuwdwelke stappen ondernomen zijn om deze ontwikkelingen naar Nederlandtoe te trekken, waar dit goed gaat en welke obstakels er zijn.70Ook zijn deze leden benieuwd hoe concreet deze plannen al zijn, en of, enzo ja hoe, deze plannen rekening houden met de bouw en vergunningver-lening die als voornaamste redenen worden genoemd dat erwaarschijnlijk dit decennium nog geen SMR’s op grote schaal zullenworden toegepast.Antwoord 69 en 70Ontwikkelaars kijken met interesse naar Nederland om verschillenderedenen. Zo heeft Nederland met een bestaande kerncentrale enonderzoeksreactoren al een zekere kennisbasis en -infrastructuur. Ook deambities voor de bouw van grote kerncentrales blijven internationaal nietonopgemerkt. Onder de programma-aanpak is de inzet om deze kennis-basis verder te vergroten en stakeholders, zoals medeoverheden en detoezichthouder, te ondersteunen. De Nederlandse inzet binnen interna-tionale gremia (zie vraag 1) kan bijdragen aan het inventariseren vankansen en het koppelen van de Nederlandse (maak)industrie aan de(internationale) SMR-ontwikkelingen. Tot op heden zijn er nog geenconcrete initiatieven in Nederland en is er binnen Europa nog geen SMRvergund of gerealiseerd. De projectie tegen 2040 komt verder voort uiteen aantal andere overwegingen. Hiervoor worden onder meer deconclusies van de NRG-marktanalyse (2023) gevolgd, die laten zien dat deminimale doorlooptijd minstens 7 jaar voor vergunningverlening en bouwrealistisch is voor een SMR, mits deze is gebaseerd op conventioneletechnieken en het een ontwerp betreft dat al eens is gebouwd. Onderdeelvan deze doorlooptijd zijn de drie jaar die worden toegerekend aan hetdoorlopen van het vergunningstraject bij de toezichthouder. Ter voorbe-reiding daarop werkt de ANVS intensief samen met nucleaire regulatorsuit andere landen om kennis uit te wisselen over veiligheidsbeoordelingenvan SMR’s. De verwachting over wanneer een SMR in Nederlandgebouwd kan zijn, kan worden bijgesteld bij nieuwe inzichten.71De leden van de BBB-fractie lezen dat de SMR-programma-aanpak vooralgericht wordt op het anticiperen op een mogelijke realisatie in Nederland.Deze leden vinden dit een weinig concrete richting, en zijn benieuwd ofdeze richting vergelijkbaar is met bijvoorbeeld een koploper alsGroot-Brittannië.72Daarnaast vrezen deze leden dat op het moment dat we anticiperen opeen mogelijke realisatie, de komst van de SMR-technologie ons gaatovervallen op het moment dat het zich aandoet. Waarom is er in deprogramma-aanpak voor deze richting gekozen en niet voor een meerconcrete richting waarin we in 2040 of eerder de eerste SMR willenhebben?Antwoord 71 en 72Het huidige beleid vanuit het Verenigd Koninkrijk is gericht op techniekse-lectie van SMR’s en de realisatie van een SMR in de eerste helft van dejaren 2030. Met deze aanpak maakt het Verenigd Koninkrijk een explicietekeuze om actief, met bijbehorende (financiële) risico’s, in deSMR-ontwikkeling te participeren en om een first-of-a-kind SMR terealiseren. Dit beleid is al jarenlang in voorbereiding: de eerste plannenvoor techniekselectie dateren al uit 2016. Verder zijn er in het VK in deafgelopen jaren grote publiek-private investeringen in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13021 SMR-ontwikkelingen gedaan.10 Inmiddels zijn de ontwikkelingen op demarkt verder, waardoor een dergelijke grote rol vanuit de overheid mindervoor de hand ligt: op dit moment zijn er wereldwijd immers meer dantachtig verschillende ontwerpen van SMR’s in ontwikkeling.De Nederlandse aanpak is er daarom op dit moment op gericht om demogelijke potentie en voorwaarden voor ontwikkeling en bouw van SMR’sin Nederland verder te concretiseren en om stakeholders in een geïnfor-meerde positie te brengen. Die aanpak is dus meer faciliterend van aard.Met de antwoorden en informatie die voortkomen uit deze aanpak,worden – in een fase waarin de techniek zich verder ontwikkelt – dekansen en bijbehorende noodzakelijke randvoorwaarden in kaartgebracht. Daarbij wordt ook bekeken wat de rol van de overheid moet zijnin de verdere ontwikkeling van SMR’s, hoe ver die rol strekt en waar dieprecies moet liggen. Deze informatie is nodig om de ontwikkeling vanSMR’s in Nederland te kunnen faciliteren en versnellen. Op die manierkunnen onder meer onderbouwde beslissingen over de wenselijkheid van(nut en noodzaak) en eventuele methode voor selectie van eenSMR-techniek zoals in het VK worden genomen. Ook wordt er bijvoor-beeld uitgebreid gekeken naar vraagstukken zoals ruimtelijke inpassing,toepassingsmogelijkheden en vergunningsvereisten. Zo bereiden we onsstapsgewijs voor op de mogelijke komst van SMR’s in Nederland enworden we niet overvallen als de eerste initiatieven zich aandienen inNederland. Deze richting van de programma-aanpak is vergelijkbaar met –maar dan een sterk versnelde versie van – de Canadese aanpak, waarineerst een uitgebreid consultatieproces is gehouden, waarna in 2018 eenRoadmap werd gepubliceerd.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deProgramma-aanpak Small Modular Reactors (SMR’s) en hebben daarovernog enkele vragen.De leden van de CDA-fractie spreken hun waardering uit voor het feit dater nu een programma-aanpak ligt en verwachten dat deze aanpak bij zaldragen aan de realisatie van kleine modulaire kernreactoren in Nederland.Deze leden zouden graag zien dat de realisatie van SMR’s in Nederlandzoveel mogelijk wordt versneld en dat Nederland daarin niet achterblijftbij andere Europese landen. Deze leden merken in dit kader op dat deMinister stelt dat realisatie van SMR’s tegen 2040 in Nederland mogelijklijkt.73Zij vragen de Minister in hoeverre de tijdspaden uit de SMR programma-aanpak en de bijbehorende programmalijnen ook op dit jaartal zijningericht.74Welke doelen uit de drie programma lijnen moeten op welk momentworden gehaald om realisatie van SMR’s in 2040 mogelijk te maken?Antwoord 73 en 74Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 54 en 55.10UK government invests £215 million into small nuclear reactors – UKRI.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13022 75Kan de Minister tevens het tijdspad voor de komende vier jaar metbijbehorende investeringen schetsen, om uit te komen op realisatie in2040?76Welke aanpassingen in deze tijdspaden en bijhorende investeringenzouden er nodig zijn om te koersen op eerdere realisatie, bijvoorbeeld in2035?78De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke mogelijkheden hijziet om de realisatie van SMR’s in Nederland te versnellen indien blijkt datSMR’s niet pas tegen 2040 maar bijvoorbeeld, zoals door sommigedeskundigen wordt ingeschat wordt, al rond 2030 of 2035 beschikbaarzouden komen. Kan het tempo van de programmalijnen dan wordenaangepast en versneld?Antwoord 75, 76 en 78Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 35, 36, 37, 38, 42, 52, 58 en59.77De leden van de CDA-fractie merken op dat Eurocommissaris KadriSimson bij het aankondigen van de Europese Industriële Alliantie voorSMR’s over de eerste SMR’s heeft gezegd dat de Europese Unie heeftbesloten een industriële alliantie omtrent SMR’s te vestigen, om zo derealisatie van de eerste reactors rond 2030 te stimuleren. Deze ledenmaken daaruit op dat de Europese Commissie de inschatting maakt dat deeerste reactoren tegen het jaar 2030 gerealiseerd kunnen worden in delidstaten die daarop inzetten. Zij vragen de Minister welke redenen er zijnom al bij voorbaat aan te nemen dat realisatie rond 2030 niet ook inNederland mogelijk zou zijn?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 52, 69 en 70.79Tevens vragen deze leden hoe er zal worden ingezet op onderzoek naar ende ontwikkeling van generatie vier SMR’s. Dit nieuwere type reactorenstaan weliswaar qua tijd verder af van introductie op de markt maar biedtwel diverse voordelen. Welke mogelijkheden ziet de Minister om daar welvroegtijdig op in te spelen en in te investeren?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 65, 66 en 67.80De leden van de CDA-fractie achten het van belang dat er in deprogramma-aanpak ook wordt ingezet op internationale samenwerking.Deze leden zijn daarom tevreden met onder andere de Nederlandse inzetop deelname aan initiatieven, zoals Accelerating SMR’s for Net Zero en deIndustriële Alliantie voor SMR’s. Deze leden vragen de Minister om teschetsen hoe de ontwikkeling van SMR’s in omliggende landenmomenteel plaatsvindt.81Kan de Minister een overzicht geven van de plannen van Europese landenop het gebied van SMR’s, de tijdslijnen die daarbij worden gehanteerd enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13023 in hoeverre er te verwachten valt dat er daarbij ook voor de realisatie vanSMR’s in Nederland relevante ontwikkelingen plaats zullen vinden?Antwoord 80 en 81Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 1, 39 en 40.82De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat er in de programma-aanpak SMR’s ook aandacht is voor de kansen voor de Nederlandsemaakindustrie, bijvoorbeeld in de Industriële Alliantie voor SMR’s. Dezeleden vragen de Minister de maakindustrie en de industriële clustersconcreet bij het SMR programma zullen worden betrokken. Zijn er aloverleggen geweest met brancheorganisaties, zoals FME, VNO-NCW enBouwend Nederland?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 45–49 en 60–64.83Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat dit soort partijen vroegtijdig bijhet proces worden betrokken en kan hij een overzicht geven van departijen die in ieder geval bij het SMR-programma betrokken zoudenmoeten zijn?AntwoordBij het opstellen van de programma-aanpak zijn gesprekken met branche-organisaties gevoerd en deze gesprekken worden voortgezet bij deverdere uitwerking van de programma-aanpak. Partijen die in ieder gevalbetrokken zijn bij de uitwerking van de programma-aanpak zijn medeover-heden, de ANVS, netbeheerders, de ontwikkelaars van SMR’s, cluster- enbrancheorganisaties en onderzoeks- en kennisinstellingen.84Deze leden hebben vernomen dat er in ieder geval met FME onderzoek zalworden gedaan naar welke bedrijven er in de Nederlandse nucleairemaakindustrie actief zijn of willen worden. Kan de Minister aangeven opwelke wijze en op welke termijn dit onderzoek zal worden opgezet enuitgevoerd?AntwoordOp basis van de bevindingen van de technische haalbaarheidsstudiesvoor de grootschalige centrales die de drie vendors op dit momentuitvoeren, wordt in het najaar gestart met een inventarisatie naar dekansen voor de maakindustrie in de ontwikkelingen rondom kernenergie(zowel conventioneel als SMR’s). De FME-analyse over de kansen voor demaakindustrie in de ontwikkeling van elektrolysers dient hierbij alsvoorbeeld.1185De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij ermee bekend is datin het verenigd Koninkrijk bij de bouw van reguliere kerncentrales eenminimum percentage van 60% van de contractwaarde door nationalebedrijven moet worden ingevuld.AntwoordJa, daar ben ik mee bekend.11FME: Elektrolysers: Kansen voor de Nederlandse Maakindustrie. Regionale kansenkaart enaanbevelingen voor de ontwikkeling van een Nederlandse productieketen voor elektrolysers,2020Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13024 86Wordt in Nederland ook dergelijke maatregel overwogen om te garan-deren dat het Nederlandse bedrijfsleven zoveel mogelijk kan profiterenvan, en bij kan dragen aan, de ontwikkeling van kernenergie inNederland?AntwoordOp basis van de bevindingen van de technische haalbaarheidsstudiesvoor de grootschalige centrales die de drie technologieleveranciers op ditmoment uitvoeren, wordt gestart met de inventarisatie naar de kansenvoor de maakindustrie in de ontwikkelingen rondom kernenergie (zowelconventioneel, als SMR’s). Uit de technische haalbaarheidsstudies volgtook informatie die van belang is bij het bepalen van de contractwaardedie door nationale bedrijven bij de bouw van kerncentrales moet wordeningevuld.87De leden van de CDA-fractie zijn voorts ook benieuwd hoe kennisinstel-lingen, zoals onder meer TNO, NRG en de TU-Delft, worden betrokken bijde uitvoering van het SMR-programma. Kan de Minister daarop ingaan?(88) Deelt de Minister de mening dat het van groot belang is hetSMR-programma te benutten voor (verdere) opbouw van Nederlandsekennis van nucleaire technologie? (89) In hoeverre leidt hetSMR-programma tot verdere impulsen in het versterken van de nucleairekennisinfrastructuur?Antwoord 87, 88 en 89Ja, ik vind het belangrijk dat de programma-aanpak wordt benut voor deverdere opbouw van de Nederlandse kennis van nucleaire technologie.SMR’s vormen om die reden al een belangrijk onderdeel van het MMIPKernenergie, dat tot doel heeft de nucleaire kennisinfrastructuur tewaarborgen, versterken en toekomstbestendig te maken door gericht teinvesteren in onderwijs, onderzoek en innovatie. Het gaat daarbij, naastkennisontwikkeling rondom de huidige nucleaire technologieën, om hetversterken van de kennisbasis met betrekking tot nieuwe reactortypen diein 2050 mogelijk onderdeel zijn van een stabiele, CO2-vrije energievoor-ziening. Het MMIP loopt tot 2030 en is tot stand gekomen via nauwesamenwerking tussen overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen,waaronder partijen als TNO, NRG en de TU-Delft. Ik ben voornemens deverdere inzet op SMR’s binnen het MMIP Kernenergie te versterken, doorhet onderwerp SMR’s als afzonderlijk onderwerp op te nemen in hetMMIP; in zowel het Wetenschappelijk Onderzoeksprogramma als hetTechnologie Ontwikkelingsprogramma. Verder worden de genoemdekennis- en onderzoeksinstellingen worden betrokken bij de simulatiesonder programmalijn 1.Begin 2023 is in samenwerking met TU Delft en Nuclear Research andconsultancy Group (NRG) de Nuclear Academy opgericht. De NuclearAcademy was onderdeel van de eerste impuls die is gegeven om denucleaire kennisbasis en -infrastructuur te versterken.12 De NuclearAcademy organiseert daarnaast activiteiten voor medeoverheden,waaronder bijeenkomsten over kernenergie en SMR’s. Verder wordt in hetkader van de programma-aanpak SMR’s samen met de Nuclear Academygewerkt aan een specifieke SMR-module, die medeoverheden moetondersteunen in het opbouwen van kennis over SMR’s.12Kamerstuk 32 645, nr. 101.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13025 90De leden van de CDA-fractie vinden het van groot belang dat ook deverschillende regio’s die kansen zien voor de realisatie van SMR’s goedzijn aangehaakt bij het SMR-programma. Zij vragen de Minister hoe deprovincies betrokken zijn bij de verdere uitwerking van hetSMR-programma.AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 28 en 29.91Kunnen provincies bijvoorbeeld specifieke wensen aangeven voordeelname aan het SMR-programma en in hoeverre is er ruimte voormaatwerk per provincie?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 3, 27, 28 en 29.92De leden van de CDA-fractie lezen in de brief van de Minister dat hetregio’s vrij staat om de rol van SMR’s te verkennen voor periode na 2030.Wat als een regio, industriecluster of andere ontwikkelaar al voor 2030 aande slag wil met een pilotproject? Zijn daar dan mogelijkheden voor binnenhet SMR-programma?AntwoordDe doelstelling van de programma-aanpak is het voorbereiden van en hetanticiperen op de realisatie van SMR’s in Nederland. Het is van belang omde noodzakelijke randvoorwaarden voor realisatie in beeld te krijgen,zowel op het gebied van ruimtelijk beleid als energetisch beleid. Het ligtvoor de hand dat na het uitvoeren van de simulaties pilots in beeld gaankomen. Op dit moment zijn er nog geen verzoeken voor pilots die al zo rijpen concreet zijn dat je kan spreken van een pilot; niet van bedrijven, enook niet van provincies. Met de simulaties krijgen we meer duidelijkheidover knelpunten en kansen rondom de ontwikkeling van SMRs, enbrengen we stakeholders in een geïnformeerde positie. Hierdoor kunnenverzoeken van bedrijven of provincies voor pilots in de komende periodemogelijk wel concreter worden. Uiteraard staat het regio’s, industrie-clusters en ontwikkelaars in de tussentijd vrij om aan de slag te gaan meteen pilotproject, ook voor 2030.93Deze leden merken op dat er simulaties van het proces van vergunning-verlening en de realisatie van een SMR virtueel worden doorlopen. Zijvragen de Minister wanneer deze simulaties worden gestart, of ermeerdere simulaties worden doorlopen in meerdere provincies en hoeworden de wensen van de diverse provincies daarbij worden betrokken.De leden van de CDA-fractie lezen dat in programmalijn 2 van hetSMR-programma onder andere naar de inpassing van SMR’s in hetenergiesysteem wordt gekeken.94Zij vragen de Minister of in deze programmalijn dus ook wordt gekekennaar welke locaties het meest geschikt zijn voor het realiseren van SMR’s.95Zo ja, naar welke aspecten er zal worden gekeken bij het bepalen vangeschikte locaties voor SMR’s?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13026 96Deelt de Minister de mening dat bijvoorbeeld de locatie Dodewaard eenhele geschikte locatie zou kunnen zijn voor een SMR?Antwoord 93 t/m 96Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 7 en 13. Met deinformatie die volgt uit deze verschillende stappen is het mogelijk eeninschatting te kunnen maken of Dodewaard een mogelijke locatie kan zijnvoor de realisatie van SMR’s.97De leden van de CDA-fractie lezen dat in een latere fase zal wordenbesloten over de invulling van de plannen met de resterende 55 miljoeneuro voor het SMR-programma. Zij vragen de Minister wat het tijdspad isvoor de investeringen van de overige 55 miljoen euro.98Betekent dit dat er voor het jaar 2025 en 2026 nog geen geldenbeschikbaar komen totdat helder is wat uit programmalijn 3 komt?Antwoord 97 en 98Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 58 en 59.99Ook vragen deze leden hoe de middelen voor het SMR-programma zichverhouden tot de middelen van het Meerjaren Missiegedreven InnovatieProgramma (MMIP) van het Topsectoren beleid?Antwoord 99Bij de Voorjaarsbesluitvorming 2023 is een bedrag van € 65 miljoengereserveerd voor het SMR-programma, tot en met 2030. Deze middelenstaan los van de middelen voor het MMIP Kernenergie. Tijdens deVoorjaarsbesluitvorming 2024 zijn de gereserveerde middelen voor denucleaire kennisbasis en -infrastructuur vanuit het Klimaatfonds in zijngeheel toegekend. Dit betekent dat er voor de komende jaren tevens intotaal nog eens een bedrag van € 65 miljoen beschikbaar is voor deversterking van de nucleaire kennis- en innovatiestructuur en dat deuitvoering van het MMIP Kernenergie voortvarend kan worden opgepakt.Verder verwijs ik hiervoor ook naar het antwoord op vraag 65–67.100Is daarbij sprake van overlap en hoe loopt het proces van het MMIP inrelatie tot het SMR-programma?AntwoordIk verwijs hiervoor naar de antwoorden op de vragen 65, 66, 67 en 99.Vragen en opmerkingen van het lid van de JA21-fractieHet lid van de JA21-fractie heeft kennisgenomen van de brief over deProgramma-aanpak Small Modular Reactors. Hij heeft enkele vragen enopmerkingen.Het lid van de JA21-fractie constateert dat de ontwikkeling van SMR’s inde westerse wereld razendsnel gaat en dat een realisatie van SMR’s inEuropa voor 2035/2040 niet onwaarschijnlijk is.101Kan de Minister aangeven of hij bereid is om de scope van 2050 los telaten en te vervroegen naar 2035/2040?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13027 102Zo nee, waarom niet?103Kan de Minister tevens aangeven welke investeringen er nodig zoudenzijn om de doelstelling te vervroegen naar 2035/2040?Antwoord 101, 102 en 103Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 52.104Kan de Minister aangeven welke tijdspaden hierbij worden gehanteerd,uitgaande van de drie programmalijnen?105Kan de Minister concreet aangeven welke doelen uit de programmalijnenmoeten worden gehaald en op welk moment dit moet gebeuren om derealisatie van SMR’s in 2040 mogelijk te maken?Antwoord 104 en 105Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 54 en 55.106Kan de Minister tevens aangeven hoe het tijdspad er voor de komendejaren uitziet en welke investeringen er nodig zijn om een realisatie vanSMR’s uiterlijk in 2040 mogelijk te maken?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 31, 57, 58 en 59.107Het lid van de JA21-fractie wil graag weten hoe provincies betrokkenworden bij het uitwerken van het SMR-programma. Kunnen provinciesspecifieke wensen aangeven voor deelname aan het SMR-programma?108In hoeverre en op welke manier stimuleert het rijk samenwerking tussende provincies?109In hoeverre blijft er per provincie ruimte voor maatwerk?Antwoord 107, 108 en 109Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 3, 27, 28 en 29.110Wanneer komt er voor provincies meer duidelijkheid over welke besluit-vorming over bijvoorbeeld vergunningverleningen van locaties bij henligt?AntwoordDe gemeente is op dit moment Bevoegd Gezag aangezien SMR’selektriciteitscentrales zijn onder de 500 MW onder de Energiewet. Datbetekent dat er op dit moment, met een gemeentelijk bestemmingsplandat de toepassing van kernenergietechniek toestaat en een vergunningvan de ANVS, in theorie overal in Nederland een SMR kan wordengerealiseerd. Zodra helderheid is over in welke gebieden SMR’s potentieeleen bijdrage kunnen leveren aan het energiesysteem en we weten welkeeisen op locaties nodig zijn, dan kan een conclusie getrokken worden welkrandvoorwaardelijk beleid nodig is, en op welke laag van de overheidTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13028 (nationaal, provinciaal, lokaal). Zoals toegelicht in de programma-aanpakSMR’s start programmalijn 2 medio 2024 en loopt deze in ieder geval doortot medio 2025. Daarna is het mogelijk meer duidelijkheid te bieden overde rolverdeling tussen overheden en andere stakeholders in het kader vanbevoegdheidsverlening.111Kan de Minister concreet aangeven per provincie hoeveel aanspraak isgedaan op de 10 miljoen euro die met het amendement-Eerdmans/Stoffer(Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 17) is vrijgemaakt?AntwoordEr is door de provincies geen aanspraak gedaan op deze middelen. Zoalstoegelicht in de Kamerbrief van 22 maart jl. ondersteunt de programma-aanpak, onder andere via de simulaties onder programmalijn 1, op eenactieve manier medeoverheden en andere stakeholders in de opbouw vankennis en ervaring met SMR’s. Vanuit het Klimaatfonds zijn er eerderuitvoeringsmiddelen toegekend aan de medeoverheden. In deze faseworden geen aanvullende uitvoeringsmiddelen voor de provinciesgealloceerd binnen het SMR-programma. Dit is ook zo besproken met deprovincies.112Waarop baseert de Minister de verwachting dat het uitgavenbedrag van10 miljoen euro in 2024 niet volledig benut gaat worden?113Is de Minister bereid om deze middelen alsnog optimaal in te zetten,mocht dit niet zijn gebeurd? Zo ja, op welke manier is de Minister dit vanplan?Antwoord 112 en 113Op dit moment worden de verschillende onderdelen van hetSMR-programma opgestart. Dit vraagt om ambtelijke capaciteit en inzet –zowel bij de verschillende departementen als bij medeoverheden en deANVS. Omdat de doelmatige allocatie van de middelen voor hetSMR-programma belangrijk is voor het succes ervan, wordt ervoorgekozen om dit proces zorgvuldig op te zetten. Om die reden wordtwaarschijnlijk het uitgavenbedrag van € 10 miljoen in 2024 nog nietvolledig benut.114De Minister schrijft dat over de invulling van de plannen met de55 miljoen euro in een latere fase wordt besloten. De beschikbare10 miljoen euro zal volgens de Minister voornamelijk worden ingezet vooronderzoek en begeleiding van de eerste twee programmalijnen. Inhoeverre zijn er voor 2025 en 2026 middelen beschikbaar voor program-malijn 3? Mochten hiervoor geen middelen beschikbaar worden gesteld,wordt hiermee geen kostbare tijd verloren?115En kan de Minister een inzicht geven hoe de investeringen van de overige55 miljoen euro, die gereserveerd zijn met het amendement Eerdmans/Stoffer, worden besteed.Antwoord 114 en 115Het beschikbare budget wordt voor nu vooral ingezet voor onderzoek enbegeleiding van eerste twee lijnen van de programma-aanpak. Deuitkomsten hiervan en de visie die geformuleerd wordt binnen program-malijn 3 zullen de onderbouwing geven om te komen tot een doelmatigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13029 allocatie van de resterende middelen van € 55 miljoen. Dit bedrag is dusgekoppeld aan programmalijn 3 en daarmee aan de jaren 2025 en verder.Verder verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 58 en 59.116Tot slot, kan de Minister aangeven hoe de middelen uit het MeerjarenMissiegedreven Innovatie Programma van het Topsectorenbeleid zichverhouden tot deze middelen?AntwoordHiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 99.117Het lid van de JA21-fractie vraagt in hoeverre de Minister ziet dat SMR’seen verlichting kunnen bieden voor de huidige netcongestie-problematiek,mits ze op strategische plaatsen worden gerealiseerd.AntwoordHiervoor verwijs ik naar het antwoord op de vragen 43 en 44118Kan de Minister aangeven aan welke (wettelijke) criteria de zoekgebiedenvoor SMR’s generatie 3 moeten voldoen?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 7, 13 en 95.119Het lid van de JA21-fractie vraagt of de Minister bereid is om ook MSR(Thorium) te betrekken bij de gesuggereerde ontwikkelingskaders en teinvesteren in de ontwikkeling en onderzoek hiervan, zoals bijvoorbeeldook Frankrijk doet met Thorizon.AntwoordGesmolten-zout-reactoren zijn zogeheten Generatie-IV-reactoren. Ikverwijs voor een nadere toelichting hierop naar de antwoorden op vragen65, 66 en 67.120Het lid van de JA21-fractie constateert dat in de eerste programmalijnsimulaties van het proces van vergunningverlening en realisatie van eenSMR virtueel worden doorlopen. Het lid van de JA21-fractie wil graagweten wanneer deze simulaties worden gestart en wanneer wordtverwacht dat de eerste resultaten afgerond zijn en of er meerderesimulaties in verschillende provincies worden uitgevoerd?121Worden deze resultaten ook gedeeld met de provincies en de Kamer?122Verder wil het lid van de JA21-fractie graag weten welke kennisinstel-lingen er bij deze programmalijn betrokken worden en in welke fase ditgeschiedt.123Dit lid is verder benieuwd in hoeverre de wensen van provincies daarbijbetrokken worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13030 Antwoord 120 t/m 123Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Onder andere via hetmissieteam Kernenergie is de programma-aanpak met Nederlandsekennisinstellingen besproken. De precieze invulling van hun betrok-kenheid bij de simulaties wordt nader bepaald. De resultaten van desimulaties zullen worden gedeeld met de provincies en uw Kamer.124Hij is van mening dat de tijdlijn die nu wordt aangehouden demotiverendkan werken op bedrijven die sneller van de SMR-technologie gebruikzouden willen maken en is benieuwd in hoeverre de Minister het met dezeconstatering eens is.AntwoordIk verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 35, 36, 37, 38, 39, 40 en42.125Het lid van de JA21-fractie vraagt of de Minister op de hoogte is dat erSMR-ontwikkelaars zijn die van bewezen technologie gebruik maken (endie geen aanspraak maken op financiële overheidssteun) en in hoeverrede Minister bereid is deze ontwikkelaars te stimuleren om snellerprojecten te realiseren dan nu beschreven in de programma-aanpak.AntwoordEr zijn wereldwijd meer dan tachtig verschillende ontwerpen van SMR’s inontwikkeling. Een aantal SMR-ontwikkelaars maakt binnen hun ontwerpgebruik van bewezen technologieën en geeft daarbij aan geen aanspraakte maken op financiële overheidssteun. Tot op heden zijn er nog geenconcrete initiatieven in Nederland en is er binnen Europa nog geen SMRvergund of gerealiseerd. De programma-aanpak ondersteunt deze partijenechter al wel door te werken aan faciliterende randvoorwaarden, zoalsruimtelijke inpassing en ondersteuning van de toezichthouder om zo opdie manier de SMR-ontwikkelingen in Nederland te versnellen.126Kan de Minister aangeven wat naar zijn mening de impact zal zijn voor deontwikkeling van SMR’s in Nederland en zijn beleid wanneer er in andereEuropese landen reeds in de tweede helft van het huidige decenniumSMR’s in werking worden gebracht?AntwoordOp het moment dat er in andere landen een SMR is gerealiseerd, zou datmogelijk de realisatie in Nederland kunnen versnellen. Ter voorbereidingop een mogelijk vergunningstraject van SMR’s onderzoeken toezicht-houders uit verschillende landen (waaronder de ANVS) hoe delen vanelkaars (een gedeelte van) veiligheidsbeoordeling kunnen wordengebruikt. De ANVS zoekt daarvoor actief internationale samenwerking op.Hiervoor verwijs ik ook naar het antwoord op vraag 9. Verder kan in datgeval mogelijk gebruik worden gemaakt van bijkomende (schaal)voor-delen van het realiseren van een n’th-of-a-kind (NOAK) in plaats van eenfirst-of-a-kind model.127Deelt de Minister de mening dat het ruimtelijk beleid en de ruimtelijke-ordeningsregelgeving op dit moment geen belemmering vormt om SMR’sin Nederland te vestigen?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13031 Op dit moment kan er, met een gemeentelijk bestemmingsplan dat detoepassing van kernenergietechniek toestaat en een vergunning van deANVS, in theorie overal in Nederland een SMR worden gerealiseerd.Nederland is echter te klein om heel vrij om te kunnen gaan met deruimte. Daarom moeten de ruimtelijke opgaven in samenhang met hetenergiesysteem worden bezien, zodat nieuwe vormen van energieop-wekking ruimte-efficiënt en energie-efficiënt ingepast worden. Insamenhang met eventuele ruimtelijke kaders is het van belang tebeoordelen welke overheidslaag het meest geëquipeerd is om vergun-ningaanvragen te coördineren. Afgewogen kan worden op welke grondeneen eventuele verdeling wordt gemaakt (o.a. in ogenschouw nemen vanvermogen, oppervlakte of mogelijk ook een bepaalde techniek). Tot slotdient besloten te worden of er een bepaalde verdeling tussen overhedendient plaats te vinden, zoals bijvoorbeeld bij windparken en elektrolysers.128Het lid van de JA21-fractie wil graag weten hoe de ontwikkeling vanSMR’s in andere Europese landen geschiedt en of de Minister hiertoe eenoverzicht kan geven welke plannen en vorderingen andere Europeselanden boeken.AntwoordHiervoor verwijs ik naar het antwoorden op vragen 1 en 53.129In hoeverre kijkt de Minister naar het Verenigd Koninkrijk waar deoverheid de bouw van reguliere kerncentrales stuurt op een minimumper-centage van 60% van de contractwaarde die door nationale bedrijvenmoet worden ingevuld?130In hoeverre wordt een dergelijke benchmark ook voor Nederlandoverwogen, waardoor het Nederlands bedrijfsleven kan profiteren van deontwikkeling van SMR’s en kernenergie in het algemeen in Nederland?Antwoord 129 en 130Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 85 en 86.131Kan de Minister aangeven in hoeverre de maakindustrie en de industriëleclusters betrokken worden bij het SMR-programma en in hoeverre deMinister de regie neemt om partijen vroegtijdig bij elkaar te brengen.132Kan de Minister tevens aangeven of er reeds overleggen zijn geweest metbrancheorganisaties, zoals bijvoorbeeld VNO-NCW?Antwoord 131 en 132Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 48 en 49.133Kan de Minister tot slot een overzicht geven van de partijen en kennisin-stellingen die van belang zijn om bij (het proces van) de ontwikkeling vanSMR’s te betrekken?AntwoordHiervoor verwijs ik naar de antwoorden op vragen 83, 87, 88 en 89.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 645, nr. 13032

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · eefe34a310427ce2

14 okt 2026 · d9cc6ff4d785c3ac

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.