KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 16 oktober 2024, over curriculumherziening en de voortgangsrapportage masterplan basisvaardigheden

19 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 87547b8a244577fd · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 763 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 19 november 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vastecommissie voor Digitale Zaken hebben op 16 oktober 2024 overleggevoerd met mevrouw Paul, Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie, over:–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 11 oktober 2024 inzake beantwoordingvragen commissie over de vierde voortgangsbrief Masterplanbasisvaardigheden (Kamerstuk 31 293, nr. 732) (Kamerstuk31 293, nr. 756);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 30 mei 2024 inzake vierde voortgangsbrief Masterplanbasisvaardigheden (Kamerstuk 31 293, nr. 732);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 28 juni 2024 inzake onderzoekskaders 2024 van deInspectie van het Onderwijs en de verslagen van de Ringen(Kamerstuk 31 293, nr. 739);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 14 juni 2024 inzake beantwoording vragen commissieover de conceptkerndoelen burgerschap en digitale geletterd-heid (Kamerstuk 31 293, nr. 721) (Kamerstuk 31 293, nr. 734);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 6 maart 2024 inzake conceptkerndoelen burgerschap endigitale geletterdheid (Kamerstuk 31 293, nr. 721);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 25 april 2024 inzake beantwoording vragen commissieover de reactie op de motie van de leden Paternotte en Stofferover het verleggen van de focus naar bewezen effectiefleesonderwijs met kennisrijke teksten (Kamerstuk 31 293,nr. 719) (Kamerstuk 31 293, nr. 731);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 14 februari 2024 inzake reactie op de motie van de ledenPaternotte en Stoffer over het verleggen van de focus naarbewezen effectief leesonderwijs met kennisrijke teksten(Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 70) (Kamerstuk 31 293, nr. 719);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 11 april 2024 inzake vijfde tussenadvies van de weten- kst-31293-763ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7631 schappelijke Curriculumcommissie (Kamerstuk 31 293,nr. 728);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 28 september 2023 inzake conceptkerndoelen Nederlandsen rekenen/wiskunde (Kamerstuk 31 293, nr. 700);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 28 maart 2024 inzake reactie op verzoek commissie overeen afschrift van het antwoord op de brief van de KNAG, VGN,KNHG en NIBI over het loslaten van wereldoriëntatie in detoetsing in het primair onderwijs (p.o.) (Kamerstuk 31 293,nr. 726).Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap,BrometDe voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken,PalmenDe griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Weten-schap,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7632 Voorzitter: CederGriffier: VerhoevAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Ceder, Ergin, Kisteman,Pijpelink, Rooderkerk, Soepboer, Stoffer, Uppelschoten en Van Zanten,en mevrouw Paul, Staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie.Aanvang 10.00 uur.De voorzitter:Goedemorgen allemaal. Hierbij wil ik graag het commissiedebat Curricu-lumherziening en de voortgangsrapportage Masterplan basisvaardig-heden openen. Dit is een belangrijk en groot onderwerp, dus ik ben blijmet de belangstelling hiervoor. Ik heet de Staatssecretaris van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, mevrouw Paul, en haar ondersteuning van hartewelkom. Ik verwelkom ook graag de aanwezige Kamerleden. Ik zal ze evenopnoemen: de heer Soepboer van Nieuw Sociaal Contract, mevrouwRooderkerk van D66, mevrouw Pijpelink van GroenLinks-PvdA, de heerStoffer van de SGP, de heer Uppelschoten van de PVV, de heer Kistemanvan de VVD en mevrouw Van Zanten van de BoerBurgerBeweging. Tevensook een warm welkom aan eenieder die dit debat in de zaal of onlinevolgt. Ik zie een volle tribune, dus de belangstelling is groot. Ik zie ook dater studenten van de UvA aanwezig zijn, onderwijswetenschappers. Vanharte welkom.Er geldt een spreektijd van vier minuten per fractie in de eerste termijn.Gezien de grootte van het onderwerp wil ik het aantal interrupties voor nuop vier houden. Ik stel dus voor dat we vier losse vragen aanhouden. Wehebben tot 14.00 uur. Ik wil in het verloop van het debat even kijken of wedaar misschien wat ruimer in kunnen zijn, maar voor nu beperk ik het totvier.Dan wil ik graag starten. Ik start met de inbreng van de heer Soepboer vanNieuw Sociaal Contract. Aan u het woord. Nee, mevrouw Rooderkerkheeft eerst een punt van orde.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank. Ik merk dat ikzelf en meer collega’s worstelen met de beperktespreektijd, terwijl het een heel fundamenteel en breed onderwerp is. Erzijn allemaal thema’s waar ik niet aan toekom in mijn spreektekst, zoalsburgerschap en uitstel van de structurele financiering. Er is erg laat eenbrief gekomen met daarin de beantwoording van feitelijke vragen. Diekwam zelfs zo laat dat die niet bij de stukken van dit debat hoort. Ik zoudaarom graag bij de collega’s het balletje willen opwerpen of er behoefteis om ook nog een kort schriftelijk overleg te houden, zodat we de detailsin kunnen.De voorzitter:Dat kan, maar dat zou ik niet hier doen. Dat kunt u via de procedureverga-dering doen. Als er een meerderheid voor is, gaan we dat regelen. Ik hoordus uw punt, maar ik wil u toch verzoeken om dat via de procedureverga-dering te doen.Dan wil ik graag de heer Soepboer het woord geven.De heer Soepboer (NSC):Ja, dank u wel, voorzitter. Met mijn leerlingen zong ik liedjes over deklimaatclassificatie van Köppen. Ik weet dat het op dit moment lastig voorte stellen is, maar ik stond letterlijk ondersteboven op mijn handen voorhet bord als ik de wet van Buys Ballot moest uitleggen. Als het over deEerste Wereldoorlog ging, dan maakten en lazen we poëzie in verschil-lende talen. Het gedicht In Flanders Fields kennen de meesten van mijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7633 oud-leerlingen uit hun hoofd. Ik vertel u dit om te illustreren dat devrijheid die een docent heeft om goed les te geven een groot goed is. Hetgaat niet om vrijblijvendheid, maar om de vrijheid om bewust en naareigen inzicht lessen in te richten op basis van een duidelijk en beknoptcurriculum, waarmee wij afspraken maken over wat wij vinden dat alleleerlingen echt moeten weten en kunnen, niet omdat het belangrijk ofinteressant is, maar omdat het fundamenteel is. Heel veel is belangrijk enheel veel is interessant, maar niet alles hoeft een kerndoel of, in hetverlengde daarvan, een eindterm te zijn.Voorzitter. We zitten met een verouderd curriculum dat nodig aanherziening toe is. Wat Nieuw Sociaal Contract betreft gebeurt dat zo snelmogelijk. Ook de sociale partners en het veld vinden dit, zo hebben wekunnen lezen. Dat in combinatie met dit late stadium waarin de Kamer eriets van mag vinden, brengt mij eerlijk gezegd in een lastige positie, wantwe zien dat scholen inderdaad echt toe zijn aan wat nieuws en dat erbreed draagvlak is ontstaan voor een aantal van de leergebieden die heteerst aan de beurt zijn, zoals Nederlands, rekenen en wiskunde. Maar wezien ook dat het hier en daar echt een onsje minder kan. Ik geef u een kleinvoorbeeld: moeten leerlingen in het basisonderwijs nou echt weten watde functie is van bijvoorbeeld een intern geheugen, een processor en eenrouter? Moeten leerlingen in het p.o. en vo echt experimenteren metdigitale middelen om gedachten, ideeën of gevoelens uit te drukken? Alsu daarmee bedoelt dat zij een powerpointpresentatie moeten maken,schrijf dat dan alsjeblieft op. Moeten al onze leerlingen echt lerenprogrammeren?Voorzitter. Wij willen graag de overladenheid in het curriculum tegengaanen ruimte bieden aan scholen en docenten. Dat betekent wel dat wekeuzes moeten maken. Natuurlijk hebben wij ook gehoord dat meerkerndoelen juist zouden moeten leiden tot minder overladenheid, omdatze concreter zijn, maar in die redenatie kunnen wij helaas maar deelsmeegaan.De voorzitter:U heeft een interruptie van mevrouw Pijpelink.De heer Soepboer (NSC):Zoveel begreep ik.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik hoor dit echt met verbazing aan. Het onderwijsveld heeft de afgelopendagen, na de brief van afgelopen vrijdag van de Staatssecretaris, mij en ikdenk ook u overladen met brieven, mails, en reacties met: alsjeblieft, wijzijn heel positief over de concrete kerndoelen die nu in de wijzigingvoorliggen, we zijn ermee aan de slag en willen door. En u zegt «nou, neehoor, het moeten er echt minder zijn», terwijl het veld positief is. Watmaakt dat u zegt: ik schuif dat veld opzij en respecteer de mening van hetveld, van de leraar, niet; wij als NSC-fractie zeggen dat het echt een onsjeminder moet?De heer Soepboer (NSC):Als ik lesgaf aan leerlingen, dan zei ik altijd dat het een heel belangrijkevaardigheid was – die kan misschien ook nog in het curriculum – om goedte leren luisteren. Als mevrouw Pijpelink goed had geluisterd naar heteerste deel van mijn termijn, dan had ze nu deze interruptie niet geplaatst.Ik heb juist uitgelegd in welke positie ik mezelf bevind, dat ik juist zie dater draagvlak is en dat het veld ook graag wil dat het doorgang vindt. Maarik zeg u ook waar mijn persoonlijke problemen zitten. Volgens mij magdat. Volgens mij is dat een politiek verschil. Dat is niet het veld aan de kantschuiven, mevrouw Pijpelink. Dat insinueert u hier nu. Ik vind dat eenbeetje smadelijk. Ik doe dat niet. Ik hou daar juist wel rekening mee. Ik hadTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7634 ook kunnen zeggen: alles moet anders en we kijken nergens naar. Dat doeik niet. Ik neem het veld en de signalen serieus, maar ik vind persoonlijkdat het hebben van te veel kerndoelen uiteindelijk niet zal leiden tot dediepgang die we met elkaar zoeken en tot de vrijheid van de leraar om leste kunnen geven, maar tot een afvinklijstje of afwerklijstje. Dat wil ik juistproberen te voorkomen, mevrouw Pijpelink.De voorzitter:Mevrouw Pijpelink, uw tweede interruptie.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik heb ontzettend goed geluisterd. Maar ik hoor meneer Soepboer zich nuecht in bochten wringen. Het slaat natuurlijk nergens op. Aan de ene kantzegt hij: «Ik hoor heel goed wat het veld zegt. Ik weet dat ze positief zijn.Ze willen concrete doelen en hebben die gekregen. Maar ik vind er watanders van.» Ik vraag me echt af – ik kijk ook de andere coalitiepartijenaan – wat maakt dat u nu zegt: we schuiven dat opzij. Meneer Soepboeren ik verschillen misschien van mening, maar dit is wat mij betreft echthet opzijschuiven van het onderwijsveld, dat gefundeerd op basis van deafgelopen tijd zegt dat het met deze concrete doelen aan de slag kan. Dangaat het niet om je vastpinnen op aantallen. Het gaat dan om de kwaliteitvan de kerndoelen die er liggen. Is de heer Soepboer het met me eens dathet veld zegt dat het met de kwaliteit van deze concrete kerndoelen aan deslag kan, maar in ieder geval de fractie van NSC zegt «wij vinden watanders»? Dat kan, maar dan vraag ik aan meneer Soepboer: waarop is datgebaseerd, behalve op het idee dat het minder moet?De heer Soepboer (NSC):Kijk, mevrouw Pijpelink, reductie is voor de fractie van Nieuw SociaalContract niet een doel op zich. Wat voor ons wel een doel is, is een puntigen gefocust curriculum. Als ik kijk naar het aantal doelen, dan vraag ikmaar even retorisch terug aan mevrouw Pijpelink – ik mag officieelnamelijk geen vraag stellen in de beantwoording van een interruptie – ofzij zich er ook van bewust is dat heel veel leergebieden zelfs nogontwikkeld of voorgelegd moeten worden. Consensus over alle leerge-bieden lijkt mij in ieder geval niet te bestaan. Misschien kunt u daar straksiets over zeggen. Het huidige aantal kerndoelen is 52. En ja, die zijnverouderd en te vaag. Daar ben ik het absoluut mee eens. Er moet dusvernieuwing komen, zo snel als mogelijk. Dat heb ik net ook gezegd. Ikwring mij niet in bochten. Ik leg alleen uit wat ik vind. Ik vind ook dat hetsnel moet gebeuren. Daar komen we straks nog even over te spreken. Hetaantal conceptkerndoelen dat op dit moment voorligt, is 49. Dan heb iknog niet meegerekend dat bijvoorbeeld Engels, oriëntatie op jezelf,kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs in het primair onderwijsnog niet zijn ontwikkeld. Het zijn er dus 49, terwijl er 4 nog moetenworden ontwikkeld en voorgelegd.Dan gaan we naar het voortgezet onderwijs. Dan zien we dat het huidigeaantal kerndoelen 50 is. Het aantal conceptkerndoelen dat nu bekend is, is53. Maar er komen ook nog vijf leergebieden aan. Ik wil alleen maarzeggen: als we zo doorgaan en dit aantal kerndoelen blijven gebruiken,dan wordt het een best groot curriculum. Ik maak mij zorgen over deoverladenheid die dat tot gevolg zal hebben voor de leraren die ermeezullen moeten werken. Dat gaat over de doelen, maar ook over debeschrijving van de inhoud. Het gaat ook over de voorbeelden die erinstaan. Ook daar zou je naar kunnen kijken om de overladenheid terug tebrengen.De voorzitter:Dank u wel, meneer Soepboer. Ik wil u vragen uw betoog te vervolgen,maar we horen nu de bel van de plenaire zaal. Dat betekent dat de dagTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7635 officieel begint. Wij zijn een kwartier eerder begonnen. Die bel duurt eenminuut. Ik zou u willen vragen om uw betoog te vervolgen wanneer de belafgelopen is.Nu iedereen weer is afgekoeld, wil ik de heer Soepboer vragen zijn betoogte vervolgen.De heer Soepboer (NSC):Dank u wel, voorzitter. Het lijkt ons mogelijk om in de breedte, dus overalle leergebieden in totaliteit, een reductie van het verwachte aantalkerndoelen te realiseren zonder daarbij al te veel vertraging op te lopenvoor in ieder geval de meest prangende leergebieden: Nederlands,wiskunde en rekenen. Reductie is voor ons geen doel, zoals ik tegenmevrouw Pijpelink heb gezegd, maar een werkbaar curriculum waarinfocus is aangebracht, is dat wel. De fractie van Nieuw Sociaal Contractstelt daarom een stoc voor: een snelcommissie terugdringen overla-denheid curriculum, bestaande uit mensen die nu ook aan de kerndoelenwerken en die een breed draagvlak representeren, met als doel hetterugdringen van het aantal kerndoelen en het komen tot een nog meergefocust curriculum. Voor Nederlands, wiskunde en rekenen zal datwellicht een bescheiden verschil gaan maken, maar voor andere leerge-bieden wellicht des te meer, zowel voor de doelen alsook voor deinvulling door bijvoorbeeld docenten, want dat is uiteindelijk ook deel vanhet houvast.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Rooderkerk, D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Een «snelcommissie». Het voelt een beetje alsof deze coalitie in eenkamikazeactie beland is. We zijn jarenlang bezig geweest met decurriculumherziening. Nu liggen er eindelijk kerndoelen, waarvan het heleonderwijsveld zegt dat het goed is dat die er zijn. Ze zijn op 200 scholengetest. Ze zijn vastgesteld door leraren en wetenschappers. Het ligt er nu.We kunnen nu aan de slag om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Eerstkregen we vrijdag een briefje van de Staatssecretaris dat het allemaalweer anders moet, dat het anders moet worden geredigeerd, dat er weerminder kerndoelen moeten komen, en nu stelt de heer Soepboer ook nogvoor om dat niet in een jaar te doen, maar het er zo snel mogelijkdoorheen te rommelen. Ik begrijp werkelijk niet of NSC denkt hiermee deonderwijskwaliteit te verbeteren. Mijn vraag zou zijn: klopt het dat de heerSoepboer tegen dat jaar uitstel is?De heer Soepboer (NSC):Ik wil daar zo meteen de Staatssecretaris over horen. Ik hoop dat het veelsneller kan dan in een jaar, misschien zelfs zonder vertraging. Dat gaan wehoren. Daarom stel ik ook een snelcommissie voor, die u direct weerafdoet als «rommelen». Dat zijn uw woorden. Het lijkt mij niet«rommelen»; het lijkt mij dat je dat met de juiste mensen, de goedemensen, best snel zou kunnen doen. Ik heb een paar voorbeelden moetennoemen om u een indruk te geven, maar het lijkt me juist iets waar wijons als politiek niet inhoudelijk mee gaan bemoeien, dus daarom moeteen snelcommissie dat doen. Dan zou het misschien sneller kunnen daneen jaar. Ik hoop het met u. Maar dat gaan we straks horen.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk met opnieuw een interruptie.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik vind het goed om te horen dat NSC ook zegt geen jaar uitstel te willen,en dat ze ook datgene zeggen wat het hele onderwijsveld ons laat wetenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7636 en waar wij ook voor zijn. Ik waak ervoor dat we nu een heel onzorgvuldigproces gaan bewandelen om dan maar te voldoen aan de grote wens diedeze coalitie kennelijk heeft om minder kerndoelen vast te stellen. Daarwaak ik voor en daarom noem ik dat «rommelen».De heer Soepboer (NSC):Ik hoor geen vraag.De voorzitter:Dan mag u doorgaan. De heer Ergin van DENK, die overigens zojuist isaangeschoven, heeft ook een vraag voor de heer Soepboer.De heer Ergin (DENK):Mijn vraag aan de heer Soepboer gaat over het voorstel voor eensnelcommissie. Ik kijk even naar de stukken die de Minister heeftgestuurd. Wij hebben in de afgelopen jaren de Onderwijsraad gehad diemet een advies kwam. We hebben de SLO gehad. We hebben Curricu-lum.nu gehad. We hebben deels ook de aanscherping van bepaaldewetten met betrekking tot burgerschap gehad. U heeft het over eensnelcommissie. Eigenlijk hebben al die groepen, die je ook zou kunnenopvatten als commissies, gezegd: we hebben juist concretere kerndoelennodig om de overladenheid te verminderen en om meer richting tekrijgen. De onderwijsinspectie zegt ook dat zij haar rol dan veel beter kanuitoefenen. Die adviezen hebben we allemaal. Die zijn allemaal uitge-werkt. Ik heb hier het rapport over de conceptdoelen voor bijvoorbeeldburgerschap. Die zijn allemaal netjes uitgewerkt. We kunnen nu eindelijkaan de slag en dan komt de heer Soepboer met een voorstel voor eensnelcommissie. Kan de heer Soepboer aangeven wat de fractie van NSCdan uit zo’n snelcommissie denkt te kunnen halen? Wat gaat die snelcom-missie ons meer vertellen of aan nieuwe inzichten verstrekken naast deinzichten die we eigenlijk al op papier hebben? Wat gaat er nieuw zijn aandie snelcommissie?De heer Soepboer (NSC):Ik heb in het eerste stukje ook gezegd, meneer Ergin, dat wij deels kunnenmeegaan in de redenatie dat concrete doelen, ook al zijn het er veel meer,per direct leiden tot minder overladenheid. Concretere doelen zijnconcreter uit te voeren in de praktijk en daardoor zorgen ze wellicht voorminder overladenheid. Echter, als je heel veel doelen, ook al zijn zeconcreter, afzet tegen minder doelen, dan loop je alsnog het risico opoverladenheid. Ik gun juist het veld, de professionals, ruimte om diedoelen die we met elkaar vaststellen ... Dat is dus niet de discussie over ofiets belangrijk of interessant is. Dat heb ik net ook gezegd. Het gaat om dediscussie of iets fundamenteel genoeg is om als kerndoel aan te merken.Als we daar een aantal van hebben vastgesteld, moet er ruimte zijn omdaar in de praktijk uitvoering aan te geven. Hoe meer je daarvan hebt, hoemeer je de vrijheid, tijd en ruimte daarvoor inperkt. Dat is waar mijn zorgzit.Ik hoop dat u mijn snelcommissie goed interpreteert, want u probeert hetnatuurlijk met elkaar nu weg te zetten als broddelwerk; dat werd net naastmij in ongeveer die woorden gezegd. Het tegenovergestelde is waar. Watik hier probeer te doen, is de politiek en het veld bij elkaar brengen. Ik hebu net verteld dat ik in een netelige positie zit, in die zin dat ik hoor wat hetveld zegt en wil en dat ik dat ook begrijp. Het moet ook snel. Het moet ookvoor elkaar komen. Het duurt al zo lang. Dat weet ik. Aan de andere kantwil ik ook gewoon graag dat het goed is, dat we een toekomstbestendigcurriculum hebben waarmee we echt uit de voeten kunnen en dat dieonderwijskwaliteitsverbetering gaat brengen die we met elkaar zo graagwillen. Ik hoop dat deze commissie in ieder geval een kleine reductie kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7637 bewerkstelligen voor die velden, de leergebieden die snel moeten wordenopgepakt.Voor de andere leergebieden, die er binnenkort aan zitten te komen, kandie commissie nu alvast meekijken waar het een onsje minder zoukunnen. Waar zoeken we die scherpte op? Het gaat om het verschil tussen«is het belangrijk of interessant?» en «is het fundamenteel voor alleleerlingen?» Ik heb net een aantal willekeurige voorbeelden genoemd.Deze kwamen toevalligerwijs uit de kerndoelen rondom digitale gelet-terdheid. Het zou ook een ander kerndoel kunnen zijn. Dat is wat NieuwSociaal Contract hier probeert te doen: het onderwijsveld en de politiek bijelkaar brengen om met elkaar een gedragen oplossing te vinden. Andersworden we uit elkaar gespeeld door «het moet snel» en «het moet goed»of «het moet meer» en «het moet minder».De voorzitter:Dank u wel. De heer Ergin heeft nog een interruptie.De heer Ergin (DENK):Meneer Soepboer geeft een antwoord, maar niet het antwoord op devraag wat die snelcommissie nou precies gaat doen. Ik ga mijn tweedeinterruptie niet verbrassen door daar nog een wedervraag over te stellen,maar ik wil het wel graag geconstateerd hebben. Ik zou nooit voorstellenvan andere partijen, zeker niet van de partij van de heer Soepboer,wegzetten als «broddelwerk». Het was wel een reactie op mijn interruptie.Dat wil ik ook graag geconstateerd en gezegd hebben.Ik kijk naar de publieke tribune en denk dat daar allemaal mensen uit hetonderwijsveld zitten. Zij vatten dit op als besluiteloosheid. Jarenlanghebben we alles onderzocht, de onderste been boven gekregen. Wehebben doelen uitgewerkt, subdoelen uitgewerkt, onderdeeldoelenuitgewerkt, allemaal onderzoeken gedaan. Er is eindelijk wat. De Ministerkan daarmee aan de slag. Het een en ander is ook getest, volgens mij op200 scholen. Nu komt de politiek weer met een snelcommissie. Nu komtde Staatssecretaris met: we gaan de doelen minder concreet maken. Dit isbesluiteloosheid. Dit is niets anders dan partijen die geen keuzes willenmaken. Dat zeg ik ook op basis van afspraken die de partij van de heerSoepboer in het coalitieakkoord heeft gemaakt, met name als het gaat omburgerschap. Dit is niks anders dan besluiteloosheid. Ik roep de heerSoepboer en de overige coalitiepartijen op: stop hiermee en laten we aande slag gaan met alles wat voorligt. Laten we juist het onderwijsveldondersteunen en helpen, en niet nog een keer onderzoeken en kijken naarhoe alles wel kan.De voorzitter:Dank u wel. Ik heb u de ruimte gegeven omdat het een belangrijkonderwerp is, maar u heeft het niet kort en bondig gehouden en u heeftook geen vraag gesteld. U heeft een oproep gedaan, maar dat is niet hetdoel van een interruptie. Ik heb het laten gaan, maar in het vervolg wil ikeen korte en bondige interruptie en uiteindelijk een vraag, zodat de heerSoepboer kan reageren. Anders gaan we 14.00 uur niet redden. U magdaarop reageren, meneer Soepboer, maar ik heb geen vraag gehoord. Datconstateer ik even.De heer Soepboer (NSC):Dat klopt. Toch wil ik er wel even op reageren. U hebt natuurlijk vollediggelijk. Ik bedoelde niet u toen ik zei dat het broddelwerk genoemd werd.Dat had u nog niet kunnen zeggen. Dat was de interruptie vóór u.Dan zegt u: dit riekt naar besluiteloosheid. Het tegendeel is waar, meneerErgin. Ik heb vanaf moment één gevraagd: wanneer mogen wij als Kameriets vinden over die kerndoelen? Is dat in de aanloop ernaartoe of is datom vijf voor twaalf, als iedereen er al wat van heeft gevonden, het al inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7638 het onderwijsveld is geweest en daarna terugkomt naar de Kamer? Ik vinddat wij als Kamer niet per definitie iets mogen vinden over de inhoud vande doelen, maar wel over hoe we gaan werken met dit curriculum. U zegt:dat hoeft helemaal niet en we kunnen het wel laten doorgaan. Dat ismisschien geen besluiteloosheid, maar dan krijgen we straks misschieneen curriculum waar u als Kamer helemaal niks over heeft kunnen zeggen.Ik kan me ook zo voorstellen dat dat niet de bedoeling is. Ik wil graag welvan deze gelegenheid gebruikmaken, ook al is het vijf voor twaalf. Ik vinddat moment ook onfortuinlijk. Dat ben ik met u eens. Maar ik wil toch ietsdoen om te proberen hierin als Kamer iets te betekenen en het veld en depolitiek bij elkaar brengen.Wat doet die snelcommissie dan? What’s in a name, zou ik willen zeggen.De «snelcommissie terugdringen overladenheid curriculum», de «stoc».Dat is heel makkelijk te onthouden. Die werkt snel. Die dringt de overla-denheid in het curriculum terug. Bijvoorbeeld binnen Nederlands,wiskunde en rekenen heb je een misschien een kleine reductie. Maar ikkan me ook zo voorstellen dat de commissie over de volledige breedtekan kijken wat echt fundamenteel is en wat eruit zou kunnen. Anders gaanwe echt naar een heel groot aantal kerndoelen toe, ook in de leergebiedendie nog naar ons toe komen. En ik heb een aantal voorbeelden genoemdnet. Ik wil dat niet nog een keer doen, omdat ik vind dat die inhoud nietaan ons is.De voorzitter:Dank u wel. Wilt u uw betoog vervolgen?De heer Soepboer (NSC):Dat wil ik met heel veel liefde; ja, goed, voorzitter.Daarnaast heeft de fractie van Nieuw Sociaal Contract kennisgenomenvan het feit dat de Staatssecretaris burgerschap en digitale geletterdheidziet als basisvaardigheden. Wij zijn het daar in principe niet mee eens. Wijvinden deze beide – let wel op! – van heel erg groot belang; zekerburgerschap is ons uit het hart gegrepen. Maar het is desalniettemin ietsanders dan een basisvaardigheid, en we zouden graag zien dat het ook opdie manier wordt opgepakt en plaats krijgt in het curriculum, in tijd, inomvang en zeker in uitvoering. Dus niet als apart vak, al ligt die keuzenatuurlijk bij de school; en we kunnen daar wel iets in betekenen, maar bijvoorkeur betekenisvol geïntegreerd. Hoe kijkt de Staatssecretarisdaartegen aan?De voorzitter:Meneer Soepboer, u bent eigenlijk door uw tijd heen. Ik zou u willenvragen om tot een afronding te komen.De heer Soepboer (NSC):Goed. Dan stel ik nog twee korte vragen, en dan ben ik klaar met mijnbetoog.De voorzitter:Als ze kort zijn, dan mag dat.De heer Soepboer (NSC):Ze zijn heel kort. De eerste vraag: ziet de Staatssecretaris geen anderemogelijkheid dan een jaar uitstel? Dit misschien ook in het verlengde vanmijn eerste termijn. En dan de tweede: hoe gaat de Staatssecretarisgaranderen dat de curriculumherziening, in combinatie met een nieuwreferentiekader, nooit gaat leiden tot een devaluatie van het onderwijs?Dat zijn voor nu dan mijn twee vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7639 De voorzitter:Dank u wel voor uw betoog. Vervolgens is het woord aan mevrouwRooderkerk van D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ja, dank. Ik wilde eerst een punt van orde maken. Ik moest eerst eventjesdubbelchecken of we geen antwoord hadden gekregen, en dat is dus niethet geval. We hadden namelijk gevraagd om een scenarioverkenningonderliggend aan de meegestuurde beslisnota, dus bij die brief vanvrijdag. Ik vind dat belangrijk, omdat ik wil weten welke andere opties erbesproken zijn ten aanzien van het uitstel van die herziening. Samen metcollega’s Pijpelink, Beckerman en Ergin hebben we daarom een spoed-schriftelijke vraag gesteld. Daar is nu wel een antwoord op gekomen,maar daaruit bleek dat het stuk niet gegeven wordt omdat het eenministerraadstuk zou zijn. Ik zou wel geïnteresseerd zijn in om welkescenario’s het gaat. Wellicht kan ik dan die vraag mondeling stellen aan deStaatssecretaris. Ik hoop daar toch echt wel meer informatie over tekunnen krijgen.De voorzitter:Dat is goed. U zei eerst dat er nog geen antwoord was gekomen op uwverzoek. Dat is wel gebeurd. Daar is een reactie op gekomen om 10.05 uur.Dat is inderdaad wel laat, want het debat was toen al begonnen. Maar eris dus wel een reactie op geweest. U zegt dat die reactie niet afdoende is.Ik stel u voor om de Staatssecretaris de gelegenheid te geven om daareven op te reageren. Het woord is aan Staatssecretaris Paul.Staatssecretaris Paul:Nou, ik wil niet per se inhoudelijk reageren. Dan ook een puntje van ordevan mijn kant: die vragen zijn ongeveer twee minuten voordat het debatbegon, aangekomen bij het ministerie. Dus de suggestie kan gewektworden dat wij heel laat reageren, maar dat is niet het geval.De voorzitter:Als u binnen zeven minuten gereageerd heeft, dan kan ik niet constaterendat dat heel laat is geweest. Maar omdat ik wil voorkomen dat het nuhierover gaat ... Kijk, mevrouw Rooderkerk, u heeft antwoord gehad. Uwpunt is alleen dat wat u gevraagd heeft, niet is wat u had willen krijgen.Mijn voorstel is om dit in een vraag aan de Staatssecretaris te stellen.Misschien kunnen we voor de pauze dan nog even een antwoord krijgenop de vraag of er nog iets komt. Zo niet, dan kunt u daar iets van vinden.Maar ik zou u dan wel willen vragen om met uw betoog verder te gaan.Nog één kort punt van orde.Mevrouw Rooderkerk (D66):Wij hebben die brief vrijdagmiddag gekregen en we hebben die vragenmeteen de maandag daarop ingestuurd. Kennelijk is dit pas laat bij deStaatssecretaris terechtgekomen, maar dat is niet aan ons natuurlijk. Ik wilwel even duidelijk maken dat die vragen er wel al tijdig lagen. Dus ik steunhet voorstel om dit zo in een vraag te verwerken.De voorzitter:Ja, dank. De waarheid ... We zullen aan waarheidsvinding moeten doen,maar niet tijdens dit debat. De waarheidsvinding over wanneer de vragenzijn aangekomen et cetera ... Dat is een belangrijke vraag, maar ik denkbuiten de orde van dit debat. Dus ik zou u toch willen vragen om met uwbetoog te starten, zodat we op tijd kunnen afronden en een goed debatmet elkaar kunnen hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76310 Mevrouw Rooderkerk (D66):Voorzitter. Vorige week was ik op de Alan Turingschool, een school metuitmuntend onderwijs in rekenen, taal en lezen, waar overal boeken tevinden zijn, in de gangen, in de klassen, op de bureaus, en kennis over dewereld centraal staat. De resultaten van de leerlingen zijn uitstekend.Helaas is dit niet de gemiddelde school in Nederland. We hebben temaken met een leescrisis en een crisis in de basisvaardigheden. Eenderde van onze 15-jarigen kan niet goed genoeg lezen om mee te komenin de maatschappij. Het Nederlandse onderwijs bungelt onderaan deEuropese lijstjes. Dit kabinet maakt boeken duurder, voert de grootsteonderwijsbezuiniging van de eeuw door en zegt met een herstelplan tekomen, waarop we nog wachten. Daarom vraag ik aandacht voor driezaken: uitstel van het nieuwe curriculum, één doorstroomtoets en de latomhoog.Onze hoop voor de onderwijskwaliteit was namelijk gevestigd op hetnieuwe curriculum, dat moet zorgen voor betere toetsen, betere lesme-thodes op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten, aandacht opde lerarenopleidingen en hopelijk dus betere resultaten van leerlingen.Zoals u begrijpt, kon ik het niet geloven toen de Staatssecretarisafgelopen vrijdag een briefje stuurde dat de invoering met nog een jaarwordt uitgesteld, op de lange baan geschoven, omdat het kabinet hetonderling niet eens is over hoe ze zogenaamd minder kerndoelen willen,terwijl deze doelen door leraren, wetenschappers en 200 scholen getesten vastgesteld zijn en het onderwijsveld zegt: stel dit niet uit en ga aan deslag. Hoe kon dit gebeuren? Ik wil graag een reactie van de Staatssecre-taris op deze oproep van het onderwijsveld. Zij heeft zelf keer op keergezegd dat deze kerndoelen cruciaal zijn voor betere leesvaardigheid,maar nu kiest zij voor uitstel. Hoe rijmt zij dat? We zijn namelijk al tien jaarbezig met deze herziening, eerst met grote, meeslepende projecten alsOnderwijs2032 en daarna Curriculum.nu. Nu is het dan eindelijk zover datze er liggen, en dan wordt het weer vertraagd.Als we de brief nog scherper lezen, rijst de vraag: wat gaat er in het jaaruitstel precies gebeuren? De Staatssecretaris heeft het over scherpselecteren, maar mijn conclusie is dat het niet meer is dan een cosme-tische ingreep. Als je de concrete doelen die we nu hebben – ik heb zeeven uitgeprint – ernaast zou leggen, zijn het er ongeveer evenveel, alleenzijn de kopjes veranderd. Een doel wordt een subdoel genoemd endaaronder komen dan nog weer subsubdoelen. Het wordt er al met al nietduidelijker op. Het wordt er ook niet beter op. Mijn vraag is: wat bereikenwe nu met zo’n cosmetische ingreep, die ook nog eens een jaar vertragingin het verbeteren van de onderwijskwaliteit met zich meebrengt? We zieneen kabinet dat het niet eens kan worden en leerlingen die de dupe zijnvan verdere vertraging. Wat gaat de Staatssecretaris nu exact doen,scherp selecteren of schuiven met kopjes? En als ze dan gaat schrappen,wat moet er dan af en wie maakt dan die weging?Voorzitter. Dan over de doorstroomtoets. Volgens het onderwijsveld en descholen die wij spreken, is het een groot probleem dat de verschillen inresultaten tussen de toetsaanbieders groot zijn. Een school die ik sprak,zei: we hebben een wisseling gemaakt van toetsaanbieder en nu zijn deresultaten met 15% omhooggegaan. Dat moet toch niet kunnen? Ik benbenieuwd hoe de Staatssecretaris reageert op de oproep van de PO-Raadom tot één doorstroomtoets te komen, waar wij ons bij aansluiten, en watervoor nodig is om dit zo snel mogelijk te doen.Voorzitter, tot slot. Wat D66 betreft komt er geen uitstel, maar moet in hethele onderwijs de lat juist omhoog. Kan de Staatssecretaris onderzoekenof het hogere streefniveau in plaats van het fundamentele niveau voor alleleerlingen het uitgangspunt kan zijn, zodat lesmethoden en leraren wetendat dat echt het doel is en dat dat ook van hen verwacht wordt, en zodatwe met elkaar zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs op die manieromhooggaat?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76311 Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel voor uw betoog. Dan is het woord aan mevrouw Pijpelink vanGroenLinks-PvdA. O sorry, sorry, voordat we naar mevrouw Pijpelinkgaan, heeft de heer Soepboer nog een interruptie voor mevrouwRooderkerk.De heer Soepboer (NSC):Ik vraag me even af hoe mevrouw Rooderkerk de lat omhoog wil leggenzonder dat zij bereid is om echt de diepte in te gaan en te kijken naarkwaliteit van dingen. Zij zit alleen maar op de snelheid van dingen en doetdan de voorstellen van een ander af als broddelwerk. Ik zou mevrouwRooderkerk willen vragen daar eens op te reflecteren.Mevrouw Rooderkerk (D66):Wij zouden graag willen dat we het over lesmethodes gaan hebben diewetenschappelijk bewezen zijn en waarvan wij weten dat leraren enscholen ermee uit de voeten kunnen. Wij willen geen politieke inmengingin het onderwijs en dat is echt waar ik voor vrees op dit moment. Erworden voorstellen gedaan om maar te gaan schrappen in de kerndoelen,die dus door al die experts en leraren zijn vastgesteld. Het was eerst hetvoorstel om daar een jaar de tijd voor te nemen, maar nu stelt NSC zelfsvoor om het maar even op korte termijn te doen.Ik vrees dat het daardoor heel onduidelijk zou worden voor leraren waarze zich op moeten richten. Het idee van deze kerndoelen was nou juist datze specifiek zijn en dat het duidelijk is waar leerlingen kennis van moetennemen. Het was niet zo vaag als de vorige doelen die nog uit 2006stammen. Dus mijn oproep is echt: ga aan de slag met wat er nu ligt enmet alles wat door het veld is getest. Voer dat zo snel mogelijk in, zodatwe eindelijk de kwaliteit van het onderwijs voor leerlingen kunnenverbeteren.De voorzitter:De heer Soepboer met een volgende interruptie.De heer Soepboer (NSC):Ik ben in de eerste plaats heel erg blij om van mevrouw Rooderkerk vanD66 te horen dat er geen politieke inmenging met het onderwijs zal zijn.D66 gaat dat dus ook niet meer doen en ik denk dat dat al heel veel gaatschelen. Ik denk in ieder geval dat dat een stukje overladenheid gaatschelen en in het aantal maatschappelijke dingen dat we bij het onderwijsover de schutting kieperen. Maar dat terzijde. Ik hoop, mevrouwRooderkerk, dat u bereid bent om met mij te kijken naar de kwaliteit vanhet onderwijs. U doet een aantal concrete voorstellen over bewezenmethoden en ik denk dat we het daar snel over eens kunnen worden. Ikhoop dat we voortaan de krachten kunnen bundelen om goed onderwijsvoor elkaar te krijgen in plaats van elkaars bijdragen als broddelwerk af tedoen.De voorzitter:Dank u wel. De reactie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik vind die eerste sneer van de heer Soepboer niet echt getuigen van dewil om samen te werken. Volgens mij heb ik in mijn bijdrage geen enkelvoorstel gedaan om iets toe te voegen aan het curriculum en dat zal ik ookniet doen. Ik zou er zeker voor zijn om samen te werken aan het verbe-teren van de kwaliteit van het onderwijs, want dát moet het doel zijn. Hetdoel moet niet de hobby van het kabinet zijn om het aantal kerndoelen teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76312 verminderen. Het doel moet zijn: luisteren naar het onderwijsveld,luisteren naar al die leraren en voor al die leerlingen zorgen voorkwalitatief beter onderwijs.De voorzitter:Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Pijpelink van GroenLinks-Partij van de Arbeid.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Het is wel duidelijk: vandaag praten we over helebelangrijke zaken, namelijk over wat leerlingen, wat de Nederlandse jeugdmoet kennen en kunnen wanneer ze de basisschool en het voortgezetonderwijs doorlopen hebben. Het gaat echt ergens om vandaag, namelijkde vraag wat we als samenleving belangrijk vinden en wat we vinden datkinderen moeten weten, kunnen en leren. Wat vinden we verder dat hoortbij hun scholing en vorming op de basisschool en de middelbare school?Het is bijna twintig jaar geleden – twintig jaar geleden! – dat de laatstewijziging van het curriculum werd ingevoerd. De wereld zag er toen echtanders uit. Het is dus hoognodig dat het onderwijs aangepast wordt aande wereld van nu en van morgen. Nu staan we – na de brief van vrijdagmoet ik «stonden we» zeggen – op het punt de kerndoelen en deeinddoelen te herzien. Ik maak me vreselijk zorgen over het proces van deinvoering van de kerndoelen lezen, schrijven en rekenen na de brief vande Staatssecretaris van afgelopen vrijdag. Daarin geeft ze aan dat zepositief en tevreden is over het gelopen proces en het feit dat hetonderwijsveld en de 200 scholen tevreden zijn. Maar ze schrijft ook dat hethoofdlijnenakkoord van de coalitie, waarin ze zitting heeft, anders heeftbepaald, namelijk dat de invoering moet wachten tot 2027. Dat is over driejaar!We staan op het punt om de zo gewenste en broodnodige aanpassing vande kerndoelen door te voeren en deze coalitie trapt op de rem! «Ho» is deboodschap. «Getalsmatig te veel kerndoelen.» «Het aantal moet terug,mevrouw de Staatssecretaris.» Dat lijkt de boodschap te zijn geweest,waarmee deze Staatssecretaris na de ministerraad of het coalitieoverlegweer buiten stond. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is: gaat dezecoalitie, gaat u, voor kwantiteit of voor kwaliteit van de kerndoelen? Enneemt u daarbij het onderwijsveld en de reacties op de kerndoelenserieus? Het veld zegt: heel fijn; we kunnen veel beter uit de voeten metde concrete kerndoelen voor lezen, schrijven en rekenen, die nu geformu-leerd zijn. De scholen en leraren die ermee werken, zijn positief. Met dittotaal niet acceptabele uitstel kunnen de nieuwe kerndoelen dus pas vanaf1 augustus 2027 worden vastgesteld. En ik zei het al: onacceptabel!Ik heb me de afgelopen dagen suf gepiekerd wat hier nou achter kanzitten. En ik ga het maar vragen aan de Staatssecretaris en aan decoalitiepartijen die bij dit debat aanwezig zijn. Waarom? Het veld ispositief. De eerste ervaringen zijn goed. Waar bent u bang voor? Enwaarom heeft u lak aan het onderwijsveld? Mijn stellige indruk is dat hierpolitiek bedreven wordt over de ruggen van hele generaties kinderen enjongeren. Zij kunnen er niks aan doen dat de kerndoelen aanscherping enmodernisering behoeven. Zij hebben recht op het beste onderwijs dat wekunnen bieden. Dat plan ligt er en u houdt het tegen. Waarom?Even terug naar het begrip «basisvaardigheden». Onze fractie ziet debasisvaardigheden digitale geletterdheid en burgerschap en de onderlig-gende kerndoelen als belangrijke zaken die onze jongeren nodig hebbenom de wereld in te stappen, de wereld van nu en morgen, naar hetvoortgezet onderwijs. Maar – hiermee sluit ik aan bij de bijdrage van deheer Soepboer – wij vinden dat deze kerndoelen niet op zichzelf moetenstaan, maar een plek moeten krijgen in verschillende bestaande vakken,waaronder maatschappijleer, geschiedenis, economie, wiskunde,natuurkunde en de moderne vreemde talen. Maar wat gebeurt er op ditTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76313 moment in het voorstel met de ontwerpruimte? Betekent dit voor degenoemde vakken een achteruitgang in contacturen, in lesuren? Dat isniet wat de SLO zegt, maar in de praktijk gaan scholen het wel doorver-talen naar lessentabellen.In het vo is het heel gebruikelijk, en in feite onderdeel van het DNA vanelke docent van welk vak dan ook, om tijdens de lessen ook bezig te zijnmet socialisatie en persoonlijkheidsvorming.De voorzitter:Mag ik even vragen of u aan het einde bent van uw betoog? Want u bentdoor uw spreektijd heen.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Bijna.De voorzitter:Meneer Soepboer, mag ze het even afmaken? Als zij het heeft afgerond,kunt u uw interruptie plegen. Ik wil u, mevrouw Pijpelink, wel vragen omtot een afronding te komen.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dat ga ik doen. Dank u wel, voorzitter.Met de uitholling van vakken als natuurkunde, scheikunde enzovoortstuurt deze coalitie aan op teruggaan naar de jaren twintig van de vorigeeeuw met aap-noot-miesonderwijs. En wat krijgen we? Geen hogerePISA-scores op rekenen, taal en lezen, want zonder context ondergraafthet de motivatie van leerlingen en de resultaten. Daarnaast: geenNederlands kind dat iets begrijpt van de context van de wereld waarin hijof zij opgroeit als het onvoldoende heeft geleerd zelf gefundeerd kritischte denken en het niet voorbereid is op het vervolgonderwijs, dat bepaaldevak- en voorkennis vraagt. Pure armoede.De voorzitter:Dank u wel voor uw betoog. De heer Soepboer heeft nog een reactie.De heer Soepboer (NSC):Inmiddels ben ik een beetje in de war door hoe de bijdrage afliep, maar ikga proberen een verduidelijkende vraag te stellen. Het is in ieder geval fijnom te horen dat er ook bij mevrouw Pijpelink zorgen leven. Zo heb ik hettenminste gehoord. Er leven helemaal geen zorgen? In dat geval wil ikhaar vragen hoe zij kijkt naar alles wat zij heeft gehoord, naar wat er uithet veld komt en naar de zorgen die worden geuit over de doorvertalingvan de doelen in de bovenbouw. En als zij daar toch mee bezig is: hoe kijktzij dan bijvoorbeeld aan tegen het omzetten van de studiebelastingsurenin de bovenbouw naar gewoon een landelijke richtlijn voor lesuren? Zouzij daar iets over kunnen zeggen? Maakt zij zich daar zorgen over en zoudit een oplossing kunnen zijn?Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dit debat is best technisch ingewikkeld, want het gaat over verschillendedingen. Het gaat over de invoering van de kerndoelen lezen, schrijven enrekenen. Vervolgens zijn er eindtermen. Ik ben denk ik klip-en-klaargeweest over het uitstel van de kerndoelen lezen, schrijven en rekenen. Ikvind dat onacceptabel en niet uit te leggen. Ik deel, denk ik, de zorg metNSC over de kerndoelen die onder digitale geletterdheid en burgerschaphangen. Op zich zijn die goed, maar wat ons betreft zouden die geïnte-greerd moeten worden in andere vakken. Want wat gebeurt er nu? Dezebasisvaardigheden digitale geletterdheid en burgerschap krijgen eenaparte positie, wat ten koste gaat van vakken als economie, natuurkundeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76314 en biologie. Gisteren is ons daarover nog een petitie overhandigd. Ik deeldie zorg.Dan uw suggestie. Eigenlijk zegt u: moeten wij als overheid die lessen-tabel niet vastleggen? Nou, dat lijkt me niet. We hebben vrijheid vanonderwijs. Scholen mogen zelf op basis van de studiebelastingsuren – datheet in het voorstel van de SLO «ontwerpruimte» – de lessentabelvaststellen. Als oud-afdelingsleider ben ik daar vaak bij geweest en ikweet dat dat een onderlinge competitie, concurrentie, tussen vakken is.Het voorstel voor de ontwerpruimte, waarin vakken soms echt 20% in tijdnaar beneden worden gehaald, betekent dat zij van drie naar twee lesurenin de week kunnen gaan. Vakken als natuurkunde, scheikunde eneconomie moeten echt een behoorlijk kennisniveau meegeven aankinderen. In het vervolgonderwijs, of dat nou mbo, hbo of wo is, kunnenze anders niet goed aan de slag. En dat staat nu onder druk.De voorzitter:Dank u wel. De heer Soepboer. Dit wordt dan uw laatste interruptie. Gaatuw gang.De heer Soepboer (NSC):Ja, goed. Het zijn er maar vier en ik gebruik ze maar gewoon, voorzitter. Ikben blij dat we het daarover eens zijn. Het is inderdaad een lastig verhaal.Ik heb in de eerste termijn ook gepleit voor die snelcommissie. Daar heb ikook bij gezegd dat misschien voor de kerndoelen die nu voorliggen opNederlands, wiskunde en rekenen de winst marginaal zal zijn, dat daarmisschien nog weinig af zal kunnen gaan, dat het dus snel moet en dathet nu voorligt. Bent u het dan met mij eens dat zo’n commissie ookvooruit zou kunnen kijken naar wat er nog aan zit te komen om juist tevoorkomen waar onze gedeelde zorg zit?Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):In mijn beleving haalt de heer Soepboer zeg maar alles over één grotekam. We hebben het over de kerndoelen lezen, schrijven en rekenen. Ikheb deze commissie in de afgelopen tien maanden dat ik Kamerlid waszich collectief zorgen horen maken over die scores bij PISA. En terecht,echt terecht. De heer Soepboer zegt dan, nogmaals met die hele grotekam: «Kerndoelen, eindtermen, één pot nat. Het moet allemaal opnieuwbekeken worden.» Ik zou op zijn minst tekst en uitleg willen bij hetwaarom, want ik begrijp het werkelijk niet. Met een positief onderwijsveldop de kerndoelen lezen, schrijven en rekenen, zeg ik er voor de duide-lijkheid bij. Waarom moet dat dan weer allemaal om vijf voor twaalf? Erzijn mensen tien jaar lang mee bezig geweest en deze coalitie zegt na driemaanden: nou, weet je wat, wij weten het denken we beter en we gaaneen tijdelijke commissie instellen en die moet er nog eens naar kijken. Hetis echt leraartje pesten en kinderen pesten. Ik kan niet anders zeggen.De voorzitter:Dank u wel voor uw betoog. De heer Stoffer van de SGP heeft eeninterruptie.De heer Stoffer (SGP):Dank, voorzitter. Laat ik vooropstellen dat ik, net als mevrouw Pijpelink,niet zo’n voorstander van dat jaar uitstel ben. Ik zou even gebruik willenmaken van de ervaring die mevrouw Pijpelink zelf in het onderwijs heeftopgedaan, waar ze zojuist aan refereerde. In de brief staat op een gegevenmoment dat dat jaar uitstel betekent dat we vanaf 1 augustus 2027werkelijk de kerndoelen vast kunnen stellen, maar daar komt nog een zinachteraan. Toen dacht ik: ik ben wel benieuwd wat dat nou in de praktijkbetekent. Er staat: «De nieuw opgeleverde kerndoelen voor Nederlands,rekenen en wiskunde bieden veel houvast om al aan de slag te gaan. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76315 scholen hoeven niet te wachten. Die kunnen al beginnen.» Hoe duidtmevrouw Pijpelink dat nu concreet? Wat gebeurt er nu dadelijk gewoonpraktisch op scholen? Want daar gaat het ons uiteindelijk natuurlijk om.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dank aan de heer Stoffer voor deze mooie vraag. Wat betekent het in depraktijk? Heel veel scholen, secties, vaksecties, docenten en lerarenteams,gaan daarmee aan de slag. Die zullen ook reikhalzend kijken naar demethodes die op dit moment geschreven worden op basis van wat er nuligt. In een van de ontmoetingen die ik had met een methodeschrijverwerd er gezegd – of SLO zei het zelfs: wij hebben de conceptdoeleneigenlijk al aan de methodeschrijvers gegeven, want die willen aan deslag zodat er op het moment van invoering daadwerkelijk methodesliggen gebaseerd op de nieuwe kerndoelen en eindtermen. Dat is heelmooi, zou je kunnen zeggen. Ik heb SLO of methodeschrijvers deafgelopen dagen niet gehoord, maar die zullen ongetwijfeld op hun stoelzitten draaien: wat gaat hier gebeuren? We hebben conceptdoelen waar,nogmaals, het veld op het gebied van lezen, schrijven en rekenen positiefover is. Die zijn nu aan de slag om die te vertalen naar lesmethodes.Docenten zitten daarop te wachten. Ik voorspel dat een jaar uitstel ookbetekent dat op 1 augustus 2027 die nieuwe lesmethodes er nog nietliggen, omdat – de heer Ergin van DENK zei het al – de besluiteloosheidvan deze coalitie ook zal maken dat ze denken: «Ja, welke kant gaat ditop? We wachten nog maar even.» Dat is het grootste risico, naast deinhoud, in het tijdpad.De voorzitter:De heer Stoffer met zijn tweede interruptie.De heer Stoffer (SGP):Dank voor het antwoord. Dus heel concreet zegt u, als ik het goed begrijp:«Dat jaar uitstel. Er wordt wel mooi gezegd dat scholen niet hoeven tewachten, maar ze gaan met elkaar, met het hele veld wel wachten. Hethoeft dus niet alleen een jaar vertraging op te leveren. De vertraging zouzelfs nog wel meer dan een jaar kunnen zijn, omdat je zou kunnenverwachten dat het een andere koers zou kunnen gaan worden.»Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Nou, dat is precies wat er gebeurt. Ik denk aan mijn eigen vaksectie,geschiedenis. Ik zeg niet dat docenten methodeslaven zijn, want dat heb iknooit zo gezien, maar die lesmethode is wel echt heel belangrijk.Docentensecties nemen ook de tijd om een afweging te maken van welkemethode past bij het type onderwijs dat zij willen geven op basis van denieuwe eindtermen en kerndoelen. Daar gaat echt tijd overheen. Het liefstwil je dat op het moment van de invoering van de nieuwe kerndoelen eneindtermen parallel die keuze voor de methodes gemaakt is en dat ze aande slag kunnen. Ik voorspel daar echt vertraging in, omdat methode-schrijvers het niet aan gaan durven met de besluiteloosheid van dezecoalitie om nu al te gaan schrijven. Die zullen op hun handen gaan zitten.De voorzitter:Dank u wel. Dan wil ik het woord geven aan de heer Stoffer voor zijnbetoog.De heer Stoffer (SGP):Dank, voorzitter. Net als veel leraren worstel ik ook vandaag met overla-denheid. Er zijn veel belangrijke punten te bespreken – dat doen decollega’s hiervoor ook, heb ik inmiddels gemerkt – maar de tijd is beperkt.Ik beperk me dus vandaag tot een aantal korte en zakelijke vragen enopmerkingen. Ik begin met die overladenheid en scherpe keuzes.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76316 De SGP is blij met de positieve signalen over het nieuwe curriculum, maartoch ben ik er eerlijk gezegd nog niet gerust op dat die nieuwe kerndoelenwerkelijk tot meer duidelijkheid en minder overladenheid gaan leiden.Integendeel. Er zijn ook signalen die wijzen op meer overladenheid enminder focus. Daarbij noem ik allereerst het feit dat er nieuwe, uitgebreidegebieden burgerschap en digitale vaardigheden bij komen. In de tweedeplaats valt het de SGP op dat het nieuwe doelen zijn die juist de aandachtvoor het hart van de kerndoelen onder druk kunnen zetten. Dan wijs ikbijvoorbeeld opnieuw naar de digitale vaardigeden. Net als de heerSoepboer heb ik de vraag of het maken van een eigen computerpro-gramma echt een verplichte taak is op de basisschool. Ook als we kijkennaar de vreemde talen, rijzen vragen, zoals bij Engels. Daar klinkt kritiekop het opvallend hoge aantal presentaties en portfolio’s. Mijn vraag aande Staatssecretaris is of ze kan bevestigen dat deze keuzes over het hoeallereerst aan de school zijn. Hoe reageert de Staatssecretaris op de kritiekdat het domein taalbewustzijn meer thuishoort bij vergelijkende taalwe-tenschap dan op de middelbare school?Een belangrijk punt is de verdeling van het aantal uren over de verschil-lende vakken. Daar kwam zojuist ook al wat over terug bij de collega’s. Decurriculumherziening moet geen vertraging oplopen, maar hoe gaat deStaatssecretaris waarborgen dat er tijdig duidelijkheid komt over degevolgen van de curriculumkeuzes? Accepteren we bijvoorbeeld dat deuren voor Frans fors dalen om die voor maatschappijleer te laten stijgen?Hoe kunnen we verantwoord meer ruimte maken voor techniek? Gaat deStaatssecretaris bij het herstelplan ook kijken naar de verplichte vakken inde verschillende profielen?Dan burgerschap. Scholen zijn jaren achtereen op de nek gezeten met deburgerschapswet. Die aandacht lijkt zelfs een beetje buiten proportiegeraakt. Scholen verdienen in ieder geval iets meer rust en voorspel-baarheid op dit gebied. Mijn vraag is of de Staatssecretaris ook het belangziet om de wetgeving hier opnieuw te wijzigen, zeker nu de basisvaardig-heden zo veel aandacht vragen. Het recente addendum voor burgerschapgeeft aan dat leerlingen volgens kerndoel 2 over diversiteit kennis moetenhebben van hoe de diverse samenleving eruitziet. Kan de Staatssecretarisbevestigen dat hiermee ook bedoeld wordt de kennis van de belangrijkstestromingen in de samenleving? En als dat zo is, zou dat dan ook nietduidelijker uit de tekst moeten blijken? Onderkent de Staatssecretarisbovendien dat er verschillende levensbeschouwelijke perspectieven op dekernwaarden kunnen zijn?Voorzitter. Dan de Subsidieregeling verbetering basisvaardigheden. Hetkabinet heeft het goede voornemen opgevat om af te kicken van desubsidieverslaving in het onderwijs, maar we steken nog een laatstesigaar op met de nieuwe subsidieronde basisvaardigheden. Er zijnscholen die inmiddels twee of drie keer zijn afgewezen. Ze krijgen somsminder kansen om hun leerlingen te helpen dan scholen die eigenlijkminder nodig hadden. Mijn vraag is of de Staatssecretaris kan toezeggendat alle scholen die in de laatste ronde zijn afgewezen bij een nieuweaanvraag garantie op subsidie hebben. Want een aanvraag, zo moeten weconstateren, kost ook tijd en geld.Als laatste toetsing en examinering. In het onderwijsbeleid ligt een zwaaraccent op het curriculum en de ondersteuning van de onderwijspraktijk,maar er is beperkt aandacht voor toetsing en examinering. Toch bepalenjuist de toetsen en examens in hoge mate hoe de praktijk verloopt. Er isbijvoorbeeld al lange tijd onvrede over de verschillende onverenigbarefuncties die de doorstroomtoets heeft, met grote gevolgen voor deleerlingen. Ook hierin is richting geven nodig. Daarom is mijn laatstevraag of het herstelplan ook perspectief gaat bieden op de toekomst vantoetsen, examens en referentieniveaus.Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76317 De voorzitter:Dank u wel. Keurig binnen de tijd. Dan is het woord aan de heer Uppel-schoten namens de Partij voor de Vrijheid.De heer Uppelschoten (PVV):Dank u wel, meneer de voorzitter. Vandaag spreken we over de voortgangvan het Masterplan basisvaardigheden en de curriculumherziening. Wevoeren dit debat met een sterk gevoel van urgentie – in ieder geval, datervaren wij zo – gezien de belabberde staat waarin het Nederlandseonderwijs zich bevindt. Er is geen moment te verliezen. Dat is eenbasisgevoel dat wij hebben. Een derde van onze jongeren is functioneelanalfabeet en onze universiteiten behoren niet langer tot de internationaletop. Dat is wat ons betreft niet verwonderlijk. Dat is het gevolg wanneermen meritocratie vervangt door een systeem van lage verwachtingen,waarbij presteren en talent worden weggestreept ten gunste van gelijkeuitkomsten.Voorzitter. De PVV ziet de toegevoegde waarde van het Masterplanbasisvaardigheden, met name van de betere monitoring. Daar wil ik nogiets over zeggen. We praten er nou steeds over dat er blijkbaar een ideaalplan gemaakt moet worden, maar misschien zou het, ook omdat alles zosnel verandert, veel normaler moeten zijn om eens in de vijf jaar eenevaluatie te doen en dat de monitoring bijna automatisch leidt tot eenaanpassing. Dan hoeft nu niet in één klap alles ideaal te zijn. Met name debetere monitoring, kennisdeling en de nadruk op een bewezen effectieveaanpak, het bekende evidence-informed onderwijs, vinden wij heelpositief. We hebben ook het vertrouwen dat met de nieuwe kerndoelenNederlands, rekenen en wiskunde de onderwijskwaliteit zal toenemen.Want dat was toch het grote probleem dat in al die onderzoeken tevoor-schijn kwam, dat die niet in orde was. Wel is de vraag of dit alles in depraktijk ook breed en blijvend zal uitpakken en dat het niet een hype iswaar we nu mee bezig zijn. We maken ons ook zorgen over de aspectenrond de samenhang, vooral met het nieuwe curriculum.De kerndoelen zijn vernieuwd omdat we willen dat de kinderen weerup-to-date zaken leren, maar dan ontstaat er een nieuw sturingsprobleem.Dat ervaren wij als een van de problemen in het onderwijs: de klooftussen de kerndoelen en het lesmateriaal enerzijds en de leraar en de klasanderzijds. Die kloof is enorm. Dit zijn in de praktijk zo ongeveer losgekop-pelde circuits. Mochten we nu echt iets willen bereiken, dan moeten wedaar eens en voor altijd iets aan gaan doen. Dat is een ander grootonderwerp waar wij mee bezig zijn. De nieuwe inhouden burgerschap endigitale geletterdheid hebben van hetzelfde euvel last. Waarom zijn dieinhouden niet bij voorbaat vastgesteld als kennis, vaardigheden enattitudes binnen reeds bestaande vakgebieden? Onze prangende vraag is:hoe gaat de Staatssecretaris de zojuist genoemde kloof dichten? Hoegarandeert zij dat een evidence-informed aanpak op iedere school zalplaatsvinden? Hoe kan de Staatssecretaris ons garanderen dat dekerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid daadwerkelijk geïnte-greerd worden in reeds bestaande vakken, zodat het voor scholen en demethodeontwikkelaars duidelijk is wat de bedoeling is van die nieuwekerndoelen?Voorzitter. De PVV heeft met verbazing de Kamerbrief Aanbiedingaangescherpte kerndoelen Nederlands, rekenen, wiskunde van 11 oktobergelezen. De Staatssecretaris geeft aan invulling te geven aan hethoofdlijnenakkoord door de nieuw opgeleverde kerndoelen terug tebrengen in aantal. Dat is mooi. Dit zou echter tot een jaar vertragingopleveren. Gezien de urgentie hebben wij daar heel veel moeite mee, ineen proces dat volgens ons al veel te lang duurt. Feitelijk is dezeherziening wat ons betreft een loze reorganisatie. De kerndoelen zijn albeschreven. Je kunt ze opnieuw organiseren of reorganiseren en dannieuwe kopdoelen gaan formuleren, maar met de inhoud is men al zoTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76318 lang bezig dat die al min of meer vaststaat. Voor ons is dat een heelvreemde situatie, om niet te zeggen «waanzin», en we vinden het dan ookniet acceptabel. De punten uit het hoofdlijnenakkoord zijn er niet voor debühne. Graag horen wij of de Staatssecretaris dit met de PVV eens is enwat ze hieraan denkt te doen. We hebben dus zorgen, maar een uitstelvinden we heel moeilijk.Ook over de gevolgen voor de ontwerpruimte voor de profielvakken – datis net ook genoemd – in de bovenbouw van het voortgezet onderwijsmaken wij ons grote zorgen. De PVV acht het zeer onwenselijk dat dekernprofielvakken – dan hebben we het niet alleen over de bètavakken,maar over de kernprofielvakken – waarin de vakkennis wordt aangeleerddie de basis legt voor de vervolgstudies wordt ingeperkt. Graag eentoezegging van de Staatssecretaris om een deel van de vrije ruimte– maar goed, het is ook een discussie wat die vrije ruimte dan is – toe tewijzen aan de profielvakken in de bovenbouw.De voorzitter:Meneer Uppelschoten, u bent in principe al door uw tijd heen.De heer Uppelschoten (PVV):Ik heb nog één zin.De voorzitter:Kunt u uw zin afmaken? U heeft ook een aantal interrupties.De heer Uppelschoten (PVV):Eén optie is de profielen zelf te actualiseren. Denk bijvoorbeeld aan hetlaten vallen van een tweede moderne vreemde taal op het vwo ten gunstevan de kernprofielvakken. Graag een toezegging van de Minister of deStaatssecretaris om te laten weten wat zij van dit onderwerp vinden.Dan ben ik klaar.De voorzitter:Dank u wel voor uw betoog. U heeft nog een interruptie van de heer Erginnamens de partij DENK.De heer Ergin (DENK):Ik heb nauw geluisterd naar het betoog van de PVV. Het zijn heel veelonderwerpen. Het blijft toch wel bijzonder als de PVV het heeft over«evidencebased informatie», maar dat laat ik even voor wat het is. Kan deheer Uppelschoten van de PVV gewoon in duidelijke en makkelijke taalaangeven of hij achter het onderwijsveld staat dat al jarenlang deaanpassing van de kerndoelen heeft onderzocht en bekeken, of steunt dePVV de lijn van de Staatssecretaris, die vorige week in één brief de boelheeft omgegooid? Wat is het nou? Kan de PVV dat in gewonemensentaaluitleggen?De heer Uppelschoten (PVV):De gewonemensentaal is dat wij achter het onderwijsveld staan en ook deStaatssecretaris steunen, want ik heb het idee, ook als je de brief goedleest, dat er gezegd wordt: luister eens, voor wiskunde, rekenen enNederlands zijn de kerndoelen eigenlijk af en daar zou al mee gestartkunnen worden. Ik denk dat de methodeschrijvers dat ook heel goeddoorhebben en allerlei methodes gaan ontwikkelen om daarop in tespelen, want het is per slot van rekening ook een markt waarop je jeproducten moet zien kwijt te raken. Wij zien die tegenstelling dus niet zo.Men is er al heel lang mee bezig. Er zijn goede producten opgeleverd. Opeen jaar uitstel zitten wij ook niet direct te wachten, maar ik heb het ideedat het niet een blokkade moet zijn: we doen alles of we doen niks. Ik denkdat we ook kunnen starten. Dat is mijn antwoord op uw vraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76319 De voorzitter:Dank u wel. Meneer Ergin, u gaat nu naar uw laatste interruptie.De heer Ergin (DENK):Ja. Wat ik niet begrijp, en wat de heer Uppelschoten nog steeds niet heeftkunnen uitleggen, is dat we dus al een traject hebben van – wat is het? –tien jaar, hoorde ik. Tien jaar lang zijn mensen al bezig om ...De voorzitter:Meneer Ergin, excuses. Meneer Uppelschoten, kunt u uw microfoonuitdoen? Anders blijft de camera op u gericht en dat moet u denk ik nietwillen.De heer Ergin (DENK):Dat is prima, hoor. Voor mijn vraag maakt het niet uit. Het veld is al tienjaar lang bezig. Het veld komt met een vorm en ook met een inhoud; overde inhoud verschillen we waarschijnlijk met de PVV van mening. Maar datwordt in één brief overhoopgegooid. De heer Uppelschoten van de PVVkan heel makkelijk zeggen: ik sta achter het onderwijsveld maar ik steunook de lijn van de Staatssecretaris. Dan is het een vlees-noch-visverhaal.Ik vraag toch aan de PVV als grootste regeringsfractie, die dus kennelijkpolitieke verantwoordelijkheid neemt, om te zeggen «we gaan nu door opde weg die al tien jaar geleden is ingeslagen» of «we gaan van het padjeaf». Ik ontvang graag een duidelijk antwoord daarop van de PVV.De heer Uppelschoten (PVV):Het duidelijke antwoord is dat het, als je tien jaar bezig bent geweest en ergoede dingen zijn ontwikkeld, natuurlijk krankzinnig zou zijn om daar geenrekening mee te houden en dat niet uit te voeren. Maar de vraag is nu ofje een jaar extra nodig hebt voor de invoering, ja of nee. De discussie isdus niet of je het materiaal dat je ontwikkeld hebt niet meer zou moetengebruiken en zou moeten weggooien, maar: is het nu nodig om een jaarextra te doen? Wij hebben het idee dat dat niet zou hoeven. De zorg dat erminder kerndoelen komen, delen we, maar wij zien het niet zitten om ernog een jaar extra aan vast te plakken, zeker voor de vakken Nederlands,rekenen en wiskunde. Daar moet je onmiddellijk mee beginnen. Er isaangegeven dat juist bij die twee vakken de onderwijsprestaties inNederland niet goed zijn, dus een jaar extra uitstel vinden we dan heelzonde. Dat mag niet gebeuren.De voorzitter:Dank u wel. U heeft ook nog een interruptie van mevrouw Rooderkerknamens D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Volgens mij begrijp ik heel goed wat de heer Uppelschoten hier zegt. Datis natuurlijk ook de oproep die het onderwijsveld doet. Stel het niet uit, ganiet met vage kopjes schuiven, ga gewoon verder met het verbeteren vanhet reken-, taal- en leesonderwijs. Wij werken aan een motie die zegt: ganiet een jaar vertragen, maar ga gewoon door. Zou de heer Uppelschotendie kunnen steunen?De voorzitter:Meneer Uppelschoten, kunt u de motie steunen?De heer Uppelschoten (PVV):Dan moet ik ’m zien. Ik ga niet op voorhand zeggen dat ik de motie steun.Maar mijn betoog over hoe we erin zitten, is duidelijk geweest. Die lijnwillen wij handhaven. Ik moet naar de motie kijken om ja of nee tezeggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76320 De voorzitter:Dank u wel. Dat lijkt me een heel verstandige keus. Ik ga het woord gevenaan de heer Kisteman voor zijn betoog namens de VVD.De heer Kisteman (VVD):Voorzitter, bedankt. Kinderen zijn de bouwers van het toekomstigeNederland. Ze gaan onze nieuwe innovaties bedenken, de oplossingenvoor de problemen waar we dan tegenaan lopen. Of ze nu praktischopgeleid zijn of theoretisch, ze hebben allemaal recht op een goede start.Elk kind moet op school goed kunnen leren lezen, rekenen en schrijven.Ook digitale vaardigheden ontwikkelen en burgerschap horen daarbij. Dewereld waarin kinderen opgroeien, is een andere wereld dan die in 2006.In 2006 zijn deze kerndoelen tot stand gekomen en de meeste zijn daarnaniet meer aangepast. De VVD vindt het dan ook heel goed dat dezeherziening plaatsvindt. Concretere kerndoelen en eindtermen moeten hetvoor leerkrachten makkelijker gaan maken. Het curriculum zit vol. Deoverladenheid is enorm.Voorzitter. Ik wil vandaag twee onderwerpen bespreken met de Staatsse-cretaris. Het eerste gaat over een continue herijking van het curriculum.Zoals ik eerder zei, stammen de meeste kerndoelen uit 2006. Als allesmeezit kunnen de herziene kerndoelen in 2027 worden vastgesteld.Discussies in het veld en in de politiek hebben nou niet echt bijgedragenaan een snel traject. De omgeving en wereld waarin kinderen opgroeien,verandert continu. Ook de vraag op de arbeidsmarkt verandert. Dat zal inde toekomst ook gaan zorgen voor een curriculumherziening. Ik moet erniet aan denken dat de volgende herziening van het curriculum dan pas in2048 kan worden vastgesteld. Tenslotte heeft het laatste traject vanvastlegging tot herziening ruim 20 jaar geduurd. Mijn vraag aan deStaatssecretaris is dan ook of zij bereid is te onderzoeken of er eensysteem kan worden gestart waarin er continu herijking van het curri-culum kan plaatsvinden. Een systeem waarin experts plaatsnemen, dienet als bij deze herziening, breed gedragen worden door het veld. Eensysteem waaruit bijvoorbeeld elke drie jaar een advies volgt voor hetherzien of niet herzien van het curriculum. Met een continue herzieningzou het curriculum meer up-to-date zijn en hebben kinderen meer kans ophet beste onderwijs. Daar hebben ze tenslotte recht op.Voorzitter. Sinds een paar maanden ben ik namens de VVD ook woord-voerder op de portefeuille Primair en voortgezet onderwijs. Behalve dat iktwee schoolgaande kinderen heb, lag mijn kennis meer bij het bedrijfs-leven dan bij het onderwijs. Daarom ben ik de laatste periode veel opwerkbezoek geweest bij scholen in het land en heb ik veel mensen in DenHaag mogen ontvangen met verstand van diverse onderwerpen in dezeportefeuille. Stuk voor stuk sprak ik met gepassioneerde mensen dieenorm veel liefde hebben voor het onderwijs en heel erg denken in hetbelang van het kind. Toch verbaasde ik mij met regelmaat over hoesommige dingen in het onderwijs zijn georganiseerd. Ook over lesme-thodes en de gang daaromheen heb ik mij verbaasd. Ontwikkelaars vanlesmethodes gaan aan de hand van herziene kerndoelen nieuwe lespak-ketten ontwikkelen. Scholen zijn vervolgens vrij om te kiezen met welkelesmethode zij aan de slag gaan. Vaak kiezen zij een lesmethode waarvanzij denken dat deze het beste aansluit bij de leerlingen die zij op datmoment hebben. Gaandeweg komen zij er dan, vaak aan de hand vanresultaten, achter of de lesmethode bij hen aansluit. Zo was ik op eenschool waar kinderen tot groep 7 gemiddeld heel goed scoorden, maarwaar de resultaten in groep 8 enorm tegenvielen. Pas later kwam dezeschool erachter dat deze lesmethode zo was ontwikkeld dat kinderengemiddeld zouden scoren en zelden boven henzelf zouden uitstijgen. Eenandere school kwam erachter dat het inzetten van digitale apparaten,waar hun lesmethode veel om vroeg, ten koste ging van de ontwikkelingvan het kind. Toen deze apparaten werden weggelegd, gingen deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76321 resultaten van de kinderen omhoog. Wat mij verbaasde is dat scholen nietalleen niet of nauwelijks met elkaar overleggen over de verschillendelesmethodes, maar dat er ook nagenoeg geen overleg plaatsvindt metontwikkelaars van lesmethodes.Voorzitter. Ik wil niet op de stoel gaan zitten van leerkrachten. We kunnenerop vertrouwen dat zij in staat zijn om een goede lesmethode te kiezen.Toch heb ik gehoord dat het aanbod beperkt is en dat ontwikkelaarsmachtig zijn. Dit mag niet ten koste gaan van de ontwikkeling van dekinderen. In Vlaanderen is er in 2022 een kwaliteitsalliantie opgericht, eensamenwerking tussen ontwikkelaars van lesmethodes, scholen en anderebelanghebbenden.De voorzitter:Meneer Kisteman, u bent ...De heer Kisteman (VVD):Ik ben bijna klaar; ik ben echt bijna klaar. Dit is mijn laatste zin.De voorzitter:Dat is goed.De heer Kisteman (VVD):Ik rond af; ik rond af.De voorzitter:Mijn excuses.De heer Kisteman (VVD):In deze alliantie zijn kwaliteitscriteria afgesproken voor lesmethodes endeze worden ook getoetst. Daarna worden deze geëvalueerd en wordenlesmethodes waar nodig aangepast. Mijn vraag aan de Staatssecretaris isof zij kan aangeven of dit voor Nederland ook een geschikte manier kanzijn. Is de Staatssecretaris bereid te onderzoeken of zij dit in Nederlandkan implementeren? Misschien wil de Staatssecretaris wel een stap verdergaan en hiermee direct aan de slag gaan.Voorzitter. Dit was mijn inbreng.De voorzitter:Dank u wel. Dat leidt tot een interruptie van mevrouw Pijpelink.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Als eerste wil ik zeggen hoe mooi het is om iemand die nog wat mindermet het onderwijsveld heeft met een hele open mind naar dat veld te zienkijken. Dat is ook goed. Ik word veel op mijn ervaring aangesproken, maarik vind het ook wel heel goed om mensen in deze commissie te hebbendie juist de vragen stellen die ik misschien al niet meer stel. Dat dus alseerste.Maar toch ook even over de brief van afgelopen vrijdag. Mijn verbazingwordt eigenlijk alleen maar groter. Als ik de coalitiepartijen die nu aan hetwoord zijn geweest grofweg heb gehoord, kom ik tot het volgende lijstje.De PVV zegt: kerndoelen lezen, schrijven en rekenen niet uitstellen; gaermee beginnen. NSC zit er een klein beetje tussen: liever niet, maar wegaan toch een jaar uitstellen met een tijdelijke, snelle commissie, die tienjaar werk nog eens dunnetjes over moet doen. Ik wil toch aan de heerKisteman vragen: is de VVD-fractie nou voor of tegen uitstel van hetinvoeren van met name de kerndoelen lezen, schrijven en rekenen,waarover het onderwijsveld positief is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76322 De heer Kisteman (VVD):Om te beginnen, dank voor het compliment. Ik hoop dat ik mij nogjarenlang mag verbazen over het onderwijs. Dat doe ik trouwens ook in deondernemerswereld. Dank daarvoor. Zoals ik in mijn betoog aangaf, is eral een enorm lang traject geweest en is dit uitstel natuurlijk vervelend.Maar aan de andere kant: elke aanpassing die we nu doen, zal voor nogmeer uitstel zorgen. We zitten dus op de lijn van de Staatssecretaris enhopen dat scholen er in 2027 mee aan de slag kunnen.De voorzitter:Dank u wel voor uw antwoord. Dan wil ik het woord geven aan mevrouwVan Zanten van de BoerBurgerBeweging.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank u wel, voorzitter. BBB maakt zich, net zoals veel andere partijen hier,zorgen over de curriculumherzieningen, oftewel de herziening van hetleerprogramma van scholen en de basisvaardigheden. Ik denk dat dit voorzich spreekt. Zoals mevrouw Pijpelink ook aanhaalde – en we hebben ervaker over gesproken – bleek uit PISA-onderzoek dat in 2006 nog 14% vande 15-jarigen functioneel analfabeet was. Eind vorig jaar bleek dit cijfermeer dan verdubbeld en het gaat nu dus om een op de drie 15-jarigen. Ikhoud eerlijk gezegd een beetje mijn hart vast voor de uitkomsten van hetvolgende PISA-onderzoek. Gek genoeg stegen de onderwijsuitgaven naar51,4 miljard euro, terwijl het aan het begin van deze eeuw ging om minderdan de helft van dit bedrag. Geld lijkt dus niet het probleem te zijn endaarom dus ook niet de oplossing. We moeten het toch op een anderemanier gaan bekijken.Voorzitter. Het lerarentekort is een van de grootste problemen die nietalleen een geslaagde aanpak van de basisvaardigheden, maar ook eensuccesvol nieuw curriculum in de weg staat. Hoe kan het toch dat we eentekort hebben aan leraren, terwijl er sinds 2010 70.000 mensen meer inhet onderwijs werken en er sindsdien ook minder leerlingen zijn? Er zijnzo veel mensen in Nederland die een onderwijsbevoegdheid hebben, dathet tekort eigenlijk volledig kan worden opgelost als ongeveer een vijfdevan hen weer voltijds in het onderwijs aan de slag gaat. Graag eenreflectie van de Staatssecretaris erop.Dan het onderwijsprogramma, het curriculum. We zien dat er bij deinvoering van de kerndoelen in 2006 niet goed is nagedacht over hetonderhoud hiervan. Pogingen om het curriculum ad hoc te vernieuwenzijn mislukt, terwijl al jaren duidelijk is dat de onderwijskwaliteit enormterugloopt. Een belangrijke oorzaak daarvan is de overladenheid van hetlesprogramma. Dat hebben we hier al vaak gehoord. Om deze overla-denheid tegen te gaan, werd in het hoofdlijnenakkoord opgenomen dathet aantal kerndoelen fors zou worden verminderd. In de beslisnota bij deKamerbrief over de aangescherpte conceptkerndoelen lezen we tweescenario’s om tot een lager aantal kerndoelen te komen. Domeinenworden hierbij kerndoelen, doelen worden kopdoelen en conceptkern-doelen worden subdoelen. Dat komt op mij een beetje over als window-dressing. Dat lijkt op een administratieve wijziging, puur om het aantal teverlagen. In het regeerprogramma staat letterlijk: «We maken het minderoverladen door het aantal kerndoelen te herzien en aan te scherpen.» Kande Staatssecretaris toelichten wat er nu precies verandert, hoe devoorgestelde scenario’s invulling gaan geven aan deze ambitie enwaarom dit een jaar extra gaat kosten als het puur administratief is?Daarnaast is mijn vraag aan de Staatssecretaris welke mogelijkheden zijziet om de overladenheid van het lesprogramma te verlichten door hetaantal maatschappelijke thema’s te beperken. BBB wil voldoendeopleidingsmogelijkheden op het vlak van technologie. We maken ons erzorgen over dat de profielkeuzevakken, zoals natuurkunde en biologie, eenkleinere ruimte hebben gekregen in de ontwerpruimte, terwijl deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76323 samenleving toch echt staat te springen om mensen met een bètatech-nische achtergrond. Kan de Staatssecretaris toelichten of er nog ruimte is,zodat omvang van deze vakken behouden kan blijven? Daar bestaatnamelijk enige verwarring over. Basisvaardigheden hebben uiteraardprioriteit, maar basisvaardigheden en kennis kunnen ook niet zonderelkaar.Daarnaast heb ik de volgende vraag. De ruimte voor het vak burgerschap,ook wel maatschappijleer geheten, lijkt toch wel buitenproportioneel.Waarom moet digitale geletterdheid echt een apart vak zijn en kan het nietworden geïntegreerd in de vakken? Graag een toelichting daarop.De voorzitter:Wilt u tot een afronding komen, mevrouw Van Zanten?Mevrouw Van Zanten (BBB):Ja, ik ga afronden. Ik heb nog twee vragen. Vanuit het onderwijs horen wekritiek op de communicatie met de beroepsgroep. De vraag is hoe dat kanworden verbeterd.Ik eindig met twee punten, heel snel. De integraliteit: hoe kunnen dekerndoelen, de lesmaterialen, de leraar en de leerling op de juiste manierin elkaar grijpen? Het lijkt er nu namelijk op dat die in de processen naastelkaar lopen en dat het niet met elkaar gebeurt.Als allerlaatste: hoe kijkt de Staatssecretaris naar de succesmethode vanIerland? Kunnen we daar nog iets van leren?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel voor uw betoog. Dat roept wat reacties op. Allereerst meneerKisteman. Daarna heeft mevrouw Rooderkerk nog een interruptie.De heer Kisteman (VVD):Mijn vraag aan mevrouw Van Zanten is of zij het met de VVD eens is dathet voorstel dat er nu ligt, breed gedragen wordt door het veld. Ik bedoeldus dat leraren, het onderwijs, achter het voorstel staan dat er nu ligt.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik heb een vraag aan de heer Kisteman. Bedoelt de heer Kisteman hetvoorstel dat er nu ligt met of zonder dat jaar uitstel?De voorzitter:De heer Kisteman ter verduidelijking.De heer Kisteman (VVD):Dat is een goede vraag. Ik bedoel niet het uitstel. Ik bedoel de kerndoelendie nu voorliggen.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik denk, net zoals meerdere collega’s dat betoogd hebben en we dat ookhebben gezien, dat het onderwijsveld hierin de afgelopen jaren ismeegenomen. Het heeft jaren geduurd om tot deze conclusies te komen.Ik ga er dus van uit dat dit allemaal breed gedragen wordt en vanzelf-sprekend staan wij daar ook achter. We willen dingen wel concreter en wewillen minder kerndoelen. Het lijkt er nu wel op – mevrouw Rooderkerkgaf dat al even aan en ik zei dat zelf in mijn betoog – dat het meer eensoort een administratieve wijzigingen zijn en dat er andere woordenworden gebruikt. Het lijkt me dus niet dat dat een jaar hoeft te kosten.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk met haar laatste interruptie. Sorry. Excuses. De heerKisteman heeft een vervolgvraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76324 De heer Kisteman (VVD):Ik ging er even van uit dat u dat zag, voorzitter. Mevrouw Van Zanten hieldeen betoog om meer rekening te houden met die bètavakken in hetontwerp. Hoe ziet u dat voor zich? Moeten er dan meer lesuren bijkomenom het voorstel dat er nu ligt vast te houden? Of moet het ten koste gaanvan andere vakken, waarvoor dan minder aandacht moet zijn? Hoe zietmevrouw Van Zanten dat voor zich?Mevrouw Van Zanten (BBB):Dat is dus eigenlijk ook een beetje mijn vraag aan de Staatssecretaris,omdat het mij niet geheel duidelijk is. In de plannen lijkt het erop dat ernog een paar procenten over zijn, die nog niet toegewezen zijn. Mijn vraagaan de Staatssecretaris is dus: klopt het dat die som van alle eindtermeneigenlijk geen 100% is, maar 92% tot 96% voor vwo en havo, en 98% voorhet vmbo? Als dat inderdaad klopt, betekent dat dan ook dat er vrijeruimte is, een ruimte die dus niet is ingevuld met eindtermen en die wedus nog kunnen toewijzen aan die profielvakken?De voorzitter:Dank u wel. De heer Kisteman met een extra vervolgvraag.De heer Kisteman (VVD):U vraagt in uw betoog ook of die digitale vaardigheden dan wel moeten.Vindt de BBB het dan niet belangrijk dat kinderen leren hoe ze in eenonlineomgeving moeten manoeuvreren, met alle gevaren die daarmomenteel zijn? Is dat voor BBB dan minder belangrijk?Mevrouw Van Zanten (BBB):Nee, zeker niet. Het is ontzettend belangrijk. Als ik in deze tijd kijk naarmijn eigen dochter in groep 8, dan zie ik dat zij veel meer weet vandigitale geletterdheid dan ik. Ik maak me daar wat minder zorgen over.Uiteraard moet daar veel aandacht aan worden besteed, maar ik vraag meaf of het per se een apart vak moet zijn of dat het geïntegreerd kanworden in andere vakken. Daarom stel ik hier ook een vraag over aan deStaatssecretaris.De voorzitter:Dank u wel. Dat was voldoende. Mevrouw Rooderkerk, uw laatsteinterruptie.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoor mevrouw Van Zanten ook zeggen dat er nu concrete doelen liggenen dat er heel brede steun is vanuit het onderwijsveld om daarmee aan deslag te gaan. Kan mevrouw Van Zanten dan ook de motie steunen die wijzullen indienen over geen uitstel laten ontstaan en geen vertraging latenoplopen?Mevrouw Van Zanten (BBB):Daarop geef ik hetzelfde antwoord als mijn collega van de PVV gaf: ik hebde motie nog niet gezien, dus die zou ik eerst graag willen lezen.De voorzitter:Dank u wel. De heer Uppelschoten met een interruptie.De heer Uppelschoten (PVV):Ik ben blij dat mevrouw Van Zanten de docenten, en met name het gebrekaan docenten, aan de orde stelt. Er komen namelijk nu weer groteveranderingen op het onderwijs af en we hebben een lerarentekort. Unoemde ook de 70.000 mensen die een onderwijsbevoegdheid hebben enniet in het onderwijs werken. Wat kunnen wij doen om ervoor te zorgenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76325 dat er gewoon meer mensen in het onderwijs komen en dat de professi-onele ruimte – ik noem ook het plezier – toeneemt? Als we namelijk zo’ngrote, terechte, verandering gaan doorvoeren, dan is het ook nodig dat ervoldoende mensen zijn en dat de klassen veel kleiner zijn. Het is een heelgekke situatie dat we 70.000 mensen hebben met een onderwijsbe-voegdheid die niet in het onderwijs werken en een grote rand om hetonderwijs waar allerlei deskundigen in zitten die de mensen adviserenover hoe ze het werk moeten doen. Hoe kunnen we meer mensen op dewerkvloer krijgen? Dat is ook een vraag die hierboven hangt. Wij hebbener ook geen antwoord op, maar iedere suggestie voor hoe we dat kunnenaanpakken en hoe we die 70.000 mensen weer echt op de werkvloer in hetonderwijs kunnen krijgen zou fantastisch zijn.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik neem aan dat dit een vraag aan mij is en niet aan de Staatssecretaris.Klopt dit?De voorzitter:De vraag is aan u gericht. Meneer Uppelschoten, zou u uw microfoon uitwillen zetten? Dank u wel.Mevrouw Van Zanten (BBB):We hebben het in eerdere debatten natuurlijk ook gehad over het grotelerarentekort en hoe het vak weer aantrekkelijker gemaakt kan wordenvoor leraren, dus ook voor mensen die wel de opleiding hebben gedaan,maar er toch voor hebben gekozen om een ander vak te kiezen. Wehebben gezien dat het niet per se om geld gaat. De lerarensalarissen zijnnatuurlijk ook behoorlijk bijgetrokken. Het gaat toch veel om werkplezieren werkdruk. Werkdrukverlaging en administratieve lasten weghalen bijleraren zijn voorbeelden waar wij heel erg achter staan. We hebben ook alweleens geopperd om de lerarenopleiding aantrekkelijker te maken doorbijvoorbeeld een splitsing van de pabo. Goed, er zijn ongelofelijk veelvoorbeelden te noemen. Deze noem ik voor nu even, want anders gaanwe een debat over het lerarentekort voeren en dat is, denk ik, ook niet debedoeling.De voorzitter:Dank u wel. Dat lijkt me inderdaad ook buiten de reikwijdte van dit debat.Maar goed, u heeft antwoord gegeven. Mevrouw Pijpelink, uw laatsteinterruptie.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Omdat u dit onderwerp even toestond, voorzitter, wil ik daar toch ook nogeven een interruptie op plegen.De voorzitter:O, o, o, o. Ik wil u toch wel vragen om binnen de reikwijdte van dit debatte blijven, anders gaan we het gewoon niet redden voor 14.00 uur.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik blijf erbinnen, maar ik kan niet anders dan hier even op reageren.De voorzitter:Dan graag kort en bondig.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ja. Ik hoor de BBB zeggen: werkdrukverlaging en werkplezier. DeStaatssecretaris spreekt in de brief over uitstel. Is de BBB het met mij eensdat dit nou juist is waar docenten moe van worden? Het eigenaarschapover wat er in hun lokalen gebeurt, wordt door de politiek uit handenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76326 genomen. De positieve ervaringen met de nieuwe kerndoelen die nuuitgesteld worden, worden door de politiek opzij geschoven. Dit is watdocenten ook moe maakt: het eigenaarschap dat hun ontnomen wordtdoor de politiek. Ik zou heel graag willen dat de BBB daar even opreflecteert.De voorzitter:Een reflectie van mevrouw Van Zanten.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik zit er een beetje dubbel in. Ik snap namelijk heel goed wat mevrouwPijpelink zegt. Ik gaf net zelf ook al aan dat het voor mij ook een beetje lijktop puur administratieve wijzigingen. Waarom moet dat een jaar duren?Dat is ook echt mijn vraag. Ik snap ook wat de heer Soepboer eerderaangaf. Wij moeten er als politiek ook wat van kunnen vinden en wat vankunnen zeggen. Ik wacht wat dat betreft ook graag het antwoord van deStaatssecretaris af om te kijken of dat het inderdaad waard is. Als datextra jaar iets kan opleveren, dan is de bereidwilligheid er wel, heb ikvanuit het veld gehoord. Maar als het echt gaat om administratieveveranderingen, dan is het voor mij ook een vraag.De voorzitter:Dank u wel. Dan zijn we aangekomen bij de heer Ergin voor zijn bijdrage.De heer Ergin (DENK):Ja voorzitter, dank u wel. Onderwijs in Nederland staat onder grote druk.Daar hebben we een debat over gevoerd en we gaan ook nog een debatvoeren over de schoolresultaten en het PISA-onderzoek. Eerdere jarenhebben we daar ook een debat over gevoerd. Maar het zijn niet alleen deschoolresultaten. Het zijn ook alle plannen die boven de markt hangenvoor de scholen. Want de Staatssecretaris wil veel. Ze wil schoolresultatenen onderwijsresultaten verbeteren. Ze zegt dat ze kansengelijkheid heelbelangrijk vindt. Maar aan de andere kant is ze bezig met de grootstekaalslag in het onderwijs. Vrijwel alles wat lijkt te werken wordt gesloopt.Kijk maar naar School & Omgeving: –155 miljoen euro. De bredebrugklassen: –55 miljoen euro. De onderwijsachterstandsmiddelenwaarmee gemeenten leerlingen kunnen helpen aan een extra warmtaalbad: –81 miljoen euro. Scholen klagen al jarenlang over de subsidies-paghetti, talloze regelingen en subsidies, en vragen duidelijkheid doorstructurele bekostiging. Wat krijgen ze daarvoor terug? Ze moeten nogdrie jaar wachten op die bekostiging. Maar er komt wel een Herstelplankwaliteit onderwijs, nog een plan, nog een keer tijdelijke financiering, nogmeer scholen die geen vaste leerkrachten kunnen aannemen omdat ze temaken hebben met tijdelijke gelden. Door de besluiteloosheid die wevandaag hebben geconstateerd, is het de vraag hoelang die plannenblijven bestaan. Kan de Minister nou uitleggen wat het verschil gaat zijntussen het nieuwe plan, waarover we in het regeerakkoord lezen, en hetMasterplan basisvaardigheden? Is het gewoon oude wijn in nieuwezakken? Is het een «veel ambitie met weinig poen»-plan? Wat is het, vraagik aan de Staatssecretaris.Voorzitter. Dan kom ik aan bij mijn punt over burgerschap in hetonderwijs. We hebben net een discussie gevoerd over de kerndoelen watbetreft lezen, schrijven en rekenen. We zien eigenlijk dat de Staatssecre-taris een tegenovergestelde beweging maakt als het gaat om burger-schap. Bij lezen, schrijven en rekenen moeten de doelen abstractergeformuleerd worden, maar in het regeerprogramma lezen we dat als hetgaat om de burgerschapsopdracht de doelen verduidelijkt moet worden.Het coalitieakkoord zegt zelfs «aangescherpt». We hebben hier eenrapport, eigenlijk een onderzoek, waarin die conceptdoelen zijn vastge-steld. Moet ik het regeerprogramma nou zo opvatten dat de Staatssecre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76327 taris zegt: we hebben hier jarenlang in geïnvesteerd, dit gaan we gewoondoen? Of zegt de Staatssecretaris ook daarover dat we een nieuwe koersgaan varen? Ik zou daar graag antwoord op willen van de Staatssecretaris.Voorzitter. Dan mijn laatste punt over de curriculumherziening. Eigenlijkwilde ik daarmee beginnen. We hebben daarbij ook gezien dat deStaatssecretaris, als het gaat om de nieuwe koers die zij wil varen, niet opveel steun kan rekenen hier in de Kamer. Die nieuwe koers bestaat uit hetjarenlange proces even in de prullenbak gooien, even redigeren en anderedoelen vaststellen. We zien dat het NSC daar veel moeite mee heeft. DePVV heeft eigenlijk gezegd: ja, dat willen we niet. Ook bij de BBB hoor ikdie zorgen. Dan heeft de Staatssecretaris eigenlijk twee opties. Zij kan dekoers blijven varen die zij afgelopen vrijdag heeft ingezet. Of zij kanzeggen: «Ik tel mijn zegeningen. Ik tel mijn knopen en ik zie dat de koersdie ik wil varen, namelijk de boel overhoopgooien en nieuwe spelregelsvaststellen tijdens de wedstrijd, niet gaat werken. Het kan niet eensrekenen op steun van de Kamer, maar ook niet van het onderwijsveld.»Daar hebben we ook de nodige brieven over gekregen. Dus de vraag aande Staatssecretaris is: gaat zij net zoals andere bewindspersonen in hetkabinet wachten totdat de Kamer met een motie zegt «Staatssecretarisdoe dit niet, wij willen wat anders», of gaat de Staatssecretaris nog tijdensdit debat zeggen «ik heb u gehoord, Kamer, we gaan dit anders doen enwe gaan vasthouden aan het oorspronkelijke plan zoals het jarengeledenin werking is gezet»?De voorzitter:Wilt u tot een afronding komen? O, u bent klaar. Dat is mooi. Er zijn tweeinterrupties. Volgens mij was de heer Uppelschoten als eerste. Daarnaheeft de heer Soepboer een interruptie. Meneer Uppelschoten, u kunt uwinterruptie plegen.De heer Uppelschoten (PVV):Ik begrijp dat u zorgen heeft over burgerschapskunde. Vindt u het nou welof niet belangrijk dat dit een kerndoel wordt? Vindt u het belangrijk dat ditin de vakken geïntegreerd wordt? Die verduidelijking is volgens mij nodig,zodat mensen weten wat er bedoeld wordt en zodat docenten ook wetenhoe je dit kunt integreren in de bestaande vakken. Want wij vinden hetuitermate belangrijk dat burgerschapskunde een groter deel gaatuitmaken van het onderwijs. We moeten namelijk op de Nederlandsescholen de Nederlandse democratie uitleggen en de waarden daarvanuitdragen. Vindt u dat ook?De voorzitter:De heer Ergin, vindt u dat ook?De heer Ergin (DENK):Jazeker. Ik vind het juist heel verstandig om meer richting te geven aanhet onderwijsveld en meer duidelijkheid te bieden. Maar we zien eentegenovergestelde beweging, bijvoorbeeld wat betreft lezen, schrijven enrekenen. Ik ben het er alleen niet mee eens – dat wil ik erbij zeggen – datde aanscherping die de PVV en de coalitiepartijen voor ogen hebben,plaats moet vinden om radicalisering tegen te gaan. Met die analyse benik het totaal niet eens. Ik ben het er niet mee eens dat je op basis daarvanburgerschapsopdrachten moet aanpassen en moet aanscherpen. Maar ikben het ermee eens dat we het onderwijs wat duidelijkheid moetenbieden. Dat staat ook heel mooi in het document van de SLO; daarinwordt aangegeven wat de richting is die de scholen op moeten gaan. Daarben ik het mee eens. Maar ik wil heel duidelijk gezegd hebben dat ik hetniet eens ben met de analyse dat er een aanscherping plaats zou moetenvinden omdat er sprake is van radicalisering of om radicalisering tegen tegaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76328 De voorzitter:Dank u wel. Dat roept een vervolgvraag op van de heer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Ik heb natuurlijk een vervolgvraag. De radicalisering is toch heel ergtoegenomen? In het onderwijs zijn een aantal dingen toch veel moeilijkerbespreekbaar te maken dan vroeger? Ziet u dat dan niet als probleem?Zijn er dan taboeonderwerpen, waar we niet meer over kunnen praten?De heer Ergin (DENK):De PVV had het over «evidencebased informed» zijn. Ik hoor graag uitwelke onderzoeken en welke resultaten blijkt dat dat allemaal niet meerkan. Ik zie juist dat het onderwijsveld enorm in beweging is, en veelaandacht schenkt aan zaken als het slavernijverleden, het kolonialeverleden en het migratieverleden van Nederland. Daar zitten ookcontroversiële onderwerpen tussen, onderwerpen die lastig zijn of waarleerlingen moeite mee hebben. Dat hoort er gewoon bij. Daar moet je juisthet gesprek over aangaan. Ik zie in de politiek, met name bij de coalitie,een totaal andere beweging, namelijk dat de boel wordt geproblemati-seerd. Ik heb geen enkel onderzoek gezien waaruit blijkt dat radicaliseringin de klas plaatsvindt. Ik roep de PVV dan ook op om aan te geven opwelke scholen die radicalisering plaatsvindt en op welke manier. Op basisvan welk onderzoek zegt u dat? Daar ben ik enorm benieuwd naar.De voorzitter:Dank u wel voor deze retorische vraag. U hoeft daar niet op te reageren,meneer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Het is een retorische vraag, maar ik wil er wel op reageren.De voorzitter:Dat is dan wel een interruptie. Dat is dan ook gelijk uw laatste.De heer Uppelschoten (PVV):U noemt een aantal onderwerpen, maar het onderwerp waar we nu meeworstelen in Nederland is het antisemitisme. Ik denk dat dit een moeilijkonderwerp is om in het onderwijs aan de orde te stellen. Wij zouden juistwillen dat dat wel kan en dat er van twee kanten over gepraat kan worden.Er zijn trouwens heel veel onderzoeken, maar dat laat ik maar even in hetmidden. Ik vind het opvallend dat u dit onderwerp, waar nu zo veelproblemen mee zijn in Nederland, nou net niet noemt.De voorzitter:Wilt u nog een korte reactie geven? Graag kort, want ik wil graag rond11.30 uur schorsen voor de lunch.De heer Ergin (DENK):Voorzitter. Ik kan daar helaas niet kort op reageren. Er wordt eenonderwerp aangehaald waarover mijn fractie heel duidelijk is. Wij zijnaltijd tegen alle vormen van haat, dus ook tegen alle vormen vanantisemitisme. Dat daar in de klas een gesprek over moet plaatsvinden,heb ik volgens mij in de beantwoording van de twee vorige interruptiesaangegeven. Het gaat erom – dat zegt de heer Uppelschoten niet – dat dePVV een agenda heeft: onderwerpen die hun niet bevallen, die ze politiekniet fijn vinden en niet pruimen, willen ze uit het onderwijs halen. Dat isde agenda van de PVV. Daarom zijn ze er voorstander van om dieburgerschapsdoelen aan te scherpen. Dat staat ook in het coalitieakkoord.Maar als het aankomt op de basisvaardigheden, op lezen, schrijven enrekenen, mag de Staatssecretaris vooral heel abstract zijn, want dat komtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76329 de PVV dan wel weer goed uit. Dat is het antwoord dat ik de heerUppelschoten zou willen geven.De voorzitter:Dank u wel. Ik wil ook graag nog wat zeggen, maar daarvoor wil ik hetvoorzitterschap overdragen aan mevrouw Pijpelink.Voorzitter: PijpelinkDe voorzitter:Dan is het nu tijd voor de laatste bijdrage voor de lunchschorsing. Hetwoord is aan de heer Ceder van de ChristenUnie.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Bij de voorbereiding van dit debat moest ik tochdenken aan de musical Soldaat van Oranje: keer op keer wordt het eindetoch weer uitgesteld en als je denkt dat de voorstelling dan toch echtdefinitief stopt, vindt er alsnog verlenging plaats. Zo voelt ook het trajectvan de curriculumherziening. Ik hoef niemand hier te vertellen over delange weg die de herziening kent. Nu liggen er kerndoelen en dreigt ertoch vertraging, doordat de coalitie de kerndoelen toch weer wilaanpassen en verminderen. Dat betekent weer discussie, weer onduide-lijkheid en weer vertraging. Wat onze fractie betreft, is er ook sprake vanhet politiseren van het traject, terwijl we dat juist hebben belegd bijexperts. We hebben ook de ruimte gegeven om tot een gedegen resultaatte komen. Dat wordt nu door de politiek weer teruggetrokken. Dat is eenonwenselijke situatie. Het ligt niet aan alle betrokkenen. Daarvoor is ditook een grote teleurstelling. Ik zou daarom wel mijn dank willenuitspreken aan eenieder die hieraan de afgelopen jaren keihard heeftgewerkt, van de ambtenaren op het ministerie tot aan de leraren envakexperts. Het is te wijten aan de wispelturigheid van de politiek. Datmoet ik toch zeggen. Ik zou de Staatssecretaris toch wel wil oproepen omvast te houden aan de afspraken die er zijn en het traject dat er is. Het isvolgens mij een goed traject, dat ook omarmd wordt door de sector. Ikheb de debatten en discussies gehoord, en ik zou de coalitie willen vragenom de Staatssecretaris juist die ruimte te geven. Houd niet alleen vast aanwat er in het regeerakkoord staat, maar neem ook de ruimte om tebezinnen, ook op wat er vanuit het veld is aangegeven ten aanzien van heteindresultaat. Daarmee wordt immers recht gedaan aan het onder-wijsveld.Voorzitter. Ik heb een aantal vragen. Kan de Staatssecretaris inhoudelijkbeargumenteren waarom het een verstandig idee zou zijn om het procesweer om te gooien, behalve dan het argument dat dit zo is afgesprokendoor vier partijen? Hoe reageert u bijvoorbeeld op de bezwaren dieambtenaren in de beslisnota opwerpen? Hoe ziet u het traject nu voorzich? Gaat u de nieuwe kerndoelen ook weer in de praktijk beproeven,voordat ze worden vastgesteld? Moeten de politiek en de coalitie daar ookweer iets van vinden? Gaat u de wetenschappelijke Curriculumcommissieopnieuw om advies vragen? Wat betekent het voor educatieve uitgeve-rijen, lerarenopleidingen en het traject voor de conceptexamenpro-gramma’s?Voorzitter. Dan over de ontwerpruimte. Mijn fractie vindt het slecht nieuwsdat de ruimte voor de profielvakken afneemt. De basisvaardighedenkomen immers in alle vakken aan bod. Dat wordt vanuit de politiek ookerkend. Er was meegegeven om in de examenprogramma’s meeraandacht te geven aan burgerschapsvorming en digitale geletterdheid.Dat is logisch. Juist bij een vak als natuurkunde leer je goed rekenen. Bijeen vak als geschiedenis leer je over burgerschap. Ga zo maar door. Het isaan scholen om dit met alle vakken te verweven, zodat leerlingen aan heteinde van hun schoolcarrière voorbereid zijn op hun rol als burger en deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76330 basisvaardigheden op orde hebben. Hiervoor hoeven de uren van deprofielvakken niet te worden teruggeschroefd, vinden wij. Sterker nog,gezien de schreeuwende nood om goedopgeleide technici in de samen-leving lijkt me dat een slecht idee. Een vraag: is de Staatssecretaris alsnogbereid om de ruimte voor de profielvakken te behouden? Dit kan echt welzonder vertraging, volgens mij.Voorzitter. Tot slot heb ik een paar vragen over het nieuwe financieringsin-strument voor gerichte bekostiging dat de Staatssecretaris ontwikkelt.Daar is zelfs een wetswijziging voor nodig. Deze keuze verbaasde mij,omdat we binnenkort in de Kamer spreken over het ingrijpende thema degewenste wijziging van bekostiging. De Staatssecretaris neemt daarophiermee wel al een voorschot. Dat lijkt me niet de meest ordentelijke weg.Kan de Staatssecretaris helder onderbouwen welke noodzaak zij ziet ommet een nieuwe wet te komen? Waren minder ingrijpende alternatievenniet voorhanden? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat we scholenniet moeten overladen met meer regeldruk? Met hoe veel extra adminis-tratieve lasten voor scholen gaat het instrument straks gepaard? Is deStaatssecretaris het ermee eens dat scholen de vrijheid hebben om zelfinvulling te geven aan goed onderwijs en had deze structurele bekostigingdaarom niet via de lumpsum kunnen gaan, zoals structurele bekostigingnormaal gesproken gaat?Voorzitter. Tot zover. Ik kijk uit naar de beantwoording.De voorzitter:Dank u wel voor uw bijdrage. Ik kijk even rond. Volgens mij waren er geeninterrupties. Ik had geen klok, maar ik ging er maar van uit dat u binnen detijd bleef. Ik geef het voorzitterschap graag weer aan u terug.Voorzitter: CederDe voorzitter:Dank u wel. Ik wil de oud-voorzitter bedanken voor haar rol. Mensen, hetis 11.32 uur. Ik zou er eigenlijk voor willen pleiten om een halfuur teschorsen, inclusief lunchpauze. Ik kijk ook even naar de Staatssecretaris.Ja, dat is krap, maar dat zorgt er wel voor dat we twee uur lang de tijdhebben om een goed gesprek met elkaar te hebben en ook de tweedetermijn inclusief de beantwoording te doen, als u dat zou wensen. U gaatnatuurlijk over uw eigen tijd, maar volgens mij is dit de meest ordentelijkeweg. Binnen een halfuur kunnen we echt wel wat boterhammenwegwerken, toch? Ik zie dat er bemiddeld wordt. Het wordt 12.05 uur. Datis goed. Nou, dan gaan we om 12.05 uur verder.De vergadering wordt van 11.33 uur tot 12.10 uur geschorst.De voorzitter:Goedemiddag, beste mensen. Zoals u weet, had ik voorgesteld om 12.05uur te beginnen aan de beantwoording van de Staatssecretaris. Zij is eralleen nog niet. Daarom vraag ik u om even geduld te hebben. Zodra zij eris, zullen wij beginnen aan de beantwoording. Ik hoor wat hakken in gang,dus wie weet is zij onderweg.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Beste mensen, inmiddels is ook de Staatssecretaris aangeschoven, dus ikzou graag willen beginnen aan de beantwoording van de kant van hetkabinet. Voordat ik dat doe, wil ik voor het verslag nog even opgemerkthebben dat mijn inbreng namens de ChristenUniefractie, mede namenshet CDA was. Dat was ik vergeten te benoemen, maar ik wil ik toch welTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76331 even opgemerkt hebben. Dan komen nu zeker de vragen! Ik zou willenbeginnen door het woord te geven aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Voorzitter, dank u wel. Nogmaals excuses dat ik wat later ben. De liftenwerkten niet mee en mijn conditie is ook niet meer wat ze was. Ik probeerdus een beetje op adem te komen. Ik ben hier met een duidelijk doel. Hetis duidelijk dat de Kamercommissie dat ook is. We werken aan goedonderwijs voor alle leerlingen, zodat ze een solide basis hebben voor later.Als Minister en als Staatssecretaris heb ik heel veel scholen bezocht. In diescholen zetten onderwijsprofessionals zich dag in, dag uit in om hunleerlingen, hun kinderen, voor te bereiden op de toekomst. Ik heb veelgesprekken gevoerd met leraren, leerlingen, ouders en schoolleiders. Zijvertellen wat er goed gaat en wat er beter kan. Zo hoorde ik van lerarenvaak terug dat ze wel erg veel taken op hun bord hebben. Ze wordenovervraagd. Ze hebben behoefte aan minder ruis en meer focus. Wewerken hard om dat voor elkaar te krijgen, bijvoorbeeld door veelduidelijker te maken wat een leerling moet kennen en kunnen, door hetcurriculum te herzien, door de nadruk te leggen op basisvaardigheden,zodat elke leerling goed leert lezen, schrijven en rekenen, en door eenveilige omgeving te creëren voor elke leerling. Ik blijf me hardmaken voorgoed onderwijs. Dat doe ik samen met uw Kamer en met het onder-wijsveld.De afgelopen jaren is er al extra ingezet op het verbeteren van basisvaar-digheden en op de aanpak van de tekorten aan leraren en schoolleiders.Op deze basis bouwen we voort. Maar we kijken ook naar wat extra kanen wat extra moet. Daarvoor gaan we de komende tijd samen metiedereen uit het onderwijs het Herstelplan kwaliteit onderwijs vormgeven.Dat is een concreet plan om de basis weer op orde te krijgen. Voor eendeel zullen daar herkenbare punten in zitten en voor een deel zijn daarnieuwe punten aan toegevoegd – maar ik zeg in de richting van de heerErgin dat hij niet bang hoeft te zijn voor oude wijn in nieuwe zakken.Topprioriteit daarbij is wat mij betreft het verbeteren van lezen, schrijvenen rekenen. Om dat te bewerkstelligen is het zorgen voor voldoende engoed onderwijspersoneel essentieel. In het herstelplan gaan we aan deslag met verschillende maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord. We kijkenwat aanvullend nodig is naast de vele stappen die al zijn gezet. Decurriculumherziening is op stoom en het Masterplan basisvaardighedenbegint zijn vruchten af te werpen. Vandaag zijn we bij elkaar om tebespreken wat we al doen en wat we nog meer kunnen doen om dekwaliteit van ons onderwijs te versterken.Ik ga aan de hand van twee blokjes de belangrijkste thema’s van vandaagen uiteraard ook uw vragen behandelen. Ik begin met het blokje curricu-lumherziening. Vervolgens is er een blokje masterplan/overig.Voorzitter. Er liggen nu heldere conceptkerndoelen waar leerlingen enleraren mee uit de voeten kunnen, als eerste voor taal, rekenen enwiskunde, maar inmiddels in concept ook voor de andere leergebieden.Dat is met heel veel dank aan SLO, dat samen met honderden lerarenbakken werk heeft verzet. Daar ben ik zowel SLO als al die leraren enwetenschappers ongelofelijk dankbaar voor. Voor ieder leergebied ligt ernu een set conceptkerndoelen. De eerste set conceptexamenprogramma’sis inmiddels ook opgeleverd. Hiermee versterken we het lees-, schrijf- enrekenonderwijs. Ook krijgen deze basisvaardigheden een solide plek inandere leergebieden, zoals bij de vakken aardrijkskunde, geschiedenis,economie en biologie. Ook in deze vakken heb je als leerling namelijkbasisvaardigheden nodig, bijvoorbeeld om tijdens de aardrijkskundelesnauwkeurig op schaal uit te rekenen wat de afstand is tussen jouw schoolen – ik noem maar wat – de Martinitoren of om tijdens de geschiedenisleste lezen over Aletta Jacobs en een opstel over haar te schrijven. We wetenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76332 inmiddels dat rijke teksten bijdragen aan leesvaardigheid en vaakuiteindelijk ook aan leesplezier. Daar moeten we het van hebben.Het onderwijsveld heeft behoefte aan duidelijkheid en focus. Daar helpt decurriculumherziening bij. Heldere doelen helpen leraren en leerlingen. Zegeven meer duidelijkheid over wat leerlingen moeten kennen en kunnen,waardoor je als leraar veel scherper weet welke kennis en vaardighedenjouw leerlingen moeten opdoen en welke leerstof uit de aangebodenleermiddelen je daarvoor gebruikt. Zo ervaren ze minder overladenheid enkunnen ze zich beter richten op hun onderwijskwaliteit. De conceptkern-doelen voor Nederlands, rekenen en wiskunde zijn inmiddels in de praktijkgetest door het onderwijsveld. Dat gebeurt nu ook bij de overigeleergebieden. We nemen dus de tijd en ruimte om te staven wat in depraktijk werkt en wat niet. We zullen op basis van de bevindingenaanpassingen doorvoeren. Dat betekent echter niet dat leraren moetenwachten om met de bijgestelde conceptkerndoelen aan de slag te gaan.Integendeel, ik weet dat veel scholen al met de conceptkerndoelen aan deslag gaan om te ervaren en te oefenen. U weet: oefening baart kunst.Bovendien kunnen de scholen met het Masterplan basisvaardigheden ooknu al meer focus aanbrengen in de klas.Voorzitter. Er was een hele barrage aan vragen. Dat snap ik ook. Ik ga ze zogoed mogelijk proberen te beantwoorden. Ik begin met de vraag van NSCen SGP. Kan het niet sneller dan een jaar door middel van eensnelcommissie?De voorzitter:Staatssecretaris, voordat u doorgaat, heeft de heer Ergin een interruptie,zag ik. Er zijn twee blokjes genoemd. Ik ga uw vraag toestaan, meneerErgin, maar misschien is het voor de tijd handig om af te wachten of uwvraag daartussen zit. Ik geef u dus de gelegenheid. Misschien is het eenvraag die u al eerder gesteld heeft.De heer Ergin (DENK):Ik wil deze vraag stellen om de volgende reden. Ik ben uiteraard benieuwdnaar de beantwoording van de Staatssecretaris op de specifieke vragen,maar er ontstaat hier nu natuurlijk wel een politieke situatie. De Staatsse-cretaris wil een bepaalde kant op gaan. Niet alleen door de oppositie,maar ook door drie van de vier coalitiepartijen is er in niet mis te verstanebewoordingen aangegeven dat ze daar niet heel warm van worden. Inplaats van dat we de details in gaan, zou ik een reactie van de Staatssecre-taris willen. Wat betekent dat voor haar? Voelt de Staatssecretaris steunvoor de route die ze wil nemen, zowel vanuit het onderwijsveld – daarhebben we al duidelijk antwoord op gekregen – als vanuit dezecommissie? Daar ben ik eigenlijk wel benieuwd naar, voordat we dedetails in gaan.De voorzitter:Voordat we naar de beantwoording gaan, is er een punt van orde van deheer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Ik vind het merkwaardig dat meneer Ergin nu alleen het podium pakt omde volledige eerste termijn samen te vatten in zijn bewoordingen en datbij de Staatssecretaris neer te leggen. Ik zou dus willen voorstellen om deStaatssecretaris gewoon de gelegenheid te geven om haar gehele termijnaf te maken en daarna misschien nog mogelijk overgebleven vragen tebeantwoorden, in plaats van dat ze nu eerst op de vraag van meneer Erginingaat. Dat is een ordevoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76333 De voorzitter:Dat is een ordevoorstel. Als voorzitter moet ik dat eigenlijk voorleggen.Wordt dat door de commissie zo opgevat of is de commissie van meningdat deze vraag doorgelaten kan worden? Ik zie dat meneer Ergin wilreageren. Kan het kort? Want dan kunnen we dit op tijd afronden. Volgensmij is het ordevoorstel dat de Staatssecretaris de vraag niet beantwoordt,dat we doorgaan met de vragen en dat we aan de hand daarvan dediscussie voortzetten.De heer Ergin (DENK):Dan komt er een punt van orde vanuit mijn kant.De voorzitter:Er komt een tegenordepunt. Wilt u uw vraag kort en bondig stellen? Ugaat over uw eigen tijd, maar dit gaat wel af van de inhoud.De heer Ergin (DENK):Dit betekent dat als een Kamerlid vragen stelt die de coalitie niet zinnen,de coalitie op basis van een meerderheid, waar hier aan tafel overigensgelukkig geen sprake van is, het stellen van specifieke vragen of hetuitvoeren van een interruptie kan blokkeren. Dat kan toch niet, voorzitter?Daar kunnen we toch geen ordevoorstel over doen? De Staatssecretariskan toch zelf beslissen of ze antwoord geeft op mijn vraag?De voorzitter:Dat snap ik. Ik interpreteer het als volgt. De Staatssecretaris heeft eenvolgorde vastgesteld. U neemt daar een voorschot op door, zeg ik even inde woorden van de heer Soepboer, een politieke vraag neer te leggen. Hetvoorstel is volgens mij om de vraag te beantwoorden en daarna het debatmet elkaar te voeren. Daarmee wordt uw vraag u niet ontnomen, maarwordt die in de tijd geplaatst. Zo interpreteer ik het. Dat is niet de mondsnoeren.De heer Soepboer (NSC):Ik heb nog een kleine aanvulling.De voorzitter:Heel kort, want dit gaat echt af van de inhoud.De heer Soepboer (NSC):Het gaat er dus niet om dat meneer Ergin geen vraag mag stellen. Hetgaat erom dat meneer Ergin een interpretatie geeft van onze eerstetermijn, terwijl we het debat nog niet eens helemaal hebben afgemaakt.Dat is mijn punt. Het gaat er niet om dat meneer Ergin geen vragen magstellen. Hij mag alle vragen stellen die hij wil. Maar ik heb het liefst dat hijdat doet zonder ons woorden in de mond te leggen en onze inbrengen teinterpreteren, terwijl we nog midden in het debat zitten.De voorzitter:Als ik het voorstel zo hoor, wil ik het als volgt doen. Ik wil de Staatssecre-taris de gelegenheid geven om met inachtneming van de opmerking vande heer Soepboer antwoord te geven op de vraag van de heer Ergin.Daarbij heeft ze ten aanzien van de volgorde de vrijheid om een weging temaken. Ik doe dus geen ordevoorstel, maar leg ’m voor aan de Staatsse-cretaris. Dan kunnen we door.Staatssecretaris Paul:Ik ga kijken of ik dat op een beknopte manier kan doen. Wat ik in mijn briefheb voorgelegd en ook in dit debat met u wil bespreken, is dat dit wat mijbetreft bij uitstek het moment is om nog eens de balans op te maken en teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76334 bepalen hoe we voorwaarts moeten gaan. Er is over die curriculum-herziening gesproken als iets wat al heel lang speelt; dat klopt. Het is alongeveer twintig jaar geleden dat het curriculum onderhanden isgenomen. Het curriculum was dringend aan een uitgebreide herziening enaanpassing toe. Het is niet zo dat tien jaar lang meters zijn gemaakt om opdit dossier verder te komen. Was dat maar waar, dan was het al allemaalin kannen en kruiken.De afgelopen twee jaar – ook door mijn eigen inzet, zeg ik erbij – hebbenwe met kei- en keihard werken van SLO en, zoals gezegd, van honderdenleraren en wetenschappers die zich hiervoor hebben ingezet, stappengemaakt op dit dossier. Ik ben op geen enkele manier geneigd om dat uithet raam te gooien. Ik constateer wel, het huidige kabinet constateert, datde prestaties op taal en rekenen, op lezen, schrijven en rekenen, deafgelopen jaren enorm achteruit zijn gegaan. Elke keer als er weer eenrapportage verschijnt, of het nu gaat om de PISA-scores of de Staat vanhet Onderwijs, dan word ik naar de Kamer gehaald om daar tekst en uitlegover te geven. Ik heb dit moment aangegrepen om daar heel zorgvuldigbij stil te staan en ervoor te zorgen dat de herziening die we nu gaandoorvoeren, dat ook reflecteert. We moeten ervoor zorgen dat we dieabsolute focus op en prioriteit bij taal en rekenen, bij lezen, schrijven enrekenen, en de samenhang tussen die vaardigheden en andere vakkenoptimaal borgen. Dat is de tussenstap die ik nu zet en die ik hebbeschreven in de brief. Ik sta daar nog steeds voor de volle honderdprocent achter. Ik ga daar heel graag hier het gesprek verder over aan,maar dat is hoe ik ernaar kijk. Ik ga zo meteen de vragen uiteraard in detailmet plezier beantwoorden.De voorzitter:Dank u wel. Dat roept een vervolginterruptie op. Ik sta die even toe. Als ervooruitgelopen wordt op de al gestelde vragen, dan ga ik dat tochafkappen en vragen of de Staatssecretaris gewoon met haar betoogverder kan. Het is inderdaad een debat, mevrouw Rooderkerk. U heeft mijaangewezen om dit in goede orde te leiden en ik denk dat op zo’n manierte kunnen doen. Mevrouw Rooderkerk, aan u het woord.Mevrouw Rooderkerk (D66):Het is alleen een reactie op wat de Staatssecretaris zegt. Ik dacht dat datook was waarom we hier zaten, dus vandaar. Dank, voorzitter. Ik hoor deStaatssecretaris nu zeggen: we willen het heel precies en zorgvuldig doen.Ik hoor haar ook zeggen – volgens mij hebben wij dit allemaal hiergezegd – dat het inderdaad heel slecht gesteld is met de kwaliteit van hetonderwijs, dat de leesvaardigheid van kinderen zich echt in een crisisbevindt en dat er heel snel actie tegen moet worden ondernomen. Dat istoch compleet tegenstrijdig met het feit dat de Staatssecretaris nuvoorstelt om een jaar lang vertraging op te lopen en het verbeteren vandie onderwijskwaliteit uit te stellen. Ik begrijp werkelijk niet waarom zij ditvoorstel doet. Ik heb ook het idee dat dit helemaal niet iets is wat zij moetwillen. Volgens mij is zij ook heel erg genegen om die kwaliteit teverbeteren en is ze ook blij met het enorm goede voorstel dat is gedaanvoor die kerndoelen. Waarom moet er dan worden uitgesteld? Ik kan meniet voorstellen dat zij hier zelf vóór is.Staatssecretaris Paul:Misschien is het ook goed om direct een misvatting weg te nemen, wantdat uitstel van een jaar gaat nu een eigen leven leiden. Ik zou daarbijwillen aangeven dat het maximaal een jaar is en dat SLO en de leraren enwetenschappers die hiermee aan de slag gaan vermoedelijk binnen eenaantal maanden hun werk kunnen opleveren. Er is dus geen sprake vanuitstel van een jaar of jaren. Als over een aantal maanden die aange-scherpte focus op lezen, schrijven, rekenen is aangebracht en dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76335 onderlinge samenhang, dus het borgen van die basisvaardigheden inandere vakken, nog scherper is aangebracht, dan kun je dat niet ergenshalverwege het jaar gaan introduceren. Dat is belangrijk om aan te geven.Daar heb je inderdaad meer tijd voor nodig. Het is ook belangrijk om aante geven dat ik niet van plan ben om de nu voorliggende aangescherpteopdracht er zo maar door te drukken. Ook dat gaan we beproeven, ookdaar gaan we het onderwijsveld in meenemen. De trajecten om hetuiteindelijk wettelijk te verankeren – dat zeg ik ook maar eerlijk – kosteninderdaad tijd. Het vergt ongeveer anderhalf jaar om het bij AMvB teregelen, vandaar dat we op die 2027 uitkomen.De voorzitter:U heeft een vervolginterruptie.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ja, sorry. Ik zit hier werkelijk met mijn oren te klapperen. Dit maakt hettoch veel erger? Ik hoor de Staatssecretaris nu zeggen dat het twee totdrie maanden kost om deze onzalige opdracht om de kerndoelen teverminderen erdoorheen te jagen. Maar omdat we dan halverwege hetschooljaar eindigen, wordt het dus een jaar uitstel en komen we dusuiteindelijk in 2027 pas bij het invoeren van die kerndoelen. Dit kan tochniet de bedoeling zijn? Ik hoor haar daarnaast zeggen dat zij dit er nietzomaar doorheen wil duwen, dat verminderen van die kerndoelen, en datze dat ook met het onderwijsveld wil doen. Maar het onderwijsveld zegtjuist: wij zijn blij met deze geconcretiseerde kerndoelen, wij zijn blij metdeze doelen die op 200 scholen zijn getest door alle leraren en experts.Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dus: gaat zij niet gewoon door methet invoeren van die kerndoelen? Gaat zij niet nog een jaar vertragingoplopen, tot 2027? Kan de invoering dan pas, omdat er nu een verzoek ligtom een redactieslag te gaan doen op die doelen?Staatssecretaris Paul:De oorspronkelijke invoeringsdatum was 2026. Doordat we die aange-scherpte focus op lezen, schrijven en rekenen willen toepassen en erdaarbij ook voor willen zorgen dat die de juiste plek krijgen, ook bij allezaakvakken, gaan we inderdaad iets van vertraging oplopen. Dat is hetsimpele feit, ja.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk, uw derde interruptie van de vier.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ja, ik hoor de Staatssecretaris nu zeggen: iets van vertraging. Ik vind datecht een te zwak woord voor wat het is. Het gaat hier over een jaar uitstelvan de onderwijskwaliteit feitelijk, want dit is nu het enige waar hetkabinet mee is gekomen om die kwaliteit de verbeteren. Ik hoor deStaatssecretaris ook zeggen: ik wil niet zomaar die verminderingerdoorheen duwen bij het veld. Wat bedoelt zij daar dan mee? Wil zijbijvoorbeeld seksuele voorlichting schrappen, conform die onzalige zin inhet hoofdlijnenakkoord waarin staat dat het neutraal zou moeten zijn? Ofwil zij dan in dat jaar eigenlijk vooral een beetje gaan schuiven metkopjes, wat eigenlijk dus in twee maanden gebeurt met vervolgens noglanger uitstel tot gevolg?Staatssecretaris Paul:Ik vind dat het debat nu heel rommelig wordt. Ik zou eigenlijk gewoondoor willen gaan, want die vragen worden geadresseerd. Die komensuccessievelijk aan bod. Ik ga overigens niks schrappen. Ik ga niet in hetwilde weg dingen schrappen. Daar hebben we experts voor: SLO alskartrekker met al die honderden leraren en wetenschappers. We gaan erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76336 dus voor zorgen dat de zaken die al zijn opgeleverd op een goede manierworden gebruikt. Daarom gaat het niet jaren en jaren duren, maarmaanden duren.De voorzitter:Mevrouw Pijpelink, heb u een interruptie? Ik wil toch even aangeven dathet debat neigt naar, wat ik meen, het stellen van vragen die al in deeerste termijn gesteld zijn en daarmee ook in de beantwoording aan bodkomen. Mag ik verzoeken om in ieder geval het kopje af te wachten, endaarna het debat te vervolgen?Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Nee, het spijt me. Ik heb echt vragen op basis van de antwoorden van deStaatssecretaris en ik weet niet of die antwoorden straks nog een keerterugkomen.De voorzitter:Dan sta ik dat toe, maar ik ga scherp zijn als ik daar toch iets anders inmerk. Dan stel ik een andere werkwijze voor. U mag uw interruptie plegen.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ja, dank u wel, voorzitter. De Staatssecretaris gaf net aan dat zij eentopprioriteit ziet in lezen, schrijven en rekenen. Ik heb de Staatssecretaris,die al meer dan een jaar bewindspersoon is op dit onderwerp, ook nietanders leren kennen. Ik herken haar daar dus heel erg in. Toch schrijft zezelf in haar brief van afgelopen vrijdag over de aanscherping op dekerndoelen of, nee, excuses, de focus op de basisvaardigheden, die dereden voor het uitstel het hoofdlijnenakkoord is. Mijn eerste vraag is: heeftu een verzoek gehad uit het onderwijsveld om tot uitstel te komen of kloptmijn conclusie dat het puur en alleen op basis is van de afspraken die decoalitie heeft gemaakt in het hoofdlijnenakkoord?De voorzitter:Dank u wel. De Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Die insteek op basis van het hoofdlijnenakkoord heeft alles te maken metde dalende prestaties op het vlak van lezen, schrijven en rekenen. Opbasis daarvan is de conclusie dat je daarop moet focussen. Dat is ook watwe in het nieuwe curriculum gaan doen. Ik wil dat dat met nog meervoorrang wordt gedaan en dat die vakken dus eigenstandig de aandachtkrijgen die ze verdienen en nodig hebben, maar dat er ook scherpergekeken wordt hoe die basisvaardigheden in het totaal van kerndoeleneen plek kunnen krijgen. Dat is een afspraak uit het coalitieakkoord waarhet veld ook volle bak mee aan de slag is gegaan en mee verder zal gaan.De voorzitter:Mevrouw Pijpelink met een vervolgvraag.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Staat u mij toe om dit toch wat ongeloofwaardig te vinden. Ik zei al datdeze bewindspersoon op dit onderwerp al meer dan een jaar bewinds-persoon is. Het Masterplan basisvaardigheden stamt al uit 2022. Wehebben na corona heel veel zorgen gehad over die vaardigheden vanleerlingen. De Staatssecretaris doet het nu voorkomen alsof dit iets is vannet voor de zomer of net na de zomer. Mijn vraag blijft dus staan. Daagsvoordat deze commissie spreekt over de curriculumherziening en hetMasterplan basisvaardigheden trekt u de stekker er tijdelijk uit. U houdtdie in uw hand en u zegt: ik wacht even. De ongeloofwaardigheid zit ’merin dat wij hier in de eerste termijn drie van de vier coalitiepartijen echtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76337 hebben horen zeggen dat ze hieraan prioriteit willen geven en, op z’nminst, ook niet helemaal goed snappen waarom er uitstel moet komen. Entoch is het gebeurd. U geeft het in uw brief zelf aan, op basis van hethoofdlijnenakkoord. De ongeloofwaardigheid zit erin dat ik de Staatssecre-taris bezig heb gezien op dit onderwerp en dat er al een jaar lang prioriteitwordt gegeven aan deze onderwerpen. Het is niet iets van de afgelopenmaanden. Het is er al langer. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dus:wat is nou voor u de doorslaggevende factor geweest om daags voor hetcommissiedebat een brief te sturen met: wacht even, we wachten nog eenjaar? Ik heb de Staatssecretaris niet bevestigend horen antwoorden opmijn vraag of het onderwijsveld hiernaar heeft gevraagd. Mijn conclusie isdat het de besluiteloosheid van de politiek is geweest.De voorzitter:Ik wil het publiek vragen om de telefoons op stil te zetten en de Staatsse-cretaris om de vraag te beantwoorden.Staatssecretaris Paul:Ik opteer niet voor uitstel. Ik opteer voor verdere concretisering enonderlinge samenhang. Dat is het antwoord. Mevrouw Pijpelink geeft heelterecht aan dat ik me de afgelopen anderhalf jaar als bewindspersoon,maar ook daarvoor vanuit de Kamer, hard heb gemaakt voor meeraandacht voor de basisvaardigheden, voor het Masterplan basisvaardig-heden en ook voor de curriculumherziening. We hebben vanuit mijnministerie keihard gewerkt om dat vlot te trekken. Wat mij betreft gaat hetwerk dat is gedaan, niet het raam uit. We bouwen daarop voort voor dieaanscherping. Ik herhaal nogmaals dat die aanscherping gedreven is doorde slechte prestaties. Ik zeg het ook keer op keer wanneer er weer eenonderzoek ligt en ik naar de Kamer word gehaald om daarover verant-woording af te leggen. Op het moment dat ik scherpe keuzes maak en dieook vervat wil zien in de herziening van het curriculum, krijg ik inderdaadallerlei dingen tegengeworpen. Je kunt het niet allemaal hebben.De voorzitter:Ik wil nu dan toch het beroep doen op mijn collega’s om de Staatssecre-taris verder te laten gaan met haar beantwoording. Dat is ook omdat jullierap door de interrupties heen gaan. Kunnen we dat met elkaar afspreken?Goed. Dan wil ik de Staatssecretaris vragen om over te gaan tot debeantwoording van de vragen in eerste termijn volgens de kopjes die zijgenoemd heeft.Staatssecretaris Paul:Ja, voorzitter. Dan ga ik naar de vraag van NSC en de SGP of het nietsneller dan een jaar kan door middel van een zogenaamde «snelcom-missie». Het antwoord is dat het tijd kost om kerndoelen aan te passen. Jezou dit proces kunnen inkorten door geen consultatie te doen bij hetonderwijsveld, maar het risico is dat dat niet kan rekenen op draagvlak ofdat de nieuwe kerndoelen niet uitvoerbaar zijn voor het onderwijs. Ik zieeerlijk gezegd geen heil in nog weer een commissie. Eigenlijk is hetverzoek van de heer Soepboer: laat nog eens heel kritisch kijken naar waarje, gebruikmakend van wat er al ligt, op een slimme manier kuntdoorpakken. Dat is eigenlijk ook de opdracht die ik aan SLO, als kartrekker,met alle mensen uit het veld geef. Die expertise zit al in die teams en kandoorontwikkeld worden. Dat ga dus ik doen. Ik neem die suggestie mee,maar niet in de vorm van nog weer een commissie.Dan vraagt de ChristenUnie of ik de aangescherpte doelen ook gabeproeven. Ja, dat was ook een beetje mijn antwoord van zojuist Ik gaSLO vragen om het proces zo efficiënt mogelijk in te richten, want hetonderwijsveld is al uitgebreid geconsulteerd over de concrete uitwerking.De beproeving zoals die nu wordt gedaan, hoeft dus niet helemaal in volleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76338 glorie gedaan te worden, om het zo maar te zeggen. Ik ga met SLObespreken hoe we gerichte consultaties kunnen doen. De nieuwe set vankerndoelen zal ik in het voorjaar van 2025 met de Kamer delen.Dan de vraag van D66: is het een cosmetische ingreep? Nee, dit is geencosmetische ingreep, maar een exercitie die wat ons, wat mij betreftnodig is om te komen tot meer onderlinge samenhang en focus. Mijnvraag aan de mensen die hiermee aan de slag gaan is om nog een keergoed naar het geheel te kijken en een scherpe selectie te maken, ook omoverladenheid tegen te gaan.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik neem even de rol van voorzitter over, omdat de heer Ceder eeninterruptie heeft.Voorzitter: PijpelinkDe heer Ceder (ChristenUnie):Ik heb een vraag naar aanleiding van de beantwoording van de vraag ofde nieuw vastgestelde doelen opnieuw gecheckt gaan worden. DeStaatssecretaris geeft aan dat ze in overleg gaat met de commissie overhoe ze dat gaan doen. De commissie heeft natuurlijk al op tafel gelegdhoe zij dat voor zich zien. Daar komt nu een sturing bovenop die zegt dathet aantal kerndoelen verminderd moet worden. Hoeveel ruimte heeft diecommissie volgens de Staatssecretaris dan om daar ook echt te conclu-deren wat ze zelf vinden? Zij hebben dat eigenlijk al gedaan en deStaatssecretaris geeft nu een andere opdracht. Hoe kritisch of hoe scherpkan die commissie zijn ten aanzien van de opdracht die de Staatssecre-taris nu meegeeft? Je zou wel willen dat de expertise die ze bezittennatuurlijk voldoende gewogen wordt. Ik ben benieuwd hoe de Staatsse-cretaris dat proces voor zich ziet.Staatssecretaris Paul:Ik kijk daar heel open naar. Ik kijk juist naar de experts omdat ik huninzichten en hun input op waarde schat. Ik ga daar niet bovenop zitten. Ikheb ook genoeg andere dingen te doen. Ik geef de opdracht om met meerfocus te kijken, ook naar de onderlinge samenhang. Ik wacht de resultatendan af.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel voor de duidelijkheid daarover. Zou dat ook kunnen betekenendat die commissie tot een andere conclusie komt dan in het regeerak-koord is geformuleerd ten aanzien van wat het beste is voor het onder-wijsveld? Zou zo’n conclusie, of een afwijkende variant daarvan, ook nogeen gedragen mogelijkheid voor de Staatssecretaris kunnen zijn? Stel datdat de conclusie is van het traject dat de Staatssecretaris wil ingaan.Staatssecretaris Paul:Ja, dat zou kunnen. Wat ik zeg meen ik. Ik zit daar heel open in.Voorzitter: CederDe voorzitter:Ik neem mijn rol weer over, met dank aan de tijdelijke voorzitter. Dan geefik de heer Soepboer de ruimte voor een interruptie.De heer Soepboer (NSC):Ik denk dat we ervoor moeten waken om als Kamerlid te veel op deinhoud van de doelen te zitten, maar we kunnen een duidelijke opdrachtgeven als het gaat om het aantal doelen en de werkbaarheid van hetcurriculum. Ik zit meer daarop. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76339 volgt. Zou de opdracht zoals ze die nu omschrijft en bereid is eventueel tegeven, kunnen betekenen dat bijvoorbeeld voor Nederlands en wiskundeer vrij weinig marge is, maar dat er op een ander leergebied – ik noemgewoon willekeurig digitale geletterdheid, omdat die in één keer van nulnaar negen gaat – meer winst te behalen is? Kijkt u daar op die maniernaar?Staatssecretaris Paul:Ja, dat zou heel goed kunnen, maar dat is niet aan ons. Dat zou inderdaadkunnen. Dat is ook eigenlijk de vraag. Hoe kun je er met alle inzichten eninput die er nu zijn voor zorgen dat die overladenheid maximaal wordtteruggedrongen en dat de concreetheid voor het onderwijsveld blijftbestaan? Dat gaan we zien. Dat weten we binnen nu en een paarmaanden. Ik zei al dat ik verwacht dit in het voorjaar van 2025 naar deKamer te kunnen sturen.De voorzitter:Dank u wel. U kunt uw betoog vervolgen.Staatssecretaris Paul:Dank u wel, voorzitter. Dan ga ik door met vragen van D66. Gaat uselecteren of schuiven met kopjes? Wat wordt er geschrapt? Wie maaktdie weging? Ik ga SLO als kartrekker vragen om een selectie te maken vande kerndoelen met behoud van de concrete uitwerking. Dat gaat het doensamen met al die leraren, wetenschappers en experts. Door de nuopgeleverde kerndoelen te combineren, wordt duidelijker waar de focus inhet onderwijs nu echt ligt: lezen, schrijven en rekenen. Dat mag u«cosmetisch» noemen, maar volgens mij gaat er ook een belangrijkecommunicatieve boodschap van uit, namelijk dat de basis op orde moetzijn. Ik heb het vanochtend in een vraaggesprek benoemd. Als datfundament niet op orde is, stort de hele boel in, net als bij een huis. Wegaan aan dat fundament werken. Dat is in ieder geval een boodschap dieik wil overbrengen. Maar ik ga zelf niet schrappen, want de voorstellenhebben op dit moment veel draagvlak in het onderwijsveld.Dan was er een vraag van BBB over de kritiek vanuit de beroepsgroep opde vertraging. Hoe kunnen we de communicatie verbeteren? Ik heb dekritiek gehoord en ik kan me de teleurstelling over de vertraging ook heusvoorstellen. Ik sta in nauw contact met de beroepsgroep. Het ministerieorganiseert maandelijks overleggen met de koepels en de bonden over devoortgang van het curriculumtraject. Dat blijf ik ook doen. Als het nodig isom daar nog een schepje bovenop te doen, dan zullen we dat doen. Ik kijkmijn collega’s hier naast me aan en die knikken. We zullen het misschienniet altijd met elkaar eens zijn, maar ik vind het heel belangrijk om juistover dit soort thema’s met elkaar in gesprek te blijven.Dan was er een aantal vragen ...De voorzitter:Voorzitter, voordat u doorgaat ... O, sorry. Staatssecretaris, voordat udoorgaat heeft mevrouw Rooderkerk een interruptie. Dat is overigens uwlaatste.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoor de Staatssecretaris op mijn vragen daarover nu zeggen: u mag het«cosmetisch» noemen, maar wat er gebeurt, is vooral een communica-tieve boodschap. Dat gaat dus over het verplaatsen van die kopjes. Ik wilook even wijzen op de beslisnota die wij hebben ontvangen. De Staatsse-cretaris zegt: het gaat om concretiseren. Maar in de beslisnota staat juistdat door op deze manier te gaan schuiven met die doelen – we willen dusdie doelen behouden, maar we gaan het een beetje anders opschrijven –het risico bestaat «dat abstracter geformuleerde kerndoelen in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76340 onderwijspraktijk en bij de ontwikkeling van leermiddelen leidend zullenzijn en dat daarmee geen gehoor wordt gegeven aan de oproep van hetonderwijsveld en de wetenschap tot het formuleren van concreterekerndoelen». Daar schieten we dan toch helemaal niks mee op?De voorzitter:Een reactie van de Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:We behouden de concrete uitwerking, want dat is nou net waarom dezehele exercitie begonnen is. Hoe SLO dat gaat vormgeven en welke keuzeser door de experts die daaraan werken worden gemaakt, gaan we zien. Ikhecht ook aan die concrete uitwerking. Als je namelijk nu kijkt naar dekerndoelen voor bijvoorbeeld rekenen, dan zie je dat er zoiets staat als dáter iets met breuken gedaan moet worden; ik noem maar wat. Maar in denieuwe kerndoelen zal ook veel meer omschreven worden wát er metbreuken gedaan moet worden. Nou, dat lijkt me heel zinvol voor zowelleraar als leerling. Die concrete uitwerking wil ik behouden. Ik stel voor datwe kijken naar wat de exercitie met SLO en met het veld gaat opleveren.De voorzitter:Dank u wel. U vervolgt uw betoog.Staatssecretaris Paul:Een paar vragen gingen over de ontwerpruimte en andersoortige ruimte.Mij viel op dat er ook wat dingen door elkaar liepen, maar dat neem ikniemand kwalijk. Er is de afgelopen maanden veel over te doen geweesten er is ook wel wat verwarring over wat ontwerpruimte nou wel of nietis. Ontwerpruimte is een afbakening voor curriculummakers. Het is eenopdracht, namelijk: zorg dat het curriculum te doen is in een bepaaldaantal uren, zodat het niet overladen wordt. Als je namelijk alle wensenzou inwilligen, dan zouden kinderen misschien wel tien uur per dag enzeven dagen in de week naar school moeten gaan. Los van dat we daar deleraren niet voor hebben, is dat gewoon niet wenselijk. Daar wordt duseen curriculum van gemaakt. Scholen bepalen vervolgens zelf hoeveelonderwijstijd zij daadwerkelijk inplannen om een bepaald vak ofleergebied te onderwijzen. Ik heb de zorgen daarover gehoord in demedia, maar ook van mensen uit het veld. Blijven er wel voldoende urenover om te leren lezen, maar ook voor de bètavakken en voor geschie-denis? Ik zou daar eigenlijk een paar dingen over willen zeggen. Misschienkomt dat bot over, maar ik zeg het gewoon zoals het is: het kan nietallemaal. We kunnen niet én extra uren biologie én extra uren geschie-denis én extra uren voor lezen, schrijven en rekenen inplannen. Daarvooris er simpelweg niet genoeg tijd. We moeten dus scherpe keuzes makenen daar ook voor langere tijd achter blijven staan.Ik zou ook het volgende willen zeggen. Ik was niet afgelopen zaterdag,maar de zaterdag daarvoor bij de uitreiking van de prijs voor de geschie-denisdocent van het jaar. Dat was een speciale gelegenheid, want die prijswerd voor de tiende keer uitgereikt. Ik vond het heel mooi om daarbij tezijn. Toen heb ik eigenlijk letterlijk gezegd: het is geen wedstrijd; het enevak is niet belangrijker dan het andere en het ene vak krijgt niet meerwaardering dan het andere. Maar je moet er uiteindelijk voor zorgen dat jede balans vindt in dat curriculum en dat in ieder geval de basis, die op ditmoment niet op orde is, wel op orde komt. Daarom houd ik in deverdeling van die ontwerpruimte vast aan de koers die SLO en de lerarenhebben opgeleverd.De voorzitter:Staatssecretaris, dit roept een interruptie op van mevrouw Pijpelink.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76341 Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik vind dat de Staatssecretaris hier wel een beetje een valse tegenstellingneerzet tussen lezen, schrijven en rekenen als basisvaardigheden endatgene wat er, onder andere in de bovenbouw, bij bètavakken engeschiedenis gebeurt. Die wil ik echt bestrijden. Ik wil haar ook echtvragen hoe zij daartegen aankijkt, met name tegen de roep uit het veld. Zijzei zelf ook dat zij de berichten gehad heeft om die uren niet weg te halen.Ik zei in mijn bijdrage al: die ontwerpruimte gaat iets doen met delessentabel. Het gaat docenten niet om de status van hun vak. Kom! Hetgaat ze om de contacturen die ze op basis van de ontwerpruimte kunnendestilleren in de lessentabel. Docenten willen hun leerlingen met enigeregelmatig zien. Als je biologie geeft – dat is een van de moeilijkstevakken op de middelbare school, zeg ik uit ervaring – maakt het nogal uitof je ze drie uur per week ziet in havo 4 en in vwo 4 en 5 of dat dat naartwee uur gaat. Dus natuurlijk is het geen competitie of wedstrijd. Dit is ookniet hoe docenten ermee omgaan. Het gaat ze om de contacturen. Hoeziet de Staatssecretaris mijn opmerking dat het een valse tegenstelling isom het te hebben over die basisvaardigheden alsof die níet aan bodkomen en kunnen komen bij de bètavakken en geschiedenis?Staatssecretaris Paul:Ik ben het helemaal met mevrouw Pijpelink eens. Er is geen valsetegenstelling. Als ik die indruk heb gewekt, dan wil ik dat graag terug-nemen. Het gaat er namelijk om dat je juist al die vakken in samenhangbenadert. Ik weet dat er scholen zijn die er nu al mee aan de slag zijn. Ikhoor daar mooie verhalen over, niet alleen van opzichzelfstaande secties,zoals – ik noem maar wat – een sectie Nederlands. Ze gaan eerst binnenhun eigen sectie aan de slag met bepaalde veranderingen en vervolgensook met andere secties, of dat nou economie of geschiedenis is of debètavakken zijn. Uiteindelijk ga je met elkaar op school bepalen hoe jedaar handen en voeten aan geeft. Ik denk dat juist zo’n herziening ook eenimpuls kan geven aan hoe die onderwijsprofessionals met hun eigen vakbezig zijn, maar ook aan de samenhang met het werk van hun collega’s. Ikbedoelde meer – maar dat is misschien mijn persoonlijke frustratie – dat ikin de media en op allerlei plekken dingen voorbij zie komen. Daar wordtdie valse tegenstelling vaak aangewakkerd of wordt er een soort wedstrijdvan gemaakt. Ik bepleit eigenlijk precies hetgeen mevrouw Pijpelink ookzegt. Het is geen wedstrijd. Alle vakken hebben waarde. Het komt eropaan dat je het in de juiste balans en op de juiste manier aanbiedt aan jeleerlingen. Dat doen schoolleiders samen met hun docententeams bijuitstek als besten.Dat gezegd hebbende wil ik eigenlijk doorgaan met een aantal vragen diespecifiek ingingen op de ruimte die er al dan niet zou zijn.De voorzitter:Staatssecretaris, dat mag, maar uw reactie roept een interruptie op van deheer Ergin. Ik zou hem dus eerst de ruimte willen geven.De heer Ergin (DENK):Ik luister nu al bijna 40 minuten naar de Staatssecretaris. Ik probeereigenlijk te begrijpen wat haar verhaal is. Ze zegt: scherpe focus, verdereconcretisering, meer focus. We hebben hier allemaal al talloze keren deconclusie getrokken, bijvoorbeeld als het gaat om rekenen, dat er meeraandacht moet komen voor optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen,breuken et cetera. Het onderwijsveld is daarmee aan de slag gegaan enzegt: laten we dan aparte kerndoelen maken voor bijvoorbeeld breuken,aftrekken, vermenigvuldigen en optellen. De Staatssecretaris zegt «nee, ikwil dat allemaal op een hoop gooien en er één kerndoel van maken»,terwijl het onderwijsveld en haar eigen ambtenaren zeggen dat als je datdoet, er een situatie ontstaat waarbij deze vaardigheden onevenredigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76342 worden verdeeld. Als je alles op een hoop gooit, kan je eigenlijk nietkomen tot meer focus, scherpere keuzes en verdere concretisering. Ikprobeer de Minister te begrijpen. Ik moet Staatssecretaris zeggen.Eigenlijk is mijn vraag aan de Staatssecretaris hoe ze het scherper,concreter wil krijgen met het op één hoop gooien van vaardighedenwaarover wij allemaal tot de conclusie komen dat er meer aandacht voormoet komen? Hoe verklaart de Staatssecretaris dat?Staatssecretaris Paul:Volgens mij was ik bezig om dat uit te leggen en heb ik dat ook gedaan.Maar nogmaals, ik ga niks op één grote hoop gooien. Het gaat erom datzowel eigenstandig lezen, schrijven als rekenen de aandacht krijgen die zenodig hebben gezien de belabberde prestaties van dit moment en dat zetegelijkertijd ook geïntegreerd in andere vakken een volwaardige plek, eensolide plek, krijgen. Dat beogen we. Dat is ook de opdracht aan SLO en dedocenten die hiermee aan de slag gaan. We gaan dus niks op een grotehoop gooien.De voorzitter:Dank u wel. U kunt uw betoog vervolgen.Staatssecretaris Paul:Dan ben ik bij de vraag van de PVV en BBB of ik meer ruimte voor debètavakken kan creëren. Ik snap de oproep. Dat was volgens mij ook eenoproep vanuit biologiedocenten. Elke docent wil laten zien hoe mooi enwaardevol zijn of haar vak is en daar voldoende tijd voor krijgen. Ik kanook eerlijk zeggen dat er van vrijwel alle vakken oproepen zijn gekomen,want letterlijk elk vak heeft zich gemeld om meer uren te krijgen. Want alser ergens uren bij komen, zoals bij de basisvaardigheden, dan moeten erook ergens uren vanaf. In mijn brief van juni heb ik geschetst waareventuele extra uren voor bètavakken dan vandaan zouden moetenkomen. Het zou af gaan van de vakken Nederlands, wiskunde ofmaatschappijleer. Dat draagt niet bij aan onze ambities op het gebied vanlezen, schrijven en rekenen. Daarom heb ik aangegeven dat ik op dit vlakkoers wil houden.In het verlengde daarvan ligt een vraag van de PVV en BBB over de vrijeruimte. Kunt u meer ruimte voor bètavakken creëren door te snijden in dezogenaamde vrije ruimte van leerlingen? Het antwoord is nee. Dat zal tenkoste gaan van de leerlingen en de prestaties op de basisvaardigheden.«Vrije ruimte» klinkt alsof die ruimte volledig vrij is, maar dat is niet zo.Die is met name bedoeld voor zogenaamde verlengde instructies. Decurriculummakers maken een examenprogramma dat voor de gemid-delde leerling te doen is in de tijd die daarvoor staat. Maar sommigeleerlingen hebben gewoon net wat meer tijd nodig voor een bepaald vak.Dat moet je inbouwen. Bovendien is de vrije ruimte – ik zei het net al – nietgeheel vrij. Dat is ook ruimte die bedoeld is voor mentorlessen ofloopbaanoriëntatie. Ik wil dus leerlingen niet op voorhand opzadelen meteen curriculum waarvan we weten dat het overladen is. Dus die ruimte– dat zijn maar kleine percentages – verschilt per schooltype. Ik geef toedat de term misschien misleidend is, maar dat is wat anders.De voorzitter:Ook dat roept een interruptie op. Allereerst de heer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Ik begrijp dat iedere vakgroep opkomt voor het belang van zijn vak. Dusdat er veel brieven binnenkomen waarin staat dat ze meer uren willenhebben, begrijp ik. Maar de situatie die u schets met de bètavakken is juistdat ze niet gekort willen worden, dat ze het aantal uren willen houden datze hebben en dat zij in de nieuwe situatie minder uren gaan krijgen. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76343 geldt meer voor profielvakken in de bovenbouw. De bètavakken zijn tochwel iets bijzonders, want we zeggen dat er een gebrek is aan dat soortstudenten op in ieder geval de universiteiten en hogescholen. Zou het nietaantrekkelijker of meer succesvol zijn als zo’n profiel dat je kiest in hetvoortgezet onderwijs, voldoende zwaar is om succesvol te zijnnaderhand? Dus ze vragen niet meer uren. Nee, ze vragen: kunnen we deuren behouden die we hadden?Staatssecretaris Paul:Ja, dat komt dan neer op minder uren Nederlands en wiskunde,bijvoorbeeld.De voorzitter:U heeft een antwoord gekregen. Wilt u nog een interruptie plegen of laatu het hierbij? Mevrouw Van Zanten heeft ook een vraag.Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik vroeg in mijn eerste termijn juist naar die buitenproportionele aandachtvoor het vak burgerschap. De Staatssecretaris zegt nu: dat gaat ten kostevan Nederlands en wiskunde. Maar als ik kijk naar hoeveel tijd erbij komtvoor het vak burgerschap, maatschappijleer – beide termen wordengebruikt – vraag ik me af waarom daar zo veel tijd naartoe moet. Kennisover bètavakken is ook heel belangrijk, dus ik begrijp het niet helemaal.Staatssecretaris Paul:Er komt helemaal niet heel veel tijd meer bij voor burgerschap. Burger-schap is ook niet een apart vak.De voorzitter:U heeft antwoord gekregen. Zag ik nog een interruptie?Staatssecretaris Paul:Ik zie mevrouw Van Zanten fronsen. Er komt zo meteen nog een hele reeksover het thema burgerschap. Dat komt dan dus aan de orde. Maar hetgaat niet om enorm veel tijd en het is niet een apart vak. Het is als hetgoed is geïntegreerd in andere domeinen.De voorzitter:U wordt zo op uw wenken bediend ten aanzien van dit onderwerp, dus hetkomt goed. Dan zou ik de Staatssecretaris willen vragen om haarbeantwoording te vervolgen.Staatssecretaris Paul:De vragen van de SGP: waarom minder uren Frans en meer urenmaatschappijleer en hoe maken we meer ruimte voor techniek? Eenbeetje in het verlengde van wat ik net zei: elk vak wil meer uren. Datvraagt om scherpe keuzes. Meer uren techniek betekent ook dat hetergens anders van af moet gaan. Waarom krijgt maatschappijleer er danuren bij? Het gaat niet goed met de burgerschapsvaardigheden vanjongeren in Nederland. Maar liefst 26% van leerlingen in leerjaar 3 denktdat we niet in een democratie leven of weet dat niet zeker. Op vmbo-b isdat bijna de helft. Dit is een beetje anekdotisch, maar zo kan ik eenheleboel voorbeelden noemen. Het is dus belangrijk om daar meeraandacht aan te kunnen besteden. Dat gebeurt in verschillende vakken.Dan een vraag van de SGP over het herstelplan en of ik daarbij ga kijkennaar de verplichte vakken in de verschillende profielen. Het antwoord is:ja, want het curriculum knelt. Dat toont deze discussie over ontwerpruimteook wel aan. Daarom wil ik onderzoeken of de profielstructuur in huidigevormen nog wel voldoet. Leerlingen in Nederland volgen bijvoorbeeldrelatief veel vakken in vergelijking met leerlingen in het buitenland, wel elfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76344 of twaalf. Ook zijn lang niet alle vakken zogenaamd doorstroomrelevant.Zo is bijvoorbeeld het vak biologie in geen enkele vervolgstudie eenverplicht vak, maar toch stellen we het als verplicht profielvak. Eenverandering in de profielstructuur is wel een stelselwijziging. Dat moetzorgvuldig worden onderzocht. Ik zal bij de volgende voortgangsrap-portage over het curriculum hierop terugkomen. Maar de vraag is valide.We gaan daar dus naar kijken.Dan een vraag van GroenLinks-PvdA. Hoe gaan we ervoor zorgen datdigitale geletterdheid in bestaande vakken wordt ingepast en dit nietafgaat van ruimte voor bijvoorbeeld biologie of geschiedenis? Ik kan deKamer hierin geruststellen, want digitale geletterdheid wordt net alsburgerschap geen apart vak. Digitale vaardigheden krijgen enkel betekenisals ze worden gekoppeld aan vakinhoud. Maar het is wel belangrijk datalle leerlingen dat leren. Anders kan de ene leerling wel slim omgaan meteen computer en media, en de andere niet. Daarom is het bij vakken alsmaatschappijleer, Nederlands en wiskunde geïntegreerd, omdat dezekernvakken door alle leerlingen worden gevolgd.Er was een vraag van NSC en PVV in het verlengde van de vorige vraag.Hoe gaan we ervoor zorgen dat burgerschap en digitale geletterdheidintegraal worden toegepast in het curriculum en niet als apart vak? Dezetwee leergebieden lenen zich mijns inziens heel goed ervoor om vakover-schrijdend te worden aangeboden. Zo kunnen leerlingen tijdens wiskundeICT-toepassingen gebruiken en bij Nederlands debatteren over thema’sdie spelen in de maatschappij. Scholen hebben de grondwettelijke vrijheidom zelf te bepalen hoe ze werken aan de kerndoelen van burgerschap endigitale geletterdheid. Maar scholen die deze leergebieden geïntegreerdwillen aanbieden, wat ik promoot, kunnen daarbij gebruikmaken van dekennis en praktische hulpmiddelen van onder andere de SLO, maar ookde expertisepunten burgerschap en digitale geletterdheid. Er zijn goedevoorbeelden van hoe je dat het beste kunt integreren. Hoe een school datprecies doet, is aan de school zelf.Een vraag van de SGP was: hoort taalbewustzijn niet bij vervolgon-derwijs? Het ging over moderne vreemde talen. De vakvernieuwingscom-missie bestaat uit leraren, vakexperts en curriculumexperts, ondersteunddoor een advieskring van andere mensen uit het onderwijs. Zij geven aandat taalbewustzijn belangrijk is om een moderne vreemde taal te leren eneffectief te communiceren. Dat wordt ook onderbouwd door onderzoek. Ikkan me voorstellen dat alleen al de kreet «taalbewustzijn» wathoogdravend klinkt. Waar gaat het dan om? Ik geef even een concreetvoorbeeld. Om je in een ander land goed te kunnen redden, is hetbelangrijk om te weten of ze verschillende woorden hebben voor «u» of«jij». Anders zou je iemand misschien zomaar kunnen schofferen terwijldat niet de bedoeling is. Ik zou overigens ook daarbij willen zeggen dat wijallemaal individueel een bepaald gevoel kunnen hebben bij dat soortbegrippen, maar ik wat dat betreft wel heel veel vertrouwen heb in demensen die zich hiermee hebben beziggehouden.Een vraag van D66 was: hoe rijmt de Staatssecretaris het uitstel met hetsnel willen verbeteren van de leesvaardigheid? Ik begrijp die vraag. Deaanpassing van het curriculum en de kerndoelen is een van de maatre-gelen in het kader van het Masterplan basisvaardigheden. Het is niet deenige maatregel. Het goede nieuws is dat inmiddels zo’n 60% van descholen al aan de slag is met de Subsidieregeling verbetering basisvaar-digheden, en werkt aan de verbetering van bijvoorbeeld de leesvaar-digheid van leerlingen. We zien dat scholen hiermee in staat wordengesteld zaken anders en bewezen effectief aan te pakken. Scholen krijgenhierbij ondersteuning van de onderwijscoördinatoren vanuit het minis-terie, de expertisepunten en betrouwbare kennis van het NRO, hetregieorgaan en de SLO.Een vraag van D66, gekoppeld aan het allereerste punt van de orde, gingover wat er in de verschillende scenario’s stond. Er zijn drie scenario’sTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76345 uitgewerkt. Het oorspronkelijke scenario – er komen meer kerndoelenconform de werkopdracht aan SLO – sluit aan bij de opdracht om dehuidige curriculumherziening door te zetten. Alternatief één is om totminder kerndoelen te komen. Ik heb dat toegelicht met de wens om focuste hebben, de zaken meer integraal aan te pakken en de concrete inhoudovereind te houden. Ik zou daarbij willen benadrukken dat dit geencosmetische ingreep is, maar een exercitie die wat ons betreft nodig is omtot meer samenhang en focus te komen. Het moge duidelijk zijn dat ik inieder geval gekozen heb voor alternatief één. Alternatief twee was eentotaal nieuwe opdracht aan SLO geweest. De opgeleverde beproefdekerndoelen gaan dan van tafel. De kerndoelen worden opnieuw opgesteld,waarbij er fundamentele keuzes worden gemaakt om een groot aantal teschrappen.Een vraag van NSC was: hoe gaat u ervoor zorgen dat een nieuwcurriculum en referentiekader niet gaat leiden tot devaluatie? Met ditcurriculum verhogen we de ambities op lezen, schrijven en rekenen vooralle leerlingen. Dat realiseren we in de inhoud van het curriculum, metmeer aandacht voor rijke teksten, meer aandacht voor lezen, schrijven enrekenen in andere vakken. Dat realiseren we ook door een goedeimplementatie. Ik zeg er ook maar bij: tot nu toe is zo’n curriculum-herziening een papieren exercitie. Uiteindelijk moet het worden doorver-taald in de klas. De methodes moeten niet te vol en van betere kwaliteitzijn. De toetsing moet beter aansluiten op het curriculum. Ook professio-nalisering van docenten is belangrijk, zodat zij met vertrouwen kunnenlesgeven in de nieuwe inhoud. Dat is volgens mij de manier om dekwaliteit omhoog te krijgen.De voorzitter:De heer Soepboer heeft een interruptie.De heer Soepboer (NSC):Daar zit natuurlijk een zeker volgordelijkheid in. We komen straks met diekerndoelen. Het referentiekader gaat over het beheersingsniveau. Doordie beide bij te stellen, zou er een scenario kunnen ontstaan waardoor delat naar beneden gaat, terwijl we juist ook op het gebied van beheersing,dus ook in het referentiekader, de lat omhoog willen krijgen. Zou u toekunnen zeggen dat devaluatie niet gaat gebeuren? Hoe gaat u daarvoorzorgen?Staatssecretaris Paul:Devaluatie kan natuurlijk nooit het doel zijn. Dat lijkt me evident. Het zouecht heel raar zijn als ik zou zeggen: daar moeten we ruimte voor maken.Nee, nee. Alles is gericht op het verhogen van de kwaliteit, of het nou gaatom het Masterplan basisvaardigheden of het herstelplan dat in de maakis, de herziening van het curriculum of alles wat we doen in de aanpak vanhet lerarentekort. Over de referentieniveaus en het referentiekader komenwe volgend jaar te spreken.De heer Soepboer (NSC):Het is natuurlijk een beetje technisch, maar de referentiekaders gaan overbeheersing. Uiteindelijk wordt ook gemeten hoeveel leerlingen voldoenaan het referentiekader. Mijn zorg is dat met nieuwe doelen en een nieuwreferentiekader straks meer leerlingen voldoen aan het referentiekaderomdat we het referentiekader naar beneden hebben bijgesteld. Kunt utoezeggen dat dat nooit gaat gebeuren? U zegt dat dat niet de bedoelingis; dat lijkt me evident. Kunt u toezeggen dat het niet gaat gebeuren en datu in ieder geval daarop gaat toezien? Kunt u iets uitleggen over uw rol inhet voorkomen dat dat gebeurt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76346 Staatssecretaris Paul:Ja, dat is natuurlijk iets dat ik niet wil laten gebeuren. Er worden scena-rio’s ten aanzien van die referentiekaders ontwikkeld. Die gaan we metelkaar bespreken. Dat zal volgend jaar zijn. Daar bent u ook zelf bij, zou iktegen de heer Soepboer willen zeggen. We hebben een gezamenlijkeopdracht om ervoor te zorgen dat het niveau omhoog gaat en nietomlaag.Dan ga ik door naar een vraag van DENK. Dat is een vraag over dekerndoelen inzake burgerschap en het aanscherpen daarvan in lijn met hetregeerprogramma. De scherpe selectie geldt voor alle kerndoelen van alleleergebieden, dus ook voor burgerschap. Maar dat gaat niet ten koste vande helderheid van die doelen. De concrete uitwerking blijft behouden. Dekerndoelen voor het burgerschap zijn nog in ontwikkeling. Die worden opdit moment beproefd op scholen. Ik moet met SLO nog bespreken of wedat proces slim kunnen combineren, zodat er voor burgerschap geenvertraging plaatsvindt. Dat is dus nog in ontwikkeling. Daar kan SLOverder mee aan de slag.De voorzitter:Dat roept een interruptie op bij de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Is de Staatssecretaris dan ook voornemens om de koerswijziging die weafgelopen vrijdag hebben gezien bij lezen, rekenen en schrijven, namelijkhet abstracter formuleren van doelen, ook toe te passen op burgerschap?Ik noem bijvoorbeeld ook mens en maatschappij, mens en natuur, kunsten cultuur. Gaan we de beweging die de Staatssecretaris vorige weekheeft aangekondigd ook bij die leergebieden zien? Dat was eigenlijk meermijn vraag.Staatssecretaris Paul:Nee. Ik wil op alle leergebieden een concrete uitwerking. Dat is waar hetonderwijsveld, de leerlingen en de leraren bij gebaat zijn. Dat doen wevoor lezen, schrijven en rekenen, en dat doen we ook voor alle andereleergebieden, ook voor burgerschap. Die conceptkerndoelen worden aswe speak beproefd in het veld, dus daar gaat SLO op terugkomen.De voorzitter:Dit wordt uw laatste interruptie, meneer Ergin.De heer Ergin (DENK):Ja, voorzitter, mijn laatste interruptie. Het is prima om dingen concreet temaken voor het onderwijsveld. Dat is precies waar wij het al de hele dagmet elkaar over hebben. Maar we zien dus een beweging van deMinister ... Nee, van de Staatssecretaris; ik moet even wennen aan uwnieuwe rol. Maar we zien een beweging bij de conceptkerndoelen waarbijde formulering abstracter wordt. De concrete vraag is: gaat de bewegingdie we zien bij lezen, schrijven en rekenen doorgezet worden of niet? Alsde Staatssecretaris aan mij vraagt «wat heeft uw voorkeur, meneerErgin?», dan zou ik zeggen: luister goed naar het onderwijsveld enprobeer het zo concreet mogelijk te maken, zodat de leerkracht die in deklas staat weet waar hij of zij aan toe is.De voorzitter:Ik hoorde geen vraag. U mag er natuurlijk een reactie op geven, Staatsse-cretaris, maar u kunt ook door met uw beantwoording.Staatssecretaris Paul:Ik val in herhaling. We gaan het niet abstracter maken. We hebben dieconcrete uitwerking juist nodig om de kwaliteit van het onderwijs,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76347 waaraan de heer Soepboer net refereerde, omhoog te krijgen. Dat geldtvoor alle leergebieden.Dan ga ik door met een vraag van de SGP. Over devaluatie gesprokeninderdaad! Onderkent de Staatssecretaris dat er verschillende perspec-tieven op de kernwaarden kunnen zijn? De basiswaarden vrijheid,gelijkwaardigheid en solidariteit zijn geen absolute waarden en kunnendus vanuit verschillende perspectieven worden ingevuld. De kerndoelenvragen leraren om met hun leerlingen na te denken over de invulling diezij aan die basiswaarden geven. Het loont als hierbij verschillendeperspectieven worden betrokken. Dat geeft ook blijk van de diversesamenleving waarin we leven. Uiteindelijk is het ook de bedoeling datleerlingen daarmee leren hun eigen mening en visie te vormen. Daarbij ishet altijd belangrijk dat dit op een respectvolle manier gebeurt, met deGrondwet in ogenschouw.Een vraag van de PVV: in hoeverre zitten Nederlands historisch besef enkennis over de Holocaust in de herziening? Nederlands historisch besef enkennis over de Holocaust zijn onderdeel van de kerndoelen geschiedenis,die onder «mens en maatschappij» vallen. Momenteel leggen leraren envakexperts de laatste hand aan deze conceptkerndoelen. Ook hier geldtdat de leraren en vakexperts moeten waken voor overladenheid. Niet allewensen van alle organisaties kunnen hierin worden meegenomen. Wehebben het ooit becijferd. Er komen gemiddeld zo’n 236 – zeg ik uit mijnhoofd – initiatieven in de mailbox bij OCW, wellicht ook in de mailbox vande Kamerleden. Als we die allemaal een plek zouden willen geven, los vandat het misschien heel prijzenswaardige en valide initiatieven zijn, komenwe er nooit uit. De conceptkerndoelen voor dit onderdeel worden innovember opgeleverd, dus dat is bijna.Dan een aantal vragen gerelateerd aan burgerschap. De SGP zei datleerlingen volgens kerndoel 2 kennis hebben van hoe de diverse samen-leving eruitziet. Wordt hiermee ook de kennis van de belangrijkstestromingen in de samenleving bedoeld? Moet dit niet duidelijker wordenbenoemd? Het desbetreffende kerndoel gaat over de diverse samenlevingin de breedste zin van het woord. In de uitwerking wordt gesproken overeen diverse samenleving «op het gebied van godsdienst, levensover-tuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuelegerichtheid». Dit kerndoel biedt dus de mogelijkheid om onderwijs overdiverse stromingen aan te bieden en de verschillende perspectievenhierop te onderzoeken. Het is aan scholen zelf, op basis van de grondwet-telijke vrijheid, om precies invulling te geven aan de kerndoelen. Verdervind ik het belangrijk om te benoemen dat het gaat om conceptkerndoelenen dat die op dit moment nog worden beproefd op scholen. Als blijkt dateen kerndoel onvoldoende duidelijk is of bijsturing behoeft, kan het nogworden aangescherpt.NSC en SGP stelden een vraag over digitale geletterdheid. Zijn dekerndoelen digitale geletterdheid wel essentieel? «Fundamenteel», werdvolgens mij gezegd. De conceptkerndoelen zijn ontwikkeld door leraren,vakexperts en curriculumexperts en breed geconsulteerd met hetonderwijsveld. De conceptkerndoelen digitale geletterdheid beschrijvende basis die leerlingen nodig hebben om veilig met digitale technologieom te gaan en helpen leerlingen om mediawijs te worden. Dat isessentieel voor hun leven als burger, in het vervolgonderwijs en op dearbeidsmarkt, maar ook al in het hier en nu, zou ik willen zeggen.Momenteel worden deze kerndoelen beproefd op zo’n 200 scholen. Daarinwordt ook onderzocht hoe deze kerndoelen worden gewaardeerd. Dezeinzichten kunnen leiden tot aanpassingen in de kerndoelen. De definitieveconceptkerndoelen digitale geletterdheid zullen in het voorjaar van 2025aan de Kamer worden aangeboden. Wat er nu ligt, zou dus nog kunnenworden aangepast op basis van de beproeving in het veld. «Beproeving»heeft ook een andere betekenis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76348 Voorzitter. Dan de vraag van de VVD of ik bereid ben te onderzoeken of ereen systeem kan worden gestart waarin een continue herijking van hetcurriculum kan plaatsvinden. Ja, we werken samen met SLO aan eensysteem van periodiek onderhoud opdat curriculumonderhoud in detoekomst transparant en voorspelbaar verloopt en niet iets is wat twintigjaar op zich laat wachten. Onderdeel hiervan is een onderhoudskalenderwaarin dit onderhoud wordt gepland. Bij sommige kerndoelen, zoalsdigitale geletterdheid, gaan de ontwikkelingen zo snel dat je regelmatigwilt kijken of de inhoud nog passend is. De ontwikkelingen op het gebiedvan AI en andere technologie gaan razendsnel. Sommige anderekerndoelen kunnen wat langer mee in de tijd. Ik denk dat het belangrijk isom een balans te vinden om enerzijds het curriculum bij de tijd te houdenen het tegelijkertijd niet vaker bij te stellen dan nodig, omdat alleaanpassingen heel veel vragen van docenten en leermiddelenmakers. Hetmoet dus ook behapbaar zijn. Bij de uitwerking van het onderhoud nemenwe de lessen uit de huidige curriculumherziening mee, alsmede deadviezen van de wetenschappelijke curriculumcommissie.De voorzitter:Dat roept een interruptie op van de heer Kisteman van de VVD.De heer Kisteman (VVD):Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording. Begrijp ik dan dat heter al is? Of zijn jullie bezig om het op te starten?Staatssecretaris Paul:We zijn bezig met het op te starten, ja.De voorzitter:Uw tweede interruptie.De heer Kisteman (VVD):Mag ik dan ook vragen hoe de Staatssecretaris van plan is om de Kamerop de hoogte te houden van de ontwikkelingen? Heeft zij daar een ideebij?Staatssecretaris Paul:Ik kan erop terugkomen in de reguliere rapportage over de curriculum-herziening.De voorzitter:U heeft een toezegging binnen, meneer Kisteman. Gefeliciteerd! Mooi.Het is uw eerste. Dat is even een moment om bij stil te staan.Als er geen interrupties meer zijn, vraag ik de Staatssecretaris om haarbeantwoording te vervolgen.Staatssecretaris Paul:Voorzitter. Dan ga ik graag door met het blokje dat gaat over hetMasterplan basisvaardigheden, maar dat ook een aantal diverse onder-werpen bevat. De heer Ergin van DENK vroeg of ik het verschil kanuitleggen tussen het nieuwe plan uit het regeerprogramma, hetzogenaamde herstelplan, en het Masterplan basisvaardigheden. Hetherstelplan is een plan waarin de belangrijkste onderwerpen enproblemen van dit moment integraal worden aangepakt. In hetherstelplan gaat het onder andere om het verbeteren van lezen, schrijvenen rekenen, over het hebben van voldoende goede leraren en over goederandvoorwaarden als sociale veiligheid, sturing en bekostiging. Voor hetherstelplan ga ik in gesprek – we zijn eigenlijk al in gesprek – met leraren,schoolleiders, wetenschappers, inspecteurs, ouders en leerlingen, omdatzij het beste weten wat we nog meer zouden kunnen doen om deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76349 onderwijskwaliteit te verbeteren in aanvulling op wat er nu al gebeurt. Datwillen we doen op een manier die behapbaar is. Het is heel verleidelijk omallerlei ditjes en datjes te verzinnen om het herstelplan op te tuigen, maarook daar vind ik het belangrijk dat we focus behouden en dat we dedingen die we doen, goed doen. Tegelijkertijd kijken we met de stake-holders die ik net noemde wat er aanvullend nodig is. Ik kom uitgebreidbij de Kamer terug op het herstelplan. We komen daar uitgebreid over tespreken. Dat geldt overigens ook voor de thema’s bekostiging en sturing,de aanpak van het lerarentekort en de lerarenstrategie. Volgens mij zijn erin januari twee grote debatten daarover.Dan een vraag van de SGP. Gaat het herstelplan perspectief bieden op detoekomst van toetsen, examens en referentieniveaus? Het korte antwoordis ja. Het kabinet heeft in het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogrammaopgenomen dat toetsen en examens beter moeten aansluiten op hetgeheel, als onderdeel van de bredere kwaliteitsverbetering van hetonderwijs. De nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s zijn daar hetaangewezen vehikel voor. Toetsing volgt immers het curriculum. Ik hadhet er net al met de heer Soepboer over dat het referentiekader meebe-weegt. Het is belangrijk dat de referentieniveaus voor taal en rekenenaansluiten bij de rest van het curriculum en dat ze een doorlopendeleerlijn vormen tussen p.o., vo en mbo. Daar wordt ook aan gewerkt.De SGP vroeg ook of ik kan toezeggen dat alle scholen die in de laatsteronde zijn afgewezen, bij een nieuwe aanvraag een garantie op subsidiehebben. Op dit moment werk ik aan een nieuwe en laatste tranche van desubsidieregeling Verbetering basisvaardigheden. Die wordt nu uitgewerkt.Deze subsidieregeling wordt in het voorjaar van 2025 opengesteld. Het ismogelijk om alle scholen die in de laatste ronde zijn afgewezen, tesubsidiëren. Om alle resterende scholen te bereiken zal het bedrag perschool dan wel naar beneden moeten worden bijgesteld. Scholen kunnendan minder activiteiten uitvoeren om de basisvaardigheden van leerlingente verbeteren. Ik wil niet vooruitlopen op de uitwerking, want een aantalknappe koppen op het ministerie is daarmee bezig, maar uw punt is welheel duidelijk. Uiteindelijk wil ik ook dat het daar terechtkomt waar het hethardst nodig is. Liefst wil je scholen niet teleurstellen. We gaan evenkijken hoe we dat het beste kunnen meenemen in de uitwerking van deregeling.De voorzitter:Voorzitter, dat roept een interruptie op van ... Ik bedoel «Staatssecretaris»;ik zeg steeds «voorzitter»! U bent de Staatssecretaris, ik ben voorzitter, ende heer Stoffer heeft het woord.De heer Stoffer (SGP):Ja, en ik controleer de Staatssecretaris weer een beetje. Dat doen we metelkaar. Dank aan de Staatssecretaris voor dit antwoord. Het is precies derichting waarvan ik hoopte dat de Staatssecretaris zich erin zou bewegen.Het vergt nog enig uitzoekwerk, begrijp ik. Kan de Kamer daaroverworden geïnformeerd voordat het straks echt wordt uitgerold, zodat wezicht hebben op wat het gaat worden? Wij worden daar best redelijk opbevraagd, dus wij zouden het op prijs stellen als dat t.z.t. zou kunnen. Dathoeft echt niet van vandaag op morgen, maar ergens in de aanloopernaartoe.Staatssecretaris Paul:Ja. We gaan ons best doen om dat mee te nemen in de voortgangsrap-portage die in november naar de Kamer wordt gestuurd.De voorzitter:Ook dat noteer ik als een toezegging, meneer Stoffer. Gefeliciteerd. Ikvraag de Staatssecretaris om haar betoog te vervolgen. Volgens mij gaatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76350 het goed en lekker vlot. Het mag altijd vlotter, maar volgens mij zijn we opschema en hebben we nog ruimte voor een ruime tweede termijn.Staatssecretaris Paul:Ik ga mijn best doen. Er waren best veel vragen. Ik wil proberen om die zogoed mogelijk te beantwoorden.Voorzitter. De ChristenUnie vroeg of het noodzakelijk is om met nieuwewetgeving te komen voor een nieuw financieringsinstrument. Ja, dat isnodig, omdat er een wettelijke grondslag nodig is. We gaan dat ookuitgebreid met elkaar bespreken in het debat in januari. Met de huidigewet- en regelgeving is het namelijk niet mogelijk om voorwaarden testellen aan de besteding van middelen die via de bekostiging aan scholenworden verstrekt. Door de middelen voor basisvaardigheden vanaf 2027middels gerichte bekostiging te verstrekken, kan worden gewaarborgd datde middelen bedoeld voor het verbeteren van basisvaardigheden ook echthieraan worden besteed. Daar komen we in januari dus nog over tespreken. U hoeft niet bang te zijn: er wordt niet zomaar ingevoerd.De ChristenUnie vroeg ook met hoeveel administratieve lasten het nieuwefinancieringsinstrument gepaard gaat. De administratieve lasten enverantwoordingslasten zijn afhankelijk van de keuzes die worden gemaaktmet betrekking tot de inzet van gerichte bekostiging. In zijn algemeenheidgeldt dat de administratieve lasten een stuk lager kunnen liggen dan bijeen subsidieregeling. Bij een subsidieregeling geldt vrijwel altijd eenaanvraagprocedure. Bij het nieuwe financieringsinstrument geldt dat in debasis niet. Daarentegen zullen de administratieve lasten hoger zijn dan bijde reguliere bekostiging in de lumpsum omdat een schoolbestuur welmoet verantwoorden dat de voorwaarden zijn nagekomen, om de redenendie ik net noemde. We willen dit gerichte instrument inzetten, in iedergeval in de beginjaren, om te blijven werken aan de basisvaardigheden.Dat zijn de voorwaarden die eraan gekoppeld worden. Daarover moetverantwoording worden afgelegd, maar de aanvraagprocedure die bijsubsidieregelingen geldt, is niet van toepassing. Sowieso gaan deadministratieve lasten dus omlaag.De VVD had een vraag over een kwaliteitsalliantie. Dat was een voorbeelduit Vlaanderen, toch? We willen altijd leren van onze zuiderburen. Wewerken trouwens ook nauw samen met onze zuiderburen op een aantalthema’s in het onderwijs. Ik ben bereid om te kijken of een kwaliteitsalli-antie in Nederland mogelijk is. Sterker nog, we zijn al aan het kijken of wezo’n samenwerking tussen wetenschappers, onderwijspartijen enleermiddelenmakers kunnen opzetten. Daarnaast werk ik aan eenkwaliteitskader voor leermiddelen, waarmee we het gebruik van leermid-delen op basis van wetenschappelijke kennis willen versterken. Daar valtnamelijk nog een wereld te winnen. Ook wordt evidence-informed werkenopgenomen in de wet als deugdelijkheidseis. Het NRO, het NationaalRegieorgaan Onderwijsonderzoek, zorgt voor het bij elkaar brengen vankennis over effectieve aanpak. Het beantwoordt ook vragen, want het isook een vraagbaak waarbij scholen in de praktijk kunnen aankloppen.De voorzitter:Dat roept een interruptie op van de heer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Het is niet dat ik graag op zoek ben naar toezeggingen, maar hoe houdt deMinister de Kamer hiervan op de hoogte? Daar ben ik echt heel benieuwdnaar.Staatssecretaris Paul:Ik zou dit willen meenemen in het herstelplan. We komen er in decommunicatie over het herstelplan op terug.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76351 De voorzitter:Nou, meneer Kisteman, het is feest. U heeft opnieuw een toezeggingbinnen. Daar zult u over geïnformeerd worden.Staatssecretaris Paul:De PVV vroeg hoe we evidence-informed onderwijs op elke school kunnenborgen. Dat doe ik door dit te stimuleren, door te zorgen voor eenbetrouwbare kennisbasis en hier steviger op te sturen. Op dit momentworden scholen voor het masterplan door Ontwikkelkracht al ondersteunden gestimuleerd om evidence-informed te werken. Dat doen we bijvoor-beeld door grote conferenties in de regio en begeleide leernetwerken. Eenleernetwerk is een netwerk van scholen die bij elkaar worden gebrachtomdat ze vergelijkbare uitdagingen of een vergelijkbare leerlingenpopu-latie hebben en van elkaar kunnen leren. Ik heb dat een paar keermeegemaakt, onder andere in Zwolle. Het is heel mooi om te zien. Het isheel inspirerend, want scholen leren zo ook van elkaar aan de hand vaninput die ze bijvoorbeeld van onze expertisepunten krijgen. Daarnaasthebben we begeleide leernetwerken en een-op-eenbegeleiding door deonderwijscoördinatoren van het ministerie. Dat doen we dus op diemanier.De BBB vroeg hoe het toch kan dat we een tekort aan leraren hebbenterwijl er meer mensen in het onderwijs werken, er minder leerlingen zijnen er veel mensen met een lesbevoegdheid zijn, die zijn uitgestroomd. Hetklopt dat er relatief meer mensen in het onderwijs zijn gaan werken en dater minder leerlingen zijn. De groei zit met name in onderwijsonder-steunend personeel, om de werkdruk van leraren te verminderen. We zienook gewoon een grote uitstroom van leraren, om allerlei redenen: lerarendie met pensioen gaan en jonge of startende leraren die niet goed genoegworden begeleid. In andere debatten heb ik aangegeven hoe strak weerop inzetten om de begeleiding te verbeteren. We hebben ook gezien datdat zijn vruchten afwerpt. In 2017 hadden we 500 zijinstromers, in 2023waren dat er 2.300. Ik hoop dat we zo veel mogelijk mensen voor hetonderwijs kunnen behouden.Het klopt ook dat we nog een potentieel aan mensen met een lesbe-voegdheid hebben die om allerlei redenen het onderwijs uit zijn gegaan.U weet, ik ben een liberaal, dus ik kan niemand dwingen om weer terug inhet onderwijs te gaan. Ik zou wel heel graag willen dat mensen dat doen,dus bij dezen de oproep aan iedereen. Wel proberen we oproepen ofwervende teksten te delen, bijvoorbeeld via nieuwsbrieven van het ABPdie naar mensen gaan die uit het onderwijs zijn gegaan. In de afgelopenjaren hebben we namelijk echt stappen gezet om het vak van docent enleraar aantrekkelijker te maken, zowel financieel als in andere opzichten.Als mensen dat zien en geneigd zijn om terug te keren, zou dat natuurlijkfantastisch zijn. Ik zou dus zeggen: spread the word.D66 had een vraag over de doorstroomtoets en de oproep van dePO-Raad om terug te gaan naar één toets. Ik vind het op dit moment geenoptie om terug te gaan naar één doorstroomtoets. Sinds 2014 kunnenscholen kiezen tussen verschillende eindtoetsen. Dat is overigens gebeurdop verzoek van de Kamer. Toen de eindtoets is vervangen door dedoorstroomtoets, hebben we met de Wet doorstroomtoetsen po vastge-houden aan de keuzevrijheid voor scholen uit meerdere aanbieders, omaan te sluiten bij een grote wens vanuit het veld. De suggestie van dePO-Raad dat de sector op aandringen van het ministerie akkoord isgegaan met meerdere aanbieders, is echt onjuist. Bij een evaluatie onderscholen in 2019 gaf 90% van de ondervraagde scholen aan de keuze-vrijheid in toetsen te willen behouden. Op dat moment was daar ook geendiscussie over in het parlement.Ik vind dat we als betrouwbare overheid het nieuwe stelsel van dedoorstroomtoetsen een kans moeten geven. We hebben nu éénafnamejaar achter de rug. Vanaf afgelopen jaar is het gelukt om een enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76352 dezelfde normering voor alle toetsen toe te passen. Daardoor hebben webeter zicht dan ooit op de verschillen tussen de toetsen, zodat we waarnodig de toetsen kunnen verbeteren en aanpassen. De toetsresultaten vanalle toetsen geven een betrouwbaar beeld van de capaciteiten vanleerlingen en dragen daarmee aan kansengelijkheid. Het gaat erom dattwee leerlingen die op de toets laten zien eenzelfde onderwijstype aan tekunnen, ook dezelfde kansen krijgen.Ik vind het belangrijk om hierbij het volgende aan te geven. In discussiesloopt dit soms helaas door elkaar, maar de toetsresultaten zijn niethetzelfde als de schooladviezen. Het is een belangrijk onderdeel daarvan.Ik heb het eerder al een «second opinion» genoemd. Je hebt hetvoorlopige schooladvies, dan heb je de toetsresultaten en met detoetsresultaten in de hand geeft de leerkracht een definitief schooladvieswaaruit blijkt wat het beste bij de leerling past. Op dit moment, na éénjaar afname van de doorstroomtoets, lijkt dit me dus echt te vroeg.De voorzitter:Dit roept een interruptie op van de heer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Ik begrijp dat die doorstroomtoets nu pas een jaar bestaat en dat erblijkbaar tevredenheid bestaat over het feit dat je een keuze kunt maken,maar we hebben het nu over de kwaliteit van het onderwijs. Het is tocheigenlijk zonde dat je niet één doorstroomtoets voor alle basisscholenhebt? Daar zou je misschien iets mee kunnen doen voor de kwaliteit vanhet basisonderwijs. Ik weet dat het een heet onderwerp is, maar doorverschillende doorstoomtoetsen te hanteren, heb je geen instrument meerom ook iets over de kwaliteit van de scholen te kunnen zeggen. Nu kandat namelijk bijna helemaal niet. Is dat nog een argument om ééndoorstroomtoets te hebben voor het hele basisonderwijs?Staatssecretaris Paul:We stellen eisen aan al die toetsen. Het is niet zo dat we door dieverschillende toetsen te hebben concessies doen aan de kwaliteit.Wanneer je iets hebt geïntroduceerd, komt er op enig moment eenevaluatiemoment. Dan is het heel goed om allerlei zaken in overweging tenemen. Ik ben ook absoluut bereid om dat te doen, maar niet na één jaarafname. Ik denk dat dat gewoon niet oké is. Dus nee, ik ben niet van plandat te doen. Maar op het moment dat het evaluatiemoment daar is, gaanwe daar natuurlijk goed naar kijken.Dan de vraag van de SGP of ik kan bevestigen dat het «hoe» aan descholen is. Als we het hebben over het curriculum en kerndoelen, danhebben we het hier over het «wat» en het «hoe» is aan de scholen. Ja, ikkan dat volmondig beamen. De overheid stelt inderdaad het «wat» vast engaat niet over het «hoe». In het conceptexamenprogramma’s worden danook geen didactische of pedagogische aanwijzingen gegeven. Wel heeftSLO praktische suggesties toegevoegd. Dat wordt ook echt als suggestiegeformuleerd in de vorm van «te denken valt aan». Die worden nietwettelijk vastgelegd. Maar ik weet dat het voor veel docenten en scholennuttige suggesties zijn waar ze hun voordeel mee kunnen doen. Dit is duseigenlijk om te ondersteunen bij de uitvoering.De voorzitter:Mag ik even vragen hoeveel tijd u nog nodig denkt te hebben? Ik hoopnamelijk nog dat we een vurige tweede termijn kunnen hebben metelkaar. Maar het ligt wel aan de tijd.Staatssecretaris Paul:Ik heb nog drie vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76353 De voorzitter:Nog drie vragen. Dan gaat het lukken.Staatssecretaris Paul:Ik ga heel snel lezen. De vraag van de PVV: op welke manier wordtvoorkomen dat aanbieders ... Nee, dit was ’m niet.D66 vroeg of ik wil onderzoeken of het hogere streefniveau voor alleleerlingen als uitgangspunt kan dienen in plaats van het fundamenteleniveau. Ik kan de gedachte achter het verzoek van mevrouw Rooderkerkheel goed volgen. We moeten namelijk hoge verwachtingen hebben vanleerlingen, zeker wat betreft lezen, schrijven en rekenen, maar eigenlijkoverall. Hoge verwachtingen geven leerlingen en kinderen namelijkvertrouwen. Daarmee worden ze gestimuleerd het beste uit zichzelf tehalen. Het streefniveau is wat minimaal nodig is om mee te kunnenkomen in de maatschappij. Ik ga SLO vragen om dit mee te nemen in hetadvies dat momenteel wordt opgesteld over de actualisatie van hetreferentiekader taal en rekenen. Dat is iets waar we volgend jaar overkomen te spreken. Ik gaf dat ook al even aan in reactie op een vraag vande heer Soepboer. Maar daar kunnen we hoge verwachtingen zeker inmeenemen. Althans, ik neem dat mee in mijn gesprek met SLO.De voorzitter:Er wordt een vraag ... Ja, dat is een verkapte interruptie, mevrouwRooderkerk. Maar ik ga ’m toestaan. De vraag is of er concreet aange-geven kan worden wanneer u dit kracht bijzet.Staatssecretaris Paul:Dat zal in het voorjaar van 2025 zijn, want dan komt SLO met de verschil-lende scenario’s.De voorzitter:Mooi. Dan komt dat terug. Dat is een toezegging voor mevrouwRooderkerk. Volgens mij zijn daarmee de vragen beantwoord.Staatssecretaris Paul:Ja, volgens mij wel.De voorzitter:Ja? Mooi. Dan doe ik nog even een korte ronde om te kijken of er nogvragen onbeantwoord zijn. Dat wil ik echt kort en krachtig doen, omdat ikdaarna naar de tweede termijn wil. Het is ook in uw belang dat we daargenoeg tijd voor hebben. Vandaar dat ik u wil vragen om het kort tehouden. De heer Soepboer en dan mevrouw Van Zanten.De heer Soepboer (NSC):Ik heb even met mijn interruptie gewacht tot het einde, want ik had er nogmaar één. Dus ik moest dat even goed overwegen.De voorzitter:O, excuus. Dan mag u die doen.De heer Soepboer (NSC):Nou, dank u wel. Ik ga nog eens even goed nadenken over de oproep vande Staatssecretaris om terug het onderwijs in te gaan. Ik hoop dat ertegen die tijd in ieder geval een heel mooi overwogen curriculum ligt.Even waar mijn interruptie over gaat. De Kamer probeert hier controle tekrijgen – dat is de taak van de Kamer, controleren – in best wel een lastigproces. Meneer Ergin heeft het in de eerste termijn een aantal kerenbesluiteloos genoemd. Ik denk niet dat dat het geval is, alleen moeten wijer te elfder ure nog wat van vinden. Dit is een proces dat al best langTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76354 loopt. Het begint met een werkopdracht aan SLO, dan gaat SLO ermeebezig, het wordt ook beproefd en dan komt het nog hier. Dan ontstaat dusook in het veld – dat begrijp ik heel goed – frustratie over het late momentwaarop wij er nog iets van mogen en moeten vinden. Hoe kunnen we datnou voorkomen bij al die dingen die nog gaan komen? Dat is even devraag aan de Staatssecretaris. Het is misschien een beetje een proces-matige vraag, maar ik voel toch het ongemak en ik begrijp het ook heelgoed. Hoe kunnen we dat nou proberen te voorkomen in dat wat nogkomen gaat? Hoe blijft de Kamer in controle volgens u?Staatssecretaris Paul:Sowieso kom ik in het voorjaar van 2025 weer naar de Kamer op basis vande nadere uitwerkingen die worden gedaan. Ik snap het ongemak best. Ikheb nu net een lijstje gekregen, want ik wilde zelf ook terugkijken op water in de afgelopen periode gebeurd is. Het is altijd lastig wanneer je opeen rijdende trein stapt. Ik heb nu net even geteld. Vanaf ergens in 2022– dat was toen nog met een andere Kamer en andere spelers – zijn er intotaal twaalf, dertien momenten geweest: debatten ofwel brieven enrapportages die met de Kamer zijn gedeeld. Een van de dingen uit hethoofdlijnenakkoord was: we zetten de curriculumherziening door. Datbetekent doorgaan op die voortdenderende trein. Dat doen we. Tegelij-kertijd was ook de start van een nieuw kabinet met logischerwijs ookandere accenten een moment om een pas op de plaats te maken,bepaalde dingen aan te scherpen en meer focus aan te brengen. Dit evenom de context te schetsen. Het is in ieder geval niet, nooit, mijn bedoelingom de Kamer te overvallen of buitenspel te zetten. Volgens mij is heteerstvolgende moment om uitgebreider over de curriculumherziening tespreken in april of in ieder geval in het voorjaar, maar in de rapportagevan november over het masterplan ga ik ook een aantal zaken verder metde Kamer delen zodat u eigenlijk meer stapsgewijs wordt meegenomen inwat er de komende periode gebeurt, ook naar aanleiding van zaken die indit debat zijn gewisseld.De voorzitter:Dank u wel. Ik wil dan echt naar de tweede termijn. O, sorry. Mevrouw VanZanten had nog een onbeantwoorde vraag. Kunt u die kort herhalen?Mevrouw Van Zanten (BBB):Ja, klopt. Ik had nog een vraag gesteld over de succesmethode vanIerland en wat wij daarvan kunnen leren.De voorzitter:Wat kunnen wij van Ierland leren?Staatssecretaris Paul:Voorheen werd Finland vaak aangehaald. Ik weet dat de Baltische statenook vaak worden aangehaald, met name waar het gaat om digitalegeletterdheid en nog een aantal andere disciplines. De succesmethodevan Ierland, waar het met name gaat om leesvaardigheid, doet mijnatuurlijk ook smullen. Daar willen wij graag van leren. Het antwoord isdat wij absoluut kijken naar die internationale voorbeelden. Een aantalvan mijn ambtenaren heeft ook met Ierse collega’s gesproken om te kijkenwat we hiervan kunnen leren en wat we copy-paste over kunnen nemen.Wat mij heel erg aanspreekt – dat is ook de exercitie waar wij mee bezigzijn – is de integraliteit waarmee naar het curriculum wordt gekeken enhet belang van een goede implementatie en een doorvertaling. Dus dathet niet een papieren exercitie is, maar een doorvertaling ook in delesmethodes, in professionalisering van docenten. Dus niet alleen kijkennaar de wettelijke doelen, maar ook naar de leermiddelen, professionali-sering van leraren en – het kwam hier ook al aan bod – toetsing enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76355 examens. We zouden wel gek zijn als we niet zouden leren van goedevoorbeelden en mijn ambtenaren zijn zeker niet gek, dus die grijpen dekans aan om daarvan te leren.De voorzitter:Dank u wel. Dan ga ik over naar de tweede termijn. Ik ga proberen om datop ambitieuze wijze te doen, zodat we binnen de tijd eindigen. Dat kan alsiedereen maximaal 1 minuut 20 heeft – het hoeft niet op – er geeninterrupties zijn en de Staatssecretaris de antwoorden geeft. Dan gaat hetlukken. Ik wil ook opmerken dat als iemand een tweeminutendebataanvraagt, daar ook bepaalde discussies gevoerd kunnen worden aan dehand van mogelijke moties. Dat hoeft niet per se hier. Meneer Soepboer,aan u de aftrap. Laten we proberen om geen interrupties te doen. Ik sta eréén toe, want anders gaan we het gewoon niet redden. De heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Voorzitter. Ik wil mijn tweede termijn direct maar beginnen met over dezeprecaire zaak toch een tweeminutendebat aan te vragen. Het lijkt me eenheel goed ding dat we het er daar nog eens even met elkaar over kunnenhebben, want het is heel belangrijk. Voor nu is er dus een keuze gemaakt– die begrijp ik ook – om Nederlands, wiskunde en rekenen eerst voor teleggen. Er is dus een soort verschil in tempo. Die keuze is gemaakt. Diezijn heel belangrijk, dus die begrijp ik, maar ik vind ook dat we oogmoeten hebben voor het integrale curriculum en hoe dat weegt op deschouders van de docenten. Het gaat dus over de integrale overladenheid.Dat is waar mijn punt de hele tijd heeft gezeten. Nou ja, in dat tweeminu-tendebat komen we daar graag even op terug. Hopelijk zijn wij in staat alsKamer om er met elkaar een beetje op te sturen dat er een curriculumkomt waar het veld erg tevreden mee is, dat werkbaar is, dat niet voor teveel overladenheid zorgt en dat dus in evenwicht is en niet te veel uitstelgeeft. Dat zou mijn wens zijn en ik zie u graag in het tweeminutendebat.De voorzitter:Dank u wel. Ik heb geen vraag gehoord. Keurig gedaan. Het woord is aanmevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Ik heb echt met stijgende verbazing naar dit debat zittenluisteren en ik denk heel veel mensen met mij. De Staatssecretaris heeftzojuist zelfs aangegeven dat in de ministerraad op tafel heeft gelegen omhelemaal opnieuw te beginnen met het curriculum. De inzet van het heleonderwijsveld, 200 scholen: al dat werk voor niets. Ik val echt van mijnstoel als ik dat hoor. Hoe is dat überhaupt een optie geweest, vraag ik aande Staatssecretaris.Na die hele bespreking in de ministerraad zijn zij tot de conclusiegekomen: «We doen een cosmetische ingreep, een waterig compromis.We stellen de boel uit, schrijven het wat vager op en gooien concretedoelen op een hoop, zodat het minder kerndoelen lijken.» Zo kan hetkabinet voldoen aan het hoofdlijnenakkoord, omdat het daarmee in balansis, terwijl dat totaal niet aansluit bij de werkelijkheid en de oproep van aldie leraren, scholen en schoolleiders om te komen tot concretekerndoelen en snel. Zelf zeggen zij ook in de brief, ondanks dat deStaatssecretaris dat nu ontkent: u schrijft de kerndoelen hiermee alleenmaar vager op, zodat het er minder lijken.Niemand heeft nu een idee wat we hiermee aan moeten en ik vind datronduit gênant. Ik hoor ook in dit debat de coalitiepartijen de Staatssecre-taris niet steunen in het uitstel waar de sector nu mee te maken krijgt.Niemand wil dit en daarom doe ik samen met verschillende collega’s eenvoorstel. Ik dien in het tweeminutendebat een motie in om het uitstel envage kerndoelen te voorkomen, omdat betere onderwijskwaliteit niet kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76356 wachten, omdat leraren, scholen en leerlingen hierom vragen en omdat zijhet beste onderwijs verdienen. Daar zet ik mij voor in.De voorzitter:Dank u wel. Dat gaan we tegemoetzien. Het woord is aan mevrouwPijpelink.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Ik hoop eigenlijk dat heel veel docenten dit debatniet gevolgd hebben, want wat een staaltje extraparlementair hebben wegezien. Zo noem ik het maar even, in navolging van mijn buurvrouw. Hetkomt op mij echt over als dat over de rug van leerlingen en docenten heteigen gelijk gehaald moet worden, puur op basis van het aantalkerndoelen. Er is helemaal niet gekeken of de kerndoelen die er lagen defocus aanbrachten. Er is opgeteld en toen is de conclusie getrokken: hetzijn er gewoon nog simpelweg te veel. Ik bewonder deze Staatssecretarisbijna voor hoe zij achter haar beslissing blijft staan in dit debat en om dieondanks de opstelling van een aantal coalitiegenoten te blijven verde-digen, hoewel ik het inhoudelijk dus niet met haar eens ben. Ik vraag deStaatssecretaris of zij kan toezeggen dat met het uitstel en het opnieuwbezien van die kerndoelen het aantal niet doorslaggevend mag zijn, maarpuur de kwaliteit van wat daar dan ligt. Dus dat er niet geteld wordt, maargekeken wordt naar de inhoud. Dat zou ik heel graag willen.De voorzitter:Wilt u tot een afronding komen?Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ja, ik kom tot een afronding. In dit debat is niet gegaan, omdat we ereigenlijk niet aan toekwamen, over wat dit nu betekent voor wat docentennodig gaan hebben aan ondersteuning bij de implementatie van denieuwe kerndoelen en eindtermen. Daar zal ik in het tweeminutendebat opterugkomen.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter. In de eerste plaats dank aan de Staatssecretaris voor hetbeantwoorden van de vele vragen. Ik heb nog twee kleine vraagjes over.De eerste is of de Staatssecretaris misschien nog iets zou kunnen zeggenover wanneer we zicht krijgen op een nieuwe tabel studielasturen. Ik hadde indruk dat dat nog niet langsgekomen was en daar ben ik eigenlijk welbenieuwd naar. Dan de tweede. Dank voor de toezegging over desubsidieronde basisvaardigheden, dat we in november daar meerinformatie over krijgen. Ik zou het op prijs stellen als de Staatssecretarisdan ook aan zou kunnen geven of als al de scholen die zijn afgewezen inde vorige ronde een subsidie verleend zou worden, wat ze dan zoudenkrijgen. Gewoon om een idee te hebben straks van wat voor een gat daarnu tussen zit. Ik wil dat met name om inzicht te krijgen in waar we het dannog exact over hebben. Er zit verder geen politieke lading onder, zeg ik ergelijk bij. Het gaat me echt om een stukje inzicht.Tot zover. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Dank u wel, meneer de voorzitter. Zo zie je maar dat een debat toch heelerg zinvol is. Ik heb van de Staatssecretaris begrepen dat de kerndoelenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76357 voor lezen, schrijven en rekenen toch nog meer aangescherpt moetenworden meer in samenhang bekeken moeten worden met de anderekerndoelen en dat dat de onderliggende reden is, de inhoudelijke reden,waarom om uitstel wordt gevraagd, en dat in die periode ook gekekenwordt of het aantal kerndoelen beperkt kan worden. Maar goed, dat is daneen tweede. De eerste is echt een inhoudelijk argument waarom om dituitstel gevraagd wordt. Aan het begin van het debat leefde ik in eenandere veronderstelling. Maar goed, ik laat me graag overtuigen door deStaatssecretaris waarom dat moet.Dan een laatste opmerking. Ik heb in mijn onderwijsloopbaan heel veelonderwijsvernieuwingen voorbij zien komen en ik hoop van harte dat ditgeen papieren exercitie is en dat de docenten en de scholen eigenaarworden van deze verandering, want anders ben ik heel somber over waarwe nu weer mee bezig zijn. Het is echt nodig en ik hoop ook van harte dater scholen zijn die nu al kunnen meewerken, ondanks dat de kerndoelenvoor rekenen en wiskunde en lezen en schrijven blijkbaar nog nietconcreet genoeg zijn. Ik hoop dat er toch al scholen zijn die eraan willenmeewerken.De voorzitter:Dank u wel voor uw bijdrage. Het woord is aan de heer Kisteman van deVVD.De heer Kisteman (VVD):Dank u wel, voorzitter. Ik wil de Staatssecretaris bedanken voor haarbeantwoording en ook complimenten geven voor haar geduld vandaag.Misschien hoopt de een dat er niet veel leraren hebben meegekeken. Ikhoop van wel, want volgens mij heeft de Staatssecretaris laten zien dat zeenorm veel verstand heeft van dit onderwerp. Ik als nieuweling op ditonderwerp ben blij dat er een Staatssecretaris zit hier die dat heeft. Ik wilde Staatssecretaris bedanken voor de twee toezeggingen, over hetperiodiek onderhoud en over de kwaliteitsalliantie. Mocht de Staatssecre-taris op bezoek gaan in Vlaanderen om het zelf te zien, dan ga ik uiteraardgraag mee. Maar dat kunnen we op een ander moment bespreken.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Van Zanten.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil de Staatssecretaris bedanken voor haarbeantwoording. Ik wil nog wel even één ding rechtzetten. Een aantaloppositiepartijen doet nu net alsof BBB tegen het plan is om uit te stellen.Ik heb gezegd: hoe het er nu uitziet, lijkt het alsof het een administratieveaanpassing is en dan zie ik inderdaad niet het nut van een jaar wachten.Maar als het om een inhoudelijke focusverandering gaat: natuurlijk. Dathebben we afgesproken in het hoofdlijnenakkoord. Dat is wat ik graag wilzien, dat de inhoud wordt veranderd en dat er dus wel degelijk iets wordtaangepast. Als het alleen om woorden gaat, dan is het een beetjewindowdressing.De voorzitter:Dank u wel voor uw bijdrage. Dat roept een interruptie op van mevrouwRooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik vind het toch wel wonderlijk als ik nu de PVV en de BBB hoor. MevrouwVan Zanten zei in de eerste termijn toch letterlijk dat zij niet begreepwaarom dat uitstel nodig is. Ik hoor ook SLO zeggen: de hele reden dat zijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76358 dit gaan doen, is geen inhoudelijke reden. Wat is dan volgens mevrouwVan Zanten de inhoudelijke reden?Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik heb letterlijk in mijn eerste termijn gezegd dat we in het hoofdlijnenak-koord hebben opgenomen dat het aantal kerndoelen fors zou wordenverminderd. In de beslisnota bij de Kamerbrief over de aangescherpteconceptdoelen lezen we twee scenario’s om tot een lager aantalkerndoelen te komen. Domeinen worden hierbij kerndoelen, doelenworden een kopdoel en conceptkerndoelen worden subdoelen. Dat komtover als een puur administratieve wijziging. Maar daarom vroeg ik ookaan de Staatssecretaris of zij kan toelichten wat er nu precies verandert,anders dan woorden. Dat is wat ik heb gezegd.De voorzitter:Dank u wel. U heeft geen interruptie meer. Ik wil graag op tijd eindigen,dus u kunt dit verder bediscussiëren in het tweeminutendebat. De heerErgin met zijn bijdrage.De heer Ergin (DENK):Voorzitter. Mijn analyse van de eerste termijn was «besluiteloosheid»,maar ik moet die analyse helaas intrekken. Dit is geen besluiteloosheid;we zien hier gewoon coalitiepartijen vastlopen in hun afspraken. Iemandheeft tussen al dat twitteren door in een achterafzaaltje bij de onderhande-lingen geroepen: de kerndoelen moeten fors verminderd worden! Het isopgenomen in een akkoord en de Staatssecretaris voert dat nu uit. Voorhet onderwijs is het alleen maar achteruitgang. Dat is eigenlijk mijnanalyse van dit debat.De voorzitter:Dat roept een interruptie op van de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Ik ben erg blij dat ik nu een interruptie heb gespaard voor de heer Ergin.Mevrouw Pijpelink zegt dat ze niet hoopt dat de leraren dit debat hebbengezien. Ik hoop dat alle leraren in Nederland dit debat helemaal hebbengezien en niet alleen de verontwaardigde tweetjes die u, en misschien eenaantal andere oppositiepartijen, zo meteen op sociale media gaanplaatsen, er selectief een stukje wordt uitgeknipt om dan boos te zijn enboe te roepen. Ik denk dat we hier vandaag hebben laten zien dat we alsKamer in staat zijn om een heel goed genuanceerd debat te voeren overeen heel gevoelig onderwerp, terwijl ook een groot deel van de mensenwaar het over gaat er heel veel druk op heeft gezet, en terecht! Ik heb ditook in de eerste termijn gezegd. Meneer Ergin, u doet het nu weer af alszijnde «coalitieopzet». Waar het mij de hele tijd om is gegaan, is dat weeen curriculum kunnen neerleggen dat kwalitatief goed, werkbaar en inevenwicht is. Dan gaat, ook al willen we het zo snel mogelijk, kwaliteitboven snelheid. Bent u dat met ons eens?De voorzitter:Er kwam een vraag. De heer Ergin, wilt u het kort en bondig doen, graag?De heer Ergin (DENK):Ik zie dat de heer Soepboer bijna steil achterovervalt vanwege mijnopmerking. Dat zegt, denk ik, veel over de opmerking, namelijk dat diehelemaal klopt. De coalitiepartijen lopen helemaal vast op de afsprakendie ze hebben gemaakt. Dan kan je heel hard roepen over filmpjes, maarik ben helemaal niet actief op Twitter. Althans, ik heb wel een account enaf en toe post ik wat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76359 De voorzitter:Wilt u tot de kern komen?De heer Ergin (DENK):Voorzitter, u heeft een lange interruptie toegestaan; ik moet daar ook opkunnen reageren.De voorzitter:Zeker, maar uw twittergedrag valt wel buiten de reikwijdte van de kernvan het betoog.De heer Ergin (DENK):Volgens mij is dat door de interrumpant genoemd. Wat hier aan de handis? De coalitiepartijen lopen helemaal vast. Dat zien we allemaalgebeuren. De Staatssecretaris komt met een verhaal dat ze meerduidelijkheid wil creëren door juist vager te formuleren. Dat is precies watwe de afgelopen vier jaar hebben gehoord. We zien een aantal coalitiepar-tijen blaffen, maar die durven niet door te bijten. Die conclusie trek ik. Datwas mijn antwoord op de heer Soepboer.De voorzitter:Dank u wel. Is het daarmee ook het einde van uw betoog?De heer Ergin (DENK):Ik heb nog één vraag.De voorzitter:Kort, graag.De heer Ergin (DENK):Die gaat over het Herstelplan kwaliteit onderwijs. De Staatssecretaris geeftaan dat het iets baanbrekends gaat zijn en dat het heel veel gaattoevoegen aan de uitdagingen die er zijn. Ik hoop dat de Staatssecretarisbij de nota van wijziging die voor het begrotingsdebat van OCW gaatkomen, iets meer kan vertellen over welke middelen bij het Herstelplankwaliteit onderwijs horen. Anders is het een leuk plan zonder poen.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie vanwege de tijd af van mijn eigen bijdrage. Die zaltijdens het tweeminutendebat aan bod komen. Ik wilde even opgemerkthebben dat waarschijnlijk niet alle leraren naar dit debat kijken, omdat zegewoon aan het werk zijn. Dat geef ik maar even mee.Ik heb vijf vragen genoteerd, waarvan één verzoek om een toezegging. Ikweet niet of de Staatssecretaris die gelijk kan beantwoorden of dat ze daarnog even voor nodig heeft. Ik heb staan dat de heer Soepboer één vraagheeft, mevrouw Pijpelink één toezegging, de heer Stoffer twee vragen ende heer Ergin één vraag. Verder heb ik geen andere vragen meergenoteerd.Staatssecretaris Paul:Ja. Dan moet ik heel even kijken. Geef me even twee minuten, of éénminuut, whatever.De voorzitter:We schorsen 1 minuut en 20 seconden.De vergadering wordt van 13.56 uur tot 13.57 uur geschorst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76360 De voorzitter:We gaan weer verder. De Staatssecretaris gaat haar best doen ... Kunt ueven de rust bewaren? De Staatssecretaris gaat een poging doen om devragen te beantwoorden. Mocht zij iets gemist hebben, dan gaan we dateven rechttrekken. Het woord is aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Voorzitter. Ik begin met de vraag of de verzuchting van mevrouwRooderkerk over hoe het opnieuw naar de tekentafel gaan een optie isgeweest bij de bespreking in de ministerraad. Verschillende opties zijn optafel gekomen om recht te doen aan de nieuwe politieke situatie, waarbijgevraagd is om nog meer focus aan te brengen, nog meer focus, minderoverladenheid en met name prioriteit te geven aan lezen, schrijven enrekenen. Dus alle mogelijkheden met voors en tegens hebben we moetenafwegen. Alternatief twee wilde ik zelf ook niet: volledig teruggaan naarde tekentafel en al het goede werk uit het raam gooien. Vandaar dat wehierop terecht zijn gekomen. Dat is het eerlijke antwoord.Dan de vraag van GroenLinks-PvdA, van mevrouw Pijpelink, over dekerndoelen: om het aantal niet doorslaggevend te laten zijn, omdat hetmoet gaan over de kwaliteit. Dat onderschrijf ik. Het aantal is niet heilig.Samenhang en het terugdringen van overladenheid zijn wat mij betrefthet doel. Daarom kijken we nog een keer scherp naar het totaal, zodatfocus op lezen, schrijven en rekenen reëel geborgd kan worden. Dat is watmij betreft de belangrijkste reden om deze exercitie te doen.Dan een vraag van de SGP over de studielasttabel, de nieuwe tabel. Eerstgaan we werken aan de uitwerking van de examenprogramma’s en dangaan we bij AMvB een aantal zaken regelen, waaronder de nieuwestudielasturentabel. Daar komen we dus bij de Kamer op terug. Er is eenbepaalde volgorde die we daarbij aanhouden.Dan een hartenkreet van de PVV over het eigenaarschap. Die kan ik alleenmaar omarmen. Het moet geen papieren exercitie zijn. Er zijn nu al heelveel scholen, heel veel leraren bij betrokken. Er zijn ook heel veel scholenal aan de slag met de conceptkerndoelen. Wij faciliteren dat zo goed alsmogelijk.Dan tot slot de heer Ergin, die mij eigenlijk waarschuwt: kom wel metenige substantie door, daar waar het gaat om het herstelplan. Ik hechteraan om te corrigeren. Ik heb niet gesuggereerd dat ik met ietswaanzinnig baanbrekends kom. En de waarschuwing dat het geen planzonder poen moet zijn: als ik iets heb geleerd in de afgelopen periode, ishet dat geld belangrijk is, maar niet doorslaggevend. Het gaat er ook omdat je de juiste keuzes durft maken, scherpe keuzes kunt maken. Dat is watwe zullen doen, ook in dat herstelplan. Ik heb het eerder toegelicht. Ik gamijn uiterste best doen om te kijken wat er al loopt, wat we meer moetendoen en wat we minder zouden moeten doen en welke aanvullendenieuwe maatregelen er nodig zijn. Daar kom ik bij de Kamer op terug ineen soort van hoofdlijnenbrief, nog voor de begrotingsbehandeling. Wekomen daar uitgebreider over te spreken wanneer dat in meer detail isingevuld. Ook hierbij – ik zie de voorzitter kijken, maar ik hecht eraan omdit ook te zeggen – betrekken we heel veel mensen uit het veld, vanleerlingen tot ouders tot docenten, schoolleiders en noem maar op. Wantdat is volgens mij de enige manier waarop je een gedragen plan kuntcreëren.De voorzitter:Dank u wel. Het is exact 14.00 uur. Dus fijn dat dat is gelukt. Ik wil nogeven de toezeggingen met u doornemen, zodat die ook worden genoteerdworden in het verslag.–In het voorjaar van 2025 deelt de Staatssecretaris de nieuwe setkerndoelen met de Kamer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76361 Dat is de eerste toezegging. Er staat even niet bij aan wie dat is toegezegd,maar dat kan uit het verslag gehaald worden.–In de volgende voortgangsrapportage over het Masterplan basisvaar-digheden die in december 2024 aan de Kamer wordt aangeboden gaatde Staatssecretaris in op het onderzoek naar de profielstructuur in dehuidige vorm.–Volgend jaar ontvangt de Kamer meer informatie over referentieka-ders.–In het voorjaar van 2025 stuurt de Staatssecretaris de definitievekerndoelen betreffende digitale geletterdheid aan de Kamer.–In de reguliere rapportage die de Kamer in 2024 ontvangt, zal deStaatssecretaris nader ingaan op de mogelijkheid van continueherijking c.q. onderhoud van het curriculum waar samen met SLO naargekeken wordt, bijvoorbeeld in de vorm van een onderhoudskalender.–De Staatssecretaris neemt in de voortgangsrapportage van december2024 op of en op welke wijze in uitwerking van de laatste tranche vande subsidieregeling meegenomen kan worden dat scholen die bij devorige subsidieronde ongewenst geen subsidie kregen nu in aanmer-king komen voor deze subsidie.Het gaat over de tranche 2025, maar de beantwoording daarop zal indecember 2024 volgen.–De Staatssecretaris kijkt of er een kwaliteitsalliantie, zoals bijvoorbeeldin Vlaanderen gewoon is, in Nederland opgezet kan worden en komthierop terug bij de communicatie over het herstelplan dat de Kamer innovember 2024 tegemoet kan zien.–De Staatssecretaris zal SLO vragen om in een advies betreffende deactualisatie van het referentiekader taal/rekenen mee te nemen of hetmogelijk is het hogere streefniveau als uitgangspunt te nemen en komthierop terug in het voorjaar van 2025.–De nieuwe tabel studielasturen wordt bij AMvB geregeld en deStaatssecretaris komt hier nog bij de Kamer op terug. In 2026.Het lid Soepboer heeft een tweeminutendebat aangevraagd en zal daarbijde eerste spreker zijn. Mevrouw Pijpelink, echt kort alstublieft.Mevrouw Pijpelink (GroenLinks-PvdA):Ik mis een toezegging. Volgens mij heeft mevrouw Paul toegezegd dat dekwaliteit van de kerndoelen voorgaat op de kwantiteit.De voorzitter:Ja, dat heeft ze gezegd en daar mogen we haar op vastpinnen, maar dat istechnisch gezien geen toezegging omdat het niet terugkomt in een brief.Zo kwalificeren wij een toezegging. Maar dit staat vast. Als zij niet levert,dan mag u haar als parlementariër scherp op bevragen.Staatssecretaris Paul:Voorzitter, mag ik nog heel even? Het allereerste punt hebben we niethelemaal goed verstaan. Refereerde u aan een wet? Dat ging overburgerschap. Het gaat niet om het wet, maar om de conceptkerndoelen.De voorzitter:Het gaat om de nieuwe set kerndoelen. Dus niet de nieuwe wet.Staatssecretaris Paul:O, set. Oké, dan is het goed.De voorzitter:Een groot verschil. Mensen, het is 14.03 uur. We hebben volgens mij eenmooi debat gehad. Ik wil de mensen op de publieke tribune bedanken, deStaatssecretaris, de assistentie en de Kamerleden. We hebben veelhoogtepunten meegemaakt in dit debat en ook veel dieptepunten, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76362 fijn dat we het met elkaar tot een goed einde hebben kunnen brengen.Dank u wel en tot de volgende keer.Sluiting 14.04 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 76363

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6e46b25f2943c2d6

14 okt 2026 · 77db407763119ea7

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.