KamerkringInloggen
Kamerbrief

Toelichting over de arbeidseis in de Wet kinderopvang

24 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 8429a975b3ed3122 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 322KinderopvangNr. 559 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 juni 2025Op 23 januari 2025 heb ik met de vaste commissie voor Sociale Zaken enWerkgelegenheid van uw Kamer het commissiedebat Kinderopvanggevoerd (Kamerstuk 31 322, nr. 553). Daarin heb ik de Tweede Kamertoegezegd om schriftelijk terug te komen op wat de arbeidseis in de Wetkinderopvang (Wko) is en wat de bestaande uitzonderingen hierop zijn.1Dit naar aanleiding van vragen van het lid Saris (NSC) over wat er preciesonder de arbeidseis wordt verstaan. Hierna geef ik eerst een beschrijvingvan de huidige vormgeving van de arbeidseis en uitzonderingen daarop.Daarna beschrijf ik een aantal situaties waarbij de arbeidseis mogelijkknellend of onduidelijk is. Ik licht toe wat ik daaraan doe.Tot slot ga ik in deze brief ook in op de volgende motie en toezeggingen:•de motie Welzijn (NSC), Van der Plas (BBB) en Van Dijk (CDA) dieverzoekt om in overleg met brancheorganisaties en GGD te komen meteen plan van aanpak tegen regeldruk;•de toezegging over het gelijktrekken van de eisen voor meertalige enanderstalige kinderopvang;•de toezegging aan het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) om voor hetcommissiedebat inkomenseffecten te delen van het uitstel van hetnieuwe financieringsstelsel, in combinatie met de afbouw van deinkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK).ArbeidseisEén van de hoofddoelen van kinderopvang is dat ouders werk en de zorgvoor hun kind kunnen combineren. Dit stimuleert de overheid door hetgeven van kinderopvangtoeslag (KOT). De KOT is een belangrijkinstrument om betaalbare en financieel toegankelijke kinderopvang totstand te brengen. Een ouder heeft recht op KOT als de ouder voldoet aande arbeidseis. Die arbeidseis staat in artikel 1.6 van de Wko. Een ouder die1Tweede Kamer, 2024–25, Toezegging TZ202502–002. kst-31322-559ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5591 betaald werk verricht, voldoet aan de arbeidseis. Om precies te zijn: deouder moet tegenwoordige arbeid verrichten waaruit inkomen uit werk enwoning wordt genoten in de zin van de wet Inkomstenbelasting 2001.Voor het recht op KOT maakt het niet uit of een ouder in loondienst werktof zelfstandige zonder personeel is. En voor ouders in loondienst maakthet ook niet uit of zij een vast of een tijdelijk contract hebben.Ook de eventuele partner van de ouder moet betaald werk hebben, ookals de partner niet in Nederland verblijft.2 Ook als de ouder zondervergoeding meewerkt in de onderneming van de partner valt dit onder dedefinitie van de arbeidseis.In sommige gevallen kan deze arbeidseis de arbeidsparticipatie juist in deweg zitten. Ouders die niet aan de arbeidseis voldoen, krijgen geenkinderopvangtoeslag. Hierdoor kunnen ze geen gebruikmaken vankinderopvang en is het ook lastiger om deel te nemen aan activiteiten diegericht zijn op het vergroten van de kans om de stap naar werk te zetten.Daarom zijn er een aantal uitzonderingen op de arbeidseis. Die uitzonde-ringen staan in artikel 1.6 van de Wko uitgebreid beschreven inclusief devoorwaarden per uitzondering. De belangrijkste groepen worden hier intwee categorieën genoemd.De eerste categorie betreft ouders die andere activiteiten uitvoeren diegericht zijn op (toekomstig) werk of het vergroten van de (kansen op)arbeidsparticipatie. Het gaat om deze groepen:•Een ouder die een opleiding volgt. Deze opleiding moet wel erkendzijn. Voorbeelden hiervan zijn een middelbare schoolopleiding, eenMBO-, HBO-, of universitaire opleiding of een opleiding in hetvoortgezet algemeen volwassenonderwijs.•Een ouder die (tijdelijk) geen werk heeft, maar zich voorbereidt opbetaald werk met een «traject naar werk». Een voorbeeld hiervan iseen ouder met een Wajong-uitkering die deelneemt aan eenre-integratietraject van het UWV.•Een ouder die inburgeringsplichtig is en een inburgeringstraject volgt.De tweede categorie betreft ouders die werken (of tot één van boven-staande uitzonderingen behoren) en daarnaast een partner hebben dieniet of tijdelijk niet kan voldoen aan de arbeidseis:•Een ouder die werkt (of tot één van bovenstaande uitzonderingenbehoort) en daarnaast een partner heeft met een Wlz-indicatie die doorlangdurige zorg is uitgesloten van deelname aan het arbeidsproces.•Een ouder die werkt (of tot één van bovenstaande uitzonderingenbehoort) en daarnaast een partner heeft in detentie (langer dan driemaanden) die daardoor is uitgesloten van deelname aan hetarbeidsproces.Ouders die voldoen aan de arbeidseis of tot één van de uitzonderingenbehoren, kunnen dus aanspraak maken op KOT. In de KOT is daarbij ookeen zogenaamde werkloosheidstermijn ingebouwd. Een ouder diewerkloos raakt, houdt nog drie maanden aanspraak op KOT. Zo hoeft eenkind niet direct te stoppen met kinderopvang en heeft een ouder demogelijkheid nieuw werk te zoeken. Tot slot is het goed te weten dat deKOT een jaarsystematiek kent. Kortweg wil dat zeggen dat voor iederemaand waarin ouders (beiden) aan de arbeidseis voldoen voor 230 urenrecht op KOT wordt opgebouwd. Deze uren kan de ouder gedurende hethele kalenderjaar inzetten, ook indien men later in het kalenderjaar nietmeer aan de arbeidseis voldoet.2Er bestaat een aantal uitzonderingen en bijzondere situaties waarbij het partnerbegrip eenandere uitwerking heeft, die volgen uit artikel 1.6 van de Wko en de Awir. Deze groepen wordenhier niet nader toegelicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5592 Voor ouders staat op de website van Dienst Toeslagen beschrevenwanneer je aanspraak kan maken op KOT.3 In aanvulling op bovenstaandeuitleg van de arbeidseis bestaan er uitzonderingen op het toeslagpartner-schap in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Diezijn er mede op gericht om gevolgen van de arbeidseis te voorkomenwaar het partnerschap niet aansluit bij de realiteit van mensen.Voorbeelden hiervan zijn scheiding van tafel en bed of situaties waarineen aanvrager in de noodopvang verblijft vanwege bijvoorbeeld huiselijkgeweld. Ook kan Dienst Toeslagen in uitzonderlijke gevallen de hardheids-clausule toepassen waar dit leidt tot schrijnende situaties en de wetgeverde uitwerking niet zo had bedoeld.4De KOT is een instrument gericht op het stimuleren van arbeidspartici-patie. Er zijn gezinnen die niet voldoen aan de voorwaarden en daardoorgeen aanspraak maken op KOT. Voor gezinnen waar geen recht is op KOTzijn er andere regelingen beschikbaar. In het kort gaat het hier om eenvergoeding voor gebruik van kinderopvang op basis van een sociaal-medische indicatie, om voorschoolse educatie (VE) voor peuters met eenrisico op onderwijsachterstand en peuteropvang voor ouders zonder rechtop KOT (niet werkend) met een peuter zonder VE-indicatie. Gemeentenontvangen voor deze regelingen jaarlijks middelen van het Rijk en hebbenbeleidsvrijheid bij de vormgeving van deze instrumenten. Voor eenuitgebreider overzicht van deze regelingen inclusief een beschrijving vanhet doel en de doelgroep verwijs ik graag naar het overzicht «Raakvlakkenstelsel Kinderopvang en Primair onderwijs» dat ik vorig jaar aan uwKamer heb verzonden.5Knelpunten en onduidelijkhedenSoms blijkt de arbeidseis voor bepaalde groepen knellend of onduidelijkte zijn, bijvoorbeeld op basis van signalen van burgers of de uitvoering.De regering vindt het van belang in dit huidige stelsel te blijven inves-teren, ook al wordt er in de tussentijd gewerkt aan een nieuw financie-ringsstelsel. Een belangrijke les uit de kinderopvangtoeslagaffaire isnamelijk dat het belangrijk is om ook tijdens de ontwikkeling van eennieuw stelsel in te blijven zetten op het oplossen van knelpunten in hethuidige stelsel.6 Zolang de KOT bestaat, voelt de regering de verantwoor-delijkheid om dit stelsel voor deze ouders zo goed mogelijk te latenfunctioneren. Voor twee knelpunten is daarom een wetsvoorstel invoorbereiding. Daarnaast zijn drie andere knelpunten verkend. Hetwetsvoorstel en de verkenningen worden hier kort toegelicht.Promovendi en technologisch ontwerpers in opleidingBij promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding is er sprake vaneen knelpunt in de KOT. Het recht op KOT voor deze ouders is op ditmoment onduidelijk en onzeker, waardoor sommige promovendi entechnologisch ontwerpers in opleiding wel in aanmerking komen voorKOT en andere niet. Deze onduidelijkheid leidt tot hoge terugvorderingen.3https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/kinderopvangtoeslag/content/kan-ik-kinderopvangtoeslag-krijgen.4Stcrt. 2024, nr. 23154.5Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 548. Bijlage Raakvlakken stelsel Kinderopvang en Primaironderwijs.6Zie bijvoorbeeld p. 30 van het eindrapport «Ongekend Onrecht» van de Parlementaireondervragingscommissie kinderopvangtoeslag, waarin wordt geconstateerd dat de inspanningvan SZW in 2014–2018 gericht was op de ontwikkeling van een nieuw financieringsstelsel,maar ondertussen niets deed voor ouders die op dat moment al met problematische schuldenwerden geconfronteerd door de hoge terugvorderingen van de KOT.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5593 Dit knelpunt is beschreven bij de kabinetsreactie op de motie Lodders/VanWeyenberg over verdere quick fixes om het toeslagenstelsel te verbeteren(Kamerstuk 35 572, nr. 49).7 Het kabinet werkt aan het wetsvoorstelverbetering kinderopvangtoeslag om dit knelpunt op te lossen. Hetvoorstel is om recht op KOT te geven aan ouders die een traject volgengericht op promotie of anderszins werkzaamheden verrichten ten behoevevan onderzoek aan een instelling of academisch ziekenhuis als bedoeld inartikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijkonderzoek. Hiermee komen voortaan alle promovendi en technologischontwerpers in opleiding in aanmerking voor KOT. Het wetsvoorstel staatmomenteel open voor internetconsultatie8 en zal naar verwachting in hettweede deel van dit jaar naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Debeoogde inwerkingtredingsdatum voor deze wijziging is 1 januari 2027.Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de motie Omtzigt.9InburgeringIn het wetsvoorstel verbetering kinderopvangtoeslag is ook eentechnische wijziging opgenomen voor ouders die inburgeringsplichtigzijn. Door inburgeringsplichtige ouders recht te geven op KOT worden zijin staat gesteld om hun inburgeringstraject te volgen en vervolgens, liefstvia betaald werk, deel te kunnen nemen aan de samenleving. Onbedoeldzijn bij de overgang van de Wet inburgering 2013 naar de Wet inburgering2021 (Wi2021) drie onderdelen buiten het recht op KOT gevallen. Dit leidttot onduidelijkheid over wanneer er recht op KOT is en tot een risico opterugvorderingen. Dit is een onwenselijke situatie. De regering is dan ookvoornemens om met dit wetsvoorstel het recht op KOT voor deze drieonderdelen te herstellen. In de uitvoeringsbrief inburgering van 24 juni2024 is reeds aangekondigd dat op deze wijziging vooruitgelopen zalworden indien de gegevenslevering eerder is ingeregeld.10 Hetwetsvoorstel kent aan deze wijziging terugwerkende kracht toe tot1 januari 2022 – de inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel(zie onderdeel 12 «inwerkingtreding» van het wetsvoorstel verbeteringkinderopvangtoeslag). De inburgeraars die onbedoeld geen recht haddenop KOT onder de Wi2021, hebben daarmee met terugwerkende krachtrecht op KOT. Hiervoor geldt wel dat zij in deze periode kosten moetenhebben gemaakt voor kinderopvang, inburgeringsactiviteiten hebbengevolgd en tijdig KOT hebben aangevraagd (artikel 1.3, tweede lid,onderdeel b, van de Wko).Verkenning ParticipatiewetOuders die niet werken en een traject naar arbeidsinschakeling onder deParticipatiewet volgen, maken ook aanspraak op KOT. Dit jaar heeft eenverkenning plaatsgevonden naar de werking van het recht op KOT in deParticipatiewet. De hoofdvraag was: hoe werkt de Participatiewet voorouders met jonge kinderen en in hoeverre worden zij belemmerd om deelte nemen aan een traject naar arbeidsinschakeling? Daarbij is in hetbijzonder gekeken naar het recht op KOT. Het eindrapport «Kinderopvang-toeslag in de Participatiewet. Onderzoek naar het recht op kinderopvang-toeslag voor ouders met jonge kinderen in de bijstand» van onderzoeks-bureau Significant is onlangs opgeleverd en stuur ik u hierbij mee alsbijlage bij deze brief.7Kamerstukken II 2021/22, 31 066, nr. 927.8https://www.internetconsultatie.nl/wetsvoorstelverbeteringkinderopvangtoeslag/b1.9Kamerstukken II 2020/21, 35 572, nr. 52.10Kamerstukken II 2023/24, 32 824, nr. 438.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5594 Uit het onderzoek blijkt dat gemeentemedewerkers en ambtenaren dewetgeving op basis waarvan wordt bepaald of bijstandsouders rechthebben op KOT als complex ervaren en dat zij vaak geen duidelijk beeldhebben van hun eigen rol hierin. Dit kan ertoe leiden dat KOT (tenonrechte) niet wordt aangevraagd en bijstandsgerechtigden met jongekinderen geen gebruik kunnen maken van de kinderopvang, terwijl zij weleen traject volgen dat is gericht op deelname aan de arbeidsmarkt. Dit kande toeleiding naar arbeidsparticipatie belemmeren. In het rapport staateen aantal aanbevelingen opgenomen hoe deze belemmering weg tenemen.Een belangrijke aanbeveling waar ik opvolging aan wil geven is datgemeenten gebruikmaken van hun beleidsvrijheid om te bepalen welkevoorzieningen en activiteiten zij aanmerken als traject naar arbeidsinscha-keling. Beleidsvrijheid is waardevol maar vraagt ook om duidelijke kadersen voorbeelden van hoe activiteiten als «traject naar arbeidsinschakeling»kunnen worden ingevuld. Een leidraad met goede praktijken en juridischeduiding kan hieraan bijdragen. Samen met de VNG werk ik voor het eindevan dit jaar een concreet voorstel uit over hoe we gemeenten goedkunnen informeren over hun mogelijkheden en rol en hoe we daarbijstructureel aandacht kunnen hebben voor knelpunten in de uitvoerings-praktijk. Hierbij betrek ik ook Dienst Toeslagen en Stichting Inlichtingen-bureau (IB).UWV-uitkering en traject naar werkVia het UWV, gemeenten en ouders heb ik signalen ontvangen dat het nietaltijd duidelijk is wanneer een uitkering van het UWV recht geeft op KOT.Ik heb samen met UWV en Dienst Toeslagen gekeken op welke wijze ik ditkan verduidelijken. Ouders met een uitkering van het UWV hebben rechtop KOT indien zij een uitkering onder de WW (Werkloosheidwet), deZiektewet, de WIA-WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsonge-schikten), Wajong of Wajong2010 (de níet Duurzaam Geen Arbeidsver-mogen Wajong-uitkeringen) ontvangen en zij een plan gericht oparbeidsinschakeling volgen. De activiteiten die deel uitmaken van dat planworden bepaald door het UWV; de wetten van het UWV zijn hier leidendin. In de praktijk volgen nagenoeg alle uitkeringsgerechtigden die een vande genoemde uitkeringen ontvangen een plan, waarmee zij wordenbegeleid naar werk. Op basis van bovenstaande kan de communicatierichting de burger over de voorwaarden voor het recht op KOT in hetgeval van het volgen van een traject naar arbeidsinschakeling bij het UWVworden verduidelijkt. Samen met Dienst Toeslagen ga ik hiermee aan deslag. Daarnaast kan de gegevenslevering tussen het UWV en DienstToeslagen worden uitgebreid, waardoor ouders minder vaak bewijshoeven aan te leveren.Wet langdurige zorgPer 1 januari 2021 hebben ouderparen recht op KOT in die gevallenwaarin één ouder werkt, of bijvoorbeeld een traject naar werk volgt, en deandere ouder een permanente Wlz-indicatie heeft. Per 1 januari 2023 is datuitgebreid voor partners met een tijdelijke Wlz-indicatie. Dit is geregeldgezien de omvangrijke zorgbehoefte van mensen met een Wlz-indicatie.Daardoor komt de zorg voor de kinderen in deze gezinnen veelal bij degezonde partner te liggen. Dit belemmert de mogelijkheden van dezepartner om te werken. Doordat deze gezinnen nu recht op KOT hebbenkan de werkende partner (deels) ontlast worden en blijven participeren opde arbeidsmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5595 Zoals aangekondigd door de toenmalig Minister van SZW, heeft mijnministerie gekeken naar het verruimen van het recht op KOT naaralleenstaanden met een Wlz-indicatie en tweeoudergezinnen waarin beideeen Wlz-indicatie hebben.11 Naar aanleiding hiervan heb ik besloten hetrecht naar deze groepen niet te verruimen. De belangrijkste reden is dat ikhet recht op KOT wil blijven focussen op deelname aan de arbeidsmarkt.Een verruiming zoals hierboven beschreven zou geen verband houdenmet het bevorderen van arbeidsparticipatie. Bovengenoemde toezeggingrond ik hiermee af.Natuurlijk vind ik het belangrijk dat de kinderopvang ook toegankelijk isvoor gezinnen die dat hard nodig hebben. Hiertoe bestaat het instrumentSMI (sociaal-medische indicatie). Gezinnen die dat nodig hebben, kunneneen aanvraag doen bij de gemeente om in aanmerking te komen voor een(gedeeltelijke) vergoeding van kinderopvang. De gemeentelijke middelenvoor SMI zijn dit jaar met ca. € 5 miljoen structureel verhoogd. In 2029komt hier nog eens ca. € 5 miljoen structureel bij. Ook werk ik samen metgemeenten en de VNG aan een handreiking om de toegankelijkheid vanSMI te verbeteren. Hiermee hoop ik ook dat verschillen tussen gemeentenafnemen.Concluderend arbeidseisMet de arbeidseis zorg ik ervoor dat de KOT ten goede komt aan oudersdie (beiden) werken. De huidige arbeidseis kent een aantal uitzonde-ringen. Al deze uitzonderingen zijn erop gericht de arbeidsparticipatie vanouders te ondersteunen en de kansen op werk voor ouders te vergroten.De KOT heeft daarmee een duidelijk focus. Voor gezinnen waarvoorkinderopvang van groot belang is om andere redenen dan arbeidspartici-patie is er een aantal gemeentelijke regelingen, waarvoor gemeentenjaarlijks middelen van het Rijk ontvangen.Informatie over moties en toezeggingenTot slot wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om uw Kamer indeze brief te informeren over de voortgang op een motie en een tweetaltoezeggingen.Kwaliteitseisen kinderopvangDe motie Welzijn (NSC), Van der Plas (BBB) en Van Dijk (CDA) verzoekt omin overleg met brancheorganisaties en GGD te komen met een plan vanaanpak tegen regeldruk.12 Ik informeerde uw Kamer in mijn brief van10 april jl. over mijn ambitie op het terrein van gastouders.13 En ik deeldemijn streven om voor de zomer in te gaan op het terugdringen vanregeldruk bij kindercentra. Naast de mogelijkheden die ik op dit momentverken, heb ik voorstellen voor het verminderen van regeldruk uitge-vraagd bij de sector. De voorstellen behoeven concretisering en degevolgen ervan (bijvoorbeeld voor de kwaliteit) moeten in kaart wordengebracht. Daarvoor is onder meer een vervolggesprek met sectorpartijennodig. Ik verwacht uw Kamer tegen het einde van dit jaar meer beeld tegeven over concrete maatregelen om regeldruk te verminderen.In 2023 heeft de toenmalige Minister van SZW een toezegging gedaanover het gelijktrekken van de eisen voor meertalige en anderstaligekinderopvang. Voor meertalige kinderopvang gelden namelijk eisen die11Kamerstukken II 2023/24, 31 322, nr. 523.12Kamerstukken II 2024/25, 36 513, nr. 17.13Kamerstukken II 2025/26, 31 322, nr. 554.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5596 nog niet gesteld zijn voor anderstalige kinderopvang. Die eisen gaan overhet pedagogisch beleidsplan en het taalniveau van pedagogischmedewerkers.Het streven was om de eisen uiterlijk 1 januari 2025 gelijk te trekken. Bij deuitwerking bleek de situatie complexer dan verwacht, door de variatie diein de praktijk van toepassing is op anderstalige opvang. Er is dan ookmeer tijd nodig om de eisen zorgvuldig naar elkaar toe te laten groeien. Ikzal uw Kamer eind 2025 nader informeren over dit onderwerp.Inkomenseffecten uitstel nieuwe financieringsstelsel en afbouw IACKBij het wetgevingsoverleg over de suppletoire begroting 2025 van SZW op17 juni vroeg het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) naar de inkomenseffectenvan het uitstellen van het nieuwe financieringsstelsel, in combinatie methet afbouwen van de IACK. Zoals ik in het wetgevingsoverleg hebtoegezegd, stuur ik uw Kamer hierbij de gevraagde inkomenseffecten.In de voorjaarsbesluitvorming heeft het kabinet besloten om de nieuwefinanciering van de kinderopvang in te voeren per 2029. Dat betekent ookdat het ingroeipad naar de hoge, inkomensonafhankelijke vergoedingvoor alle werkende ouders aangepast wordt. Daarnaast heeft het kabinetbesloten om de maximum uurprijzen voor de kinderopvangtoeslag in2026 wel te indexeren. Tabel 1 laat zien wat de gevolgen van deze keuzesin de voorjaarsbesluitvorming zijn voor de hoogte van de eigen bijdragevoor kinderopvang van verschillende voorbeeldhuishoudens.De voorbeeldhuishoudens verschillen alleen in het toetsingsinkomen. Bijalle voorbeeldhuishoudens is uitgegaan van twee kinderen die tweedagen per week naar de dagopvang gaan tegen een verwacht mediaanopvangtarief (boven de maximum uurprijs in de kinderopvangtoeslag).Deze rekenvoorbeelden gaan uit van een neutrale tariefontwikkeling in dekinderopvang, wat betekent dat de tarieven dezelfde ontwikkeling volgenals de maximum uurprijs. Het is mogelijk dat de tarieven de komendejaren harder stijgen dan de maximum uurprijzen, bijvoorbeeld door eengrotere vraag naar opvang die niet volledig door de markt geabsorbeerdkan worden. Als dit gebeurt dan zal de eigen bijdrage als percentage vande kosten voor kinderopvang voor alle voorbeeldhuishoudens toenemen.In tabel 1 staat per voorbeeldhuishouden de verwachte eigen bijdragevóór de voorjaarsbesluitvorming («eigen bijdrage Miljoenennota») en nade voorjaarsbesluitvorming («eigen bijdrage Voorjaarsnota»). Ook toontde tabel het verschil tussen deze twee bedragen in euro’s per jaar en ineen percentage van de totale opvangkosten. Een lagere eigen bijdragebetekent dat huishoudens per saldo minder betalen voor kinderopvang.Voor een analyse van de gevolgen van het besluit moet gekeken wordennaar het percentage, omdat dit percentage corrigeert voor de effecten van(reguliere) loon- en prijsstijgingen.Tabel 1 laat positieve inkomenseffecten zien voor lage en modaleinkomens. Dit komt door het besluit om de maximum uurprijzen in 2026wel te indexeren. De voorbeeldhuishoudens een inkomen van 2,5 xmodaal en 3,5 x modaal betalen naar verwachting in 2027 en 2028 eenhogere eigen bijdrage dan verwacht werd vóór de voorjaarsbesluit-vorming. Dit komt door het aangepaste ingroeipad: het duurt iets langervoordat de hogere inkomens ook recht hebben op het maximale vergoe-dingspercentage van 96%. Vanaf 2029 (niet zichtbaar in de tabel) is heteffect positief voor alle huishoudens, omdat dan alleen het structureleeffect van indexatie in 2026 nog een rol speelt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5597 Tabel 1: Inkomenseffecten uitstel financieringsstelsel kinderopvangAlleenstaande ouder (2 dagen opvang)Wml202620272028Verzamelinkomen (=toetsingsinkomenKOT)€ 29.042€ 30.132€ 31.192Eigen bijdrage Miljoenennota€ 2.862€ 2.970€ 3.066Eigen bijdrage Voorjaarsnota€ 1.720€ 1.784€ 1.836Verandering eigen bijdrage KOT (€)€ – 1.142€ – 1.186€ – 1.230Verandering eigen bijdrage KOT (%)– 3,9%– 3,9%– 3,9%Modaal202620272028Verzamelinkomen (=toetsingsinkomenKOT)€ 46.387€ 48.289€ 50.196Eigen bijdrage Miljoenennota€ 2.862€ 2.970€ 3.066Eigen bijdrage Voorjaarsnota€ 1.720€ 1.784€ 1.836Verandering eigen bijdrage KOT (€)€ – 1.142€ – 1.186€ – 1.230Verandering eigen bijdrage KOT (%)– 2,5%– 2,5%– 2,5%2x modaal202620272028Verzamelinkomen (=toetsingsinkomenKOT)€ 91.847€ 95.610€ 99.393Eigen bijdrage Miljoenennota€ 4.675€ 2.970€ 3.066Eigen bijdrage Voorjaarsnota€ 4.405€ 2.570€ 1.836Verandering eigen bijdrage KOT (€)€ -270€ -400€ -1.230Verandering eigen bijdrage KOT (%)– 0,3%– 0,4%– 1,2%Paar (2 dagen opvang)Wml + 0,5*wml202620272028Verzamelinkomen (=toetsingsinkomenKOT)€ 43.911€ 45.561€ 47.163Eigen bijdrage Miljoenennota€ 2.862€ 2.970€ 3.066Eigen bijdrage Voorjaarsnota€ 1.720€ 1.784€ 1.836Verandering eigen bijdrage KOT (€)€ – 1.142€ – 1.186€ – 1.230Verandering eigen bijdrage KOT (%)– 2,6%– 2,6%– ,6%Modaal + 0,5*modaal (samen 1,5 modaal)202620272028Verzamelinkomen (=toetsingsinkomenKOT)€ 70.043€ 72.917€ 75.794Eigen bijdrage Miljoenennota€ 2.960€ 2.970€ 3.066Eigen bijdrage Voorjaarsnota€ 2.606€ 1.784€ 1.836Verandering eigen bijdrage KOT (€)€ – 354€ – 1.186€ – 1.230Verandering eigen bijdrage KOT (%)– 0,5%– 1,6%– 1,6% 1,5*modaal + modaal (samen 2,5*modaal)202620272028Verzamelinkomen (=toetsingsinkomenKOT)€ 115.504€ 120.238€ 124.991Eigen bijdrage Miljoenennota€ 7.101€ 2.970€ 3.066Eigen bijdrage Voorjaarsnota€ 6.948€ 5.209€ 2.911Verandering eigen bijdrage KOT (€)€ – 153€ 2.239€ – 155Verandering eigen bijdrage KOT (%)– 0,1%1,9%– 0,1%2,5*modaal + modaal (samen 3,5*modaal)202620272028Verzamelinkomen (=toetsingsinkomenKOT)€ 160.964€ 167.559€ 174.188Eigen bijdrage Miljoenennota€ 10.544€ 2.970€ 3.066Eigen bijdrage Voorjaarsnota€ 10.558€ 8.954€ 7.047Verandering eigen bijdrage KOT (€)€ 14€ 5.984€ 3.981Verandering eigen bijdrage KOT (%)0,0%3,6%2,3% Het uitstellen van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang heeftgeen gevolgen voor de hoogte van de IACK. Wat betreft de IACK wasnamelijk al besloten om deze stapsgewijs af te bouwen vanaf 2027. Ditbesluit is onveranderd. Voor de volledigheid laat tabel 2 voor dezelfdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5598 voorbeeldhuishoudens de verandering in IACK zien voor de periode2026–2028, voor zover mensen deze daadwerkelijk kunnen verzilveren.14Tabel 2: Effectief verzilverde IACK (lopende prijzen)Alleenstaande ouder202620272028Wml€ 48€ 9€ 217Modaal€ 74€ – 71€ – 3262x modaal€ 74€ – 71€ – 326Tweeverdieners met kinderen202620272028Wml + 50% wml€ 32€ 6€ 32Modaal + 50% modaal€ 48€ 2€ 421,5x modaal + modaal€ 74€ – 71€ – 3262,5x modaal + modaal€ 74€ – 71€ – 326 De tabel laat zien hoeveel IACK ouders meer of minder ontvangen tenopzichte van het jaar daarvoor. Een positief bedrag betekent dat oudersmeer IACK ontvangen en dus een hoger besteedbaar inkomen hebben. DeIACK wordt tot 1 januari 2035 stapsgewijs afgebouwd. Dat betekent dat deafbouw van de IACK ook na 2028 nog gevolgen heeft voor hetbesteedbaar inkomen van ouders. Hiermee doe ik de toezegging aan hetlid Patijn gestand.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J. Nobel14Sommige mensen betalen namelijk te weinig belasting om alle heffingskortingen te kunnenverzilveren. Voor deze mensen geldt dat een hogere IACK in beperkte mate tot een hogeredaadwerkelijk verzilverde IACK leidt, net zoals dat een lagere IACK in beperkte mate tot eenlagere daadwerkelijk verzilverde IACK leidt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5599

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · eb8d1b1b64b09da6

14 okt 2026 · eca43ff3d2ff3542

13 okt 2026 · 632cbfd21d13e06f

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.