Verslag
Brontekst
Versie b6159ea148b2183c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 14 VERSLAGVastgesteld 10 oktober 2025 De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidendonderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslaguit te brengen van haar bevindingen.Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig engenoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbareberaadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de vaste commissie,Nijhof-LeeuwAdjunct-griffier van de commissie,Lips kst-36812-14ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 141 INLEIDINGDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben het wetsvoorstel metinteresse gelezen. Deze leden zien een aantal verstandige maatregelen,maar ook veel stilstand en op bepaalde terreinen achteruitgang. Dezeleden merken op dat er op het gebied van vergroening en vereenvou-diging slechts zeer kleine stappen worden gezet, terwijl er op het gebiedvan herverdeling achteruitgang plaatsvindt, waar Nederlanders metweinig te besteden de dupe van zijn. Deze leden hebben een aantalvragen en opmerkingen over de verschillende maatregelen die deregering voorstelt.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel Belastingplan 2026.De leden van de VVD-fractie lezen op bladzijdes 40, 42, 48 en 64 van deMiljoennota 2026 over de derving als gevolg van het arrest van de HogeRaad over de liquidatieverliesregeling van 21 maart 2025, maar zien in het(pakket) Belastingplan 2026 geen reparatiewetgeving om dit gat in deliquidatieverliesregeling te dichten. In de conclusie van A-G Wattel dievoorafging aan de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2022:361)overwoog A-G Wattel dat «Omdat aansluiting bij het vermogensresultaatvan de moeder uitgangspunt is, moet bij toepassing van deze afwijkingvoorkomen worden dat ingegaan moet worden op de vraag hoeveelverliezen bij de dochter volgens lokaal recht onverrekend blijven. Datbetekent volgens A-G Wattel dat de term «recht geldt op enigerleitegemoetkoming» binair moet worden uitgelegd: geldt lokaal enigeregeling voor de verliezen van de deelneming die niet bij haarzelfverrekend kunnen worden, hoe beperkt ook, dan neemt Nederland hetniet over. Group relief zoals de Ierse is een regeling die in Ierland «geldt»en daar recht geeft op «enigerlei tegemoetkoming» voor verliezen die bijA Plc zelf niet verrekend worden.» Kan de regering aangeven waarom erniet voor is gekozen om middels het Belastingplan 2026 de wet te wijzigenzodat de term «recht geldt op enigerlei tegemoetkoming» binair uitgelegdmoet worden? Kan de regering bevestigen dat bij een reparatie er geensprake zou zijn van een structurele derving van 65 miljoen euro per jaarvanaf 2026, maar slechts van een incidentele derving in 2025? In debeslisnota’s worden alternatieve dekkingsopties genoemd. Kan deregering aangeven waarom geen dekking wordt gezocht binnen deliquidatieverliesregeling zelf? Kan de regering tot slot bevestigen datindien winsten op dergelijke afdekkingsinstrumenten worden belast enniet meer vrijgesteld zijn, de kosten wel aftrekbaar blijven? Of is deregering voornemens om belasting te heffen over de winst maar geenaftrek van de kosten toe te staan?De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het Belastingplan 2026. Deze leden steunen het streven naar eeneenvoudiger en evenwichtiger belastingstelsel en zien uit naar debeantwoording van hun vragen over de doelmatigheid, uitvoerbaarheiden samenhang van de voorgestelde maatregelen.De leden van de D66-fractie hebben met veel interesse kennisgenomenvan het Pakket Belastingplan 2026. Deze leden vinden de behandeling vanhet Belastingplan altijd een belangrijk moment, aangezien er veelwijzigingen mee gemoeid zijn die vaak verstrekkende gevolgen hebbenvoor burgers, bedrijven en de overheidsfinanciën. Ook in een periode vaneen demissionair kabinet blijft het Belastingplan een wezenlijk wetge-vingsmoment dat vraagt om een zorgvuldige en gedegen behandeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 142 De leden van de D66-fractie benadrukken dat het belastingstelsel nietalleen een instrument is voor het genereren van inkomsten, maar ook eenkrachtig middel om maatschappelijke doelen te bereiken: een eerlijkeverdeling van lasten, een duurzame en innovatieve economie, en eeneenvoudig en uitvoerbaar stelsel dat het doenvermogen van burgers enondernemers versterkt. Deze leden vinden het van belang dat het stelselprikkels bevat die verduurzaming en arbeidsparticipatie stimuleren, en dathet bijdraagt aan een gezonde overheidsfinanciën voor toekomstigegeneraties. Het Belastingplan biedt volgens de leden van de D66-fractieieder jaar de mogelijkheid om stappen te zetten naar een eerlijker, groeneren toekomstbestendiger belastingstelsel.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken vanhet Belastingplan 2026.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelen hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van hetpakket Belastingplan 2026, dat is onderverdeeld in acht separatewetsvoorstellen. Deze leden zijn verheugd dat één van deze wetsvoor-stellen, de Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport,reeds is behandeld en dat de Kamer voor dit wetsvoorstel heeft gestemd,waardoor burgers en ondernemers zekerheid hebben dat de dreigendebtw-verhoging op cultuur, media en sport definitief niet doorgaat. Overhet onderhavige wetsvoorstel, het Belastingplan 2026, hebben deze ledennog een aantal vragen.De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen.I. ALGEMEEN De leden van de D66-fractie merken op dat het Belastingplan dit jaarrelatief beleidsarm van karakter is. Grote en structurele keuzes wordendoorgeschoven naar de volgende Kamerperiode. Deze leden begrijpen datdit samenhangt met de demissionaire status van de regering.Het bijzondere karakter van dit Belastingplan, dat in verdere behandelingkomt bij een nieuwe Kamer, vraagt volgens de leden van de D66-fractieom extra aandacht voor continuïteit in het wetgevingsproces. Deze ledenhechten er waarde aan dat de inbreng en signalen van de huidige Kamerniet verloren gaan, maar worden betrokken bij de verdere vormgevingvan het fiscale beleid.De leden van de D66-fractie benadrukken dat ook in een overgangspe-riode gewerkt moet worden aan een belastingstelsel dat toekomstbe-stendig is: eerlijk, duurzaam en uitvoerbaar. Deze leden zien dit Belas-tingplan daarom als een moment om koers te houden richting een fiscaalstelsel dat bijdraagt aan brede welvaart en vertrouwen in de overheid.II. Pakket Belastingplan 2026 De leden van de VVD-fractie stellen vast dat het pakket Belastingplan 2026bestaat uit acht wetsvoorstellen. Kan de regering reflecteren op dit aantalwetsvoorstellen? Hoe verhoudt dit zich tot eerdere jaren? Hoe verhoudt ditzich tot de wens van de Kamer om de behandeling van fiscale wetgevingmeer over het jaar te spreiden? Welke wetsvoorstellen hadden in principeop een eerder of later moment kunnen worden ingediend? Kan hierop perwetsvoorstel worden gereflecteerd? Welke andere fiscale maatregelenoverweegt de regering om het stelsel van belastingen, toeslagen enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 143 sociale zekerheid te vereenvoudigen? Kan een overzicht worden verstrektvan fiscale (administratieve) maatregelen die bij afschaffing leiden totbudgettaire derving noch lastenverzwaring?Bij vereenvoudiging noemt de regering een aantal maatregelen die zijngenomen, maar laat de regering in de ogen van deze leden ook veelliggen. De taakstelling constructies en negatief geëvalueerde regelingenvan 250 miljoen euro is niet ingevuld en wordt opgelost via een generiekekorting op de inkomstenbelasting, net als het terugdraaien van debtw-verhoging op enkele posten.De leden van de CDA-fractie vragen of de regering niet heeft overwogendeze posten met andere maatregelen te dekken die wel zien op aanpakkenvan constructies of kijken naar negatief geëvalueerde regelingen. Dezeleden merken op dat veel werk is gedaan in ambtelijke rapporten, waarniet naar wordt verwezen. Deze leden vragen of de regering hier opties uitheeft overwogen en zo niet, waarom niet.Ten aanzien van klimaat vragen de leden van de CDA-fractie hoe demaatregelen voor stimuleren van elektrisch vervoer stroken met deeenmalige verleningen van de accijnskorting. Deze leden kunnen zichvoorstellen dat de overgang verzacht wordt, en vragen waarom deregering er niet voor heeft gekozen de korting gedurende een paar jaar afte bouwen, aangezien ook de dekking meerjarig wordt gevonden.De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering vindt dat bredewelvaart een belangrijke indicatiewaarde heeft naast materiële welvaart.Deze leden hebben al meermaals gevraagd om een analyse van kabinets-beleid in relatie tot brede welvaart, waar tot nu toe geen gevolg aan isgegeven, terwijl dat juist nodig is voor lange termijnbeleid. Deze ledenvragen of de regering dit standpunt nu wel deelt.Ten aanzien van de spreiding van wetgeving merken de leden van deCDA-fractie op dat enkele wetsvoorstellen, zoals de wetten inzake deminimumwinstbelasting eerder naar de Kamer hadden kunnen wordengestuurd. Deze leden vragen waarom hier niet voor is gekozen.4. Inkomensbeleid De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de arbeidskortingwederom verhoogd wordt «om werken meer te laten lonen», en dat ditgedekt wordt door het tarief in de eerste schijf in box 1 te verhogen. Dezeleden betreuren deze maatregel. Ten eerste omdat het hier deels gaat omeen sigaar uit eigen doos en ten tweede omdat de arbeidskorting al zeerhoog is. De regering stelt werken meer te willen laten lonen, maar laattegelijkertijd veel werkenden méér belasting betalen in plaats van minder.De onnodige verlaging van de algemene heffingskorting uit het Belas-tingplan 2025 wordt met dit Belastingplan niet hersteld. Kan de regeringtoelichten waarom niet?Deze leden merken op dat er veel manieren zijn om werken meer te latenlonen, maar achtereenvolgende regeringen hebben de afgelopen jarensteeds gekozen voor een verhoging van de arbeidskorting. Deze ledennemen aan dat het hier gaat om een bewuste keuze om het gat tussenwerk en uitkering groter te maken: van andere maatregelen om werken telaten lonen hebben uitkeringsgerechtigden immers vaak ook profijt. Dezeleden vragen de regering daarom of de regering een groter gat tussenwerk en uitkering als doel op zich ziet en waarom. Wanneer is het gattussen werk en uitkering volgens de regering groot genoeg? Kan deregering bevestigen dat de voorgestelde maatregel wederom leidt tot eenlager netto inkomen voor uitkeringsgerechtigden? Hoe verenigt deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 144 regering dit met de uitkomsten van het onderzoek van de CommissieSociaal minimum, waaruit blijkt dat het sociaal minimum structureel telaag is voor grote groepen Nederlanders? Klopt het dat het sociaalminimum door de voorgestelde maatregelen omlaag gaat en nietomhoog? Waarom heeft de regering geen maatregelen genomen om hetsociaal minimum te verhogen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen daarnaast vast dat het deregering wederom niet is gelukt om de taakstelling op het gebied vanfiscale regelingen en belastingconstructies in te vullen, waardoorwerkende Nederlanders en uitkeringsgerechtigden weer meer belastinggaan betalen. Deze leden vragen de regering om toe te lichten hoe hetkomt dat dit niet is gelukt en hoe dit te rijmen is met het feit dat er nogsteeds vele ondoelmatige fiscale regelingen zijn. Konden de tweeregeringspartijen het niet eens worden over welke regeling zij wildeninperken? Of ziet de regering überhaupt geen noodzaak om negatiefgeëvalueerde fiscale regelingen in te perken?Deze leden vragen of er behalve de twee constructies die met ditBelastingplan worden tegengegaan nog andere fiscale constructies zijndie aangepakt kunnen worden. Hoe kijkt de regering bijvoorbeeld naar dezogeheten «grondslagleenconstructie» in de EIA en MIA? Waarom is hettegengaan van deze constructie niet in dit Belastingplan opgenomen?Voorts vragen deze leden waarom als stelpost wederom de tabelcorrectie-factor is gekozen en niet bijvoorbeeld het hoge tarief in de vennoot-schapsbelasting of het toptarief in box 1. Zou het niet rechtvaardiger zijnom een stelpost te kiezen die vooral neerslaat bij de groepen dieprofiteren van fiscale constructies en negatief geëvalueerde regelingen,namelijk grote bedrijven en zeer rijke individuen?De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat de koopkracht voorNederlanders met gemiddeld 1,3 procent per jaar stijgt. Deze leden vindenhet van belang dat werkenden er meer op vooruitgaan danniet-werkenden en kunnen dus instemmen met het verhogen van dearbeidskorting. De leden van de VVD-fractie willen de regering nog vragenuit te splitsen (in percentages) waar de tabelcorrectiefactor het grootstebudgettaire effect heeft. Dat wil zeggen, indien de tabelcorrectiefactorbijvoorbeeld met één euro wordt beperkt, welk deel daarvan slaat neer opwelke heffingskorting en welke schijf van de inkomstenbelasting?De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de voorgesteldeverhoging van de arbeidskorting, die wordt gedekt door een hoger tariefin de eerste schijf. Nu de motie-Van Hijum en Bikker is aangenomen,waarin wordt verzocht deze verhoging terug te draaien en ook demotie-Klaver en Kouwenhoven, die aanpassing van de indexatie van dearbeidskorting bepleit om lagere inkomens te ontzien, vragen deze ledenhoe de regering hiermee omgaat.Deze leden ontvangen graag een geactualiseerd koopkrachtbeeld waarinde effecten van beide moties zijn verwerkt, uitgesplitst naar inkomens-groepen en huishoudtypen.De leden van de D66-fractie hechten eraan dat werken in Nederlanddaadwerkelijk moet lonen. De leden van de D66-fractie constateren dat ditten aanzien van het Belastingplan achterhaald is door de ontwikkelingenrondom de «buffelboete» tijdens de AFB. Kan de regering dit bevestigenen toelichten wat de gevolgen voor het deel van het Belastingplan precieszijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 145 Daarnaast benadrukken deze leden dat er meer gedaan moet worden omde marginale druk te verlagen. Hoe beoordeelt de regering in dit licht hetvoorstel van de leden van de D66-fractie om werkenden die een substan-tieel aantal uren maken extra te ontzien van belastingdruk, bijvoorbeeldvia een aanvullende belastingkorting voor mensen die ten minste vierdagen per week werkzaam zijn?De leden van de D66-fractie kijken kritisch naar de voorgestelde beperkingvan de toepassing van de tabelcorrectiefactor. In hun ogen is dit geenpassend instrument om structurele maatregelen mee te dekken. Dezeleden benadrukken dat begrotingsbeleid juist gericht moet zijn op delange termijn en vragen de regering of de regering deze visie deelt.Daarnaast vernemen deze leden graag hoe de regering de beperking vande tabelcorrectiefactor beoordeelt in het licht van een solide envoorspelbaar begrotingsbeleid. De leden van de D66-fractie vrezen datwanneer vaker dit soort beperkingen worden ingezet om middelen vrij tespelen, dit niet alleen de betrouwbaarheid en stabiliteit van het begro-tingsbeleid aantast, maar ook het vertrouwen in en de robuustheid vanhet fiscale systeem zelf kan beschadigen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken in hetBelastingplan 2026. Hoewel niet onderdeel van het Belastingplan 2026,komt er wel vanaf 1 januari 2026 meer stimulans om meer te gaan werkenvia een verhoging van de arbeidskorting.Het tarief van de eerste schijf wordt verhoogd en dient als dekking voor deverhoging van de arbeidskorting. Deze leden vragen de regering waaromis gekozen voor een verhoging van de arbeidskorting als er Kamerbreedeen streven is om juist af te willen stappen van het heilloze toeslagen-stelsel? De heffingskortingsystematiek is in de ogen van deze leden eenwezenlijk onderdeel van de complexe samenloop tussen regelingen.Kan de regering middels een illustratie in beeld brengen hoe de arbeids-korting na inwerkingtreding van deze maatregel afbouwt ten opzichte vande huidige afbouw?Neemt de marginale druk toe door deze maatregel? Zo ja, hoe past dat inde huidige maatschappelijke discussie en de kabinetsinzet ten aanzien vande marginale druk en het standpunt dat werken meer moet lonen?Bij de paragraaf over doeltreffendheid en doelmatigheid lezen de ledenvan de CDA-fractie dat de regering de verhoging van de arbeidskortingdoelmatig en doeltreffend vindt, omdat hiermee de koopkrachtontwik-keling tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden gelijker wordt. Dezeleden vragen hoe de regering kijkt naar de recente evaluatie van deregeling, waaruit beperkte doelmatig- en doeltreffendheid van de regelingop stimuleren van arbeidsaanbod bleek en hogere marginale druk bijverhoging van de regeling.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met verbazing kennisge-nomen van het voornemen van de regering om de arbeidskortingbeleidsmatig te verhogen. Is de regering bekend met de uitspraak vanvoormalig Staatssecretaris van fiscaliteit Van Rij die bij de behandelingvan het Belastingplan 2023 stelde dat «we tegen de grenzen van dearbeidskorting zijn aangelopen», gelet op de steeds grotere omvang vandeze heffingskorting? Kan de regering in een tabel aangeven met welkbedrag de arbeidskorting sinds 2001 per jaar gegroeid is, dit uitsplitsennaar indexatie en beleidsmatige verhogingen en aangeven hoe hoog dearbeidskorting zou zijn geweest als elk jaar alleen de reguliere indexatiezou zijn toegepast? Kan de regering voorts aangeven wat het koopkracht-effect is van de in het Belastingplan 2026 voorgestelde verhoging? Ookvragen deze leden de regering de totstandkoming van de huidigevormgeving te beschrijven, en daarbij in te gaan op de ontstaansgeschie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 146 denis van de verschillende knikpunten. Verder vragen deze leden toe telichten op welke wijzen de verschillende parameters van de arbeidskortinggeïndexeerd worden en wat daar de rationale achter is (geweest). Tevensvragen deze leden of de regering kan aangeven welk afbouwpercentagenodig is bij een budgetneutrale vereenvoudiging van de arbeidskortingwaarbij de arbeidskorting met 12,5 procent opbouwt naar een inkomenvan 45.000 euro. Zou een dergelijke vormgeving een alternatief kunnenzijn voor het oplossen van de zogenaamde buffelboete? Zo nee, hoe zoude oplossing wel vormgegeven kunnen worden, als de oplossing louterbinnen het huidige budget van de arbeidskorting zou worden gevonden?Kunnen er bijvoorbeeld drie oplossingen daarvoor worden geschetst,inclusief bijbehorende grafieken?Deze leden vragen ook aandacht voor het feit dat de hoge arbeidskortingtot grote, onrechtvaardige uitkomsten leidt voor mensen die arbeidsonge-schikt zijn. Kan de regering in een aantal standaardsituaties uitwerken wathet verschil in belastingdruk is voor een ontvanger van een arbeids-ongeschiktheidsuitkering vis à vis iemand die dezelfde inkomsten heeft uitloondienst? Welke opties ziet de regering om deze discriminatie vanarbeidsongeschikten via de arbeidskorting te verhelpen en welk bedragzou met die oplossingen gemoeid zijn? Wil de regering zich alles op alleszetten om dit schrijnende verschil voor volgend jaar de wereld uit tehelpen?De leden van de ChristenUnie-fractie hebben tevens met verbazinggeconstateerd dat de stelpost voor fiscale regelingen en constructies uithet regeerakkoord van het kabinet Schoof niet kon worden ingevuld, maarnu gedekt wordt door belastingschijven en andere parameters diesamenhangen met de tabelcorrectiefactor (tcf) voor een deel niet teindexeren voor inflatie. Deze leden vragen de regering om aan te gevenwelk deel van de totale stelpost nu wél is ingevuld, en hierbij onderscheidte maken met de invulling van deze stelpost door het kabinet Rutte IV.Was er – zeker ook gelet op het grote aantal van fiscale regelingen meteen negatieve evaluatie – echt geen mogelijkheid om tot invulling vandeze stelpost te komen? Ook vragen deze leden met welke reden voordeze dekkingsbron is gekozen, en welke andere dekkingsbronnenoverwogen zijn, of welke voor de hand liggen. Tevens vragen deze ledenvoor welk deel de tabelcorrectiefactor dit jaar niet wordt doorgevoerd,waarbij zij doelen op het totaal aan «grepen» uit de tcf, waaronder ook dievoor het terugdraaien van de btw-verhoging op media, sport en cultuur.Wat is het totale budgettaire belang dat gemoeid is met het totale deelsniet-indexeren van de tcf en wat zijn de bijbehorende koopkrachteffecten?Kan de regering tevens aangeven in hoeverre de tcf in de afgelopen tienjaar al dan niet gedeeltelijk is doorgevoerd? Ook vragen deze leden omeen reactie op de stelling dat het niet volledig indexeren van de relevanteparameters in het belastingstelsel een verstopte belastingverhoging is enom een reactie op de conclusie uit onderzoek dat «het niet indexeren vanbelastingparameters vooral de lasten op arbeid verzwaart» en dat «detoegenomen belasting door niet indexeren bovengemiddeld neerslaat bijlagere inkomens»1.De leden van de SGP-fractie zijn zeer kritisch over de verhoging van hettarief van de eerste schijf inkomstenbelasting in combinatie van deverhoging van de arbeidskorting. Wat is daarvan precies het doel en opbasis waarvan verwacht de regering dat dat doel wordt bereikt? Diverseonderzoeken hebben laten zien dat de rek uit de doelmatigheid en1Niet indexeren van belastingschijven raakt lagere inkomens het hardst, Gerard Eijsink enMauro Mastrogiacomo, in ESB (https://esb.nu/niet-indexeren-van-belastingschijven-raakt-lagere-inkomens-het-hardst/).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 147 doeltreffendheid van een verdere verhoging van belastingkortingen op dearbeidsparticipatie eruit is, zo constateren de leden van de SGP-fractie.Waarom kiest de regering er dan toch voor om de arbeidskorting verder telaten stijgen?De leden van de SGP-fractie vragen opnieuw aandacht voor de grotebelastingkloof tussen een- en tweeverdieners. Met de wijzigingen in hetvoorliggende wetsvoorstel wordt de kloof opnieuw groter, zo merken dezeleden op. Waarom kiest de regering daarvoor en niet voor het verkleinenvan deze onrechtvaardige belastingkloof?Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie naar het budgettaire belangals de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting, zoals vorigjaar voorgesteld en met het amendement Stoffer c.s. (Kamerstuk 36 602,nr. 99) is verbreed, niet afgebouwd wordt? Ook vragen deze leden wat hetkost om de afbouwgrens van 36.000 euro te verleggen naar 50.000 euro?5. Algemene toelichting maatregelen in wetsvoorstel Belas-tingplan 2026 5.1 Verduidelijking fietsregeling De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat de fietsregelingwordt verduidelijkt door geen bijtelling te rekenen als een fiets «niet meerdan bijkomstig» bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordtgestald. Deze leden vragen zich af wat «bij het woon- of verblijfadres vande werknemer» in de praktijk betekent. Deze leden vragen de regering ditte verduidelijken. De Belastingdienst geeft aan dat de «10%-norm» lastigte administreren is. Verwacht de Belastingdienst hierbij ook discussie overwat als stallen «bij het woon- of verblijfadres» betekent? Is hier bijvoor-beeld een afstandsnorm op van toepassing? Valt een deelfietsenhub in debuurt van het woon- of verblijfadres hier bijvoorbeeld wel of niet onder?Bestaat de mogelijkheid dat werkgevers een deelfietsabonnementonbelast vergoeden voor hun werknemers, waarbij de werknemer dedeelfiets ook privé kan gebruiken? Deze leden vragen de regering om toete lichten waarom dit wel of niet het geval is met de voorgesteldeverduidelijking van de fietsregeling.De leden van de VVD-fractie waarderen dat met deze wijziging wordtvoorkomen dat in alle gevallen waarin een fiets voor woon-werkverkeerwordt gebruikt automatisch een bijtelling moet plaatsvinden. De ledenvan de VVD-fractie delen het uitgangspunt dat de regeling het gebruik vande fiets, met name voor het eerste of laatste deel van hetwoon-werktraject («last mile»), moet stimuleren. Ook achten deze ledenhet terecht dat de wijziging met terugwerkende kracht wordt ingevoerd,aangezien de problematiek al speelt sinds de introductie van de forfaitaireregeling per 1 januari 2020. De leden van de VVD-fractie merken op dat bijde invoering van artikel 13ter destijds administratieve eenvoud vooropstond. Deze leden vragen de regering of de nu voorgestelde wijziging datuitgangspunt niet juist onder druk zet. De bijtelling kan achterwege blijvenindien de fiets niet meer dan bijkomstig (10 procent) bij het woon- ofverblijfadres van de werknemer wordt gestald. Van stalling bij het woon-of verblijfadres is slechts sprake als de werknemer de sleutel van de fietsexclusief tot zijn beschikking heeft. De Belastingdienst heeft in deuitvoeringstoets al aangegeven dat deze «10 procentnorm» lastig teadministreren en te controleren is. De leden van de VVD-fractie delen dezezorg en vragen de regering daarom te bevestigen dat een schriftelijkeafspraak tussen werkgever en werknemer, waarin wordt vastgelegd dateen ter beschikking gestelde fiets niet mee naar huis mag wordengenomen, voldoende is om aannemelijk te maken dat de bijtelling terechtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 148 achterwege blijft, ook als de werkgever daarop niet actief controleert.Indien dat niet voldoende is, achten deze leden de regeling nietuitvoerbaar en moeilijk handhaafbaar.De leden van de NSC-fractie zien de verduidelijking van de fietsregelingals een logische stap om onwenselijke gevolgen en onduidelijkheid tevoorkomen. De terugwerkende kracht tot 2020 achten deze ledenbegrijpelijk.Wel merken deze leden op dat de uitvoerbaarheid vragen oproept, ondermeer door de zogenoemde 10%-norm voor stalling bij het woonadres.Deze leden vragen de regering te bevestigen dat een schriftelijke afspraaktussen werkgever en werknemer waarin wordt vastgelegd dat de fiets nietmee naar huis mag worden genomen voldoende bewijs vormt om debijtelling achterwege te laten, ook zonder actieve controle. Daarnaastvragen deze leden hoe de Belastingdienst deze norm praktisch zalhandhaven.De leden van de D66-fractie zijn positief over het fiscaal stimuleren van defiets als middel voor woon-werkverkeer en over de verduidelijkingrondom de toepassing van deelfietsen. Deze leden vragen de regering ofin het totstandkomingsproces lessen zijn geleerd die ook kunnen wordentoegepast op andere vormen van deelmobiliteit, zoals elektrischedeelscooters of deelauto’s. Ziet de regering ruimte om meer uniformiteitte brengen in de fiscale behandeling van verschillende vormen vandeelmobiliteit? De leden van de D66-fractie benadrukken dat eensamenhangend fiscaal beleid voor deelmobiliteit niet alleen bijdraagt aanrechtszekerheid, maar ook kan helpen de bredere doelen op het gebiedvan duurzaamheid, klimaat en bereikbaarheid te realiseren. Hoe kijkt deregering hier tegenaan en is de regering bereid om een bredere visie opde fiscale behandeling van deelmobiliteit te ontwikkelen? Daarnaastvragen deze leden of met deze verduidelijking voldoende zekerheid wordtgeboden aan zowel werkgevers als werknemers. Zo nee, waar liggenvolgens de regering op dit moment de belangrijkste resterende onzeker-heden?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen met welke reden ervoorgekozen is om werkgevers die hun werknemer een fietsplan aanbiedengeen mogelijkheid te geven om een fiscaal gefaciliteerde kilometerver-goeding uit te betalen. Deze leden kunnen zich voorstellen datwerknemers die de keuze hebben tussen de auto of een snelle elektrischefiets (met een hoge aanschafprijs) hierdoor toch geneigd zijn de auto tepakken. Herkent de regering dit probleem, en welke oplossingsrichtingenziet zij hiervoor?5.2. Maatregelen lucratiefbelangregeling De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat pas na uitspraak ineen lopende rechtszaak bepaald kan worden of het afschaffen van deaanmerkelijkbelangvariant in de lucratiefbelangregeling juridischhoudbaar is. Deze leden vragen de regering of de regering bereid isalsnog over te gaan tot afschaffing als de genoemde uitspraak dat toelaat.Deze leden begrijpen ook dat het forfaitaire stelsel in box 3 tot discussieskan leiden. Deze leden vragen daarom of de situatie anders is zodra hetforfaitaire stelsel niet meer bestaat, wat als het goed is vanaf 2028 hetgeval is. Ook merken deze leden op dat het verschil in tarieven tussen deboxen tot discussie kan leiden; deze leden vragen daarom of het nietverstandiger zou zijn om inkomen in box 3 op te tellen bij het inkomen inbox 1 en het geheel progressief te belasten. Hoe kijkt de regering aantegen dit voorstel?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 149 Voorts zijn deze leden benieuwd waarom het voorliggende voorstel niet ofminder tot discussie zou leiden dan het schrappen van de aanmerkelijkbe-langvariant. Door het invoeren van een grondslagverbredende multiplierkan het immers ook voordeliger worden om gebruik te maken van hetforfait in box 3 in plaats van belasting over het werkelijke rendement inbox 2 te betalen. Hoe ziet de regering dit?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in reacties op deinternetconsultatie over het voorstel wordt aangegeven dat «het vanbelang is dat Nederland, in vergelijking met de ons omringende landen,niet uit de pas zou moeten lopen voor wat betreft de belastingheffing overlucratieve belangen». Deze leden vragen of de regering dit standpuntdeelt en of de regering dit kan toelichten. Vindt de regering dat privateequity-managers minder belasting zouden moeten betalen danwerknemers of zelfstandigen? Is de regering bang dat private equity-managers uitwijken naar andere landen als zij meer belasting moetenbetalen? Zo ja, vindt de regering dit problematisch, en waarom? Watzouden de gevolgen voor de Nederlandse economie zijn als dit zougebeuren?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken verder op dat devennootschapsbelasting niet genoemd wordt in de passage over lucratiefbelang. Deze leden lezen dat de effectieve belastingdruk voor voordelenuit lucratief belang na implementatie van de voorgestelde multiplierneerkomt op 28,45 procent of 36 procent. Kan de regering toelichten inhoeverre er sprake is van heffing van vennootschapsbelasting overlucratieve belangen in de aanmerkelijkbelangvariant? Kan de regeringuitleggen hoe het kan dat voordelen uit lucratief belang niet onderhevigzouden zijn aan vennootschapsbelasting in de aanmerkelijkbelangvariant?Deze leden lezen dat de maatregel niet fraudebestendig is omdat deBelastingdienst beperkt toegang heeft tot bruikbare contra-informatie.Deze leden vragen de regering om uit te leggen op welke manier deregeling fraudegevoeliger wordt door de voorgestelde maatregel en hoedie fraude er in de praktijk uitziet.De leden van de VVD-fractie benadrukken dat fiscale stabiliteit envoorspelbaarheid van groot belang zijn voor het Nederlandse investe-ringsklimaat. Deze leden constateren dat de voorgestelde wijzigingsamenvalt met andere lopende trajecten van fiscale herziening,waaronder het toekomstige nieuwe box 3-stelsel. De leden van deVVD-fractie vragen de regering of het verstandig is om reeds per 2026ingrijpende aanpassingen in de lucratiefbelangregeling door te voeren,terwijl op korte termijn een bredere stelselherziening kan volgen. Kan deregering toelichten waarom niet is gekozen voor uitstel van deze wijzigingtot na de definitieve invoering van het nieuwe box 3-stelsel, zodat eenintegrale afweging kan plaatsvinden?De leden van de VVD-fractie vragen nadrukkelijk aandacht voor deinternationale context van deze maatregel. In de meeste ons omringendelanden worden opbrengsten uit managementparticipaties en carriedinterest aangemerkt als kapitaalopbrengst, belast tegen capital-gains-tarieven die doorgaans aanzienlijk lager liggen dan het gecombineerdeNederlandse effectieve tarief. Kan de regering aangeven hoe de voorge-stelde multiplier zich verhoudt tot de belastingdruk op vergelijkbareinkomsten in landen als Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk? Inhoeverre acht de regering het risico reëel dat een hogere Nederlandsebelastingdruk leidt tot minder vestigingsbereidheid van internationalefondsen en ondernemingen of zelfs tot verplaatsing van investeringsacti-viteiten naar het buitenland? De leden van de VVD-fractie wijzen erop datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1410 Nederland juist gebaat is bij een stabiel en concurrerend fiscaal klimaatdat ondernemerschap en investeringen aantrekt.De leden van de VVD-fractie merken op dat wijzigingen in de lucratiefbe-langregeling niet los kunnen worden gezien van de fiscale behandeling inde vennootschapsbelasting. Immers, uitkeringen op aandelen zijn inNederland niet aftrekbaar en winstuitdelingen kunnen niet onbeperktworden uitgesteld vanwege de doorstootverplichting. Kan de regeringtoelichten hoe deze maatregel zich verhoudt tot de effectieve belas-tingdruk op ondernemingswinsten in de vennootschapsbelasting, en ofcumulatie-effecten voldoende zijn meegewogen? De leden van deVVD-fractie vragen tevens om inzicht in de totale gecombineerde heffing(vennootschapsbelasting plus box 2) na toepassing van de multiplier.De leden van VVD-fractie merken op dat het huidige box 2-tarief van 31procent in de praktijk wordt ervaren als een redelijke middenweg tussenarbeid (box 1) en kapitaal (box 3). Daarbij speelt dat houders vanlucratieve belangen meestal mede-investeerders zijn met een eigenfinancieel belang («skin in the game») en risico op verlies van geïnves-teerd kapitaal. De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom deregering van mening is dat deze groep een extra belastingverhoging viaeen multiplier zou moeten dragen, terwijl zij al ondernemingsrisico lopenen bijdragen aan de economische groei en innovatie. Is overwogen omeventuele ongewenste constructies aan te pakken via gerichte antimis-bruikbepalingen, in plaats van via een algemene verhoging van debelastingdruk? Is de regering het ermee eens dat de huidige lucratiefbe-langregeling private-equitymanagers en co-investeerders verplicht totsubstantiële eigen risico-inbreng («skin in the game»)? Hoe wordtvoorkomen dat de voorgestelde tariefsverhoging dit evenwicht verstoort,waardoor fondsmanagers juist minder eigen kapitaal inbrengen en deverantwoordelijkheid voor risico’s verschuift?De leden van de VVD-fractie vrezen voor een (onbedoeld) veel te ruimereikwijdte van de maatregel. Kan de regering bevestigen dat de voorge-stelde tariefsverhoging niet uitsluitend private-equitymanagers treft, maaróók scale-up-founders met roll-over-equity, directies van snelgroeiendebedrijven en MKB-investeerders? Hoe verhoudt deze brede toepassingzich tot de beleidsdoelstelling om ondernemerschap en MKB-financieringjuist te stimuleren? Acht de regering het wenselijk dat ook deze groepenworden geraakt door een maatregel die oorspronkelijk bedoeld leek omexcessieve beloningen te beperken? Is de regering bereid te erkennen datde voorgestelde maatregel innovatieve ondernemers enMKB-investeerders kan ontmoedigen om risico te nemen of nieuwkapitaal te investeren? Hoe voorkomt de regering dat deze tariefsver-hoging leidt tot minder oprichting en groei van ondernemingen inNederland, terwijl juist start- en scale-ups essentieel zijn voor innovatie eneconomische groei? Welke lessen trekt de regering uit eerdere fiscalemaatregelen waarbij marktpartijen hun structuren massaal hebbenaangepast om lastenverzwaring te vermijden? Erkent de regering dat eenvergelijkbaar effect zich ook hier kan voordoen, waardoor de beoogdeopbrengst van de maatregel afneemt en tegelijkertijd de complexiteit enadministratieve druk voor ondernemers juist toenemen?De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat de Belastingdienst reedscapaciteitstekorten en achterstanden kent in de uitvoering van complexewetgeving. Hoe verantwoordt de regering het invoeren van een maatregeldie naar verwachting leidt tot herstructureringen, geschillen en interpreta-tieverschillen, terwijl de uitvoeringsorganisatie al zwaar wordt belast?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1411 Kan de regering een kwantitatieve inschatting geven van de extrauitvoeringskosten die deze maatregel met zich meebrengt voor deBelastingdienst? Staan deze kosten in redelijke verhouding tot deverwachte budgettaire opbrengst van circa 45 miljoen euro per jaar?Indien de uitvoeringslast disproportioneel blijkt, is de regering bereid demaatregel te heroverwegen of aan te passen?De leden van de VVD-fractie hebben vragen over het in de memorie vantoelichting op pagina 39 gegeven rekenvoorbeeld. Het voorbeeld isonduidelijk want in de feiten wordt gesteld dat Holding BV X 95% van EUR100.000 heeft uitgekeerd aan X met toepassing van de aanmerkelijkbe-langvariant en dat de overige 5% (nog) niet wordt uitgekeerd. Vervolgenswordt in de uitwerking echter uitgegaan van een uitkering van EUR100.000 x 36/31ste, en niet EUR 95.000 x 36/31ste. Klopt het dat hetvoorbeeld op dit punt onduidelijk is, en klopt het dat in dit voorbeeld hetinkomen uit aanmerkelijk belang voor het desbetreffende jaar vastgesteldmoet worden op (EUR 95.000 x 36/31) + EUR 200.000 = EUR 310.322?Zelfde voorbeeld maar wat als wél de volle EUR 100.000 meteen inhetzelfde kalenderjaar wordt uitgekeerd aan X? Klopt het dat het inkomenuit aanmerkelijk belang dan als volgt wordt berekend: (EUR 95.000 x36/31) + EUR 5.000 + EUR 200.000 = EUR 315.322?De leden van de VVD-fractie vragen om eerbiedigende werking voorbestaande gevallen en wel om de volgende reden. Veel belastingplich-tigen die in de voorbije jaren een middellijk gehouden lucratief belanghebben verworven, hebben daarin fors geïnvesteerd. De hoogte van hetgeïnvesteerde bedrag is veelal vooraf met de Belastingdienst afgestemdin een vaststellingsovereenkomst (VSO), waarbij partijen rekening houdenmet onder andere de verwachtingswaarde van het desbetreffendelucratieve belang. Voor de desbetreffende belastingplichtigen en hunwerkgevers was het veelal een afweging om of (A) akkoord te gaan metde voorwaarden van de VSO en een forse risicodragende investering tedoen voor de aankoop van het lucratieve belang, om bij positieverendementen in aanmerking te komen voor toepassing van het box 2tarief, of (B) een bonusafspraak te maken waarvoor geen risicodragendeinvestering is vereist, maar waarbij de eventuele bonus wordt belast inbox 1 (en aftrekbaar is voor de werkgever). Voor al die bestaande gevallenwaarin is gekozen voor de aanmerkelijkbelangvariant worden deparameters nu tussentijds plots aangepast. Maar de desbetreffendebelastingplichtigen hebben al wel geïnvesteerd. Is het voorgaande voorde regering reden om bestaande lucratieve belangen die zijn gestructu-reerd met de aanmerkelijkbelangvariant te eerbiedigen, zonder toepassingvan de multiplier op uitkeringen uit die belangen na 2025? Een alterna-tieve benadering is dat deze eerbiedigende werking wordt beperkt totbestaande lucratieve belangen van belastingplichtigen die zijn gestructu-reerd met de aanmerkelijkbelangvariant en waarvoor een VSO is gesloten,omdat (a) die situaties makkelijk controleerbaar zijn voor de belasting-dienst en (b) in die situaties de risicodragende inleg voor de aankoop vanhet lucratief belang is afgestemd met de Belastingdienst. De leden van deVVD-fractie vragen de regering om in te gaan op de (on)mogelijkheid of(on)wenselijkheid van eerbiedigende werking voor bestaande gevallen endit met redenen te omkleden.De leden van de NSC-fractie steunen het voorstel om de belastingdruk opmiddellijk gehouden lucratieve belangen te verhogen via een multiplier inbox 2. Deze maatregel geeft uitvoering aan de eerder aangenomenmotie-Idsinga c.s. over zwaardere belasting van carried interest in deprivate-equitysector.Deze leden zien dit als een stap naar een eerlijkere behandeling van ditsoort inkomsten. Deze leden vragen de regering om te bevestigen dat metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1412 deze wijziging de intentie van de motie volledig wordt gerealiseerd en datontwijkingsconstructies worden voorkomen.Tot slot vragen deze leden op dit punt hoe de regering de uitvoerbaarheiden handhaafbaarheid van deze aanpassing waarborgt.De leden van de D66-fractie ondersteunen de maatregelen ten aanzien vande lucratiefbelangregeling en hebben geen verdere vragen.In de toelichting lezen de leden van de CDA-fractie dat er nog eenrechtszaak loopt over het effectueren van box 1 heffing over lucratiefbelangen onder een belastingverdrag. Ook worden bij afschaffen vanab-variant arbeidsintensieve discussies verwacht in verband met hethuidige forfaitaire box 3 stelsel. Deze bezwaren leiden bij deze leden totde vraag of het niet beter is te wachten tot uitsluitsel in de gerechtelijkeprocedure of tot het nieuwe box 3 stelsel wordt ingevoerd, omdat zij in deuitvoeringstoets een rode vlag zien bij deze maatregel. Deze leden lezendat de maatregel niet met IV-ondersteuning kan worden uitgevoerdvanwege een te vol portfolio, dat mogelijk meer personele capaciteitnodig is en dat de regeling niet fraudebestendig is. Deze leden vragen ofde regering het verstandig acht de maatregel toch op korte termijn uit tegaan voeren en hoe de voordelen tegen de nadelen opwegen.Deze leden lezen ook dat de maatregel verder gaat dan de motie vraagt,omdat deze niet beperkt is tot private-equity managers met een middelijkgehouden lucratief belang. Deze leden vragen of het klopt dat de lucratiefbelangregeling, en de zwaardere heffing hierop als gevolg van voorge-stelde maatregelen, ook van toepassing kunnen zijn bij werknemersparti-cipaties, ook in startups en scale ups, die ook als lucratief belanggestructureerd kunnen zijn. Deze leden vragen of het de bedoeling is omwerknemersparticipatie te raken met deze regeling, en of de gevolgen nieteerst in kaart moeten worden gebracht, in plaats van pas bij uitwerkingvan de regeling voor startups en scale ups. Ook vragen deze leden hoedeze maatregel strookt met de doelstelling van het kabinet om juistondernemerschap en MKB-financiering te stimuleren. Verder vragen dezeleden of de regering heeft gekeken naar de gevolgen van deze maatregelvoor de Nederlandse concurrentiepositie. Zo heeft bijvoorbeeld Belgiëreent een apart tarief voor carried interest aangekondigd.De leden van de SGP-fractie lezen dat de invoering van een multipliervoor lucratief belang in box 2 niet fraudebestendig en complexiteitsver-hogend is en dat het risico op procesverstoringen groot is. In hoeverrekomt dat doordat de maatregel lastig inpasbaar is in het IH-portfolio? Is erzicht op verbeteringen in de uitvoering, bijvoorbeeld door het doorvoerenvan systeemwijzigingen? Hoe kan de uitvoering worden verbeterd?5.3. Aanpassingen box 3 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het positief dat ervoorgekozen is de budgettaire derving die is ontstaan door uitstel van de Wetwerkelijk rendement te dekken binnen het domein vermogen en winst. Ditis immers in het verleden niet altijd het geval geweest en deze leden zijnvan mening dat het van groot belang is dat werkenden en uitkeringsge-rechtigden niet opdraaien voor belastingvoordelen die ten goede komenaan het rijkste deel van de bevolking.Tegelijkertijd constateren deze leden dat alleen de derving als gevolg vanhet uitstel van de Wet werkelijk rendement hiermee wordt gedekt en nietde vele miljarden die de hersteloperatie in box 3 inmiddels kost. Dezeleden merken op dat in juni een meerderheid van de Kamer heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1413 ingestemd met de motie Stultiens/Vijlbrief (Kamerstuk 36 706, nr.18) overherstel van de onrechtvaardige herverdeling van geld van werkenden naarde grootste vermogens. Deze motie vraagt expliciet om herstel van deonrechtvaardige herverdeling van werkende mensen naar vermogendenin de hersteloperatie in box 3. Moeten deze leden concluderen dat deregering weigert deze motie uit te voeren? Zo niet, hoe heeft de regeringde motie uitgevoerd, of hoe is de regering van plan de motie uit tevoeren? Is de regering zich ervan bewust dat het niet de bedoeling is datde regering een uitspraak van de Kamer zonder enige toelichting naastzich neerlegt? Welke gevolgen denkt de regering dat dit heeft voor hetdraagvlak onder het Belastingplan 2026?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie snappen ook dat de tegenbe-wijsregeling zorgt voor een zekere asymmetrie, en dat een hoger forfaitbijdraagt aan het verminderen van deze asymmetrie. Toch hebben dezeleden een paar vragen over de gepresenteerde dekkingsvoorstellen.Zo lezen deze leden dat de regering het forfait voor «overige bezittingen»in box 3 onder andere wil verhogen door ook een huurwaardeforfait van3,35 procent van de WOZ-waarde voor de voordelen als gevolg van eigengebruik mee te gaan rekenen. Deze leden vragen of het klopt dat devoordelen als gevolg van eigen gebruik niet meegenomen worden bij hetbepalen van het inkomen in de tegenbewijsregeling. Wordt het verschiltussen de forfaitaire benadering en de tegenbewijsregeling hiermee weergroter? Ook vragen deze leden of de regering verwacht dat meerbelastingplichtigen in box 3 gebruik zullen maken van de tegenbewijsre-geling als gevolg van de verhoging van het forfait voor overige bezit-tingen. Hoeveel druk zal dat zetten op de Belastingdienst?De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering het forfait op overigebezittingen in Box 3 wil verhogen. Deze leden constateren dat dit debelastingdruk voor bijvoorbeeld verhuurders van een woning nog verderverhoogd en hebben hier nog enkele vragen over.De leden van de VVD-fractie vragen de regering op welke manieruitvoering gegeven is aan de motie-Van Eijk/Stoffer, waarin werd verzochtom de effecten van de verhoging van het forfait voor groepen belasting-plichtigen in kaart te brengen en met deze groepen in overleg te treden.Welk overleg heeft plaatsgevonden en welke alternatieven zijn naaraanleiding hiervan onderzocht en overwogen? Kan de Kamer daarnaast zospoedig mogelijk worden geïnformeerd over de uitvoering van demotie-Van Eijk/Peter de Groot om opties in kaart te brengen voor eentegemoetkoming voor het ontbreken van kostenaftrek?De leden van de VVD-fractie zijn daarnaast van mening dat de vertragingvan de invoering van de Wet werkelijk rendement hoogst onbevredigendis, omdat het hogere forfaitaire rendement de kosten van deze vertragingdient te dekken. Welke stappen zijn concreet ondernomen om vertragingte voorkomen? Op welke manier zet de regering zich in om niet alleen teprioriteren in het IV-portfolio van de Belastingdienst, maar ook om teversnellen?De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering voorstelt om debrutohuurwaarde toe te voegen aan de berekening van het forfaitairerendement op onroerende zaken, omdat kosten geen onderdeel uitmakenvan het huidige rendementsbegrip in box 3. Hoe verhoudt dit zich tot devermogensrendementsheffing zoals deze in 2001 is ingevoerd waarbij bijwetsfictie ervan werd uitgegaan dat het forfaitair rendement lager wasdan het nettorendement dat de belastingplichtige geacht werd altijd tekunnen behalen?Deze leden lezen ook dat de regering voorstelt om de brutohuurwaardetoe te voegen aan de berekening van het forfaitaire rendement opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1414 onroerende zaken, omdat kosten geen onderdeel uitmaken van hethuidige rendementsbegrip in box 3. Hoe verhoudt dit zich tot het eerderestandpunt van de regering dat voor de netto-inkomsten wordt aange-nomen dat eventuele huuropbrengsten en de kosten van bezit per saldotegen elkaar wegvallen (Kamerstuk 31 066, nr. 794)? Kiest de regeringhiermee voor een nieuw regime van het belasten van forfaitaire bruto-inkomsten over onroerende zaken in plaats van de netto-inkomsten? Kande regering aangeven hoe het (forfaitair) belasten van bruto-inkomstenzich verhoudt tot het recht op het ongestoord genot van eigendom?Huurinkomsten kennen gemiddeld veel hogere kosten (kosten terverkrijging/verkoop, onderhoud, belastingen) dan spaartegoeden,aandelen en obligaties. Kan de regering aangeven hoe die verhouding ismeegewogen in het voorstel om de brutohuurwaarde toe te voegen aande berekening van het forfaitaire rendement op onroerende zaken?De leden van de NSC-fractie nemen kennis van de voorgestelde aanpas-singen in box 3. Deze leden begrijpen de noodzaak om het huidige stelseluitvoerbaar te houden tot de invoering van het nieuwe box 3-stelsel, maarvinden dat de aanpassingen niet onevenredig mogen uitpakken voorspaarders en kleine beleggers.De leden van de NSC-fractie merken op dat de voorgestelde verlaging vanhet heffingsvrij vermogen vooral bedoeld lijkt om de budgettaire dervingvan de box 3-hersteloperatie te dekken. Daarmee verschuiven de lastenvan het rechtsherstel feitelijk naar spaarders en kleine beleggers. 300.000extra belastingplichtigen gaan hierdoor box 3 belasting betalen en draaiendaarmee op voor het herstel. Deze leden vragen de regering te onder-bouwen waarom voor deze route is gekozen en niet voor dekking uit dealgemene middelen.Daarnaast vragen deze leden aandacht voor de forfaitaire behandelingvan «overige bezittingen». Dit is een zeer heterogene categorie waarinuiteenlopende vermogensbestanddelen een uniform rendement wordenbelast. Deze leden vragen of de regering heeft overwogen deze categorieverder op te splitsen, zodat beter wordt aangesloten bij feitelijke rende-menten en onbedoelde verschillen tussen beleggingstypen wordenvoorkomen.De leden van de D66-fractie ondersteunen de keuze van de regering omde budgettaire derving binnen box 3 te dekken. Deze leden plaatsenechter vraagtekens bij de rechtvaardigheid van de voorgestelde verlagingvan het heffingsvrije vermogen. Met deze maatregel wordt namelijk eennieuwe groep belastingplichtigen geraakt, die tot nu toe onder hetheffingsvrije vermogen vielen. Hoe rechtvaardig acht de regering dezekeuze? Waarom is er niet gekozen om de bestaande groep belastingplich-tigen, boven het heffingsvrije vermogen, in box 3 zwaarder te belasten, inplaats van een nieuwe groep te laten opdraaien voor de derving?De leden van de CDA-fractie hebben eerder hun bezwaren geuit tegen hetom budgettaire redenen eenzijdig aanpassen van de berekeningswijze vanbox 3 rendement op overige bezittingen. Huurinkomsten worden weltoegerekend, maar aftrekbare kosten niet. Deze leden vragen hoe het kandat kosten geen onderdeel zouden zijn van het rendementsbegrip, terwijldeze leden al jaren veronderstellen dat beide elementen in het forfait zijnverwerkt. Deze leden wijzen hiertoe ook op het commentaar van de Raadvan State, die hierop ook wijst.Deze leden vragen hoe dit nieuwe standpunt zich verhoudt tot devermogensrendementsheffing zoals deze in 2001 is ingevoerd waarbij bijwetsfictie ervan werd uitgegaan dat het forfaitair rendement lager wasTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1415 dan het netto-rendement dat de belastingplichtige geacht werd altijd tekunnen behalen?Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe dit zich verhoudt tot heteerdere standpunt van de regering dat voor de netto-inkomsten wordtaangenomen dat eventuele huuropbrengsten en de kosten van bezit persaldo tegen elkaar wegvallen (Kamerstuk 31 066, nr. 794). Deze ledenvragen of de regering hiermee kiest voor een nieuw regime van hetbelasten van forfaitaire bruto-inkomsten over onroerende zaken in plaatsvan de netto-inkomsten.Deze leden vragen of een externe juridische analyse is uitgevoerd tenaanzien van juridische houdbaarheid van deze voorgestelde eenzijdigeverhoging, omdat dit mogelijk niet strookt met het ongestoord genot vaneigendom. Ook vragen deze leden of de regering een impactanalyse heeftuitgevoerd van de gevolgen van deze verhoging van het forfait voor dehuurmarkt. Deze leden vragen in hoeverre wordt verwacht dat dekomende twee jaar het huuraanbod nog verder inkrimpt en prijzen verderkunnen stijgen. Deze leden vragen of de regering op dit punt eengezamenlijke analyse vanuit de fiscaliteit en vanuit de woningmarkt kangeven, aangezien zij een integrale blik van het kabinet missen op dit punt.Deze leden vragen verder op welke objectieve data de regering de stellingheeft gebaseerd dat er sprake is van een onderschatting van de gemid-delde langjarige rendementen op onroerende zaken en hoe een veronder-steld rendement van 7,78 procent passend is.Deze leden vragen of de regering in kaart kan brengen hoeveel meergebruik er gemaakt zal gaan worden van de tegenbewijsregeling en watdit betekent voor de benodigde uitvoeringscapaciteit en voor de tijds-planning richting het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement.Verder vragen deze leden hoeveel mensen met alleen spaargeld vanwegede verlaging van het heffingsvrij vermogen nu belasting zullen gaanbetalen in box 3.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering met hetBelastingplan 2026 beoogt de budgettaire derving van het uitstel van deinvoering van de Wet werkelijk rendement box 3 door het verhogen vanhet forfait voor overige bezittingen met 1,78%-punt, naar 7,78 procent eneen verlaging van het heffingsvrij vermogen van 57.684 euro naar 51.396euro. Hierover hebben deze leden een aantal vragen. De toevoeging van1,78%-punt aan het langetermijnrendement van zes procent behelst eenforfait voor de «huurinkomsten en het voordeel van het eigen gebruik vanonroerende zaken». Deze leden zien hierin een parallel met het eigenwo-ningforfait (ewf) dat immers ook bedoeld is als een belasting van dehuurwaarde. Deze leden merken echter op dat het ewf-percentage dat vantoepassing is op de meeste woningen (0,35 procent) veel lager is dan de1,78 procent die de regering voorstelt voor box 3. Kan de regering op dezediscrepantie ingaan? Ligt het volgens de regering omwille van deconsistentie niet in de rede om ook het eigenwoningforfait te verhogen,en op korte termijn in box 3 niet verder te gaan dan een opslag van 0,35procent in plaats van 1,78 procent?Tevens vragen deze leden de regering om nadere onderbouwing bij hetpercentage van 1,78%-punt. Kan de regering uitleggen hoe de systematiekrond de brutohuurwaarde werkt en met welke reden is gekozen voor debrutohuurwaarde voor het tiende percentiel? Hoe zou deze maatregeluitvallen als gekozen was voor het gemiddelde of de mediaan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1416 Ook vragen deze leden de regering om in te gaan op de positie vanNSW-landgoederen in Box 3. Klopt het dat met de komst van het nieuwebox 3 stelsel erfgenamen ook bij vererving of schenking worden belast opbasis van een niet-gerealiseerde waardestijging? Wat is hiervan hetgevolg voor de instandhouding van deze NSW-landgoederen, en ziet deregering het risico dat deze door de belastingheffing verkocht dienen teworden waardoor versnippering dreigt? Hoe verhoudt dit zich tot het doelvan de Natuurschoonwet? Welke oplossingsrichtingen ziet de regeringhiervoor en overweegt de regering ook flankerend beleid om de negatievegevolgen teniet te doen?De leden van de SGP-fractie wijzen op het advies van de Raad van Stateom ook kosten van bezit van onroerende zaken in ogenschouw te nemenbij het bepalen van het rendement op deze onroerende zaken. Waarom isde conclusie van de regering nu anders dan in 2016? Klopt het datrekening houden met de kosten enkel een parameterwijziging zou zijn(lagere forfait)?Wat zijn de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor de Wettegenbewijsregeling box 3? Worden de budgettaire gevolgen van dezewet hoger doordat belastingplichtigen met een lager rendement dan hethogere forfait meer geld terugkrijgen? Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgenvoor het aantal keer dat tegenbewijs wordt geleverd?De verhoging van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen isgelinkt aan de rendementen voor onroerend goed, zo constateren deleden van de SGP-fractie. Een groot deel van de overige bezittingenbestaat echter uit andere vermogensbestanddelen. Zo hebben veelbelastingplichtigen met overige bezittingen in het geheel geen onroe-rende zaken. Waarop is bij de groep de grote stijging van het forfaitairerendement op gebaseerd en wat rechtvaardigt voor die groep delastenstijging?Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie waarom de regering er ookvoor kiest om het heffingsvrij vermogen te verlagen? Is dit enkel uitbudgettair belang?5.4 Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatio De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gelieerde partijen eenberoep kunnen doen op de gecodificeerde arresten van de Hoge Raadwaaruit blijkt dat de leegwaarderatio zodanig moet worden toegepast datvoor de inkomstenbelasting en de erf- en schenkbelasting een waardewordt gehanteerd die niet meer dan tien procent hoger ligt dan de waardein het economische verkeer. Deze leden lezen voorts dat de regeringvoorstelt alleen de leegwaarderatio toe te passen bij verhuur tussengelieerde partijen indien sprake is van een marktconforme huur. Dezeleden vragen de regering om toe te lichten of hiermee nog steeds eenroute bestaat om de te betalen erf- of schenkbelasting te verminderen. Ishet bijvoorbeeld mogelijk om een woning op papier te verhuren aan eentoekomstige erfgenaam en de huurinkomsten terug te schenken voorzover zij onder de schenkingsvrijstelling vallen, waardoor bij de daadwer-kelijke overdracht van de erfenis een lagere waarde kan worden gehan-teerd voor de erfbelasting? Zo ja, ziet de regering mogelijkheden om dezeroute tegen te gaan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1417 De leden van de VVD-fractie stellen vast dat er geen definitie van«gelieerde partijen» is opgenomen? Klopt dat? Zo ja, hoe moet het begrip«gelieerde partijen» worden uitgelegd? Kan het begrip alsnog in de wetworden gedefinieerd?De leden van de NSC-fractie steunen het uitgangspunt dat de leegwaarde-ratio niet kan worden toegepast bij verhuur tussen gelieerde partijenwanneer sprake is van een niet-marktconforme huurprijs. Hiermee wordtvoorkomen dat woningen kunstmatig laag worden gewaardeerd voorbelastingdoeleinden. Deze leden vragen om duidelijkheid over deafbakening van het begrip «gelieerde partijen». Wordt daarbij aangeslotenbij bestaande definities in de fiscale wetgeving?5.5 Reparatie box 3-tegenbewijsregeling voor obligaties en anderevermogensbestanddelen met kortlopende termijnen De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het positief dat deregering de omschreven ontwijkingsmogelijkheid in box 3 wil tegengaan.Deze leden zijn benieuwd of de regering ook van plan is om andere recentbeschreven ontwijkingsmogelijkheden tegen te gaan, zoals demogelijkheid om rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te latenbetalen en alleen gebruik te maken van de tegenbewijsregeling in jarenwaarin weinig rente wordt uitgekeerd.De leden van de VVD-fractie zijn tevreden over de reparatiewetgeving.Kan de regering aangeven of de voorgestelde reparatie ook de in hetWeekblad Fiscaal Recht (WFR 2025/228) genoemde ontwijkingsroutesafsluit? Zo niet, zal de regering dit alsnog middels een nota van wijzigingproberen te bewerkstelligen? Kan de regering bevestigen dat dit niet metterugwerkende kracht zal gebeuren omdat, anders dan het obligatielek, ernog geen persbericht is gepubliceerd?Deze leden lezen dat de regering in de memorie van toelichting verwijstnaar een artikel van Eric van Uunen als aanleiding voor de reparatiemaat-regel met betrekking tot obligaties met aangekochte rente. Dhr. VanUunen waarschuwt echter ook voor constructies met spaartegoeden, doorhet opheffen van een spaarrekening voor einde kalenderjaar en methuuropbrengsten, door de huur van enkele jaren te cederen. Kan deregering aangeven waarom voor spaartegoeden en huurinkomsten geenreparatiemaatregel wordt voorgesteld?De leden van de NSC-fractie nemen kennis van de voorgestelde reparatievan de tegenbewijsregeling in box 3, die bedoeld is om ongewenstefiscale planning bij kortlopende obligaties en vergelijkbare bezittingen tevoorkomen. Daarnaast vernemen deze leden graag of de regeringsignalen heeft ontvangen van andere vormen van (mogelijke) fiscaleplanning binnen dit overgangsstelsel. Deze leden vragen hoe de regeringdeze ontwikkelingen beoordeelt en of aanvullende maatregelen wordenoverwogen om het tijdelijk stelsel bestand te maken tegen dergelijkeontwijkingsstrategieën.De leden van de CDA-fractie hebben eerder hun bezwaren geuit tegen hetom budgettaire redenen eenzijdig aanpassen van de berekeningswijze vanbox 3 rendement op overige bezittingen. Huurinkomsten worden weltoegerekend, maar aftrekbare kosten niet. Deze leden vragen hoe het kandat kosten geen onderdeel zouden zijn van het rendementsbegrip, terwijldeze leden al jaren veronderstellen dat beide elementen in het forfait zijnverwerkt. Deze leden wijzen hiertoe ook op het commentaar van de Raadvan State, die hier ook op wijst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1418 Deze leden vragen hoe dit nieuwe standpunt zich verhoudt tot de zich totde vermogensrendementsheffing zoals deze in 2001 is ingevoerd waarbijbij wetsfictie ervan werd uitgegaan dat het forfaitair rendement lager wasdan het netto-rendement dat de belastingplichtige geacht werd altijd tekunnen behalen?Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe dit zich verhoudt tot heteerdere standpunt van de regering dat voor de netto-inkomsten wordtaangenomen dat eventuele huuropbrengsten en de kosten van bezit persaldo tegen elkaar wegvallen (Kamerstuk 31 066, nr. 794). Deze ledenvragen of de regering hiermee kiest voor een nieuw regime van hetbelasten van forfaitaire bruto-inkomsten over onroerende zaken in plaatsvan de netto-inkomsten.Deze leden vragen of een externe juridische analyse is uitgevoerd tenaanzien van juridische houdbaarheid van deze voorgestelde eenzijdigeverhoging, omdat dit mogelijk niet strookt met het ongestoord genot vaneigendom. Ook vragen deze leden of de regering een impactanalyse heeftuitgevoerd van de gevolgen van deze verhoging van het forfait voor dehuurmarkt. Deze leden vragen in hoeverre wordt verwacht dat dekomende twee jaar het huuraanbod nog verder inkrimpt en prijzen verderkunnen stijgen. Deze leden vragen of de regering op dit punt eengezamenlijke analyse vanuit de fiscaliteit en vanuit de woningmarkt kangeven, aangezien zij een integrale blik van de regering missen op dit punt.Deze leden vragen verder op welke objectieve data de regering de stellingheeft gebaseerd dat er sprake is van een onderschatting van de gemid-delde langjarige rendementen op onroerende zaken en hoe een veronder-steld rendement van 7,78 procent passend is.Deze leden vragen of de regering in kaart kan brengen hoeveel meergebruik er gemaakt zal gaan worden van de tegenbewijsregeling en watdit betekent voor de benodigde uitvoeringscapaciteit en voor de tijds-planning richting het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement.Verder vragen deze leden hoeveel mensen met alleen spaargeld vanwegede verlaging van het heffingsvrij vermogen nu belasting zullen gaanbetalen in box 3.De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen waarom de regering dezeomissie repareert. Deze leden vragen welke «lekken» de regering nogmeer kent, ook gelet op een aantal recente publicaties in fiscale vaklite-ratuur. Is de regering voornemens om ook daarvoor met reparatiewet-geving te komen?De leden van de SGP-fractie constateren dat voor de meeste aanpas-singen waarbij een terugwerkende kracht geldt, deze start op17 september 2025, de datum waarop het Belastingplan naar buiten isgekomen. Voor de reparatie in de box 3-tegenbewijsregeling geldt echterdat de terugwerkende kracht doorwerkt tot 25 augustus 2025. Verwezenwordt door deze leden naar een persbericht waarin deze maatregelkenbaar is gemaakt. De leden van de SGP-fractie hebben bedenkingen bijde gekozen termijn voor terugwerkende kracht. Er lag op 25 augustusgeen openbaar wetsvoorstel. Ook vragen deze leden of een wetsaan-passing gegrond kan worden op een persbericht, wat nu feitelijk welgebeurt. Waarom is er niet voor gekozen om de terugwerkende kracht tot17 september 2025 te laten gelden, de dag waarop er een openbaarwetsvoorstel lag? Wat zijn hiervan de risico’s?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1419 5.6 Aanpassingen groen beleggen De leden van de VVD-fractie kunnen instemmen met de gevondenoplossing en daarmee recht te doen aan de strekking van hetamendement Van Eijk-Vermeer. Deze leden vragen de regering om toe telichten waarom het oorspronkelijke amendement voor de Belastingdienstniet uitvoerbaar is gebleken.De leden van de NSC-fractie nemen kennis van het voorstel om devrijstelling en heffingskorting voor groene beleggingen per 2027grotendeels af te bouwen, met een beperkte overgangsregeling. Dezeleden begrijpen dat deze aanpassing voortvloeit uit de uitvoeringspro-blemen bij het eerdere amendement.De leden van de D66-fractie lezen in de beslisnota’s terug dat devaststelling van hogere parameters inhoudelijk verder af staat van deintentie van het amendement (amendement Van Eijk-Vermeer) om hetvoordeel af te schaffen en zou een budgettaire derving introduceren diegedekt moet worden. Uit eerder onderzoek van de RVO bleek datverlagingen van de vrijstelling groene beleggingen kan leiden tot een remop (nieuwe) groene financieringen en een verminderde betrouwbaarheidvan de overheid. Waarom heeft de regering deze overwegingen nietopnieuw gewogen toen bleek dat het amendement Van Eijk-Vermeer nietuitvoerbaar is per 1 januari 2027?De leden van de D66-fractie kunnen in de toelichting op het belastingplanook de verwachte rem op (nieuwe) groene financieringen en de vermin-derde betrouwbaarheid van de overheid niet terugvinden. Kan de regeringhet effect van het voorstel nader toelichten langs deze punten?De leden van de ChristenUnie-fractie betreuren het dat fiscale stimulansvoor groene beleggingen wordt afgeschaft, zij het door de onderhavigewetswijziging een jaar later. Deze leden vragen met welke kosten hethandhaven van deze faciliteit gepaard zou gaan. Ook vragen deze leden ofeen dergelijke regeling ook overwogen is met betrekking tot het nieuwebox 3 stelsel en hoe dit eruit zou kunnen zien. Stel dat de huidige regelingvoor groen beleggen niet zou zijn afgeschaft, hoe zou deze er dan uithebben gezien in de Wet werkelijk rendement?5.7 Akkoord «gezond naar het pensioen» De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn verheugd dat er een akkoordis over het voortzetten van de RVU-drempelvrijstelling. Deze leden vragende regering waarom de wettelijke verankering van dit akkoord niet isopgenomen in een apart wetsvoorstel. Er is immers geen budgettairesamenhang met de rest van het Belastingplan 2026.Daarnaast vragen deze leden wat het vrijgestelde bedrag wordt voor 2026.Deze leden lezen dat de hoogte van de vrijstelling gebaseerd is op denetto AOW-uitkering, maar als deze leden het goed begrijpen is devrijstelling bruto gedefinieerd. Aangezien de belastingregels voorpersonen onder de AOW-leeftijd afwijken van de regels voorAOW-gerechtigden zijn deze leden benieuwd hoe hoog het vrijgesteldebedrag exact is.De leden van de VVD-fractie vragen in welke sectoren RVU’s wordenaangeboden. Kan de regering aangeven welk soort belastingplichtigen hetvaakst RVU’s aanbieden aan werknemers? Betreft dit de publieke sector ofjuist bepaalde onderdelen van de private sector? Geldt de drempelvrij-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1420 stelling ongeacht de vraag of de werknemer die gebruikmaakt van deRVU-regeling tot de doelgroep van werknemers met zwaar werk behoort?De leden van de VVD-fractie hechten belang aan voorspelbare wetgeving.Voor (meerjarige) regelingen voor vervroegde uittreding die voor17 september 2025 in werking zijn getreden, zijn werkgevers bij hetbepalen van de kosten van deze regelingen uitgegaan van een eindhef-fingstarief van 52 procent. Zonder overgangsrecht kunnen werkgeversgeconfronteerd worden met onvoorziene financiële gevolgen als gevolgvan de tariefswijziging. Is de regering bereid overgangsrecht op te nemenvoor deze gevallen?De leden van de NSC-fractie onderschrijven het uitgangspunt van hetakkoord Gezond naar het pensioen, namelijk dat werknemers dielangdurig zwaar werk verrichten de mogelijkheid moeten behouden omeerder te stoppen. Deze leden steunen daarom het voorstel om deRVU-drempelvrijstelling structureel te maken en het drempelbedrag teverhogen.Deze leden merken op dat de vrijstelling in het wetsvoorstel generiek isvormgegeven, terwijl in het akkoord werd uitgegaan van een gerichtetoepassing voor personen voor wie het doorwerken tot de AOW-leeftijdniet haalbaar is vanwege het zware werk. Deze leden vragen de regeringom te bevestigen dat deze brede toepassing inderdaad geldt, ongeacht ofde werknemer die gebruikmaakt van de regeling behoort tot de «eigen-lijke» doelgroep van deze regeling.Tot slot vragen deze leden of er in de praktijk al voorbeelden zijn vansectoren of werkgevers die aantoonbaar richting geven aan een gerichtetoepassing van de vrijstelling en ontvangen deze leden graag eentoelichting op de ervaringen die tot nu toe zijn opgedaan.De leden van de D66-fractie zien een duidelijke noodzaak voor demodernisering van het Nederlandse pensioenstelsel. De regering heeftaangegeven dat de doelstelling van de RVU-drempelvrijstelling is datwerknemers met zwaar werk, die niet gezond kunnen doorwerken tot deAOW-leeftijd, eerder met pensioen kunnen. De leden van de D66-fractievragen de regering in welke sectoren de regering verwacht dat vooralgebruik zal worden gemaakt van de verhoging van deze drempelvrij-stelling. Daarnaast vragen deze leden hoe de regering verwacht dat dezeverhoging in cao’s op sectoraal niveau zal worden meegenomen.De leden van de D66-fractie zijn nadrukkelijk geïnteresseerd in dedoelmatigheid van deze regeling en kijken daarom uit naar de monitoringen evaluatie. Deze leden willen benadrukken dat de drempelvrijstellingspecifiek bedoeld moet zijn voor werknemers die door zwaar werk nietgezond meer kunnen doorwerken en dat deze regeling niet breder kanworden ingezet. Welke signalen heeft de regering tot nu toe ontvangenover de doelmatigheid van de tijdelijke RVU-drempelvrijstelling? Watzeggen deze signalen over de wenselijkheid van het structureel makenvan deze faciliteit?De leden van de D66-fractie onderstrepen dat zij willen toewerken naareen fiscaal- en pensioenstelsel dat gemoderniseerd is en waarinwerknemers in zware beroepen de mogelijkheid hebben om gezond hunpensioenleeftijd te halen. Eerder stoppen met werken is daarbij wat dezeleden betreft een uiterste noodoplossing. De leden van de D66-fractievinden dat de echte oplossing hem zit in preventie en tijdig om- enbijscholen. Hoe zit de regering dit?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1421 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar een onderliggendeanalyse van welke personen gebruik zullen maken van de genoemderegeling. In het verlengde daarvan vragen deze leden of dit de doelgroepis die de regering en/of de Kamer ook voor ogen hadden bij hetvoornemen om te komen tot een dergelijke regeling. Kan de regeringreflecteren op de stellingname dat vooral mensen met een hoog inkomengebruik kunnen maken van de Regeling voor vervroegde uittreding (RVU),en dat dit niet per se de groep is voor wie deze regeling nodig én bedoeldis? Welke andere beleidsopties heeft de regering in dit licht overwogen?De leden van de SGP-fractie lezen dat ter dekking van de aanpassing in deRegeling Vervroeg Uittreden (RVU) de Aof-premie wordt verhoogd. Welkbudget wordt daarmee opgehaald? Welk percentage binnen deAof-premie wordt precies verhoogd? Hoe groot is deze stijging?De leden van de SGP-fractie constateren dat de dekking van het verlengenen verhogen van de RVU-vrijstelling deels gevonden wordt in hetRVU-tarief te verhogen. Wordt hierdoor het aanbieden van vervroegdeuittreding voor werknemers met een inkomen boven de drempelbedragniet veel onaantrekkelijker gemaakt? Kan de regering reflecteren of dekansen voor oudere werknemers met een middeninkomen als het gaat omeerder stoppen met werken niet verslechteren?Het tarief van de pseudo-eindheffing stijgt in 2028 naar 65 procent. Wat isde totale maximale belastingdruk van iemand die in 2028 gebruik maaktvan de RVU?Ten slotte vragen de leden van de SGP-fractie op dit punt of ook isoverwogen om de dekking van deze maatregelen te vinden in hetverkorten van de termijn waarin gebruikt gemaakt kan worden van deRVU?5.8 Versoberen ETK-regeling De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn voorstander van verso-bering van de ETK-regeling, maar hadden liever gezien dat de regeringvoor een verdergaande versobering of afschaffing gekozen had. Zoals deregering schrijft blijkt uit de evaluatie van de regeling dat deze slechtsbeperkt doelmatig is. Daarnaast is sprake van een indirect effect dat nietper se wenselijk is, namelijk dat de ETK-regeling «het fiscaal aantrekke-lijker maakt om in Nederland te komen werken», zo valt te lezen in deevaluatie. Een groot deel van de Nederlandse bevolking én de Kamer zietimmers liever minder arbeidsmigranten naar Nederland komen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de ETK-regelingvooral wordt gebruikt in de uitzendsector en de landbouw. Deze ledenvragen de regering of de regering het wenselijk vindt dat het aantrekke-lijker wordt voor buitenlandse arbeidskrachten om in Nederland in dezesectoren te komen werken en zo ja, waarom?Deze leden lezen dat het forfaitaire percentage van 27 procent aan dient tesluiten bij de vergoedingen die onder de ETK-regeling vallen, omdat deforfaitaire regeling anders mogelijk juridisch niet houdbaar is. De regeringgeeft daarbij aan daarom de ETK-regeling niet verder te willen verso-beren. Betekent dat dat de regering eigenlijk geen goede onderbouwingziet voor de kostensoorten dubbele huisvesting en reiskosten van en naarhet land van herkomst, maar deze kosten binnen de ETK wil behouden omte voorkomen dat het forfaitaire percentage van 27 procent in gevaarkomt? Is de regering het ermee eens dat het problematisch is als er in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1422 praktijk helemaal geen sprake is van dubbele huisvestingskosten, maarwerkgevers wel huisvesting in Nederland als ETK op kunnen voeren?De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de voorgesteldeaanpassing van de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten. Dezeleden begrijpen dat de bedoeling is de versobering uitsluitend toe tepassen op ingekomen werknemers en niet op uitgezonden werknemers.Kan de regering bevestigen dat dit inderdaad de bedoeling is? En acht deregering het wenselijk om de zinsnede «dan wel in Nederland verblijft enin een ander land arbeid verricht» te laten vervallen, aangezien deze ookkan worden uitgelegd als betrekking hebbend op uitgezondenwerknemers, waarvoor de versobering niet is bedoeld?De leden van de NSC-fractie nemen kennis van de voorgestelde verso-bering van de ETK-regeling. Deze houdt in dat vanaf 2026 bepaaldekosten, zoals extra uitgaven voor levensonderhoud, gas, water, licht,nutsvoorzieningen en privégesprekskosten met het land van herkomst,niet langer onbelast kunnen worden vergoed.Deze leden begrijpen dat deze maatregel voortvloeit uit het Hoofdlijnenak-koord en is gebaseerd op de SEO-evaluatie en het IBO Arbeidsmigratie.Deze leden steunen een versobering van de regeling. Tegelijkertijd merkendeze leden op dat de regeling in de praktijk vooral wordt gebruikt doorarbeidsmigranten in laagbetaalde sectoren. Deze leden vragen of deregering verwacht dat deze versobering gebruik terugdringt en of verderebeperking of afschaffing wordt overwogen.De leden van de D66-fractie ondersteunen het streven om fiscalemaatregelen doelmatiger in te zetten. Tegelijkertijd willen zij benadrukkendat de oorspronkelijke doelstelling van dergelijke regelingen niet uit hetoog mag worden verloren. De Nederlandse economie is in hoge mategebouwd op kennis, innovatie en internationale samenwerking. Wanneerfiscale regelingen deze kracht versterken moeten we kritisch naarversoberingen kijken.De leden van de D66-fractie hebben het beeld dat de ETK-regeling vooralrelevant is voor arbeidsmigranten met een relatief laag loon. Klopt dat?Ook zijn deze leden benieuwd of er ramingen zijn gemaakt wat betreft dedaling aan arbeidsmigratie. Hoeveel daling wordt precies verwacht, enwordt verwacht dat er vooral minder lageloonarbeidsmigranten komen, ofzal ook het aantal kennismigranten dalen?Ook vragen de leden van de D66-fractie of de regering aanvullendemaatregelen heeft overwogen om Nederland aantrekkelijk te houden voorinternationaal talent, bijvoorbeeld via een snellere verblijfsprocedure,lagere administratieve lasten of gerichtere ondersteuning voor sectorenmet een groot tekort aan kenniswerkers.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben begrip voor de voorgesteldeversobering van de ETK-regeling. Deze leden vragen of het klopt dat deforfaitaire expatregeling (30%-regeling) doorgaans gebruikt wordt alsalternatief voor de ETK-regeling. Is het zo dat de recente versobering vande forfaitaire regeling leidt tot meer gebruik van de regeling op basis vanwerkelijke kosten? Verder vragen deze leden of de regering heeftoverwogen beide regelingen in het geheel af te bouwen. Wat zouden daarde verwachte gevolgen van zijn?5.9 Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoer De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de voorgesteldepseudo-eindheffing ook gevolgen heeft voor werkgevers die een fossielepersonenauto ter beschikking stellen aan hun werknemer, zonder dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1423 werknemer deze privé gebruikt. Klopt het dat de pseudo-eindheffing nietwordt geheven als de auto alleen gebruikt wordt voor zakelijk verkeer?Klopt het dat woon-werkverkeer hierbij als privégebruik gezien wordt?Voor hoeveel procent van de auto’s die werkgevers aan werknemers terbeschikking stellen geldt dat zij alleen zakelijk worden gebruikt?Voorts willen deze leden graag weten wat het verwachte effect van devoorgestelde maatregel is. Verwacht de regering dat deze maatregelgrofweg hetzelfde effect heeft als een direct verbod op het ter beschikkingstellen van fossiele auto’s aan werknemers voor privégebruik?De leden van de VVD-fractie vragen de regering toe te lichten waaromervoor is gekozen om vergroening te stimuleren via een nieuwe pseudo-eindheffing binnen de loonbelasting, in plaats van via een bijtelling bij dewerknemer, zoals tot nu toe gebruikelijk is bij het belasten van autoge-bruik? Kan de regering aangeven waarom is gekozen voor fiscalenormering van de markt voor voertuigen gericht op personenvervoer(fiscaal instrumentalisme) in plaats van ander ingrijpen in de markt? Kannader worden ingegaan op hoe deze afweging is gemaakt, gelet op hetadvies van de Afdeling advisering van de Raad van State om juist aan tesluiten bij de gebruiker van de auto: de werknemer?De leden van de VVD-fractie lezen dat bij het verduurzamen van hetpersonenwagenpark onder andere wordt gestuurd op nieuwverkopen.Kan de regering bevestigen dat elke vorm van aanschafbelasting voornieuwe auto’s hieraan in de weg kan staan?Erkent de regering dat de pseudo-eindheffing in wezen geen loonheffingis, maar een zelfstandige werkgeversheffing, waardoor administratieve enfinanciële lasten voor werkgevers aanzienlijk toenemen? Hoe verhoudtdeze keuze zich tot het uitgangspunt van lastenverlichting voor werkendenen werkgevers dat het kabinet elders in het Belastingplan 2026 zegt na testreven?De leden van de VVD-fractie vragen de regering te erkennen dat deinvoering van deze pseudo-eindheffing leidt tot een structurele lastenver-zwaring voor werkgevers, zonder dat daar compensatie tegenover staat.Hoe groot acht de regering de loonkostenstijging voor werkgevers diefossiele leaseauto’s aanbieden, mede gelet op het feit dat de heffing nietverhaalbaar is op werknemers? Kan de regering toelichten hoe dezemaatregel zich verhoudt tot de wens om het MKB en werkgeverschap testimuleren? Wordt overwogen om een compensatieregeling ofovergangsregeling te treffen voor kleinere werkgevers die onvoldoendealternatieven hebben wegens beperkte laadinfrastructuur of contractueleleaseverplichtingen?De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat de voorgestelde pseudo-eindheffing niet verhaalbaar is op de werknemer. Kan dit echter nietindirect gebeuren via de mobiliteitsregeling van werkgevers door dit teverdisconteren in een eigen bijdrage? Zo ja, betekent dit dat devormgeving als pseudo-eindheffing niet effectief is?De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat de loonbe-lasting in toenemende mate wordt ingezet voor beleidsdoelen die geendirecte relatie hebben met het loonbegrip. Welke waarborgen bestaan erom te voorkomen dat de loonheffing verandert in een algemeen beleidsin-strument, waardoor eenvoud en transparantie van het belastingstelselverder onder druk komen te staan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1424 De leden van de VVD-fractie constateren dat met deze maatregel nieuwebegrippen en afwijkende definities worden geïntroduceerd, zoals eenalternatieve uitleg van woon-werkverkeer en youngtimer, die afwijken vanbestaande bepalingen in artikel 13bis van de Wet LB 1964. Is de regeringbereid te bevestigen dat binnen de Wet op de loonbelasting één consis-tente uitleg blijft gelden voor deze begrippen? Voorts constateren dezeleden dat woon-werkverkeer in deze context wordt aangemerkt alsprivégebruik, terwijl dit voor de reguliere bijtelling juist als zakelijk gebruikgeldt. Kan de regering uitleggen waarom voor dezelfde situatie verschil-lende definities worden gehanteerd, en acht de regering dat juridisch enuitvoerend wenselijk? Kan de regering daarnaast duidelijkheid verschaffenvoor enkele specifieke categorieën voertuigen, zoals voertuigen diegebruikt worden voor rijlessen en zodoende ook voor het huis van eenrijinstructeur kunnen staan, bijvoorbeeld omdat rijinstructeurs devolgende ochtend een andere leerling op moeten halen. En vallen ookmedewerkers van auto-transportbedrijven niet onder de definitie als zijeen auto niet privé gebruiken, maar bijvoorbeeld wel een tussenstop bijhun eigen huis maken?De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering niet heeftgekozen voor eenvoudigere alternatieven die directer bij de gebruikeraansluiten, zoals een verhoogde bijtelling voor fossiele auto’s of eenbijtelling voor woon-werkverkeer. Is overwogen om de vervuiler zelf telaten betalen via de reguliere loonheffing bij de werknemer, in plaats vanvia een aparte werkgeversheffing? Hoe weegt de regering dit alternatief aftegen het gekozen systeem, mede gezien het advies van de Raad vanState en de opmerkingen van deskundigen hierover?De leden van de VVD-fractie vragen de regering om toe te lichten hoedeze nieuwe pseudo-eindheffing uitvoerbaar en handhaafbaar zal zijn,gezien de reeds bestaande druk op de capaciteit van de Belastingdienst.Welke gevolgen verwacht de regering voor de uitvoeringskosten, decomplexiteit van aangiften en de handhavingscapaciteit? Staan dezeuitvoeringskosten in verhouding tot de verwachte jaarlijkse opbrengst vancirca 45 miljoen euro?Kan de regering bevestigen dat de pseudo-eindheffing tijdsevenredigwordt toegepast vanaf de eerste dag van terbeschikkingstelling en nietvoor de gehele kalendermaand, ook wanneer die terbeschikkingstellingpas halverwege de maand aanvangt?Voorts vragen deze leden waarom het overgangsrecht wordt gekoppeldaan de auto in plaats van aan de werknemer. Is de regering bereid om hetovergangsrecht te verruimen voor auto’s die vóór 17 september 2025 zijnbesteld maar pas later geleverd worden, zodat de overgangstermijn vanvijf jaar aansluit bij de datum van eerste terbeschikkingstelling?De leden van de VVD-fractie merken op dat zowel werkgevers alswerknemers momenteel te maken hebben met beperkingen in laadinfra-structuur en netcapaciteit. Erkent de regering dat invoering per 1 januari2027 voor veel werkgevers praktisch niet haalbaar is, mede gezienlanglopende leasecontracten en installatietermijnen? Is de regering bereidde invoeringsdatum te verschuiven naar 1 januari 2028, om werkgeversmeer tijd te geven om hun wagenpark en infrastructuur aan te passen?Kunnen de loonbelastinggevolgen die samenhangen met het opladen vanelektrische auto’s worden verduidelijkt? Bijvoorbeeld hoe het zit met hetter beschikking stellen of vergoeden van een laadpaal bij de werkpleken/of bij de woning en het verstrekken van energie of het vergoeden vande oplaadkosten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1425 Deze leden vragen of de regering bereid is om, voorafgaand aaninvoering, een praktisch uitvoerbare handleiding te publiceren waarin defiscale gevolgen van het opladen van elektrische auto’s, het plaatsen vanlaadpunten bij werkplek en woning en het vergoeden van energieverbruikduidelijk worden uiteengezet. Wanneer kunnen werkgevers dezehandreiking verwachten?De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorgestelde pseudo-eindheffing een inbreuk maakt op de rechtsvormneutraliteit, doordat dezeniet van toepassing is op een eenmanszaak, maar wel van toepassing isop DGA-ondernemer. Kan deze inbreuk op de rechtsvormneutraliteitworden hersteld middels het uitzonderen van DGA-ondernemers (zonderandere (fictieve) werknemers) van de voorgestelde maatregel? Zo ja, watis het effect op doelmatigheid/doeltreffendheid van de maatregel?Deze leden stellen vast dat in de set uitvoeringstoetsen Belastingplan 2026die van de fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personen-vervoer mist. Kan de regering deze aan de Kamer toekomen?De leden van de D66-fractie kijken met interesse naar maatregelen diebijdragen aan de noodzakelijke verduurzaming van het wagenpark en diehelpen om de klimaatdoelen dichterbij te brengen. Deze leden steunen hetuitgangspunt dat de overheid op dit gebied de transitie moet stimulerenmet maatregelen om een duurzame mobiliteit te versnellen.De leden van de D66-fractie vragen de regering om nader toe te lichtenhoe zij is gekomen tot het voorgestelde tarief van 12 procent voor depseudo-eindheffing. Op basis van welke gedragsverwachtingen eneconomische doorrekeningen is dit percentage vastgesteld? Welkeoverwegingen heeft de regering vervolgens gemaakt om tot ditpercentage te komen en tot de CO2-reductie van 0,4 Mton in 2030 tekomen?Daarnaast merken de leden van de D66-fractie op dat de regering stelt datdeze maatregel voor de meeste ondernemingen geen grote gevolgenheeft, omdat zij beschikken over fiscale adviseurs. Tegelijkertijd erkent deregering dat de maatregel veel vraagt van kleinere ondernemingen. Dezeleden vragen daarom op welke wijze het kabinet deze groep concreet gaatondersteunen. Wordt er bijvoorbeeld gedacht aan gerichte voorlichting,vereenvoudiging van de administratieve druk of overgangsregelingenvoor kleine werkgevers?De leden van de D66-fractie wijzen erop dat het van belang is dat demaatregel uitvoerbaar en begrijpelijk blijft, juist voor ondernemingen dieniet beschikken over uitgebreide fiscale ondersteuning. Een te complexeregeling kan het draagvlak onder ondernemers ondermijnen en daarmeeook het doel van verduurzaming schaden.De leden van de BBB-fractie zijn op dit punt van mening dat de pseudo-eindheffing voor sommige bedrijfstakken onvermijdbare kosten met zichmee brengt en daarmee een flinke lastenverhoging is voor deze onder-nemers. De leden van de BBB-fractie vragen graag aandacht voor eenaantal specifieke sectoren.De leden van de BBB-fractie zien bijvoorbeeld dat de pseudo-eindheffingbij autodealers en het gebruik van demonstratievoertuigen onvermijdelijkis. Demonstratievoertuigen worden gebruikt voor proefritten doorpotentiële autokopers. De soort demonstratievoertuigen benzine, diesel,hybride of elektrisch, worden voorgeschreven door de fabrikant en zijn tot2035 daarom ook soms fossiel. Autobedrijven hebben daarmee heelbeperkt invloed op de samenstelling van de vloot demonstratievoer-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1426 tuigen. Het personeel van autobedrijven gebruiken deze demonstratie-voertuigen ook vaak voor woon-werkverkeer of als leaseauto, dezebedrijven hoeven dan geen extra voertuigen aan te schaffen voor hunpersoneel. Hiermee wordt zo efficiënt mogelijk gebruik gemaakt van hetbeschikbare wagenpark en de buitenruimte. Kan de regering aangevenhoeveel demonstratievoertuigen in Nederland rondrijden?De leden van de BBB-fractie vragen de regering of het klopt dat hetuitzonderen van demonstratievoertuigen van de pseudo-eindheffing geenaanvullende dekking vraagt omdat het kabinet niet langer inkomsten uitaccijns en BPM mist?De leden van de BBB-fractie zien dat rijscholen mogelijk ook geconfron-teerd worden met een hoge lastenverzwaring door de pseudo-eindheffing.Rijscholen hebben vaak nog fossiele voertuigen omdat leerlingen moetenkunnen leren schakelen en dat is niet mogelijk in een elektrische auto.Eerder genoemde leden hebben begrepen dat het bij autorijscholen vaakvoorkomt dat de auto niet privé wordt gereden, maar dat de auto welwordt gebruikt om na de laatste rijles naar huis te rijden. De volgendeochtend rijdt de rijinstructeur dan vanuit zijn huis naar de volgendeleerling. Hiervoor geldt op dit moment ook geen bijtelling en wordt eenvereenvoudigde rittenadministratie gebruikt.Kan de regering bevestigen dat het bijhouden van de bestaande vereen-voudigde rittenadministratie door rijscholen voldoende is om aan te tonendat de pseudo-eindheffing niet hoeft te worden betaald?Deze leden hebben vragen over het betalen van de pseudo-eindheffingdoor autoverhuurbedrijven bij het gebruik van «hikers». «Hikers» rijdenhuurauto’s naar verschillende vestigingen. Het is dan vaak efficiënt om deauto aan het eind van de werkdag mee naar huis te nemen en deze devolgende dag op een andere vestiging af te leveren. Hierbij wordt geenbijtelling betaald omdat er ook geen privé gebruik wordt gemaakt van deauto. In veel gevallen zijn deze huurauto’s niet elektrisch en is hetautoverhuurbedrijf voor mogelijkheden voor verdergaande elektrificatiesterk afhankelijk van de wens van de klant. Kan de regering bevestigen datautoverhuurbedrijven bij het gebruik van «hikers» geen pseudo-eindheffing verschuldigd zijn? Kan de regering de administratie hiervoorbeperkt houden en bijvoorbeeld aansluiting zoeken bij het bestaande hikerconvenant?De leden van de CDA-fractie lezen deze maatregel kortgezegd als eenbeprijzing van 12 procent voor de werkgever voor het beschikbaar stellenvan een fossiele auto van de zaak, met als doel verduurzaming van hetwagenpark te bevorderen. Deze leden lezen dat werkgevers in de nieuwesituatie beter uit zijn met het aanbieden van emissievrije auto’s tenopzichte van de pseudo-eindheffing voor fossiele auto’s en dat ze dit nietkunnen doorbelasten aan werknemers, maar toch vragen deze leden ofhier geen mogelijkheden voor zijn, zoals verhoging van een eigen bijdragevoor privégebruik of een inhouding op het salaris.Ook vragen deze leden hoe de regering aankijkt tegen de zorg van auto-en milieuorgansiaties dat deze maatregel negatieve effecten heeft opverduurzaming van het wagenpark, onder andere omdat gebruik zalworden gemaakt van uitwijkmogelijkheden, door werknemers eenmobiliteitsbudget te geven of de kosten van woon-werkverkeer tevergoeden, waardoor werknemers vaker een goedkopere, tweedehandsauto met verbrandingsmotor zullen kopen waardoor de CO2-uitstoot stijgt.Deze leden vragen hoe de regering kijkt naar de oproep tot een meergeleidelijke ingroei van normeren en beprijzen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1427 De leden van de CDA-fractie vragen of werkgevers die een emissievrijebedrijfsauto willen aanschaffen, die ter beschikking wordt gesteld aan eenwerknemer, deels ook voor privégebruik, deze auto mogen aanschaffenmet toepassing van de energie-investeringsaftrek of milieu investerings-aftrek.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn voorstander van het behalen vande doelen uit de Klimaatwet en vinden ook dat een verduurzamingsslagvoor personenauto’s nodig is. Evenwel hebben deze leden vragen bij deeffectiviteit van de voorgestelde maatregel. Hoe groot schat de regeringhet substitutie-effect in, waardoor werkgevers en werknemers ervoorkiezen om te werken met bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding?Ondermijnt dit niet juist de doelstelling die de regering heeft? Welkflankerend beleid wil de regering naast deze maatregel plaatsen? Isoverwogen om bijvoorbeeld nog een jaar langer – dus ook in 2026 – tewerken met een lagere bijteling van 17 in plaats van 22 procent. Welkeopties hiertoe ziet de regering en kan de regering hierbij ook ingaan ophet eventueel versoberen van de youngtimerregeling ter dekking hiervan?Deze leden wijzen erop dat op dit moment op tamelijk grote schaalvoorkomt dat werknemers niet kiezen voor een emissievrije leaseauto,maar een (onbelaste) reiskostenvergoeding per kilometer, en dezekilometers vervolgens met een eigen fossiele auto afleggen. Deze ledenvragen de regering om hierop te reflecteren en daarbij ook aan te gevenwat de eerste en tweede orde uitwijkeffecten van de voorgesteldeeindheffing zijn. Tevens vragen deze leden of het niet logischer is om deMRB-korting voor elektrische auto’s onverkort voort te zetten, ook na2029.De leden van de SGP-fractie vragen waarom er niet voor gekozen om allevoor 17 september 2025 te eerbiedigen, ongeacht hun looptijd en voor diecontracten geen pseudo-eindheffing door te voeren? Wat zijn daarvanconcreet de praktische bezwaren en wat zijn daarvan de budgettaireconsequenties?Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie waarom de regering nietervoor heeft gekozen om de pseudo-eindheffing eerst op leggen op demeest vervuilende auto’s (op basis van bijvoorbeeld CO2-uitstoot) enhybride auto’s voorlopig nog uit te sluiten van de heffing?5.10 Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeen-schap De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de voorgesteldemaatregel niet met terugwerkende kracht geldt, in de zin dat echtgenotendie eerder om niet-fiscale redenen een ongelijk breukdeel in de huwelijks-goederengemeenschap zijn overeengekomen niet onder de voorgesteldemaatregel vallen, omdat de regering dit onwenselijk acht. Kan de regeringuitgebreider toelichten waarom zij dit onwenselijk acht? Deze leden lezendat deze echtgenoten actie zouden moeten ondernemen «om heffing in detoekomst te voorkomen», maar is het doel van deze maatregel niet juistdat heffing in de toekomst niet voorkomen wordt maar geëffectueerd kanworden? Waarom zou het redelijk zijn om deze groep de kans te gevenheffing in de toekomst alsnog te voorkomen? Deze leden zijn benieuwdnaar voorbeelden van situaties waarin ongelijke breukdelen zijn vastge-steld om niet-fiscale redenen, en welke actie echtgenoten in deze situatiezouden moeten nemen om heffing in de toekomst te voorkomen. Kan deregering dit verder toelichten? Voorts zijn deze leden benieuwd inhoeverre het juridisch houdbaar zou zijn om het overgangsrechtachterwege te laten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1428 De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de regering met deze maatregelbeoogt om oneigenlijk gebruik van ongelijke breukdelen tegen te gaan.Deze leden vragen echter of de regering erkent dat de huidige formuleringruimer uitpakt dan beoogd en ook situaties treft waarin géén fiscaalmotief speelt, bijvoorbeeld bij huwelijksvoorwaarden die aansluiten bijeen bestaande ongelijkheid in vermogen of ter bescherming vanondernemingsvermogen. Is de regering bereid de reikwijdte te beperkentot gevallen waarin de minst vermogende echtgenoot door de wijziginggerechtigd raakt tot meer dan 50 procent van het gezamenlijke vermogen,conform de benadering uit het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen2018? Op welke wijze wordt voorkomen dat de meest vermogendeechtgenoot erfbelasting verschuldigd wordt over reeds eigen vermogen,wat volgens deze leden niet de bedoeling van de wet kan zijn?De leden van de VVD-fractie achten het van belang dat er ruimte blijft voorsituaties waarin ongelijke breukdelen legitieme civielrechtelijke ofpersoonlijke gronden hebben. Kan de regering aangeven waarom hetovereenkomen van ongelijke breukdelen voor (nagenoeg) uitsluitendcivielrechtelijke beweegredenen onwenselijk is? Levert dit niet een zeergrote inmenging in het privéleven van burgers? Hoe verhoudt dezeinmenging zich tot artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechtenvan de Mens? Klopt het dat de meest-vermogende echtgenoot met eenbreukdeel groter dan 50 procent bij het overlijden van de minst-vermogende echtgenoot erfbelasting betaalt over zijn/haar eigenvermogen? Is dit de bedoeling? Zo niet, kan het wetsvoorstel dan op ditpunt worden herzien? Is de regering bereid een tegenbewijsregeling op tenemen waarmee belastingplichtigen kunnen aantonen dat een ongelijkeverdeling niet hoofdzakelijk uit fiscale motieven is aangegaan, bijvoor-beeld bij bescherming van ondernemingsvermogen, bij eerder bestaandevermogensverhoudingen of bij overwegingen rond de legitieme portievan kinderen?De leden van de VVD-fractie vragen verduidelijking over de werking vande voorgestelde fictie.Kan de regering bevestigen dat het niet de bedoeling is dat een persoondie overlijdt, wordt geacht zelf een fictieve verkrijging te hebbenontvangen van de langstlevende echtgenoot? Zo ja, wordt dit effectexpliciet gerepareerd in de wettekst om te voorkomen dat de erfbelastingwordt berekend over een conceptueel onlogische fictieve verkrijging doorde overledene zelf? Indien deze situatie wél beoogd zou zijn, kan deregering toelichten hoe de daaruit voortvloeiende erfbelasting dan wordtverwerkt als schuld van de nalatenschap, zodat dubbele heffing wordtvoorkomen?De leden van de VVD-fractie vragen de regering om in te gaan opvoorgestelde de datum van inwerkingtreding (16 september 2025, 16:00uur). Waarom is gekozen voor feitelijke terugwerkende kracht, terwijl inhet belastingrecht het uitgangspunt geldt dat nieuwe heffing slechts geldtvoor toekomstige handelingen? Is de regering bereid om de regeling telaten ingaan per 1 januari 2026, met eerbiedigende werking voorhuwelijkse voorwaarden of samenlevingscontracten die vóór die datumzijn aangegaan?De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor de samenloop met hetciviele huwelijksvermogensrecht en het erfrecht. Hoe wordt geborgd dathet fiscale begrip «fictieve verkrijging bij breukdelen» aansluit bijcivielrechtelijke realiteit, zodat belastingplichtigen niet worden geconfron-teerd met onbegrijpelijke of niet-uitvoerbare ficties? Is overleg gevoerdmet de KNB en notarissen over de uitvoerbaarheid van de voorgesteldebepaling in de praktijk?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1429 Kan de regering bevestigen dat de bedrijfsopvolgingsregeling (artikel 35bvan de SW) van toepassing blijft voor zover binnen de fictieve verkrijgingondernemingsvermogen of aanmerkelijkbelangaandelen zijn begrepen?Zo nee, waarom niet en acht de regering het wenselijk dat ondernemings-vermogen in deze context zwaarder wordt belast dan bij reguliereverkrijgingen?De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel om een fictie te introduceren bij ongelijke breukdelenbinnen een huwelijksgoederengemeenschap. De regering motiveert dit alseen principiële keuze, omdat een echtgenoot bij een ongelijke verdelingmeer verkrijgt dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen endaarmee wordt bevoordeeld, ongeacht de beweegredenen voor degemaakte afspraken.Deze leden vragen of de regering kan toelichten waarom deze benaderinggeen onderscheid maakt tussen fiscaal en niet-fiscaal gemotiveerdegevallen. Kan de regering ingaan op situaties waarin echtgenoten eenbreukdelengemeenschap aangaan om civielrechtelijke of persoonlijkeredenen, zoals het vastleggen van de onderlinge vermogensverhoudingbij ongelijke inbreng?Deze leden vragen voorts waarom niet is gekozen voor een tegenbewijsre-geling, waarmee belastingplichtigen kunnen aantonen dat geen sprake isvan bevoordeling of fiscaal oogmerk. Heeft de regering daarnaastoverwogen om, naar analogie van andere bepalingen, een180-dagenregeling op te nemen om te voorkomen dat oudere of reëlevermogensafspraken onder de fictie vallen?Tot slot vragen de leden van de NSC-fractie op dit punt hoe de regering deproportionaliteit van deze maatregel beoordeelt. Hoe wordt voorkomendat ook zuiver civielrechtelijke of langdurige afspraken worden belast,terwijl feitelijk geen sprake is van vermogensoverdracht of bevoordeling.Voor wat betreft de overgangsregeling bij deze maatregel stelt de regeringdat hierin wordt voorzien om geen mensen te raken die vanwegeniet-fiscale redenen een andere verdeling aangegaan zijn. De leden van deCDA-fractie vragen welke redenen dit bijvoorbeeld kunnen zijn, en of ditdan niet na ingang van de regeling een andere verdeling doorkruist.Verder vragen deze leden waarom bij voorbeeld acht niet wordt ingegaanop de werking van het voorstel in het geval dat niet B maar A als eersteoverlijdt. In dat geval zou een heffing over de 9,5 die B verkrijgt moetenvolstaan, maar de wettekst leidt er toe dat ook bij A nog over 4,5 gehevenwordt. Deze leden vragen of kan worden bevestigd dat dat niet debedoeling is. Ook vragen deze leden of het overigens in overeenstemmingis met de strekking van het wetsvoorstel dat de heffing bij B in dat gevalniet beperkt blijft tot een heffing over 50 procent van de gemeenschap.De leden van de ChristenUnie-fractie achten het onwenselijk dat echtge-noten door middel van een ongelijke breukdelengemeenschap of eenverrekenbeding met ongelijke breukdelen vermogen onbelast overkunnen laten gaan en hebben daarom begrip voor hetgeen de regeringvoorstelt. Deze leden vragen de regering of de wetswijziging die per1 januari 2028 is ingegaan waardoor bij een huwelijk niet meer vanrechtswege een algehele gemeenschap van goederen geldt welverstandig was. Is deze wetswijziging al geëvalueerd en zo ja, op welkewijze is opvolging gegeven aan die evaluatie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1430 5.11 Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijden De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om toe telichten waarom gekozen is voor een 180 dagen-fictie en niet voorbijvoorbeeld een jaar. Waar is het aantal van 180 dagen op gebaseerd?Voorts vragen deze leden hoe de voorgestelde wijziging uitpakt als wel alaangifte schenkbelasting is gedaan. Ervan uitgaande dat ontvangers vanschenkingen in veel gevallen niet zullen weten dat de schenker binnen 180dagen komt te overlijden, zullen veel van hen wellicht wel aangifteschenkbelasting doen. Klopt het dat de voorgestelde maatregel voor dezegroep geen gevolgen heeft?De regering stelt dat erfbelasting kan worden ontweken door over eenlangere periode schenkingen te doen. De leden van de CDA-fractie vragenhoe de regering kijkt naar de constructie van schenken op papier, waarbijbedragen over een langere periode worden geschonken, maar schuldigworden gebleven, waardoor na overlijden de erfbelasting kan wordenontweken, zonder dat het vermogen eerder daadwerkelijk is overgegaan.5.12 Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologischekinderen De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het buitenkansbeginselvolgens de regering rechtvaardigt dat er in de erf- en schenkbelastinghogere vrijstellingen en lagere tarieven gelden voor (klein)kinderen. Kande regering dit toelichten? Op welke manier rechtvaardigt het buitenkans-beginsel dit?Deze leden vragen de regering om uit te leggen wat het effect van devoorgestelde maatregel is op kinderen zonder familierechtelijke betrek-kingen met hun biologische ouder. Klopt het dat het hierbij gaat omkinderen die bijvoorbeeld niet erkend zijn door de biologische ouder endat het ontbreken van familierechtelijke betrekkingen betekent dat zij geenrecht hebben op een erfenis tenzij zij expliciet in een testamentopgenomen zijn? Klopt het dat zij door de voorgestelde maatregel rechtkrijgen op een lager tarief en een hogere vrijstelling in de erfbelasting,puur op basis van biologisch verwantschap en opname in een testament?Hoe beziet de regering dit in relatie tot de behandeling van bijvoorbeeldneven en nichten, die in specifieke gevallen een hechtere relatie kunnenhebben dan biologische kinderen? Zou het niet eenvoudiger en rechtvaar-diger zijn om de tarieven en vrijstellingen überhaupt gelijk te trekken (metuitzondering van de vrijstelling voor partners), om rechtszaken endiscussies hierover in de toekomst te voorkomen? Is de regering hetermee eens dat het niet aan de overheid is om de waarde van een relatietussen een erflater of schenker en een erfgenaam of begunstigde tebepalen en al helemaal niet op basis van biologisch verwantschap?De leden van de D66-fractie verwelkomen dat de definitie van hetkindbegrip in de Successiewet 1965 wordt verbreed. De huidige Succes-siewet sluit niet meer aan bij de moderne vormen van familierelaties ensamenlevingsvormen. Elke stap richting een meer eigentijdse eninclusieve wetgeving is daarom een stap vooruit.De leden van de D66-fractie pleiten er echter voor om de moderniseringvan de Successiewet verder door te zetten. Niet alleen door de codificatievan het arrest van de Hoge Raad, maar ook door de wet breder aan tepassen aan de maatschappelijke realiteit van 2025. Deze leden vragen deregering om te onderzoeken welke aanvullende stappen mogelijk zijn omde Successiewet toekomstbestendig te maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1431 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan toelichtenhoe de erf- en schenkbelasting geregeld is voor adoptiefkinderen. In hetlicht van de erf- en schenkbelasting vragen deze leden ook naar deuitvoering van de motie Grinwis (Kamerstuk 36 602, nr. 122). Welkemogelijkheden ziet de regering en is de regering voornemens ten aanzienvan het laten ingaan van het KB dat volgt uit het amendement dat aandeze motie voorafging? Kan de regering toelichten wat de situatie is alshet KB niet ingaat? Klopt het dat de regeling voor fictief aanmerkelijkbelang (kleiner dan vijf procent) van kracht blijft, maar dat belangen meteen omvang onder de 0,5 procent niet binnen de BOR vallen?5.13 Verlegging ingangsdatum belastingrente erfbelasting en aangifte-termijn erfbelasting De leden van de D66-fractie waarderen de wens van de regering ommensen in een moeilijke situatie meer tijd te geven om de erfbelasting teregelen. Wel zijn deze leden benieuwd waarom de aangiftetermijn naarmaar liefst 20 maanden wordt verruimd. Deze leden constateren dat eenverruiming van 8 naar 20 maanden wel een erg grote verschuiving is.Waarom is er niet gekozen voor bijvoorbeeld 12 of 15 maanden? Hoereflecteert de regering op de situatie waarbij er onenigheid bestaat overeen erfenis en waarbij iemand de termijn van 20 maanden aan kan grijpenom het proces extreem te traineren?5.14 Emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrij-wielen De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of devoorgestelde maatregel naar verwachting voldoende is om de verkoopvan emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrijwielente stimuleren ten koste van fossiele varianten. Hoe groot verwacht deregering dat het prijsverschil de komende jaren is, en welke gevolgenheeft de voorgestelde maatregel voor de verwachte verkoopcijfers?5.15 Autonome vergroening De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering detabellen met de verwachte schijfgrenzen en tabellen voor de komendejaren kan delen. Daarnaast vragen deze leden of de wijzigingen naarverwachting effect hebben op de vergroening van het wagenpark en zo ja,hoe groot dit effect zal zijn.De leden van de D66-fractie constateren dat nieuwe motorrijtuigenjaarlijks minder CO2 uitstoten. Deze leden zien dat dit gevolgen heeft voorde budgettaire opbrengsten. Daarom vragen deze leden of het huidigeBPM-stelsel nog toereikend is in het licht van de technologische ontwikke-lingen in de mobiliteitssector. Deze leden vragen de regering om tereflecteren op de vraag of de BPM-systematiek op termijn vervangen kanworden prijsmechanisme voor mobiliteit, dat beter aansluit bij hetprincipe van «de vervuiler betaalt» en de ontwikkeling naar duurzaamvervoer beter faciliteert.De leden van de D66-fractie constateren dat technologische vooruitgangen verduurzaming in hoog tempo doorgaan. Daarmee ontstaan struc-turele uitdagingen voor het huidige BPM-stelsel, waarin budgettairederving telkens moet worden gecorrigeerd. Deze leden vragen de regeringom inzicht te geven in de verwachte ontwikkeling van deBPM-opbrengsten tot 2030 bij ongewijzigd beleid. Deze ledenbenadrukken de voorkeur voor een samenhangend mobiliteitsbeleidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1432 waarin zowel de vervuiler betaalt als wordt betaald naar daadwerkelijkgebruik.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar een onderbouwing vande raming van de «autonome vergroening» en hoe dit fenomeen zichverhoudt tot het begrip grondslagerosie. Tevens vragen deze leden ommet enkele standaardvoorbeelden te illustreren hoe de voorgesteldewijzigingen de belastingdruk veranderen. Ook vragen deze leden wat hetuiteindelijke gevolg is voor de belastingdruk als de «autonomevergroening» zich doorzet, betaalt dan uiteindelijk de laatste koper vaneen auto de gehele huidige bpm-belastingopbrengst?De leden van de SGP-fractie vragen of de regering inzicht kan geven in degevolgen van de aanpassing in de schrijfgrenzen en -tarieven voor debpm voor de tien meest verkochte conventionele auto’s? Tevens vragende leden van de SGP-fractie om een tabel met daarin de hoogte van deBPM in 2025, 2026, 2027 en 2028, als gevolg van de voorgesteldeaanpassingen, bij eenzelfde CO2-uitstoot.5.16 Tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto’s De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag weten of devoorgestelde tariefkorting voldoende is voor het bereiken van het doel,namelijk het gelijk belasten van emissievrije auto’s en benzineauto’s in demotorrijtuigenbelasting. Deze leden lezen dat het verschil weggenomenwordt voor grotere auto’s en verkleind voor kleinere en middelgroteauto’s. Betekent dat dat kleine en middelgrote emissievrije personen-auto’s in de mrb zwaarder worden belast dan vergelijkbare benzineauto’s?Waarom heeft de regering er niet voor gekozen het verschil volledig wegte nemen voor alle emissievrije personenauto’s?De leden van de D66-fractie steunen het besluit van de regering om detariefkorting voor elektrische personenauto’s te verlengen. Daarmee wordtde belastingdruk voor elektrische voertuigen voorlopig gelijk gehoudenaan die van fossiele voertuigen, wat bijdraagt aan het stimuleren vanemissievrije mobiliteit.Tegelijkertijd vragen deze leden de regering waarom niet is gekozen vooreen langjarige opname van de tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting.In de ogen van deze leden past een langdurige en voorspelbare fiscalestimulans beter bij de lange termijn transitie naar volledig emissievrijrijden. Deze leden vragen de regering toe te lichten welke overwegingenhieraan ten grondslag liggen en dat de tariefkorting nu slechts tijdelijkwordt verlengd. Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie omopheldering over de keuze om de tariefkorting in 2029 verder te verlagen.De leden van de D66-fractie benadrukken dat fiscale vergroening valt ineen breder mobiliteitsbeleid. Deze leden pleiten voor een stelsel waarinzowel het principe van «de vervuiler betaalt» als het principe van «betalennaar daadwerkelijk gebruik» centraal staan. Daarmee kan de overheid detransitie naar duurzame mobiliteit eerlijker, efficiënter en toekomstbesten-diger vormgeven.De leden van de BBB-fractie hebben op dit punt een vraag over deEmissievrije voertuigen voordeliger. De tariefkorting motorrijtuigenbe-lasting voor elektrische personenauto’s wordt verhoogd naar 30 procent(2026–2028), voorheen 25 procent. Kan de regering in kaart brengenhoeveel grondslagerosie in de autobelastingen veroorzaakt zou zijn alselektrische auto’s volledig worden aangeslagen voor de mrb en dus detariefkorting in zijn geheel wordt geschrapt? Kan de regering daarnaast inkaart brengen hoeveel de grondslagerosie in de autobelastingen zouTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1433 bedragen wanneer elektrische voertuigen en geen tariefkorting in de mrbmeer ontvangen en een vorm van BPM zouden moeten betalen op basisvan het gemiddelde bpm bedrag wat nu geldt voor een auto metverbrandingsmotor?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om welke reden hetpercentage van 25 procent in 2029 wel van kracht blijft, terwijl in eerderejaren de tariefkorting wel verhoogd wordt naar 30 procent. Tevens vragendeze lezen welk beleid in latere jaren nodig is om de noodzakelijkevergroening van het wagenpark te bewerkstelligen.5.18 Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwater De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben zich al vaker uitge-sproken voor het schrappen van het heffingsplafond in de belasting opleidingwater en zijn dan ook blij dat deze maatregel deel uitmaakt van hetBelastingplan 2026. Deze leden zijn van mening dat zuinig om dient teworden gegaan met drinkwater en watervoorzieningen in het algemeen.Daarom vragen deze leden of de regering ook risico’s ziet aan devoorgestelde grondslagversmalling. In hoeverre heeft het gebruik vanwater dat niet van drinkwaterkwaliteit is bijvoorbeeld effect op debeschikbaarheid van water dat na zuivering wel van drinkwaterkwaliteitis? In hoeverre is er sprake van een niet-drinkwatertekort?De leden van de D66-fractie steunen het voornemen van de regering omhet heffingsplafond in de Belasting op Leidingwater af te schaffen. Dezeleden vinden het terecht dat het gebruik van drinkwater beter wordtbeprijsd en dat de belastingdruk niet langer stopt bij 300 kubieke meterper aansluiting. Water is een schaars goed en het is logisch dat grootver-bruikers naar rato bijdragen aan de maatschappelijke kosten vandrinkwaterproductie.Tegelijkertijd benadrukken deze leden dat de maatregel zorgvuldig moetworden ingevoerd. Deze leden vragen de regering of is onderzocht welkeeffecten de afschaffing van het plafond heeft op grote maatschappelijkeinstellingen, zoals ziekenhuizen en onderwijsinstellingen, waar een hoogwaterverbruik noodzakelijk is. Hoe wordt voor deze categorieënvoorkomen dat de lasten onevenredig stijgen?Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie hoe de regering deverwachte waterbesparing monitort. Wordt er bijvoorbeeld een evaluatieuitgevoerd na de eerste twee jaar om te bezien of de prikkel tegenverspilling daadwerkelijk effect heeft?De leden van de D66-fractie steunen het uitgangspunt van de regering datde levering van water van drinkwaterkwaliteit de norm blijft, maar vragenof de regering in samenwerking met de sector wil verkennen hoe de inzetvan hergebruikt of industrieel water verder kan worden gestimuleerd. Ditkan bijdragen aan een structurele vermindering van de vraag naardrinkwater en beter aansluiten bij het principe dat «het juiste water wordtgebruikt voor het juiste doel».De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering eerst nadruk legtop hun uitgangspunt «het juiste water voor het juiste gebruik» alsrechtvaardiging van de uitbreiding van de belasting op leidingwater, omvervolgens te zeggen dat het heffingsplafond puur om budgettaireredenen wordt afgeschaft. Deze leden vragen de regering dit nader toe telichten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1434 Deze leden zien verderop bij gevolgen voor bedrijven een tabel met degrootste water verbruikende sectoren, zijnde gezondheidszorg, chemie,voedingsmiddelenindustrie en farmacie. Deze leden vragen voor welkevan deze sectoren ook niet-drinkwater kan worden gebruikt en voor welkeniet. Deze leden lezen dat de regering in het voortraject de kostprijsverho-gingen per klant in algemene zin mee vond vallen. Deze leden vragen deregering om een nadere cijfermatige onderbouwing van deze bevinding,ook per sector.Deze leden vragen tot slot op dit punt of de uitbreiding van de belastingop leidingwater ook gevolgen zal hebben voor zwembaden en tot welkekostenstijgingen dit leidt.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben begrip voor de voorgesteldeophoging en afschaffing van het heffingsplafond belasting op leiding-water vanuit het oogpunt dat water schaars is en dat het onrechtvaardig isdat grootgebruikers nauwelijks leidingwaterbelasting betalen. Evenwelwijzen deze leden erop dat in het verleden deze stap vaak niet gezet is metoog op het vestigingsklimaat en het vertrek van bedrijven. Kan deregering op dit punt ingaan en haar inschatting geven ten aanzien van degedragsreactie en de gevolgen voor het vestigingsklimaat?De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de gevolgen van hetafschaffen van het heffingsplafond op leidingwater. Klopt het dat delastenverzwaring van 105 miljoen euro neerslaat bij een beperkt aangebruikers? Heeft de regering zicht op de kenmerken van deze groep? Watis de gemiddelde lastenstijging?De leden van de SGP-fractie wijzen er ook op dat de lastenverzwaring inindividuele gevallen grote gevolgen kunnen hebben. Deze leden wijzenbijvoorbeeld op ziekenhuizen en bedrijven in de levensmiddelenindustrie.Kan de regering deze gevolgen duiden?5.19 Hervormingen afvalstoffenbelasting De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met grote zorgenkennisgenomen van de ontwikkelingen op het gebied van plastic. Dezeleden waren groot voorstander van het originele plan uit het regeerpro-gramma om een circulaire plasticheffing in te voeren. Veel circulairekoplopers zijn al omgevallen of staan op omvallen, omdat de vraag naargerecyclede materialen te laag is en primaire materialen te goedkoop. Ditgeldt zeker voor fossiel plastic. Alleen als primaire materialen wordenbelast, zal de vraag naar gerecyclede materialen toenemen en kunnencirculaire koplopers het hoofd boven water houden.Door de keuze om de polymerenheffing te vervangen door een flinkeverhoging van de afvalstoffenbelasting belandt de heffing die eigenlijkbedoeld was voor plasticproducenten nu bij de afvalverwerkers. Dezeleden vragen of de regering kan toelichten waarom dit besluit is genomenen in hoeverre druk vanuit de plasticindustrie hierbij een rol heeftgespeeld. Ook vragen deze leden in hoeverre deze verhoging wordtdoorbelast aan burgers via een verhoging van de jaarlijkse afvalstoffen-heffing.Deze leden vragen voorts of de regering dit een doelmatige maatregelvindt om de circulaire economie te bevorderen. Kan de regering kwanti-tatief onderbouwen in hoeverre deze maatregel daadwerkelijk bijdraagtaan de nationale circulariteitsdoelstelling en aan een hogere recycling-graad? Kan de regering tevens aangeven welk effect deze maatregelennaar verwachting hebben op de hoeveelheid gerecycled plastic en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1435 businesscase voor recyclingbedrijven in Nederland? Wat betekent dezemaatregel voor circulaire koplopers als er niet ook maatregelen wordengenomen om de markt voor secundaire materialen te vergroten? Welkeeffecten heeft het schrappen van de vrijstelling voor zuiveringsslib voorrecyclingbedrijven?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn niet tegen het beprijzen vanafvalverbranding, want het kan een slimme prikkel zijn om afvalver-branding te verminderen. Deze leden zijn echter wel van mening dat hetdan onderdeel moet zijn van een gebalanceerd pakket aan maatregelendie gericht zijn op alle fases van de keten. De huidige generieke verhogingvan de afvalstoffenbelasting lijkt er met name voor te zorgen dat definanciële druk voor gemeenten en inwoners toeneemt, terwijl het alsgeïsoleerde maatregel niet bijzonder effectief is voor de transitie naar decirculaire economie. Kan de regering op deze analyse reflecteren? Deeltde regering verder de opvatting dat een generieke verhoging van deafvalstoffenbelasting veel minder effectief is dan als er wordt gewerkt metgedifferentieerde tarieven?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen over de gesprekken diezijn gevoerd aan de Plastictafel en dat hier gesproken is over alternatievenom de budgettaire taakstelling mee in te vullen. Welke alternatieven zijn erallemaal ter sprake zijn gekomen en waarom is er niet voor één ofmeerdere van deze alternatieve dekkingsvoorstellen gekozen? Waarom iser voor gekozen om de plasticproducenten niet te belasten? Waarom is erniet voor gekozen om de heffing op to-go-verpakkingen om te vormen toteen belasting die ten goede komt aan de schatkist? Tevens lezen dezeleden dat er met de NVRD gesprekken zijn gevoerd over de lasteneffectenvoor burgers. Wat is er uit deze gesprekken gekomen? En hoe zijn degesprekken met de Unie van Waterschappen met betrekking tot hetschrappen van de vrijstelling voor zuiveringsslib verlopen? Deze ledenvragen wat volgens de regering de zorgen van de Unie van Water-schappen zijn op dit gebied en of zij hierop kan reflecteren.De leden van de VVD-fractie hebben met zorg kennisgenomen van devoorgenomen extra heffingen op de recycling- en afvalsector. Kan deregering aangeven wat de verwachte gevolgen zijn van deze maatregelvoor de werkgelegenheid, innovatiekracht en concurrentiepositie van deNederlandse recycling- en afvalsector? In hoeverre is onderzocht welkeimpact de lastenstijging heeft op bedrijven die nu investeren inCO2-afvang, circulaire verwerking en elektrificatie?De VVD-fractie vraagt de regering tevens te bevestigen dat deze maatregelleidt tot een structurele lastenverzwaring van 567 miljoen euro per jaar enom toe te lichten hoe deze zich verhoudt tot het kabinetsstreven naarlastenverlichting voor het bedrijfsleven.De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat hogereafvalheffingen en CO2-tarieven het risico vergroten dat afvalstromen naarhet buitenland weglekken. Welke analyse heeft de regering gemaakt vande verwachte exporttoename van afvalstromen en de gevolgen daarvanvoor: de CO2-uitstoot in Europa en mondiaal; de Nederlandse verwer-kingscapaciteit en strategische autonomie; en de budgettaire opbrengstvan de maatregel? Kan de regering toelichten hoe groot de waterbedef-fecten zijn als Nederlands afval in andere EU-lidstaten wordt verbrand ofgestort, vaak onder minder strenge milieunormen? De leden van deVVD-fractie vragen of de regering kan onderbouwen dat deze maatregeldaadwerkelijk bijdraagt aan lagere mondiale emissies, in plaats vanslechts tot CO2-verplaatsing leidt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1436 Hoe realistisch acht de regering de verwachte opbrengst van 567 miljoeneuro per jaar, gezien de aannemelijke uitholling van de belasting-grondslag door export van afval? Indien de grondslag afneemt, met welktariefpad rekent de regering om de opbrengst op peil te houden? Betekentdit dat burgers en bedrijven via hogere afvaltarieven – bijvoorbeeld viagemeentelijke contracten – uiteindelijk de rekening gaan betalen?De leden van de VVD-fractie constateren dat een Werkgroep Afvalsector isingesteld met vertegenwoordigers van de Ministeries van Financiën, I&Wen Klimaat en de sector. Kan de regering toelichten wat het exactemandaat en de opdracht van deze werkgroep zijn? Welke beleidsopties enalternatieven mag de werkgroep onderzoeken en binnen welke termijnworden resultaten verwacht? Heeft de werkgroep reeds concretealternatieve maatregelen voorgesteld die als alternatief kunnen dienenvoor de technische invulling van de zogeheten plasticheffing? Zo ja, is deregering bereid deze voorstellen, inclusief financiële opbrengsten,circulaire effecten en uitvoerbaarheid, aan de Kamer te doen toekomen,voorzien van een appreciatie en vergelijking met de nu gekozen route?Kan de regering toelichten hoe de budgettaire doelmatigheid en doeltref-fendheid van deze maatregel zich verhouden tot de klimaat- en circulari-teitsdoelstellingen? Welke gegevens en criteria zijn gebruikt bij dezeafweging, en hoe wordt gemeten of de maatregel daadwerkelijk leidt totmeer recycling en minder CO2-uitstoot? Komt dit beeld overeen met hetoorspronkelijke doel van de plasticheffing – namelijk het creëren van eencirculaire prikkel in de keten?De leden van de VVD-fractie verwijzen naar de toelichting in het Belas-tingplan, waarin het kabinet zelf stelt dat «de randvoorwaarden voorverduurzaming niet altijd op orde zijn, waardoor bedrijven niet tijdigkunnen verduurzamen terwijl zij wel CO2-heffing moeten betalen». Inhoeverre gelden deze constateringen ook voor de afvalverbrandingsinstal-laties (AVI’s), die eveneens afhankelijk zijn van infrastructuur, vergun-ningen en netcapaciteit? Wat zijn de verwachte gevolgen voor hetCCS-project Aramis indien afvalstromen weglekken en daarmee deinvesteringszekerheid voor CO2-afvang bij AVI’s afneemt?De leden van de VVD-fractie vragen de regering om nader in te gaan opde gevolgen van de verhoging van de stortbelasting voor bodemsaneringen woningbouw. Erkent de regering dat hogere stortkosten voor reini-gingsresiduen de grondexploitatie aanzienlijk duurder maken enwoningbouw op verontreinigde locaties economisch kunnen ontmoe-digen? Hoe verhoudt dit zich tot het kabinetsbeleid om binnenstedelijkewoningbouwlocaties te versnellen, zoals verwoord in de Nota Ruimte? Isde regering bereid de stortbelasting op reinigingsresiduen te beperken ofvrij te stellen, in lijn met eerdere adviezen van de Adviesgroep STOER?De leden van de VVD-fractie constateren dat de effecten van dezemaatregel op recycling, CO2-uitstoot, circulariteit, woningbouw enwerkgelegenheid nog niet volledig zijn onderzocht. Waarom wordt dezemaatregel nu al in het Belastingplan opgenomen, terwijl de invoering pasin 2028 is voorzien? Is de regering bereid eerst een uitgebreide effect- enproportionaliteitstoets te laten uitvoeren voordat verdere stappen wordengezet?De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over voorgesteldeaanpassingen aan de afvalstoffenbelasting in huidige vorm. Zoals hetvoorstel nu voorligt zou de afvalstoffenheffing stijgen van de thansvigerende 39,70 euro per 1.000 kg afval tot structureel per 2035 113,81euro per 1.000 kg afval. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd hoe deregering de effecten van het voorstel op de Nederlandse recyclingin-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1437 dustrie inschat. Hoe duidt de regering de uiteenlopende inzichten van hetTrinomics-onderzoek van enerzijds een hogere betaalbereidheid enanderzijds een verhoging van de kostprijs voor de recyclingindustrie?De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar de verwachte impact vanhet voorstel op bedrijven en huishoudens. Hetzelfde Trinomics-onderzoekstelt immers dat bedrijven en huishoudens te maken krijgen met hogeretarieven voor afvalbeheer, gegeven de waarschijnlijkheid dat de maatre-gelen worden doorberekend in de poorttarieven. Over welk bedrag zoudit, uitgaande van volledige doorberekening op lange termijn, gemiddeldgaan per huishouden?Ook maken de leden van de D66-fractie zich zorgen over de impact op dedoelstellingen rondom de circulaire economie. Welke gevolgen zouden devoorgestelde maatregelen hebben voor de Nederlandse recyclingcapa-citeit? Welke uitdagingen zouden er komen kijken als Nederland voor eengroter deel afhankelijk wordt van het buitenland voor recycling?Ten slotte merken de leden van de D66-fractie op op dit punt dat er vanuitdiverse hoeken kritiek is op de huidige invulling van de plannen: hetAdviescollege toetsing regeldruk, de gemeente Amsterdam, de gemeenteRotterdam, de gemeente Den Haag, de gemeente Utrecht en niet op zijnminst de recyclings- en afvalbranche. Hoe neemt de regering dezesignalen mee richting het voorjaar van 2026 wanneer alternatieven voorde invulling worden gewogen?De leden van de BBB-fractie hebben nog enkele vragen over de afvalstof-fenbelasting.Verschillende partijen uit de sector stellen dat de stijging van verwerkings-kosten afvalbeheer binnen Nederland financieel onhoudbaar maken,waardoor afvalstromen in toenemende mate naar het buitenlandverdwijnen. Omdat omliggende EU-landen lagere of geen heffingenhanteren, wordt export de logische uitweg, met als gevolg dat deNederlandse verwerkingsindustrie steeds verder afbrokkelt. Ziet deregering dit risico ook? In hoeverre is hier rekening mee gehouden bij debudgettaire raming? Wat betekenen de maatregelen concreet voor desaneringsindustrie? Is zij nog levensvatbaar? Kan de regering specifiek deeffecten voor het reinigen van verontreinigde grond in beeld brengen,inclusief de gevolgen van de kostenstijging van bodemsanering voorherontwikkeling van bodemsaneringslocaties voor bijvoorbeeldwoningbouw?De leden van de CDA-fractie zijn verbaasd over de kabinetsoplossing omde 567 miljoen euro die niet kan worden opgehaald met een circulaireplasticheffing vanwege weglek, nu inde afvalstoffenheffing te zoeken,terwijl dit net zo goed kan leiden tot weglek door meer export van afvalnaar het buitenland. Deze leden vragen of dit de bedoeling van deregering is, of dat de regering zich inderdaad alleen beperkt tot degevolgen voor Nederlandse uitstoot, zoals verderop in de memorie vantoelichting blijkt. Deze leden vragen ook wat de verwachte effecten zijnvoor investeringen van afvalbedrijven in verduurzaming, recycling enCO2-afvang, als export aantrekkelijker wordt. Ook vragen deze leden watde gevolgen van deze maatregelen zijn voor het aantal banen in deafvalsector.Deze leden zijn verder benieuwd hoe de regering beoordeelt dat eenafvalstoffenheffing uiteindelijk aan de burger wordt doorberekend diehierin geen keuze heeft, zoals ook te zien is in de tabel onder de paragraafgevolgen voor burgers en bedrijven. Deze leden constateren dat 340miljoen euro naar lastenstijging voor huishoudens per 2029 gaat, wat ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1438 nog per gemeente kan verschillen. De regering veronderstelt dat dehogere prijzen zullen leiden tot minder aanbod van afval, maar deze ledenvragen waarop deze veronderstelling is gebaseerd.De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe realistisch deaanname is dat de hoeveelheid afval per bewoner daalt als er geenindividuele prikkel voor huishoudens is om die hoeveelheid te vermin-deren, of dat meer alternatief verwerkt wordt door bijvoorbeeld recyclingals daarin niet wordt geïnvesteerd.Deze leden vragen hoe de regering beoordeelt dat een maatregel die totmeer circulariteit moest leiden, nu wordt ingevuld met alternatievemaatregelen die juist tot minder circulariteit leiden. Ook vragen dezeleden waarom de afvalverbrandingssector nu met oplossingen moetkomen, en niet breder wordt gekeken binnen het circulaire domein.De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom de maatregeladditioneel tarief voor storten-met-ontheffing geen onderdeel is van detechnische invulling, terwijl een van de redenen waarom deze maatregelwordt genomen de aanscherping van de CO2-heffing voor AVI’s is, die welonderdeel is van de technische invulling. Deze leden vragen of met dezemaatregel storten in het buitenland niet aantrekkelijker wordt dan stortenof verbranden in Nederland.Deze leden benadrukken voorts dat de ATR deze maatregel heeftbeoordeeld met een dictum 3: niet indienen, tenzij.De leden van de SGP-fractie constateren dat de invulling van de dekkingvan het niet-doorgaan van de polymerenheffing nog aangepast kanworden, mede naar aanleiding van lopende gesprekken met de afval-sector. Middels het voorliggende wetsvoorstel wordt de alternatievedekking echter al wel wettelijk vastgelegd. Klopt het dat geen van devoorgestelde maatregelen al op 1 januari 2026 ingaat? Waarom is er nietvoor gekozen om een eerst een definitief pakket, in overleg met deafvalsector, samen te stellen, alvorens dit in wetgeving vast te leggen? Deleden van de SGP-fractie wijze er daarbij ook op dat in het voorjaar van2026 duidelijk zal zijn of het in het voorliggende wetsvoorstel gepresen-teerde pakket aan maatregelen aangepast moet worden. Volgens dezeleden is er dan ook genoeg tijd om het definitieve pakket aan maatregelenwettelijk vast te leggen.Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie om een stand van zakenover de gesprekken met de afvalsector over een mogelijk alternatieveinvulling van de lastenverzwaring.De leden van de SGP-fractie vragen naar de verwachte gevolgen voor derecyclingindustrie, bijvoorbeeld op werkgelegenheid, concurrentiever-mogen en innovatie, als gevolg van de maatregelen? Ook vragen dezeleden naar de robuustheid van de opbrengst, en naar de mogelijkeverkleining van de belastinggrondslag. Kan de regering daarop reflec-teren?De leden van de SGP-fractie vragen specifiek ook aandacht voor enkelesectoren die bovengemiddeld worden getroffen door de verhoging van deafvalstoffenbelasting. Denk aan de verwerking van asbest. Sinds dit jaar isde vrijstelling voor asbestdaken afgeschaft. Daar komt de verhoging vande afvalstoffenbelasting bij. Kan de regering de gevolgen voor deze sectorschetsen, en opties aandragen voor het mitigeren van de negatieveeffecten? Ook vragen deze leden aandacht voor de gevolgen voorbodemsanering. Kan de regering daarop reflecteren? Kan daarbij ookworden ingegaan op de gevolgen voor woningbouw?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1439 De leden van de SGP-fractie vragen naar de gevolgen voor water-schappen van de afschaffing van de vrijstelling voor zuiveringsslib. Klopthet dat de vrijstelling wel blijft gelden voor mono-verbranding? Daarnaastlezen deze leden dat het de verwachting van de regering is dat maar eenklein deel onder de heffing komt te vallen, mede doordat een deel in hetbuitenland verbrand zal worden. Wat is dan de effectiviteit van demaatregel? Ten slotte vragen de leden van de SGP-fractie naar delastenstijging voor burgers als het gevolg van de afschaffing van devrijstelling en naar de lastenstijging voor waterschappen. Kan de regeringdat inzichtelijk maken?5.20 Aanpassingen CO2-heffing industrie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kantoelichten hoeveel inkomsten de rijksoverheid misloopt door deaanpassing van het tarief (jaarlijks vanaf 2025 t/m 2030). Waarom is ervanaf 2028 nul euro aan inkomsten ingeboekt? Klopt het dat de regeringgeen inschatting kan maken van de inkomsten na 2028 en zo ja, waaromniet? Is deze derving op een specifieke manier gedekt en zo ja, om welkedekking gaat het? Als er sprake is van dekking binnen het Klimaatfonds,ten koste van welke projecten gaat dit dan?Deze leden vragen ook of de derving en verminderde prikkel gevolgenhebben voor de verduurzaming van de industrie. Kan de regeringuiteenzetten wat die gevolgen precies zijn? Kan de regering daarnaasttoelichten wat de gevolgen van de verhoging van de CO2-heffing voorAVI’s zijn? Waarom is de inschatting met betrekking tot de effectiviteit vande CO2-heffing in relatie tot weglekrisico bij AVI’s anders dan bij bedrijvendie onder de generieke CO2-heffing vallen?De leden van de VVD-fractie vragen de regering om toe te lichten waaromhet tarief van de industriële CO2-heffing na 2030 weer terugkeert naar hethogere niveau van het basispad, terwijl algemeen wordt verwacht dat deindustrie door externe factoren – zoals beperkte netcapaciteit, vertragingin infrastructuurprojecten en beschikbaarheid van duurzame energie – nietin staat zal zijn de beoogde emissiereducties te realiseren. Kan deregering aangeven welke overwegingen aan deze keuze ten grondslagliggen en hoe wordt voorkomen dat deze tariefstijging leidt tot reëleweglekrisico’s, met negatieve gevolgen voor het vestigings- en investe-ringsklimaat in Nederland? Erkent de regering dat een dergelijk tarief,indien niet in lijn met de feitelijke reductiemogelijkheden, nauwelijksbijdraagt aan de mondiale vermindering van CO2-uitstoot, maar wel deinternationale concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven aanzienlijkkan schaden?De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de voorgesteldeaanpassingen van de CO2-heffing industrie.De regering schrijft dat de aanpassingen aan het tarief voorETS1-installaties en lachgasinstallaties maximale verlichting geboden aande industrie, voor wat binnen de grenzen van het Herstel- enVeerkrachtplan (HVP) mogelijk is. De leden van de D66-fractie verbazenzich over het schijnbare hoofddoel van de aanpassingen. Welke rol heeftde impact op CO2-uitstoot en het behalen van de klimaatdoelen gehad inde totstandkoming van dit besluit? Welke alternatieven zijn er overwogenom bedrijven wel tegemoet te komen in hun kosten, zonder de prikkelsvan de CO2-heffing ernstig te verzwakken? Begrijpen de leden van deD66-fractie op basis van de beslisnota’s goed dat de regering begin ditjaar juist een tweeschijvenstelsel heeft uitgewerkt waarmee het tariefCO2-heffing industrie na 2030 wilde verhogen? Zo ja, hoe is de regeringdan plots tot een dergelijke ommezwaai gekomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1440 De leden van de D66-fractie zijn benieuwd welke bijdrage de CO2-heffingnog levert aan het Nederlands klimaatbeleid als de voorgesteldeaanpassingen worden gedaan.Ook hebben de leden van de D66-fractie zorgen over de stabiliteit van hetNederlandse fiscale beleid. Deelt de regering de inschatting van de NEadat het Nederlandse klimaat, bedrijfsleven en economie gebaat zijn bijmeer voorspelbaarheid en stabiliteit? Zijn de voorgestelde aanpassingenniet wrang voor bedrijven die juist hard hebben geïnvesteerd in verduur-zaming? Hoe komt de regering hen tegemoet?De regering schrijft dat dat zonder alternatief beleid deze aanpassing eennegatief effect heeft op verduurzaming. Het PBL verwacht dat hetafschaffen van de CO2-heffing tussen nul en twee megaton hogereCO2-emissie leidt in 2030 dan geraamd is in de Klimaat en Energiever-kenning. Zou de regering dit effect nader kunnen (laten) kwantificeren?De leden van de D66-fractie lezen in de beslisnota’s dat het niet voldoenaan de Klimaatwet grote juridische risico’s geeft en daarmee samenhan-gende budgettaire risico’s. Ook lezen deze leden dat beprijzende maatre-gelen doorgaans het meest effectief zijn voor CO2-reductie én bijdragenaan overheidsfinanciën. Hoe verhoudt het voorliggende voorstel zich totde bovenstaande passages? De leden van de D66-fractie lezen in debeslisnota’s dat met het oog op eventuele rechtszaken over het nationaleklimaatdoel het verstandig is om de CO2-heffing industrie aan tescherpen. Kan de regering nader toelichten op welke wijze zij zichzelfblootstelt aan rechtszaken door ervoor te kiezen om de heffing af tezwakken?Uit de Klimaat en Energieverkenning blijkt dat het PBL rekent met eenCO2-reductie als gevolg van de verhoogde CO2-heffing voor afvalverbran-dingsinstallaties, zo constateren deze leden. Onderzoek van PwC steltechter dat het onzeker is of de hogere heffingen zorgen voor een lagereCO2 uitstoot zorgen vanwege tegengestelde prikkels. Zo zouden Neder-landse sorteer- en recyclebedrijven vanwege de hogere heffing duurderkunnen worden ten opzichte van virgin producten. De leden van deD66-fractie kunnen in de toelichting op het voorstel dit mogelijke effectniet terugvinden. Zodoende vragen deze leden zich af hoe de regeringkijkt naar de bevindingen van PwC.5.21 Belastingvermindering energiebelasting De leden van de D66-fractie kunnen de onderbouwing in het nader rapportvoor de belastingvermindering ten opzichte van een tariefsverlaging goedvolgen. Tegelijkertijd constateren ze dat uit de memorie van toelichtingblijkt dat de regering met dit middel tracht de koopkracht vanhuishoudens te ondersteunen. Zou de regering nader kunnen toelichtenwaarom zij dit doel alleen probeert te behalen door middel van aanpas-singen aan de energiebelasting in plaats van (verdere) aanpassingen aanhet stelsel van inkomstenbelastingen en toeslagen?De leden van de CDA-fractie lezen dat de 100 miljoen euro die de regeringstructureel in de belastingvermindering energiebelasting wil stoppenfeitelijk een korting van 9,30 euro betekent. Deze leden vragen hoe deregering dit beoordeelt als verzachting voor de stijgende energierekeningen welke alternatieven beschikbaar zijn.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn voorstander van het verlagenvan de energierekening van huishoudens. Deze leden vragen de regeringom toe te lichten waarom de voorgenomen verhoging van de belasting-vermindering in de energiebelasting gehalveerd is van 200 naar 100Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1441 miljoen euro. Ook vragen deze leden met welke budgettaire omvang enbijbehorend bedrag per huishouden de belastingvermindering EBverhoogd kan worden door de belastingvermindering te beperken tothuishoudens.De leden van de SGP-fractie zijn voorstander van het verlagen van deenergiebelasting via het verhogen van de belastingvermindering. Dehuidige, voorgestelde verhoging is echter zeer minimaal. Klopt het datvermindering van de energiebelasting zoals voorgesteld voorhuishoudens neerkomt op een vermindering van 78 cent per maand?Waarom is niet voor meer lastenverlichting in de energiebelastinggekozen? In hoeverre doet het bedrag per huishouden recht aan degestegen lasten voor huishoudens?5.22 Aanpassing zuiveldefinitie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het terecht dat deregering ervoor kiest de ontwijkingsroute binnen de verbruiksbelastingalcoholvrije dranken met een vleugje zuivel onmogelijk te maken. Ookvinden deze leden het wenselijk dat zuivel- en sojadranken met een hoogsuikergehalte niet langer vrijgesteld worden van de verbruiksbelasting.Deze leden vragen echter of de rechtvaardiging voor de overgeblevenvrijstellingen wel consistent en houdbaar is. Zuiveldranken blijven immersvrijgesteld omdat deze passen binnen een gezond voedingspatroon, netals mineraalwater. Deze redenering gaat in principe echter ook op voorsuikervrije frisdranken. Is de regering het daarmee eens of vindt deregering dat suikervrije frisdranken niet passen binnen een gezondvoedingspatroon en als dat zo is, waarom niet? Eerder kwamen dezeleden het argument tegen dat suikervrije frisdranken mensen latenwennen aan een zoete smaak en daarom niet vrijgesteld zouden moetenworden. Ziet de regering dat ook zo? Zo ja, is zij bekend met wetenschap-pelijk bewijs dat deze stelling onderbouwt?Deze leden zijn van mening dat het wenselijk is om te differentiëren naarsuikergehalte in de verbruiksbelasting. Zolang die differentiatie er nog nietis, zien deze leden echter geen reden om zuivel en mineraalwater noglanger uit te zonderen van de verbruiksbelasting, aangezien het gezond-heidsargument tot op zekere hoogte ook opgaat voor suikervrijefrisdranken, en er ook redenen zijn om overmatige consumptie vanzuiveldranken en mineraalwater tegen te gaan. Zuiveldranken hebben inde ogen van deze leden immers een relatief grote klimaatvoetafdruk,terwijl mineraalwater zowel onnodig transport als onnodig plasticverbruikveroorzaakt. Voor mineraalwater bestaat immers ook een milieuvriendelijkalternatief, namelijk kraanwater. Hoe ziet de regering dit, en hoe weegt deregering de verschillende redenen om dranken al dan niet uit te zonderenvan de verbruiksbelasting? Is de regering van mening dat het gezond-heidsargument nu consistent wordt toegepast en zo ja, hoe verklaart deregering dan dat suikervrije frisdranken niet zijn uitgezonderd, maarmineraalwater wel? Kan de regering aangeven hoeveel het budgettair zouopleveren als de uitzonderingen voor zuivel, sojadranken en mineraal-water zouden komen te vervallen?De leden van de VVD-fractie lezen dat de Afdeling advisering van de Raadvan State erop heeft gewezen dat sojamelk wel is vrijgesteld van deverbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, maar andere vormen vanplantaardige melk niet. Acht de regering dit houdbaar met het oog op hetgelijkheidsbeginsel? Vergelijkbare dranken, uit dezelfde categorie vanplantaardige vervangingen voor melk, worden immers fiscaal andersbelast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1442 De leden van de D66-fractie staan positief tegenover het voorstel om dedefinities rondom de zuiveluitzondering aan te scherpen. Wel hebben dezeleden enkele vragen over het nader rapport. De Raad van State merkt opdat volgens het Voedingscentrum niet alleen sojadrank een volwaardigevervanger is voor zuiveldranken, maar ook iets als erwtensap. Ook voordeze leden is het op basis van de toelichting in het voorstel onduidelijkwaarom andere volwaardige vervangers niet onder de voorgesteldeuitzondering vallen. De regering schrijft dat de zuiveluitzondering «vanoudsher» van toepassing is op zuivel en sojaproducten. Kan de regeringnader toelichten waarom de geschiedenis van de WVAD een zwaar-wegend argument is om geen andere categorieën meer op te nemen? Ishet niet zo dat nog vrij recent de vrijstelling is uitgebreid, bijvoorbeeldnaar mineraalwater?Ook schrijft de regering dat een uitbreiding van de uitzonderingscatego-rieën niet zou passen bij de demissionaire status van het kabinet. De ledenvan de D66-fractie merken op dat elders in het belastingplan maatregelenworden genomen, zoals de aanpassingen aan de CO2-heffing industrie,die budgettair, economisch en milieutechnisch een veel grotere impacthebben dan de vraag of erwtensap al dan niet uitgezonderd is van deverbruiksbelasting. Kan de regering dit beroep op de demissionaire statusvan het kabinet nader toelichten?De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat de ontwijkingsmoge-lijkheid om een vleugje zuivel aan frisdranken toe te voegen wordtdichtgezet en dat zuivel waaraan suiker en smaakstoffen zijn toegevoegdniet meer wordt uitgezonderd. Deze leden vinden de aanpassingengrotendeels logisch, behalve het voortzetten van enkel de uitzonderingvoor sojadranken als melkvervanger, waarbij zij ook verwijzen naar deopmerkingen van de Raad van State. Deze leden merken op dat ookandere melkvervangers de genoemde kenmerken kunnen hebben eneveneens verrijkt kunnen zijn met calcium en vitamine B2 en 12 en eiwitkunnen bevatten. Deze leden vragen waarom de regering het met het oogop het gelijkheidsbeginsel, een juridisch houdbaar onderscheid acht omsojadranken anders te behandelen dan andere soorten plantaardigemelkvervangers, die naar maatschappelijk opvatting als dezelfde categorieworden gezien en gelijke voedingswaarden kunnen bevatten.De leden van de SGP-fractie constateren dat de extra opbrengst door hetvervallen van een uitzondering niet leidt tot een verlaging van het tarief inde verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken. Met de voorgesteldeaanpassing wordt een maas in de wet gedicht, waardoor ook drankenbelast worden waarvoor beoogd was dat deze onder de belasting zoudenvallen. Blijkbaar levert dit geld op, waardoor de totale heffing hoger komtte liggen dan oorspronkelijk beoogd. Waarom is er niet voor gekozen omhet tarief te verlagen, zodat de beoogde opbrengst alsnog wordt behaald?5.23 Koopkrachtmaatregel BES-eilanden De leden van de D66-fractie ondersteunen de wens om de inkomensver-schillen op de BES eilanden te verkleinen, en hebben geen verderevragen.De leden van de CDA-fractie vragen de regering of door het alsmaaropschorten van de verhoging van de accijns op brandstof de gevolgenniet steeds groter worden. Als de regering de kosten voor fossieleautorijders te hoog vindt of de overgang te groot, dan vragen deze ledenwaarom niet is gekozen voor een meer structurele oplossing op geleide-lijke verhoging door het budget uit te smeren, in plaats van een noggroter verschil te creëren in 2027. Deze leden vragen of de regering kanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1443 aangeven waar de brandstofprijzen op uit zullen komen na afloop van detariefsverlaging in 2027.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om in te gaan opde gevolgen van de voorgestelde aanpassingen op de koopkrachtontwik-keling van huishoudens en de armoedecijfers. Ook vragen deze leden omde koopkracht van de relevante standaardhuishoudens te vergelijken metde minimuminkomens die het NIBUD geformuleerd heeft voor de BES.5.24 Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel enLPG De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kantoelichten in hoeverre de omstandigheden nu vergelijkbaar of verschillendzijn met toen de verlaging van de accijnstarieven werd ingevoerd (april2022). Klopt het dat de brandstofprijzen toen veel hoger waren dan nu?Heeft de regering dit meegewogen bij het nemen van een besluit over debrandstofprijzen?Deze leden vragen ook met hoeveel procent de prijzen in het openbaarvervoer volgend jaar omhoog gaan, en met hoeveel jaar de prijzen al zijngestegen sinds 1 juli 2023. Vindt de regering betaalbare mobiliteit alleenbelangrijk als het gaat om autorijden, of valt het openbaar vervoer daarook onder? Hoeveel zou het kosten om de prijzen in het openbaar vervoervolgend jaar gelijk te houden? Hoe verhoudt dat zich tot de derving diesamenhangt met de hier voorgestelde maatregel? Kan de regeringtoelichten waarom zij kiest voor «betaalbare mobiliteit» als het gaat omauto’s, maar tegelijkertijd voor hogere prijzen in het openbaar vervoer?Welk aspect aan autorijden vindt de regering te prefereren boven hetopenbaar vervoer? Vindt de regering het wenselijk als meer mensen autogaan rijden en minder mensen met het openbaar vervoer gaan? Wat zouvolgens de regering het gevolg daarvan zijn op het gebied van broeikas-gassenuitstoot, fijnstofuitstoot, filevorming, beschikbare ruimte in desteden en grondstoffengebruik?De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat de verlaagde accijnsta-rieven een jaar langer worden doorgezet. Deze leden vinden het vanbelang dat autorijden betaalbaar blijft en dat hardwerkende Nederlandersniet worden geconfronteerd met een fors hogere prijs aan de benzi-nepomp. Deze leden vragen het ministerie nog om het effect van dezemaatregel op de brandstofprijzen aan de benzinepomp te presenteren,inclusief het effect van btw.De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorgesteldeverlenging van de accijnskorting op brandstof. De leden van deze fractieachten het voorstel ondoelmatig, zeer kostbaar en contraproductief voorhet realiseren van de transitie naar duurzame mobiliteit.De regering stelt dat een accijnskorting een efficiënte manier is omfossieleautorijders te bereiken. De leden van D66-fractie vragen deregering om dit verder toe te lichten. Kan de regering uiteenzetten welkeinkomensgroepen het meest en het minst profiteren van de accijnsver-laging. Kan de regering toelichten hoe de accijnsverlaging huishoudens teondersteunen voor wie vervoerskosten geen groot deel van de huishoud-uitgaven vormen ondersteunt? Is de verlaagde accijns een efficiëntemanier om huishoudens met een lager- of middeninkomen te onder-steunen? Zo nee, waarom niet?De leden van de D66-fractie vragen de regering naar de totstandkomingvan het voorstel om accijnzen te verlagen. Welke alternatieven zijn eroverwogen om huishoudens op een kostenefficiëntere wijze te onder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1444 steunen in hun vervoerskosten? Waarom onderneemt de regering geenactie om gebruikers van elektrische voertuigen, het openbaar vervoer ende fiets tegemoet te komen in hun vervoerskosten?De leden van de D66-fractie hechten, net zoals de regering, waarde aanstabiel economisch en fiscaal beleid. Deze leden vragen de regering hoehet (herhaaldelijk) incidenteel uitstellen van accijnsverhogingen bijdragenaan stabiel beleid.Deze leden merken ook op dat de accijnskorting vlak voor de TweedeKamerverkiezingen wordt verlengd, net als in 2023. Hoe gaat de regeringervoor zorgen dat de accijnskorting niet een instrument wordt waarmeepolitici hun opvolgers opzadelen met de budgettaire besluiten die deregering eigenlijk zelf hadden moeten nemen?De regering schrijft in het voorwoord van de Miljoenennota dat zij geenrekeningen door wil doorschuiven. Hoe moeten de leden van deD66-fractie deze uitspraak serieus nemen in het licht van het voorliggendevoorstel?De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de klimaateffectenvan het voorstel. Wat is de verwachte CO2-impact van het voorstel en isdeze impact meegenomen in de Klimaat- en Energieverkenning. Zo nee,klopt het dat het werkelijke beeld in dat geval nog slechter is dan het PBLschetst. De regering schrijft in het klimaatplan 2025–2035 dat door deaccijns op brandstof een emissievrij vervoer voor steeds meer mensen,maatschappelijke organisaties en bedrijven een financieel aantrekkelijkalternatief is dan een brandstofvoertuig. Is de regering het met de ledenvan de D66-fractie eens dat de regering met dit haar eigen klimaatplanmet de voorgestelde verlenging van de accijnskorting ondergraaft?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om in te gaan opde gedragseffecten van de voorliggende maatregel, en daarbij in elk gevalin te gaan op de gevolgen voor klimaat en CO2-uitstoot en grenseffecten.De leden van de SGP-fractie zijn positief over het verlengen van deaccijnskorting. Tegelijk roept het vragen op. De accijnskorting wasbedoeld als tijdelijke maatregel, maar lijkt inmiddels permanent ingezet teworden. Wat is de visie van de regering op de brandstofaccijnzen op delange termijn?Daarnaast hebben de leden van de SGP-fractie bedenkingen bij dedekking van de verlengde accijnskorting. De dekking loopt ver over dekabinetsgrenzen heen. Daarnaast is er een structurele overdekking. Hoe isdit te rijmen met de begrotingsregels?6. Budgettaire aspecten De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat het kabinet de lastenop inkomen uit arbeid in 2026 met 1430 miljoen euro (130 miljoeninkomensbeleid plus 1300 miljoen alternatieve dekking voor debtw-maatregelen) verhoogt, en structureel met 1417 miljoen euro, met alsenige verantwoording een budgettaire opbrengst, zonder dat vereenvou-diging of verbetering wordt bereikt.7. Grenseffecten De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de grenseffectenvan de hervormingen in de afvalstoffenbelasting groot acht. Wat betekentdat voor het concurrentievermogen van de Nederlandse sector en deeffectiviteit van de voorgestelde maatregelen? Kan de regering ook deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1445 verwachte klimaateffecten en de effecten op de CO2-uitstoot schetsen alsgevolg van de grenseffecten?III. OVERIG De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het Belastingplan noggeen uitwerking van de motie Stultiens (Kamerstuk 31 066, nr. 1470) overhet Nederlandse vermogen in offshore financial centers. Kan de regeringaangeven hoe de regering van plan is deze motie uit te voeren?Deze leden vragen verder of de regering een volledig overzicht kanmeesturen van hoe vaak de begrotingsregel scheiding uitgaven eninkomsten is geschonden door het kabinet in de afgelopen vijf jaar, zowelin het eigen kabinetsbeleid als door moties en amendementen vanuit deKamer «oordeel Kamer» te geven terwijl hierbij sprake was van schendingvan de genoemde begrotingsregel.De leden van de BBB-fractie hebben nog een vraag over de diversewijzigingen van de bedrijfsopvolgingsregeling. Ziet de regering opnamevan de familietoets in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 als eengoede oplossing om familiebedrijven te beschermen?De leden van de SGP-fractie vragen naar de stand van zaken rond hetaangenomen amendement Stoffer c.s. (Kamerstuk 36 610, nr. 11)? Ookwijzen de leden van de SGP-fractie erop dat de familietoets en deverwateringsregel nog niet in werking zijn getreden. Is de regering nogsteeds voornemens deze wel in te voeren, en zo nee, worden anderemaatregelen overwogen om hetzelfde doel te bereiken? Ten slotte op ditpunt vragen de leden van de SGP-fractie naar de opvolging van de motieStoffer c.s. over de gevolgen van de versobering van de BOR voor deagrarische sector (Kamerstuk 36 602, nr. 125)?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1446
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.