Lijst van vragen en antwoorden over de Vierde voortgangsbrief Masterplan basisvaardigheden (Kamerstuk 31293-732)
Brontekst
Versie e8555222bd807a54 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 756 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 11 oktober 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap over de brief van 27 juni 2024 inzake Vierde voortgangs-brief Masterplan basisvaardigheden (Kamerstuk 31 293, nr. 732).De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 11 oktober2024. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Huls kst-31293-756ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7561 Vragen en antwoorden1.Hoeveel onderwijsadviesbureaus kent Nederland op dit moment?Onderwijsadviesbureaus vallen bij de Kamer van Koophandel onder debedrijfstak «dienstverlening voor het onderwijs». Binnen die bedrijfstakvallen ook bedrijven die geen onderwijsadviesdiensten leveren zoalsorganisaties die uitwisselingsprogramma’s organiseren voor leerlingen enstudenten.De cijfers van die bedrijfstak bij de Kamer van Koophandel laten zien dater momenteel circa 50 middelgrote tot grote bureaus (met meer dan10 mensen in dienst) zijn, en circa 220 kleine bureaus (2 tot 10 mensen indienst).1 Het daadwerkelijke aantal onderwijsadviesbureaus zal lagerliggen, maar een exact aantal is niet te geven.2.Hoeveel zzp’ers geven op dit moment onderwijsadvies?Onderwijsadviseurs vallen bij de Kamer van Koophandel onder debedrijfstak «dienstverlening voor het onderwijs». Binnen die bedrijfstakvallen ook zzp’ers onder die geen onderwijsadviesdiensten leveren, zoalszzp’ers die leerlingen helpen bij school- en studiekeuze.In deze bedrijfstak staan bij de Kamer van Koophandel 3.085 personeningeschreven als eenmanszaak.1 Daarnaast laten de cijfers zien dat vandie 3.085 zelfstandigen, er voor circa 900 personen geldt dat huneenmanszaak in 2022 hun voornaamste inkomensbron was. Het aantalonderwijsadviseurs voor wie dit geldt, zal lager liggen, maar een exactaantal is niet te geven.23.Ziet u een grotere of snellere voortgang vanuit het Masterplanbasisvaardigheden bij scholen die een oordeel zeer zwak ofonvoldoende hebben gekregen in vergelijking tot de anderescholen?De looptijd van de subsidie Verbetering basisvaardigheden is twee jaar.Scholen worden in deze periode twee keer bevraagd: een paar maandenna de start en kort na afloop van de subsidie. Voor de eerste groepscholen, die in 2022 is gestart, is de activiteitenperiode inmiddelsafgelopen. De eindmeting onder deze scholen wordt nu uitgevoerd. In devolgende voortgangsbrief die u in december kunt verwachten, kan ik meerzeggen over de voortgang en het effect dat schoolleiders zien en over deverschillen tussen scholen. Ik kan ook dan pas zeggen of de scholen meteen oordeel zeer zwak of onvoldoende van de Inspectie van het Onderwijs(hierna: inspectie) – de zogenaamde prioriteitsscholen – meer of mindervoortgang hebben laten zien dan de andere scholen die subsidie krijgen.Los daarvan geldt dat het voor leerlingen van groot belang is dat dekwaliteit op de prioriteitsscholen snel vooruit gaat. Daarom wordt desubsidieaanvraag van deze scholen in principe altijd gehonoreerd enkrijgen zij één-op-één begeleiding van een onderwijscoördinator.4.Hoe kan nog steeds prioriteit worden gegeven aan scholen diehet harder nodig hebben wanneer in de toekomst de financiering1CBS Statline. Bedrijfstak «dienstverlening voor het onderwijs» (8560), voorlopige cijfers3e kwartaal 20242CBS Statline. Zelfstandigen; inkomen, vermogen, bedrijfstak «dienstverlening voor hetonderwijs (8560), voorlopige cijfers 2022Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7562 mogelijk structureler van aard wordt en scholen geen aanvraaghoeven te doen?Vanaf 2027 ontvangen alle scholen middelen voor het verbeteren vanbasisvaardigheden. Zoals aangekondigd in de Vierde voortgangsbriefMasterplan Basisvaardigheden (hierna: Vierde voortgangsbrief), zijn erdaarnaast middelen beschikbaar voor de scholen die dit het hardst nodighebben.3 Het voorlopige beeld hierbij is dat dit, net zoals nu, op basis vaneen subsidie voor prioriteitsscholen – scholen met een oordeel onvol-doende of zeer zwak van de inspectie – zal zijn.5.Hoeveel kerndoelen zijn er geweest in de afgelopen periodesvanaf 2000?In 1993 zijn de kerndoelen voor het eerst vastgesteld. Toen waren het er123 voor het po en 256 voor het vo. In 1998 werden de doelen herziennaar 121 in het po en 362 in het vo. Om scholen meer autonomie te gevenis het aantal kerndoelen per 1 augustus 2006 sterk teruggebracht naar inhet po en de onderbouw van het vo ieder 58 globale kerndoelen. Door deglobale aard van de kerndoelen hadden scholen echter onvoldoendeduidelijkheid over wat leerlingen echt moeten kennen en wat optioneel is.En dat heeft ertoe geleid dat het uitgevoerde curriculum overladen isgeraakt. Daarom worden de kerndoelen in de huidige herziening concreteruitgewerkt.4 Ook wordt het aantal kerndoelen nog verder teruggebracht,in lijn met het hoofdlijnenakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 37).Over de vervolgstappen informeer ik de Kamer in de eerste helft vanoktober.6.Zijn de gevolgen voor schoolbesturen van het uitstellen vanstructurele bekostiging naar 2027 onderzocht?De gerichte bekostiging start per 1 januari 2027. Het is helaas niethaalbaar om op een zorgvuldige manier eerder te starten met dit nieuweinstrument.De gevolgen voor scholen en schoolbesturen zijn aan de orde gekomen ingesprekken met bijvoorbeeld de PO- en VO-Raad. Het gevolg voor eendeel van de schoolbesturen is dat het een jaar langer, dan eerder beoogd,duurt voor alle scholen via dit instrument bekostiging ontvangen voor hetverbeteren van basisvaardigheden. Daar staat tegenover dat in hetvoorjaar van 2025 een nieuwe en de laatste tranche van de Subsidiere-geling Verbetering basisvaardigheden kan worden opengesteld. Met dezemiddelen kan een volgende groep scholen aan de slag om met bewezeneffectieve interventies de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren.7.Welke mogelijkheden bestaan er om de structurele bekostigingvan het Masterplan basisvaardigheden toch op 2026 te latenstaan?De gerichte bekostiging gaat 1 januari 2027 in. De mogelijkheid om destructurele bekostiging op 2026 te laten staan is alleen mogelijk doorscholen middels een reguliere (aanvullende) bekostigingsregeling tefinancieren. Hier is niet voor gekozen, omdat bij reguliere (aanvullende)3Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 7324Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 700Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7563 bekostiging geen voorwaarden aan de inzet van de middelen kunnenworden gesteld.Gezien de urgentie van het verbeteren van de basisvaardigheden en despecifiek voor dit doel vrijgemaakte middelen is het passend om dezemiddelen gericht voor dit doel ter beschikking te stellen. Dit kan welmiddels het subsidie-instrument, zoals in het antwoord op vraag 6toegelicht. Op deze manier kan worden geborgd dat de middelen die zijnbedoeld voor het verbeteren van basisvaardigheden ook daadwerkelijkaan dit doel worden besteed.8.Hoe is er in het uitstel van de structurele bekostiging rekeninggehouden met de problemen die dit oplevert voor de personelebezetting van de scholen die reeds subsidie hebben ontvangen?In de Vierde voortgangsbrief is, mede op verzoek van scholen, welduidelijkheid gegeven over de vaste bedragen die scholen kunnenverwachten uit de structurele bekostiging die per 1 januari 2027 start.5 Dithelpt scholen in het maken van plannen voor het verbeteren vanbasisvaardigheden. Voor de structurele bekostiging start wordt eennieuwe subsidieregeling uitgewerkt. Hierin vindt ook de afweging plaatsof het wenselijk is dat scholen die al eerder subsidie hebben aangevraagdwederom subsidie kunnen aanvragen, om zo aanvullende middelen tekunnen ontvangen voor het uitvoeren van activiteiten voor de start van destructurele bekostiging. De andere optie is om in te zetten op het bereikenvan scholen die eerder nog geen subsidie voor het verbeteren vanbasisvaardigheden hebben ontvangen.9.Hoe verenigt u het uitstel van structurele bekostiging met hetvoornemen tot «solide structurele financiering» uit hethoofdlijnenakkoord?We werken aan dit doel, maar hebben simpelweg meer tijd nodig om ditzorgvuldig te kunnen uitwerken en implementeren. Dit instrument biedtde mogelijkheid om structurele financiering te combineren met het stellenvan voorwaarden. Vanaf 2027 ontvangen daarmee alle scholen extramiddelen voor basisvaardigheden via het bekostigingsinstrument. Met hethuidige bekostigingsinstrumentarium is het niet mogelijk omvoorwaarden te stellen, daarom wordt (nu nog) in bepaalde gevallenuitgeweken naar het subsidie-instrument, terwijl structurele bekostigingvoor structurele taken als werken aan basisvaardigheden gewenst is.Het pakket uit het hoofdlijnenakkoord omtrent de bekostiging is breder.Naast de gerichte bekostiging worden er ook normen gesteld aan debekostiging en kijken we bij nieuwe middelen zorgvuldig op welke manierdeze verstrekt moeten worden. Ook wordt bezien of andere subsidies (optermijn) kunnen worden omgezet in bekostiging. In het kader van hetHerstelplan Onderwijs werk ik verder aan deze maatregelen.10.Hoeveel besteedt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap in totaal per onderwijscoördinator?Het ministerie heeft op dit moment voor 13,8 fte aan onderwijscoördina-toren in dienst. De onderwijscoördinatoren zijn ingeschaald in schaal 11en 12 uit de CAO Rijk.5Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 732Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7564 11.Wat beschouwt u precies als evidence informed?Onder evidence-informed werken wordt verstaan dat onderwijsprofessi-onals weloverwogen keuzes maken voor de best passende aanpakken enmethoden. Bij die keuzes betrekken zij de kennis uit zowel onderzoek alspraktijkervaring. Ze kopiëren niet zomaar een methode, maar houdenrekening met de specifieke context van hun onderwijspraktijk. Op diemanier wordt gestimuleerd dat gekozen wordt voor bewezen methodendie ook in de specifieke praktijksituatie werken.612.Zijn de ontwikkelingen rondom evidence informed werken vergenoeg gevorderd om volgende stappen in de aanpak vanbasisvaardigheden te kunnen maken of ontstaat het risico datdeze twee trajecten elkaar in de weg zitten?Evidence-informed werken is de manier waarop binnen het Masterplanbasisvaardigheden wordt gewerkt aan de verbetering van de basisvaar-digheden. Concreet betekent dit dat scholen gestimuleerd worden omvanuit een goede probleemanalyse te werken en gebruik te maken van debest beschikbare kennis. Dit om een gerichte aanpak te kiezen ombijvoorbeeld het rekenonderwijs te verbeteren. Het zijn geen afzonderlijketrajecten die elkaar in de weg kunnen zitten.13.Zijn er ook onbedoelde effecten of tegenwerkende factorenwaargenomen bij de implementatie van de nieuwe methoden voorhet aanleren van basisvaardigheden?Het is bekend dat een te haastig doorgevoerde nieuwe aanpak oflesmethode die niet gedragen wordt binnen een schoolteam eenaverechts effect kan hebben. Voldoende gelegenheid voor leraren omkennis en vaardigheden op te doen is voorwaardelijk om een nieuweaanpak te laten slagen. Daarom is er in het Masterplan veel aandacht voorteamprofessionalisering en voor duurzame onderwijsverbetering.14.In hoeverre betekent de nadruk op effectieve aanpakken datreken- en leesvaardigheid niet overwegend aan bod moetenkomen als geïsoleerde vakken, maar tevens in belangrijke mategeïntegreerd bij de andere vakken die in het funderend onderwijsop het programma staan? In hoeverre is een geïsoleerde aanpakvan reken- en leesvaardigheid evidence- based of evidence-informed?Om lees- en rekenvaardigheden te bevorderen is het wenselijk dat dezevakken zowel geïsoleerd als geïntegreerd met andere vakken wordenonderwezen. Zo is het belangrijk dat leerlingen beschikken over eengoede basis en een geïsoleerde aanpak draagt daaraan bij. Tegelijkertijd ishet belangrijk dat leerlingen deze basis kunnen toepassen op anderevakken. Zoals een interview houden om over de Tweede Wereldoorlog teleren (geschiedenis) en de hoeveelheid deeltjes berekenen van een stof(scheikunde). Daarvoor is een geïntegreerde aanpak relevant. Dit heefteen aantal voordelen: de toepassing van een reken- of leesdoel in eenander vak zorgt voor meer motivatie bij leerlingen, het levert betereleerprestaties op, en het creëert meer diepgaand begrip, hogere-orde-denken en kritisch denken. Dit wordt onderstreept in het advies van de6Zie ook: Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 724Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7565 Onderwijsraad en is ook toegepast in de kerndoelen die nu ontwikkeldworden.7 Zo zijn er aparte kerndoelen voor Nederlands en rekenen-wiskunde, maar komen geletterdheid en gecijferdheid daarnaast terug inalle andere leergebieden.Via het Masterplan en met partners als NRO en SLO reikt OCW scholenvoorbeelden en handreikingen aan om te werken aan geïntegreerd taal-en rekenonderwijs.15.Voor hoeveel fte heeft het ministerie onderwijscoördinatoren indienst? Op grond van welke kwalificaties werden dezen geselec-teerd en ingeschakeld om scholen aan te zetten om kennisge-dreven te werken, gedegen probleemanalyses te maken, eenverbeterplan te maken en een professionele verbetercultuur teontwikkelen?Het ministerie heeft op dit moment voor 13,8 fte aan onderwijscoördina-toren in dienst. Het zijn professionals met brede kennis van het onder-wijsveld en met ruime expertise op het gebied van de basisvaardigheden.Zij zijn sparringpartner, ondersteunen scholen en wijzen hen de weg naarbetrouwbare kennisbronnen. Scholen blijven zelf aan zet om verbeter-plannen te maken en bewezen effectieve interventies in te zetten.16.Kunnen prioriteitsscholen de ondersteuning van de onderwijsco-ördinatoren weigeren, bijvoorbeeld als zij al in een traject zittenmet een privaat onderwijsadviesbureau of in het traject LerenVerbeteren of het programma Goed Worden, Goed Blijven?Prioriteitsscholen moeten gebruik maken van de ondersteuning van eenonderwijscoördinator, dat is een subsidievoorwaarde. Het contact met deonderwijscoördinator blijkt trajecten met private adviesbureaus of met deprogramma’s Goed Worden, Goed Blijven (+) en Leren Verbeteren niet inde weg te zitten. Er is ook goed contact tussen deze programma’s en deonderwijscoördinatoren. Zij vullen elkaar aan. De intensiteit en frequentievan de contacten kan variëren, afhankelijk van de behoefte van de school.De onderwijscoördinatoren gaan uit van maatwerk.17.Wat is de reden dat is gekozen om de subsidie basisvaardighedente verdelen op basis van de CBS-achterstandsscore in plaats vande daadwerkelijke resultaten van scholen?Voor bekostiging gelden vanwege de betrouwbaarheid stevigevoorwaarden voor de indicatoren waarmee de middelen worden verdeeld.De data van onderwijsresultaten van scholen in het vo en so zijn onvol-doende robuust om financiële middelen mee te kunnen verdelen. Ookvoor kleine scholen in het po kennen de data over de onderwijsprestatiesbeperkingen wanneer deze voor bekostiging gebruikt zouden worden.Door de aparte regeling voor prioriteitsscholen komen scholen met eeneindoordeel onvoldoende of zeer zwak van de inspectie in aanmerkingvoor subsidie. Dit zijn scholen waarbij het aannemelijk is dat zij mindergoed presteren op basisvaardigheden. De CBS-achterstandsscorecorreleert redelijk sterk met de vaardigheidsscores van leerlingen. Datblijkt zowel uit eigen analyses voor het po op basis van doorstroomtoets-resultaten als uit analyses verricht door Cito voor het vo.8 Met het gebruik7Taal en rekenen in het vizier. Advies Onderwijsraad 3-11-20228Zie Appendix A.7.1 van Cito (2023), op basis van leerlingvolgsysteemtoetsen in leerjaar 1, 2en 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7566 van de CBS-achterstandsscore kunnen we de middelen gemiddeld geziengerichter inzetten voor de scholen die minder presteren op basisvaardig-heden dan op basis van loting, zoals in de eerste subsidieronde het gevalwas. Ter illustratie: in het basisonderwijs kwam in de eerste subsidieronde40 procent van de toegekende middelen terecht bij de 40 procent scholenmet de laagste beheersing van rekenvaardigheden op de doorstroom-toets. Dit terwijl in de tweede subsidieronde, toen aanvragen op basis vanvolgorde van CBS achterstandsscore werden toegekend, 55 procent vande middelen terecht kwam bij deze scholen.18.Komt het voor dat scholen met slechte resultaten op de basis-vaardigheden nu geen voorrang krijgen op scholen met goederesultaten op de basisvaardigheden, maar wel met een hogereCBS-achterstandsscore?Dit kan voorkomen. Alhoewel er een sterke correlatie is tussen deCBS-achterstandsscore en de gemiddelde vaardigheidsscores vanleerlingen op een vestiging, is deze relatie niet 1 op 1. Om de scholen enleerlingen te bereiken die de subsidie basisvaardigheden het hardst nodighebben is er een aparte subsidieregeling voor prioriteitsscholen, scholenmet een eindoordeel onvoldoende of zeer zwak van de inspectie. Bij dezegroep scholen is meestal sprake van achterblijvende prestaties vanleerlingen. Prioriteitsscholen komen altijd in aanmerking voor de subsidieen één-op-één begeleiding door een onderwijscoördinator.19.Welke aanwijzingen zijn er omtrent de beheersing van debasisvaardigheden door de docenten van andere vakken danwiskunde en Nederlands in het voortgezet onderwijs, nu hetrekenonderwijs op de basisscholen heel anders plaatsvindt dandeze docenten zelf onderwezen hebben gekregen en de spellingde afgelopen decennia tweemaal wijzigingen heeft ondergaan?Het onderwijs verandert regelmatig omdat het zich moet blijvenverhouden tot maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom moetenafgestudeerde leraren zich blijven ontwikkelen gedurende hun loopbaan.Er wordt niet structureel gemonitord wat de (basis)vaardigheden zijn vanleraren. Het is de verantwoordelijkheid van de leraar en de school om tezorgen dat de professionalisering aansluit bij de veranderingen in hetonderwijs.20.In welke mate vormt het ontbreken van financiële middelen voorde helft van de scholen voor voortgezet onderwijs, die debibliotheek niet betrekt bij de plannen voor professionaliseringvan het team, een belemmering? Welke andere verklaringen heeftu er zoal voor als scholen dit niet doen?Waarom een school er niet voor kiest om de bibliotheek te betrekken bijde plannen voor professionalisering is niet onderzocht. Gezien het feit dater nauwelijks scholen zijn die een tekort aan financiële middelen alsbelemmering zien, is het niet aannemelijk dat geldgebrek bij de keuze omde bibliotheek te betrekken op veel scholen een rol heeft gespeeld. Het ligtvoor de hand dat de keuze vooral wordt bepaald door de probleem-analyse die de school heeft gemaakt, en de basisvaardigheid(heden) waarde school zich in de subsidieperiode op focust. De bibliotheek wordt doorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7567 scholen voornamelijk betrokken in het kader van taal.9 Scholen die vooraleen uitdaging hebben op het gebied van rekenen-wiskunde, burgerschapof digitale geletterdheid zullen dan ook minder geneigd zijn om debibliotheek te betrekken bij hun plannen.21.Welke wetenschappelijke evidentie heeft u om de beoogderealisatie van het eerste tussendoel van het Masterplan basisvaar-digheden, de trendbreuk in de aanpak van scholen en de resul-taten van leerlingen, te veronderstellen?Of het eerste tussendoel is bereikt, valt op dit moment nog niet te zeggen.Dat tussendoel luidt dat op de scholen die in de eerste ronde subsidiehebben gekregen aan het einde van het schooljaar 2023/2024 eentrendbreuk in de prestaties van leerlingen te zien is. Of er sprake is vaneen trendbreuk kan ik aan de hand van een kwalitatieve uitvraag onderdeze scholen dit najaar meer zeggen.Daarnaast zal het CPB kwantitatief effectonderzoek uitvoeren waarin deprestaties op scholen met subsidie vergeleken worden met de scholenzonder subsidie. Het eerste deel van dat onderzoek is in het najaar van2025 beschikbaar. In de Vierde voortgangsbrief is te lezen over een anderetype trendbreuk die voorafgaat aan een eventuele trendbreuk in resul-taten, namelijk in de aanpak van scholen.10 Die verandering blijkt uit hetimplementatieonderzoek, case studies en ervaringen van de onderwijs-coördinatoren.22.Hoe verhoudt het wetsvoorstel in voorbereiding over een nieuwfinancieringsinstrument zich tot de brief herijking sturingfunderend onderwijs11 waarin integraal naar financiering wordtgekeken en waar nog met de Kamer over moet wordengesproken?In de Kamerbrief Herijking sturing funderend onderwijs constateer ik dathet, ongeacht de keuze voor een van de scenario’s, wenselijk is om voorstructurele taken structureel bekostiging te verstrekken.12 We zien dat ditnu niet altijd gebeurt, deels doordat een passend bekostigingsinstrumen-tarium ontbreekt. Zo is het nu niet mogelijk om voorwaarden aan debesteding van middelen te stellen wanneer deze via het bekostigingsin-strument worden verstrekt. Het nieuwe financieringsinstrument kan dezelacune in het bekostigingsinstrumentarium opvullen, zodat er welvoorwaarden kunnen worden gesteld aan de besteding van middelen.Scholen hoeven deze bekostiging niet aan te vragen (zoals bij subsidie),maar de overheid kan wel voorwaarden stellen aan de besteding. Ditnieuwe instrument is nodig ongeacht de sturingskeuze, die nog gemaaktmoet worden. De mate waarin dit instrument wordt ingezet is, zoals in debrief is aangegeven, wel afhankelijk van de sturingskeuze.23.Klopt het dat scholen uit de eerste en tweede subsidieronde doorhet uitstel van de invoering van structurele bekostiging naar2027 sterk moeten afschalen of wellicht activiteiten moetenstaken, omdat men de komende jaren niet langer in aanmerking9SEO en Sardes, Implementatieonderzoek subsidieregeling «Verbetering basisvaardigheden».Tranche 2 (tijdvak 1), eerste meting (mei 2024)10Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 73211Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 72712Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 727Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7568 komt voor een vervolgsubsidie? Zo ja, wat kan er gedaan wordenom dit te voorkomen?Scholen worden gestimuleerd om de subsidiegelden zo duurzaammogelijk in te zetten. We vragen daarom aandacht voor de borging vankwaliteitsverbeteringen. Zo zien we dat er op deze scholen veel wordtingezet op professionalisering. De subsidie heeft ook bijgedragen aan destructuur waarbinnen er op deze scholen aan onderwijsverbetering wordtgewerkt. Of scholen hun activiteiten sterk moeten afschalen is niet precieste zeggen. Met het implementatieonderzoek gaan we na hoe scholen nade activiteitenperiode verder werken aan het verbeteren van de basisvaar-digheden. Over de resultaten van dit onderzoek zullen we uw Kamer in hetnajaar rapporteren.In de Vierde voortgangsbrief is aangekondigd wat de minimale bedragenzullen zijn die scholen vanaf 2027 zullen ontvangen.13 Met deze informatiekunnen scholen plannen maken hoe zij deze middelen voor basisvaardig-heden gaan inzetten. In het voorjaar van 2025 wordt een nieuwe subsidie-regeling gepubliceerd. Dit najaar wordt deze subsidieregeling uitgewerkt.Daarbij wordt afgewogen in hoeverre er prioriteit wordt gegeven aan eengroter bereik van scholen die met extra middelen kunnen werken aan debasisvaardigheden dan wel aan het opnieuw in aanmerking laten komenvan scholen die eerder subsidie hebben ontvangen.24.Op grond van welke overwegingen is ervoor gekozen scholenmogelijk te laten terugbetalen als de activiteiten uit het activitei-tenplan niet volledig zijn uitgevoerd? Op grond van welkeoverwegingen krijgen deze scholen niet meer tijd om dezemiddelen conform het activiteitenplan te besteden?De subsidiemiddelen worden verstrekt voor het uitvoeren van één of meerevidence-informed interventies en voor de monitoring van het prestatie-niveau van leerlingen op het gebied van basisvaardigheden. Scholenwordt gevraagd een activiteitenplan in te dienen met een omschrijvingvan de activiteiten die met de subsidie zullen worden uitgevoerd. Scholenkrijgen twee jaar de tijd om het activiteitenplan uit te voeren. Als scholenzich gedurende de activiteitenperiode inspannen om de voorgenomenactiviteiten uit te voeren, dan is er geen reden om over te gaan totterugvordering. Wanneer er middelen resteren aan het eind van deactiviteitenperiode dan mogen scholen die besteden aan activiteitenwaarvoor bekostiging wordt verstrekt. Bij signalen dat scholen zich niet ofonvoldoende inspannen om het toegekende subsidiebedrag te bestedenzal er per geval gekeken worden of terugvordering noodzakelijk enproportioneel is.25.Hoeveel scholen zullen door uitstel van de invoering van struc-turele bekostiging naar 2027 en het voortzetten van de huidigesubsidieregeling met een extra tranche in de periode tot 2027nog steeds geen extra geld ontvangen in het kader van hetMasterplan basisvaardigheden? Welke opties ziet u om ook dezescholen de financiële mogelijkheid te geven om te werken aanhet versterken van de basisvaardigheden?Tot nu toe heeft 60% van de scholen extra middelen ontvangen via desubsidieregeling. Het is nu niet bekend hoeveel scholen tot de start van degerichte bekostiging per 1 januari 2027 geen extra middelen zullen13Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 732Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7569 ontvangen. Dit is mede afhankelijk van de vormgeving van de laatstetranche van de subsidieregeling basisvaardigheden. Het is mogelijk omdit tot 100% van de scholen te laten groeien in de laatste ronde; dat zouwel tot gevolg hebben dat het bedrag per leerling lager wordt dan inhuidige subsidierondes. Er zijn overigens ook scholen die geen aanvul-lende middelen nodig hebben om te werken aan verbetering van debasisvaardigheden en scholen waar de resultaten al heel goed zijn. Desubsidieregeling wordt dit najaar uitgewerkt en in het voorjaar van 2025gepubliceerd.26.Zijn de gevolgen voor schoolbesturen van het uitstellen vanstructurele bekostiging naar 2027 onderzocht?Zie antwoord op vraag 6.27.Welke mogelijkheden zijn er om de structurele bekostiging vanhet Masterplan basisvaardigheden toch op 2026 te laten staan?Zie antwoord op vraag 7.28.Ontstaat er door het uitstellen van structurele financiering eengat tussen 2025 en 2027?De start van de gerichte bekostiging is uitgesteld naar 1 januari 2027. Ditomdat het meer tijd kost om dit instrument zorgvuldig uit te werken en uitte kunnen voeren. In de tussentijd wordt een laatste tranche van deSubsidieregeling Verbetering basisvaardigheden uitgewerkt. De looptijdvan deze subsidieregeling zal wederom twee schooljaren zijn. Hierdoorkunnen scholen activiteiten uitvoeren in de schooljaren 2025/2026 en2026/2027.29.Hoeveel scholen hebben ondanks het indienen van aanvragen totop heden nog geen subsidie ontvangen? Is de intentie om ervoorte zorgen dat met de laatste tranche alle scholen die eenaanvraag hebben gedaan ook subsidie ontvangen?In het po zijn er 2.155 vestigingen (van de in totaal 6.895 scholen) die deafgelopen jaren wel een aanvraag hebben gedaan, maar geen subsidiehebben ontvangen. In het vo zijn er 374 vestingen (van de in totaal 1.447scholen) die de afgelopen jaren wel een aanvraag hebben gedaan, maargeen subsidie hebben ontvangen.De nieuwe tranche van de Subsidieregeling Verbetering basisvaardig-heden wordt dit najaar uitgewerkt. Bij het uitwerken van de subsidiere-geling zal worden bepaald welke scholen een aanvraag kunnen doen. Denieuwe subsidieregeling zal in het voorjaar van 2025 worden gepubli-ceerd.30.Waarom bent u voornemens om het nieuwe financieringsin-strument op 1 januari 2027 in werking te laten treden, terwijl inde Kamer het gesprek over de gewenste wijze van bekostiging inhet funderend onderwijs nog moet worden gevoerd?De beoogde inwerkingtredingsdatum van het nieuwe financieringsin-strument is 1 januari 2027. Dit omdat ik alle scholen zo snel als mogelijkstructureel wil bekostigen voor het verbeteren van basisvaardigheden. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75610 inwerkingtreding is met één jaar uitgesteld omdat meer tijd nodig is vooreen zorgvuldige uitwerking. Dit nieuwe instrument is reeds aangekondigdin de voortgangsrapportage Masterplan basisvaardigheden van 16 mei2023.14 Voor dit nieuwe financieringsinstrument is een wetswijzigingnoodzakelijk. De verwachting is dat het wetsvoorstel voor de zomer van2025 aan uw Kamer wordt aangeboden, op dat moment kan het gesprekhierover worden gevoerd. In de tussentijd zijn er meerdere momenten ommet uw Kamer te spreken de bekostiging, zoals tijdens het debat oversturing op 29 januari 2025.31.Hoe valt uw bewering dat de bijstelling van het curriculum echtop stoom is te verenigen met de constatering van het PlatformVakinhoudelijke Verenigingen in het Voortgezet Onderwijs dat bijde huidige planning van de curriculumherziening leerlingen in hetprimair onderwijs en in de onderbouw van het voortgezetonderwijs op zijn vroegst pas in 2026 onderwijs krijgen dat aande eisen van de tijd voldoet en het zeker 2032 is voordat deconceptexamenprogramma’s zijn goedgekeurd en vastgelegd envoordat lesmethodes en nieuwe examens zijn gemaakt?15Dankzij de grote inspanning van SLO, leraren, vakverenigingen en overigeexperts liggen we op schema voor de curriculumbijstelling. Eind 2024 zijnalle conceptkerndoelen gereed en worden de 84 conceptexamenpro-gramma’s opgeleverd. Maar daarmee zijn we er nog niet. Er zijn nog eenaantal stappen nodig voordat een nieuw curriculum terug is te zien in deklas. Dit heeft te maken met zorgvuldigheid en kwaliteit.Wanneer het curriculum klaar is, wordt beproefd of docenten ermeekunnen werken. Voor examenprogramma’s moeten er, als het een vak meteen centraal examen betreft, syllabi en examens gemaakt worden. Opbasis van de inzichten die worden opgedaan in de praktijk worden nodigeaanpassingen doorgevoerd alvorens de concepten definitief wordengemaakt. Daarnaast is er tijd nodig om leermiddelen te ontwikkelen enmoeten docenten de tijd hebben om de kerndoelen en examenpro-gramma’s eigen te maken en goede lessen voor te bereiden. Dit duurtzeker niet in alle gevallen tot 2032. Wanneer de wijzigingen in hetcurriculum klein zijn, kan de implementatie kort zijn. Alleen bij echt grotewijzigingen in het curriculum of de manier van toetsen, moet er veelworden uitgeprobeerd en duurt het soms zes of zeven jaar voordat deeerste toetsen door leerlingen worden gemaakt. Dat betekent overigenswel dat er dan al enkele jaren onderwijs in het nieuwe curriculum isgegeven. Daarnaast stimuleert het ministerie dat scholen nu al aan deslag gaan met de nieuwe kerndoelen, bijvoorbeeld via de subsidiemasterplan basisvaardigheden en conform de motie Paternotte enStoffer.1632.Heeft u bij de voortgang van het Masterplan basisvaardighedenook uw voordeel kunnen doen met input van de kenniskringCurriculumontwikkeling op school van het SchoolleidersregisterPO? Zo nee, op grond van welke overwegingen heeft u deze nietexpliciet betrokken?14Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 67015Brief Platform Vakinhoudelijke Verenigingen in het Voortgezet Onderwijs, 19 juni 2024, metParlisnummer 2024D2566716Kamerstukken II 2023/24, 36 410 VIII, nr. 70Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75611 Het contact met de kenniskring verloopt via SLO. SLO bouwt expertise opom scholen te faciliteren bij curriculumontwikkeling op school en dus ookbij het verstevigen van de basisvaardigheden bij hun leerlingen. In datlicht heeft SLO de kenniskring Curriculumontwikkeling begeleid en daarsamen met de betrokken schoolleiders over gepubliceerd. De ontwikkeldekennis wordt meegenomen bij de curriculumontwikkelingen die SLO inzet.33.Valt het verminderen van de ontwerpruimte voor de profiel-vakken ook onder het voorkomen van overladenheid?Ja. Bij de actualisatie van het curriculum van het funderend onderwijs isnaar voren gekomen dat het wenselijk is om ook in de bovenbouw van hetvo meer dan nu het geval is (expliciet) aandacht te besteden aan taal,rekenen-wiskunde, digitale vaardigheden en burgerschap. Het is tevenswenselijk het curriculum voor leerlingen niet (verder) overladen enversnipperd te maken. Omdat de huidige profielstructuur in het vo met dedaarbij behorende vakkenpakketten niet op voorhand ter discussie isgesteld, is het nodig om bij sommige andere (profiel-)vakken uit te gaanvan (iets) minder ontwerpruimte.34.Welke voorgaande beslissingen vanuit de overheid hebben ermogelijk toe geleid dat er overladenheid kwam en daarmee debasisvaardigheden achteruit gingen?In de Vierde voortgangsbrief wordt een aantal oorzaken van overla-denheid geschetst17:•vaag geformuleerde doelen die voor onduidelijkheid zorgen wat«moet» en wat «mag»;•daardoor worden onder andere door methode- en toetsenmakers veelaanvullende doelen gesteld uit angst iets te missen;•er worden ook door de Tweede Kamer regelmatig aanvullendeopdrachten aan het onderwijs gegeven;•er is ook druk vanuit de samenleving om meer aandacht te schenkenaan bepaalde maatschappelijke opdrachten.Ook is er een koppeling te maken met het overheidsbeleid van deafgelopen decennia. Bijvoorbeeld dat we nu te lang al geen noodzakelijkonderhoud aan het curriculum hebben gepleegd waardoor onduidelijk iswat leraren nu echt moeten doen in de les. Daarom werkt OCW hard aanhet terugdringen van deze overladenheid door middel van concreteredoelen, een afgebakend kader voor ontwerpruimte en een succesvolleimplementatie van nieuwe doelen.35.Welke uitgangspunten zijn eerder door het Ministerie vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap aangehouden voor de curricu-lumherziening en hoe verhouden deze uitgangspunten zich tot degemaakte keuzes (over de ontwerpruimte en plaats van basisvaar-digheden in profielvakken/gemeenschappelijk deel)?Met de curriculumbijstelling is in het algemeen steeds een aantal doelennagestreefd:•Een actualisatie van de onderwijsinhoud om leerlingen voor tebereiden op de toekomst;•Een heldere opdracht voor scholen, scherper inzicht in wat «moet» enwat «mag»;17Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 732Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75612 •Een afgebakende kern, met daarnaast ruimte voor schooleigen keuzes;•Het beperken van de ervaren overladenheid van leerlingen, leraren enschoolleiders;•Het versterken van samenhang en doorlopende leerlijnen in hetcurriculum;•Het bevorderen van kansengelijkheid, iedere leerling verlaat de schoolmet basisvaardigheden en een brede kennisbasis.Het kader ontwerpruimte is volledig in lijn met deze uitgangspunten. Hetgebruik van het kader had als gevolg dat er stevige keuzes gemaaktmoesten worden, omdat de beschikbare tijd van leerlingen nu eenmaalschaars is.Er is bewust voor gekozen om vakken alleen inhoudelijk te vernieuwen engeen aanpassingen te doen in het stelsel van vakkenpakketten, profielen.Er is op dit moment namelijk geen grondige analyse die dat rechtvaardigt.Dat neemt niet weg dat bepaalde problemen, zoals overladenheid, nietenkel met het landelijk curriculum op te lossen zijn. Dat doet zich ook voordoor keuzes die in leermiddelen en door scholen worden gemaakt.36.Kunt u uiteenzetten welke verschillen er zijn tussen de notitieOntwerpruimte, die in eerste lezing bij de WetenschappelijkeCurriculumcommissie is neergelegd en met advies bij de Kamer isingediend, en de kaders die door het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap in de werkopdracht aan SLO zijn vastge-steld en toelichten waarom er gekozen is voor het aanbrengenvan deze verschillen?Daar zit geen inhoudelijk verschil tussen. In juli 2020 is een conceptver-deling meegegeven aan de wetenschappelijke curriculumcommissie omover te adviseren.18 In januari 2021 heeft de curriculumcommissie in zijntweede tussenadvies beoordeeld dat dit kader ontwerpruimte eenbruikbaar instrument is voor het terugdringen van overladenheid, maardat dit wel geëvalueerd dient te worden. Vervolgens is het kader ontwerp-ruimte in juli 2022 vastgesteld in de werkopdracht van OCW naar SLO.19Voor het kader ontwerpruimte voor de kerndoelen zijn er geen wijzigingenin de percentages ontwerpruimte die aan leergebieden zijn toege-schreven. Wat wel is gedaan, is het geven van meer onderbouwing bij detoegekende percentages ontwerpruimte.37.Kunt u toelichten waarom «het herstellen van onvolkomen-heden» als zodanig moeten worden bestempeld en niet als hetaanpassen van bewust ontworpen verschillen die invloed hebbenop het curriculum en waarbij dus ook voor een andere oplossinggekozen had kunnen worden?Bij de totstandkoming van het model van studielasturen voor havo/vwo in2007 is – voor zover bekend – geen afgewogen reden geweest om hetexamenjaar als volwaardig jaar te rekenen. Dat wil zeggen dat destudielast voor havo/vwo-leerlingen in het examenjaar als even zwaar isingeschat als een niet-examenjaar. Dat heeft in de praktijk bij enkelevakken – zoals bij economie, biologie en geschiedenis op het havo –geleid tot een overladen programma. Voor deze vakken zijn in samen-spraak met onder andere vakverenigingen, leraren en overige expertsverlichtingsacties geweest om leerlingen een ambitieus, maar realistisch18Te raadplegen op: https://www.curriculumcommissie.nl/actueel-berichten/wetenschappelijke-commissie-adviseert-over-de-landelijke-bijstelling-van-het-curriculum-po-en-vo19Te raadplegen op: https://www.slo.nl/@21495/kader-ontwerpruimte-kerndoelen/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75613 programma te geven. Ook is er met het wegvallen van het vak AlgemeneNatuurwetenschappen (ANW) geen heroriëntatie geweest op de omvangvan het totaal aantal vakken. Zo zijn er meer van dergelijke kwestiesgeweest waardoor de huidige studielastverdeling niet meer passend is, ofdat bepaalde ontwerpkeuzes in de praktijk anders zijn uitgepakt dan zeaan de voorkant zijn bedoeld. Hiervoor is gecorrigeerd in het modelontwerpruimte.38.Hoe verhoudt de verkleinde ontwerpruimte voor de bètavakkenzich tot de noodzaak voor meer technisch opgeleide mensen?Het belang van meer en goed opgeleid technisch personeel staat buitenkijf. Daar wordt ook in geïnvesteerd, bijvoorbeeld door middel van hetGroeifondsproject Techkwadraat en het Project Beethoven. Tegelijkertijdhebben we meer uitdagingen in de samenleving, en de grootste zit op hetverbeteren van de basisvaardigheden bij alle leerlingen. Daar is dan ookextra aandacht voor geweest in het kader ontwerpruimte. Dit is bijvoor-beeld terug te zien bij een vak als maatschappijleer of Nederlands, maarook is er versterkte inzet op het bètavak wiskunde.39.Waarom is ervoor gekozen om af te wijken van het advies deWetenschappelijke Curriculumcommissie om de basisvaardig-heden in alle vakken aan bod te laten komen?Het advies van de Wetenschappelijke Curriculumcommissie is om voor deandere leergebieden expliciet aandacht te hebben voor taaldoelen of omeen gerichte verwijzing op te nemen naar het leergebied Nederlands20.Daar wordt niet van afgeweken. In de werkopdracht staat dat geletterd- engecijferdheid in ieder vak wordt ondergebracht.40.Kunnen de basisvaardigheden, waaronder digitale geletterdheiden burgerschap, bij alle profielvakken worden ondergebracht?Dat is mogelijk en gebeurt ook. Wel is het zo dat er bij verschillendeprofielvakken verschillende accenten gelegd zullen worden. Zo hebben demeer «technische» digitale vaardigheden (zoals programmeren) meerraakvlakken met vakken als wiskunde of natuurkunde, terwijl die linkmoeilijker te leggen is met een vak zoals geschiedenis. Dat geldt ook voorburgerschap: het belang van respectvol met elkaar omgaan kan in elk vakbenadrukt worden, maar er zijn in een vak zoals natuurkunde wel minderaanknopingspunten. Omdat leerlingen verschillende profielen hebben endus verschillende vakken volgen, kan dit ertoe leiden dat de beheersingvan digitale geletterdheid en burgerschap ook gaat verschillen tussenleerlingen. Leerlingen hebben recht op dezelfde basis, daarom krijgenleerlingen basisvaardigheden vooral aangeleerd in de vakken in hetgemeenschappelijke deel, die door alle leerlingen worden gevolgd. Hetenkel onderbrengen van digitale geletterdheid en burgerschap bijprofielvakken zou betekenen dat leraren die deze vakken geven veel meerdan nu verantwoordelijk worden voor het aanleren van bijvoorbeeldmediawijsheid en ICT-vaardigheden en de vraag is of dat haalbaar is.20Kansengelijkheid in curriculumvoorstellen voor Nederlands en rekenen-wiskunde | Beoorde-lingskader en analyse | SLO | September 2020Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75614 41.Welke vakken komen eventueel in beeld als minder vakken in hetgemeenschappelijk deel niet ten koste mag gaan van de beoogdebeheersing van basisvaardigheden door de leerlingen?Dit is lastig te bepalen. Bij vakken als Nederlands, wiskunde enmaatschappijleer is het uiteraard logisch dat deze bijdragen aan debeheersing van taal, burgerschap en digitale geletterdheid dus die moetenaltijd in beeld blijven. Er zijn ook vakken in het gemeenschappelijke deeldie minder voor de hand liggen, maar wel degelijk kunnen bijdragen aande beheersing van de basisvaardigheden, te weten: lichamelijkeopvoeding, culturele en kunstzinnige vorming en Engels. Daarnaast heefthet verbeteren van basisvaardigheden de komende jaren topprioriteit,maar moeten we ook niet vergeten dat een school meer functies heeft danhet aanleren van basisvaardigheden: een brede vorming zorgt ervoor datleerlingen met verschillende talenten zich optimaal kunnen ontplooien,wat goed is voor hun welzijn en succes in de vervolgopleiding en op dearbeidsmarkt. Dit adviseert de Curriculumcommissie ook.21 Bij deherziening van het curriculum is ervoor gekozen om enkel de inhoud teactualiseren en niet om vakkenpakketten/profielen te gaan wijzigen. Daarligt namelijk een stevige probleemanalyse aan ten grondslag, in lijn methet advies van de Commissie Dijsselbloem.22 Dat geldt niet voor hetfunctioneren van de huidige profielen/vakkenpakketten.42.Hoeveel dagen hebben scholen bij de overgang tussen primair envoortgezet onderwijs als zij aarzelen tussen een advies voor depraktijkschool en de basisberoepsgerichte leerweg? Is de tijdruim genoeg om ook het gesprek aan te gaan met ouders vooreen goed afgewogen advies?Alle leerlingen in groep 8 ontvangen, conform de Wet doorstroomtoetsenpo en de wens van de Tweede Kamer, tussen 10 en 31 januari 2025 eenvoorlopig schooladvies voor het vervolgonderwijs. Bij leerlingen met hetvoorlopig schooladvies praktijkonderwijs (pro) is er onderscheid tussenleerlingen die vervolgens de doorstroomtoets maken, en leerlingen die detoets niet maken. Deelname aan de doorstroomtoets is afhankelijk vanbijvoorbeeld het IQ van een leerling23. Voor leerlingen die de doorstroom-toets niet maken, blijft het voorlopig schooladvies pro staan en dit wordtdan het definitieve schooladvies.Voor leerlingen met het voorlopig schooladvies pro die de toets wélmaken, ontvangen scholen uiterlijk 15 maart 2025 de toetsresultaten.Scholen stellen op basis daarvan vervolgens uiterlijk 24 maart 2025 hetdefinitieve schooladvies vast. Dat geeft scholen vijf werkdagen de tijd omvoor deze leerlingen een beslissing ten aanzien van het schooladvies tenemen en dit terug te koppelen aan leerlingen en ouders.Scholen besteden overigens vaak al bijtijds, bijvoorbeeld vanaf groep 6, ingesprekken met leerlingen en hun ouders aandacht aan de verwachtingten aanzien van het schooladvies. Leerlingen die het voorlopig school-advies pro (gaan) ontvangen, doorlopen daarnaast een apart traject om tebepalen of zij toelaatbaar zijn voor het pro. Daarvoor gelden specifiekecriteria.24 Doorgaans vinden er voor leerlingen met voorlopig school-21Zie bijv. de adviezen «Kaders voor de toekomst», «Doel en ruimte» en «Examenprogramma’sin perspectief» (2020–2021)22Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen23Wanneer hoeft mijn kind geen doorstroomtoets te maken? | Rijksoverheid.nl24Hoe wordt mijn kind toegelaten tot het praktijkonderwijs (pro)? | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75615 advies pro dus al op tijd gesprekken plaats met ouders over het bestpassende vervolgonderwijs.43.Wat zijn concreet de consequenties voor leerlingen door deverminderde ontwerpruimte voor diverse vakken? Wat merken deleerlingen daar in de praktijk van?Op dit moment is nog niet precies aan te geven wat in de praktijk deconsequenties zullen zijn dat voor bepaalde vakken minder ontwerpruimteis gereserveerd. Zo zijn de (concept-) examenprogramma’s voor denatuurwetenschappelijke vakken nog niet opgeleverd en na oplevering enbeproeving van die programma’s in de praktijk kunnen ze ook nogwijzigen. Daarbij geldt bovendien dat de programma’s inhoudelijkgeactualiseerd worden, zodat niet scherp aan te geven is welke conse-quenties voortvloeien uit een beperking van de ontwerpruimte en welkeuit die actualisatie als zodanig.44.Kunt u toelichten waarom bepaalde onderdelen van basisvaardig-heden verloren dreigen te gaan als ze in profielvakken aan bodkomen (elke leerling volgt deze immers), mits er uiteraardgewaarborgd wordt dat ze aan bod komen?De basisvaardigheden worden primair ondergebracht in vakken in hetgemeenschappelijke deel van de profielen (dus niet bij de profiel(keuze-)vakken), omdat alle leerlingen deze volgen. De profielkeuze van eenleerling heeft dan geen invloed op de wijze waarop en de mate waarinleerlingen de basisvaardigheden verwerven.45.Is geïnventariseerd welke basisvaardigheden aan bod (kunnen)komen in de profielvakken? Zo ja, kunt u een overzicht delen? Zonee, wat is de reden dat deze inventarisatie niet heeft plaatsge-vonden?Vanuit de gedachte dat de basisvaardigheden het best ondergebrachtkunnen worden bij vakken in het gemeenschappelijke deel van deprofielen (zie het antwoord op de vorige vraag), heeft een dergelijkeinventarisatie niet expliciet plaatsgevonden. Uiteraard wordt bij deactualisatie van elk van de examenprogramma’s wel aandacht besteedaan positionering en uitwerking van basisvaardigheden in de specifiekecontext van dat programma.46.Wat is de reden dat ervoor is gekozen Excel te benoemen alsbasisvaardigheid voor de vervolgstudie en één om in debovenbouw aan te leren, en niet als een basisvaardigheid diemoet worden aangeleerd in de onderbouw, zodat leerlingen dezein de profielvakken kunnen toepassen?In de Kamerbrief werd Excel genoemd als voorbeeld, omdat dit onderdeeluit maakt van de conceptexamenprogramma’s wiskunde havo/vwo(eindterm 6, alle profielen).25 De vakvernieuwingscommissie bestempeltdat dus als essentieel voor alle leerlingen. Als leerlingen het vo verlaten,moeten zij bepaalde basisvaardigheden moeten beheersen die nodig zijnin het vervolgonderwijs. Daarvoor moeten zij uiterlijk in de bovenbouw25Excel wordt hier niet expliciet genoemd, maar valt onder de categorie «werken met digitaalwiskundig gereedschap»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75616 hebben geleerd hoe dat te doen, in vakken die door iedereen wordengevolgd. Als deze basisvaardigheden worden aangeleerd in deonderbouw en onderhouden in verschillende profielvakken, dan is eenrisico dat er verschillen in beheersing ontstaan tussen leerlingen. Zie ookvraag 40. Dat leidt dat tot een ongelijke start in het vervolgonderwijs.47.Welke scholen of regio’s tonen de grootste verbeteringen enkunnen deze als voorbeeld dienen voor andere gebieden?De onderzoekers die het implementatieonderzoek voor OCW uitvoerenhebben tot nog toe geen verschillen gevonden tussen de regio’s. Debelangrijkste verschillen zien we tot nu toe tussen de sectoren. Bij deeerstvolgende meting worden de scholen bevraagd die in 2022 aan deslag zijn gegaan met de subsidie en zal worden bekeken of er opvallendeverschillen zijn tussen bijvoorbeeld regio’s, stedelijke en niet-stedelijkegebieden en kleine en grote scholen. Goede voorbeelden en ervaringendelen is overigens een belangrijk onderdeel van de aanpak Masterplanbasisvaardigheden. Dat gebeurt via de website, regionale bijeenkomstenen begeleide leernetwerken.48.In hoeverre zijn culturele verschillen en meertaligheid bijleerlingen onderdeel van de nieuwe aanpak van basisvaardig-heden?In algemene zin weten we dat een meertalige omgeving bijdraagt aan detaalvaardigheid van een kind.26 Dat geldt bij scholen die tweetalig poverzorgen, bijvoorbeeld in de combinatie Nederlands en Fries, ofNederlands en Engels, maar ook voor scholen met veel kinderen die uiteen anderstalige thuisomgeving komen. Veel scholen die de subsidieVerbetering basisvaardigheden ontvangen hebben te maken met eengroeiende groep leerlingen met andere thuistalen dan (alleen) hetNederlands. Vaak is sprake van een eentalige aanpak op school metweinig/beperkt oog voor de meertaligheid van leerlingen. Meertaligekinderen moeten hierdoor vaak kennis opdoen in een taal die zij nog aanhet leren zijn. Dit kan het leren voor hen lastiger maken, waardoor zij zichniet optimaal kunnen ontwikkelen. Daarnaast gaat het negeren vanthuistalen van kinderen op school bovendien ten koste van hun welbe-vinden en identiteitsgevoel. We willen juist dat scholen een meertaligeonderwijsomgeving kunnen bieden als dat passend is bij de leerlingenpo-pulatie, want een goede beheersing van de thuistaal draagt bij aan deNederlandse taalvaardigheid.OCW stimuleert scholen daarom om zich te verdiepen/professionaliserenin het domein taalverwerving en meertaligheid om zo een passendaanbod te creëren voor de populatie op hun school. OCW doet dit viaconferenties zoals OCW Dichtbij, het delen van kennis en goede praktijk-voorbeelden via video’s, een podcast, artikelen in vakbladen, en in debegeleiding van scholen door onderwijscoördinatoren van OCW.49.Welke overwegingen liggen ten grondslag aan uw keuze om eenleerlingvolgsysteem in de onderbouw, met een set aan toetsen,verplicht in te voeren, mede gezien de toetsdruk die men ervaartin het onderwijs?26O.a. Evaluatie pilot Tweetalig Primair Onderwijs van KBA Nijmegen, 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75617 Het gebruik van het leerlingvolgsysteem (hierna: LVS) kan ervoor zorgendat het aantal toetsen, en daarmee de gevoelde toetsdruk, wordtteruggedrongen door docenten te voorzien van informatie over het niveauvan een leerling zonder daarvoor andere toetsing in te zetten. Een LVS isprimair een diagnostisch hulpmiddel dat scholen inzicht biedt in deontwikkeling van hun leerlingen en in de kwaliteit van hun eigenonderwijsproces. Daarmee biedt het aangrijpingspunten om de leerpres-taties van leerlingen te verbeteren. Er is daarnaast stevige evidentie dateen vorm van gestandaardiseerde toetsing zorgt voor meer kansenge-lijkheid. In het po bestaat reeds de verplichting voor het gebruik ervan, inhet vo nog niet. Om die reden loopt er dit jaar een ontwerpstudie opwelke wijze een LVS in het vo kan worden verplicht, zodat in het helefunderend onderwijs gebruik wordt gemaakt van dergelijke gestandaardi-seerde instrumenten.50.Kunt u onderbouwen waarom de extra inzet op basisvaardig-heden een aanpassing van de ontwerpruimte voor bovenbouw-leerlingen vraagt, terwijl de inzet op de basisschool en in deonderbouw bepalend zijn voor het niveau van 15-jarigen op hetgebied van basisvaardigheden?Het klopt dat de inzet van de basisschool en de onderbouw van het vobepalend is voor de prestaties van onze 15-jarige leerlingen. De leeftijdvan 15 jaar is het meetmoment dat PISA en andere internationalepeilingsonderzoeken hanteren om landen te kunnen vergelijken.Leerlingen hebben op die leeftijd meestal nog meerdere jaren voortgezet-en vervolgonderwijs te gaan om daadwerkelijk met voldoende bagage –voldoende geletterd en gecijferd – naar de arbeidsmarkt of het vervolgon-derwijs te gaan. Ook in de bovenbouw van het vo, het mbo, het hbo enhet wo is het daarom cruciaal dat leerlingen en studenten voldoendegeschoold worden in de basisvaardigheden. We mogen geen genoegennemen met het minimale basisniveau op 15-jarige leeftijd. Daarom is erook in de ontwerpruimte voor de bovenbouw van het vo extra inzet op hetaanleren en onderhouden van de basisvaardigheden.51.Zijn er grote verschillen in de leervolgsystemen in het basison-derwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs en leidt dit insommige gevallen tot onnodige bijzaken of zelfs missendekernzaken?Allereerst is het belangrijk om te benoemen wat een LVS (leerlingvolg-systeem) is. Dit is geen leerling administratiesysteem als Magister ofSomToday, die gegevens administreren. LVS-en zijn toetsingssystemenmet onderliggende data waarmee de ontwikkeling van de leerling kanworden gevolgd over de tijd heen en waarmee kan worden geïnterpre-teerd in hoeverre deze ontwikkeling in lijn is met de leerdoelen van deverschillende leerjaren en met de ontwikkeling van leerlingen uit hetzelfdeleerjaar.Basisscholen werken verplicht met een LVS. Hiermee houdt de school devoortgang en resultaten bij, in ieder geval voor Nederlands en rekenen-wiskunde. Scholen mogen zelf bepalen met welk LVS zij werken. Ookmogen zij zelf bepalen welke LVS-toetsen zij gebruiken, bij welke groepenzij dat doen en welke informatie zij opslaan. Ergens in deze school-loopbaan dient dit te gebeuren met een door het CvTE erkend LVS. Voorgroep 1–2 gaat dit altijd om observatie-instrumenten. Voor groep 3 t/mgroep 8 kunnen het zowel toetsen als observatie-instrumenten zijn.Hierdoor kunnen basisscholen een LVS uitkiezen dat past bij hunTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75618 onderwijsvisie en dat zodanig inzetten. Daarbij maakt elke school eeneigen, zorgvuldige afweging welke aspecten van de ontwikkeling van hunleerlingen zij met LVS-toetsen in kaart willen brengen. Gezien hunverplichting om de prestaties van leerlingen voor Nederlands enrekenen-wiskunde met een erkend LVS bij te houden, is het risico opmissende kernzaken daarbij gereduceerd. Ook de wet op de expertise-centra kent deze bepaling dat het bevoegd gezag een leerling- enonderwijsvolgsysteem gebruikt waaruit de vorderingen in de kennis envaardigheden blijken op het niveau van de leerling, de groep en de schoolvoor speciaal onderwijs. Ook aan dat leerling- en onderwijsvolgsysteemzijn, behoudens voor de eerste twee schooljaren, in elk geval door hetCvTE erkende toetsen verbonden. Gezien de grote diversiteit vanleerbehoeftes in het speciaal onderwijs en de relatief kleine doelgroepenwordt er door Stichting Cito een LVS (voortgezet) speciaal onderwijsontwikkeld.27 Voor het vo loopt op dit moment de ontwerpstudie naar watde criteria worden wat betreft inhoud, variëteit en toepassing voor eenverplicht LVS.52.Hoe verklaart u de discrepantie tussen de beleden waarderingvoor het leren in de praktijk en het ontbreken van specifiekeaandacht hiervoor bij de toetsing van de basisvaardigheden? Watstaat het in de weg als leerlingen bij toetsen hun basisvaardig-heden moeten toepassen in praktische, levensechte contextenbinnen of buiten de school?Waardering voor praktijkgericht onderwijs en leren in een praktijkgerichtecontext is belangrijk en dat wil ik bevorderen. Daarom werd in deKamerbrief «Meer waardering voor praktijkgericht onderwijs en detoekomst van het vmbo» van 7 juni 202428 onder andere aangegeven dathet nodig is om de balans in het onderwijsprogramma in het funderendonderwijs opnieuw te doordenken. Om vervolgens te kunnen bepalenwelke rol praktijkgericht onderwijs in de beoordeling van leerprestaties –zoals in toetsen – zou kunnen hebben. De Tweede Kamer heeft de regeringeerder ook al gevraagd om te onderzoeken hoe praktische vaardighedenen competenties geïmplementeerd kunnen worden in de doorstroom-toets.29 Het is belangrijk dat het onderwijs een goede mix is van theore-tische en praktijkgerichte onderwijsactiviteiten en dat dit vervolgens ookterugkomt in de beoordeling van leerprestaties. Dat komt de basisvaardig-heden ten goede, omdat die worden versterkt en verdiept in een anderecontext.Om meer praktijkgericht te werken zijn in de bovenbouw van degemengde leerweg (gl) en theoretische leerweg (tl) praktijkgerichteprogramma’s (pgp’s) mogelijk gemaakt vanaf schooljaar 2024–2025 enwordt er in de havo een pilot gedaan met pgp’s. En daarbij wordtbijvoorbeeld in de praktijkgerichte programma’s in de gl/tl explicietaandacht gegeven aan de basisvaardigheden in de eindtermen. Het isvoor scholen dus nu al mogelijk om basisvaardigheden in een praktischeen levensechte context te toetsen in het schoolexamen van de gl/tl. Maarook bij andere vakken is in het schoolexamen en in de kerndoelen ruimtevoor praktische en levensechte opdrachten, en dus ook om die te toetsen.27Zo richt Stichting Cito zich in 2024 op het inhoudelijk ontwikkelen van toetsen voor Cluster 2en Cluster 3 Zeer moeilijk lerende leerlingen. Tevens worden de toetsen doorontwikkeld voorCluster 1.28Kamerstukken II 2023/24, 30 079, nr. 12229Kamerstukken II, 2022/2023, 36 200 VIII, nr. 143.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75619 Tegelijk is het wel zo dat praktijkopdrachten centraal toetsen, zoalsbijvoorbeeld in een centraal examen of een centrale toets, complex is. Ditkomt omdat de context van een praktische en levensechte opdracht onderandere afhangt van de context van de school en de leerlingpopulatie.Daarnaast zal een dergelijke opzet veel organisatie van de scholen vragen,omdat de opdrachten centraal worden opgesteld waardoor de school zichmoet conformeren en de context moet creëren. Hierbij is een parallel temaken met de centraal schriftelijk en praktisch examens (cspe), zoals diein het vmbo worden afgenomen. Scholen zien het belang van cspe’s in hetvmbo, maar lopen tegen een aantal knelpunten aan, waaronder bijvoor-beeld het gebrek aan flexibiliteit van de examens en organisatie die hetafnemen van de cspe’s kost. Daarom hebben het CvTE en Cito dit jaar deopdracht gekregen om de mogelijkheden tot flexibiliteit in tijd en opinhoud te onderzoeken.Om aan de door u genoemde discrepantie tegemoet te komen is hetnodig om het onderzoek voort te zetten naar praktijkgericht onderwijs ende manier waarop we dat willen en kunnen toetsen. Zo bouwen we eenkennisbasis op waarmee een richting gekozen kan worden. Tegelijkkunnen we zo scholen ondersteunen die meer praktijkgericht willenwerken door met hen kennis en ervaring op te bouwen.53.Waarom worden er begeleide leernetwerken opgezet en wordt erniet aangesloten bij bestaande structuren?De meerwaarde van deze netwerken is dat zij aansluiten bij het Subsidie-traject Verbetering basisvaardigheden. Deelname helpt scholen de eigenactiviteitenplannen aan te scherpen en een duurzaam effect te bereiken.Het staat scholen echter vrij om van deelname af te zien en gebruik temaken van bestaande structuren. Er is groot enthousiasme onder scholendie meedoen. Er zijn nu 45 begeleide leerwerken van vijf tot zevenscholen. Dit najaar starten nieuwe begeleide leernetwerken, daarvoor zienwe ook weer dat veel scholen deze vorm van ondersteuning willen en zeerwaarderen.54.Welke expertisepunten werken nu met zzp’ers of andere externingehuurde (private) adviseurs om rechtstreeks advies te gevenaan scholen en hoeveel zzp’ers of extern ingehuurde adviseurszijn dit?Er zijn drie actieve expertisepunten (rekenen-wiskunde, burgerschap, endigitale geletterdheid). Van deze drie werkt op dit moment alleen hetExpertisepunt Burgerschap met adviseurs: er zijn 10 burgerschapsadvi-seurs voor het funderend onderwijs en 6 adviseurs voor het mbo actief, zijzijn als zzp-er aan het expertisepunt verbonden. Deze burgerschapsadvi-seurs informeren scholen over de wettelijke opdracht op het gebied vanburgerschap en wat dit van scholen vraagt, bevorderen kennis bij scholenop het gebied van burgerschapsonderwijs en inspireren scholen bij hetzetten van de volgende stap in de inrichting of het doorontwikkelen vanhet burgerschapsonderwijs.55.Wat is de reden dat ervoor is gekozen om vier losse expertise-punten op te richten in de plaats van één expertisepuntbasisvaardigheden?De expertisepunten werken nauw met elkaar samen. Echter, de enebasisvaardigheid is de andere niet. Elke basisvaardigheid vereist eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75620 specifieke expertise en aanpak. Door die samen te brengen in individueleexpertisepunten is verzekerd dat er geen belangrijke specialistische kennisverloren gaat, en dat scholen op de juiste manier ondersteund kunnenworden. Daarnaast hebben de expertisepunten ieder een andere historieen ontwikkeling doorgemaakt. Zo is het Expertisepunt Burgerschapvoortgekomen uit de verduidelijking van de burgerschapsopdracht in2021, waarna de Expertisepunten Digitale Geletterdheid en Rekenen-Wiskunde in het kader van het Masterplan zijn ingericht.Gedurende de looptijd van het Masterplan wordt ook bezonnen op detoekomst van de expertisepunten, ook in relatie tot de visie op deondersteuningsstructuur. Hierover ontvangt u voor het einde van dit jaareen brief.56.Hoe krijgt het tegengaan van laaggeletterdheid in gezinnen bijhet programma Tel mee met Taal zoal gestalte?Het tegengaan van laaggeletterdheid begint bij het voorkomen ervan.Kunst van Lezen is de preventieve aanpak van laaggeletterdheid die isondergebracht bij het programma Tel mee met Taal. Onderdelen uit hetprogramma Kunst van Lezen, waaronder de gezinsaanpak en BoekStart,zijn gericht op het tegengaan van laaggeletterdheid bij gezinnen. Zobestaat BoekStart voor kinderen van 0 tot 4 jaar en hun ouders uit eenvoorleeskoffertje, een waardebon voor bibliotheeklidmaatschap enadviezen voor ouders. De BoekStartcoach komt wekelijks op het consulta-tiebureau en ondersteunt de jeugdarts en -verpleegkundige door metouders in gesprek te gaan en gerichte voorleesondersteuning te bieden.Bij de VoorleesExpress voor kinderen van 2 tot 8 jaar en hun ouderskomen vrijwilligers thuis bij gezinnen om samen met ouders voor te lezenen taalspelletjes te doen. Daarnaast is er BoekStart in de kinderopvang omvoorlezen op de kinderopvang te professionaliseren. Vanuit hetMasterplan basisvaardigheden is een meerjarige impuls gegeven aanBoekstart in de kinderopvang.In het po, vo en het beroepsonderwijs is aandacht voor de bredeleesomgeving van kinderen; ook is er de Bibliotheek op school op deberoepsopleidingen voor leraren en pedagogisch medewerkers. Degemeentelijke gezinsaanpak geletterdheid voor taalarme gezinnenondersteunt gemeenten bij verbindingen in het netwerk van gemeente,bibliotheek en partners.57.Welke gevolgen verwacht u voor alle opgestarte projecten ensamenwerkingen die zijn aangegaan vanuit het programmaSchool en Omgeving als de bezuinigingen uit het hoofdlijnenak-koord worden uitgevoerd?Vanuit het programma School en Omgeving wordt een nieuwe subsidiere-geling voorbereid voor de periode augustus 2025 tot augustus 2028, zodater toegewerkt kan worden naar een duurzame financiering van School enOmgeving. We prioriteren daarbij, conform het Hoofdlijnenakkoord, op descholen met de vijf procent hoogste relatieve onderwijsachterstands-scores. Overige scholen, die vanuit de huidige subsidie al projecten ensamenwerkingen hebben opgestart, kunnen ook weer een aanvraagindienen voor de nieuwe regeling. Deze worden toegekend zolang hetbudget toereikend is.58.Kunnen alle leraren in het voortgezet onderwijs jaarlijks zestienextra uren claimen voor professionalisering speciaal gericht opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75621 basisvaardigheden? Hoe kunnen leraren zo’n claim effectuerenten opzichte van hun werkgever?Ja, alle leraren in het voortgezet onderwijs hebben jaarlijks recht opzestien extra uren voor professionalisering, specifiek gericht op basisvaar-digheden en de curriculumherziening. Dit recht is vastgelegd in decao-afspraken en komt voort uit het Onderwijsakkoord van 2022 (bijlagebij Kamerstuk 31 293, nr. 615). De cao bepaalt dat op school afsprakenworden gemaakt over de invulling van deze uren, waarbij rekening wordtgehouden met de professionele ruimte van de leraar zoals vastgelegd inhet professioneel statuut. Daarnaast hebben de besturen en scholenvanuit hun rol als werkgever ook een verantwoordelijkheid om hierover tecommuniceren en ondersteuning te bieden om op basisvaardigheden teblijven professionaliseren.59.Hoe verklaart u dat in deze brief geen aandacht wordt besteedaan het praktijkonderwijs, terwijl ook deze leerlingen op hunniveau zo goed mogelijk moeten worden voorbereid op gebruikvan hun basisvaardigheden in de maatschappij?Leerlingen in het praktijkonderwijs moeten inderdaad zo goed mogelijkworden voorbereid op de maatschappij en de beheersing van debasisvaardigheden op een voor hen zo hoog mogelijk niveau behoort daarbij. Het Masterplan basisvaardigheden en de Subsidieregeling Verbeteringbasisvaardigheden en de ondersteuning door de onderwijscoördinatorenis er daarom nadrukkelijk ook voor scholen voor praktijkonderwijs. Hetpraktijkonderwijs is in de brief niet afzonderlijk uitgelicht, omdat hetonderdeel is van het vo.60.Op welke wijze draagt het Opleidingsberaad Leraren bij aan hetweer centraal stellen van het beroep, waarin de kwaliteit van hetonderwijs leiden is?Het Opleidingsberaad Leraren is een platform van de overheid, lerarenor-ganisaties, werkgevers en opleiders om afspraken te maken over hetopleiden van leraren. De partners in het opleidingsberaad (lerarenorgani-saties, werkgevers, opleidingen en OCW) hebben de gezamenlijke ambitieom de overladenheid van de opleiding terug te brengen en de focus op debasisvaardigheden en de kern van het beroep te vergroten. Een duidelijkefocus gericht op de behoefte in het werkveld (en de focus in het curri-culum in het funderend onderwijs) is dus gewenst. Voor de zomer zijn inhet opleidingsberaad afspraken gemaakt over de herijking van deleergebieden van de landelijke kennisbases waarin de landelijke afsprakenover de inhoud van de pabo’s zijn vastgelegd. Hierbij zijn de nieuwekerndoelen voor het funderend onderwijs leidend. In het opleidingsberaadhebben we afspraken gemaakt over een sterkere betrokkenheid vanleraren en experts bij deze herijking. Daarnaast werken lerarenorgani-saties aan een voorstel voor scherpere en meer richtinggevendebekwaamheidseisen en is OCW een samenwerkingstraject gestart met deindividuele lerarenopleidingen voor het po om de aansluiting tussenlandelijke kaders en de curricula van opleidingen te verbeteren. Hetopleidingsberaad is het platform voor al deze partijen om elkaar tebetrekken en de samenhang tussen deze activiteiten te bewaken.61.Draagt het Opleidingsberaad Leraren bij aan een grotere zeggen-schap bij de beroepsgroep?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75622 In het opleidingsberaad maken we samen met lerarenorganisaties,werkgevers en opleiders in samenhang afspraken over hoe de velewensen en behoeftes met betrekking tot de bekwaamheid van leraren eenplek krijgen in opleiding en professionalisering. De gezamenlijke ambitieen verantwoordelijkheid vraagt een grotere betrokkenheid bij elkaarstaken in het stelsel en dus ook een grotere betrokkenheid en invloed vande beroepsgroep bij de formulering van landelijke kaders als de kennis-bases. Bij de onlangs gestarte herijking van kennisbases van depabo-lerarenopleidingen krijgt dit bijvoorbeeld vorm doordat ongeveer40% van de leden van de kernteams afkomstig is uit de beroepsgroep,tussenproducten worden afgestemd in het opleidingsberaad en deexpertkring waarin ook alumni en vakverenigingen deelnemen. Daarnaastis afgesproken dat de eindproducten pas worden geïmplementeerd nadathet draagvlak ervoor bij de partijen in het opleidingsberaad is vastgesteld.62.Zijn er al positieve effecten bekend van het programma School enOmgeving? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, wanneer kan de Kamereen rapportage verwachten?Hoewel het programma School en Omgeving pas twee schooljaren loopt,zijn er steeds meer aanwijzingen dat het programma positieve effectenmet zich meebrengt. School en Omgeving zet in op extra leer- enontwikkeltijd voor kinderen en jongeren in het po, vo en so die mindermeekrijgen vanuit huis. Eerste lokale onderzoeken laten zien dat dit extraaanbod leidt tot meer binding met de school, waardoor leerlingen eenhoger welbevinden hebben en gemotiveerder zijn.30 Hiermee zorgt deextra ontwikkeltijd ervoor dat de reguliere lessen meer effect hebben, ende extra inzet op basisvaardigheden effectiever wordt. Uit onderzoek blijktnamelijk dat hoe hoger het welbevinden en de betrokkenheid vankinderen is, hoe effectiever het onderwijs.31Coalities hebben ruimte om met hun aanbod in te spelen op de lokalecontext, waardoor het landelijk divers is en de effecten per regio kunnenverschillen. De extra leertijd in Rotterdam zorgt er bijvoorbeeld voor datjongeren school als een fijne plek ervaren. In het bijzonder een plek waarze langer willen zijn.32 Een positief gevolg hiervan is dat ze minder snel inaanraking komen met ondermijnende activiteiten. Ook behalen scholen inRotterdam Zuid met extra leer- en ontwikkeltijd hogere onderwijsresul-taten dan je op basis van de leerlingpopulatie zou verwachten.33 Hetaanbod in de provincie Groningen leidt ertoe dat kinderen meervertrouwen hebben in hun toekomst. Het betrekken van vakmanschaponder en na schooltijd zorgt ervoor dat het arbeidsmarktperspectief vandeze jonge generatie Groningers wordt verbreed.34Er lopen verschillende onderzoeken om resultaten de maatschappelijkeopbrengsten van het programma School en Omgeving in kaart tebrengen. Inmiddels is een eerste vragenlijst uitgezet in het kader van eenmeerjarige monitor waarmee we de vormgeving, inhoud en samen-werking tussen partijen binnen coalities volgen. Een tussenrapport zal ikmet uw Kamer delen. Eind 2025 wordt het eindrapport opgeleverd.Daarnaast heeft het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)een opbrengstgericht onderzoek in de praktijk uitstaan. Dit start na de30Risbo Research. Zelfde doel, anders geleerd, april 2024; Hanzehogeschool Groningen.Rapportage Tijd voor Toekomst, februari 202431Laevers, F. 2011; Guidone, Mandy, 201832Risbo Research. Zelfde doel, anders geleerd, april 202433Boom, J. de e.a. (2024) Monitor scholen op Zuid Het primair onderwijs, 202334Hanzehogeschool Groningen. Rapportage Tijd voor Toekomst, februari 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75623 zomer. Dit onderzoek dient meer inzicht te geven in de opbrengsten vanhet programma voor de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkelingvan leerlingen. Eind 2027 verwacht ik hiervan het eindrapport, tussen-tijdse resultaten zal ik eerder met u delen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75624
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.