KamerkringInloggen
← Onderzoeken

document · 13 mrt 2026 · Tweede Kamer

Verslag van een schriftelijk overleg over Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) (Kamerstuk 25087-359)

Brontekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202625 087Internationaal fiscaal (verdrags)beleidNr. 361 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 13 maart 2026 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmer-kingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van5 januari 2026 over Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting(Pijler 2) (Kamerstuk 25 087, nr. 359).De vragen en opmerkingen zijn op 13 februari 2026 aan de Staatssecre-taris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 13 maart 2026 zijn de vragenbeantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,Van de LeeAdjunct-griffier van de commissie,Lips kst-25087-361ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3611 Vragen en opmerkingen van de fracties en reactie van debewindspersoonVragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van5 januari 2026 over het Side-by-Side pakket minimumbelasting (Pijler 2),alsmede van de op 3 februari 2026 ontvangen antwoorden op schriftelijkevragen over dat onderwerp van de leden van de VVD-, JA21- enVolt-fracties. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden enkele vragen.Op 5 januari 2026 is er een akkoord bereikt over maatregelen waarmeebepaalde belastingstelsels onder voorwaarden kunnen worden gekwalifi-ceerd als equivalent aan Pijler 2. De leden van de D66-fractie merken opdat dit in de praktijk neerkomt op een versoepeling van de regels voor deVerenigde Staten. Deze leden betreuren het dat de Verenigde Statenhiermee een uniforme wereldwijde systematiek voor een minimumbelas-tingheffing voor multinationals ondergraaft. De leden van de D66-fractievragen tot welke voordelen dit akkoord in de praktijk leidt voor onderne-mingen, die zijn gevestigd in de Verenigde Staten ten opzichte vanondernemingen, die zijn gevestigd in een land dat Pijler 2 volledig heeftgeïmplementeerd.Op grond van de Side-by-Side-veiligehavenregel wordt de bijheffingonder de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregelniet toegepast ten aanzien van alle binnenlandse en buitenlandse winstenvan multinationale groepen waarvan de uiteindelijke moederentiteit zichin een kwalificerende jurisdictie bevindt. Deze veiligehavenregel heeft alsdoel om te voorkomen dat een multinationale groep zowel aan Pijler 2 alsaan een kwalificerende equivalente minimumbelasting wordt onder-worpen. Het Inclusive Framework (IF) heeft geoordeeld dat in deVerenigde Staten (VS) een kwalificerende equivalente minimumbelastingvan toepassing is die een minimumniveau van belasting waarborgt overzowel binnenlandse als buitenlandse winsten van een multinationalegroep. Concreet betekent dit dat Amerikaanse multinationale groepenvoor hun binnenlandse en buitenlandse winsten geen Pijler 2-bijheffingverschuldigd zijn op grond van de inkomen-inclusiemaatregel en deonderbelastewinstmaatregel, omdat deze winsten geacht wordengelijkwaardig te worden belast op grond van het Amerikaanse belasting-stelsel. Wel moeten Amerikaanse multinationale groepen binnenlandsebijheffing blijven betalen voor zover die wordt geheven in anderejurisdicties waar zij opereren. Tevens moeten de VS voor die bijheffingverrekening verlenen. Of een multinationale groep met het hoofdkantoorin de VS een voordeel heeft als gevolg van de Side-by-Side-veiligehavenregel, in die zin dat die groep minder belasting verschuldigdis over de binnenlandse of buitenlandse winsten dan een vergelijkbaregroep met het hoofdkantoor in een implementerende jurisdictieverschuldigd zou zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van hetgeval. Dat hangt onder meer af van de grondslag waarover wordtgeheven en de mogelijkheid tot verrekening van de belasting die isgeheven in een ander land. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem isdat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingenvergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardigebelastingstelsels.De leden van D66-fractie lezen in de beantwoording op de schriftelijkevragen dat er herhaaldelijk wordt gesproken over «robuuste» en strikte»voorwaarden. Tegelijk constateren ook deze leden dat in de criteriaredelijk open normen terugkomen als «materieel risico» en «substantieeldeel». Het Inclusive Framework van de OESO spreekt bovendien van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3612 «pragmatic assessment of the overall operation of the tax system». Deleden van de D66-fractie zijn benieuwd of de Staatssecretaris nader kantoelichten en onderbouwen waarom hij de Side-by-Side-veiligehavenregel(afdoende) robuust en strikt acht.De toepassingsvoorwaarden van de Side-by-Side-veiligehavenregel en deUltimate Parent Entity (UPE) veiligehavenregel zijn een combinatie vankwalitatieve en kwantitatieve criteria. In de onderlinge samenhang achthet kabinet deze criteria robuust. Zo geldt er voor de toepassing van deSide-by-Side-veiligehavenregel dat er sprake moet zijn van een kwalifi-cerend binnenlands en wereldwijd belastingstelsel dat een minimum-niveau van belastingheffing waarborgt over zowel binnenlandse alsbuitenlandse winsten van een multinationale groep. Van een kwalificerendbinnenlands belastingstelsel is allereerst sprake indien een statutairvennootschapsbelastingtarief van ten minste 20% van toepassing is.Daarnaast dient er een binnenlandse bijheffing of alternatieve binnen-landse minimumbelasting met een tarief van ten minste 15% van kracht tezijn die van toepassing is op een substantieel deel van de binnenlandsewinsten van een multinationale groep die onder de reikwijdte van Pijler 2valt. Tot slot is vereist dat het belastingstelsel niet in overwegende matehet risico met zich brengt van een belasting naar de winst van in diejurisdictie gevestigde groepsentiteiten tegen een effectief belastingtariefvan minder dan 15%. Voor een kwalificerend wereldwijd belastingstelselgeldt – kort gezegd – dat er zowel actief als passief inkomen uit activiteitengelegen in een andere jurisdictie in aanmerking worden genomen. Vooreen kwalificerend wereldwijd belastingstelsel is bovendien vereist datwordt voorzien in voldoende maatregelen tegen uitholling van debelastinggrondslag en winstverschuivingen. Een kwalificerend wereldwijdbelastingstelsel dient tot slot niet in overwegende mate het risico met zichte brengen dat de gezamenlijke winst van in andere jurisdicties gevestigdegroepsentiteiten wordt belast tegen een effectief belastingtarief vanminder dan 15%. De UPE-veiligehavenregel heeft betrekking op debinnenlandse activiteiten van multinationale groepen waarvan deuiteindelijkemoederentiteit is gevestigd in een jurisdictie die beschikt overeen kwalificerend binnenlands belastingstelsel. De criteria die gelden vooreen kwalificerend binnenlands belastingstelsel bij deUPE-veiligehavenregel zijn gelijk aan de criteria die gelden voor eenkwalificerend binnenlands belastingstelsel bij de Side-by-Side-veiligehavenregel.De effectiviteit van de Pijler 2-regels wordt daarnaast ook gewaarborgddoor de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel.Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van debeleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepenonderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zoverdie wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatievan het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandsebijheffing te behouden dan wel in te voeren. Deze prikkel wordt bewerk-stelligd doordat onder de Sidy-by-Side-veiligehavenregel is vereist dat ereen verrekening wordt verleend voor de binnenlandse bijheffing. Dezeprikkel bestaat ook onder de UPE-veiligehavenregel omdat de onderbelas-tewinstmaatregel alleen niet wordt toegepast ten aanzien entiteiten diegevestigd zijn in de jurisdictie van de uiteindelijkemoederentiteit indiendie jurisdictie beschikt over een kwalificerend binnenlandsbelastingstelsel.Voor de entiteiten die niet gevestigd zijn in de staat van de uiteindelijkemoederentiteit geldt in dergelijke gevallen dat de onderbelastewinstmaat-regel en inkomen-inclusiemaatregel wel van toepassing zijn. Voor dezegevallen blijft er een prikkel om een binnenlandse bijheffing in te voeren.Op dit moment kennen zo’n vijfenzestig jurisdicties een binnenlandseTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3613 bijheffing of zullen die invoeren1. Daarnaast hecht het kabinet aan deafgesproken toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt. Als onderdeel van het akkoord isafgesproken om waar nodig maatregelen te nemen om risico’s metbetrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstver-schuiving te ondervangen.De leden van de D66-fractie vragen hoe de criteria voor een kwalificerendbelastingstelsel tot stand zijn gekomen. Zijn deze geformuleerd op basisvan het vigerende stelsel van de Verenigde Staten of moet het stelsel vande Verenigde Staten nog worden aangepast om aan de eisen voor eenkwalificerend belastingstelsel te voldoen?Het Side-by-Side-akkoord is in het IF overeengekomen mede naaraanleiding van de verklaring van de G7 over de wereldwijde minimumbe-lastingen van 28 juni 2025.2 Een van de uitgangspunten van die verklaringis dat bijheffing onder de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelaste-winstmaatregel niet wordt toegepast ten aanzien van multinationalegroepen met een hoofdkantoor in de VS over al hun binnenlandse enbuitenlandse winsten. Het IF heeft geoordeeld dat in de VS een kwalifi-cerend belastingstelsel van toepassing is dat een minimumniveau vanbelasting waarborgt over zowel binnenlandse als buitenlandse winstenvan een multinationale groep aangezien de VS een robuust stelsel hebbenvoor de belastingheffing van binnenlandse en buitenlandse winsten. Welis vereist dat de VS een verrekening geven voor de binnenlandsebijheffing die op grond van Pijler 2 is geheven in een andere jurisdictie. Degrondslagen van dit stelsel hebben weliswaar de basis gevormd voor decriteria voor een kwalificerende equivalente minimumbelasting, maar datwil niet zeggen dat andere jurisdicties niet ook een verzoek zoudenkunnen doen (binnen de daarvoor gestelde termijn) om als een kwalifice-rende jurisdictie te kunnen worden aangemerkt.De leden van de D66-fractie merken op dat de Staatssecretaris in deappreciatie van het akkoord veel thema’s «van belang» vindt. Deze ledenkunnen uit de appreciatie echter niet opmaken wat het oordeel van deStaatssecretaris op deze thema’s is over het bereikte akkoord. Kan deStaatssecretaris hierop nader ingaan?Een wezenlijk element in het Side-by-Side-pakket betreft de onverkortetoepassing van de binnenlandse bijheffing. De toepassing van debinnenlandse bijheffing blijft namelijk onverkort van kracht op groepsenti-teiten die in een andere jurisdictie zijn gevestigd dan de jurisdictie van deuiteindelijkemoederentiteit die voldoet aan de Side-by-Side-veiligehavenregel dan wel aan de UPE-veiligehavenregel. Bovendien geldtonder de Side-by-Side-veiligehavenregel de verplichting om te voorzien ineen verrekening van de binnenlandse bijheffing. Als gevolg hiervanprevaleert de toepassing van de binnenlandse bijheffing, hetgeen rechtdoet aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Dat is van belang voorhet gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingenvan Pijler 2. De erkenning van een kwalificerend equivalent minimumbe-lastingstelsel is noodzakelijk om een fiscaal coherent en internationaalwerkbaar systeem te waarborgen. Dit geldt in het bijzonder voorjurisdicties die de Pijler 2-regels niet hebben geïmplementeerd, maar welbeschikken over een robuust minimumbelastingregime dat materieelaansluit bij de doelstellingen van Pijler 2. Het doel van Pijler 2 istweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven om winst te1Zie ook: OECD (2025), OECD Secretary-General Tax Report to G20 Leaders (G20 South Africa,November 2025), OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/54b70436-en.2G7 statement on global minimum taxes - Canada.caTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3614 verschuiven naar laagbelastende jurisdicties te verminderen. Ten tweedebeoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussenjurisdicties. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelastingworden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voorinternationaal opererende bedrijven. Een akkoord – waarbij Pijler 2 vankracht blijft – acht het kabinet van belang om een wereldwijd netwerk vanminimumbelastingen zo goed mogelijk in stand te houden en een gelijkspeelveld te creëren. Het akkoord is bovendien van belang om zekerheiden stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem.Daarnaast is het voor het kabinet belangrijk dat verschillende vereenvou-digingen zijn opgenomen in het Side-by-Side pakket. De voorgesteldepermanente Simplified Effective Tax Rate veiligehavenregel voorziet ineen vereenvoudiging van een van de ingewikkeldste onderdelen van dePijler 2-regels, namelijk de berekening van het effectieve belastingtarief.Hoewel bij deze berekening de financiële jaarverslaggevingstandaard hetuitgangspunt is, dienen daar de nodige correcties te worden aangebrachtom tot het kwalificerende inkomen of verlies te komen. Dat geldt ook voorhet bepalen van de gecorrigeerde betrokken belastingen om de effectievebelastingdruk te berekenen. De opgenomen vereenvoudigingen bewerk-stelligen dat een aantal correcties uit de Pijler 2-regels voor de berekeningvan het effectieve belastingtarief achterwege kan blijven. De voorgesteldeverlenging van de tijdelijke Country-by-Country-Reporting (CbCR)veiligehavenregel leidt er daarnaast toe dat een multinationale groep eenlangere periode verlichting krijgt van haar nalevingsverplichtingen. Eenmultinationale groep hoeft, als gevolg van een tijdelijke CbCR-veiligehavenregel, geen gedetailleerde Pijler 2-berekening op te stellen tenaanzien van haar entiteiten in staten waar de tijdelijkeCbCR-veiligehavenregel van toepassing is. Voor toepassing van detijdelijke CbCR-veiligehavenregel wordt gebruik gemaakt van gegevenswaarover de multinationale groep al beschikt.Tot slot is het positief dat de gunstige behandeling van kwalificerendefiscale regelingen ertoe leidt dat bepaalde fiscale regelingen die in eenjurisdictie van toepassing zijn onder voorwaarden niet ongedaan wordengemaakt als gevolg van een bijheffing. Dit betekent dat ondernemingenuit jurisdicties die de Pijler 2-regels hebben geïmplementeerd ondergrotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren alsondernemingen uit jurisdicties die de Pijler 2-regels niet hebben geïmple-menteerd en die kwalificeren voor de Side-by-Side ofUPE-veiligehavenregel. Tegelijkertijd vindt het kabinet het goed dat er eenmaximum is afgesproken waarmee is gewaarborgd dat de gunstigebehandeling van kwalificerende fiscale regelingen alleen is toegestaanvoor zover dit gepaard gaat met reële economische activiteit en investe-ringen in de jurisdictie zelf om uitholling van de beleidsdoelstellingen vanPijler 2 te voorkomen.Voorts schrijft de Staatssecretaris dat het IF bepaalt of een regime als eenQualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Kan de Staatsse-cretaris nader toelichten hoe deze aanmerking verloopt? Hoe wordtvoorkomen dat andere grootmachten met politieke druk ervoor zorgen dathun belastingstelsel wordt erkend als equivalent voor de toepassing vande Pijler 2-regels?Als een IF-jurisdictie een verzoek indient om aangemerkt te worden alskwalificerende jurisdictie voor de toepassing van de Side-by-Side-veiligehavenregel, zal het IF in de eerste helft van 2026 beoordelen of hetdesbetreffende belastingstelsel aan de criteria voldoet die in het Side-by-Side-pakket zijn overeengekomen. Wanneer het IF beoordeelt dat aan decriteria is voldaan, wordt de desbetreffende jurisdictie opgenomen als eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3615 kwalificerende jurisdictie in het centrale register van de OESO. In ditoverzicht is nu reeds de Verenigde Staten opgenomen als kwalificerendSide-by-Side-regime.3Het is op dit moment niet bekend of andere IF-jurisdicties zo’n verzoekzullen indienen. Het kabinet vertrouwt erop dat het IF, ondersteund doorde OESO, een adequaat proces zal verzorgen wanneer een andereIF-jurisdictie een verzoek zal indienen.Na 2026 kunnen IF-jurisdicties alleen in 2027 of 2028 nog een verzoekindienen ter beoordeling door het IF of ze aan de criteria voldoen voor detoepassing van de Side-by-Side-veiligehavenregel. Bij dat beoordelings-proces zal rekening worden gehouden met de doelstelling van het IF datde wereldwijde minimumbelasting het primaire systeem moet zijn voorhet waarborgen van een minimumniveau van belasting, met name doorde implementatie van gekwalificeerde binnenlandse bijheffingen. Ook zalrekening worden gehouden met de verzamelde informatie als onderdeelvan de toekomstige evaluatie («stocktake») van het Side-by-Side-pakket.De leden van de D66-fractie zijn ook benieuwd naar de mate waarin hetframework handhaafbaar is in een wereld met toenemende politiekeomwentelingen. Zo zijn de leden benieuwd hoe sterk de Staatssecretarishet Side-by-Side-systeem acht als landen na een regeringswisseling hunbelastingstelsel versoepelen of minder strikt handhaven. Welke handha-vingsinstrumenten bestaan er in dat geval?Een jurisdictie die is opgenomen in het centrale register als een kwalifice-rende Side-by-Side-jurisdictie is verplicht het IF op de hoogte te stellenindien zij haar kwalificerende Side-by-Side-regime wezenlijk wijzigtbinnen drie maanden na de relevante wijziging (bijvoorbeeld de datumvan inwerkingtreding wanneer de wijziging voortvloeit uit wetgeving). Naontvangst van een dergelijke melding zal het IF overwegen wat de bestevervolgstappen zijn. Een wijziging wordt als wezenlijk beschouwd indiendeze naar verwachting van invloed zou kunnen zijn op de beoordeling vaneen regime als kwalificerend.In dit kader zijn deze leden ook benieuwd hoe wordt gewaarborgd dat debinnenlandse bijheffing niet alleen formeel bestaat, maar ook daadwer-kelijk effectief wordt geheven en geïnd. Hoe wil de Staatssecretaris ditborgen, behalve door te leunen op een toekomstige evaluatie?Jurisdicties die een binnenlandse bijheffing hebben ingevoerd, zijnonderworpen aan een peer review proces bij de OESO. Een binnenlandsebijheffing zal alleen als kwalificerend worden beschouwd als het IF dezebijheffing als zodanig heeft aangemerkt. Voorwaardelijke of discrimina-toire binnenlandse bijheffingen zullen niet als kwalificerend wordenaangemerkt. Daarnaast is binnen het IF afgesproken dat een binnenlandsebijheffing niet ongedaan mag worden gemaakt door het verlenen vanverbonden voordelen («related benefits»). In het kader van het peerreview proces zal ook de uitvoering van de kwalificerende binnenlandsebijheffing voortdurend worden opgevolgd.De leden van de D66-fractie lezen ook dat in deze evaluatie eventuelestructurele concurrentieverstoringen in kaart zouden moeten wordengebracht. Deze leden constateren dat het dus jaren kan duren voordat eenstructurele concurrentieverstoring is geconstateerd en verholpen. Welke3https://www.oecd.org/en/topics/sub-issues/global-minimum-tax/central-record-of-legislation-with-transitional-qualified-status.htmlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3616 acties onderneemt de Staatssecretaris om voorafgaand aan de evaluatieeventuele concurrentieverstoringen te monitoren en aan te kaarten?Als onderdeel van het Side-by-Side-akkoord heeft het IF afgesproken dateventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld ofgrondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden geadresseerd omde gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de wereldwijdeminimumbelasting en het Side-by-Side-systeem te waarborgen. Detoekomstige evaluatie («stocktake»), die het IF in 2029 wil afronden, ishiertoe een middel. Het kabinet heeft begrip voor dit tijdspad.IF-jurisdicties moeten het Side-by-Side-akkoord nu immers eerst nogimplementeren en vervolgens kost het ook tijd om data te verzamelen eneen gedegen analyse te maken van eventuele structurele effecten. Hetkabinet blijft in gesprek met het bedrijfsleven om vroegtijdig signalen vanconcurrentieverstoring te ontvangen als ook van eventuele intenties omvanwege dergelijke verstoringen het hoofdkantoor te verplaatsen.Wanneer daar aanleiding toe is, zal het kabinet uw Kamer daaroverinformeren.De leden van de D66-fractie hebben ook zorgen over de toenemendemondiale fricties en de gevolgen hiervan op het akkoord. Deze ledenvragen of en, zo ja, hoe rekening wordt gehouden met een «revenge tax»of een dreiging daartoe als antwoord op binnenlandse bijheffingen.In het bereikte Side-by-Side-akkoord is uitdrukkelijk opgenomen dat deSide-by-Side-veiligehavenregel geen gevolgen heeft voor de toepassingvan de binnenlandse bijheffing. In de verklaring van de G7 over dewereldwijde minimumbelasting van 28 juni 2025 werd ook benadrukt datde intrekking van het voorstel voor een zogenoemde strafheffing door deVS van cruciaal belang is voor het bereiken van een akkoord over eenSide-by-Side-systeem.Deze leden lezen ook dat de Staatssecretaris er belang aan hecht datonder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdictiesom een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Kan deStaatssecretaris nader uiteenzetten hoe en in hoeverre deze prikkel in hethuidige akkoord wordt geborgd?Indien de effectieve belastingdruk van de groepsentiteiten van eenmultinationale groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt, is eenbijheffing voor het verschil verschuldigd. Als de desbetreffende jurisdictieniet zelf voorziet in een bijheffing door middel van een kwalificerendebinnenlandse bijheffing, zullen andere jurisdicties bijheffen op grond vande inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelastewinstmaatregel.Jurisdicties hebben dus belang bij een kwalificerende binnenlandsebijheffing om geen belastinginkomsten mis te lopen. De in het Side-by-Side-pakket afgesproken veiligehavenregels staan de toepassing van dekwalificerende binnenlandse bijheffing niet in de weg. Bij de bepaling vande binnenlandse bijheffing wordt geen rekening gehouden met eenControlled Foreign Company (CFC) -heffing of andere belastingen die ophet niveau van de groepsentiteit-belanghouder worden geheven.Bovendien zal een kwalificerende equivalente jurisdictie de binnenlandsebijheffing onder dezelfde voorwaarden verrekenen als elke andereverrekenbare buitenlandse winstbelasting. Gezien het belang van deondersteuning van jurisdicties bij de implementatie van de binnenlandsebijheffing, zal het IF de werkzaamheden voortzetten om de administratievelasten voor jurisdicties te verminderen en de naleving te vereenvoudigenvoor multinationale groepen die onder de wereldwijde minimumbelastingvallen. Deze werkzaamheden omvatten het identificeren van mogelijkeverdere coördinatiemogelijkheden die de nalevingslasten kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3617 verlagen voor multinationale groepen met activiteiten in jurisdicties dieeen binnenlandse bijheffing hebben ingevoerd. Een binnenlandsebijheffing zal alleen als kwalificerend kunnen worden aangemerkt als zijconsistent, onvoorwaardelijk en zonder onderscheid wordt toegepast. Hetpeer review proces en de werkzaamheden ten behoeve van het tegengaanvan zogenoemde verbonden voordelen zijn hierbij van groot belang.Daarnaast zullen de werkzaamheden aan de integriteitsmaatregelen ertoebijdragen dat de essentiële rol van de binnenlandse bijheffing wordtbehouden.Ten slotte lezen de leden van de D66-fractie dat sommige grote landenPijler 2 niet (volledig) hebben geïmplementeerd. Deze leden vragen of deStaatssecretaris een lijst kan verstrekken van landen die Pijler 2 welhebben geïmplementeerd en welke belangrijke handelslanden niet? Kande Staatssecretaris nader uiteenzetten in hoeverre het hier gaat om danwel landen, die net als de Verenigde Staten beogen hun belastingstelsel telaten erkennen als equivalent voor de toepassing van de Pijler 2-regels,dan wel nog voornemens zijn te implementeren, dan wel zich geheel teonthouden van deelname aan de afspraken?Op dit moment hebben zo’n 65 jurisdicties Pijler 2 ingevoerd of zijndaarmee bezig.4 Voor een overzicht van de kwalificerende maatregelen enregimes van implementerende jurisdicties wordt verwezen naar decentrale registratie zoals de OESO die bijhoudt.5 Daarnaast beoordeelt hetIF momenteel Pijler 2-minimumbelastingen van nog een aantal jurisdictiesvoor kwalificatie in het kader van het peer review proces. Van de vijftienbelangrijkste handelspartners van Nederland6 heeft, naast de VS, alleenChina de Pijler 2-regels niet ingevoerd. Het is niet bekend of China Pijler 2zal invoeren of een verzoek zal doen om te worden aangemerkt als eenjurisdictie met een kwalificerend equivalent belastingstelsel voor deSide-by-Side-veiligehavenregel of de UPE-veiligehavenregel.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Staatssecretaris over het Side-by-Sidepakket. Deze ledenmemoreren dat zij al eerder schriftelijke vragen over dit pakket hebbengesteld. Deze leden maken zich zorgen over het gelijke speelveld voorEuropese en specifiek Nederlandse bedrijven en willen vooral het belangvan een sterk Nederlands vestigingsklimaat benadrukken.De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris in te gaan op hetmondiale gelijke speelveld. Leidt het verschil in behandeling tussenNederland en de VS tot een mondiaal gelijk speelveld en gelijke behan-deling? Zo niet, kan de Staatssecretaris toelichten wat de gevolgenhiervan zijn?Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is (vooralsnog) alleen hetAmerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side-veiligehavenregel zullen delanden die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van deinkomen-inclusiemaatregel of de onderbelastewinstmaatregel over delaagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale4Zie ook: OECD (2025), OECD Secretary-General Tax Report to G20 Leaders (G20 South Africa,November 2025), OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/54b70436-en.5https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-sub-issues/global-minimum-tax/administrative-guidance-globe-rules-pillar-two-central-record-legislation-transitional-qualified-status.pdf.6CBS, Dutch Trade in Facts and Figures; Exports, Imports and Investments 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3618 groep met het hoofdkantoor in de VS. In dat verband is het van belang omop te merken dat in de VS reeds minimumbelastingregels van kracht zijn.Dat betreft een samenstel van onder meer de CFC-regels, het zogenoemdeSubpart F, de zogeheten Global Intangible Low-Taxed Income-regeling(GILTI) tot en met 2025 en daarna de zogeheten Net CFC Tested Income-regeling (NCTI) en de Corporate Alternative Minimum Tax-regeling(CAMT). Deze regels beogen kort gezegd zowel de binnenlandse alsbuitenlandse winsten van Amerikaanse groepen aan een minimumniveauvan belastigheffingheffing te onderwerpen. Het voorgaande laat onverletdat op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel wordt bijgeheventot het effectieve minimumbelastingtarief van 15% ten aanzien vangroepsentiteiten buiten de VS indien aldaar een binnenlandse bijheffingvan toepassing is. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkortgehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelasteentiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met hethoofdkantoor in de VS. In dergelijke gevallen dient de uiteindelijkemoede-rentiteit in de VS te voorzien in een verrekening van de binnenlandsebijheffing. Als gevolg hiervan prevaleert de toepassing van de binnen-landse bijheffing, hetgeen recht doet aan de doelstellingen van dePijler 2-regels. Dat is van belang voor het gelijke speelveld en voor hetwaarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2. Veel jurisdictieshebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Opdit moment kennen zo’n vijfenzestig jurisdicties een binnenlandsebijheffing of zullen die invoeren.7 De gunstige behandeling van kwalifice-rende fiscale regelingen leidt er bovendien toe dat bepaalde fiscaleregelingen die in een jurisdicties van toepassing zijn onder voorwaardenniet ongedaan worden gemaakt als gevolg van een bijheffing. Dit betekentdat jurisdicties die de Pijler 2-regels hebben geïmplementeerd ondergrotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren alsjurisdicties die de Pijler 2-regels, zoals de VS, niet hebben geïmplemen-teerd. De toepassing van de binnenlandse bijheffing in buitenlandsejurisdicties en de gunstige behandeling van kwalificerende fiscaleregelingen komt ten goede aan het gelijke speelveld.Deze leden constateren dat in antwoord op vragen van de VVD-fractie deStaatssecretaris aangeeft geen risico te zien op het vertrek van hoofdkan-toren van (Nederlandse) bedrijven naar de Verenigde Staten. Kan deStaatssecretaris dit monitoren en meenemen in de jaarlijkse monitorings-brief?Het is complex om precies te monitoren wat de redenen van bedrijven zijnom activiteiten geheel of gedeeltelijk naar het buitenland te verplaatsen.Een beslissing tot verplaatsing van activiteiten is meestal het gevolg vaneen mix van factoren, die bijna in alle gevallen bedrijfsspecifiek is. Demotieven waarom bedrijven een investering doen in Nederland, of juistdesinvesteren, kunnen niet worden bijhouden. Wel kan op basis vanenquêtes een beeld worden verkregen. De Monitor Ondernemingsklimaatdie het kabinet jaarlijks uitbrengt, geeft een actueel beeld van hetNederlandse ondernemingsklimaat. Overwegingen van bedrijven,waaronder multinationals, om naar het buitenland te vertrekken zijnonderdeel van de Monitor.Het kabinet blijft in gesprek met het bedrijfsleven om vroegtijdig signalenvan concurrentieverstoring te ontvangen als ook van eventuele intentiesom vanwege dergelijke verstoringen het hoofdkantoor te verplaatsen.Wanneer daar aanleiding toe is zal het kabinet uw Kamer daaroverinformeren.7Zie ook: OECD (2025), OECD Secretary-General Tax Report to G20 Leaders (G20 South Africa,November 2025), OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/54b70436-en.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3619 De Staatssecretaris geeft daarnaast aan dat er geen reden zou zijn om eenverzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor deSide-by-Side-veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel. Kan deStaatssecretaris aangeven op welke punten de Nederlandse vennoot-schapsbelasting moet worden aangepast om te voldoen aan devoorwaarden die gelden voor de Side-by-Side-veiligehavenregel? Indiendit niet bekend is, kan dit dan verder worden uitgewerkt? Kan deStaatssecretaris ook aangeven wat de budgettaire impact zou zijn van dewijzigingen in de Nederlandse vennootschapsbelasting om te kwalificerenvoor de Side-by-Side veiligehaven?Het kabinet ziet geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie vanhet Nederlandse stelsel onder de Side-by-Side-veiligehavenregel en deUPE-veiligehavenregel. In dat kader zijn de volgende elementen vanbelang.Binnen het IF is afgesproken dat de OESO-modelregels voor Pijler 2 hetprimaire systeem vormen voor het waarborgen van een minimumniveauvan belastingheffing. In het Side-by-Side-pakket wordt in dat verbandexpliciet opgemerkt: «the adoption of a co-ordinated Global Minimum Tax(GMT), based on a common approach, should be the primary system forensuring minimum taxation.»8 De Side-by-Side-veiligehavenregel en deUPE-veiligehavenregel moeten tegen deze achtergrond worden bezien.Deze veiligehavenregels gelden voor jurisdicties die de Pijler 2-regels niethebben ingevoerd maar desondanks wel een vorm van minimumbe-lasting kennen. De genoemde veiligehavenregels regelen dat de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel niet wordentoegepast indien een jurisdictie beschikt over een kwalificerend minimum-belastingstelsel. De veiligehavenregels laten de werking van de kwalifice-rende binnenlandse bijheffing ongewijzigd.Op Nederland rust de verplichting om de EU-richtlijn minimumniveau vanbelastingheffing (Richtlijn (EU) 2022/2523) in wetgeving te implementeren.Aan deze verplichting heeft Nederland voldaan door invoering van de Wetminimumbelasting 2024 (WMB 2024). De genoemde richtlijn is gebaseerdop de OESO-modelregels en administratieve richtsnoeren inzake Pijler 2.In Nederland worden de Pijler 2-regels derhalve al volledig toegepast viade WMB 2024. Door de combinatie van de kwalificerende binnenlandsebijheffing, de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaat-regel wordt een effectief minimumniveau van 15% per jurisdictiegewaarborgd. Het minimumniveau van belastingheffing in Nederlandwordt derhalve reeds gewaarborgd via deze systematiek. Een kwalificatievan het Nederlands stelsel onder de Side-by-Side-veiligehavenregel zoudit minimumniveau niet wijzigen.Hoewel het kabinet geen reden ziet om een kwalificatieverzoek in tedienen, wordt – mede met het oog op de volledigheid van de beant-woording – opgemerkt dat een eventuele beoordeling en aanpassing vande Nederlandse vennootschapsbelasting niet kan worden beperkt tot éénafzonderlijke bepaling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (WetVpb 1969) maar dat een grondige herziening van de Wet Vpb 1969 zou zijnvereist. Het kabinet wijst erop dat de Side-by-Side-veiligehavenregelonder meer vereist dat sprake moet zijn van een belasting naar de winstter zake van zowel actief als passief inkomen uit activiteiten gelegen ineen andere staat. Voor actieve buitenlandse ondernemingswinsten geldtdat deze in beginsel van Nederlandse heffing zijn vrijgesteld. Dit sluit aanbij het Nederlandse verdragsbeleid en de nationale fiscale wetgeving8OECD, Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – Global Anti-BaseErosion Model Rules (Pillar Two): Side-by-Side Package, OECD Publishing 2026, p. 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36110 (zoals de deelnemingsvrijstelling) die er van oudsher op zijn gericht omzoveel mogelijk het principe van kapitaalimportneutraliteit te realiserenvoor actieve inkomsten, zodat Nederlandse ondernemingen enwerknemers in de buitenlandse markt zich in dezelfde concurrentiepositiebevinden als lokale bedrijven en werknemers. Om deze gelijke concurren-tiepositie te realiseren stelt Nederland actief inkomen in principe vrij enwordt de heffing over resultaten met voldoende binding aan hetbuitenland overgelaten aan het desbetreffende land. Het in de heffingbetrekken van actief inkomen, hetgeen een vereiste is voor de toepassingvan de Side-by-Side-veiligehavenregel, doet afbreuk aan de vrijstellings-methode die leidt tot kapitaalimportneutraliteit. Hierbij wordt, wellicht tenovervloede, opgemerkt dat in het regeerakkoord is afgesproken dat methet oog op een gelijk speelveld de vaak ter discussie gestelde regelingenmoeten worden behouden die belangrijk zijn voor bedrijven, waaronderde deelnemingsvrijstelling.9 Daarnaast geldt dat de Wet Vpb 1969 vantoepassing is op alle belastingplichtige lichamen, terwijl de minimumbe-lasting uitsluitend ziet op groepen met een omzet van ten minste€ 750 miljoen. Aanpassingen in de Wet Vpb 1969 zouden derhalve inbeginsel een bredere reikwijdte kunnen hebben dan de doelgroep vanPijler 2. Het is daarom de vraag of een dergelijke systematische wijzigingvan het systeem gerechtvaardigd is.Voor de UPE-veiligehavenregel geldt dat deze uitsluitend de onderbelaste-winstmaatregel buiten werking stelt ten aanzien van de jurisdictie waar deuiteindelijkemoederentiteit is gevestigd die aan deze veiligehavenregelvoldoet. De kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel en deinkomen-inclusiemaatregel blijven daarbij onverkort van toepassing. InNederland wordt het minimumniveau van belastingheffing gewaarborgddoor de binnenlandse bijheffing. Als gevolg hiervan kan de onderbelaste-winstmaatregel ten aanzien van groepsentiteiten in Nederland nietworden toegepast. Voor laagbelaste winsten van groepsentiteiten van eenin Nederland gevestigde uiteindelijkemoederentiteit vindt bijheffing inbeginsel plaats via de inkomen-inclusiemaatregel, waarbij geldt dat deonderbelastewinstmaatregel fungeert als een soort «backstop» van deinkomen-inclusiemaatregel. De toepassing van de UPE-veiligehavenregelzou derhalve geen materiële wijziging brengen in de heffingspositie vanNederland.Ten slotte is van belang dat de toepassing van Pijler 2 plaatsvindt binneneen kader van wederzijdse beoordeling (peer review) door het IF,waaronder de toetsing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing.Nederland heeft de Pijler 2-regels integraal opgenomen in de WMB 2024conform de OESO-modelregels en neemt daarmee deel aan het regulierebeoordelingskader van het IF. De veiligehavenregels zijn binnen datzelfdekader vormgegeven voor jurisdicties met een afzonderlijk kwalificerendminimumbelastingstelsel. Voor een jurisdictie die reeds volledig dePijler 2-regels conform de OESO-modelregels heeft opgenomen in denationale wetgeving ligt daarom een kwalificatie als gelijkwaardig stelselbinnen datzelfde kader niet voor de hand.Gelet op het voorgaande ziet het kabinet geen reden om het Nederlandsestelsel te laten kwalificeren onder de Side-by-Side-veiligehavenregel of deUPE-veiligehavenregel. De budgettaire gevolgen zouden met name zienop de effecten van het belasten van actief buitenlandse inkomen. Eendergelijke aanpassing zou gepaard gaan met grote gedragseffecten. Eeninschatting hiervan is niet beschikbaar.9Coalitieakkoord 2026 -2030; D66, VVD en CDA, Aan de slag. Bouwen aan beter Nederland. p. 29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36111 Kan de Staatssecretaris daarnaast uitgebreid stilstaan bij de (on)houd-baarheid van de dynamische verwijzing naar OECD-soft law via artikel 32van de Richtlijn (EU) 2022/2523? Kan de Staatssecretaris, indien hij vanmening is dat de dynamische verwijzing wel houdbaar is, ingaan op dedoor specialisten in het Europees (belasting)recht geuite kritiek, bijvoor-beeld de kritiek van 8 januari 2026 in het Kluwer International Tax Blog(«The Pillar 2 – Side-by-Side Package: A Structural Breach of EU TaxLaw»), en aangeven waarom deze kritiek onjuist is?De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 202610het Side-by-Side-pakket erkend en bevestigd dat de daarin opgenomenveiligehavenregels toepassing kunnen vinden in het kader van de Richtlijn(EU) 2022/2523. De Commissie heeft daarmee de vraag beantwoord naarde houdbaarheid van de veiligehavenregels uit het Side-by-Side-pakketonder artikel 32 van de richtlijn. De kritiek uit de literatuur waar deVVD-fractie naar verwijst, is dat sprake zou zijn van een verbodendelegatie in de zin van het Meroni-arrest. Dit is echter een arrest dat in eengeheel andere context is gewezen. Bij toetsing aan deze doctrine is eenaantal elementen relevant om in de beschouwing te betrekken. Bijvoor-beeld de vraag of de beoordeling (kwalificatie) van een veiligehaven isgedelegeerd aan een andere instelling, in dit geval het IF. Van eenkwalificerende internationale overeenkomst inzake veiligehavens is alleensprake indien de lidstaten hiermee hebben ingestemd. Artikel 32 van deRichtlijn (EU) 2022/2523 bepaalt dat onder een «kwalificerende interna-tionale overeenkomst veilige havens» wordt verstaan een internationaalgeheel van regels en voorwaarden «waarmee alle lidstaten hebbeningestemd». De richtlijn veronderstelt daarmee expliciete instemming vande lidstaten voor de toepassing van dergelijke veiligehavenregels. Het IFkan derhalve niet zelfstandig bepalen dat sprake is van een veiligehavenin de zin van artikel 32 van de richtlijn. Van een kwalificerende interna-tionale overeenkomst inzake veiligehavens is slechts sprake indien delidstaten daarmee instemmen en – daarmee – een dergelijke overeen-komst binnen het toepassingsbereik van de richtlijn brengen. Dat geenimpliciete instemming kan worden verondersteld, blijkt ook uit de positievan Cyprus. Cyprus maakt geen deel uit van het IF een neemt als gevolgdaarvan niet deel aan de besluitvorming binnen dat verband. Cyprus heeftevenwel (expliciet) verklaard11 met het Side-by-Side-pakket in testemmen, hetgeen bevestigt dat de toepassing van dergelijke veiligeha-venregels afhankelijk blijft van de instemming van alle lidstaten. Debevoegdheid tot wijziging van de richtlijn blijft onverkort bij de Uniewet-gever berusten. Artikel 32 voorziet derhalve niet in een overdracht van eennormstellende bevoegdheid aan het IF, maar in een mechanisme waarbijonder voorwaarden de werking van bepaalde internationale afsprakenbinnen het bestaande richtlijnkader kunnen worden erkend.De leden van de VVD-fractie hebben eveneens gelezen dat de Staatssecre-taris concludeert dat het IF bepaalt of een regime als een QualifiedSide-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Hoe werkt deze procedure?Welk deel van het IF moet instemmen met deze kwalificatie? Is unanimiteitvereist? Zijn er landen met een vetorecht?Verwezen wordt naar het antwoord op de vraag van de fractie van D66over de beoordeling door het IF van mogelijke Side-by-Side-regimes oppagina 4. Besluitvorming in het IF vindt plaats op basis van consensus.10Mededeling van de Commissie – De overeenkomst over veilige havens in het inclusief kadervan de OESO en de pijler 2-richtlijn (C/2026/253), http://data.europa.eu/eli/C/2026/253/oj.11Minister of Finance press release on the Side-by-Side Package, approved by the OECD/G20Inclusive Framework on BEPS on January 5th 2026 - Ministry of Finance - Gov.cy.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36112 Deze leden vragen daarnaast wat de criteria van de veiligehavenregel zijnen hoe moeten deze worden geïnterpreteerd. Kan uitgebreider op dit puntworden ingegaan dan uitsluitend de tekst van de Side-by-Side-veiligehavenregel te benoemen? Hoe moeten deze criteria wordentoegepast op andere landen dan de Verenigde Staten?Om te kwalificeren voor de Side-by-Side-veiligehavenregel moet eenjurisdictie een kwalificerend belastingstelsel hebben. Een kwalificerendbelastingstelsel dient een minimumniveau van belasting te waarborgenover zowel binnenlandse als buitenlandse winsten van een multinationalegroep. Om te beoordelen of een belastingstelsel voldoende robuust is, zijnverschillende criteria afgesproken.Een kwalificerend binnenlands belastingstelsel dient te voldoen aan devolgende criteria:1.Een statutair vennootschapsbelastingtarief van ten minste 20%.Hierbij wordt rekening gehouden met algemene vrijstellingen ofgelijksoortige preferentiële regimes alsmede met vennootschapsbe-lastingen die worden geheven door lagere overheden. Het wettelijkenominale belastingtarief is het belastingtarief dat over het algemeenwordt geheven ten aanzien van multinationale groepen op basis vaneen veelomvattende winstbelastinggrondslag, het is te zeggen eenbelastinggrondslag waarop geen wezenlijke uitzonderingen vantoepassing zijn.2.Een binnenlandse bijheffing of een alternatieve binnenlandseminimumbelasting gebaseerd op de winst volgens de financiëleverslaggevingsstandaard met een tarief van ten minste 15%, welkebelasting van toepassing is op een substantieel deel van de binnen-landse winsten van multinationale groepen die onder Pijler 2 zoudenvallen. Bij een alternatieve binnenlandse minimumbelasting wordenondernemingen belast op basis van het hoogste bedrag van debelastingplicht volgens de regels van de alternatieve minimumbelas-ting of het bedrag van de belastingplicht volgens de regulierevennootschapsbelasting. Een alternatieve minimumbelasting moetgebaseerd zijn op de winst volgens de financiële verslaggevingsstan-daard (van de multinationale groep als geheel of van een deeldaarvan). Aanpassingen zijn echter toegestaan, mits deze inovereenstemming zijn met de beleidsdoelstellingen van de mini-mumbelasting. Aanpassingen aan de winst volgens de financiëleverslaggevingsstandaard die bijvoorbeeld gericht zijn op hetovernemen van afschrijvingsschema’s uit het belastingstelsel of ophet in lijn brengen met de fiscale behandeling van een beloning inaandelen, worden geacht in overeenstemming te zijn met debeleidsdoelstellingen van de minimumbelasting. Evenzo zou eenuitsluiting van inkomsten met een hoog belastingtarief van dealternatieve minimumbelasting ook in overeenstemming zijn met debeleidsdoelstellingen van de minimumbelasting. Bovendien kan devennootschapsbelasting worden gecompenseerd door buitenlandseof binnenlandse belastingtegoeden (tax credits), mits deze tegoedenin overeenstemming zijn met de beleidsdoelstellingen van deminimumbelasting. De alternatieve minimumbelasting zou bijvoor-beeld van toepassing kunnen zijn op het wereldwijde inkomen van debelastingplichtige waarbij belastingtegoeden voor buitenlandebelastingen meetellen om aan het vereiste minimumtarief te voldoen.3.Geen materieel risico dat de binnenlandse winsten van multinatio-nale groepen die onder Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor inde jurisdictie hebben, onderworpen zijn aan een effectief tarief vanminder dan 15%. De beoordeling hiervan moet worden gebaseerd opde opzet en de werking van de Pijler 2-regels, met inbegrip van detoepasselijke veiligehavenbepalingen en met inachtneming vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36113 eenzelfde behandeling van stimuleringsmaatregelen, waaronder degunstige behandeling van fiscale regelingen voor bedrijven met reëleeconomische activiteit. Verder moet de beoordeling zijn gebaseerd opeen pragmatische inschatting van de algehele werking van hetbelastingstelsel dat van toepassing is in de desbetreffende jurisdictie,inclusief de beschikbaarheid en behandeling van belastingtegoedenen -faciliteiten binnen dat stelsel. De enkele mogelijkheid dat eenmultinationale groep in een hypothetisch scenario zou zijn onderwor-pen aan een effectief belastingtarief van minder dan 15% over debinnenlandse winst, betekent niet dat een jurisdictie niet aan ditcriterium voldoet. Een jurisdictie zou bijvoorbeeld nog steeds aan ditcriterium kunnen voldoen als het een vennootschapsbelastingregimehanteert met een effectief belastingtarief van iets minder dan 15%over bepaalde soorten inkomsten, maar de multinationale groep dievan deze faciliteit gebruik maakt, waarschijnlijk aanzienlijke andereinkomsten uit binnenlandse activiteiten heeft die ruim boven de 15%worden belast, waardoor het gemiddelde belastingtarief zeerwaarschijnlijk boven de 15% ligt. Aan de andere kant zou een regimeniet aan dit criterium voldoen als multinationale groepen in dezejurisdictie in aanmerking komen voor belastingvoordelen waarvan depotentiële omvang en het gewicht een zodanig materieel risico metzich brengen dat een multinationale groep onderworpen zal zijn aaneen effectief belastingtarief van minder dan 15% over de binnen-landse winst. Dit criterium moet in zijn geheel, over een langereperiode en op geaggregeerd niveau worden beschouwd en nietafzonderlijk voor elke multinationale groep. Aan dit criterium kanworden voldaan door de toepassing van de alternatieve minimumbe-lasting. Daarnaast kan ook rekening worden gehouden met eventuelewettelijke regelingen ter bestrijding van BEPS12-risico’s.Een kwalificerend buitenlands belastingstelsel dient te voldoen aan devolgende criteria:1.Een belastingstelsel dat van toepassing is op zowel actief als passiefbuitenlands inkomen van buitenlandse dochtermaatschappijen, metslechts beperkte uitzonderingen. Het moet gaan om een alomvattendbelastingstelsel dat van toepassing is op vennootschappen metbuitenlands inkomen. De grondslag voor de berekening vanbuitenlands inkomen moet breed zijn en mag geen materiëleuitzonderingen bevatten. Het inkomen moet zowel het actieve als hetpassieve inkomen van gecontroleerde buitenlandse vennootschap-pen omvatten, zelfs wanneer dat inkomen niet aan de aandeelhou-ders wordt uitgekeerd. Voor deze doeleinden moet onder gecontro-leerde buitenlandse vennootschap elke buitenlandse vennootschapworden verstaan die wordt gecontroleerd door een aandeelhouder inde kwalificerende jurisdictie. Beperkte uitzonderingen op debelastbare inkomsten zijn mogelijk, mits deze uitzonderingen strokenmet de beleidsdoelstellingen van minimumbelasting. Bijvoorbeeldwanneer de regeling alleen inkomsten uitsluit die in het land vanherkomst doorgaans tegen een hoog tarief worden belast (bijvoor-beeld inkomsten uit de winningssector, zoals olie en gas). Als eenregeling echter een type zeer mobiel inkomen zou uitsluiten (zoalsroyalty-inkomsten), zou deze niet aan dit criterium voldoen.2.Voldoende mechanismen om risico’s ten aanzien van grondslaguit-holling en winstverschuiving (BEPS) te adresseren. Het kwalifice-rende buitenlandse belastingstelsel moet gerichte en doeltreffendemechanismen bevatten die zijn ontworpen om aanmerkelijkeBEPS-risico’s aan te pakken. Een stelsel zou bijvoorbeeld aan ditcriterium kunnen voldoen door regels te hanteren die voorkomen dat12Base Erosion and Profit Shifting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36114 de belasting over passief en in het buitenland laagbelast inkomenwordt gecompenseerd door verrekening met belastingtegoeden (taxcredits) die betrekking hebben op actief en in het buitenlandhoogbelast inkomen. Op dezelfde manier zou een stelsel aan ditcriterium kunnen voldoen door een belastingplichtige te verplichtenom afzonderlijk rekening te houden met inkomsten uit CFC’s dieonderworpen zijn aan een laag belastingtarief en inkomsten dieonderworpen zijn aan een hoog belastingtarief.3.Geen materieel risico dat de buitenlandse winsten van multinationalegroepen die onder Pijler 2 zouden vallen en hun uiteindelijkemoederentiteit in de jurisdictie hebben, onderworpen zijn aan eeneffectief tarief van minder dan 15%. De beoordeling van dit criteriummoet worden gemaakt op basis van de opzet en werking van dePijler 2-regels. Verder is de beoordeling gebaseerd op een pragmati-sche inschatting van de algehele werking van het belastingstelsel. Detoelichting op het derde criterium voor een in aanmerking komendbinnenlands belastingstelsel is in het algemeen ook van toepassingop dit criterium.Deze criteria zouden ten aanzien van andere landen dan de VS op dezelfdewijze moeten worden toegepast.De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast vragen over staatssteunri-sico’s van de safe harbours. Heeft de Europese Commissie getoetst aan destaatssteunregels in het Verdrag betreffende de werking van de EuropeseUnie (VWEU)? Blijkt uit de mededeling van 12 januari 2026 van deEuropese Commissie dat is getoetst aan het staatssteunverbod? Zo nee,waarom is dit niet gebeurd?In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) isvastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU-regelgevingmoeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v.VWEU). De Europese Commissie heeft namens de Europese Unie debevoegdheid om regels voor te stellen. Lidstaten mogen er vanuit gaandat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt endaarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteunontstaat. Of bij de mededeling van 12 januari 2026 rekening is gehoudenmet staatssteunregels valt onder de verantwoordelijkheid van deEuropese Commissie.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de brief van deStaatssecretaris met interesse gelezen. Deze leden hebben hierover enkelevragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris om tereflecteren op het proces om te komen tot de BEPS-maatregelen. Hoe kijktde Staatssecretaris aan tegen het feit dat in eerste instantie louter inOESO-verband is gesproken over mondiale belastingafspraken, waarbijopkomende economieën niet zijn meegenomen?In 2012 is de OESO in opdracht van de G20, gestart met het BEPS-project.Dit was het begin van de herziening van mondiale belastingafspraken. HetBEPS-project is uniek vanwege de betrokkenheid van een grotehoeveelheid landen waaronder zowel ontwikkelde landen als ontwikke-lingslanden. Meer dan 80 niet-OESO-landen zijn geconsulteerd gedurendehet BEPS-project. Na een fase van consultaties met ontwikkelingslandenin 2014, hebben vanaf januari 2015, mede op aandringen van en metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36115 ondersteuning van Nederland, veertien ontwikkelingslanden en een aantalregionale vertegenwoordigende organen van ontwikkelingslandendeelgenomen aan het Committee on Fiscal Affairs («CFA») van de OESOen aan diverse BEPS-werkgroepen. Ontwikkelingslanden zijn daardoornauw betrokken geweest bij de discussies en besluitvorming in hetBEPS-project en konden daaraan op gelijke voet met OESO-landendeelnemen. Hoewel de belangen van ontwikkelingslanden en ontwikkeldelanden bij het beschermen van de belastinggrondslag vaak nietverschillen, hebben ontwikkelingslanden door de nauwe betrokkenheidmede hun stempel kunnen drukken op de uitkomsten van hetBEPS-project. Naast betrokkenheid bij de besluitvorming, is gezorgd voorde technische ondersteuning van ontwikkelingslanden tijdens hetBEPS-project. De OESO heeft, in overleg met ontwikkelingslanden,handleidingen op de belangrijkste onderdelen van de BEPS-uitkomstenontwikkeld om zeker te stellen dat ontwikkelingslanden ook daadwerkelijkde BEPS-uitkomsten kunnen implementeren. Opkomende economieënzijn dus meegenomen bij de herziening van mondiale belastingafsprakenvan het BEPS-project.Deelt de Staatssecretaris de analyse dat het OESO-proces structureelonvoldoende inclusief is geweest en dat dit de legitimiteit van mondialebelastingafspraken ondermijnt? Is de Staatssecretaris bereid om zich in tezetten voor een inclusiever proces in de toekomst?Maatregelen om belastingontwijking en ontduiking tegen te gaan werkenhet beste als zoveel mogelijk landen meedoen. In 2016 is daarom hetInclusive Framework on BEPS (IF) opgericht, om de discussie hierover metzoveel mogelijk landen te kunnen voeren. Het BEPS-project is ook voorontwikkelingslanden van majeur belang in de strijd tegen belastingont-wijking. Wanneer ontwikkelingslanden onvoldoende vertegenwoordigdzijn of niet op gelijke voet kunnen deelnemen aan het maken vanafspraken om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan, onder-mijnt dit niet alleen de legitimiteit, maar ook de effectiviteit van dezeafspraken. Het is derhalve van belang dat het IF ook daadwerkelijkinclusief is en ontwikkelingslanden op gelijke voet met OESO-lidstatendaaraan kunnen deelnemen. Daartoe zijn in het verleden al belangrijkeaanbevelingen gedaan door de OESO13, met als concreet resultaatbijvoorbeeld dat het IF inmiddels wordt voorgezeten door zowel eenOESO-land als een niet-OESO/niet-G20-land. Nederland blijft onverkorteen evenwichtige representatie van ontwikkelingslanden in het IF steunen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de helft van deAfrikaanse landen geen lid zijn van het Inclusive Framework. Klopt het datlanden alleen lid kunnen worden als zij eerder BEPS-besluiten onder-schrijven, terwijl zij niet mee hebben kunnen praten over deze besluitenomdat die in OESO-verband zijn genomen. Kan de Staatssecretaristoelichten wat hij hiervan vindt?Voor toetreding tot het in 2016 opgerichte IF geldt dat landen zichcommitteren aan de BEPS-minimumstandaarden om zo een gelijkspeelveld en effectieve implementatie te waarborgen. De standaardenzien onder meer op afspraken over schadelijke belastingconcurrentie,maatregelen tegen treaty shopping, landenrapportages (Country-by-Country Reporting) en geschilbeslechting. Ook landen die willen toetredentot het IF en niet betrokken zijn geweest bij het opstellen van dezeminimumstandaarden hebben baat bij deze standaarden. Wel kunnen destandaarden administratieve lasten met zich brengen. Het is van belang13https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2022/10/g20-oecd-roadmap-on-developing-countries-and-international-taxation_0f73a939/cf46900c-en.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36116 dat ontwikkelingslanden daarin ondersteund worden, zodat zij demogelijkheid hebben deel te nemen. Zoals aangegeven in de beant-woording van voorgaande vragen is er ook in de jaren voorafgaand aande oprichting nauwe betrokkenheid geweest van niet-OESO-landen bij deontwikkeling van deze standaarden. Met de oprichting van het IF isbeoogd de betrokken groep te vergroten en om de gehele groep landeneen volwaardige plaats aan tafel te geven bij de verdere uitwerking,monitoring en toekomstige ontwikkelingen van de internationalebelastingregels.Er zijn op dit moment 148 landen lid van het IF, waaronder ook Afrikaanselanden.14 Niet alle Afrikaanse landen zijn lid van het IF. Het kabinet vindteen zo breed mogelijke deelname juist van belang om belastingontwijkingeffectief tegen te gaan en een gelijk speelveld te bevorderen. Daarom ishet ook belangrijk dat regionale vertegenwoordigende organen ook actiefdeelnemen aan het IF, zo is onder andere het African Tax AdministrationForum wél nauw en actief betrokken bij de discussies in het IF. Het kabineterkent dat voor sommige (met name ontwikkelings-)landen de implemen-tatiecapaciteit een belemmering kan vormen. Nederland blijft zich daarominzetten voor ondersteuning en inclusiviteit binnen het bestaandemultilaterale kader, onder andere door capaciteitsopbouw via technischeassistentieprogramma’s. Tevens zet het kabinet zich in voor een noginclusievere governance en samenwerking binnen het IF, zodat niet-OESO-landen op gelijke voet invloed kunnen uitoefenen.Deze leden merken voorts op dat het aanvullende Side-by-Side pakket isvoortgekomen uit de weigerachtige opstelling van de Verenigde Staten,die niet alleen Pijler 1 niet willen ratificeren, maar zich ook hebben verzettegen Pijler 2 en zelfs hebben gedreigd met handelsmaatregelen tegenlanden die Pijler 2 toepassen op Amerikaanse multinationals. Deze ledenmaken zich dan ook zorgen dat het Side-by-Side pakket Pijler 2 nietversterkt, maar uitholt doordat de minimumheffing minder effectief wordt.Deelt de Staatssecretaris deze zorgen? Zo nee, waarom niet?Het kabinet waardeert de nadruk die in het IF-akkoord wordt gelegd op hetbelang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van eenminimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem ismet reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de minimumbelasting op eengecoördineerde manier wordt berekend op basis van een gemeenschap-pelijke belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was erop gericht omafwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum tebeperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang vanhet in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zogroot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoet-gekomen wordt aan andere jurisdicties die een eigen belastingstelselhebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. Eenminimumbelasting in een zo groot mogelijk internationaal verband isimmers het meest doeltreffend om een ondergrens te stellen aanbelastingconcurrentie, waardoor ook het voordeel van kunstmatigewinstverschuiving sterk wordt verkleind. Daarbij is het belangrijk datafspraken zijn gemaakt over de manier waarop een belastingstelsel dateen minimumniveau van belastingheffing waarborgt, kan wordengekwalificeerd als gelijkwaardig aan Pijler 2. Ook hecht het kabinet aan deonveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voorhet gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingenvan Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen14https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-issues/beps/inclusive-framework-on-beps-composition.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36117 zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven injurisdicties waar zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris omde criteria voor kwalificerende binnenlandse belastingstelsels binnen deSafe Harbour-regel verder toe te lichten. Betekent het minimale statutairevennootschapsbelastingtarief van 20 procent, bijvoorbeeld dat Nederlandniet zou kunnen kwalificeren, omdat Nederland een laag tarief van 19procent hanteert? Hoe wordt omgegaan met stelsels met verschillendetarieven, waarvan een deel onder de 20 procent?Een minimaal statutair vennootschapsbelastingtarief van ten minste 20%is één van de criteria om te kunnen worden aangemerkt als een kwalifice-rende jurisdictie onder de Side-by-Side of UPE-veiligehavenregel.Nederland zal geen verzoek doen om als een kwalificerende jurisdictieonder de Side-by-Side of UPE-veiligehavenregel te worden aangemerkt.Voor een uitgebreide toelichting op de criteria voor kwalificerendebinnenlandse belastingstelsels wordt verwezen naar het antwoord op degelijkluidende vraag van de VVD-fractie op pagina 10. Het wettelijkenominale belastingtarief is het belastingtarief dat over het algemeenwordt geheven ten aanzien van multinationale groepen. Voor Nederlandligt het voor de hand dat het tarief van 25,8% als zodanig zou wordenbeschouwd aangezien het tarief van 19% alleen van toepassing is voorzover de belastbare winst niet meer dan € 200.000 bedraagt.Deze leden vragen ook wat «een substantieel deel van de binnenlandsewinsten» in de praktijk betekent.Een van de criteria van een kwalificerend binnenlands belastingstelsel isdat een alternatieve binnenlandse minimumbelasting moet zijn gebaseerdop de winst volgens de financiële verslaggevingsstandaard met een tariefvan ten minste 15%, welke belasting van toepassing is op een substantieeldeel van de binnenlandse winsten van multinationale groepen die onderPijler 2 zouden vallen. Dit criterium is niet kwantitatief ingevuld.Klopt het dat de Verenigde Staten voor hun bijheffing een drempelhanteren van één miljard dollar wereldwijde winst, terwijl Pijler 2 wordttoegepast vanaf 750 miljoen euro omzet? Kan de Staatssecretaristoelichten of deze twee maatstaven wat hem betreft equivalent zijn enwaarom wel of niet?De alternatieve minimumbelasting in de VS, de Corporate AlternativeMinimum Tax (CAMT), is van toepassing op multinationale groepen meteen winst op grond van de commerciële jaarrekening van ten minste éénmiljard dollar. Om te kwalificeren voor de Side-by-Side-veiligehavenregelmoet zowel aan de criteria voor een kwalificerend binnenlands belasting-stelsel als aan de criteria voor een kwalificerend buitenlands belasting-stelsel zijn voldaan. De CAMT is slechts één van de onderdelen van hetAmerikaanse belastingstelsel op grond waarvan de VS als een kwalifice-rende jurisdictie zijn aangemerkt. Daarnaast zijn onder andere deAmerikaanse minimumbelastingregels voor buitenlandse dochteronder-nemingen, het regime voor Net Tested CFC Income15 (NCTI), hiervoor ookvan groot belang. Het NCTI-regime kan van toepassing zijn op allegecontroleerde buitenlandse lichamen. Grosso modo is sprake van eengecontroleerd lichaam indien de multinationale groep daarin een belangvan ten minste 50% heeft. Voor de toepassing van het NCTI-regime geldtgeen omzet- of winstdrempel.15Het NCTI-regime is de opvolger van het regime voor Global Low-Taxed Intangible Income(GILTI).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36118 Hoe wordt het criterium «geen materieel risico dat de binnenlandsewinsten van multinationale groepen die onder Pijler 2 zouden vallen enhun hoofdkantoor in de jurisdictie hebben, onderworpen zijn aan eeneffectief tarief van minder dan 15 procent» in de praktijk toegepast?Wanneer wordt bepaald dat sprake is van een materieel risico?Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar het antwoord op devraag van de VVD-fractie naar een toelichting op de criteria voor eenkwalificerende binnenlandse winstbelasting op pagina 10.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast of het kloptdat de Verenigde Staten naar het totaal aan buitenlandse winsten kijken,terwijl de reguliere Pijler 2-berekening per afzonderlijk land gemaaktwordt. Klopt het dat multinationals daardoor hogere belastingen in hetene land kunnen wegstrepen tegen lagere belastingen in andere landen,waardoor zij effectief nog steeds gebruik kunnen maken van gunstigeregelingen in belastingparadijzen? Wat vindt de Staatssecretaris ervan datdit als «equivalent» moet worden beschouwd volgens het Side-by-Sidepakket? Is de Staatssecretaris van mening dat Amerikaanse multinationalsdoor de Side-by-Side afspraken een concurrentievoordeel hebbentegenover multinationals uit andere landen en vindt de Staatssecretarisdat wenselijk?Onder het NCTI-regime in de VS wordt in beginsel 60% van de gezamen-lijke winsten van buitenlandse dochterondernemingen belast tegen hetnormale tarief van 21%, waarbij een verrekening wordt gegeven van tenhoogste 90% van de in het buitenland geheven belasting over die winsten.Op passief inkomen van laagbelaste dochtermaatschappijen zijn in de VSde «gewone» CFC-regels (ook wel «Subpart F» genoemd) van toepassingop grond waarvan dat inkomen is belast tegen 21%. Onder de Pijler 2-regels geldt een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van dedesbetreffende groepsentiteiten in een jurisdictie minder dan 15%bedraagt. De Pijler 2-regels zijn dus niet één-op-één vergelijkbaar met deAmerikaanse belastingregels voor buitenlandse inkomen. Of eenmultinationale groep met het hoofdkantoor in de VS een voordeel heeftals gevolg van de Side-by-Side veilige havenregel, in die zin dat die groepminder belasting verschuldigd is over de binnenlandse of buitenlandsewinsten is dan een vergelijkbare groep met het hoofdkantoor in eenimplementerende jurisdictie zou zijn, is afhankelijk van de omstandig-heden van het geval. Dat hangt ook af van de grondslag waarover wordtgeheven en de mogelijkheid tot verrekening van de belasting die isgeheven in een ander land. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem isdat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingenvergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardigebelastingstelsels. Het kabinet benadrukt daarbij het overkoepelendebelang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelas-tingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als datbetekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die eeneigen belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belasting-heffing waarborgt.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over demogelijkheden om op een lager effectief tarief uit te komen dan hetminimum van 15 procent, bijvoorbeeld via substance carve-outs enqualified refundable tax credits. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe hijop dit moment aankijkt tegen qualified refundable tax credits? Is deStaatssecretaris het ermee eens dat het aantal uitzonderingen tot eenminimum beperkt zou moeten worden om te voorkomen dat hetminimumtarief van 15 procent wordt ondergraven?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36119 Het kabinet onderschrijft het standpunt dat het aantal uitzonderingen opde Pijler 2-regels tot een minimum dienen te worden beperkt. Nederlandheeft zich dan ook vanaf het begin binnen het IF ingezet om uitzonde-ringen zo beperkt en eenvoudig mogelijk te houden.16 Zo was Nederlandook geen groot voorstander van de opname van het uitgesloten inkomenop basis van reële aanwezigheid in de OESO-modelregels.17 Ook bij deonderhandelingen over het Side-by-Side pakket was de Nederlandse inzetom afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum tebeperken. Tegelijkertijd dient het overkoepelende belang van het in standhouden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo grootmogelijk internationaal verband niet te worden onderschat, ook als datbetekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die eenbelastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffingwaarborgt.Voor de toepassing van de WMB 2024 geldt dat een bijheffing aan de ordeis indien het effectieve belastingtarief in een staat lager is dan hetminimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectievebelastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorri-geerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het nettokwalificerende inkomen (noemer van de breuk). Indien het berekendeeffectieve belastingtarief lager is dan 15%, dan wordt het verschilbijgeheven.Voor de WMB 2024 wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerenderestitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belasting-tegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingte-goeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dezerestitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de WMB 2024. Hiervoorgelden verschillende cumulatieve voorwaarden. In Nederland kennen wegeen fiscale regelingen die aan deze strikte voorwaarden voldoen.Kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerendeverhandelbare belastingtegoeden worden voor de toepassing vanminimumbelasting aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging vande noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebbenechter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller vande breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden diehet bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalifice-rende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op heteffectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mateleiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.18Onderdeel van het Side-by-Side-pakket is de veiligehavenregel voorkwalificerende fiscale regelingen voor bedrijven met reële economischeactiviteit. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokkenbelastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedragdat is toe te rekenen aan de kwalificerende fiscale regelingen. Hetkwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, integenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden(zoals hiervoor beschreven).19 Deze veiligehavenregel bevat waarborgenom te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake isvan daadwerkelijke reële economische activiteit. De toepassing van deze16Kamerstukken II, 2023/24. 36 369, nr. 6, blz. 7.17Kamerstukken II 2024/24, 36 369, nr. 6, blz. 60.18In de brieven van mijn ambtsvoorgangers van 25 oktober 2024 en van 30 juni 2025 is hieruitgebreid op ingegaan (Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 214 en Kamerstukken II 2024/25,32 140, nr. 262).19Wel kunnen kwalificerende belastingtegoeden onder voorwaarden ook voor de behandelingals kwalificerende fiscale regelingen in aanmerking worden genomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36120 veiligehavenregel is gelimiteerd door middel van een maximum datgekoppeld is aan de loonkosten of materiële vaste activa.Het kabinet is van mening dat met de hiervoor beschreven veiligehaven-regel voor kwalificerende fiscale regelingen internationaal afspraken zijngemaakt die passen binnen de kaders van de minimumbelasting, waarbijde gehanteerde waarborgen in de vorm van een maximum binnen dedoelstellingen van de minimumbelasting vallen. Met dit maximum wordtnamelijk gewaarborgd dat de veiligehavenregel voor kwalificerendefiscale regelingen alleen is toegestaan voor zover dit gepaard gaat metreële economische activiteit en investeringen in een staat zelf. Verder achthet kabinet het van belang dat deze veiligehavenregel een gelijkerspeelveld creëert voor de verschillende soorten belastingtegoeden enfiscale regelingen. Een gelijker speelveld is positief voor de concurrentie-kracht van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven ten opzichte vanbedrijven in een staat die kwalificeert voor de Side-by-Side-veiligehavenregel of de UPE-veiligehavenregel. Het kabinet vindt het danook een goede ontwikkeling dat de veiligehavenregel ruimte biedt ominnovatie en specifieke (duurzaamheids)investeringen binnen deminimumbelasting te ondersteunen.Welke adviezen heeft de Staatssecretaris sinds juni 2025 gekregen over ditonderwerp?In het kader van de onderhandelingen over het Side-by-Side-pakket is opambtelijk niveau met diverse stakeholders in verschillende gremiameermaals gesproken over de minimumbelasting, waaronder debehandeling van fiscale regelingen. Ook de OESO heeft intensief contactmet stakeholders om input op te halen voor de vormgeving van de regels.Deze leden vragen tot slot of de Staatssecretaris het ermee eens is dat hetOESO-proces er tot nu toe niet volledig in is geslaagd om belastingont-wijking en een race to the bottom effectief tegen te gaan. Deelt deStaatssecretaris de mening dat een ambitieuzere en inclusievere aanpaknodig is en dat een VN-verdrag daarvoor het meest geschikte instrumentis?Het kabinet vindt dat het BEPS-project van de OESO er in belangrijke matein is geslaagd om belastingontwijking en een race naar de bodem effectieftegen te gaan. Het BEPS-project heeft geleid tot een grote herziening vanmondiale belastingafspraken die de mogelijkheden om belasting teontwijken zeer effectief heeft beperkt.Ik zie vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat eenraamwerkverdrag van de Verenigde Naties voor internationale belastings-amenwerking hier effectiever in kan zijn. Van belang is allereerst dat hetbelangrijkste onderwerp van het raamwerkverdrag is gericht op eenherverdeling van de heffingsrechten over inkomen uit grensoverschrij-dende dienstverlening in een digitaliserende en globaliserende economie.Het raamwerkverdrag is zodoende niet in eerste instantie gericht op debestrijding van belastingontwijking. In de huidige concepttekst wordtdaarnaast gewezen op het belang van bestrijding van zogenoemde «illicitfinancial flows» (illegale geldstromen) en het bestrijden van belastingont-wijking, maar het is nog niet duidelijk hoe dit doel bereikt moet worden.Een belangrijk gegeven vind ik verder dat een grote groep van de 193lidstaten van de Verenigde Naties eveneens behoort tot de 148 jurisdictiesdie lid zijn van het IF. In de praktijk blijkt bovendien dat de jurisdicties diegeen lid zijn van het IF ook niet participeren in het werk van het VNIntergovernmental Negotiating Committee dat is begonnen aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36121 ontwikkeling van het genoemde raamwerkverdrag. De vraag komt dan opof het realistisch is dat dezelfde groep landen bij de Verenigde Naties totbetere oplossingen komt. Binnen het IF geldt daarnaast dat afsprakenworden gemaakt op basis van consensus, om te bewerkstelligen dat degemaakte afspraken door zoveel mogelijk landen worden onderschreven.Bij de Verenigde Naties dreigt het risico dat de tekst van het bedoelderaamwerkverdrag wordt vastgesteld op basis van een gewonemeerderheid, waardoor de kans groter is dat het uiteindelijke resultaatniet door alle landen wordt onderschreven, geïmplementeerd enuitgevoerd.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet side-by-side pakket. Zij vinden dat een internationale minimumwinst-belasting alleen effectief kan zijn als zoveel mogelijk landen ter wereldzich daarbij aansluiten, zodat de strijd tegen belastingontwijkinggezamenlijk gevoerd wordt. Deze leden vragen de Staatssecretaris of dekwalificatie als «equivalent» vergelijkbaar stevig is als de regulierevoorwaarden onder Pijler 2, of dat de Verenigde Staten en andere statendie pijler 2 niet hebben ondertekend, nu een competitief voordeel hebben.Zo ja, wat houdt dit voordeel dan precies in?Voor een beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar hetantwoord op de gelijkluidende vraag van de fractie van D66 op pagina 1.Overigens kan een jurisdictie die de Pijler 2-regels heeft ingevoerd, ookonder het Side-by-Side-akkoord blijven bijheffen over de laagbelastewinst van groepsentiteiten in jurisdicties die de Pijler 2-regels niet hebbeningevoerd en waarvan het hoofdkantoor niet is gevestigd in een kwalifice-rende jurisdictie.De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat meer ruimte wordt gegevenonder Pijler 2 aan regelingen, die echte economische activiteit stimuleren.Zij vragen of de Staatssecretaris een opsomming kan geven van fiscalefaciliteiten in het Nederlandse fiscale regime die onder deze nieuwedefinitie zouden vallen. Indien geen regelingen zich daarvoor kwalificeren,dan vragen deze leden of de Staatssecretaris voorbeelden kan geven vantype regelingen die zich wel als zodanig zouden kwalificeren en ook bij hetNederlandse fiscale systeem passen.Onderdeel van het Side-by-Side-pakket is de veiligehavenregel voorkwalificerende fiscale regelingen. Deze veiligehavenregel ziet voor detoepassing van de minimumbelasting op een gunstige behandeling vanfiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit. Omonder de reikwijdte van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscaleregelingen te vallen, is het allereerst van belang dat een fiscale regelingvan invloed is op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van debreuk). Voor de minimumbelasting gaat het daarbij – kortgezegd – omwinstbelastingen. Aangezien de Wet Bevordering Speur- en Ontwikke-lingswerk (WBSO) zich bevindt in de loonheffing- en inkomstenbelas-tingsfeer is de WBSO niet relevant voor de hiervoor genoemdeveiligehavenregel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36122 Daarnaast ziet de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingenniet op fiscale regelingen met tijdelijke verschillen tot gevolg, zoalsversnelde afschrijvingen.20Verder is voor toepassing van de veiligehavenregel van belang dat sprakeis van een kwalificerende fiscale regeling. Hierbij is van belang dat bijdergelijke fiscale regelingen er doorgaans een direct en duidelijk verbandis met de investering die ze beogen te stimuleren. Onder kwalificerendefiscale regelingen worden fiscale regelingen verstaan die wordenberekend aan de hand van de gemaakte uitgaven in de desbetreffendestaat of die worden bepaald aan de hand van de hoeveelheid materiëlegoederen die in een staat worden geproduceerd. Voorts kan het bedragvan de fiscale regelingen die worden berekend op basis van gemaakteuitgaven, niet hoger zijn dan de gemaakte uitgaven zelf. Fiscale regelingenberekend aan de hand van het inkomen worden niet gezien als kwalifice-rende fiscale regelingen voor toepassing van deze veiligehavenregel.Tot slot geldt voor toepassing van de veiligehavenregel voor kwalifice-rende fiscale regelingen een maximum, om te waarborgen dat deze alleengeldt indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteiten ineen staat.Het belastingstelsel in Nederland kent diverse fiscale regelingen omondernemen te stimuleren.21Zo kent Nederland de innovatiebox waarmee kwalificerende voordelen uithoofde van door de belastingplichtige zelf voortgebrachte kwalificerendeimmateriële activa slechts voor een bepaald deel in aanmerking wordengenomen om een stimulans te geven aan ontwikkelaars van het intellec-tueel eigendom. De innovatiebox kent in beginsel geen één-op-één-koppeling tussen de uitgave en het voordeel uit de innovatiebox. Alsgevolg hiervan kan onder bepaalde omstandigheden het voordeel hogerzijn dan de gemaakte uitgaven zelf. Op basis hiervan voldoet de innova-tiebox niet aan de voorwaarden die gelden voor de toepassing van deveiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen.Fiscale regelingen die wel voldoen aan de voorwaarden voor detoepassing van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscaleregelingen zijn de investeringsaftrekken die van toepassing zijn in devennootschapsbelasting. Met de energie-investeringsaftrek (EIA), demilieu-investeringsaftrek (MIA) en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek(KIA) wordt een extra aftrek op de fiscale winst verleend gebaseerd op hetinvesteringsbedrag. Daarnaast kan het bedrag van deze investeringsaf-trekken niet hoger zijn dan de gemaakte uitgaven zelf. Daarmee kunnendeze investeringsaftrekken worden gezien als fiscale regelingen dieworden berekend aan de hand van de gemaakte uitgaven in de betref-fende staat. De MIA en EIA richten zich op duurzaamheid (milieu/energie)en vereisen melding bij RVO22, terwijl de KIA algemeen van aard en voorkleinere investeringen is.Deze leden merken op dat eerder alleen een qualified refundable tax creditwerd genoemd als verenigbare fiscale faciliteit, maar dat deze in hetNederlandse systeem nog niet bestaat. Veel andere landen, waaronder deVerenigde Staten, hebben zulke tax credits al wel geïmplementeerd. Kan20Voor tijdelijke verschillen geldt al een mechanisme dat is opgenomen in hoofdstuk 7 WMB2024. Hierin wordt bepaald dat voor tijdelijke verschillen, waarbij over meerdere jaren beziengeen sprake is van een verschil in belastinglast, de betrokken belastingen onder voorwaardende wijzigingen in actieve en passieve belastinglatenties omvatten.21Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 262.22Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36123 de Staatssecretaris aangeven hoe Nederland in dit speelveld ookconcurrerend kan blijven, en wat voor faciliteiten daarvoor opportuunzouden zijn?Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn voor hetNederlandse vestigingsklimaat dan alleen fiscaliteit in het algemeen enPijler 2 in het bijzonder. De concurrentiepositie wordt bepaald door eenbreed palet aan voorwaarden, waaronder bereikbaarheid, opleidings-niveau, leefklimaat en betrouwbaarheid van de overheid. Op veel vandeze factoren scoort Nederland goed. Zo is de ligging van Nederlandgunstig, is onze infrastructuur goed en is onze beroepsbevolking goedopgeleid. Ook het leefklimaat in Nederland is gunstig en ons hogevoorzieningenniveau en de betrouwbaarheid van de overheid dragen daaraan bij.De minimumbelasting kan weliswaar van invloed zijn op de effectiviteitvan fiscale regelingen, maar omdat in Nederland groepen vrijwel altijdook reguliere winsten hebben die in Nederland tegen 25,8% wordenbelast, is het niet de verwachting dat fiscale regelingen worden geraakt.Dit kan nader worden gekwantificeerd als de aangiftegegevensvoorhanden zijn. Deze worden medio 2026 verwacht. De gevolgen van deminimumbelasting voor Nederland zal in de jaarlijkse monitoringsbriefover de effecten van de aanpak van belastingontwijking wordenbetrokken. Daarnaast zal ook de OESO de implementatie van deminimumbelasting in de verschillende jurisdicties monitoren en zal er eenevaluatie plaatsvinden om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in depraktijk uitpakt zodat waar nodig maatregelen kunnen worden genomenom risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguithollingen winstverschuiving te ondervangen. Het kabinet houdt de effecten vande minimumbelasting derhalve nauwlettend in de gaten.Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van5 januari 2026 inzake het Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbe-lasting (Pijler 2). Naar aanleiding daarvan en ondanks de beantwoordingvan eerdere schriftelijke vragen, hebben deze leden nog een aantalvragen.De leden van de JA21-fractie vragen of de Staatssecretaris de meningdeelt dat de Substance-based Tax Incentive (SBTI) Safe Harbour hetmogelijk maakt om bepaalde fiscale regelingen zo vorm te geven, dat zijeen Pijler 2-bijheffing voorkomen.De manier waarop fiscale regelingen behandeld worden, is relevant voorhet berekenen van de effectieve belastingdruk en de mate waarinbijheffing plaatsvindt onder Pijler 2. Voor een toelichting op de werkingvan de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen wordtverwezen naar het antwoord op de gelijkluidende vraag van deGroenLinks-PvdA-fractie op pagina 16.Daarbij wordt opgemerkt dat het IF een doorlopend monitoringproces zalontwikkelen voor kwalificerende fiscale regelingen. Het IF zal toezien opeen gecoördineerde beoordeling van kwalificerende fiscale regelingen alsmogelijke verbonden voordelen (related benefits). Omdat kwalificerendefiscale regelingen in de berekening worden meegenomen als eenverhoging van de gecorrigeerde aangepaste belastingen, terwijl zij nietworden betaald, bestaat het risico dat zij een verbonden voordeel zoudenkunnen zijn. Een fiscale stimuleringsmaatregel zou formeel kunnenvoldoen aan de definitie van een kwalificerende fiscale regelingen, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36124 in de praktijk gericht zijn om de werking van de minimumbelasting teverminderen, in plaats van te functioneren als een fiscale stimulering vooreen specifieke substantiële activiteit of investering in de betreffende staat.Het IF zal verder werken aan het aanpakken van deze mogelijke risico’svan fiscale stimuleringsmaatregelen en ervoor zorgen dat fiscalestimuleringsmaatregelen die als gerelateerde voordelen worden aange-merkt, niet als kwalificerende fiscale regelingen worden behandeld.Verder vragen deze leden of de Staatssecretaris concreet kan aangevenwelke bestaande (bijvoorbeeld de WBSO en de Innovatiebox) of voorge-nomen Nederlandse regelingen kwalificeren als expenditure-based ofproduction-based tax incentives en welke expliciet buiten de SBTI SafeHarbour vallen omdat zij income-based zijn. In aanvulling hierop vragende leden van de JA21-fractie of bij de uitbreiding van de WBSO en hetbehoud van de Innovatiebox expliciet getoetst is of deze regelingen(geheel of gedeeltelijk) als Qualified Tax Incentives binnen de SBTI SafeHarbour kunnen worden vormgegeven.Voor een beantwoording van de vraag welke fiscale regelingen onder dereikwijdte vallen van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscaleregelingen wordt verwezen naar het antwoord op de gelijkluidende vraagvan de CDA-fractie op pagina 18.Ten slotte vragen deze leden of het kabinet bereid is, net als andereWest-Europese landen, te kiezen voor investeringsconcurrentie viaSBTI-kwalificerende prikkels en deze keuze ook beleidsmatig en wetstech-nisch te concretiseren in plaats van vast te houden aan terughoudendheiduit vrees voor grondslaguitholling.Voor een beantwoording van de vraag waarop Nederland concurrerendkan blijven, wordt verwezen naar het antwoord op de gelijkluidende vraagvan de CDA-fractie op pagina 19.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 36125

Versie 69c176bef51c8d07cefe94f6727aafeaef9a8c51cb3e651b4110f09aadc110b1 · Officiële bron.

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.