KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgang fundamentele herziening Participatiewet spoor 2

4 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f9bd6c78666dc58e · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202534 352Uitvoering en evaluatie ParticipatiewetNr. 344 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 4 juli 2025De Participatiewet zorgt voor een tijdelijk vangnet voor mensen die datecht nodig hebben. Door inkomensondersteuning en passendebegeleiding, draagt deze wet eraan bij dat iedereen nu of op termijn weermee kan doen aan de maatschappij. De hoofdelementen van de wet(inkomenswaarborg, ondersteuning naar werk en participatie enhandhaving) zijn echter uit balans geraakt, waardoor een herziening vande wet nodig is.Met het recent door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstelParticipatiewet in balans (spoor 1) is een belangrijke eerste stap gezet omde huidige Participatiewet met ruim 20 maatregelen op korte termijn tevereenvoudigen en te verbeteren.1 Maar zoals ook uit het debat met uwKamer bleek, zijn we er met deze maatregelen nog niet. Daarom heb ik uwKamer toegezegd om in spoor 2 van het programma Participatiewet inbalans te werken aan een meer fundamentele herziening van de wet enuw Kamer daar voor het zomerreces 2025 over te informeren. Met dezebrief voldoe ik aan deze toezegging. Uiteraard realiseer ik me dat hetkabinet demissionair is. Maar dat betekent niet dat het denken stilstaat.Daarvoor is het onderwerp te belangrijk. Met deze brief schets ik een paletaan mogelijkheden om de Participatiewet verder te verbeteren. Dat biedteen basis om zowel binnen als buiten de Kamer het gesprek hierover tevoeren, zodat op een later moment afgewogen keuzes kunnen wordengemaakt.1Zo maakt de nieuwe wet het aantrekkelijker om naast een uitkering te werken en uniformeerthet de bijverdiengrenzen. Wordt financiële zekerheid gestimuleerd door de introductie van eenbufferbudget, dat schommelingen door wisselende inkomsten uit werk opvangt. En wordt heteenvoudiger voor mensen om een bijstandsuitkering aan te vragen. kst-34352-344ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3441 In december vorig jaar heb ik uw Kamer aan de hand van een probleem-analyse2 geïnformeerd over knelpunten in de wet en de vraagstukken diedaaruit voortvloeien voor de herziening.In de brief van 16 december 2024 heb ik de belangrijkste conclusiesgedeeld, zoals de mismatch tussen de bijstandspopulatie en de vraag opde arbeidsmarkt, de beperkte ondersteuning ten aanzien van mensen meteen stapeling van problematiek, de complexiteit van de wet en deontoereikendheid van de wet voor mensen zonder arbeidsvermogen.De Participatiewet is aan een herziening toe, om de volgende doelen tebereiken:•De wet biedt een passend perspectief op werk en participatie;•De rechten en plichten in de wet zijn begrijpelijk en goed na te leven;•Mensen voelen zich ondersteund door de wet als het gaat omparticipatie en inkomen;•De wet biedt een doelmatig vangnet: zeker en voorspelbaar;•De wet biedt een toereikend inkomen;•De wet sluit goed aan bij de brede vormgeving van het sociaal domeinen het inkomensstelsel.Op basis van deze doelen en de vraagstukken uit de probleemanalysewerk ik binnen drie thema’s aan verbeteringen:1.Mensen zonder arbeidsvermogen worden beter ondersteund.Daarvoor onderzoek ik bijvoorbeeld ook een oplossing buiten deParticipatiewet.2.Een nieuwe balans in de ondersteuning naar werk en participatie,bijvoorbeeld door een brede intake en ondersteuning eerder engerichter in te zetten.3.Een zekere en eenvoudigere Participatiewet, door bijvoorbeeld andersom te gaan met inkomen, vermogen en het hebben van een partner endeze begrippen te vereenvoudigen.Binnen deze thema’s zijn diverse beleidsopties tot stand gekomen die hetafgelopen jaar in nauwe samenwerking met gemeenten, cliëntenorgani-saties en andere belanghebbende partijen zijn uitgewerkt. In deze brief wilik alle betrokkenen van harte bedanken voor hun inzet. Dankzij henkunnen we toewerken naar gerichte oplossingen die bijdragen aan deondersteuning van mensen, door zekerheid te bieden en hen in staat testellen om waar mogelijk (weer) aan het werk te gaan.In deze brief licht ik op hoofdlijnen de uitwerking van de in kaartgebrachte mogelijke beleidsopties toe. Deze bieden een breed palet aanoplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten. In de bijlage iseen bundel bijgevoegd met nadere toelichting. Hierover kan vervolgenseen gesprek plaatsvinden tussen kabinet en Tweede Kamer, om te bepalenwelke opties verdere uitwerking verdienen. Op basis van dit gesprekkunnen vervolgens opties verder worden uitgewerkt, waarin ook definanciële, juridische en uitvoeringstechnische onderbouwing van demaatregelen verder in kaart wordt gebracht. Het is daarbij goed om tevermelden dat er op dit moment geen middelen beschikbaar zijn. Het isaan een volgend kabinet om hier verder keuzes in te maken. Ter afsluitingzal ik de vervolgstappen schetsen van spoor 2 van het programmaParticipatiewet in balans in de periode na de zomer.LeeswijzerAchtereenvolgens neem ik uw Kamer mee in de volgende onderwerpen:I.Uitgangspunten en inzichtenII.Naar een Participatiewet die werkt: beleidsopties2Kamerstukken II, 2024/25, 34 352, nr. 330, bijlage: Probleemanalyse Participatiewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3442 III.Participatiewet binnen het stelsel van inkomensondersteuning en hetsociaal domeinIV.VervolgUitgangspunten en inzichtenVoor de fundamentele herziening van de wet heb ik eerst gekeken naarwat de plaats van de Participatiewet in het socialezekerheidsstelsel is. Derol van de bijstand als laatste vangnet in dit stelsel wil ik behouden. Zoheb ik in mijn brief van december 20243 aangegeven dat de bijstand eenvangnet blijft voor hen die niet in de noodzakelijke kosten van het bestaankunnen voorzien. Dat betekent dat de bijstand het noodzakelijke niet teboven gaat en dat (meer) werken loont. Dat betekent ook dat we vanmensen verwachten dat zij zich waar mogelijk inspannen om weerzelfstandig in het bestaan te voorzien. Dit blijft een belangrijkuitgangspunt. Zo wordt alleen bijstand verstrekt aan diegenen die hetnodig hebben. Met de vaststelling daarvan kunnen we verder kijken naarhoe we dit vangnet voor alle mensen in Nederland die het nodig hebbentoekomstbestendig kan maken. Dit begint door te kijken naar wie diemensen zijn en welk beeld er past bij de mensen die een beroep doen opde Participatiewet.Ik vind het belangrijk dat dit vangnet goed te begrijpen is, zekerheid biedten dat het mensen in staat stelt om mee te doen in onze samenleving.Daarvoor is het belangrijk om goed te kijken naar wat mensen nodighebben en naar wat mensen kunnen. Daar moet de wet bij aansluiten.Tegenover de rechten staan ook plichten. Zo vragen we van mensen omwanneer mogelijk zelfstandig een inkomen te verwerven en als dat nogniet lukt, op andere manieren mee te doen in de maatschappij. Mensenmoeten de plichten die een uitkering met zich meebrengt goed kunnenbegrijpen en in staat zijn te doen wat van ze gevraagd wordt. Dit vraagtvan ons om een realistisch mensbeeld en inzicht in de situaties waarinbijstandsgerechtigden zich bevinden. Daarnaast vraagt het om inzicht inwerkzame mechanismes: wat kunnen we als overheid doen om mensenbeter te ondersteunen? Op basis daarvan komen we tot beleidsopties diebijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Hierbij maken wegebruik van de meeste recente inzichten over het menselijk gedrag.Inzichten die leiden tot andere werkzame mechanismesUit onderzoek4 blijkt dat het beeld dat we hebben van de mensen in dehuidige Participatiewet te eenzijdig is. Een belangrijke basisveronder-stelling van de Participatiewet is dat een aanzienlijk deel van de doelgroepvan de wet niet werkt, terwijl het gros van de doelgroep dat in beginsel –en onder de juiste omstandigheden – wel zou kunnen.5 Dit beeld is aanherziening toe, omdat er binnen de doelgroep van de Participatiewetmensen zijn die niet in staat zijn om te werken.6 Daarnaast wijst depraktijk uit dat de manier waarop de huidige wet stuurt op «gewenstgedrag» niet altijd werkt.7Deze wig tussen praktijk en de wet komt onder andere vanwege decomplexiteit en strikte verplichtingen van de huidige wet.3Kamerstukken II, 2024/25, 34 352, nr. 330.4Significant APE, Bewust zijn van aannames over menselijk gedrag: vier mensbeelden in hetkader van de herziening van de Participatiewet, 2024.5Sociaal Cultureel Planbureau, Eindevaluatie Participatiewet, 2019, p.49.6Nederlandse Labour Authority, Spiegel bestaanszekerheid, 2022, p.15.7Kamerstukken II, 2024/25, 34 352, nr. 330, bijlage: Probleemanalyse Participatiewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3443 In de praktijk moet de nadruk komen te liggen op de verscheidenheid vande mensen binnen de doelgroep en wat zij nodig hebben. Instrumentenen prikkels kunnen bij verschillende mensen een andere uitwerkinghebben.Inzichten uit verschillende onderzoeken wijzen uit dat bij een grote groepmensen in de Participatiewet er geen sprake is van onwil, maar bij henspeelt het niet-kunnen en niet-begrijpen een grote rol.8 Daar moet de wetbij aansluiten.Uit gesprekken met mensen in de bijstand en met mensen die werken bijgemeenten blijkt ook dat de Participatiewet vaak wringt met de praktijk. Ikdeel hierbij graag een aantal inzichten met uw Kamer. Deze eersteinzichten vormen ook het vertrekpunt bij het vormgeven van beleidsoptiesom de wet te verbeteren.•Een te ruime uitkering kan participatie via betaald werk minderaantrekkelijk maken voor mensen met arbeidsvermogen. Een te ruimvangnet zorgt er namelijk enerzijds voor dat mensen makkelijkerkunnen rondkomen zonder baan en anderzijds dat de stap naar werknaar verhouding minder loont. Het is dus zoeken naar een balans;werken moet voldoende lonen.•Niet iedereen in de doelgroep is in staat om te werken, bijvoorbeelddoor een chronische ziekte of handicap. Anderzijds is er ook een groepmensen in de bijstand voor wie arbeidsparticipatie wel haalbaar is,waar dus wel maximaal ingezet kan worden op ondersteuning naarwerk.•Autonomie en regie over het pad naar participatie en werk draagt bijaan inzet en motivatie om te participeren. Wanneer iemand ruimtekrijgt voor zijn eigen inbreng en keuzes, verhoogt dit de kans op succesen neemt het gevoel aan eigenwaarde toe. Daarbij moeten mensenzich in staat voelen te doen wat van ze wordt gevraagd. Dit draagt bijaan een ervaren autonomie en het vergroot ook de kans op duurzameuitstroom, doordat de persoon keuzes maakt die beter aansluiten bij deeigen drijfveren.•Een groot deel van de bijstandsgerechtigden heeft moeite om aan hetwerk te gaan, doordat zij kampen met één of meerdere problemen opverschillende leefdomeinen die hen hiervan weerhouden. Bijvoorbeeld(een combinatie van) financiële problemen, gezondheidsklachten,onzekere woonsituatie, problemen in de gezinssituatie en problemenin het zelfstandig voeren van het huishouden.9 Deze problemenvormen een grote hindernis om naar draagkracht mee te doen aan demaatschappij. Sommige mensen hebben eerst ondersteuning hierbijnodig, voordat zij de stap naar werk kunnen maken.•Een vroegtijdige en intensieve begeleiding naar de arbeidsmarkt voorstatushouders is essentieel om langdurige bijstandsafhankelijkheid tevoorkomen en een succesvolle integratie te bevorderen. Uitstel vanre-integratie kan leiden tot inactiviteit, wat nadelige gevolgen kent dieelkaar versterken. Langdurige inactiviteit vergoot de kans op (psychi-sche) gezondheidsklachten, vermindert de kans om menselijk kapitaalte verwerven, en er kan een gewenningsproces optreden aan het feitdat zij niet werken. Daarmee hebben statushouders een minder goedeuitgangspositie om uiteindelijk de aansluiting met de arbeidsmarkt tevinden. Terwijl deze groep juist veel potentie heeft. Veel belemmerin-gen waar zij op de arbeidsmarkt tegenaan lopen zijn niet noodzakelij-kerwijs structureel van aard. Denk aan onvoldoende beheersing van deNederlandse taal, het ontbreken van geldige diploma’s of een relevantnetwerk.8Kamerstukken II, 2019/20, 34 352, nr. 185.9Sociaal Cultureel Planbureau, Een brede blik op bijstand, 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3444 •Stress door onzekerheid over het eigen inkomen en bestaan heeft eennegatieve invloed op het geheugen van mensen. Een eenzijdigeconcentratie op urgente geldproblemen zorgt ervoor dat sommigemensen onvoldoende kunnen werken aan de oplossing voor dieproblemen.10 Als langdurige stress wordt vervangen door rust danheeft dat een gunstig effect op het cognitief vermogen. Dit draagt bijaan de mogelijkheden om (weer) te participeren en aan het werk tegaan.•Naast iets begrijpen, moet men er ook naar kunnen handelen. Ditmaakt het relevant dat mensen de plichten die een uitkering met zichmeebrengt begrijpen en zich in staat voelen te doen wat van zegevraagd wordt. Regels en verplichtingen moeten doenlijk zijn. Zodatmensen de wet niet alleen «kennen», maar hem ook «kunnen».Wanneer regelgeving en verplichtingen als complex worden ervaren,draagt dit bij aan stress en onzekerheid.•Om grip te hebben op het leven is een bepaalde mate van zekerheidnoodzakelijk. Zekerheid wordt gevormd door een inkomen waarmeede noodzakelijke kosten kunnen worden betaald. Maar ook doorvoorspelbaarheid en inzicht in het inkomen door de tijd heen: de matewaarin iemand weet of er genoeg middelen beschikbaar zijn, en zullenzijn, om de noodzakelijke kosten mee te kunnen betalen. Daarnaastmoeten de gevolgen van stappen, zoals de stap naar werk, inzichtelijken voorspelbaar zijn.11Naar een Participatiewet die werkt: beleidsoptiesDe beleidsopties die ik in deze brief benoem en in de bijlage uitgebreiderworden toegelicht, kunnen oplossingen vormen voor de problemen uit deprobleemanalyse. Deze moeten bijdragen aan een Participatiewet diewerkt.Dit is het resultaat van een proces dat samen met gemeenten, ervarings-deskundigen en andere betrokkenen is doorlopen en waarin bekeken ishoe de wet ook anders kan. Dat leidt tot verschillende mogelijkheden omde wet aan te passen waarin uiteindelijk keuzes moeten worden gemaakt.Daarin moeten verschillende waarden worden afgewogen door eenvolgend kabinet, samen met de Tweede Kamer. Naast belangrijkeelementen zoals mensen weer aan het werk krijgen, meer uren kunnenwerken, vertrouwen, menselijke maat en eenvoud, spelen ook effectiviteit,uitvoerbaarheid, betaalbaarheid en toekomstbestendigheid zeker een rol.Het is daarbij goed om te vermelden dat er op dit moment geen middelenbeschikbaar zijn. Een volgend kabinet zal hierin keuzes moeten maken.Voor een toekomstbestendige Participatiewet is het allereerst van belangom te benoemen dat een aantal uitgangspunten van de huidige wet watmij betreft niet ter discussie staan. Zo is de verantwoordelijkheid enuitvoering bij gemeenten een groot goed. En juist doordat we hetactiverende karakter van de bijstand beter gaan toespitsen op de realiteiten daadwerkelijke mogelijkheden van mensen, blijft de inzet op(arbeids)participatie het uitgangspunt van de Participatiewet. Voorwerkgevers willen we het eenvoudiger maken om mensen de stap naarwerk te laten zetten. Tot slot blijft de bijstand een vangnet waarbij menseneerst voorliggende voorzieningen aanspreken voordat er recht op bijstandontstaat.10Christensen, J., L. Aaroe, M. Baekgaard, P. Herd, D.P. Moynihan, Human capital andadministrative burden. The role of cognitive resources in citizen-state interactions, 2020.11Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid, Grip. Het maatschappelijk belang vanpersoonlijke controle, 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3445 Een belangrijke groep om rekening mee te houden, vormt de AIOdoelgroep, de aanvullende inkomensondersteuning voor mensen vanafde AOW-leeftijd. Voor hen gelden in de huidige wet enkele uitzonde-ringen. Zo zijn de participatieverplichtingen niet op hen van toepassing.Dit deel van de Participatiewet wordt landelijk uitgevoerd door de SVB.Het is van belang om bij de verdere uitwerking van beleidsopties ookaandacht te hebben voor de gevolgen voor deze mensen.Hieronder volgen de drie thema’s waarbinnen de verschillende beleids-opties aan bod komen:1.Mensen zonder arbeidsvermogen worden beter ondersteund.Met verschillende moties en tijdens de behandeling van het wetsvoor-stel Participatiewet in balans heeft uw Kamer opgeroepen tot hetzoeken naar een oplossing die de situatie voor deze mensen echtverbetert, of dat nu binnen of buiten de bijstand is. Deze opdracht hebik ter harte genomen en in deze brief en bijlage deel ik mijn eerstebevindingen en de richting waarin deze ondersteuning vorm zoukunnen krijgen. Ik benoem ook de dilemma’s die om nadere uitwerkingvragen. In bijgevoegde bundel ga ik daar dieper op in.2.Betere ondersteuning bij werk en participatie.Om het voor mensen mogelijk te maken om een stap richting werk, ofparticipatie als dat nog niet lukt, te zetten, is goede ondersteuningnodig. Deze brief geeft weer hoe ik naar die ondersteuning kijk en watik daarbij belangrijk vind. In de bundel heb ik verschillende ideeëntoegelicht hoe de ondersteuning eruit kan komen te zien. Daarvoor zijnverschillende mogelijkheden. Ook dit vergt keuzes.3.Een zekere en eenvoudigere Participatiewet.In deze brief geef ik mijn visie op hoe de wet duidelijker, eenvoudigeren makkelijker gemaakt kan worden, zodat mensen meer zekerheidkrijgen over hun inkomen. Om dat te bereiken zijn er verschillendemogelijkheden die ik in de brief kort uitlicht. De bundel in de bijlagebeschrijft uitgebreider hoe we dat kunnen doen.1. Mensen zonder arbeidsvermogen worden beter ondersteundDe probleemanalyse12 stelt op basis van verschillende onderzoeken,waaronder het rapport van OCTAS13, dat mensen zonder arbeidsver-mogen onvoldoende perspectief hebben in de Participatiewet. Hetcomplementaire karakter (de uitkering vult aan op de eigen middelen vanhet huishouden, dus ook van de partner), het relatief lage uitkerings-bedrag, de huidige vermogenstoets, de kostendelersnorm en de overigeverplichtingen in de Participatiewet zijn belastend voor het hele gezin enuitstroom uit de bijstand naar betaald werk is de enige mogelijkheid is omhier los van te komen. Mensen die tijdelijk gebruik maken van de bijstandomdat het leven op dat moment tegenzit, hebben uiteindelijk welperspectief op een betere situatie, namelijk door te gaan werken. Maarmensen die structureel niet – of nauwelijks – kunnen werken door ziekte ofhandicap, mensen zonder arbeidsvermogen, hebben geen perspectief opwerk en dus ook niet op een betere situatie. Zij zijn niet in staat om eeninkomen te verdienen waarmee zij onafhankelijk worden van de Participa-tiewet.Ook kunnen zij vaak niet financieel onafhankelijk van hun partner wordenomdat er bij een partner die het fulltime minimumloon verdient geenrecht op bijstand is. Zij zijn vaak langdurig gebonden aan de verplich-tingen van de bijstand. Zij kunnen moeilijk een buffer opbouwen vooronvoorziene situaties en hebben te kampen met (chronische) zorgkostenen andere extra uitgaven in verband met hun beperking.12Kamerstukken II, 2024/25, 34 352, nr. 330, bijlage: probleemanalyse Participatiewet.13OCTAS, Toekomst van het arbeidsongeschiktheidsstelsel, 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3446 Ik heb dan ook in lijn met moties Rikkers-Oosterkamp14 en Ceder c.s.15aan uw Kamer toegezegd mogelijkheden te inventariseren om deondersteuning van deze mensen buiten het regime van de bijstand teorganiseren omdat er geen mogelijkheden binnen de bijstand lijken tebestaan die de situatie van deze mensen echt kunnen verbeteren. Dat kanmiddels een nieuwe regeling zijn óf door het geschikt maken van eenbestaande regeling. Een oplossingsrichting buiten de bijstand zou hettevens mogelijk maken om de mensen binnen de Participatiewet gerichterte ondersteunen naar werk en waar dat nog niet mogelijk is, maatschap-pelijke participatie.DoelgroepHet gaat hier om mensen die structureel geen arbeidsvermogen hebbenen dus niet – of nauwelijks – kunnen participeren in werk, ook niet metondersteuning en/of aanpassingen. Mensen die wegens een chronischeziekte of een handicap beperkingen in werk hebben, maar bijvoorbeeldwel met ondersteuning kunnen werken, blijven behoren tot de doelgroepParticipatiewet. Zij kunnen met hun werk het wettelijk minimum uurloonverdienen en de werkgever krijgt loonkostensubsidie voor de lagereproductiviteit. Op deze manier kunnen zij, ondanks hun beperkingen,onafhankelijk worden van een bijstandsuitkering tenzij er sprake is vaneen medische urenbeperking.16 Ik wil zo veel mogelijk stimuleren datmensen met arbeidsbeperkingen meedoen op de arbeidsmarkt en zetdaarom voor mensen die dat kunnen in op meer en betere ondersteuningmet maatregelen in de Participatiewet. Het hebben van betaald werkbetekent immers zoveel meer voor mensen dan alleen inkomen.OplossingsrichtingenSamen met gemeenten, UWV en vertegenwoordigers van cliënten heb ikverkend hoe betere ondersteuning voor mensen zonder arbeidsvermogeneruit zou kunnen zien. Ik heb daarbij gekeken naar wat effecten zoudenzijn van het verstrekken van een uitkering die individueel is, die geenkostendelersnorm en vermogenstoets kent en naar effecten van hetaanpassen van de uitkeringshoogte.Dat is omdat deze elementen, naast het niet kunnen voldoen aan deverwachting om aan het werk te gaan, worden ervaren als (oplossingenvoor) de belangrijkste oorzaken waarom mensen in de knel komen in deParticipatiewet. Dit is binnen de bijstand moeilijk op te lossen, vanwegehet karakter van het vangnet: een uitkering op huishoudniveau waarbijrekening wordt gehouden met alle middelen die in dat huishoudenredelijkerwijs beschikbaar zijn. De aard en doel van het vangnetkarakterstelt heel andere eisen aan de invulling van de Participatiewet dan aan hetkarakter van een voorziening die voorziet in een individuele uitkering.We onderzoeken daarom ook of en hoe we buiten de Participatiewet eenoplossing kunnen vinden voor mensen die structureel niet kunnen werken(«structureel geen arbeidsvermogen» hebben) maar die nu geen beroepkunnen doen op bestaande regelingen omdat zij niet verzekerd zijn voorarbeidsongeschiktheid. Het kan dan gaan dan om een oplossing waarbij –indien aan de voorwaarden voldaan is – recht bestaat op een individueleuitkering. Dit kan een uitkering zijn met andere voorwaarden dan debijstand, bijvoorbeeld zonder kostendelersnorm, zonder vermogenstoets14Kamerstukken II, 2024/25, 36 600 XV, nr. 69.15Kamerstukken II, 2024/25, 36 600 XV, nr. 86.16Zie voor een mogelijke oplossing voor mensen met een medische urenbeperking iets verder indeze brief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3447 en/of zonder participatieplicht. Ook zou het mogelijk moeten zijn dat alsmensen ondanks het vastgestelde ontbreken van arbeidsvermogen, tochwillen participeren zij daarbij ook ondersteuning kunnen aanvragenpassend bij hun mogelijkheden. Een oplossing buiten de Participatiewetkomt ook tegemoet aan het advies van het VN-comité dat toeziet op denaleving van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met eenhandicap. Het VN-comité adviseert dat de handicap bepalend moet zijnvoor inkomensondersteuning en niet de beschikbare middelen in hethuishouden, zoals nu in de bijstand het geval is.Er zijn wel stevige vraagstukken die nader onderzocht moeten worden.Hiervoor zijn geen middelen gereserveerd. Dit is aan een volgend kabinet.Afbakening en beoordeling doelgroep «structureel geen arbeidsver-mogen»Het van belang dat een regeling niet te ruim is, niet te gemakkelijk leidt totgrote instroom, uitvoerbaar is in de praktijk, en op een manier die rechtdoet aan de situatie van mensen. Het is een uitdaging om vast te stellenwanneer sprake is van structureel geen arbeidsvermogen. Bij de Wajonggeldt bijvoorbeeld een beoordeling op het criterium «duurzaam ontbrekenarbeidsvermogen» bij aanvraag van de uitkering. Indien UWV beoordeeltdat deze duurzaamheid niet vastgesteld kan worden, kan na 10 jaar alsnogduurzaamheid aangenomen worden als er nog steeds geen arbeidsver-mogen is. Het is de vraag of deze definitie wenselijk is als mensen ooknog op latere leeftijd een beroep kunnen doen op een dergelijke regeling.De voorgeschiedenis van de nieuwe doelgroep is anders dan die vanjonggehandicapten. De beoordeling van duurzaamheid is lastig omdat bijde meeste mensen, jong en oud, de prognose onzeker is. Ik wil daaromsamen met verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en cliëntenorgani-saties onderzoeken hoe we vast kunnen stellen wanneer er sprake is van«structureel geen arbeidsvermogen».UitvoerbaarheidDe vraag hoe en door wie een dergelijke regeling moet worden uitge-voerd, ligt nog open. Een partij met ervaring met het beoordelen vanarbeidsvermogen is UWV. UWV heeft de komende jaren echter geencapaciteit om sociaal-medische beoordelingen op arbeidsvermogen uit tevoeren. Ook bij andere organisaties is de beschikbare verzekeringsgenees-kundige expertise beperkt. Bovendien laten verschillende onderzoekenzien dat de uitvoering van de beoordeling op het gebied van kwaliteit entijd nog niet op orde is.17, 18 Een belangrijke randvoorwaarde is dat weoplossingen vinden die voorkomen dat een uitvoerende partij die dit (nu)niet kan heel veel aanvragen moet beoordelen die bij voorbaat kansarmzijn, omdat mensen niet voldoen aan de criteria, en deze dus tot afwijzingleiden. Een bijkomend dilemma is de overgang van de huidige groepmensen die nu afhankelijk zijn van de Participatiewet en structureel geenarbeidsvermogen hebben. Dit leidt tot een extra piek in het aantal uit tevoeren beoordelingen, naast de structurele extra vraag naar beoorde-lingen.Wie mee kan doen, doet meeHet is belangrijk dat mensen zoveel mogelijk meedoen, het liefst viabetaald werk. Werk draagt bij aan eigenwaarde en zelfstandigheid.Bovendien hebben we iedereen nodig in deze arbeidsmarkt. Daarbij kijk ik17Kamerstukken II, 2024/25, 26 448, nr. 812.18Kamerstukken II, 2024/25, 26 448, nr. 821.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3448 liever naar wat mensen wel kunnen, voordat toegang tot een nieuweregeling aan de orde is. Ook om de instroom bij een dergelijke regelingbeheersbaar te houden. Daarom zou een voorwaarde bij een dergelijkeregeling kunnen zijn dat er eerst een periode is waarin mensen, métinkomens- en re-integratie ondersteuning van de gemeente, ruimtekrijgen voor herstel waarmee zij ook kunnen proberen wat zij wel kunnenin werk.Financiële consequentiesIn de bijstand zitten mensen bij wie verondersteld kan worden dat zijstructureel geen arbeidsvermogen hebben. Echter bij het zoeken naaroplossingen buiten de Participatiewet kunnen mogelijk ook mensen die nugeen recht hebben op bijstand in aanmerking komen. Dit is afhankelijkvan hoe een nieuwe regeling wordt vormgegeven en aan welke criteriamensen moeten voldoen.Een ruwe inschatting laat zien dat een kwart van de mensen in de bijstandnaar verwachting niet kan werken. Daarbovenop komen mogelijk mensendie nu geen recht hebben op bijstand. Betrouwbare cijfers om dezeaantallen te ramen zijn niet beschikbaar. De budgettaire effecten van eenoplossing buiten de Participatiewet zijn afhankelijk van keuzes die noggemaakt moeten worden, bijvoorbeeld over de uitkeringsvoorwaarden,hoogte van de uitkering en de doorwerking op regelingen waar mensennu onder vallen. Deze effecten kunnen omvangrijk zijn.Het is goed om het gesprek te voeren in de Kamer over de uitgangs-punten voor mogelijke oplossingen voor mensen zonder structureelarbeidsvermogen, en deze verder vorm te geven.Medische urenbeperkingDe Participatiewet kent ook knelpunten voor mensen die werken met eenmedische urenbeperking. Het gaat hier om mensen die (meestal) welarbeidsvermogen hebben maar niet voldoende uren kunnen werken omonafhankelijk te kunnen worden van een aanvullende bijstandsuitkering.Bijstandsgerechtigden met een medische urenbeperking mogen struc-tureel 15% van hun netto-inkomsten uit werk behouden naast hunbijstandsuitkering.Voor de meeste mensen geldt: hoe meer uren zij werken, hoe meer zij inabsolute zin overhouden naast de uitkering.Een nadeel is dat deze mensen afhankelijk blijven van de aanvullendebijstandsuitkering én dat zij wanneer zij weinig uren kunnen werken ookweinig overhouden. Ik laat onderzoeken of en hoe in deze situatie eenander type aanvulling mogelijk is zodat mensen niet of minder afhankelijkworden van aanvullende bijstand. Een optie is om dit vorm te geven opeen manier die vergelijkbaar is met de werkwijze bij loonkostensubsidie.Waarin de loonwaardebepaling de basis is voor de loonkostensubsidie.Een nieuwe aanpak voor de bepaling van een medische urenbeperkingkan mogelijk de basis zijn voor een loonaanvulling voor het aantal urendat iemand niet kan werken. Of dit in de praktijk uitvoerbaar is én wat demogelijke kosten hiervan zijn, moet echter verder onderzocht worden.Hiermee beoog ik ook invulling te geven aan de motie van de ledenPalland en Kathmann19 waarin deeltijdwerk en bijstand centraal staan.19Kamerstukken II, 2023/24, 36 410 XV, nr. 47.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 3449 2. Betere ondersteuning bij werk en participatieBinnen de doelgroep van de Participatiewet is sprake van een grotediversiteit. Dat vertaalt zich ook in een diversiteit aan ondersteuningsbe-hoefte; de ene persoon kan met beperkte ondersteuning snel weer aan deslag. Een ander heeft veel meer en vaak blijvende ondersteuning nodig.Uit de praktijk blijkt dat aan het werk gaan voor een groot deel van debijstandsgerechtigden niet vanzelfsprekend is. Daarom is passendeondersteuning bij participatie nodig om uiteindelijk de stap naar werk welte kunnen maken.Iedereen die onder de Participatiewet valt zou goed in beeld moeten zijnbij de gemeente en bij potentiële werkgevers. En waarbij voor iedereeneen volgende ontwikkelstap richting participatie en werk beschikbaar is.Als betaald werk nog niet mogelijk is, dan verwachten we dat mensen opandere manieren maatschappelijk participeren. Dat draagt bij aan hetzetten van de juiste stappen. Ondersteuning is niet vrijblijvend. Alsiemand betaald kan werken, dan verwachten we ook dat diegene aan deslag gaat. Er is oog voor iemands situatie en zijn of haar mogelijkheden enbeperkingen. Hieronder geef ik aan op welke wijze de ondersteuning naarwerk of participatie zou kunnen worden verbeterd.Ik realiseer me dat dit financiële consequenties heeft en dat het veelcapaciteit in de uitvoering bij gemeenten vraagt. Dat is een groteuitdaging in een krappe arbeidsmarkt. Het vergt richting en prioriteringom te komen tot een verdere uitwerking van dit thema.Het contact met mensenUit onderzoek blijkt dat autonomie en regie over het pad naar participatieen werk bijdraagt aan de inzet en motivatie om te participeren. Daar hoorteen overheid bij die naar mensen luistert en in haar contact met mensenuitgaat van vertrouwen. Mensen, hun (hulp/ontwikkel)behoeften,motivatie of ideeën zijn in dat geval het startpunt van de ondersteuning.Ieders talenten, vaardigheden en mogelijkheden worden ten volste benut.Iedereen zou bij zijn hulpvraag een beroep moeten kunnen doen oppassende ondersteuning.Visie op dienstverleningOm mensen beter en eerder naar participatie en werk te kunnenbegeleiden, zou de gemeente voor iedereen in de doelgroep in beeldkunnen brengen wat de situatie is, wat de mogelijkheden zijn voor werken participatie en welke relevante ervaring, vaardigheden en eventuelebelemmeringen er zijn. Zo is voor iedereen duidelijk wat de volgendeontwikkelstap is. De gemeente kan daarbij ook in kaart brengen wat demogelijkheden zijn voor mensen die langere tijd geen dienstverleninghebben ontvangen en zelf aangeven toe te zijn aan een volgende stap. Enwat de achterliggende vragen daarbij zijn. Methodisch onderbouwd, maarniet bureaucratisch. Wanneer ondersteuning op meerdere leefgebieden(geld, wonen, zorg, gezin en werk of opleiding) nodig is, zou dat zo veelmogelijk gecoördineerd moeten worden aangeboden. Mensen hebben zomin mogelijk last van achterliggende procedures, afstemming offinancieringswijzen.Het is wenselijk dat er meer mogelijkheden komen voor (praktijkgerichte)scholing en ontwikkeling.Hier hoort bij dat ondersteuning zoveel mogelijk plaatsvindt binnen of inaansluiting op de huidige sociale context van mensen: op school, metburen, in een ontmoetingscentrum, op de voetbalvereniging, bij lokaleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34410 ondernemers en bedrijven, et cetera. Goede gegevensverwerking en-uitwisseling is een belangrijke randvoorwaarde, zodat mensen niettelkens hetzelfde verhaal hoeven te doen. Tegelijk blijft belangrijk tebepalen welke informatie, met welk doel en op welke grondslag nodig is.Hierbij bouwen we voort op het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening,waarin aan een overheid wordt gewerkt die open, transparant en proactiefwerkt, zodat mensen meer vertrouwen krijgen in de overheid en tevredenzijn met de dienstverlening.BeleidsoptiesIk zie verschillende manieren waarop de Participatiewet aangepast kanworden om mensen in de bijstand beter te ondersteunen. In de bijlageworden de diverse beleidsopties uiteengezet. Hieronder beschrijf ik eenselectie van de beleidsopties.WerkgeversIk onderzoek hoe werkgevers eerder betrokken kunnen worden bij dere-integratie en matching. Goede dienstverlening aan werkgevers iscruciaal om mensen aan het werk te helpen. Bij werkgevers is er een grotebehoefte aan meer eenduidigheid in het instrumentarium. Tegelijkertijd isde ruimte die gemeenten hebben om aan te sluiten bij wat mensen nodighebben ook waardevol. Om tegemoet te komen aan de behoefte aanduidelijkheid en rechtszekerheid, zijn er verschillende opties. Zo kan er inmeer detail worden vastgelegd welke dienstverlening werkgevers van eengemeente kunnen verwachten. Het is ook van belang dat er goedevoorzieningen zijn waarmee mensen goed in beeld komen bij werkgevers.Dat draagt bij aan een snellere matching.StartbanenTe veel nieuwkomers die een verblijfsvergunning hebben gekregen(statushouders) zijn afhankelijk van de bijstand. Startbanen kunnen eenbelangrijke bijdrage leveren aan het eerder aan werk helpen van status-houders, mannelijke en vrouwelijke. Zoals vermeld in de ActieagendaIntegratie en de Open en Vrije Samenleving20 wil ik de mogelijkheden eneffecten om statushouders direct bij vestiging in een gemeente eenbetaalde (start)baan aan te bieden uitbreiden. Zij zouden daardoor directkunnen participeren en de taal leren op de werkvloer, naast eeninburgeringstraject.Brede intakeMet het verbreden van het instrumentarium en een meer integralewerkwijze kan de nieuwe Participatiewet beter aansluiten op de onder-steuningsbehoefte die mensen in de bijstand hebben. Zo kan het zijn dateerst belemmeringen moeten worden opgelost, voordat de stap naar werkof participatie kan worden gezet. Ik denk onder andere aan een bredeintake bij de start van de ondersteuning, zodat de geboden ondersteuningzo integraal en effectief mogelijk kan worden opgestart. De gemeentevraagt bij een aanvraag voor bijstandsuitkering uit of de inwonerbelemmeringen ervaart op verschillende leefgebieden (geld, wonen, zorg,gezin en werk of opleiding) en verwijst naar hulp indien nodig.Inclusief het uitvragen en vastleggen van CV en competenties enwerkervaring (arbeidsmarktprofiel). Op basis van het brede gesprek kanworden verwezen naar andere vormen van dienstverlening, zoalsschuldhulpverlening en lokale wijkteams (vroegsignalering).20Kamerstukken II, 2024/25, 32 824, nr. 448.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34411 Recht op begeleidingEen recht op begeleiding naar werk kan leiden tot meer eenduidigheid inwat iemand van een gemeente mag verwachten op het gebied vanondersteuning naar werk en participatie. Het betekent dat iemand altijdeen contactpersoon heeft en hulp kan vragen.Maatschappelijk middenveld als belangrijke partnerRuimte geven aan maatschappelijke initiatieven en initiatieven van socialeondernemers is belangrijk voor het realiseren van plekken waar mensenzich kunnen ontwikkelen als de stap naar de arbeidsmarkt nog te grootblijkt. Niet alles hoeft via de gemeentelijke begeleiding. Soms sluitenmaatschappelijke initiatieven beter aan bij de ontwikkeling van inwonersen diens wensen en kan de professionele inzet beperkt worden, dan welergens anders worden ingezet. De gemeente faciliteert plekken waarmaatschappelijke participatie kan plaatsvinden. Hiermee ondersteunt degemeente een aanbod van mogelijkheden om te participeren, te ontwik-kelen en waar mogelijk toe te werken naar uitstroom naar betaald werk.Hierbij kijken we naar de mogelijkheden om met slim combineren vandoelen en middelen in het sociaal domein ruimte te creëren voormaatschappelijke initiatieven en organisaties.Harmoniseren werkvoorzieningenEr kan harmonisering of uniformering worden aangebracht in dewerkvoorzieningen. Er kunnen afspraken op nationaal of regionaal niveauworden gemaakt. Werken aan toegankelijke en landelijk uniformewerkvoorzieningen, is in het belang van werkgevers, werkzoekenden enwerknemers. Dit is in lijn met de ambitie vanuit de hervorming van dearbeidsmarktinfrastructuur, waarin werkgeversdienstverlening enwerkzoekendendienstverlening beter op elkaar wordt aangesloten enwordt aangeboden via een werkcentrum per arbeidsmarktregio.21Dit vraagt om een andere balans in een gedecentraliseerde uitvoeringtussen wat er centraal geregeld is in de wet en de ruimte en beleids-vrijheid die gemeente hebben. Voor de herziening is het dus de vraag hoedeze nieuwe balans eruitziet en wat dat vraagt van de randvoorwaardendie door het Rijk richting gemeenten en werkgevers moeten wordengeboden.Via praktijkgerichte scholing duurzaam aan het werkEr wordt zoveel mogelijk ingezet op duurzaam werk. In de Participatiewetkan meer aandacht komen voor het inzetten van (praktijkgerichte)scholing. Dat kan bijvoorbeeld door in de wet vast te leggen datgemeenten, bij mensen zonder startkwalificatie, worden geacht allereerstte beoordelen of het combineren van werken met leren wenselijk/mogelijkis. Ook kan, in lijn met de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur,worden ingezet op een regionaal plan voor (praktijkgerichte) scholing meteen bijbehorend budget.Loonsuppletie werken met een urenbeperkingVoor mensen met een medische urenbeperking kan worden verkend of ereen instrument voor loonaanvulling kan worden ontwikkeld dat ervoorzorgt dat mensen sneller onafhankelijk van een uitkering kunnen wordendoor betaald werk.21Kamerstukken II, 2023/24, 33 566, nr. 109.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34412 3. Een zekere en eenvoudigere ParticipatiewetUit de gemaakte analyses blijkt dat de Participatiewet complex is, moeilijkuitvoerbaar, en daardoor ook lastig na te leven. Mensen durven hierdooronder andere de stap naar werk niet te zetten, omdat het niet duidelijk iswat de (financiële) gevolgen zijn van een verandering in iemands situatie.Dit komt door een veelvoud aan rechten, plichten, definities en bepalingenin de wet. Dit verlamt. Mensen weten niet goed waar zij aan toe zijn,vinden het ingewikkeld, durven geen initiatieven te ontplooien omdat zijde consequenties niet kunnen inschatten en worden streng gestraft vooreventuele fouten. Ook aan de kant van de gemeente knelt het: hetcontroleren van bijstandsgerechtigden op hun inkomen, hun vermogen,of zij een partner hebben en welke rechten zij nog meer hebben kost veeluitvoeringscapaciteit. Dit kan eenvoudiger, zowel vanuit het perspectiefvan de bijstandsgerechtigden als vanuit de gemeente.Om de verschillende punten uit de probleemanalyse op te lossen, kijk iknaar verschillende onderdelen van de wet. Zoals het aanvragen, naar hoewe om gaan met rechten en plichten, de geboden ondersteuning vanuitde overheid, en naar de ondersteuning bij participatie. Op al dezeaspecten is mijn bevinding dat de wet duidelijker, eenvoudiger enmakkelijker gemaakt kan worden. Met de gegevens die we als overheid alhebben, door het slim vormgeven van wat we zien als inkomen ofvermogen, en door mensen daadwerkelijk meer zekerheid en onder-steuning te geven. Dit voorkomt terugvorderingen, maakt dat mensenbeter weten waar ze aan toe zijn en waar ze aan moeten voldoen endraagt daarbij ook weer bij aan hun arbeidsinschakeling. Dit past ook inde bredere visie van het kabinet op de hervorming en vereenvoudigingvan inkomensondersteuning door meer gelijkluidende begrippen (onderde partner, inkomen en vermogen wordt in elke wet dezelfde definitieverstaan), kleinere verschillen tussen gemeente (regelingen met zelfdevoorwaarden), en werk dat meer dan nu loont.Werken moet meer lonenHoe complex het stelsel van inkomensondersteuning is, blijkt onderandere uit het dilemma hoe we werken meer kunnen laten lonen. Mensendie willen en kunnen werken naast hun uitkering, en op termijnuitstromen, moeten hiervoor beloond worden. Zo worden door hetwetsvoorstel van spoor 1 de bijverdiengrenzen geharmoniseerd (15%) ende periode uitgebreid van zes maanden naar een jaar. Iemand die werktnaast de uitkering mag 15% van de inkomsten houden, totdat het inkomenhoog genoeg is om uit te stromen of – in het geval van medisch urenbe-perkten – dit onbeperkt blijven houden.Meer verdienen naast de uitkering dan deze 15% leidt tot afbouw vantoeslagen, met het risico op terugvorderingen. Verder kan er bij uitstroomeen armoedeval ontstaan omdat de bijverdiengrens boven op de uitkeringwegvalt. En er wellicht ook andere gemeentelijke voorzieningenwegvallen. Meestal loont het om te werken en de meeste mensen gaan erwel degelijk op vooruit.Mijn ambitie is om (meer) werken aantrekkelijker te maken en ervoor tezorgen dat het zetten van een stap naar (meer) werk niet langer zo onzekeris. Het verbeteren van de informatievoorziening is één, maar ik zoek ooknaar oplossingen die voelbaar zijn in de portemonnee. Dit onderstreeptook de noodzaak voor een hervorming van de fiscaliteit en toeslagen. Hethuidige stelsel draagt bij aan de onzekerheidsval waarmee mensen in debijstand worden geconfronteerd. Het is belangrijk dat we stappen gaanzetten om de toeslagen fundamenteel te hervormen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34413 Het aanvragen van bijstand kost tijd en is complexOok het aanvragen van bijstand is een tijdrovend en complex proces datsecuur uitgevoerd en gecontroleerd wordt. Alle vormen van inkomen,vermogen en huishoudsamenstellingen worden in de huidige situatiegewogen om het recht op bijstand en de hoogte hiervan te bepalen. Zoalshet mogelijke inkomen van een partner, van kinderen, eventuele verzeke-ringen (zoals lijfrente) of aanvullende uitkeringen, de waarde van eeneventueel koophuis, een auto of eventuele schulden.Dit kan eenvoudiger. Veel informatie is al bekend vanuit de Belasting-dienst, vanuit Toeslagen, Woningregisters of de kentekenregistratie van deRDW waardoor deze automatisch ingevuld kan worden en enkel gecontro-leerd hoeft te worden. Beschikbaarheid van relevante en betrouwbaredata voor gemeenten is hiervoor noodzakelijk. Dit maakt het mogelijk voorgemeenten om mensen met een hulpvraag te ontlasten en sneller tekunnen vertellen waar zij aan toe zijn en tegelijkertijd ontlast het ookschaarse gemeentelijke capaciteitAnders omgaan met complementariteit – inkomen, vermogen en partnerNiet alleen bij het aanvragen van bijstand, maar ook tijdens debijstandsduur telt het inkomen en het vermogen mee voor het bepalenvan de hoogte en het recht op bijstand. Het complementariteitsprincipegaat ervan uit dat mensen eerst hun eigen beschikbare middelenaanwenden, daarom wordt elke ontvangen euro betrokken bij hetvaststellen van het recht op bijstand. Het complementariteitsprincipe pastbij het karakter van een vangnet en staat niet ter discussie. Wel vind ik datwe het nu te ingewikkeld hebben gemaakt. Vriendendiensten, vergoe-dingen, schenkingen, zij kunnen allemaal betrokken worden bij hetbepalen van de hoogte van de bijstand. Mensen snappen niet waar ze aanmoeten voldoen en wat ze door moeten geven aan de gemeente. Binnenhet wetsvoorstel Participatiewet in balans zetten we hier de eerstestappen op door een schenkingsvrijstelling tot € 1.200 euro waaronderook kostenbesparende giften zoals boodschappen22, uniforme verre-kening van inkomen, het verruimen van de bijverdiengrenzen en eenverbetering van de vermogenstoets.Vanuit Participatiewet in balans en de Hervormingsagenda inkomenson-dersteuning werken we samen met andere departementen en publiekedienstverleners aan nieuwe inkomens- en vermogensdefinities in hetgehele stelsel, zodat duidelijk is wat wel en niet gezien kan worden alsinkomen of vermogen. De Participatiewet sluit hierbij aan om debegrippen waar mogelijk te harmoniseren en gebruik te maken vanstandaarddefinities. Daarnaast kijken we ook naar de bijbehorendeinlichtingenplicht.Hierbij betrekken we ook het begrip gezamenlijke huishouding, soms ookgezien als partnerbegrip. Afhankelijk van de samenstelling van hethuishouden wordt het recht op bijstand en de hoogte bepaald. Met degedachte dat partners een verplichting hebben om voor elkaar te zorgen.De maatschappij is echter veranderd en de wet ziet nu ook broers ofzussen als gezamenlijke huishouding, of mensen die bij elkaar in huiswonen zonder dat er sprake is van een liefdesrelatie. Dit kan verwarrendwerken en mensen weten niet altijd goed wanneer zij wel of niet alspartner worden gezien door de overheid. De gemeente kan intensiefcontroleren of er sprake is van een feitelijk gezamenlijk huishouden doorhuisbezoeken of andere controles. Deze vormgeving past niet goed bij22Kamerstukken II, 2024/25, 36 582, nrs. 3 en 7 (nota van wijzigingen).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34414 deze tijd waarin er verschillende woon- en leefvormen bestaan. Daaromverkennen we alternatieven, zoals een «objectief partnerbegrip» (hetzogeheten AWIR-begrip23 wat gebruikt wordt in de toeslagen). Doel is ommeer duidelijkheid te scheppen voor iedereen, en willekeur te voorkomen.Daarnaast wil ik kijken of dit aansluit bij andere inkomensvoorzieningen(zoals toeslagen).Mensen kunnen gerichter ondersteund wordenOp gemeentelijk niveau is er een veelvoud aan ondersteunende voorzie-ningen waarmee mensen met een laag inkomen een extra ondersteuningkrijgen. Enkele daarvan zijn geregeld in de Participatiewet. Dit gebeurt ophoofdlijnen zodat gemeenten maatwerk kunnen toepassen dat past bijhun gemeente en hun inwoners. Ik merk echter dat dit tot groteverschillen leidt, waardoor de rechten in de ene gemeente anders kunnenzijn dan in de andere met alle gevolgen van dien, bijvoorbeeld bijverhuizing. Ook maakt het veelvoud aan regelingen het niet duidelijkervoor gebruikers en kan dit niet-gebruik in de hand werken. Dit blijkt uitmeerdere rapporten, zoals van de Commissie sociaal minimum en IPE.24In het kader van het Nationaal Programma Armoede en Schulden zet iksamen met VNG en Divosa in op het versterken en vereenvoudigen vanhet armoedebeleid (nationaal en lokaal). We willen de landelijke regelseenvoudiger maken. En zorgen dat verschillen tussen gemeenten kleinerworden. Uitgangspunt daarbij is dat het Rijk de inkomensbasis goedregelt. Zodat mensen voor hun inkomen niet afhankelijk zijn van gemeen-telijke regelingen. De vereenvoudiging op landelijk niveau krijgt ondermeer vorm via de hervormingsagenda inkomensondersteuning. In hetkader van spoor 2 van de Participatiewet onderzoek ik hoe we kunnenkomen tot vereenvoudiging.De individuele inkomenstoeslag, aanvullende zorgverzekering enbijzondere bijstandVanuit de Participatiewet kan een gemeente een individuele inkomens-toeslag (IIT) toekennen voor mensen die langdurig een laag inkomenhebben en geen verbetering verwachten. Dit verlicht hun financiëlesituatie door een aanvulling te verstrekken op hun inkomen. Hoewel de IITin de Participatiewet geregeld is, worden de voorwaarden en de hoogtenovergelaten aan gemeenten. Dit leidt tot grote verschillen per gemeenteen werkt ongelijkheid in de kaart. Zo heeft FNV in 2024 voor 72 gemeentende verschillen in kaart gebracht. Ik wil onderzoeken hoe ik de IIT kanvereenvoudigen en wat de gevolgen zijn van meer harmoniseren tussengemeenten.Veel minima maken gebruik van de collectieve zorgverzekering voormensen met een laag inkomen (gemeentepolis). Gemeenten sluiten dezeaf voor hun inwoners met een laag inkomen, vaak via een eigen bijdragevanuit de gemeente en een korting van de zorgverzekeraar. Gemeentenonderhandelen individueel met een zorgverzekeraar waardoorvoorwaarden en dekkingen uiteenlopen tussen gemeenten. Ook is nietelke inwoner gebaat bij aanvullende verzekeringen. Sommige mensenkunnen beter een eigen zorgverzekering afsluiten. Ik wil daarom in lijn metde aanbevelingen van de commissie sociaal minimum en in samen-werking met VWS de mogelijkheden verkennen om met landelijkecoördinatie de gemeentepolis beter in te vullen en de gemeenten in deuitvoering te ontlasten.23Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (Awir).24Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XV, nr. 6, bijlage Rapport «Een zeker bestaan» en «Eerlijker eneenvoudiger armoedebeleid», IPE, 30 januari 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34415 Ik constateer dat de bijzondere bijstand op dit moment niet goed doetwaar hij voor bedoeld is: namelijk ondersteuning bieden voor uniekeomstandigheden waarin de reguliere bijstand onvoldoende voorziet. Veelvan de uitgaven vanuit de bijzondere bijstand blijken echter op te gaanaan financieringsvraagstukken voortkomend uit andere complexewetgeving en/of voorzieningen. Zoals vergoeding beschermingsbewinden rechtshulp. Kosten die structurele kenmerken vertonen. Ik onderzoek ofen hoe we de bijzondere bijstand weer kunnen laten doen waarvoor hijbedoeld is.Verbeteren ondersteuning jongeren in een kwetsbare positieUw Kamer heeft tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Participa-tiewet in balans (spoor 1) de motie van de leden Inge van Dijk en Flachaangenomen. Daarin wordt verzocht verbeteropties uit te werken voorjongeren in een kwetsbare positie. Ik heb u uw Kamer reeds bij brief van8 mei jl. over de wijze waarop ik invulling geef aan deze motie.25 Zo werkik hiervoor in spoor 2 verschillende beleidsopties uit. Deze beleidsoptieszijn gericht op het bevorderen van een start naar een stabiel volwassenleven en het voorkomen van langdurige uitkeringsafhankelijkheid en dak-en thuisloosheid. Zoals meer financiële zekerheid en/of het andersomgaan met verplichtingen, het partnerbegrip en intensieverebegeleiding en ontwikkelingsmogelijkheden.Daarbij moeten we rekening houden met het feit dat arbeidsvermogennog ontwikkeld moet worden en dat de snelste weg naar werk niet altijdde meest duurzame is. Daarom onderzoek ik hoe we ondersteuning vanuiteen bredere, integrale invalshoek kunnen aanbieden. Daarbij zoek ik naarde aansluiting met onder andere jeugdzorg, maatschappelijke onder-steuning en schuldhulpverlening. Zoals in de brief van 8 mei jl. gemeld,zal ik uw Kamer samen met de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sporten de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke zorg over deverdere analyse van deze problematiek en de ondersteuningsbehoefte vande groep jongeren in een kwetsbare positie begin 2026 nader informeren.MantelzorgBinnen de Participatiewet kunnen ouderen met een onvolledigeAOW-uitkering gebruik maken van de Aanvullende Inkomensonder-steuning Ouderen (AIO). Een uitkering die aanvult tot het sociaalminimum, uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Voorthuiswonend hulpbehoevenden ouderen kan mantelzorg een uitkomstzijn. Dit kan een dergelijk intensief karakter kennen dat de mantelzorger bijde hulpbehoevende verblijft.Met gevolgen voor het recht op AIO vanwege het ontstaan van eengezamenlijke huishouding. Dit wordt als onwenselijk gezien en als boeteop mantelzorg. Dit kan meelopen in de herdefiniëring van hetpartnerbegrip.Participatiewet binnen het stelsel van inkomensondersteuning enhet sociaal domeinDe Participatiewet staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een brederstelsel van inkomensondersteuning en het sociaal domein. De herzieningvan de Participatiewet moet bijdragen aan een beter werkend sociaaldomein, waarin de ondersteuning aansluit bij wat mensen nodig hebbenom te participeren. Ik werk daarom in spoor 2 ook opties uit die betereverbindingen mogelijk maken in het sociaal domein. Om zo aan te sluiten25Kamerstukken II, 2024/25, 36 582, nr. 56.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34416 bij de bewegingen van onder andere Jeugd (Hervormingsagenda),herijking handhaving (wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid,waaronder het vergisrecht), ontwikkelingen in de Wmo 2015 en hetNationaal programma Armoede en Schulden.Het kabinet werkt aan een Hervormingsagenda Inkomensondersteuning.Voor een zekerder en begrijpelijker stelsel van inkomensondersteuningwaarin (meer) werken loont, is het noodzakelijk het stelsel voor mensen tevereenvoudigen.26 In de Hervormingsagenda wordt de samenhang tussende verschillende trajecten en onderwerpen geborgd en wordt de inzet vanhet kabinet elk jaar geprioriteerd en gefaseerd. Oplossingen die voor deParticipatiewet worden uitgewerkt, bekijken we breder in samenhang metde hervorming van het stelsel van inkomensondersteuning. Het gaat danbijvoorbeeld om wijzigingen in de Participatiewet die impact hebben opde regelingen voor arbeidsongeschiktheid, of de harmonisatie vanbegrippen. De planning is erop gericht om uw Kamer voor de zomer overde Hervormingsagenda te informeren.De invoering van de Participatiewet in 2015 is niet los te zien van hetstreven naar een inclusieve arbeidsmarkt, waar iedereen kan participerenen waar ieders talenten en kwaliteiten optimaal worden benut. Deoplossingen die we binnen de Participatiewet uitwerken, hangen daaromsamen met andere inspanningen richting een inclusieve arbeidsmarkt. Zowerk ik aan een toekomstbestendige infrastructuur van sociaal ontwikkel-bedrijven en de verbetering van de banenafspraak. Ook zijn er verschil-lende raakvlakken met onder meer de hervorming van de arbeidsmarktin-frastructuur en het programma Simpel Switchen en beleid gericht op eenleven lang ontwikkelen (LLO). Het is belangrijk dat we de samenhangtussen de verschillende trajecten waarborgen. Daarbij moet het efficiënten helder vormgeven van de ondersteuning centraal staan.Ik informeer uw Kamer voor het zomerreces separaat over de stappen dieik zet rondom de verbeteringen van de banenafspraak en de infrastructuurvan sociaal ontwikkelbedrijven.Spoor 3 Participatiewet in balansEr is een brede beweging gaande waarin gemeenten onderzoeken hoe zijuitvoering kunnen geven aan de Participatiewet met meer aandacht voorde menselijke maat, vertrouwen en maatwerk. Dit vraagt om eenverandering in cultuur en houding binnen organisaties, en om versterkingvan vakmanschap in de uitvoering. Spoor 3 draagt bij aan deze bewegingen ondersteunt deze door middel van verschillende trajecten.Welke thema’s hierbij centraal staan, is uitgewerkt in de bestuurlijkeleeragenda Participatiewet in balans. Deze agenda is opgesteld insamenwerking met gemeenten, het Ministerie van SZW en diversepartners.In 2024 is, gecoördineerd door de VNG, de leeragenda Participatiewetopgesteld. Vanuit deze leeragenda werken gemeenten aan de thema’s:domein overstijgend werken, inclusief werken, alledaags maatwerk enkwaliteit, financiën en verantwoording en sturen op vakmanschap. Ditbetekent dat gemeenten niet alleen uitvoeren, maar ook actief leren,reflecteren en vernieuwen. Daarbij is het belangrijk dat alle lagen van deorganisatie – van uitvoering tot bestuur – bijdragen aan het vinden van dejuiste balans tussen regelgeving en de leefwereld van inwoners.26Kamerstukken II, 2024/25, 26 448, nr. 792.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34417 VervolgIn deze brief is voor de langere termijn uiteengezet hoe de Participatiewetverbeterd zou kunnen worden om de ondersteuning die de wet biedt beteraan te laten sluiten op wat mensen nodig hebben. In de brief en bijlagezijn verschillende mogelijkheden daarvoor gepresenteerd, aansluitend opde in december 2024 aan uw Kamer gezonden probleemanalyse. Dit biedteen basis om lijnen uit te zetten waarlangs een verdere uitwerking kanplaatsvinden. Op basis van een nadere uitwerking kunnen de conse-quenties voor de doelgroep, de uitvoering en de (structurele) kosten inkaart worden gebracht.Op basis van een concretere uitwerking kan een weging worden gemaakten zo nodig prioritering en fasering plaatsvinden van verschillendebeleidsopties voor de herziening. Om de juiste afwegingen te kunnenmaken is het van belang goed oog te hebben voor de afruilen endilemma’s die bij een grootschalige herziening onvermijdelijk zijn.Bijvoorbeeld de afruil tussen eenvoud, gerichtheid en betaalbaarheid. Wateen pakket aan maatregelen uiteindelijk kost, is afhankelijk van de nog temaken keuzes. Hiervoor zijn geen middelen gereserveerd door dit kabinet.Om het gesprek hierover te ondersteunen en de afwegingen goed in kaartbrengen, werkt mijn ministerie desgewenst graag mee aan een technischebriefing.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J. NobelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 352, nr. 34418

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 910099156db91c83

14 okt 2026 · 2897541c6f354c4b

13 okt 2026 · 8eedb275077f188f

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.