KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over het advies Nederlandse Sportraad: Hoofdzaak. Advies om hersenletsel door sport te voorkomen (Kamerstuk 30234-426)

16 dec 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dd98c59459401fe9 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202630 234Toekomstig sportbeleidNr. 435 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 16 december 2025 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 3 september 2025over het advies Nederlandse Sportraad: Hoofdzaak. Advies om hersen-letsel door sport te voorkomen (Kamerstuk 30 234, nr. 426).De vragen en opmerkingen zijn op 20 november 2025 aan de Staatssecre-taris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van16 december 2025 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-30234-435ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4351 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie6II.Reactie van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport7 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieMet interesse hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van hetrapport van de Nederlandse Sportraad om hersenletsel door sport tevoorkomen. De leden van de D66-fractie vinden het van groot belang dater aandacht is voor het voorkomen van hersenletsel door sport. Sportlevert een onmisbare bijdrage aan de fysieke en mentale gezondheid,sociale verbinding en het plezier van miljoenen Nederlanders. Tegelij-kertijd mag het risico op hersenletsel niet worden genegeerd. Genoemdeleden hechten eraan dat sport veilig en verantwoord kan wordenbeoefend, zeker ook voor kinderen en jongeren. Zij erkennen echter ookde waarde van sport als ruimte om grenzen te verkennen en eigen keuzeste maken. Daarom zoeken zij naar een zorgvuldige balans tussen hetbeschermen van de gezondheid van sporters en het behouden vanvrijheid en autonomie binnen de sport.De NLsportraad adviseert om hoofdcontact bij kinderen onder de twaalfjaar te verbieden en bij jongeren tot achttien jaar sterk te ontraden. Deleden van de D66-fractie begrijpen de wens om jonge sporters extra tebeschermen, en vragen de Staatssecretaris hoe zij deze specifiekeleeftijdsgrenzen beoordeelt. Daarbij vragen deze leden de Staatssecretarisof zij nog maatschappelijke of praktische barrières ziet om maatregelen tenemen en hoe ze deze kan wegnemen.Het rapport laat daarnaast zien dat de implementatie van veiligheidsmaat-regelen per sport sterk varieert. In sommige sporten, zijn duidelijkeleeftijdsgrenzen of beschermingsmiddelen al ingevoerd; in andereontbreken goede afspraken en toezicht. De leden van de D66-fractievragen hoe de Staatssecretaris ervoor wil zorgen dat sporters, trainers ensportbonden zich aan de geadviseerde grenzen en maatregelen houden.Ziet zij hierbij bijvoorbeeld een rol voor NOC*NSF of de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? En hoe wordt de naleving georgani-seerd in de recreatieve sport, waar toezicht en handhaving vaak beperktzijn? Daarnaast vragen deze leden wat de plannen van de Staatssecretariszijn betreffende sportbonden die richtlijnen hanteren die afwijken van deadviezen van de NLsportraad, waaronder de geadviseerde leeftijdgrenzen.De NLsportraad constateert dat kennis over herhaald hoofdcontact entraumatisch hersenletsel versnipperd is en dat er geen structureleregistratie of dataverzameling plaatsvindt. Daarom pleit de raad voor eennationaal expertisecentrum dat onderzoek, kennisdeling en monitoringcoördineert. De leden van de D66-fractie ondersteunen het belang vankennisontwikkeling en vragen hoe de Staatssecretaris tegenover ditvoorstel staat. Is zij bereid om de oprichting van een dergelijk centrum teverkennen? Welke rol ziet zij voor bestaande organisaties, en hoe wordtgeborgd dat onderzoek ook inspeelt op vrouwen, kinderen enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4352 parasporters, die nu bij bestaande onderzoeken nog te vaak buiten beeldblijven?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het advies en hetrapport van de NLsportraad en hebben hierover nog enkele vragen enopmerkingen.Sportbonden onderschrijven het belang van aandacht voor hersenge-zondheid in de sport en steunen veelal initiatieven die bijdragen aan veiligsporten voor iedereen. Tegelijkertijd vinden genoemde leden hetbelangrijk dat beleidskeuzes zorgvuldig worden afgewogen, met oog voorwetenschappelijke inzichten, sportpraktijk en de positieve maatschappe-lijke waardes van sport. Hoe waarborgt de Staatssecretaris dat dezebeleidskeuzes op alle aspecten en met name op de positieve maatschap-pelijke waarde, zorgvuldig worden gewogen?De wetenschappelijke literatuur laat zien dat de frequentie en intensiteitvan hoofdcontact verlaagd kan worden met verschillende maatregelen. Eris echter weinig bekend over de langetermijneffecten daarvan. Hoe gaandeze langetermijneffecten voor de verschillende sporten inzichtelijkgemaakt worden? Is de Staatssecretaris voornemens eerst meer inzichtente verkrijgen over de langetermijneffecten alvorens bindende maatregelendoor te voeren? Hoe worden deze afwegingen gewogen?In het rapport Hoofdzaak wordt gesteld dat er «geen afstemming is tussensport en zorg over eenduidige richtlijnen voor herstel na hersenletsel».Veelal wordt het aan de huisarts overgelaten wanneer mensen na klachtenaan het hoofd weer mogen starten met sporten, echter eenduidigerichtlijnen ontbreken hierbij. Genoemde leden verbazen zich enigszinsover deze bevindingen. Indien er namelijk daadwerkelijk sprake is van(traumatisch) hersenletsel zou men ervanuit mogen gaan dat men onderbehandeling is van een neuroloog en een revalidatiearts, zeker zolangmen nog in de herstelfase zit is van de huisarts helemaal geen sprake indeze discussie. Is de Staatssecretaris het met genoemde leden eens dat ersprake is van onder behandeling wanneer dit niet het geval is? Waaruitblijkt dat deze mensen vaak bij de huisarts belanden? Heeft de Staatsse-cretaris hier cijfers van? Wat is de reden van het belanden bij een huisartsin plaats van bij een revalidatiearts in voorkomende gevallen?Wat genoemde leden betreft wordt de rol van de revalidatiearts in hetrapport onderbelicht en wordt deze maar één keer genoemd in het helerapport. Is de Staatssecretaris het met genoemde leden eens dat derevalidatiearts de expertise in huis heeft om per individu te kijken watnodig is voor herstel in voorkomende gevallen? Hebben de revalidatie-artsen om richtlijnen gevraagd? Wat vinden de revalidatieartsen van ditrapport in verhouding tot hun vakgebied? Hoeveel sporters hadden deafgelopen vijf jaar een consult bij de revalidatiearts ten gevolge vanhersenletsel door het beoefenen van sport? Kan de Staatssecretaris eenuiteenzetting per sport geven?In het voetbal hebben bonden in enkele andere landen maatregelengenomen om koppen voor met name kinderen en jongeren te verbiedenof te ontmoedigen. «In het Nederlandse voetbal zijn dergelijke maatre-gelen niet genomen», valt in het rapport te lezen. Is de Staatssecretaris opde hoogte van de maatregelen die bijvoorbeeld de KNVB al wel heeftgenomen om de kans op hersenletsel te voorkomen? Zijn deze voorberei-dingen en initiatieven van de KNVB meegenomen in het advies voor eenkopverbod? Op welke manier is er samenwerking met de hersenpoli vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4353 de KNVB over veilig en verantwoord koppen? Worden de gegevens vande hersenpoli meegenomen in de beleidskeuzes?Is bij het overwegen van een kopverbod in Nederland ook gekeken naarde mogelijke negatieve effecten op het spelverloop en het risico opandere blessures? Is er inzicht in hoe vaak spelers in verschillendeleeftijdsgroepen gemiddeld koppen per seizoen?Zijn er verschillen bekendtussen mannen en vrouwen als het gaat om de hoeveelheid en impact vankopballen? De gezondheid van onze jeugd staat voor genoemde ledenvoorop, desondanks zijn genoemde leden benieuwd of een kopverbod inNederland kan leiden tot een sportief nadeel voor Nederlandse teams ininternationaal verband?Deelt de Staatssecretaris de mening van genoemde leden dat, zolangkoppen onderdeel blijft van het internationale voetbal, het belangrijk is datspelers dit op een verantwoorde en veilige manier leren?Hoe kijkt de Staatssecretaris naar de mogelijke negatieve gevolgen vaneen kopverbod voor het sportplezier en de positieve effecten van sport,zoals gezondheid, zelfvertrouwen en sociale verbondenheid?De Gezondheidsraad adviseert in te zetten op monitoring om de bloot-stelling aan herhaald hoofdcontact beter in kaart te brengen. Hoe gaat ditgerealiseerd worden en wat is hierbij de te hanteren tijdlijn?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet advies om hersenletsel te voorkomen van de NLsportraad. Zij hebbenhierover enkele vragen.De leden van de VVD-fractie lezen dat de NLsportraad van mening lijkt tezijn dat de richtlijnen van de KNVB niet voldoende zijn om jongevoetballers (met name onder de twaalf jaar oud) te beschermen. Nuconstateren deze leden dat er binnen de KNVB nieuwe richtlijnen overveilig koppen gelden voor het seizoen 2025/2026. Kan de Staatssecretarisaangeven of deze richtlijnen meegewogen zijn in het advies? Graag horendeze leden op welke punten deze richtlijnen al dan niet voldoen.De leden van de VVD-fractie lezen dat de NLsportraad adviseert om hetinzicht te vergroten in de incidentie van hersenletsel vanwege sportbeoe-fening. Zij geven aan dat de sportbonden hier een aantal ideeën overhebben, zoals uitbreiding van het wedstrijdformulier. Kan de Staatssecre-taris aangeven of zij deze ideeën voldoende acht, of acht zij aanvullendemaatregelen nodig om het inzicht in de genoemde incidentie tevergroten?De leden van de VVD-fractie lezen dat de NLsportraad adviseert omherhaalde klappen en stoten tegen het hoofd te verbieden voor kinderenonder de twaalf jaar. Kan de Staatssecretaris op hoofdlijnen schetsen hoeeen dergelijk verbod eruit zou kunnen zien?De leden van de VVD-fractie lezen dat de NLsportraad adviseert om totverdere kennisontwikkeling te komen. Hierbij ligt de nadruk op kennisont-wikkeling over vrouwen, parasporters en kinderen. Kan de Staatssecre-taris aangeven op welke manier zij specifiek voor deze doelgroep degenoemde kennisontwikkeling wil stimuleren? Ziet zij mogelijkheden omin dit kader bij andere projecten aan te sluiten, zoals de NationaleStrategie Vrouwengezondheid?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4354 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de brief van de Staatssecretaris en het rapport «HoofdzaakAdvies om hersenletsel door sport te voorkomen». Genoemde ledenhebben nog enkele vragen en opmerkingen.Allereest vinden de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het goed dat eronderzoek wordt gedaan naar hersenletsel door sport en dat dit rapport isverschenen. Er wordt steeds meer bekend over het verband tussenherhaald hoofdcontact en chronisch hersenletsel. De bewustwordinggroeit ook, maar lijkt nog niet voldoende te zijn. Hoe beoordeelt deStaatssecretaris de huidige bewustwording aangaande herhaaldhoofdcontact en chronisch hersenletsel?In de beantwoording op de vragen van het lid Mohandis (ontvangen op20 maart 2025) geeft de Staatssecretaris aan dat in eerste instantie debetreffende aanbieders van het jeugdvoetbal verantwoordelijk zijn vooreen veilige sportbeoefening. Tevens verwijst zij alvast naar betreffenderapport. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar haar rol naar aanleiding van ditgepubliceerde rapport? Ziet zij aanknopingspunten voor het stimulerenvan deze bewustwording? Tevens geeft de Staatssecretaris in debeantwoording aan in gesprek te gaan met de verantwoordelijkesportorganisaties. Zijn deze gesprekken al gevoerd? Zo ja, kan zij nadertoelichten hoe deze gesprekken zijn verlopen?De NLsportraad pleit ervoor dat de Staatssecretaris verantwoordelijkheidneemt voor de bescherming van kinderen en jongeren en dit niet enkel bijde sportbonden te laten. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier tegenaan? DeNLsportraad adviseert verder om een expertisecentrum te benoemen omkennisontwikkeling en -implementatie te coördineren. Hoe kijkt deStaatssecretaris tegen dit voorstel aan?Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het advies vande NLsportraad en bedanken hen voor dit advies waarin een praktischevertaling gegeven wordt aan het advies dat de Gezondheidsraad in junipubliceerde.Deze leden hebben daarnaast nog enkele vragen aan de Staatssecretarisover de aanbevelingen van dit advies.De NLsportraad bepleit onder andere dat de overheid een extra bescher-mingsplicht heeft voor kinderen en jongeren en dat de Staatssecretarisdaarom verantwoordelijkheid moet nemen en bescherming niet alleenaan de sportsector over moet laten. De leden van de CDA-fractie vragen ofde Staatssecretaris het in algemene zin hiermee eens is. Zo nee, waaromniet? Zo ja, waar liggen volgens de Staatssecretaris de grenzen van deverantwoordelijkheden tussen overheid en sportsector als het gaat om hetbeschermen van kinderen en jongeren?De NLsportraad adviseert voor verschillende leeftijdscategorieënverschillende regels voor hoofdcontact te gaan hanteren. Hierbij moetensportbonden de ruimte krijgen om zelf maatregelen uit te werken voorsporters vanaf twaalf jaar. De leden van de CDA-fractie vragen of deStaatssecretaris bereid is sportbonden hierbij hulp aan te bieden als daarbehoefte aan is. Zo nee, waarom niet?De NLsportraad adviseert om het dragen van een helm in de paarden-sport, toerfiets- en wielersport, skiën en snowboarden, schaats- eninlineskatesport te verplichten bij georganiseerde deelname en teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4355 stimuleren bij ongeorganiseerde sportdeelname. De leden van deCDA-fractie vragen of de Staatssecretaris van mening is dat hier eventueeleen wettelijke verplichting voor zou moeten komen, als de desbetreffendesportbonden niet zelf tot een dergelijke verplichting over zouden gaan.De NLsportraad geeft aan dat kennis over risico’s van herhaald hoofd-contact voor chronisch hersenletsel nog diverse onzekerheden kent als hetgaat om andere dan mannelijke profsporters. De leden van de CDA-fractievragen of de Staatssecretaris bereid is te stimuleren dat er meer aankennisontwikkeling gedaan wordt, bijvoorbeeld onder regie van Veilig-heidNL in samenwerking met partijen als universitaire ziekenhuizen,Sportgeneeskunde Nederland, koepelorganisaties in de sport- enzorgsector en de sportbonden. Welke rol ziet de Staatssecretaris voorzichzelf hierin?Met betrekking tot het onderzoek zelf hebben genoemde leden ten slottenog enkele vragen. Het advies stelt voor om onder de twaalf jaar eenkopverbod in te voeren. Hoe ziet de NLsportraad in de praktijk datkinderen en volwassenen op latere leeftijd alsnog op een veilige manierleren koppen? Is bij het overwegen van een kopverbod in het voetbal doorde Sportraad ook gekeken naar de mogelijke negatieve effecten op hetspelverloop en het risico op andere blessures? Is er inzicht in hoe vaakspelers in verschillende leeftijdsgroepen gemiddeld koppen per seizoen?Zou een kopverbod in Nederland kunnen leiden tot een sportief nadeelvoor Nederlandse teams in internationaal verband? Is in de voorbereidingvan het advies meegenomen welke maatregelen de KNVB al heeftgenomen om koppen veiliger te maken?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het advies vande NLsportraad. Deze leden hebben hierover de volgende vragen aan deStaatssecretaris.De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de toenemendeneiging van de overheid om risico’s in het leven te willen uitbannen viaregelgeving en verboden. Genoemde leden staan voor gezond verstand,eigen verantwoordelijkheid en het recht op vrijwillige deelname aan sport,ook als daar risico’s aan verbonden zijn. Sport is geen risicoloze activiteiten dat moet het ook niet worden.De NLsportraad stelt dat sporters beschermd moeten worden tegenherhaald hoofdcontact, met name kinderen. Tegelijkertijd erkent de raaddat sport ook draait om het bewust opzoeken van risico’s. Het advies steltvergaande maatregelen voor zoals een verbod op herhaald hoofdcontactbij kinderen en het sterk ontraden daarvan bij jongeren. De leden van deBBB-fractie stellen dat sport per definitie een vrijwillige activiteit is waarinmensen bewust risico’s nemen. Is de Staatssecretaris bereid te erkennendat sport risico’s kent en dat het niet de taak van de overheid is om dezevolledig uit te bannen? Hoe voorkomt zij dat het beleid betuttelend wordten sportplezier ondermijnt?Verder stelt het advies een verbod op herhaald hoofdcontact voorkinderen onder de twaalf jaar, wat in de praktijk neerkomt op eenkopverbod in het jeugdvoetbal. Genoemde leden vinden dit eenvergaande maatregel die nauwelijks uitvoerbaar is en het karakter van desport aantast. Is de Staatssecretaris van plan om een kopverbod in hetjeugdvoetbal te ondersteunen? Zo ja, hoe beoordeelt zij de uitvoer-baarheid en handhaafbaarheid hiervan, en de impact op sportdeelnameen plezier?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4356 Ook stelt de KNVB dat een verbod op koppen kan leiden tot méérhoofdletsel, omdat spelers dan risicovollere alternatieven kiezen. Ook kanhet veiliger zijn om een bal te koppen dan op een andere manier weg tewerken. De leden van de BBB-fractie vinden het onbegrijpelijk dat dezepraktijkkennis niet is meegenomen. Is de Staatssecretaris bereid teerkennen dat een verbod op koppen niet alleen betuttelend is, maar ookaverechts kan uitpakken voor de veiligheid van spelers? Waarom is ditrisico niet expliciet meegenomen in het advies?Verder vinden de leden van de BBB-fractie dat koppen een essentieelonderdeel is van het voetbalspel en dat een verbod in Nederland kanleiden tot een sportief nadeel ten opzichte van landen waar koppen welwordt aangeleerd. Is de Staatssecretaris het ermee eens dat een nationaalkopverbod Nederlandse voetbalteams op achterstand zet in internationalecompetities? Hoe wordt dit meegewogen in de beleidsreactie?Daarnaast stelt het advies dat de overheid regie moet nemen op sport-beleid, convenanten en monitoring. De leden van de BBB-fractie hechtenaan autonomie van sportverenigingen en sporters. Is de Staatssecretarisvoornemens om landelijke regie te nemen over sportregels? Zo ja, hoewaarborgt zij dat sportverenigingen en sporters zeggenschap behoudenover hun eigen sportpraktijk?Ook wijst de KNVB erop dat jeugdspelers onder de dertien jaar gemiddeldslechts één keer per twaalf wedstrijden koppen. De leden van deBBB-fractie vragen zich af waarom dan juist deze groep in het advieswordt aangepakt. Als de effecten van koppen voor alle doelgroepenvergelijkbaar zijn, waarom is dan gekozen voor een verbod onder deleeftijd van twaalf jaar? Is dit onderbouwd met cijfers over kopbelastingper leeftijdscategorie?Tot slot stelt de Nlsportraad dat ook hoofdcontact zonder symptomenrisico’s oplevert en pleit voor brede preventieve maatregelen. De ledenvan de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris of de voorgesteldemaatregelen niet doorschieten. Hoe gaat de Staatssecretaris beoordelenof maatregelen proportioneel zijn ten opzichte van het risico? Wordthierbij ook gekeken naar uitvoerbaarheid, kosten en impact opsportdeelname?II. Reactie van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport Reactie op de vragen en opmerkingen van de leden van deD66-fractieDe leden van de D66-fractie begrijpen de wens om jonge sporters extra tebeschermen, en vragen de Staatssecretaris hoe zij deze specifiekeleeftijdsgrenzen beoordeelt.De Nederlandse Sportraad (NLsportraad) geeft in zijn advies aan datleeftijdsgrenzen tot stand zijn gekomen na weging van medische,juridische en sportorganisatorische perspectieven. Deze afweging vind ikpassend.Daarbij vragen deze leden de Staatssecretaris of zij nog maatschappelijkeof praktische barrières ziet om maatregelen te nemen en hoe ze deze kanwegnemen.Vanzelfsprekend vergen sommige van de maatregelen die de NLsportraadadviseert, en die de kern van de sportbeoefening raken (zoals het verbodop slaan/trappen tegen het hoofd en koppen), een nadere en praktischeuitwerking. Dit hoeven geen barrières te zijn als de maatregelen op dejuiste wijze worden onderbouwd en toegelicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4357 De leden van de D66-fractie vragen hoe de Staatssecretaris ervoor wilzorgen dat sporters, trainers en sportbonden zich aan de geadviseerdegrenzen en maatregelen houden. Ziet zij hierbij bijvoorbeeld een rol voorNOC*NSF of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? En hoe wordtde naleving georganiseerd in de recreatieve sport, waar toezicht enhandhaving vaak beperkt zijn?Zoals ik aangaf in mijn beleidsreactie op het advies vind ik dat toepassingen handhaving van de maatregelen de verantwoordelijkheid van de sportzelf is. Gelukkig kan ik melden dat sportkoepel NOC*NSF heeft aange-geven hierin de regie te willen nemen. Binnen NOC*NSF was al aandachtvoor dit onderwerp. Het rapport heeft de impuls gegeven om de regie-functie te intensiveren, bijvoorbeeld op het gebied van kennisdeling,registratie, expertiseontwikkeling, bewustwording en normeren binnen desport. Voor mijzelf of de IGJ zie ik daar geen rol in.Daarnaast vragen deze leden wat de plannen van de Staatssecretaris zijnbetreffende sportbonden die richtlijnen hanteren die afwijken van deadviezen van de NLsportraad, waaronder de geadviseerde leeftijdgrenzen.In de beleidsreactie op beide adviezen gaf ik aan dat ik het als mijn rol zieom het gesprek over de richtlijnen te begeleiden en te agenderen. Datgeldt zeker ook voor sportbonden die op sommige plekken afwijken vande adviezen van de NLsportraad.De leden van de D66-fractie ondersteunen het belang van kennisontwik-keling en vragen hoe de Staatssecretaris tegenover dit voorstel staat. Is zijbereid om de oprichting van een dergelijk centrum te verkennen?Ik ben in gesprek met VeiligheidNL om te verkennen welke mogelijkhedenzij ziet om invulling te geven aan het advies van de NLsportraad. Tegelijkonderzoek ik op welke wijze dit binnen de bestaande financiële kaderspast.Welke rol ziet zij voor bestaande organisaties, en hoe wordt geborgd datonderzoek ook inspeelt op vrouwen, kinderen en parasporters, die nu bijbestaande onderzoeken nog te vaak buiten beeld blijven?Als het gaat om bestaande programma’s en onderzoeken dan zal ik ditbelang zelf benadrukken bij de partijen die het onderzoek uitvoeren en/offinancieren. Zo ben ik bijvoorbeeld met Sportinnovator in gesprek om tekijken of bij de besteding van de middelen die bestemd zijn voorsportblessurepreventie specifiek aandacht kan zijn voor hersenschade bijvrouwen, kinderen en parasporters. Via deze partij ondersteun ikbijvoorbeeld een internationale studie van het Amsterdam UMC naarsportgerelateerde hersenschuddingen. Hierin wordt met behulp vanslimme bitjes met sensoren onderzoek gedaan naar de impact op deklappen tegen het hoofd van mannelijk en vrouwelijke rugbyspelers(verhouding onderzoekspopulatie: 60/40).Reactie op de vragen en opmerkingen van de leden van dePVV-fractieHoe waarborgt de Staatssecretaris dat deze beleidskeuzes op alleaspecten en met name op de positieve maatschappelijke waarde,zorgvuldig worden gewogen?De NLsportraad begint en eindigt zijn advies met de positieve maatschap-pelijke waarde die sport heeft. De voorgestelde adviezen zijn gericht opblijvende sportbeoefening en om de sport juist gezonder te maken. Bij dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4358 doelstelling sluit ik me volledig aan en in de gesprekken zal dit altijdonderdeel zijn van de afweging.Hoe gaan deze langetermijneffecten voor de verschillende sporteninzichtelijk gemaakt worden? Is de Staatssecretaris voornemens eerstmeer inzichten te verkrijgen over de langetermijneffecten alvorensbindende maatregelen door te voeren? Hoe worden deze afwegingengewogen?De Gezondheidsraad (GR) stelt in zijn advies: «Dat de beschikbareliteratuur voldoende overtuigend is om te concluderen dat blootstellingaan herhaald hoofdcontact bij contactsport samenhangt met eenverhoogd risico op dementie». Dat de mate van blootstelling aan herhaaldhoofdcontact van invloed op dit risico is, spreekt voor zich. Professionelevoetballers, rugbyspelers en boksers hebben twee tot drie keer groterekans op dementie dan de algemene bevolking. Vanzelfsprekend isdaarover nog meer te onderzoeken, en dat gebeurt ook, bijvoorbeeld doorhet Amsterdam UMC. Deze conclusies worden nu al meegewogen bij deinvoering van maatregelen door sportbonden.In het rapport Hoofdzaak wordt gesteld dat er «geen afstemming is tussensport en zorg over eenduidige richtlijnen voor herstel na hersenletsel».Veelal wordt het aan de huisarts overgelaten wanneer mensen na klachtenaan het hoofd weer mogen starten met sporten, echter eenduidigerichtlijnen ontbreken hierbij. Genoemde leden verbazen zich enigszinsover deze bevindingen. Indien er namelijk daadwerkelijk sprake is van(traumatisch) hersenletsel zou men ervanuit mogen gaan dat men onderbehandeling is van een neuroloog en een revalidatiearts, zeker zolangmen nog in de herstelfase zit is van de huisarts helemaal geen sprake indeze discussie. Is de Staatssecretaris het met genoemde leden eens dat ersprake is van onder behandeling wanneer dit niet het geval is? Waaruitblijkt dat deze mensen vaak bij de huisarts belanden? Heeft de Staatsse-cretaris hier cijfers van? Wat is de reden van het belanden bij een huisartsin plaats van bij een revalidatiearts in voorkomende gevallen?Huisartsen gebruiken richtlijnen van het Nederlands Huisartsen Genoot-schap (NHG) ter ondersteuning van hun medische beleid in de praktijk.Als het gaat om hersenletsel of hoofdtrauma baseren zij zich op destandaard hoofdtrauma-richtlijn.1 De NHG-richtlijnen zijn gebaseerd opwetenschappelijk onderbouwde adviezen en onderzoeken waarmee dekwaliteit van het medisch handelen van de huisarts wordt geborgd. Indeze richtlijnen staat eventuele verwijzing naar neuroloog en/of revalida-tiearts expliciet benoemd als afweging voor de huisarts. Het is daaromniet aan mij om een uitspraak te doen of sprake is van onderbehandelingwanneer deze verwijzing niet plaatsvindt.De NLsportraad geeft desgevraagd aan dat alleen registraties van deSpoedeisende Hulp (SEH) beschikbaar zijn die informatie geven over deincidentie van traumatisch hersenletsel door sport. Andere informatieover aantallen patiënten bij bijvoorbeeld huisartsen of revalidatieartsen isniet beschikbaar.Is de Staatssecretaris het met genoemde leden eens dat de revalidatieartsde expertise in huis heeft om per individu te kijken wat nodig is voorherstel in voorkomende gevallen? Hebben de revalidatieartsen omrichtlijnen gevraagd? Wat vinden de revalidatieartsen van dit rapport inverhouding tot hun vakgebied? Hoeveel sporters hadden de afgelopen vijfjaar een consult bij de revalidatiearts ten gevolge van hersenletsel door1https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/hoofdtraumaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4359 het beoefenen van sport? Kan de Staatssecretaris een uiteenzetting persport geven?Het afgelopen jaar zijn de richtlijnen voor acuut en aanhoudend trauma-tisch hersenletsel herzien voor ziekenhuisprofessionals en voorhuisartsen, op basis van de wetenschappelijke stand van zaken. Daar zijnook revalidatieartsen bij betrokken. De NLsportraad heeft de verenigingvan revalidatieartsen gevraagd om mee te denken bij het opstellen vanhet rapport, maar heeft op deze vraag geen reactie ontvangen. Ik hebgeen informatie van de consulten bij de revalidatiearts ten gevolge vanhersenletsel door het beoefenen van sport.Is de Staatssecretaris op de hoogte van de maatregelen die bijvoorbeeldde KNVB al wel heeft genomen om de kans op hersenletsel tevoorkomen? Zijn deze voorbereidingen en initiatieven van de KNVBmeegenomen in het advies voor een kopverbod? Op welke manier is ersamenwerking met de hersenpoli van de KNVB over veilig en verant-woord koppen? Worden de gegevens van de hersenpoli meegenomen inde beleidskeuzes?Ja, ik ken de maatregelen van de KNVB die hij in zijn richtlijnen voor hetseizoen van 2025/2026 heeft opgenomen. Deze richtlijnen publiceerde deKNVB kort voor het advies van NLsportraad gepubliceerd werd. In ditadvies is ruim aandacht voor preventieve en beperkende maatregelen diede KNVB al eerder nam en die ook onderdeel zijn van de richtlijnen. DeKNVB zal deze maatregelen na dit seizoen evalueren om te kijken of hijnog verdere stappen moet zetten. De gegevens van de speciale polikliniekvan de KNVB en het Amsterdam UMC worden door de onderzoekers vanhet Amsterdam UMC gebruikt in hun onderzoek. Dit onderzoek wordtvervolgens weer meegenomen in beleidskeuzes van sportbonden,-koepels en overheden.Is bij het overwegen van een kopverbod in Nederland ook gekeken naarde mogelijke negatieve effecten op het spelverloop en het risico opandere blessures? Is er inzicht in hoe vaak spelers in verschillendeleeftijdsgroepen gemiddeld koppen per seizoen?Zijn er verschillen bekendtussen mannen en vrouwen als het gaat om de hoeveelheid en impact vankopballen?De NLsportraad heeft gekeken naar wetenschappelijke of representatieveonderzoeken in andere landen waar voor de jeugd al een kopverbod isingevoerd. Het effect van dit verbod is nog niet duidelijk. De GR rappor-teert in het advies dat volwassen profvoetballers in een carrière ongeveer8.000 keer koppen. Over andere (leeftijds-)groepen rapporteert de GR niet.De KNVB geeft in zijn richtlijnen2 aan dat jeugdspelers gemiddeld éénkeer in de twaalf wedstrijden koppen. Verdere inzichten over aantallen enimpact betreffen vooral dat er verschillen zijn tussen de groepen, maarniet in detail hoe groot die verschillen zijn.De gezondheid van onze jeugd staat voor genoemde leden voorop,desondanks zijn genoemde leden benieuwd of een kopverbod inNederland kan leiden tot een sportief nadeel voor Nederlandse teams ininternationaal verband?Dat is moeilijk in te schatten omdat het afhankelijk is van veel factoren(onder andere leeftijdsgrens, exacte regelgeving, alternatieve trainings-vormen, etc.). Ik haal de komende maanden bij collega’s uit Schotland,België en Engeland de ervaringen op waar een (gedeeltelijk) kopverbod2Veilig koppen. Verstandig spel. (KNVB, 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43510 geldt voor jeugdvoetballers. Los daarvan denk ik dat ingrepen in de regelsvan het spel het beste in internationaal verband gedaan kunnen worden.Een mooi voorbeeld hiervan benoemde ik eerder in deze beantwoording,en dat is de extra wisselmogelijkheid in het voetbal wanneer sprake is vaneen verdenking van een hersenschudding. In de weging van eventuelemaatregelen gaat gezondheid van jeugdspelers boven prestaties vanvoetbalteams.Deelt de Staatssecretaris de mening van genoemde leden dat, zolangkoppen onderdeel blijft van het internationale voetbal, het belangrijk is datspelers dit op een verantwoorde en veilige manier leren?De NLsportraad en GR adviseren om herhaalde klappen tegen het hoofd(waaronder koppen) tot 12 jaar te verbieden en tussen 12 en 18 jaar radenbeide Raden dit sterk af. Als verantwoord en veilig leren koppen pastbinnen dit advies, dan ben ik het daarmee eens.Hoe kijkt de Staatssecretaris naar de mogelijke negatieve gevolgen vaneen kopverbod voor het sportplezier en de positieve effecten van sport,zoals gezondheid, zelfvertrouwen en sociale verbondenheid?Zoals ik hierboven al aangaf, begint en eindigt de NLsportraad zijn adviesmet de positieve maatschappelijke waarde die sport heeft. Ik sluit medaarbij aan en hoop dat de sport door eventuele maatregelen juistgezonder en plezieriger wordt voor iedereen.De Gezondheidsraad adviseert in te zetten op monitoring om de bloot-stelling aan herhaald hoofdcontact beter in kaart te brengen. Hoe gaat ditgerealiseerd worden en wat is hierbij de te hanteren tijdlijn?De GR adviseert herhaald hoofdcontact beter in kaart te brengen. Ikbespreek de mogelijkheden voor dergelijke monitoring met sportbonden,NOC*NSF en VeiligheidNL. Zoals ik in mijn eerdere beleidsreactietoezegde, zal ik de uitkomst van deze gesprekken medio 2026 met uwKamer delen.Reactie op de ragen en opmerkingen van de leden van deVVD-fractieNu constateren deze leden dat er binnen de KNVB nieuwe richtlijnen overveilig koppen gelden voor het seizoen 2025/2026. Kan de Staatssecretarisaangeven of deze richtlijnen meegewogen zijn in het advies? Graag horendeze leden op welke punten deze richtlijnen al dan niet voldoen.Diverse onderdelen van deze richtlijnen waren al inzet van de KNVB, zoalskleinere velden en lichtere ballen voor de jongste jeugd, het advies omkoppen te oefenen met een lichte en zachte bal en om geen separatetrainingen voor koppen te doen. Deze zijn meegewogen in het advies. Derichtlijnen van de KNVB verschenen kort voor publicatie van het adviesvan de NLsportraad en deze adviseren om jeugdspelers tot «onder12 jaar» maximaal vijf tot tien kopballen per training te laten doen. DeKNVB geeft aan te kiezen voor het aanleren van koppen in een veiligeomgeving met het argument dat op latere leeftijd geen problemen ofextra blessures ontstaan. Dat is niet overeenkomstig met het door deNLsportraad geadviseerde verbod op kopballen voor deze leeftijdscate-gorie.De leden van de VVD-fractie lezen dat de NLsportraad adviseert om hetinzicht te vergroten in de incidentie van hersenletsel vanwege sportbeoe-fening. Zij geven aan dat de sportbonden hier een aantal ideeën overTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43511 hebben, zoals uitbreiding van het wedstrijdformulier. Kan de Staatssecre-taris aangeven of zij deze ideeën voldoende acht, of acht zij aanvullendemaatregelen nodig om het inzicht in de genoemde incidentie tevergroten?Op maandag 13 oktober 2025 had ik een eerste gesprek met diversesportbonden en NOC*NSF. Daarin is onder meer besproken welkemogelijkheden er zijn voor het registeren van hersenletsel. NOC*NSF gafaan de mogelijkheid van sportbrede registratie en monitoring teverkennen. Voortbouwend op de ervaring van diverse sportbonden diereeds een registratiesysteem hebben, zoals de Koninklijke NederlandseHockeybond en de Vechtsportbond. Daarmee komt NOC*NSF tegemoetaan de wens en behoefte van de sport om, ook op dit thema, zelfregu-lerend te blijven. Ik blijf met bonden en NOC*NSF in gesprek overdergelijke initiatieven en zal, zoals toegezegd in de beleidsreactie, medio2026 de uitkomsten van deze gesprekken aan uw Kamer sturen.De leden van de VVD-fractie lezen dat de NLsportraad adviseert omherhaalde klappen en stoten tegen het hoofd te verbieden voor kinderenonder de twaalf jaar. Kan de Staatssecretaris op hoofdlijnen schetsen hoeeen dergelijk verbod eruit zou kunnen zien?In mijn ogen zou een dergelijk verbod in eerste instantie een spelregelwij-ziging betreffen die door de sportbond in kwestie ingevoerd en gehand-haafd wordt. Daarbij zou het mijn voorkeur hebben als deze spelregelwij-ziging ook door de internationale sportkoepel doorgevoerd wordt vooreen gelijk speelveld, letterlijk én figuurlijk. Een andere variant, nà sport- enspelregels, is het strafbaar stellen van herhaalde klappen en stoten tegenhet hoofd.De leden van de VVD-fractie lezen dat de NLsportraad adviseert om totverdere kennisontwikkeling te komen. Hierbij ligt de nadruk op kennisont-wikkeling over vrouwen, parasporters en kinderen. Kan de Staatssecre-taris aangeven op welke manier zij specifiek voor deze doelgroep degenoemde kennisontwikkeling wil stimuleren? Ziet zij mogelijkheden omin dit kader bij andere projecten aan te sluiten, zoals de NationaleStrategie Vrouwengezondheid?In de beleidsreactie die u eerder van mij ontving, gaf ik aan dat demiddelen ontbreken om nieuw onderzoek te financieren, specifiek gerichtop deze doelgroepen. Wel benadruk ik in mijn reguliere contact met allerelevante partijen dat zij in hun activiteiten rekening houden metkennisontwikkelingen specifiek voor deze doelgroepen. Zie hiervoor ookhet eerder genoemde voorbeeld van Sportinnovator. Ik verken op welkewijze de inhoudelijke verbinding gemaakt kan worden met andereprojecten, waaronder De Nationale Strategie Vrouwengezondheid.Reactie op de vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractieHoe beoordeelt de Staatssecretaris de huidige bewustwording aangaandeherhaald hoofdcontact en chronisch hersenletsel?Mijn inschatting is dat op alle niveaus (sporter en begeleider, sportaan-bieder, sportkoepels) bewustwording aanzienlijk groter is dan voorheen.Dat maak ik op uit de urgentie waarmee sportbonden beleid maken enook op uitgebreide aandacht vanuit politiek en media voor dit onderwerp.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43512 Hoe kijkt de Staatssecretaris naar haar rol naar aanleiding van ditgepubliceerde rapport? Ziet zij aanknopingspunten voor het stimulerenvan deze bewustwording? Tevens geeft de Staatssecretaris in debeantwoording aan in gesprek te gaan met de verantwoordelijkesportorganisaties. Zijn deze gesprekken al gevoerd? Zo ja, kan zij nadertoelichten hoe deze gesprekken zijn verlopen?In de beleidsreactie op de adviezen van de NLsportraad en GR gaf ik aandat ik het in eerste instantie zie als mijn verantwoordelijkheid om ditonderwerp bij alle relevante partijen op de agenda te zetten en te houden.De eerste stap hierin was mijn gesprek met diverse sportbonden enNOC*NSF op 13 oktober jongstleden. Daarin spraken we onder meer afom meer kennis te delen, internationale netwerken te benutten en eenvervolggesprek in het voorjaar van 2026 te plannen. Daar is ookgesproken over het algemene belang van sporten voor een gezond levenhoe dat de leidraad is en blijft. Medio 2026 zal ik zoals toegezegd in degenoemde beleidsreactie uw Kamer informeren over de opbrengsten vandeze gesprekken.De NLsportraad pleit ervoor dat de Staatssecretaris verantwoordelijkheidneemt voor de bescherming van kinderen en jongeren en dit niet enkel bijde sportbonden te laten. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier tegenaan?Sporten en bewegen is gezond en kinderen en jongeren leggen daarin debasis voor een leven lang sportplezier. De bescherming van kinderen enjongeren daarbij is van belang omdat we niet kunnen verwachten dat zijeventuele risico’s altijd en helemaal kunnen overzien. De NLsportraadadviseert de Rijksoverheid om afspraken te maken met sportkoepelswaarin maatregelen staan om het risico op herhaald hoofdcontact oftraumatisch hersenletsel in hun sport te verminderen. Gezien het feit datveel sportbonden al aan de slag zijn met dit onderwerp geef ik sport-bonden de ruimte om dergelijke maatregelen verder te ontwikkelen en teimplementeren. Wat mij betreft laat ik de bescherming van kinderen enjongeren daarmee niet enkel bij de sportbonden, maar laat ik wat betreftdit onderwerp het initiatief bij hen. Ik ondersteun waar mogelijk, bijvoor-beeld als het gaat om sturen op kennisontwikkeling en de kwaliteit vanopleidingen.De NLsportraad adviseert verder om een expertisecentrum te benoemenom kennisontwikkeling en -implementatie te coördineren. Hoe kijkt deStaatssecretaris tegen dit voorstel aan?Ik ben in gesprek met VeiligheidNL om te verkennen welke mogelijkhedenzij ziet om invulling te geven aan het advies van de NLsportraad. Tegelijkonderzoek ik op welke wijze dit binnen de bestaande financiële kaderspast.Reactie op de vragen en opmerkingen van de leden van deCDA-fractieDe NLsportraad bepleit onder andere dat de overheid een extra bescher-mingsplicht heeft voor kinderen en jongeren en dat de Staatssecretarisdaarom verantwoordelijkheid moet nemen en bescherming niet alleenaan de sportsector over moet laten. De leden van de CDA-fractie vragen ofde Staatssecretaris het in algemene zin hiermee eens is. Zo nee, waaromniet? Zo ja, waar liggen volgens de Staatssecretaris de grenzen van deverantwoordelijkheden tussen overheid en sportsector als het gaat om hetbeschermen van kinderen en jongeren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43513 Op grond van artikel 22 van de Grondwet heeft de overheid de algemeneplicht om maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid.Sporten en bewegen dragen daar aan bij en kinderen en jongeren leggenhier de basis voor de rest van hun leven. Voor het vervullen van dezeplicht zie ik het als de rol van de overheid om adequate voorlichting tegeven, zodat sportorganisaties en sportbeoefenaren een goede afwegingkunnen maken.De NLsportraad adviseert voor verschillende leeftijdscategorieënverschillende regels voor hoofdcontact te gaan hanteren. Hierbij moetensportbonden de ruimte krijgen om zelf maatregelen uit te werken voorsporters vanaf twaalf jaar. De leden van de CDA-fractie vragen of deStaatssecretaris bereid is sportbonden hierbij hulp aan te bieden als daarbehoefte aan is. Zo nee, waarom niet?Ik ga er vanuit dat sportbonden in eerste instantie sportkoepel NOC*NSFweten te vinden bij dergelijke ondersteuningsbehoeften.De NLsportraad adviseert om het dragen van een helm in de paarden-sport, toerfiets- en wielersport, skiën en snowboarden, schaats- eninlineskatesport te verplichten bij georganiseerde deelname en testimuleren bij ongeorganiseerde sportdeelname. De leden van deCDA-fractie vragen of de Staatssecretaris van mening is dat hier eventueeleen wettelijke verplichting voor zou moeten komen, als de desbetreffendesportbonden niet zelf tot een dergelijke verplichting over zouden gaan.Op dit moment verplichten enkele sportbonden het dragen van hoofdbe-scherming. Het is aan mijn opvolger om eventuele vervolgstappen tebepalen, mochten bonden niet zelf overgaan tot de geadviseerdeverplichting.De NLsportraad geeft aan dat kennis over risico’s van herhaald hoofd-contact voor chronisch hersenletsel nog diverse onzekerheden kent als hetgaat om andere dan mannelijke profsporters. De leden van de CDA-fractievragen of de Staatssecretaris bereid is te stimuleren dat er meer aankennisontwikkeling gedaan wordt, bijvoorbeeld onder regie van Veilig-heidNL in samenwerking met partijen als universitaire ziekenhuizen,Sportgeneeskunde Nederland, koepelorganisaties in de sport- enzorgsector en de sportbonden. Welke rol ziet de Staatssecretaris voorzichzelf hierin?Gegeven de financiële kaders zie ik vooral mogelijkheden om inbestaande onderzoeken en bij bestaande activiteiten van de betreffendepartners de vraagstukken te integreren. Als het gaat om regie hierin danverken ik, zoals in de beantwoording aan andere fracties heb benoemd, demogelijkheden die VeiligheidNL ziet om invulling te geven aan het adviesom een expertisecentrum in te richten.Is er inzicht in hoe vaak spelers in verschillende leeftijdsgroepengemiddeld koppen per seizoen?De GR rapporteert in het advies dat volwassen profvoetballers in eencarrière ongeveer 8.000 keer koppen. Over andere (leeftijds-)groepenrapporteert de Raad niet. De KNVB geeft in zijn richtlijnen aan datjeugdspelers gemiddeld één keer in de twaalf wedstrijden koppen.Verdere inzichten over aantallen en impact betreffen vooral dat erverschillen zijn tussen de groepen, maar niet in detail hoe groot dieverschillen zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43514 Zou een kopverbod in Nederland kunnen leiden tot een sportief nadeelvoor Nederlandse teams in internationaal verband?Zoals ik eerder aangaf in de beantwoording van vragen van de leden vande PVV-fractie is dit moeilijk in te schatten, omdat het afhankelijk is vanveel factoren (onder andere leeftijdsgrens, exacte regelgeving, alterna-tieve trainingsvormen, etc.). Ik haal de komende maanden bij collega’s uitSchotland, België en Engeland de ervaringen op waar een (gedeeltelijk)kopverbod geldt voor jeugdvoetballers. Los daarvan denk ik dat ingrepenin de regels van het spel het beste in internationaal verband gedaankunnen worden. Een mooi voorbeeld hiervan benoemde ik eerder in dezebeantwoording, en dat is de extra wisselmogelijkheid in het voetbalwanneer sprake is van een verdenking van een hersenschudding.In de weging van eventuele maatregelen gaat gezondheid van jeugd-spelers boven prestaties van voetbalteams.Is in de voorbereiding van het advies meegenomen welke maatregelen deKNVB al heeft genomen om koppen veiliger te maken?Ja, deze staan beschreven in het advies van de NLsportraad.Hoe ziet de NLsportraad in de praktijk dat kinderen en volwassenen oplatere leeftijd alsnog op een veilige manier leren koppen?De NLsportraad heeft mij laten weten dat het sportbonden en-organisaties adviseert een plan te ontwikkelen om herhaald hoofdcontact(zowel wat betreft frequentie als intensiteit) en de risico’s op traumatischhersenletsel zo veel mogelijk te verminderen. Opties daarvoor zijnaanpassing van trainingsvormen en spelregels of invoering van bescher-mingsmiddelen. De NLsportraad vindt dat de expertise voor de uitwerkingvan die aanpassingen bij de sportsector zelf ligt.Is bij het overwegen van een kopverbod in het voetbal door de Sportraadook gekeken naar de mogelijke negatieve effecten op het spelverloop enhet risico op andere blessures?De NLsportraad heeft gekeken naar wetenschappelijke of representatieveonderzoeken in andere landen waar voor de jeugd al een kopverbod isingevoerd. Het effect van dit verbod op hersenschuddingen is nog nietduidelijk.Reactie op de vragen en opmerkingen van de leden van deBBB-fractieIs de Staatssecretaris bereid te erkennen dat sport risico’s kent en dat hetniet de taak van de overheid is om deze volledig uit te bannen? Hoevoorkomt zij dat het beleid betuttelend wordt en sportplezier ondermijnt?Sporten en bewegen zijn gezond en moeten vooral ook leuk enontspannend zijn. In de beleidsreactie heb ik aangegeven dat risico’snemen hoort bij spelen, sporten en ontwikkelen. Het is wel belangrijk datmen de risico’s kent als deze genomen worden. Zoals eerder aangegevenbij de beantwoording van de vragen van de leden van de PVV-fractie,begint en eindigt de NLsportraad zijn advies met de positieve maatschap-pelijke waarde die sport heeft. De voorgestelde adviezen zijn gericht opblijvende sportbeoefening en om de sport juist gezonder te maken. Bij diedoelstelling sluit ik me volledig aan en in de gesprekken zal dat altijdonderdeel zijn van de afweging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43515 De NLsportraad heeft zich in de voorbereiding van het advies verdiept inde wetenschappelijke onderzoeken in andere landen die al een kopverbodhebben ingevoerd. Het effect van dit verbod op het aantal hersenschud-dingen is nog niet duidelijk en daarom niet meegenomen in het advies.Is de Staatssecretaris van plan om een kopverbod in het jeugdvoetbal teondersteunen? Zo ja, hoe beoordeelt zij de uitvoerbaarheid en handhaaf-baarheid hiervan, en de impact op sportdeelname en plezier?Op dit moment is geen sprake van een verbod op koppen in het jeugd-voetbal. Maar als de KNVB hiertoe over zou gaan, wanneer zij inschat datde maatregelen uitvoerbaar zijn, dan kan de bond rekenen op mijn steun.Gezien de inschatting van de KNVB dat jeugdspelers maar eens in detwaalf wedstrijden koppen, vermoed ik dat de impact op plezier endeelname daarmee beperkt zal zijn.Als de effecten van koppen voor alle doelgroepen vergelijkbaar zijn,waarom is dan gekozen voor een verbod onder de leeftijd van twaalf jaar?Is dit onderbouwd met cijfers over kopbelasting per leeftijdscategorie?Cijfers over kopbelasting per leeftijdscategorie zijn niet beschikbaar, heeftde Gezondheidsraad geconstateerd. Wel zijn er voldoende aanwijzingenom de risico’s van herhaald koppen dusdanig ernstig in te schatten datmaatregelen genomen moeten worden. De NLsportraad heeft voor diemaatregelen een afweging gemaakt vanuit zowel het medisch perspectief,het juridisch perspectief en het sportorganisatorisch perspectief. Dezedrie perspectieven afwegende komt de NLsportraad tot het advies deleeftijd van twaalf jaar als grens te hanteren.Is de Staatssecretaris het ermee eens dat een nationaal kopverbodNederlandse voetbalteams op achterstand zet in internationale compe-tities? Hoe wordt dit meegewogen in de beleidsreactie?Zoals ik eerder aangaf in de beantwoording van vragen van de leden vande PVV-fractie en de CDA-fractie is dit moeilijk in te schatten, omdat hetafhankelijk is van veel factoren (onder andere leeftijdsgrens, exacteregelgeving, alternatieve trainingsvormen, etc.). Ik haal de komendemaanden bij collega’s uit Schotland, België en Engeland de ervaringen opwaar een (gedeeltelijk) kopverbod geldt voor jeugdvoetballers. Losdaarvan denk ik dat ingrepen in de regels van het spel het beste ininternationaal verband gedaan kunnen worden. Een mooi voorbeeldhiervan benoemde ik eerder in deze beantwoording, en dat is de extrawisselmogelijkheid in het voetbal wanneer sprake is van een verdenkingvan een hersenschudding. In de weging van eventuele maatregelen gaatgezondheid van jeugdspelers boven prestaties van voetbalteams.Is de Staatssecretaris voornemens om landelijke regie te nemen oversportregels? Zo ja, hoe waarborgt zij dat sportverenigingen en sporterszeggenschap behouden over hun eigen sportpraktijk?Ik ben niet voornemens om in te grijpen in de regels van de sport. Deautonomie van de sport is gewaarborgd in artikel 8 van de Grondwet enartikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarinde vrijheid van vereniging is vastgelegd.Hoe gaat de Staatssecretaris beoordelen of maatregelen proportioneel zijnten opzichte van het risico? Wordt hierbij ook gekeken naar uitvoer-baarheid, kosten en impact op sportdeelname?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43516 Sportbonden werken zelf aan eigen maatregelen en kunnen deze toetsenop proportionaliteit, uitvoerbaarheid, kosten en impact op andereterreinen, waaronder de sportdeelname. Het is niet aan mij om die toets tedoen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43517

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6da4905714be0d40

14 okt 2026 · de049d3ddbbfbf61

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.