KamerkringInloggen
Kamerbrief

Stand van zaken palliatieve zorg

17 dec 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie aeb409ff0e35b721 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 509Palliatieve zorgNr. 93 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 december 2024Palliatieve zorg is er voor mensen die niet meer beter worden en hunnaasten. Het draait om kwaliteit van leven en de dingen kunnen blijvendoen die je belangrijk vindt. Deze fase kan maanden of zelfs jaren duren.Terminale zorg en stervensbegeleiding zijn onderdeel van palliatieve zorgen vinden plaats in de allerlaatste weken, soms maanden. Mensenmoeten op deze zorg kunnen rekenen en het moet passen bij hun situatie.Palliatieve zorg staat daarom als één van de prioriteiten van het kabinet inhet regeerprogramma.In deze brief informeer ik u over de volgende activiteiten en onderwerpenover de palliatieve zorg, zoals toegezegd in de brieven van 14 december20231, 6 juni 20242 en 22 oktober 20243:•De door het RIVM uitgevoerde Toekomstverkenning palliatieve zorg2050 (paragraaf 1 en bijlage 1);•De uitvoering van de motie Hermans/Paulusma over «verkennen of enhoe palliatieve- en levenseindezorg een structurele plek kan krijgenbinnen bestaande zorgopleidingen» (paragraaf 2 en het juridisch kaderin bijlage 2);•De door een externe partij uitgevoerde tussenevaluatie van hetNationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II, paragraaf 3 enbijlage 3);•De uitgevoerde tussentijdse zelfevaluatie van het ZonMw programmaPalliantie II (paragraaf 4 en bijlage 4);•Ook stuur ik u hierbij het rapport Onderzoek hospicecapaciteit dat inhet kader van het NPPZ II is uitgevoerd (bijlage 5). Dit onderzoek is eeneerste stap in het verbeteren van de hospicezorg. Het geeft een beeldvan de hospicezorg in Nederland en welke capaciteit er in de toekomstnodig is. Het is een startpunt voor vervolgtrajecten in de regio. Verder1Kamerstukken II, 2023–2024, 29 509, nr. 762Kamerstukken II, 2023–2024, 29 509, nr. 823Kamerstukken II, 2023–2024, 29 509, nr. 85 kst-29509-93ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 931 beantwoord ik zoals toegezegd de nog openstaande vragen uit hetschriftelijke overleg van 22 oktober 2024 (paragraaf 5).•Tot slot ga ik, op verzoek van Kamerlid Dobbe, in op wat ik kan doenom zorgverleners die palliatieve zorg verlenen te ondersteunen. Dit opbasis van een onderzoek dat is uitgevoerd voor het Integraal Kanker-centrum Nederland (IKNL) in samenwerking met het UniversitairMedisch Centrum in Leiden (LUMC).1. Toekomstverkenning 2050 Samen met de partijen die bij palliatieve zorg betrokken zijn, werk ik aaneen toekomstvisie voor de palliatieve zorg in Nederland. Ook maak ik methen een toekomstagenda om die visie in concrete activiteiten om tezetten. Doel is dat mensen ook in de toekomst goede palliatieve zorgkunnen krijgen die bij hen en hun situatie past. Om de juiste plannen voorde toekomst te kunnen maken heb ik het RIVM gevraagd een Toekomst-verkenning van de palliatieve zorg richting 2050 uit te voeren. In bijlage 1treft u de verkenning aan, die is bedoeld als discussiestuk.Het RIVM onderzocht hoe en waarom de palliatieve zorg in de toekomstgaat veranderen. Belangrijke redenen zijn de vergrijzing, toenemendepersoneelstekorten in de zorg, digitalisering en andere technologischevernieuwing in de zorg, en de groeiende diversiteit in de samenle-ving.Door (dubbele) vergrijzing en een veranderende arbeidsmarktontstaat er een groeiend gat tussen de vraag naar en het aanbod vanpalliatieve zorg richting 2050. Bovendien leidt de toenemende diversiteitin de bevolking tot een gevarieerdere vraag naar palliatieve zorg.Technologie zorgt ervoor dat mensen eerder een diagnose krijgen enbetere behandelingen waardoor zij langer zullen leven, vaak metmeerdere ziekten tegelijk. De toekomstige palliatieve zorgvraag wordtdaardoor niet alleen groter, maar ook complexer. Dit levert de volgendemaatschappelijke opgaven op, zo geeft de Toekomstverkenning aan:•Hoe leveren we in een diverse samenleving, met veel mensen met eencomplexe zorgvraag in de palliatieve fase, passende zorg en onder-steuning?•Hoe organiseren we palliatieve zorg voor de groeiende groep mensendie zal sterven aan dementie?•Hoe gaan we om met de toenemende druk op de formele en informelezorgverleners (zoals vrijwilligers en mantelzorgers) onder invloed vande groeiende zorgvraag en afnemende capaciteit?Door deze ontwikkelingen zullen in de toekomst meer mensen palliatievezorg nodig hebben én zal hun vraag naar palliatieve zorg onderlingverschillen. En dat terwijl het aantal mensen dat deze zorg kan verlenenafneemt. De vraag is op welke manier de samenleving hier in 2050 eenoplossing voor heeft.Om recht te doen aan de verscheidenheid aan waarden en opvattingen inde samenleving worden door het RIVM drie scenario’s gepresenteerd voorhet jaar 2050:•de gemeenschap centraal;•het individu centraal;•de professional centraal.De gemeenschap centraal heeft als belangrijkste kernwaarden: gelijkwaar-digheid, solidariteit en dienstbaarheid. Voor het individu centraal zijn ditvrijheid, zelfbeschikking en zelfredzaamheid en bij de professionalcentraal: vertrouwen, continuïteit en efficiëntie. Bij het ontwikkelen van descenario’s is gebruik gemaakt van de perspectieven in de VolksgezondheidToekomst Verkenning (VTV) 2014. Deze perspectieven, die elk eenmogelijk toekomstbeeld tonen, zijn opnieuw getoetst voor de VTV 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 932 De scenario’s laten zien in welke richtingen de palliatieve zorg inNederland de komende jaren zou kunnen veranderen. En dat er verschil-lende oplossingen mogelijk zijn om de problemen op te lossen. Dit vraagtom keuzes voor de palliatieve zorg van de toekomst. Voor elk scenario isook een illustratie gemaakt.Op basis van deze verkenning en de uitkomsten van de tussenevaluaties(zie hierna) wil ik samen met partijen een visie en een langjarige agendaopstellen. Ook de inbreng van uw Kamer vind ik daarbij belangrijk. Hetdoel is dat palliatieve zorg een vanzelfsprekend onderdeel wordt van dereguliere zorg en dat iedereen kan sterven waar hij of zij dat wil.Ondertussen werk ik verder aan het uitvoeren van de verschillendeprogramma’s, die goed op schema lopen (zie paragraaf 3 en 4). Ik wil ditgraag versnellen. Dit doe ik onder andere door bij de transformatiepalliatieve zorg verder in te zetten op betere samenwerking tussen regio’s,zowel de deelnemende als de nog niet deelnemende regio’s. Verder wil ikafspraken maken in het aanvullende zorg- en welzijnsakkoord (IZWA) overproactieve zorgplanningsgesprekken, over opleidingen en scholing enover omzetplafonds.2. Motie Hermans/Paulusma Op 4 juni 2024 heeft uw Kamer de motie aangenomen van de ledenHermans (VVD) en Paulusma (D66) over palliatieve zorg in onderwijs enopleidingen4. De motie geeft aan dat bij 70% van de mensen die komen teoverlijden een noodzaak is tot palliatieve zorg en dat onderzoek onderzorgmedewerkers stelt dat twee derde vindt dat hij of zij onvoldoendekennis heeft over palliatieve zorg. Dit kan leiden tot het onvoldoendebespreken van wensen ten aanzien van het levenseinde, handelingsverle-genheid of onnodige overbehandeling, en daarmee verlies van kwaliteitvan leven in de laatste levensfase. Het programma OptimaliserenOnderwijs Palliatieve Zorg heeft geleid tot verschillende aanbevelingenom aandacht voor en de positie van palliatieve zorg in onderwijs enopleidingen te verbeteren. De motie «verzoekt de Ministers van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap (OCW) om naar aanleiding van deze aanbevelingen met bestaandezorg- en artsenopleidingen en het werkveld te verkennen of en hoe binnenbestaande zorgopleidingen en scholing palliatieve en levenseindezorg eenstructurele plek kan krijgen, en de Kamer hierover na de zomer teinformeren».Om invulling te geven aan de motie heb ik in kaart gebracht:•Wat er tot nu toe is gedaan om palliatieve en levenseindezorg op tenemen in de zorgopleidingen en scholing; de rol en resultaten van hetprogramma Optimaliseren Onderwijs Palliatieve Zorg (O_PZ) en hetprogramma Scholing Palliatieve Zorg;•Wat de belangrijkste knelpunten hierbij zijn;•Wat het juridisch kader voor het vaststellen van de inhoud van deopleidingen is;•Welke mogelijkheden er zijn om palliatieve zorg te verankeren in deopleidingen en bij- en nascholingen.2.1. Wat is al gebeurd? Sinds 2019 loopt via de ZonMw-programma’s «Palliantie. Meer dan zorg»en «Palliantie II» het programma Optimaliseren Onderwijs Palliatieve Zorg(O_PZ). Hierin is gewerkt aan implementatie en borging van palliatieve4Kamerstukken II, 2023–2024, 29 509, nr. 77Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 933 zorg in de basis- en vervolgopleidingen voor artsen (wo) en in deopleidingen voor verpleegkundigen en verzorgenden (hbo en mbo). Hetgaat onder andere om het volgende:•Er is een netwerk van acht onderwijsknooppunten palliatieve zorggevormd als onderdeel van de consortia palliatieve zorg. Vanuit dezenetwerken zetten ambassadeurs zich in voor verbetering van hetonderwijs over palliatieve zorg. Iedere regio heeft één of meerambassadeurs die de schakel zijn tussen onderwijs, praktijk enonderzoek. Hiermee is in de afgelopen vijf jaar een groot netwerkopgebouwd, waarbij vrijwel alle opleiders zich hebben aangesloten.Deze landelijke structuur helpt om het programma Scholing PalliatieveZorg onder de aandacht te brengen in de regio. Maar ook omzorgdocenten te werven die getraind willen worden of trainingenkunnen verzorgen.•Er is een werkgroep palliatieve zorg gevormd binnen de NederlandseVereniging voor Medisch Onderwijs (NVMO). Deze werkgroep wilpalliatieve zorg een plek geven in het medisch onderwijs en de kennisvan docenten over dit onderwerp verbeteren.•In het Raamplan artsopleiding 2020 is zorg in de palliatieve faseopgenomen. Alle faculteiten werken eraan om onderwijs overpalliatieve zorg op te nemen in het curriculum.•Veel onderwijsmaterialen zijn ontwikkeld en zijn beschikbaar via detoolbox op Palliaweb5.•Het Onderwijsraamwerk Palliatieve Zorg 2.0 is ontwikkeld. Hetraamwerk is een hulpmiddel voor het ontwikkelen van onderwijs overalgemene kennis over palliatieve zorg dat gebruikt kan worden dooronderwijsontwikkelaars, docenten en opleiders. Het beschrijft decompetenties van zorgverleners van niveau 2 tot en met 8 om goedepalliatieve zorg te kunnen verlenen. De raamwerken zijn beschikbaarvoor mbo, hbo en wo(+) en voor de Master Advanced Nursing Practice(MANP), de Master Physician Assistant (MPA) en de VerpleegkundigeVervolgopleidingen (VVO). Ook is het profiel specialistische expertisepalliatieve zorg opgesteld.Verder is via het programma Scholing Palliatieve Zorg (mede mogelijkgemaakt door het Koningin Wilhelmina Fonds voor de NederlandseKankerbestrijding (KWF)) het docentenprofiel Palliatieve Zorg 2.0opgesteld. Hierin is beschreven waaraan een docent palliatieve zorg zoumoeten voldoen6. Ook is een landelijk uniforme bij- en nascholingpalliatieve zorg bij ongeneeslijke kanker ontwikkeld voor zittendezorgverleners en beschikbaar gemaakt in heel Nederland.Tot slot wordt door Palliatieve Zorg Nederland (PZNL) en O_PZ informatieen scholings- en onderwijsmateriaal aangeboden op het Onderwijs-platform palliatieve zorg (Palliaweb). Dit is bedoeld voor (aankomend)zorgverleners en opleiders/docenten.2.2. Knelpunten Er zijn nog steeds veel mogelijkheden om palliatieve zorg een stevigereplek te geven in de onderwijsprogramma’s van alle zorgopleidingen. In demotie wordt gevraagd om te verkennen of en hoe palliatieve en levensein-dezorg binnen bestaande zorgopleidingen en scholing een structurele plekkan krijgen.Ik heb daarom met vertegenwoordigers van bestaande zorg- en artsoplei-dingen en het zorgveld verkend welke problemen we moeten aanpakken.Daaruit komen de volgende problemen naar voren:5https://palliaweb.nl/optimaliseren-onderwijs-palliatieve-zorg6https://scholingpalliatievezorg.nl/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 934 Verschillen in begrip en beleving van palliatieve zorgDelen van de palliatieve zorg worden door huidige zorgverleners en doordocenten niet altijd herkend. Palliatieve zorg wordt vaak gezien alsterminale zorg, terwijl het veel breder is. De palliatieve fase begint zodraiemand te horen krijgt dat hij of zij ongeneeslijk ziek is en start dus veeleerder dan de terminale fase. Ook wordt palliatieve zorg niet altijd gezienals vanzelfsprekend onderdeel van de reguliere zorg, net als preventieveen curatieve zorg. Ook in opleidingen wordt het niet gezien als onderdeelvan basiszorg, maar als een extra thema waarvoor geen ruimte is in hetvolle curriculum.Docenten, werkveld en studenten vinden het vaak moeilijk om het gesprekte voeren over de laatste levensfase en de mogelijkheden en wensen vande patiënt. Palliatieve zorg is voor artsen vaak nog een beladen thema,omdat het vak van arts van oudsher gericht is op genezen.Verschillende verantwoordelijkheden voor sturing op de inhoud van deopleidingenIndividuele opleidingsinstellingen, programmadirecteuren en weten-schappelijke verenigingen zijn verantwoordelijk voor het opnemen vanpalliatieve zorg in het curriculum van de opleidingen. De inhoud vanopleidingen wordt dus niet landelijk bepaald. De focus van opleidingenkan gericht zijn op andere competenties. Bij opname van palliatieve zorgin het curriculum is het voor studenten niet altijd verplicht om dit tevolgen. Daarmee is de inhoud van opleidingen afhankelijk van het belangdat opleidingsinstituten, programmadirecteuren, wetenschappelijkeverenigingen en individuele docenten en studenten hechten aan pallia-tieve zorg. Daarbij moet het onderwerp concurreren met andere actuelethema’s als digitale vaardigheid, cultuursensitieve zorg en preventie.Tijd en deskundigheid zijn nodigBij het wijzigen van het kader voor zorgopleidingen zijn veel partijenbetrokken en dit kan soms lang duren. Deskundigheid van docenten envan zittend personeel op de werkvloer, waaronder stagebegeleiders, isniet altijd aanwezig. Dat maakt dat ook hier aandacht voor nodig is. Ookmoeten in de praktijk veel verschillende opleidingsorganisaties, contact-personen en (onderdelen van) beroepsverenigingen bereikt worden enmaken wisselingen van personeel het behouden en verspreiden van dezekennis moeilijker.2.3. Vervolgstappen Naar aanleiding van bovenstaande knelpunten heb ik samen met deMinister van OCW verkend wat de juridische mogelijkheden zijn ompalliatieve zorg onderdeel te maken van (het verplichte deel van) dezorgopleidingen en bij- en nascholingen. De verantwoordelijkheden voorhet opstellen van kwalificatie-eisen en voor de opleidingsprogramma’s encurricula zijn weergegeven in het juridisch kader in bijlage 2.Uit het juridisch kader blijkt dat er geen aangrijpingspunten zijn in dewetgeving om landelijk voor te schrijven dat palliatieve en levensein-dezorg een plek krijgt in de bestaande zorg- en artsenopleidingen. VanuitOCW en vanuit VWS kan de inhoud van de opleidingen niet landelijkworden bepaald. Bij andere opleidingen geldt hetzelfde. Individueleopleidingsinstellingen, programmadirecteuren en wetenschappelijkeverenigingen zijn verantwoordelijk voor het opnemen van palliatieve zorgin de opleidingen. Hiermee ligt een grote verantwoordelijkheid bij desector.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 935 Om de beweging te kunnen realiseren is urgentiebesef nodig bij deverantwoordelijke partijen. Ook dient er een vervolg gegeven te wordenaan alles wat is ontwikkeld binnen O_PZ en het programma ScholingPalliatieve Zorg. Het behouden en verspreiden van resultaten enproducten die zijn ontwikkeld binnen O_PZ zal plaatsvinden via PalliatieveZorg Nederland (PZNL)en het NPPZ II (gedurende de looptijd tot eind2026). Dit sluit aan bij de activiteiten rond deskundigheidsbevordering vanzorgverleners die PZNL vanaf 1 januari 2024 heeft overgenomen van hetIntegraal Kankercentrum Nederland (IKNL). PZNL biedt hierbij onder-steuning en advies aan zorginstellingen, onderwijsorganisaties, onder-zoekers en beleidsorganisaties en maakt onderwijsproducten en/ofdiensten toegankelijk op Palliaweb.Ik wil in het voorjaar met betrokkenen uit het onderwijs, beroepsgroepenen werkveld palliatieve zorg tijdens een werkconferentie bespreken hoewe hieraan gezamenlijk vervolg kunnen geven. Hier zal onder andere aande orde komen: bewustwording en urgentie bevorderen bij stakeholders,ondersteuning van stakeholders, borgen en verder beschikbaar makenvan alles wat al is ontwikkeld in het kader van O_PZ en het programmaScholing Palliatieve Zorg. Bovendien zullen er met de stakeholdersconcrete afspraken worden gemaakt over wie welke acties gaat onder-nemen om de aangegeven knelpunten structureel op te lossen enpalliatieve en levenseindezorg een structurele plek te geven binnenbestaande zorgopleidingen en scholing. Daarbij zal er ook aandacht zijnvoor continuïteit van aanbod van na- en bijscholingen en het voorkomenvan versnippering in het scholingsaanbod. Ik zal u informeren over deuitkomsten van deze werkconferentie.Verder zal ik het onderwerp palliatieve zorg opnemen in de leidraadvakmanschap en werkplezier die in het kader van toekomstbestendigezorg wordt opgesteld. Onderdelen van de leidraad zullen wordenovergenomen in het aanvullende zorg- en welzijnsakkoord (IZWA).Met bovenstaande verkenning heb ik de motie van de leden Hermans(VVD) en Paulusma (D66) over palliatieve zorg in opleidingen en bij- ennascholingen7 uitgevoerd. Met het aangegeven vervolg wil ik samen methet onderwijs- en zorgveld echt stappen zetten om palliatieve zorg eenstructurele plek te geven in de zorgopleidingen en bij- en nascholingen ente bereiken dat het een vanzelfsprekend onderdeel wordt van de regulierezorg.3. Tussenevaluatie Nationaal Programma Palliatieve Zorg II Van augustus tot en met november 2024 heeft een tussenevaluatie vanhet Nationaal Programma Palliatieve zorg II (NPPZ II) door een externbureau plaatsgevonden (bijlage 3). Aan de onderzoekers is gevraagdvanaf de start in 2022 tot halverwege 2024 te evalueren:−de doeltreffendheid van het programma NPPZ II;−de voorbereiding van de borging (ná NPPZ II) van de resultaten van hetprogramma.De algemene conclusie van de onderzoekers is dat het NPPZ II op schemaloopt. De Transformatie palliatieve zorg draagt positief bij aan het behalenvan de gestelde doelen. Daarvoor is het wel nodig dat er samenwerkingblijft plaatsvinden tussen alle partijen, zowel de partijen specifiek voorpalliatieve zorg als de meer generalistische partijen, de systeempartijenen het sociaal domein. Dit dient te gebeuren op lokaal, regionaal enlandelijk niveau. Ook geven de onderzoekers aan dat doorontwikkeling7Kamerstukken II, 2023–2024, 29 509, nr. 77Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 936 van de Stuurgroep NPPZ II gewenst is in omvang, samenstelling,rolverduidelijking en werkwijze. Verder geven zij aan dat vanaf nu meeringezet mag worden op structurele borging van rollen, taken en verant-woordelijkheden voor verschillende werkzaamheden op verschillendeniveaus. Samenwerking met Palliantie II verloopt in het algemeen positiefen kan verder verbeterd worden door betere onderlinge communicatie enafstemming. De samenwerking met Kenniscentrum Kinderpalliatieve zorgverloopt goed, zo constateren de onderzoekers. Hieronder volgt een kortebeleidsreactie op de verschillende aanbevelingen uit het rapport.3.1. Algemeen Ik ben blij dat het NPPZ II in algemene zin op koers ligt en blijf onver-minderd inzetten op de realisatie van de doelen van het NPPZ II. Tenaanzien van één van de doelstellingen van het programma, «proactievezorg en ondersteuning voor iedereen, altijd en overal», onderschrijf ik datdeze doelstelling ambitieus is geformuleerd, gezien de looptijd van hetprogramma. Het onderdeel «iedereen, altijd en overal» van het doel iscomplex en het kost tijd om dat te behalen. Daarnaast moet het sociaaldomein meer betrokken worden. Ik wil hier belangrijke stappen in zetten,dus zal op korte termijn samen met betrokken partijen bepalen hoe om tegaan met deze doelstelling in de komende 2 jaar en na NPPZ II.3.2. Transformatie palliatieve zorg De bijsturing naar inzet op de Transformatie palliatieve zorg komt in dezetussenevaluatie naar voren als positief en er is breed draagvlak voor. Ditwordt bevestigd door het animo vanuit de regio’s. Ik zal dus doorgaan metde ondersteuning van regionale transformaties palliatieve zorg. In 2024 isde ondersteuning bij het uitwerken van een transformatieplan palliatievezorg van drie regio’s uitgebreid naar tien à veertien regio’s. Met allepartijen in deze regio’s, zoals verpleeghuizen, huisartsen, wijkverpleging,hospices, ziekenhuizen, netwerken palliatieve zorg, wordt samen gekekennaar wat in een bepaalde regio nodig is om goede palliatieve zorg televeren. Dit wordt vastgelegd in een transformatieplan waarin staat watdaarvoor moet worden geregeld. Bijvoorbeeld multidisciplinair overleg(MDO): met wie, wanneer, over wie, maar ook hoe kan bijvoorbeeld deoverdracht van huisarts naar wijkverpleging, of van ziekenhuis naarhuisarts nog beter? In de Mijnstreek wordt bijvoorbeeld patiëntvertegen-woordiging heel duidelijk in de transformatie meegenomen. In Drenthewordt een transformatieplan niet met één regio en één ziekenhuis, maarmet vier regio’s en drie ziekenhuizen samen opgepakt. In MiddenNederland is kern van het transformatieplan om palliatieve zorg tenormaliseren: van een kwestie van geluk naar een staat van vertrouwen.De eerste IZA transformatieplannen palliatieve zorg zijn inmiddelsingediend voor beoordeling bij zorgverzekeraars. Verder wordt doorge-werkt aan instrumenten en hulpmiddelen die de transformatie voor allebelangstellenden concreet en tastbaar maken8. Op deze manier kunnennog niet gestarte regio’s leren van regio’s die al transformatiepannenhebben opgesteld en kan onderlinge uitwisseling plaatsvinden. Zodat inelke regio (vroeg)tijdige palliatieve zorg kan plaatsvinden en de samen-werking tussen ziekenhuizen, huisartsen, wijkverpleging en hospicevoor-8https://nppz.org/transformatie-palliatieve-zorg/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 937 zieningen verbetert9. Op deze manier kan potentieel niet-passende zorgworden voorkomen en kunnen mensen meer passende zorg ontvangen inde laatste levensfase10. In 2025 zet ik in op het verder versnellen, onderandere door regio’s aan te moedigen meer samen te werken en kennis tedelen. Verder zal het element proactieve zorgplanning (het regelmatigvoeren van proactieve zorgplanningsgesprekken in de palliatieve fase) eenplaats krijgen in het IZWA.3.3. Stuurgroep De huidige Stuurgroep heeft de eerste periode van NPPZ II goed gefuncti-oneerd en ik onderschrijf dat zij in de tweede fase van het programma aandoorontwikkeling toe is. Ik zal dan ook – in lijn met de aanbevelingen uithet onderzoek – in overleg met PZNL, Stuurgroep leden en nog nietvertegenwoordigde partijen, aanpassingen in de Stuurgroep doorvoeren.Doel daarvan is dat deze passend is bij de tweede fase, inclusief aange-paste rolbeschrijving, informatiestroom en actievere rol van VWS in deStuurgroep.3.4. Borging Structurele borging van rollen, taken en verantwoordelijkheden (alsonderdeel van implementatie) zal de komende jaren nog belangrijkerworden. Ik zal hiertoe samen met de betrokken partijen duidelijk formu-leren wat er geborgd moet worden en welke partijen hiervoor nodig zijn.En wat er bereikt kan worden binnen de resterende periode van hetprogramma. Het betreft daarbij structurele borging van zowel de(resterende) werkzaamheden van het programma ná NPPZ II, als deborging van (landelijk en regionaal) beleid en borging in de processen van(zorg)professionals die daadwerkelijk de palliatieve zorg leveren.3.5. Afstemming met Palliantie II en Kinderpalliatieve zorg Het is prettig dat de samenwerking tussen ZonMw/Palliantie II enPZNL/NPPZ II als positief wordt ervaren. De verdere verbetering van deonderlinge communicatie tussen de programma’s evenals de versterkingvan de verbinding met het thema Kind & Jongere steun ik. Dat laatsteonder andere door een separate Stuurgroep voor het thema Kind &Jongere in te laten richten. Zo krijgen de onderwerpen die belangrijk zijnvoor kinderen en jongeren, zoals bijvoorbeeld de overgang van de leeftijd18– naar 18+, apart de nodige aandacht.4. Tussenevaluatie ZonMw programma Palliantie II In bijlage 4 bij deze brief is ook de tussentijdse (zelf)evaluatie van hetZonMw-programma Palliantie II meegestuurd. De evaluatie gaat over deperiode 2021 tot medio 2024. Er is door ZonMw nagegaan in hoeverre deprogrammadoelen nog actueel en haalbaar zijn, hoe het programma totnu toe verloopt en welke stappen nodig zijn voor het vervolg.9Bij initiatieven waar ziekenhuizen, huisartsen en de thuiszorg intensief samenwerken krijgt eenpatiënt meer passende zorg in de laatste levensfase. Dertig dagen voor overlijden hebbenpatiënten minder te maken met IC- en ziekenhuisopnames, worden minder behandeld metchemotherapie en overlijden patiënten minder vaak in het ziekenhuis: https://iknl.nl/nieuws/2024/transmurale-palliatieve-zorg10Het bieden van vroegtijdige palliatieve zorg kan bijdragen aan het voorkómen van potentieelniet-passende zorg. Een team palliatieve zorg in het ziekenhuis kan hier een belangrijke rol inspelen: https://palliaweb.nl/publicaties/potentieel-niet-passende-zorg-en-inzet-team-palliaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 938 De conclusie is dat het programma goed op koers ligt en de lopendeprojecten bijdragen aan de verdere implementatie van het Kwaliteitskaderpalliatieve zorg. Het programma werkt aan innovatie en (door)ontwik-keling van kennis die kan worden toegepast in de praktijk, in onderwijs enin het beleid. Het is vooral belangrijk dat alle resultaten goed landen in depraktijk. Ook om mee te kunnen bewegen met maatschappelijke ontwikke-lingen (zoals vergrijzing en personeelstekorten) en passend bij de inapril jl. gepubliceerde kennisagenda palliatieve zorg11. Verder wordt meeringezet op het integreren van de palliatieve zorg in de reguliere zorg. Ditsluit aan bij het beleid van het kabinet. Met geïntegreerde palliatieve zorgwordt bijgedragen aan het zogenoemde tweesporenbeleid: enerzijdsmaximaal inzetten op het behandelen van een ziekte en anderzijdsvroegtijdig met de patiënt en naasten bespreken wat wensen enbehoeften zijn als de behandeling van de ziekte onvoldoende werkt. Zokrijgen mensen die ongeneeslijk ziek of kwetsbaar zijn en hun naastenvroegtijdig passende palliatieve zorg.Ter verdere verbetering van de communicatie en onderlinge uitwisselingtussen de programma’s NPPZ II en Palliantie II zal periodiek overlegworden gestart.5. Nog openstaande vragen uit schriftelijk overleg Zoals toegezegd, beantwoord ik hieronder de nog openstaande vragen uithet schriftelijk overleg van 22 oktober 2024. Daarbij houd ik de volgordevan het verslag schriftelijk overleg aan.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat organisatiesonder grote druk staan wegens de doelmatigheidseisen. Zij merken op datorganisaties de opdracht krijgen om een gemiddeld aantal uren per cliëntte besteden, waarbij er een financiële beloning is indien de organisatieonder dit aantal uren blijft, maar er een boete is als de organisatie hetaantal uren overschrijdt. Zou de Staatssecretaris op deze punten eenreflectie kunnen geven? Welke concrete maatregelen is de Staatssecretarisvoornemens te nemen om deze problematiek op te lossen? Welkeconcrete maatregelen gaat de Staatssecretaris nemen om specifiek tevoorkomen dat deze systematiek ontmoedigend werkt voor organisatiesom cliënten met een grote zorgvraag te helpen?Ik vind het van belang dat patiënten die palliatieve zorg nodig hebbendeze zorg ook tijdig krijgen. Ik heb daarom navraag gedaan bij Zorgverze-keraars Nederland en de zorgverzekeraars. Zij herkennen dit knelpunt niet.Er is geen opdracht om een gemiddeld aantal uren per client te bestedenen er is ook geen sprake van een boete als een bepaald aantal urenoverschreden wordt. Daarnaast blijkt uit navraag bij vier grote zorgverze-keraars dat zij de palliatieve zorg uit de benchmark halen en apartbeoordelen (dat wil zeggen dat deze niet worden meegenomen in detotale doelmatigheidsafspraken).Zorgverzekeraars erkennen dat palliatieve zorg een grillig verloop kanhebben. Als iemands gezondheid achteruit gaat, kan iemand ook weer(beperkt) herstellen, vaak tot hetzelfde of een iets lager niveau vanfunctioneren. Deze onzekerheid brengt specifieke problemen met zich meevoor de palliatieve zorgverlening. De benodigde professionele zorg is naarhun oordeel voor iedere cliënt anders en kan daarmee sterk uiteenlopen.Als er (structureel) een afwijkend beeld qua zorginzet bij een aanbieder isbij de inzet van palliatieve zorg dan gaan zorgverzekeraars hier hetgesprek over aan met de aanbieder.11www.palliaweb.nl/palzon/kennisagenda-palliatieve-zorgTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 939 In het algemeen merk ik op dat zorgverzekeraars bij hun inkoop rekeninghouden met zowel toegankelijkheid, kwaliteit als betaalbaarheid van dezorg. Hiervan maakt in het algemeen ook de doelmatigheid een onderdeeluit. Gezien de reactie van de zorgverzekeraars zie ik geen aanleiding op ditpunt actie te ondernemen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden graag willen zien datnazorg ingebed wordt in de gehele sector van palliatieve zorg, waar ditnodig is. Welke concrete stappen gaat de Staatssecretaris nemen om dit terealiseren?Nazorg is een essentieel onderdeel van palliatieve zorg. Het is dan ookeen onderdeel van het Kwaliteitskader palliatieve zorg en het isopgenomen in richtlijnen palliatieve zorg. Ik vind het belangrijk dat erherkenning en erkenning is voor de emotionele impact van de zorgrondom het levenseinde op de zorgverlener. Er kunnen emoties vanverdriet, rouw, ontroering, frustratie of opluchting zijn. Na het overlijdenvan de patiënt hebben zorgverleners behoefte om deze emoties te uiten.Conform de richtlijn Zorg in de stervensfase12 zijn de aanbevelingen om:de emotionele impact van de zorg rondom het levenseinde op dezorgverleners te erkennen; aandacht te hebben voor de emoties vancollega’s; gebruik te maken van een vorm van nabespreking en reflectieachteraf op de stervensfase. Deze steun kan bijdragen aan het verwerkenvan het verlies. Ik zal voor het onderdeel Nazorg en de richtlijn daaromspecifiek aandacht vragen in de resterende looptijd van de uitvoering vanhet NPPZ II.De leden van de NSC-fractie horen geluiden uit het ziekenhuis dat het heelingewikkeld is om palliatieve zorg in het ziekenhuis vergoed te krijgen. DeDiagnose Behandel Combinatie (DBC) palliatieve zorg wordt alleenvergoed als het palliatief team ernaar gekeken heeft én een bespreking inhet multidisciplinair overleg heeft plaats gevonden. Dagelijkse zorg vooreen patiënt die echt in de stervensfase is maar die sterft voordat er eenmultidisciplinair overleg heeft kunnen plaatsvinden dan is alle zorg nietdeclarabel. Genoemde leden vragen aan de Staatssecretaris of dit andersgeregeld kan worden. Daarnaast moet er kennelijk anderhalf uur zittentussen twee poliklinische bezoeken in ziekenhuizen. Dus als de patiënt eenafspraak bij de poli palliatieve zorg heeft en een afspraak bij de oncoloogmoet er minstens anderhalf uur zitten tussen die afspraken, anders wordter niet vergoed. Dit gaat echter om doodzieke patiënten, kan dit echt nietanders?De eerste vraag betreft de vergoeding voor palliatieve zorg die in hetziekenhuis wordt verleend. Bij de dbc palliatieve zorg gaat het omspecialistische palliatieve zorg. Om deze reden is het dan ook een vereistedat het overleg palliatieve zorg met een multidisciplinair team onderdeeluitmaakt van de zorg en de prestatie. Ik zal met de NZa in overleg tredenover deze vereiste en uw Kamer daarover nader berichten.De zorgverlener die de zorg levert voor de aandoening waarvoor depatiënt onder behandeling is biedt generalistische palliatieve zorg.Daarnaast kan een klinische dbc voor een opname worden gedeclareerd.Per 2025 introduceert de NZa een overig zorgproduct (ozp) voor proac-tieve zorgplanning dat gekoppeld is aan de dbc van de (hoofd)behan-delaar waarbij de patiënt onder behandeling is.Met betrekking tot het tweede deel van de vraag begrijp ik de wens dat ditanders moet. Een wachttijd van anderhalf uur tussen polikliniekbezoekenis niet in lijn met Passende Zorg. Een patiënt, zeker als het gaat om12https://palliaweb.nl/richtlijnen-palliatieve-zorg/richtlijn/stervensfaseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 9310 patiënten die beroep doen op palliatieve zorg, moet niet onnodig hoevenwachten tussen twee of meer poliklinische bezoeken. Deze beperking vanminimaal anderhalf uur volgt echter niet uit de regelgeving van de NZa.Een tussentijd van bijvoorbeeld vijf minuten is ook voldoende, maarzorgaanbieders hanteren soms zelf een zeer lange tussentijd in verbandmet het horizontaal toezicht zorg. De reden dat «niet aansluitendepolikliniekbezoeken»13 in het verleden in de regelgeving zijn opgenomenwas puur om te voorkomen dat twee of meer polikliniekbezoeken vandezelfde patiënt direct aansluitend bij dezelfde medisch specialist kondenworden geregistreerd als twee of meer aparte polikliniekbezoeken, terwijldit in feite één lang polikliniek bezoek betreft voor dezelfde zorgvraag.De NZa is ermee bekend dat dit uiteenlopend wordt toegepast doorzorgaanbieders. Hierdoor levert dit in de praktijk een belemmering op bijbijvoorbeeld de wens van de patiënt voor aansluitende polikliniekbe-zoeken bij verschillende beroepsbeoefenaren die de poortfunctieuitvoeren voor verschillende medisch specialismen of voor een anderezorgvraag.Het is dus nu al in de geest van de regelgeving en in lijn met PassendeZorg, om polibezoeken bij verschillende beroepsbeoefenaren vanverschillende medisch specialismen (en voor verschillende zorgvragen)aansluitend in te plannen. Omdat dit een terugkerende vraag is, is de NZavoornemens om het betreffende artikel (artikel 24 lid 1 van de Regelingmedisch-specialistische zorg – NR/REG-2403a) te verduidelijken. Waarmogelijk wordt hierbij gestreefd naar een aanpassing per 2027. Deaanpassing zal erop neerkomen dat aansluitende bezoeken bij verschil-lende poliklinieken mogelijk worden, dus zonder een vereiste wachttijdertussen. Hierdoor hoeven patiënten tussentijds niet meer onnodig tewachten. Het jaar 2027 lijkt ver weg, maar dat is inherent aan het procesvan aanpassing van de regelgeving/aanpassing elementen in dedbc-systematiek bij de NZa en vervolgens voor extern (het verwerken vanaanpassingen door de branche-partijen en achterban in hun systemen enhet inbedden in de ict-systemen voor het veld). Dit proces is voor 2026voor diverse wijzigingen op dit moment al in gang.De BBB-fractie vraagt: Hoe gaat de Staatssecretaris de regie overpalliatieve zorg weghalen bij de zorgverzekeraars en weer terugleggen bijde zorgprofessionals?Het is aan zorgprofessionals om invulling te geven aan de zorgvraag diepatiënten hebben. Het is aan de zorgverzekeraar om te bepalen of degedeclareerde zorg daadwerkelijk binnen de Zorgverzekeringswet valt endus vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet. Daarnaasthebben zorgverzekeraars een zorgplicht. Deze zorgplicht geldt uiteraardook voor mensen in hun laatste levensfase. Om te kunnen voldoen aanhun zorgplicht kopen zorgverzekeraars zorg in. In hun inkoopbeleidmoeten ze rekening houden met de kwaliteit, betaalbaarheid en toeganke-lijkheid van de zorg. De NZa ziet toe op de wijze waarop de zorgverzeke-raars hun taken uitvoeren en specifiek of zij aan hun zorgplicht voldoen.Zoals tijdens het plenaire debat over palliatieve zorg en stervensbege-leiding van 27 november jl. aangegeven ga ik met zorgverzekeraars inoverleg waarover ik Uw Kamer in het eerste kwartaal van 2025 zalinformeren.13Zie artikel 24 lid 1 van de Regeling medisch-specialistische zorg – NR/REG-2403a: «(...) Bijmeerdere polikliniekbezoeken op één kalenderdag dient er sprake te zijn van afzonderlijke (nietaansluitende) polikliniekbezoeken.(...)»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 9311 De leden van de CDA-fractie zien in de verschillende regio’s mooieinitiatieven tot bloei komen maar merken ook op dat er regionaleverschillen zijn. Is duidelijk wat de verschillende regionale behoeften zijn?Kan er een inschatting worden gemaakt van wat er de komende vier jaarnodig is aan palliatieve zorg thuis en aan palliatieve zorg in hospices? Ditvragen zij omdat mensen langer thuis wonen en ook graag in die laatstefase in een vertrouwde omgeving verblijven. Hoever staan de IntegraalZorgakkoord (IZA) Transformatieplannen Palliatieve Zorg op dit moment?Wat loopt goed en wat kan er beter?Met het Onderzoek hospicecapaciteit dat in het kader van het NPPZ II(project Versterken hospicezorg) is uitgevoerd (rapport als bijlage 5) is eeneerste stap gezet in het versterken van het hospicelandschap. Het geefteen beeld van het huidige landschap en de toekomstig benodigdecapaciteit (landelijk en regionaal) en dient als een startpunt voor vervolg-trajecten in de regio.Zoals blijkt uit de tussenevaluatie NPPZ II (bijlage 3) was halverwege 2024de stand van zaken dat tien regio’s werken aan de IZA transformatie en ergesprekken zijn met nog eens vier regio’s voor een opstart. Het feit dat degesprekken zijn gestart betekent niet dat alle regio’s ook al de snelle toetshebben doorlopen dan wel dat het Kwaliteitskader volledig is geïmple-menteerd. Richting 2026 zijn er nu al verschillende acties ondernomen omde regio’s te ondersteunen op weg naar deze transformatie. Belangrijkhierbij is dat er ook regio’s zijn die niet aangesloten zijn bij de IZAtransformatie, maar zelf wel bezig zijn met de implementatie van hetKwaliteitskader. NPPZ II neemt hier zijn rol om deze «best practices» teverzamelen en te delen, onder andere via een inspiratiegids. Andere actieszijn een zogenoemde praatplaat en de geboden ondersteuning voorregio’s die alsnog willen meedoen met de IZA transformatie. IZA regio’svormen hiermee een vliegwiel voor de andere regio’s14.Klopt het dat ook de vraag voor palliatief terminale zorg voor specialedoelgroepen (bijvoorbeeld dak- en thuislozen maar ook mensen metpsychiatrische problemen) toeneemt? Zo ja, zijn deze groepen goedbekend bij de diverse organisaties? Hoe wordt er voor deze groepenpassende palliatieve zorg georganiseerd?Specifieke cijfers over een toename van palliatieve (terminale) zorg voordoelgroepen als dak- en thuisloze mensen en mensen met psychiatrischeproblemen zijn mij niet bekend. Wel neemt de totale behoefte aanpalliatieve zorg door vergrijzing toe. Het herkennen en organiseren vanpalliatieve zorg voor mensen die dak- of thuisloos zijn en mensen metpsychiatrische problemen is vaak complex door een combinatie vanlichamelijke, psychische en sociale problemen. Verschillende tools, zoalshet draaiboek palliatieve zorg voor mensen die dak- en thuisloos zijn, detoolkit proactieve palliatieve zorg in de ggz en de zelfscan palliatieve zorgvoor zorgorganisaties, geven organisaties handvatten voor het tijdigherkennen van een palliatieve zorgbehoefte, proactieve zorgplanning, enhet bieden van palliatieve zorg. In het vervolg van het project VersterkenHospicezorg zal ook aandacht zijn voor mogelijkheden voor palliatieve(terminale) zorg voor deze doelgroepen.De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over de dreigende sluitingvan hospices, zoals bijvoorbeeld het Bethlehem Hospice in Nijmegen.Welke stappen gaat de Staatssecretaris zetten om te voorkomen dathospices sluiten, waardoor minder mensen hier toegang toe hebben?14https://nppz.org/transformatie-palliatieve-zorg/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 9312 Hospices vervullen een onmisbare rol binnen onze samenleving.Berichten over hospices die hun deuren dreigen te sluiten roepen terechtzorgen op. Die zorgen neem ik zeer serieus. Inmiddels heb ik ten aanzienvan de dreigende sluiting van hospice Bethlehem vernomen dat zorgaan-bieder Kalorama onderzoek heeft gedaan naar manieren om kostendek-kende zorg in het hospice te realiseren en hierin tot een oplossing isgekomen. Ik ben blij dat de zorg die door dit hospice wordt geleverdbehouden blijft voor mensen in Nijmegen en omgeving. Een uitdagingwaar hospices mee te maken kunnen hebben is een gebrek aan voldoendebedbezetting. Dit speelt bijvoorbeeld een rol in regio’s waar mensen vakerthuis sterven. Via het project Versterken Hospicezorg worden naaraanleiding van het capaciteitsonderzoek regionale afspraken gemaaktover beddencapaciteit en zorgbehoefte, zodat de patiënt op de juiste plekde juiste zorg ontvangt. Door regionale samenwerking kan hospicezorgtoekomstbestendiger worden ingericht en wordt de toegankelijkheid vanhospicezorg beter geborgd.De leden van de SP-fractie uiten ook hun zorgen over het gebrek aansolidariteit in bepaalde probleemwijken, waar sommige mensen weigerenruimte te maken voor een hospice, zoals in Bloemendaal. Zij roepen deStaatssecretaris op om dit gebrek aan solidariteit aan te pakken. Is zijbijvoorbeeld bereid om de problematische sociaaleconomische segregatiein deze villawijken aan te pakken, om zo de solidariteit met anderegroepen te stimuleren?Ik ben blij dat er in Bloemendaal alles aan wordt gedaan om een plek tezoeken voor een nieuwe vestiging voor het hospice, ondanks deweerstand. Zo komt er tóch een hospice bij in deze gemeenschap.Hospices bieden essentiële zorg in de laatste levensfase en zijn daarmeeeen mooi voorbeeld van omzien naar elkaar, gemeenschapszin ensolidariteit. Dit ondersteun ik van harte. De situatie in Bloemendaal is nietuniek. Plannen voor nieuwe hospices zijn eerder gestuit op weerstand vanomwonenden, vaak komt dit door onbekendheid en angst rondom hetoverlijden. Ik vind het daarom belangrijk dat we als samenleving het taboerondom de dood doorbreken. Een onderdeel van het NPPZ II is bijvoor-beeld maatschappelijke bewustwording over wat palliatieve zorg is en wathet voor iemand kan betekenen.De leden van de SP-fractie zijn ten slotte van mening dat het momenteelteveel afhangt van welke zorgverzekeraar mensen hebben bij de vraag ofzij toegang hebben tot de juiste palliatieve zorg. Hoe is de Staatssecretarisvan plan om deze verschillen tegen te gaan, zodat iedereen toegang heefttot de palliatieve zorg die zij nodig hebben?De toegang tot palliatieve zorg is niet afhankelijk van de zorgverzekeraars.In Nederland heeft iedereen dezelfde toegang tot zorg die in het basis-pakket is opgenomen. In de regelgeving staat welke zorg in het basis-pakket zit en welke voorwaarden voor deze zorg gelden. De wijkverpleeg-kundige is verantwoordelijk voor het stellen van de indicatie en dezorgtoewijzing. Daarbij maakt de wijkverpleegkundige gebruik van hetNormenkader voor indiceren en organiseren van verpleging en verzorgingin de eigen omgeving.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris omvrijwilligers, in den breedte maar voor nu specifiek in de palliatieve zorg,uit te nodigen en mee te laten beslissen aan de tafels waar regioplannenen regiobeelden worden gemaakt en uitgewerkt. Deze leden zijn vanmening dat de inzet van vrijwilligers, en mantelzorgers, cruciaal is in detransformatie van zorg. Dan is het niet meer dan logisch dat hun inzichtenen belangen een plek krijgen op de plekken waar hierover wordt beslotenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 9313 en plannen hiervoor worden uitgewerkt. Welke stappen gaat de Staatsse-cretaris zetten om ervoor te zorgen dat dit op regionaal niveau gaatgebeuren?Ik vind het belangrijk dat niet alleen wordt gepraat over vrijwilligers, maarook mét vrijwilligers. Binnen de IZA transformatie zet ik in op regionalesamenwerking waar alle regionale partijen betrokken bij palliatieve zorgdeel van uit maken. Daarbij pleit ik ervoor dat voor informele zorgnadrukkelijk aandacht is. Dit voorjaar is vanuit het NPPZ II de Strategischeagenda Transformatie palliatieve zorg opgesteld. Deze richt zich op deintegratie van palliatieve zorg binnen de reguliere zorg en vraagt eenintegrale aanpak vanuit alle partijen. Ik zal binnen dit project het belangvan aandacht voor informele zorg en het betrekken van vrijwilligers enmantelzorgers bij de transformatieplannen benadrukken en een vingeraan de pols houden voor opvolging hiervan.De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het erg schrijnend alsterminale patiënten geen intensieve thuiszorg ontvangen, vanwege onderandere budgetplafonds of contractafspraken van verzekeraars. Heeft deStaatssecretaris er zicht op in welke regio’s palliatieve zorg het slechtsttoegankelijk is? Hoe komt dit? Welke rol hebben zorgverzekeraars in detoegang? Is de Staatssecretaris bereid de NZa te vragen uit te zoeken watde huidige toegankelijkheid is van palliatieve zorg thuis en welkezorgverzekeraars het aantal vergoede uren flink beperken? Wat hebbenregio’s die achterblijven nodig van de Staatssecretaris om de toeganke-lijkheid te verbeteren? Heeft de Staatssecretaris zicht op de mate waarinhet ontbreken van contracten een belemmering is voor de zorg? Waaromzijn verzekeraars zo streng als ze weten dat zorgaanbieder en cliënt nietveel tijd hebben om meerdere keren een aanvraag te herzien? Vindt deStaatssecretaris dit terecht? Hoe vaak komt het voor dat zorgverzekeraarsniet akkoord gaan met het zorgplan? Op grond waarvan zijn zorgverzeke-raars gerechtigd om de indicatie in twijfel te trekken?Ik ga met zorgverzekeraars in overleg om de problematiek rond omzetpla-fonds scherp te krijgen en goede afspraken te maken dat omzetplafondsgeen gevolgen meer hebben voor mensen die palliatieve zorg nodighebben. Ik zal bij mijn gesprekken deze vragen betrekken. Daarnaast wil ikin het aanvullende zorg- en welzijnsakkoord (IZWA) afspraken opnemenover omzetplafonds. Zoals ik tijdens het plenaire debat palliatieve zorg enstervensbegeleiding op 27 november 2024 heb aangegeven zal ik u in heteerste kwartaal van 2025 het resultaat van de gesprekken doen toekomen.6. Onderzoek LUMC Tijdens het genoemde debat van 27 november 2024 werd ik gewezen opeen onderzoek dat is uitgevoerd voor het Integraal KankercentrumNederland (IKNL), in samenwerking met het Universitair Medisch CentrumLeiden (LUMC)15. Het lid Dobbe vroeg mij hoe ik kijk naar de aanbeve-lingen bij dit onderzoek en wat ik kan doen om zorgverleners diepalliatieve zorg verlenen te ondersteunen.Ik wil benadrukken dat ik net als het lid Dobbe vind dat zorgverleners in depalliatieve zorg belangrijk werk doen en dat het belangrijk is om hendaarbij goed te ondersteunen. Onderzoeken zoals die voor het IKNL enLUMC onderstrepen dat nog eens. Er wordt aanbevolen via hetABC-model te kijken naar de ondersteuning die zorgverleners in depalliatieve zorg nodig hebben: Aandacht (A), indien nodig gevolgd door15https://iknl.nl/nieuws/2020/circa-een-op-vijf-zorgverleners-in-palliatieve-zorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 9314 Begeleiding (B) en Crisisinterventie (C)16. Ik herken in de aanbevelingenveel van de elementen van de Richtlijn Psychosociale Ondersteuningzorgverleners. Deze richtlijn is door ARQ ontwikkeld in samenwerking metpartijen uit het veld17. Deze richtlijn werkt met een kringenmodel datenigszins vergelijkbaar is met het bovengenoemde ABC-model.Ik hecht er waarde aan dat onderzoeksbevindingen, aanbevelingen enrichtlijnen beschikbaar zijn voor werkgevers in de zorg. Het is namelijkprimair aan werkgevers om te zorgen voor een gezonde en veiligewerkomgeving. Het goed omgaan met werk of gebeurtenissen metemotionele impact hoort daar ook bij. De richtlijn van ARQ of de aanbeve-lingen uit het onderzoek in de palliatieve zorg kunnen daarbij behulpzaamzijn en zal ik dan ook bij hen onder de aandacht brengen.Ik wil hier ook de leidraad vakmanschap en werkplezier noemen. Deze isopgenomen in het regeerprogramma en wordt momenteel uitgewerkt.Daarin wordt (ook) specifiek aandacht gevraagd voor een gezonde enveilige werkomgeving en het terugdringen van verzuim. Onder anderedoor het Preventieplan Zorg en Welzijn te belichten. Dit is een datagedreven aanpak van verzuim en verloop. Onderdeel van deze aanpak isdat samen met medewerkers gekeken wordt naar oorzaken van enoplossingen voor verzuim. En dat ingespeeld wordt op de behoeften vanmedewerkers, (vooral) ook op organisatieniveau. Voor organisaties in depalliatieve zorg kunnen de bevindingen uit het onderzoek van LUMC enIKNL waardevolle handvatten bieden.7. Tot slot In deze brief heb ik een terugblik gegeven op de resultaten uit deprogramma’s tot nu toe en een vooruitblik op volgend jaar en in deverdere toekomst. Als mensen de boodschap hebben gekregen dat ze nietmeer beter zullen worden, moeten zij kunnen rekenen op goede pallia-tieve zorg. Nu en in de toekomst. Zij moeten kunnen kiezen voor behande-lingen die passen bij hun persoonlijke wensen. Daarom is het belangrijkdat ze weten welke mogelijkheden er zijn en hier zelf tijdig over nadenken.De komende jaren wordt gewerkt aan meer maatschappelijke bewust-wording over palliatieve zorg. Bijvoorbeeld met de campagne «Leven tothet laatst» die oktober dit jaar is gestart18.Daarmee draagt het kabinet bij aan de normalisering van palliatieve zorgin de samenleving voor alle mensen van alle leeftijden.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V. Maeijer16Dijxhoorn, Care about care for healthcare professionals providing palliative care. DoctoralThesis Care about care for healthcare professionals providing palliative care | ScholarlyPublications (universiteitleiden.nl)17Beleidsrichtlijn psychosociale ondersteuning zorgprofessionals. Een handreiking voor depraktijk bij ingrijpende gebeurtenissen. Richtlijn Psychosociale Ondersteuning Zorgprofessi-onals | ARQ18https://overpalliatievezorg.nl/leventothetlaatstTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 509, nr. 9315

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8f2524ebc0a4446d

14 okt 2026 · a6acb518d96b2774

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.