Stand van zaken geboortezorg
Brontekst
Versie 4cb233c6dce9c418 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 279Zorg rond zwangerschap en geboorteNr. 256 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 22 april 2024Elk jaar worden er zo’n 170.000 kinderen in Nederland geboren. Al dezekinderen en hun ouder(s) krijgen te maken met de geboortezorg. Zorg dieper definitie integraal wordt geleverd, omdat verschillende zorgverlenersbetrokken zijn, van een eerstelijnsverloskundige en kraamverzorgende tot(indien nodig) een klinisch verloskundige, gynaecoloog, huisarts en/ofkinderarts. De sector kent een lange voorgeschiedenis met integraalwerken, maar staat voor dezelfde uitdagingen als breed voor gezondheiden zorg zijn vastgesteld in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) enhet Integraal Zorg Akkoord (IZA). De toegankelijkheid en kwaliteit van zorgen de samenwerking, zowel binnen de geboortezorg als met publiekegezondheidszorg en het sociaal domein, vragen om aandacht. Op basisvan het advies «Beter weten: een beter begin» van het RIVM uit 2020 ismet het veld de verbeteraanpak voor integrale geboortezorg1 vormge-geven, waarbij aan thema’s zoals organisatie, goede start en preventie,kwaliteit, data en ICT, en bekostiging wordt gewerkt. Met deze briefinformeer ik uw Kamer over de huidige stand van zaken van dezeverbeteraanpak.LeeswijzerAllereerst ga ik in op de samenwerking in de geboortezorg met hetversterken van de Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV’s) en desamenwerking met andere domeinen. Daarna besteed ik aandacht aan deuitdagingen in de toegankelijkheid van de geboortezorg. Vervolgens ga ikin op verschillende randvoorwaarden voor goede integrale geboortezorg,waaronder onder andere gegevensuitwisseling, landelijke governance enbekostiging.1In 2021, voor het eerst over gecommuniceerd als versnellingsaanpak in Kamerstuk II 2021/2022,32 279, nr. 216 kst-32279-256ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2561 Samenwerking in de geboortezorg en met andere domeinenToegankelijke en passende geboortezorg voor ouder en kind voor, tijdensen na de geboorte: dat is de opgave waar de sector voor staat. Dit vraagtnauwe samenwerking van de verschillende zorgverleners in de geboor-tezorg en om verbinding tussen de zorg en publieke gezondheidszorg enhet sociaal domein, waaronder de jeugdgezondheidszorg.Samenwerking in VSV’sIn eerdere brieven2 is uw Kamer geïnformeerd over de aanpak voor hetversterken van de samenwerkingsverbanden, de VSV’s3. Met de landelijkegeboortezorgpartijen is overeengekomen welke verantwoordelijkheden entaken op basis van de Zorgstandaard Integrale Geboortezorg4 (ZIG) bij desamenwerkingsverbanden wordt belegd. Dit is vastgelegd in hetBasiskader voor VSV’s. Vervolgens is in nauwe samenwerking metintegrale spelers in de geboortezorg (de Federatie van VSV’s, het NetwerkRegionale Geboortezorg Consortia (NRCG) en het College Perinatale Zorg(CPZ)), een stimuleringsprogramma Versterking VSV’s opgezet doorZonMw. Het programma richt zich op de verdere professionalisering enversterking van (de kwaliteit van) de samenwerking in de VSV’s en heeftals doel de VSV’s te ondersteunen bij de (verdere) implementatie van hetbasiskader. De stappen die VSV’s zetten, worden gemonitord om zo deprofessionaliseringsslag met elkaar te kunnen volgen en VSV’s ook opregionaal niveau hiervan kunnen leren. Vanaf eind april kunnen VSV’ssubsidie aanvragen voor projecten die lopen tot en met 2026. Met dezeaanpak, die ook op bestuurlijk niveau met de landelijke geboortezorgpar-tijen is afgesproken, geef ik invulling aan de motie van het lid Ellemeet5om de samenwerking met betrokken partijen in de geboortezorg teverbeteren. Daarmee doe ik deze motie af.Samenwerking met andere domeinenHet is bekend dat naast medische en leefstijlfactoren ook sociale factoren,zoals laaggeletterdheid, taalachterstand, een slechte leefomgeving,huiselijk geweld, armoede, schulden en daarmee gepaard gaandechronische stress, invloed hebben op de geboorte. Het gaat hierbijbijvoorbeeld om geboorte met een laag gewicht, vroeggeboorte enbabysterfte. Maar ook na de geboorte zijn deze factoren van grote invloedop de ontwikkeling van het kind en hebben een levenslang effect. Een kindzonder goede start begint met een achterstand aan het leven en heeft latermeer kans op fysieke, mentale en sociale problemen. Aandacht voorouders in een kwetsbare situatie over de volle breedte van de geboor-tezorg en in verbinding met publieke gezondheidszorg en het sociaaldomein, waaronder de jeugdgezondheidszorg, is daarom van grootbelang. Met de vervolgaanpak Kansrijke Start 2022–20256 wordt aan diesamenwerking gewerkt. Op lokaal niveau in de lokale en regionalecoalities Kansrijke Start en landelijk in het actieprogramma KansrijkeStart.Uitdagingen in toegankelijkheidDe sector kampt met tekorten in capaciteit. Personeelskrapte speeltvoornamelijk in het ziekenhuis (gespecialiseerde verpleegkundigen) en in2Kamerstukken II 2021/2022, 32 279, nr. 236 en Kamerstukken II 2022/2023, 33 578, nr. 953Het versterken van VSV’s is inclusief de integrale geboortezorg organisaties (IGO’s).4De Zorgstandaard wordt op dit moment herijkt door veldpartijen in de geboortezorg.5Kamerstukken II 2021/2022, 32 279, nr. 2286Kamerstukken II 2021/22, 32 279, nr. 233Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2562 de kraamzorg en heeft daarmee invloed op de verloskundige zorg in deeerste lijn. Het veld en ik werken daarom zowel aan een toekomstbe-stendige arbeidsmarkt, als de optimale inzet van mensen. Hieronderschets ik eerst wat er gebeurt in het programma ToekomstbestendigeArbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ) en in het IZA, ga ik vervolgens in opde landelijke aanpak van het veld gericht op geboortezorg en sluit ik afmet afspraken van zorgaanbieders en verzekeraars over de kraamzorg.Toekombestendige arbeidsmarkt en optimale inzet in TAZ en IZADe capaciteit en toegankelijkheid van zorg is een zorgbreed vraagstuk.Samen met zorgpartijen adresseren we dit door enerzijds te werken aaneen toekomstbestendige arbeidsmarkt met het programma Toekomstbe-stendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ) en anderzijds aan eenoptimale inzet van die beschikbare capaciteit door afspraken uit het IZA teimplementeren over bijvoorbeeld zorgcoördinatie van de acute zorg. Hierheeft ook de geboortezorg mee te maken. Zo is in het IZA afgesproken datin de ROAZ’en de benodigde acute geboortezorg in een regio gecoördi-neerd wordt. Daarnaast wordt met het Landelijk Platform Zorgcoördinatie(LPZ) gewerkt aan het realtime inzichtelijk maken van de beschikbarecapaciteit van ziekenhuizen en geboortecentra. In afstemming met degeboortezorgpartijen wordt het dashboard door het Landelijk NetwerkAcute Zorg (LNAZ) doorontwikkeld. Zo is het inmiddels mogelijk om ookhet aantal weigeringen (wanneer een eerstelijnsverloskundige met eenzwangere niet terecht kan in een (voorkeurs)ziekenhuis voor begeleidingof overdracht van een bevalling) te registreren en de beschikbareNeonatale Intensive Care Unit (NICU) capaciteit te zien.Landelijke aanpak van het veldDaarnaast coördineert het CPZ op mijn verzoek de landelijke aanpak vanhet veld. Deze aanpak gaat voornamelijk over systeemoptimalisatiebinnen de geboortezorg, dus wat kunnen landelijke partijen doen omregio’s te helpen de beschikbare capaciteit optimaal te benutten. Denk aanontwikkelingen op het gebied van data en innovatie, zoals inzicht in hoee-Health kan bijdragen. Maar ook anders organiseren en leren van elkaar,zoals andershalvelijnszorg in geboortecentra waardoor minder ziekenhuis-bedden nodig zijn, en het uitwisselen van goede voorbeelden tussenregio’s.Toekomstbestendige kraamzorgOok de kraamzorg kampt met personeelskrapte, waardoor het niet altijdlukt om kraamvrouwen het geïndiceerde aantal uur (vaak 49 uur) volgenshet Landelijk Indicatieprotocol (LIP) te leveren. Daarom hebben BoGeboortezorg en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) afgelopen zomer eenconvenant gesloten om te werken aan een toekomstbestendige sector.Partijen hebben zich maximaal ingespannen om alle kraamvrouwen inNederland te voorzien van in ieder geval 24 uur kraamzorg. Daar waarnodig worden meer uren zorg geboden. Momenteel wordt er hardgewerkt aan opvolging van het convenant. Ook werken beide partijen aaneen gezamenlijke visie op de kraamzorg en aan verschillende projectenom de sector toekomstbestendig te maken. Hierbij kan bijvoorbeeldgedacht worden aan de ontwikkeling van de Kraamzorg LandelijkeIndicatie Systematiek (KLIM) als opvolger van het LIP. De KLIM maakt hetmogelijk meer passende kraamzorg te bieden. Hierdoor wordt hetmogelijk om meer of minder uur kraamzorg te leveren afhankelijk van desituatie van de kraamvrouw en het jonge gezin. De verwachting is dat einddit jaar de implementatie kan starten. Ik ondersteun de ontwikkeling en dehuidige pilotfase van de KLIM met een subsidie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2563 Randvoorwaarden voor goede integrale geboortezorgRandvoorwaarden in de geboortezorg dienen op orde te zijn, zodat hetveld zich kan concentreren op de eerdergenoemde opgaven van toegan-kelijkheid en kwaliteit en de hiervoor benodigde samenwerking. Ik heb hetdan over een goede (data) infrastructuur voor gegevensuitwisseling in hetprimaire proces, onderzoek en monitoring (secundair gebruik van data),de implementatie van kennis en gegevensuitwisseling, een optimalegovernance van landelijke spelers ter ondersteuning, een passendebekostiging, etc. Al deze aspecten zijn geen doel op zich, maar dienen terondersteuning aan de kwaliteit van zorg. Per onderwerp geef ik in dezebrief kort de stand van zaken weer.Duurzaam informatiestelsel geboortezorgSinds 2019 is via het programma Babyconnect geïnvesteerd in hetmogelijk maken van gegevensuitwisseling tussen zorgverleners onderlingen tussen zorgverleners en de aanstaande ouder(s). In totaal doen60 VSV’s in negen regionale partnerschappen mee aan dit programma enwordt er nu gewerkt aan de implementatie. Begin dit jaar heeft erbijvoorbeeld een eerste livegang plaatsgevonden met betrekking tot hetbeschikbaar stellen van verloskundige gegevens in de persoonlijkegezondheidsomgeving. Parallel werken de partnerschappen, het program-mabureau en de landelijke geboortezorgpartijen aan een toekomstbe-stendige inrichting van het informatiestelsel geboortezorg. Dat wil zeggendat zij een landelijke governance hebben ingericht volgens NEN 7522,waarbij expliciet de wensen en behoeftes van eindgebruikers vooropstaat. Sinds januari wordt hiermee proefgedraaid. Dit zijn positieveontwikkelingen.Het programma is evenwel niet zonder uitdagingen gebleken. Zo is doormijn voorganger extra subsidie beschikbaar gesteld voor regio’s voorICT-implementatie en licentiekosten. Daarnaast verliepen de onderhande-lingen tussen de regio’s, het programmabureau en de leveranciersmoeizaam, waardoor de implementatie later van start is gegaan. Ook nuligt een aantal vraagstukken voor. Zo hebben de regionale partner-schappen aangegeven dat een extra subsidie nodig is in 2025 totdat per2026 op basis van het kostenonderzoek van de NZa de nieuwemax-tarieven voor de geboortezorg zijn vastgesteld. Ik ben bereid om hiernog één keer middelen voor ter beschikking te stellen, indien de partijenzich committeren dat zij zich ook na 2025 met energie volledig blijveninzetten voor de implementatie en ook daarna voor de borging endoorontwikkeling. Daarnaast heeft het programmabureau mij zeer recentgeïnformeerd dat de implementatie vertraging heeft opgelopen. Ik ga ingesprek met de regionale partnerschappen, het programmabureau enNictiz welke vervolgstappen nu nodig en mogelijk zijn en zal uw Kamerhier na de zomer over informeren.Secundair datagebruikBeter inzicht in de ontwikkelingen in de gezondheid van en zorg voorouders en kind is gewenst. De informatie op het snijvlak van data, kennisen onderzoek kan beter worden benut. Ik ben daarom bezig met deinrichting van de monitoringsfunctie voor de eerste 1.000 dagen. In eenKamerbrief en in de beantwoording van het recente Schriftelijke Overlegvan de vaste commissie voor VWS7 heb ik hierover al aangegeven dat ikde monitor stapsgewijs wil laten ontwikkelen, samen met het veld.Inmiddels heb ik het RIVM de opdracht gegeven om de werkagenda voor7Kamerstukken II 2023/2024, 32 279, nr. 250 en nr. 253Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2564 2025 vorm te geven en in het najaar van 2024 op te leveren. Op basisdaarvan kan de monitoringsfunctie van start. Daarnaast zit in dezeopdracht ook het ontwerp van een generieke duurzame onderzoeksom-geving. Er zijn nu vier lopende monitors rondom zwangerschap engeboorte8 die met data gericht op een specifieke populatie of doelgroepwerken. Door de komst van een monitoringsfunctie met een generiekefocus is het idee om een generieke data-infrastructuur bij het RIVM neer tezetten, waaruit de verschillende monitors vervolgens ook kunnen wordengefaciliteerd.Door adviesbureau KPMG is een evaluatie gedaan naar de instellingssub-sidie die Perined, de organisatie voor de perinatale registratie en audit,ontvangt. Het onderzoek laat zien dat het veld over het algemeenvertrouwen heeft in de relatie met Perined. Op basis van de resultatenconcludeert KPMG dat Perined de verstrekte instellingssubsidie in deperiode 2018–2022, afhankelijk van de diensten, deels effectief endoelmatig heeft besteed. Om Perined effectiever en doelmatiger in tezetten, wordt aanbevolen om de kerntaken van Perined te prioriteren,passend bij de rol als «databroker» binnen de geboortezorg. Daarnaastwordt geadviseerd om de onafhankelijk rol die Perined heeft, te behoudenen te borgen. Om de kwaliteit en compleetheid van de data te vergrotenbeveelt KPMG aan om onderzoek te doen naar de knelpunten in deaanlevering en de mogelijkheden om de aanlevering van data te verbe-teren. Het advies is om Perined hierin te ondersteunen. Ten slotte wordtaanbevolen om ook de governance en het besluitvormingsproces vanPerined te herevalueren, zodat zij haar taken effectiever en efficiënterkunnen uitvoeren.Ik onderken de aanbevelingen die KPMG doet. Zo loopt Perined al enigetijd tegen knelpunten aan ten aanzien van het aanleveren van gegevensvoor hun kwaliteitsregistratie. Hierdoor zijn cijfers over 2022 en 2023 totop heden incompleet gebleven. Over deze problematiek en uitkomstenvan de evaluatie, ben ik in gesprek met Perined. Naar verwachting zal deopgezette infrastructuur in het programma Babyconnect en daarmee hetduurzame informatiestelsel (deels) uitkomst bieden om de ervarenproblemen op te lossen. Zij gaan op basis van de evaluatie aan de slagom te komen tot een verbeterplan. In dit verbeterplan zal Perined ingaanop de opvolging van de aanbevelingen en de wijze waarop zij zullenaansluiten op het eerdergenoemde duurzame informatiestelsel. Hierbijheb ik aangegeven dat voor dit verbeterplan zoveel mogelijk draagvlak isbij de betrokken geboortezorgpartijen. Over het plan blijf ik de komendetijd in gesprek met Perined, zodat zij hier snel mee van start kunnen gaan.Kennis en onderzoekSinds 2011 wordt met het ZonMw-programma Zwangerschap en geboortede kennisontwikkeling voor betere integrale zorg voor moeder en kind envoor screening rond zwangerschap en geboorte gestimuleerd. Najaar2022 heeft mijn voorganger aan ZonMw gevraagd om het programmavoort te zetten. Op basis van de onderzoeksagenda die is opgeleverd9, deevaluatie van het vorige programma en input uit het veld, is ZonMwgekomen tot drie programmalijnen gericht op preventie, samenwerkingen screening rondom zwangerschap en geboorte. Dit zijn thema’s diegoed aansluiten op de opgaven in de sector waarmee ik deze brief ookbegin. Het programma zal zich vooral richten op kennisverspreiding en8De landelijke monitor Kansrijke Start, de lerende lokale monitor Kansrijke Start, de monitoronbedoelde zwangerschappen en passende bekostiging van de geboortezorg.9https://www.zonmw.nl/nl/nieuws/onderzoeksagenda-integrale-geboortezorgTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2565 implementatie van de resultaten van de vorige programma’s. Hetprogramma gaat halverwege dit jaar van start en loopt tot en met 2030.Landelijke governance en ondersteuningHet CPZ is in 2011 opgericht om de geboortezorgsector te ondersteunenbij het bevorderen van een goede start van elk kind, door het bevorderenvan de verbetering van de kwaliteit in de geboortezorg en de verbindingmet andere domeinen. De activiteiten van het CPZ gaan de gehelegeboortezorg aan en zij overstijgen de belangen en het ondersteunings-aanbod van de monodisciplinaire partijen in het geboortezorgveld.Deelnemende partijen in het CPZ zijn de Koninklijke NederlandseOrganisatie van Verloskundigen (KNOV), Nederlandse Vereniging voorObstetrie en Gynaecologie (NVOG), Bo Geboortezorg, NederlandseVereniging van Ziekenhuizen (NVZ), Nederlandse Vereniging voorKindergeneeskunde (NVK), Patiëntenfederatie Nederland, Verpleegkun-digen & Verzorgenden Nederland (V&VN) en ZN. De Federatie van VSV’sis nauw betrokken bij de activiteiten van het CPZ.CPZ ontvangt voor haar werk een instellingssubsidie van VWS. Hetadviesbureau KPMG heeft een evaluatie gedaan naar de instellingssub-sidie die het CPZ ontvangt. Uit het onderzoek komt naar voren dat het veldkritisch en verdeeld is over de effectiviteit en doelmatigheid van het CPZ.KPMG concludeert dat het CPZ met de verstrekte instellingssubsidie in deperiode 2018–2022, afhankelijk van de diensten en activiteiten, eenwisselende mate van effectiviteit en doelmatigheid vertoont. Dezebeoordeling wordt beïnvloed door de uiteenlopende belangen vanpartijen en visies van deze partijen op de zorg.In het rapport wordt aanbevolen om een duidelijke visie en strategie voorde integrale geboortezorg te formuleren. De opdracht voor het CPZ kanvervolgens afgeleid worden vanuit deze gemeenschappelijke doelstelling.Ook wordt aanbevolen om in te zetten op meer landelijke sturing, en omde inzet van het CPZ in te richten op basis van de gemeenschappelijkedoelstelling met – waar mogelijk – bijbehorend mandaat. Ten slotte wordtaanbevolen om ook de huidige governance van het CPZ, vanuit deintegrale geboortezorg en de benodigde verbetercyclus, te herevalueren.De overlegstructuur zou versimpeld kunnen worden en meer focussen opde behoeftes uit het veld.De uitkomsten van het onderzoek zijn voor mij herkenbaar. Tegelijkertijdzie ik dat het CPZ zo effectief en doelmatig kan zijn als de deelnemendegeboortezorgpartijen toelaten. Ik zie de evaluatie van het CPZ daarmeeook als een evaluatie van de samenwerking tussen de verschillendegeboortezorgpartijen. Het is duidelijk dat deze beter moet. Herziening vanlandelijke integrale overlegtafels en herijking van de onderwerpen ensamenwerkingsafspraken op deze tafels is nodig. Ik ben dan ook blij datnu twee kwartiermakers (de bestuursvoorzitters van de Federatie vanVSV’s en CPZ) op persoonlijke titel en in opdracht van de landelijkepartijen, aan de slag zijn om de governance met alle geboortezorgpartijeneenduidig neer te zetten. Afhankelijk van de uitkomsten van dit gover-nance traject, zal ik bezien in hoeverre het nodig is om separaat nog aanhet CPZ te vragen om te komen tot een verbeterplan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2566 BekostigingEerdere adviezen10 geven in de context van het versterken van VSV’s aandat samen organiseren niet vrijblijvend kan zijn. In de geboortezorg is ersprake van een tweesporenbeleid11, waarmee vanuit de twee sporen vanmonodisciplinaire bekostiging en integrale bekostiging naar beterpassende bekostiging wordt gewerkt. Het verkennen van het bekostigenvan samenwerking, dus een bekostiging voor VSV’s, is onderdeel hiervan.Hierbij wordt aangesloten bij de aanpak van het versterken van VSV’sdoor te kijken naar een structurele bekostiging van de taken en verant-woordelijkheden van een VSV. De NZa faciliteert een werkgroep metonder andere de betrokken integrale spelers van het stimuleringspro-gramma voor VSV’s, de zorgverzekeraars en ZN, het ZIN en VWS.Het tweesporenbeleid wordt gemonitord door de NZa en het RIVM. Inafstemming met het veld heeft de NZa zich de afgelopen periode op eenaantal specifieke onderwerpen gericht. Zo is gekeken naar de ontwikkelingvan het aantal verloskundige praktijken en kraamzorgaanbieders over deafgelopen jaren. Hieruit komt naar voren dat er geen aanleiding is om aante nemen dat er een afname is van zelfstandige praktijken. Daarnaast isgeconstateerd dat alle zorgverzekeraars zowel op basis van de monodisci-plinaire bekostiging als de integrale bekostiging contracteren. Hieruitconcludeer ik dat er geen sprake is van een ongelijk speelveld of «eenuitsterfbeleid» van zelfstandige verloskundigenpraktijken sinds de startvan het tweesporenbeleid. Hiermee doe ik de moties van het lid Agema12af.Recent heeft het RIVM haar onderzoek naar vijf jaar13 integrale bekos-tiging opgeleverd. Het RIVM concludeert dat er geen grote veranderingente zien zijn in zorggebruik, gezondheidsuitkomsten en zorguitgaven. HetRIVM licht toe dat dit te maken kan hebben met de opstartfase van deintegrale geboortezorg organisaties (IGO’s) in de eerste jaren en de«adempauze» binnen de IGO’s door de onduidelijkheid over de toekomstvan het experiment integrale bekostiging in de daaropvolgende jaren. HetRIVM adviseert daarom een periode van beleidsrust, dus minimale ofgeen beleidsverandering. Hier kan ik mij goed in vinden en ik sluit hier inmijn bekostigingsbeleid dus op aan. Daarnaast geeft het RIVM aan dat ookhet huidige gebrek aan kennis over effectieve interventies en de lokaleproblematiek (inzicht in de eigen populatie) invloed heeft. Het RIVMbeveelt aan om VSV’s en IGO’s hierin te helpen. Hiervoor is ruimte binnenhet ZonMw programma Versterking VSV’s. Daarnaast verken ik met hetRIVM hoe zij, als onderdeel van hun monitoring, alle VSV’s kunnenfaciliteren in dat inzicht in de eigen populatie aan de hand vanbeschikbare data. Dit kan VSV’s ook ondersteunen in hun verdereprofessionalisering. Ook heb ik met het RIVM afgesproken dat de geleerde(beleids)lessen van integrale bekostiging die juist zien op het bredegeboortezorgbeleid, in kaart worden gebracht, zodat we deze lessenkunnen benutten voor toekomstige beleidsvorming.Naast het RIVM zal ook de NZa de ontwikkelingen rondom de bekostigingin de geboortezorg blijven volgen. Specifiek kijkt de NZa vanaf zomer 2024naar de mate waarin zwangeren tevreden zijn over de samenwerking10Beter weten: een beter begin door RIVM (2020), Evaluatie zorgstandaard integrale geboor-tezorg door CPZ (2021), rapport Samen (net)werken in de zorg: doorbreken van patronen doorBerenschot in opdracht van Zorginstituut Nederland (2021) en Stip op de horizon voor degeboortezorg door Common Eye (2021).11Zowel monodisciplinaire als integrale bekostiging is mogelijk in de geboortezorg. Samenwer-kingsverbanden kunnen zelf hun vorm kiezen. Zo’n 10% maakt nu gebruik van integralebekostiging.12Kamerstukken II 2021/2022, 32 279, nrs. 225 en 22613Tussen 2017 en 2022, dus de experimenteerperiode van integrale bekostiging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2567 tussen de geboortezorgprofessionals, de informatievoorziening vanuitzorgaanbieders om weloverwogen keuzes te maken en de door vrouwenervaren keuzevrijheid voor een zorgaanbieder14. Hiermee wordt uitvoeringgegeven aan de motie van de leden Van den Berg en Bikker15.Tot slotDeze brief beschrijft de stand van zaken van het geboortezorgbeleid en deuitvoering van de aanbevelingen uit het advies «Beter weten: een beterbegin» van het RIVM uit 2020. De geboortezorg loopt voorop in deintegrale samenwerking, zowel binnen het curatieve zorgdomein als metde publieke gezondheidszorg en het domein, waaronder de jeugdgezond-heidszorg. Er zijn belangrijke stappen voorwaarts gezet om samen goedegeboortezorg en een gezonde start voor ouder en kind vorm te geven ener zijn ook nog belangrijke stappen te zetten. Hierin is het veld primair aanzet en richt ik mij erop om de randvoorwaarden voor verdergaandesamenwerking en kwaliteitsverbetering mogelijk te maken.De Minister voor Medische Zorg,P.A. Dijkstra14Kamerstukken II 2021/2022, 32 279, nr. 22215Kamerstukken II 2021/2022, 32 279, nr. 230Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2568
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.