Memorie van toelichting
Brontekst
Versie 19d6b717e5cbbdde · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 744Wijziging van de Werkloosheidswet en enigeandere wetten vanwege aanpassing van deRegeling dienstverlening aan huis (Wetaanpassing Regeling dienstverlening aan huis)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING I ALGEMEEN DEEL 1 Inleiding 1.1. Aanleiding De directe aanleiding van dit wetsvoorstel, dat wordt aangeboden inovereenstemming met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid –Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport, is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep1over deverzekeringsplicht van zorgverleners die uit een persoonsgebondenbudget (pgb) worden betaald. Deze zorgverleners die met een arbeids-overeenkomst op doorgaans minder dan vier dagen per week werken inhet huishouden van een natuurlijk persoon, mogen niet worden uitge-sloten van de verplichte verzekering voor de Werkloosheidswet (WW). Hetuitsluiten van deze groep levert indirecte discriminatie van vrouwen op,omdat de uitzonderingsbepaling een aanzienlijk hoger percentagevrouwen dan mannen treft. De uitzonderingsbepaling is daarmee in strijdmet artikel 4 van de Derde Richtlijn.2 Dit is volgens de Europese recht-spraak alleen toelaatbaar als de uitzonderingsbepaling objectief gerecht-vaardigd is vanuit niet-discriminerende overwegingen.De Regeling dienstverlening aan huis (Rdah), waar de uitzonderingsbe-paling deel van uitmaakt, beoogt de arbeidsmarkt voor persoonlijkedienstverlening te stimuleren en illegale arbeid te voorkomen. Dit zijnnaar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep legitieme doelstel-lingen. In het concrete geval van pgb-dienstverlening acht de CentraleRaad het gekozen middel om dat doel te bereiken echter niet geschikt ennoodzakelijk. Het betreft namelijk publiek gefinancierde dienstverlening,waar het risico op zwart werken en achterblijvende werkgelegenheidnagenoeg nihil is. Bovendien kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bij1Centrale Raad van Beroep 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:481.2Richtlijn 79/7/EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijkebehandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid van 19 december1978. kst-36744-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 31 de administratieve verplichtingen van de werkgever (de natuurlijkpersoon) ondersteunen. In de meeste gevallen is dat zelfs verplicht. Datblijkt ook uit een rapport van de Commissie Kalsbeek uit maart 20143,waar de Raad naar verwijst.Samengevat heeft de Centrale Raad van Beroep onder meer geoordeelddat de betrokken pgb-zorgverlener niet mag worden uitgesloten van deverplichte WW-verzekering, én dat UWV de gewerkte jaren alspgb-zorgverlener alsnog moet opnemen in het arbeidsverleden.Naar analogie van de uitspraak geldt dat ook voor de overigewerknemersverzekeringen, zoals de Ziektewet (ZW) en de Wet Werk eninkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De huidige wetgeving is nietin lijn met deze uitspraak, zodat deze wetgeving dient te wordenaangepast.Dit wetsvoorstel beoogt de rechten van pgb-zorgverleners werkzaam opbasis van een arbeidsovereenkomst op doorgaans minder dan vier dagenper week in lijn te brengen met de rechten van werknemers die niet onderde Rdah vallen, zowel in het kader van de sociale zekerheid als in hetkader van de overige rechten (te weten: loondoorbetaling ingeval vanziekte, verlofregelingen, scholing, ontslag en de Wet flexibel werken(Wfw)) die in de Rdah worden beperkt.1.2. Opzet De opzet van deze memorie van toelichting is als volgt.•In paragraaf 1.3 wordt de voorgeschiedenis en noodzaak voor ditwetsvoorstel beschreven.•In hoofdstuk 2 het doel en de aard van de maatregelen, de doelmatig-heid en doeltreffendheid, en de gewenste inwerkingtreding enfasering.•In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de verhouding tot nationaal eninternationaal recht.•Hoofdstuk 4 behandelt de gevolgen voor werknemer, werkgever,arbeidsmarkt, regeldruk en Caribisch Nederland.•In hoofdstuk 5 staan de financiële gevolgen voor het Rijk beschreven.•Hoofdstuk 6 gaat in op de opbrengst van de consultatie en adviezen enbeschrijft de gevolgen voor de uitvoering.•Hoofdstuk 7 beschrijft de evaluatie.1.3. Voorgeschiedenis Bijzondere regeling huishoudelijk personeel in Ziektewet en Werkloos-heidswetEen bijzondere regeling voor huishoudelijk personeel bestond al voor deRdah. In de ZW is al langere tijd een uitzondering opgenomen op deverzekeringsplicht voor huishoudelijk personeel. Ook hier speelde destijdshet argument dat het bezwaarlijk zou zijn dat een particuliere werkgeverdie voor een geringe arbeidsduur een huishoudelijke hulp zou aantrekken,belast zou worden met het voeren van een loonadministratie en hetinhouden en afdragen van premies.43Rapport «Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening?» van de AdviescommissieDienstverlening aan huis (commissie Kalsbeek) van maart 2014.4Kamerstukken 1909/10, 302, nr. 4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 32 Bij de totstandkoming van de nieuwe WW in 1986 is opnieuw gediscus-sieerd over de uitsluiting van huishoudelijk personeel. In de memorie vantoelichting is destijds aandacht besteed aan de mogelijkheid van indirectediscriminatie en de rechtvaardiging daarvan. Een volledige gelijkebehandeling van deze groep personen werd in het verleden afgehoudenmet een beroep op praktische en uitvoeringstechnische bezwaren,alsmede uit de overweging dat het hier in het algemeen een groep betrofdie aan dergelijke verzekeringen geen behoefte had. Ook werd het risicoop een afname van werk of zwart werken gesignaleerd.Het schrappen van de uitzonderingsbepaling voor het huishoudelijkpersoneel zou naar verwachting slechts voor een deel van de in die sfeerwerkzame personen tot een betere rechtspositie leiden. Voor een anderdeel betekende het eerder een verslechtering van de arbeidsmarktpositieen/of de rechtspositie. Gelet op deze bezwaren is er destijds voor gekozende uitzonderingsbepaling voor het huishoudelijk personeel in deonderscheiden werknemersverzekeringen te handhaven.5Belastingplan 2007Ter stimulering van de markt voor persoonlijke dienstverlening zijn bij hetBelastingplan uit 2007 de uitzonderingen voor huishoudelijk personeelverder uitgebreid en is de Rdah geïntroduceerd.6 De regeling is in feiteeen aanpassing van de destijds geldende huishoudhulpregeling en betreftmet name een uitbreiding van het maximum aantal dagen dat doorgaansper week gewerkt wordt (van twee naar drie dagen) evenals een verduide-lijking van de activiteiten die onder de regeling vallen.7 Tevens werd deregeling van toepassing verklaard op zorgpersoneel dat werkzaamhedenaan huis verricht. Achtergrond van de Rdah is dat particuliere werkgeverszich door deze regeling geen zorgen hoeven te maken over administra-tieve of financiële lasten die door de overheid kunnen worden opgelegd.Als een particuliere werkgever doorgaans voor doorgaans minder danvier dagen in de week op basis van een arbeidsovereenkomst persoonlijkediensten laat verrichten, hoeft de werkgever geen loonbelasting,inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) en premievolksverzekeringen in te houden of premies werknemersverzekeringen afte dragen. Daarnaast bevat de Rdah een uitzondering op een aantaloverige verplichtingen die werkgevers hebben, zoals het aanbieden vanscholing en het verstrekken van gegevens. Ook gelden afwijkende regelsingeval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en geldt eenverkorte loondoorbetalingsplicht ingeval van arbeidsongeschiktheid.Werkgever en werknemer hoeven alleen onderling te bepalen tegen welkevergoeding de diensten worden verricht. De werknemer moet zelf zijninkomsten opgeven bij de Belastingdienst en zelf de inkomensafhankelijkebijdrage Zvw betalen. Indien de diensten op doorgaans vier of meerdagen per week worden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst,is wel sprake van een dienstbetrekking en wordt eenmaal per jaar deloonbelasting en de premie volksverzekeringen, premies werknemers-verzekeringen en de werkgeversheffing Zvw afgedragen.De gedachte achter de Rdah is helderheid en eenvoud bieden aan zowelwerkgevers als werknemers. Destijds dachten veel mensen dat ze iets«zwart» deden als ze iemand werkzaamheden in en om het huis lietenverrichten en niets opgaven bij de Belastingdienst of UWV. De Rdah hielpvolgens de regering het misverstand dat de werkgever iets «fout» zoudoen uit de wereld en vestigde de aandacht op de mogelijkheid om5Kamerstukken II, 1985/86, 19 261, nr. 3, p. 43.6Kamerstukken II, 2006/07, 30 804, nr. 3, p. 7.7Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 3, p. 47 en 76.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 33 allerlei klussen (zoals schoonmaken, tuinonderhoud, de hond uit laten,verzorging, strijken of op kinderen passen) uit te besteden.Doordat de werkgever weet dat hij zonder lasten (zoals bijhouden wat hijaan de werknemer uitbetaalt en premies werknemersverzekeringenbetalen) iemand kan inhuren, zou het inhuren voor zorg en huis-tuin-en-keukenwerkzaamheden steeds gewoner worden. Ook was het idee daarbijdat de vraag naar persoonlijke dienstverlening zou toenemen.8Met de Rdah is destijds expliciet niet gekozen voor de weg vansubsidiëring van vraag of aanbod op de markt, om zo de prijs vanpersoonlijke dienstverlening te verlagen. De destijds geldende Regelingschoonmaakdiensten particulieren9(RSP-regeling) die op deze wijzewerkte – ook wel witte werksterregeling genoemd – was geen oplossingvoor het stimuleren van de markt voor persoonlijke dienstverlening, nochvoor het stimuleren van de onderkant van de arbeidsmarkt. DeRSP-regeling is daarom per 1 januari 2007 afgeschaft.10Wat de Rdah genoemd wordt, bestaat in feite uit een aantal uitzonde-ringen op de publiekrechtelijke en civielrechtelijke plichten die aanwerkgevers worden opgelegd, met als gevolg dat werknemersrechtenworden beperkt. Het is een verzameling van uitzonderingen in de Wet opde loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), de ZW, de Wet WIA, de WW, hetBurgerlijk Wetboek (BW), de Wfw en de Wet arbeid en zorg (WAZO). Ookis een verwijzing naar een uitzonderingsbepaling in de Algemene WetGelijke Behandeling (AWGB) opgenomen. De regering gaf nadrukkelijkaan dat beoogd is «het verlenen van zorg, al dan niet via een persoonsge-bonden budget (pgb) of alfahulpverlening, aan leden van het huishoudenonder diensten ten behoeve van het huishouden» ook onder de Rdah telaten vallen.11Voorgeschiedenis persoonsgebonden budgetSinds 1995 kunnen Nederlanders met een hulpvraag aanspraak maken opeen persoonsgebonden budget. Het pgb is bedoeld voor mensen die dezorg en ondersteuning zo veel mogelijk zelf willen en kunnen regelen. Ditstelt hen in staat om eigen regie te voeren over deze zorg en onder-steuning om het leven te kunnen leiden dat zij vanuit autonomie,gelijkwaardigheid en zelfbewustzijn willen leiden.Sinds 2015 is het pgb vastgelegd in vier wetten, te weten (i) de Wetlangdurige zorg (Wlz), (ii) de Zorgverzekeringswet (Zvw), (iii) de Wetmaatschappelijke ondersteuning (Wmo-2015) en (iv) de Jeugdwet (Jw).Afhankelijk van de zorgvraag die iemand heeft, valt het onder een of meervan deze wetten. De persoon die recht heeft op pgb is de budgethouder.De budgethouder mag zelf een zorgverlener kiezen (de pgb-zorgverlener).De afspraken tussen deze personen moeten worden vastgelegd in eenzorgovereenkomst. Dat kan een zorgovereenkomst zijn met een persoon(arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht), maar ook meteen zorginstelling (overeenkomst van opdracht).8Kamerstukken II, 2006/07, 30 804, nr. 3, p. 7.9Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 5 juli 2005,Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/SAM/05/50 483, houdende regels voor de subsidiëring vanschoonmaakdiensten bij particulieren met ingang van de tweede helft van 2005 (Regelingschoonmaakdiensten particulieren 2005).10Kamerstukken II, 2006/07, 30 804, nr. 3, p. 7.11Kamerstukken II, 2006/07, 30 804, nr. 3, p. 76.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 34 Pgb op grond van Wlz, Wmo-2015 en Jw bij doorgaans vier dagen ofmeerVoor budgethouders met een pgb op grond van de Wlz, Wmo-2015 of Jwvoert de SVB het trekkingsrecht uit. Dit houdt in dat de SVB het budgetnamens de budgethouder beheert en de betalingen namens de budget-houder aan zorgverleners verricht. Bij de uitvoering van het trekkingsrechtvoert de SVB tevens verplicht de salarisadministratie voor zorgverlenersvoor wie de budgethouder inhoudingsplichtig is. Dat is het geval als dewerkzaamheden op grond van de arbeidsovereenkomst doorgaans optenminste vier dagen per week worden verricht en de Rdah dus niet vantoepassing is. De salarisadministratie houdt onder meer in dat de SVB deloonstroken verzorgt die de budgethouder aan de zorgverlener kanverstrekken of de SVB verstrekt de loonstroken rechtstreeks namens debudgethouder aan de zorgverlener. De SVB meldt de budgethouder alswerkgever aan bij de Belastingdienst en zorgt er daarmee voor dat debudgethouder een loonheffingennummer krijgt van de Belastingdienst. DeSVB doet namens de werkgever (jaarlijks) loonaangifte bij de Belasting-dienst van het betaalde loon en draagt de ingehouden loonheffingen dewerkgeverslasten (premies werknemersverzekeringen en inkomensafhan-kelijke bijdrage Zvw) af aan de Belastingdienst. Na afloop van het jaarverstrekt de SVB aan de budgethouder of rechtstreeks aan de zorgverlenereen jaaropgave van het betaalde loon ten behoeve van de zorgverlener.Daarnaast ondersteunt de SVB bij ziekte van de zorgverlener. Het loon ende werkgeverslasten worden betaald uit het pgb. De dienstverlening vande SVB bestaande uit de salarisadministratie en ondersteuning bijwerkgeverschap of opdrachtgeverschap wordt niet in rekening gebrachtaan de budgethouder.Pgb op grond van de ZvwVoor budgethouders met een pgb op grond van de Zvw geldt geentrekkingsrecht. Zij mogen zelf hun zorgverleners betalen en de kostendeclareren bij de zorgverzekeraar.Daarbij hebben zij wel de mogelijkheid om kosteloos gebruik te makenvan de dienstverlening van de SVB, waaronder het voeren van desalarisadministratie en ondersteuning bij ziekte van de zorgverlener. Ditbeleid wijzigt niet door dit wetsvoorstel, zodat budgethouders die wordengefinancierd vanuit de Zvw ook na dit wetsvoorstel nog een vrijwilligekeuze hebben in het wel of niet uitbesteden aan de SVB.Pgb bij doorgaans minder dan vier dagen per weekBudgethouders die een zorgverlener in dienst hebben onder de Rdah, zijnniet inhoudingsplichtig en hebben de keuzemogelijkheid om de inkom-stenbelasting, de premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijkebijdrage Zvw die de zorgverlener (werknemer) verschuldigd is via deloonheffing af te dragen (opting-in).12 Deze keuzemogelijkheid geldt vooralle soorten pgb (Wlz, Wmo-2015, Jw en Zvw). Tot dit wetsvoorstel inwerking treedt, wordt voor deze groep werknemers geen premie voor dewerknemersverzekeringen afgedragen aan de Belastingdienst, omdat dewettelijke basis voor deze afdracht pas met dit wijzigingsvoorstel wordtgeïntroduceerd.12Artikel 4, onderdeel f, Wet LB 1964.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 35 Indien de budgethouder voor opting-in kiest, berekent de SVB hetnettoloon, en betaalt na inhouding van de loonheffing (loonbelasting,premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) hetnettoloon namens de budgethouder aan de zorgverlener.Als partijen niet voor opting-in kiezen, dan wordt het loon bruto namensde budgethouder uitbetaald, waarna de zorgverlener zelf de afdracht vaninkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijkebijdrage Zvw via diens aangifte inkomstenbelasting verzorgt.Van advies Commissie Kalsbeek tot hedenIn 2011 is ILO-verdrag 189 inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijkpersoneel (Verdrag nr. 189) aangenomen. Dit verdrag bepaalt onder meerdat er geen verschillen mogen zijn in rechtspositie – inclusief recht opsociale zekerheid – tussen huishoudelijk werkers en andere werknemers.De Rdah is hiermee niet in overeenstemming. Tegen deze achtergrondhebben het kabinet en sociale partners een commissie laten adviserenover een mogelijke verbetering van de positie van huishoudelijk werkersen de gevolgen van eventuele ratificatie van Verdrag nr. 189 in relatie totde Rdah.13De Commissie Dienstverlening aan huis (Commissie Kalsbeek) heeft op27 maart 2014 haar advies aan de Minister van Sociale Zaken en Werkge-legenheid aangeboden.14 Kort gezegd constateerde de CommissieKalsbeek dat huishoudelijke dienstverlening waarin overheidsfinancieringeen rol speelt, ten onrechte valt binnen de werkingssfeer van de Rdah. Decommissie kwam tot deze conclusie, omdat (i) de werkgever al (deels)gecompenseerd wordt voor de werkgeverslasten, (ii) de werkgever bijpgb-dienstverlening geen reële keus heeft om de werkzaamheden van dezorgbehoefte zelf uit te voeren en (iii) de overheid toezicht kan houden opde naleving van alle werkgeversplichten.In een gezamenlijke reactie hebben de toenmalige Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid en toenmalige Staatssecretaris van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport op het rapport gereageerd.15 Aangegevenwerd dat een slechtere rechtspositie van publiek gefinancierde dienstver-leners in beginsel onwenselijk is en dat werkenden in de zorg een betererechtspositie dienen te krijgen. Tegelijk constateerde het toenmaligekabinet dat er geen goed alternatief is voor de markt voor dienstverleningaan huis. Het toenmalige kabinet gaf aan zich primair te richten op hetvoorkomen van oneigenlijke alfahulpconstructies, bijvoorbeeld in diegevallen waarbij het gebruik van de Rdah niet terug te voeren is opbewuste keuzes van cliënten. Een alfahulp is een pgb-zorgverlener diedoor tussenkomst van een bemiddelingsorganisatie wordt ingehuurd.Door de zorgverlener rechtstreeks bij de particulier in dienst te latentreden onder de Rdah, kon een kostenvoordeel ontstaan.16 De Rdah isechter niet bedoeld om kosten te drukken ten koste van de rechtspositievan de huishoudelijke hulpen.13Kamerstukken II, 2012/13, 29 544, nr. 425.14Bijlage bij Kamerstukken II, 2013/14, 29 544, nr. 507.15Kamerstukken II 2014/15, 29 427, nr. 100.16Zie ook Hof Leeuwarden-Arnhem november 2013 ECLI:NL:GHARL:2013:8304, waarin het Hofoordeelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de alfahulp en dethuiszorginstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 36 Ten aanzien van gastouders aan huis heeft het toenmalige kabinetaangegeven dat de positie van gastouders aan huis in breder perspectiefmoet worden bezien.17 De Rdah voor gastouders aan huis wordtvooralsnog in stand gehouden.Ten aanzien van de private markt voor dienstverlening aan huis wordt deRdah eveneens in stand gehouden, omdat afschaffing van de Rdah zonderaanvullend subsidiesysteem in de praktijk geen verbetering oplevert voorde rechtspositie van deze werknemers. Een beschreven substantiëleoverheidssubsidie voor de private markt zou gepaard gaan met hogekosten en is inherent fraudegevoelig.Om oneigenlijk gebruik van alfahulpconstructies terug te dringen isdestijds een wetsvoorstel opgesteld dat ertoe strekte dat het gemeentenwerd verboden om een voorziening te treffen die tot doel heeft dat eencliënt een arbeidsverhouding als bedoeld in de Rdah aangaat. Uiteindelijkis dit wetsvoorstel na advies van de Raad van State ingetrokken, omdat deCentrale Raad van Beroep op 18 mei 2016 enkele uitspraken had gedaanover de werking van het stelsel van de Wmo-2015.18 Daarmee is duidelijkgeworden dat een gemeente geen algemene voorziening treft als bedoeldin de Wmo-2015 als er alleen een contract bestaat tussen de alfahulp ende cliënt. Om gebruik te kunnen maken van de Rdah levert altijd dealfahulp/zorgverlener als particuliere dienstverlener de hulp aan de cliënten niet het college. Bij een algemene voorziening in de zin van deWmo-2015 levert juist het college maatschappelijke ondersteuning aan decliënt. Uit deze op de tekst en de wetsgeschiedenis van de Wmo-2015gebaseerde uitspraken trekt de Raad van State de conclusie dat hetvoorstel niet (meer) nodig is. De huidige bepalingen van de Wmo-2015,zoals deze door de Centrale Raad van Beroep zijn uitgelegd, leiden erimmers al toe dat gemeenten voorzieningen op grond van de Wmo-2015niet in deze vorm kunnen aanbieden.19 Wel bleef het bij een maatwerk-voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget mogelijkbewust te kiezen voor een arbeidsovereenkomst onder de Rdah.Het onderwerp bleef onder de aandacht en op 19 november 2020 is eenmotie ingediend met het verzoek om een aantal opties uit te werken omde positie van huishoudelijk werkers te verbeteren en daarbij gebruik temaken van de verkenning van de SER van juni 2020.20 De toenmaligeMinister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hier op 29 april202121 op gereageerd door onder meer twee varianten als denkrichtingente schetsen waarmee de positie van huishoudelijk werkers kon wordenverbeterd. Daarbij was aandacht voor problemen die raken aan deuitvoering, die eveneens de mogelijke keuzes beperken om op kortetermijn grote wijzigingen aan te brengen. Het toenmalige kabinet namnadrukkelijk geen standpunt in over de wenselijkheid van de opgenomenalternatieven en liet het over aan een volgend kabinet.De Vereniging Vrouw en Recht «Clara Wichmann» heeft een oproepgedaan aan werknemers die pgb-zorg verlenen en onder de Rdah vallenzich te melden om een proefproces te starten. Op 16 december 2021 heeftde Rechtbank Rotterdam22 in een dergelijke procedure geoordeeld dat deuitzonderingsbepaling in de WW ten aanzien van de Rdah veel meer17Kamerstukken II 2014/15, 29 427, nr. 100, p. 5.18Centrale Raad van Beroep 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1404.19Kamerstukken II 2017/18, 29 538, nr. 264.20SER, «Markt voor persoonlijke dienstverlening in internationaal perspectief. Varianten endenkrichtingen», advies 20/6, juni 2020.21Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1047.22Rechtbank Rotterdam 16-12-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12432.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 37 vrouwen dan mannen treft en dat daarom sprake is van indirectediscriminatie waarvoor geen rechtvaardiging bestaat.De rechtbank oordeelde dat in het geval van eiseres (pgb-zorgverleneronder de Rdah) geen rechtvaardiging bestaat voor het gemaakteonderscheid, onder verwijzing naar de conclusie van de CommissieKalsbeek. Door de uitzonderingsbepaling wordt de werkgelegenheid voorpersoonlijke dienstverleners die worden betaald uit een pgb nietbevorderd en een mogelijke vlucht naar het illegale circuit is niet aan deorde. De uitzonderingsbepaling is daarom in strijd met het Europeesrech-telijk discriminatieverbod en moet buiten toepassing blijven.De Centrale Raad van Beroep heeft op 30 maart 2023 deze uitspraakbevestigd. Dit betekent dat de Centrale Raad heeft geoordeeld dat deuitzonderingsbepaling in gevallen waarin de dienstverlener wordt betaalduit een pgb, geen geschikt en noodzakelijk middel is om de arbeidsmarktvoor persoonlijke dienstverlening te stimuleren en illegale arbeid tevoorkomen. Doordat de uitzonderingsbepaling buiten toepassing dient teblijven, zijn de werkzaamheden die betrokkene heeft verricht dan ookverzekerde arbeid in de zin van de werknemersverzekeringswetten. Omdie reden moet UWV eveneens het geregistreerde arbeidsverleden vanbetrokkene corrigeren. Hoewel de uitspraak formeel slechts op het gevalvan de betrokkene ziet, treft zij in feite de uitzonderingspositie van allepgb-zorgverleners. Dat geldt ook voor de overige werknemers-verzekeringen (ZW en doorwerking naar de Wet WIA en de WAZO). Vanafde datum van de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam wordt in depraktijk uitvoering gegeven aan de uitspraak, in die zin datpgb-zorgverleners die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereen-komst voor doorgaans minder dan vier dagen per week verplichtverzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Tot dit wijzigings-voorstel in werking treedt, worden nog geen premies voor deze verzeke-ringen afgedragen. De uitspraak is tevens de aanleiding voor ditwetsvoorstel.Ander oordeel Centrale Raad van BeroepMet voornoemde uitspraak komt de Centrale Raad van Beroep tot eenander oordeel dan in zijn uitspraak uit 1996 voor mensen die uit een pgbworden betaald.23 Destijds was de Raad van oordeel dat voor wat betrefthet uitsluiten van de verplichte werknemersverzekering kan wordengesproken van legitieme doelstellingen (zware administratieve lasten,uitstoot van arbeid verricht in een huishouding en/of tot een «vlucht in hetzwarte circuit»), alsmede van een geschikt en noodzakelijk middel. Daarbijnam de Centrale Raad van Beroep tevens mee dat geen sprake is vanuitsluiting van de publiekrechtelijke werkloosheidsverzekering, omdatdaartegenover nog de mogelijkheid bestond om je vrijwillig te verzekeren.Dat standpunt wordt in voornoemde uitspraak van de Centrale Raad vanBeroep uit 2023 losgelaten. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad vanBeroep oordelen dat wel sprake is van legitieme doelstellingen, maar dathet middel geschikt noch noodzakelijk is voor personen die wordenbetaald uit een pgb. Ten aanzien van de vrijwillige verzekering wordtopgemerkt dat de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid van eenvrijwillige verzekering, maar dat doet hieraan niets af. Aan die vrijwilligeverzekering zijn immers in de regel administratieve lasten en kostenverbonden die verplicht verzekerde werknemers doorgaans niet indezelfde mate hebben.2423Centrale Raad van Beroep 26 april 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6049.24Centrale Raad van Beroep 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:481, r.o. 2.7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 38 1.4. Huidige situatie Onder de Rdah vallen zowel werknemers in de private markt als (deels)publiek gefinancierde werknemers. Met publiek gefinancierdewerknemers wordt gedoeld op pgb-zorgverleners en gastouders aan huis,waar in beginsel (deels) een tegemoetkoming vanuit de overheidbeschikbaar wordt gesteld. Met dit wetsvoorstel wordt bewerkstelligd datpgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst niet langer onder deRdah komen te vallen. De Rdah blijft van toepassing op gastouders aanhuis. Onderstaand wordt dit nader toegelicht.Pgb- dienstverleningIn 2023 voerde de SVB voor 29.174 arbeidsovereenkomsten de salarisad-ministratie uit voor budgethouders die onder het bereik van de Rdahvielen. Dit betrof 26.471 zorgverleners die werkzaam waren voor 15.798budgethouders. Dat betekent dat zorgverleners werkzaam waren bijverschillende budgethouders. Het betrof pgb op basis van zowel de Wlz,Wmo-2015, Jw als de Zvw.Als gevolg van het wetsvoorstel is het onderscheid naar het aantalwerkdagen waarop de pgb-zorgverlener werkzaamheden verricht nietlanger relevant. Alle budgethouders die een pgb-zorgverlener in diensthebben op grond van een arbeidsovereenkomst worden verplicht eensalarisadministratie te voeren. Voor de arbeidsovereenkomsten binnenpgb op grond van de Wlz, Wmo-2015 en Jw bestaat trekkingsrecht en zalde SVB verplicht de salarisadministratie gaan uitvoeren. Indien sprake isvan financiering vanuit de Zvw, behoudt de budgethouder een keuzemo-gelijkheid om de salarisadministratie te laten uitvoeren door de SVB. Dezekeuzemogelijkheid bestond voor ingang van het wetsvoorstel ook alindien op doorgaans vier of meer dagen per week op basis van eenarbeidsovereenkomst zorg werd verleend vanuit pgb. Anders dan het pgbop grond van de Wlz, Wmo-2015 en Jw is het pgb op grond van de Zvwprivaat vormgegeven en bestaat er geen verplicht trekkingsrecht waarbijde SVB de administratie voert. De budgethouder met een Zvw-pgb kan erdaarom voor kiezen gebruik te maken van de ondersteuning van de SVBmaar is hier niet toe verplicht. De groep budgethouders met een pgb opgrond van de Zvw die volledig werkgever zijn wordt met onderhavigwetsvoorstel aanzienlijk groter. Het is daarom van belang dat budget-houders met een pgb op grond van de Zvw op de hoogte zijn van hunverplichtingen en de mogelijkheid tot ondersteuning van de SVB.Gastouderopvang aan huisVoor gastouders die doorgaans op drie of minder dagen per week alsgastouder aan huis werken, blijft de Rdah van toepassing. Vanwege deovereenkomsten tussen gastouderopvang aan huis enpgb-dienstverlening, zoals ook benoemd door de Commissie Kalsbeek, iseen ambtelijke verkenning uitgevoerd naar de Rdah voor gastouder-opvang aan huis. Met een werkgroep bestaande uit medewerkers enhouders van gastouderbureaus is gekeken naar de gevolgen van het nietlanger van toepassing zijn van de Rdah op gastouderopvang aan huis ende toepassing van de oplossingsrichtingen voor pgb op gastouderopvangaan huis.Ten eerste is een vergelijking gemaakt van gastouderopvang aan huis metpgb-dienstverlening. Er zijn verschillende overeenkomsten tussengastouderopvang aan huis en pgb-dienstverlening. Zo zijn er in beidesectoren veelal vrouwen werkzaam, waardoor er sprake kan zijn vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 39 indirect onderscheid dat gerechtvaardigd moet worden. Daarnaastworden beide sectoren (deels) gefinancierd met publieke middelen.De toeslag vanuit de overheid wordt alleen betaald voor opvang in deformele gastouderopvang, er is dan ook geen sprake van zwartwerken. Bijpgb-dienstverlening is sprake van een soortgelijke situatie.Een verschil tussen beide sectoren is dat de SVB ingeval van pgb bij debelangrijkste aanvullende werkgeverstaken van de particuliere werkgeverkan ondersteunen. In de gastouderopvang is er geen partij om deze takenintegraal uit te voeren. Daarmee zijn de oplossingen voor pgb niet directtoepasbaar op gastouderopvang aan huis. Hoewel iedere gastouder isaangesloten bij één of meerdere gastouderbureaus, ligt het niet voor dehand om dergelijke werkgeverstaken bij het gastouderbureau neer teleggen. Het gastouderbureau heeft als taak het begeleiden van degastouder in het bieden van verantwoorde kinderopvang, daarnaastbemiddelt het gastouderbureau tussen vraagouder en gastouder en heefthet een kassiersfunctie. Het zou een aanzienlijke verzwaring en uitbreidingvan hun taken en verantwoordelijkheden zijn, wanneer de aanvullendewerkgeverstaken bij gastouderbureaus worden belegd. Anders dan bij deSVB, wijzigen daarmee de werkzaamheden en het doel van het gastouder-bureau aanzienlijk, waarbij gastouderbureaus hebben aangegeven dezetaken niet (goed) uit te kunnen voeren. Ten tweede is er gekeken naar degevolgen wanneer de Rdah niet langer van toepassing zou zijn opgastouderopvang aan huis. In het eerste kwartaal van 2024 werken erongeveer 3.600 gastouders aan huis onder de Rdah. Voor ruim 10.000kinderen wordt gebruik gemaakt van gastouderopvang aan huis. Voorzowel de vraagouder (degene die gebruik maakt van de diensten van degastouder aan huis), als de gastouder, als het gastouderbureau blijken degevolgen groot wanneer de Rdah niet meer van toepassing is. Zo grootdat er naar verwachting nauwelijks of geen vraag meer zal zijn naargastouderopvang aan huis.Voor de gastouder aan huis zijn er voordelen wanneer hun diensten nietlanger vallen onder de Rdah. De kwetsbare arbeidspositie die zij op ditmoment hebben verbetert aanzienlijk. Zij kunnen bij ziekte ofwerkloosheid aanspraak maken op een uitkering uit hoofde van de ZW,WW of de Wet WIA en hebben recht op een volwaardige uitkering bijzorgverlof. Daarnaast heeft de gastouder bij ziekte recht op 104 wekenloondoorbetaling. De extra risico’s en verplichtingen die tegenover devoordelen voor de gastouder aan huis staan, komen voor rekening van devraagouder, die werkgever wordt. De werkgeverslasten nemen toe in devorm van afdracht van loonheffing en sociale premies en een toenamevan re-integratieverplichtingen. Daarnaast neemt het financiële risicoaanzienlijk toe als gevolg van de verplichting tot loondoorbetaling bijziekte gedurende 104 weken. Vanuit de overheid staat er geen tegemoet-koming tegenover dit aanvullend financieel risico voor de vraagouder.Anders dan bij pgb, is daar op dit moment ook geen aanleiding voor. Demotieven om voor gastouderopvang te kiezen zijn anders dan bij pgb. Zokunnen vraagouders in beginsel uitwijken naar kinderopvangcentra ofkunnen ouders ervoor kiezen om minder te gaan werken en de kinderenzelf op te vangen. Ingeval van pgb is dat geen reële keuze, de zorgvraag isdaar noodzakelijk. Daarbij speelt de vraag of de financiële gevolgen die bijdeze vorm van gastouderopvang komen kijken, moeten wordenafgewenteld op de overheid. Het is niet mogelijk om deze groepgastouders gericht te compenseren. Potentieel compenseren zou immersalleen kunnen via verhoging van de maximumuurprijs voor gastouder-opvang waarvoor vraagouders kinderopvangtoeslag ontvangen. Het isniet mogelijk om in deze maximumuurprijs onderscheid te maken naargastouders aan huis of gastouderopvang bij de gastouder in huis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 310 De ambtelijke verkenning heeft uitgewezen dat het de verwachting is datvraagouders de verzwaarde werkgeversverplichtingen en de kosten-stijging niet op zich kunnen en willen nemen. Hierdoor zal de vraag naargastouderopvang aan huis sterk dalen of mogelijk in zijn geheelverdwijnen. Het verdwijnen van de vraag naar gastouderopvang aan huiszal ertoe leiden dat ouders minder gaan werken en/of voor hun kinderenop zoek gaan naar een andere vorm van opvang. Een nadeel daarvan isdat een andere vorm van opvang minder passend kan zijn voor het kind,bijvoorbeeld omdat het kind, of een gezinslid, kwetsbaar is quagezondheid of gebaat is bij een meer kleinschalige opvang waar minderprikkels zijn. Mogelijk kan de opvang aan huis informeel wordendoorgezet. Dit heeft als nadelen dat er geen kwaliteitscontrole is. Ookheeft degene die de opvang biedt geen enkele arbeidsrechtelijkebescherming, waar de gastouder onder de Rdah nog enige bescherminggeniet.Een afnemende vraag of wegvallen van de vraag naar gastouderopvangaan huis leidt ertoe dat diegenen die als gastouder aan huis onder deRdah werken op zoek moeten naar ander werk. Hiervoor zijn mogelijk-heden in de kinderopvangsector, maar deze zijn om verschillende redenenniet per definitie haalbaar voor iedereen. Reguliere gastouderopvang isalleen mogelijk wanneer de gastouder daarvoor een geschikte opvanglo-catie beschikbaar heeft, zoals bijvoorbeeld een eigen woning. Daarnaast isinstromen als pedagogisch medewerker in de dagopvang of buiten-schoolse opvang alleen mogelijk op mbo-niveau 3, terwijl voor gastouder-opvang mbo-niveau 2 voldoende is. Een risico is ook dat de gastouderdiensten gaat aanbieden in het informele circuit, zonder kwaliteitscontrolevoor het kind en zonder bescherming van de gastouder.25Alle voorgaande belangen afwegend, zoals het laten voortbestaan van dekwetsbare arbeidspositie van de gastouder, de specifieke behoefte vanouders die vervuld wordt met gastouderopvang aan huis, en met het oogop de huidige krapte in de kinderopvangsector is het wenselijk om degastouderopvang aan huis als vorm van opvang te behouden. Degevolgen voor vraagouder en gastouder, zoals hiervoor toegelicht, zijn opdit moment te groot om de Rdah voor deze groep te laten vervallen.Daarmee blijft er sprake van een objectieve rechtvaardiging voor de(mogelijke) indirecte discriminatie die bestaat bij het werken onder deRdah.1.5. Noodzaak voor dit wetsvoorstel De Centrale Raad van Beroep komt in zijn uitspraak van 30 maart 2023 tothet oordeel dat uitsluiting van pgb-zorgverleners die onder de reikwijdtevan de Rdah vallen, van de verplichte werknemersverzekeringen leidt totindirecte discriminatie van vrouwen, waar geen rechtvaardiging voorbestaat. Dat betekent dat de wetgeving zoals deze luidde voor ingang vandit wetsvoorstel voor pgb-zorgverleners werkzaam op basis van eenarbeidsovereenkomst, in beginsel leidt tot indirecte discriminatie. Omdeze discriminatie weg te nemen is het noodzakelijk de wetgeving in lijnte brengen met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep enwetgeving op deze punten aan te passen.Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat pgb-zorgverleners werkzaam opbasis van een arbeidsovereenkomst, in beginsel verplicht verzekerd zijnvoor de werknemersverzekeringen. Daarmee wordt tevens een grondslaggecreëerd die het mogelijk maakt om premies voor de werknemers-25In het informeel circuit is het voor de vraagouder niet mogelijk om kinderopvangtoeslag aan tevragen voor de opvang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 311 verzekeringen te heffen. Dit past binnen ons huidige systeem en uitvoe-ringspraktijk. Een logische vervolgstap is dat daarnaast de Wet LB 1964wordt gewijzigd, in die zin dat de budgethouder ook inhoudingsplichtigewordt voor de loonbelasting, premie volksverzekeringen, premieswerknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.26Dat was al het geval indien sprake was van een dienstverband voordoorgaans vier dagen of meer per week.Naast de verzekeringsplicht en premie-inning voor de werknemers-verzekeringen is het eveneens van belang om de overige uitzonderingenvan de Rdah, die gelden voor pgb-zorgverleners die doorgaans op minderdan vier dagen per week werken op basis van een arbeidsovereenkomst,te laten vervallen. Het is aannemelijk dat deze bepalingen voorpgb-zorgverleners eveneens indirect discriminerend worden geacht,zonder dat daar een rechtvaardiging voor bestaat. Bovendien wordthiermee voor deze groep duidelijkheid verschaft. Met deze wijzigingenwordt geregeld dat deze groep, mits zij werkzaam zijn op basis van eenarbeidsovereenkomst, de volledige arbeidsrechtelijke bescherming gaangenieten, net als nu al geldt voor pgb-zorgverleners die op vier of meerdagen per week werken op basis van een arbeidsovereenkomst. Hierwordt in paragraaf 2.2. nader op ingegaan. In paragraaf 2.3.1. wordt naderingegaan op de redenen voor de regering om de Rdah in stand te latenvoor de overige werknemers die onder de reikwijdte van de Rdah vallen.Pgb op basis van een arbeidsovereenkomstOm gebruik te kunnen maken van een pgb is het van belang dat er eenzorgovereenkomst wordt gesloten. Een zorgovereenkomst is een contracttussen de persoon die zorg nodig heeft en de persoon die zorg geeft. Eenzorgovereenkomst kan, afhankelijk van de situatie, worden vormgegevenals arbeidsovereenkomst of als overeenkomst van opdracht. De uitspraakvan de Centrale Raad van Beroep gaat slechts over de situatie dat sprakeis van pgb op basis van een arbeidsovereenkomst. Alleen in dat geval isnamelijk sprake van werknemer- en werkgeverschap en gelden dearbeidsrechten en sociale zekerheidsrechten waar de uitspraak over gaat.Dat betekent dat dit wetsvoorstel alleen gevolgen heeft voor arbeidsover-eenkomsten die in het kader van pgb zijn gesloten en niet ziet opovereenkomsten van opdracht.272 Hoofdlijnen van het voorstel 2.1. Doel van het wetsvoorstel Het doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat ten aanzien vanpgb-zorgverleners niet langer sprake is van (een risico op) indirectediscriminatie van vrouwen waar geen rechtvaardiging voor bestaat.Daarnaast is het doel om wet- en regelgeving in lijn te brengen met deuitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Hoewel de uitspraak van deCentrale Raad van Beroep formeel slechts betrekking heeft op de WW, kande argumentatie van de Centrale Raad van Beroep worden doorgetrokkennaar alle werknemersverzekeringen. UWV past de uitspraak daarom ooktoe op de ZW, waarmee ook de uitzonderingsgrond in de Wet WIA niet26Artikel 27b van de Wet op de loonbelasting 1964.27Op 3 oktober 2024 heeft de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg van hetMinisterie Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Tweede Kamer wel geïnformeerd dat vanuithet pgb wordt verkend of alle zorgverleners die werken onder een overeenkomst van opdrachteen maand extra vergoeding krijgen na het wegvallen van de zorg. Daarnaast wordt, samenmet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gekeken of voor ouders die hebbengezorgd voor een ziek kind meer mogelijk is. Het eerste kwartaal van 2025 wordt de TweedeKamer hier nader over geïnformeerd. Kamerbrief 4 oktober 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 312 langer van toepassing is. Daarnaast is het waarschijnlijk dat de argumen-tatie die de Centrale Raad in zijn uitspraak aanhaalt kan worden doorge-trokken naar de overige uitzonderingen in de Rdah, voor zover hetpgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst betreft. Voor alleuitzonderingen in de Rdah voor pgb-zorgverleners geldt immers hetzelfde(legitieme) doel: de arbeidsmarkt voor persoonlijke dienstverlening testimuleren en illegale arbeid te voorkomen. Daarbij komt dat de CentraleRaad van Beroep aansluiting zoekt bij het rapport van de CommissieKalsbeek, waarin wordt aangehaald dat (i) de markt ten aanzien van pgbdoor de overheid wordt gestimuleerd en ondersteund in de vorm vansubsidie; (ii) de particuliere werkgever via het persoonsgebonden budgetgeheel of gedeeltelijk wordt gecompenseerd voor de werkgeverslasten;(iii) bij pgb-dienstverlening de particuliere opdrachtgever geen reële keuzeheeft om de werkzaamheden zelf te verrichten en (iv) risico op zwartcircuit en achterblijvende werkgelegenheid in het publiek gefinancierdedeel van de markt nagenoeg nihil is.Om voornoemd doel te bereiken acht de regering het van belang om nietalleen de uitzondering op de verzekeringsplicht voor de werknemers-verzekeringen voor pgb-zorgverleners te laten vervallen, maar om dezegroep voor zover sprake is van een arbeidsovereenkomst de volledigearbeidsrechtelijke bescherming te bieden die werknemers buiten de Rdahook genieten. Dat betekent dat ook de overige uitzonderingen die op basisvan de Rdah ten aanzien van pgb-zorgverleners golden komen tevervallen. Dit betreft de verkorte loondoorbetalingsplicht ingeval vanziekte, enkele uitzonderingen in de verlofregelingen (via doorwerking vanhet werknemersbegrip in WW en ZW), de uitzondering op scholing enontslag en de uitzondering in de Wfw. Deze bepalingen worden nadertoegelicht in de volgende paragraaf.2.2. Aard van de maatregelen Zoals in paragraaf 2.1 al is beschreven, is het doel van het wetsvoorstelom (een risico op) indirecte discriminatie waar geen rechtvaardiging voorkan worden gevonden ten aanzien van pgb-zorgverleners weg te nemen.Met dit wetsvoorstel worden de uitzonderingsbepalingen van de Rdahaangepast, zodat deze in de toekomst niet meer van toepassing zijn oppgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst, ongeacht op hoeveeldagen zij werken.Hierdoor krijgen alle pgb-zorgverleners werkzaam op basis van eenarbeidsovereenkomst met een budgethouder dezelfde rechten en allebudgethouders dezelfde verplichtingen. Dit past bij de huidige uitvoe-ringspraktijk. In de volgende sub-paragrafen worden de wijzigingentoegelicht.2.2.1 Verzekeringsplicht en premieheffing Om de wetgeving in lijn te brengen met de uitspraak van de Centrale Raadvan Beroep is het van belang om te regelen dat een arbeidsovereenkomsttussen een budgethouder en zorgverlener, waarbij doorgaans op minderdan vier dagen in de week wordt gewerkt, niet langer wordt uitgeslotenals dienstbetrekking voor de werknemersverzekeringen. Daarvoor is eenwijziging van de WW en ZW nodig, met doorwerking naar het verzekerdebegrip in de Wet WIA. Door het verzekerde begrip in de WW en ZW tewijzigen wordt geregeld dat alle pgb-zorgverleners werkzaam op basisvan een arbeidsovereenkomst verplicht verzekerde werknemers zijn. Dewijziging houdt in dat de uitzondering op het hebben van een dienstbe-trekking voor personen met een arbeidsovereenkomst die doorgaans opminder dan vier dagen per week werken in het huishouden van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 313 natuurlijk persoon,28 niet geldt indien de diensten betaald worden uitpublieke financiering. De regelingen voor publieke financiering waarvoordit geldt, vooralsnog de vier pgb-regelingen, worden opgenomen in eenministeriële regeling. De arbeidsovereenkomst tussen de budgethouderen pgb-zorgverlener kwalificeert daarmee altijd als verzekerde dienstbe-trekking als bedoeld in de WW, ZW en Wet WIA, ongeacht het aantaldagen per week waarop de pgb-zorgverlener werkt. Daarmee is eveneenseen grondslag gecreëerd voor premieheffing voor de premieswerknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw.29 De budgethouderwordt hierdoor voor deze pgb-zorgverleners aangemerkt als werkgever inde zin van de WW, ZW en Wet WIA30 en daardoor ook als werkgever in dezin van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).31 Daarmeewordt hij eveneens inhoudingsplichtige in de zin van de Zvw.32 In de WetLB wordt eveneens geregeld dat de budgethouder inhoudingsplichtige isvan de pgb-zorgverlener die met een arbeidsovereenkomst werkzaam isvoor de budgethouder. De budgethouder betaalt over het loon van depgb-zorgverlener de premies werknemersverzekeringen en de werkge-versheffing Zvw.2.2.2 Loondoorbetaling bij ziekte Met de voorgestelde wijziging van artikel 7:629 BW wordt geregeld datalle pgb-zorgverleners die werkzaam zijn op basis van een arbeidsover-eenkomst, ingeval van arbeidsongeschiktheid voor een tijdvak van 104weken aanspraak kunnen maken op minimaal 70% van het naar tijdruimtevastgestelde loon, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel. De eerste52 weken behoudt de werknemer ten minste recht op het voor hemgeldende wettelijke minimumloon.Op dit moment geldt voor de groep pgb-zorgverleners die op basis vaneen arbeidsovereenkomst doorgaans op minder dan vier dagen per weekwerken een verkorte loondoorbetalingstermijn van zes weken. Voorpgb-zorgverleners die doorgaans op vier of meer dagen werkzaam warenop basis van een arbeidsovereenkomst geldt deze uitzondering niet. Metdeze wijziging komt dit onderscheid te vervallen en geldt voor allepgb-zorgverleners die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereen-komst de hoofdregel uit artikel 7:629 BW met bijbehorendere-integratieverplichtingen.Het tijdvak van 104 weken gaat gelden bij een eerste ziektedag vanaf deingangsdatum van het wetsvoorstel. Dat betekent dat pgb-zorgverlenersdie voor deze datum ziek worden onder de loondoorbetalingsperiode vanzes weken blijven vallen, ook als de ziekteperiode op de ingangsdatumvan het wetsvoorstel nog geen zes weken duurt. Voor de bepaling van deeerste ziektedag worden perioden van ziekte die elkaar binnen vier wekenopvolgen meegeteld. De gedachte achter dit overgangsrecht is het biedenvan duidelijkheid over de vraag welke regeling van toepassing is in debetreffende situatie. Het is belangrijk dat zowel voor de pgb-zorgverlenerals voor de budgethouder duidelijk is waar de zorgverlener recht op heeften aan welke re-integratieverplichtingen de budgethouder zich moethouden. Ook de uitvoering (SVB en UWV) is gebaat bij duidelijkheid eneenduidige regels ingeval van ziekte. In de huidige situatie waarin een28Artikel 6, lid 1, onder c, WW en artikel 6, lid 1, onder c, ZW.29Onder de Rdah betaalt de pgb-zorgverlener de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zelf. Met ditwetsvoorstel wordt geregeld dat de budgethouder dit afdraagt.30Artikel 9 Werkloosheidswet, artikel 9 Ziektewet, artikel 11, eerste lid Wet Werk en Inkomen naararbeidsvermogen.31Artikel 1, onderdeel q Wet financiering sociale verzekeringen.32Artikel 1, onderdeel l Zorgverzekeringswet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 314 zorgverlener recht heeft op zes weken loondoorbetaling ingeval vanziekte, heeft de zorgverlener als gevolg van de uitspraak van de CentraleRaad van Beroep, ingeval van rechtsgeldige beëindiging van de arbeids-overeenkomst mogelijk wel recht op een Ziektewetuitkering.Indien sprake is van arbeidsongeschiktheid van de pgb-zorgverlener indienstbetrekking wordt het pgb zodanig aangevuld dat de budgethoudervoldoende budget tot zijn beschikking heeft om te kunnen voldoen aan dewettelijke loondoorbetalingsverplichting uit artikel 7:629 BW én dat hetbudget eveneens toereikend is om vervangende zorg in te kopen.Bijbehorende verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter rustenop de budgethouder. De SVB biedt de budgethouder ondersteuning via dedoor de SVB ingekochte arbodienst, waarmee de budgethouder kanvoldoen aan de verplichtingen die op hem als werkgever rusten en dearbeidsongeschikte pgb-zorgverlener ondersteuning ontvangt. De SVBonderhoudt contact met de arbodienst over de aangeboden onder-steuning. De budgethouder is verplicht de ziekmelding van de zorgver-lener tijdig aan de SVB door te geven. Op moment dat een zorgverlenerziek is, wordt het loon gecompenseerd door de SVB. De ziekmeldingwordt vervolgens door de SVB aan de arbodienst doorgegeven. Dearbodienst verzorgt de re-integratie activiteiten. De budgethouder wordtdoor de SVB op de hoogte gesteld van de te nemen handelingen in depoortwachter periode. De verantwoordelijkheid om als werkgever aandeze verplichtingen te voldoen blijft op de budgethouder rusten.2.2.3 Verlofregelingen Doordat alle pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst door ditwetsvoorstel als verzekerde werknemers gelden, krijgen zij ook allendezelfde rechten op grond van de WAZO.Het gevolg van deze wijziging is dat alle pgb-zorgverleners die werkzaamzijn op basis van een arbeidsovereenkomst volledige aanspraak kunnenmaken op de verlofregelingen als bedoeld in de WAZO, te wetenzwangerschaps- en bevallingsverlof, adoptie- en pleegzorgverlof,calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kortdurend en langdurendzorgverlof, (aanvullend) geboorteverlof en ouderschapsverlof. Daarnaastwordt een uitkeringsrecht op basis van de WAZO niet langer gerelateerdaan het minimumloon, maar aan het door de werknemer genoten(gemaximeerde) dagloon.332.2.4 Scholing In artikel 7:611a BW is onder meer de verplichting opgenomen voor dewerkgever om de werknemer in staat te stellen scholing te volgen dienoodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie. Deze verplichting isniet uitgezonderd in de Rdah. In het tweede lid van dit artikel isopgenomen dat indien de werkgever verplicht is deze scholing aan tebieden, hij dit kosteloos moet doen, de tijd die aan scholing wordt besteedwordt beschouwd als arbeidstijd en, indien mogelijk, de scholingplaatsvindt tijdens de tijdstippen waarop arbeid verricht moet worden.Deze verplichting is wel uitgezonderd onder de Rdah.Met aanpassing van het derde lid van artikel 7:611a BW wordt ook deverplichting in het tweede lid van toepassing op de werkgevers van allepgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst. Voor pgb-zorgverlenersdie werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en doorgaansop vier of meer dagen per week werken gold deze verplichting al.33Zie onder meer artikel 4:2b lid 7 WAZO en artikel 6:3 lid 7 WAZO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 315 Hieronder vallen in principe niet opleidingen die werknemers verplichtmoeten volgen voor het verkrijgen of behouden van een beroepskwalifi-catie. Bovendien kan de scholing in sommige gevallen worden betaald uithet pgb. Dit is het geval indien de scholing bijdraagt aan relevantedeskundigheidsbevordering in relatie tot de te leveren zorg aan debudgethouder. In de praktijk is de betekenis van dit artikel voor de groeppgb-zorgverleners beperkt.2.2.5 Ontslag Ook ten aanzien van ontslag veranderen de regels deels. Zo kan debudgethouder de arbeidsovereenkomst niet langer rechtsgeldig opzeggenzonder schriftelijke instemming van de werknemer. In artikel 7:671, eerstelid, onderdeel d, BW zijn hiervan nu arbeidsovereenkomsten vanpgb-zorgverleners onder de Rdah uitgezonderd. Deze wijziging brengt metzich mee dat voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst vanpgb-zorgverleners de reguliere ontslagregels gaan gelden. Dat betekentdat voor opzegging van de arbeidsovereenkomst toestemming van UWVof instemming van een werknemer vereist is en ontbinding via dekantonrechter verloopt. De mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst tebeëindigen met wederzijds goedvinden bestaat voor het wetsvoorstel alen blijft bestaan. De SVB biedt hiervoor ondersteuning aan middels deingekochte rechtsbijstandverlening, waar budgethouders ingeval vanontslag gebruik van kunnen maken. In de praktijk wordt gekeken welkesituatie ten grondslag ligt aan de beëindiging van de arbeidsovereen-komst. Bedrijfseconomische redenen zijn enkel van toepassing als ersprake is van een verlaging van het budget én er komen zorgfuncties tevervallen of er is sprake van een beëindiging van het pgb op initiatief vande budgethouder of diens vertegenwoordiger; de ontbindendevoorwaarden zijn dan doorgaans niet van toepassing en de overeen-komsten kunnen tijdig worden opgezegd. In die situatie kan een ontslag-vergunning worden aangevraagd, maar door de persoonlijke relatie wordtin de praktijk veelal volstaan met opzegging met instemming vanzorgverlener. Indien er dan toch sprake is van een conflict wordt rechtsbij-stand aangeboden. Veelal leidt dit in de huidige praktijk tot een onderlingeregeling. Er wordt per geval gekeken wat er betaald kan worden uitbudgetten en/of daartoe verstrekte middelen/afgestemde regelingen. Inenkele gevallen komt het tot een procedure. Als er dan nog vergoedingenverschuldigd zijn, wordt bekeken of deze redelijkerwijs voor rekening vande budgethouder moeten komen. Dit wordt in de praktijk zoveel mogelijkbeperkt.Tevens blijft het onder omstandigheden mogelijk om een zogenoemdeontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst op te nemen. Metzo’n voorwaarde wordt het einde van de dienstbetrekking afhankelijkgesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Een dergelijkevoorwaarde is toegestaan, mits deze niet in strijd is met het Nederlandseontslagstelsel. Relevant is dat de gebeurtenis objectief bepaalbaar moetzijn en vervulling van de voorwaarde ook niet door de werkgever tot standkan worden gebracht of door de werkgever uitgelokt of anderszins in dehand gewerkt. Het wegvallen van het pgb vanwege de dood van dewerkgever of opname in een zorginstelling zijn huidige ontbindendevoorwaarden die in de model zorgovereenkomsten gehanteerd worden.34Van belang is dat met onderhavige wijziging slechts een wijziging vanprocedure wordt beoogd en geen inhoudelijke wijziging. Ook nu is eengeldige reden nodig om de arbeidsovereenkomst te beëindigen en goldende overige bepalingen omtrent beëindiging, zoals de opzegverboden en34Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2013, JAR 2013/262, m.nt. Dop.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 316 het in acht nemen van een opzegtermijn. Dat wijzigt door dit wetsvoorstelniet. Wel is het zo dat het niet of onjuist naleven van deze ontslagregels(financiële) consequenties kan hebben voor de budgethouder alswerkgever en dat het voor veel werkgevers zou kunnen voelen als eengrote verandering. Hierbij is het van belang dat budgethouders zichhiervan bewust zijn. Daarom zal hier in de communicatie naar enondersteuning van budgethouders aandacht voor zijn. Tegelijkertijd werktdit stelsel ook al naar behoren voor werkgevers die nu alpgb-zorgverleners in dienst hebben die doorgaans op vier dagen of meervoor hen werken. Daarbij wordt door rechters ook meegewogen dat erniet enkel sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar ook van eenzorgovereenkomst; namelijk dat de arbeid plaatsvindt in de privéom-geving van de werkgever en dat de arbeid de persoonlijke zorg voor dewerkgever betreft.35 Rechters houden daar ook rekening mee bij debeoordeling of er sprake is van een redelijke grond.362.2.6 Wet Flexibel werken Met wijziging van artikel 2b, vijfde lid, onderdeel a, van de Wfw gaat hetrecht gelden zoals opgenomen in het eerste lid voor iederepgb-zorgverlener werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Datbetekent dat deze werknemer de werkgever kan vragen om een vorm vanarbeid met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden, indien hijten minste 26 weken voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingangvan die aanpassing in dienst is bij die werkgever. Bij meer voorspelbareen zekere arbeidsvoorwaarden kan worden gedacht aan werkenden meteen nul-urencontract die een vastere arbeidsomvang wensen.37 Gezien deaard van de werkzaamheden bij pgb-zorgverlening is het de verwachtingdat veel pgb-houders geen mogelijkheden hebben om het werk anders inte richten. Daarom is de betekenis van dit artikel in de praktijk vanminimale betekenis is voor pgb-zorgverleners in de praktijk vermoedelijkgering.2.2.7 Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) De AWGB verbiedt (directe en indirecte) discriminatie op grond vangodsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staatonder meer bij het aangaan en beëindigen van een arbeidsverhouding, dearbeidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden. Dit verbod geldtechter niet indien «de werkverhouding een privékarakter heeft». Deuitzondering is bedoeld om het recht op gelijke behandeling af te bakenenvan het grondwettelijke recht op eerbiediging van de persoonlijkelevenssfeer. In verband daarmee biedt de uitzondering ruimte voor hetstellen van (functie)eisen aan de zorgverlener. Het onderhavigewetsvoorstel heeft daarop geen betrekking. De uitzondering in de AWGBwordt daarom met dit wijzigingsvoorstel niet gewijzigd. De CommissieKalsbeek acht deze uitzondering eveneens niet in strijd met hetILO-verdrag 189.3835Ktr. Utrecht 15 augustus 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4277, RAR 2018/164; voor de vaststellingdat de zorgovereenkomst een bijzondere arbeidsovereenkomst is, verwijst de rechter naar: HofLeeuwarden 20 december 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5585; Hof Arnhem 17 september 2013,ECLI:NL:GHARL:2013:6871.36Hof Leeuwarden, 22 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2440, JAR 2017/109; RAR 2017/100; debeschikking van de Kantonrechter Zwolle is opgenomen bij de beschikking van HofLeeuwarden; zie ook Ktr. Amsterdam 5 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS: 2016:4314; Ktr. Utrecht15 augustus 2018, RAR 2018/16437Kamerstukken II, 2021/22, 35 962, nr. 6, p. 6.38Rapport «Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening?» van de AdviescommissieDienstverlening aan huis (commissie Kalsbeek) van maart 2014, p. 23.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 317 2.3. Overwogen alternatieven/doeltreffendheid en doelmatigheid In de vorige paragraaf is uiteengezet welke aanpassingen wordenvoorgesteld met dit wetsvoorstel. De regering is van oordeel dat deaanpassingen doelmatig en doeltreffend zijn. Door de wetgeving in lijn tebrengen met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordtindirecte discriminatie waar geen rechtvaardiging voor bestaat voorpgb-zorgverleners weggenomen.Enerzijds wordt met dit wijzigingsvoorstel de werknemersbeschermingverhoogd, maar anderzijds brengen de wijzigingen meer verplichtingenmet zich mee voor particuliere werkgevers. Andere vormen of mindervergaande vormen van maatregelen liggen echter om verschillenderedenen niet in de rede.Allereerst brengt de aard van de wijzigingen een wetswijziging met zichmee. De wijzigingen kunnen niet op een andere wijze worden bewerk-stelligd. Daarnaast zou met een minder vergaande vorm het beoogde doelniet worden bereikt, omdat alleen een wetswijziging daadwerkelijk zorgtvoor meer rechten voor deze groep werknemers en de indirecte discrimi-natie opheft.Inhoudelijk is ervoor gekozen om met de wijzigingen verder te gaan dande reikwijdte van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Indienervoor was gekozen om alleen de verzekeringsplicht aan te passen, blijfthet risico bestaan dat ook de overige uitzonderingen in de Rdah niethoudbaar blijken voor pgb-zorgverleners. Dat brengt onzekerheid enonduidelijkheid mee voor de doelgroep, maar ook voor budgethouders enuitvoerders. Daarom is ervoor gekozen om ook de overige uitzonderingenuit de Rdah voor de groep pgb-zorgverleners te laten vervallen. Dit is nietalleen eenduidig, maar daarmee wordt ook voorkomen dat dezebepalingen onrechtmatig discriminerend worden geacht, zonder datdaarvoor een rechtvaardiging bestaat. Minder vergaande maatregelenzouden onvoldoende recht doen aan de situatie en de ernst van dit risico.Daarnaast is van belang dat de wijzigingen passen in de huidige syste-matiek. Zoals hiervoor aangegeven brengen de wijzigingen meerverplichtingen met zich mee voor een specifieke groep particulierewerkgevers, in dit geval de budgethouders. Daarbij is meegewogen dat debepalingen zoals zij met het wetsvoorstel komen te gelden, al gelden voorde groep pgb-zorgverleners die doorgaans op vier of meer dagen perweek op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn. Daarbij is vangroot belang geacht dat de dienstverlening van de SVB al is ingesteldvoor deze groep werknemers en werkgevers. De SVB zal dezelfdeondersteunende rol bieden aan de groep werkgevers die door ditwetsvoorstel meer verplichtingen krijgt. Wel vergt dit eerst de nodigeaanpassing van de systemen van de SVB. Daarnaast wordt ervoorgezorgd dat de werkgevers de financiële gevolgen die dit wetsvoorstelmet zich meebrengt kunnen betalen uit het pgb-budget. Dat geldt in dehuidige situatie ook al voor de budgethouders die een pgb-zorgverlenerdie doorgaans op vier of meer dagen werkzaam is op basis van eenarbeidsovereenkomst. Daarmee past dit wetsvoorstel binnen reedsbestaande dienstverlening en worden de gevolgen voor de werkgeversdie door dit wetsvoorstel worden geraakt minimaal gehouden en zijn depositieve effecten voor pgb-zorgverleners maximaal. De regering acht dewijzigingen in dit wetsvoorstel daarmee doeltreffend en doelmatig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 318 2.3.1 Private markt Regeling dienstverlening aan huis en gastouders aanhuis Er is geen wijziging voorzien voor de private markt van dienstverleningaan huis en voor de gastouders aan huis. Met private markt wordt eenwerkgever-werknemersrelatie bedoeld tussen twee particulieren, waarbijgeen sprake is van (gedeeltelijke) financiering met publieke middelen.39De toelichting ten aanzien van de gastouders aan huis is beschreven inparagraaf 1.4.De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beperkt zich totpgb-zorgverleners en strekt zich niet uit over de gehele Rdah. In ditverband merkt de regering bovendien op dat, in de kabinetsreactie op hetrapport van de commissie Kalsbeek40, het toenmalige kabinet zich op hetstandpunt heeft gesteld dat een slechtere rechts- en sociale zekerheidspo-sitie van huishoudelijk werkers in beginsel onwenselijk is. Tegelijkertijdconstateerde het kabinet destijds dat er geen goed alternatief is voor de(gehele) markt voor dienstverlening aan huis. Dit is ook beschreven inparagraaf 1.3.Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep staat aan het in standhouden van de Rdah voor de private markt niet in de weg. De regering isvan oordeel dat de Rdah voor deze groep een passend en noodzakelijkmiddel is om de doelstellingen van de Rdah te bereiken en dat er voordeze groep rechtvaardiging bestaat voor de indirecte discriminatie.De analyse van de Commissie Kalsbeek dat de hoge prijs van arbeidparticulieren ervan weerhoudt om schoonmaakwerk en dergelijke uit tebesteden op de formele private markt, is nog altijd relevant. Het funda-mentele probleem is dat de particulier deze diensten tegen brutoloon-kosten moet inkopen uit zijn eigen nettoloon. Het totaal aan werkgevers-lasten, belastingen en premies drijft een substantiële wig41 tussen vraagen aanbod. Deze wig is juist voor de totstandkoming van een markt voordienstverlening aan huis een groot probleem, omdat de particuliereenvoudige alternatieven heeft. Doorgaans kan hij de werkzaamheden netzo goed zelf uitvoeren wanneer uitbesteden te duur wordt, in welk gevalpotentiële vraag onbenut blijft en de werkgelegenheid achterblijft.Bovendien ontstaat er gemakkelijk een informele markt, omdat controleen handhaving achter de voordeur niet goed mogelijk is. Daarnaast isrelevant dat, anders dan bij pgb, geen sprake is van overheidsfinancieringen er geen instantie is zoals de SVB die een rol kan of moet vervullen bijde salarisadministratie en andere werkgeversverplichtingen. Afschaffingvan de Rdah zonder aanvullend beleid draagt niet bij aan het verbeterenvan de rechtspositie van werknemers onder de Rdah.Samengenomen met de constatering dat er voor deze doelgroep geenreëel alternatief beschikbaar is, is de regering van oordeel dat er voordeze groep voldoende rechtvaardiging bestaat om de Rdah vantoepassing te laten zijn op de resterende groep werknemers die werkzaamzijn onder de Rdah. De regering blijft streven naar verbetering van de39De Rdah is niet van toepassing op werknemers in dienst van bedrijven waarmee particulierenals klant een contract hebben gesloten. Bedrijven kunnen zich presenteren als bemiddelaartussen particulier en de werkende, en stellen dat de werkende als werknemer in dienst is vande particulier. Uit jurisprudentie is gebleken dat er dan sprake kan zijn van een directedienstbetrekking (arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst) van de werknemer bij hetbedrijf, en niet bij de particulier. zie bijv. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 november 2013,ECLI:NL:GHARL:2013:8304, en Gerechtshof Amsterdam, 21 september 2021, ECLI:N-L:GHAMS:2021:274140Kamerstukken II, 2014/15, 29 427, nr. 100.41De wig is het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 319 rechtspositie van deze groep werknemers in de private markt en voor degastouders aan huis.2.4. Inwerkingtreding en fasering Het beoogde tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 januari2026. Daarbij is relevant te vermelden dat in de praktijk al met terugwer-kende kracht tot 16 december 2021 (datum uitspraak RechtbankRotterdam) uitvoering wordt gegeven aan de uitspraak van de CentraleRaad van Beroep door de groep pgb-zorgverleners met een arbeidsover-eenkomst onder de Rdah met ingang van deze datum als verplichtverzekerd aan te merken voor de werknemersverzekeringen en (indien vantoepassing) hun geregistreerde arbeidsverleden te corrigeren.Tot dit wijzigingsvoorstel in werking treedt worden voor deze verzeke-ringen nog geen premies geheven, omdat hier een wettelijke grondslagvoor nodig is. Die grondslag wordt pas met dit voorstel gecreëerd. Datbetekent dat vanaf 1 januari 2026 voor deze groep premies zullen wordengeheven voor de werknemersverzekeringen. Wel heeft de uitspraak van deCentrale Raad van Beroep directe werking ten aanzien van dewerknemersverzekeringen. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is ereen wettelijke grondslag voor het heffen van premies en wordt eveneensgeregeld dat budgethouders inhoudingsplichtig zijn en daarom inbeginsel gehouden zijn loonbelasting, premie volksverzekeringen,premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrageZvw in te houden en af te dragen. Ook de overige uitzonderingen in deRdah komen te vervallen voor pgb-zorgverleners met ingang van 1 januari2026. Deze wijzigingen vloeien niet direct voort uit de uitspraak van deCentrale Raad van Beroep en hebben daarom een andere ingangsdatumdan de verzekeringsplicht. Deze wijzigingen kennen onmiddellijke werkingen hebben geen terugwerkende kracht, tenzij dit anders is geregeld.De wijzigingen in de Wet LB treden eveneens in werking op 1 januari 2026.Dat betekent dat de budgethouder die een pgb-zorgverlener in dienstheeft die doorgaans op minder dan vier dagen per week werkzaam is,vanaf dat moment ook inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting endaarmee ook voor de premie volksverzekeringen.3 Verhouding tot ander recht 3.1. Internationaal recht In de afgelopen jaren is de verhouding tussen de Rdah en het internatio-naalrechtelijke kader meerdere malen aan de orde gekomen, omdat ersprake is van spanning met de Rdah. De Centrale Raad van Beroep achtde uitzonderingsbepaling in de WW voor de pgb-zorgverlener in kwestiein strijd met de Derde Richtlijn. Onderstaand wordt deze richtlijn toege-licht.Richtlijn 79/7/EEG (Derde Richtlijn)Artikel 4 van de Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijkebehandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de socialezekerheid, verbiedt directe en indirecte discriminatie van mannen envrouwen. In de afgelopen jaren is daarbij meerdere malen de vraag aande orde geweest of de Rdah in strijd is met artikel 4 van de Derde Richtlijndan wel of er sprake was van een objectieve rechtvaardigingsgrond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 320 De rechtbank Rotterdam en Centrale Raad van Beroep achten deuitzonderingsbepaling in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van deWW in strijd met artikel 4 van de Derde Richtlijn. Deze bepaling verbiedtniet alleen directe maar ook indirecte discriminatie op grond van geslachtin de sociale zekerheid.Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie(HvJ) is de toepassing van een nationale maatregel die, al is hij opneutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter percentage vrouwendan mannen benadeelt, in strijd met artikel 4 van de Derde Richtlijn, tenzijdie maatregel zijn rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die geenverband houden met discriminatie op grond van geslacht. Dit is het gevalwanneer de gekozen middelen beantwoorden aan een legitiemedoelstelling van het sociaal beleid van de lidstaat waarvan de wettelijkeregeling in geding is, en zij om dat doel te bereiken geschikt en noodza-kelijk zijn. Bovendien kan een dergelijke factor slechts worden geachtgeschikt te zijn om de aangevoerde doelstelling te waarborgen, indiendeze daadwerkelijk ertoe strekt die doelstelling coherent en stelselmatig tebereiken.42Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met uitsluiting van debetreffende werknemers van de werknemersverzekeringen wildevoorkomen dat degene die bij de dienstverlening aan huis wordtgeholpen werkgever wordt met alle administratieve en andere verplich-tingen van dien, dat de betreffende diensten duurder zouden worden, datals gevolg hiervan minder werk zou worden aangeboden en dat eenaanmerkelijk deel van het nog wel bestaande aanbod via het zwarte circuitzou gaan plaatsvinden. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid datmet de uitzonderingsbepaling – en met de Rdah waarvan de uitzonde-ringsbepaling deel uitmaakt – is beoogd de arbeidsmarkt voor persoon-lijke dienstverlening te stimuleren en illegale arbeid te voorkomen. Uitrechtspraak van het HvJ blijkt dat dit legitieme doelstellingen zijn.43Geconcludeerd moet echter worden dat de uitzonderingsbepaling bijpgb-zorgverleners noodzakelijk noch geschikt is om deze doelstellingen tebereiken. De Commissie Kalsbeek, zoals wordt aangehaald door derechtbank Rotterdam en de Centrale Raad van Beroep, beargumenteert ditdoor aan te geven dat (i) de particuliere werkgever via het pgb geheel ofgedeeltelijk wordt gecompenseerd voor de werkgeverslasten, zoals dekosten voor de premies werknemersverzekeringen; (ii) de SVB een rol kanof moet vervullen bij de salarisadministratie, waardoor de administratievelasten voor de particuliere werkgever beperkt blijven; (iii) de particulier bijdienstverlening die plaatsvindt met een pgb geen reële keuze heeft om dewerkzaamheden zelf te verrichten; en (iv) dat het risico op zwart werken42Zie in dit verband onder meer het arrest van het Hof van 20 oktober 2011, zaak C-123/10,Brachner, EU:C:2011:675, punt 70 en 71.43Steun voor de juistheid van de vaststellingen van de rechtbank Rotterdam wordt door deCentrale Raad van Beroep ook gevonden in het arrest van het Hof van 24 november 2022,C-389/20, ECLI:EU:C:2022:120. Dit betreft een Spaanse zaak waarin het Hof de doelstellingenvan een vergelijkbare regeling legitiem acht, maar waarin uitsluiting van de werkloosheids-wetgeving niet geschikt wordt geacht om deze doelstellingen te bereiken, nu de uitsluiting nietcoherent en stelselmatig wordt toegepast. De uitsluiting geldt in dit geval namelijk niet voorandere groepen werknemers die evenzeer in een woning van niet-professionele werkgeverswerken en ook overigens vergelijkbaar zijn met huishoudelijk personeel, zoals hoveniers,particuliere chauffeurs, werknemers in de landbouw en werknemers in dienst van schoon-maakbedrijven. De regeling is ook niet coherent omdat hij alleen van toepassing is opwerkloosheidsuitkeringen, waardoor een aantal van genoemde rechtvaardigingen komt tevervallen. Verder gaat de uitsluiting verder dan noodzakelijk is, omdat deze meebrengt dathuishoudelijk personeel door de uitsluiting tijdens werkloosheid ook geen recht heeft opeventuele andere uitkeringen, zoals blijvende arbeidsongeschiktheid of sociale bijstand voorniet-werkenden. Daarmee is deze casus anders de casus die voorlag bij de Centrale Raad vanBeroep.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 321 en achterblijvende werkgelegenheid in het publiek gefinancierde deel vande markt nagenoeg nihil is.Met de uitzonderingsbepaling worden de doelstellingen van dezebepaling dus niet bereikt voor zover het persoonlijke dienstverlenersbetreft die met een pgb worden betaald. Ook het gegeven dat eenverhoging van pgb-tarieven effect heeft op de algemene middelenbetekent volgens de Raad geen rechtvaardiging voor de indirectediscriminatie.44De uitzonderingsbepaling wordt in dit geval dan ook nietgerechtvaardigd door objectieve factoren en is in strijd met artikel 4 vande Derde Richtlijn.Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is ten aanzien vanpgb-zorgverleners die onder de Rdah vielen niet langer sprake vanindirecte discriminatie op grond van geslacht en strijd met artikel 4 van deDerde Richtlijn. Voor de groep werknemers die onder de Rdah blijft vallenis de regering van mening dat voor de mogelijke indirecte discriminatieeen rechtvaardiging kan worden gevonden in objectieve factoren. Dit isnader uiteengezet in paragraaf 1.4. en paragraaf 2.3.1.4 Gevolgen voor de werknemer, werkgever, arbeidsmarkt,regeldruk, en Caribisch Nederland In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de gevolgen voorde werknemer, voor de werkgever, voor de arbeidsmarkt, regeldruk,openbare financiën en Caribisch Nederland.4.1 Gevolgen voor de werknemer 4.1.1 Doenvermogen en handelingsperspectief Met «doenvermogen» wordt tot uitdrukking gebracht dat beleidsmakersrealistisch moeten zijn over de zelfredzaamheid van burgers en hunvermogen om in actie te komen als dat nodig is, zeker in situaties vanstress en bij tegenslagen. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe hiermeein dit wetsvoorstel rekening wordt gehouden, zowel voor werknemers alsvoor werkgevers. Daarbij is van belang dat beide partijen in dezearbeidsrelatie natuurlijke personen betreffen en dat het merendeel van deverplichtingen in dit wijzigingsvoorstel is gericht op de werkgever.De rechten en plichten voor pgb-zorgverleners die werkzaam zijn op basisvan een arbeidsovereenkomst voor minder dan vier dagen per week,worden gelijk gebracht met pgb-zorgverleners die werkzaam zijn op basisvan een arbeidsovereenkomst voor vier of meer dagen per week endaarom niet onder de Rdah vallen.Die laatste groep werknemers is al sociaal verzekerd en valt onder (debescherming van) het reguliere arbeidsrecht. Na inwerkingtreding van ditwetsvoorstel gaat dit ook gelden voor pgb-zorgverleners die op minderdan vier dagen per week werkzaamheden verrichten op basis van eenarbeidsovereenkomst. Een voordeel daarvan is dat het huidige systeem al(deels) is ingericht op deze wet- en regelgeving en dat het in de praktijkeen vergroting van de doelgroep betreft waarbij kan worden aangeslotenbij het huidige systeem en de huidige infrastructuur. Hoewel dit nodigeaanpassing van systemen vergt kan daaruit ook worden afgeleid dat de44Zie in dit verband onder meer het arrest van het Hof van 23 oktober 2003, Schönheit enBecker, C-4/02 en C-5/02, EU:C:2003:583, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak, waarinwordt overwogen dat budgettaire overwegingen geen rechtvaardiging vormen voor discrimi-natie ten nadele van een van de geslachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 322 huidige situatie voor de werknemer die nu al op vier of meer dagenwerkzaamheden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst,doenbaar is en zich reeds heeft gevormd.Het is van belang dat de groep werknemers die door dit wetsvoorstelwordt geraakt goed wordt geïnformeerd over de nieuwe situatie en hunnieuwe rechten en plichten. Daarvoor kan deels worden aangesloten bijde bestaande informatievoorziening die nu al gericht is oppgb-zorgverleners en budgethouders die niet onder de Rdah vallen.Daarnaast wordt ingezet op aanvullende heldere communicatie en goedesamenwerking tussen de betrokken organisaties zoals UWV, de SVB en deBelastingdienst. Door deze gerichte acties voor bewustwording, hulp enondersteuning heeft de regering het vertrouwen dat dit wetsvoorsteldoenbaar wordt geacht voor werknemers en dat zij daarnaast voldoendein staat worden gesteld om actie te ondernemen als dat nodig is.4.1.2 Gendergelijkheid In het kader van de verplichte toetsen zijn ook de gevolgen voor degendergelijkheid in kaart gebracht. Naar verwachting zal het wijzigings-voorstel positieve gevolgen op de gendergelijkheid hebben. Op basis vanstatistische gegevens moet ervan worden uitgegaan dat de uitzonderings-bepalingen van de Rdah een aanzienlijk hoger percentage vrouwen danmannen betreft. Het is realistisch om ervan uit te gaan dat dit eveneenshet geval is binnen pgb-zorgverlening. De Centrale Raad van Beroepoverweegt immers dat de Rechtbank Rotterdam terecht en op goedegronden heeft vastgesteld dat de uitzonderingsbepaling een aanzienlijkhoger percentage vrouwen dan mannen treft.45 Dat betekent dat ditwijzigingsvoorstel en de positieve gevolgen ervan, namelijk gelijkstellingmet de reguliere arbeidsrechtelijke rechten, het perspectief van vrouwe-lijke pgb-dienstverleners verbetert.4.2 Gevolgen voor de werkgever 4.2.1 Uitvoerbaarheid en handelingsperspectief Met dit wetsvoorstel wordt voor pgb-zorgverleners die werkzaam zijn opbasis van een arbeidsovereenkomst op doorgaans minder dan vier dagenper week geregeld dat zij verplicht verzekerd zijn voor de werknemers-verzekeringen en dat zij onder het reguliere arbeidsrecht komen te vallen.Dat brengt verplichtingen mee voor de werkgever. Daarbij is bijzondereaandacht voor het doenvermogen van werkgevers, omdat dit in geval vanpgb-dienstverlening natuurlijke personen betreft.Als een pgb-zorgverlener op minder dan vier dagen per week werkzaam isop basis van een arbeidsovereenkomst, wordt de budgethouder die hemof haar in dienst heeft als gevolg van de wetswijzigingen inhoudings-plichtig voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen en premie-plichtig voor de premies werknemersverzekeringen en inkomensafhanke-lijke bijdrage Zvw. Als gevolg hiervan moet de budgethouder naast dat hijde loonbelasting en premie volksverzekeringen moet inhouden enafdragen ook premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhanke-lijke bijdrage Zvw afdragen. Daarnaast is de werkgever gehouden 104weken minimaal 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon door tebetalen als de pgb-zorgverlener wegens arbeidsongeschiktheid niet instaat is arbeid te verrichten. Ook is hij daarbij verplicht zorg te dragenvoor verzuimbegeleiding en re-integratie van de zieke werknemer. Met het45Dat vloeit ook voort uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 maart 2023,ECLI:NL:CRVB:2023:481, r.o. 4.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 323 wetsvoorstel wordt voorts geregeld dat de reguliere scholingsverplichtingals bedoeld in artikel 7:611a BW voor de werkgever gaat gelden en dat dereguliere beëindigingsregels voor de arbeidsovereenkomst vantoepassing zijn. Dat houdt in dat de budgethouder de arbeidsovereen-komst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming vande werknemer of dat hij voor opzegging van de arbeidsovereenkomsttoestemming van UWV dient te verkrijgen. Afhankelijk van de reden voorbeëindiging is het ook mogelijk dat de arbeidsovereenkomst dient teworden ontbonden door de kantonrechter. De budgethouder moet daardan een verzoek voor indienen bij de rechtbank. Tot slot wordt artikel 2b,vijfde lid, onderdeel a, van de Wfw op de werkgever van toepassing.Dit betreft een verzwaring van de werkgeversverplichtingen voor eengroep particuliere werkgevers. Om deze verplichtingen als natuurlijkpersoon doenbaar te maken wordt voor de budgethouders met een pgbuit Wmo-2015, de Wlz of de Jw ondersteuning in de vorm van salarisad-ministratie en bij andere werkgeversverplichtingen zoals ingeval vanziekte of ontslag door de SVB verplicht gesteld. Voor de groep met eenpgb uit de Zvw blijft het vooralsnog een vrijwillige keuze om hierbijondersteuning te krijgen van de SVB. Daarbij is van groot belang dat deSVB deze ondersteuning voor dit wetsvoorstel ook al biedt aan budget-houders die een pgb-zorgverlener in dienst hebben op basis van eenarbeidsovereenkomst voor vier of meer dagen per week. Onderstaandwordt een toelichting gegeven op deze ondersteuning.Verplichte salarisadministratieDe SVB voert in de huidige situatie al verplicht de salarisadministratie uitvoor pgb-zorgverleners die op basis van een arbeidsovereenkomstdoorgaans op vier dagen of meer per week werkzaam zijn. Dat betekentdat de SVB namens de pgb-houder de pgb-zorgverlener een nettoloonuitbetaalt en namens de pgb-houder de loonbelasting, premie volksverze-keringen, premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijkebijdrage Zvw over het loon van de pgb-zorgverlener afdraagt aan deBelastingdienst. Dat zal de SVB ook gaan doen voor de budgethouders opwie dit wijzigingsvoorstel van toepassing is. De SVB heeft hier reeds eensoftwaresysteem voor in gebruik. Wel dienen enkele aanpassingen in hetsoftwaresysteem te worden gedaan.Zieke werknemer en re-integratieMet het wijzigingsvoorstel wordt de periode waarover de werkgeververplicht is (een deel) van het loon door te betalen ingeval van arbeidson-geschiktheid van de pgb-zorgverlener verlengd van maximaal zes wekennaar maximaal 104 weken. Dat betekent dat ook de re-integratiever-plichtingen voor de periode na zes weken arbeidsongeschiktheid op dewerkgever komen te rusten.De SVB biedt hiervoor ondersteuning aan via de door de SVB ingekochtearbodienst en compenseert de loondoorbetaling onder voorwaardentijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, voor zover er wordtvoldaan aan de voorwaarden van de SVB.46 Deze verplichtingen voert deSVB nu reeds uit voor pgb-zorgverleners die werkzaam zijn op basis vaneen arbeidsovereenkomst doorgaans op vier dagen of meer per week. DeSVB is dus bekend met deze dienstverlening. Naast deze ondersteuningwordt financiële ondersteuning door het (door de gemeente, zorgkantoorof verzekeraar vastgestelde) pgb aan te vullen met het bedrag dat dewerkgever aan loon verschuldigd is tijdens deze periode van arbeidsonge-46Zie bijv. https://www.svb.nl/nl/media/40.048NX.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 324 schiktheid. Zo wordt de budgethouder ook financieel de mogelijkheidgeboden om vervangende zorg in te kopen. Bij een WIA-aanvraag van eenpgb-zorgverlener zal UWV op basis van het re-integratieverslag beoor-delen of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn. Indien er geenbevredigend resultaat is behaald, de re-integratie-inspanningen zonderdeugdelijke grond onvoldoende zijn, en de gebreken hersteld kunnenworden, kan UWV de verplichting voor de werkgever om het loon door tebetalen, verlengen met maximaal 52 weken. De SVB zal ondersteuning viade ingekochte arbodienst in deze extra periode ook verlenen. Of tijdensdeze periode ook compensatie plaatsvindt van de loonkosten van dearbeidsongeschikte zorgverlener is afhankelijk van de vraag of debudgethouder verwijtbaar heeft gehandeld. Indien dat het geval is, zalgeen compensatie plaatsvinden.Beëindiging arbeidsovereenkomstDe SVB kan middels de door de SVB ingekochte rechtsbijstandverzekeringeveneens ondersteuning bieden bij het beëindigen of wijzigen van dearbeidsovereenkomst. Budgethouders kunnen hiervoor een formulierinvullen en indienen bij de SVB.47 De SVB neemt vervolgens contact opmet de rechtsbijstandverlener en brengt deze in contact met de budget-houder. Deze ondersteuning via de rechtsbijstandverzekering biedt deSVB nu ook al aan voor pgb-zorgverleners die op basis van een arbeids-overeenkomst doorgaans op vier dagen of meer per week werkzaam zijn.De SVB heeft hier een bestaand formulier voor in gebruik dat de budget-houder uitlegt welke regels gelden en welke ondersteuning de SVB biedtin dit proces.48 De SVB biedt eveneens uitleg en ondersteuning in degeldende regels, zoals de opzegtermijn, opzegverboden, transitiever-goeding en wijze van beëindiging. De SVB kan deze ondersteuning biedenvoor de grotere groep pgb-houders met werknemers nadat deze wetswij-ziging is ingegaan. Wel is het zo dat het niet of onjuist naleven van dezeontslagregels (financiële) consequenties kan hebben voor de budget-houder als werkgever. Hier zal in de communicatie naar en ondersteuningvan budgethouders aandacht voor zijn.Scholing en Wet flexibel werkenDe verwachting is dat de betekenis van deze verplichtingen uit ditwijzigingsvoorstel (scholing en de Wfw) in de praktijk beperkt zal zijn.Voor ingang van dit wijzigingsvoorstel golden deze verplichtingen al voorpgb-zorgverleners die op basis van een arbeidsovereenkomst doorgaansop vier dagen of meer per week werkzaam zijn. Indien gewenst biedt deSVB hier ondersteuning in door vragen hierover van budgethouders ofpgb-zorgverleners te beantwoorden en in sommige gevallen zorg tedragen voor scholing (uit het pgb).Dat is bijvoorbeeld het geval indien sprake is van scholing als bedoeld opde vastgestelde vergoedingenlijst voor pgb of indien scholing wordtgevolgd in het kader van een tweede spoortraject ingeval van ziekte. Dezeondersteuning biedt de SVB reeds aan de groep op wie dit al vantoepassing is.Hoewel de verplichtingen voor werkgevers met dit wetsvoorsteltoenemen is de verwachting dat deze, vanwege de ondersteuning door deSVB, doenbaar zijn voor de werkgever. Daarbij wordt veel waarde gehechtaan het gegeven dat deze verplichtingen en wijze van ondersteuning doorde SVB reeds gelden voor de groep budgethouders die een47Aanvraag rechtsbijstand (svb.nl).48Wijziging zorgovereenkomst met een zorgverlener (svb.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 325 pgb-zorgverlener op doorgaans vier of meer dagen per week inhuren opbasis van een arbeidsovereenkomst.Kennen en kunnenCommunicatie zal plaatsvinden via rijksoverheid.nl en een publiekscam-pagne. Doordat de wet- en regelgeving reeds van toepassing is oppgb-zorgverleners die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereen-komst voor vier dagen of meer kan gebruik worden gemaakt van een deelvan de bestaande informatievoorziening.Gevolgen van onoplettendheidOnderdeel van de toets op uitvoerbaarheid is of de gevolgen vanonoplettendheid zijn te overzien en in verhouding zijn. De regering is vanmening dat dit het geval is. Bij alle maatregelen is gekeken naar eenbalans tussen de belangen van werknemers en de verplichtingen vanwerkgevers. Doordat de SVB een verplichte rol in de ondersteuningaanneemt en het pgb gereguleerd wordt, zijn de gevolgen van onoplet-tendheid beperkter.4.2.2 Gevolgen voor salarisadministratie Zoals in voorgaande subparagraaf beschreven brengt het wijzigings-voorstel gevolgen mee voor de salarisadministratie. Ook hier geldt dat desalarisadministratie verplicht, en ingeval van pgb uit de Zvw vrijwillig, zalworden uitgevoerd door de SVB. De SVB verzorgt momenteel al verplichtof vrijwillig de salarisadministratie voor de budgethouder. Indien sprake isvan een arbeidsovereenkomst waarbij op doorgaans minder dan vierdagen per week wordt gewerkt is het nu niet nodig om loonbelasting enpremie volksverzekeringen in te houden en af te dragen en premieswerknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw af tedragen. Indien sprake is van een arbeidsovereenkomst met zorgverlenersdie doorgaans vier dagen of meer per week werken, voert de SVB dezevolledige salarisadministratie al verplicht uit. Daarmee zijn de gevolgenvan dit wetsvoorstel voor de salarisadministratie van de SVB niet nieuw,maar zij treffen wel een significant grotere groep.4.2.3 Financiële gevolgen pgb-budgethouder Het wetsvoorstel heeft financiële gevolgen voor zorgverleners, budget-houders en uitvoerders. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussenenerzijds de verplichte werkgeverslasten (ad 1) als gevolg van deverplichte verzekering voor werknemersverzekeringen en de wijzigingenin de Wet LB 1964. Deze financiële gevolgen zijn altijd aan de orde enkomen ten laste van het persoonsgebonden budget. Dat is nu ook al hetgeval ingeval van pgb-zorgverlening op basis van een arbeidsovereen-komst die niet onder de Rdah valt.En anderzijds de overige financiële gevolgen (ad 2) van dit wetsvoorstel,bijvoorbeeld indien een pgb-zorgverlener ziek wordt of scholing wilvolgen. Deze financiële gevolgen zijn afhankelijk van de situatie enworden niet vergoed vanuit het persoonsgebonden budget. Afhankelijkvan de zorgwet waaronder het pgb is toegekend, worden deze kostendoor de SVB gedekt en doorberekend aan de verstrekker.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 326 Ad 1. WerkgeverslastenMet het wetsvoorstel wordt geregeld dat voor de groep pgb-zorgverlenersdie tot ingangsdatum van dit wetsvoorstel onder de Rdah vallen vanaf dedatum inwerkingtreding van dit wetsvoorstel premies voor dewerknemersverzekeringen (WW, ZW en Wet WIA) worden afgedragen. Dewerkgeverspremies bestaan uit premie voor het Algemeen Werkloos-heidsfonds (AWf), de Werkhervattingskas (Whk) en het Arbeidsongeschikt-heidsfonds (Aof). Voor het Aof en de Whk is dit altijd het premieper-centage voor kleine werkgevers, want er zijn in de praktijk geenbudgethouders die grote of middelgrote werkgevers zijn. Het premieper-centage voor het AWf hangt af van de aard van de arbeidsovereenkomst.Het wetsvoorstel regelt daarnaast dat de budgethouder inhoudings-plichtig wordt in de zin van de Wet LB 1964. Dat betekent dat de loonbe-lasting en premie volksverzekeringen die deze groep werknemersverschuldigd is niet pas via een aanslag inkomstenbelasting wordtgeheven, maar dat deze reeds via de loonaangifte wordt ingehouden enafgedragen. Dit brengt echter geen extra kosten voor de budgethoudermet zich mee. Een ander gevolg van deze wijziging is dat de budget-houder een werkgeversbijdrage Zvw gaat afdragen over het loon. Datlevert wel een extra financiële verplichting voor de budgethouder op,want deze bijdrage wordt nu onder de Rdah door de pgb-zorgverlenerbetaald.Er is besloten om voor pgb’s de budgetten of tarieven niet op voorhandgeneriek te verhogen. Daar zijn verschillende argumenten voor. Allereerstis het zo dat de werkgeverslasten voor budgethouders die geen gebruikmaken van de Rdah nu ook al uit het budget worden gehaald. De hoogtevan het budget wordt op dezelfde wijze vastgesteld als ingeval vanarbeidsovereenkomsten onder de Rdah. Daarmee worden ook op dit puntde groepen gelijk getrokken.Daarnaast wordt de hoogte van een pgb, afhankelijk van de wetwaaronder het pgb wordt uitgekeerd, op verschillende manierenvastgesteld. Er is echter altijd sprake van een indicatie waarop (de hoogtevan) het budget wordt vastgesteld. De wijze (kwantiteit en kwaliteit; ookde keuze om Rdah te gebruiken) waarop de zorg wordt ingekocht, is nooitleidend bij indicatie en voorbehouden aan de budgethouder. Met ditwetsvoorstel wordt geen wijziging aangebracht op bestaande indicaties.Daarbij is per pgb-wet gekeken naar de mogelijke effecten van deverplichte premieafdracht en op welke wijze er per wet nu al rekening isgehouden met werkgeverspremies. De effecten verschillen naaraanleiding van de wetgeving en de verstrekker die de uitvoering van dewet doet. Dit wordt onderstaand nader toegelicht.Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en JeugdwetVoor pgb op basis van de Wmo-2015 en Jw is de recent opgesteldehandreiking toereikende tarieven pgb sociaal domein opgesteld.49 Dehandreiking bevat handvatten voor gemeenten om via een uniforme,uitlegbare en uitvoerbare methode pgb-tarieven vast te stellen.Gemeenten hebben de ruimte om de tarieven stap voor stap op tebouwen aan de hand van kostprijselementen of leiden deze op onder-bouwde wijze af van de tarieven voor zorg in natura. In deze handreikingis opgenomen dat bij arbeidsovereenkomsten de werkgeverspremiesmoeten worden opgenomen in het tarief, met verwijzing naar de uitspraakvan de Centrale Raad van Beroep. Daarmee is de verwachting dat,49Rapport (sociaalweb.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 327 wanneer gemeenten de handreiking gebruiken, er voldoende ruimte in hettarief wordt ingebouwd om per 1 januari 2026 de meerkosten op tevangen.ZorgverzekeringswetDe Zvw kent een «all-in» tarief, waar werkgeverslasten ook al in zijnopgenomen. Het is onduidelijk hoeveel budgethouders in de Zvwmomenteel gebruik maken van de Rdah en wat de hoogte van debudgetten is. De budgetten worden volledig beheerd door verzekeraars enongeveer de helft van de budgethouders maakt gebruik van de dienstver-lening van de SVB. Het is aan de NZa en Zorgverzekeraars om jaarlijksvast te stellen of het all-in tarief toereikend is, ofwel aanpassing behoeft.Wet langdurige zorgIn de Wlz worden werkgeverslasten uit het pgb betaald. Voor budget-houders die voorheen (een deel van) de zorg ontvingen van zorgverlenersdie vielen onder de Rdah, zal dit een stijging van de kosten betekenen.Deze kostenstijging kan worden opgevangen als er nog ruimte is in hettoegekende pgb. Bij een ontoereikend pgb zal in overleg een oplossingworden gezocht. De zorgkantoren50 spelen hier een belangrijke rol.Ongeacht dat budgethouders mogelijk de kostenstijging kunnenopvangen binnen hun budget, zal dit tot een kostenstijging voor Wlz-kaderleiden. Bij de opbouw van het Wlz-kader wordt er namelijk al rekeninggehouden met onderuitputting van het pgb-budget voor budgethouders.Wanneer er een groter beroep gedaan wordt op het budget als gevolg vande aanpassing van Rdah, leidt dit tot minder onderuitnutting van depgb-budgetten en meer kosten voor het Wlz-kader.Zoals de Centrale Raad van Beroep ook aangeeft moet het pgb toereikendzijn om de benodigde zorg in te kopen. De tariefopbouw onder deverschillende wetten biedt daar in beginsel voldoende ruimte voor.Betrokken budgethouders worden daarbij ruim voor de wetswijziging opde hoogte gebracht van de veranderende regelgeving. In dit trajectworden budgethouders begeleid en geadviseerd over de wijze waarop zijzo goed mogelijk kunnen omgaan met de nieuwe regels en hun budgetnavenant kunnen inrichten. Wanneer in de loop van 2026 blijkt datbudgetten ontoereikend (dreigen) te worden, wordt op individuele basisgekeken hoe ervoor kan worden gezorgd dat toch voldoende kwalitatievezorg kan worden ingekocht.Het is noodzakelijk dat de gehele pgb-keten voorbereid is op de premieaf-drachten en dat waar nodig de tarieven kunnen worden bijgesteld,zorgovereenkomsten en budgetplannen kunnen worden aangepast.Ad 2. Overige financiële gevolgenAfhankelijk van de situatie kan het wetsvoorstel ook andere financiëlegevolgen voor de budgethouder hebben. Dat is bijvoorbeeld het gevalindien de pgb-zorgverlener langdurig ziek wordt. Het wetsvoorstel regeltdat de loondoorbetalingsverplichting van de budgethouder dan van zesweken naar maximaal 104 weken wordt aangepast. Als gevolg hiervanmoet de budgethouder langer het loon van een zieke pgb-zorgverlenerdoorbetalen. De kosten hiervan worden door de SVB gecompenseerd tot50Zorgkantoren werken in opdracht van de overheid. Ze zorgen dat iedereen met een indicatievoor de Wet langdurige zorg (Wlz) de zorg krijgt die nodig is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 328 het maximumtarief51 en/of het budget uitgeput is. Het pgb wordt zodanigaangevuld dat de budgethouder voldoende budget tot zijn beschikkingheeft om te kunnen voldoen aan de wettelijke loondoorbetalingsver-plichting uit artikel 7:629 BW én dat het budget eveneens toereikend is omvervangende zorg in te kopen. In dit geval vallen de meerkosten dus metname bij de pgb verstrekkers die de financiële gevolgen via de SVBdekken.De aanpassing op het gebied van scholing kan eventueel ook extra kostenvoor de budgethouder met zich mee brengen. In de praktijk is debetekenis van dit artikel voor de groep pgb-zorgverleners echter beperkt.In sommige gevallen kan de scholing worden betaald uit het pgb. Dit ishet geval indien de scholing bijdraagt aan relevante deskundigheidsbevor-dering in relatie tot de te leveren zorg aan de budgethouder.De overige aanpassingen op het gebied van de verlofregelingen en in deWfw brengen geen extra kosten voor de budgethouder met zich mee. Ookde wijzigingen op het gebied van ontslag brengen in beginsel geen extrakosten voor de budgethouder met zich mee. De reguliere ontslagregelsgelden nu ook al. Zo kan de budgethouder nu ook al een transitiever-goeding verschuldigd zijn. Deze wordt door de SVB gecompenseerd.4.3 Gevolgen voor de arbeidsmarkt Er worden weinig gevolgen van het wetsvoorstel voor de arbeidsmarktverwacht. Sinds de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aluitvoering gegeven aan de verplichte verzekering voor werknemers-verzekeringen. Daarmee vallen werknemers terug op een sociaal vangnet.Het is niet direct de verwachting dat het type zorgovereenkomst alsgevolg van dit wetsvoorstel komt te veranderen, evenmin een toenamevan (schijn)zelfstandigheid. Die mogelijkheid bestaat overigens wel.Indien de budgethouder niet in staat is om de extra werkgeversverplich-tingen op zich te nemen of hier niet toe bereid is, kan de budgethoudereen zorgverlener inschakelen die werkt op basis van een overeenkomstvan opdracht met bijvoorbeeld een zorginstelling of als zelfstandige. Deomstandigheden van het geval bepalen of dit mogelijk is. Aan de handvan de afspraken die worden gemaakt en hoe er in de praktijk wordtgewerkt dient te worden bepaald welk type zorgovereenkomst vantoepassing is: een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst vanopdracht. De kostenstijging die gepaard gaat met het wetsvoorstel wordt,in lijn met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, voldaan uit hetpgb en zal daarmee voor de budgethouder geen gevolgen hebben voorhet inkopen van de benodigde zorg.4.4 Regeldruk 4.4.1 Regeldruk voor werkgevers De regeldruk voor werkgevers (budgethouders) die gebruik maken van deRdah neemt met dit wetsvoorstel toe. Deze extra regeldruk wordt echterverminderd, doordat de SVB deze verplichtingen grotendeels vanwerkgevers zal of kan overnemen. Zo zal de SVB de salarisadministratieverplicht of vrijwillig (ingeval van Zvw) voor de budgethouder gaanuitvoeren. Hiervoor dienen de zorgverlener en de budgethouder zicheenmalig aan te melden bij de SVB en de benodigde machtigingen teverlenen. De budgethouder met pgb uit de Zvw kan er vrijwillig voorkiezen kosteloos gebruik te maken van de ondersteunende diensten van51Het maximumtarief is het hoogste bedrag dat de budgethouder per uur aan de zorgverlenermag betalen. Dit wordt vastgesteld door de gemeente of het zorgkantoor.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 329 de SVB. De budgethouder kan er ook voor kiezen de werkgeverstaken zelfop zich te nemen of door een derde partij te laten uitvoeren. Dat betrefteen vrije keuze, de budgethouder kiest er in dat geval zelf voor dezeregeldruk op zich te nemen.Ingeval van ziekte van de zorgverlener dient de budgethouder dit door tegeven aan de SVB. Dat is in de huidige situatie ook al het geval en levertdaarom geen extra regeldruk op. De SVB schakelt vervolgens dearbodienst in en legt contacten tussen partijen. Als gevolg van hetwetsvoorstel komen er meer re-integratieverplichtingen op de budget-houder te rusten. De arbodienst zal via de SVB de budgethouderondersteunen bij deze verplichtingen. Die ondersteuning houdt onderandere in dat de budgethouder door de SVB wordt gewezen op deverplichtingen die de budgethouder wettelijk heeft en dat in onderlingoverleg wordt gekeken naar de mogelijkheden in de situatie van debudgethouder. Op die manier wordt de regeldruk bij de budgethouderzoveel mogelijk beperkt.De wijzigingen met betrekking tot scholing, verlof en de Wfw leverennagenoeg geen extra regeldruk op voor de budgethouder. Met vragenhieromtrent kan de budgethouder zich wenden tot de SVB. De SVBondersteunt nu al bij het aanvragen van uitkeringen als gevolg van verlof.Dat wijzigt door dit wetsvoorstel niet, behalve dat pleeg- en adoptieverlofook mogelijk worden. In de praktijk komt dit nauwelijks voor, maar ook indie gevallen kan de SVB de aanvraag bij UWV indienen voor de budget-houder.Als gevolg van het wetsvoorstel ontstaat ook meer regeldruk voor debudgethouder ingeval van ontslag. De SVB biedt ook in deze situatieondersteuning aan, doordat het mogelijk is om juridische bijstand tekrijgen via de rechtsbijstandverlener waarmee de SVB een contract heeft.De betrokken jurist kan afhankelijk van de situatie de budgethouderkosteloos bijstaan bij de beëindiging van het dienstverband. In de meestegevallen wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd met wederzijdsgoedvinden of met instemming van de werknemer. Dat is nu ook al hetgeval, zodat dit wetsvoorstel daar geen extra regeldruk oplevert. Indien ditechter niet aan de orde is en een procedure via UWV of de kantonrechtermoet worden gevolgd, komt er voor de budgethouder wel meer bij kijken.Ook in die gevallen kan ondersteuning worden verkregen van derechtsbijstandverzekering via de SVB. Een dergelijke procedure levertextra regeldruk op voor de budgethouder en is complexer dan de situatiewaarin de zorgverlener meewerkt aan beëindiging van de arbeidsovereen-komst.Budgethouders zullen kennis moeten nemen van de wijzigingen, zodat zijweten wat hun verplichtingen zijn bij het aangaan van een dienstverband.De eenmalige kennisnemingskosten van deze wetswijziging voorwerkgevers worden op ca € 46.000 geschat. Aangezien werkgevers zoveelmogelijk via de reguliere en voor hen bekende uitingen van de Ministeriesvan SZW en VWS, de SVB, UWV en de Belastingdienst worden geïnfor-meerd zijn de kennisnemingskosten beperkt. De MKB-toets is niet vantoepassing, omdat de Rdah alleen van toepassing is op particulierewerkgevers en niet op bedrijven.4.4.2 Regeldruk voor werknemers Als gevolg van het wetsvoorstel neemt de regeldruk voor werknemers opminimale wijze toe. De verplichtingen die zij hebben in de huidige situatieblijven onveranderd. Zo moeten zij ook nu al aangifte inkomstenbelastingdoen, zich aanmelden bij de SVB en in sommige gevallen bepaaldeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 330 informatie aanleveren bij de SVB. Ingeval van ziekte die langer duurt danzes weken zullen zij langer worden begeleid, hetgeen de nodige verplich-tingen met zich mee brengt. Uiteindelijk staat daar een langere periodeaan loondoorbetaling tegenover.Ook werknemers zullen moeten kennisnemen van de wijzigingen voorzover hun individuele situatie daartoe aanleiding geeft. De eenmaligeregeldrukkosten hiervan zijn geraamd op ca € 75.000.Ten aanzien van ontslag kan het voorkomen dat een procedure via UWVof de kantonrechter moet worden doorlopen. Dergelijke procedureskunnen complex zijn, zodat de werknemer zich mogelijk moet latenadviseren/bijstaan door een jurist. Indien deze situatie zich voordoet,betekent dat extra regeldruk voor de werknemer. In de meeste gevalleneindigt een arbeidsovereenkomst echter met wederzijds goedvinden ofmet instemming van de werknemer. Dat is in de huidige praktijk al hetgeval, zodat dit wetsvoorstel daar geen extra regeldruk oplevert. Tenaanzien van de verzekeringsplicht zal de regeldruk enerzijds afnemen,omdat voor de groep die verplicht verzekerd wordt niet langer een keuzebestaat om vrijwillig verzekerd te zijn. Het kan wel zo zijn dat eenwerknemer na het eindigen van een arbeidsovereenkomst aanspraak kanmaken op een WW, ZW of WIA-uitkering. Een dergelijke uitkering zal dewerknemer moeten aanvragen. Hoewel hier nu in de praktijk al uitvoeringaan wordt gegeven, bestond dit recht voor de uitspraak van de CentraleRaad van Beroep niet. Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat dit recht wettelijkwordt geregeld en daarmee levert dit extra regeldruk op voor dewerknemer.4.4.3 Regeldruktoets ATR Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier nietgeselecteerd voor een formeel advies, omdat het beperkt gevolgen voorde regeldruk heeft, die de toelichting toereikend in beeld brengt.4.5 Gevolgen Caribisch Nederland Dit wetsvoorstel is niet van toepassing op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba(Caribisch Nederland), omdat daar een geheel ander stelsel vantoepassing is. Het principe comply or explain biedt de benodigde ruimtevoor maatwerk en differentiatie. Als er goede redenen zijn kan erafgeweken worden (explain).Met de staatkundige transitie van 10 oktober 2010, de datum waaropBonaire, Sint-Eustatius en Saba een bijzondere gemeente (openbaarlichaam) van Nederland werden, is de Nederlands Antilliaanse wet- enregelgeving grotendeels beleidsluw omgezet.Bij deze met name wetstechnische operatie werd het mede gelet op hetabsorptievermogen en insulaire karakter van Caribisch Nederlandonwenselijk geacht om ook meteen over te gaan tot een grote inhoude-lijke wijzigingsslag. De wet- en regelgeving die betrekking heeft oparbeidsmarkt, arbeidsrecht en sociale zekerheid wijkt daarom aanzienlijkaf van die in het Europees deel van Nederland.Bij het in het kader van het toepassen van comply or explain in achtnemen van de lokale context kan geconcludeerd worden dat toepasse-lijkheid van het onderhavige wetsvoorstel op Bonaire, Sint Eustatius enSaba niet aan de orde kan zijn. Dit geldt zowel vanuit het perspectief vande sociale zekerheid als vanuit het arbeidsrecht. Ten aanzien van desociale zekerheid is van belang dat de voor Caribisch Nederland geldendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 331 werknemersregelingen – dit betreft de toepasselijke arbeidsongeschikt-heidswetten; Caribisch Nederland kent (nog) geen Werkloosheidsre-geling – geen uitzondering kennen voor werkzaamheden in de huishoude-lijke sfeer. In het verlengde daarvan is er ook geen met de Rdahvergelijkbare regeling in Caribisch Nederland. Het Burgerlijk Wetboek BESbevat in de regeling van het arbeidsovereenkomstenrecht evenminbijzondere bepalingen voor huishoudelijk personeel. Nut en noodzaak vande onderhavige maatregelen ontbreekt daarmee.5 Financiële gevolgen voor het Rijk De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en het voorliggendewetsvoorstel heeft gevolgen op zowel de inkomsten als uitgaven van deRijksbegroting. In deze paragraaf worden de gevolgen puntsgewijstoegelicht.Uitkeringslasten werknemersverzekeringenMet ingang van 16 december 2021 (datum uitspraak rechtbank Rotterdam)is de groep pgb-zorgverleners die werkzaam is op basis van een arbeids-overeenkomst op doorgaans minder dan vier dagen per week verplichtverzekerd voor de werknemersverzekeringen. Dat betekent dat dezegroep, indien deze aan de voorwaarden voldoet, aanspraak kan maken opeen uitkering op basis van de WW, ZW of Wet WIA (met doorwerking naarde WAZO). De verwachte effecten op de uitkeringslasten zijn in de tabelhieronder weergegeven. In de raming van uitkeringslasten is uitgegaanvan circa 20 duizend unieke zorgverleners die in zelfde mate gebruikmaken van de werknemersverzekering als de gemiddelde verzekerdepopulatie. De hogere uitgaven aan werknemersverzekeringen drukken opde SZW-begroting. Deze budgettaire gevolgen zijn bij de Voorjaarsnotavan 2024 verwerkt.Tabel: Geraamde Uitkeringslasten werknemersverzekeringenUitkeringslasten (€ x mln.)202420252026202720282029Structureel1WW€ 0,2€ 0,3€ 0,7€ 0,9€ 0,9€ 0,9€ 0,9ZW€ 0,1€ 0,3€ 0,6€ 1,0€ 1,0€ 1,0€ 1,0WIA€ 0,2€ 0,6€ 1,0€ 1,4€ 1,7€ 2,0€ 5,8TW€ 0,0€ 0,1€ 0,1€ 0,1€ 0,1€ 0,2€ 0,3WAZO€ 0,1€ 0,1€ 0,3€ 0,4€ 0,4€ 0,4€ 0,4Totaal€ 0,6€ 1,5€ 2,7€ 3,8€ 4,2€ 4,5€ 8,41 Alle bedragen zijn structureel per 2029 met uitzondering van de uitgaven aan de WIA en Toeslagenwet (TW). Deze uitgaven zijn structureel per2060 doordat mensen zeer lang in de WIA kunnen verblijven, duurt het voor die regeling langer voor de bedragen hun structurele niveau hebbenbereikt. Premies werknemersverzekeringenMet het wetsvoorstel wordt geregeld dat voor deze groep werknemersvanaf de datum inwerkingtreding premies voor de werknemers-verzekeringen worden afgedragen. De werkgeverspremies bestaan uitpremie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), de Werkhervat-tingskas (Whk) en het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Voor de Aof ende Whk is dit altijd het premiepercentage voor kleine werkgevers, want erzijn geen budgethouders die grote of middelgrote werkgevers zijn. Hetpremiepercentage voor de AWf hangt af van de aard van de arbeidsover-eenkomst. De geraamde premieopbrengsten staan onderstaand in detabel vermeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 332 Tabel: Geraamde premiebaten werknemerspremiesBaten (€ x mln.)202420252026202720282029StructureelPremie werknemersverzekeringen (AWf, WHKen Aof)12,612,612,612,612,6 Loonbelasting, premie volksverzekeringen en inkomstenbelastingDaarnaast wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om de loonbelasting enpremie volksverzekeringen die deze groep werknemers verschuldigd isniet pas via een aanslag inkomstenbelasting te heffen, maar deze reedsvia de loonaangifte in te houden en af te dragen. Het verleggen van deafdrachten leidt echter niet tot extra inkomsten voor het Rijk, omdat dewerknemer nu al gehouden is inkomstenbelasting en premie volksverze-keringen af te dragen bij de aangifte inkomstenbelasting.Inkomensafhankelijke bijdrage ZorgverzekeringswetDe inkomensafhankelijke bijdrage Zvw wordt op verschillende manierengeheven. Een werknemer die werkzaam is onder de Rdah geeft hetinkomen aan als resultaat uit overige werkzaamheden bij de aangifteinkomstenbelasting en voldoet zelf de bijdrage Zvw. Met dit wijzigings-voorstel wordt de budgethouder inhoudingsplichtig voor de loonbelastingen gaat de budgethouder een werkgeversbijdrage Zvw afdragen over hetloon. Dit voorliggende wijzigingsvoorstel houdt dus in dat de bijdrageZvw wordt verlegd van de zorgverlener naar de budgethouder. Per saldoleidt dit tot extra inkomsten. De werkgeversheffing is immers hoger(6,57%) dan de in te houden bijdrage Zvw (5,32%).PGB en loondoorbetalingsverplichtingDe premieplicht en inhoudingsplicht betekenen voor werkgevers,afhankelijk van de hoogte van de premies werknemersverzekeringen ende inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, een gemiddelde verhoging van20% werkgeverslasten. Deze kosten worden voldaan vanuit het pgb. DeCentrale Raad van Beroep onderkent dat een verhoging van pgb-tarieveneffect heeft op de algemene middelen. Het is echter vaste rechtspraak vanhet HvJ dat budgettaire overwegingen geen rechtvaardiging vormen voordiscriminatie ten nadele van een van de geslachten.52 De Raad heeftvoorts overwogen dat het pgb toereikend moet zijn.53De verplichting om voor een langere periode een deel van het loon doorte betalen indien de pgb-zorgverlener arbeidsongeschikt is, heefteveneens financiële gevolgen voor de Rijksbegroting. In geval vanarbeidsongeschiktheid wordt het pgb verhoogd met een bedrag dat doorde budgethouder is verschuldigd op basis van de loondoorbetalingsver-plichting ingeval van ziekte. Door het pgb te verhogen kan de arbeidson-geschikte zorgverlener worden doorbetaald en kan de budgethoudervervangende zorg inkopen. Met dit wijzigingsvoorstel wordt de loondoor-betalingsplicht verlengd van zes naar 104 weken. De SVB verzorgt debovengenoemde ophoging van het budget en verrekent dat met deverschillende verstrekkers. Dat heeft financiële gevolgen die in de huidige52Zie in dit verband onder meer het arrest van het Hof van 23 oktober 2003, Schönheit enBecker, C-4/02 en C-5/02, EU:C:2003:583, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak, waarinwordt overwogen dat budgettaire overwegingen geen rechtvaardiging vormen voor discrimi-natie ten nadele van een van de geslachten.53Zie o.a. artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo-2015 en artikel 3.3.3, zesdelid, van de Wlz. Zie ook Centrale Raad van Beroep van 16 augustus 2023,ECLI:NL:CRVB:2023:1394.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 333 praktijk (nu wordt al voor 6 weken doorbetaald bij ziekte) wordengefinancierd door de verschillende verstrekkers. Per 1 januari 2026verandert de wijze van financiering niet. De meerkosten voor pgb en deverlenging van de periode van loondoorbetalingsverplichting per 1 januari2026 worden gedekt op de begroting van het Ministerie van VWS.UitvoeringskostenDe uitvoeringskosten van uitvoerders die verband houden met hetuitvoering geven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ofaan het voorliggende wijzigingsvoorstel zijn in kaart gebracht door middelvan uitvoeringstoetsen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van degeraamde uitvoeringskosten. De kosten voor de noodzakelijke systeem-wijzigingen bij de Belastingdienst vallen binnen de jaaraanpassingen. DeBelastingdienst voorziet geen structurele kosten. De incidentele uitvoe-ringskosten van UWV bedragen € 0,6 miljoen in 2023 en € 0,8 miljoen in2025. Verder bedragen de structurele uitvoeringskosten van UWV€ 2,2 miljoen vanaf 2026. Hiervoor is budget gereserveerd op debegroting van SZW bij Voorjaarsnota 2024. Ook de SVB ziet voor deuitvoering van het wetsvoorstel werkzaamheden met incidentele kostenen een stijging van de structurele kosten. De incidentele meerkosten zijnbegroot op ca 3,4 miljoen en de structurele kosten op € 4,6 miljoen. Zowelde incidentele uitvoeringskosten als de structurele kosten zullen doorVWS van dekking worden voorzien bij de Voorjaarsbesluitvorming van2025. De structurele uitvoeringskosten van de SVB vallen per 1 januari2026 onder de reguliere wettelijke taak van de SVB. Het Ministerie vanVWS is opdrachtgever voor deze taak.Uitvoeringskosten (€ x mln.)2023202420252026202720282029StructureelUWV2,82,03,02,22,22,22,22,2SVB003,44,64,64,64,64,6Belastingdienst00000000 Voor de overige wijzigingen van het wetsvoorstel is de verwachting dat destructurele kosten verwaarloosbaar zijn. De wijziging ten aanzien vanscholing kan tot gevolg hebben dat uit het pgb scholing wordt aange-boden, maar de betekenis van deze verplichting is in de praktijk beperkt.6. Consultatie, adviezenen uitvoering Het conceptwetsvoorstel heeft opengestaan voor internetconsultatie en isvoor advies voorgelegd aan de ATR. Daarnaast is het voorstel vooruitvoeringstoets voorgelegd aan de SVB, UWV en de Belastingdienst54.Tevens is door UWV een doenvermogentoets uitgevoerd en heeft eenUitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) plaatsgevonden doorde Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)55. In dit hoofdstukworden de uitkomsten hiervan beschreven.6.1. Internetconsultatie Het wetsvoorstel is van 19 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 opengesteldvoor internetconsultatie. Er zijn in totaal 14 reacties binnengekomen(waarvan 12 openbaar), zowel van (belangen)organisaties, als vanindividuele burgers. Hieronder zal eerst per onderwerp worden stilgestaanbij de reacties van individuele burgers, daarna worden de reacties van de(belangen)organisaties besproken en wordt hier op gereageerd.54Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl55Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 334 Individuele reactiesHet voorstel is in overwegende mate positief ontvangen. Tegelijkertijdworden in diverse reacties zorgen geuit over de gevolgen voor budget-houders en de toereikendheid van de pgb-budgetten na invoering van hetwetsvoorstel. Bijvoorbeeld vanwege de administratieve verplichtingeningeval van ziekte van de pgb-zorgverlener en de vervanging van dezorgverlener in deze situaties. Ook wijst men op de toename in (adminis-tratie) verplichtingen voor de budgethouders.Pgb op basis van een arbeidsovereenkomstUit de reacties blijkt dat niet in alle gevallen duidelijk is of de wet ook gaatgelden in geval van familierelaties waarin geen sprake is van eenarbeidsovereenkomst. In reactie hierop is in paragraaf 1.5 van dezememorie van toelichting verduidelijkt dat het wetsvoorstel alleenbetrekking heeft op die situaties waarin sprake is van een arbeidsovereen-komst. Dat betekent dat het wetsvoorstel niet van toepassing is indiensprake is van pgb-zorgverlening krachtens een overeenkomst vanopdracht met een zzp-er, zorginstelling of partner/familielid.Alleen indien sprake is van een arbeidsovereenkomst, is sprake vanwerknemer- en werkgeverschap en kunnen de wetsartikelen waar ditwetsvoorstel betrekking op heeft van toepassing zijn.Wijzigingen loondoorbetaling bij ziekteIn de reacties worden ook zorgen geuit over de gevolgen van deverlengde loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Zo wordt onder andereaangegeven dat niet duidelijk is hoe vervangende zorg kan wordeningekocht indien de zorgverlener ziek wordt. Voorts wordt gevraagd wiede kosten van een eventueel door UWV opgelegde verlengde periode vanloondoorbetaling bij ziekte (ook wel een loonsanctie) draagt en welkearbodienst de budgethouders c.q. SVB gaat ondersteunen bij hetwetsvoorstel.Op het moment dat de vaste pgb-zorgverlener ziek wordt, dient debudgethouder dit door te geven aan de SVB. Dat is op dit moment ook alhet geval.56 De budgethouder is gehouden het loon van de ziekezorgverlener door te betalen, maar krijgt hiervoor compensatie van deSVB. Dat betekent dat er pgb overblijft om een vervangendepgb-zorgverlener in dienst te nemen. De budgethouder dient in dat gevalzelf een vervangende zorgverlener te zoeken en met die persoon eenzorgovereenkomst af te sluiten. In de zorgovereenkomst wordt bij delooptijd afgesproken dat het gaat om vervanging van de vaste zorgver-lening en dat de overeenkomst eindigt zodra de vaste zorgverlener weerbeter is en de werkzaamheden weer kan oppakken.57 De SVB kan debudgethouder hierin bijstaan.Hoe wordt omgegaan met een eventuele verlenging van de loondoorbeta-lingsverplichting is omschreven in paragraaf 4.2.1. In het kort komt heterop neer dat de SVB in deze extra periode ook ondersteuning via deingekochte arbodienst (verloopt middels aanbesteding) zal verlenen. Oftijdens deze periode ook compensatie plaatsvindt van de loonkosten vande arbeidsongeschikte zorgverlener, is afhankelijk van de vraag of debudgethouder verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. Indien dat hetgeval is, zal geen compensatie plaatsvinden.56Ziek of beter melden | PGB | SVB.57Vervanging zorgverlener | PGB | SVB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 335 Financiële gevolgen van het wetsvoorstelEen aantal keer wordt in de reacties gewezen op de financiële gevolgenvan het wetsvoorstel en gevraagd hoe deze gevolgen eruit zien voor debudgethouder. Zo wordt gevraagd hoe om wordt gegaan met dewerkgeverslasten die als gevolg van dit wetsvoorstel bij de budgethouderkomen te liggen. Ook wordt gevraagd naar de financiële gevolgen van deaanpassingen rondom ziekte en ontslag. Naar aanleiding van deze vragenis paragraaf 4.2.3 toegevoegd, waarin wordt beschreven welke financiëlegevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de budgethouder en hoe hiermeewordt omgegaan.Reacties van (belangen)organisatiesOok hebben verschillende belangenorganisaties gereageerd. Hieronderwordt per organisatie een beschrijving van de reactie gegeven.Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR)In de consultatiereactie wordt allereerst aangegeven dat men verheugd isover het feit dat er een wetsvoorstel voorligt om de Rdah te wijzigen. Welworden een aantal kanttekeningen bij het wetsvoorstel geplaatst. Devoorgeschiedenis van het traject en dan met name de rol van de overheidhierin zou in de memorie van toelichting te beknopt zijn weergegeven. Demogelijke impact van andere juridische procedures zou eveneensonvoldoende belicht zijn. Ook wordt aangegeven dat gastoudersonterecht niet worden meegenomen in het wetsvoorstel. Ook zij zoudentoegang tot de sociale zekerheid moeten krijgen evenals arbeidsrechtelijkbescherming. Ook wordt gepleit voor volledige afschaffing van de Rdah.Voorts is aangeven dat de langere periode van loondoorbetaling bij ziektedie met de maatregel wordt geïntroduceerd ook zou moeten gelden bijziektegevallen vóór 1 januari 2026. Door VVR is aangegeven dat de ziekezorgverlener met een arbeidsovereenkomst nu al recht heeft op eenuitkering uit de ZW. Ook wanneer er geen beëindigingsovereenkomstwordt afgesloten. De ZW zou hiervoor de ruimte bieden. Verder wordt erop gewezen dat een veel grotere groep pgb-zorgverleners ten onrechtegeen baat heeft bij het wetsvoorstel. Het gaat dan om pgb-zorg op basisvan een overeenkomst van opdracht wat veelal bij zorg binnen familie-verband aan de orde is. Ook binnen familieverband zou het mogelijkmoeten zijn om met een zorgarbeidsovereenkomst te werken.Bureau Clara Wichmann (BCW)BCW is positief over het wetsvoorstel, maar betreurt dat het meer dan eenjaar heeft geduurd voordat er een wetsvoorstel kwam en dat deverwachting is dat het pas per 1 januari 2026 in werking zal treden. Daarbijmerkt BCW op dat het al eerder (o.a. door het rapport van de CommissieKalsbeek) duidelijk was dat de kosten voor pgb-zorg, deels wordenafgewenteld op degenen die de zorg verrichten (hoofdzakelijk vrouwen),door hen een sociaal vangnet te onthouden. BCW waardeert dat hetwetsvoorstel de uitsluiting van de sociale zekerheid voor pgb ongedaanmaakt en hoopt dat dit ook met terugwerkende kracht zal gelden voorbetaling van de inkomensafhankelijke premie Zvw. BCW betreurt dat hetwetsvoorstel geen sociale zekerheid regelt voor de overige groeppgb-zorgverleners, die niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsover-eenkomst. Zoals de familierelaties, waarbij de aard van de zorg die wordtgeboden niet verschilt van de aard van de zorg die wordt geboden aanexterne personen. Net als VVR wijst BCW in dit kader op het aanpassenvan het Rariteitenbesluit. Daarnaast wijst BCW op de passage in paragraaf4.3 waarin volgens BCW budgethouders worden opgeroepen het stelsel teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 336 ontduiken ten koste van de socialezekerheidsrechten van degenen dievoor hen zorgen. Ten aanzien van de gastouders merkt BCW op datgastouderbureaus wat haar betreft op dezelfde wijze als de SVB bijwerkgeverstaken kunnen ondersteunen en dat hier middelen voor terbeschikking kunnen worden gesteld. BCW wijst in dit kader ook op eenuitspraak van het Europese Hof van Justitie58, waaruit volgt dat deuitsluiting van sociale zekerheid van huishoudelijk werkers niet gerecht-vaardigd kan worden als deze niet consistent van toepassing is op allewerknemers die in de woning van niet-professionele werkgevers werken.Voorts waardeert BCW het dat in het wetsvoorstel aan depgb-zorgverleners het recht op twee jaar loondoorbetaling bij ziekte wordttoegekend, maar kan zich niet vinden in het overgangsrecht. Daarbij wijstBCW op de mogelijkheid om het UWV te instrueren om aan ziekepgb-zorgverleners nu al een Ziektewetuitkering toe te kennen indien zijlanger dan zes weken ziek zijn, zonder dat de arbeidsovereenkomst wordtbeëindigd. Tot slot wordt gewezen op onduidelijkheid over de financiëlegevolgen voor het wetsvoorstel.Per Saldo en Coalitie voor Inclusie (PS/CvI)PS/CvI zijn positief over de verbetering van de rechtspositie vanpgb-zorgverleners. Wel benoemen zij drie voorwaarden die wat henbetreft randvoorwaardelijk zijn. Allereerst benoemen zij dat het vanbelang is dat in alle wetten wordt gegarandeerd dat het nu geldendemaximum tarief wordt aangepast, zodat budgethouders in staat zijn dewerkgeverslasten te betalen. Ten tweede brengt het wetsvoorstel naastwerkgeverslasten andere kosten met zich mee. Daarbij wijzen zij op eentransitievergoeding, ontslagbescherming (opzegtermijn en toestemmingUWV), het minimaal uitbetalen van drie uur loon indien korter wordtgewerkt, de oproeptermijn en het aanbod van vaste arbeidsomvang na 12maanden en de verplichting om het loon door te betalen als het risico omgeen arbeid te verrichten voor rekening komt van de budgethouder.PS/CvI merken op dat als de budgethouder de financiële verplichtingen alswerkgever niet kan nakomen zij dan privé aansprakelijk zijn. Ze merkendaarbij op dat het wat hen betreft reëel is om de aansprakelijkheid voorsancties in beginsel bij de SVB te leggen, en dit alleen te leggen bij debudgethouder indien de SVB kan aantonen dat de budgethouder iets teverwijten valt en daarbij duidelijk aan te geven wat deze verwijten zijn. Alsderde en laatste voorwaarde geven zij aan dat voorlichting en toerustingnodig is. Ze roepen op tot goede voorlichting voor zowel de werknemersals de budgethouders voor wie dit wetsvoorstel gaat gelden.Landelijke cliëntenraad (LCR)De LCR vindt het wetsvoorstel positief, maar benoemt een aantalaandachtspunten. Allereerst wordt benoemd dat budgethoudersvoldoende ondersteuning moeten krijgen. Verder wordt opgemerkt datgastouders aan huis en informele zorgverleners ook onder de Rdah vallenen gelijke arbeidsrechten en toegang tot de werknemersverzekeringenmoeten krijgen. Voorts is niet duidelijk wie voor de extra kosten als gevolgvan het wetsvoorstel opdraait en de LCR merkt op dat zorgverleners dievoor de uitspraak zijn uitgevallen en in schrijnende situaties terecht zijngekomen, ook recht zouden moeten krijgen op een tegemoetkoming encompensatie. Aanbevolen wordt om voor de groep die pgb heeft op basisvan de Zvw ook verplicht wordt gesteld dat de SVB de salarisadministratieen ondersteuning uitvoert, om risico’s voor de pgb-houder énpgb-dienstverlener te verminderen. Ook wordt gewezen op het risico vaneen verlenging van de loondoorbetalingsplicht na 104 weken (een58HvJ EU 24 november 2022, C-389/20, ECLI:EU:C:2022:120.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 337 loonsanctie) en wordt gevraagd of budgethouders een verhoging krijgenvan het budget als de pgb-zorgverlener arbeidsongeschikt is.Gebundelde reactieDe reacties van de (belangen)organisaties hebben geleid tot een aantalverduidelijkingen in de memorie van toelichting. VVR geeft aan dat eerderniet duidelijk was aangegeven dat het niet is gelukt om het oneigenlijkgebruik van alfahulpconstructies te voorkomen. In paragraaf 1.3 is devoorgeschiedenis verder uitgebreid, met name ten aanzien van dealfahulpen en het verloop van het proces destijds. Meerdere organisatieshebben aangegeven dat zij de motivering om gastouders onder de Rdahte laten vallen niet overtuigend genoeg vinden. In paragraaf 1.4 is demotivering verduidelijkt. Er wordt door VVR gewezen op de mogelijkheiddat gastouders als gevolg van dit wetsvoorstel als zelfstandige zullengaan werken. Deze redenering is niet goed te volgen. Het is in theoriemogelijk, maar als zelfstandige kunnen zij ook geen aanspraak maken opde werknemersverzekeringen en hebben zij in het geheel geen aanspraakop arbeidsrechtelijke bescherming. Deze verschuiving vindt op ditmoment ook niet plaats.BCW geeft in de reactie aan dat gastouderbureaus bij werkgeverstakenkunnen ondersteunen en dat hier middelen voor ter beschikking kunnenworden gesteld. Het kabinet deelt deze opvatting niet. De taken van eengastouderbureau zien op bemiddeling tussen gastouder en vraagouder enbegeleiding van de gastouder om de veiligheid en de gezondheid van deop te vangen kinderen te waarborgen. Daarnaast heeft het gastouder-bureau een kassiersfunctie ten behoeve van de gastouder. Het toebedelenvan de werkgeverstaken aan gastouderbureaus zou een aanzienlijkeuitbreiding zijn van hun taken en naar mening van het kabinet nietaansluiten bij de rol en verantwoordelijkheden die een gastouderbureauheeft. Dit hebben de gastouderbureaus waarmee over dit onderwerp isgesproken ook bevestigd. Overigens besteden veel (kleinere) gastouder-bureaus de werkgeverstaken die ze hebben voor hun eigen medewerkers,vanwege het gebrek aan expertise over deze onderwerpen veelal ook uit.Meermaals komt naar voren dat met het wetsvoorstel nog geen sociaalvangnet is geregeld voor pgb-zorgverleners in familieverband, waar geenarbeidsovereenkomst is gesloten. Dit wordt in paragraaf 1.5 nadertoegelicht.De memorie van toelichting is voorts op meerdere punten verduidelijkt.Zo is paragraaf 4.2.3 toegevoegd, waarin wordt beschreven welkefinanciële gevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de budgethouder en hoehiermee wordt omgegaan. Daarbij is een splitsing gemaakt tussenenerzijds werkgeverslasten zoals premies, en anderzijds de overige kostendie dit wetsvoorstel met zich mee kan brengen (als een specifieke situatieaan de orde is, zoals ziekte). PS/CvI noemen in hun reactie een uitgebreidelijst met kosten, namelijk de transitievergoeding, ontslagbescherming(opzegtermijn en toestemming UWV), het minimaal uitbetalen van drieuur loon indien korter wordt gewerkt, de oproeptermijn en het aanbodvan vaste arbeidsomvang na 12 maanden en de verplichting om het loondoor te betalen als het risico om geen arbeid te verrichten voor rekeningkomt van de budgethouder. Daarbij is van belang dat al deze genoemdekosten en verplichtingen ook voor dit wetsvoorstel al bestonden/golden,met uitzondering van de ontslagvergunning via UWV. Het wetsvoorstelwijzigt dat niet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 338 BCW wijst specifiek op de passage in paragraaf 4.3 waarin volgens BCWbudgethouders worden opgeroepen om het stelsel te ontduiken ten kostevan de socialezekerheidsrechten van degenen die voor hen zorgen. Dat isniet wat met deze passage wordt bedoeld. Het kan mogelijk zijn datbudgethouders de benodigde zorg als gevolg van het wetsvoorstel viaeen andere weg willen invullen, bijvoorbeeld door tussenkomst van eenzorgkantoor. Indien dat het geval is, dan zijn de zorgverleners in dienst bijde zorginstelling en dus via deze weg verplicht verzekerd voor dewerknemersverzekeringen. De passage is daarmee geen oproep om hetstelsel te ontduiken, maar beschrijft een mogelijke manier waarop depgb-zorgverlener kan worden ingehuurd met behoud van arbeidsrechte-lijke en sociaal zekerheidsrechtelijke bescherming. Deze keuze is aan debudgethouder en zorgverlener.Aangegeven wordt voorts dat al voor de ingangsdatum van hetwetsvoorstel recht bestaat op loondoorbetaling bij ziekte en dat de ziekezorgverlener met een arbeidsovereenkomst nu ook al recht heeft op eenuitkering uit de ZW, ook wanneer er geen beëindigingsovereenkomstwordt afgesloten. De ZW zou hiervoor de ruimte bieden. Het is nietduidelijk op welke mogelijkheid VVR doelt om nu al aanspraak te makenop een ZW-uitkering, terwijl het dienstverband niet is beëindigd.De regering deelt dit standpunt daarom niet. Parallel aan de wetswijziginglopen rechtszaken over de vraag of voor ingang van dit wetsvoorstel alrecht bestaat op langere loondoorbetaling dan zes weken indien depgb-zorgverlener arbeidsongeschikt is. Dat standpunt wordt door hetkabinet niet gedeeld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds deverzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen en anderzijds deoverige uitzonderingsbepalingen onder de Rdah. De uitspraak van deCentrale Raad van Beroep gaat slechts over de verplichte werknemers-verzekeringen. Als uit (hogere) rechtspraak blijkt dat het toch anders is, zalhier aan worden voldaan.59De financiële gevolgen voor de budgethouder zijn naar aanleiding van deinternetconsultatie nader toegelicht in paragraaf 4.2.3. PS/CvI geeft aandat het wat hen betreft reëel is om de aansprakelijkheid voor sancties inbeginsel bij de SVB te leggen, en dit alleen te leggen bij de budgethouderindien de SVB kan aantonen dat de budgethouder iets te verwijten valt endaarbij duidelijk aan te geven wat deze verwijten zijn. Het betreft echtereen arbeidsovereenkomst tussen de budgethouder en depgb-zorgverlener, waarbij de budgethouder werkgever is. Dat betekent datde budgethouder kan worden aangesproken voor het nakomen van deovereenkomst en daarmee aansprakelijk is als dat niet het geval is.Een zorgkantoor heeft aangegeven niet als belanghebbende te wordenbenoemd in de memorie van toelichting. Zorgkantoren worden wel alsbelanghebbende genoemd in de vragen van het Beleidskompas bij ditwetsvoorstel. De rol van zorgkantoren is verduidelijkt in paragraaf 4.2.3.6.2 Uitvoeringstoets SVB De SVB heeft het wetsvoorstel beoordeeld op uitvoerbaarheid enhandhaafbaarheid. De SVB ziet het wetsvoorstel als een positieveontwikkeling die bijdraagt aan de bestaanszekerheid van zorgverleners.59Op 11 oktober 2024 is in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat debudgethouder niet gehouden was om de zieke pgb-zorgverlener langer dan zes weken loondoor te betalen en dat UWV de aanvraag voor een ZW-uitkering mocht afwijzen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 339 De SVB acht het wetsvoorstel uitvoerbaar en binnen haar mogelijkhedenhandhaafbaar. Wel stelt de SVB hiervoor een aantal voorwaarden. Zo ishet allereerst van belang dat de benodigde functionaliteiten in hetsoftwaresysteem tijdig beschikbaar zijn. Daarnaast dient de opdracht totimplementatie en uitvoering van de wetswijzigingen tijdig te wordengegeven, zodat op tijd kan worden gestart met de voorbereidingen.Daarbij moet onder andere worden gedacht aan het maken van nieuweafspraken met ketenpartners en arbodiensten. Zo moeten er verdereafspraken zijn gemaakt met zorgkantoren over de tijdige verwerking enaanpassing van arbeidsovereenkomsten in PGB2.0 en moeten duidelijkeafspraken worden gemaakt met de Belastingdienst en UWV over deverzekeringsplicht. Tot slot wordt aangegeven dat implementatie van hetwetsvoorstel met zich mee brengt dat er onvoldoende capaciteit is voorandere lopende/aankomende trajecten. De SVB vraagt hiervoor nadruk-kelijk aandacht en verzoekt om gezamenlijk een afweging te maken in deprioritering en uitvoerbaarheid van de verschillende trajecten diecapaciteit van de SVB vergen.Ten aanzien van de ingangsdatum van 1 januari 2026 merkt de SVB opvoldoende tijd nodig te hebben om de voorbereidingen voor de wetswij-ziging te treffen. Er is tijd nodig voor het ontwikkelen van de benodigdefunctionaliteiten, maar ook voor het informeren van de budgethouders,het opvragen en verwerken van benodigde documenten en het opleidenvan (nieuwe) medewerkers. Daarnaast moet rekening gehouden wordenmet een mogelijke aanbesteding voor een nieuwe arbodienstverlener,wanneer er bezwaar gemaakt wordt tegen de gunning van de aanvullendeopdracht aan de huidige dienstverlener.De SVB ziet het wetsvoorstel als een positieve beweging waardoor ermeer sociale zekerheid wordt geboden. Dit draagt bij aan de bestaansze-kerheid van zorgverleners. Als gevolg van het wetsvoorstel krijgenpgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst meer rechten. Ander-zijds komen als gevolg van het wetsvoorstel ook meer werkgeverstakenbij de budgethouder te liggen. Bij het vervullen van de werkgeverstakenondersteunt de SVB de budgethouder door middel van algemeneinformatie, advies en ondersteuning in het geval van ziekte van dezorgverlener, ontslag en het aanvragen van verlof. De budgethouder blijftuiteindelijk verantwoordelijk.De SVB benoemt daarbij een aantal belangrijke aandachtspunten:(i)Toereikendheid budgetten/budgetteren: De SVB ziet het risico datbudgethouders onvoldoende budget overhouden door het afdragenvan de werkgeverslasten. Op basis van cijfers over 2023 schat deSVB in dat voor ongeveer de helft van de budgethouders het budgetniet toereikend is.(ii)Zvw en maximumtarief: Indien op dit moment het maximumtarief isafgesproken, zijn budgethouder en zorgverlener genoodzaakt omhet uurtarief te verlagen. Indien de maximumuurtarieven nietverhoogd worden, kunnen deze budgethouders hun zorgverlenersniet geheel uit het pgb betalen, omdat er niet boven het maximum-uurtarief gedeclareerd mag worden en er geen mogelijkheid isbinnen de Zvw voor het bijbetalen uit eigen middelen. Uit cijfersover 2023 blijkt dat dit voor 80–90% van de Zvw-groep, die bij deSVB bekend is, geldt.(iii)Toename administratieve lasten: De SVB ondersteunt budgethou-ders in de extra verplichtingen die als gevolg van de wetswijzigin-gen bij hen komen te liggen, maar budgethouders blijven dewerkgever en daardoor verantwoordelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 340 Deze berekening waarnaar de SVB verwijst is echter gemaakt op basis vanhet totaal aantal pgb’s en overweegt niet het aandeel van arbeidsovereen-komsten die onder de Rdah vallen in respectievelijke budgetten. Inschat-tingen die na de uitvoeringstoets van de SVB zijn gemaakt, latenaanzienlijk lagere impact zien. De regering merkt voorts op dat de SVBterecht stelt dat er een groep budgethouders is die mogelijk onvoldoendezorg kan inkopen als er werkgeverslasten moeten worden betaald. Het isaan de verstrekkers binnen het pgb-stelsel (te weten de zorgkantoren,gemeenten en zorgverzekeraars) om de budgethouder in staat te stellentoereikende zorg in te kunnen kopen. Dat kan betekenen dat de budgettenop individuele basis verhoogd moeten worden. Het is aan het Ministerievan Volksgezondheid, Welzijn en Sport om ervoor zorg te dragen dat deverschillende verstrekkers voldoende ruimte hebben om toereikendebudgetten te verstrekken. In de communicatie rondom dit wetsvoorstel zalhier aandacht voor zijn.De Cliëntenraad van de SVB benadrukt het belang van keuzevrijheid en demogelijkheid voor maatwerk, de essentie van het pgb. Het wetsvoorstelkan hier volgens de Cliëntenraad mogelijk afbreuk aan doen. Om diereden geeft de Cliëntenraad ter overweging mee om een uitzondering inhet wetsvoorstel op te nemen voor informele zorgverleners en te werkenmet een geleidelijke overgang. Voor een succesvolle verandering ziet deCliëntenraad voorts het belang van een goede informatie- en communica-tiestrategie.De regering neemt de suggestie om informele zorgverleners uit tezonderen van het wetsvoorstel niet over. Indien sprake is van eenarbeidsovereenkomst ziet de regering voor deze groep zorgverleners geenrechtvaardiging voor het maken van onderscheid met de groep formelezorgverleners met een arbeidsovereenkomst. De regering ziet net als deSVB en de Cliëntenraad het belang van een goede informatie- encommunicatiestrategie en zal hier samen met het Ministerie van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport en de uitvoering tijdig en uitvoerig op inzetten.Tot slot benoemt de SVB nog een aantal algemene aandachtspunten bijhet wetsvoorstel. De SVB geeft daarbij aan dat deze punten geen risicovormen voor de implementatie. De SVB wil hier wel voldoende aandachtaan besteden in de voorbereiding en communicatie, zodat de dienstver-lening aan de budgethouder betrouwbaar en mensgericht blijft. Zo wordtonder meer aangegeven dat bij een pgb op basis van de Jw, Wmo-2015 ofWlz de budgethouder een vrijwillige storting kan doen. Dit is het geval bijhet overschrijden van het maximumtarief of als er onvoldoende budget is.Als er wordt bijbetaald betekent dit dat de declaratie (deels) privaatgefinancierd is. Op basis van de wettekst zoals deze voor internetconsul-tatie is uitgezet kan volgens de SVB worden gesteld dat zorg die is betaalduit een vrijwillige storting niet onder de reikwijdte van deze wet valt. Dat isniet de bedoeling van het wetsvoorstel. Om die reden wordt de suggestievan de SVB overgenomen om in de wettekst op te nemen dat dedienstverlening geheel of gedeeltelijk moet zijn gefinancierd uit publiekemiddelen. Als gevolg hiervan vallen ook arbeidsovereenkomsten waarbijde zorgwerkzaamheden deels privaat en deels publiek zijn gefinancierdonder de reikwijdte van het wetsvoorstel.Andere algemene aandachtspunten zijn onder meer het verstrekken vanduidelijke informatie in het kader van verzuimbegeleiding; het maken vanduidelijke afspraken in het kader van overgangsrecht; oog te houden voorhet terug dringen van slapende dienstverbanden en het tijdig doorgevenvan wijzigingen en declaraties over 2025 of eerder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 341 6.3 Uitvoeringstoets UWV UWV heeft onderhavig wetsvoorstel beoordeeld op uitvoerbaarheid enhandhaafbaarheid. In de toets heeft UWV ook het doenvermogen vanburgers betrokken. Het wetsvoorstel is voor UWV uitvoerbaar mitsrekening wordt gehouden met de door UWV gemaakte opmerkingen ende beschreven risico’s expliciet worden geaccepteerd.UWV geeft aan dat de voorgestelde wetswijzigingen noodzakelijk zijn omgoede uitvoering te kunnen geven aan de uitspraak van de Centrale Raadvan Beroep van maart 2023.60 Met het wetsvoorstel krijgenpgb-zorgverleners die onder de Rdah vallen voor een groot deel dezelfderechten als andere werknemers. Immers, het wetsvoorstel regelt nietalleen de toegang tot de WW en andere werknemersverzekeringen, maarook een verlenging van de loondoorbetaling bij ziekte naar 104 weken enbetere ontslagbescherming.UWV merkt op dat het wenselijk zou zijn geweest indien het wetsvoorsteleerder dan 1 januari 2026 in werking zou treden. Onder meer vanwege hetdoorlopen van een wetstraject en de benodigde implementatie van hetwetsvoorstel bij verschillende (andere) ketenpartners, waaronder de SVBen de Belastingdienst, is eerdere inwerkingtreding dan 1 januari 2026 nietmogelijk gebleken.De gevolgen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zijn reedseerder door UWV grotendeels in kaart gebracht en geïmplementeerd.Uitkeringsaanvragen kunnen momenteel al worden ingediend doorpgb-zorgverleners die onder de Rdah vallen, met terugwerkende kracht tot16 december 2021.61 De gevolgen van het wetsvoorstel zijn voor UWVrelatief beperkt. De uitspraak heeft tot gevolg gehad dat er ongeveer18.000 verplicht verzekerden zijn bijgekomen. Dit leidt naar verwachtingtot ongeveer 2.830 extra uitkeringsaanvragen per jaar.UWV licht toe om welke verzekeringen en regelingen het gaat en hoe opdit moment (en op aangepaste wijze) aan de verzekeringsplicht uitvoeringwordt gegeven. Bij pgb-zorgverleners onder de Rdah staat de verzeke-ringsplicht in de Polisadministratie vooralsnog op «nee». Deze indicatiewijzigt niet eerder dan dat de SVB een herbeoordeling van de verzeke-ringsplichtindicaties heeft uitgevoerd en de uitkomst hiervan via deloonaangifte in de Polisadministratie is opgenomen. Dat betekent datUWV tot dat moment niet kan uitgaan van de informatie in de Polisadmi-nistratie en zelf moet beoordelen of er sprake is van een verzekerdedienstbetrekking. UWV past bij de beoordeling een pragmatischewerkwijze toe die inhoudt dat, behalve in de gevallen dat sprake is vaneen familierelatie, er uitgegaan wordt van een verzekeringsplicht. Indiensprake is van een familierelatie tussen de budgethouder en de zorgver-lener voert UWV een verzekeringsplichtbeoordeling uit. Deze werkwijzeblijft van kracht totdat de SVB de herbeoordelingen van de dienstbetrek-kingen heeft afgerond. Mocht dit voor 1 januari 2026 nog niet het gevalzijn, dan zal de aangepaste werkwijze van kracht blijven tot 1 januari 2027.Voor de betreffende groep pgb-zorgverleners zullen premies werknemers-verzekeringen afgedragen moeten gaan worden. In verreweg de meestegevallen wordt de (loon)administratie voor de budgethouders (verplicht)uitgevoerd door de SVB. De zorgverleners komen daardoor met de juisteindicatie verzekeringsplicht in de Polisadministratie te staan.60Centrale Raad van Beroep 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:481.61Rechtbank Rotterdam 16 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12432 (uitspraak in eersteaanleg).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 342 Het feit dat deze groep slechts één keer per jaar loonaangifte hoeft tedoen62, betekent dat voor deze groep werknemers maandgegevens in dePolisadministratie ontbreken en UWV niet beschikt over actuele loonge-gevens. Hierdoor kunnen uitkeringen niet op de gebruikelijke wijzeworden vastgesteld. Er is extra uitvraag bij de SVB nodig en de kans oponjuistheden bij de uitkeringsvaststelling neemt toe. Dit kan ook totnabetalingen of terugvorderingen leiden. Daarnaast leidt het mogelijk totlangere doorlooptijden. UWV benadrukt dat dit vervelende gevolgen voorburgers kan hebben. Hiervoor is een tijdelijk handmatig proces ingericht,maar dit kan alleen een tijdelijke werkwijze zijn. UWV acht het noodza-kelijk dat voor deze groep werknemers wordt overgestapt op maandaan-giftes. UWV meldt dat de SVB naar verwachting pas over enkele jaren demogelijkheid heeft over te stappen op maandaangiftes en verzoekt hetkabinet de huidige handmatige tijdelijke werkwijze te bevestigen en goedte keuren.De regering is zich ervan bewust dat de werkwijze met jaaraangiftes toteen aangepaste werkwijze en aanvullende werkzaamheden bij UWV leidten dat dit mogelijk nadelige gevolgen heeft voor burgers. De regeringbegrijpt dat UWV het als randvoorwaarde voor de uitvoering van hetwetsvoorstel stelt. Daarom wordt onderzocht of het beleidsmatigwenselijk is om dit aan te passen naar maandaangiftes. Een eventueleaanpassing naar maandaangiftes is in elk geval niet al per 1 januari 2026te realiseren, zodat deze tijdelijke werkwijze langer van UWV wordtgevraagd.Andere aandachtspunten zijn onder meer het belang van ondersteuningaan de budgethouders door de SVB. De relatie tussen een budgethouderen een pgb-werknemer is, omdat de budgethouder een particulier is, niethetzelfde als bij een arbeidsovereenkomst met een professionelewerkgever. Ook zijn niet alle budgethouders verplicht gebruik te makenvan de ondersteuning door de SVB. Dit laatste speelt bij zorgverleningvanuit de Zvw.Evenals UWV onderkent de regering het belang van goede klantcommuni-catie rondom het wetsvoorstel, ook wat betreft het overgangsrecht. Omdeze reden zal hier samen met het Ministerie van Volksgezondheid,Welzijn en Sport en de uitvoering tijdig en uitgebreid op worden ingezet.6.4 Uitvoeringstoets Belastingdienst De Belastingdienst heeft het wetsvoorstel beoordeeld op uitvoerbaarheiden handhaafbaarheid. De Belastingdienst acht het wetsvoorsteluitvoerbaar en handhaafbaar en acht de impact voor de Belastingdienstbeperkt. Het voorstel leidt tot een afname van regels voor uitzonderings-groepen, waardoor de complexiteit op het gebied van de Rdah afneemt.De toename in werkzaamheden zal beperkt zijn en kan opgevangenworden binnen de huidige capaciteit.Als gevolg van het wetsvoorstel zal het aantal gevallen waarin deverzekeringsplicht moet worden gecontroleerd toenemen. Dit is eenbestaande werkstroom waarvan het volume zal toenemen met eenonbekend aantal. Daarnaast neemt als gevolg van het wetsvoorstel(eenmalig) het aantal inhoudingsplichtigen toe.Doordat de meeste inhoudingsplichtigen verplicht ondersteund wordendoor de SVB, voorziet de Belastingdienst weinig extra werkzaamhedenvoor deze groep inhoudingsplichtigen. De groep met een pgb op basis62Artikel 29 onder b Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 343 van de Zvw kan er echter voor kiezen de administratie en overigewerkzaamheden zelf uit te voeren. Die groep kan daardoor meer foutenmaken, wat tot extra werkzaamheden bij de Belastingdienst leidt. Dezegrootte van deze groep wordt gering geacht.Net als UWV en de SVB wijst ook de Belastingdienst op het belang dat degroep werknemers die door dit wetsvoorstel wordt geraakt goed wordtgeïnformeerd over de nieuwe situatie en hun nieuwe rechten en plichten.Daarvoor kan deels worden aangesloten bij de bestaande informatievoor-ziening die al gericht is op pgb-zorgverleners en budgethouders die nietonder de Rdah vallen. Daarnaast wordt ingezet op aanvullende communi-catie en goede samenwerking tussen de betrokken organisaties zoalsUWV, de SVB en de Belastingdienst.6.5 Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft, in samen-werking met een aantal gemeenten, het wetsvoorstel beoordeeld op deuitvoerbaarheid en de impact op de gemeentelijke organisaties. Een UDObrengt aan de hand van de processtappen uit het Beleidskompas degevolgen van nieuwe beleidsvoornemens voor decentrale overheden inbeeld en integreert de uitkomsten daarvan waar mogelijk in bestaandedocumenten zoals de memorie van toelichting. Een uitvoeringstoetsmaakt onderdeel uit van de UDO en is het sluitstuk hiervan.De VNG heeft een selectie van gemeenten gemaakt. Bij de selectie van degemeenten is rekening gehouden met gemeentegrootte, geografischespreiding en of gemeenten in de huidige situatie werken met het PGB1.0systeem of de opvolger PGB2.0 voor de administratie rond het beherenvan toegekende budgetten en zorgovereenkomsten. Er zijn interviewsgehouden met gemeenten en een samenwerkingsverband. De geïnter-viewde partijen vormen een representatieve mix van gemeenten.Vervolgens zijn de resultaten van de toets voorgelegd aan de geïnter-viewde gemeenten in de vorm van een klankbordbijeenkomst. Deresultaten zijn opgenomen in een rapportage. Daarbij heeft de VNG ookgekeken of zij aanbevelingen kan geven voor een succesvolle implemen-tatie van het wetsvoorstel bij gemeenten.Uit de interviews is gekomen dat gemeenten verwachten dat zij de extrawerkzaamheden voor de implementatie binnen de beschikbare capaciteituit kunnen voeren. Randvoorwaarden daarvoor zijn voldoende implemen-tatieondersteuning vanuit de VNG en afgestemde communicatie met deSVB. In de uitvoerbaarheidstoets staat voorts vermeld dat de gemeente-lijke taken rond het pgb niet veranderen door het wetsvoorstel.Gemeenten blijven verantwoordelijk voor het vaststellen van de zorgbe-hoefte, het toetsen van de pgb-vaardigheid bij budgethouders en hetvaststellen van het juiste pgb-tarief en -budget; ook toetsen gemeenten dezorgovereenkomst met de zorgverlener op inhoud.Gemeenten melden dat de belangrijkste impact financieel van aard is.Gemeenten stellen dat als gevolg van het wetsvoorstel de pgb-tarievenvoor informele zorg deels moeten worden aangepast. De werkgevers-lasten leiden tot ca. 20% hogere kosten voor een deel van de budget-houders.De VNG geeft aan dat gemeenten deze aanvullende lasten niet zondermeer zelfstandig kunnen dragen. Op dit moment zijn de aantallenbudgethouders waarop de wetswijziging effect heeft (nog) niet duidelijkvoor gemeenten, zodat er geen goed beeld is van de structurele financiëleimpact van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 344 Veel van de gemeenten geven aan dat zij door de wijziging meer aandachtgaan besteden aan het bespreken en toetsen van de pgb-vaardigheid vanhuidige en potentiële budgethouders. Gemeenten geven aan hierbijnadere ondersteuning (vanuit VNG) nodig te hebben. Als mogelijkerisico’s worden nog benoemd: onduidelijke communicatie vanuit de SVBnaar budgethouders, waardoor de vragen bij de gemeenten terechtkomen en aanvullende arbeidsrechtelijke vragen van budgethouders diebij de gemeenten terecht komen. De regering merkt ten aanzien van dezerisico’s op dat hier aandacht voor zal zijn in de communicatie naar debudgethouders. Daarnaast kunnen gemeenten budgethouders er ook opwijzen dat zij voor ondersteuning in de werkgeverstaken terecht kunnenbij de SVB.De VNG schetst ook nog enkele aanbevelingen, zoals tijdige zorg vanuitde SVB voor het aanleveren van de aantallen budgethouders waarop dewetswijziging effect heeft; voldoende financiële compensatie voor deextra pgb-lasten die gemeenten krijgen, afstemming over communicatienaar budgethouders evenals een goede handreiking en een aangepastemodelverordening voor gemeenten.De regering merkt daarbij op dat de SVB heeft aangegeven hulp te kunnenbieden bij het identificeren van de groep budgethouders met eenzorgovereenkomst onder de Rdah. De VNG kan hiertoe een verzoekindienen bij de SVB. Voorts is het zo dat gemeenten in 2023 deHandreiking toereikende tarieven pgb sociaal domein voor gemeentenhebben ontvangen. Hierin is opgenomen dat bij de berekening van demaximale tarieven rekening moet worden gehouden met af te dragenwerkgeverslasten (zoals premies). Tevens is in de handreiking opgenomendat rekening moet worden gehouden met niet-declarabele uren.Gemeenten kunnen beoordelen of het juiste tarief wordt afgesproken,zodat budgethouders de financiële ruimte hebben om ook de werkgevers-lasten voor werknemers te betalen vanuit hun pgb. Het gemeentelijketarief moet dus volstaan voor alle zorgverleners als de Handreikingtoereikende tarieven pgb sociaal domein voor gemeenten wordt gevolgd.Gemeenten stellen dat op dit moment de structurele financiële impact vande wetswijziging onduidelijk is en dat het bovendien onduidelijk is ofgemeenten eventuele meerkosten zonder meer kunnen betalen.Pgb-kosten moeten, net als andere zorgkosten, worden meegenomen inde Gemeentebegroting, o.a. op basis van de beschikbare gelden uit hetGemeentefonds.Naar aanleiding van de UDO is de memorie van toelichting voorts op eenaantal punten verduidelijkt, zoals de financiële consequenties voorbudgethouders (paragraaf 4.2.3). Wat betreft aanvullende communicatienaar budgethouders kan deels worden aangesloten bij de bestaandeinformatievoorziening die al gericht is op pgb-zorgverleners en budget-houders die niet onder de Rdah vallen. Daarnaast wordt ingezet opaanvullende communicatie en goede samenwerking tussen alle betrokkenorganisaties.6.6 Overige toetsen Zoals in paragraaf 4.4 aangegeven heeft de ATR het dossier niet geselec-teerd voor een formeel advies. Er is geen MKB- en BET toets uitgevoerd,omdat het wetsvoorstel betrekking heeft op particuliere werkgevers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 345 6.7 Bescherming persoonsgegevens Het wetsvoorstel betreft geen nieuwe regelgeving waaruit het verwerkenvan persoonsgegevens voortvloeit. De SVB kan reeds over de persoons-gegevens beschikken die noodzakelijk zijn om de voorgestelde wijzigingenuit te voeren. Het wetsvoorstel kan wel tot gevolg hebben dat er voor eengroep budgethouders en pgb-zorgverleners met een arbeidsovereen-komst onder de Rdah meer persoonsgegevens worden verwerkt dan voordit wetsvoorstel het geval was. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als eenzorgverlener langdurig ziek wordt en de SVB via de arbodienst onder-steuning aan de budgethouder en pgb-zorgverlener biedt. De verwerkingvan deze persoonsgegevens is echter niet nieuw. Dit gebeurt nu ook al– conform de AVG – gedurende de zes weken loondoorbetaling bij ziektewaar onder de Rdah recht op bestaat en voor de groep budgethouders enpgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst die niet onder de Rdahvalt. Dat geldt eveneens voor de persoonsgegevens die het UWV (tenaanzien van uitkeringen) en de Belastingdienst (ten aanzien van inhou-dingsplicht) verwerken. Voor deze gegevensverwerking is een grondslagaanwezig en aan de verplichting om passende technische en organisato-rische maatregelen te nemen om de persoonsgegevens in het personeels-dossier te beschermen is voldaan. Het verwerken van de persoonsge-gevens loopt mee in een bestaand proces, waarin deze reguliere vereistenvan de AVG reeds zijn gewaarborgd.7. Evaluatie Om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het wetsvoorstel te kunnenmeten, wordt het wijzigingsvoorstel vijf jaar na de inwerkingtreding in zijngeheel geëvalueerd.In aanloop naar de evaluatie wordt een evaluatiekader opgesteld, samenmet de uitvoerende instanties. Aan de hand van het evaluatiekader wordtbepaald welke indicatoren relevant zijn voor de evaluatie en welkegegevens kunnen worden gemonitord. Ook wordt per indicator bepaaldwie over welke gegevens beschikt en of het nodig is om aanvullendegegevens te verzamelen.Artikelsgewijze toelichting Artikel I, II en II (artikel 6 van de WW, ZW en WAO)In diverse wetten staat een bijzondere regeling voor de arbeidsverhoudingvan een persoon die doorgaans op minder dan vier dagen per weekuitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van hethuishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekkingstaat. Sinds 2007 wordt dit ook wel de Regeling dienstverlening aan huis(Rdah) genoemd.Voor mensen die vallen onder de Rdah gelden afwijkende regels op hetgebied van de werknemersverzekeringen, arbeidsrecht en op fiscaalgebied.In artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de WW, artikel 6, eerste lid,onderdeel c, van de ZW en artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Wet opde arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geregeld dat eenarbeidsverhouding vallend onder de Rdah niet als dienstbetrekking wordtbeschouwd. De persoon die op grond van de Rdah diensten verricht ineen arbeidsovereenkomst is daarmee geen werknemer in de zin van diewetten en niet verplicht verzekerd. De uitsluiting van de verplichteverzekering voor de ZW betekent ook dat de betrokkene niet verplichtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 346 verzekerd is voor de Wet WIA, omdat in de Wet WIA in artikel 7 junctoartikel 8 is geregeld dat de werknemer in de zin van de ZW verplichtverzekerd is voor de Wet WIA.De uitsluiting voor de verplichte verzekering in de ZW werkt verder doornaar de WAZO. In artikel 3:6, eerste lid, onderdeel a, van de WAZO isbepaald dat de betrokkene die geen werknemer is in de zin van de ZW ookgeen werknemer is voor paragraaf 1, afdeling 2, van de WAZO. Ditbetekent dat die betrokkene geen recht heeft op een uitkering in verbandmet zwangerschap en bevalling die is gebaseerd op het dagloon en geenrecht heeft op uitkering bij adoptie en pleegzorg. Op grond vanartikel 3:17, eerste lid, onderdeel a, van de WAZO is deze betrokkene «eenberoepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst» die recht heeft op uitkeringbij zwangerschap en bevalling ter hoogte van maximaal hetminimumloon.Sinds de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/115863 in de Wet betaaldouderschapsverlof is in artikel 4:2b van de WAZO bepaald dat deberoepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst recht heeft op aanvullendgeboorteverlof ter hoogte van maximaal 70% van het minimumloon(tenzij de loongegevens in de polisadministratie zijn opgenomen, danmaximaal 70% van het dagloon). Hetzelfde is in artikel 6:3 van de WAZOgeregeld voor de uitkering ter zake van ouderschapsverlof.In de artikelen I, II en III wordt voor de artikelen 6 van de WW, de ZW en deWAO voorgesteld te regelen dat de Rdah niet geldt indien het verrichtenvan de diensten geheel of gedeeltelijk wordt betaald uit publiekefinanciering. De arbeidsovereenkomst van de dienstverlener wordt dan alsdienstbetrekking beschouwd ongeacht het aantal dagen per week datwordt gewerkt en daarmee is er ook verplichte verzekering voor de WW,de ZW en de Wet WIA. Door de doorwerking naar de WAZO worden ookalle bepalingen in die wet, zoals ze van toepassing zijn op werknemers inde zin van de ZW, van toepassing.De regelingen voor publieke financiering waarbij de Rdah niet vantoepassing is zullen worden aangewezen in een ministeriële regeling vande Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overleg met deMinister van Financiën. Er is gekozen voor aanwijzing van de regelingenvoor publieke financiering omdat niet steeds bij (gedeeltelijke) publiekefinanciering aanleiding is de Rdah niet van toepassing te laten zijn. Somsis er voldoende rechtvaardiging voor toepassing van de Rdah bijvoor-beeld omdat het deel publieke financiering gering is of de gevolgen voorde werkgelegenheid (te) groot zouden zijn. Verder is publieke financieringniet statisch.Er kunnen regelingen bijkomen of stoppen waarbij steeds gekeken moetworden of dit gevolgen moet hebben voor de Rdah. Als de Rdah niet vantoepassing is, heeft dit gevolgen voor de rechtpositie van de werknemer,de lasten en verplichtingen van de werkgever en voor de uitvoering doorSVB of eventuele andere uitvoerders. Doordat sprake moet zijn van eenaangewezen regeling is steeds duidelijk voor werkgever, werknemer enuitvoerders wanneer de Rdah niet van toepassing is. Daarbij is eenministeriële regeling relatief snel aan te passen.63Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffendehet evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking vanRichtlijn 2010/18/EU van de raad)PbEU, 2019, L 188)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 347 Op dit moment is beoogd de Rdah niet van toepassing te laten zijn bijpublieke financiering door een persoonsgebonden budget. Een persoons-gebonden budget kan worden toegekend op grond van artikel 8.1.1. vande Jw, artikel 3.3.3 van de Wlz of artikel 2.3.6 van de Wmo-2015. Eenpgb-zvw kan worden verstrekt op grond van artikel 13a van de Zvw. Dezeregelingen zullen worden aangewezen in de ministeriële regeling.Artikel IV (artikelen 611a, 629 en 671 van Boek 7 van het BurgerlijkWetboek)Ook Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kent een aantal bepalingenmet een bijzondere regeling voor de Rdah.Artikel 7:611a, tweede lid, van het BW is niet van toepassing indien eenwerknemer valt onder de Rdah. Dat betreft de regeling op grond waarvande werkgever die verplicht is scholing aan te bieden aan zijn werknemersom hun werk te kunnen uitvoeren, dit kosteloos moet aanbieden, descholing aanmerkt als arbeidstijd en, indien mogelijk, laat plaatsvinden inarbeidstijd.Verder wordt een uitzondering gemaakt op de verplichting van dewerkgever om bij ziekte van een werknemer gedurende 104 weken loondoor te betalen. Op grond van artikel 7:629, tweede lid, onderdeel a, vanhet BW geldt voor de werknemer die valt onder de Rdah een recht opdoorbetaling van loon gedurende zes weken.In artikel 7:671, eerste lid, onderdeel d, van het BW is bepaald dat deregeling op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst nietkan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer niet vantoepassing is indien de werknemer valt onder de Rdah.Ook voor deze artikelen wordt voorgesteld te regelen dat de Rdah niet vantoepassing is indien de diensten worden betaald uit, bij ministeriëleregeling, aan te wijzen regelingen voor publieke financiering. Dit wordtverder toegelicht in het algemeen deel van de memorie van toelichting.Artikel V (artikel 2b Wet flexibel werken)In artikel 2b van de Wfw is bepaald dat de werknemer de werkgever kanverzoeken om een vorm van arbeid met meer voorspelbare en zekerearbeidsvoorwaarden. Op grond van artikel 2b, vijfde lid, onderdeel a, vande Wfw is deze regeling niet van toepassing op de werknemer die valtonder de Rdah. Ook hiervoor geldt dat de uitzondering voor de Rdahvervalt bij publieke financiering. Gezien de aard van de bepaling en hetwerk waarover het gaat, zal deze wijziging waarschijnlijk in de praktijkweinig effect hebben.Artikel VI (artikel 5 van de Wet op de loonbelasting 1964)In artikel 5 Wet LB 1964 is geregeld dat de arbeidsverhouding van degenedie uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve vanhet huishouden van de natuurlijk persoon tot wie hij in dienstbetrekkingstaat, niet als dienstbetrekking in de zin van die wet wordt beschouwd,indien hij de diensten doorgaans op minder dan vier dagen per weekverricht. Met de voorgestelde toevoeging van een derde lid aan genoemdartikel wordt geregeld dat indien het verrichten van de diensten wordtbetaald vanuit een, bij regeling van de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid, in overeenstemming met de Minister van Financiën,aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten,artikel 5, eerste lid, Wet LB 1964 niet van toepassing is en er derhalveTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 348 mogelijk alsnog sprake is van een dienstbetrekking in de zin van de WetLB 1964. Indien op grond van de in de artikelen 3 en 4 Wet LB 1964opgenomen hoofdregel sprake is van een dienstbetrekking, is als gevolgvan de voorgestelde maatregel ook loonbelasting verschuldigd in desituatie dat de genoemde dienstenop minder dan vier dagen per weekworden verricht. Met deze wijziging wordt aangesloten bij de in ditwetsvoorstel opgenomen wijzigingen van de WW, de ZW, de WAO, hetBW en de Wfw.Artikel VIII Overgangsrecht (artikel 215 Overgangswet nieuw BurgerlijkWetboek)In artikel 7:629 van het BW is geregeld dat de werkgever bij ziekte van dewerknemer gedurende een bepaalde periode het loon moet doorbetalen.De hoofdregel is op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BWloondoorbetaling gedurende 104 weken. Voor werknemers die vallenonder de Rdah is dit op grond van artikel 7:629, tweede lid, van het BW6 weken.In artikel VIII is overgangsrecht opgenomen voor de wijziging vanartikel 7:629 BW. Dit overgangsrecht houdt in dat voor de werknemer diepgb-diensten verricht en voor wie de Rdah niet langer zal gelden nainwerkingtreding van dit wetsvoorstel, een loondoorbetalingsperiode vanzes weken van toepassing blijft indien deze werknemer ziek was voor deinwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Voor de bepaling van de eersteziektedag worden perioden van ziekte die elkaar binnen vier wekenopvolgen meegeteld.Artikel IX InwerkingtredingDit artikel regelt de inwerkingtreding. Het moment van inwerkingtredingwordt bij koninklijk besluit vastgesteld. Het streven is inwerkingtredingper 1 januari 2026.Deze toelichting wordt ondertekend mede namens de Staatssecretaris vanFinanciën en is tot stand gekomen in overeenstemming met de Staatsse-cretaris van Justitie en Veiligheid – Rechtsbescherming en de Staatssecre-taris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 349
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.