Contourenbrief bedrijfsspecifieke emissienormen stikstof en broeikasgassen
Brontekst
Versie 6b8297244d41a32d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202535 334Problematiek rondom stikstof en PFAS30 252Toekomstvisie agrarische sectorNr. 331 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSEL-ZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 februari 2025Boeren en tuinders werken al eeuwen met de bodem, dieren, omgevingen natuur. Agrarisch ondernemers produceren ons voedsel, kennen hungrond en weten hoe hun gewassen en dieren het beste verzorgd moetenworden. Binnen de landbouw maakt dit kabinet de omslag naardoelsturing, zodat agrarisch ondernemers – als vakdeskundigen – zelfkunnen bepalen hoe zij bijdragen aan stikstofemissiereductie en deklimaatdoelen. De inzet op uiteindelijk afrekenbare bedrijfsspecifiekeemissienormen is een systeemwijziging die inspeelt op de breedgedragen wens om van depositie- naar emissiebeleid te gaan. Ofwel: weverleggen de focus naar de uitstoot van emissies want dat is waar eenagrarisch ondernemer op kan sturen.Het kabinet wil ondernemers meer duidelijkheid geven. Op dit momentervaren agrarisch ondernemers teveel onzekerheden, dat remt deontwikkeling naar verdere verduurzaming. Een belangrijk onderdeelbinnen de omslag naar doelsturing, zijn de bedrijfsspecifieke emissie-normen voor de landbouw om de emissies (naar de lucht) van broeikas-gassen (CO2-equivalenten) en stikstof (ammoniak) te reduceren. Door toete werken naar heldere emissienormen per bedrijf, krijgt de ondernemerde duidelijkheid om zelf keuzes te maken over de toekomst van zijn ofhaar bedrijf. Dit draagt bij aan het bieden van perspectief voor de langetermijn. De omslag naar een systematiek gestoeld op bedrijfsgerichteemissienormen zal ook een bijdrage leveren aan de benodigde emissiere-ductie voor de stikstof- en klimaatopgaven en draagt daarmee bij aan hetoplossen van de problematiek rond vergunningverlening.Met bedrijfsgerichte emissienormen voor de verschillende agrarischesectoren en de ruimte voor ondernemers om zelf te bepalen hoe hier aante voldoen wordt recht gedaan aan alle verschillende bedrijfstakken die delandbouw heeft en die mij allemaal lief zijn. Zo wil het kabinet ookondersteuning bieden door het (bijdragen aan) borgen van management-maatregelen en de inzet op innovatie, waarbij vanzelfsprekend ruimte kst-35334-331ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3311 moet zijn binnen de vergunningsverlening. Vrijwillige beëindigingsrege-lingen sluiten aan op de (autonome) ontwikkelingen in de sector, omdatbijvoorbeeld ondernemers zonder opvolging die willen stoppen of diegeen perspectief zien zo de mogelijkheid krijgen om hun bedrijf tebeëindigen. Het doel van de nieuwe systematiek voor doelsturing is omondernemers duidelijkheid te geven over wanneer zij binnen hunmilieugebruiksruimte kunnen ondernemen. Het gaat hier om eenfundamentele systeemwijziging, waarmee we toewerken naar duide-lijkheid voor agrarisch ondernemers op de lange termijn. Zij kunnen zelfbepalen hoe ze aan de doelen willen voldoen, en worden daarmee nietmet steeds wisselende maatregelen geconfronteerd.Eerder informeerde ik uw Kamer (21 oktober jl.) over hoe dit kabinettoewerkt naar bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30 252, nr. 176). Indeze brief ga ik in op de beoogde systematiek voor bedrijfsspecifiekenormen voor broeikasgas- en stikstofemissies (conform toezeggingTZ202412-114). Ik beschrijf de uitgangspunten bij de ontwikkeling van desystematiek, welke stappen ik de komende tijd zal zetten in de verdereuitwerking, het vaststellen van doelen en hoe tot toepassing op hetboerenerf te komen. In deze brief ga ik nog niet in op de maatvoering ofhoogte van de emissienormen (waarbij wordt ingezet op het vaststellenvan een absoluut emissiegetal). Keuzes hierover vragen om verdereuitwerking, in samenwerking met sectorpartijen en in samenhang met debesluitvorming in de Ministeriële Commissie Economie & Natuurherstel(hierna MCE&N). De komende periode zal ik in de verdere uitwerking ookkwantitatief inzichtelijk maken wat de bijdrage van deze systematiek vanbedrijfsnormen zal zijn aan de benodigde emissiereductie. Met deuitwerking van bedrijfsspecifieke emissienormen wordt ook invullinggegeven aan het voorgenomen Klimaatplan, welke tot 7 februari jl. terinzage heeft gelegen.In een volgend stadium ben ik verantwoordelijk voor het stellen van debedrijfsspecifieke emissienormen. Dat zal gaan om haalbare, realistischedoelen waarmee tegelijk een bijdrage zal worden geleverd aan hetlandelijke doelbereik. Dat is ook nodig gezien de opgave die er is. Ik weet,mede op basis van concrete voorbeelden uit de praktijk, dat veel boeren alstappen hebben gezet in het reduceren van emissies en dat aanzienlijkereducties haalbaar zijn. Met de omslag naar een systeem van doelsturingwordt dit ook inzichtelijk gemaakt en kunnen boeren hier ook voor wordengewaardeerd. Voor boeren die ruimte hebben om stappen te zetten, geeftdit systeem richting en duidelijkheid. De overheid zal hen daar ook bijondersteunen. Deze systematiek past daarmee bij de brede inzet van hetkabinet gericht op een positief ondernemersklimaat.Stikstof- en klimaatbeleidHet kabinet kiest voor stevig en uitlegbaar stikstof- en klimaatbeleidwaarmee we duidelijkheid geven aan de agrarische sector en invullinggeven aan (internationale) verplichtingen waaraan het kabinet gecommit-teerd is. Dit doen we langs drie verschillende sporen die nauw met elkaarverbonden zijn. Dit gaat om een combinatie van haalbare bedrijfsspeci-fieke emissienormen voor ondernemers, landelijke maatregelen vanuit hetRijk en gebiedsgericht (aanvullend) maatwerk in samenwerking metmedeoverheden (Ruimte voor Landbouw en Natuur).11In de brieven van 29 november 2024 over de inzet van het kabinet op stikstofemissiereductie(Kamerstuk 35 334, nr. 323) en de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur (Kamerstuk36 600 XIV, nr. 66) zijn deze andere sporen toegelicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3312 Deze generieke insteek past bij de aard van de klimaatopgave voor delandbouw waarbij het niet van belang is waar binnen Nederland emissiesworden gereduceerd en bij de noodzaak om overal in Nederland eengeborgde reductie van stikstofemissies te bewerkstelligen. De inzet opbedrijfsgerichte doelsturing laat onverlet dat aanvullende vormen vangeneriek en gebiedsgericht beleid en bepaalde vormen van middelsturingnodig zullen blijven om de benodigde emissiereductie te kunnenrealiseren. In sommige gebieden, bijvoorbeeld rondom natuurgebieden,beekdalen en veenweidegebieden, zal er naast het generieke beleidaanvullende inzet nodig zijn. Daar zet ik onder andere op in via de aanpakRuimte voor Landbouw en Natuur waarover ik uw Kamer op 29 november2024 heb geïnformeerd (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 66). Door extrainstrumentarium beschikbaar te stellen op locaties waar deze een grotereffect hebben op de kwaliteit van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden, kan op een efficiëntere manier gestuurd worden op hetrealiseren van de opgave in een gebied.Afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen zijn erop gericht om eenniet vrijblijvende daling van emissies realiseren, maar vragen tevens omeen uitvoerige systeemwijziging die niet van vandaag op morgengerealiseerd is. Een randvoorwaarde voor de invoering van bedrijfsspeci-fieke emissienormen is dat ondernemers juridische zekerheid krijgen, ookop het gebied van borging van onderliggende data. De bedrijfsdoelengaan een bijdrage leveren aan het invullen van de stikstof- en klimaatop-gaven op langere termijn. De doelen zijn daarmee een bouwsteen voorhet op gang brengen van vergunningverlening.De opgaven vragen daarnaast niet alleen van de landbouw, maar ook vanandere sectoren dat zij blijven inzetten op het reduceren van emissies. Inmijn bredere brief over stikstofemissiereductie van 29 november 2024(Kamerstuk 35 334, nr. 323) heb ik deze inzet geschetst en ook in hetvoorgenomen Klimaatplan. Ook heeft het kabinet hier aandacht voor bijde besluitvorming zoals die is voorzien in de MCEN.Uitgangspunten van bedrijfsspecifieke emissienormenIk richt mij bij het vaststellen van bedrijfsspecifieke emissienormen ineerste instantie op de sectoren melkvee-, pluimvee- en varkenshouderij. Indeze sectoren liggen er goede kansen om resultaten te boeken. Anderesectoren, zoals de kalverhouderij en akkerbouw, volgen op een latermoment in mijn aanpak, zodat ik bijvoorbeeld voor de akkerbouw ook kanbezien welke vorm van doelsturing complementair is de aanpak uit het8e actieprogramma Nitraatrichtlijn waarin ook gekeken wordt naar eenvorm van doelsturing.Bij de uitwerking van dit systeem hanteer ik de volgende uitgangspunten:1.Ambitie en haalbaarheidIk ga uit van het (technisch) reductiepotentieel om vanuit hier te komentot realistische haalbare normen op bedrijfsniveau. Het is voor mij eenuitgangspunt dat de normen waar bedrijven aan moeten voldoendaadwerkelijk realiseerbaar zijn binnen een duurzaam verdienmodel,waarbij ook een bijdrage voor de keten is weggelegd. Daarbij heb ikoog voor het feit dat er tussen agrarische sectoren en typen bedrijvenverschillen bestaan in bedrijfsvoering en (technisch) reductiepotenti-eel. Dat neem ik mee bij de verdere uitwerking. Dat de bedrijfsnormenhaalbaar moeten zijn, betekent niet dat deze altijd makkelijk terealiseren zijn voor iedere individuele ondernemer. Veel agrarischeondernemers hebben echter al grote stappen gezet in emissiereductie,wat laat zien dat met de juiste kennis en ondersteuning veel bereiktTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3313 kan worden. Dit systeem zal de positieve prestatie inzichtelijk maken,zodat ondernemers daarvoor gewaardeerd worden.2.UitlegbaarheidIk wil een gedragen systematiek ontwikkelen die zo duidelijk enwerkbaar mogelijk is. De keuzes voor de hoogte van de normen, deindicator om een doel in uit te drukken en termijnen waarbinnennormen behaald moeten zijn, moeten goed onderbouwd en navolg-baar zijn. Dat betekent zoveel mogelijk een generiek systeem en geenonnodige differentiatie van normen tussen soorten ondernemingen. Ikzet hiermee ook in op een systeem waarbij rekening wordt gehoudenmet de maatregelen die koplopers al hebben genomen en de reductiedie zij tot nu toe al hebben gerealiseerd. Aan de andere kant vraagt ditook inzet van bedrijven die nog in mindere mate verduurzamingsstap-pen hebben gezet. Het kabinet kiest daarom in de verdere uitwerkingvoor een absoluut emissiegetal per eenheid op bedrijfsniveau(bijvoorbeeld een grenswaarde of plafond) en niet voor een reductie-percentage ten opzichte van een gekozen referentiedatum. Hiermeewordt helderheid geboden aan de maximaal toegestane emissies pergekozen eenheid. Zo worden bedrijven die eerder al stappen hebbengezet in het terugdringen van stikstof- en broeikasgasemissies nietbenadeeld.3.UitvoerbaarheidIn de uitwerking van de systematiek is het ook van belang om rekeningte houden met randvoorwaarden die nodig zijn om het systeem metbedrijfsspecifieke emissienormen in de praktijk te laten werken. Hierbijvalt te denken aan de kwaliteit en beschikbaarheid van data, datemissies goed gemeten of berekend kunnen worden, juridischehoudbaarheid en wettelijke kaders, handhaafbaarheid en dat het halenvan de doelen goed geborgd is. Dit is zowel van belang voor deondernemer zelf, als voor de overheid om grip te krijgen op doelbereiken bij te sturen waar dat nodig is. Deze randvoorwaarden wordengezamenlijk opgepakt in de aanpak voor bedrijfsgerichte doelsturing,zoals geschetst in de Kamerbrief van 21 oktober jl. over bedrijfsge-richte doelsturing (Kamerstuk 30 252, nr. 176). Hierbij wordt ookgekeken naar publiek/private samenwerking en waar dat kan aanslui-ting op systemen die er al zijn. Tevens moet het systeem goed passenbij de bedrijfsvoering op het boerenerf. Daarom wil ik waar mogelijkaansluiten bij bestaande stelsels om stapeling van verplichtingen enextra stelsels voor agrarisch ondernemers zo veel mogelijkvoorkomen.4.SamenhangDe klimaat- en stikstofopgaven pak ik in het uitwerken van emissienor-men samen vanwege een logische samenhang in de handelingsoptiesdie een agrarisch ondernemer heeft om op het bedrijf emissies tereduceren. Het gaat immers in beide gevallen om emissies naar delucht en de overlap en interactie tussen reductiemaatregelen die nodigzijn voor klimaat en stikstof is groot. Omdat stikstof en klimaat niet deenige opgaven zijn die om inspanningen vragen, heb ik in de uitwer-king ook oog voor de interactie met andere opgaven en de stelsels diedaar op sturen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om waterkwaliteit,dierwaardige veehouderij, emissies van fijnstof, geur, zoönose envolksgezondheid en de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur.Daarbij wordt gekeken naar de samenhang en synergie met deze enandere doelen en het voorkomen van risico’s op afwenteling op anderedoelen. In mijn uitwerking verken ik in hoeverre de indicator stikstofbe-drijfsoverschot een rol kan spelen als tussenstap op weg naar(afrekenbare) stikstof- en broeikasgasemissienormen en/of gebruiktkan worden als indicator om afwenteling tussen verschillendemilieuterreinen in beeld te brengen en te voorkomen. Ook wil ik kijkenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3314 of andere indicatoren zoals het ureumgetal voor veehouders nuttig kanzijn om op te sturen voor minder emissies in de bedrijfsvoering.Voor doelsturing op waterkwaliteit wordt in de aanloop naar het 8e Actie-programma bekeken op welke wijze doelsturing op waterkwaliteit eenplek in het actieprogramma kan krijgen. Vanuit het 7e Actieprogrammawordt momenteel aan de verkenning van mogelijkheden gewerkt via demaatwerkaanpak. In dat kader wordt een praktijkonderzoek uitgevoerd in2025 en 2026, waarin bij een groep agrariërs een maatwerksystematiekwordt onderzocht op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Dit onderzoekis onderdeel van een breed traject gericht op het vormgeven vandoelsturing op waterkwaliteit in het 8e Actieprogramma. De te ontwik-kelen systematiek zal gebaseerd zijn op een combinatie van metingen aande hand van grondmonsters (N-mineraal) en het vaststellen van hetstikstofbodemoverschot. Hiervoor kijk ik ook naar voorstellen die door desector zijn aangedragen, waaronder het sectorplan van BO Akkerbouw.Uit te werken keuzes om te komen tot bedrijfsspecifiekeemissienormenMet deze brief zet ik een belangrijke eerste stap in de richting vandoelsturing. Om de systematiek ook daadwerkelijk op het boerenbedrijfwerkbaar te krijgen, zijn echter nog diverse stappen te zetten. De keuzesdie hierbij komen kijken zijn soms groot en complex, omdat daarmee ookduidelijker wordt voor ondernemers wat er van hen verwacht wordt. Hetgaat dan onder meer over de eenheden/indicatoren waarop gestuurdwordt, het vaststellen van het (technisch) reductiepotentieel, de hoogte envormgeving van normen en de wijze waarop doelbereik wordt geborgd.Hoe ik deze stappen de komende periode wil zetten en waar ik aan denk,schets ik hieronder.→ Eenheden om te sturen op bedrijfsniveauBij het vormgeven van bedrijfsspecifieke emissienormen zijn keuzes temaken in de indicator die wordt gebruikt om een klimaat- of stikstofnormop bedrijfsniveau uit te drukken. De keuze op welke indicator gestuurdwordt, kan gevolgen hebben voor de agrarisch ondernemer en dereductiemaatregelen waarmee een bedrijfsnorm kan worden gehaald. Eenindicator kan daarmee voor verschillende bedrijfstypes verschillenduitpakken en daarmee sturend zijn voor de richting waarop bedrijven zichontwikkelen. Om daarover onderbouwde keuzes te maken, is WageningenUniversity & Research (WUR) gevraagd om analyses te maken van deverschillende opties en deze opties te beoordelen op voor- en nadelen enhandelingsperspectief voor de agrarisch ondernemer.Voor de klimaatopgave in de melkveehouderij is de analyse van WURafgelopen zomer gepubliceerd.2 In het rapport wordt beschreven dat hetbedrijfsleven al stuurt op een lagere CO2-footprint (ketenemissie) per litermeetmelk. Aanvullend hierop wordt voor het behalen van de klimaat-doelen geadviseerd om in de melkveehouderij ook een bedrijfsdoel teverkennen voor het verminderen van broeikasgasemissies per fosfaat-recht. Door een bedrijfsdoel uit te drukken per fosfaatrecht, kan zowel opminder emissies op het bedrijf als op reductie van het totale emissie-volume aan broeikasgassen uit de melkveehouderij in Nederland wordengestuurd. Dit heeft ermee te maken dat fosfaatrechten zijn gemaximali-seerd. Er is een vervolgstudie gepland naar eenheden voor een bedrijfs-specifiek klimaatdoel voor de varkens-, pluimvee- en kalverhouderij.Andere sub-sectoren volgen later.2https://edepot.wur.nl/670348Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3315 Op dit moment verken ik, in navolging op dit onderzoek, of en zo ja hoeeen klimaatdoel per fosfaatrecht en mogelijk voor andere sectoren perdierrecht, vorm zou kunnen krijgen. Daarmee geef ik ook invulling aan demoties van de leden Van Campen en Boswijk en van het lid Grinwis c.s.3Het uitgangspunt is dat de agrarisch ondernemer duidelijke en haalbarebedrijfsemissienormen krijgt, om integraal te kunnen sturen op diensbedrijfsdoelen. Hierbij wil ik de samenhang tussen doelen voor ogenhouden en stapeling van verplichtingen en stelsels zo veel mogelijkvoorkomen. Als het mogelijk is om via een bestaand stelsel te kunnensturen op bedrijfsemissienormen, dan wil ik geen nieuw stelsel in hetleven roepen of een totaal ander systeem van bedrijfsemissienormenernaast opzetten.Voor de stikstofopgave is onlangs ook de analyse door WUR naarmogelijke eenheden voor een ammoniakemissiedoel afgerond. Dit adviesgeeft inzicht in welke functionele eenheid (Kritische Prestatie Indicator,KPI) het meest geschikt is om doelsturing op bedrijfsniveau voorammoniakemissies vorm te geven. WUR heeft daarvoor de voor- ennadelen van verschillende opties in de veehouderij (melkvee-, varkens- enpluimveehouderij) en akkerbouw geanalyseerd. Het gaat dan bijvoorbeeldom eenheden die sturen op ammoniakemissies per dier- of fosfaatrecht,dier, hectare, bedrijf of product. De bevindingen uit het rapport zal iknader bestuderen en neem ik mee met de verdere uitwerking vanbedrijfsspecifieke emissienormen. Hierbij is voor mij van belang dat dezeuitwerking leidt tot een uitlegbaar systeem dat werkbaar is op hetboerenerf. De studie is vanaf vandaag beschikbaar op de website vanWUR.→ Uitwerking (technisch) reductiepotentieel van verschillendebedrijfstypenOm te komen tot realistische, haalbare bedrijfsnormen wordt bij demaatvoering als uitgangpunt gekeken naar het emissiereductiepotentieeldat een agrarische ondernemer in de praktijk heeft, zodat ondernemersook daadwerkelijk de kans krijgen om stappen te zetten en de normen tehalen. Hiervoor wordt voor verschillende bedrijfstypen per sector in kaartgebracht welke reductie in de bedrijfsvoering van de ondernemerpraktisch mogelijk is op basis van de beschikbare reductiemaatregelen ende emissiereductie die deze maatregelen opleveren. Hierbij wordt ookrekening gehouden met internationale normen. Er wordt een onderscheidgemaakt tussen wat op basis van (technische)innovaties en management-maatregelen in de praktijk mogelijk is, en daarnaast wat er bedrijfsecono-misch mogelijk is voor agrarisch ondernemers binnen een duurzaamverdienmodel. Ik ben voornemens dit vervolgens kwantitatief inzichtelijkte maken zodat ik de bevindingen hiervan mee kan wegen in hetvaststellen van de hoogte van haalbare bedrijfsnormen en hoe deoverheid agrarisch ondernemers kan ondersteunen bij het behalen vandeze normen.→ SturingswijzeBedrijfsspecifieke doelen kunnen in verschillende sturingsvormengebruikt worden. Ik onderzoek verschillende sturingsvormen (gericht opinformeren, stimuleren, verantwoorden, beprijzen of afrekenen), waarbijhet mijn uitgangspunt is dat er (op termijn) wordt toegewerkt naar eenafrekenbare norm om een geborgde dalende trend van emissies terealiseren. Dit zal vragen om een wijziging van wet- en regelgeving. Ikvind het belangrijk dat we ondernemers hierop goed voorbereiden en in3Kamerstukken 34 682, nr. 135 en 35 334, nr. 309.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3316 staat stellen om stapsgewijs de omslag naar doelsturing te maken. Ditbetekent niet dat we in de tussentijd stilzitten. Vooruitlopend op eenafrekenbare norm kunnen informerende en stimulerende vormen,bijvoorbeeld in de vorm van benchmarking, een belangrijke rol spelenvoor emissiereductie. Hierbij wil ik ook goed kijken naar wat werkt in depraktijk en deze bevindingen meenemen in de stapsgewijze ontwikkelingvan de systematiek. Ook zal een aantal middelvoorschriften blijvenbestaan.Borging, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheidEen van de grootste uitdagingen om als agrarisch ondernemer en alsoverheid te kunnen sturen op emissiereductie, is het verkrijgen vanbetrouwbare data die inzichtelijk maakt wat de emissie op bedrijfsniveauis. Hiervoor is stevige inzet nodig op zowel het kunnen meten vanemissies als op modellen (zoals de KringloopWijzer) waarmee de emissieop bedrijfsniveau berekend wordt. Daarom is er een meerjarig ontwikkel-traject waarmee we stapsgewijs toewerken en naar een robuust systeemen oefenen in de praktijk.StoffenbalansBij de Kamerbrief over bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30 252,nr. 176) zit een Actieagenda voor de doorontwikkeling van de stoffen-balans. Het doel is dat we de stoffenbalans kunnen inzetten voorafrekenbare doelsturing voor de onderwerpen stikstof, broeikasgassen,nitraat en fosfaat. Zoals aangegeven in mijn antwoord op de Kamervragenmet het kenmerk 2025Z00615 zal ik hierbij ook kijken naar de ervaringendie in Duitsland worden opgedaan met de «Stoffstrombilanzen». In 2025starten we met pilots om de systematiek voor de stoffenbalans tevervolmaken voordat we deze grootschalig kunnen uitrollen enafrekenbaar in kunnen zetten. Ook zijn we nog bezig om rekenregels, dekritische prestatie indicatoren (KPI’s) en de gewenste bedrijfsinspanningenvast te stellen, zodat op basis van robuuste data stoffenbalansscoreskunnen worden berekend. Daarnaast zijn er goede afspraken nodig,bijvoorbeeld over gegevensuitwisseling, met onder andere ketenpartijenen andere overheden. Daarna kan de stoffenbalans worden uitgerold ommelkveehouders te informeren over hun score. Andere sectoren, zoals deakkerbouw volgen daarna. Naar verwachting zal dit informeren al eenimpuls geven om de uitstoot van emissies van ammoniak en broeikas-gassen binnen de melkveehouderij te verminderen. Om dit goed zichtbaarte maken wordt ervoor gezorgd dat de inspanningen die melkveehoudersdoen om een betere stoffenbalansscore te krijgen goed landen innationale monitors, zoals de NEMA (National Emission Model Agriculture)en de KEV (Klimaat- en Energieverkenning).PilotsIn 2025 gaan we bedrijfsspecifieke emissiedoelen in de praktijk testen opverschillende aspecten van doelsturing die randvoorwaardelijk zijn voorde implementatie. Ik kijk hierbij onder meer naar hoe eenheden en doelenvoor klimaat- en stikstof uitwerken op bedrijfsniveau en hoe emissiesdaadwerkelijk kunnen worden vastgesteld, op basis van metingen of(forfaitaire) berekeningen. Waar mogelijk zoek ik daarvoor aansluiting bijbestaande (gebieds)pilots met KPI’s en doelsturing en maak ik zoveelmogelijk gebruik van de aanwezige kennis en ervaringen in deze pilots.Op deze manier wil ik slimme combinaties maken en dubbelingenvoorkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3317 PublicatiesOver doelsturing en het komen tot doelen per bedrijf zijn de afgelopenjaren verschillende voorstellen en onderzoeken gepubliceerd welke ik,zoals toegezegd tijdens het commissiedebat op 4 december 2024(TZ202412-115), meeneem in mijn uitwerking.Recent verscheen vanuit WUR het rapport «Bedrijfsspecifieke doelsturingop verliezen van stikstof en broeikasgassen: doelen, middelen enborging». Ten aanzien van het rapport deel ik, zoals toegezegd in hetcommissiedebat van 23 januari (toezegging TZ202501-126), een aantalreflecties. In het rapport doen de auteurs voorstellen om te komen tot eensystematiek van doelsturing en hoe daarbij bedrijfsspecifieke doelenbepaald, berekend, gemeten en betrouwbaar geborgd kunnen worden. Deonderzoekers stellen dat vanwege de urgentie en grootte van de opgavenhet belangrijk is om te werken met een systeem van normeren (enbeprijzen) en waarbij in de eerste jaren gewerkt moet worden met eengefaseerde implementatie van doelsturing op basis van stimuleren en/ofpresteren. Zoals toegelicht in deze brief, sluit het stapsgewijs op- enuitbouwen van de toepassing van doelsturing goed aan bij de werkwijzedie het kabinet voor ogen heeft, waarin wordt toegewerkt naar een opbedrijfsniveau afrekenbare bedrijfsnorm.De onderzoekers pleiten ook voor het top-down doorvertalen van delandelijke reductie doelen naar doelen op bedrijfsniveau. Daarbij wordtaangegeven dat doelsturing op haalbare bedrijfsdoelen op lange termijnniet voldoende is. Ik neem deze aanbeveling niet over omdat dezeonvoldoende aansluit bij mijn inzet op een duurzaam verdienmodel. Indeze brief heb ik namelijk aangegeven dat het kabinet – zoals ook in hetRegeerprogramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96) staat – dehaalbaarheid van bedrijfsdoelen belangrijk vindt. Agrarisch ondernemersmoeten voldoende instrumenten en mogelijkheden hebben om emissieste reduceren. Het hebben van perspectief op het daadwerkelijk realiserenvan het doel moet een randvoorwaardelijk en tevens motiverendvooruitzicht zijn. De serie aanbevelingen en suggesties ten aanzien vanborging, monitoring en de inzet van meten en modellen (rekeninstru-menten en -tools), neem ik mee in mijn verdere uitwerking.Verder proces en tijdlijn op hoofdlijnenIk hecht er waarde aan om een gedragen doelsturingssystematiek teontwikkelen die zo duidelijk en werkbaar mogelijk is. Op deze manierkunnen we snel stappen zetten en agrarisch ondernemers duidelijkheidgeven, overeenkomstig met de motie van het lid Grinwis c.s. (Kamerstuk33 576, nr. 406). Tegelijkertijd benadruk ik dat deze systeemwijziging groteen complexe stappen vraagt. Dit betekent ook dat de implementatie,borging of vastlegging dit jaar nog niet geregeld kan zijn. Er is meer tijdnodig om het systeem goed en houdbaar vorm te geven, waarbijimplementatie in sommige sub-sectoren aanzienlijk sneller zal kunnen danin andere. Welke tijd dit vraagt is afhankelijk van de keuzes die noggemaakt moeten worden. De komende periode zet ik in op de volgendesporen en keuzes:•Besluitvorming over eenheden waarmee op bedrijfsniveau wordtgestuurd op de reductie van stikstof- en broeikasgasemissies.•Op basis van inzicht in (technisch en bedrijfseconomisch) reductiepo-tentieel voor verschillende bedrijfstypen zal ik de hoogte van deemissiegetallen vaststellen.•De hoogte van de emissiegetallen koppelen aan jaartal(len), inclusiefeen bijbehorende tijdlijn, denk aan een overgangsperiode en eeneventueel afbouwpad. Er wordt toegewerkt naar een afrekenbareTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3318 norm. In de tijdlijn zullen ook keuzes worden gemaakt over anderetoepassingsvormen (informeren, stimuleren) in aanloop hiernaartoe.Doorlopend zal gewerkt worden aan de eerdergenoemde randvoor-waarden, onder meer op databeschikbaarheid, borging en handhaaf-baarheid, die nodig zijn om het systeem met bedrijfsspecifieke emissie-normen in de praktijk te laten werken. Ik zal bij de verdere uitwerking ookkijken naar de wijze waarop de samenwerking tussen overheid en privatepartijen, waaronder de agrarische sector zelf, vorm kan krijgen. Publiekwat moet (denk normstelling, toezicht en handhaving), privaat wat kan.Hierbij is het van belang dat de doelsturingssystematiek uitvoerbaar enhandhaafbaar is.Hier kan ik de vakkennis van agrarisch ondernemers, de innovatiekrachtvan ketens en de uitvoeringskracht van medeoverheden goed bijgebruiken. Daarom ga ik de komende maanden met sectorpartijen enmedeoverheden verder aan de slag. Voor het gesprek met agrarischepartijen zal ik hiervoor zowel de bredere agrarische gesprektafel benutten,alsmede aparte sectorgesprekken organiseren. Voor de medeoverhedenbenut ik de bestaande overlegstructuren voor het gesprek over deuitwerking van bedrijfsspecifieke emissienormen.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,F.M. WiersmaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 334, nr. 3319
Gerelateerde bronnen
- De minister informeert de Kamer begin 2025 (eind januari of begin februari) over de concrete invulling van de contouren van het emissiereductiebeleid, waarbij s
De minister informeert de Kamer begin 2025 (eind januari of begin februari) over de concrete invulling van de contouren van het emissiereductiebeleid, waarbij specifiek wordt ingegaan op de invulling van de bedrijfsspecifieke doelen voor stikstof, water, klimaat en waterkwaliteit. De recente studies
- De minister van LVVN zal in haar eerder toegezegde brief over doelsturing die eind januari/begin februari naar de Kamer komt, reageren op de vervolgstudie en ha
De minister van LVVN zal in haar eerder toegezegde brief over doelsturing die eind januari/begin februari naar de Kamer komt, reageren op de vervolgstudie en handreiking van de WUR over doelsturing.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.