Nota naar aanleiding van het nader verslag
Brontekst
Versie 66cd744f168f057a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 512Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht,de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 20 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAGOntvangen 23 april 2025 InleidingMet belangstelling heb ik kennisgenomen van het nader verslag van devaste commissie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Ik dank deleden van de fracties van de PVV, GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, BBB, D66,CDA, SP, SGP en ChristenUnie voor hun inbreng. In deze nota naaraanleiding van het nader verslag wordt bij de beantwoording in beginselde paragraafindeling van het nader verslag gevolgd. Voor de goedeleesbaarheid zijn de gestelde vragen telkens cursief geplaatst. Bij vragenvan gelijke strekking wordt verwezen naar het antwoord op de eerstevraag van die gelijke strekking.Ik heb, in het belang van de voortgang van dit wetsvoorstel, het naderverslag zo zorgvuldig mogelijk en met urgentie beantwoord. Ik doe eenberoep op uw Kamer om het wetsvoorstel spoedig aan te melden voorplenaire behandeling. Tijdige mondelinge agendering en vaststelling vanhet wettelijk kader is van groot belang voor de grote volkshuisvestings-opgave die er ligt.Nederland kampt immers met een grote woningnood. Op dit moment iser een tekort van meer dan 400.000 woningen. Om dit op te lossen moeter meer gebouwd worden en zolang er woningnood is moet de bestaandevoorraad eerlijk verdeeld worden. Het is de grondwettelijke taak van deoverheid om zorg te dragen voor voldoende woongelegenheid. Demogelijkheden die de overheden op dit moment hebben om deze taakwaar te maken zijn onvoldoende. Met dit wetsvoorstel wordt daaromvoorzien in een wettelijke basis van het hernemen van regie op devolkshuisvesting. Het wetsvoorstel geeft de Minister van Volkshuisvestingen Ruimtelijke Ordening samen met de medeoverheden de benodigdeinstrumenten om met alle betrokken partners beter en sneller te sturen ophoeveel, waar en voor wie we gaan bouwen. Zo nodig met doorzettings-macht. Voor marktpartijen en voor woningcorporaties biedt hetwetsvoorstel de wettelijke borging van een gecoördineerde aanpak, kst-36512-20ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 201 versnelling van procedures en meer eenduidige regie op voldoendelocaties. Dit is essentieel zodat met meer tempo gebouwd kan worden. Demaatschappelijke urgentie van het wetsvoorstel is daarmee groot, geletop de volkshuisvestingsopgave. Ik zie uit naar het spoedige vervolg vande behandeling van het wetsvoorstel.Tot slot merk ik op dat ik tevens een derde nota van wijziging aanbied dieenkele technische omissies repareert.ALGEMEEN Vraag 1De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de Tweede nota van wijziging op de Wet versterking regie volkshuis-vesting en de bijbehorende Kamerbrief die inzicht geeft in de wijzigingenop hoofdlijnen in de onderliggende ontwerpbegroting.De leden van de D66-fractie zien dat het grote tekort aan betaalbarewoningen vraagt om politieke actie. Deze leden vinden het daarom goedom te merken dat het kabinet wil werken aan het versterken van de regie.Wel vragen zij zich af hoe het proces is gelopen waarmee de inwerking-treding van de wet tot twee keer toe is vertraagd. Deelt de regering demening dat de situatie urgent is? Heeft de regering meegewogen in hetuitstel dat hierbij ook risico wordt gelopen op het mogelijk mislopen vanhonderden miljoenen aan middelen uit het coronaherstelfonds?Ik deel de mening van de leden van de D66-fractie dat het zorgen voormeer betaalbare woningen een urgente opgave is. Het kabinet heeftdaarom in het regeerprogramma een groot aantal maatregelen aange-kondigd die moeten bijdragen aan het realiseren van meer betaalbarewoningen in de komende tien jaar. Een daarvan is het wetsvoorstelVersterking regie volkshuisvesting (hierna: het wetsvoorstel). Ditwetsvoorstel is ingediend bij uw Kamer in maart 2024, relatief kort voorhet aantreden van dit kabinet. Nadat het kabinet in juli 2024 is aange-treden en in september 2024 het regeerprogramma is gepubliceerd, heb ikgewerkt aan een aantal gewenste verbeteringen van het wetsvoorstel ende onderliggende regelgeving. Deze verbeteringen heb ik u toegelicht bijhet versturen van de tweede nota van wijziging in februari 2025.1Daarmee kan de behandeling van het wetsvoorstel worden hervat, en deelik met de leden van de D66-fractie het gevoel van urgentie hiertoe. Dieurgentie is vooral ingegeven door de wens het woningtekort met meerregie aan te pakken, maar daarbij houd ik zeker ook rekening met deafspraken zoals wij die met de Europese Commissie hebben gemaakt overhet Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan. Ook omwille van dezeafspraken is spoedige behandeling van het wetsvoorstel door uw Kamerwenselijk.I. Aanleiding en analyse 1.1 Aanleiding en doel Vraag 2De leden van de PVV-fractie vragen aan de regering in hoeverre de Wetversterking regie volkshuisvesting gewenste resultaten kan opleveren, alsfinanciering van de onrendabele toppen achterblijft, bijvoorbeeld omdatgemeenten niet het budget hebben. De leden van de PVV-fractie merkenop dat in het artikel «De Jonge: kleine huizen «onvermijdelijk» bij meerregie op woningmarkt» (De Telegraaf, 7 maart 2024) door voormalig1Kamerstukken II, 2024/25, 36 512, nr. 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 202 Minister De Jonge wordt gesteld dat de eis van betaalbaarheid gevolgengaat hebben voor de omvang van woningen in de toekomst. Hij denkt dathet onvermijdelijk is dat er kleiner gebouwd gaat worden. Deze ledenvragen de regering of via de Wet versterking regie volkshuisvesting kanworden voorkomen dat, om de haalbaarheid van twee derde betaalbarewoningen te vergroten, te realiseren woningen mogelijk kleiner worden inoppervlakte dan oorspronkelijk gepland of waar behoefte aan is.Met marktpartijen en medeoverheden is in aanloop naar de Woontop eenanalyse gemaakt van de financiële haalbaarheid van de woningbouw-opgave. Het resultaat hiervan is de gezamenlijke conclusie dat er dekomende vijf jaar voldoende middelen beschikbaar zijn om de woning-bouwopgave te realiseren. Het vorige kabinet heeft meer dan 10 mld. euroin (bereikbare) woningbouw gestoken en dit kabinet heeft inclusiefinfrastructuur nog eens 7,5 mld. euro beschikbaar gesteld. Ondertussengaan we met de Woontop-partners in gesprek hoe we de financiëlegevolgen van knelpunten zoals stikstof en netcongestie kunnen beheersenen/of verkleinen. En ik kijk ook naar de financiële haalbaarheid van dewoningbouw na 2030. De verwachting is dat voor het bouwen vanbetaalbare woningen en het wettelijk vastleggen van de doelstellingendaarvoor, financiële bijdragen vanuit de overheid nodig blijven.Gemeenten hebben zelf ook invloed op de financiële haalbaarheid: lokalebeleidskeuzes hebben immers ook impact op de business case vanprojecten. Het gaat dan bijvoorbeeld over locatiekeuze en ambities voorgroen, voorzieningen, parkeeroplossingen én het soort woningen datgebouwd wordt. Het is daarom belangrijk dat gemeenten deels zelffinancieel verantwoordelijk zijn voor het dekken van het publieke tekort.De leden van de PVV-fractie spreken in dit kader hun zorg uit dat er teklein gebouwd zou kunnen gaan worden. Ik vind het vooral belangrijk datde omvang van de woningen die worden gerealiseerd, aansluit bij wat ernodig is gezien de huidige en verwachte bevolkingssamenstelling en deontwikkeling van het aantal mensen per huishouden. Die ontwikkeling laatzien dat er meer kleine huishoudens komen en daarmee zal er ook meervraag komen naar kleinere woningen. De gemiddelde woonruimte perNederlander is op dit moment relatief groot in vergelijking met anderelanden, zoals Duitsland.Wanneer in een gemeente meer behoefte is aan grotere betaalbarewoningen kunnen gemeenten daarop sturen. Het wetsvoorstel draagt bijaan deze sturing. Gemeenten moeten in het kader van het volkshuisves-tingsprogramma de lokale en regionale behoefte in kaart brengen en deprogrammering van woningbouw daarop afstemmen. Daarbij moeten zijook kijken naar behoefte met het oog op de ontwikkelingen ten aanzienvan de samenstelling van huishoudens. Het gaat daarbij niet alleen om degrootte van woningen, maar ook bijvoorbeeld de behoefte aan grondge-bonden of gestapelde woningen, koop- of huurwoningen. Via het stellenvan ruimtelijke regels over bouwen in het omgevingsplan kunnengemeenten vervolgens hier bij nieuwbouw op sturen. Gemeenten kunnennaast regels over betaalbare woningen in het omgevingsplan ook regelsstellen over de omvang van deze woningen. Zij kunnen hier tevensprivaatrechtelijke afspraken over maken met ontwikkelaars. Essentieeldaarbij is dat de combinatie van regels financieel uitvoerbaar is. Dat is eengezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten en marktpartijen. Ditbetekent bijvoorbeeld dat de gemeente flankerende maatregelen treft,zoals een lagere grondprijs of meer verdichting.Vraag 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 203 De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering dit wetsvoorstel alsbasis ziet om het woningtekort op te lossen en om tot een meerevenwichtige woningvoorraad te komen, die in het bijzonder past bij debehoefte van mensen met een middeninkomen of een laag inkomen. Dezeleden staan achter deze ambitie maar vinden wel dat de betaalbaarheids-grenzen passend moeten zijn bij de woningmarktregio’s en dat regionaledifferentiatie mogelijk moet zijn. Zij vragen zich af hoe er preciesuitzonderingen door gemeenten kunnen plaatsvinden op de voorgesteldebetaalbaarheidsgrenzen. Hoe zien deze uitzonderingen er precies uit? Zijvragen daarnaast of er een inschatting valt te maken of deze betaalbaar-heidsgrenzen de bouw van woningen ook kunnen belemmeren. Zo ja, omhoeveel woningen gaat dit, hoeveel plannen zullen niet gerealiseerdworden?Zij vragen zich af waarom het woningtekort niet nader uitgesplitst kanworden naar prijssegmenten. Hoe kan ervoor gezorgd worden dat er,zonder goede monitoring, de juiste woningen worden gebouwd? Waaromvindt deze monitoring, op dit moment, niet plaats?Ik beoog in het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting (hierna:het ontwerpbesluit) te voorzien in een mogelijkheid voor gemeenten omnaar beneden af te wijken van de gemeentelijke instructieregels voor hetvolkshuisvestingsprogramma over de betaalbaarheidsprogrammering.Daarvoor kunnen gemeenten een ontheffing vragen bij de provincie of hetRijk om een lager percentage sociale huurwoningen te bouwen wanneerhet percentage in de instructieregel aantoonbaar niet passend is bij dewoningbouwregio in die gemeente. Te denken valt aan een lokale situatiemet korte wachtlijsten voor sociale huurwoningen.In de Woontop is met alle partijen geconcludeerd dat de financiëlemiddelen toereikend zijn voor de financiering van de opgave in dekomende vijf jaar. Daarnaast hebben vooral lokale beleidskeuzes impactop de financiële haalbaarheid. Ik verwijs daarvoor naar het antwoord opvraag 2.Naar aanleiding van de vraag van de leden van de VVD-fractie naar eenwoningtekort per prijssegment en de vraag hoe ervoor gezorgd kanworden dat de juiste woningen worden gebouwd, wil ik het volgendetoelichten. Er is geen sprake van te onderscheiden woningtekorten perwoningtype en per prijssegment. Een woningzoekende zoekt een woningdie zo goed mogelijk voldoet aan de eigen woonwensen, tegen eenacceptabel prijsniveau. Daarbij geldt dat verschillende typen woningensubstituten kunnen zijn voor elkaar. Zo kan een woningzoekende die eenkoopwoning zoekt in het middensegment een keuze maken tussen eenappartement in de stad of een grondgebonden woning aan de rand vande stad. Bovendien geldt dat het aanbod van woningen uit woningbouwslechts ruwweg 15 procent uitmaakt van het totaal aantal beschikbarewoningen dat op de woningmarkt wordt aangeboden. Verreweg demeeste woningen komen beschikbaar uit de bestaande voorraad vanwegeverhuizingen. Het onderscheiden van het woningtekort per type enprijssegment zorgt daarom niet zonder meer voor een optimale program-mering.Om te zorgen dat de juiste woningen gebouwd worden, zet ik in op derealisatie van twee derde betaalbare woningen. ABF Research doetjaarlijks een uitgebreide analyse van de woonvoorkeuren van dewoonconsument, inkomensontwikkelingen, ontwikkelingen in debestaande voorraad woningen (sloop, prijsontwikkelingen enverhuizingen/doorstroming) en ten slotte de aantallen te verwachtennieuwe woningen door middel van woningbouw. Daarvan doet ABFResearch uitgebreid verslag in haar jaarlijkse Woningmarktverkenningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 204 Belangrijk onderdeel van deze verkenning is zicht op een optimaalaandeel betaalbare woningen (betaalbare koop, middenhuur en socialehuur) binnen de programmering. De verkenning laat zien dat hettoevoegen van twee derde betaalbare woningen ook aansluit bij watnodig is.Vraag 4De leden van de VVD-fractie merken op dat uit de beantwoording op devragen van de VVD-fractie blijkt dat dertien van de twintig grootste stedenmeer dan 30 procent sociale huurwoningen hebben in het woningbouw-bestand. Zij vragen dan ook hoe dit wetsvoorstel er precies voor zorgt datdeze steden focussen op de bouw van betaalbare koopwoningen.Ik ben voornemens om in het ontwerpbesluit een instructieregel op tenemen die gemeenten met een huidig aandeel sociale huur in dewoningvoorraad dat groter is dan het landelijke gemiddelde aandeel (nu26 procent) verplicht om 40 procent betaalbare koop- of middenhuurwo-ningen te programmeren. Ik vind het belangrijk dat er binnen de doelstel-lingen voor betaalbare woningen voldoende lokale ruimte is om optimaalaan te kunnen sluiten bij de lokale en regionale behoefte. Het ontwerpbe-sluit verplicht gemeenten om deze lokale en regionale behoefte in kaart tebrengen. Vervolgens moeten zij de lokale woningbouwprogrammeringdaarop afstemmen. Om die reden is er niet voor gekozen om vanuit hetRijk aan gemeenten of provincies een specifieke verdeling tussen koop- enhuurwoningen binnen het middensegment op te leggen.Vraag 5De leden van de D66-fractie merken op dat met het oorspronkelijkewetsvoorstel destijds ook het ontwerpbesluit is gedeeld, maar dat bij dezetweede nota van wijziging alleen een brief is gedeeld met informatie overwijzigingen in het ontwerpbesluit in hoofdlijnen. Waarom is het nieuweontwerpbesluit niet direct gedeeld met de Kamer bij deze nota vanwijziging en wordt dit nog gedaan voor de stemming over de wet in deTweede Kamer? Kan de regering uiteenzetten welke zaken uit hetoorspronkelijke ontwerpbesluit nu precies worden gewijzigd en op welkemanier? Klopt het bijvoorbeeld dat het uitgangspunt in de Kamerbrief dateen gemeente een verplichting heeft om ofwel 40 procent in het midden-segment te programmeren ofwel 30 procent sociale huur te program-meren bij nieuwbouw, ook al op dezelfde manier was opgenomen in hetoorspronkelijke ontwerpbesluit? Welke precieze wijziging wordt daaringemaakt? Klopt het dat het Hoofdlijnenakkoord weliswaar stelt dat tweederde van de te realiseren woningen betaalbaar moet zijn, maar dat deregering nu juist voorstelt deze specifieke instructie aan gemeenten teschrappen?De leden van de D66-fractie vragen naar de precieze wijzigingen die ikvoornemens ben te gaan maken in het ontwerpbesluit en wanneer dezewijzigingen gepubliceerd worden. Ik wil de gewijzigde onderdelen van hetontwerpbesluit op korte termijn aanbieden ter bestuurlijke consultatie eninternetconsultatie. Om die reden zijn het ontwerpbesluit en de regelingnog niet aan uw Kamer toegezonden. Op dat moment worden dezeonderdelen van het ontwerpbesluit openbaar en raadpleegbaar.Het betreft de onderdelen die zien op de uitwerking van het regeerpro-gramma ten aanzien van het realiseren van betaalbare woningen, hetuitzetten van de Ladder voor duurzame verstedelijking voor woningbouw-locaties, en het mogelijk maken van vergunningvrije mantelzorg- enfamiliewoningen. Daarnaast zal het ontwerpbesluit ook een nadereconcretisering bevatten ten aanzien van monitoring en gegevensverza-meling inzake de woningbouwopgave. De ambitie is om het ontwerpbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 205 sluit na de consultatie spoedig af te ronden en aan uw Kamer in voorhangaan te bieden. In de brief aan uw Kamer over de tweede nota vanwijziging schets ik de voorgenomen wijzigingen in het ontwerpbesluitregie en de wijzigingen ten opzichte van het geconsulteerde besluit.2Vraag 6De leden van de D66-fractie constateren verder dat de regering in hetontwerpbesluit het mogelijk wil maken om het binnen voorwaardenvergunningvrij een mantelzorgwoning op het achtererf bij een woning tebouwen. Zij vinden het goed dat de regering hierdoor aansluit bij eengrote wens van de D66-fractie en andere fracties in de Kamer. Wel vragenzij voor welke personen deze regeling inclusief wijzigingen nu precies isafgebakend en waarom.De leden van de D66-fractie vragen om een toelichting welke personengebruik mogen maken van woningen die vergunningvrij op het eigen erfgebouwd mogen worden. Ik wil in het ontwerpbesluit voorzien invergunningsvrije bijbehorende bouwwerken op het achtererf bij eenwoning voor huisvesting in verband met mantelzorg (hierna: mantelzorg-woningen) en voor de huisvesting van familieleden in de eerste graad(hierna: familiewoningen), voor familieleden in de eerste graad. Alssprake is van een mantelzorgwoonbehoefte kan een mantelzorgwoningworden gebouwd. Deze woning kan zowel door een mantelzorger alsmantelverzorgde worden gebruikt. Bij familiewoningen gaat het ombewoning van familieleden in de eerste graad zoals de partner, de oudersen kinderen (inclusief adoptie, pleeg- en stiefkinderen). Deze woningenkunnen bijvoorbeeld worden benut voor pre-mantelzorg (voor zover hetgaat om familieleden in de eerste graad), zodat een mantelzorgwoningwaarin de toekomstige mantelzorgvrager of mantelzorger daarin alvastkan gaan wonen vóór het aanbreken van de zorgrelatie.Ook wordt het mogelijk dat (meerderjarige) kinderen, die ten gevolge vande woningnood noodgedwongen thuis bij de ouders wonen, in eendergelijke woning op het achtererf kunnen wonen.Vraag 7De leden van de BBB-fractie lezen dat de wet de regie op de volkshuis-vesting beoogt te versterken. Echter, deze leden merken op dat de huidigewoningmarkt wordt gekenmerkt door een complex samenspel vanfactoren, bijvoorbeeld stijgende bouwkosten, personeelstekorten en langeprocedures. Zij vragen of de regering kan toelichten welke concretemechanismen en prestatie-indicatoren worden ingebouwd om tegaranderen dat de beoogde versterking van de regie daadwerkelijk leidttot een versnelling van de woningbouw en een verbetering van debetaalbaarheid, rekening houdend met deze externe factoren.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de regering de monitoring opdeze wet wil doen. Zicht op de voortgang van de woningbouw is er dooreen samenspel van een aantal bronnen.Dit wetsvoorstel moet bijdragen aan de versnelling van de bouw van100.000 woningen, waarvan twee derde betaalbaar, 30 procent socialehuurwoningen. Er zal ook geëvalueerd worden of dit wetsvoorstelbijdraagt aan het realiseren van deze doelen. In de tussentijd houd iknatuurlijk steeds zicht op de voortgang van de woningbouw en bespreekde resultaten daarvan bestuurlijk. Daarvan zijn verschillende indicatorenvan toepassing. Zo is bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid vanvoldoende locaties in het ontwerpbesluit opgenomen dat provinciesmoeten voorzien in 130 procent plancapaciteit ten opzichte van de2Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 206 resterende bouwopgave. Inzicht in de voortgang van de planvorming is erdoor de Landelijke monitor voortgang woningbouw. Deze monitor is deinterbestuurlijke monitor voor de sturing op de woondeals en de nationaledoelstelling zoals die is afgesproken tussen Rijk, Interprovinciaal Overleg(hierna: IPO) en Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG).Deze monitor bevat in principe alle woningbouwplannen in Nederlandwaar gemeenten samen met marktpartijen aan werken. Daarbij wordtonder meer ook geregistreerd wat de betaalbaarheid van die woningen ndie plannen is. De Kamer krijgt van deze monitor twee maal per jaar eenrapportage. Er wordt bovendien aan gewerkt om deze monitor aan tevullen met specifiekere informatie over de voortgang van de plannen doorgerealiseerde mijlpalen te registreren.Naast deze informatie biedt het CBS informatie over vergunningen,startbouw en realisaties. Deze gegevens bevatten ook informatie over debetaalbaarheid van de gerealiseerde woningen. Ik ben in overleg met hetCBS en het Kadaster om te kijken hoe deze informatie kan wordenaangevuld. Tot slot noem ik nog de informatie op basis van de nog in terichten Realisatiestimulans. Ook deze informatie biedt inzicht in het aantalgerealiseerde betaalbare woningen per jaar per gemeente.Vraag 8De leden van de CDA-fractie zijn zeer overtuigd van het grote belang vangoede en betaalbare volkshuisvesting. Deze leden hechten eraan tebenadrukken dat het de hoogste tijd is voor versterking van de regie op devolkshuisvesting. Zij wijzen op het in de Grondwet opgenomen recht omergens thuis te zijn. Er staat in artikel 22 dat de «bevordering vanvoldoende woongelegenheid» een «voorwerp van zorg der overheid» is.Zij stellen dat de opgave om te zorgen voor voldoende woningen, inwelke vorm dan ook, dus een zaak van algemeen belang is. Dat maakt dewooncrisis in de ogen van deze leden meer dan enkel een economisch ofbestuurlijk vraagstuk. Volkshuisvesting betreft een sociale kwestie stellenzij. Zij wijzen erop dat een huis onderdeel is van een gemeenschap in jewijk of de buurt. De verandering van woningmarkt naar volkshuisvestingis in de ogen van deze leden cruciaal. Wat betreft deze leden wordt deliberale en individualistische bril van de afgelopen decennia afgezet en debril van gemeenschapszin opgezet. Zij vragen naar de haakjes in deze wetom meer grip en sturing te krijgen op het afdwingen van het realiserenvan 40 procent betaalbare koop.Met de leden van de CDA-fractie deel ik dat volkshuisvesting niet enkeleen bestuurlijk en economisch vraagstuk is, maar juist ook een sociaalvraagstuk. Het gaat uiteindelijk om het bouwen en vormen van fijnegemeenschappen. Het doel om betaalbaar te bouwen hoort bij datstreven: zo geven we iedereen weer een kans om te gaan wonen op eenplek en in een huis dat bij hen past. Ik stuur daarbij ook op voldoendewoningbouw in alle segmenten: sociale huur, middenhuur en betaalbarekoop. Voor het realiseren van sociale huurwoningen hanteer ik daarnaasteen apart doel van 30 procent, omdat er voor de groep die hierop isaangewezen weinig alternatieven zijn. Voor middeninkomens is hetbelangrijk zowel middenhuur als betaalbare koop te bouwen, waarbij hetaan gemeenten is om te bepalen waar meer behoefte aan is. Gemeentenmoeten voor het volkshuisvestingsprogramma deze specifieke behoefte inkaart brengen en de programmering daarop afstemmen. Ik stuur dus nietop een specifiek aandeel betaalbare koop, maar stuur via instructieregelswel op het realiseren van 40 procent woningen voor middeninkomens ingemeenten die al een grote sociale huurvoorraad hebben (meer dan hetlandelijke gemiddelde). Rijk en provincie kunnen via instructieregels eneen instructiebesluit waar nodig ook wettelijk sturen op de program-mering en realisatie hiervan. In het volkshuisvestingsprogramma van RijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 207 en provincies stellen zij het samenhangend volkshuisvestingsbeleid vastdat ook gericht is op het realiseren van deze doelen.Vraag 9De leden van de CDA-fractie vragen de regering welke aspecten van dewet bijdragen aan het aanpakken van dakloosheid, en hoe de effectiviteitvan deze maatregelen wordt gemonitord.Het wetsvoorstel regelt dat gemeenten in hun volkshuisvestingpro-gramma de totale woonbehoefte van woningzoekenden moeten opnemenen moeten aangeven op welke wijze zij gaan voorzien in die woonbe-hoefte. Van gemeenten wordt daarmee ook verlangd dat zij aangeven hoede woonopgave voor dreigend dak- en thuisloze mensen eruitziet.Gemeenten worden geacht de woonbehoefte van een brede groepdreigend dak- en thuisloze mensen te omschrijven en de plannen terverwezenlijking van die woonbehoefte aan te geven. Daarmee sluit deafbakening van de aandachtgroep dakloze mensen aan bij de EuropeanTypology of Homelessnes and Housing Exclusion’ Light (ETHOS-light)definitie die internationaal wordt gehanteerd. Die classificatie omvat naastde groep mensen die in een maatschappelijke opvang verblijven op grondvan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ook mensen die opstraat slapen, mensen die in de noodopvang verblijven zonder dat zijrechthebbend zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning2015, mensen in niet-conventionele woonruimten wegens een gebrek aanpassende huisvesting (auto, kraakpand, vakantiewoning of andererecreatieverblijven), mensen die tijdelijk verblijven bij familie, vrienden ofkennissen en mensen die te maken hebben met een dreigende huisuit-zetting.De verplichte urgentiecategorie beperkt zich in dit wetsvoorstel totmensen die wegens dakloosheid in de maatschappelijke opvangverblijven of hier een beschikking toe hebben. Van deze mensen is bekenddat zij vaak langer dan nodig in de opvang verblijven omdat er onvol-doende woningen beschikbaar komen. Daarom is het vanuit hetmaatschappelijk oogpunt gewenst dat zij in aanmerking komen voorurgentie. Bij het bepalen van de verplichte urgentiecategorieën is inogenschouw genomen dat zoveel mogelijk eenduidig te objectiveren isdat huisvesting voor alle mensen behorende tot die beoogde groep meteen groot maatschappelijk belang gepaard gaat waardoor voorrang bovenandere groepen woningzoekenden gerechtvaardigd is. Van mensen dieuitstromen uit de maatschappelijke opvang kan worden aangetoond datzij dakloos zijn en maatschappelijke ondersteuning nodig hebben. Van deandere groepen onder de ETHOS-light definitie is dat meer diffuus. Voordeze groepen wordt niet gekozen voor verplichte urgentie via de wet,maar kan in de huisvestingsverordening via de bestaande mogelijkhedenlokaal maatwerk worden geleverd, bijvoorbeeld door deze groepen lokaalals aanvullende urgentiecategorie aan te merken. Dit zal mogelijk effecthebben op de wachttijd voor andere woningzoekenden.De effectiviteit van de maatregelen kan onder meer worden gevolgd metde jaarlijkse monitoring van het aantal aangevraagde en afgegevenurgentieverklaringen en het aantal toekenningen van woonruimte aan dediverse urgentie-categorieën. Indien urgentieverklaringen niet leiden totvoorrang, vergt dit aanpassing van de verdeelafspraken voor urgentwoningzoekenden op regionaal niveau. Tevens is dit informatie diemeegenomen moet worden bij het actualiseren van het volkshuisvesting-programma. Als gemeenten in hun volkshuisvestingsprogrammaonvoldoende beleidsmaatregelen treffen om te voorzien in de woonbe-hoefte voor (dreigende) dak- en thuisloze mensen, dan kan de provincieop – grond van het interbestuurlijk toezicht – bijsturen. UiteindelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 208 moeten deze maatregelen gezamenlijk leiden tot een afname van hetaantal mensen met een woonvraag onder de ETHOS-light definitie.Vraag 10De leden van de SP-fractie constateren dat de regering met ditwetsvoorstel beoogt de regie op de volkshuisvesting te versterken, ondermeer door instructieregels op te stellen voor de bouw van socialehuurwoningen en woningen in het middensegment. Deze leden onder-schrijven de noodzaak van meer sturing, maar hebben zorgen over degevolgen van de voorgestelde maatregelen voor de sociale huurwoning-voorraad in absolute aantallen.Er wordt notie genomen van de door de leden van de fractie van de SPgeuite zorg over de gevolgen van de voorgestelde maatregelen socialehuurwoningen in absolute aantallen. In mijn antwoord op vraag 11 en 12ga ik daar nader op in. Op absolute aantallen sociale huurwoningen wordtmet het wetsvoorstel niet direct gestuurd, er wordt gestuurd op percen-tages van te realiseren woningen. Over het aantal nieuw te bouwenwoningen zijn bestuurlijke afspraken gemaakt.Vraag 11De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe de huidige socialehuurvoorraad zich heeft ontwikkeld in de afgelopen tien jaar, en in welkemate deze is afgenomen of toegenomen. Zij willen inzicht in het huidigeaantal sociale huurwoningen in Nederland, zowel in absolute aantallen alspercentage van de totale woningvoorraad. Ook vragen zij hoeveelgemeenten op dit moment een sociale huurvoorraad onder de 30 procenthebben en hoeveel gemeenten een sociale huurvoorraad boven de30 procent hebben. Daarnaast vernemen zij graag hoeveel extra socialehuurwoningen nodig zijn om landelijk een aandeel van 30 procent tebehalen. Zij vragen de regering verder hoeveel woningen in het midden-segment er momenteel in Nederland zijn en hoe dit aantal zich heeftontwikkeld.De leden van de SP-fractie vragen om inzicht in de ontwikkeling van desociale huurvoorraad en de ontwikkeling van woningen in het midden-segment. In onderstaande tabel is op basis van de dVi voor de jaren 2015,2020 en 2023 te zien hoeveel sociale huurwoningen er in de jaren warenen welk percentage dat was van de totale woningvoorraad. Het gaat hierom zelfstandige woningen van corporaties die tot de DAEB voorraadbehoren. Te zien is dat de sociale huurvoorraad tussen 2015 en 2020 isafgenomen, maar sinds 2020 weer is gegroeid.Op basis van cijfers uit de dVi zijn er in 2023 in totaal 36 gemeenten dieeen sociale huurvoorraad hebben van 30 procent of hoger en306 gemeenten die een sociale huurvoorraad hebben onder de dertigprocent (zie ook vraag 58). Hoeveel sociale huurwoningen nodig zijn omeen landelijk aandeel van 30 procent te halen is niet te zeggen, omdat ditmede afhangt van de hoeveelheid andere woningen die gebouwdworden.Daarnaast is in tabel 2 te zien hoeveel huishoudens er in een middenhuur-woning wonen. Het middensegment omvat daarnaast ook betaalbarekoopwoningen, maar een goede basis om inzicht te geven in de ontwik-keling hiervan is moeilijk te geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 209 Tabel 1: Aantal sociale huurwoningen per gemeente ultimo 2015, 2020 en 2023 (Bronnen: dVi, CBS) Totaal aantal sociale huurwoningenTotale woningvoorraadpercentage tov woningvoorraad 201520202023201520202023201520202023Nederland2.164.0002.097.0002.112.0007.641.0007.966.0008.204.00028,3%26,3%25,7% Tabel 2: Aantal huishoudens in middenhuurwoningen (Bron WoON 2015, 2018, 2021) 201520182021Private middenhuur170.000219.000270.000Corporaties middenhuur137.000131.000122.000Totaal307.000350.000392.000 Vraag 12De leden van de SP-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken wat demogelijke gevolgen zijn voor de sociale huurwoningvoorraad alsgemeenten met een bovengemiddeld aandeel sociale huur verplichtworden om ten minste 40 procent middenhuur te realiseren. Zij willenweten of de regering het onwenselijk acht als door dit voorschrift de totalesociale huurvoorraad niet toeneemt of zelfs afneemt. Zij vragen tevenswaarom gemeenten niet de mogelijkheid krijgen om, in overleg met deregio, af te wijken van deze instructieregel indien dit nodig is om eenevenwichtige woningvoorraad te waarborgen.De leden van de SP-fractie vragen wat het gevolg is van de instructieregelvoor gemeenten om ten minste 40 procent voor middeninkomens tebouwen en wat dit betekent voor de groei van de sociale huurvoorraad.Gemeenten die 40 procent moeten programmeren voor woningen in hetmiddensegment (koop en huur) moeten daarnaast ook sociale huurwo-ningen realiseren. Onder regie van de provincie maken de gemeentenhiervoor afspraken gericht op het realiseren van 30 procent socialehuurwoningen en twee derde betaalbare huurwoningen op regionaalniveau. Door het toevoegen van de instructieregel dat op regionaal niveau30 procent sociale huurwoningen moeten worden gerealiseerd, is hetrealiseren van deze doelstelling beter geborgd. Mijn beleid is niet primairgericht op de bestaande voorraad sociale huurwoningen, maar op hettoevoegen van 30 procent sociale huurwoningen in absolute zin, en inmeer betaalbare woningen voor middeninkomens en lage inkomens. Derealisatie van 30 procent sociale huurwoningen is ook zo met gemeentenen corporaties afgesproken in de Nationale prestatieafspraken. Daarbij isook geconstateerd dat hierdoor de sociale huurvoorraad in absolute zinverder zal groeien, waarbij partijen, rekening houdend met sloop enverkoop, streven naar een zo groot mogelijke netto groei van de socialehuurvoorraad.Vraag 13De leden van de SP-fractie vragen daarnaast wat het verwachte effect vanhet wetsvoorstel is op de totale sociale huurvoorraad in Nederland in dekomende tien jaar. Zij willen weten hoeveel procent van de in de komendevijf jaar geplande nieuwbouwwoningen sociale huur betreft onder hethuidige beleid, en hoeveel extra sociale huurwoningen nodig zijn om inde komende tien jaar de wachttijden terug te dringen tot maximaal tweejaar.De leden van de SP-fractie vragen naar het effect van het wetsvoorstel opde totale sociale huurvoorraad en hoeveel procent van de woningbouwsociale huur betreft in het huidige beleid. Zoals ik ook in antwoord opvraag 12 heb toegelicht, is het beleid gericht op het toevoegen van30 procent sociale huurwoningen op regionaal, provinciaal en landelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2010 niveau. Dit zal leiden tot een groei van de totale sociale huurvoorraad. Ditbeleid is niet alleen verankerd in het ontwerpbesluit, maar ook in deNationale prestatieafspraken. Daarbij heb ik met de gemeenten encorporaties afgesproken ook te streven naar een zo groot mogelijke nettotoename van de sociale huurvoorraad, rekening houdend met verkoop ensloop van sociale huurwoningen.Er kan niet exact berekend worden hoeveel sociale huurwoningen ernodig zijn om in de komende tien jaar de wachttijden terug te brengennaar twee jaar. Wachtlijsten kennen namelijk ook aspecten kennen die losstaan van het beschikbare aantal sociale huurwoningen. Een deel van deingeschrevenen op de wachtlijst hoeft bijvoorbeeld geen acuteverhuiswens te hebben. Lange wachttijden kunnen bijvoorbeeld ontstaandoordat huishoudens naar een woning met specifieke kenmerken willenverhuizen (grotere woning, seniorenwoning), of doordat (toekomstige)huishoudens zich inschrijven anticiperend op een toekomstigeverhuiswens. Omgekeerd kunnen er binnen een termijn van tien jaar ookwoningzoekenden zijn die niet zijn ingeschreven op een wachtlijst,bijvoorbeeld mensen die na een scheiding op zoek zijn naar een socialehuurwoning.1.2 Resultaat: instrumenten voor regie op de volkshuisvesting Vraag 14De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe prestatieafsprakenworden gekoppeld aan daadwerkelijke realisatie in plaats van enkelprogrammatische plannen.Voor de realisatie van de Nationale prestatieafspraken geldt dat dezeafspraken met het wetsvoorstel deel zullen uitmaken van het nationalevolkshuisvestingsprogramma. Dit betekent dat zowel in het provinciale alshet gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma aandacht moet wordenbesteed aan de realisatie van die doelen. Er is op die manier eendoorwerking van de Nationale prestatieafspraken in het provinciale en hetgemeentelijke volkshuisvestingsprogramma. Verder hebben de partijen inde Nationale prestatieafspraken ook afspraken gemaakt over demonitoring van de realisatie van de afspraken, zodat de ondertekenendepartijen tijdig daarop kunnen bijsturen.Het wetsvoorstel voorziet verder in een aanvullend instrumentarium voorde afdwingbaarheid van de lokale prestatieafspraken. Het wetsvoorstelregelt namelijk dat een geschil over de nakoming van lokale prestatieaf-spraken door elk van de drie ondertekenende partijen (gemeente,woningcorporatie en huurdersorganisatie) kan worden voorgelegd aan deMinister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Dit is nieuw, en iseen uitbreiding ten opzichte van de bestaande situatie waarin geschilbe-handeling door de Minister alleen mogelijk is over geschillen in de fasevan totstandkoming van lokale prestatieafspraken.Het instrumentarium voor afdwingbaarheid van de lokale prestatieaf-spraken moet worden gezien als laatste redmiddel voor die situatieswaarin partijen er onderling niet uitkomen. Aan dat uitgangspuntverandert dit wetsvoorstel niets. Ik verwacht dat het enkele bestaan vaneen instrumentarium voor afdwingbaarheid tot effect zal hebben dat delokale prestatieafspraken meer concreet zullen beschrijven welke doelenpartijen op lokaal niveau voor de volkshuisvesting stellen en hoe diedoelen in gezamenlijkheid bereikt moeten worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2011 1.3 Kader en analyse Vraag 15De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar het tijdpad om viade Nota Ruimte tot daadwerkelijke keuzes te komen.Ik streef ernaar voor de zomer tot besluitvorming te komen binnen hetkabinet over de integrale keuzes en richtingen in de Nota Ruimte. Omdatde afronding hiervan wat meer tijd vraagt en de ontwerp Nota Ruimtevervolgens ook van een plan MER moet worden voorzien, wat de nodigedoorlooptijd vraagt, zal de ontwerp Nota Ruimte samen met de plan MERna de zomer worden gepubliceerd.2. Hoofdlijnen van het voorstel Vraag 16De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 3 van de Kamerbrief bij detweede nota van wijziging dat de betreffende percentages gaan over alletoevoegingen van woningen; nieuwbouw, maar ook via bijvoorbeeldsplitsing, optoppen, transformatie. Deze leden vragen de regering of ervoldoende ambtelijke capaciteit aanwezig is om ook vergunningstrajectendie toezien op splitsing, optoppen en transformatie te begeleiden.De leden van de PVV-fractie vragen of er voldoende ambtelijk capaciteit isom vergunningstrajecten voor splitsen, optoppen en transformatie tebegeleiden. Tijdens de Woontop is afgesproken dat het Rijk, het IPO en deVNG gezamenlijk zorgen voor genoeg «meedoekracht» in de woning-bouwregio’s. Onderdeel van de afspraken is een ondersteuningspro-gramma voor decentrale overheden, zodat zij binnen vijf jaar zelfstandigzonder extra steun kunnen functioneren. Opschaling vraagt om eengestructureerde en programmatische aanpak, vastgelegd in een interbe-stuurlijk samenwerkingsplan. Dat plan wordt momenteel verder ingezamenlijkheid uitgewerkt, ook met marktpartijen en corporaties, waarbijgoed wordt nagedacht over hoe de schaarse capaciteit, kennis endeskundigheid gericht ingezet kan worden in gebieden in projecten. Zokan er ook voor splitsen, optoppen en transformatie genoeg capaciteitworden geregeld. Hiervoor zijn diverse tijdelijke financiële middelenvanuit het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordeningbeschikbaar.Vraag 17De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 4 van de Kamerbrief bij detweede nota van wijziging dat gezien de aanleiding om de Ladder voorwoningbouwprojecten uit te zetten, het niet doelmatig is als de Ladder opdecentraal niveau op een vergelijkbare wijze opnieuw wordt ingevoerd.De Minister geeft daarom aan dat ze nog bekijkt op welke wijze dit kanworden voorkomen. Zij merken op dat we circa een maand verder zijn enzij vragen dan ook de regering of al iets gezegd kan worden overmogelijke opties. Mocht een antwoord nog niet mogelijk zijn, dan vragenzij of de regering kan inschatten wanneer dat wel zo is.De leden van de PVV-fractie vragen hoe voorkomen kan worden datprovincies na het uitzetten van de Ladder voor duurzame verstedelijking(voor het onderdeel woningbouw) deze via provinciaal beleid opnieuwinvoeren. De Ladder is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluitkwaliteit leefomgeving. Ik ben voornemens aan dit artikel via het besluitregie een vijfde lid toe te voegen. Daarin wordt bepaald dat de Ladder nietvan toepassing is op een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwestedelijke ontwikkeling, die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding vaneen woningbouwlocatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2012 De inperking in het nieuwe vijfde lid heeft een uitputtend karakter. Ditbetekent dat er op dit punt geen bevoegdheid resteert voor de decentraleoverheden om met hetzelfde motief vergelijkbare decentrale regels testellen over de ontwikkeling of uitbreiding van woningbouwlocaties.Vraag 18De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 7 van de Kamerbrief bij detweede nota van wijziging dat met het voorgenomen besluit Versterkingregie volkshuisvesting in het Omgevingsbesluit tijdelijk – voor een periodevan tien jaar – besluiten voor categorieën van projecten worden aange-wezen waarop de procedurele versnellingen uit het wetsvoorstel vantoepassing zijn. Zij vragen aan de regering waarom is gekozen voor eenperiode van tien jaar. Waarom niet langer?De leden van de PVV-fractie vragen naar de reden dat gekozen is voor eentermijn van tien jaar bij de voorgenomen versnellingen in de beroepspro-cedure bij woningbouwprojecten. De tijdelijkheid houdt verband met hetfeit dat de voorgestelde procedurele versnellingen afwijkingen bevattenvan het normale stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Detijdelijkheid van de aanwijzing is ook inherent aan het oplossen van hetzwaarwegende maatschappelijke belang dat noodzaakt tot een versneldeuitvoering van bepaalde projecten. Om deze reden past het niet dat eenaanwijzing permanent zou zijn. Juist om de tijdelijkheid van de aanwijzingte borgen, is in het wetsvoorstel een termijn voor aanwijzing beperkt totten hoogste tien jaar met de mogelijkheid van een eenmalige verlengingvan ten hoogste vijf jaar.In het voorgenomen ontwerpbesluit is er voor woningbouwprojecten vantwaalf of meer woningen gekozen om deze categorie projecten aan tewijzen tot 1 januari 2031. Voor deze datum is gekozen omdat dit aansluitbij de woningbouwopgave van 981.000 woningen die tot en met 2030moeten worden gerealiseerd, zoals die is beschreven in het ProgrammaWoningbouw.3 Dit ontwerpbesluit zal nog in voorhang worden gebrachtbij beide Kamers der Staten-Generaal.Vraag 19De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het uitzetten van deLadder voor duurzame verstedelijking. Blijft het voor gemeenten welmogelijk om goede en nuttige elementen van deze Ladder te gebruiken,bijvoorbeeld bij inbreidingslocaties?De leden van de SGP-fractie vragen of het met het uitzetten van de Laddervoor duurzame verstedelijking voor gemeenten mogelijk blijft omonderdelen van de Ladder te gebruiken.De Ladder is een instructieregel die eisen stelt aan de inhoud van hetomgevingsplan. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwestedelijke ontwikkeling moet, met het oog op het belang van zorgvuldigruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening wordengehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en demogelijkheid om daarin binnenstedelijk te voorzien. Als die stedelijkeontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijkgroen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan moetrekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen datstedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van debebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grotewoningbouwopgave maakt het noodzakelijk om zowel binnen- alsbuitenstedelijke locaties te benutten. Daarnaast brengt het toepassen vande ladder wel extra onderzoekslasten, tijd en kosten met zich mee.Daarom heb ik besloten om de Ladder niet meer van toepassing te laten3Programma Woningbouw, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 32 847, nr. 878.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2013 zijn voor het onderdeel «woningbouw». Voor andere stedelijke ontwikke-lingen blijft de Ladder gewoon van toepassing. Als gevolg hiervan zal bijwoningbouw op buitenstedelijke locaties niet langer meer uitdrukkelijkhoeven te worden gemotiveerd waarom er behoefte is aan de woning-bouwlocatie en waarom niet voor een binnenstedelijke locatie wordtgekozen. Gemeenten moeten er op grond van artikel 4.2, eerste lid, van deOmgevingswet voor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden toteen evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij rekeningwordt gehouden met alle aanwezige belangen. Dit betekent dat de keuzevoor een buitenstedelijke woningbouwlocatie in het kader van eenzorgvuldige belangenafweging nog steeds moet worden onderbouwd.Deze afweging kan tot gevolg hebben dat een gemeente kiest van hetbenutten van inbreidingslocaties, bijvoorbeeld omdat deze locatie beter teontsluiten is.Vraag 20Tevens vragen de leden van de SGP-fractie naar de periode waarin deLadder uitgezet wordt. Is daar een termijn aan verbonden?Mede ter uitvoering van de motie van het Lid Mooiman4 en de motie vanhet Lid Meulenkamp c.s.5 is besloten te regelen dat de Ladder niet meervan toepassing is op nieuwe woningbouwlocaties. In de motie van lidMeulenkamp wordt de regering verzocht om de Ladder voor dewoningbouw voor een periode van ten minste 5 jaar op te schorten. Ookde komende jaren blijft de woningopgave groot in heel Nederland. Erwordt daarom geen termijn verbonden aan het uitzetten van de Ladder.Vraag 21De leden van de SGP-fractie zijn verheugd om te lezen dat ditwetsvoorstel het mogelijk maakt om makkelijker mantelzorgwoningen tebouwen. Dit moeten gemeenten, onder voorwaarden, vergunningvrijtoestaan. Welke voorwaarden gelden daarvoor? En hoe wordengemeenten ondersteund bij deze wijziging van de wet?De leden van de SGP-fractie vragen welke voorwaarden voor de bouw vanmantelzorgwoningen gelden en hoe gemeenten daarbij ondersteundworden. Ik werk in afstemming met de daarbij betrokken departementenaan een uitwerking in het ontwerpbesluit waarbij geregeld wordt datbouwen en gebruiken van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingdaarvan op een achtererfgebied bij een woning, voor huisvesting inverband met mantelzorg (mantelzorgwoningen) en voor de huisvestingvan familieleden in de eerste graad (familiewoningen) vergunningvrij is. Ikverwijs verder ook naar mijn antwoord op vraag 6.Daarvoor gaat een aantal voorwaarden gelden. Het is de bedoeling om –grotendeels – aan te sluiten bij de voorwaarden die vóór 1 januari 2024golden op grond van het voormalige Besluit omgevingsrecht en nu metde zogenoemde bruidsschat6 van rechtswege zijn opgenomen in hettijdelijk deel van het omgevingsplan.In de eerste plaats moet sprake zijn van een mantelzorgrelatie of eenfamilierelatie in de eerste graad. Verder geldt een aantal bebouwingsvoor-schriften. Het gaat onder meer om de maximale oppervlakte en hoogtevan de mantelzorg- of familiewoning. Op dit moment ben ik bezig met de4Kamerstukken II 2024/25, 34 682, nr. 199.5Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XXII, nr. 61.6Onder de Omgevingswet is een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappenovergeheveld. Het Rijk heeft er met het Invoeringsbesluit voor gezorgd dat de regels voorgemeenten automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (of de waterschapsveror-dening) komen. Dit is de zogenoemde bruidschat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2014 uitwerking van de betreffende regeling. Dit doe ik in afstemming metbetrokken bewindslieden en stakeholders, onder wie de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat, de Staatssecretaris van Openbaar Vervoer enMilieu en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.Partijen die zijn belast met de uitvoering van het wetsvoorstel en devoorgenomen wijzigingen op het niveau van een algemene maatregel vanbestuur, waaronder gemeenten, worden hiertoe op diverse wijzenondersteund. Betrokken partijen kunnen ondersteuning krijgen bij devoorbereiding van de op hand zijnde wijzigingen. Ook zijn er diversepublicaties over onder andere over de woonzorgvisie (onderdeel van hetvolkshuisvestingsprogramma) en de samenwerking tussen het sociaal enfysiek domein. Ook zijn er webinars en bijeenkomsten georganiseerd.Partijen kunnen hulp inschakelen via het Expertteam HuisvestingAandachtsgroepen en er worden praktijklabs georganiseerd om desamenwerking tussen betrokken partijen te stimuleren. Er wordt dekomende tijd ingezet op hulp en ondersteuning van gemeenten,provincies, corporaties en zorg- en ondersteuningspartijen, er zullenbijvoorbeeld landelijke bijeenkomsten worden georganiseerd. Tijdens delandelijke bijeenkomsten zijn er verschillende werksessies, waarin partijenop vlieghoogte worden gebracht en praktische handvatten krijgen die zijkunnen gebruiken bij het opstellen van een volkshuisvestingsprogramma,de huisvestingsverordening en het maken van afspraken over eenevenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. Daarnaast wordtvoorzien in handreikingen, onder meer over het volkshuisvestingspro-gramma, de huisvestingsverordening en de rol van de provincies. Voormantelzorg heeft de VNG al voorzien in een handreiking.7 Het Rijk zal metde VNG bekijken op welke wijze deze moeten worden aangevuld ofaangepast. Ook via digitale kanalen wordt voorzien in hulp en onder-steuning.Vraag 22Tevens lezen de leden van de SGP-fractie dat het vergunningvrij bouwenook gaat gelden voor familiewoningen. Wat wordt daar precies onderverstaan? Wordt daar een ruime definitie aan verbonden? En hoe wordtdat getoetst?In het voorgenomen ontwerpbesluit wordt geregeld dat het bij familiewo-ningen gaat om de huisvesting van familieleden in de eerste graad, teweten:–de partner (via huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevings-contract),–de ouders (inclusief stiefouders en adoptieouders), (schoon)ouders,–kinderen (inclusief stiefkinderen en adoptiekinderen) en schoondoch-ters en schoonzonen. Onder kinderen wordt voor de toepassing vandeze instructieregel ook pleegkinderen begrepen.In het ontwerpbesluit wordt voorzien in een informatieplicht voor hetbouwen van mantelzorg- en familiewoningen, zodat de gemeente op dehoogte wordt gesteld van de bouw van deze woningen. Een gemeentekan in het kader van toezicht en handhaving, onder andere via hetBasisregistratie Personen, nagaan of een familiewoning wordt gebruiktdoor familieleden in de eerste graad. Als dit niet het geval is, kan degemeente handhavend optreden.Vraag 23De leden van de SGP-fractie lezen dat met het voorgenomen besluitVersterking regie volkshuisvesting in het Omgevingsbesluit tijdelijk – vooreen periode van tien jaar – besluiten voor categorieën van projecten7Handreiking Mantelzorgwonen van de VNG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2015 worden aangewezen waarop de procedurele versnellingen uit hetwetsvoorstel van toepassing zijn. Waarom is gekozen voor een periodevan tien jaar? Deze voorstellen hebben ook gevolgen voor de Afdelingbestuursrechtsspraak van de Raad van State. Zo moet er sneller uitspraakgedaan worden. Hoe wordt de Afdeling bestuursrechtsspraak daarvoor instaat gesteld? In hoeverre hebben de voorgestelde maatregelen effect opde Afdeling bestuursrechtsspraak?De leden van de SGP-fractie vragen waarom er voor de procedureleversnellingen voor een periode van tien jaar is gekozen en hoe deAfdeling bestuursrechtspraak hiervoor in de gelegenheid wordt gesteld.Ook vragen zij naar het effect van de voorgestelde maatregelen op deAfdeling bestuursrechtspraak. In mijn antwoord op vraag 18 van de ledenvan de PVV-fractie heb ik onder meer aangegeven dat de periode van tienjaar verband houdt met het feit dat de voorgestelde procedurele versnel-lingen afwijkingen bevatten van het normale stelsel van bestuursrechte-lijke rechtsbescherming. De tijdelijkheid van de aanwijzing is ook inherentaan het oplossen van het zwaarwegende maatschappelijke belang datnoodzaakt tot een versnelde uitvoering van bepaalde projecten.Verder is een inschatting gemaakt van de te verwachten gevolgen van deaanwijzing daarvan voor de werklast bij de Afdeling op basis van eenonderzoek naar procedures over woningbouwprojecten die in deafgelopen jaren bij rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak zijngevoerd.8 Uit het onderzoek blijkt dat wanneer woningbouwprojecten vantwaalf of meer woningen worden aangewezen waarop de procedureleversnellingen van toepassing zijn, dit naar verwachting tot een toenamevan 39 zaken per jaar bij de Afdeling zal leiden. Ik acht dit eenaanvaardbare toename van het aantal zaken.Daar komt bij dat de Afdeling bestuursrechtspraak met ingang van 1 juli2024 zaken over woningbouwprojecten van twaalf of meer woningen almet voorrang behandelt. De Afdeling heeft daarvoor een speciale unitingericht. Deze werkwijze is door de Afdeling bestuursrechtspraak zelfingesteld en aangekondigd in haar consultatiereactie op het ontwerpbe-sluit. Daarmee loopt de Afdeling bestuursrechtspraak vooruit op de in hetontwerpbesluit aangekondigde aanwijzing van woningbouwprojecten vantwaalf of meer woningen. Op basis van bovenstaande verwacht ik dat deAfdeling bestuursrechtspraak is toegerust op de wijziging in hetwetsvoorstel.2.1 Meer regie op volkshuisvesting Vraag 24De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat het wetsvoorstel uitgaatvan een maximale grens van 30 procent sociale huur. Kan de regeringbevestigen dat gemeenten die méér dan 30 procent sociale huurrealiseren, hiervoor niet worden gestraft door uitsluiting van subsidies? Ishet toegestaan voor gemeenten om méér dan 30 procent sociale huur tebouwen, mits zij daarnaast ook de 40 procent norm voor het midden-segment hanteren?Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid voor gemeenten om naast40 procent in het middensegment ook 30 procent sociale huurwoningen tebouwen. De vraag is of dat ook altijd nodig is om de betaalbaarheidsdoel-stellingen op regionaal niveau te realiseren. Doel van de regeling in het8Rijksuniversiteit Groningen, De consequenties van de wijziging van rechtsbeschermingsproce-dures over woningbouwprojecten, 24 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24,36 512, nr. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2016 ontwerpbesluit is dat juist gemeenten met weinig sociale huurwoningeneen extra stap zetten om sociale huurwoningen te realiseren. Dit biedtgemeenten met veel sociale huurwoningen de ruimte om zich meer terichten op het bouwen van woningen voor middeninkomens. Op ditmoment wordt de vormgeving van de financiële regelingen voorbereid,waaronder de Realisatiestimulans en de herziening van de Woningbouw-impuls. Daarin kijk ik ook naar de mogelijkheid om via financiëleregelingen het stellen van bovenmatige betaalbaarheidseisen te ontmoe-digen.Vraag 25De leden van de SP-fractie vragen daarnaast waarom de sociale huurnormafhankelijk wordt gesteld van het fluctuerende landelijke gemiddelde, enniet wordt vastgelegd op 30 procent. Zij vernemen graag of de regeringbereid is om gemeenten toe te staan een hoger percentage sociale huur terealiseren indien daar lokaal of regionaal behoefte aan is.De leden van de SP-fractie vragen waarom ik heb gekozen voor hetlandelijke gemiddelde aandeel sociale huur als ijkpunt voor de gemeente-lijke instructieregels voor het aandeel te bouwen sociale huurwoningen.Dat heb ik gedaan omdat hierdoor zowel wordt gezorgd dat veelgemeenten 30 procent sociale huur moeten programmeren, maar ook datvoldoende gemeenten een verplichting hebben om 40 procent teprogrammeren voor middeninkomens. Dit sluit aan op de ambitie uit hetregeerprogramma om te zorgen voor een meer evenwichtige verdelingvan de woningvoorraad tussen gemeenten.Een percentage van 30 procent sociale huur in de bestaande woning-voorraad had ook als ijkpunt kunnen worden gekozen, maar in dat gevalhadden minder gemeenten verplicht 40 procent voor middeninkomensmoeten programmeren en dat vind ik onwenselijk. Ik merk daarbij op datde keuze voor dit ijkpunt voor de gemeentelijke instructieregels niet vaninvloed is op hoeveel sociale huur er in een regio in totaal moet wordengebouwd: namelijk 30 procent van de totale regionale, provinciale enlandelijke woningbouwopgave. De gemeentelijke instructieregels zijnenkel van invloed op de verdeling tussen gemeenten om dit regionaledoel te realiseren. De instructieregels staan gemeenten die meer socialehuur willen bouwen dan ze op basis van de instructieregels moeten niet inde weg. Daarbij kijk ik wel naar de mogelijkheid om via financiëleregelingen bovenmatige betaalbaarheidseisen – dus een hogere betaal-baarheidsprogrammering dan nodig om de regionale doelen te realiseren– te ontmoedigen.2.2 Uitwerking van het wetsvoorstel langs drie pijlers 2.2.1 Regie op aantallen woningen en locaties (I) Vraag 26De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat het wettelijkinstrumentarium nog niet optimaal benut wordt door de Wet versterkingregie volkshuisvesting. Ziet de regering eveneens nog sturingsmogelijk-heden die niet worden benut, bijvoorbeeld sturen om betaalbarewoningen éérst te bouwen, in plaats van als sluitstuk van projecten, zoalsnu veelal gebeurt? Hoe kijkt de regering tegen actief grondbeleid aan, eenbelangrijke route die nu niet wordt bewandeld? Hoe kan wordenopgetreden of gestuurd als grondprijzen betaalbare woningbouw juistfrustreren? Wanneer komen de uitwerkingen van de planbatenheffing ende grondbank naar de Kamer en hoe verhouden deze instrumenten zichtot de bouwdoelen in de Wet versterking regie volkshuisvesting? Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2017 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen mijn mening overadditionele sturingsinstrumenten voor het realiseren van betaalbarewoningbouw, en de evenwichtige jaarlijkse programmering vanbetaalbare woningen. Via de monitoring en bestuurlijk overleg zal iksamen met de provincies periodiek toezien op de voortgang van deprogrammering en bouw van betaalbare woningen. Onderdeel daarvan isook dat gemeenten in de plancapaciteit voorzien in voldoende locatiesvoor betaalbare woningen. Via de CBS-cijfers is er ook zicht op dejaarlijkse realisatie van het aantal betaalbare woningen (zie ook hetantwoord op vraag 7). Een gemeente die deze betaalbare woningen alleenprogrammeert en realiseert aan het einde van de afgesproken periode kandeze doelen nooit realiseren. Dit is dan aanleiding om dit bestuurlijk tebespreken en waar nodig te interveniëren. Ik ben daarnaast voornemensom de Realisatiestimulans zo in te richten dat gemeenten een bijdrageontvangen per jaar per betaalbare woning.Actief grondbeleid kan in sommige gevallen positief bijdragen aan dewoningbouw en het realiseren van betaalbare woningbouw vergemakke-lijken. Ik wil dat gemeenten strategisch grondbeleid kunnen voerenwanneer zij nieuwe woningbouwplannen ontwikkelen waarbij proactiefook wordt gekeken naar het grondeigendom. Om gemeenten te helpenhierbij werk ik momenteel aan een «Rijksgrondfaciliteit» waarbij het Rijkmeedeelt in het verlies of winst als gevolg van actief grondbeleid. Ikverwacht u voor de zomer de contouren van deze regeling te kunnenschetsen.Vraag 27De leden van de VVD-fractie kunnen de lijn om de beroep- en bezwaarpro-cedure te verkorten goed volgen. Wel vragen deze leden zich af of de Raadvan State voldoende toegerust is op een toename van het aantal zaken, nuzaken sneller bij deze instantie terecht zullen komen. Kan hier nader opingegaan worden door de regering?Voor dit antwoord verwijs ik naar het antwoord op vraag 23 van de ledenvan de SGP-fractie, waarin wordt aangegeven dat de verwachte toenamevan het aantal zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar isen de Afdeling bestuursrechtspraak met ingang van 1 juli 2024, vooruit-lopend op de aanwijzing in het ontwerpbesluit, zaken over woningbouw-projecten van twaalf of meer woningen al met voorrang behandelt.Vraag 28De leden van de BBB-fractie vinden het belangrijk dat er een gelijkeontwikkeling van zowel stedelijke als landelijke gebieden plaatsvindt. Kande regering toelichten welke specifieke maatregelen worden getroffen omde leefbaarheid en het karakter van dorpen en kleine kernen te behouden?Ik deel met de leden van de BBB-fractie de wens dat de regels zoals we dielandelijk stellen zowel ten goede komen aan de ontwikkeling vanlandelijke gebieden, als van stedelijke gebieden. Zowel in landelijke als instedelijke gebieden is er behoefte aan meer betaalbare woningen enversnelling van procedures om die te bereiken. Dat is de kern van ditwetsvoorstel. Daarbij zitten er in het wetsvoorstel maatregelen die dorpenen kleine kernen meer ruimte bieden om betaalbare woningen te bouwen.Zo helpt het uitzetten van de Ladder voor duurzame verstedelijking ommakkelijk «een straatje erbij» te bouwen, en zorgt het vergunningvrijmaken van mantelzorg- en familiewoningen vooral in landelijke gebiedenvoor meer mogelijkheden om familieleden op het eigen erf vanwoonruimte te voorzien. Daarnaast zullen de financiële regelingen van hetRijk bijdragen aan de vitaliteit van dorpen en kleine kernen met eenopslag voor «elke regio telt» gebieden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2018 Vraag 29De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de volgende syste-matiek correct is: met de Wet regie volkshuisvesting geldt dat opnationaal, provinciaal en regionaal niveau twee derde van de nieuwbouw-woningen betaalbaar moet zijn en 30 procent sociale huur. Op gemeen-teniveau geldt de eis van twee derde betaalbare woningen niet, maarkrijgen gemeenten wel één specifieke opdracht: 40 procent middenhuur/betaalbare koop of 30 procent sociale huur. Daarnaast dienen gemeentenmet elkaar in overleg te treden om op regionaal niveau alsnog de normvan twee derde betaalbaar en 30 procent sociaal te realiseren. Zijn dezepercentages op nationaal, provinciaal en regionaal niveau, evenals deopdrachten voor gemeenten, zowel het minimale als het maximalepercentage?De leden van de CDA-fractie hebben de regeling beschreven zoals hetkabinet het beoogt te regelen in het ontwerpbesluit. De instructieregelsover betaalbaar bouwen zijn daarbij voor de gemeenten geen maximum.Gemeenten mogen meer dan 40 procent bouwen voor middeninkomensen meer dan 30 procent sociale huur, en mogen opgeteld meer dan tweederde betaalbare woningen realiseren. Omdat alle gemeenten bijdragenaan de realisatie van betaalbare woningen zal dit niet altijd nodig zijn omop regionaal niveau de betaalbaarheidsdoelen te realiseren. Het isdaarnaast van belang dat gemeenten bij een programmering van meerdan twee derde betaalbare woningen flankerend beleid voeren zodat deprojecten financieel uitvoerbaar blijven.Vraag 30De leden van de CDA-fractie de regering hoe geborgd wordt dat in elkeregio twee derde van de nieuwbouw betaalbaar is en 30 procent socialehuur betreft. In de meest recente versie van het Ontwerpbesluitversterking regie volkshuisvesting (consultatieversie) wordt op pagina 34vermeld dat de provincie verantwoordelijk is voor de afbakening van dewoningbouwregio’s waarin de betaalbaarheidsafspraken moeten wordengemaakt. Kan de regering toelichten welke instrumenten de provincieheeft om deze afbakening vast te stellen? Kan een individuele gemeentebesluiten om zich terug te trekken uit een woningbouwregio?De provincie legt in de omgevingsverordening vast welke gemeentensamen een woningbouwregio vormen. Een gemeente kan zich hier dusniet aan onttrekken. Daarnaast volgen de instructieregels voor gemeentenover betaalbaar programmeren uit het ontwerpbesluit en zijn ze dus ookvan toepassing als er nog geen woningbouwregio is vastgelegd. Met hetvastleggen van de woningbouwregio is het voor iedereen helder welkegemeenten samen twee derde betaalbare woningen en 30 procent socialehuurwoningen moeten programmeren in de woningbouwregio. Bij desamenstelling van de woningbouwregio kan worden aangesloten bijbestaande woondealregio’s wanneer dat in de praktijk goed werkt.Uitgangspunt is dat gemeenten in goed overleg onder regie van deprovincie afspraken maken over de onderlinge verdeling om regionaalbovengenoemde doelstelling te realiseren. Wanneer bestuurlijk overlegniet of niet tijdig tot een verdeling leidt, kan de provincie of het Rijk viainstructieregels of instructies de betaalbaarheidsprogrammeringvoorschrijven aan een gemeente binnen de kaders van dit besluit.Vraag 31De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering welke rol deprovincie precies krijgen toebedeeld in dit wetsvoorstel bij het toevoegenvan twee derde betaalbare woningen op regioniveau.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2019 De rol van de provincies in het realiseren van meer regie op betaalbaarbouwen is cruciaal. Provincies moeten allereerst zelf in hun volkshuisves-tingsprogramma maatregelen treffen gericht op de programmering vantwee derde betaalbare woningen en 30 procent sociale huurwoningen.Onderdeel daarvan is dat onder hun regie afspraken worden gemaakttussen gemeenten in een regio over het aantal te bouwen woningen enhet aantal te realiseren betaalbare woningen per gemeente. Bij het makenvan afspraken tussen gemeenten, zullen gemeenten uit moeten gaan vande instructieregels die voor gemeenten en provincies gelden. Wanneer deafspraken gemaakt zijn moeten deze door gemeenten worden vastgelegdin hun volkshuisvestingsprogramma en daarin te treffen maatregelenopnemen. Provincies moeten erop toezien dat dit in lijn met de afsprakengebeurt, en hebben ook de mogelijkheid om op basis hiervan in hetuiterste geval in te grijpen als gemeenten zich niet houden aan hunvolkshuisvestingsprogramma en de regionale afspraken voor betaalbaarbouwen.Vraag 32De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar de stand van zakenrondom de programma’s onder het Nationaal Programma RuimtelijkeOrdening en de provinciale ruimtelijke arrangementen, en de samenhangmet dit wetsvoorstel.In het ontwerp van de Nota Ruimte – de nationale omgevingsvisie waarinhet rijksbeleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening wordt vormge-geven – zal ook het onderwerp volkshuisvesting aan bod komen. Op basisvan het wetsvoorstel wordt in de omgevingsvisies van alle drie debestuurslagen (gemeenten, provincies en Rijk), als onderdeel van hetbeleid voor de fysieke leefomgeving, aandacht geschonken aan de staatvan de volkshuisvesting en het te voeren volkshuisvestingsbeleid ophoofdlijnen. Het volkshuisvestingsprogramma van het Rijk dient mede teruitvoering van de Nota Ruimte. In de volkshuisvestingsprogramma’s moetonder andere expliciet worden beschreven hoe het beleid ter verwezen-lijking van de woningbouwopgave en de ontwikkeling van de bestaandevoorraad ertoe leidt dat de woningbouwopgave evenwichtig wordtverdeeld over gemeenten in iedere regio. Het volkshuisvestingspro-gramma dient er ook toe bij te dragen dat alle gemeenten eenevenwichtige bijdrage leveren bij het bieden van meer mogelijkheden vanmiddeninkomens en de huisvesting van ouderen en mensen uit deverschillende aandachtsgroepen.In het kader van het programma NOVEX hebben de provincies ruimtelijkevoorstellen opgeleverd waarin zij invulling geven aan de ruimtelijkeopgaven binnen hun provincies. Nu werken we, in het kader van deruimtelijke arrangementen, met hen toe naar bestuurlijke afsprakenhierover. Het streven is om de ruimtelijke arrangementen na de zomervast te stellen. Het maken van de Nota Ruimte en de ruimtelijke arrange-menten is een parallel proces. De ruimtelijke arrangementen moeten eenbrug vormen tussen het beleid van Rijk en provincies binnen de ruimte-lijke ordening om zo sneller tot uitvoering te komen.Daarnaast hebben we, samen met de betrokken provincies, gemeenten enandere partijen, voor de meeste NOVEX-gebieden ontwikkelperspectievenopgesteld, waarin invulling wordt gegeven aan de specifieke ruimtelijkeopgaven in die gebieden.Vraag 33De leden van de CDA-fractie vragen de regering welke haakjes er in ditwetsvoorstel zitten over hoe Defensie-infrastructuurprojecten kunnenbijdragen aan de ontsluiting van nieuwe woongebiedenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2020 De leden van de CDA-fractie vragen of het wetsvoorstel een haakje bevatwaardoor Defensie-infrastructuurprojecten kunnen bijdragen aan deontsluiting van nieuwe woongebieden. Van een dergelijk haakje is geensprake in het wetsvoorstel. In het kader van de Nota Ruimte werken wesamen integraal aan het maken van de ruimtelijke keuzes. Door deveranderende geopolitieke situatie wordt er volop geïnvesteerd inDefensie. Met het groeien van de krijgsmacht groeit namelijk ook debehoefte aan ruimte in Nederland. Dan gaat het onder meer om ruimtebe-hoeften zoals laagvlieggebieden voor helikopters, een kazerne, locatiesvoor munitieopslag en uitbreiding van oefenterreinen. Daar waar ersprake is van meekoppelkansen worden deze integraal afgewogen insamenhang met andere ruimtelijke opgaven, zoals bijvoorbeeld woning-bouwopgaven, economische opgaven of natuuropgaven. Het Ministerievan Defensie werkt daarom aan een Nationaal Programma Ruimte voorDefensie. Er zijn ook Rijksmiddelen beschikbaar gesteld voor deontsluiting van nieuwe woonwijken. Het huidige kabinet investeert2,5 miljard euro in infrastructuur ten behoeve van woningbouwlocaties.9Dit is bovenop de 7,5 miljard euro die in het voorgaande kabinet isverdeeld.102.2.2 Regie op betaalbaarheid en evenwichtige verdeling vanwoningen (II) Vraag 34De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 3 van de Kamerbrief bij detweede nota van wijziging dat gemeenten een verplichting krijgen omofwel verplicht 40 procent van de te realiseren woningen te program-meren in het middensegment, dan wel 30 procent sociale huur teprogrammeren. Deze leden vragen de regering op welke manier welwil-lende gemeenten die om redenen buiten hen om en ondanks albeschikbare ondersteuning, niet in staat blijken te zijn de voor hengeldende instructieregel (40 procent middensegment of 30 procent socialehuur) te realiseren (aanvullend) worden ondersteund. Daarnaast vragen zijaan de regering een toelichting onder welke voorwaarden gemeentenmogen afwijken van de betaalbaarheidseis (bijvoorbeeld vanwegefinanciële haalbaarheid, de aankoopsom van grond of vastgoed etcetera). Het vorige kabinet heeft meer dan 10 miljard euro in (bereikbare)woningbouw gestoken en dit kabinet heeft inclusief infrastructuur nogeens 7,5 miljard euro beschikbaar gesteld. Met marktpartijen en mede-overheden is in aanloop naar de Woontop een analyse gemaakt van definanciële haalbaarheid van de woningbouwopgave met als conclusie datde komende vijf jaar voldoende middelen beschikbaar zijn om dewoningbouwopgave te realiseren. Ondertussen ga ik met de Woontop-partners in gesprek hoe we de financiële gevolgen van knelpunten zoalsstikstof en netcongestie kunnen beheersen en/of verkleinen. En ik kijk naarde financiële haalbaarheid van de woningbouw na de komende vijf jaar.Naast de inzet van rijksmiddelen zet ik daarvoor ook in op moderniseringvan het grondbeleid, waardoor woningbouwontwikkeling financieel meerhaalbaar wordt. Daarnaast zal ook duidelijkheid over de programmeringvan twee derde betaalbare woningen bijdragen aan lagere grondprijzen.Met het programma STOER zet ik daarnaast in op het verlagen van dekosten voor het bouwen van een woning, wat ook de financiële uitvoer-baarheid verbetert. Gemeenten hebben zelf ook invloed op de financiëlehaalbaarheid. Het gaat dan bijvoorbeeld over locatiekeuze en ambitiesvoor groen, voorzieningen, parkeeroplossingen én het woonprogramma.9Kamerstukken II, 2024/25, 32 847, nr. 1208.10Kamerstukken II, 2022/23, 36 200 A, nr. 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2021 Omdat betaalbaar bouwen dus nodig is én ook financieel haalbaar is, benik voornemens in het ontwerpbesluit te regelen dat een ontheffing alleenkan worden verleend om redenen van volkshuisvestelijke aard en niet omredenen van financiële aard.Vraag 35De leden van de PVV-fractie vragen tot slot aan de regering hoe kanworden voorkomen dat door de Wet versterking regie volkshuisvestinggemeenten sneller voor betaalbare koop gaan dan voor middenhuurwo-ningen, omdat eerstgenoemde groep woningen mogelijk financieel beterrond te krijgen is, waardoor het segment middenhuur achterop kan raken.Wordt dit gemonitord?De leden van de PVV-fractie vragen of kan worden voorkomen datgemeenten sneller kiezen voor betaalbare koop dan voor middenhuur. Inontwerpbesluit wordt niet specifiek gestuurd op de verdeling tussen hetaantal betaalbare koopwoningen of het aantal middenhuurwoningenbinnen het middensegment. In de doelen voor de woningbouwprogram-mering gelden op nationaal niveau geen harde doelstellingen voor deverdeling tussen beide categorieën. De verdeling tussen koop- enhuurwoningen moet vooral goed aansluiten bij wat er lokaal en regionaalnodig is. Dat kan dus ook inhouden dat er lokaal meer betaalbarekoopwoningen worden gebouwd, wanneer dat aansluit bij de behoefte.Gemeenten moeten deze behoefte in kaart brengen in hun volkshuisves-tingsprogramma en de programmering daar op afstemmen. Dat gezegdhebbende, vind ik het net als de leden van de PVV-fractie van belang dater voldoende middenhuur wordt gerealiseerd en in de voorraad blijft.Daar let ik in het kader van de monitoring van de Wet betaalbare huur ooknadrukkelijk op. Ik wijs daarvoor op mijn brief van 10 april 202511.Binnen de Landelijke monitor voortgang woningbouw, de gezamenlijkemonitor van Rijk, IPO en VNG, worden de betaalbaarheidscategorieën vande woningbouwplannen gemonitord. De laatste rapportage plancapaciteit,op basis van deze monitor, geeft aan dat het aandeel geplande midden-huurwoningen in het totaal aantal woningen (waarvan de betaalbaarheidbekend is) 16 procent bedraagt terwijl het aandeel betaalbare koopwo-ningen 18 procent is. Van een groot verschil tussen beide categorieën isderhalve geen sprake.Vraag 36De leden van de D66-fractie vinden dat overal in Nederland zicht op eenbetaalbare woning vanzelfsprekend zou moeten zijn. Daarom is het vanbelang dat alle gemeenten een bijdrage leveren aan het bouwen vanvoldoende betaalbare woningen. Deze leden constateren dat gemeentenontheven kunnen worden van de opdracht om 30 procent sociale huur tebouwen of 40 procent in het middensegment als dat niet passend is enniet nodig om regionaal en provinciaal de doelen te behalen. Kan deregering toelichten voor welke specifieke situaties deze bepaling eenuitkomst gaat zijn? Zou niet iedere gemeente een bijdrage moeten leverenaan de opgave om betaalbare woningbouw te realiseren? Hoe voorkomtde regering het risico dat gemeenten geen bijdrage leveren vanwege dezebepaling, terwijl de acties van andere gemeenten om op regionaal ofprovinciaal niveau de doelen te halen, uiteindelijk tekort blijken teschieten? Welke criteria hanteert de regering om te bepalen dat zo’nbesluit voldoende overlegd, afgestemd en onderbouwd is? Wordt dan ookde mogelijkheid geboden om bijvoorbeeld tot 0 procent sociale huur of0 procent middeldure woningen af te wijken op grond van deze bepaling?11Kamerstukken II 2025/24, 36 496, nr. 74.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2022 Het kabinet heeft als doelstelling dat mensen met een laag en middenin-komen overal in de regio en in Nederland kans moeten maken op eenbetaalbare woning. Alle gemeenten moeten daaraan bijdragen, ookgemeenten met een ontheffing. Op de volgende manieren zal ook met deontheffing voorzien worden in een aantal waarborgen om dit te realiseren:–De ontheffing wordt gepositioneerd als uitzondering op de hoofdregel.Dat komt in het ontwerpbesluit tot uitdrukking doordat ontheffingalleen kan worden verleend via een ontheffingsbesluit van deprovincie of van mij. Ook kan de provincie bij omgevingsverordeningde betaalbaarheidspercentages per gemeente naar beneden bijstellenmet een instructieregel op het gemeentelijk volkshuisvestingspro-gramma.–De ontheffing aan een gemeente kan alleen worden verleend als debetaalbaarheidspercentages aantoonbaar niet passend zijn bij dewoningmarkt in een gemeente vanwege een reden van volkshuisveste-lijke aard en niet om andere redenen. De ontheffing aan een gemeentekan alleen worden verleend als de betaalbaarheidspercentagesaantoonbaar niet passend zijn bij de woningmarkt in een gemeentevanwege een reden van volkshuisvestelijke aard en niet om andereredenen. Bijvoorbeeld omdat de wachtlijsten voor sociale huurwonin-gen in een gemeente of regio kort zijn.–De motivering van de onderbouwing wordt beoordeeld door gedepu-teerde staten of door mij. De onderbouwing moet deugdelijk zijn, opwelke wijze een onderbouwing wordt gegeven wil ik niet op voorhandvastleggen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het in een gemeentepassend is om geen enkele betaalbare woning te realiseren. Allegemeenten moeten namelijk ook bijdragen aan de huisvesting vanurgent woningzoekenden. Die opdracht brengt met zich mee dat er iniedere gemeente behoefte zal zijn aan de bouw van sociale huurwonin-gen.–Een voorwaarde om tot de ontheffing of afwijking bij provincialeinstructieregels te komen is dat op regionaal niveau het doel van tweederde betaalbaar bouwen en 30 procent sociale huur nog steedsgerealiseerd wordt.Vraag 37De leden van de D66-fractie vragen zich tevens af waarom de regeringervoor heeft gekozen om het landelijk gemiddelde sociale huur alsomslagpunt te hanteren? Waarom heeft de regering niet gekozen voor30 procent, aangezien in de nota «Een thuis voor iedereen» nog30 procent sociale huur in heel Nederland als doelstelling werd gesteld?Dit is volgens deze leden een veel duidelijker en beter handhaafbaar doeldan het landelijk gemiddelde dat constant in beweging is. Op welkmoment moet het aandeel sociale huur onder of boven het landelijkgemiddelde liggen? Aan het begin of aan het eind van het volkshuisves-tingprogramma? En welk effect heeft het op de opgave als dit veranderttijdens de loop van het programma? Wat gebeurt er bijvoorbeeld als ineen gemeente in korte tijd veel particuliere sociale woningen verkochtworden en op die manier de gemeente ver onder het landelijk gemiddeldekomt te liggen? Wordt de gemeente dan alsnog alleen opgedragen40 procent middeldure woningen te bouwen terwijl er eigenlijk een groteopgave is om het been bij te trekken op sociale huur?Voor de vragen waarom is gekozen voor het landelijk gemiddelde aandeelsociale huurwoningen als ijkpunt voor de gemeentelijke instructieregels,verwijs ik naar mijn antwoord op een vraag van de leden van de SP-fractiemet dezelfde strekking (vraag 25). Daarbij vind ik het belangrijk teverduidelijken dat er geen doelstelling is voor het realiseren van eenbepaald aandeel sociale huur in de voorraad van een gemeente: dit isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2023 slechts het ijkpunt om te bepalen welke instructieregel voor een gemeentevan toepassing is.Ik ben voornemens te regelen dat de betaalbaarheidsprogrammering vooreen gemeente – die afhangt van het aandeel sociale huurwoningen in devoorraad van die gemeente – voor een bepaalde periode ongewijzigdblijft. Voor de uitvoeringspraktijk is het immers belangrijk dat het voorgemeenten voor een langere periode duidelijk is wat het aandeel teprogrammeren betaalbare woningen is. De gedachte is om daarbij aan tesluiten bij de periode waarover afspraken worden gemaakt over het aantalte realiseren woningen per gemeente, namelijk voor een periode van tienjaar.Ik houd zicht op de voortgang zodat de realisatie van de betaalbaarheids-doelen niet steeds vooruit geschoven kan worden. Via de landelijkemonitoring heb ik in beeld of een gemeente in de plancapaciteitvoldoende voorziet in betaalbare woningen. Hierover rapporteer ikhalfjaarlijks. Via de CBS cijfers hou ik zicht of de geprogrammeerdewoningen ook worden gerealiseerd.Vraag 38De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen dathet streven naar een percentage betaalbare woningen in de praktijk eenschuifmechanisme wordt.Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat gemeenten deinstructieregels voor betaalbare woningen kunnen omzeilen.Via de Landelijke monitor voortgang woningbouw, waarover ik halfjaar-lijks rapporteer, en de CBS cijfers over de realisatie zie ik samen met deprovincies periodiek toe op de voortgang van de programmering vanbetaalbare woningen. Ik ben daarnaast voornemens om de Realisatiesti-mulans zo in te richten dat gemeenten over de periode 2025 tot en met2029 per jaar een bijdrage ontvangen per betaalbare woning. Daarmeestuur ik additioneel aan dit wetsvoorstel via een financiële regeling op debouw van betaalbare woningen. Wanneer gemeenten onvoldoendevoortgang laten zien in het programmeren of realiseren van betaalbarewoningen zal ik dit allereerst bestuurlijk aankaarten. Waar nodig kan deprovincie of kan ik instrumenten inzetten zoals een instructiebesluitgericht op het volkshuisvestingsprogramma of een omgevingsplan.Vraag 39De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat denieuwbouwopgave van twee derde betaalbare woningen, waarvan30 procent sociale huur, daadwerkelijk wordt gerealiseerd op nationaal,provinciaal en regionaal niveau. Over welke periode wordt deze opgavebepaald en welke data worden hiervoor gebruikt?Hierin zal allereerst worden voorzien doordat voor provincies en het Rijkgeldt dat in iedere regio twee derde betaalbare woningen wordengeprogrammeerd, en 30 procent sociale huurwoningen. Via de Landelijkemonitor voortgang woningbouw, waarover ik halfjaarlijks rapporteer, ende CBS cijfers over de realisatie zie ik samen met de provincies periodiektoe op de voortgang van deze doelstelling. Voor de periode waarover dezeopgave wordt bepaald verwijs ik naar het antwoord op vraag 37.Vraag 40Zij vrezen dat betaalbare woningen in de planning naar achteren wordengeschoven, waardoor er uiteindelijk te weinig worden gerealiseerd. In deNationale Prestatieafspraken 2025–2035 is afgesproken dat realisatie-plannen in jaarschijven worden uitgewerkt. Hoe wordt dit in de WetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2024 versterking regie volkshuisvesting geborgd? Is de regering bereid vast teleggen hoeveel betaalbare woningen, inclusief sociale huur, in de eerstejaren van de realisatie moeten worden gebouwd? Uit welke bron wordt denieuwbouwopgave afgeleid: de Woondeal, het volkshuisvestingspro-gramma of de publiek private monitor?Met het voorgenomen ontwerpbesluit geeft het kabinet duidelijke kadersten aanzien van het aandeel betaalbare woningen ten opzichte van hetaantal te realiseren woningen. Kabinetsdoelstelling is dat er100.000 woningen per jaar worden gerealiseerd. Ik maak samen met deprovincies afspraken over de verdeling van dit aantal over de provinciesen over de woningbouwregio’s. In het maken van deze verdeling spelende huidige woningtekorten per regio en de te verwachten huishoudgroeiper regio, zoals die blijken uit de Primos prognose van ABF Research, eenbelangrijke rol. Provincies maken vervolgens met de gemeentenafspraken over het aantal te bouwen woningen per gemeente. Om tezorgen voor voldoende continuïteit in het aantal beschikbare locatiesworden deze afspraken gemaakt voor een periode van tien jaar, waarbijeens in de drie jaar deze afspraken worden geactualiseerd. Ik benvoornemens te regelen dat het aandeel betaalbare woningen en hetaandeel sociale huurwoningen ook wordt berekend over deze periode vantien jaar. De Nationale prestatieafspraken sluiten hierbij aan.2.2.3 Verstevigen van lokale prestatieafspraken (III) Vraag 41De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen datvergunningvrij bouwen leidt tot een oncontroleerbare toename vanbijgebouwen en verslechtering van de woonkwaliteit en veiligheid. Dezeleden vragen de regering welke risico’s er zijn dat vergunningvrij bouwenleidt tot grotere scheefheid en kansenongelijkheid in woningtoewijzing. Het bouwen en gebruiken van bijbehorende bouwwerken voormantelzorg- en familiewoningen is vergunningvrij als wordt voldaan aaneen aantal voorwaarden. Ik wil zoveel mogelijk materieel aansluiten bij devoorwaarden die voor 1 januari 2024 golden op grond van het voormaligeBesluit omgevingsrecht en nu met de zogenoemde Bruidsschat zijnopgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Zo bezien zou deregeling niet voorzien in bouwmogelijkheden die eerder niet bestonden,en zal er slechts sprake zijn van het terughalen van de regeling naarrijksniveau. Voorheen was geen sprake van een regeling die leidde tot eenoncontroleerbare toename van bijgebouwen.Wat betreft de kwaliteit en veiligheid geldt dat deze regeling niet voorzietin een versoepeling van de regels; bijbehorende bouwwerken zullen altijdmoeten voldoen aan de eisen die het Besluit bouwwerken leefomgevingdaaraan stelt. Een van de voorwaarden ziet op maximale oppervlakte vande mantelzorg- of familiewoningen, zoals ik in mijn antwoord op vraag 20van de SGP-fractie heb toegelicht. Met deze oppervlaktelimiet wordtvoorkomen dat zonder vergunning voor de omgevingsplanactiviteit eenachtererf bij een woning helemaal volgebouwd kan worden. Bij demaximale oppervlakte moet rekening worden gehouden met anderebijbehorende bouwwerken (aanbouwen/uitbouwen of bijgebouwen) dieop het achtererf aanwezig zijn. Met deze voorwaarde kan een ongecontro-leerde toename van woningen worden voorkomen.Bij mantelzorg- en familiewoningen gaat het om bijbehorendebouwwerken op het achtererf bij een woning. Er moet sprake zijn van eenmantelzorgrelatie dan wel een familierelatie tussen degene(n) die woontin de woning en de degene(n) die in de mantelzorg- of familiewoningwoont of wonen. Mantelzorg- en familiewoningen vallen niet binnen hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2025 systeem van woningtoewijzing, zodat niet hoeft te worden gevreesd voorgrotere scheefheid en kansenongelijkheid in woningtoewijzing.Vraag 42De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe gemeenten moetenaantonen welke particuliere sociale huurwoningen meetellen als socialehuurvoorraad naast de diensten van algemeen economisch belang(DAEB)-voorraad. Hoe wordt deze validatie uitgevoerd door het Rijk en deprovincie?In het ontwerpbesluit wordt geregeld dat het percentage sociale huurwo-ningen of woningen in het middensegment die een gemeente verplichtmoet realiseren afhangt van het aandeel woningen in de socialehuurvoorraad in die gemeente ten opzichte van het landelijke gemiddeldesociale huurwoningen.Ik ben voornemens om te bepalen dat voor het landelijke gemiddelde vande voorraad sociale huurwoningen en de gemeentelijke voorraad, nainwerkingtreding in eerste instantie alleen de DAEB voorraad in beheer bijcorporaties meetelt. De reden is dat de huidige particuliere voorraadsociale woningen meestal nog niet zal voldoen aan alle eisen die hetontwerpbesluit stelt aan sociale huurwoningen in beheer bij particulieren.Zo geldt voor deze particuliere sociale huurwoningen het vereiste dat deze– via een vergunningplicht in de huisvestingsverordening – bij mutatiebeschikbaar moet zijn voor huishoudens in de DAEB-inkomensgroep. Ditzal in de meeste gevallen nog niet geregeld zijn. Daarnaast zijn ermomenteel beperkt gegevens hierover beschikbaar.Particuliere sociale huurwoningen die na inwerkingtreding wordentoegevoegd door nieuwbouw of doordat gemeenten besluiten deze onderde huisvestingsverordening te brengen zullen naar verwachting welvoldoen aan de bovengenoemde eisen. Dat zal overigens niet onmiddellijkleiden tot wijziging van de opdracht voor de gemeente. Ik ben namelijkvoornemens te regelen dat deze gemeentelijke opdracht voor eenbepaalde periode ongewijzigd blijft. Dat is belangrijk voor de uitvoerings-praktijk waarbij bestuurlijke afspraken worden gemaakt over een langeretermijn op basis waarvan gemeenten vervolgens het aantal betaalbarewoningen programmeren voor een langere termijn. Daarbij wil ikaansluiten bij de termijn van tien jaar waarover bestuurlijke afsprakenworden gemaakt over het aantal te bouwen woningen per gemeente.In de uitvoering zal vervolgens worden gekeken of gemeenten ookvoldoende sociale huurwoningen realiseren. Voor de realisatie zal daarbijook door Rijk en provincie worden uitgegaan van alleen het aantalgerealiseerde sociale corporatiewoningen. Een gemeente kan er voorkiezen om daarnaast voor de realisatie ook nieuw toegevoegde particu-liere huurwoningen mee te laten tellen als gerealiseerde socialehuurwoning. Hiervoor moet een gemeente de volgende elementenaantonen van haar gebouwde woningen in de particuliere sociale huur:1.de aanvangshuurprijs moet onder de huurtoeslaggrens zijn,2.gewaarborgd is dat bij aanvang/mutatie wordt verhuurd aan huurdersmet een inkomen onder de DAEB-inkomensgrens. Gemeenten kunnendit aantonen dat dit is geregeld via een huisvestingsverordening.3.de instandhouding als sociale huurwoning is minimaal 25 jaarverzekerd. Gemeenten kunnen aantonen dat zij dit hebben geborgd viaregels in het omgevingsplan (voor een ieder raadpleegbaar in hetDSO) of via privaatrechtelijke regelingen.Na inwerkingtreding zullen er dus particuliere sociale huurwoningen viarealisatie worden toegevoegd die wel voldoen aan alle eisen. Daarnaastkan de sociale huurvoorraad op landelijk niveau en in een gemeentetoenemen doordat bestaande woningen onder de huisvestingsveror-dening worden gebracht. Deze nieuw gerealiseerde en bestaandeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2026 particuliere huurwoningen kunnen bij de eerstvolgende periode van tienjaar wel meetellen voor het landelijke gemiddelde en de bestaandegemeentelijke voorraad. Via een periodieke en specifieke uitvraag vanhuisvestingsverordeningen kan inzichtelijk worden in hoeverregemeenten gebruik maken van de mogelijkheid om particuliere huur aanhuishoudens met een inkomen tot de DAEB-grens toe te wijzen.Momenteel wordt er, als onderdeel van het IBO Huursector, een onderzoekuitgevoerd naar huisvestingsverordeningen en de mate van woonruimte-verdeling. Hierin zal ook worden meegenomen in hoeverre particulierehuur wordt toegewezen via huisvestingsverordeningen.3. Wijzigingen van wetgeving ten behoeve van regie op devolkshuisvesting 3.1 Wijzigingen in de Omgevingswet Vraag 43De leden van de SP-fractie vragen wat de definitie van een socialehuurwoning zal zijn in het besluit. Hoe wordt bepaald of particulieresociale huur meetelt? Welke instrumenten krijgen gemeenten om dezewoningen in hun volkshuisvestingsprogramma op te nemen?Iedere sociale huurwoning die in beheer is bij een woningcorporatie teltvoor de betaalbaarheidsprogrammering mee als sociale huurwoning.Daarnaast tellen ook andere sociale huurwoningen mee als deze voldoenaan gelijke waarborgen:–De aanvangshuurprijs is onder het maximum van een socialehuurwoning c.q. de huurtoeslaggrens;–De woning wordt (bij mutatie) gehuurd door iemand uit de DAEB-inkomensgroep als bedoeld in de Woningwet; en–bij nieuwbouw is de verzekerde instandhoudingtermijn als socialehuurwoning minimaal 25 jaar. Gemeenten kunnen aantonen kunnenaantonen dat zij dit hebben geborgd via regels in het omgevingsplan(voor een ieder raadpleegbaar in het DSO) of via privaatrechtelijkeregelingen.Vraag 44Deze leden willen weten wat de huidige verdeling is van sociale huurwo-ningen tussen woningcorporaties en particuliere aanbieders. Daarnaastvragen zij hoeveel sociale huurwoningen van particuliere verhuurdersvoldoen aan de definitie die wordt gehanteerd in het wetsvoorstel.De huidige particuliere voorraad sociale woningen zal naar verwachtingmeestal nog niet voldoen aan alle eisen die het ontwerpbesluit stelt aansociale huurwoningen in beheer bij particulieren. Zo geldt voor dezewoningen het vereiste dat deze – via een vergunningplicht in de huisves-tingsverordening – bij mutatie beschikbaar moeten zijn voor huishoudensin de DAEB-inkomensgroep. Het is nog niet inzichtelijk welke particulierehuurwoningen daaraan voldoen. Om die reden zijn er beperkt gegevensbeschikbaar over de verdeling tussen sociale huurwoningen bij corpo-raties en bij particuliere verhuurders en of particuliere sociale huurwo-ningen voldoen aan alle onderdelen van de definitie (zie ook het antwoordop vraag 42). Ik verwijs verder voor het antwoord ook naar de Basistabelin mijn antwoord op vraag 58.Vraag 45De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat met de Tweede nota vanwijziging het gemakkelijker wordt om het toepassingsbereik vanbestaande experimenten uit te breiden. In het licht van het vereenvou-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2027 digen van experimenten brengen deze leden de motie Grinwis enMeulenkamp (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 50) in herinnering. Zij vragen deregering of het eventueel nodig is de Omgevingswet aan te passen omeen experiment met een voortoets naar Duits model mogelijk te maken,en zo ja, welke wijziging dit dan behelst. Hoe verhoudt de planning vanhet wetgevingsproces zich tot het tijdspad van dit experiment dat op deWoontop afgesproken is?Op dit moment loopt een onderzoek naar het invoeren van een verlof-stelsel voor zaken die spelen op het terrein van het omgevingsrecht, zoalsaangekondigd in de kabinetsreactie op het advies «Met recht balanceren:juridisering in de leefomgeving» van de Raad voor de Leefomgeving(RLI).12 Daarbij wordt onderzocht hoe een verlofstelsel juridisch kanworden vormgegeven in het bestuursprocesrecht om rechtsbescher-mingsprocedures in omgevingsrechtelijke zaken te versnellen. Ook wordtonderzocht wat de mogelijke voor- en nadelen zijn ten opzichte vanandere alternatieven om het hoger beroep te beperken. De uitkomstenvan dit onderzoek worden eind mei 2025 verwacht.De planning is om voor de zomer 2025 te komen met een kabinetsvoorstelover het verlofstelsel. Dit tijdpad is conform de afspraak in de Woontopover het verlofstelsel. Indien een verlofstelsel wordt ingevoerd, dan vraagtdat onder meer om aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht opdiverse onderdelen.Vraag 46De leden van de ChristenUnie hebben grote en blijvende zorgen over demate waarin voorliggend voorstel de stokkende nieuwbouwopgave alsgevolg van grote aantallen beroepsprocedures gaat vlot trekken. Zijvragen de regering een cijfermatig overzicht te bieden van de ontwik-keling van het aantal beroepsprocedures tegen woningbouwprojecten bijde Raad van State in de afgelopen vijf jaar. Zij vragen de regering tebevestigen dat de gemiddelde doorlooptijd inmiddels is opgelopen tot20 maanden. Zij vragen de regering aan te geven wat het geschatte effectis van de voorgestelde maatregelen betreffende beroep bij de Raad vanState is. Zij vragen welke alternatieve maatregelen de regering heeftonderzocht om de doorlooptijd bij de Raad van State te bespoedigen, enwaarom zij daarvoor niet gekozen heeft. Zij vragen welke beleidsvoor-nemens de regering heeft als de doorlooptijd bij de Raad van State nietzal afnemen.De leden van de ChristenUnie-fractie geven aan grote zorgen te hebbenover de invloed van het wetsvoorstel op de stokkende nieuwbouwopgave.Zij vragen om een cijfermatig overzicht van de ontwikkeling van beroeps-procedures en inzicht in de gemiddelde ontwikkeling van de doorlooptijd.Ook vragen zij welke alternatieven de Minister heeft onderzocht om dedoorlooptijd bij de Raad van State te versnellen.Bij het aantal beroepsprocedures tegen woningbouwprojecten gaat hetzowel om beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State tegen bestemmingsplannen/omgevingsplannen (eventueel gecoördineerd met omgevingsvergun-ningen) alsook om hoger beroep tegen omgevingsvergunningen voorwoningbouwprojecten. De Afdeling bestuursrechtspraak maakt in haarjaarverslag geen onderscheid tussen woningbouwprojecten en andereomgevingsrechtelijke zaken. De Raad voor de rechtspraak maakt in zijnjaarverslag evenmin onderscheid in reguliere bestuurszaken.13 Wel12Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 289.13Hierbij gaat het om andere bestuursrechtelijke zaken dan vreemdeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2028 houden zowel de Afdeling bestuursrechtspraak als de rechtbanken degemiddelde doorlooptijden bij. Daarom kan ik op basis van debeschikbare gegevens geen cijfermatig overzicht bieden van de ontwik-keling van het aantal beroepsprocedures (zowel bestemmingsplannen/omgevingsplannen als omgevingsvergunningen) tegen woningbouwpro-jecten bij de Afdeling bestuursrechtspraak en de doorlooptijden daarvanin de afgelopen vijf jaar.Om toch een inschatting te kunnen maken van de te verwachten gevolgenvan de beoogde aanwijzing van het omgevingsplan en een aantalomgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten van twaalf of meerwoningen, heeft in het kader van het ontwerpbesluit heeft de Rijksuniver-siteit Groningen onderzoek verricht naar het aantal beroepsprocedurestegen omgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten bij recht-banken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tussende periode van juli 2018 tot en met juni 2023.14 Uit dit onderzoek volgt datde Afdeling bestuursrechtspraak in die periode in 314 zaken uitspraakheeft gedaan, waarvan 72 in de periode juli 2018–juni 2019, 67 in deperiode juli 2019–juni 2020, 67 in de periode juli 2020–juni 2021, 43 uit deperiode juli 2021–juni 2022 en 65 in de periode juli 2022–juni 2023.15 Uitdit onderzoek blijkt ook dat de gemiddelde doorlooptijd voor hogeberoepzaken over woningbouwprojecten bij de Afdeling bestuursrecht-spraak veertien maanden bedraagt.16De in het wetsvoorstel opgenomen versnelling van beroep in één instantiebij de Afdeling bestuursrechtspraak levert een potentiële versnelling vandertien maanden voor 30 procent van de zaken waarin in hoger beroeptegen een uitspraak van de rechtbank wordt gegaan. Daarnaast behandeltde Afdeling bestuursrechtspraak met ingang van 1 juli 2024 zaken overwoningbouwprojecten van twaalf of meer woningen met voorrang. Dezewerkwijze is door de Afdeling bestuursrechtspraak zelf ingesteld enaangekondigd in haar consultatiereactie op het ontwerpbesluit. Daarmeeloopt de Afdeling bestuursrechtspraak vooruit op de in het ontwerpbesluitaangekondigde aanwijzing van woningbouwprojecten van twaalf of meerwoningen. Deze nieuwe werkwijze zal een positief effect hebben op dedoorlooptijden van zaken over woningbouwprojecten van twaalf of meerwoningen.Bovendien wordt naast de aanwijzing van woningbouwprojecten vantwaalf of meer woningen waarop de procedurele versnellingen vantoepassing zijn, ingezet op tal van andere versnellingsmogelijkheden,zowel wettelijk als niet-wettelijk. Zo worden in het ontwerpbesluit deladder voor duurzame verstedelijking voor woningbouwlocatiesafgeschaft en vergunningvrije mantelzorg- en familiewoningen mogelijkgemaakt. Daarnaast wordt in het kader van niet-wettelijke maatregeleningezet op onder andere het parallel schakelen van processen enprocedures, landelijke en regionale versnellingstafels, het versterken vancapaciteit van decentrale overheden, participatie, stimuleren van anderewerkwijze in bezwaarschriftprocedures en standaardiseren vanbouweisen. Al deze maatregelen hebben tevens tot doel om het aantaljuridische procedures te verminderen.14Rijksuniversiteit Groningen, De consequenties van de wijziging van rechtsbeschermingsproce-dures over woningbouwprojecten, 24 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24,36 512, nr. 5.15Rijksuniversiteit Groningen, De consequenties van de wijziging van rechtsbeschermingsproce-dures over woningbouwprojecten, 24 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24,36 512, nr. 5, p. 15.16Rijksuniversiteit Groningen, De consequenties van de wijziging van rechtsbeschermingsproce-dures over woningbouwprojecten, 24 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24,36 512, nr. 5, p. 18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2029 Vraag 47De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat onder het Besluitversterking regie volkshuisvesting instructieregels gaan gelden «tenbehoeve van de programmering van ten minste twee derde betaalbarewoningen (middenhuur én betaalbare koop) en 30 procent socialehuurwoningen op nationaal niveau, provinciaal niveau en regionaalniveau.» In de laatst bekende versie van het Ontwerpbesluit versterkingregie volkshuisvesting wordt gesteld dat de provincie bepaalt door welkegemeenten de woningbouwregio gevormd wordt waarbinnen debetaalbaarheidsafspraken worden gemaakt. Deze leden vragen deregering aan te geven op welke wijze de provincie deze afbakeningvaststelt en hoe dit afdwingbaar is. Zij vragen of individuele gemeentenkunnen besluiten uit dergelijke woningbouwregio’s te stappen.De provincie legt in de omgevingsverordening vast welke gemeentensamen een woningbouwregio vormen. Gemeenten kunnen zich daaraanniet onttrekken. Met het vastleggen van de woningbouwregio is hetduidelijk onder welke gemeenten samen twee derde betaalbare woningenen 30 procent sociale huurwoningen moeten programmeren. Wanneer ernog geen woningbouwregio is vastgesteld volgt uit het ontwerpbesluitrechtstreeks of een gemeente 40 procent woningen moet realiseren in hetmiddensegment of dat het 30 procent sociale huurwoningen moetrealiseren. Aanvullend moet een verdeling worden gemaakt om regionaaltee derde betaalbaar te bouwen, 30 procent sociaal. Wanneer bestuurlijkoverleg niet of niet tijdig tot een verdeling leidt, kan de provincie of hetRijk via instructieregels of instructies de betaalbaarheidsprogrammeringvoorschrijven aan een gemeente.Vraag 48De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat gemeenten met deTweede nota van wijziging op grond van de instructieregel één opdrachtmet betrekking tot de nieuwbouwopgave: ofwel 40 procent midden-segment, danwel 30 procent sociale huur. Kan de regering bevestigen datdit onverlet laat dat op regionaal niveau de doelstellingen twee derdebetaalbaar en 30 procent sociale huur in de nieuwbouwopgave blijvengelden? Erkent de regering dat dit verdere afstemming tussen gemeentenin de woningbouwregio vergt? Hoe moet deze afstemming vormgegevenworden? Welke rol krijgt de provincie hierbij? Wanneer moet dezeafstemming bereikt zijn? Voor welke termijn worden deze afsprakengemaakt? Wat gebeurt er als er geen overeenstemming wordt bereikt?Wat gebeurt er als een gemeente weigert mee te werken? Heeft deprovincie doorzettingsmacht, en zo ja, wanneer? Kunnen gemeentenhiertegen in beroep gaan? Wat gebeurt er als gemeenten ook 40 procentmiddensegment willen bouwen maar nog geen 30 procent sociale huur inhun woningvoorraad hebben? Wat gebeurt er als de provincie hieropweigert te handhaven? Concluderend vragen zij de regering aan te gevenhoe voorkomen wordt dat gemeenten binnen hun regio jarenlang aan hetsteggelen zijn over wie hoeveel sociale huurwoningen gaat bouwen endaarmee de opgave als geheel vertraagd wordt.Met het ontwerpbesluit heb ik de balans gezocht tussen enerzijdswaarborgen en kaders voor de doelstelling van twee derde betaalbaar en30 procent sociale huurwoningen programmeren, en anderzijds ruimtevoor regionale en lokale differentiatie. Op regionaal, provinciaal ennationaal niveau is via instructieregels de doelstelling van twee derdebetaalbaar en 30 procent sociale huurwoningen programmerenverankerd, terwijl gemeenten daarnaast ook specifieke instructies krijgenover een deel van de opgave die zij moeten realiseren (middensegment ofsociale huur).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2030 Bovengenoemde keuze betekent inderdaad dat gemeenten onder regievan de provincie onderling overleggen over de verdeling van betaalbarewoningen om tot dit resultaat te komen, binnen de kaders van deinstructieregels. Op basis van de samenwerking die tot stand is gekomenbij de woondeals en die ook blijkt uit de Woontopafspraken heb ik ervertrouwen in dat dit in de meeste gevallen snel tot resultaat leidt. Waarbestuurlijk overleg niet tijdig in een verdeling resulteert biedt ditwetsvoorstel de mogelijkheid voor provincies en Rijk om een instructie tegeven over deze verdeling in het volkshuisvestingsprogramma of overopname van woningbouwlocaties in het omgevingsplan. In veel gevallenwerkt dit instrumentarium al als stok achter de deur. Er is geen beroepmogelijk tegen instructieregels. Tegen een instructiebesluit dat gericht isop een volkshuisvestingsprogramma staat ook geen beroep open, omdatdeze instructie ziet op een beleidsdocument dat geen directe rechtsge-volgen heeft. Tegen een instructiebesluit dat gericht is op eenomgevingsplan is wel beroep mogelijk, namelijk bij de (gewijzigde)vaststelling van het omgevingsplan.Vraag 49De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering een prognose tebieden van hoe de (ontwikkeling van de) verwachte netto voorraad aansociale huur er uitziet over tien jaar met de voorgenomen plannen. Hoeheeft de regering rekening gehouden in de aangekondigde vormgevingvan het Besluit versterking regie op de volkshuisvesting met het verschilin relatieve groei van gemeenten naar gelang de mate van stedelijkheid?Deelt de regering de analyse dat de gemeenten met relatief meer socialehuurwoningen gemiddeld genomen een hogere mate van stedelijkheidhebben en gemiddeld relatief meer nieuwbouw hebben?Het aantal sociale huurwoningen neemt in de periode 2025 tot en met2034 naar verwachting met ongeveer 100 tot 130 duizend woningen toe.Dit betreft nagenoeg uitsluitend toevoegingen van sociale huurwoningendoor corporaties. Het aandeel sociale huurwoningen in de totale woning-voorraad zal licht dalen, omdat er ook woningen in de andere segmentenbijkomen en voorraadmutaties als gevolg van sloop, verkoop en liberali-satie naar verwachting met name in het sociale huursegment plaats-vinden. Naar verwachting is het aandeel sociale huur in de voorraad over10 jaar circa 32 procent (Bron: Socrates 2024, ABF Research). In hetscenariomodel Socrates van ABF Research wordt voor de huurwoningengeen onderscheid gemaakt naar corporatie en particulier bezit. Op ditmoment is het aantal sociale huurwoningen van woningcorporaties hetuitgangspunt voor de berekening van het aandeel sociale huurwoningenin de woningvoorraad. Het aandeel sociale huurwoningen van corporatiesin de woningvoorraad is 25,7 procent.Ik deel de analyse van de leden van de CU-fractie dat gemeenten metrelatief meer sociale huurwoningen vaak een hogere mate van stede-lijkheid kennen. In het ontwerpbesluit is opgenomen dat binnen een regio30 procent sociale huur moet worden geprogrammeerd. Gemeentenonder het landelijk gemiddelde aandeel sociale huur krijgen de instructieom 30 procent sociale huur te programmeren. Gemeenten boven hetlandelijk gemiddelde aandeel sociale huur krijgen de instructie om40 procent in het middensegment te programmeren. Indien de optellingvan alle gemeenten niet tot 30 procent sociale huur regionaal leidt, maaktde regio afspraken over de realisatie van de woningen die aanvullendnodig zijn om 30 procent sociale huur op regionaal niveau te behalen.Daarmee is geborgd dat van de gerealiseerde woningen op regionaalniveau 30 procent een sociale huurwoning is, ongeacht verschillen instedelijkheid binnen een regio.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2031 Vraag 50De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat de striktejuridische betekenis is van het «uitzetten» van de ladder van duurzameverstedelijking. Deze leden vragen hoe dit juridisch verankerd is. Zijvragen wat ervoor nodig is om deze ladder desgewenst weer «aan tezetten» en wat de gevolgen daarvan zijn voor vergunningen die verleendzijn op het moment dat de ladder «uit gezet» was. Tevens vragen zij hoede waarden die de ladder duurzame verstedelijking beoogde tebeschermen, zoals openheid van het landschap andere landschappelijkewaarden, alsmede zorgvuldige ruimtelijke ordening, geborgd worden.De Ladder is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteitleefomgeving. Voorgesteld wordt om aan dit artikel een vijfde lid toe tevoegen. Daarin wordt bepaald dat de Ladder niet van toepassing is op eenomgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, diebestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een woningbouwlocatie, alsuit het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma van die gemeente blijktdat er een woningbouwopgave is. Daarbij wordt tevens bepaald datzolang geen volkshuisvestingsprogramma is vastgesteld, het bestaan vaneen woningbouwopgave wordt aangenomen. De Ladder zal dan bijinwerkingtreding van het wetsvoorstel meteen «uit» wordt gezet,waarmee dus wordt bedoeld dat deze daarmee niet langer van toepassingis op woningbouwprojecten.Indien het in de toekomst nodig wordt geacht om woningbouwprojectenwel (weer) onder de werking van de Ladder te laten vallen, zalartikel 5.129g opnieuw moeten worden aangepast. Dit ligt niet in de lijnder verwachting. Eén en ander zal geen gevolgen hebben voor tussentijdsverleende vergunningen, omdat de Ladder hierop niet met terugwerkendekracht van toepassing kan worden verklaard.Het uitzetten van de Ladder laat onverlet dat andere te beschermenbelangen, zoals water, bodem, cultureel erfgoed of natuurlijke enlandschappelijke belangen, zich kunnen verzetten tegen woningbouw opeen (buitenstedelijke) locatie. Gemeenten moeten er op grond vanartikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet voor zorgen dat de regels inhet omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aanlocaties, waarbij rekening wordt gehouden met alle aanwezige belangen.Deze belangenafweging kan ertoe leiden dat er in een bepaald geval tochde voorkeur moet worden gegeven aan een andere locatie.Vraag 51De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de deze regeling voormantelzorgwoningen ook van toepassing wordt op familieleden in deeerste graad. Deze leden constateren daarbij dat een situatie vanmantelzorg altijd tijdelijk is, wat niet geldt voor bewoning door familie-leden. Zij vragen of de vereisten en beperkingen die de geldende regelingvoor mantelzorgwoningen kent van kracht blijven of dat deze aangepastworden ten behoeve van familiewoningen? Zij vragen hoe de tijdelijkheidvan dergelijke woningen gewaarborgd wordt? Zij vragen welke kwaliteits-eisen gaan gelden voor familiewoningen.Deze regeling voor mantelzorg- en familiewoningen zal grotendeelsaansluiten bij de regeling die nu in de bruidsschat staat (en dus ook bij hetvoormalig artikel 2 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zoals dezetot 1 januari 2024 gold). Als aan de voorwaarden in de regeling wordtvoldaan, is voor het bouwen en gebruiken van mantelzorg- en familiewo-ningen geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteitnodig. Evenmin zal een omgevingsvergunning voor de (technische)bouwactiviteit nodig zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2032 Omdat geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteitnodig zal zijn, zal ook geen sprake zijn van een toetsing op welstand. Welkan bij een welstandsexces sprake zijn van ernstige strijd met redelijkeeisen van welstand. Een eventueel welstandsexces kan de gemeente viahet zogeheten repressief welstandstoezicht aanpakken.De regeling is alleen bedoeld voor het vergunningvrij bouwen engebruiken van bijbehorende bouwwerken als mantelzorg- of familiewo-ningen. Na het beëindigen van de mantelzorgbehoefte, is geen sprakemeer van mantelzorg en moet de situatie in overeenstemming wordengebracht met de regels van het omgevingsplan van de gemeente, dan welworden gebruikt als familiewoning. Hetzelfde geldt indien geen sprake isvan huisvesting van familieleden. Dit betekent dat dan de situatie inovereenstemming worden gebracht met de regels van het omgevingsplanvan de gemeente. Het is namelijk niet de bedoeling om in aanvulling ophet omgevingsplan andere bouw- of gebruiksmogelijkheden vanbijbehorende bouwwerken vergunningvrij mogelijk te maken.Als de regels van het omgevingsplan van de gemeente het betreffendebijbehorende bouwwerk en het gebruik daarvan als woning toelaten danwel daarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteitwordt verleend kan het bijbehorende bouwwerk blijven staan en wordengebruikt als woning. De gemeente kan bijvoorbeeld een persoonsge-bonden omgevingsvergunning verlenen aan de overlevende partner naoverlijden van de ontvanger van mantelzorg of het eerstegraadsfamilielid.Als het betreffende bijbehorende bouwwerk op grond van hetomgevingsplan niet is toegestaan en legalisatie niet aan de orde is, danmoet het bouwwerk worden verwijderd.Ook kan het zijn dat het bijbehorende bouwwerk dat is gebouwd alsmantelzorg- of familiewoning wel mag blijven staan, maar niet als woningmag worden gebruikt. Dan zullen voorzieningen die met het oogmerk opbewoning zijn aangebracht (zoals sanitair en een keuken) moeten wordenverwijderd. Als dit niet gebeurt, kan het bevoegd gezag handhavendoptreden. Dat is op zichzelf niet anders dan een situatie waarin men instrijd met het omgevingsplan in een bijbehorend bouwwerk woont,zonder dat sprake is van mantelzorg of een familierelatie (in de eerstegraad).3.1.1 Volkshuisvesting Vraag 52De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reflecteren op deinvoering van verschillende regio-indelingen binnen de Wet versterkingregie volkshuisvesting. Het werkgebied van corporaties wordt verruimdtot de provinciegrens, maar tegelijkertijd worden een woningmarktregio(voor de huisvesting van wettelijk urgent woningzoekenden) en eenwoningbouwregio (voor afspraken over betaalbare woningbouw)geïntroduceerd. Hoe draagt dit bij aan een duidelijke en effectieve regie?Ziet de regering risico’s voor praktische problemen in de uitvoering? De leden van de CDA-fractie constateren terecht dat met het wetsvoorstelverschillende regio-indelingen worden ingevoerd. Doel van de verschil-lende regio-indelingen is te zorgen voor meer eenduidigheid, de lasten tespreiden binnen de regio en de samenwerking te bevorderen door hetmaken van afdwingbare afspraken. Beoogd is om bij de vorming van deregio’s zoveel mogelijk aan te sluiten bij de reeds bestaande regio-indelingen zoals die zijn gevormd binnen de verschillende domeinen.Alleen daar waar het bijdraagt aan meer regie op de volkshuisvesting isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2033 gekozen voor een nieuwe regio-indeling. Dat is enkel zo bij de werkge-bieden van de corporaties op grond van de Woningwet.De woningbouwregio’s die op grond van de Omgevingswet wordengeïntroduceerd sluiten aan bij de huidige praktijk van de woondeals-regio’s. Ik verwacht dat bij de vorming van de woningmarktregio op grondvan de Huisvestingswet 2014 zoveel mogelijk bij de bestaande praktijkwordt aangesloten. De Huisvestingswet kent immers al geruime tijd dewoningmarktregio, waarbij de vrijblijvendheid die eerst bestond nu wordtgewijzigd in een verplichting tot het vormen van regio’s onder coördinatievan gedeputeerde staten.Hoewel het zo op het oog kan lijken dat een lappendeken van regio’sontstaat, zal het in de praktijk juist zorgen voor meer duidelijkheid enregie. Door de werkgebieden van de corporaties te laten aansluiten bij deprovinciale grenzen zorgt dit voor meer solidariteit tussen corporaties enwordt aangesloten bij de coördinerende rol van provincies op het gebiedvan de volkshuisvesting die met dit wetsvoorstel wordt verstevigd.Eventuele regionale ongelijkheden binnen een provincie ten aanzien vande (financiële) mogelijkheden van woningcorporaties kunnen daarmeemakkelijker worden aangepakt.De vorming van de woningbouwregio op grond van de Omgevingswetzorgt voor een duidelijke bestuurlijke structuur tussen gemeenten in deregio, die samenwerking bevordert. Dit draagt er aan bij dat de woning-bouwopgave evenwichtig wordt verdeeld over alle gemeenten in die regioen dat alle gemeenten een evenwichtige bijdrage leveren aan het biedenvan meer mogelijkheden voor middeninkomens, lage inkomens enmensen uit de verschillende aandachtsgroepen binnen de woningbouw-regio. De regie wordt bereikt door de werking van de instructieregels voorvolkshuisvestingsprogramma’s over onder andere het aandeel betaalbarewoningen in het beleid voor te programmeren woningen in de woning-bouwregio. Tot slot zorgt de vorming van de woningmarktregio op grondvan de Huisvestingswet 2014 ervoor dat urgent woningzoekendenevenwichtig worden gehuisvest in de regio.Ik zie vooralsnog geen problemen in de uitvoering ontstaan door deverschillende regio-indelingen, omdat in de drie regio’s vanuit verschil-lende opgaven wordt gewerkt. Kort gezegd betreffen de afspraken in dewoningbouwregio een bouwprogrammeringsopgave en de afspraken inde woningmarktregio een verdelingsvraagstuk. Corporaties dragen vanuithun rol en expertise, zoals die is bepaald in de Woningwet, bij aan dezetwee opgaven, door ofwel te bouwen dan wel te huisvesten in hun socialehuurvoorraad.Vraag 53De leden van de fractie van het CDA vragen de regering hoe de doorzet-tingsmacht van het Rijk en de provincie in de praktijk wordt toegepast nainvoering van de Wet regie volkshuisvesting. Hoe wordt gemonitord ofgemeenten voldoende locaties aanwijzen in hun omgevingsplannen om tevoldoen aan de betaalbaarheidsdoelstellingen in het gemeentelijkvolkshuisvestingsprogramma? Welke instanties kunnen een melding doenindien hieraan niet wordt voldaan? Zijn corporaties en huurdersorgani-saties bevoegd om een dergelijke melding te maken? Zijn er termijnenverbonden aan de inzet van doorzettingsmacht?Via de Landelijke monitor voortgang woningbouw houd ik met deprovincies en gemeenten zicht op de voortgang van de beschikbaarheidvan voldoende woningbouwlocaties (plancapaciteit). Ik rapporteerhalfjaarlijks over de voortgang daarvan. De monitor bevat ook gegevensTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2034 over de betaalbaarheidsprogrammering. Via de CBS monitor houd ikdaarnaast ook zicht op de voorgang van de realisatie. Achterblijvenderesultaten worden allereerst bestuurlijk geagendeerd. Hoewel eenmelding van corporaties dus niet nodig is om zicht te krijgen op devoortgang, is het wel waardevol als ook zij tijdens bestuurlijk overleg ofaan de versnellingstafels knelpunten signaleren. Waar nodig zal daarbijdoor mij of door de provincies het beschikbare juridisch instrumentariumworden ingezet om uitvoering van de gestelde regels door gemeenten afte dwingen, bijvoorbeeld in de vorm van een instructiebesluit. Daarvoor isgeen vaste termijn te hanteren, uitgangspunt is dat een interventie wordtingezet die het snelst tot resultaten leidt.3.1.2 Omgevingsvisie en het verplichte volkshuisvestingspro-gramma Vraag 54De leden van de NSC-fractie lezen dat in de Huisvestingswet een nieuw lidtoegevoegd wordt waardoor gedeputeerde staten een woningmarktregioaan kunnen wijzen waarin de gegeven bevoegdheid van artikel 12 wordtuitgeoefend. Deze leden vragen de regering of er op dit moment noggemeenten zijn zonder regionale huisvestingsverordening. Zij vragen deregering daarnaast of er signalen zijn die aantonen dat de huidigeregio-indeling niet functioneert. Daarnaast vragen zij wat de uiterstedatum is waarop het Rijk, de provincies en gemeenten een volkshuisves-tingsprogramma dienen vast te stellen. Uit de meest recente inventarisatie17 blijkt dat ongeveer de helft van degemeenten geen huisvestingsverordening met regels heeft vastgesteldover de verdeling van woonruimte in de eigen gemeente dan wel over diein de regio. Dit houdt dan ook in dat er in circa de helft van Nederlandgeen functionerende regioverdeling is voor de woonruimteverdeling. Insommige regio’s zijn afspraken over woonruimteverdeling ten behoevevan urgent woningzoekenden die uitstromen uit (zorg)instellingenvastgelegd in convenanten of prestatieafspraken, maar dit is niet in lijnmet het huidige wettelijk kader. De Huisvestingswet 2014 is een uitput-tende regeling, zoals ook blijkt uit de terminologie die gebruikt is inartikel 4, eerste lid. Dat betekent dat het niet mogelijk is om op anderewijze (bijvoorbeeld via convenanten) directe of indirecte regels overwoonruimteverdeling op te stellen. Deze afspraken moeten altijd eengrondslag hebben in de huisvestingsverordening.Op de vraag van de NSC-fractie wat de uiterste datum is waarop het Rijk,de provincies en gemeenten een volkshuisvestingsprogramma dienenvast te stellen, merk ik op dat bij koninklijk besluit zal worden bepaaldwanneer gemeenten moeten voldoen aan de verplichting tot hetvaststellen van een volkshuisvestingsprogramma. Het is van belang datgemeenten en provincies in staat zijn om op goede wijze invulling tegeven aan de met het wetsvoorstel beoogde verplichting. Uit deoverleggen met onder meer gemeenten, VNG en het IPO blijkt datverschillende gemeenten en provincies nu al de nodige voorbereidingentreffen voor een goede uitvoering. Bij de verdere overleggen met ondermeer gemeenten, VNG en IPO, zal blijvend aandacht worden besteed aaneen goede uitvoering waarna op basis daarvan zal worden besloten totinwerkingtreding van deze onderdelen.Vraag 55De leden van de D66-fractie merken op dat volkshuisvestingsprogramma’saandacht moeten besteden aan het huisvesten van verschillendespecifieke groepen, maar dat jongeren hier geen apart onderdeel van17Uit «Voorrang bij toewijzing sociale huurwoningen 2021», Companen, 29 maart 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2035 uitmaken. Deelt de regering de mening dat de positie van jongeren op dewoningmarkt nu dermate problematisch is dat álle gemeenten hunbehoefte in kaart dienen te brengen en moeten adresseren? Is de regeringniet van mening dat jongeren in het algemeen (of starters specifiek) nueen grote achterstand hebben als het gaat om kansen op de woningmarkten dat zij een aparte aandachtsgroep dienen te zijn?Gemeenten moeten in het volkshuisvestingsprogramma omschrijven watde actuele en verwachte woonbehoefte is van inwoners, en daarbij in hetbijzonder ook beschrijven wat de woonbehoefte is van de bij algemenemaatregel van bestuur aangewezen ouderen en aandachtsgroepen. Ookde woonbehoefte van jongeren en starters dient dus in kaart te wordengebracht als onderdeel van de totale woonopgave, maar deze behoeftehoeft niet verplicht te worden uitgesplitst.Aandachtsgroepen zoals zij in het wetsvoorstel worden geduid zijngroepen met minder kansen dan anderen op de woningmarkt, bijvoor-beeld door hun behoefte aan een specifiek soort woning of woonvorm, ofdoor wat extra nodig is aan begeleiding en zorg. Voor jongeren en startersgeldt zeker ook dat er voor hen een groot tekort is aan woonruimte, maarhun kansen worden in mindere mate belemmerd door de hierbovengenoemde factoren.3.1.3 Sturinginstrumenten van de Omgevingswet Vraag 56De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering in het ontwerpbesluitversterking regie volkshuisvesting instructieregels heeft opgenomen voorhet volkshuisvestingsprogramma van provincie en Rijk ten behoeve vande programmering van ten minste twee derde betaalbare woningen(middenhuur én betaalbare koop) en 30 procent sociale huurwoningen opnationaal niveau, provinciaal niveau en regionaal niveau. Deze ledenvragen de regering of zij middels rekenvoorbeelden kan aantonen hoe zijgarandeert dat na het uitvoeren van de bouwopgave zowel landelijk,provinciaal en regionaal er sprake is van twee derde betaalbare woningenwaarvan 30 procent sociale huur, uitgaande van 100.000 woningen perjaar. Op basis van de instructieregels zoals uitgewerkt in het ontwerpbesluitmoet in iedere regio twee derde betaalbare woningen en 30 procentsociale huurwoningen worden geprogrammeerd. Binnen de kaders vanhet ontwerpbesluit kan in iedere regio een verdeling worden gemaakt dieregionaal tot dit resultaat leidt. Daarmee resulteert dit op provinciale ennationale schaal eveneens tot twee derde betaalbare woningen en 30sociaal. Ter illustratie is als bijlage een voorbeelduitwerking meegestuurdvoor een tweetal woningbouwregio’s van een verdeling die op basis vanhet voorgenomen ontwerpbesluit gemaakt kan worden. Daarbij dient teworden opgemerkt dat ook andere verdelingen passend kunnen zijn omde regionale doelstellingen te halen.Voorbeelduitwerking verdeling Utrecht–IJkpunt voor verdeling: landelijk bestaande voorraad sociale huur(26 procent);–Gemeenten onder landelijk gemiddelde sociaal in huidige voorraad:30 procent sociale huur;–Gemeenten boven landelijk gemiddelde sociaal in huidige voorraad:40 procent middensegment;–Op niveau regio twee derde betaalbaar en 30 procent sociale huur;–Er geldt geen doel voor de groei van het aandeel sociale huur in devoorraad;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2036 –Aantallen per gemeente: op basis van de woondealafspraken totalewoningbouwopgave tot en met 2030In onderstaande tabel zijn de aandelen middensegment en sociale huurweergegeven op basis van de instructie per gemeente. Aanvullend is eenverdeling gemaakt, zodat er regionaal 30 procent sociaal en twee derde(67 procent) betaalbare woningen worden geprogrammeerd.Conclusies–In de regio gaan 5 van de 16 gemeenten verplicht 40 procent voor hetmiddensegment realiseren;–Deze 5 gemeenten realiseren samen 29 procent van de opgave in hetmiddensegment. De overige 8 procent (om regionaal op 37 procent tekomen) moet hierdoor worden verdeeld over de andere 11 gemeenten.De meesten hiervan zullen ruim 30 procent middensegment moetenrealiseren voor de regionale opgave.–In de regio gaan 11 van de 16 gemeenten verplicht 30 procent socialehuurwoningen realiseren.–Deze 11 gemeenten realiseren gezamenlijk 8 procent van de totaleopgave aan sociale huurwoningen. De overige 22 procent (omregionaal op 30 procent sociale huur te komen) moet hierdoor wordenverdeeld door de andere 5 gemeenten. Zij moeten ook ongeveer30 procent sociale huur realiseren om de regionale opgave te halen.–In 13 van de 16 gemeenten is het aandeel sociale huur in de program-mering groter dan de bestaande voorraad. In deze gemeenten zal hetaandeel sociale huurwoningen in de voorraad dus toenemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2037 Voorbeelduitwerking verdeling MRA–IJkpunt voor verdeling: landelijk bestaande voorraad sociale huur(26 procent);–Gemeenten onder landelijk gemiddelde sociaal in huidige voorraad:30 procent sociale huur;–Gemeenten boven landelijk gemiddelde sociaal in huidige voorraad:40 procent middensegment;–Op niveau regio twee derde betaalbaar, tenminste 30 procent socialehuur;–Aantallen per gemeente: op basis van de woondealafspraken totalewoningbouwopgave tot en met 2030.In onderstaande tabel zijn de aandelen middensegment en sociale huurweergegeven op basis van de instructie per gemeente. Aanvullend is eenverdeling gemaakt, zodat er regionaal 30 procent sociaal en twee derde(67 procent) betaalbare woningen worden geprogrammeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2038 Conclusies–In de regio gaan 18 van de 29 gemeenten verplicht 40 procent voor hetmiddensegment realiseren;–Deze 18 gemeenten realiseren samen 34 procent van de opgave in hetmiddensegment. De overige 3 procent (om regionaal op 37 procent tekomen) moet hierdoor worden verdeeld over de andere 11 gemeenten.De meesten hiervan zullen minder dan 30 procent middensegmentmoeten realiseren voor de regionale opgave.–In de regio gaan 11 van de 29 gemeenten verplicht 30 procent socialehuurwoningen realiseren;–Deze 11 gemeenten realiseren gezamenlijk 4 procent van de totaleopgave aan sociale huurwoningen. De overige 26 procent (omregionaal op 30 procent sociale huur te komen) moet hierdoor wordenverdeeld door de andere 18 gemeenten. Zij moeten ook net meer ofminder dan 30 procent sociale huur realiseren om de regionale opgavete halen.–In 15 van de 29 gemeenten is het aandeel sociale huur in de program-mering groter dan de bestaande voorraad. In deze gemeenten zal hetaandeel sociale huurwoningen in de voorraad dus toenemen.Vraag 57Zij lezen dat het percentage sociale huur in een gemeente ten opzichtevan het landelijk gemiddelde percentage sociale huur bepalend gaat zijnvoor de bouwopgave van deze gemeente. Deze leden vragen de regeringof het percentage landelijk gemiddelde sociale huur een momentopnameis, of dat deze vaker herijkt gaat worden en zo ja met welke termijn dezeherijkt zal gaan worden.Voor de woningbouwprogrammering is duidelijkheid over de langeretermijn belangrijk voor gemeenten. Daarom is het voornemen om zowelhet landelijk gemiddelde als de periode waarvoor de betaalbaarheidspro-grammering geldt voor een langere periode vast te leggen. Ik denk aaneen periode die gelijk is aan de periode waarover gemeenten, provinciesen rijk afspraken maken over het aantal te bouwen woningen. Die periodeis tien jaar.Vraag 58Zij vragen de regering of zij via een overzicht kunnen aantonen wat hettotale huidige percentage sociale huur is ten opzichte van de woning-voorraad per provincie, regio en gemeente in Nederland.In onderstaande tabellen is op basis van de dVi (de Voortgangsinformatievan woningcorporaties) voor 2023 te zien welk percentage socialehuurwoningen van woningcorporaties van de totale woningvoorraadvormen. Onder sociale huurwoningen wordt hier verstaan: zelfstandigewoningen van woningcorporaties die tot de DAEB voorraad behoren. Ditis uitgesplitst naar provincie, woondealregio en gemeenten.Tabel 3. Percentage sociale huurwoningen per provincie ultimo 2023 (Bronnen: dVi(de Verantwoordingsinformatie), CBS – Basisregistratie Adressen en Gebouwen)Percentage sociale huur t.o.v. woningvoorraadGroningen26%Fryslân25%Drenthe23%Overijssel25%Flevoland23%Gelderland25%Utrecht24%Noord-Holland28%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2039 Percentage sociale huur t.o.v. woningvoorraadZuid-Holland28%Zeeland21%Noord-Brabant25%Limburg24% Tabel 4. Percentage sociale huurwoningen per woondealregio ultimo 2023 (Bronnen:dVi (de Verantwoordingsinformatie), CBS – Basisregistratie Adressen en Gebouwen)Percentage sociale huurGroningen-Assen25%Eemsdelta28%Oost-Groningen24%De Wadden14%Leeuwarden26%Noordoost Fryslân24%Noordwest Fryslân25%Zuidoost Fryslân26%Zuidwest Fryslân23%Zuid-Oost Drenthe22%Zuid-West Drenthe23%Twente25%West-Overijssel24%Flevoland21%Amersfoort20%Foodvalley28%Achterhoek20%Arnhem-Nijmegen28%Stedendriehoek25%Noord-Veluwe23%Rivierenland22%U16 / Regio Utrecht25%MRA29%Noord-Holland-Noord22%Samenwerkende regio’s27%Haaglanden27%Holland Rijnland23%Midden-Holland24%Regio Rotterdam33%Zeeland21%Stedelijke Regio Breda-Tilburg25%Stedelijke Regio ’s-Hertogenbosch24%West-Brabant West25%Zuidoost-Brabant25%Limburg24% Tabel 5. Percentage sociale huurwoningen per gemeente in 2023 (Bronnen: dVi (deVerantwoordingsinformatie), CBS – Basisregistratie Adressen en Gebouwen)Percentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadPercentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadAa en Hunze17%Losser18%Aalsmeer20%Maasdriel20%Aalten17%Maasgouw14%Achtkarspelen28%Maashorst23%Alblasserdam32%Maassluis35%Albrandswaard23%Maastricht30%Alkmaar27%Medemblik22%Almelo31%Meerssen18%Almere23%Meierijstad19%Alphen aan den Rijn23%Meppel29%Alphen-Chaam10%Middelburg24%Altena23%Midden-Delfland20%Ameland 0%Midden-Drenthe21%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2040 Percentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadPercentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadAmersfoort26%Midden-Groningen27%Amstelveen24%Moerdijk25%Amsterdam34%Molenlanden23%Apeldoorn26%Montferland21%Arnhem32%Montfoort15%Assen27%Mook en Middelaar16%Asten19%Neder-Betuwe26%Baarle-Nassau10%Nederweert19%Baarn23%Nieuwegein28%Barendrecht20%Nieuwkoop19%Barneveld16%Nijkerk20%Beek21%Nijmegen35%Beekdaelen16%Nissewaard33%Beesel26%Noardeast-Fryslân23%Berg en Dal27%Noord-Beveland13%Bergeijk12%Noordenveld18%Bergen (L.)21%Noordoostpolder22%Bergen (NH.)17%Noordwijk18%Bergen op Zoom26%Nuenen, Gerwen enNederwetten15%Berkelland21%Nunspeet22%Bernheze18%Oegstgeest15%Best19%Oirschot12%Beuningen20%Oisterwijk18%Beverwijk33%Oldambt24%Bladel14%Oldebroek21%Blaricum20%Oldenzaal27%Bloemendaal15%Olst-Wijhe21%Bodegraven-Reeuwijk19%Ommen16%Boekel14%Oost Gelre14%Borger-Odoorn18%Oosterhout29%Borne21%Ooststellingwerf26%Borsele19%Oostzaan26%Boxtel27%Opmeer1%Breda26%Opsterland20%Bronckhorst17%Oss26%Brummen28%Oude IJsselstreek23%Brunssum25%Ouder-Amstel28%Bunnik15%Oudewater20%Bunschoten14%Overbetuwe20%Buren18%Papendrecht27%Capelle aan den IJssel32%Peel en Maas17%Castricum14%Pekela24%Coevorden21%Pijnacker-Nootdorp17%Cranendonck16%Purmerend29%Culemborg22%Putten21%Dalfsen16%Raalte22%Dantumadiel31%Reimerswaal21%De Bilt24%Renkum20%De Fryske Marren22%Renswoude0%De Ronde Venen23%Reusel-De Mierden13%De Wolden15%Rheden27%Delft35%Rhenen27%Den Haag27%Ridderkerk32%Den Helder28%Rijssen-Holten20%Deurne24%Rijswijk30%Deventer28%Roerdalen16%Diemen18%Roermond27%Dijk en Waard18%Roosendaal25%Dinkelland11%Rotterdam36%Doesburg37%Rozendaal6%Doetinchem26%Rucphen27%Dongen19%Schagen21%Dordrecht26%Scherpenzeel16%Drechterland19%Schiedam30%Drimmelen21%Schiermonnikoog26%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2041 Percentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadPercentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadDronten23%Schouwen-Duiveland21%Druten20%’s-Hertogenbosch31%Duiven23%Simpelveld23%Echt-Susteren17%Sint-Michielsgestel16%Edam-Volendam17%Sittard-Geleen26%Ede20%Sliedrecht33%Eemnes19%Sluis16%Eemsdelta28%Smallingerland29%Eersel16%Soest20%Eijsden-Margraten10%Someren18%Eindhoven33%Son en Breugel13%Elburg25%Stadskanaal28%Emmen25%Staphorst10%Enkhuizen27%Stede Broec23%Enschede32%Steenbergen20%Epe25%Steenwijkerland23%Ermelo22%Stein21%Etten-Leur23%Stichtse Vecht21%Geertruidenberg28%Súdwest-Fryslân23%Geldrop-Mierlo26%Terneuzen18%Gemert-Bakel20%Terschelling18%Gennep22%Texel21%Gilze en Rijen26%Teylingen18%Goeree-Overflakkee26%Tholen20%Goes27%Tiel32%Goirle22%Tilburg29%Gooise Meren18%Tubbergen11%Gorinchem36%Twenterand23%Gouda28%Tynaarlo15%Groningen29%Tytsjerksteradiel19%Gulpen-Wittem18%Uitgeest20%Haaksbergen18%Uithoorn26%Haarlem25%Urk13%Haarlemmermeer20%Utrecht27%Halderberge26%Utrechtse Heuvelrug21%Hardenberg19%Vaals26%Harderwijk25%Valkenburg aan de Geul16%Hardinxveld-Giessendam26%Valkenswaard28%Harlingen31%Veendam23%Hattem24%Veenendaal29%Heemskerk30%Veere10%Heemstede17%Veldhoven22%Heerde20%Velsen32%Heerenveen26%Venlo25%Heerlen35%Venray23%Heeze-Leende13%Vijfheerenlanden26%Heiloo15%Vlaardingen40%Hellendoorn21%Vlieland32%Helmond35%Vlissingen28%Hendrik-Ido-Ambacht21%Voerendaal21%Hengelo29%Voorne aan Zee20%Het Hogeland23%Voorschoten19%Heumen19%Voorst21%Heusden21%Vught23%Hillegom20%Waadhoeke22%Hilvarenbeek13%Waalre16%Hilversum25%Waalwijk27%Hoeksche Waard21%Waddinxveen23%Hof van Twente19%Wageningen35%Hollands Kroon22%Wassenaar23%Hoogeveen27%Waterland24%Hoorn28%Weert20%Horst aan de Maas14%West Betuwe19%Houten22%West Maas en Waal19%Huizen28%Westerkwartier18%Hulst18%Westerveld16%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2042 Percentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadPercentagesocialehuur-woningent.o.v.woning-voorraadIJsselstein21%Westervoort28%Kaag en Braassem26%Westerwolde20%Kampen24%Westland20%Kapelle14%Weststellingwerf27%Katwijk24%Wierden16%Kerkrade30%Wijchen24%Koggenland5%Wijdemeren20%Krimpen aan den IJssel34%Wijk bij Duurstede21%Krimpenerwaard26%Winterswijk17%Laarbeek22%Woensdrecht16%Land van Cuijk21%Woerden21%Landgraaf26%Wormerland29%Landsmeer24%Woudenberg19%Lansingerland18%Zaanstad32%Laren14%Zaltbommel21%Leeuwarden26%Zandvoort27%Leiden29%Zeewolde20%Leiderdorp22%Zeist27%Leidschendam-Voorburg24%Zevenaar26%Lelystad25%Zoetermeer29%Leudal11%Zoeterwoude15%Leusden20%Zuidplas22%Lingewaard18%Zundert11%Lisse25%Zutphen28%Lochem17%Zwartewaterland18%Loon op Zand21%Zwijndrecht36%Lopik16%Zwolle30% Vraag 59Zij lezen dat een betaalbare koopwoonruimte een koopwoning betreft meteen koopprijs van ten hoogste 390.000 euro en de indexatie aan de handvan CPI gaat. Zij vragen de regering waarom er gekozen is voor indexatieaan de hand van CPI.Sinds 2023 is de betaalbaarheidsgrens losgekoppeld van de NHG-grens.18Dit is gedaan omdat de NHG-grens destijds sterker steeg dan debeschikbare inkomens. Bij de introductie van de betaalbaarheidsgrens ismet uw Kamer afgesproken dat de betaalbaarheidsgrens geïndexeerddient te worden.19 In 2023 is aangegeven dat dit door indexatie op basisvan CPI20 gaat gebeuren. Hier is voor gekozen omdat CPI een breedgeaccepteerde manier van indexeren is in het woondomein. Ook zorgt ditvoor een mate van voorspelbaarheid en stabiliteit. Bij deze keuze isdestijds ook toegezegd dat deze grens indien nodig iedere drie jaar wordtherijkt, waarbij mede wordt gekeken naar de leencapaciteit van middenin-komens. In het derde kwartaal van 2025 zal ik de uitkomsten hiervan metuw Kamer delen. Overigens zal de betaalbaarheidsgrens voor eenbetaalbare koopwoonruimte in het wetsvoorstel nog voor inwerking-treding daarvan worden geactualiseerd. De betaalbaarheidsgrens is in devigerende wetgeving (de Huisvestingswet 2014) voor 2025 noggeïndexeerd van 390.000 euro naar 405.000 euro.Vraag 6018Kamerstukken II, 2022/23, 32 847, nr. 970.19Verslag debat Tweede Kamer 30 maart 2023, Plenaire verslagen | Tweede Kamer derStaten-Generaal.20Kamerstukken II, 2023/24, 32 847, nr. 1073.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2043 De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten welkeinstrumenten de provincie heeft om de woningmarktregio’s vast te stellen,zoals beschreven in de meest recente consultatieversie van de Conceptre-geling versterking regie volkshuisvesting. Kan een individuele gemeentebesluiten uit een woningmarktregio te stappen?In de Huisvestingswet 2014 bestaat al geruime tijd het begrip woning-marktregio. Tot nu toe waren gemeenten vrij om met elkaar te bepalenwelke woningmarktregio’s zij in het kader van de Huisvestingswet 2014hanteren en in welke verbanden zij samenwerken. Met dit wetsvoorstelwordt dit gewijzigd en krijgen de colleges van gedeputeerde staten detaak om na overleg met de betreffende gemeenten de woningmarktregiovast te stellen, waarna de gemeenten vervolgens binnen deze regio’safspraken maken over het evenwichtig verdelen van het huisvesten vande wettelijk verplichte urgent woningzoekenden. Provincies moeten bij hetmaken van deze indeling zoveel mogelijk rekening houden met albestaande samenwerkingsverbanden tussen gemeenten. Veel gemeentenwerken immers al samen in regionaal verband, met name als gewerktwordt met een regionaal woonruimteverdeelsysteem.Na vaststelling van de woningmarktregio door gedeputeerde staten, zijngemeenten aan deze indeling gebonden. Eenzijdig uit een regio stappenkan dus niet.3.1.4 Instructieregels over het volkshuisvestingsprogramma inhet Besluit kwaliteit leefomgeving Vraag 61De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het verontrustend dat hetwetsvoorstel slechts een deel van de gemeenten – het deel met relatiefweinig sociale huur – een plicht oplegt tot de bouw van sociale huur. Kande regering uitleggen hoe deze wijzigingen zich verhouden tot hetHoofdlijnenakkoord en de afspraken van de Woontop – waarin isafgesproken dat twee derde van álle nieuwbouw gericht moet zijn ophuishoudens met een laag- of middeninkomen, waaronder «tenminste»30 procent sociale huur? Kan de regering verder bevestigen dat dezeinstructieregel om een minimum gaat, en dat het gemeenten dus vrij staatom méér dan 30 procent sociale huur en twee derde betaalbaar tebouwen als hun woningopgave daarom vraagt? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de gemeentelijkeinstructieregels, waarbij niet alle gemeenten een verplicht aandeel socialehuur hoeven te bouwen, zich verhouden tot het doel dat twee derde vanalle nieuwbouw betaalbare woningen moeten zijn en 30 procent socialehuur. De totale nieuwbouwopgave wordt geborgd door instructieregels opnationaal, provinciaal en regionaal niveau: daarin moet twee derdebestaan uit betaalbare woningen en 30 procent uit sociale huurwoningen.Gemeenten moeten tezamen in een regio dus zorgen dat deze doelengehaald worden. De gemeentelijke instructieregels leggen de basis voorde verdeling hiervan tussen gemeenten: een deel van de gemeenten ineen regio zal in ieder geval 40 procent voor middeninkomens moetenprogrammeren, een deel zal in ieder geval 30 procent sociale huur moetenprogrammeren. Wat er vervolgens nog resteert om de regionale opgavete behalen moeten gemeenten samen verdelen en hierover afsprakenmaken. Daarbij staat het besluit gemeenten niet in de weg om meer in eenbepaald segment te doen dan de instructieregels voorschrijven, dus meerdan 40 procent voor middeninkomens of 30 procent sociale huur. Ik kijkwel naar de mogelijkheid om via de financiële regelingen het stellen vanbovenmatige betaalbaarheidseisen te ontmoedigen.Vraag 62Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2044 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af waarom deregering instructieregels voor gemeenten opstelt aan de hand van of zijmeer of minder sociale huur dan het landelijk gemiddelde hebben. Erkentde regering dat het landelijk gemiddelde fluctueert en al jaren een dalendetrend laat zien? Waarom kiest de regering er niet voor om gemeenten teijken aan de hand van of zij meer of minder dan 30 procent sociale huurhebben, zoals eerder gehanteerd in het interbestuurlijke programma eenThuis voor Iedereen?De vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie over de keuze voorhet landelijk gemiddelde aandeel sociale huur als ijkpunt voor degemeentelijke instructieregels is gelijk aan de vraag die eerder door ledenvan de SP-fractie is gesteld (vraag 25). Ik verwijs naar dat antwoord.Vraag 63De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de wet de mogelijkheidaan deze gemeenten biedt om ontheffing te vragen van deze verplichting,waardoor zij géén sociale huurwoningen hoeven te bouwen, zolang doorafstemming met andere gemeenten in de regio de 30 procent eis opregionaal niveau wordt gerealiseerd. Waarom maakt de regering eendergelijke ontheffing mogelijk als de noodzaak voor sociale huur zo hoogis? Hoe ziet de regionale escalatie eruit als de regio niet op 30 procentsociale huur komt? Hoe ziet het regionale proces om gezamenlijk tot30 procent sociale huur te komen er volgens de regering uit? Welkedoorzettingsmacht en instrumentarium wordt voorzien voor de provincieindien gemeenten in een regio niet voldoen aan hun gezamenlijkeplicht? Verwacht de regering dat provincies ook echt hun tanden zullenlaten zien? Welke formele taakstellingen krijgen provincies daarvoor? Alséén gemeente minder sociaal bouwt, betekent dit automatisch dat eenandere gemeente aanvullend moet bouwen – hoe bepaalt een provinciewelke gemeente aanvullend moet inzetten op sociale woningbouw? Hoeverhoudt zich dat tot het voornemen van de regering om geen of mindermiddelen uit te keren aan gemeenten die meer dan twee derde betaalbaarbouwen? Worden de gemeenten die aanvullend moeten bouwen omregionaal tot 30 procent te komen, hierdoor benadeeld? En hoe wordt«meeliftgedrag» van de andere gemeenten voorkomen?De ontheffing is bedoeld voor situaties waarin de instructieregels voorgemeenten om redenen van volkshuisvestelijke aard aantoonbaar nietpassend zijn. Het besluit daarover wordt genomen door de provincies ofdoor het Rijk. Er is geen instemming van andere gemeenten vereist, welregionale afstemming (zie ook het antwoord op 36). In het antwoord opvraag 48 schets ik welke instrumenten Rijk en provincie voor doorzettings-macht ter beschikking staat.Mijn beeld is dat alle provincies een actieve rol willen vervullen om waarnodig ook te interveniëren wanneer een gemeente willens en wetens geenbijdrage wil leveren aan de realisatie van voldoende betaalbare woningen.Op deze wijze wordt ook meeliftgedrag voorkomen. Waar nodig kan ikoverigens een provincie via een getrapt instructiebesluit opdracht gevenom in te grijpen. Dit biedt juist gemeenten met veel sociale huurwoningende ruimte om zich meer te richten op het programmeren van woningenvoor middeninkomens.Op dit moment werk ik aan de vormgeving van de financiële regelingen,waaronder de Realisatiestimulans en de herziening van de Woningbouw-impuls. Ik kijk ook naar de mogelijkheid om via de financiële regelingenhet stellen van bovenmatige betaalbaarheidseisen te ontmoedigen. Ikhoud daarbij ook rekening met situaties waarbij gemeenten meer danTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2045 twee derde betaalbare woningen moeten programmeren om op regionaalniveau de betaalbaarheidsdoelstellingen te realiseren.Vraag 64De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat er door ditwetsvoorstel juist onduidelijkheid wordt gecreëerd, bijvoorbeeld door debevoegdheid om ontheffing aan gemeenten te verlenen bij zowel deprovincie als het Rijk neer te leggen op basis van een onduidelijkemotivatiegrond. Kan de regering de rolverdeling duidelijker toelichten?In het ontwerpbesluit wordt voorgesteld om te regelen dat het college vanburgemeester en wethouders aan gedeputeerde staten of, wanneer datnodig blijkt daarna, aan mij ontheffing kan vragen wanneer de instructie-regels ten aanzien van de betaalbaarheidspercentages aantoonbaar nietpassend zijn bij de woningmarkt in die gemeente. Het is dan eerst aangedeputeerde staten om te overwegen of zij bereid en in staat zijn om degevraagde ontheffing te verlenen, ook bezien in het licht van de instructie-regel ten aanzien van het provinciaal volkshuisvestingsprogramma om opregionaal en provinciaal niveau te voorzien in de programmering vantwee derde betaalbare woningen en 30 procent sociale huurwoningen. Deprovincie kan echter ook via instructieregels in de provinciale omgevings-verordening bepalen dat een of meerdere gemeenten naar benedenmogen afwijken van de betaalbaarheidspercentages als deze aantoonbaarniet passend zijn bij de woningmarkt in de gemeente. Mocht al wordenvoorzien dat een provincie niet voornemens is om een ontheffing teverlenen of weigert deze een gevraagde ontheffing, dan is het mogelijkdat het college van burgemeester en wethouders de ontheffing recht-streeks aan mij verzoekt. Daarbij blijft het afwegingskader dat opnationaal, provinciaal en regionaal niveau moet worden voldaan aan debetaalbaarheidspercentages als de gevraagde ontheffing wordt verleend.Vraag 65De leden van de GroenLinks-PvdA-fractievragen of de regering de meningdeelt dat het doel van de Wet versterking regie volkshuisvesting is omwoningbouw te versnellen en procedures efficiënter te maken. Ziet deregering eveneens het risico dat deze plannen gaan leiden tot langeafstemming tussen bestuurslagen waarin kostbare tijd, menskracht enmiddelen verloren gaan? Hoe ziet de regering dit in het licht van een tijdwaarin het lokaal bestuur al minder middelen heeft? Zij vragen deregering hoe zij van plan is te voorkomen dat gemeenten binnen hunregio jarenlang steggelen over wie hoeveel sociale huurwoningen gaatbouwen. Deelt de regering de zorg dat de snelle bouw van socialehuurwoningen – die broodnodig is – door deze wijziging juist uitblijft? Hoegaat de regering dit meenemen in de verdere uitwerking van hetwetsvoorstel? Hoe verhoudt de regionale afstemming zich tot het doel vanhet kabinet om het bouwtempo te versnellen en 100.000 woningen perjaar te bouwen, waarvan twee derde betaalbaar? Binnen welke periodemoeten de plannen per regio vastgesteld en uitgerold worden? Hoe wordter toegezien op het halen van deze doelen?Met het voorgenomen ontwerpbesluit beoog ik een duidelijke balanstussen enerzijds waarborgen en duidelijke kaders voor de te behalendoelstelling en anderzijds voldoende lokale ruimte bieden voorgemeenten. Bovengenoemde regeling vereist inderdaad bestuurlijkoverleg in de woningbouwregio over de nadere verdeling. Een dergelijkoverleg vind ik echter niet onnodig tijdsverlies, maar juist passend bij debestuurlijke samenwerking die nodig is om de woningbouw te realiseren.Provincies en gemeenten bouwen daarbij voort op de verdeling die isgemaakt op basis van de woondeals zodat de afstemming snel en efficiëntTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2046 kan plaatsvinden. Dit wetsvoorstel biedt vervolgens ook de kaders om viainstructieregels of een instructiebesluit tot een verdeling te komen.Vraag 66De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat provincies als taakkrijgen om de woningbehoefte (waaronder voor ouderen en aandachts-groepen) in beeld te brengen en te zorgen dat alle gemeenten met hunvolkshuisvestingsprogramma hieraan bijdragen. Zij vragen zich af hoedeze opdracht zich verhoudt tot de instructieregels en het landelijkegemiddelde als ijkpunt, die niet gebaseerd zijn op de provinciale ofregionale behoefte en volkshuisvestelijke opgaven.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de opdrachtvoor provincies om de woningbehoefte (waaronder voor ouderen enaandachtsgroepen) in beeld te brengen zich verhoudt tot de keuze om inde gemeentelijke instructieregels uit te gaan als ijkpunt van het landelijkgemiddelde aandeel sociale huur. Het is belangrijk dat provincies dewoningbehoefte in kaart brengen om op basis daarvan vast te kunnenstellen hoeveel er in welk segment in de provincie en de woningbouw-regio geprogrammeerd zou moeten worden. Daarbij is het uitgangspuntdat de bouwopgave in ieder geval bestaat uit twee derde betaalbarewoningen en 30 procent sociale huur. De gemeentelijke instructieregelsbepalen niet hoeveel een gemeente precies moet bouwen, maar zijn vanbelang om de verdeling tussen gemeenten te sturen. De aantallen die ineen woningbouwregio gebouwd moeten worden gaan zodoende uit vande regionale behoefte, waarna die behoefte mede met gebruik van deinstructieregels tussen gemeenten verdeeld wordt.Vraag 67Volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie leden leidt het opleggenvan een verplichting om 30 procent sociale huur te bouwen aan slechtseen deel van de gemeenten, ook tot onwenselijke lappendeken van eisen.Deelt de regering de mening dat meer uniformiteit, duidelijkheid enconsistentie in de regelgeving wenselijk is voor projectontwikkelaars? Hoepast deze lappendeken in het programma Schrappen Tegenstrijdige enOverbodige Eisen en Regelgeving (STOER)? Is de regering bereid ommeer consistentie en uniformiteit aan te brengen en hierbij het belang vansociale huur voorop te zetten, bijvoorbeeld door landelijke minimumquotavoor sociale huur op te nemen in de wet? Ziet de regering in dat eeneenduidige instructieregel voor alle gemeenten beter zou zijn, metdesnoods mogelijkheden af te wijken voor gemeenten en regio’s?Doelstelling van dit kabinet is dat er voldoende betaalbare woningenworden gebouwd voor zowel mensen met een laag inkomen als voormensen met een middeninkomen. Wanneer alle gemeenten verplicht30 procent sociale huurwoningen moeten realiseren blijft er onvoldoenderuimte om ook voldoende woningen te bouwen voor mensen met eenmiddeninkomen. Daarnaast zou een dergelijk vast percentage ook nietbijdragen aan een meer evenwichtige woningvoorraad van gemeenten.In het kader van het programma STOER wordt vooral gekeken naaraanpassing van regelgeving om procedures te versnellen, onderzoeks-lasten te verkleinen en de kosten voor het bouwen van een woning teverlagen. Belangrijk daarbij is ook het voorkomen van de stapeling vanlokale eisen zodat projecten financieel uitvoerbaar blijven.Vraag 68De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden de verplichting voorgemeenten met relatief weinig sociale huur, om tenminste 30 procentsociale huur bouwen, een te lage ambitie. Zij vragen zich af waarom deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2047 regering niet een hoger percentage hanteert. Zou een hoger percentageniet verstandiger zijn om tegenwicht te bieden aan het dalende aandeelsociale huur als gevolg van sloop, verkoop en liberalisatie van bestaandesociale huurwoningen? Zij vrezen dat het aantal sociale huurwoningen inNederland zal dalen, ziet de regering dit risico? Kan ze uitsluiten dat hetaantal sociale huurwoningen niet daalt? Hoe rekent de regering deminimale regionale nieuwbouweis voor sociale huur van 30 procent voorslechts een deel van de gemeenten door naar een stijging van hetlandelijke aandeel sociale huur van 27 procent naar 30 in de totalewoningvoorraad? Hoe kijkt de regering naar het probleem van «nepsociale-huur»: huurwoningen die slechts tijdelijk in het sociale segmentvallen en na een paar jaar voor de hoofdprijs verhuurd worden? Welkewaarborgen zitten in de wet om de bouw van dit type woningen tevoorkomen? Hoe kijkt de regering naar een regel dat sociale huurwo-ningen minstens 25 jaar in het sociale segment zouden moeten vallen?De zorgen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de ambitieom een deel van de gemeenten verplicht 30 procent sociale huur te latenbouwen te laag zou zijn deel ik niet. Ik heb als doel dat van allenieuwbouw de komende jaren, 30 procent sociale huur zal zijn. Dat is eenambitie die op nationaal, provinciaal en regionaal niveau gehaald moetworden; die ambitie wordt dus niet beïnvloed door de gemeentelijkeinstructieregels.Ik deel ook de zorgen niet dat deze ambitie zal leiden tot minder socialehuurwoningen in absolute zin; sterker nog, ik ben ervan overtuigd dathierdoor het totale aantal sociale huurwoningen zal stijgen zoals ik ookmet gemeenten en corporaties heb afgesproken in de Nationale Prestatie-afspraken. Het zou kunnen dat het aandeel sociale huur op nationaalniveau wel afneemt, maar ik heb ook geen doelstelling voor het aandeelsociale huur op nationaal niveau.Ik ben bekend met het fenomeen «nep-sociale huur» en vind het net als deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie onwenselijk dat dergelijkewoningen gebouwd worden. Want sociale huurwoningen moeten nietalleen qua huur voldoen aan het criterium en vervolgens relatief snelworden uitgepond, maar ook beschikbaar zijn voor huishoudens met eenlaag inkomen. Dit wordt gewaarborgd doordat in het ontwerpbesluit eennieuwe definitie van sociale huur is opgenomen. Alleen woningen diehieraan voldoen, tellen mee voor de nieuwbouwdoelstelling van30 procent. Onderdeel van die definitie is dat woningen van particuliereverhuurders ten minste 25 jaar in het sociale segment moeten vallen enbij mutatie beschikbaar moet zijn voor huishoudens met eenDAEB-inkomen.Vraag 69De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af hoe bijvoorbeeldeen provincie als Zuid-Holland, de armste provincie van Nederland, waarmeer dan de helft van de huishoudens aanspraak maakt op een socialehuurwoning, en maar slechts 15 van de 50 gemeenten aan de eis van30 procent voldoet – op koers gaat komen om 30 procent sociale huur inde voorraad te hebben, zonder hogere ambitie in de nieuwbouw.De inkomenssamenstelling en de samenstelling van de woningvoorraadwat betreft eigendom en prijsklasse van Zuid-Holland komt overeen metde samenstelling in heel Nederland. De provincie Zuid-Holland is dus nietéén van de armste provincies van Nederland. De verwachting is ook nietdat de inkomensdoelgroep voor de sociale huur in Zuid-Holland sterkergaat groeien dan gemiddeld in Nederland (bron Socrates 2024,ABF-Research).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2048 De nieuwbouwdoelstelling van het kabinet is gericht op de toename inabsolute zin van meer betaalbare woningen en niet op het aandeel socialehuurwoningen op nationaal niveau of per gemeente. Zodoende stuurt hetwetsvoorstel hier ook niet op. Daarnaast komt met een hogere ambitievoor sociale huurwoningen in de nieuwbouw de bouw van woningen inhet middensegment in de knel. Daarmee kan minder goed wordenvoorzien in de woonbehoeftes van mensen met een middeninkomen. Ookvoor deze mensen is er een groot tekort aan betaalbare woningen.Op dit moment behoort in Zuid-Holland ruim 28 procent van dezelfstandige woningen tot de DAEB-voorraad van corporaties. Daarnaastzijn er nog particuliere huurwoningen met een huur tot de socialehuurgrens. Volgens een inschatting van ABF Research heeft 37 procent(Bron Socrates 2024) van de voorraad in Zuid-Holland een huur tot desociale huurgrens.Niet alle huishoudens die op basis van hun inkomen tot de doelgroep vande sociale huursector behoren, wonen in een sociale huurwoning.Ouderen kunnen bijvoorbeeld nadat ze gestopt zijn met werken alleen deAOW als inkomstenbron hebben. Het inkomen kan gedaald zijn terwijl zeal in een (deels afgeloste) koopwoning wonen.Zoals de leden van de fractie GroenLinks-PvdA terecht constateren heefthet merendeel van de gemeenten in Zuid-Holland geen aandeel van30 procent sociale huurwoningen. Vaak is het aandeel sociale huur in degrotere steden hoger dan in de kleinere steden. Om te komen tot eenmeer evenredige verdeling binnen een regio, moeten daarom gemeentenmet minder sociale huurwoningen dan het landelijk gemiddelde30 procent sociale huur realiseren.Vraag 70De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn, gezien de uitdagingen waarwe voor staan om tot het gewenste evenwicht in de woningvoorraad tekomen, voorstander van een wettelijke ambitie van 40 procent socialehuur in de nieuwbouw. Waarom heeft de regering het aandeel socialehuur in de nieuwbouw niet op 40 procent vastgesteld? Zou zij overwegenom dit alsnog te doen? Zo nee, waarom hanteert zij dan wél eenverplichting van 40 procent als het gaat om de bouw van middeldurewoningen in gemeenten die een hoger aandeel bestaande sociale huurhebben?De doelstelling om twee derde betaalbare woningen te realiseren en30 procent sociale huurwoningen is een woningbouwprogrammering dieaansluit bij wat er nodig is gezien de verwachte inkomensontwikkelingvan huishoudens, de verwachte ontwikkelingen in de bestaande voorraadwoningen (verhuizing/doorstroming, prijsontwikkeling en sloop) en dewoonvoorkeuren. ABF Research brengt jaarlijks de Woningmarktver-kenning uit waarin dit onderzocht wordt. De inzet van het wetsvoorstelqua betaalbaar bouwen sluit aan bij wat grosso modo telkens uit ditjaarlijkse onderzoek blijkt.Vraag 71De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af hoe de verwachtenetto voorraad aan sociale huur eruitziet over tien jaar met de voorge-nomen plannen. Hoe zou de voorraad er over tien jaar uit zien bij eenongewijzigde Wet versterking regie volkshuisvesting? Hoe zou devoorraad er over tien jaar uit zien als een eis van 40 procent sociaal bijnieuwbouw werd gehanteerd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2049 In de periode tussen 2025 tot en met 2034 neemt het aantal socialehuurwoningen naar verwachting met ongeveer 100 tot 130 duidendwoningen toe. Dit zullen nagenoeg uitsluitend woningen van corporatieszijn. Het aandeel sociale huur in de totale woningvoorraad zal licht dalenomdat er ook woningen in de andere segmenten bijkomen en voorraad-mutaties als gevolg van sloop, verkoop en liberalisatie met name in hetsociale huursegment plaatsvinden. Naar verwachting is het aandeelsociale huur in de voorraad over 10 jaar circa 32 procent (Bron: Socrates2024, ABF Research). Dit betreft zowel corporatiewoningen en particulierehuurwoningen met een huur tot de sociale huurgrens. Zoals ik in mijnantwoord op vraag 49 toelicht, wordt er in het scenariomodel Socratesvan ABF Research voor de huurwoningen geen onderscheid gemaakt naarcorporatie en particulier bezit. Op dit moment is het aantal socialehuurwoningen van woningcorporaties het uitgangspunt voor deberekening van het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad.Het aandeel sociale huurwoningen van corporaties in de woningvoorraadis 25,7 procent.In aanloop naar de Woontop is een scenario voor de periode 2024–2039doorgerekend door ABF-Research, waarbij het uitgangspunt is dat40 procent van de nieuwe woningen (zowel corporatie- als particulierewoningen) een huur heeft onder de sociale huurgrens.In de huidige voorraad (2024) is een aandeel van 34 procent een woningmet een huur tot de sociale huurgrens. In de variant waarbij 40 procentvan de nieuwe woningen een huur heeft tot de sociale huurgrens is hetaandeel woningen met een huur tot de sociale huurgrens in 203933 procent.Vraag 72De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af hoe de regeringvoorkomt dat alleen zeer rendabele projecten, met dus minder betaalbarewoningen, worden gerealiseerd? Hoe gaan gemeente, provincie of Rijkhierop toezien en sturen? Wat voor mogelijkheden zijn er om in te grijpenof bij te sturen als gevraagde percentages sociaal en betaalbaar nietworden gehaald? Wat als gemeenten en ontwikkelaars wel betaalbaarwíllen bouwen, maar aanlopen tegen financiële belemmeringen,stikstofproblemen, of andere kritische succesfactoren uit de regionalewoondeals? Welke instrumenten heeft de provincie of het Rijk om tezorgen dat gemeenten en ontwikkelaars de percentages toch kunnenhalen? Is er genoeg geld gereserveerd om alle onrendabele toppen tedekken om de bouwdoelen te halen? Klopt het dat gemeenten wordengeacht om 50 procent van de kosten te dekken? Wat doet de regering omgemeenten daar genoeg middelen voor te geven?In aanloop naar de Woontopafspraken heb ik samen met marktpartijen definanciële haalbaarheid getoetst. Uitkomst van deze toetsing is dat debeschikbare middelen voor de komende vijf jaar grotendeels toereikendzijn om de tekorten te dekken en twee derde betaalbaar te bouwen. Opprojectniveau zijn er onzekerheden. Het gaat onder andere om netcon-gestie, groen in en om de stad en de kaderrichtlijn water. De afspraak overhet twee derde betaalbare segment geldt op het niveau van de regio;differentiatie is mogelijk per woningbouwlocatie. Dit is inmiddels depraktijk op basis van de woondeals en wordt bestendigd in het ontwerp-besluit.Ik zie het als een gedeelde verantwoordelijkheid om woningbouwfinancieel haalbaar te maken. Daarom draag ik via regelingen zoals deRealisatiestimulans, de Woningbouwimpuls en het Gebiedsbudget bij aande woningbouw. Op deze manier verlaag ik het publiek tekort als gevolgTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2050 van woningbouw voor medeoverheden. Gemeenten hebben invloed opde omvang van het tekort. Lokale beleidskeuzes hebben impact op definanciële haalbaarheid. Het gaat dan bijvoorbeeld over locatiekeuze enambities voor groen, voorzieningen, parkeeroplossingen én het volkshuis-vestingsprogramma. Het is daarom belangrijk dat zij zelf ook financieelverantwoordelijk zijn voor het dekken van het publieke tekort.Zoals ik in mijn antwoord op vraag 26 toelicht, zal ik via de monitoring enbestuurlijk overleg samen met de provincies periodiek toezien op devoortgang van de programmering en bouw van betaalbare woningen.Gemeenten die deze betaalbare woningen alleen programmeren enrealiseren aan het einde van de afgesproken periode kunnen deze doelennooit realiseren. Dit is dan aanleiding om dit bestuurlijk te bespreken enwaar nodig te interveniëren. Ik ben daarnaast voornemens om deRealisatiestimulans zo in te richten dat gemeenten een bijdrageontvangen per jaar per betaalbare woning.Vraag 73Volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie is de sociale huursectorer voor lage en middeninkomens. Deelt de regering die visie? Zo ja,vragen deze leden zich af waarom er niet op een hoger percentage socialehuur wordt gemikt aangezien een dergelijke brede doelgroep in de socialesector moet kunnen wonen.De doelgroep van de sociale huursector in Nederland is afgebakend doorde inkomensgrenzen die het Rijk gesteld heeft. Binnen dat kader blijkt uitde meest recente Woningmarktverkenning van ABF Research – waarbijonder andere rekening gehouden wordt met de woningbehoefte,inkomensontwikkeling en voorraadontwikkeling – dat, om zo goedmogelijk aan de woningbehoefte tegemoet te komen, rond de 30 procentvan de woningbouw (nieuwbouw en overige toevoegingen) een woningtot de sociale huurgrens zou moeten zijn. De doelen die ik stel sluitenhierbij aan, een hogere doelstelling acht ik dus niet wenselijk. Niet allehuishoudens met lage- en middeninkomens hebben behoefte aan eensociale huurwoning. Een deel van deze huishoudens wonen bijvoorbeeldin een koopwoning.Vraag 74De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen enzorgen als het gaat om de verplichting van 40 procent middeldurewoningen voor gemeenten met een hoog aandeel sociale huur. Deelt deregering de constatering dat gemeenten met relatief veel sociale huur, eendergelijk hoog aandeel sociale huur hebben, omdat dit past bij dewoonbehoefte in hun gemeente – met andere woorden, omdat dit keihardnodig is? Deelt de regering de constatering dat dit bijvoorbeeld gaat omde grote steden, waar de wachtlijsten voor de sociale huur vaak meer dantien jaar zijn? Deelt de regering de constatering dat dit juist plekken zijnwaar de nieuwbouw van sociale huur nodig is om de wachtlijsten naarbeneden te krijgen? Zo ja, waarom legt de regering deze gemeenten eenplicht op om ten minste 40 procent middeldure koop- en huurwoningen tebouwen? Onderschrijft de regering dat het onwenselijk is als door ditvoorschrift het totale aantal sociale huurwoningen in Nederland nietvoldoende toeneemt of zelfs afneemt? Hebben gemeenten eenmogelijkheid om hier vanaf te wijken? Waarom geldt voor dezegemeenten geen verplichting om sociale huur bij te blijven bouwen? Dezeleden vragen zich af of de regering rekening heeft gehouden met hetverschil in relatieve groei van gemeenten naar gelang de mate vanstedelijkheid? Deelt de regering de analyse dat de gemeenten met relatiefmeer sociale huurwoningen gemiddeld genomen een hogere mate vanstedelijkheid hebben en gemiddeld relatief meer nieuwbouw hebben?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2051 Hoeveel moeten deze gemeenten – die geen plicht hebben tot de bouwvan sociale huurwoningen – gemiddeld bouwen aan sociale huurwo-ningen om landelijk een gemiddelde van 30 procent te bereiken? En hoeontwikkelt het landelijke percentage sociale huurwoningen als aandeel inde totale woningvoorraad, en in absolute aantallen, als deze socialehuurwoningen niet worden gerealiseerd omdat deze gemeenten geenverplichting hiertoe hebben, maar wel een verplichting hebben omtenminste 40 procent middensegment te realiseren?Ik verwijs voor de vragen over gemeenten met relatief veel sociale huurnaar mijn antwoord op vraag 49. Daar licht ik toe dat in het ontwerpbesluitis opgenomen dat binnen een regio 30 procent sociale huur moet wordengeprogrammeerd. Gemeenten onder het landelijk gemiddelde krijgen deinstructie om 30 procent sociale huur te programmeren. Gemeentenboven het landelijk gemiddelde krijgen de instructie om 40 procent in hetmiddensegment te programmeren. Indien de optelling van allegemeenten niet tot 30 procent sociale huur regionaal leidt, maakt de regioafspraken over de realisatie van de woningen die aanvullend nodig zijnom 30 procent sociale huur op regionaal niveau te behalen. Daarmee isgeborgd dat van de gerealiseerde woningen op regionaal niveau30 procent een sociale huurwoning is, ongeacht verschillen in stede-lijkheid binnen een regio.In mijn antwoord op vraag 64 beschrijf ik de mogelijkheden die hetcollege van burgemeester en wethouders hebben om aan gedeputeerdestaten of, wanneer dat nodig blijkt daarna, aan mij ontheffing kan vragenwanneer de instructieregels ten aanzien van de betaalbaarheidspercen-tages aantoonbaar niet passend zijn bij de woningmarkt in die gemeente.Het is dan eerst aan gedeputeerde staten om te overwegen of zij bereid enin staat zijn om de gevraagde ontheffing te verlenen. In mijn antwoord opvraag 11 bied ik inzicht in de ontwikkeling van de sociale woningvoorraadten opzichte van de totale woningvoorraad.Vraag 75De leden van de GroenLinks-PvdA-fractiezijn voor gemengde en diversewijken, is de regering dat ook? Deze leden vinden het teleurstellend datgenoemde percentages niet gelden op project- of wijkniveau. Deelt deregering de analyse dat dit in de praktijk neerkomt op segregatie, omdatgemeenten dure villawijken mogen bouwen zonder enige betaalbarewoning, zolang ze ergens aan de rand van hun gemeente ook enkelebetaalbare woningen bouwen? Zo nee, waarom deelt zij die analyse niet?Zij vragen de regering wat zij denkt dat dit betekent voor de diversiteit vanwijken in Nederland? En gezien alle toevoegingen van woningen (ookdoor splitsing of optopping) bijdragen aan het behalen van het streefper-centage, betekent dit in de praktijk dat een gemeente sociale huurwo-ningen kan optoppen of splitsen, om een «plekje» vrij te maken om eendure villa te bouwen?Gemeenten hebben het beste zicht op welke woningen er in een bepaaldewijk toegevoegd moeten worden om bij te dragen aan vitale en leefbarewijken. Juist om die reden gelden de betaalbaarheidsdoelstellingen ookniet op het niveau van een wijk of een project. Wanneer woningen wordentoegevoegd door middel van optoppen of splitsen, kunnen dit socialehuurwoningen zijn, maar ook middenhuur of (betaalbare) koop. Hettoepassen van het percentage kan er inderdaad toe leiden dat ertegenover de bouw van dure koopwoningen de bouw van betaalbarewoningen komt te staan. Daardoor groeit de woningvoorraad ook in datsegment. In het beleid dat gemeenten in hun volkshuisvestingspro-gramma beschrijven voor de leefbaarheid, kunnen ze inzetten opdifferentiatie op wijk- of buurtniveau, bijvoorbeeld door maatregelen teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2052 nemen om via herstructurering tot een gedifferentieerd woningaanbod tekomen. Gemeenten kunnen ook op de diversiteit van wijken sturen doorbepaalde categorieën woningzoekenden, in specifieke wijken en onderspecifieke voorwaarden, via de huisvestingsverordening voorrang teverlenen op grond van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijkeproblematiek.Vraag 76De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering de gemeentes in eenregio onderling willen laten uitzoeken welke percentages sociale huur enbetaalbare woningen zij bouwen. Deze leden vragen de regering welkerisico’s deze keuze met zich meebrengt met het oog op versnelling envertraging. Zij vragen de regering ook of de gemeentes binnen eenzelfderegio gebonden zijn aan een termijn waarbinnen bekend moet zijn welkegemeentes welk percentage gaat realiseren.Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 65, waarin een vergelijkbarevraag is gesteld. Daar licht ik toe dat het inderdaad bestuurlijk overlegvereist in de woningbouwregio over de nadere verdeling. Een dergelijkoverleg vind ik echter niet onnodig tijdsverlies, maar juist passend bij debestuurlijke samenwerking die nodig is om de woningbouw te realiseren.Vraag 77De leden van de NSC-fractie lezen dat de provincie en het Rijk debevoegdheid hebben om een knoop door te hakken over een woning-bouwlocatie als dit op lokaal niveau onvoldoende lukt. Deze leden vragende regering op welke termijn de provincie en/of het Rijk ingrijpen wanneerdecentraal een conflict ontstaat.Ik deel het gevoel van urgentie voor het versnellen van de woningbouw.Van belang is dat gekozen wordt voor de interventie die het snelst totresultaat leidt. Daarbij speelt ook de oorzaak een rol in gewensteinterventie bij bestuurlijke stagnatie. Bijvoorbeeld de vraag of een locatiegeschikt is voor woningbouw. Niet ieder decentraal conflict hoeft reden tezijn voor de provincie of het Rijk om in te grijpen, zolang een gemeentetijdig voldoende betaalbare woningen realiseert. Uitgangspunt isdaarnaast dat de interventie wordt ingezet die het snelst tot resultatenleidt. Vaak is een bestuurlijke interventie sneller dan inzet van doorzet-tingsmacht. Om die reden kan geen vaste termijn genoemd worden vooringrijpen door provincie of Rijk.Vraag 78De leden van de NSC-fractie vinden het belangrijk om met fatale termijnente werken. Zij vragen de regering of er een vaste termijn is vastgesteldwaarbinnen decentraal een conflict opgelost moet worden voordat hetRijk en/of de provincie ingrijpen en zo ja, wat deze termijn is.Ik verwijs voor dit antwoord, naar het antwoord op vraag 77. Daarin lichtik toe waarom geen vaste termijn wordt genoemd voor het ingrijpen doorprovincie of Rijk.Vraag 79De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering zal ingrijpen wanneereen gemeente met de bouwopgave achterblijft. Zij vragen de regeringwaaraan gepeild zal worden of een gemeente met haar bouwopgaveachterblijft. Daarnaast vragen zij of de regering aan deze peiling termijnverbind waarbinnen een gemeente een van te voren vastgesteld deel vande bouwopgave gerealiseerd moet hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2053 De kabinetsdoelstelling is dat er 100.000 woningen per jaar wordengerealiseerd. Ik maak samen met de provincies afspraken over deverdeling van dit aantal over de provincies en over de woningbouwre-gio’s. Provincies maken vervolgens met de gemeenten afspraken over hetaantal te bouwen woningen per gemeente per jaar en het aantal terealiseren betaalbare woningen binnen de kaders van de instructieregelsvan het ontwerpbesluit. Deze aantallen moeten worden gerealiseerdbinnen een bepaalde periode. Mijn voornemen is om voor deze periodeaan te sluiten bij de periode waarover bestuurlijke afspraken wordengemaakt, namelijk tien jaar. Deze aantallen nemen gemeenten op in hunvolkshuisvestingsprogramma en zij treffen maatregelen om dezeaantallen te realiseren. Via de Landelijke monitor voortgang woningbouwen de CBS cijfers over de realisatie houd ik frequent zicht op de voortgangvan de bouwopgave. Halfjaarlijks vindt ook bestuurlijk overleg plaats overde voortgang.Vraag 80De leden van de NSC-fractie zien het risico dat er met meer tempobetaalbaar gebouwd wordt dan dat er sociaal gebouwd wordt. Zij vindenhet belangrijk dat een concrete bouwlijst, bijvoorbeeld via een AlgemeneMaatregel van Bestuur (AMvB), onderdeel wordt van de wet en vragen deregering hoe zij gaan waarborgen dat 30 procent sociale huur actiefonderdeel zal zijn vanaf de start van de realisatie van de bouwopgave.Ik deel de urgentie dat er met meer tempo meer betaalbare woningenmoeten worden gebouwd. Onderdeel daarvan is dat provincies er zorgvoor dragen dat gemeenten zorgen voor voldoende bouwlocaties in hunomgevingsplannen. Via de Landelijke monitor voortgang woningbouwhoud ik zicht op dat er voldoende locaties zijn voor de woningbouw-opgave.Voor een overzicht van alle concrete bouwlocaties is geen wettelijkebevoegdheid nodig. In de Woontop is reeds bestuurlijk afgesproken dat ereen dergelijke lijst met bouwlocaties komt voor gevallen die verhoogdeattentie vereisen komt, ook de NOVI en het volkshuisvestingsprogrammavan het Rijk zullen hier aandacht voor hebben. In totaal gaat het omduizenden locaties die ook kunnen wijzigen omdat plannen uitvallen ofvertragen. Via de versnellingstafels worden locaties die vertragen ofuitvallen besproken. Er is geen meerwaarde om alle concrete bouwlo-caties in een algemene maatregel van bestuur op te nemen. Een derge-lijke gedetailleerde wijze van reguleren van bouwlocaties past bovendienniet bij de uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit. Om hetrealiseren van de 30% sociale huurwoningen op regionaal, provinciaal ennationaal niveau te borgen is in het ontwerpbesluit een instructieregeltoegevoegd.Vraag 81De leden van de NSC-fractie lezen dat het Rijk en de provincietoestemming kunnen geven aan gemeenten om af te wijken van deRijksinstructieregels of afwijkende provinciale regels wanneer eengemeente van mening is dat zij hiervoor in aanmerking komen endaarover overlegd heeft met gemeentes in de regio. Zij vragen deregering hoe gekaderd is of een gemeente terecht aanspraak maakt opafwijking van de rijksinstructieregels of afwijkende provinciale regels.De afwijking van de instructieregels door middel van een ontheffing isalleen mogelijk wanneer de voorgeschreven betaalbaarheidsprogram-mering aantoonbaar niet passend is bij de lokale of regionale situatie. Deontheffing wordt alleen verleend om redenen van volkshuisvestelijkeaard, niet om financiële redenen. Daarmee is de ontheffingsmogelijkheidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2054 voor wat betreft het doel waarvoor deze toegepast mag wordeningekaderd. Bovendien mag de ontheffing alleen worden verleend als ookde regionale en provinciale doelen nog steeds worden gerealiseerd,omdat met de ontheffing niet van de betaalbaarheidsprogrammering tenaanzien van de provincie wordt afgeweken.Vraag 82De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het aandeel sociale huurdat een gemeente moet bouwen. Als een gemeente een lager percentagesociale huur in de voorraad heeft dan gemiddeld, moet deze gemeententen minste 30 procent sociale huur in de nieuwopgave programmeren.Deze leden staan positief tegenover de uitzondering die de instructieregelbiedt, zodat, na onderbouwing en afstemming, afgeweken mag wordenvan deze regel. Hoe ziet die onderbouwing er precies uit? En wanneer isde regionale afstemming voldoende? En wat is precies de rol van deprovincie hierin? Kan de gemeente deze uitzondering zelf regelen?Alleen de provincie of het Rijk zijn bevoegd om deze ontheffing teverlenen. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 36, waar wordtbeschreven wanneer een ontheffing verleend kan worden op grond vanmotieven van volkshuisvestelijke aard.Vraag 83De leden van de SGP-fractie merken op dat in de toelichting van deTweede nota van wijziging wordt gesteld dat de percentages niet perproject gelden. Echter, in sommige kleinere gemeenten worden er inabsoluut aantal niet veel woningen bijgebouwd per jaar, waardoor de eisvan 30 procent sociale huur in de gemeente alsnog op één of enkeleprojecten kan slaan, zo stellen zij. Erkent de regering dat, en wat is deappreciatie van de regering daarop?Ik erken dat kleine gemeenten vaak slechts kleine bouwprojectenrealiseren. Om die reden geldt de betaalbaarheidsprogrammering over degehele periode waarover afspraken worden gemaakt over het aantal tebouwen woningen. Deze periode is tien jaar. Via de woningbouwprogram-mering wordt wel zicht gehouden op de realisatie en op de totaleprogrammering voor deze periode.3.1.5 Overgang van huidige situatie naar inwerkingtredingwetsvoorstel Vraag 84De leden van de VVD-fractie vragen welke maatregelen er precies kunnenworden genomen als gemeenten en provincies te strenge en te hogebetaalbaarheidseisen opleggen, waardoor de woningbouw stilvalt. Het voorgenomen ontwerpbesluit stelt kaders aan de bevoegdheid van deprovincie ten aanzien van de betaalbaarheidsprogrammering. In hetontwerpbesluit wordt voorgesteld dat provincies geen strengere regelsmogen stellen ten aanzien van instructieregels die zien op de betaalbaar-heidsprogrammering voor gemeenten. Regels in de verordening van deprovincie die toch strenger zijn en dus hogere betaalbaarheidseisenopleggen, zijn daarmee onverbindend.Het ontwerpbesluit bevat echter geen maximale percentages ten aanzienvan de betaalbaarheidsprogrammering voor gemeenten. Het kan voor hetrealiseren van de regionale doelen ook noodzakelijk zijn dat een gemeentemeer dan twee derde betaalbare woningen realiseert. Daartoe moet dusook ruimte zijn. Bij het inrichten van de financiële regelingen kijk ik echterook naar de mogelijkheid om bovenmatige betaalbaarheidseisen teontmoedigen, omdat ik het niet wenselijk vind dat gemeenten hogereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2055 betaalbaarheidseisen stellen dan nodig voor het behalen van de regionaleopgave.Wanneer gemeenten en provincies regels stellen die de financiëleuitvoerbaarheid van projecten belemmeren dan heb ik de bevoegdheidvan doorzettingsmacht via instructiebesluiten of instructieregels om hiereen halt toe te roepen. Deze kunnen zien op het provinciaal, dan wel hetgemeentelijk volkshuisvestingsprogramma met het oog op eenevenwichtige samenstelling van de woningvoorraad. Ook kan deinstructie zien op regels in de omgevingsverordening of hetomgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functiesaan locaties. Het Rijk kan, net als de provincie, rechtstreeks instructiesgeven over de inhoud van gemeentelijke omgevingsplannen. Het Rijk kaninstrueren op de omgevingsverordening, met het oogmerk dat daarininstructieregels worden gesteld over omgevingsplannen. Dezemogelijkheid van zogenoemde «getrapte» instructies, waarbij het Rijk eeninstructie geeft aan de provincie om een instructie op te leggen aangemeenten, komt met dit wetsvoorstel expliciet als bevoegdheid terug inde Omgevingswet. Gemeenten die om welke reden dan ook achterblijvenin bijvoorbeeld de bouwopgave, kunnen dus zowel door de provincie alshet Rijk rechtstreeks met instructies worden opgedragen hetomgevingsplan aan te passen teneinde bepaalde typen woningbouw opeen bepaalde locatie mogelijk te maken.3.1.6 Versnellen van procedures Vraag 85De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de regering bereid is deprojecten van een zwaarwegend maatschappelijk belang al op te nemenin het wetsvoorstel of in de diverse beleidsprogramma’s. Heeft deregering al zicht op welke locaties in aanmerking komen voor ditzwaarwegende maatschappelijke belang? Deze leden vragen zich af of deregering bereid is de eis van «12 woningen of meer» los te laten endaarmee de hele bezwaar- en beroepsprocedure te herzien. Dit wetsvoorstel voegt een grondslag aan de Omgevingswet toe om bijalgemene maatregel van bestuur tijdelijk besluiten voor categorieënprojecten te kunnen aanwijzen, waarvan de versnelde uitvoeringnoodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Hetgaat hierbij om besluiten, zoals omgevingsplannen en omgevingsvergun-ningen, voor categorieën projecten, waarbij het niet nodig is om ook eenlocatie aan te wijzen.Het kan alleen gaan om projecten met een grote maatschappelijkeurgentie en betekenis voor de samenleving en die noodzaken tot eenversnelde uitvoering van deze projecten. Het hoeft hierbij niet alleen tegaan om categorieën woningbouwprojecten, maar ook andere catego-rieën projecten kunnen bij algemene maatregel van bestuur wordenaangewezen. Er is gekozen voor deze algemene grondslag, omdat ookandere zwaarwegende maatschappelijke belangen tot aanwijzing vanandere categorieën projecten dan woningbouwprojecten kunnennoodzaken. Het is doelmatiger om te voorzien in een algemene wettelijkegrondslag die bij algemene maatregel van bestuur kan worden ingevuld,aangezien op deze manier sneller kan worden ingespeeld op situatieswaarin zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzaken tot hetversnellen van beroepsprocedures.Gelet op de grote woningbouwopgave en de grote maatschappelijkegevolgen die het tekort aan woningen voor mensen heeft, zijn met deversnelde uitvoering van woningbouwprojecten van enige omvangzwaarwegende maatschappelijke belangen gemoeid. Voor woningbouwworden daarom in het ontwerpbesluit het omgevingsplan en een aantalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2056 omgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten van twaalf of meerwoningen aangewezen.Ik kies voor dit aantal omdat er vanaf dit aantal woningen sprake is vaneen woningbouwproject van enige omvang dat een wezenlijke bijdragelevert aan het oplossen van het nijpende woningtekort. Hoewel iederewoning telt bij het oplossen van het woningtekort, moet tegelijkertijd hetaantal ook niet te laag liggen, omdat dit zou leiden tot een te grotetoename van het aantal zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak endaarmee de beoogde versnelling onder druk komt te staan. Bij hetbepalen van de categorieën projecten waarop de in de wet opgenomenprocedurele versnellingen van toepassing zijn, is het belang van deaanwijzing vanwege de zwaarwegende belangen die versnelde uitvoeringnoodzakelijk maken afgezet tegen de maatschappelijke effecten en degevolgen voor de rechtspraak, in het bijzonder de consequenties voor deAfdeling bestuursrechtspraak. Ik wil voorkomen dat de aanwijzing tot eente grote toename van het aantal zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraakleidt.Op basis van een onderzoek21 naar procedures over woningbouwpro-jecten die in de afgelopen jaren bij rechtbanken en de Afdeling bestuurs-rechtspraak zijn gevoerd, is een inschatting gemaakt van de te verwachtegevolgen van de aanwijzing daarvan voor de werklast bij de Afdelingbestuursrechtspraak. Uit het onderzoek blijkt dat bij de aanwijzing vanwoningbouwprojecten van twaalf of meer woningen naar verwachting toteen toename van 39 zaken per jaar bij de Afdeling bestuursrechtspraakleidt.22 Dit acht ik een aanvaardbare toename van het aantal zaken.Het loslaten van de eis van twaalf woningen of meer kan mijns inziensleiden tot een te grote toename van zaken bij de Afdeling bestuursrecht-spraak en daarmee het risico dat de beoogde versnelling onder druk komtte staan.Vraag 86De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering met deze wijziging in dewet een versnelling bij bouwprojecten verwacht te realiseren van tenminste zeven maanden. Deze leden vragen de regering wat de verwachtegemiddelde versnelling zal worden over de landelijke bouwopgave.De door de leden van de NSC-fractie aangehaalde verwachte versnellingvan zeven maanden is in de toelichting op de tweede nota van wijziginggekoppeld aan de aanpassing van de experimenteerbepaling van deOmgevingswet. Daaraan wordt nu een grondslag voor het uitbreiden vanhet toepassingsbereik bij ministeriële regeling toegevoegd. Nieuwegebieden of gemeenten kunnen dan voortaan bij ministeriële regelingworden toegevoegd aan een bestaand experiment. Dit levert eenversnelling van zeven maanden op, omdat er geen wijziging van dealgemene maatregel van bestuur nodig is.Vraag 87De leden van de NSC-fractie zien noodzaak om in de planvormingversnelling aan te brengen. Deze leden vragen de regering hoe zij dit gaanbewerkstelligen.21Rijksuniversiteit Groningen, De consequenties van de wijziging van rechtsbeschermingsproce-dures over woningbouwprojecten, 24 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24,36 512, nr. 522Rijksuniversiteit Groningen, De consequenties van de wijziging van rechtsbeschermingsproce-dures over woningbouwprojecten, 24 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24,36 512, nr. 5, p. 12–13Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2057 Ik onderschrijf de noodzaak om ook de planvorming te versnellen. Op deWoontop van 11 december 2024 zijn landelijke wederkerige afsprakengemaakt tussen het Rijk, medeoverheden, investeerders, marktpartijen enwoningcorporaties om de aanpak van de woningnood naar een volgendefase te brengen en te versnellen. De afspraken zijn samen met de partnersgemaakt en zorgen ervoor dat er wel 100.000 woningen per jaar wordengerealiseerd. De afspraken gaan over voldoende locaties, doorbraken oplocaties, het investeringsklimaat, financiële rijksbijdragen voor betaalbarewoningen, het beter benutten van bestaande gebouwen en het versnellenvan procedures. Onderdeel van deze afspraken is ook het versterken vanambtelijke capaciteit en door parallel plannen door te voeren als vastewerkwijze bij gemeenten door het versterken van kennis bij gemeenten.Dit wetsvoorstel stuurt op de beschikbaarheid van voldoende locaties enversnelling van procedures. Met het programma STOER zet ik in opversnelling van de planvorming door ook te kijken naar bijvoorbeeld deonderzoekslasten bij planvorming.Vraag 88De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering de ladder voorduurzame verstedelijking compleet uit zal gaan zetten voor het onderdeelwoningbouw. Zij vragen de regering hoe zij ervoor gaan zorgen datondanks de aanpassing van de ladder realisatie van woningen uitbestaande bouw en nabij het openbaar vervoer en infrastructuur actiefbenut blijft worden.De leden van de NSC-fractie uiten de zorg dat het uitzetten van de Laddervoor duurzame verstedelijking voor woningbouw zal leiden tot minderaandacht voor de realisatie van woningen uit bestaande bouw en nabijhet openbaar vervoer en infrastructuur. De Ladder is een instructieregeldie eisen stelt aan de inhoud van het omgevingsplan. Het kabinet heeftbesloten dat de Ladder niet meer van toepassing is voor woningbouw.Hiermee verdwijnt een aanvullende motiveringsplicht voor gemeenten alszij in het omgevingsplan woningbouwlocaties mogelijk willen makenbuiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand vande bebouwing van stedelijk gebied. Het is echter geenszins de bedoelingdat bij de realisatie van nieuwe woningbouwlocaties – buitenstedelijk ofbinnenstedelijk – niet meer nagedacht wordt over de ontsluiting van dezelocaties. Gemeenten moeten bij het opstellen van het omgevingsplanrekening houden met alle aanwezige belangen waaronder de ontsluitingvan woningbouwlocaties. Dit volgt uit artikel 4.2, eerste lid, van deOmgevingswet.Als er binnen de gemeente inbreidingslocaties bestaan kan de gemeentedeze locaties nog steeds benutten. Dit is gezien de grote woningopgaveook wenselijk. De meeste woningbouwlocaties zijn gelegen in binnenste-delijke gebieden – 70 procent – terwijl 30 procent van de woningbouwlo-caties zijn gelegen in buitenstedelijk gebied. Ook de realisatie vanwoningen uit bestaande bouw door bijvoorbeeld kantoren om te bouwentot woningen is en blijft noodzakelijk.Vraag 89De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering nog bekijkt hoevoorkomen gaat worden dat decentraal de ladder voor duurzameverstedelijking voor het onderdeel woningbouw opnieuw ingevoerd gaatworden. Zij vragen de regering op welke termijn de Kamer gaat horen hoede regering dit wilt bewerkstelligen. Zij vragen de regering ook hoe zijvoorkomt dat in het buitengebied onder andere de stankcirkels, bereik-baarheid en werkplekken de bepalende en beperkende factor gaat wordenin plaats van een integrale afweging vooraf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2058 De Ladder is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteitleefomgeving. Voorgesteld wordt aan dit artikel een vijfde lid toe tevoegen. Daarin wordt bepaald dat de Ladder niet van toepassing is op eenomgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, diebestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een woningbouwlocatie, alsuit het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma van die gemeente blijktdat er een woningbouwopgave is.Met deze wijziging wordt uitdrukkelijk bedoeld om minder sterk te sturenop de belangenafweging met betrekking tot een omgevingsplan datvoorziet in een ontwikkeling of uitbreiding van een woningbouwlocatie.De inperking in het nieuwe vijfde lid heeft om die reden een uitputtendkarakter. Dit betekent dat er op dit punt geen bevoegdheid resteert om deLadder door middel van decentrale regels alsnog volledig van toepassingte verklaren op de ontwikkeling of uitbreiding van woningbouwlocaties, ofom met hetzelfde motief andere aanvullende eisen te stellen over debehoefte aan woningbouwlocaties of de wijze waarop rekening daarmeemoet worden gehouden als die buiten stedelijk gebied worden voorzien.Het uitzetten van de Ladder voor woningbouw laat echter onverlet datgemeenten er op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswetvoor moeten zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot eenevenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij rekening wordtgehouden met álle aanwezige belangen.Vraag 90De leden van de CDA-fractie vragen de regering welke mogelijkheden erzijn voor provincies en gemeenten om capaciteitstekorten op afdelingenruimte, wonen en andere relevante afdelingen op te lossen, bijvoorbeelddoor parallelle planprocessen.Ambtelijke capaciteitstekorten worden door medeoverheden vaakgenoemd als een belangrijke reden voor vertraging in woningbouwpro-jecten. In 2020 verscheen daarom de eerste tranche van de zogenoemdeflexpoolregeling. In 2022 is 80 miljoen euro gereserveerd voor hetvoortzetten van de flexpoolregeling: de eerste helft werd in dat jaaruitgekeerd, de tweede 40 miljoen euro is per 2024 beschikbaar gesteld.Provincies kunnen deze middelen inzetten om een flexibele pool metcapaciteit en expertise in te richten, of ze rechtstreeks doorgeven aangemeenten. De medeoverheden kunnen deze middelen vervolgens tot enmet 2026 (met eventuele verlenging van maximaal één jaar) inzetten omextra capaciteit aan te trekken voor de woningbouwopgave.Daarnaast zijn er tijdens de Woontop aanvullende afspraken gemaakt overhet versterken van uitvoeringskracht bij medeoverheden. Het Ministerievan Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, IPO en VNG werken aaneen interbestuurlijk programmatische aanpak om voldoende «meedoe-kracht» in de woningbouwregio’s te organiseren. Parallel plannen is bijeen aantal gebieds- en projectontwikkelingen een effectieve innovatievewerkwijze gebleken om werkprocessen en besluitvorming te versnellen.Deze methode wordt geleidelijk landelijk in samenwerking met overhedenen marktpartijen opgeschaald middels standaardisatie, kennisdeling,beleidsmatige en organisatorische inbedding.3.1.7 Griffierechten bij beroep tegen onteigeningsbesluiten Vraag 91De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de regering bereid is degriffiekosten bij de Raad van State voor bouwzaken te verhogen, zodat diteen extra drempel tot procederen oplegt. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2059 In het kader van het programma STOER wordt gekeken naar diverseprocedurele versnellingen in de bezwaar- en beroepsprocedure. Deexterne adviesgroep heeft op 2 april jl. een conceptrapport voor fase 1 vanSTOER gepubliceerd op volkshuisvestingnederland.nl en daarin wordt hetvoorstel gedaan tot het verhogen van griffierechten. Samen met deStaatssecretaris Rechtsbescherming zal ik naar het voorstel voorverhoging van griffierechten kijken en hier in de kabinetsreactie op deadviesrapporten op ingaan. Een belangrijk aandachtspunt bij heteventueel verhogen van griffierechten is dat een verhoging er niet toeleidt dat de toegang tot de rechter voor bepaalde groepen personen tezeer wordt beperkt. In dat geval zou de verhoging in strijd kunnen komenmet het bepaalde in artikel 6 EVRM (toegang tot de rechter).3.2 Wijzigingen in de Huisvestingswet 2014 3.2.1 Vormgeving verplichte urgentieregeling Vraag 92De leden van de D66-fractie ondersteunen dat het wetsvoorstel urgentiegeeft aan een deel van de dakloze mensen in Nederland. De regering heefter echter niet voor gekozen om alle dakloze mensen onder de urgentie telaten vallen. Kan de regering uiteenzetten welke daklozen mensen hetbetreft die wel opgenomen zijn in de ETHOS-light tellingen maar nietonder de urgentieregeling vallen? Deze leden merken bijvoorbeeld op datmensen die geen thuis hebben maar wel een baan bijvoorbeeld niet onderde urgentie vallen. Deelt de regering de mening dat mensen die geen dakof thuis hebben dak- of thuisloos zijn en als zodanig beschouwd moetenworden in wet- en regelgeving? Kan de regering uitleggen welk nut het desamenleving dient om mensen die geen dak of thuis hebben in eenuitzichtloze positie te laten in plaats van ze te helpen aan een woning? Kande regering ook uiteenzetten hoe het niet opnemen van deze doelgroeponder de urgentie strookt met het Housing First-principe dat de regeringop andere momenten uitdraagt? Neemt de regering alsnog de ETHOSLight-groep op onder de urgentie of stapt de regering af van het HousingFirst-principe? Ik heb begrip voor pleidooien om extra groepen woningzoekenden toe tevoegen aan de verplichte urgentie categorieën die zijn opgenomen in hetvoorliggend wetsvoorstel. Echter, mijn uitgangspunt is dat toekenning vaneen urgentie wezenlijk bijdraagt aan betere kansen voor deze urgentwoningzoekenden. Extra verplichte urgentie categorieën toevoegen zaldeze kansen steeds meer doen afnemen; het wetsvoorstel bevat dan ookeen scherpe definitie van de wettelijk verplicht urgent woningzoekenden.De basis voor deze wettelijk verplicht urgent woningzoekenden ligt in hetinterbestuurlijk programma «Een thuis voor iedereen», dat ik uitvoersamen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS),het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie vanJustitie en Veiligheid en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschappen, IPO, VNG, en Aedes. Daarin is opgenomen dat het vooreen aantal groepen wenselijk is dat deze in alle gemeenten jaar vanwegehun problematiek als urgent woningzoekende worden aangemerkt,waaronder mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang. HetNationaal Actieplan Dakloosheid dat vanuit het Ministerie van VWSsamen met mij wordt uitgevoerd sluit aan op het interbestuurlijkeprogramma «Een thuis voor iedereen», en ook bij andere lopendeprogramma’s en trajecten zoals Een Beschermd Thuis, AanpakGeldzorgen, Armoede en Schulden, de Participatiewet in Balans en Werkaan uitvoering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2060 Het wetsvoorstel regelt naast de verplichte urgentie-categorieën ook datgemeenten in hun volkshuisvestingsprogramma de woonbehoefte vaneen bredere groep dak- en thuisloze mensen in kaart moeten brengen enmoet aangeven hoe zij voorzien in die woonbehoefte. De aandachtsgroep(dreigend) dak- en thuisloze mensen is dus een bredere doelgroep dan degroep dakloze mensen die landelijk verplicht voor urgentie in aanmerkingmoet komen.De voorgestelde afbakening van de aandachtsgroep (dreigend) dak- enthuisloze mensen sluit aan bij de ETHOS-light definitie van dakloosheid.Deze omvat ook mensen die op straat slapen, mensen die in de noodop-vangverblijven, mensen in niet-conventionele woonruimten wegens eengebrek aan passende huisvesting (auto, kraakpand, vakantiewoning),mensen die tijdelijk verblijven bij familie, vrienden of kennissen enmensen met een dreigende huisuitzetting.Waar het om urgentie gaat, beperkt de verplichte urgentie op grond vanhet voorgestelde artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 zich totmensen die wegens dakloosheid in de maatschappelijke opvangverblijven of hier een beschikking toe hebben. Het wetsvoorstel regelt datgemeenten woningzoekenden in de urgentie-regeling moeten opnemenaan wie opvang is verleend als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 en deze mensen dus met voorrangmoeten huisvesten. Van deze mensen is bekend dat zij vaak langer dannodig in de opvang verblijven omdat er onvoldoende woningenbeschikbaar komen. Daarom is het vanuit het maatschappelijk oogpuntgewenst dat zij in aanmerking komen voor urgentie. Bij het bepalen vande reikwijdte van de verplichte urgentiecategorieën is in ogenschouwgenomen dat zoveel mogelijk eenduidig te objectiveren is dat huisvestingvoor alle mensen behorende tot die beoogde groep met een grootmaatschappelijk belang gepaard gaat waardoor voorrang boven anderegroepen woningzoekenden gerechtvaardigd is. Van mensen dieuitstromen uit de maatschappelijke opvang kan worden aangetoond datzij dakloos zijn en maatschappelijke ondersteuning nodig hebben. Van deandere groepen onder ETHOS-light definitie is dat meer diffuus.Eerdere pogingen om de urgentiegroep te verruimen met anderewoningzoekenden zonder verblijfplaats leidden niet tot een hanteerbareafbakening waarbij voor alle mensen binnen die bredere reikwijdteeenduidig te objectiveren en legitimeren is dat voorrang boven anderewoningzoekenden noodzakelijk is. Voor mensen die geen vaste verblijf-plaats hebben maar geen toegang tot de maatschappelijke opvang krijgenwordt niet gekozen voor verplichte urgentie via dit wetsvoorstel biedt deHuisvestingwet 2014 al mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren.Bijvoorbeeld door deze groepen lokaal als aanvullende urgentiecategorieaan te merken. De regering stapt niet af van de Wonen Eerst benaderingzoals verwoord in het Nationaal Aktieplan Dakloosheid.Vraag 93De leden van de CDA-fractie vragen zich daarnaast of de regering kanonderbouwen hoe zij de zichzelf opgelegde doelstelling uit de Verklaringvan Lissabon gaan halen om dakloosheid te beëindigen in 2030 als nuervoor wordt gekozen niet alle dakloze mensen urgentie te verlenen, oflaat de regering dit doel los?De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan onderbouwen hoezij de zichzelf opgelegde doelstelling uit de Lissabonverklaring gaan halenom dakloosheid te beëindigen in 2030 als nu ervoor wordt gekozen nietalle dakloze mensen urgentie te verlenen, of dat de regering dit doelloslaat. De Lissabonverklaring uit 2021 spreekt van «to work towards theTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2061 ending of homelessness by 2030». Het gaat hier dus om een afspraak dieeen inspanning betreft. Gegeven de huidige beperkingen op de woning-markt acht de regering het niet reëel om die inspanning uitsluitend vormte geven met verplichte urgentie in het voorliggende wetsvoorstel. Deregering laat de Verklaring van Lissabon niet los en blijft inzetten op dehet werken aan het beëdigen van dakloosheid. Met het hanteren van deETHOS-light definitie van (dreigend) dak- en thuisloze mensen wordengemeenten verplicht de woonbehoefte van de brede groep dak- thuislozemensen in kaart te brengen en aan te geven op welke wijze zij gaatvoorzien in die woonbehoefte. Ook de woonvraag van mensen die nu nietautomatisch als woningzoekende in registraties verschijnen, omdat ze nietals zodanig staan geregistreerd, wordt daarmee onderdeel van de totalewoonopgave waar gemeenten mee aan de slag moeten. Denk daarbijbijvoorbeeld aan mensen die bij familie of vrienden verblijven of mensendie op een vakantiepark of camping verblijven en zich daar niet (durven)inschrijven. De verwachting is dat dit leidt tot een programmering diebeter aansluit bij de, tot nu toe soms verborgen, woonbehoefte van(dreigend) dak- en thuisloze mensen.Ook merk ik op dat toekenning van urgentie wezenlijk moet bijdragen aanbetere kansen voor de wettelijk verplicht urgent woningzoekenden. Extragroepen toevoegen, zoals alle dakloze mensen, zal de kansen van allewettelijk verplicht urgent woningzoekenden steeds meer doen afnemen.Hiermee word het middel van urgentie ook minder effectief.Vraag 94De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe het verlenen vanurgentie op basis van verblijf in de maatschappelijke opvang zichverhoudt tot de ambitie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid. Dezeleden vragen de regering welke mogelijkheden er zijn om de verplichteurgentieregeling te herzien, zodat alle dakloze mensen volgens degemeenschappelijke en erkende definitie van dakloosheid, ETHOS-Light,verplichte urgentie krijgen.In mijn antwoord op vraag 92 beschrijf ik dat de basis voor de wettelijkverplicht urgent woningzoekenden in het interbestuurlijk programma«Een thuis voor iedereen» ligt. Daarin is opgenomen dat het voor eenaantal groepen wenselijk is dat deze in alle gemeenten jaar vanwege hunproblematiek als urgent woningzoekende worden aangemerkt, waarondermensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang. Het NationaalActieplan Dakloosheid dat vanuit het Ministerie van VWS samen met mijwordt uitgevoerd sluit hier op aan.In mijn antwoord op vraag 92 beschrijf ik verder dat het wetsvoorstelnaast de verplichte urgentie-categorieën ook regelt dat gemeenten in hunvolkshuisvestingsprogramma de woonbehoefte van een bredere groepdak- en thuisloze mensen in kaart moeten brengen, en moeten aangevenhoe zij in die woonbehoefte voorzien. De aandachtsgroep (dreigend) dak-en thuisloze mensen is dus een bredere doelgroep dan de groep daklozemensen die landelijk verplicht voor urgentie in aanmerking moet komenen de voorgestelde afbakening van die aandachtsgroep sluit aan bij deETHOS-light definitie van dakloosheid. Waar het om urgentie gaat,beperkt de verplichte urgentie op grond van het voorgestelde artikel 12,derde lid, van de Huisvestingswet 2014 zich tot mensen die wegensdakloosheid in de maatschappelijke opvang verblijven of hier eenbeschikking toe hebben. Eerdere pogingen om de urgentiegroep teverruimen met andere woningzoekenden zonder verblijfplaats leidden niettot een hanteerbare afbakening waarbij voor alle mensen binnen diebredere reikwijdte eenduidig te objectiveren en legitimeren is datvoorrang boven andere woningzoekenden noodzakelijk is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2062 Vraag 95De leden van de fractie van het CDA vragen de regering welke praktischeconsequenties er zijn als een gemeente binnen een woningmarktregiohalverwege het jaar haar afgesproken percentage wettelijk urgentwoningzoekenden heeft gehuisvest. Ontstaat er dan een wachtrij in dezegemeente, of worden woningzoekenden verplicht om in een anderegemeente binnen de woningmarktregio gehuisvest te worden?Gegeven de schaarste aan betaalbare woningen beoog ik met ditwetsvoorstel de meest kwetsbare woningzoekenden te beschermen enhen met voorrang te huisvesten. Daarom moeten alle gemeenten eenurgentieregeling vaststellen met daarin in elk geval de in dit wetsvoorstelopgenomen categorieën van urgent woningzoekenden. Ook moetengemeenten in de woningmarktregio afspraken maken over de verdelingvan urgent woningzoekenden. Die afspraken moeten aansluiten bij deverwachte behoefte aan huisvesting van deze urgent woningzoekenden,volgend uit het volkshuisvestingsprogramma. Met dit stelsel aanafspraken wordt beoogd te zorgen dat gemeenten gezamenlijk genoegruimte maken om alle urgent woningzoekenden in de regio te huisvestenzodat het voorbeeld uit de vraag nooit voorkomt.Dat gezegd hebbende; het opgenomen percentage in de huisvestingveror-dening werkt in praktische zin op gemeenteniveau als een maximum.Gemeenten kunnen er niet aan gehouden worden om meer dan hetafgesproken of opgelegde percentage aan wettelijk verplicht urgentwoningzoekenden met voorrang te huisvesten, boven andere woningzoe-kenden. Uiteraard staat het gemeenten vrij om toch meer woonruimte toete wijzen aan urgent woningzoekenden, maar zij zijn daartoe nietverplicht. Het kan evenwel voorkomen dat meer woningzoekenden in eengemeente zijn ingedeeld in een verplichte categorie van urgent woning-zoekenden dan dat aan woonruimten beschikbaar komt. Deze woningzoe-kenden zijn dan wel ingedeeld als urgent en beschikken over eenurgentieverklaring, maar hebben nog geen huisvestingsvergunning in degemeente kunnen ontvangen. De wachttijd voor die urgent woningzoe-kenden zal dan oplopen.Wel is er op basis van de verdeelafspraak ruimte om met voorrang in eenandere gemeente binnen de woningmarktregio gehuisvest te worden. Hetvoornemen is om in de ontwerpregeling Versterking regie volkshuis-vesting aandacht te besteden aan een weigering van de urgent woning-zoekende om een passend aanbod te aanvaarden binnen de woning-marktregio. Het voornemen is dat de gemeente een weigering van eenpassende woonruimte zal kunnen laten leiden tot beëindiging van deurgentie.Vraag 96De leden van de SP-fractie constateren dat het wetsvoorstel bepalingenbevat met betrekking tot dakloosheid. Deze leden vragen hoe hettoekennen van urgentie op basis van verblijf in de maatschappelijkeopvang zich verhoudt tot de ambitie van het Nationaal ActieplanDakloosheid om opvang te vervangen door structurele huisvesting. Is deregering bereid de verplichte urgentieregeling te herzien zodat álledakloze mensen, conform de ETHOS-Light definitie, verplichte urgentiekrijgen?In mijn antwoord op vraag 92 en 94 heb ik toegelicht dat dat de basis voorde wettelijk verplicht urgent woningzoekenden in het interbestuurlijkprogramma «Een thuis voor iedereen» ligt. Daarin is opgenomen dat hetvoor een aantal groepen wenselijk is dat deze in alle gemeenten jaarvanwege hun problematiek als urgent woningzoekende worden aange-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2063 merkt, waaronder mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang.Het Nationaal Actieplan Dakloosheid dat vanuit het Ministerie van VWSsamen met mij wordt uitgevoerd sluit hierop aan. Ik licht daar ook toe dateerdere pogingen om de urgentiegroep te verruimen met anderewoningzoekenden zonder verblijfplaats niet tot een hanteerbareafbakening hebben geleid waarbij voor alle mensen binnen die brederereikwijdte eenduidig te objectiveren en legitimeren is dat voorrang bovenandere woningzoekenden noodzakelijk is.Vraag 97Zij vragen zich daarnaast af hoeveel mensen momenteel op de wachtlijststaan voor een sociale huurwoning in Nederland en wat de gemiddeldewachttijd per regio is. Zij vernemen graag hoe deze wachttijd zich heeftontwikkeld in de afgelopen tien jaar. Ook vragen zij hoeveel huishoudensmet urgentieverklaring langer dan één jaar op een woning wachten enhoeveel sociale huurwoningen jaarlijks worden toegewezen aan urgentenen specifieke doelgroepen zoals statushouders, daklozen of mensen uitmaatschappelijke opvang.De leden van de SP-fractie vragen hoeveel mensen momenteel op dewachtlijst staan voor een sociale huurwoning in Nederland en wat degemiddelde wachttijd per regio is. Zij vernemen graag hoe deze wachttijdzich heeft ontwikkeld in de afgelopen tien jaar. Het rapport Stand van dewoonruimteverdeling (Rigo, 2019) maakt gebruik van informatie uit dewoonruimteverdeelsystemen (onder andere Woningnet). Dit is de meestrecente en enige informatie die inzicht geeft over de duur van de wachttijd(of inschrijfduur) naar regio. Ook niet voor alle regio’s is informatiebeschikbaar.De wachttijd is de periode vanaf inschrijving als woningzoekende tot detoekenning van een woning. De zoektijd is de periode vanaf de eerstezoekactie (reactie op een advertentie) tot aan de toekenning van eenwoning. De wachttijd is langer dan de zoekduur, omdat mensen bijinschrijving vaak nog geen dringende verhuiswens hebben en eerstinschrijfduur willen opbouwen. In onderstaande tabel zijn de wachttijdenvan de woonruimteverdeelsystemen opgenomen van woningen die in2017 werden verhuurd. Wat betreft de zoektijd per regio is er recentereinformatie beschikbaar uit WoON2018 en WoON2021. Het gaat hier om deactieve zoektijd van huurders die in de afgelopen twee jaar zijn verhuisdnaar een corporatiewoning.RegioWachttijd 2017 (jaar)Achterhoek3,4Almelo2Almere8,6Arnhem Nijmegen13,7Den Bosch7,3Drechtsteden5,1Eemvallei6,8Groningen4,1Haaglanden3,8Hengelo4,5Holland Rijnland6,1Lelystad5,8Limburg3,8Meijerijstad e.o.6,3Noord Kennemerland6,5Noord Veluwe13,3Regio Amsterdam8,9Regio Utrecht8,9Rijnmond4,6Stedendriehoek Apeldoorn Deventer Zutphen6,5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2064 RegioWachttijd 2017 (jaar)West Brabant6,8Woongaard (Gorinchem e.o.)4,7Zuid Kennemerland7,3Zuidoost Brabant3,8Zwolle5,5Bron: Stand van de woonruimteverdeling (Rigo, 2019) WoningwetregioGemiddeldezoektijd (jaar)WoON2024Gemiddeldezoektijd (jaar)WoON2021Gemiddeldezoektijd (jaar)WoON2018Friesland2,61,31,5Groningen Drenthe21,31,2Noord-Holland Noord2,72,21,2Zwolle/Steden-driehoek2,11,80,9Metropoolregio Amsterdam32,21,7Amersfoort/Noord-Veluwe/Zeewolde33,81,8Holland Rijnland1,14,21,2Oost-Nederland2,11,11,1U161,922Food Valley1,91,81Haaglanden/Midden-Holland/Rotterdam2,32,11,5Arnhem Nijmegen1,52,11,2Woongaard21,30,4Drechtsteden/Hoeksche Waard/GoereeOverflakkee1,91,51,2Noordoost Brabant1,41,32,1West-Brabant en Hart van Brabant3,11,91,8Zeeland1,610,8Metropoolregio Eindhoven2,421,2Limburg2,41,41,1Bron: WoON2024, WoON2021 en WoON2018 Omdat er tot op heden geen uniforme definities voor urgent woningzoe-kenden zijn gehanteerd, wordt niet op landelijk niveau gemonitordhoeveel mensen uit deze categorieën op de wachtlijst staan voor eensociale huurwoning, en wat de gemiddelde wachttijd is. Logischerwijs isook onbekend hoeveel mensen daarvan reeds een urgentieverklaringhadden en al langer dan een jaar op toewijzing van woonruimte wachten.Wel werkt RIGO in het kader van het IBO Huursector aan een rapport overde actuele stand van de woonruimteverdeling. Dit betreft onder meer hetaantal gemeenten met een huisvestingsverordening (en het aantal datdaadwerkelijk toewijzingsregels heeft), de regels die in deze huisvestings-verordeningen worden gesteld aan toewijzing, het aantal woonruimtever-deelsystemen en de werking hiervan. Als onderdeel hiervan wordt ookgekeken naar de gemiddelde inschrijfduur (wachttijd) per regio. Het IBOHuursector wordt voor de zomer opgeleverd.Vraag 98De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te reflecteren opeen situatie waarbij gemeenten in de regio niet tot afspraken komen voorde verdeling van het huisvesten van wettelijk urgent woningzoekenden.Klopt het dat in zulke gevallen elke gemeente 15 procent van de vrijko-mende aangewezen categorie huurwoonruimte toewijst aan deze urgentwoningzoekenden? Kan de regering bevestigen dat in veel gemeenten nual meer dan 15 procent van de vrijkomende voorraad wordt toegewezenaan urgent woningzoekenden? Kan de regering onderbouwen waarom15 procent wel een stok achter de deur is om afspraken te maken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2065 Het klopt, zoals de leden van de ChristenUnie-fractie vragen, dat indiengemeenten in de regio niet tot afspraken komen voor de verdeling van hethuisvesten van wettelijk urgent woningzoekenden, die gemeenten eenvastgelegd percentage toe dienen te wijzen aan de wettelijk urgentwoningzoekenden. Het voorgestelde artikel 6, achtste lid, van de Huisves-tingswet 2014 voorziet in een grondslag voor dit percentage. Ditpercentage wordt vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur en voorgesteld wordt dit vast te leggen in de regeling Versterkingregie volkshuisvesting. In de ontwerpregeling is het voornemenneergelegd dit percentage vast te stellen op vijftien procent.Op basis van diverse inventarisaties23 wordt er namelijk van uitgegaan datde norm van vijftien procent volstaat om in regionaal verband voldoendevrijkomende huurwoonruimte te kunnen toewijzen aan verplicht urgentwoningzoekenden. Tijdens de internetconsultatie van de ontwerpregelingis niet uit andere inventarisaties gebleken dat het nodig is om een hogerterugvalpercentage dan vijftien procent vast te stellen. Ook uit aanvullendoverleg met de VNG en vertegenwoordigers van de regio’s van de G4 –waar de druk op de woningmarkt hoog is – is voor het kabinet nietgebleken dat een hoger percentage noodzakelijk is.Na een periode van drie jaar zal de evenwichtige verdeling van urgentwoningzoekenden in zijn geheel worden geëvalueerd waarbij kan wordenbezien of er aanleiding is om dit terugvalpercentage aan te passen. Naaraanleiding van de reacties uit de internetconsultatie ziet de Minister danook geen aanleiding gezien dit percentage te wijzigen.Vraag 99Deze leden van de ChristenUnie-fractie zijn van mening dat bestrijden vandakloosheid prioriteit nummer één in het volkshuisvestingsbeleid zoumoeten zijn. Zij vragen de regering of zij deze mening deelt. Zij vragen deregering op welke wijze het voorliggend wetsvoorstel bijdraagt aan hetoplossen van de dakloosheid in Nederland. Zij zijn van mening dat nietalle mogelijkheden in het voorliggend wetsvoorstel benut zijn omdakloosheid te bestrijden, bijvoorbeeld door urgentie te verlenen aandakloze personen. Zij vragen de regering waarom daar niet voor isgekozen en vragen de regering de consequenties van dat voorstel tebenoemen. Tevens vragen zij de consequenties van een voorstel omdakloze gezinnen met kinderen urgentie te verlenen te benoemen. Kan deregering uitleggen hoe het verlenen van urgentie op basis van verblijf inde maatschappelijke opvang zich verhoudt tot de ambitie van hetNationaal Actieplan Dakloosheid om van opvang naar wonen te gaan?Kan de regering aangeven wanneer de monitor huisvesting aandachts-groepen wordt aangevuld met informatie en data over de groep die uit demaatschappelijke opvang stroomt? Is er informatie over de mate waarintijdelijke oplossingen daadwerkelijk hebben geleid tot structurele stabielehuisvesting?Allereerst verwijs ik voor de beantwoording van deze vragen naar hetantwoord op vraag 92.Wat betreft de vraag of van de leden van de ChristenUnie-fractie of erinformatie is over de mate waarin tijdelijke oplossingen daadwerkelijkhebben geleid tot structurele stabiele huisvesting; hierover zijn geencijfers beschikbaar. Wel is bekend dat een stabiele woonomgeving23Op grond van beschikbare openbaar raadpleegbare informatie, onderzoek ABF (2023),Verkenning woonsituatie en instroom urgentiegroepen «Wet versterking regie volkshuis-vesting» bijlage bij Kamerstukken II, 2022/23, 32 847, nr. 1044, en toetsing tijdens de praktijk-dagen in het kader van deze wet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2066 essentieel is voor mensen om de regie over hun leven op te kunnenpakken.Voor een aantal mensen is de overgang van een situatie waarin iemandniet meer gewend is om zelf die regie te kunnen voeren naar een eigenwoning erg groot. Het kan ook zijn dat mensen in een opvangvoorzieningzitten en wel toe zijn aan zelfstandig wonen, terwijl er nog geen regulierewoning beschikbaar is. Dan bieden tijdelijke woonoplossingen eenuitkomst. Die oplossing kan bestaan uit het tijdelijk wonen in een gebouw,waar nodig met gedeelde voorzieningen en met extra begeleiding. Hetkan ook zijn dat mensen op een tijdelijke locatie worden gehuisvest inafwachting van doorstroming naar een reguliere woning. Verplaatsbarewoningen (flexwoningen) zorgen voor een flexibele schil aan tijdelijkeoplossingen. De woningen kunnen daar geplaatst worden waar er lokaaltijdelijk dringend behoefte is aan extra woningen en vervolgens verplaatstworden naar andere locaties. Al deze tijdelijke oplossingen zorgen er welvoor dat mensen een dak boven hun hoofd hebben tot dat er eenstructurele, stabiele huisvesting mogelijk is. Zie verder ook het antwoordop vraag 109.3.3 Weigeringsgronden die niet in de huisvestingsverordening mogenworden opgenomen 3.3.1 Urgentie in de praktijk Vraag 100De leden van de PVV-fractie merken op dat op moment van schrijven hetwetsvoorstel schrappen voorrang statushouders bij sociale huur inconsultatie is. Deze leden zouden voor de zekerheid aan de regering willenvragen of de Wet versterking regie volkshuisvesting geen onbedoeldegeitenpaadjes aan gemeenten biedt om statushouders tot urgentiecate-gorie te kunnen maken, teneinde de uitvoering van het wetsvoorstelschrappen voorrang statushouders te omzeilen. Dit wetsvoorstel verandert niets aan de huidige regels ten aanzien van dehuisvesting van vergunninghouders, terwijl het wetsvoorstel «nieuweregels inzake huisvesting vergunninghouders» dat in voorbereiding is,gericht een verbod moet introduceren voor het verlenen van voorrang aanvergunninghouders op grond van het feit dat ze vergunninghouder zijn.Dit wetsvoorstel raakt daar niet aan. De gemeente kan vergunninghoudersnog wel met voorrang huisvesten op basis van andere kenmerken dan hetzijn van vergunninghouder indien behoefte aan huisvesting dringendnoodzakelijk is. Indien dat het geval is, heeft iemand recht op voorrang,dus ook de betreffende vergunninghouder. De voorwaarden voor wanneereen woningzoekende onder één van de verplichte urgentie categorieënvalt, worden in en de onderliggende regelgeving van dit wetsvoorstelnader uitgewerkt. Dit betreft gedetailleerde en limitatieve afbakening.Vraag 101De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dakloosheid de grootsteuitwas van de wooncrisis en achten het onacceptabel dat in een rijk landals Nederland mensen geen dak boven hun hoofd hebben. Daarom ziendeze leden met grote zorgen aan dat dit wetsvoorstel een nauwe definitiehanteert van dakloosheid, waardoor slechts een kleine groep daklozemensen met dit wetsvoorstel geholpen lijkt te worden, terwijl veelmensen die dakloos zijn, niet verblijven in de maatschappelijke opvang.Zij vragen de regering om uit te leggen hoe het verlenen van urgentie opbasis van verblijf in de maatschappelijke opvang zich verhoudt tot deambitie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid om van opvang naarwonen te gaan. Ook vragen zij of de regering bereid is de verplichteurgentieregeling te herzien om alle dakloze mensen verplichte urgentie teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2067 geven als zij vallen onder de gemeenschappelijke en erkende definitie vandakloosheid (ETHOS-Light), de definitie die ook gebruikt wordt door hetdoor dit kabinet omarmde actieplan. Zo nee, waarom niet?Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar het antwoord bijvraag 92 en 94, waarin ik toelicht dat de basis voor de wettelijk verplichturgent woningzoekenden in het interbestuurlijk programma «Een thuisvoor iedereen» ligt. Daarin is opgenomen dat het voor een aantal groepenwenselijk is dat deze in alle gemeenten jaar vanwege hun problematiekals urgent woningzoekende worden aangemerkt, waaronder mensen dieuitstromen uit de maatschappelijke opvang. Het Nationaal ActieplanDakloosheid dat vanuit het Ministerie van VWS samen met mij wordtuitgevoerd sluit hier op aan.In mijn antwoord op vraag 92 beschrijf ik verder dat het wetsvoorstelnaast de verplichte urgentie-categorieën ook regelt dat gemeenten in hunvolkshuisvestingsprogramma de woonbehoefte van een bredere groepdak- en thuisloze mensen in kaart moeten brengen, en moeten aangevenhoe zij in die woonbehoefte voorzien. De aandachtsgroep (dreigend) dak-en thuisloze mensen is dus een bredere doelgroep dan de groep daklozemensen die landelijk verplicht voor urgentie in aanmerking moet komenen de voorgestelde afbakening van die aandachtsgroep sluit aan bij deETHOS-light definitie van dakloosheid. Waar het om urgentie gaat,beperkt de verplichte urgentie op grond van het voorgestelde artikel 12,derde lid, van de Huisvestingswet 2014 zich tot mensen die wegensdakloosheid in de maatschappelijke opvang verblijven of hier eenbeschikking toe hebben. Eerdere pogingen om de urgentiegroep teverruimen met andere woningzoekenden zonder verblijfplaats leidden niettot een hanteerbare afbakening waarbij voor alle mensen binnen diebredere reikwijdte eenduidig te objectiveren en legitimeren is datvoorrang boven andere woningzoekenden noodzakelijk is.Vraag 102De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich op het gebied vanurgentie verder af of de regering bereid is om in de wet vast te leggen datgemeenten verplicht worden om specifieke urgentiecategorieën op tenemen voor daklozen, jonge ouders en arbeidsmigranten met eensociaaleconomische kwetsbare positie, zodat zij sneller toegang krijgen totsociale huurwoningen. Zo nee, waarom niet? En hoe wordt andersgeborgd dat deze groepen niet langdurig op straat of in onzekerewoonsituaties blijven?Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u eveneens naar hetantwoord bij vraag 92. Daarin is omschreven dat de groep daklozemensen die toegang heeft gekregen tot de maatschappelijke opvang opgrond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, wordenaangemerkt als groep die verplicht met urgentie voor huisvesting inaanmerking komt. Voor andere groepen kiest de regering niet voorverplichte urgentie via de wet, maar biedt de Huisvestingwet 2014 almogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren, bijvoorbeeld door dezegroepen lokaal als aanvullende urgentiecategorie aan te merken.Vraag 103De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarom er extra verplichteurgentiecategorieën in het leven worden geroepen, terwijl de regering ookvoornemens is deze voorrang juist af te schaffen voor bijvoorbeeldstatushouders.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2068 Uit de meest recente inventarisatie blijkt dat ongeveer de helft van degemeenten een huisvestingsverordening met regels over de verdeling vanwoonruimte heeft vastgesteld. Om te waarborgen dat urgent woningzoe-kenden overal eenzelfde kans op huisvesting hebben en evenwichtigverdeeld worden over gemeenten, krijgen gemeenten met ditwetsvoorstel de verplichting om binnen twee jaar na inwerkingtreding vandit wetsvoorstel een huisvestingsverordening op te stellen met eenregeling voor de wettelijk verplichte urgent woningzoekenden. Voor dewettelijk verplicht urgent woningzoekenden valt immers niet te rechtvaar-digen dat een woningzoekende die in bepaalde omstandigheden verkeertin de ene gemeente wel als urgent wordt aangemerkt en in een andereniet.Het voornemen om de voorrang te verbieden voor vergunninghouders ophet feit dat ze vergunninghouder zijn leidt er enkel toe dat geen urgentiemogelijk is op het feit dat ze een vergunning hebben.Vraag 104Deze leden vragen zich af over hoeveel ex-gedetineerden door dezenieuwe urgentiecategorie en daarmee voorrangspositie gaat gelden. Kanhier een inschatting van worden gemaakt? Zij vragen zich af hoeveelgemeenten al een lokale urgentiecategorie hebben voorex-gedetineerden.De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel ex-gedetineerden door dezenieuwe urgentiecategorie een voorrangspositie gaan krijgen, en ofhiervan een inschatting kan worden gemaakt. De meest recenteuitstroomcijfers van de Dienst Justitiële Inrichtingen uit 2021 tonen6.462 volwassenen met een detentieduur van langer dan drie maandendie uitstromen. Jaarlijks zouden tussen de 1.350–2.350 ex-gedetineerdenmet een straf van tenminste 3 maanden uitstromen naar een zelfstandigesociale huurwoning met het vermogen om zelfstandig te kunnen wonen.De overige uitstromers zullen geen (nieuwe) zelfstandige woning nodighebben, of zullen uitstromen naar beschermd wonen/begeleid wonen24.Naar inschatting gaat het jaarlijks landelijk om circa 2.350–3.350uitstromers uit detentie, forensisch beschermd wonen en de forensischezorg samen25De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel gemeenten al een lokaleurgentiecategorie hebben voor ex-gedetineerden. Daar is op landelijkniveau geen compleet beeld van. Wel bekend is dat in ieder geval degemeente Amsterdam in haar verordening personen die door hetActiecentrum Veiligheid en Zorg worden voorgedragen voor eenurgentieverklaring heeft opgenomen.Vraag 105Zij vragen zich af hoeveel ex-sekswerkers, door de verplichte urgentiecate-gorie, met voorrang gehuisvest gaan worden. Kan hier een inschattingvan worden gemaakt?De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel ex-sekswerkers door deverplichte urgentiecategorie, met voorrang gehuisvest gaan worden en ofhiervan een inschatting kan worden gemaakt. Jaarlijks stromen er24Onderzoek voorwaarden huisvesting aandachtsgroepen. Gepaste kwaliteiten en noodzakelijkeinvesteringen. Companen, Bijlage bij Kamerstukken II, 2023/2024, 32 847, nr. 1193, op basisvan data VenJ.25Onderzoek voorwaarden huisvesting aandachtsgroepen. Gepaste kwaliteiten en noodzakelijkeinvesteringen. Companen, Bijlage bij Kamerstukken II, 2023/2024, 32 847, nr. 1193, op basisvan data VenJ.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2069 ongeveer 650 sekswerkers in bij een uitstapprogramma, gefinancierd metde Decentrale Uitkering Uitstapprogramma’s Prostituees (DUUP). Bijna dehelft van de totale jaarlijkse instromende deelnemers stapt ook daadwer-kelijk uit met behulp van een uitstapprogramma. De uitstroom per jaar isdus gemiddeld 300 sekswerkers.26Vraag 106Zij vragen zich af wat de voordelen en nadelen zijn van deze verplichteurgentiecategorieën?De leden van de VVD-fractie vragen wat de voordelen en nadelen zijn vande verplichte urgentiecategorieën. Ongeveer de helft van de gemeentenheeft een huisvestingsverordening met regels over de verdeling vanwoonruimte vastgesteld. Dit heeft het effect dat een urgent woningzoe-kende in de ene gemeente wel als zodanig wordt aangemerkt en in eenandere gemeente niet. Ik constateer daarbij dat centrumgemeentenmomenteel een grote verantwoordelijkheid nemen als het gaat om hetopnemen van kwetsbare groepen. Het effect hiervan is, dat dezekwetsbare groepen veelal wonen in kwetsbare wijken en dat daarmee deleefbaarheid in die wijken onder druk kan komen te staan. Als voordelenzie ik dan ook, dat voor deze effecten in een oplossing wordt voorzien.Mogelijke nadeel is dat er gemeenten zijn die een ander beeld hebben vande groepen woningzoekenden die als urgent moeten worden aangemerkten die daarom eigen regels wensen te hanteren. In een oplossing voor ditnadeel voorziet het wetsvoorstel met het voorgestelde artikel 12, derdelid, van de Huisvestingswet 2014 met een landelijke definitie van dewettelijk urgenten, en de door de gemeenten te hanteren afwijzings-gronden en de intrekkingsgronden. Daarnaast behouden gemeenten debeleidsvrijheid om zelf categorieën van urgent woningzoekenden toe tevoegen aan de huisvestingsverordening.Vraag 107De leden van de BBB-fractie lezen dat de wet verplichte urgentiecatego-rieën introduceert. Deze leden merken echter op dat er een risico is datdeze uniforme urgentiecategorieën niet altijd aansluiten bij de lokalebehoeften en omstandigheden. Zij vragen of de regering kan aangevenhoe ervoor gezorgd wordt dat gemeenten voldoende flexibiliteitbehouden om de urgentiecategorieën af te stemmen op de lokale situatie,bijvoorbeeld door het toevoegen van lokale urgentiecategorieën of hetaanpassen van de criteria voor urgentieverlening. Zij vragen daarnaast ofde regering kan toelichten of deze wet mogelijk niet voor extra werk zorgtvoor gemeenten. Zo ja, krijgen gemeenten daar extra middelen voor?De reden om verplichte urgentiecategorieën te introduceren is nu juistomdat ik wil zorgen groepen waarvan het ongeacht de lokale situatiebelangrijk is dat ze met urgentie gehuisvest worden, ook in elke gemeenteurgentie krijgen. Gemeenten krijgen daarnaast de nodige flexibiliteit om teacteren naar de lokale situatie doordat gemeenteraden de beleidsvrijheidbehouden om andere groepen woningzoekenden toe te voegen aan hunhuisvestingsverordening. Deze urgentiecategorieën zijn dan aanvullendop de bij het wetsvoorstel vastgelegde urgentiecategorieën. Ookbehouden gemeenten de beleidsvrijheid om bij de lokaal aangemerkteurgente woningzoekenden andere weigeringsgronden te hanteren enandere voorwaarden te verbinden aan de urgentieverklaring.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast om toe te lichten of dezewet mogelijk niet voor extra werk zorgen voor gemeenten, en zo ja, of26Onderzoek voorwaarden huisvesting aandachtsgroepen. Gepaste kwaliteiten en noodzakelijkeinvesteringen. Companen, Bijlage bij Kamerstukken II, 2023/2024, 32 847, nr. 1193.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2070 gemeenten daar extra middelen voor krijgen. Dit wetsvoorstel leidtinderdaad tot extra werkzaamheden voor gemeenten. Om te bezien ofdeze werkzaamheden ook tot uitvoeringskosten leiden voor de medeover-heden is een artikel 2-onderzoek op grond van de Financiële-verhoudingswet uitgevoerd. In dat onderzoek zijn de extra werkzaam-heden voor gemeenten geïnventariseerd en is een onderbouwinggegeven van de financiële gevolgen (uitvoerings-lasten) van dezewerkzaamheden. Voor het onderzoek is een klankbordgroep samengesteldmet vertegenwoordigers vanuit gemeenten en provincies. De klankbord-groep bestond uit vertegenwoordigers vanuit de VNG, het IPO, deprovincie Groningen, de gemeente Hof van Twente en de gemeenteLeeuwarden.Het onderzoek is uitgevoerd op basis van bureauonderzoek, interviewsmet inhoudelijke experts en interviews met vertegenwoordigers vanprovincies en gemeenten. In deze gesprekken is uitgevraagd welkeactiviteiten gemeenten verwachten te moeten uitvoeren om te voldoenaan de nieuwe verplichtingen, en hoeveel tijdbesteding of externe kostendit met zich meebrengt. Op basis van dit onderzoek zijn de incidentele enstructurele kosten in beeld gebracht. Voor de precieze onderbouwing vande incidentele en structurele kosten die gemoeid zijn met de extrawerkzaamheden voor gemeenten verwijs ik naar hoofdstuk 8 van dememorie van toelichting bij het wetsvoorstel. De klankbordgroep heeftingestemd met de kosten zoals die in beeld zijn gebracht. Op basis van ditonderzoek ontvangen provincies en gemeenten voldoende middelen omhun nieuwe taken uit te kunnen voeren.Vraag 108De leden van de BBB-fractie lezen dat de wet een evenwichtige samen-stelling van de woningvoorraad beoogt. Zij merken echter op dat er eenrisico is dat de verplichte huisvesting van urgent woningzoekenden leidttot een concentratie van kwetsbare groepen in bepaalde wijken, metnegatieve gevolgen voor de leefbaarheid en de sociale cohesie. Zij vragenof de regering kan aangeven welke concrete maatregelen er wordengetroffen om een evenwichtige spreiding van urgent woningzoekendenover de verschillende wijken en gemeenten te waarborgen, rekeninghoudend met de draagkracht van de wijken en de beschikbaarheid vanvoorzieningen.Ik deel de zorgen van de leden van de BBB-fractie dat een concentratievan kwetsbare personen in bepaalde wijken zoveel mogelijk voorkomenzou moeten worden. Ik constateer echter dat centrumgemeentenmomenteel een grote verantwoordelijkheid nemen als het gaat om hetopnemen van kwetsbare groepen: deze kwetsbare groepen wonen veelalin kwetsbare wijken en hiermee kan de leefbaarheid in die wijken onderdruk komen te staan. Met het voorliggende wetsvoorstel wil ik komen toteen meer evenwichtige verdeling van kwetsbare groepen overgemeenten, zodat deze kwetsbare wijken beter kunnen worden ontzien.Dat is de reden waarom de wijzigingen van de Huisvestingswet 2014hierop zien. Om te waarborgen dat de wettelijk urgent woningzoekendenevenwichtig worden verdeeld over gemeenten in de regio, krijgengemeenten met dit wetsvoorstel de verplichting om op een bij koninklijkbesluit te bepalen tijdstip afspraken te hebben gemaakt over de verdelingvan de wettelijk verplichte urgent woningzoekenden.Daarnaast schrijft het ontwerpbesluit voor dat het gemeentelijk volkshuis-vestingsprogramma een beschrijving bevat van het beleid dat degemeente voert ter verbetering van de leefbaarheid. In het volkshuisves-tingsprogramma beschrijft de gemeente de maatregelen en hoe, doormiddel van een integrale aanpak met maatschappelijke organisaties,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2071 gekomen wordt tot een verbetering van de leefbaarheid in kwetsbaregebieden. Waar nodig kan het volkshuisvestingsprogramma het beleid opwijk-, buurt- of mogelijk straatniveau bevatten.Woningcorporaties kunnen ook sturen op het creëren of verstevigen vaneen gemengde samenstelling in wijken, door gebruik te maken van devrije ruimte die zij hebben voor het passend toewijzen van socialehuurwoningen. Hierdoor kan worden gezorgd dat een wijk wordtbewoond door mensen uit verschillende inkomenscategorieën. Inzake dedraagkracht van de wijken en de beschikbaarheid van voorzieningensluiten ambities en afspraken om tot meer gemengde wijken te komen,zoals die zijn gemaakt in de gebieds- en uitvoeringsplannen van destedelijke focusgebieden uit het Nationaal Programma Leefbaarheid enVeiligheid, hierbij goed aan. De bestaande gebieds- en uitvoeringsplannenvan de stedelijke focusgebieden kunnen betrokken worden bij deafspraken over de regionale verdeling van urgent woningzoekenden.Vraag 109De leden van de CDA-fractie vragen de regering wanneer de monitorhuisvesting aandachtsgroepen wordt aangevuld met data over de groepdie uit de maatschappelijke opvang uitstroomt.Met het wetsvoorstel wordt een monitoringsplicht voor gemeentengeïntroduceerd. Gemeenten krijgen de plicht om het volgende jaarlijks temonitoren;–het aantal aanvragen voor indeling in een urgentiecategorie;–het aantal besluiten met toedeling in een urgentiecategorie;–het aantal woonruimten dat in gebruik is genomen op grond van eenhuisvestingsvergunning op basis van indeling in een urgentiecatego-rie; en–de urgentiecategorieën waarvoor een huisvestings-vergunning opbasis van urgentie is verleend.Hierdoor ontstaat er – jaarlijks achteraf – een goed beeld van de omvangvan het aantal verplicht urgent woningzoekenden. Deze informatie kantelkens worden gebruikt voor actualiseren van het volkshuisvestingspro-gramma en het bijstellen van de regionale afspraken zoals die wordenvastgelegd in de huisvestingsverordeningen.Vraag 110Deze leden vragen de regering of er informatie beschikbaar is over demate waarin tijdelijke oplossingen daadwerkelijk hebben geleid totstructurele, stabiele huisvesting.Voor dit antwoord verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 98, waarin iktoelicht dat tijdelijke oplossingen een uitkomst kunnen bieden voormensen voor wie de overgang van een situatie waarin iemand niet meergewend is om zelf die regie te kunnen voeren naar een eigen woning erggroot is. Het kan ook zijn dat mensen in een opvangvoorziening zitten enwel toe zijn aan zelfstandig wonen, terwijl er nog geen reguliere woningbeschikbaar is. Ook voor die mensen kan een tijdelijke oplossing wenselijkzijn. Die oplossing kan bestaan uit het tijdelijk wonen in een gebouw, waarnodig met gedeelde voorzieningen en met extra begeleiding. Het kan ookzijn dat mensen op een tijdelijke locatie worden gehuisvest in afwachtingvan doorstroming naar een reguliere woning. Verplaatsbare woningen(flexwoningen) zorgen voor een flexibele schil aan tijdelijke oplossingen.De woningen kunnen daar geplaatst worden waar er lokaal tijdelijkdringend behoefte is aan extra woningen en vervolgens verplaatstworden naar andere locaties. Al deze tijdelijke oplossingen zorgen er welvoor dat mensen een dak boven hun hoofd hebben tot dat er eenstructurele, stabiele huisvesting mogelijk is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2072 3.3.2 Definities van categorieën van woonruimte Vraag 111De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dater middenhuur komt voor de mensen die buiten de boot vallen, énbetaalbare koop voor de starters en de mensen met een bescheideninkomen die een koophuis willen. Deze leden vragen zich af waarom deregering de middenhuur en betaalbare koop op dezelfde hoop gooit. Is hetniet verstandig om hier twee doelen voor te hanteren, gezien het vangroot belang is dat beide gebouwd worden in het kader vandoorstroming? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen terecht op het belang vanhet bouwen van voldoende woningen voor middeninkomens en vragennaar de wenselijkheid van het hanteren van één doel hiervoor, waarbijgeen onderscheid gemaakt wordt tussen betaalbare koop en middenhuur.Ik deel de mening van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie datbouwen voor middeninkomens belangrijk is en dat er landelijk zowelbehoefte is aan middenhuur als aan betaalbare koop. Ik vind het echterniet verstandig hier specifieke doelen voor te hanteren, omdat dit deruimte zou beperken voor gemeenten om te sturen op wat er in hungemeente nodig is. Het belangrijkste is dát er wordt gebouwd voormiddeninkomens, en daar sturen we dus nationaal, provinciaal, enregionaal op. Wat er dan wordt gebouwd voor middeninkomens wil ikecht aan gemeenten laten, omdat zij het beste kunnen beoordelen wordter in hun lokale situatie nodig is.Vraag 112Zij vragen of de regering de mening deelt dat differentiatie van betaalbarekoopwoningen wenselijk is. Ziet de regering het risico dat, door hethanteren van één bovengrens van 390.000 euro zonder prijssegmentatie,de woningbouw in de praktijk gericht is op de realisatie van woningen opof rond die grens? Hoe zorgt de regering dat er in de lagere prijsklassenook koopwoningen beschikbaar komen, aangezien voor de meestemensen een woning van 390.000 euro niet betaalbaar is?Hoeveel een huishouden kan lenen, hangt af van verschillende factoren,zoals het precieze inkomen, de huishoudsamenstelling, de rente,eventuele schulden en het energielabel van de aan te kopen woning. Hetmaximaal te lenen bedrag kan over een relatief korte periode behoorlijkverschillen, zoals in 2022 toen de hypotheekrente in korte tijd vanongeveer 1,5 procent voor tien jaar vast naar ongeveer 4,5 procent steeg.Het koppelen van de maximale koopprijs van een betaalbare koopwoningaan de maximale leenruimte maakt de grens erg volatiel en leidt totonzekerheid voor gemeenten en projectontwikkelaars.Uitgaande van een rente van 3,75 procent, een woning met energielabelA+++ (huidige Besluit bouwwerken leefomgeving) en geen schulden iseen inkomen van ongeveer 77.000 euro voor een meerpersoonshuis-houden nodig voor het financieren van een woning van 390.000 euro. Bijeen éénpersoonshuishouden is dit 75.000 euro. Alleenstaanden kunnenimmers sinds 1 januari 2024 maximaal 16.000 euro extra lenen. Hiermee iseen woning op het maximum van de betaalbaarheidsgrens toegankelijkvoor een deel van de middeninkomens. Deze worden gedefinieerd alseenpersoonshuishoudens met een inkomen van 47.699 euro tot62.191 euro en meerpersoonshuishoudens met een inkomen van52.671 euro tot 82.921 euro.2727Prijspeil 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2073 Het modale inkomen in Nederland is voor 2024 44.000 euro, bij eeninkomen van anderhalf keer modaal zou een meerpersoonshuishoudenmet een rente van 3,75 procent, een woning met energielabel A+++ engeen schulden een maximale hypotheek van 315.000 euro kunnen krijgen.Zoals hierboven aangegeven kan het bedrag aan maximale hypotheekbehoorlijk fluctueren in de tijd.Om lokale overheden en projectontwikkelaars een voorspelbare enrobuuste methodiek te geven heb ik gekozen voor één vaste maximalebetaalbaarheidsgrens en vaste indexatiemethode. Deze bovengrensbetekent niet dat er alleen betaalbare koopwoningen net onder dezebovengrens zullen worden gebouwd. Gemeenten kunnen diversemaatregelen inzetten om koopwoningen te realiseren voor een lagereprijs in projecten die financieel haalbaar zijn. Gemeenten kunnen bijgronduitgifte bijvoorbeeld een lagere grondprijs hanteren voor grondenwaarop betaalbare koopwoningen worden gerealiseerd, in ruil voor eenlagere verkoopprijs van de gerealiseerde koopwoning. Bouwkostenkunnen worden beperkt door de inzet van modulaire bouw. Ook metstedenbouwkundige uitgangpunten hebben gemeenten invloed op dekosten, zodat de gebiedsontwikkeling ook met lagere koopprijzen uit kan.Een voorbeeld van dergelijk stedenbouwkundig uitgangspunt is om ook tevoorzien in een aandeel kleinere koopwoningen met voldoende kwaliteit.De bouw van kleinere woningen sluit ook aan bij de demografischeontwikkelingen waarbij het aantal huishoudens met één persoon zaltoenemen. Daarnaast zijn er koopstartregelingen in samenhang metkoopwoningen onder deze bovengrens.Tot slot is van belang dat consequent programmeren van de bouw vantwee derde betaalbare woningen en 30 procent sociale huur na verloopvan tijd een neerwaarts effect zal hebben op de grondprijzen en daarmeeeen positief effect op de financiële uitvoerbaarheid van de bouw vanbetaalbare koopwoningen onder de bovengrens. Deze grondprijzen zijn deafgelopen periode juist gestegen door de stijging van de huizenprijzen insamenhang met de lage rentestand.3.4 Wijzigingen in de Woningwet 3.4.1 Verhouding tot het volkshuisvestingsprogramma Vraag 113De leden van de NSC-fractie constateren dat het gemeentelijk volkshuis-vestingsprogramma een centrale rol zal krijgen. Deze leden vragen deregering hoe zij aankijkt tegen de gedachte om het geldende uitvoerings-programma voor de woonvisie, wat nagenoeg alle gemeente hebben, tebeschouwen als volkshuisvestingsprogramma om parallelle adminis-traties te voorkomen, doordat er op voorhand extra eisen gesteld worden. Het wetsvoorstel houdt er rekening mee dat de woonvisies op grond vande Woningwet van gemeenten geschikt kunnen zijn om als volkshuisvesti-gingsprogramma te functioneren. In het overgangsrecht bij hetwetsvoorstel staat dat een woonvisie van een gemeente gelijkgeschakeldwordt aan een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma als dewoonvisie voldoet aan de eisen die in het ontwerpbesluit zijn gesteld aande inhoud van het volkshuisvestingsprogramma.3.4.2 Lokale prestatieafspraken Vraag 114De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom gemeenten nietverplicht worden om de volledige sociale huurvoorraad, inclusiefparticuliere sociale huurwoningen, te benutten voor de huisvesting vanwettelijk urgent woningzoekenden. Nu dit niet verplicht is, bestaat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2074 risico dat kwetsbare woningzoekenden geconcentreerd worden inbepaalde corporatiebuurten, terwijl particuliere sociale huur wel meeteltin de totale sociale huurvoorraad van een gemeente. De leden van de CDA-fractie vragen waarom gemeenten niet verplichtworden om ook alle particuliere sociale huurwoningen in een gemeente tebenutten voor het huisvesten van wettelijke urgente woningzoekenden.Gemeenten hebben de beleidsvrijheid om zelf te bepalen welke catego-rieën van woonruimte zij afbakenen voor de huisvesting van urgentwoningzoekenden. In de praktijk zie ik dat er weinig gemeenten zijn diedoor middel van hun huisvestingsverordening (een deel van) de particu-liere sociale huurwoningen in hun gemeente inzetten voor de huisvestingvan urgent woningzoekenden. Of dit in een gemeente wenselijk en eennoodzakelijke inbreuk op het eigendomsrecht van particuliere verhuurdersis, is niet op nationaal niveau te bepalen: dit vergt een lokale afweging.Vraag 115De leden van de CDA-fractie leden vragen de regering waarom bij hetbepalen van de instructieregel voor gemeenten wordt uitgegaan van eensociale huurvoorraad die boven of onder het landelijk gemiddelde van27 procent ligt. Waarom is niet gekozen voor 30 procent, zodat gemeentendie daaronder zitten stapsgewijs naar dit percentage kunnen groeien? Isde regering bereid deze norm aan te passen naar 30 procent?De leden van de CDA-fractie vragen naar de reden om te kiezen voor hetlandelijke aandeel sociale huur als ijkpunt voor de gemeentelijkeinstructieregels en niet een vast aandeel van 30 procent sociale huur. Ikverwijs voor het antwoord op deze vraag naar mijn antwoord op degelijkluidende vraag van de leden van de SP-fractie (vraag 25).Vraag 116De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe prestatieafsprakenworden gekoppeld aan daadwerkelijke realisatie in plaats van enkelprogrammatische plannen.Ik verwijs voor het antwoord op deze vraag naar mijn antwoord opvraag 14. In dat antwoord daarin licht toe ik toe dat de Nationale Prestatie-afspraken met het wetsvoorstel deel gaan uitmaken van het nationalevolkshuisvestingsprogramma, waardoor zowel in het provinciale als hetgemeentelijke volkshuisvestingsprogramma aandacht moet wordenbesteed aan de realisatie van die doelen. Op die manier is er eendoorwerking van de Nationale Prestatieafspraken in het provinciale en hetgemeentelijke volkshuisvestingsprogramma.Vraag 117De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de regionaleafstemming tussen gemeenten vorm krijgt om de doelstelling van tweederde betaalbare woningen en 30 procent sociale huur te behalen. In deTweede nota van wijziging wordt gesteld dat gemeenten op grond van deinstructieregel één specifieke opdracht krijgen: 30 procent sociale huur of40 procent middenhuur/betaalbare koop. Dit impliceert dat verdereregionale afstemming noodzakelijk is. Hoe wordt deze afstemminggeorganiseerd? Binnen welke termijn dient deze afstemming te zijnbereikt? Wie neemt de uiteindelijke beslissing indien er geen overeen-stemming wordt bereikt? Welke handhavingsmaatregelen zijn beschikbaarindien gemeenten hun afspraken niet nakomen?Zoals ik in het antwoord op vraag 48 heb toegelicht wordt met hetvoorgenomen ontwerpbesluit de balans gezocht tussen enerzijdswaarborgen en kaders voor de doelstelling van twee derde betaalbaar enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2075 30 procent sociale huurwoningen programmeren, en anderzijds hetbieden van lokale ruimte. Dit betekent inderdaad dat gemeenten onderregie van de provincie onderling overleggen over de verdeling vanbetaalbare woningen om tot dit resultaat te komen, binnen de kaders vande instructieregels. Op basis van de samenwerking die tot stand isgekomen bij de woondeals en die ook blijkt uit de Woontopafspraken hebik hier vertrouwen in.Waar bestuurlijk overleg niet tijdig in een verdeling resulteert biedt ditwetsvoorstel de mogelijkheid voor provincies en Rijk om een instructie tegeven over deze verdeling in het volkshuisvestingsprogramma of overopname van woningbouwlocaties in het omgevingsplan. In veel gevallenwerkt dit instrumentarium al als stok achter de deur. Er is geen beroepmogelijk tegen instructieregels of tegen een instructiebesluit dat gericht isop een volkshuisvestingsprogramma. Tegen een instructiebesluit datgericht is op een omgevingsplan is beroep mogelijk bij de (gewijzigde)vaststelling van het omgevingsplan.Vraag 118De leden van de CDA-fractie vragen de regering of woningcorporaties enhuurdersorganisaties meebeslissen over de vraag of het realiseren van30 procent sociale huur in een gemeente niet passend is. Daarnaastvragen zij de regering om toe te lichten hoe de afstemming tussengemeenten in een regio vorm krijgt. Wordt deze afstemming niet tevrijblijvend? Zou de regering willen reflecteren op de mogelijkheid omeen afwijking van de 30 procentnorm enkel toe te staan indien hieroverovereenstemming is bereikt met andere gemeenten en de provincie? In deNationale Prestatieafspraken 2025–2035 is opgenomen dat afwijkingenalleen kunnen worden onderbouwd door volkshuisvestelijke overwe-gingen. Financiële motieven, zoals een lagere opbrengst van sociale huurof de kosten van grond en vastgoed, zijn geen geldige reden om af tewijken. Welke mogelijkheden ziet de regering bereid om deze afspraak uitde Nationale Prestatieafspraken over te nemen in de Wet versterking regievolkshuisvesting?De leden van de fractie van het CDA vragen de regering of woningcorpo-raties en huurdersorganisaties meebeslissen over de vraag of hetrealiseren van 30 procent sociale huur in een gemeente niet passend is.Het kabinet is niet voornemens om inspraak van de corporaties te regelenbij een besluit tot ontheffing van het percentage te programmeren socialehuurwoningen. Wel is afstemming met andere gemeenten in dewoningbouwregio vereist. Daarbij kunnen gemeenten ook corporatiesbetrekken. Gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisatiesmaken lokale prestatieafspraken met elkaar om tot uitvoering te komenvan het gemeentelijk beleid voor de realisatie van sociale huur.De leden van de fractie van het CDA vragen voorts hoe de afstemmingtussen gemeenten in de regio vorm krijgt, en of deze niet te vrijblijvendwordt. De leden vragen de regering te reflecteren op de mogelijkheid omeen afwijking van de 30 procent-norm alleen dan toe te staan indiendaarover overeenstemming is met andere gemeenten en de provincie. Inmijn antwoord op vraag 30 en 48 licht ik toe dat het uitgangspunt is datgemeenten in goed overleg en onder regie van de provincie afsprakenmaken over de onderlinge verdeling om regionaal bovengenoemdedoelstelling te realiseren. Wanneer bestuurlijk overleg niet of niet tijdig toteen verdeling leidt, kan de provincie of het Rijk via instructieregels ofinstructies de betaalbaarheidsprogrammering voorschrijven aan eengemeente.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2076 Zoals de leden van de fractie van het CDA aanhalen, is in de NationalePrestatieafspraken 2025–2035 opgenomen dat afwijkingen van derealisatie van 30 procent sociale huur in de nieuwbouw mogelijk zijnwanneer de onderbouwing hiervan ligt in overwegingen van volkshuis-vestelijke aard. De leden van de CDA-fractie vragen zich af welkemogelijkheden er zijn om deze afspraak over te nemen in hetwetsvoorstel. Dit uitgangspunt heb ik overgenomen in de uitwerking vande ontheffing: een ontheffing moet onderbouwd zijn met redenen vanvolkshuisvestelijke aard en mag bovendien niet leiden tot het niet halenvan de regionale doelstelling van 30 procent sociale huur.Vraag 119De leden van de CDA-fractie vragen de regering of herstructureringsur-genten voorrang krijgen op wettelijk urgent woningzoekenden, zodatwoningbouwprojecten niet onnodig worden vertraagd.Gemeenten moeten in de woningmarktregio afspraken maken over deverdeling van wettelijk urgent woningzoekenden. Gemeenteradenbehouden de beleidsvrijheid om andere groepen woningzoekendenaanvullend aan te merken als urgent woningzoekenden in de huisves-tingsverordening, bijvoorbeeld met het oog op herstructeringsprojecten.Voor de wettelijk urgenten geldt dat gemeenten geacht worden inregionaal verband afspraken te maken over de toewijzing van verplichturgent woningzoekenden. Dat kan voor een gemeente leiden tot eenhoger of lager percentage dan de voorgenomen vijftien procent die gaatgelden als gemeenten er met elkaar niet uitkomen. Gemeenten kunnenniet aan meer gehouden worden dan de gemaakte afspraken in dewoningmarktregio over de toewijzing van vrijkomende woonruimte aanverplicht urgent woningzoekenden of het toewijzen van het voorgenomenpercentage van vijftien procent van de woonruimte dat gaat gelden alsgemeenten niet tot afspraken komen in de regio. Een gemeente metherstructuringsprojecten houdt hierdoor ruimte in de vrijkomendewoonruimte om deze groep aanvullend in de urgentieregeling van dehuisvestingverordening op te nemen.3.4.3 Flexwoningen Vraag 120De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie geloven in een socialehuurvoorraad die structureel is. Deze leden vragen zich daarom af hoe deregering gaat voorkomen dat gemeenten met weinig sociale huur hunplicht om 30 procent sociale huurwoningen te bouwen, grotendeels ofvolledig invullen met de bouw van tijdelijke flexwoningen. Deelt deregering de mening dat we ons dan rijk rekenen met een sociale voorraaddie niet structureel is? Hoe ziet de regering de rol van flexwoningen in dewoningvoorraad en op welke manier waarborgt ze dat gemeentenflexwoningen breder gaan inzetten als doekje voor het bloeden? Dat beeld herken ik niet. Gemeenten krijgen met het ontwerpbesluit deverplichting om in hun volkshuisvestingsprogramma expliciet te makenhoe de opgave, de woningvoorraad en de woonbehoefte zich ontwikkelenen hun programmering daarop aan te passen. Dat betekent datgemeenten de opgave om 30 procent te programmeren alleen kunneninvullen met flexwoningen als dit aansluit op de gemeentelijke woonbe-hoefte. In bredere zin geldt dat gemeenten, woningcorporaties enontwikkelaars goede redenen hebben om flexwoningen toe te voegen aande woningvoorraad. Zij willen net als het kabinet de mogelijkhedenbenutten van innovatieve, conceptuele en industriële bouw om dewoningbouw sneller, betaalbaarder, duurzamer en klimaatadaptief temaken. Op de Woontop is onder meer door de VNG, Aedes, BouwendTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2077 Nederland en de Neprom het streven van het kabinet omarmd om in 2030de helft van de nieuwbouw woningen industrieel te bouwen. Flexwo-ningen komen rechtstreeks uit een woningfabriek en zijn daarmeeonderdeel van dit streven. Deze woningen hebben tegenwoordig eenhoogwaardige kwaliteit die minstens gelijkwaardig is aan de kwaliteit vantraditioneel gebouwde (sociale huur) woningen. Ze worden vaak schoonen emissieloos gebouwd met biobased materialen.Met flexwoningen kunnen locaties worden benut waar permanentewoningbouw (nog) niet mogelijk is, of kan gestart worden met groot-schalige gebiedsontwikkeling en herstructuring van wijken. Met dezeverplaatsbare woningen kan ingespeeld worden op demografischeontwikkelingen in een regio en met klimaatontwikkelingen. Onder dedoelstelling van industrieel en conceptuele woningbouw, blijft het kabinetdus inzetten op het bouwen van flexwoningen. De flexwoningen wordenbenut in het hele huursegment (ook in het middenhuursegment en in devrije sector). Daar waar de woningen onderdeel uitmaken van de socialehuurvoorraad, zal bij verplaatsing naar een andere gemeente de socialehuurvoorraad opnieuw aangevuld moeten worden.Ik zie flexwoningen als een belangrijke manier om op snelle wijze tevoorzien in woningen voor bijvoorbeeld spoedzoekers.Vraag 121De leden van de CDA-fractie vragen de regering inzichtelijk te makenhoeveel extra woningen vergunningvrij bouwen oplevert.Er zijn hierover geen cijfers beschikbaar. Wel komt uit een onderzoek vanonderzoek van Achmea, MantelzorgNL en ZorgSaamWonen naar vorendat in Nederland in potentie 100.000 mantelzorgwoningen kunnen wordengeplaatst. Daarbij is gekeken naar 45-plussers die een koophuis hebbenmet een tuin van 80 m2 of groter. Als het gaat om tuinen van meer dan50 m2 is de potentie bijna 120.000 woonunits.28Vraag 122De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom vergunningvrijbouwen in het buitengebied alleen gericht is op zelfstandig wonen en nietbijvoorbeeld op huisvesting van thuiswonende kinderen die geenpassende woning kunnen vinden.Met het ontwerpbesluit wil ik voorzien in de huisvesting van familieledenin de eerste graad en dus ook thuiswonende kinderen. Het is de bedoelingom de regeling voor vergunningvrij bouwen en gebruiken bijbehorendebouwwerken op het achtererf voor huisvesting in verband met mantelzorg(mantelzorgwoningen) te verruimen en ook van toepassing te laten zijn ophuisvesting voor familieleden in de eerste graad, te weten de partner (viahuwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract), de ouders(inclusief stiefouders en adoptieouders), (schoon)ouders, kinderen(inclusief stiefkinderen en adoptiekinderen) en schoondochters enschoonzonen. Dat betekent deze zogenaamde familiewoningen ookkunnen worden gebruikt voor de huisvesting van kinderen.4. Verhouding tot andere nationale regelgeving en hoger recht 4.1 Grond- en mensenrechten 4.1.1 Toegang tot de rechter Vraag 12328Potentie nu al ruim 100.000 mantelzorgwoningen in Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2078 De leden van de NSC-fractie lezen dat wanneer de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State voor beroepen tegen besluiten als bedoeldin het eerste lid advies inwint van de Stichting Advisering Bestuursrecht-spraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, die stichting binnen tweemaanden na het verzoek advies uitbrengt. Deze leden vragen de regeringof dit tot extra kosten of vertraging van andere zaken kan leiden en vragenom onderbouwing van het antwoord. Het wetsvoorstel voorziet – naar analogie van de regeling in artikel 1.6,derde lid, van de voormalige Crisis- en herstelwet – in een adviestermijnvoor de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) van tweemaanden Bij beroepen op het terrein van het omgevingsrecht wint debestuursrechter veelvuldig advies in van de StAB over één of meermilieutechnische of planologische aspecten van het besluit die door eenappellant aan de orde zijn gesteld. Het tijdsverloop dat met de adviseringdoor de StAB is gemoeid, heeft een belangrijke invloed op de totale duurvan de beroepsprocedure. Thans vergt een StAB-advies gemiddeld driemaanden.29 Gelet op de maatschappelijke urgentie van de projectenwaarop artikel 16.87 van toepassing is, is van belang dat de StAB in depositie is om met voorrang en dus sneller, te kunnen adviseren in dezezaken. Het met voorrang behandelen van deze zaken vereist aanpassingomdat hiervoor een apart werkproces moet worden ingericht en hiervooris een (mogelijke) uitbreiding van de capaciteit noodzakelijk. Samen metde Staatssecretaris Rechtsbescherming bekijk ik hoe hierin voorzien kanworden.5. Uitvoering Vraag 124De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de gemeenten metvoorliggend wetsvoorstel extra taken op zich krijgen. De VNG geeft aandat deze deels in beeld zijn gebracht maar dat daarvoor nog onvolledigefinanciële compensatie is toegezegd. Deze leden vragen de regering zorgte dragen voor afdoende financiële middelen om de gemeenten in staat testellen hun taak in de volkshuisvesting uit te voeren.In het artikel 2-onderzoek dat op grond van de Financiële-verhoudingswetis uitgevoerd voor het wetsvoorstel en onderliggende regelgeving, isgeïnventariseerd welke extra werkzaamheden gemeenten en provinciesmet de voorgestelde wijzigingen krijgen. Het onderzoek geeft daarnaasteen onderbouwing van de eenmalige en structurele financiële gevolgenvan de extra taken. Hiervoor worden gemeenten en provincies gecompen-seerd.Vraag 125De leden van de ChristenUnie-fractie hebben zorgen over de uitvoer-baarheid van de wet voor kleine gemeenten. Zij ontberen vaak specialis-tische kennis om goed sturing te geven op hun volkshuisvestelijkeopgave. Zij vinden dat het voorliggend wetsvoorstel daar onvoldoenderekenschap van geeft. Dat geldt niet alleen voor uitvoering van voorlig-gende wet, maar ook in bredere zin voor het voorzien in voldoende goedgeëquipeerde ambtenaren die vergunningverlening, toezicht enhandhaving kunnen vormgeven. Zij vragen de regering hierop tereflecteren.Ik herken dat kleinere gemeenten niet zonder meer over voldoendecapaciteit beschikken om de extra werkzaamheden die met ditwetsvoorstel voorgesteld worden, uit te voeren. In het artikel 2-onderzoek29Jaarverslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak over 2023, p. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2079 is geprobeerd dit zoveel mogelijk te ondervangen door onderscheid aan tebrengen tussen de (financiële) gevolgen die de extra werkzaamhedenhebben voor grote, middelgrote en kleine gemeenten. Op die manierwordt zoveel mogelijk rekening gehouden met onderlinge verschillen.Op de Woontop is afgesproken dat Rijk, IPO en VNG gezamenlijkvoldoende «meedoekracht» in de woningbouwregio’s gaan organiseren.Onderdeel van de afspraken is een ondersteuningsprogramma voordecentrale overheden, zodat zij binnen vijf jaar zelfstandig zonder extrasteun kunnen functioneren. Opschaling vraagt om een gestructureerde enprogrammatische aanpak, vastgelegd in een interbestuurlijk samenwer-kingsplan. Dit plan wordt nu gezamenlijk met het Ministerie van Volks-huisvesting en Ruimtelijke Ordening, het IPO en de VNG verder vormgegeven, samen met marktpartijen en corporaties, waarbij goed wordtnagedacht over hoe de schaarse capaciteit, kennis en deskundigheidgericht in gebieden en projecten in te zetten. Daarnaast wordt met deRealisatiestimulans financiële ondersteuning beschikbaar gesteld om deuitvoeringskracht op korte termijn te versterken. De vorm van dezefinanciële ondersteuning wordt op dit moment nader uitgewerkt.Vraag 126De leden van de ChristenUnie-fractie hebben in algemene zin zorgen overde uitvoering de volkshuisvestelijke opgave nu de financiering lijkt testokken. Projecten met een onrendabele top dreigen niet van de grond tekomen, zeker niet als het kleinere projecten betreft. Met name kleinegemeenten of grotere gemeenten die bestaan uit een veelvoud kleinekernen hebben hier last van. Zij kennen geen of nauwelijks grootschaligeuitleglocaties, waar bovenwijkse voorzieningen eenvoudiger te dekkenzijn. De kleinere woningbouwlocaties in deze kernen of gemeentendreigen daardoor stil te vallen. Zij vragen of de regering het relatievevoordeel van grootschalige ontwikkelingen ten opzichte van kleinscha-ligere ontwikkelingen herkent, inclusief de constatering dat kleinschaligereontwikkelingen eerder stil (dreigen te) vallen. Zij constateren dat hetvoorliggende voorstel hier geen antwoord op biedt. Zij vragen de regeringhoe zij zicht inspant het stilvallen van kleinschaligere projecten tevoorkomen – niet in de laatste plaats omdat dit vaak in kleinere kernen inde regio plaats vindt.De leden van de ChristenUnie-fractie geven aan dat kleine woningbouw-projecten met een onrendabele top dreigen niet van de grond te komen,mede omdat vanuit deze projecten de bovenwijkse voorzieningen moeilijkte dekken zijn. Het geschetste beeld herken ik niet volledig. Kleineprojecten die relatief makkelijk zijn in te passen en aan te sluiten op debestaande infrastructuur en voorzieningen zijn naar mijn meningmakkelijker te realiseren. Wel kunnen deze projecten meer weerstandoproepen bij omwonenden omdat ze vaak worden gerealiseerd bij ofvlakbij bestaande woonkernen en daarmee impact hebben op de directeomgeving van de bewoners.Als door meerdere kleine ontwikkelingen in meerdere kernen aanpas-singen aan de (regionale) infrastructuur noodzakelijk zijn, dan zijn diekosten inderdaad lastig te verhalen op de ontwikkelingen door hetbovenregionale karakter van de infrastructuur. In het kader van hetonderzoek «Planbaten of een vergelijkbaar systeem» denk ik ook na overmogelijkheden om regionale verevening van investeringen in bovenregi-onale infrastructuur mogelijk te maken.Het voorliggende wetsvoorstel biedt in zoverre een antwoord op deproblematiek dat het met beroep in één instantie beroepsproceduresversnelt. Met de Realisatiestimulans maak ik financiële ondersteuningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2080 voor kleine woningbouwprojecten mogelijk. Deze ondersteuning was ereerder niet.5.1 Omgevingswet Vraag 127De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen datnieuwe woningen op agrarische percelen de bedrijfsvoering vanagrarische bedrijven juridisch beperken.De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen datnieuwe woningen op agrarische percelen de bedrijfsvoering vanagrarische bedrijven juridisch beperken. Het uitgangspunt is dat degemeente primair verantwoordelijk is voor de realisatie van de woning-bouwopgave. Welke locatie binnen de gemeente zich het beste leent alswoningbouwlocatie zal dan ook op gemeentelijk niveau besloten worden.Dit met inachtneming van de motie Keijzer/Pierik (BBB)30 waarin werdverzocht om wet- en regelgeving actief aan te passen om het ombouwenvan leegstaande stallen en schuren tot woningen mogelijk te maken.Daarbij zal de gemeente toetsen of er sprake is van een evenwichtigetoedeling van functies aan locaties. Bij deze afweging zal ook rekeningworden gehouden met het effect van de realisatie van de woningbouwlo-catie voor de bedrijfsvoering op nabijgelegen percelen. Daarbij geldt dateen wijziging van het omgevingsplan niet mag leiden tot een oneven-redige beperking van de bedrijfsvoering. Dit betekent dat de realisatie vanwoningbouw op een locatie in nabijheid van agrarische bedrijven goed opelkaar afgestemd moet worden.5.2 Huisvestingswet 2014 Vraag 128De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de effectiviteit van dehier genoemde maatregelen wordt gemonitord.De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de effectiviteit van dehier genoemde maatregelen wordt gemonitord. De effecten van devoorgestelde wijzigingen van de Huisvestingswet 2014 om te komen toteen verdeling van urgent woningzoekenden over de regio wordenversneld geëvalueerd, namelijk drie jaar na de inwerkingtreding van ditwetsvoorstel. Voor de wijzigingen van de Huisvestingwet 2014 waar hetwetsvoorstel in voorziet, geldt dat er tevens een monitoringsartikel istoegevoegd. Gemeenten krijgen de plicht om het volgende te monitoren:–het aantal aanvragen voor indeling in een urgentiecategorie;–het aantal besluiten met toedeling in een urgentiecategorie;–het aantal woonruimten dat in gebruik is genomen op grond van eenhuisvestingsvergunning op basis van indeling in een urgentiecatego-rie; en–de urgentiecategorieën waarvoor een huisvestingsvergunning op basisvan urgentie is verleend.Hierdoor ontstaat er – achteraf – een goed beeld van de omvang van hetaantal verplicht urgent woningzoekenden. Deze informatie kan telkensworden gebruikt voor actualiseren van het volkshuisvestingsprogrammaen tevens dienen als informatie voor de versnelde evaluatie van ditonderdeel van het wetsvoorstel.6. Toezicht en handhaving Vraag 12930Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 847, nr. 1145.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2081 De leden van de SP-fractie hebben een aantal vragen over toezicht enhandhaving. Hoe wordt interbestuurlijk toezicht ingezet om ervoor tezorgen dat de betaalbaarheidsdoelstellingen worden gehaald? Welkesancties volgen als gemeenten niet voldoen aan de volkshuisvestings-normen?In mijn antwoord op vraag 48 en 116 beschrijf ik het vertrekpunt van ditwetsvoorstel, namelijk dat gemeenten in goed overleg en onder regie vande provincie afspraken maken over de onderlinge verdeling om regionaalbovengenoemde doelstelling te realiseren. Mocht bestuurlijk overleg nietof niet tijdig tot een verdeling leiden, dan kan de provincie of het Rijk viainstructieregels of instructies de betaalbaarheidsprogrammeringvoorschrijven aan een gemeente.De kern van dit wetsvoorstel is dat de bestuurlijke afspraken overbetaalbare woningen ook worden verankerd in het volkshuisvestingspro-gramma. Deze afspraken zijn dus niet vrijblijvend.Mocht een gemeente zich niet aan de afspraak houden, dan zal altijd eerstbestuurlijk overleg worden gevoerd. Wanneer overleg niet tot resultaatleidt zullen provincie en Rijk waar nodig sturen met een instructieregel of-besluit. Het wetsvoorstel bevat een aanvullende bevoegdheid voor deMinister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om een provinciete verplichten een opdracht te geven aan een of meer gemeenten (eengetrapte instructie). Een instructie leidt tot een verplichtende provincialeopdracht aan de gemeente, bijvoorbeeld om het omgevingsplan aan tepassen conform de instructie binnen een in de instructie gestelde termijn.Indien de gemeente deze instructie niet, niet volledig of niet tijdig uitvoert,kunnen Rijk of provincie het instrumentarium van interbestuurlijk toezichttoepassen. In uiterste gevallen kan dit leiden tot indeplaatstredingwanneer er sprake is van taakverwaarlozing. In dat geval stellen hetcollege van gedeputeerde staten of de Minister – in de plaats van degemeenteraad – de vereiste wijziging van het omgevingsplan vast, opkosten van de gemeente. Een juridische interventie vergt een zorgvuldigeafweging. Daarbij moet het nationale belang vanwege de volkshuisves-tingsdoelen afgewogen worden tegen andere betrokken belangen.6.1 Interbestuurlijk toezicht Vraag 130De leden van de D66-fractie ondersteunen op hoofdlijnen de maatregelendie ervoor moeten zorgen dat het Rijk en provincie instructies kunnengeven om voldoende betaalbare woningen te bouwen. Waarom heeft deregering er niet voor gekozen om gemeenten ook instrumenten te gevenom het Rijk en provincie te kunnen aanspreken op hun acties als dieervoor zorgen dat zij in hun gemeenten onvoldoende woningen kunnenbouwen? Heeft de regering opties hiervoor overwogen en waarom heeftde regering hier uiteindelijk niet voor gekozen?Het realiseren van de woningbouwopgave vraagt om intensieve samen-werking tussen overheden onderling. Onderdeel daarvan is dat alleoverheden, in aansluiting bij hun taak en bevoegdheden, zich maximaalinzetten om de woningbouwopgave te realiseren. Op de Woontop zijnafspraken gemaakt over onderwerpen die ook nodig zijn om dewoningbouw te versnellen, zoals netcongestie. Dit zijn wederkerigeafspraken, dat wil zeggen dat ik voor gemeenten bestuurlijk daaropaanspreekbaar ben. Instructies worden (veelal) gegeven als dat nodig isom bevoegdheden van decentrale overheden in te kaderen, met het oogop het behartigen van een provinciaal of nationaal belang. Om die redenzijn gemeenten niet bevoegd om instructies te geven aan Rijk of deprovincie. Dat zou ook niet passen bij de bestuurlijke indeling vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2082 Nederland als gedecentraliseerde eenheidsstaat. Bovendien is een van deuitgangspunten van de Omgevingswet: decentraal, tenzij. Hier wordt methet wetsvoorstel bij aangesloten in die zin dat er zoveel als mogelijk wordtovergelaten ter uitvoering aan gemeenten. De «tenzij» wordt met hetwetsvoorstel ingevuld met de volgens de regering op dit momentnoodzakelijke kaders om de opgave voor het bouwen van voldoendebetaalbare woningen te realiseren.7. Financiële gevolgen Vraag 131De leden van de SP-fractie vragen of gemeenten die méér dan 30 procentsociale huur bouwen toegang houden tot financiële regelingen vanuit hetRijk. Wat zijn de financiële gevolgen voor gemeenten zonder bouwplicht,maar met een verantwoordelijkheid om landelijk op 30 procent te komen?Op dit moment bereidt mijn ministerie de vormgeving van de financiëleregelingen voor, waaronder de Realisatiestimulans en de herziening vande Woningbouwimpuls. Ik ben voornemens de Realisatiestimulans zo in terichten dat gemeenten jaarlijks een bijdrage ontvangen voor het aantalgerealiseerde betaalbare woningen.7.1 Financiële gevolgen voor gemeenten Vraag 132De leden van de NSC-fractie lezen dat er gestuurd gaat worden op debouw van 30 procent sociale huurwoningen waarvoor gemeenten ookfinancieel ondersteund zullen worden. Deze leden vragen de regering ofgemeenten die meer dan 30 procent sociale huur gaan realiseren ook voorhet aandeel boven de 30 procent gefinancierd gaan worden en of zij hetantwoord kunnen onderbouwen.Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 24, waarin ik inga op devormgeving van financiële regelingen.ARTIKELSGEWIJS Artikel I Algemene wet bestuursrechtVraag 133De leden van de D66-fractie hebben begrip voor het opnemen van eeninstructie vanuit gedeputeerde staten of de Minister van Volkshuisvestingen Ruimtelijke Ordening op de negatieve lijst van de Awb, maar hebbenhier nog wel enkele vragen over. Hoe wordt voorkomen dat gemeenten devoorkeur krijgen om zaken via een instructie te laten lopen omdat op diemanier de beroepsprocedure omzeild kan worden? Ziet de regering ditrisico ook en hoe zal daarop ingespeeld worden? Klopt het dat elders inhet wetsvoorstel de bevoegdheid voor een instructie juist bij de Ministervan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ligt en vallen dezeinstructies dan alsnog onder deze bepaling? Wordt dit risico niet juistgroter als straks het geval blijkt dat de rechtspraak besluiten van degemeenteraad vernietigt die in strijd zijn met het gemeentelijk woning-bouwprogramma en dat de enige route om een plan alsnog aan te nemenis door een instructie te krijgen, waar een ontheffingsmogelijkheid ingeboden is (zoals wordt aangekondigd in de memorie van toelichting)?Hebben gemeenten dan nog andere mogelijkheden tot hun beschikkingom af te wijken van hun gemeentelijk volkshuisvestingprogramma, zo neewelke wetswijzigingen zouden nodig moeten zijn om dat op zorgvuldigewijze mogelijk te maken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2083 De leden van de D66-fractie hebben vragen gesteld over de werking vande instructie en de ontheffing in relatie tot het wetsvoorstel en demogelijkheden om beroep in te stellen tegen een verleende instructie ofontheffing. Een instructie is één van de sturingsinstrumenten waaroverhet Rijk en provincies beschikken. Het instrument instructie bestaat al inde Omgevingswet, maar met het wetsvoorstel wordt de grondslag voorhet verlenen van een instructie verbreed. Hierdoor is het voor het Rijk enhet provinciebestuur mogelijk om met een (getrapte) instructie te sturenop de inhoud van het omgevingsplan – als dat nodig is met het oog opeen evenwichtige toedeling van functies aan locaties – en op hetvolkshuisvestingsprogramma. Instructies op het volkshuisvestingspro-gramma kunnen dus – net als op het omgevingsplan – zowel door het Rijk(Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) als door deprovincie (gedeputeerde staten) worden gegeven. Een instructie is eenindividueel besluit dat zich richt op één gemeente.Een instructie is een juridisch bindende opdracht van een provincie of hetRijk die de gemeente moet opvolgen. Deze bevoegdheid kan alleenworden uitgeoefend als sprake is van een provinciaal of nationaal belangen dat belang onvoldoende doelmatig en doeltreffend door de gemeentewordt behartigd. Een juridische interventie vergt een zorgvuldigeafweging. Voordat het Rijk of de provincie een instructie geeft voeren zeverplicht overleg met het bestuursorgaan waaraan de instructie wordtgegeven.Voorgesteld wordt in de tweede nota van wijziging een instructie(besluit)op het volkshuisvestingsprogramma op de zogenaamde «negatieve lijst»van de Algemene wet bestuursrecht te zetten. Tegen deze instructie staatdus geen beroep open. Tegen het volkshuisvestingsprogramma staat ookgeen beroep open, het betreft namelijk een beleidsdocument en dit isgeen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wetbestuursrecht. Tegen dergelijke beleidsdocumenten staat geen beroepopen. Door de instructie ook van beroep uit te zonderen wordt één lijngehanteerd. Hierdoor is geen sprake van het omzeilen van beroep.Daarnaast biedt de Omgevingswet en het wetsvoorstel de mogelijkheidom een (getrapte) instructie te geven op het omgevingsplan. Tegen dezeinstructie staat wel beroep open, namelijk tegelijkertijd met het beroeptegen de wijziging van het omgevingsplan waarmee toepassing wordtgegeven aan de instructie. Het beroep wordt behandeld door de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State.31Het instrument ontheffing ziet niet op een individuele instructie, maar opinstructieregels. Instructieregels zijn opgenomen in het Besluit kwaliteitleefomgeving. In het ontwerpbesluit zijn instructieregels over de inhoudhet volkshuisvestingsprogramma opgenomen die leiden tot een wijzigingvan het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het besluit is een mogelijkheidopgenomen voor de provincie en het Rijk om een ontheffing te verlenenvan de instructieregel over de te realiseren percentages sociale huur enmiddelhuur, deze bevoegdheid is begrensd. Gemeenten met een socialevoorraad van minder dan het landelijk gemiddelde mogen een lagerpercentage dan 30 procent sociale huurwoningen programmeren in hetvolkshuisvestingsprogramma als dat om redenen van volkshuisvestelijkeaard niet passend is én niet nodig is om op regionaal en provinciaalniveau twee derde betaalbaar en 30 procent sociale huurwoningen terealiseren. Met de ontheffing is het voor gemeenten dus niet mogelijk omvan het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma af te wijken.31Artikel 16.85, tweede lid, van de Omgevingswet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2084 Artikel III OmgevingswetVraag 134De leden van de D66-fractie ondersteunen de wijziging om de experimen-teerregel aan te passen waarmee per ministeriële regeling gemeentenkunnen worden toegevoegd aan een experiment, zodat dit snel en flexibeltoegepast kan worden. Kan de regering een overzicht geven van andereexperimenteerbepalingen in andere wetten waarin uitbreiding van hetaantal gemeenten niet per ministeriële regeling gebeurt en kan deregering aangeven waarom deze zelfde aanpassing daar ook niet kanplaatsvinden? Is de regering bereid om hierop één lijn te trekken en zonee, waarom niet?Experimenteerbepalingen verschillen per beleidsterrein en zijn daaromniet per definitie een-op-een vergelijkbaar. Zo worden veel experimenten,bijvoorbeeld op grond van de experimenteerbepaling in de Wegenver-keerswet 1994 (artikel 186) en in de Woningwet (artikel 61u), juist nietbeperkt tot een specifiek gebied of een specifieke gemeente, maar geldendeze landelijk. Om die reden is voor veel andere experimenteerbepalingende voor de experimenteerbepaling van de Omgevingswet voorgesteldeaanpassing dat het toepassingsbereik op verzoek van het vertegenwoor-digend orgaan van een bestuursorgaan kan worden uitgebreid, niet vantoegevoegde waarde.Onderdelen B en C (artikelen 2.33 en 2.34 Omgevingswet)Vraag 135De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de uitbreiding van hettoepassingsbereik van experimenten. Dit kan bij ministeriële regelinguitgebreid worden, zonder aanpassing van de AMvB. Welk kader wordtgebruikt om te bepalen of het toepassingsbereik uitgebreid moet worden?En hoe wordt bijvoorbeeld bepaald of en welke gemeenten onder eenbepaald experiment moeten vallen?De mogelijkheid om gebruik te maken van een ministeriële regeling zietalleen op het toevoegen van nieuwe gebieden aan bestaande experi-menten. De inhoud van deze bestaande experimenten is al vastgelegd bijalgemene maatregel van bestuur en deze heeft de reguliere procedurevan internetconsultatie, voorhang bij beide Kamers der Staten-Generaalen advies van de Afdeling advisering van de Raad van State doorlopen.De kaders voor afwijking van wet- en regelgeving kunnen niet bijministeriële regeling worden gewijzigd en zijn dus ook de kaderswaarbinnen bij ministeriële regeling toegevoegde gemeenten gebruikkunnen maken van het experiment. Deze systematiek is gelijk aan desystematiek zoals die gold onder de Crisis- en herstelwet.Uit de voorgestelde aanpassing van artikel 23.3 van de Omgevingswetvolgt dat een verzoek tot uitbreiding van het toepassingsbereik moetworden gedaan door een vertegenwoordigend orgaan van een bestuurs-orgaan, bijvoorbeeld de gemeenteraad of provinciale staten. Hiermee isde betrokkenheid van die organen geborgd bij deelname aan eenexperiment door als nieuw gebied aan een bestaand experiment teworden toegevoegd.Bij het uitbreiden van het toepassingsbereik zal door de Minister wordenbezien of het verzoek en hetgeen het vertegenwoordigend bestuursorgaandaarin verzoekt aansluit bij de inhoud van het desbetreffende experiment.Ook zal worden beoordeeld of een uitbreiding van het toepassingsbereiknog bijdraagt aan het bij algemene maatregel van bestuur vastgesteldedoel van het experiment. De mogelijkheid om het toepassingsbereik vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2085 bestaande experimenten uit te breiden, is immers niet bedoeld omvooruitlopend op de evaluatie van een experiment structureel af te wijkenvan een bij wet of algemene maatregel van bestuur gestelde regel.Wanneer echter de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot hetaanpassen van regelgeving en het experiment om die reden met het oogop aanpassing van die regelgeving is verlengd, is het mogelijk dat er opverzoek wel meer gemeenten aan het experiment zullen worden toege-voegd, zodat zij vooruitlopend op de aanpassing van die regelgeving alaan de slag kunnen. De toets zal in dat geval lichter zijn. Ook dan zullengemeenten alleen op verzoek worden toegevoegd.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 2086
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.